ECLI:NL:RBZWB:2026:5428
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447381 / JE RK 26-689
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. F.L.I. de Vleesschauwer uit Terneuzen,
Familie [de pleegouders] ,
hierna te ne noemen de pleeg-/grootouders,
wonende te [plaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend en gehoord:
- de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad.
1. Het verloop van de procedure
1.1..
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 april 2026.
1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
een vertegenwoordiger van de GI (via Teams);
de grootmoeder;
een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2..
De kinderrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van
19 oktober 2023 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 oktober 2023
en tot 19 oktober 2024. Tevens heeft de kinderrechter bij dezelfde beschikking een
machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de
grootouders moederszijde, verleend met ingang van 19 oktober 2023 en tot 19 juli 2024.
2.3..
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 juli 2024 de
machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een
netwerkpleeggezin, te weten bij grootouders moederszijde, met ingang van 19 juli 2024 en
tot 19 oktober 2024.
2.4..
Bij beschikking van 15 oktober 2024 heeft de kinderrechter de
ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd met ingang
van 19 oktober 2024 en tot 19 oktober 2025. Bij diezelfde beschikking is bepaald dat het
gezag van de vader over [minderjarige] van rechtswege is geschorst.
2.5.. Bij beschikking van 15 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] laatstelijk verlengd tot 19 oktober 2026.
2.6..
Op grond van de bovengenoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een
netwerkpleeggezin (bij grootouders moederszijde).
3. Het verzoek
3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
4.1.. De GI stelt dat er sinds de laatste verlenging van de ondertoezichtstelling er veel positief is veranderd voor [minderjarige] . Op haar tempo is het contact met de moeder hersteld. De moeder komt ook weer thuis bij de grootouders en [minderjarige] . Daarnaast gaat [minderjarige] sinds november 2025 weer naar school en loopt zij stage bij een kinderdagverblijf. Het gaat goed met [minderjarige] , zij zit goed in haar vel. De GI concludeert dat er geen ontwikkelingsbedreigingen meer worden gezien. Nu de moeder het ermee eens is dat [minderjarige] bij grootouders blijft wonen, zijn volgens de GI maatregelen in het gedwongen kader niet langer noodzakelijk. Voorlopig blijft de pleegzorgbegeleider [persoon 1] betrokken ter ondersteuning van [minderjarige] , de moeder en grootouders als ook [persoon 2] als JIM van [minderjarige] . Ook weet [minderjarige] bij wie zij terecht kan als zij in de toekomst ergens tegenaan loopt. De GI vindt dat de situatie voldoende gewaarborgd is om het gedwongen kader te verlaten.
4.2.. De moeder staat achter het verzoek van de GI. In het afgelopen jaar is de situatie positief veranderd. Het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] verloopt goed. De moeder merkt dat [minderjarige] steeds meer toenadering tot haar zoekt. De moeder ziet geen noodzaak meer voor een ondertoezichtstelling. Zij accepteert de keuze van [minderjarige] om bij de grootouders te blijven wonen, al had zij graag gezien dat [minderjarige] weer bij haar zou komen wonen. De wens van [minderjarige] is leidend voor de moeder.
4.3.. De grootmoeder is het eens met het verzoek van de GI. Hopelijk blijft de gezondheid van de grootouders zodanig dat zij nog heel lang kunnen zorgen voor [minderjarige] .
4.4..
[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat het heel goed met haar gaat. Ze heeft in de afgelopen periode echt sprongen gemaakt qua werk en school. [minderjarige] loopt inmiddels stage bij een kinderdagverblijf en wil later gaan werken op een gespecialiseerd kinderdagverblijf voor zieke kinderen. Het contact met haar moeder is hersteld. [minderjarige] heeft nu geregeld contact met haar moeder. [minderjarige] weet bij wie zij straks terecht kan als er geen ondertoezichtstelling meer is en zij ergens mee zit. [persoon 1] (de pleegzorgbegeleidster) en [persoon 2] (JIM) blijven voor haar beschikbaar. Zij heeft met beiden een goede klik. [minderjarige] was erg blij dat [persoon 1] met het voorstel kwam om de ondertoezichtstelling te beëindigen. Het is een mooie afsluiting van de afgelopen periode.
5. De beoordeling
5.1.. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW niet langer is vervuld. De kinderrechter kan dit volgens artikel 1:261 lid 2 BW doen op verzoek van de GI die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
5.2.. Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Ook moet de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat is/zijn te dragen.
5.3.. De kinderrechter is van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling niet meer aanwezig zijn. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht concludeert de kinderrechter dat in het afgelopen jaar de situatie rondom [minderjarige] positief is veranderd. Zo gaat zij weer naar school, loopt zij stage en is het contact met de moeder hersteld. De kinderrechter is met de Raad en de GI van oordeel dat de ontwikkelingsbedreigingen in voldoende mate zijn weggenomen en dat sturing en begeleiding vanuit een gedwongen kader niet langer nodig is. Hoewel een borgingsplan ontbreekt, heeft de moeder duidelijk te kennen gegeven dat zij instemt met het verblijf van [minderjarige] bij de grootouders en dat zij zich conformeert aan de wens van [minderjarige] hierin. De kinderrechter vindt het in die omstandigheden in het belang van [minderjarige] dat de moeder weer zelfstandig de verantwoordelijkheid kan dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De kinderrechter heft dan ook met ingang van heden de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op.5.4.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.. heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van heden op;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 28 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.