Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5373

Tribunal

Breda

Date

19 May 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht; Personen- en familierecht

Décision / Solution

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/446280 / KG ZA 26-145

Vonnis in kort geding van 19 mei 2026

in de zaak van

[de vrouw],

ingeschreven te [woonplaats] ,

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 18;

  • de brief met producties 19 tot en met 22 van mr. Albicher van 30 april 2026;

  • de brief met bijlagen 1 tot en met 7 van mr. Mattheussens van 1 mei 2026;

  • de brief van mr. Mattheussens van 4 mei 2026.

1.2. De zaak is besproken op de zitting van 4 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, verschenen.

1.3. Op de zitting heeft mr. Mattheussens een conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie overhandigd en voorgedragen. Ook mr. Albicher heeft spreekaantekeningen overhandigd en (gedeeltelijk) voorgedragen. Deze stukken maken onderdeel uit van het procesdossier.

2. De feiten

2.1. Tussen partijen staat het volgende vast:

  • zij zijn op 9 mei 2025 een samenlevingsovereenkomst aangegaan. Daarin zijn zij, voor zover van belang, het volgende overeengekomen: “GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING

Artikel 3

(…) 2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de

Kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

(…)

Artikel 4

(…)

  1. Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Zijn bedoelde zaken gemeenschappelijk eigendom, dan wordt ook de aflossing tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gerekend. (…)”.
  • zij zijn de eigenaar van de woning aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning), waarvoor zij een hypotheek bij Florius hebben afgesloten.

3. Het geschil

3.1. De vrouw vordert na een wijziging ter zitting – samengevat:

I. de man te veroordelen om telkens uiterlijk de laatste werkdag van de maand, ingaande 31 maart 2026, aan Florius te betalen ter zake de hypotheektermijnen primair € 1.308,75 per maand, subsidiair € 654,38 per maand, nog meer subsidiair een bedrag door de voorzieningenrechter te bepalen, zolang partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn en de woning onverdeeld is;

II. te bepalen dat de vrouw, met uitsluiting van de man, gerechtigd is tot het gebruik en de bewoning van de woning;

III. de man te veroordelen binnen twee dagen na betekening van het vonnis de woning te verlaten en niet meer te betreden en deze met de inboedel volledig ter vrije beschikking van de vrouw te stellen, onder afgifte van de sleutels aan de vrouw;

IV. de man te veroordelen om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,= voor iedere dag dat hij in gebreke is om aan de veroordelingen onder I, II en III te voldoen, tot een maximum van € 25.000,=;

V. de man te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. De man vordert in reconventie – samengevat:

I. te bepalen dat hij, met uitsluiting van de vrouw, gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de zich in de woning bevindende inboedelgoederen;

II. de vrouw te verbieden om de woning te betreden en de zich in de woning bevindende inboedelgoederen tot zich te nemen;

III. als de voorzieningenrechter het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw zal toekennen, de vrouw te veroordelen om telkens op de latste werkdag van de maand, met ingang van 31 mei 2026, aan Florius de hypotheektermijn van € 1.308,75 per maand te betalen, subsidiair € 654,38, meer subsidiair € 350,= per maand.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Het spoedeisend belang

4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de partij daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

4.2. De vrouw stelt een spoedeisend belang bij haar vorderingen te hebben. De man is met de vrouw van mening dat sprake is van een spoedeisend belang bij de over en weer gedane vorderingen.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, is duidelijk geworden dat partijen niet meer samen in de woning kunnen verblijven. De vrouw heeft de woning ook al verlaten. Zij verblijft afwisselend bij haar ouders die al op leeftijd zijn en bij vriendinnen, maar dat is volgens haar niet langer mogelijk. Ook de man stelt geen alternatieve woonruimte te hebben. Hieruit vloeit voor beide partijen een spoedeisend belang bij hun vorderingen voort. Ten behoeve van de beslissing wie van partijen voorlopig in de woning mag wonen, komt het voor de voorzieningenrechter aan op een belangenafweging.

Vorderingen II en III in conventie en vorderingen I en II in reconventie - het uitsluitend gebruik van de woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen

4.4. De vorderingen onder II en III in conventie en de vorderingen I en II in reconventie lenen zich, gelet op de nauwe samenhang, voor een gezamenlijke behandeling. De vorderingen van beide partijen strekken ertoe de woning voorlopig bij uitsluiting van de ander te mogen bewonen. Zij stellen beiden een groter belang te hebben bij het gebruik van de woning dan de ander.

4.5. Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt de vrouw dat de onderlinge verstandhouding ernstig is verstoord, zodat partijen niet meer samen in de woning kunnen verblijven. De vrouw heeft aangifte tegen de man gedaan van mishandeling en doodsbedreiging. Er loopt daarom een politieonderzoek. De man heeft de sloten vervangen, zodat de vrouw geen toegang meer tot de woning heeft, terwijl de woning op beider naam staat en de vrouw nog steeds vaste lasten betaalt. De man heeft de vrouw laten weten dat zij niet meer welkom is in de woning. Bij de vrouw is echter sprake van psychische kwetsbaarheid, omdat zij PTSS klachten heeft als gevolg van een ernstig auto-ongeluk waarbij zij een vriendin is verloren. De huidige situatie en spanningen zorgen voor een verergering van haar klachten. Voor haar is rust en stabiliteit noodzakelijk, dat alleen kan ontstaan als zij het exclusief gebruik van de woning heeft.

4.6. De man voert aan dat hij recht en belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de woning. De man is voornemens en in staat om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. Bovendien drijft de man een onderneming, waarvan zijn gereedschap en bedrijfsmiddelen in de woning zijn opgeslagen. Ook zijn zoon uit een eerder huwelijk, genaamd [persoon] , woont inmiddels bij hem in [plaats] , ten gevolge van een conflict tussen de zoon en de moeder. Als de man de woning moet verlaten, zal ook [persoon] geen verblijfplaats meer hebben. Daar komt bij dat de man een omgangsregeling heeft met zijn andere zoon. Als de man niet meer in de woning kan verblijven, zal deze omgang ook onmogelijk zijn. Ten slotte kan de man geen deugdelijke vervangende woonruimte verkrijgen, waarbij hij zijn kinderen huisvesting kan bieden én zijn bedrijf vanuit huis kan blijven uitoefenen. Dat zou bovendien betekenen dat hij dubbele financiële lasten heeft. De vrouw beschikt echter wel over vervangende huisvesting en hoewel zij stelt behoefte te hebben aan rust en stabiliteit, is dat niet onderbouwd met recente (medische) stukken.

4.7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Artikel 3:168 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de deelgenoten het genot, het gebruik en het beheer van gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst kunnen regelen. Op grond van artikel 3:168 lid 2 BW kan de rechter, voor zover een overeenkomst ontbreekt, op verzoek van de meest gerede partij een zodanige regeling treffen. Hij houdt daarbij naar billijkheid rekening zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Een dergelijke regeling kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook in kort geding worden getroffen, mits aan de voorwaarden voor het treffen van een voorlopige maatregel, zoals het aanwezig zijn van een spoedeisend belang, is voldaan.

4.8. Zoals hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw haar gezondheidssituatie niet met actuele stukken heeft onderbouwd. Hoewel zij aangeeft dat het lastig is om bij haar ouders en vriendinnen te verblijven, is dit kennelijk wel een mogelijke optie. Daarbij is niet gebleken dat de vrouw daar niet langer kan verblijven. De man heeft aangegeven niet bij familie terecht te kunnen, omdat die ver weg woont. Dat is door de vrouw ook niet betwist. Daarbij neemt de voorzieningenrechter ook in overweging dat de man in de woning zijn twee kinderen ontvangt. Bij een verhuizing op zeer korte termijn zal het moeilijker worden om deze kinderen te blijven ontvangen. Bovendien drijft de man een eigen onderneming, waarvan spullen in de woning van partijen staan. De vrouw heeft in dat kader aangeboden dat de man spullen kan komen ophalen als zij in de woning verblijft, maar zij verbindt daaraan de voorwaarde dat er een derde bij aanwezig moet zijn. Dit acht de voorzieningenrechter niet wenselijk. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat partijen ter zitting hebben aangegeven dat de situatie op dit moment rustig is. De man heeft zijn excuses aangeboden voor het incident in maart 2026 en er wordt niet veel meer tussen partijen gecommuniceerd. Gelet op al het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de man bij het uitsluitend gebruik van de woning zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. De reconventionele vorderingen van de man onder I en II worden gelet hierop toegewezen, onder afwijzing van de conventionele vorderingen van de vrouw onder II en III. De voorzieningenrechter benadrukt dat hiermee geen oordeel wordt gegeven over toedeling van de woning aan één van partijen in de toekomst.

Vordering I in conventie - hypotheekbetalingen aan Florius

4.9. De voorwaarde voor de vordering van de man onder III, namelijk dat het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw zal worden toegekend, is niet ingetreden. Deze vordering van de man behoeft dan ook geen bespreking.

4.10. Ter onderbouwing van haar vordering met betrekking tot de door de man te betalen hypotheekbetalingen aan Florius van € 1.308,75 per maand stelt de vrouw het volgende. Ter uitvoering van de afspraak tussen partijen (verwoord in artikel 3 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst) betaalde de man deze rente en aflossing aan Florius en de vrouw de boodschappen, gas, elektriciteit, internet, verzekeringen voor de woning en Brabant Water. Daarmee droeg de vrouw al meer dan naar evenredigheid bij in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. De man dient daarom de hypotheektermijnen volledig voor zijn rekening te nemen. Afgelopen maanden heeft de man meermaals nagelaten om deze betalingen te verrichten, ondanks sommatie door de vrouw. Florius heeft daarom inmiddels maatregelen getroffen en een incassobureau ingeschakeld.

4.11. De man heeft ter zitting aangegeven dat hij de hypotheeklasten zal voldoen, als zijn vordering met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning wordt toegewezen. De voorzieningenrechter acht het bovendien redelijk dat de man de hypotheeklasten zal voldoen, nu hij het gebruik van de woning heeft en deze lasten in het verleden ook heeft betaald. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw met betrekking tot de hypotheeklasten toewijzen. Daarbij wordt een termijn van tien dagen na betekening van het vonnis opgenomen in het kader van de huidige achterstand in hypotheekbetalingen.

Vordering V in conventie – dwangsom

4.12. Nu de vorderingen van de vrouw onder II en III (met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning) worden afgewezen, ziet de door de vrouw gevorderde dwangsom alleen nog op de vordering onder I.

4.13. De vrouw vordert de man te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 250,= voor iedere dag dat hij in gebreke is om de hypotheekbetalingen te voldoen, tot een maximum van € 25.000,=. De man zal niet vrijwillig tot betalingen aan Florius overgaan, zoals blijkt uit zijn WhatsApp bericht van 26 februari 2026.

Ten aanzien van het verweer van de man (dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een dwangsom rechtvaardigen) voert de vrouw nog aan dat het een betaling van een geldsom aan een derde betreft, zodat de door de man genoemde bijzondere omstandigheden niet vereist zijn.

4.14. De man voert hiertegen verweer. Bij een vordering tot betaling van een geldsom wordt in beginsel geen dwangsom toegewezen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een dwangsom rechtvaardigen. Die bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Daar komt bij dat de man het aandeel van de vrouw in de woning wenst over te nemen, zodat hij er belang bij heeft dat de hypotheek tijdig wordt voldaan.

4.15. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit de Tekst & Commentaar bij artikel 611a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat dit wetsartikel er niet aan in de weg staat dat dwangsommen kunnen worden verbonden aan de veroordeling tot betaling van een geldsom aan een derde. In casu betreft het de betaling van de hypotheek aan een derde, namelijk Florius. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de man er baat bij heeft dat de hypotheek tijdig wordt voldaan, gelet op zijn wens om de woning over te nemen. Zijn toezegging dat hij de hypotheek zal blijven voldoen, acht de voorzieningenrechter echter onvoldoende. Uit het recente verleden is namelijk gebleken dat de man de hypotheek meermaals niet (tijdig) heeft voldaan. Gelet op de consequenties daarvan voor de vrouw, zal de voorzieningenrechter de vordering tot een dwangsom toewijzen zoals door haar is gevorderd.

Vordering VI in conventie - proceskosten

4.16. De vrouw vordert de man te veroordelen in de proceskosten. Volgens de vrouw dient de man als de in het ongelijk te stellen partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.17. De man voert hiertegen verweer en is van mening dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen, omdat het een familierechtelijk geschil betreft. Er is geen sprake van misbruik van recht.

4.18. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten gelet op de relatie tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt de man om binnen tien dagen na betekening van het vonnis en telkens uiterlijk de laatste werkdag van de maand, ingaande 31 maart 2026, aan Florius te betalen ter zake de hypotheektermijnen van € 1.308,75 per maand, zolang partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn en de woning onverdeeld is;

5.2. veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,= voor iedere dag dat hij in gebreke is om aan de veroordeling sub 5.1. te voldoen, tot een maximum van € 25.000,=;

5.3. bepaalt dat de man, met uitsluiting van de vrouw, gerechtigd is tot het gebruik van de woning aan de aan [adres] te [woonplaats] en de zich in de woning bevindende inboedelgoederen;

5.4. verbiedt de vrouw om de woning genoemd onder sub 5.3. te betreden en de zich in de woning bevindende inboedelgoederen tot zich te nemen;

5.5. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leuven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.

Plus de Décisions