Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5429

Tribunal

Middelburg

Date

20 May 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Civiel recht; Personen- en familierecht

Décision / Solution

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/447612 / JE RK 26-730

Datum uitspraak: 20 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zeeland-West-Brabant,

locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. Q. van Mossevelde uit Terneuzen,

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. M. de Houck uit Terneuzen.

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUDGBESCHERMING & JEUDGRECLASSERING,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de GI.

1. Het verloop van de procedure

1.1..

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 april 2026.

1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;

  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;

een vertegenwoordigster van de GI;

een vertegenwoordigster van de Raad.

2. De feiten

2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2..
[minderjarige] woont bij zijn moeder.

3. Het verzoek

3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

4.1.. De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken. [minderjarige] heeft kindeigenproblematiek en groeit op in een omgeving waarbij er zorgen zijn over het opvoedingshandelen van de ouders. Tussen de ouders is er een groot wantrouwen en een verschil in visie. De ouders hebben ook hun eigen problematiek. Mede daardoor is het voor de ouders lastig om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. De Raad verwijst naar de doelen uit het raadsrapport en voegt hieraan toe dat de Raad het nodig acht dat de ouders psycho-educatie krijgen over autismespectrumstoornissen (hierna: ASS) en een ontwikkelingsachterstand bij kinderen. De Raad ziet dat de grenzen van het vrijwillig kader bereikt zijn.

4.2.. Door en namens de vader wordt aangevoerd dat de vader een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk vindt. De vader zal wel zijn medewerking verlenen als de ondertoezichtstelling wordt toegewezen. De vader vraagt zich af wat een ondertoezichtstelling meer gaat brengen dan hulpverlening in het vrijwillig kader. Hulpverlening voor de ouders en verder onderzoek naar [minderjarige] kan volgens de vader in het vrijwillig kader worden ingezet.

4.3.. Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat de moeder instemt met de ondertoezichtstelling. De moeder denkt dat de ondertoezichtstelling helpend kan zijn voor [minderjarige] en haarzelf. [minderjarige] ervaart veel emoties en hij kan dit moeilijk onder woorden brengen. Er is intensievere begeleiding voor [minderjarige] nodig. Daarnaast moet er rust en voorspelbaarheid ontstaan in het contact met de vader. Ook hoopt de moeder dat de ondertoezichtstelling helpend zal zijn voor het vertrouwen in de vader.

4.4.. De GI geeft aan dat er een jeugdbeschermer beschikbaar is.

5. De beoordeling

Wettelijk kader

5.1.. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.

Inhoudelijke beoordeling

5.2.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.3.. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat er veel zorgen zijn over [minderjarige] . [minderjarige] heeft ASS en een algehele ontwikkelingsachterstand. Deze kindeigenproblematiek maakt dat [minderjarige] een grote behoefte aan structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid. Daarnaast heeft [minderjarige] moeite met zijn emotieregulatie. Dit kan zich uiten is plotselinge agressie of onverklaarbaar gedrag. Hoewel de ouders veel om [minderjarige] geven, kunnen de vader en de moeder op dit moment de nodige structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid in de opvoedsituatie niet bieden. Er zijn namelijk grote zorgen over de opvoedomgeving van zowel de vader als de moeder. Dit komt mede door de eigen problematiek van de ouders. Bij de moeder zijn er zorgen over haar draagkracht, zowel mentaal als fysiek. De vader is snel overvraagd en zijn leerbaarheid is beperkt. Daarnaast is er tussen de ouders geen sprake van vertrouwen of constructieve communicatie, hetgeen zorgt dat [minderjarige] klem zit tussen de ouders. [minderjarige] ervaart last van de onderlinge spanningen tussen de ouders.

5.4.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de ouders tot nu in het vrijwillig kader niet is gelukt om blijvende verandering te bewerkstelligen. In de afgelopen anderhalf jaar is de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende aangestuurd. Het is belangrijk dat de GI de regie gaat voeren om hulpverlening gericht in te zetten en om voor [minderjarige] zo snel mogelijk een veilige opvoedsituatie te creëren.

5.5.. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. Het is belangrijk dat de GI gaat onderzoeken wat [minderjarige] nodig heeft in zijn ontwikkeling. Indien nodig dient de GI intensievere begeleiding voor [minderjarige] in te zetten. Daarnaast is het van belang dat de ouders meer in gesprek gaan met elkaar. Op deze manier kan [minderjarige] zo veel mogelijk onbelast contact hebben met beide ouders en daarbij meer rust ervaren. Tot slot moet er duidelijkheid komen in het contact en de omgang tussen de vader en [minderjarige] .

5.6.. De kinderrechter geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:

  • [minderjarige] groeit op in een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie waarin er

responsief en sensitief op zijn behoeften wordt ingespeeld;

  • [minderjarige] weet emoties op een adequate en bij zijn ontwikkeling passende wijze te

reguleren;

  • [minderjarige] ervaart duidelijkheid over wat hij kan verwachten in het contact en de

omgang met zijn vader en voelt zich hierin voldoende gehoord (wat betekent dat

er passend bij de behoefte van [minderjarige] contact is met de vader);

  • [minderjarige] ervaart vrijheid en ruimte om de band met beide ouders te onderhouden

en zijn loyaliteit naar beide ouders vorm te geven;

  • De ouders blijven zich begeleidbaar opstellen en komen gemaakte afspraken met

elkaar en anderen na en stellen het ouderschap van [minderjarige] centraal;

  • De ouders krijgen psycho-educatie, waarbij zij inzicht krijgen in welke opvoedingsaanpak passend is voor een kind met ASS en een ontwikkelingsachterstand.

5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

6.1.. stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 20 mei 2026 tot 20 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 3 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:255 BW.

Plus de Décisions