ECLI:NL:RBZWB:2026:5394
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447333 / JE RK 26-678
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI)
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de tante (moederszijde] ,
hierna te noemen de tante (moederszijde),
wonende te [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 april 2026;
de brief van [minderjarige] , ontvangen op 11 mei 2026;
de brief van de GI, ontvangen op 13 mei 2026.
1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader;
een vertegenwoordiger van de GI.
Hoewel daartoe correct opgeroepen is de tante (moederszijde) niet verschenen.1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft een brief geschreven aan de kinderrechter. Hierin heeft hij verteld dat hij het fijn vindt bij zijn tante (moederszijde). Zij is erg lief voor hem. Hij speelt graag met zijn neef [persoon] en met alle vriendjes uit de buurt.
2. De feiten
2.1.. De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De moeder is overleden.
2.2..
[minderjarige] verblijft sinds 8 januari 2026 bij zijn tante (moederszijde).
2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 augustus 2025, verbeterd bij beschikking van 4 september 2025, [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld tot 21 mei 2026.
2.4.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 januari 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 21 mei 2026.
3. Het verzoek
3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
4.1.. Namens de GI is ter toelichting op de verzoeken, samengevat, het volgende aangevoerd. Het gaat goed met [minderjarige] sinds hij bij zijn tante (moederszijde) woont. Hij maakt grote stappen in zijn ontwikkeling. Op school gaat het goed en daarnaast is hij weer gestart met zwemles. De GI heeft aangegeven de vader graag mee te nemen in de ontwikkeling van [minderjarige] , maar dat dit onder de huidige omstandigheden lastig verloopt. De GI heeft voorts naar voren gebracht dat er grote zorgen bestaan over het drugsgebruik van de vader. Volgens de GI toont de vader onvoldoende inzicht in de gevolgen van zijn middelengebruik voor zijn beschikbaarheid en zijn opvoedrol, ondanks herhaaldelijke uitleg en informatie vanuit de hulpverlening. Daarnaast zijn de afspraken die betrekking hadden op de voorwaarden voor een eventuele terugplaatsing van [minderjarige] niet consequent nageleefd. Om die reden blijven de zorgen over de vader bestaan. Volgens de GI is het van belang dat de vader de ernst van zijn middelengebruik erkent en zich laat behandelen. De GI betreurt het dat de vader zich gedurende de periode waarin hij van de burgemeester zijn woning niet kon betreden, niet heeft laten opnemen voor behandeling terwijl dit hem door de GI is aangeboden. Daarnaast is de vader op 8 mei 2026 opnieuw aangehouden door de politie, omdat hij in het bezit zou zijn geweest van een hoeveelheid drugs. De GI heeft verder aangegeven dat de vader weliswaar verbetering belooft, maar dat hij dit in het verleden vaker heeft gedaan zonder dat dit tot duurzame verandering heeft geleid. Het is daarom van belang dat de vader zich eerst richt op zijn eigen problematiek en een detox- en behandeltraject volgt voor zijn middelengebruik en onderliggende problematiek, zoals trauma en depressieve klachten, bij een gespecialiseerde instelling. Tevens dient hij zich te houden aan de voorwaarden die door de GI zijn opgesteld. Pas wanneer sprake is van aantoonbaar herstel en blijvende abstinentie kan volgens de GI worden beoordeeld of een terugplaatsing van [minderjarige] mogelijk en verantwoord is. Voor [minderjarige] is het op dit moment van essentieel belang dat hij rust, structuur en emotionele veiligheid ervaart, hetgeen hij volgens de GI bij zijn tante (moederszijde) krijgt.
4.2.. De vader heeft aangegeven dat hij sinds 8 mei 2026 in detentie verblijft, omdat er drugs in zijn auto zijn aangetroffen. Deze bevonden zich in de tas van zijn vriendin. Volgens de vader was hij hiervan niet op de hoogte. Hij heeft aangegeven hiervan erg te balen, omdat het naar zijn zeggen juist weer beter met hem ging. De vader heeft verklaard dat hij recent was gestart bij Novadic-Kentron, dat zijn taakstraf liep en dat het contact met de jeugdbeschermer weer op gang was gekomen. Hij erkent dat hij in het verleden veel in aanraking is gekomen met drugs, maar stelt dat dit momenteel niet meer aan de orde is. Verder heeft de vader aangegeven dat hij graag de kans wil krijgen om te bewijzen dat hij geen drugs meer gebruikt, desnoods door middel van drugstesten. Hij kan zich vinden in de verzoeken, omdat dit hem naar eigen zeggen de gelegenheid biedt om aan zichzelf te werken. Daarbij heeft hij verklaard dat hij hulp nodig heeft en deze hulp ook zal accepteren. Tot slot heeft de vader aangegeven dat de voorwaarden voor een eventuele terugplaatsing van [minderjarige] , zoals door de GI beschreven in haar brief van 19 maart 2026, voor hem duidelijk zijn.
5. De beoordeling
Wat zegt de wet
5.1.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling , op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling verlenging ondertoezichtstelling
5.5.. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is gebleken dat [minderjarige] nog steeds zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De kinderrechter maakt zich daarbij ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de vader. Deze zorgen hangen samen met de al langere tijd bestaande middelenproblematiek van de vader en de daarmee samenhangende omstandigheden. Er zijn vanuit zijn woonomgeving meerdere meldingen bij de politie gedaan in verband met overlast en vermoedens van drugsgebruik en drugshandel. Op 8 januari 2026 is de vader aangehouden na een politie-inval in zijn woning, waarbij (een grote hoeveelheid) drugs zijn aangetroffen. Daarnaast is de vader op 16 mei 2026 opnieuw aangehouden op de A16 wegens het in ieder geval in zijn auto aanwezig hebben van drugs. De kinderrechter vindt voldoende aannemelijk dat er sprake is van ernstige en langdurige problematiek rondom middelengebruik, waarvoor gespecialiseerde behandeling noodzakelijk is. Daarbij geldt dat de vader tot op heden onvoldoende inzicht toont in de gevolgen van zijn middelengebruik voor zijn functioneren, zijn beschikbaarheid als opvoeder en de veiligheid en stabiliteit die [minderjarige] nodig heeft.
5.6.. Hoewel de vader ter zitting heeft aangegeven hulp te willen accepteren en aan zijn problematiek te willen werken, bevindt hij zich nog nauwelijks aan het begin van een behandeltraject. Van een stabiele gedragsverandering of duurzame abstinentie is nog geen sprake. De kinderrechter is van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet kan worden weggenomen binnen een vrijwillig kader. Eerder is gebleken dat de hulpverlening onvoldoende van de grond kwam zonder inzet van het gedwongen kader.
5.7.. Dit betekent dat aan de wettelijke vereisten is voldaan. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] dan ook verlengen voor de verzochte duur van een jaar, te weten tot 21 mei 2027.
Inhoudelijke beoordeling verlenging uithuisplaatsing
5.8..
[minderjarige] verblijft momenteel bij zijn tante (moederszijde). Het gaat goed met hem op deze plek. Hij laat een positieve ontwikkeling zien, functioneert beter op school en gaat weer naar zwemles. De kinderrechter vindt het van groot belang dat deze positieve ontwikkeling wordt voortgezet in een stabiele en veilige omgeving. Op dit moment is de vader niet in staat om [minderjarige] die noodzakelijke stabiliteit en veiligheid te beiden. Daarbij weegt mee dat sprake is van aanhoudende middelenproblematiek, regelmatig politiecontacten en het uitblijven van een duurzame gedragsverandering. Daarnaast verblijft vader momenteel in detentie, waardoor [minderjarige] op dit moment feitelijk niet bij hem kan wonen. De door de GI bij brief van 19 maart 2026 gestelde voorwaarden voor een eventuele terugplaatsing zijn helder, maar worden door de vader onvoldoende nageleefd.
5.9..
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De huidige plaatsing bij zijn tante (moederszijde) biedt rust, structuur en emotionele veiligheid die hij nodig heeft.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.11.. Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;
6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.