Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5345

Tribunal

Breda

Date

18 May 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht; Personen- en familierecht

Décision / Solution

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/444816 / FA RK 26-658 (bodem)

C/02/445629 / FA RK 26-1119 (voorlopige voorziening artikel 223 Rv)

datum uitspraak: 18 mei 2026

beschikking over hoofdverblijf, regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, vervangende toestemming en over provisionele voorzieningen

in de zaak van

[de man],

hierna: de man,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. W.H.P. de Jongh in Roosendaal,

tegen

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. Z.A. Hoetjes in Breda,

over de minderjarige

  • [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1. Het procesverloop1.1. In het dossier zitten de volgende stukken:

  • het op 6 februari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen 1 tot en met 5, van de zijde van de man;

  • het op 27 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, tevens houdende provisionele voorziening, met bijlagen 1 tot en met 7, van de zijde van de vrouw;

  • het op 16 april 2026 ontvangen verweerschrift naar aanleiding van zelfstandig verzoek, tevens houdende verweerschrift provisionele voorziening, met bijlagen 6 tot en met 9, van de zijde van de man;

  • de op 28 april 2026 ingediende reactie van de zijde van vrouw op de door de man ingediende bijlage 8;

  • het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] .

1.2. De verzoeken in de bodemprocedure en de verzoeken om een voorlopige voorziening zijn mondeling behandeld op 1 mei 2026. Bij die behandeling zijn gekomen: partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.

1.3. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat zij na de mondelinge behandeling in onderling overleg zullen treden over een voorlopige zorgregeling. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld uiterlijk 13 mei 2026 te berichten of zij in onderling overleg een voorlopige zorgregeling zijn overeengekomen. Partijen zijn niet in de gelegenheid gesteld zich nader inhoudelijk over de zaak uit te laten. Vervolgens heeft de rechtbank ontvangen:

  • de brief van mr. Hoetjes van 13 mei 2026;

  • de brief van mr. De Jongh van 13 mei 2026.

Uit deze brieven blijkt dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een voorlopige zorgregeling. Voor zover partijen zich in hun brieven nader inhoudelijk hebben uitgelaten over de voorlopige zorgregeling, gaat de rechtbank daaraan bij de beoordeling van het verzoek voorbij. Zij zijn daarmee immers buiten het onderwerp getreden waarover zij de rechtbank mochten informeren, zodat dat als in strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing dient te blijven.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond.

2.2. Uit deze relatie is het volgende, minderjarige kind geboren:

  • [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] , hierna [minderjarige] .

2.3. De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .

2.4. [minderjarige] verblijft in de gezamenlijke woning. Partijen verblijven op dit moment afwisselend ieder 24 uur in de woning bij [minderjarige] .

3. De verzoeken en de standpunten

3.1. De man verzoekt in de bodemprocedure, na wijziging van zijn verzoek, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de man en op het adres

zal zijn ingeschreven volgens de Basisregistratie Personen;

II. te bepalen dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn met elkaar door te brengen:

  • zolang geen van partijen over andere huisvesting beschikt, om de dag 24 uur

aaneengesloten, waarbij het wisselmoment om 19:30 uur is, zoals thans ook

het geval is, en welk verblijf steeds plaatsvindt in de woning aan de

[adres] in [woonplaats] .

  • zodra één van partijen over andere woonruimte beschikt, 3 ½ dag per week

met een wisselmoment op woensdag rond de middag en zondag;

  • gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen en, totdat [minderjarige]

naar school gaat, één keer per jaar een periode van twee weken

aaneengesloten om een vakantie met [minderjarige] te kunnen doorbrengen,

althans een zodanige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen als uw rechtbank juist acht;

III. te bepalen dat de man vervangende toestemming wordt verleend in plaats van

de toestemming van de vrouw voor het laten deelnemen van [minderjarige] aan het

Rijksvaccinatieprogramma en dat de man [minderjarige] de vaccinaties kan geven zoals vermeld op het als bijlage 5 weergegeven overzicht van vaccinaties tot en met

de leeftijd van 14 maanden te geven vaccinaties.

Verder verzoekt de man, bij wege van voorlopige voorziening, om bij beschikking:

  • te bepalen dat hij en [minderjarige] gerechtigd zijn met elkaar door te brengen:

zolang geen van partijen over andere huisvesting beschikt, om de dag 24 uur aaneengesloten, waarbij het wisselmoment om 19:30 uur is, zoals thans ook het geval is, en welk verblijf steeds plaatsvindt in de woning aan [adres] in [woonplaats] .

3.2. De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.

De vrouw verzoekt in de bodemprocedure zelfstandig om bij beschikking:

I. te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;

II. te bepalen dat tussen de man en [minderjarige] een zorgregeling zal gelden inhoudende

dat:

  • [minderjarige] eenmaal per week gedurende één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend bij de man verblijft, zulks (vooralsnog) zonder overnachting, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

III. subsidiair, en uitsluitend voor het geval de rechtbank aanleiding ziet om aan de

man vervangende toestemming te verlenen voor deelname van [minderjarige] aan het

Rijksvaccinatieprogramma, te bepalen dat:

  • vaccinatie van [minderjarige] niet eerder zal plaatsvinden dan nadat zij de leeftijd van twee jaren heeft bereikt;

  • indien en voor zover tot vaccinatie wordt overgegaan, uitsluitend

monovaccinaties zullen worden toegediend en geen combivaccinaties;

kosten rechtens.

Verder verzoekt de vrouw, bij wege van voorlopige voorziening, om bij beschikking:

I. te bepalen dat de vrouw in afwachting van de bodemprocedure bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de inboedel van de woning, met bevel aan de man om de woning te verlaten en niet meer te betreden;

II. te bepalen dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;

III. te bepalen dat tussen de man en [minderjarige] een voorlopige zorgregeling zal gelden,

inhoudende dat [minderjarige] eenmaal per week gedurende één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend bij de man verblijft, zulks vooralsnog zonder overnachting, althans een zodanige voorlopige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

kosten rechtens.

4. De beoordeling

4.1. Vanwege de nauwe samenhang zullen de verzoeken in de bodemprocedure en de verzoeken in het kader van de voorlopige voorziening gezamenlijk worden beoordeeld.

Hoofdverblijf(bodemprocedure)

Voorlopige toevertrouwing(voorlopige voorziening)

4.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat hij zich niet langer verzet tegen het verzoek van de vrouw om te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw. De man heeft zijn eigen verzoek om te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij hem en op zijn adres zal zijn ingeschreven volgens de Basisregistratie Personen ingetrokken.

4.3. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de vrouw met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] als niet weersproken zal worden toegewezen en dat het verzoek van de man zal worden afgewezen. Aangezien in de bodemprocedure een definitieve beslissing zal worden gegeven met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] , heeft de vrouw geen belang meer bij de door haar verzochte voorlopige voorziening om [minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen. Dit verzoek zal worden afgewezen.

Regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling)(bodemprocedure en voorlopige voorziening)

Verzoeken4.4. De man verzoekt zowel in de bodemprocedure als in het kader van een voorlopige voorziening, kort gezegd, vaststelling van een co-ouderschapsregeling.

4.5. De vrouw verzoekt zowel in de bodemprocedure als in het kader van een voorlopige voorziening, te bepalen dat [minderjarige] eenmaal per week gedurende één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend bij de man verblijft, zulks vooralsnog zonder overnachting.

Standpunt van de man4.6. Ter onderbouwing van zijn verzoeken is door en namens de man in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. Na een conflict in november 2025 is in samenspraak met de politie een co-ouderschapsregeling afgesproken, waarbij [minderjarige] in de woning woont en partijen steeds afwisselend 24 uur in de woning zijn. Deze regeling loopt nog steeds. Hoewel er soms conflicten zijn, functioneert de regeling. Vanuit het CJG is het advies gekomen om deze regeling voorlopig te handhaven. Wijziging van deze voorlopige regeling acht hij ook niet in het belang van [minderjarige] . Verder betwist de man alle beschuldigingen van de vrouw, onder meer over mishandeling, drugs- of alcoholgebruik en betwist hij de inhoud van haar logboeken. Verder is hij prima in staat om [minderjarige] de juiste zorg te geven en houdt hij het door de vrouw gemailde voedingsschema aan. Tussen partijen is sprake van een hoog conflictgehalte. Het is in belang van partijen en van [minderjarige] dat daaraan een einde komt. Hij wenst uiteindelijk vaststelling van een co-ouderschapsregeling.

Standpunt van de vrouw4.7.

Ter onderbouwing van haar verweer en haar verzoeken voert de vrouw, samengevat, het volgende aan. De relatie van partijen werd gekenmerkt door vele fysieke en verbale escalaties van de man richting de vrouw. Nadat de situatie op 30 november 2025 weer was geëscaleerd, heeft zij de relatie definitief beëindigd. Op het moment van het incident heeft zij de politie ingeschakeld. Met tussenkomst van de politie is de door de man beschreven

24-uursregeling afgesproken. Dit was bedoeld als tijdelijke oplossing voor enkele dagen, maar de regeling loopt nog steeds. Zij ervaart de regeling als zeer belastend. Er zijn te veel wisselingen en de overdrachtsmomenten verlopen niet goed. Volgens de vrouw is de regeling ook te belastend voor [minderjarige] , wat zich uit in een verandering van haar gedrag. Bovendien maakt zij zich zorgen over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] door de man. [minderjarige] is na een contactmoment met de man vaak overstuur. Daarnaast houdt de man zich niet aan het voedingsschema, waardoor [minderjarige] iedere 24 uur een ander voedingsschema heeft, en heeft hij onvoldoende oog voor de persoonlijke verzorging van [minderjarige] . Daarnaast was haar een aantal keer niet duidelijk waar de man met [minderjarige] heeft verbleven tijdens de zorgmomenten. Zo heeft hij [minderjarige] een keer zonder haar toestemming meegenomen naar een vakantiepark in België. De vrouw heeft haar zorgen neergelegd bij het CJG. Vanuit het CJG is met beide ouders afgesproken dat er bij ieder overdrachtsmoment een alcohol- en drugstest wordt uitgevoerd. Deze testen zijn echter nooit aangeschaft en uitgevoerd. Het CJG was voornemens een veiligheidsplan op te stellen, maar dit is niet van grond gekomen. Vervolgens heeft het CJG zich teruggetrokken, omdat het vrijwillig kader in de situatie van partijen ontoereikend is gebleken. De vrouw acht het in het belang van [minderjarige] dat er nieuwe afspraken worden gemaakt, waarbij een opbouwende zorgregeling met de man wordt overeengekomen, bestaande uit één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend, vooralsnog zonder overnachting. Zodra het aansluit bij de ontwikkeling van [minderjarige] en de man heeft aangetoond dat hij over voldoende opvoedingscapaciteiten beschikt, kan de zorgregeling worden uitgebreid, waarbij bijvoorbeeld kan worden toegewerkt naar een weekendregeling eens per veertien dagen.

Advies van de Raad4.8. De Raad geeft aan dat de huidige 24-uursregeling, die als tijdelijke maatregel was bedoeld, niet in het belang van partijen en ook niet in het belang van [minderjarige] is. De vrouw geeft aan dat zij deze regeling als zeer belastend ervaart. Dat vindt de Raad een belangrijk signaal. Als een verzorgende ouder zodanig wordt belast dat het stress en spanning geeft, heeft een kind daar ook last van. Dit betekent dat partijen in gesprek zullen moeten over de invulling van de zorgregeling. Aangezien de invulling van de zorgregeling nauw samenhangt met de huisvesting van partijen en de huisvesting weer nauw samenhangt met de verdeling van de inboedel, is het belangrijk dat partijen ook over deze onderwerpen in gesprek gaan. De Raad ziet geen reden waarom deze gesprekken zouden moeten plaatsvinden in een gedwongen kader. Er is immers geen sprake van een ontwikkelings-bedreiging van [minderjarige] . Dat neemt niet weg dat partijen – gelet op hun conflictueuze communicatie en gebrek aan vertrouwen, met name aan de zijde van de vrouw – wel een zeker kader nodig hebben, bijvoorbeeld in de vorm van het UHA. Als het gaat om de invulling van de zorgregeling, dan heeft de man aangegeven dat hij graag een volwaardige vader wil zijn en zorgtaken wil hebben. Partijen moeten hierover in gesprek gaan en bekijken hoe daaraan invulling kan worden gegeven. In dat kader is het belangrijk dat [minderjarige] , vanwege haar zeer jonge leeftijd, met beide ouders een goede hechtingsrelatie kan opbouwen. Daarvoor is nodig dat [minderjarige] regelmatig contact heeft met beide ouders. Anderzijds moet de zorgregeling ook praktisch haalbaar zijn voor partijen. Daarbij geldt dat een verblijf van [minderjarige] bij een ouder prevaleert boven opvang door derden.

Overweging van de rechtbank4.9.

In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.

Lid 2 aanhef en onder a van dat artikel bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag kan vaststellen, waaronder een zorgregeling.

4.10. De rechtbank volgt de Raad in zijn standpunt dat de huidige 24-uursregeling niet in het belang van [minderjarige] is en evenmin in het belang van partijen. De rechtbank acht het begrijpelijk dat de vrouw overbelast is geraakt. Dit heeft ook zijn weerslag op [minderjarige] . Het is dus in het belang van [minderjarige] en in het belang van partijen dat er een andere zorgregeling wordt vastgesteld. Daarbij is het, zoals de Raad heeft aangegeven, van belang dat [minderjarige] met beide partijen een goede hechtingsrelatie kan opbouwen. Aan de ene kant is daarvoor nodig dat [minderjarige] , gelet op haar zeer jonge leeftijd, beide partijen regelmatig ziet, aan de andere kant moet worden voorkomen dat er te veel wisselingen zijn en moet de regeling voor partijen praktisch uitvoerbaar zijn. Partijen hebben aangegeven dat zij voor de invulling van de definitieve zorgregeling gesprekken wensen aan te gaan onder begeleiding van een professional en dat zij een doorverwijzing wensen naar het UHA. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

UHA

4.11. De problematiek van partijen (de ouders) omvat het volgende: Zowel tijdens als na het beëindigen van de relatie in november 2025 is sprake van conflictueuze situaties. Volgens de vrouw was tijdens de relatie ook sprake van conflictsituaties met geweld. [minderjarige] is een heel jong kind. Zij was pas 6 maanden oud toen partijen uit elkaar gingen. Sinds het uiteengaan verblijft [minderjarige] in de woning en verblijven partijen afwisselend 24 uur in de woning. Deze regeling is in samenspraak met de politie tot stand gekomen. De regeling loopt maar er is nog steeds sprake van conflicten. Partijen hebben over en weer aangifte tegen elkaar gedaan. De man is van mening dat partijen prima met elkaar communiceren over [minderjarige] . De vrouw is van mening dat de communicatie helemaal niet goed gaat. De 24-uursregeling was bedoeld als tijdelijke oplossing, maar de regeling loopt nu al maanden. De vrouw lijkt hierdoor overbelast te zijn. Partijen slagen er niet in om tot verdere afspraken te komen over de zorgregeling.

4.12. Het lukt partijen samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarig kind [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 4 mei 2026 datum plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.

4.13. Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor [minderjarige] ; - [minderjarige] heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.

4.14. Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van [minderjarige] (lichte interventie); - [minderjarige] en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; - er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor [minderjarige] te realiseren (binnen de scheidingssituatie). De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst (bijlage 1).

4.15. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.

4.16. Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .

4.17. Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.

4.18. Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.

4.19. Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vraag:

  • Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?

4.20. Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

4.21. Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.

4.22. Door in te stemmen met de verwijzing hebben partijen tevens ingestemd met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt (bijlage 2).

4.23. Omdat partijen en [minderjarige] in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek met betrekking tot definitieve zorgregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.

Voorlopige zorgregeling

4.24. Partijen hebben ieder voor zich verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzoeken voldoende samenhang met de hoofdzaak, zodat partijen (spoedeisend) belang hebben bij hun verzoeken.

4.25. Zowel tijdens als na de mondelinge behandeling hebben partijen geprobeerd afspraken te maken over een tijdelijke regeling in afwachting van resultaten UHA, maar zijn daarin niet geslaagd. Dit betekent dat de rechtbank een voorlopige zorgregeling zal vaststellen. Zoals hiervoor is overwogen is de huidige 24-uursregeling niet in het belang van [minderjarige] (en ook niet in het belang van partijen). Met inachtneming van het advies van de Raad over de frequentie van het contact tussen [minderjarige] en ieder van partijen, en zoveel mogelijk rekening houdend met de werkdagen van de vrouw op dinsdag, donderdag en vrijdag (de man heeft aangegeven dat zijn werkgever flexibel is), acht de rechtbank de volgende voorlopige zorgregeling in het belang van [minderjarige] :

  • [minderjarige] verblijft bij de vrouw van zondag 09:00 uur tot donderdag 09:00 uur,

  • [minderjarige] verblijft bij de man van donderdag 09:00 uur tot zondag 09:00 uur.

Op deze wijze is de zorg voor [minderjarige] ongeveer gelijk tussen partijen verdeeld, ziet [minderjarige] beide ouders regelmatig, maar zijn er niet te veel wisselingen. De rechtbank zal voormelde voorlopige regeling vaststellen. De voorlopige regeling gaat in vanaf het moment dat de man de woning heeft verlaten (uiterlijk 1 juni 2026). De verzoeken van partijen zullen, voor zover meer of anders is verzocht, worden afgewezen.

4.26. De rechtbank zal de beslissing over de voorlopige zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals is verzocht door de man, aangezien de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.

Vervangende toestemming deelname Rijksvaccinatieprogramma

Verzoeken4.27. De man verzoekt hem vervangende toestemming te verlenen voor het laten deelnemen van [minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma en dat hij [minderjarige] de vaccinaties kan geven zoals vermeld op het als productie 5 weergegeven overzicht van vaccinaties tot en met de leeftijd van 14 maanden te geven vaccinaties.

4.28. De vrouw verzoekt primair het verzoek van de man af te wijzen. Zij verzoekt voorwaardelijk – voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [minderjarige] moet deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma – te bepalen dat vaccinatie van [minderjarige] niet eerder zal plaatsvinden dan nadat zij de leeftijd van twee jaren heeft bereikt en dat uitsluitend monovaccinaties zullen worden toegediend (en geen combivaccinaties).

Standpunt van de man4.29. Ter onderbouwing van zijn verzoek is door en namens de man in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. Deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma is in het belang van [minderjarige] , zodat zij wordt beschermd tegen vele ernstige ziektes. Volgens het consultatiebureau kan [minderjarige] de vaccinaties, die zij tot nu toe nog niet heeft gekregen, alsnog krijgen. Dit is voor de vrouw echter onbespreekbaar. Hij verzoekt hem daarom vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] alsnog te laten deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma voor zover het de vaccinaties betreft tot en met de leeftijd van 14 maanden. Hij gaat ervan uit dat partijen met betrekking tot de overige vaccinaties alsnog afspraken kunnen maken. In reactie op het verweer van de vrouw heeft de man betwist dat partijen het er tijdens hun relatie over eens waren dat [minderjarige] niet gevaccineerd zou worden. Nadat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling haar voorwaardelijk verzoek had toegelicht, heeft de man aangegeven dat hij ermee instemt dat alleen monovaccinaties, op de wijze zoals de vrouw beoogt, worden toegediend.

Standpunt van de vrouw4.30.

De vrouw voert als verweer, samengevat, het volgende aan. Deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma is vrijwillig en kent geen wettelijke verplichting. Partijen hebben tijdens de relatie en de zwangerschap uitvoerig gesproken over al dan niet deelnemen aan het

Rijksvaccinatieprogramma. In de stukken heeft de vrouw gesteld dat partijen hadden afgesproken dat [minderjarige] niet zou worden gevaccineerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw dit nader toegelicht. Volgens de vrouw heeft zij zich altijd op het standpunt gesteld dat zij niet wenst dat [minderjarige] gevaccineerd zou worden. De man heeft daarover zijn twijfels geuit, maar heeft vervolgens niks gedaan met de aangeboden informatie, althans hij is er bij haar niet op teruggekomen. In het dossier van het consultatiebureau is in ieder geval vastgelegd dat [minderjarige] niet wordt gevaccineerd. Zij is niet principieel tegen vaccinaties, maar zij is wel van mening dat medische handelingen bij een baby met grote zorgvuldigheid moeten worden overwogen, mede doordat aan het vaccineren risico's verbonden zijn. Bovendien geeft vaccinatie geen 100% garantie dat [minderjarige] de ziekte niet zal krijgen. Hoogstens zal het verloop van de ziekte milder zijn. Bij vaccineren zal het lichaam een kunstmatige respons geven, terwijl zij meer gelooft in een natuurlijke respons. Bovendien is er geen sprake van een medische noodsituatie of concrete gezondheidsdreiging die onmiddellijke vaccinatie voor [minderjarige] noodzakelijk maakt. Voor het geval de rechtbank aanleiding ziet vervangende toestemming te verlenen, verzoekt de vrouw voorwaardelijk te bepalen dat vaccinatie niet eerder plaatsvindt dan na het tweede levensjaar van [minderjarige] , omdat de nieren en lever dan beter ontwikkeld zijn en beter in staat zijn om toxische stoffen uit te scheiden, zodat eventuele schade wordt beperkt. Verder verzoekt de vrouw voorwaardelijk te bepalen dat uitsluitend monovaccinaties worden toegediend in plaats van combinatievaccinaties. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat zij in beginsel geen bezwaar heeft tegen bijvoorbeeld de DKTP-vaccinatie, de vaccinatie die vroeger ook werd gegeven, maar wel tegen de huidige toevoeging van Hib en HepB aan de DKTP vaccinatie.

Advies van de Raad4.31. De Raad geeft aan dat zij voorstander is van het Rijksvaccinatieprogramma, maar dat het in beginsel wordt gerespecteerd wanneer beide ouders daarvan willen afwijken. In dit geval zijn partijen het er echter niet over eens dat zij daarvan willen afwijken. De Raad adviseert dan ook het verzoek van de man om vervangende toestemming voor deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma toe te wijzen.

Overweging van de rechtbank4.32. De vrouw stelt primair dat partijen het erover eens waren dat [minderjarige] niet zou deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. Dit is echter niet vast komen te staan. De vrouw stelt immers dat dit háár standpunt is en dat de man – in ieder geval vanaf de geboorte van [minderjarige] – daarover zijn twijfels heeft geuit. Uit het gegeven dat de man – ondanks dat de vrouw hem daarop heeft gewezen – geen nader onderzoek heeft gedaan en er bij de vrouw niet meer op is teruggekomen, kan niet worden afgeleid dat hij het eens is met het standpunt van de vrouw.

4.33. Op grond van de stukken en de verklaringen van partijen tijdens de mondelinge behandeling stelt de rechtbank vast dat partijen het er niet over eens zijn of [minderjarige] moet deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma.

4.34. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat als ouders, die samen het gezag hebben over een kind, het niet eens kunnen worden over een beslissing over het kind, zij de rechtbank kunnen vragen die beslissing te nemen. De rechter moet dan een beslissing nemen die zij het meest in het belang van het kind vindt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.35. Het Rijksvaccinatieprogramma is van overheidswege opgesteld ter bescherming van kinderen tegen diverse aandoeningen die voor hen schadelijk kunnen zijn. Het programma is door wetenschappelijk onderzoek onderbouwd. Uitgangspunt is dat vaccineren in het belang van het kind is. Ondanks andere opinies die in de afgelopen jaren ook naar voren zijn gebracht, is de heersende leer nog altijd dat het Rijksvaccinatieprogramma voldoet en zonder wezenlijke risico’s kan worden opgevolgd. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat in medische kringen het gevoerde overheidsbeleid breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid ook volgt en kinderen laat deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. De rechtbank acht het dan ook niet in het belang van [minderjarige] dat zij, hoe klein de kans mogelijk is, aan een gevaar van meer risico op een ziekte waartegen zij gevaccineerd had kunnen zijn, wordt blootgesteld. Het is de rechtbank gebleken dat de vrouw geen principiële of godsdienstige bezwaren heeft tegen het laten vaccineren van [minderjarige] overeenkomstig het Rijksvaccinatieprogramma, maar dat haar bezwaren met name zien op de mogelijke gezondheidsrisico’s voor [minderjarige] als gevolg van deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel het op zichzelf juist is dat bijwerkingen kunnen ontstaan, de vrouw niets heeft gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat [minderjarige] meer risico op bijwerkingen of schadelijke gevolgen loopt dan enig ander kind. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel is dat het zowel in het algemeen belang als het individueel belang van [minderjarige] is dat zij deelneemt aan het Rijksvaccinatieprogramma.

4.36. Het voorwaardelijke verzoek van de vrouw om te bepalen dat vaccinatie van [minderjarige] niet eerder zal plaatsvinden dan nadat zij de leeftijd van twee jaren heeft bereik, zal worden afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat [minderjarige] , zolang zij niet is gevaccineerd, geen bescherming opbouwt en de kans op ziekte groter is. De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat zo spoedig als mogelijk met het vaccineren wordt gestart.

4.37. Het voorwaardelijke verzoek van de vrouw om te bepalen dat uitsluitend monovaccinaties zullen worden toegediend en geen combivaccinaties, zal worden toegewezen, met inachtneming van het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek toegelicht en aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen de DKTP-vaccinatie zoals deze vroeger ook al werd gegeven, maar wel tegen de huidige toevoeging van Hib en HepB aan de DKTP vaccinatie. De rechtbank leidt hieruit af dat de vrouw in beginsel geen bezwaar heeft tegen combivaccinatie als DKTP en BMR, maar dat zij specifiek bezwaar heeft tegen het feit dat de vaccinatie tegen DKTP wordt gecombineerd met vaccinaties tegen Hib en HepB. De man heeft ermee ingestemd dat deze vaccinaties als monovaccinatie zullen worden gegeven.

4.38. Het voorgaande betekent dat het verzoek van de man tot vervangende toestemming om [minderjarige] te laten deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma voor zover dat betrekking heeft op vaccinaties die worden gegeven tot en met de leeftijd van 14 maanden, zal worden toegewezen, met dien verstande dat de DKTP – Hib – HepB combivaccinatie zal worden gegeven als monovaccinaties, dus als drie afzonderlijke vaccinaties (een vaccinatie tegen DKTP, een vaccinatie tegen Hib en een vaccinatie tegen HepB). Daarbij acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat het tijdstip van de (in te halen) vaccinaties (RS, Rota, DKTP, Hib, HepB, Pneu, BMR en MenACWY) wordt bepaald in overeenstemming met het daartoe in te winnen advies van Jeugdgezondheidszorg (GGD, consultatiebureau), zijnde de uitvoerder van het Rijksvaccinatieprogramma.

4.39. De rechtbank zal de beslissing over de vervangende toestemming voor deelname van [minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man, aangezien de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.

Uitsluitend gebruik woning en inboedel(voorlopige voorziening)

4.40. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten over het verzoek van de vrouw over en weer nader toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling kort onderbroken voor overleg tussen partijen. Dit heeft geleid tot overeenstemming. Partijen hebben de volgende afspraken gemaakt:

  • de man zal zich zo snel mogelijk uitschrijven van het adres van de woning;

  • partijen gaan in gesprek over de verdeling van de inboedel volgens een bij hen bekende lijst; binnen een week nadat partijen overeenstemming hebben over de verdeling van de inboedel, zal de man de woning verlaten; de man zal de woning in ieder geval per 1 juni 2026 hebben verlaten.

4.41. Gelet op deze afspraken begrijpt de rechtbank dat de vrouw haar verzoek met betrekking tot de woning intrekt. Aangezien het verzoek is ingetrokken, zullen de gronden van het verzoek niet meer worden onderzocht. Het verzoek zal om die reden worden afgewezen. Dit neemt niet weg dat partijen gehouden zijn uitvoering te geven aan de onderlinge afspraken.

De proceskosten in de voorlopige voorziening

4.42. Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

5. De beslissing

De rechtbank

In de bodemprocedure (C/02/444816 / FA RK 26-658)

5.1. bepaalt dat [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] , haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;

5.2. wijst het verzoek van de man met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] en de inschrijving van [minderjarige] op zijn adres af;

5.3. verwijst partijen (ouders) en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar de zorgaanbieder;

5.4. verzoekt het loket om uiterlijk 2 november 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

5.5. verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

5.6. verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

5.7. verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.19 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;

5.8. houdt de behandeling van deze zaak, alsmede iedere verdere beslissing, met betrekking tot de verzoeken over de zorgregeling aan tot 2 november 2026pro forma;

5.9. geeft aan de man – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw – toestemming om [minderjarige] deel te laten nemen aan het Rijksvaccinatieprogramma voor zover dat betrekking heeft op vaccinaties die worden gegeven tot en met de leeftijd van 14 maanden, een en ander met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.38 van deze beschikking, en verklaart deze vervangende toestemming uitvoerbaar bij voorraad;

In de voorlopige voorziening (C/02/445629 / FA RK 26-1119)

5.10. wijst het verzoek van de vrouw om [minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen af;

5.11. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig– totdat in de bodemprocedure is beslist op de verzoeken van partijen – recht hebben op contact met elkaar elke week van donderdag 09:00 uur tot zondag 09.00 uur, welke regeling ingaat vanaf het moment dat de man de woning heeft verlaten (uiterlijk 1 juni 2026);

5.12. wijst de verzoeken van partijen ten aanzien van de voorlopige zorgregeling voor het overige af;

5.13. wijst het verzoek van de vrouw met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning af;

5.14. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 in aanwezigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Plus de Décisions