ECLI:NL:RBZWB:2026:5424
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/441960 / JE RK 25-2031
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. N.P.M. Planthof uit Goes.
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] ,
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 25 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;
het rapport van de Raad van 12 maart 2026, ontvangen op 25 maart 2026;
de briefrapportage met bijlagen van de GI van 3 april 2026, ontvangen op 9 april 2026;
het psychodiagnostisch onderzoeksverslag, ontvangen op 13 april 2026;
het bericht van mr. Planthof van 20 april 2026;
het bericht van de Raad van 20 april 2026;
het bericht van de GI van 22 april 2026, ontvangen op 24 april 2026;
het e-mailbericht van de vader van 7 mei 2026.
2. De feiten
2.1.. De vader heeft [minderjarige] op 21 november 2025 erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .2.2.. Bij beschikking van 25 november 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 november 2025 en tot 25 november 2026. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 25 november 2025 en tot 25 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.2.3.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.
3. Het verzoek
3.1.. De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.3.2.. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek voor de periode van 25 mei 2026 tot 25 november 2026.
4. De nadere beoordeling
Het wettelijk kader
4.1.. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De pleegouders als belanghebbenden
4.2.. Door de GI is in de briefrapportage van 3 april 2026 aangegeven dat zij de pleegouders willen aandragen als belanghebbenden omdat [minderjarige] daar al geruime tijd verblijft. De kinderrechter overweegt dat ingevolge artikel 798, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt wordt aangemerkt als belanghebbende. Omdat [minderjarige] nog geen jaar in het huidige pleeggezin verblijft en doordat gelet op de instemming van alle betrokkenen schriftelijk op dit verzoek wordt beslist, zal de kinderrechter de pleegouders op dit moment niet aanmerken als belanghebbenden.
De machtiging tot uithuisplaatsing
4.3.. Uit het rapport van de Raad van 12 maart 2026 volgt dat [minderjarige] op dit moment nog niet bij de ouders kan wonen. Het is op dit moment namelijk nog onvoldoende duidelijk wat de ouders [minderjarige] kunnen bieden in haar verzorging en opvoeding, hoewel al wel duidelijk is dat zij op dit moment zonder ondersteuning de benodigde zorg niet kunnen bieden. Er zijn blijvende zorgen over de opvoedvaardigheden in relatie tot het cognitief functioneren en de leerbaarheid van beide ouders. Doordat bij beide ouders sprake is van een verstandelijke beperking, bestaat er onzekerheid over hun vermogen om opvoedvaardigheden aan te leren en deze zelfstandig en consequent toe te passen in de dagelijkse zorg voor [minderjarige] . De huidige zorgen over het cognitief functioneren en de leerbaarheid van de ouders maken dat het onzeker is of de ouders, ook met hulpverlening, voldoende kunnen groeien binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. De onderzoeken en opvolging van de hulpverlening moeten hier meer duidelijkheid over gaan geven. Daarbij betrekkende dat het goed gaat met [minderjarige] in het pleeggezin, acht de Raad het noodzakelijk dat de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin wordt voortgezet.4.4.. Uit de briefrapportage van de GI van 3 april 2026 blijkt dat het begeleide contact tussen [minderjarige] en de ouders goed verloopt. Ook wordt gezien dat de ouders open staan voor hulpverlening, goed meewerken en positief contact hebben met de pleegouders en de betrokken hulpverlening. Er zijn nog wel zorgen waaruit volgt dat het voor de ouders nog niet mogelijk is om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] in de eigen woonsituatie te realiseren. Deze zorgen zijn onder meer gelegen in de opvoedvaardigheden van de ouders. Hierin hebben zij namelijk nog voortdurend begeleiding en ondersteuning nodig. Op dit moment lijkt het niet realistisch dat de ouders zelfstandig voor [minderjarige] kunnen gaan zorgen. In de komende periode zal aan de hand van het diagnostisch onderzoek van de moeder worden onderzocht of de inzet van opvoedondersteuning helpend kan zijn voor de moeder. Daarnaast wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn voor begeleid contact tussen de ouders en [minderjarige] in de thuissituatie van de ouders.4.5.. Op 20 april 2026 heeft mr. Planthof bericht dat de moeder akkoord is met schriftelijke afdoening van het resterende deel van het verzoek. Diezelfde dag heeft ook de Raad aangegeven akkoord te zijn met schriftelijke afdoening van het resterende deel van verzoek. Op 22 april 2026 heeft de GI ingestemd met het verzoek van mr. Planthof om het resterende deel van het verzoek schriftelijk af te doen. Uit het e-mailbericht van de vader van 7 mei 2026 blijkt dat hij ook akkoord is met schriftelijke afdoening van het resterende deel van het verzoek.4.6.. Op grond van de overgelegde stukken en de instemmingen van de Raad, de GI, mr. Planthof en de vader acht de kinderrechter een nadere zitting niet nodig.4.7.. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg in het belang van haar opvoeding en verzorging is en dat daarmee is voldaan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b, tweede lid, BW. Om die reden zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van zes maanden, te weten tot 25 november 2026 (artikel 1:265c, tweede lid, BW).
4.8.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De kinderrechter:
5.1.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 25 mei 2026 en tot 25 november 2026;5.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.