ECLI:NL:RBZWB:2026:5380
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447086 / FA RK 26-1887
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking over voorziening voogdij
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING NIDOS,
gevestigd te Utrecht, hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 2012,
thans verblijvende op het [adres] , [plaats] ,
hierna te noemen de minderjarige.
1. Het verloop van de procedure
1.1.. Dit blijkt uit de volgende stukken:
het verzoek met bijlagen, ontvangen op 10 april 2026;
de bereidverklaring van de GI tot aanvaarding van de voogdij over de minderjarige, gedateerd 13 april 2026;
de akkoordverklaring van de minderjarige van 4 maart 2026.
2. De feiten
2.1.. De minderjarige heeft, met onderbouwing van onder meer een kopie van een laissez-passer, het volgende verklaard. Zij is samen met haar broertje en haar neefje gereisd. Zij is op 25 mei 2025 in Nederland aangekomen. Zij heeft zich bij de vreemdelingendienst gemeld met een visum in het kader van gezinshereniging en zal in dat verband voor langere tijd in Nederland verblijven. De naam van haar moeder is [naam moeder] en van haar vader [naam vader] . Beide ouders zijn overleden. Zij heeft zich herenigd met [persoon] . [persoon] is een zus van haar moeder. Haar [pleegmoeder] is ook haar oma (pleegmoeder). De pleegmoeder heeft de zorg voor haar op zich genomen toen zij twee jaar was. Zij heeft de Somalische nationaliteit. Zij maakt onderdeel uit van het gezin van de pleegmoeder.
2.2.. Op dit moment verblijft de minderjarige bij de pleegmoeder op bovengenoemd adres.
3. Het verzoek
3.1.. De GI verzoekt om als voogdes over de minderjarige te worden benoemd en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De beoordeling
Internationale bevoegdheid
4.1.. Vanwege het feit dat de minderjarige niet in Nederland is geboren en zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.
4.2.. Uit het inleidende verzoek van de GI volgt dat het verzoek te kwalificeren is als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid. Hiermee valt het verzoek binnen het materieel toepassingsgebied van artikel 1 lid 1 sub a van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking) (hierna: de Brussel II-terVerordening). Aangezien het verzoek na 1 augustus 2022 is ingediend is de Brussel II-terVerordening temporeel van toepassing. De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld en overweegt in dit kader als volgt.
4.3.. Het begrip gewone verblijfplaats is meermalen door het Hof van Justitie van de Europese Unie geïnterpreteerd. Zoals het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft geoordeeld, betreft het een autonoom Unierechtelijke begrip, zodat dit moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van de Brussel II-bisVerordening (en inmiddels de Brussel II-terVerordening), met name het doel dat de bevoegdheidsregels zijn opgezet in het belang van het kind, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid (zie arresten 2 april 2009,A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 34 en 35; 22 december 2010,Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 44-46; 8 juni 2017,OL v. PQ, C-111/47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 40).
4.4.. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie, alsmede de Hoge Raad, dient het begrip gewone verblijfplaats bovendien een eenvormige betekenis te hebben. Volgens diezelfde rechtspraak stemt de gewone verblijfplaats van het kind overeen met de plaats die een zekere integratie in een sociale en familieomgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet door de nationale instantie worden bepaald met inachtneming van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elk zaak (zie onder meer de arresten 2 april 2009, A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 42 en 44; 22 december 2010,Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 47; 8 juni 2017,OL v. PQ, C-111/47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 42).
4.5.. Het begrip moet aldus worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf waaronder het naar school gaan, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat (zie arrest 2 april 2009, A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225).
4.6.. Op basis van de feiten en omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld. Ten tijde van de aanhangig making van deze procedure verbleef zij naar eigen zeggen pas vanaf 25 mei 2025 in Nederland en is niet vast komen te staan dat er sprake is van een zekere integratie in Nederland.
4.7.. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld, acht de rechtbank zich bevoegd op grond van artikel 11 lid 1 Brussel II-terVerordening, nu zij zich in Nederland en binnen haar rechtsgebied bevindt.
Toepasselijk recht
4.8.. Op grond van artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek, als zijnde de lex fori,dat wil zeggen het Nederlands recht is van toepassing op een procedure voor de Nederlandse rechter.
Inhoudelijke beoordeling van het verzoek
4.9.. Op het verzoek is van toepassing het bepaalde in artikel 1:295 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
4.10.. Op grond van de overgelegde stukken is voldoende komen vast te staan dat de minderjarige niet onder ouderlijk gezag staat en er nog geen voogd is. Er is dan ook sprake van een gezagsvacuüm. Daarin dient te worden voorzien.
4.11.. Gelet op de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen, de bereidverklaring van de GI en de akkoordverklaring van de minderjarige, zal de rechtbank de GI benoemen tot voogdes over de minderjarige.
4.12.. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de GI is verzocht. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1.. benoemt over de minderjarige [de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 2012, tot voogdes de gecertificeerde instelling Stichting Nidos, gevestigd te Utrecht;
5.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.