Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5421

Tribunal

Middelburg

Date

20 May 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht; Personen- en familierecht

Décision / Solution

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/440348 / JE RK 25-1754

Datum uitspraak: 20 mei 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,

locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2025 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. F.J.V.H. Stoffels uit Zevenbergen,

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

hierna te noemen de Gl,

gevestigd te Middelburg.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de tussenbeschikking van 25 maart 2026 en de daarin vermelde stukken;

  • het aanvullende rapport van de Raad van 23 april 2026.

1.2.. Op 20 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • een vertegenwoordiger van de Raad;

  • een vertegenwoordigster van de GI.

2. De feiten

2.1.. De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.2..
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

2.3..

Bij beschikking van 29 juli 2025 van de kinderrechter te Breda zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 29 juli 2025 en tot 12 augustus 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

2.4..

Bij beschikking van 7 augustus 2025 van de kinderrechter te Breda zijn [minderjarige 1] en

[minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 12 augustus 2025 en tot 29 oktober 2025.

2.5..

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 oktober 2025

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 28 oktober 2025 en tot 28 april 2026. Het resterende deel van het verzoek is

aangehouden.

2.6. Bij beschikking van 25 maart 2026 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 28 mei 2026 en is het resterende deel van het verzoek aangehouden.

3. Het verzoek

3.1. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur

van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2..

De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Aan de orde is het

resterende deel van het verzoek voor de periode met ingang van 28 mei 2026 en tot 28

oktober 2026.

4. De standpunten

4.1.. De Raad heeft gedurende het aanvullende onderzoek geconstateerd dat de moeder goede stappen maakt, maar ook dat de zorgen nog niet geheel zijn weggenomen. Zo is er onvoldoende zicht op de mentale gesteldheid van de moeder en op de vraag of er sprake is persoonlijke problematiek dan wel dat er trauma’s aanwezig zijn die haar in de weg staan. Daarnaast zijn er aandachtspunten voor de moeder in de opvoeding van de kinderen en met name omtrent het bieden van regels en grenzen. In het afgelopen halfjaar zijn er twee meldingen geweest met zorgen over schreeuwen van de moeder tegen de kinderen. Ook zijn er zorgen over de hygiëne in huis en heeft nog altijd het onderzoek van [minderjarige 1] naar zijn spraak-/taalontwikkeling niet plaatsgevonden. De Raad vindt het belangrijk dat de hulpverlening wordt voortgezet. [hulpverlening] adviseert daarbij om ook Basic Trust in te zetten. De moeder ziet hier echter minder noodzaak voor. Opvallend is dat de moeder in de tweede fase van [hulpverlening] meerdere afspraken niet is nagekomen, waardoor betwijfeld wordt of de moeder wel intrinsiek gemotiveerd is voor de noodzakelijk bevonden hulpverlening en of deze vanuit een vrijwillig kader doorgang zou vinden. De Raad vindt dan ook dat er in de komende periode nog steeds sprake moet zijn van een ondertoezichtstelling en handhaaft daarom het resterende deel van zijn verzoek. De Raad begrijpt van de GI dat er vanaf heden een vaste ervaren jeugdbeschermer beschikbaar is. De Raad denkt dat de moeder en de kinderen hiervan kunnen profiteren.

4.2.. De moeder heeft in de afgelopen jaren veel meegemaakt en merkt dat zij inmiddels meer tot rust komt. De moeder heeft veel moeite met het verplichte karakter van de ondertoezichtstelling. Er is veel hulpverlening betrokken bij de moeder. Zo heeft zij gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts en met maatschappelijk werk. Daarnaast heeft zij budgetbeheer en schuldhulpverlening en staat zij op de wachtlijst voor huishoudelijke hulp. Een ondertoezichtstelling heeft vaak als doel om hulp in te zetten. Het is voor haar dan ook niet duidelijk wat er dan nog meer van haar verwacht wordt. De moeder ervaart al deze hulpverlening als zeer intensief. De inzet van extra hulpverlening gaat meer druk leggen op haar draagkracht. Daarbij heeft de GI in de afgelopen maanden weinig betrokkenheid getoond. Dat de moeder enkele afspraken niet is nagekomen heeft een gegronde reden, waarbij sprake is geweest van overmacht. Zo is haar auto kapot gegaan en is er binnen haar gezin sprake geweest van buikgriep. Volgens de Raad heeft de moeder een goede ontwikkeling laten zien en is zij een stuk rustiger geworden. De moeder staat achter de inzet van Basic Trust, zoals is geadviseerd door [hulpverlening] . Dit kan dus vanuit een vrijwillig kader ingezet worden. De moeder verzoekt dan ook om het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling af te wijzen.

4.3.. De GI sluit zich aan bij de zorgen zoals die benoemd zijn door de Raad. De GI vindt het belangrijk dat de draagkracht en -last van de moeder in balans blijft. De moeder staat er voornamelijk alleen voor en heeft daarom ondersteuning nodig om de stappen te kunnen maken die van haar verwacht worden. De GI benoemt dat er met ingang van heden een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is, die met de moeder kan gaan werken aan de doelen die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling.

5. De nadere beoordeling

5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan en wijst daarom het resterende deel van het verzoek toe.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.. In de beschikking van 28 oktober 2025 heeft de kinderrechter zorgen benoemd die een bedreiging vormen voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zo hebben de kinderen in hun relatief korte leven al veel onrust, spanningen en instabiliteit in hun thuissituatie gehad. Daarbij hebben zij ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, zoals het overlijden van hun vader. De kinderrechter deelde destijds de zorgen van de Raad, in die zin dat het al langere tijd ontbreekt aan zicht op en hulp voor het gezin. Daarnaast speelt bij de moeder persoonlijke problematiek en zijn er zorgen over de emotieregulatie en beschikbaarheid van de moeder.

5.3.. Uit de verkregen stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, moet de kinderrechter helaas concluderen dat er in het afgelopen halfjaar geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar was, waardoor nauwelijks uitvoering is gegeven aan de ondertoezichtstelling. De kinderrechter betreurt dit, vooral omdat dit niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Inmiddels is duidelijk geworden dat er op korte termijn een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is, die met moeder aan de slag kan om de zorgen die benoemd zijn in de vorige beschikking weg te nemen. De kinderrechter ziet namelijk niet dat die zorgen zijn opgelost. Er is nog geen compleet zicht op de opvoedsituatie van de kinderen. Met name ten aanzien van [minderjarige 1] moeten er nog stappen gezet worden. Hij is inmiddels drie jaar en zit in een essentiële fase van zijn opgroeien. Het is belangrijk dat in deze fase goed gekeken wordt wat hij nodig heeft om zo goed als mogelijk te ontwikkelen. Van belang is dat het onderzoek naar zijn taal-/spraakontwikkeling snel van de grond komt. Daarnaast moet de kinderrechter ook vaststellen dat het de moeder op momenten soms wel, maar soms ook niet goed lukt om de afspraken na te komen, zoals bij [hulpverlening] . Ook heeft de aanvraag voor het spraak- en taalonderzoek ten aanzien van [minderjarige 1] erg lang op zich laten wachten omdat de moeder er niet in slaagde een identiteitsbewijs voor [minderjarige 1] te bemachtigen. Bezien moet worden of de moeder voor zichzelf meer nodig heeft dan tot nu toe is ingezet. De kinderrechter beseft dat de ondertoezichtstelling een zwaar middel is dat drukt op de moeder, maar vindt dat de situatie nog onvoldoende is verbeterd om nu al het gedwongen kader los te laten. De kinderrechter adviseert de moeder om de ondersteuning van de jeugdbeschermer aan te grijpen; zij kan zaken uit handen nemen en de moeder bijstaan in het nemen van de stappen die nodig zijn om de zorgen weg te nemen en om uiteindelijk weer zelf de verantwoordelijkheid over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te kunnen dragen.

5.3.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing in het belang van de hulpverlening aan de kinderen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

6.1.. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 28 mei 2026 tot 28 oktober 2026;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 28 mei 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:255 BW.

Artikel 2 Besluit gezagsregisters.

Plus de Décisions