Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5344

Tribunal

Middelburg

Date

18 May 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht; Personen- en familierecht

Décision / Solution

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaak-/rekestnummer: C/02/446209 / FA RK 26-1423

beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [plaats 1] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M.S. Yap, kantoorhoudende te Bergen op Zoom,

tegen

[de man],

wonende te [plaats 2] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof, kantoorhoudende te Gilze.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

  • de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

  • het op 11 maart 2026 ontvangen verzoekschrift, met producties;

  • de brief d.d. 23 maart 2026 van mr. Yap, met productie 6.

1.2 Bij verzoekschrift ontvangen op 7 mei 2024 is de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/422236 / FA RK 24-2168. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot wijziging van het gezag en vaststelling van een zorg- c.q. omgangsregeling ter beoordeling voor.

1.3 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 24 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. J.J. Bronsveld, waarnemend voor mr. M.S. Yap. Daarnaast was aanwezig de man, bijgestaan door zijn advocaat en een vertegenwoordigster namens de Raad.

1.4 Na te noemen minderjarige [minderjarige] is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.2. De feiten

2.1..

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgend, thans nog minderjarig, kind is geboren:

  • [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017.2.2.. De man heeft de minderjarige erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige.2.3.. De minderjarige verblijft bij de vrouw.

2.4.. Bij vonnis in kort geding van 21 mei 2024 van deze rechtbank is de vrouw veroordeeld tot nakoming van de omgangsregeling, inhoudende dat [minderjarige] en de man elke woensdag uit school tot 20:00 uur omgang met elkaar hebben, alsmede één keer in de veertien dagen op zaterdag omgang van 9:00 uur tot 20:00 uur. De vrouw is verder veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,- per keer dat zij niet aan de hiervoor opgenomen veroordeling tot nakoming van deze voorlopige omgangsregeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt. Verder zijn partijen en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West verwezen.

3. Het verzoek

3.1..

De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, te bepalen:

I. dat voor de duur van de hoofdprocedure de omgang wordt gewijzigd, in de zin dat de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige wordt stopgezet;

II. een dag en uur te bepalen, waarop de behandeling van dit verzoekschrift zal aanvangen.

3.2.. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.. Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.

4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot vaststelling van een zorg- c.q. omgangsregeling samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.

Wettelijk kader

4.3.. Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien:

omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,

de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,

het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,

indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

4.4.. De vrouw heeft verzocht voor de duur van de hoofdprocedure de omgang te wijzigen, in die zin dat de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige wordt stopgezet. Zij legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij zorgen heeft over de opvoedsituatie en -omgeving van de man. Deze zorgen worden door de casusregisseur van [praktijk] gedeeld en bestaan onder andere uit: meldingen van geluidsoverlast, in het bezit zijn van verdovende middelen, het gebruiken van verdovende middelen en een incident waarbij een mishandeling heeft plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de politie de woning van de man verzegeld. Nu door de hulpverlening niet kan worden ingeschat hoe veilig het voor de minderjarige is om bij de man thuis te verblijven, is de vrouw door de hulpverlening geadviseerd om de omgangsregeling tijdelijk stop te zetten. De vrouw heeft dan ook de omgangsregeling stopgezet. Zij stelt zich op het standpunt dat de omgangsregeling kan worden hervat, mits er sprake is van begeleide omgang door een professional en deze omgang plaatsvindt op een neutrale locatie.

4.5.. De vertegenwoordigster van de Raad adviseert dat er zo snel mogelijk weer contact tussen de minderjarige en de man moet komen, mits dit contact op een veilige wijze kan plaatsvinden. Gelet op de huidige omstandigheden is de inzet van een professional bij de omgangsbegeleiding het meest passend. Ook is het fijn voor de minderjarige als zij door een professional uitleg krijgt waarom het contact tussen haar en haar vader zeer abrupt gestopt is en wat zij de aankomende periode kan verwachten in het contact met haar vader.

4.6.. Ter gelegenheid van de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt. Zij zijn overeengekomen dat op zo kort mogelijke termijn gestart gaat worden met begeleide omgang tussen de minderjarige en de man onder regie van de casusregisseur van [praktijk] . Het is aan de casusregisseur om te bepalen op welke wijze, de locatie, frequentie en de duur van deze omgang dient plaats te vinden. Indien naar het inzicht van de casusregisseur ruimte bij de minderjarige ontstaat, alsmede de veiligheid van de minderjarige voldoende gewaarborgd blijft, kan worden overgaan tot uitbreiding van de omgangsmomenten en/of kunnen de omgangsmomenten onder begeleiding vanuit het eigen netwerk en/of onbegeleid plaatsvinden. Toegewerkt dient te worden naar de oorspronkelijke omgangsregeling, waarbij de man en de minderjarige elke woensdag uit school tot 20:00 uur, alsmede één keer in de veertien dagen op zaterdag omgang van 9:00 uur tot 20:00 uur omgang met elkaar hebben. Daarnaast hebben partijen afgesproken dat de man informatie vanuit zijn hulpverleningsinstelling, namelijk vanuit ‘ [voetbalclub] ’, onderdeel van Novadic Kentron, verstrekt aan de casusregisseur, zodat deze op de hoogte is van de actuele stand van zaken bij de man

4.7.. Gelet op de bereikte overeenstemming, en nu de belangen van de minderjarige zich hiertegen niet verzetten, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.. bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak is beslist, dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, voorlopig recht hebben op begeleid contact met elkaar onder regie van de casusregisseur van [praktijk] , of een soortgelijke organisatie, op een door de casusregisseur te bepalen wijze, frequentie en duur, waarbij het ter beoordeling is aan de casusregisseur of en zo ja, wanneer en op welke wijze de omgang kan worden uitgebreid en/of onbegeleid kan plaatsvinden, zulks met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.6.;

5.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, en, in tegenwoordigheid van mr. De Haard, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Plus de Décisions