ECLI:NL:RBZWB:2026:5386
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447768 / JE RK 26-767
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. T. van Riel uit Breda.
1. Het verloop van de procedure
1.1..
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 april 2026.
1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader met zijn advocaat;
de moeder;
een vertegenwoordigster van de GI fungerend als tijdelijk jeugdbeschermer in deze zaak.
1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
2.1.. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2..
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 21 mei 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de GI
4.1.. Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat [minderjarige] sinds 8 juli 2025 begeleiding ontvangt via [hulpverlening 1] , waarbij gewerkt wordt aan emotieregulatie en gedragsontwikkeling. [minderjarige] laat in sociale situaties groei zien qua zelfvertrouwen en contact met leeftijds-genoten, al blijven nieuwe en onbekende situaties soms nog spannend voor hem. Ook is gebleken dat de ouders en de BSO zorgen hebben over het gedrag van [minderjarige] , met name rondom momenten van spanning en agressieregulatie problemen, nu tijdens observaties op de BSO zichtbaar is geworden dat [minderjarige] ’s gedrag wisselend is en hij moeite heeft met het reguleren van zijn emoties binnen groepssituaties. Eerder is door [zorgaanbieder] hechtingsproblematiek bij [minderjarige] vastgesteld en zijn er daarnaast signalen waargenomen duidend op onverwerkte trauma’s binnen het gezinssysteem. Daarvoor is nog hulpverlening nodig.
4.2..
Er is sprake van aanhoudende spanningen tussen de ouders en onrust binnen hun beide zorg- en opvoedsituaties. Hulpverlenende instantie [hulpverlening 2] , die bij de vader betrokken is, heeft aangegeven dat er regelmatig piekmomenten zijn, waarbij de spanningen tussen de gezinsleden oplopen van code oranje naar donkerrood. [minderjarige] wordt daarmee geconfronteerd, hij laat blijken dat hij last heeft van de onrust en alle conflicten. Ook voelt hij zich niet altijd gezien en gehoord. In een gesprek met de jeugdbeschermer op 20 april 2026 heeft [minderjarige] daarover aangegeven dat hij het vervelend vindt dat er in zowel de thuissituatie bij de moeder als bij de vader veel ruzies zijn en dat dit hem verdrietig maakt.
[minderjarige] laat nadrukkelijk zien dat hij kampt met een loyaliteitsconflict en geeft tegelijkertijd aan behoefte te hebben aan duidelijkheid, getuige zijn wens voor een omgangsregeling, waarbij hij de ene week bij zijn moeder en de andere week bij zijn vader is. De GI acht in het belang van [minderjarige] aangewezen dat in de komende tijd daaraan gewerkt wordt.
4.3.. De samenwerking tussen de ouders is beperkt en wisselend van aard. Er is nog steeds onvoldoende constructieve communicatie, met name op het gebied van afstemming rondom de zorg voor [minderjarige] en praktische zaken. De opvoedsituatie bij de vader laat betrokkenheid en motivatie zien, wat niet wegneemt dat er nog ondersteuning nodig is in het bieden van structuur en begrenzing. Vader stelt zich daar voor open. Ook formuleert hij hulpvragen, waaronder uitbreiding van de omgang, ondersteuning in de samenwerking met de moeder (in het kader van complexe scheidingsproblematiek), traumabehandeling voor [minderjarige] en opvoedondersteuning voor zichzelf. Het ontbreekt echter nog steeds aan voldoende zicht op de opvoedsituatie bij de moeder. Daarbij komt dat wegens het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer de ondertoezichtstelling in het afgelopen jaar onvoldoende tot uitvoering is gekomen en daardoor de noodzakelijke hulpverlening niet is opgestart of onvoldoende van de grond is gekomen. Inmiddels is er, in afwachting van de benoeming van een vaste jeugdbeschermer, een tijdelijke jeugdbeschermer actief en is Sterk Huis benaderd om ervoor te zorgen dat [minderjarige] en de ouders (aanvullende) passende hulpverlening zullen krijgen. Waar [minderjarige] zich al volledig openstelde voor hulpverlening geldt dit in mindere mate voor de beide ouders. Ook hierin dienen er nog stappen te worden gemaakt.
4.4..
Een verlenging van de ondertoezichtstelling acht de GI noodzakelijk, gezien de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] , om onder regie van de jeugdbeschermer de benodigde hulpverlening alsnog in te (kunnen) zetten en te borgen, daarbij ook rekening houdend met de omstandigheid dat de ouders op dit moment onvoldoende in staat zijn om zelfstandig de zorgen in relatie tot [minderjarige] ’s ontwikkeling weg te nemen. In het kader van de ondertoezichtstelling dient gewerkt te (blijven) worden aan:
- regievoering over de ingezette en nog in te zetten hulpverlening en de situatie
rondom [minderjarige] ;
het waarborgen van de continuïteit van het contact tussen de vader en [minderjarige] ;
het ondersteunen en sturen van de ouders in de onderlinge communicatie en
samenwerking;
- het houden van zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] en het tijdig bijsturen waar
nodig;
- het (blijven) inzetten van passende hulpverlening, waaronder traumagerichte
ondersteuning.
5. Het standpunt van [minderjarige]
heeft - samengevat - verklaard dat sinds zijn ouders niet meer bij elkaar wonen er vrijwel geen ruzies meer zijn. Wel zijn er soms nog conflicten tussen zijn moeder en haar partner. Verder heeft hij bemerkt dat zijn vader soms teveel drinkt. [minderjarige] vervolgt dat hij een hulpverlener heeft bij wie hij zijn verhaal kwijt kan over wat hij wel en niet prettig vindt. Hij zou graag zien dat die hulpverlening wordt voortgezet, mede omdat hij soms nog last heeft van agressie in de vorm van slaan en vooral schreeuwen. Dit heeft ook te maken met vroeger pestgedrag op school. Sinds hij op een andere school zit is er geen sprake meer van pesten. Op de vraag wat voor cijfer hij aan zijn huidige leven zou geven antwoordt [minderjarige] “een dikke 9,5”. Dit zou volgens hem zeker een 10 kunnen worden indien hij afwisselend een week bij zijn vader en een week bij zijn moeder zou kunnen wonen, wat zijn grootste wens is.
6. De standpunten van de ouders
6.1. De moeder heeft opgemerkt dat zij veel moeite heeft met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Dit met name omdat zij heeft ervaren dat de jeugdbescherming in het afgelopen jaar voor haar niet bereik- of beschikbaar was in situaties waarin zij zich oprecht zorgen maakte over de ontwikkeling van [minderjarige] . Dit heeft ertoe geleid dat zij geen of weinig vertrouwen in de jeugdbescherming heeft. Daarbij speelt ook een rol dat zij inmiddels al meermalen bij telkens een andere jeugdbeschermer opnieuw haar verhaal heeft moeten doen. Het feit dat er inmiddels een tijdelijke jeugdbeschermer actief is maakt dit voor haar niet anders.
6.2.. Door en namens de vader is naar voren gebracht dat, ondanks dat [minderjarige] aan zijn leven een 9,5 geeft er nog steeds zorgen zijn rondom zijn ontwikkeling. Daarom is de vader blij dat er een tijdelijke jeugdbeschermer actief is die voortvarend te werk gaat en in wie hij vertrouwen heeft. Ook zal er nu daadwerkelijk hulpverlening worden opgestart. Hij hoopt dat er met die hulpverlening ook stappen gemaakt zullen kunnen worden voor wat betreft het komen tot meer structuur en continuïteit in het contact tussen hem en [minderjarige] . De vader stelt zich volledig open voor de hulpverlening, ook als dat betekent dat de jeugdbeschermer bij hem thuis komt om zicht te krijgen op de zorg- en opvoedsituatie. Dit maakt dat hij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling kan staan.
7. De beoordeling
7.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
7.2..
[minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] is opgegroeid binnen een spanningsvolle opvoedsituatie, waar hij veelvuldig is blootgesteld aan escalaties tussen de ouders. Hoewel deze escalaties sinds de scheiding van de ouders zijn afgenomen is er nog steeds sprake van een verstoorde dynamiek en oudercommunicatie. Ook hebben beide ouders over en weer zorgen over elkaars zorg- en opvoedsituaties, die zij naar elkaar niet bespreekbaar weten te maken. [minderjarige] is daar tussenin komen te staan en kampt daardoor met een loyaliteitsconflict. Ook is hij gedragsproblemen gaan vertonen. Daarbij komt dat de vader ongeneeslijk ziek is en dit ongetwijfeld ook zijn weerslag heeft op [minderjarige] en zijn ontwikkeling. [minderjarige] krijgt inmiddels begeleiding geboden via [hulpverlening 1] , waarbij wordt gewerkt aan emotieregulatie en gedragsontwikkeling. Hoewel hij daarmee stappen maakt zijn er nog steeds zorgen rondom zijn gedrag en het omgaan met emoties en dient daaraan gewerkt te (blijven) worden. Ook kon er wegens het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer in het afgelopen jaar onvoldoende uitvoering worden gegeven aan de ondertoezichtstelling, waardoor niet alle hulpverlening (tijdig) kon worden opgestart.
7.3.. Sinds er een tijdelijke jeugdbeschermer actief is in afwachting van een nog aan te stellen vaste jeugdbeschermer is er concreet zicht op (aanvullende) hulpverlening voor [minderjarige] en ook voor de ouders door Sterk Huis. Gebleken is dat [minderjarige] zich volledig openstelt voor de hulpverlening. Ook de vader heeft zich bereid verklaard om aan alle benodigde hulpverlening mee te werken. Van belang is dat dit ook voor de moeder gaat gelden. De kinderrechter acht het ten slotte zeer van belang, ter voorkoming dat er een tussentijds gat in het hulpverleningstraject en de regievoering daarover ontstaat, dat de tijdelijke jeugdbeschermer ook werkelijk actief blijft totdat er een vaste jeugdbeschermer zal zijn aangesteld.
7.4.. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
7.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
8. De beslissing
De kinderrechter:
8.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;8.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.