Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5343

Tribunal

Breda

Date

18 May 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht; Personen- en familierecht

Décision / Solution

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/445417 / JE RK 26-329

Datum uitspraak: 18 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

Eindhoven,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. S. van Reeven-Özer,

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat mr. A. Elias.

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de GI.

1. Het verloop van de procedure

1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2026;

  • de brief van mr. Van Reeven-Özer van 12 mei 2026;

  • de brief van mr. Elias van 15 mei 2026.

1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader met zijn advocaat;

  • de moeder met haar advocaat;

  • een vertegenwoordigster van de Raad;

  • een vertegenwoordigster van de GI, middels een videobelverbinding.

De onderhavige zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met procedurenummer C/02/418757 FA RK 24-532.

1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

2.1.. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.2.. Tussen [minderjarige 1] en vader bestaat reeds ruim twee jaar geen fysiek contact.

2.3..
[minderjarige 2] verblijft feitelijk bij de moeder van woensdag uit school (in de even weken) tot maandagochtend naar school (in de oneven weken). De rest van de tijd verblijft hij bij de vader.

3. Het verzoek

3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

4.1.. De Raad legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. Er is volgens de Raad sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , omdat zij opgroeien in een context van een langdurige en geëscaleerde ouderstrijd, waarbij ouders onvoldoende in staat zijn gebleken om samen te werken en gezamenlijk invulling te geven aan hun ouderlijk gezag. De communicatie is tussen hen structureel verstoord en er ontbreekt basale afstemming over opvoedings- en ontwikkelingszaken. Hierdoor worden de kinderen belast met spanningen en loyaliteitsdruk. Bij [minderjarige 2] bestaat de ontwikkelingsdreiging dat hij verder klem raakt tussen ouders. Hoewel hij zelf aangeeft dat het goed met hem gaat, is het zorgelijk dat hij structureel wordt blootgesteld aan de onderlinge strijd en dat zijn emotionele ruimte beperkt wordt door het conflict tussen ouders. Bij [minderjarige 1] is sprake van een meer zichtbare emotionele belasting. Zij ervaart angst, spanningen, somberheid en piekeren in relatie tot haar vader en de ouderlijke dynamiek. Zonder duidelijke regie en begrenzing van het ouderlijk conflict bestaat het risico dat haar klachten verergeren en haar ontwikkeling verder wordt belemmerd. De ouders zijn onvoldoende in staat de bedreiging weg te nemen en noodzakelijke hulpverlening duurzaam te accepteren. De verwachting is dat ouders, mits er duidelijke regie wordt gevoerd en hulpverlening wordt ingezet binnen een dwingend kader, zij in staat zijn om binnen aan aanvaardbare termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding weer zelf te kunnen dragen. De Raad acht een periode van een jaar passend, gelet op de geformuleerde doelen waaraan gewerkt moet worden tijdens de ondertoezichtstelling. Een kortere termijn biedt onvoldoende ruimte om noodzakelijke veranderingen te realiseren en te bestendigen.

4.2.. Ten aanzien van [minderjarige 2] kan de moeder ermee instemmen dat een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken voor de duur van een jaar. De vrouw vraagt zich bij [minderjarige 2] af of het daadwerkelijk zijn wens is om bij vader te gaan wonen, of omdat vader bij hem aangeeft dat hij in dat geval geen alimentatie meer hoeft te betalen aan de moeder. De emotionele ontwikkeling van [minderjarige 2] moet daarom worden gemonitord. Hoewel de moeder het in eerste instantie niet eens was met de ondertoezichtstelling, kan zij hier nu toch achter staan, nadat hierover uitvoerig is gesproken ter zitting.

4.3.. De vader is het eens met de ondertoezichtstelling.

5. De beoordeling

5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd, omdat zij opgroeien in een situatie waarin sprake is van een langdurige en escalerende ouderlijke strijd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden aan deze spanningen tussen ouders direct of indirect blootgesteld. Bij [minderjarige 1] heeft dit ertoe geleid dat zij reeds twee jaar geen fysiek contact heeft gehad met haar vader. Zij heeft hier last van. Een eventueel (begin van) herstel van contact levert bij haar veel spanning op, onzekerheid, het gevoel niet gezien en gehoord te worden en niet belangrijk genoeg te zijn voor vader. Dit heeft een negatieve weerslag op haar dagelijks functioneren en haar zelfbeeld. Daarom zijn er reeds therapieën voor haar geïnitieerd (PMT en EMDR) zodat zij sterker in haar schoenen komt te staan en beter om kan gaan met voornoemde gevoelens. [minderjarige 2] op zijn beurt is terughoudend geworden in wat hij met moeder deelt en er zijn bij hem signalen van loyaliteitsdruk. Hij lijkt nu ook de boodschapper te zijn tussen ouders, een rol die niet past bij een kind van deze leeftijd. Dit brengt namelijk verantwoordelijkheden met zich mee die hij nu niet hoeft te ervaren. Het is noodzaak dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan opgroeien in een omgeving van emotionele veiligheid, voorspelbaarheid en rust.

5.3.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat deze hulpverlening tot op heden niet de gewenste verbetering heeft gebracht en vader al eerder aangegeven heeft hiervoor niet meer open te staan. De kinderrechter benadrukt dat de ouders aan zet zijn om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit hun klem-positie te halen. Zoals ook ter zitting aan ouders is voorgehouden zullen zij zich wederom in moeten zetten om met hulpverlening, en nu onder regie van de GI, dit te bewerkstelligen. Ouders hebben de sleutel in handen om hun kinderen hieruit te halen en zullen zich hiertoe tot het uiterste in moeten spannen.

5.4.. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar. Gewerkt zal worden aan de volgende doelen:

  • Het structureel vormgeven van parallel ouderschap;

  • Het herstellen en stabiliseren van de hulpverlening voor [minderjarige 1] ;

  • Het monitoren van de emotionele ontwikkeling van [minderjarige 2] ;

  • Het implementeren van pedagogische begeleiding bij beide ouders;

  • Het beoordelen of ouders in staat zijn afspraken duurzaam na te komen;

  • Het zorgvuldig opstarten van een gefaseerd omgangstraject tussen [minderjarige 1] en vader, mitsdit in het belang van [minderjarige 1] wordt geachtén mits[minderjarige 1] toe is aan contact met haar vader; te allen tijde moet voorkomen worden dat er druk op [minderjarige 1] komt te liggen ten aanzien van het herstellen van het contact met haar vader en ze moet zich kunnen richten op haar eigen therapieën.

5.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

6.1.. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 18 mei 2026 tot 18 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:255 BW.

Plus de Décisions