Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5391

Tribunal

Breda

Date

19 May 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht; Personen- en familierecht

Décision / Solution

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummers: C/02/437450 / FA RK 25-3529

Datum uitspraak: 19 mei 2026

Nadere beschikking over verdeling kosten DNA-onderzoek

in de zaak van

[de man],

hierna te noemen: de man,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. R. Joosen te Oosterhout,

over de minderjarige

[minderjarige],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020,

hierna te noemen: [minderjarige] ,

vertegenwoordigd door:

mr. L.E. SWART, advocaat te Roosendaal, als bijzondere curator over [minderjarige] ,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw],

hierna te noemen: de vrouw,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. N.A. Boelhouwer in Tilburg,

[de juridische vader],

hierna te noemen: de juridische vader,

enkel belanghebbend met betrekking tot het verzoek vernietiging erkenning,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. G.H.M. van Laarhoven in Tilburg.

1. Het verdere procesverloop

1.1.. De rechtbank oordeelt op grond van de volgende stukken:

de in deze zaak gegeven beschikking van 18 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;

het rapport van 30 maart 2026 van de deskundige (Verilabs Nederland B.V. te Gouda);

het V3-formulier van 7 april 2026 van mr. Boelhouwer, met bijlagen;

het F9-formulier van 20 april 2026 van mr. Joosen;

het op 22 april 2026 ontvangen bericht van mr. Boelhouwer.

2. De nadere beoordeling

2.1.. De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde, in deze zaak gegeven (nadere) beschikking van 18 november 2025. Hierbij is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door de juridische vader, tot verkrijging van vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] , tot verkrijging van gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] en tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank heeft daarnaast een DNA-onderzoek gelast met betrekking tot de vraag of de man de biologische vader van [minderjarige] is. Daarbij is Verilabs Nederland B.V. te Gouda benoemd als deskundige. De rechtbank heeft de kosten van dit deskundigenonderzoek vooralsnog begroot op een totaalbedrag van € 755,= (inclusief BTW) en, in afwachting van een definitieve beslissing over de betaling en de verdeling van deze kosten, vooralsnog ten laste laten komen van ’s-Rijks kas. In afwachting van het deskundigenrapport heeft de rechtbank de beslissing voor het overige pro forma aangehouden tot 24 februari 2026.

2.2.. Aan de orde is nu nog de beslissing over de definitieve verdeling van de kosten van het deskundigenonderzoek.

2.3.. In voormeld F9-formulier van 20 april 2026 heeft mr. Joosen, namens de man, onder meer het volgende aangegeven. De man heeft geen op- of aanmerkingen over de uitslag van het deskundigenonderzoek. De uitslag van het deskundigenonderzoek komt voor de man niet als een verrassing, omdat partijen zelf al een betrouwbare DNA-test hadden verricht waaruit naar voren is gekomen dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. Voor de man was het deskundigenonderzoek dan ook niet nodig geweest. De vrouw heeft echter voor onduidelijkheid en twijfel gezorgd door - zonder gegronde motivering - de eerder verrichte DNA-test en de uitslag daarvan in twijfel te trekken. Gelet hierop stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw dient te worden veroordeeld in de volledige kosten van het deskundigenonderzoek. De man is financieel niet in staat om de kosten van het deskundigenonderzoek te dragen.

2.4.. In voormeld op 22 april 2026 ontvangen bericht heeft mr. Boelhouwer, namens de vrouw, onder meer het volgende aangegeven. De vrouw wijst erop dat de rechtbank, overeenkomstig het advies van de Raad, heeft bepaald dat er, met het oog op het belang van [minderjarige] , een DNA-test moet komen ondanks dat de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat zij de eerder verrichte DNA-test en de uitslag daarvan alsnog erkent. De vrouw heeft ook onvoldoende financiële middelen om de kosten van het deskundigenonderzoek te dragen. Als de rechtbank komt tot een kostenveroordeling, dan dienen de kosten van het deskundigenonderzoek, naar de mening van de vrouw, gelijk tussen partijen te worden verdeeld.

2.5.. De rechtbank overweegt, gezien het voorgaande, als volgt.

Verdeling kosten DNA-onderzoek

2.6.. De deskundige heeft de kosten van het deskundigenonderzoek inmiddels definitief begroot op € 755,= (inclusief BTW). Partijen hebben geen verweer gevoerd tegen de hoogte van het door de deskundige definitief begrote bedrag. De rechtbank stelt de kosten van het deskundigenonderzoek in deze procedure daarom definitief vast op € 755,= (inclusief BTW).

2.7.. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt in afstammingszaken heeft te gelden dat alle kosten behalve de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek tussen partijen worden gecompenseerd. De deskundigenkosten van het DNA-onderzoek worden in beginsel geheel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij gebracht. Dit betekent in de praktijk dat ofwel één van partijen in de kosten van het DNA-onderzoek wordt veroordeeld ofwel dat partijen ieder de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek dienen te dragen.

2.8.. De rechtbank overweegt, gelet op de twijfels die de vrouw in het verleden heeft geuit over het verwekkerschap van de man over [minderjarige] en de uitkomst van het deskundigenonderzoek, dat de vrouw in ieder geval voor een deel kan worden gezien als de “in het ongelijk gestelde partij” in deze zaak. Daarnaast kan de man, hoewel hij niet in het ongelijk is gesteld in zijn standpunt dat hij de verwekker van [minderjarige] is, gezien de uitkomst in deze zaak, namelijk dat de man niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoeken tot vernietiging erkenning en vervangende toestemming erkenning, eveneens voor een deel worden gezien als de “in het ongelijk gestelde partij” in deze zaak. Gelet hierop zal de rechtbank beide partijen als “de (deels) in het ongelijk gestelde partij” veroordelen in de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek. In de gestelde beperkte financiële mogelijkheden van beide partijen ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om anders te beslissen. Het voorgaande betekent dat de man en de vrouw ieder een bedrag van € 377,50 (inclusief BTW) dienen te voldoen. Voormeld bedrag dienen zij te voldoen na ontvangst van een nota daartoe met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR).

Taak bijzondere curator

2.9.. Nu de rechtbank reeds bij voormelde beschikking van 18 november 2025 een eindbeslissing heeft genomen over de afstammingsverzoeken in deze zaak, overweegt de rechtbank voor de volledigheid dat zij de taak van de bijzondere curator in deze procedure in eerste aanleg als beëindigd beschouwt. Indien (één van) partijen hoger beroep instelt tegen voormelde beslissingen, hetgeen inmiddels is gebeurd, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.

2.10.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1.. stelt de kosten van de deskundige definitief vast op € 755,= (inclusief BTW);

3.2.. bepaalt dat de man en de vrouw de kosten van het deskundigenonderzoek ieder voor de helft moeten voldoen, zijnde een bedrag van € 377,50 (inclusief BTW), welk bedrag na ontvangst van een nota met betaalinstructies van het LDCR moet worden voldaan;

3.3.. beschouwt de taak van de bijzondere curator in deze procedure in eerste aanleg als geëindigd.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Van Triest, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Plus de Décisions