ECLI:NL:RBZWB:2026:5431
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/446916 / KG ZA 26-187
Vonnis in kort geding van 20 mei 2026
in de zaak van
[de man]
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. K. el Joghrafi,
tegen
[de vrouw]
hierna te noemen: de vrouw;
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. F. Ergec
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen:
de Raad, de voorzieningenrechter over (een deel van) de vorderingen geadviseerd.
1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de (concept) dagvaarding;
de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 4;
de mondelinge behandeling op 11 mei 2026.
1.2.. Op 11 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger van de Raad.
1.4.. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1..
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.
2.2.. De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3..
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.4.. Bij het uiteengaan van partijen hebben partijen een ouderschapsplan (hierna: parenting plan) opgesteld waarin een omgangsregeling is overeengekomen die inhoudt dat [minderjarige] eenmaal per 14 dagen op zaterdag en zondag bij de man zal verblijven, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.
2.5.. Sinds half november 2025 is er geen omgang meer geweest tussen de man en [minderjarige] . Er is wel nog een kort contactmoment geweest in januari 2026 toen de man zijn nieuwe auto aan [minderjarige] heeft laten zien.
3. De vorderingen in conventie en reconventie
3.1.. De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te gebieden tot nakoming van de overeengekomen regeling, waarbij [minderjarige] eenmaal per 14 dagen van zaterdag tot zondag, alsmede gedurende de helft van de vakantie en feestdagen, bij de man verblijft.
3.2.. De vrouw vordert in reconventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de omgangsregeling zoals die is vastgelegd in het parenting plan tussen partijen met onmiddellijke ingang te schorsen;
partijen te verwijzen naar het Uniforme Hulpaanbbod (UHA);
de man te veroordelen om binnen 7 dagen na dit vonnis zijn huidige verblijfplaats (adres) schriftelijk aan de vrouw kenbaar te maken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dat dat hij hiermee in gebreke blijft.
3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4. De beoordeling in conventie en in reconventie
4.1.. Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zullen alle vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Er is sprake van een spoedeisend belang
4.2.. De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of er een (voldoende) spoedeisend belang bestaat bij de vorderingen. De man stelt dat de spoedeisendheid uit de aard van de zaak voortvloeit. De vrouw heeft zich niet uitgelaten over het spoedeisend belang in deze zaak.
4.3.. Op grond van de gedingstukken en hetgeen tussen partijen is besproken ter zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de vorderingen voldoende vast. Er is sprake van een omgangsregeling die niet wordt nagekomen en partijen hebben er belang bij dat er zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen over de vraag of de omgangsregeling moet worden nageleefd of dat de omgangsregeling (tijdelijk) moet worden geschorst.
De vastgelegde omgangsregeling moet worden nagekomen
4.4.. De man vraagt om nakoming van de omgangsregeling zoals die is vastgelegd in het parenting plan. Concreet betekent dit dat de man omgang wil met [minderjarige] één keer per veertien dagen op zaterdag en zondag en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen. De man heeft toegelicht dat gedurende een bestendige periode uitvoering is gegeven aan de regeling die is vastgelegd in het parenting plan, maar dat de vrouw sinds half november 2025 weigert de regeling na te komen. De man vindt dat er geen enkele reden is waarom de regeling zoals partijen die zijn overeengekomen niet zou moeten worden nagekomen door de vrouw.
4.5..
De vrouw voert aan dat er inderdaad een omgangsregeling is afgesproken tussen partijen, maar dat voortzetting van de huidige omgangsregeling op dit moment niet in het belang is van [minderjarige] . Daarom moet de omgang tussen de man en [minderjarige] (tijdelijk) worden geschorst volgens de vrouw. Zij licht toe dat de man onbetrouwbaar is omdat hij de ene keer wel en de andere keer niet komt bij de omgangsmomenten. Dit leidt tot ernstige onzekerheid en emotionele schade bij [minderjarige] . Ter zitting heeft de vrouw nog aangevuld dat de man en [minderjarige] vaak omgang hebben (gehad) bij de vrouw thuis en dat de man [minderjarige] alleen meeneemt in de perioden waarin de man een relatie heeft.
Verder voert de vrouw aan dat er binnen de huidige relatie van man sprake is van heftige ruzies, waarbij de politie betrokken is geweest. Het incident waarbij de politie langs is geweest, is voorgevallen in november. In augustus en september hebben de man en zijn huidige partner ook ruzie gehad volgens de vrouw. Door de ruzies is er een reëel risico voor de veiligheid en het welzijn van [minderjarige] . Ook in de relatie tussen de man en de vrouw is er volgens de vrouw sprake geweest van agressieproblematiek. Toen waren er ook ruzies waarbij de politie is geweest.
Volgens de vrouw heeft [minderjarige] last van de situatie wat onder meer blijkt uit het feit dat hij overdag meerdere keren per dag in zijn broek plast terwijl hij eerder zindelijk was.
Er kan wat de vrouw betreft wel omgang plaatsvinden maar die moet dan wel begeleid plaatsvinden of bij de vrouw thuis, totdat de man inzicht toont in zijn handelen en de schadelijke gevolgen daarvan voor [minderjarige] .
4.6.. De man heeft ter zitting aangeven dat er in november 2025 inderdaad een incident is geweest met zijn huidige partner waarbij de politie langs is geweest. De oorzaak van deze ruzie was dat de omgang met [minderjarige] bij de vrouw had plaatsgevonden en dat de man daar was blijven slapen. De betrokkenheid van de politie is eenmalig geweest en het incident heeft plaatsgevonden op een moment waarop [minderjarige] bij de vrouw was. Er is volgens de man geen sprake van een gewelddadige relatie. De man ontkent niet dat hij wel eens ruzie heeft met zijn (huidige) partner. De man ontkent dat er tijdens de relatie met de vrouw sprake is geweest van agressieproblematiek. Naar de mening van de man heeft de vrouw moeite met het feit dat hij verder is gegaan met zijn leven nadat de relatie met de vrouw is verbroken.
4.7.. Namens de Raad is ter zitting aangegeven dat de omgang zo spoedig mogelijk weer moet worden opgestart. Voor de Raad is onbegrijpelijk dat de omgangsregeling zo plotseling is stopgezet. Het valt de Raad op dat er nog veel onderwerpen spelen op ex-partner niveau. Dat is iets wat ouders onderling moeten bespreken en dat mag niet leiden tot het stopzetten van de omgang. De Raad heeft op zitting niets gehoord wat leidt tot zorgen over de veiligheid van [minderjarige] tijdens de omgang met de man. De omgang moet weer worden opgestart en ouders moeten zich zoveel mogelijk houden aan de regeling.
4.8.. De voorzieningenrechter overweegt het navolgende. Uit de wet vloeit voort dat een ouder die niet met het gezag belast is in beginsel recht heeft op omgang met zijn kind. Dat is alleen anders als er een reden is om die ouder het recht op omgang te ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:
omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
4.9..
Bovenstaande betekent dat de man in beginsel recht heeft op omgang met [minderjarige] en dat de omgangsregeling zoals partijen die in het parenting plan zijn overeengekomen moet worden nageleefd. Dat is alleen anders als de vrouw erin slaagt voldoende aannemelijk te maken dat er bijzondere omstandigheden zijn die de (voorlopige) conclusie rechtvaardigen dat omgang tussen de man en [minderjarige] niet (langer) in het belang van [minderjarige] is. Het moet dan gaan om ernstige en zwaarwegende omstandigheden in lijn met de hiervoor onder 4.8. genoemde omstandigheden. De vrouw is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd dergelijke omstandigheden voldoende aannemelijk te maken. Niet is komen vast te staan dat de situatie bij de man thuis een situatie oplevert die schadelijk is voor de gezondheid en het welzijn van [minderjarige] . Het incident in november, dat door de vrouw is genoemd en door de man is erkend, is een voorval geweest waarbij [minderjarige] niet aanwezig was. Ook bij de voorvallen van augustus en september die de vrouw schetst, en waaraan de man overigens een andere uitleg geeft, was [minderjarige] niet aanwezig. Zonder nadere uitleg is voor de voorzieningenrechter niet duidelijk waarom deze voorvallen dan toch schadelijk zijn voor de gezondheid en het welzijn van [minderjarige] en zouden moeten leiden tot (tijdelijke) schorsing van de omgang. De enkele omstandigheid dat partners ruzie hebben rechtvaardigt in ieder geval niet de conclusie dat er geen veilige situatie is met betrekking tot de omgang.
Dat er sprake is van agressieproblematiek bij de man, hetgeen door de man is betwist, is door de vrouw onvoldoende onderbouwd.
De voorzieningenrechter begrijpt dat er zorgen zijn bij de vrouw over het broekplassen van [minderjarige] . Door de vrouw is echter niet onderbouwd wat hiervan de oorzaak is. Broekplassen bij kinderen kan meerdere oorzaken hebben en aan de enkele omstandigheid dat hiervan sprake is kan de voorzieningenrechter zonder nadere toelichting en onderbouwing van de zijde van de vrouw niet de conclusie verbinden dat er tijdelijk geen omgang moet zijn tussen de man en [minderjarige] .
De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd ook geen aanleiding om de omgang begeleid plaats te laten vinden, aangezien geen van de aangevoerde omstandigheden voldoende is onderbouwd.
4.10..
Dit betekent dat de in het parenting plan overeengekomen omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] zo snel mogelijk moet worden hervat op de wijze zoals overeengekomen in het parenting plan. Omdat het de voorzieningenrechter is opgevallen dat in het parenting plan geen afspraken zijn gemaakt over het tijdstip waarop de omgang aanvangt en het tijdstip waarop de omgang eindigt én het naar het oordeel van de voorzieningenrechter van belang is dat er zoveel mogelijk duidelijkheid is over de omgangsregeling, is hierover op de zitting gesproken. Ter zitting zijn partijen het niet eens geworden over het aanvangstijdstip. De man wil dat de omgang aanvangt om 9.00 uur. De vrouw wil dat dit 10.00 uur is. Partijen zijn het wel eens over de eindtijd. De eindtijd is 18.00 uur. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de omgang plaatsvindt van zaterdag 9.30 uur tot zondag 18.00 uur.
Verder wijst de voorzieningenrechter erop dat in het parenting plan is bepaald dat de ouder bij wie het kind verblijft [minderjarige] naar de andere ouders zal brengen op het moment dat het de beurt is van de andere ouder om [minderjarige] bij zich te hebben. Deze afspraak wordt door deze uitspraak niet aangetast. Concreet betekent dit dat de vrouw [minderjarige] op zaterdag naar de man zal brengen en dat de man [minderjarige] op zondag terugbrengt naar de vrouw. Dit vonnis brengt evenmin wijziging in de afspraak van partijen dat de man gedurende de helft van de vakanties en feestdagen omgang zal hebben met [minderjarige] .
4.11.. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat de vordering van de man tot nakoming van de omgangsregeling wordt toegewezen. Uit de toewijzing van de vordering van de man volgt dat de vordering (in reconventie) van de vrouw om de omgangsregeling zoals die is vastgelegd in het parenting plan te schorsen, wordt afgewezen.
Partijen worden niet verwezen naar het Uniforme Hulpaanbod (UHA)
4.12.. De vrouw vordert dat partijen worden verwezen naar het UHA. De vrouw vindt de verwijzing naar het UHA noodzakelijk zodat partijen tot veilige afspraken kunnen komen. De man verzet zich hiertegen, maar heeft wel aangegeven dat hij openstaat voor hulpverlening als op een later tijdstip blijkt dat dit in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
4.13.. De Raad heeft ter zitting gemotiveerd aangegeven dat er op dit moment geen aanleiding is om partijen te verwijzen naar het UHA.
4.14.. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om partijen op dit moment naar het UHA te verwijzen. Uit het voorgaande blijkt dat de voorzieningenrechter van oordeel is de feiten en omstandigheden die door de vrouw zijn aangevoerd om de omgang tussen de man en [minderjarige] (tijdelijk) te schorsen, onvoldoende zijn onderbouwd. Nu de vrouw geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd aan haar vordering tot verwijzing naar het UHA, is er op dit moment ook geen grond voor verwijzing naar het UHA. Daar komt bij dat de man zich verzet tegen de verwijzing, waardoor toewijzing sowieso lastig zou zijn. Verder blijkt uit het advies van de Raad dat hij op basis van hetgeen door de vrouw is aangevoerd geen aanleiding ziet voor een verwijzing naar het UHA. De voorzieningenrechter zal de vordering tot verwijzing naar het UHA dan ook afwijzen.
De vrouw heeft geen belang meer bij een veroordeling van de man tot het kenbaar maken van zijn adres
4.15.. De vrouw heeft verder nog gevorderd dat de man, op straffe van een dwangsom, wordt veroordeeld zijn huidige verblijfplaats kenbaar te maken aan de vrouw.
4.16.. De man heeft ter zitting zijn adres doorgegeven aan de vrouw, zodat de vrouw bij dit gedeelte van haar vordering geen belang meer heeft. De voorzieningenrechter zal deze vordering om die reden afwijzen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.. veroordeelt de vrouw tot nakoming van de in het parenting plan vastgelegde omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] , met de aanvulling dat de omgang op zaterdag aanvangt om 9.30 uur waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en dat deze duurt tot zondag om 18.00 uur waarbij de man [minderjarige] terugbrengt naar de vrouw (zoals overwogen in rechtsoverweging 4.10);
5.2.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.. wijst af hetgeen, zowel in conventie als in reconventie, meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Broek, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot, griffier.
Artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek.