Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5395

Tribunal

Breda

Date

19 May 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht; Personen- en familierecht

Décision / Solution

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/446171 / JE RK 26-467

Datum uitspraak: 19 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Etten-Leur,

hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),

over

[minderjarige],

geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] ,

[de pleegouders],

hierna te noemen de pleegouders,

wonende in [woonplaats] .

1. Het verloop van de procedure

1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;

het perspectiefbesluit, ontvangen op 16 april 2026.

1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij was aanwezig een vertegenwoordiger van de GI.

Hoewel de moeder, de vader en de pleegouders correct zijn opgeroepen, zijn zij niet ter zitting verschenen. De pleegouders hebben de rechtbank voorafgaand aan de zitting per brief laten weten niet aanwezig te zullen zijn.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.

2. De feiten

2.1..
[minderjarige] is erkend door de vader.

2.2.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.3..
[minderjarige] verblijft bij zijn pleegouders, zijnde de grootouders vaderszijde.

2.4.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 22 mei 2025 tot 22 mei 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, namelijk bij de grootouders vaderszijde met ingang van 22 mei 2025 tot 22 november 2025.

2.5.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 november 2025 de voormelde machtiging verlengd [minderjarige] tot 22 mei 2026.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

4.1.. Ter onderbouwing van de verzoeken voert de GI, samengevat, het volgende aan. Volgens de GI is het van belang dat beide maatregelen worden verlengd. De gestelde doelen zijn nog niet behaald en hier dient de komende tijd verder aan gewerkt te worden. De GI vindt systeemtherapie noodzakelijk, zodat [minderjarige] een onbelast contact kan hebben met beide ouders. Deze hulpverlening kan echter pas worden ingezet wanneer [minderjarige] daaraan toe is. Daarnaast is het van belang dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over zijn toekomstperspectief. Om die reden is onderzoek verricht door [hulpverlening] . Het advies is om het toekomstperspectief van [minderjarige] bij de pleegouders te bepalen. De GI volgt dit advies. [minderjarige] is recent gestart met therapie en ziet hiervan de meerwaarde in. Positief is dat hij steeds beter in contact komt met zijn gevoelens. Daarnaast heeft [minderjarige] aangegeven niet meer bij zijn ouders te willen wonen. De GI heeft verder naar voren gebracht dat [minderjarige] gemotiveerd is om aan zichzelf te werken, maar dat hij tegelijkertijd hinder ervaart van het feit dat zijn ouders onvoldoende in staat zijn om aan hun eigen problematiek te werken. Ten aanzien van de vader heeft de GI naar voren gebracht dat hij momenteel niet in staat wordt geacht om voor [minderjarige] te zorgen, mede vanwege zijn alcoholverslaving. Daarnaast is de relatie tussen de moeder en [minderjarige] dermate verstoord dat een thuisplaatsing bij haar eveneens niet mogelijk is. De pleegouders zijn in staat en bereid om langdurig voor [minderjarige] te zorgen. Volgens de GI kan de moeder zich niet verenigen met het perspectiefbesluit. Zij heeft aangegeven zich dan volledig terug te trekken, maar staat wel open voor een kennismakingsgesprek met de jeugdzorgwerker. Het standpunt van de vader ten aanzien van het perspectiefbesluit is bij de GI onbekend. De GI volhardt in haar verzoeken, ook voor wat betreft de toetsing van het perspectiefbesluit. Voor de onderbouwing van dit besluit wordt verwezen naar de inhoud hiervan

4.2..
[minderjarige] heeft tegen de kinderrechter gezegd dat hij het eens is met de verzoeken van de GI. Hij heeft meer rust bij zijn pleegouders en wil bij hun graag blijven wonen. [minderjarige] wil niet meer bij zijn moeder wonen omdat zij met elkaar veel ruzie hebben. Hij wil eveneens niet bij zijn vader wonen want hij drinkt te veel alcohol. Recent is [minderjarige] gestart met PMT en dat gaat goed.

5. De beoordeling

Wat zegt de wet

5.1.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

5.2.. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

5.3.. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.4.. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Inhoudelijke beoordeling verlenging ondertoezichtstelling

5.5.. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat [minderjarige] nog steeds zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er is sprake van langdurige zorgen over de opvoedsituatie, waarbij [minderjarige] is belast met ingrijpende gebeurtenissen, wisselingen in woon- en opvoedsituaties en spanningen tussen de ouders. De ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat om [minderjarige] de benodigde stabiliteit, veiligheid en continuïteit te bieden. De noodzakelijke hulpverlening is binnen het vrijwillige kader onvoldoende van de grond gekomen. De kinderrechter vindt daarom een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk.

Inhoudelijke beoordeling verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

5.6..
[minderjarige] verblijft inmiddels geruime tijd bij de pleegouders. Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat hij daar rust, stabiliteit en veiligheid ervaart. Het gaat goed met hem binnen deze opvoedsituatie en hij heeft aangegeven daar verder te willen opgroeien. Gelet op de nog altijd aanwezige zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders en de belastende dynamiek binnen de thuissituatie, is de kinderrechter van oordeel dat een terugplaatsing naar een van de ouders niet in het belang van [minderjarige] is.

Perspectiefbesluit

4.7.. De GI heeft daarnaast verzocht dat de kinderrechter het perspectiefbesluit toetst. De kinderrechter stelt voorop dat het nemen van een perspectiefbesluit in beginsel tot de bevoegdheid van de GI behoort. De wet voorziet niet in een zelfstandige rechtsingang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de kinderrechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. Hij kan het besluit niet bekrachtigen of vernietigen. Wel kan een perspectiefbesluit aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. Nu het doel van een uithuisplaatsing in beginsel is gericht op terugplaatsing naar (een van) de ouders, terwijl de GI in het perspectiefbesluit heeft vastgesteld dat het perspectiefbesluit van [minderjarige] niet langer bij de ouders maar in het gezin van de pleegouders ligt, ziet de kinderrechter aanleiding zich hierover uit te laten.

5.8.. De kinderrechter vindt het perspectiefbesluit voldoende onderbouwd. Daarbij neemt hij in aanmerking dat de zorgen die aanleiding hebben gegeven tot de uithuisplaatsing nog steeds volop aanwezig zijn. [minderjarige] heeft gedurende langere tijd instabiliteit en onveiligheid in zijn opvoedsituatie ervaren, onder meer door wisselingen tussen de ouders en conflicten binnen de gezinssituatie. Sinds eind oktober 2024 verblijft hij bij de pleegouders, aanvankelijk als tijdelijke oplossing na een escalatie met de moeder. Inmiddels is gebleken dat [minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid, rust en continuïteit en niet meer terug wil keren naar de moeder. Verder is gebleken dat de vader onvoldoende in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Ook de relatie tussen de moeder en [minderjarige] is ernstig beschadigd geraakt door de vele escalaties in het verleden. [minderjarige] wordt hierdoor belast met spanningen tussen volwassenen en ervaart onvoldoende veiligheid. Uit de screening van het pleeggezin volgt dat de grootouders in staat zijn aan te sluiten bij de behoefte van [minderjarige] . [hulpverlening] heeft geadviseerd dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders is, wat betekent dat hij het beste alhier kan opgroeien. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de pleegouders en ervaart daar rust en stabiliteit.

5.9.. Tegelijkertijd bestaan nog altijd ernstige zorgen over de persoonlijke situatie van zowel de moeder als de vader. Hun eigen problematiek speelt nog steeds een grote rol in hun leven. [minderjarige] ervaart dat hij zelf stappen zet in zijn ontwikkeling, terwijl hij het gevoel heeft dat zijn ouders onvoldoende toekomen aan het werken aan hun eigen problematiek. Hij ondervindt hiervan spanning en belasting. Ook de GI signaleert deze zorgen.

5.10.. De kinderrechter overweegt dat, gelet op al deze omstandigheden, nog veel zal moeten veranderen en zal moeten worden ingezet voordat gedacht kan worden aan het toewerken naar een thuisplaatsing. De verwachting is echter niet dat de situatie van de moeder of de vader binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn voldoende zal verbeteren. Het is daarom niet in het belang van [minderjarige] om nog toe te werken naar een thuisplaatsing. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat hij duidelijkheid krijgt over zijn perspectief. Dit geeft hem rust en stelt hem in staat zich te richten op zijn eigen ontwikkeling. Deze behoefte aan duidelijkheid wordt bovendien onderschreven door onder meer [hulpverlening] , de Raad en de GI. Eerder heeft de Raad al (in mei 2025) aangegeven dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] zes maanden zou zijn. Alles afwegende kan de kinderrechter zich vinden in het door de GI vastgestelde perspectief, inhoudende dat het perspectief van [minderjarige] bij het gezin van de pleegouders ligt en dus niet bij (een van) de ouders.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.11.. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;

6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Plus de Décisions