ECLI:NL:RBZWB:2026:5335
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448098 / JE RK 26-822
Datum uitspraak: 18 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonend op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Kalle uit Middelburg.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1..
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
een vertegenwoordigster van de GI.2. De feiten
2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .2.2.. Bij beschikking van 10 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2025 en tot 10 januari 2026. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 januari 2027.
2.3..
Bij beschikking van 25 november 2025 is een spoedmachtiging verleend om
[minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 25 november 2025 en tot 23 december 2025. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 juli 2026.
2.4.. Bij beschikking van 12 mei 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.2.5.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.3. Het verzoek
3.1.. De GI verzoekt onverwijld en zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.3.2.. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek.
4. De standpunten
4.1.. De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. Er is sprake van een dreigende situatie door de onvoorspelbaarheid van de ex-partner van de moeder. De ex-partner van de moeder weet namelijk waar de vader woont en de GI kan niet inschatten wat er zal gebeuren als hij naar de woning van de vader gaat. Wel weet de GI dat in het verleden sprake is geweest van fysieke agressie tussen de vader en de ex-partner van de moeder. De dreigende situatie vanuit de ex-partner van de moeder vormde aanleiding voor het spoedverzoek, maar dit neemt niet weg dat de GI al langere tijd zorgen heeft over de opvoedsituatie bij de vader. De GI wil daarom de mogelijkheden voor een gezinsopname bezien om te onderzoeken wat [minderjarige] op langere termijn nodig heeft en of de vader daarbij kan aansluiten. [minderjarige] heeft namelijk al veel meegemaakt en er is sprake van een licht verstandelijke beperking. Zij heeft dringend behandeling nodig, maar is op dit moment niet behandelbaar door de instabiliteit in haar omgeving. Het is belangrijk dat [minderjarige] rust krijgt. Deze rust kan worden geboden in het pleeggezin, waar [minderjarige] samen met haar halfzusje moederszijde (mz) verblijft.4.2.. De moeder stelt dat een voortzetting van de plaatsing in het pleeggezin op dit moment het beste is voor [minderjarige] . De moeder maakt zich namelijk zorgen over [minderjarige] in de thuissituatie van de vader. [minderjarige] heeft meer nodig dan de vader kan bieden en de moeder heeft niet het gevoel dat [minderjarige] veilig is bij de vader. De vader is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten en de moeder heeft zorgen over de seksuele ontwikkeling van [minderjarige] , onder meer doordat [minderjarige] langere tijd moeite heeft gehad met plassen. Daarnaast leidt de moeder uit uitspraken van [minderjarige] af dat zij door de vader wordt belast met volwassen zaken. De moeder vraagt al langere tijd aandacht voor deze zorgen, maar voelt zich daarin onvoldoende gehoord. Verder vindt de moeder het belangrijk dat [minderjarige] samen blijft met haar halfzusje mz en dat zij niet uit elkaar worden gehaald. Ook vindt de moeder het belangrijk dat zij in de komende periode contact kan hebben met [minderjarige] en dat er een informatie- en consultatieregeling wordt opgesteld.4.3.. De vader verzoekt het resterende deel van het verzoek af te wijzen. Hij wil graag dat [minderjarige] weer naar terug naar huis komt. Het gaat namelijk goed met [minderjarige] in de thuissituatie van de vader en er was een positieve ontwikkeling zichtbaar, ook op school. De vader wil deze positieve ontwikkeling voortzetten en staat daarbij open voor hulpverlening. Daar heeft hij al meermaals om gevraagd bij de GI. Uit de stukken volgt dat de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nodig acht vanwege de zorgen over de ex-partner van de moeder en de angst dat hij bij de vader zal langskomen. Uit de stukken volgt niet dat de zorgen over de opvoedsituatie bij de vader dermate ernstig zijn dat [minderjarige] daar niet langer kan verblijven. De situatie bij de vader thuis is veilig. De voordeur zit op slot en de vader zal de ex-partner van de moeder niet in zijn woning laten als hij onverhoopt voor de deur staat. Ook kunnen afspraken worden gemaakt met school. Als de GI andere veiligheidsafspraken nodig acht, zal de vader daar aan meewerken.5. De nadere beoordeling
5.1.. Bij beschikking van 12 mei 2026, schriftelijk uitgewerkt op 13 mei 2026, is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling van 18 mei 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 12 mei 2026 moet worden herroepen. De dreiging vanuit de ex-partner van de moeder was ten tijde van de spoedbeschikking namelijk dermate groot dat er geen andere manier was om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen.5.2.. De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment niet noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt. Gebleken is dat er al langere tijd veel zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is een kwetsbaar meisje en zij heeft al veel meegemaakt in haar jonge leven. [minderjarige] woonde bij de moeder, maar sinds 25 november 2025 verblijft zij op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. Hieruit leidt de kinderrechter af dat een plaatsing bij de vader op dat moment in het belang van [minderjarige] werd geacht en voldoende veilig werd bevonden. Dit blijkt ook uit de beschikking van 22 januari 2026 waarin is overwogen dat de plaatsing bij de vader voldoende veilig is en dat het in de thuissituatie goed gaat met [minderjarige] . Uit hetgeen de moeder en de GI naar voren hebben gebracht volgt dat er in de afgelopen periode zorgen naar voren zijn gekomen over de ontwikkeling van [minderjarige] en de opvoedsituatie bij de vader, maar deze zorgen hebben er kennelijk niet toe geleid dat [minderjarige] volgens de GI niet langer bij de vader kon verblijven. Dit volgt naar het oordeel van de kinderrechter ook niet uit de overgelegde stukken. Hoewel uit het verzoek volgt dat de plaatsing bij de vader gelet op de zorgvraag van [minderjarige] niet ideaal is op langere termijn, is ook door de GI toegelicht dat een gezinsopname mogelijk passend kan zijn in deze situatie. Door de vader is verklaard dat hij bereid is de benodigde hulpverlening te aanvaarden en zelf al langere tijd vraagt om hulp bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . Ook neemt de kinderrechter in overweging dat weliswaar sprake is van een dreigende situatie door het onvoorspelbare gedrag van de ex-partner van de moeder, maar deze dreiging heeft zich in de afgelopen week niet geuit richting [minderjarige] of de vader. De vader heeft verklaard dat hij de ex-partner van de moeder niet in de woning zal toelaten als hij voor de deur staat en dat hij afspraken zal maken met de school van [minderjarige] voor als de ex-partner van de moeder daar ineens onverhoopt verschijnt. Daarnaast heeft de vader toegezegd zijn medewerking te verlenen aan door de GI noodzakelijk geachte veiligheidsafspraken. Het voorgaande maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie van de vader op dit moment voldoende kan worden gewaarborgd. Gelet daarop wordt niet voldaan aan de vereisten die de wet stelt aan een (wijziging van de) uithuisplaatsing. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek daarom afwijzen. Dit betekent dat [minderjarige] op basis van de op 12 mei 2026 verleende spoedmachtiging tot 26 mei 2026 in het pleeggezin kan verblijven en dat voor afloop van deze machtiging moet worden toegewerkt naar een plaatsing bij de vader.5.3.. De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. Ook verwacht de kinderrechter dat de GI samen met de moeder in gesprek gaat over de mogelijkheden voor contact tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd dient te zijn.6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.. wijst het resterende deel van het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.