Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5810

Tribunal

Middelburg

Date

30 June 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Bestuursrecht; Belastingrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 24/1285
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde 1] verbonden aan JUIST, onderdeel van Previcus Vastgoed),

en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.

Beslissing

1. De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • vermindert de WOZ-waarde van de woning tot een bedrag van € 188.000;

  • vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;

  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;

  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van een woning (hierna: de woning). Het adres van de woning is: [adres] , te [woonplaats] .

2.1.. Het is een hoekwoning (bouwjaar 1955) met een gebruikersoppervlakte van 145 m2. De woning is een bedrijfswoning en is gelegen op een perceel van 360 m2

Procesverloop

3. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende de vastgestelde waardevan de woning voor het hierna genoemde belastingjaar:

  • Belastingjaar: 2023

  • Vastgestelde waarde: € 191.000

3.1..

Belanghebbende heeft de bezwaarfase doorlopen. De uitkomst daarvan is:

  • Dictum: Bezwaar ongegrond

  • Vastgestelde waarde: € 191.000

  • Nevenbeslissingen: Niet van toepassing

3.2.. Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gegaan. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.

3.3..

De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op een zogeheten cluster-zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:

  • Namens de gemachtigde: [gemachtigde 2]

  • Namens de heffingsambtenaar: [gemachtigde 3]

3.4.. Tegen de aanslag onroerendezaakbelasting die met de beschikking WOZ samenhangt, zijn geen aparte beroepsgronden aangevoerd.

3.5.. De opbouw van deze uitspraak is afgestemd op het karakter van de grotere groep zaken van dezelfde gemachtigde waar dit dossier deel van uitmaakt. Het dossier is wel op zijn eigen merites beoordeeld.

De gronden voor de beslissing

4. De standpunten van partijen met betrekking tot de waarde zijn als volgt:

  • Waarde volgens belanghebbende: € 182.000

  • Waarde volgens de heffingsambtenaar: € 191.000 is niet te hoog, gezien de getaxeerde waarde van € 219.000 in de beroepsfase.

4.1.. Voor het juridisch kader van de beoordeling verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.

Formele beroepsgronden

4.2.. Er zijn geen formele beslispunten in dit dossier.

Materiële beroepsgronden

4.3.. De heffingsambtenaar heeft in beroep een nieuw bewijsmiddel overgelegd: een matrix. Daarin is de woning getaxeerd op een bedrag van € 219.000. Daarop is van de zijde van belanghebbende een schriftelijke reactie ontvangen. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hetgeen in de reactie op de matrix en tijdens de zitting naar voren is gebracht, de eerder ingenomen stellingen overschrijft.

Zijn de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar met de woning?

4.4.. Belanghebbende heeft de bruikbaarheid van de referentiewoningen betwist, omdat de woning van belanghebbende een bedrijfswoning betreft waarop ook de bestemming bedrijf ligt. Verder stelt belanghebbende dat onvoldoende rekening is gehouden met de ligging van de woning.

4.5.. De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar heeft gekozen voor drie reguliere woningen als referentiewoningen, terwijl het betoog van belanghebbende impliceert dat vergeleken had moeten worden met bedrijfswoningen. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning van belanghebbende een bedrijfswoning is. De rechtbank oordeelt dat het op de weg van de heffingsambtenaar had gelegen om de keuze voor reguliere woningen toe te lichten – mogelijk waren geen bedrijfswoningen beschikbaar – maar dat heeft de heffingsambtenaar niet gedaan. De rechtbank oordeelt daarom dat, gelet op de referenties van belanghebbende, de referentiewoningen van de heffingsambtenaar in beginsel niet als basis voor een analyse van de marktsituatie kunnen dienen.

4.6.. Voor het geval deze referentiewoningen de enige drie vergelijkbare woningen waren, had naar het oordeel van de rechtbank het verschil in bestemming tot uitdrukking moeten komen. Dit blijkt niet uit de matrix. Dit leidt tot het oordeel dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn met de woning.

4.7.. De tussenconclusie is dat aan de matrix onvoldoende bewijskracht toekomt om de verdedigde waarde aannemelijk te maken.

De door belanghebbende voorgestane waarde van de woning

4.8.. Omdat de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of belanghebbende de door hem gestelde waarde van € 182.000 aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De heffingsambtenaar heeft de aannemelijkheid van de berekening van belanghebbende weersproken. Dat brengt mee dat de rechtbank de berekening van de waarde van belanghebbende op zijn aannemelijkheid zal toetsen. Belanghebbende heeft een waarde gesteld, maar daarvan geen berekening overgelegd. Gelet op de weerspreking door de heffingsambtenaar is die waarde onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Vaststellen van de waarde van de woning door de rechtbank

4.9.. Omdat beide partijen er niet in zijn geslaagd om de door hen voorgestelde waarde van de woning aannemelijk te maken, bepaalt de rechtbank de waarde van de woning op de waardepeildatum in goede justitie op € 188.000.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. Dat leidt tot het dictum dat is vermeld in onderdeel 1 van deze uitspraak.

5.1.. De vergoeding van de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

5.2.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm niet van toepassing is. De rechtbank verwijst in dat kader naar het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025.De Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm wordt enkel toegepast voor besluiten die ná 1 januari 2024 zijn genomen. Zowel de beschikking als de uitspraak op bezwaar zijn gedaan voor 1 januari 2024.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. W.M.C. Oomen, griffier.

De rechter is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier

rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Bijlage: juridisch kader

Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".

De waarde van de woning is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld.

Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.

Een beroep tegen de waardebeschikking is tegelijk ook een beroep tegen de aanslag OZB. Dat staat in artikel 24, negende lid, gelezen in samenhang met artikel 30, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). Het oordeel over de aanslag OZB volgt het oordeel over de waarde van de woning. Tegen de aanslag OZB zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.

Artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ)

Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.

Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.

Plus de Décisions