[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-administrative-law-nl-2024":3},{"detail":4,"years":181},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":179,"page":14,"limit":180},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},97,"administrative-law-nl","Administrative Law","NL","2026-07-08T16:56:40.686Z",2024,[13,16,17,19,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,2,{"month":15,"count":14},{"month":18,"count":14},3,{"month":20,"count":21},4,0,{"month":23,"count":21},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":21},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":21},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":20},12,[39,52,59,69,78,87,97,106,116,125,134,143,151,161,170],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1385","ECLI:NL:GHSHE:2024:4083","ecli-nl-ghshe-2024-4083","",72,"2024-12-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2298 tot en met 22\u002F2305\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F7946 t\u002Fm BRE 18\u002F7953 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2013 tot en met 2016 (de informatiebeschikking).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens belanghebbende, na te noemen belanghebbende 1 en na te noemen belanghebbende 2 en de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 22\u002F2292 t\u002Fm 22\u002F2297 (hierna: belanghebbende 1) en de zaken met nummers 22\u002F2285 t\u002Fm 22\u002F2291(hierna: belanghebbende 2).\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op [oprichtingsdatum] 2013 opgericht naar het recht van [vestigingsplaats] , en heeft de rechtsvorm Limited. Het statutaire adres van belanghebbende bevindt zich op [vestigingsplaats] .\n\n2.2.. De aandelen in belanghebbende werden gehouden door belanghebbende 1 en belanghebbende 2, elk voor 50%. Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 voerden gezamenlijk de directie over belanghebbende. Zij waren tevens werknemer van belanghebbende.\n\n2.3.. De activiteiten van belanghebbende bestonden uit ICT-dienstverlening en projectmanagement. Hiertoe werden belanghebbende 1 en belanghebbende 2 gedetacheerd. De diensten werden sinds begin 2013 verricht via tussenkomst van [J BV] , [S Ltd] , [T Ltd] en [F Ltd] . De uiteindelijke opdrachtgever van belanghebbende was [H BV] .\n\n2.4.. Vanaf begin 2008 tot oprichting van belanghebbende in 2013 hadden belanghebbende 1 en belanghebbende 2 een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . In die periode heeft [G Ltd] klanten gefactureerd voor de door belanghebbende 1 en belanghebbende 2 verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd. Tot begin 2008 verrichtten belanghebbende 1 en belanghebbende 2 hun werkzaamheden als zelfstandige.\n\n2.5.. Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [vestigingsplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [vestigingsplaats] .\n\n2.6.. Met dagtekening 21 maart 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vragenbrief gestuurd. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht haar volledige administratie, inclusief e-mailverkeer, over 2013 tot de datum van dagtekening van de brief binnen vier weken na dagtekening over te leggen. Ook heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een gesprek.\n\n2.7.. Bij e-mail van 11 april 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd op de vragenbrief van de inspecteur. Belanghebbende heeft onder meer betwist dat de werkzaamheden van belanghebbende 1 en belanghebbende 2 na de verhuizing in Nederland hebben plaatsgevonden, dat de aan de inspecteur ter beschikking staande gegevens correct zijn en heeft vermeld dat belanghebbende inzage wenste te krijgen in deze gegevens. De door de inspecteur gevraagde informatie is niet overgelegd.\n\n2.8.. Bij e-mail van 13 april 2018 heeft de inspecteur gereageerd op belanghebbendes e-mailbericht en heeft hij zijn verzoek om informatie herhaald.\n\n2.9.. Bij e-mail van 24 april 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd. De gemachtigde heeft onder meer geschreven dat belanghebbende druk doende was om informatie te verzamelen die de aan de inspecteur ter beschikking staande gegevens kunnen weerleggen en heeft verzocht inzage te verstrekken in de gegevens die de inspecteur beweert te hebben ontvangen van derden. Belanghebbende heeft tevens verzocht met inachtneming van nader over te leggen gegevens het vermoeden van een heffingsbelang gemotiveerd te heroverwegen. Verder was volgens de gemachtigde niet duidelijk wat de over te leggen administratie inhoudt. De gevraagde informatie is niet verstrekt.\n\n2.10.. Bij brief van 28 mei 2018 heeft de inspecteur een herhaald verzoek om inlichtingen en bescheiden naar belanghebbende verstuurd. In dit verzoek stond onder meer het volgende:\n\n‘U stelt dat onduidelijk is wat administratie inhoudt, nu in [vestigingsplaats] andere administratieve eisen gelden. [Belanghebbende] verzoekt helderheid te verstrekken ter voorkoming van het risico niet te kunnen voldoen aan de informatieverplichting.\n\nAls onderdeel van die administratie beschouw ik onder meer:\n\n1. (Concept-)Jaarrekeningen 2013 tot heden van [belanghebbende] of andere stukken die inzicht geven in de financiele positie per balansdatum en de betreffende accountantsrapporten;\n\n2. een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing van [belanghebbende] waarin is opgenomen hoe\n\na. telefoonverkeer, e-mailverkeer, communicatie via sms\u002Fskype\u002Ffacetime\u002Fwhatsapp of via overige communicatiekanalen moeten worden vastgelegd en geadministreerd;\n\nb. het proces en de vastleggingen rond aandeelhoudersvergaderingen is beschreven;\n\nc. het proces en de vastleggingen rond bestuursvergaderingen is beschreven; en\u002Fof\n\nd. het proces rond binnenkomende inkoopfacturen is beschreven.\n\n3. (een digitale kopie van) de volledige administratie (in de meest ruime zin van het woord) van [belanghebbende] over de periode van 2013 tot heden. Onder de volledige administratie versta ik alle gegevens over [belanghebbende] die zijn vastgelegd, zowel op papier als in digitale vorm. Dit zijn onder meer, doch zeker niet uitputtend, de volgende stukken:\n\na. De (digitale) financiele administratie;\n\nb. Alle (e-mailcorrespondentie met [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2] , inbrengers van vermogen, debiteuren, banken, financiers, autoriteiten, de vertegenwoordiger(s) namens [belanghebbende];\n\nc. Verslagen en\u002Fof notulen van bestuursvergaderingen en -overleggen;\n\nd. Bestuursbesluiten;\n\ne. Tussentijds gemaakte (klad)-berekeningen;\n\nf. In- en verkoopfacturen en overige facturen;\n\ng. Alle bankafschriften;\n\nh. Leningsovereenkomsten en een overzicht van de rekening-courantrekening(en);\n\ni. Verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van [belanghebbende] en verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van (eventuele) deelnemingen;\n\nj. Documenten waaruit blijkt op welk moment [belanghebbende] belastingplichtig is geworden voor de winstbelasting van [vestigingsplaats]\n\nk. Winstbelastingaangiften en -aanslagen van de jaren 2013 tot heden van [belanghebbende].\n\n4. Het tijdschrijven (of de urenverantwoording) van de medewerkers en de directie van [belanghebbende] ten behoeve van [belanghebbende] en ten behoeve van klanten van [belanghebbende].\n\nIndien de (e-mail)correspondentie fiscale adviezen bevat, mogen de adviesdelen van die correspondentie onleesbaar gemaakt worden.\n\n(…)\n\nBij deze wil ik u nogmaals in de gelegenheid stellen om te reageren op de brief van 21 maart 2018. Ik geef u de gelegenheid tot 19 juni 2018.’\n\n2.11.. Bij e-mail van 19 juni 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd op de vragenbrief van de inspecteur. Belanghebbende heeft haar standpunten uit de mail van 24 april 2018 gehandhaafd. De gevraagde informatie is niet verstrekt.\n\n2.12.. Bij e-mail van 2 juli 2018 heeft belanghebbende aan de inspecteur een tweetal verklaringen gestuurd van de Comptroller of Taxes van [vestigingsplaats] van 18 januari 2017, ten aanzien van belanghebbende 1 en belanghebbende 2, waarin het volgende is opgenomen:\n\n‘I confirm that you are resident and paying taxes in [vestigingsplaats] for [vestigingsplaats] Income Tax purposes since October 2013.’\n\n2.13.. Op 3 juli 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende de informatiebeschikking gegeven. Deze heeft betrekking op de heffing van omzetbelasting en vennootschapsbelasting over de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. De informatiebeschikking vermeldt, voor zover van belang, het volgende:\n\n‘(…)\n\n2. Omvang en tijdstip informatieverzoek\n\nDe inspecteur heeft informatie ontvangen met betrekking tot de vennootschap [belanghebbende]. [Belanghebbende] is een naar het recht van [vestigingsplaats] opgericht lichaam. Bestuurders en aandeelhouders van deze Limited zijn [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2].\n\nPer brief van 21 maart 2018 heb ik [belanghebbende] om informatie gevraagd. In de hiervoor genoemde brief heb ik een beschouwing gegeven over het theoretisch kader van het Nederlands heffingsbelang met een verwijzing naar artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen en het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268. Daarnaast heb ik in mijn brief het theoretische kader toegepast op de feiten en omstandigheden inzake [belanghebbende]. Ik heb u medegedeeld dat ik informatie heb ontvangen van derden inzake de werkzaamheden in Nederland bij Nederlandse eindopdrachtgevers door de bestuurders van [belanghebbende].\n\nUit informatie die de inspecteur van derden heeft gekregen, valt af te leiden dat [Belanghebbende 2] namens [belanghebbende] werkzaamheden in Nederland heeft uitgevoerd.\n\n[Belanghebbende 1] heeft na zijn formele vertrek naar [vestigingsplaats] namens [belanghebbende] in voortdurendheid werkzaamheden voor een Nederlandse eindopdrachtgever verricht. [Belanghebbende 1] was bij deze eindopdrachtgever voor vertrek naar [vestigingsplaats] ook werkzaam. De plaats van werkzaamheden was op dat moment gelegen in Nederland, waarvoor door [Belanghebbende 1] kosten voor dagelijks woon-werkverkeer is geclaimd. Volgens verkregen informatie van derden zou er bij de werkzaamheden voor deze eindopdrachtgever na vertrek van [Belanghebbende 1] naar [vestigingsplaats] niets zijn veranderd.\n\nOp basis van deze informatie lijkt het aannemelijk dat de feitelijke vestigingsplaats van [belanghebbende] in Nederland is gelegen, danwel dat er sprake is van een vaste inrichting in Nederland of dat er sprake is van een vaste vertegenwoordiging in Nederland. Deze feiten leiden tot een fiscaal Nederlands heffingsbelang bij [belanghebbende]. In redelijkheid heb ik mij daardoor op het standpunt gesteld dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nGevraagde informatie\n\nPer brief van 21 maart 2018 heb ik u verzocht om de volledige administratie (inclusief afschriften van alle e-mailverkeer, contracten en overeenkomsten, bankafschriften etc.) van de vennootschap in te zenden over 2013 tot en met heden. Kopie van deze brief heb ik bijgevoegd als bijlage 1.\n\nAls alternatief heb ik [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2], in hun hoedanigheid als bestuurders van [belanghebbende], op grond van artikel 41 AWR, opgeroepen voor een gesprek in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht en ze in de gelegenheid te stellen om de administratie persoonlijk te overhandigen en toe te lichten. In mijn brief heb ik 16 april 2018; 17 april 2018; 23 april 2018; 24 april 2018 en 26 april 2018 als beschikbare datum voorgesteld. Ik heb belanghebbenden gevraagd binnen 2 weken na dagtekening van de brief te reageren op het verzoek om een afspraak te maken en ik heb verzocht binnen 4 weken na dagtekening van de brief de administratie te verstrekken.\n\nUw reactie\n\n(…)\n\nTot slot zou het belanghebbende onduidelijk zijn wat ik onder ‘administratie’ versta. In [vestigingsplaats] zouden andere administratieve eisen worden gesteld dan in Nederland. Belanghebbende verzocht mij helderheid te verstrekken ter voorkoming van het risico niet te kunnen voldoen aan de informatieverplichting, zonder overigens eerst enige documentatie te overleggen. In mijn reactie van 28 mei 2018 heb ik een opsomming gegeven van wat ik ondermeer onder administratie beschouw. Daar ik tot op heden nog geen enkel stuk heb ontvangen zal ik deze opsomming hieronder nogmaals\n\ngeven:\n\n1. (Concept-)Jaarrekeningen 2013 tot heden van [belanghebbende] of andere stukken die inzicht geven in de financiele positie per balansdatum en de betreffende accountantsrapporten;\n\n2. een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing van [belanghebbende] waarin is opgenomen hoe\n\na. telefoonverkeer, e-mailverkeer, communicatie via sms\u002Fskype\u002Ffacetime\u002Fwhatsapp of via overige communicatiekanalen moeten worden vastgelegd en geadministreerd;\n\nb. het proces en de vastleggingen rond aandeelhoudersvergaderingen is beschreven;\n\nc. het proces en de vastleggingen rond bestuursvergaderingen is beschreven; en\u002Fof\n\nd. het proces rond binnenkomende inkoopfacturen is beschreven.\n\n3. (een digitale kopie van) de volledige administratie (in de meest ruime zin van het woord) van [belanghebbende] over de periode van 2013 tot heden. Onder de volledige administratie versta ik alle gegevens over [belanghebbende] die zijn vastgelegd, zowel op papier als in digitale vorm. Dit zijn onder meer, doch zeker niet uitputtend, de volgende stukken:\n\na. De (digitale) financiele administratie;\n\nb. Alle (e-mailcorrespondentie met de heer Belanghebbende 1 en mevrouw Belanghebbende 2, inbrengers van vermogen, debiteuren, banken, financiers, autoriteiten, de vertegenwoordiger(s) namens [belanghebbende];\n\nc. Verslagen en\u002Fof notulen van bestuursvergaderingen en - overleggen;\n\nd. Bestuursbesluiten;\n\ne. Tussentijds gemaakte (klad)-berekeningen;\n\nf. In- en verkoopfacturen en overige facturen;\n\ng. Alle bankafschriften;\n\nh. Leningsovereenkomsten en een overzicht van de rekening-courantrekening(en);\n\ni. Verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van [belanghebbende] en verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van (eventuele) deelnemingen;\n\nj. Documenten waaruit blijkt op welk moment [belanghebbende] belastingplichtig is geworden voor de winstbelasting van [vestigingsplaats]\n\nk. Winstbelastingaangiften en -aanslagen van de jaren 2013 tot heden van [belanghebbende].\n\n4. Het tijdschrijven (of de urenverantwoording) van de medewerkers en de directie van [belanghebbende] ten behoeve van [belanghebbende] en ten behoeve van klanten van [belanghebbende].\n\nIndien de (e-mail)correspondentie fiscale adviezen bevat, mogen de adviesdelen van die\n\ncorrespondentie onleesbaar gemaakt worden.\n\n(…)\n\n3. Conclusie\n\nOp dit moment is voldoende dat ik mij, gelet op de bij mij bekende gegevens, op het standpunt kan stellen dat de door mij gevraagde gegevens, inlichtingen, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van [belanghebbende]. In mijn e-mail van 13 april 2018 heb ik u al medegedeeld dat ik pas kan beoordelen of er sprake is van een reële heffing en tot welke omvang, als ik over alle feiten en omstandigheden beschik.\n\nIk stel vast dat ik de verzochte informatie, genoemd in onderdeel 2, niet heb ontvangen. Daarom ontvangt u bij deze een informatiebeschikking. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 52a van de AWR en wordt aan u afgegeven omdat u ook na herhaalde verzoeken, niet heeft voldaan aan uw informatieverplichtingen van artikel 47 eerste lid letter a en b en artikel 49 van de AWR. Deze informatiebeschikking heeft betrekking op de omzetbelasting en vennootschapsbelasting van het jaar 2013, 2014, 2015 en 2016.\n\nU kunt, naar aanleiding van deze beschikking, ervoor kiezen om alsnog aan de informatieverplichting(en) te voldoen. In dat geval verzoek ik u om spoedig doch binnen 2 weken na dagtekening van deze informatiebeschikking met mij contact op te nemen.\n\n(…)’\n\n2.14.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo (CLO) aan de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [vestigingsplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, belanghebbende 1 en belanghebbende 2. In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n“On 14 October 2013, [Belanghebbende 1] and [Belanghebbende 2] officially emigrated to [vestigingsplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [Belanghebbende 1] and possibly [Belanghebbende 2] incorporated [belanghebbende] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA) shows that after 14 October 2013, [Belanghebbende 1] and [Belanghebbende 2] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [Belanghebbende 2] and [Belanghebbende 1] declare the income from these activities in their income tax returns in [vestigingsplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [Belanghebbende 1] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n [belanghebbende]\n\nTo gain insight into the fiscal residence of the company and to determine whether there is a permanent establishment in the Netherlands. In addition, there may be activities by [Belanghebbende 1] and\u002For [Belanghebbende 2] via [belanghebbende], that are subject to income tax in the Netherlands. I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of corporation tax returns and assessments of [belanghebbende] for the years 2013 - (…) 2015.\n\n2. Overview of declared and paid wages tax regarding the years 2013 - 2016.\n\n3. Financial statements of [belanghebbende] regarding the years 2013 - 2015.\n\n4. Copies of invoices sent by [belanghebbende] and a specification of the performed activities\u002Fservices for the years 2013 -2016.”\n\n2.15.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op 7 januari 2019 de ‘company tax returns and assessments’ voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [vestigingsplaats] Branch, [R Ltd] en het [commission] .\n\n2.16.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikking voor de jaren 2013 tot en met 2016 ongegrond verklaard en heeft belanghebbende voorts tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2013 tot en met 2016 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikking voor de jaren 2013 tot en met 2016 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikking voor de jaren 213 tot en met 2016 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van haar hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de ten aanzien van haar genomen informatiebeschikking en tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nVraag a. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden.\n\n4.2.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.3.. Vraag a moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag b) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.4.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.5.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.6.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.7.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) is de informatiebeschikking terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.9.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikking ten onrechte is gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte is gehandhaafd.\n\n4.10.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.11.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.12.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.13.. De inspecteur stelt dat de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende, omdat de inspecteur aannemelijk acht dat hij aan de hand van belanghebbendes administratie in staat zal zijn om de subjectieve belastingplicht van belanghebbende vast te stellen en, indien van toepassing, tevens de objectieve belastingplicht van belanghebbende. Tevens meent de inspecteur, aan de hand van de administratie van belanghebbende, te kunnen beoordelen of belanghebbende over de betreffende jaren omzetbelasting is verschuldigd. De omstandigheden op basis waarvan de inspecteur zich op het standpunt heeft gesteld dat hij opheldering wenst te verkrijgen over de belastingplicht van belanghebbende zijn onder meer de volgende:\n\n- Belanghebbende is, voor zover bekend, uitsluitend actief op de Nederlandse markt en heeft uitsluitend Nederlandse afnemers, zoals [H] ;\n\n- De enige bekende werknemers van belanghebbende, belanghebbende 1 en belanghebbende 2, hebben de Nederlandse nationaliteit en woonden, in ieder geval tot september 2013, in Nederland;\n\n- De inspecteur beschikt over aanwijzingen dat de werknemers van belanghebbende ook na september 2013 hun werkzaamheden geheel of gedeeltelijk in Nederland verrichtten:\n\n- Ten aanzien van belanghebbende 2 wordt op 3 januari 2017 namens [S Ltd] . verklaard dat zij haar werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] uitsluitend in Nederland verricht;\n\n- Ten aanzien van de belanghebbende 1 verklaart mevrouw [persoon 6] van [J BV] op 15 december 2016 dat de plaats van werkzaamheden niet is gewijzigd ten tijde van de verhuizing van belanghebbende 1 naar [vestigingsplaats] en dat dit vermoedelijk [plaats 1] is;\n\n- Belanghebbende maakt gebruik van een Nederlandse bankrekening en verzoekt [J BV] op 7 oktober 2013 om de gefactureerde bedragen naar deze Nederlandse bankrekening over te maken;\n\n- Op 20 december 2013 ondertekent belanghebbende 1, namens belanghebbende, een overeenkomst met IT-Staffing. De overeenkomst vermeldt dat deze is ondertekend te [plaats 5] .\n\n4.14.. Om vast te stellen of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is, beschikt de inspecteur over de in artikel 47 AWR vastgelegde bevoegdheid om algemene inlichtingen in te winnen. De verplichting die inlichtingen te verstrekken is zeer ruim. Indien een (rechts)persoon niet voldoet aan die op haar rustende inlichtingenverplichtingen, kan de inspecteur dat vastleggen in een informatiebeschikking en, zodra die beschikking definitief is, aanslagen opleggen waarna de belastingplichtige in beginsel moet bewijzen (overtuigend aantonen) dat de aanslagen onjuist zijn, bijvoorbeeld omdat zij niet in Nederland is gevestigd. Gelet op de onder 4.13 vermelde omstandigheden zijn de door de inspecteur gestelde vragen en verzoek om inlichtingen legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Op grond van deze omstandigheden heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is.Belanghebbende heeft in reactie op de vragen geen inhoudelijk antwoord verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\n4.15.. Vraag c moet bevestigd worden beantwoord.\n\nVraag d) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.16.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.17.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.18.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.19.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.20.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikking is opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderings- dan wel naheffingsaanslagen te verlengen.\n\n4.21.. Vraag d moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag e) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.22.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.23.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.24.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikking hoeft dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.25.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikking is gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikking is gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.27.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.28.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.29.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Heeft de inspecteur de informatiebeschikking gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.30.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [vestigingsplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding.\n\n4.31.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [vestigingsplaats] .\n\n4.32.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.33.. Uit de slotzin van de onder 4.32 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.34.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.35.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikking ten onrechte is gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.36.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag d). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur de informatiebeschikking heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.37.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.38.. Zoals uit het voorgaande volgt, is de informatiebeschikking terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor haar bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderings- dan wel naheffingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.39.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.40.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.41.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.42.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.43.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.44.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.45.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\n HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4083","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:19.174Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":56,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":58},"1384","ECLI:NL:GHSHE:2024:4082","ecli-nl-ghshe-2024-4082","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2292 tot en met 22\u002F2297\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende 1] ,\n\nwonend in [woonplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F6597 t\u002Fm BRE 18\u002F6602, en BRE 18\u002F6604 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2008 tot en met 2014.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep met betrekking tot de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn partner, en zijn gemachtigde, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende, zijn partner en zijn gemachtigde hebben aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 22\u002F2285 t\u002Fm 22\u002F2291 en de zaken met nummers 22\u002F2298 t\u002Fm 22\u002F2305.\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende en zijn partner woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [woonplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [woonplaats] .\n\n2.2.. Belanghebbende heeft ook na september 2013 de woning te [plaats 2] in eigendom gehouden. Belanghebbende verhuurde deze woning van 1 november 2013 tot 31 oktober 2014 aan een derde. Gedurende de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016 verhuurde belanghebbende de woning te [plaats 2] aan de heer en mevrouw [persoon 2] (eveneens derden). In de beide huurcontracten is een diplomatenclausule opgenomen, welke inhoudt dat belanghebbende verklaart dat hij de vorige bewoner van het woonhuis is en dat hij de woning, na afloop van de overeengekomen huurperiode, zelf weer zal betrekken.\n\n2.3.. Belanghebbende hield in de onderhavige jaren 5 van de 225 aandelen in het aandelenkapitaal van [B Ltd] . . [B Ltd] . hield via [C Ltd] , [E Ltd] . en [F Ltd] , 100% van de aandelen in het aandelenkapitaal in [G Ltd] .\n\n2.4.. Belanghebbende en de partner voeren gezamenlijk de directie over [G Ltd] . Belanghebbende is in de jaren 2011 en 2012 twee leningen van ieder € 200.000 bij [G Ltd] aangegaan.\n\n2.5.. Belanghebbende was in de onderhavige jaren werkzaam als IT-consultant. Tot begin 2008 verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant als zelfstandige - in de vorm van een eenmanszaak via tussenkomst van een bemiddelaar, [J] BV - en deed daarvoor jaarlijks aangifte IB\u002FPVV ter zake van zijn in het betreffende jaar genoten winst uit onderneming. Vanaf oktober 2007 verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant voor [H BV] .\n\n2.6.. Op 31 maart 2008 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . Vanaf dat moment heeft [G Ltd] klanten, via tussenkomst van [J] BV, gefactureerd voor de door belanghebbende verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd.\n\n2.7.. Vanaf 1 oktober 2013 verricht belanghebbende zijn werkzaamheden voor [H] , via [Q BV] , door middel van tussenkomst van [L Ltd] . Belanghebbende en de partner houden gezamenlijk 100% van de aandelen in [L Ltd] .\n\n2.8.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2008 tot en met 2014 aangiften IB\u002FPVV gedaan.\n\n2.9.. De inspecteur heeft bij brief van 5 april 2016 belanghebbende verzocht om informatie voor de behandeling van de aangiften IB\u002FPVV 2010 tot en met 2014. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n‘Voor de behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 heb ik additionele informatie nodig. Middels deze brief wil ik u verzoeken mij onderstaand genoemde informatie toe te zenden.\n\n- Kopie samenlevingscontract of vergelijkbaar indien opgemaakt;\n\n- Overzicht van aandelenbelangen, inclusief aan- en verkochte belangen;\n\n- Opgave van de waardering van de door u, niet als aanmerkelijk belang gehouden, aandelen (inclusief een kopie van onderliggende stukken);\n\n- Overzicht van kapitaalstortingen en\u002Fof terugbetalingen in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzichten ontvangen dividenden, welke betrekking hebben op de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen in de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Bent u in de periode 2010 tot en met 2014 -in welke vorm dan ook- betrokken bij een afgezonderd particulier vermogen? Zo ja, dan graag een toelichting op de betreffende APV's en uw betrokkenheid bij deze(n), alsmede kopieën van de onderliggende stukken);\n\n- Kopie directie- en managementovereenkomsten welke door u zijn afgesloten en\u002Fof welke van kracht waren over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen directie en\u002Fof managementvergoedingen welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Kopie van uw arbeidscontracten welke door u zijn aangegaan en\u002Fof welke van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen inkomsten (voordelen) op basis van voornoemde arbeidscontracten, welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van eventueel overige bezoldigde en onbezoldigde functies die u in de periode 2010 tot en met 2014 hebt bekleed;\n\n- Kopie verkoopcontracten welke zijn gesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014 welke door u zijn gesloten in een andere hoedanigheid dan als directeur, bestuurder en\u002Fof medewerker van een rechtspersoon;\n\n- Documentatie waaruit uw verhuizing naar [woonplaats] , alsmede het moment van uw verhuizing naar [woonplaats] blijkt;\n\n- Leningenovereenkomsten (ontvangen en verstrekte gelden) met verbonden entiteiten zoals werkgevers of deelnemingen, welke zijn afgesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Verloopstaten van de rekening-couranten en leningen (ontvangen en verstrekte gelden) over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts en dergelijke op eigen naam gehouden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts niet op eigen naam, waarover u wel kunt beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed (mede) op uw naam in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van hypotheken en leningen (akten en jaaropgaves) welke zijn afgesloten of van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht credit-, debit en overige paycards waarover u kon beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht pensioenproducten, lijfrentes etc;\n\n- Verhuurcontracten van onroerend goed (mede) op uw naam in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015;\n\n- Overzicht ontvangen huren in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015:\n\n- Kopie van uw aangifte(n) inkomstenbelasting in [woonplaats] over de periode 2010 tot en met 2015.\n\nGraag ontvang ik bovenstaande informatie vóór 2 mei 2016. Ik verzoek u bovenstaande informatie ook te verstrekken indien u van mening zou zijn dat deze informatie niet relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Ik wil dan tevens verzoeken uw standpunt nader te onderbouwen.\n\nWellicht ten overvloede wil ik u erop wijzen dat ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een ieder verplicht is desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing ten zijnen aanzien van belang kan zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Ingevolge artikel 49 van de AWR dient het verstrekken van de inlichtingen en gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te geschieden.’\n\n2.10.. Belanghebbende heeft bij brief van 17 mei 2016 op de onder 2.9 vermelde vragenbrief van de inspecteur, als volgt gereageerd:\n\n‘Hieronder vindt u puntsgewijs antwoord op uw verzoek om informatie for de aangifte inkomstenbelastingen 2010, 2011, 2012, 2013 & 2014. Het volgende is daarbij in beschouwing genomen.\n\nA. In de genoemde jaren heeft de heer [persoon 5] van het kantoor [kantoornaam] te [plaats 2] de jaarlijkse inkomstenbelasting aangiftes opgesteld en ingediend bij de belastingdienst.\n\nB. Aangenomen wordt dat u beschikking heeft over de jaaraangiftes, aanslagen & definitieve aanslagen.\n\nC. Vanaf 21\u002F10\u002F2013 is [belanghebbende] en kinderen ((…) & (…)) woonachtig in [woonplaats] (Channel Islands).\n\nD. De heer [persoon 5] heeft voor het jaar 2013 de eerste negen maanden (1\u002F1\u002F2013 - 30\u002F09\u002F2013) meegenomen in de aangifte inkomstenbelasting. De [woonplaats] accountant is de inkomsten vanaf 1\u002F10\u002F2013 gaan administreren.\n\nE. Gelet op C & D, is [belanghebbende] niet belastingplichtig in Nederland vanaf 1\u002F10\u002F2013.\n\nF. Derhalve is inkomens gegevens toegevoed voor de jaren 2010, 2011, 2012 en tot 30\u002F09\u002F2013 voor het jaar 2013.\n\nPuntsgewijs antwoordt op uw verzoek om informatie\n\n1. Samenlevingscontract met de partner () d.d. 8\u002F11\u002F2002 [notarissen]\n\n te [plaats 3] . Zie kopie toegevoegd.\n\n2. Overzicht van aandelenbelangen. Niet van toepassing. Zie kopien toegevoegd van aandelen [B Ltd] voor de jaren 2010, 2011, 2012 & 2013.\n\n3. Opgave van waarderingen aanmerkelijk belang. Niet van toepassing geweest.\n\n4. Overzicht van kapitaalstortingen. Niet van toepassing geweest.\n\n5. Overzicht ontvangen dividenden. Niet van toepassing geweest.\n\n6. Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen. Niet van toepassing geweest.\n\n7. Betrokkenheid APV's. Niet van toepassing geweest.\n\n8. Kopie directive-managementovereenkomsten. Niet van toepassing geweest.\n\n9. Overzicht ontvangen directive en\u002Fof managementvergoedingen. Niet van toepassing geweest.\n\n10. Kopie arbeidscontracten. Zie kopie toegevoegd.\n\n11. Overzicht ontvangen inkomsten o.b.v. arbeidscontracten.\n\na) 2010 - € 52.693\n\nb) 2011 - € 50.822\n\nc) 2012 - € 52.036\n\nd) 2013 - € 37.818\n\n12. Overzicht overige bezoldigde functies. Niet van toepassing geweest.\n\n13. Kopie verkoopcontracten. Niet van toepassing geweest.\n\n14. Documentatie waaruit verhuizing naar [woonplaats] blijkt.\n\na. Zie kopie inschrijving gezinsleden [woonplaats] social security department St Helier, [woonplaats] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nb. Zie kopie inschrijving kinderen (…) [school] autumn term 4\u002F11\u002F2013.\n\nc. Zie kopie Child health registration States of [woonplaats] [kinderen] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nd. Zie verhuizingsfactuur van [verhuisbedrijf] . Een deel van de inboedel is verhuisd naar het vakantie huis Frankrijk en in dezelfde rit is het grootste deel van de inboedel naar [adres 2] , [plaats 4] , [woonplaats] verhuisd. Uitvoeringsdatum van verhuizing is opgenomen op factuur (12\u002F9\u002F2013).\n\ne. Zie kopie uitschrijvingen gemeente [plaats 2] van alle gezinsleden op 14\u002F10\u002F2013.\n\nf. Zie kopie huur contract [adres 2] [plaats 4] , […] , [woonplaats] per 1\u002F9\u002F2013.\n\n15. Leningenovereenkomsten.\n\na. Leningen overeenkomst V December 2011, welke is gewijzigd op 10th October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\nb. Leningen overeenkomst 4 September 2012, welke is gewijzid op 10 October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\n16. Verloopstaten van rekening-couranten. Zie overzichten per jaar aan eind van deze brief.\n\n17. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] ING Creditcard\n\n [rekeningnummer 11]\n\n [bankkaartnummer]\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] en\u002Fof de partner\n\n [rekeningnummer 2]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nING Profijt rekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 11]\n\nNVT\n\nING beleggingsrekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 12]\n\nNVT\n\nABN-AMRO Direct beleggen & eurostyle rekening [kind]\n\n [rekeningnummer 13]\n\n??\n\nCotes-d’Armor Frankrijk de partner en\u002Fof [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 4]\n\nMomenteel is nieuwe pas aangevraagd.\n\nING Groeirekening [kind]\n\n [rekeningnummer 14]\n\nNVT\n\nING Groeirekening [kind]\n\n [rekeningnummer 15]\n\nNVT\n\n18. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen niet op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nRabo rekening courant zonder krediet [G Ltd] Credit card\n\n [rekeningnummer 7]\n\n?? opgeheven 2013\n\n?? Opgeheven 2013\n\nRabo bedrijfstelerekening - [G Ltd]\n\n [rekeningnummer 8]\n\nNVT\n\nRabo rekeningen bedrijfstelerekening - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 9]\n\nNVT\n\nRabo rekening courant - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 10]\n\n?? Opgeheven 2013\n\nPAYPAL [L] .nl\n\n [rekeningnummer 16]\n\nNVT\n\n19. Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed.\n\nA. Zie kopie hypotheekakte voor huis in Frankrijk ( [naam] ) van notaires [notaris] op naam van [belanghebbende], 17\u002F10\u002F2008.\n\nB. ING Lineaire hypotheek: [lineaire hypotheeknummer] . ING heeft de hypotheek nummers gewijzigd in 2012. Het nieuwe nummer werd: [huypotheeknummer] .\n\nC. ING aflossingsvrij hypotheek [Afl. hypotheeknummer 5] . ING heeft de hypotheek nummers gewijzigd in 2012.\n\nD. Zie tevens leenovereenkomsten bij punt 15.\n\n20. Overzicht credit-, debit & overage paycards. Zie tabelen bij 17 & 18.\n\n21. Overzicht pensioen, lijfrentes etc;\n\nA. AEGON lijfrente (polisnummer: [polisnummer 3] )\n\nB. Atos pensioenfonds (relatienummer: [relatienummer] )\n\nC. Centraal beheer (polisnummer: [polisnummer 4] )\n\nD. ABP (klantnummer [klantnummer] )\n\n22. Verhuurcontracten van onroerend. Niet van toepassing geweest.\n\n23. Overzicht ontvangen huren in Nederland periode 2010 t\u002Fm 2015. Niet van toepassing geweest.\n\n24. Kopie van aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] 2010 — 2015.\n\nA. [Belanghebbende] was niet belastingplichting in [woonplaats] in de periode 01\u002F01\u002F2010 —30\u002F09\u002F2013 maar in Nederland.\n\nB. Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens vanaf 30\u002F09\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\n2.11.. De inspecteur heeft bij brief van 8 september 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Per brief van 5 april 2016 heb ik u informatie gevraagd over de door u ingediende aangiften\n\ninkomstenbelasting 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014. U hebt hierop gereageerd per brief van 17 mei 2016. Naar aanleiding van deze brief en de informatie verkregen uit een boekenonderzoek bij de vennootschappen waar u tot datum liquidatie benoemd was als directeur, vraag ik uw aandacht voor het volgende.\n\nIn mijn brief van 5 april 2016 heb ik u gevraagd om kopieën te verstrekken van de ingediende aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] . In uw brief van 17 mei reageert u op mijn verzoek als volgt:\n\n‘Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\nIn deze brief wil ik nader in gaan op het Nederlandse heffingsbelang ten aanzien van de periode vanaf 1 oktober 2013 en u om aanvullende inlichtingen en bescheiden verzoeken.\n\nHet Nederlandse heffingsbelang\n\nTheoretisch kader – heffingsbelang\n\nEr bestaat een wettelijke grondslag voor de opvraag van de informatie, welke (onder andere) is neergelegd artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De grondslag van de verplichting tot overlegging van informatie ex artikel 47 AWR zal ik in dit onderdeel nader onderbouwen.\n\nIn artikel 47 AWR is onder andere het volgende bepaald:\n\n'Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur.\n\na. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn\n\nb. de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen'\n\nIn HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 is in r.o. 3.3. het navolgende opgenomen:3.3.. Het middel faalt ook voorzover daarin wordt betoogd dat belanghebbende niet verplicht was te antwoorden omdat hij nu eenmaal niet beschikte over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande. Voor het bestaan van die verplichting was voldoende dat de Inspecteur zich — zoals het Hof heeft geoordeeld — op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande had.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Voor de aanwezigheid van een belang in vorengenoemde zin is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing (Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, BNB 1986\u002F126 alsmede HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268).\n\nDe inspecteur hoeft niet aan te tonen dat het gevraagde van belang is. Het inwinnen van informatie met een beroep op artikel 47 AWR is onder andere mogelijk indien de inspecteur zich een oordeel wilt vormen over de mogelijke belastingplicht van een (rechts)persoon. Dit oordeel kan betrekking hebben op zowel de objectieve als de subjectieve belastingplicht. [1]\n\nDe inspecteur moet wel over feitenmateriaal beschikken op grond waarvan hij in redelijkheid kan vermoeden dat mogelijk sprake is van belastingplicht. [2]. Deze aanwijzingen mogen beperkt zijn, maar niet dusdanig beperkt dat het verder vragen van informatie een 'fishing expedition' wordt. [3] De inspecteur behoeft echter niet te bewijzen of belanghebbende daadwerkelijk inwoner is\u002Fwas van Nederland. Anders gezegd: niet van belang is dat de belastingplicht wordt aangetoond door de inspecteur. De opgevraagde gegevens zouden van belang kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de subjectieve en\u002Fof objectieve belastingplicht van belanghebbende in Nederland. Op de inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij met zijn informatieverzoek niet de grenzen der redelijkheid heeft overschreden.\n\nVorenstaand kader is onlangs bevestigd in HR 18 december 2015, nr. 15\u002F00040 ECLI:NL:HR:2015:3603. Met name wordt in dit verband gewezen op no. 2.4.3.:2.4.3.. Het Hof heeft bij zijn beoordeling van het geschil in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak terecht als uitgangspunt genomen het arrest BNB 2003\u002F268. Evenwel heeft het Hof in onderdeel 4.5, na te hebben geoordeeld dat op zijn minst twijfels bestaan over het antwoord op de vraag of de werkelijke leiding van belanghebbende bij het statutaire bestuur berustte, overwogen dat het erom gaat dat de Inspecteur een begin van bewijs levert op grond waarvan een vermoeden bestaat dat de werkelijke leiding in Nederland ligt. Vervolgens heeft het in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak geoordeeld dat het in de stukken van het geding waarop de Inspecteur zich beroept ter staving van zijn vermoeden nog geen begin van bewijs heeft gezien dat de feitelijke leiding mogelijk aanwezig is in Nederland. Hetgeen het Hof in onderdeel 4.5 van zijn uitspraak heeft overwogen strookt niet met het in onderdeel 4.2 ervan verwoorde uitgangspunt, aangezien het in dat onderdeel 4.5 overwogene een verdergaande eis aan het door de Inspecteur te leveren bewijs behelst dan uit het in onderdeel 4.2 neergelegde uitgangspunt voortvloeit. Doordat onderdeel 4.5 van zijn uitspraak in dit opzicht niet overeenstemt met onderdeel 4.2 ervan kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt of het Hof een juiste rechtsopvatting ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak. In het bijzonder kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt wat het Hof van de Inspecteur heeft verlangd voor het voeden van de veronderstelling dat belanghebbende belastingplichtig is in Nederland. Derhalve heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het middel slaagt in zoverre.\n\nTheoretisch kader toegepast op uw situatie.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nOp grond van de navolgende gegevens ben ik van mening dat ik aan u informatie kan op vragen op grond van artikel 47 AWR.\n\nIn artikel 7.1 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is de volgende bepaling opgenomen:\n\n“Ten aanzien van de buitenlandse belastingplichtige wordt de inkomstenbelasting geheven over het door hem in het kalenderjaar genoten:\n\na. belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland;\n\nb. belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en\n\nc. belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland.\"\n\nIn artikel 7.2 Wet IB is dit nader uitgewerkt:\n\n\"1.Het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland is het inkomen uit werk en woning in Nederland verminderd met de verliezen uit werk en woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3 en verminderd, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6.2., 6.2a en 6.31, met uitgaven voor monumentenpanden.\n\n2. Het inkomen uit werk en woning in Nederland is het gezamenlijke bedrag van:\n\na.de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, dat is de belastbare winst, bedoeld in de\n\nartikelen 3.2 en 3.3 uit een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat wordt\n\ngedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of een vaste vertegenwoordiger in\n\nNederland (Nederlandse onderneming);...”\n\nUit informatie verkregen uit een derdenonderzoek is gebleken dat u via een Nederlandse\n\ntussenpersoon (onderneming) bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaamheden (heeft) verricht.\n\nIn artikel 10 lid 1 van de Wet op de loonbelasting is het volgende opgenomen:\n\n\"Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.\"\n\nAlle voordelen uit dienstbetrekking behoren tot het loon. Het voordeel behoeft daarbij niet steeds het resultaat van verrichte arbeid te zijn. De basis is de rechtsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. De ontvangen beloning moet gekoppeld kunnen worden aan de dienstbetrekking als bron van die beloning. Er is sprake van loon als het genoten voordeel, rekening houdend met de maatschappelijke opvattingen, geacht kan worden zakelijk aan de dienstbetrekking te kunnen worden toegerekend.\n\nMogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\nIk ben van mening dat ik mij op het standpunt kan stellen dat er sprake is van een (mogelijk)\n\nNederlands heffingsbelang.\n\nVerzoek om informatie\n\nIk wil u verzoeken alle vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke.\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstelling en onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt.\n\n4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) en na 1 oktober 2013 tot heden.\n\n5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.\n\n6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd]\n\n ).\n\n7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de oprichting van [F Ltd] .\n\n12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] ).\n\n13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] .\n\n14. Een onderbouwing van de verkoopprijs aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van\n\n2008 ad € 100.000,= en 2009 ad € 12.000,=.\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld. 16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort;\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen.\n\n17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle lening overeenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum\n\noprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden.\n\n18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen.\n\n19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland.\n\n20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd]\n\n en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met\n\nkopieën van alle onderliggende stukken.\n\n22. Kopie notariële akten lening verkregen van [E Ltd] en\u002Fof deelnemingen in Nederland ten behoeve van onroerend goed.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nAanmerkelijk belang\n\nIn hoofdstuk 4 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is een regeling opgenomen voor een aandeelhouder met een 'aanmerkelijk belang' in een vennootschap. Op grond van deze wetgeving valt het inkomen dat een 'ab-houder' geniet uit zijn aanmerkelijk belang in box 2. Het belastingtarief van box 2 is 25%. In box 2 worden reguliere voordelen zoals dividend en andere winstuitkeringen belast maar ook vervreemdingsvoordelen. U hebt o.a. een aanmerkelijk belang als u, eventueel samen met uw fiscale partner, direct of indirect minimaal 5% had van:\n\n- de aandelen (ook per soort) in een binnen- of buitenlandse vennootschap de winstbewijzen van een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\n- de genotsrechten (ook per soort) van de aandelen in een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\n- de genotsrechten (ook per soort) van de winstbewijzen in een binnen- of buitenlandse vennootschap.\n\nVraag:\n\n25. Bent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum. Graag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\n[1] Rechtbank Gelderland 4 juni 2013, nr. AWB 12\u002F4041, LJN CA1899, ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1899.\n\n[2] Hoge Raad 18 april 2003, nr. 38122, LJN AF7498, BNB 2003\u002F268, Hoge Raad 28 mei 1986, nr. 23784, LJN AW8017, BNB 1986\u002F238, Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23034, LJN AW8125, BNB 1986\u002F128.\n\n[3] Hof ’s-Hertogenbosch 28 november 2014, nr. 14-00447.’\n\n2.12.. Belanghebbende heeft bij brief van 27 september 2016 op de onder 2.11 vermelde brief, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. Op pagina 3 geeft uw aan:\" Uit informatie verkregen uit een derdenonderzoek is gebleken dat u via een Nederlandse tussenpersoon (onderneming) bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaamheden (heeft) verricht\".Vervolgens geeft u uitleg over al hetgeen dat onder loon kan worden verstaan.\n\n1. Ik werkte inderdaad vanuit [woonplaats] waar ik woon via een in Nederland gevestigde tussenpersoon. De werkzaamheden werden in [woonplaats] uitgevoerd met behulp van collaboration\u002Fvirtual tools (internet). Fysieke aanwezigheid in Nederland werd niet verlangt van de eindopdrachtgever. Derhalve, ik heb niet \"bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaameheden verricht\" maar voor een Nederlandse eindopdrachtgever werkzaamheden verricht. De eindopdrachtgever is een internationaal bedrijf met veel kantoren in diverse landen, een bewust beleid heeft gevoerd om interne en externe medewerkers zoveel mogelijk thuis te laten werken om kantoorkosten te verminderen en om de work\u002Fhealth balance van medewerkers te ondersteunen.\n\n2. Zie mijn brief van 17 mei 2016 waarin ik heb aangegeven niet meer in Nederland te wonen vanaf 30\u002F9\u002F2013 waarvoor tevens bewijs (bijlagen) zijn aangeleverd. Indien u het hier niet mee eens bent, verzoek u ik dit gaarne te onderbouwen.\n\n3. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig), zonder eerst (bewust of onbewust) uw standpunt A. te veriferen bij mij of deze (bewust of onbewust) enigzins concreet aannemelijk te maken. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\n\n4. U geeft aan tot uw standpunt te komen o.b.v. informatie verkregen uit een\n\nderdenonderzoek. In uw brief geeft u geen verdere gedetailleerde informatie hierover. Bijvoorbeeld de bronen van de verkregen informatie of de documenten\u002Fbewijsmaterialen welk zijn verkregen uit het derdenonderzoek waarop u uw standpunt heeft gebaseerd. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) zonder de betrouwbaarheid en\u002Fof de bewijsstukken van deze informatie eerst door mij te laten veriferen of te weerleggen. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\n\n5. Op basis van punten A.1., A.2., A.3. & A.4. ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 aangezien ik niet in Nederland binnenlands belastingplichtig ben. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t. dit standpunt.\n\nB. U geeft aan op pagina 4: \"Mogelijk hebt u no liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelenontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking\".\n\n1. Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, zie punt A. 2. hierboven.\n\n2. In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\n\n3. U vraagt specifieke informatie (zie vraag 21) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 - alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig).\n\n4. Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund B. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\n\nC. Ik verzoek ik u in verdere correspondentie:\n\n1. Specifieker aan te geven welke wetten of rechtelijke uitspraken (\"Theoretisch kaderheffingsbelang') volgens u van toepassing zijn (\"theoretisch kader toegepast op uw situatie\") voor elk standpunt dat u aandraagt (zie hierboven A. & B.). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n2. Specifieker aan te geven welke vragen volgens u corresponderen met elk standpunt die u aandraagt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n3. Specifieker aan te geven waarom u vragen stelt over [G Ltd] en [F Ltd] (zie bijv. 4, 7, 11, 12, 13, 14,15 etc) in een brief die als doel heeft mijn aangifte inkomstenbelasting (prive persoon) te behandelen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n4. Gelet op C3., zou (bewust of onbewust) de indruk door u gewekt kunnen worden dat het boekenonderzoek van [F Ltd] integraal en\u002Fof vermengd kan worden met mijn aangifte inkomstenbelasting. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n5. Specifieker aan te geven waarom u bij sommige vragen (bijv. 4, 8, 17) informatie aanvraagt voorafgaand of na de periode waarover u de aangiften inkomstenbelasting in beschouwing neemt (2010 t\u002Fm 2014). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n6. Ik heb op de website van de belastingdienst vernomen \"U kunt een navorderingsaanslag krijgen binnen 5 jaar na het einde van het belastingtijdvak waarin uw belastingschuld is ontstaan (meestal het kalenderjaar).' U heeft niet aangegeven in uw brieven waarom u m.b.t. de aangifte inkomstenbelasting het jaar 2010 in beschouwing neemt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brieven.\n\n7. De rechtelijke uitspraken die u noemt verwijzen naar teksten welke vervolgens niet zijn opgenomen in uw brief. Dit maakt het kunnen beoordelen of het aan gedragen theoretisch kader uberhoudt relevant is (bewust of onbewust) erg moeilijk en tevens de indruk wekt dat alleen die teksten zijn opgenomen welke uw standpunten onderbouwen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief. Derhalve wordt verzocht alle relevante teksten op te nemen in uw toekomstige brieven.. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n8. Een kopie mee te sturen van alle volledige rechterlijke uitspraken (BNB's) welk door u genoemd worden in uw brief en u toekomstige brieven als onderbouwing van uw standpunten. Dit gelet op het feit dat ik niet over een juridische bibliotheek bezit er derhalve niet kan beoordelen of de (volledige) rechterlijke uitspraken die u aandraagt om u standpunt te onderbouwen daadwerklijk van toepassing kunnen zijn. Dit is mijn inziens onredelijk. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n9. Op pagina 4 geeft u aan \"Ik wil u verzoeken all vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnoties, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, foxen, facturen endergelijk.' Gelet op het feit dat u for beide standpunten (A. & B.) geen concrete of aannamelijke onderbouwing aandraagt (zie o.a. A3, A4, B2 & B3) zou u verzoek omzo uitgebreid mogelijkte beantwoorden (bewust of onbewust) als het ware tot een sleepnet actie kunnen leiden. Indien uw standpunten (aannemelijk) onderbouwd werden, zou ik alleen die informatie hoeven aan te dragen welk specifiek en relevant zijn om u standpunten te weerleggen. U verzoek is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy)b die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 – alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) alsmede de onduidelijke relevantie van een aantal van uw vragen (zie bijvoorbeeld C3, C4, C5, C6).\n\n10. Gelet op D 1 t\u002Fm D 9 leidt mij verder te beoordelen dat u op een fishing expedition uit bent m.b.t u standpunten genoemd in A & B.\n\nD. Gelet op punt A. 4., B.4. & C.10, zijn al uw vragen in uw brief van 8 september 2016 en uw vorige brieven beantwoordt welke relevant zijn tot de periode 30\u002F9\u002F2013.\n\nDe vragen zoals door u gesteld, zijn hier beneden beantwoordt waarbij de hierboven beschreven punten (A, B & C) in rekening zijn genomen.\n\nZoals uit mijn vorige brieven en deze brief blijkt, wens ik mee te werken met uw aangiften inkomstenbelasting onderzoek.\n\n(…)\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 & 2015 [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n• Voor periode 1\u002F1\u002F2011- 30\u002F9\u002F2013 is informatie al eerder aangeleverd.\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting betaald in [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n3. Overzicht opdrachtgevers na emigratie.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n4. Kopie opdrachtbevestigingen en contracten 2008 t\u002Fm heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, C5 & C6 hierboven.\n\n• Opdrachten\u002Fcontracten van [G Ltd] zijn in de brief van 29 augustus 2016 reeds aangeleverd mbt boekenonderzoek [E Ltd] .\n\n5. Consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven.\n\n6. Kopie bankrekeningen mutaties 2013-2015\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5.\n\n• Voor 2013 (tot 30\u002F9\u002F2013) is in mijn vorige brief van 17 mei 2016 de verloopstaten van de Franse bankrekening als bijlage opgenomen.\n\n7. Kopieen mutaties American Expresskaart 2011-2015.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, C5 & C6.\n\n8. Overzicht van alle voordelen verkregen uit [F Ltd] .\n\nBehoudens direct salaris tussen 19 maart 2008 en heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5& C6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n10. Kopieen van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Zie mijn eerdere brief 17 mei 2016 (leningsoverenkomsten) voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n11. Kopieen onderliggende stukken betreffende de oprichting [F Ltd]\n\n .\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n12. Kopieen stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n13. Kopieen stukken beftreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd]\n\n .\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n14. Onderbouwing van de verkoopprijs aandelen en toelichting hoogte verkoopprijs aandelen in relatie dividend van 2008 & 2009.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van de verkoopprijs aandelen is vermeld.\n\n• Niet relevant zie D3, D4, DS & D6 hierboven\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n16. Is het dividend in 2008 en 2009 ook als lening aan u vestrekt door [E Ltd] ?\n\n• Niet relevant zie CS & C6 hierboven.\n\n17. Alle leningsovereenkomsten afgesloten met [E] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie brief 17 mei 2016 voor de periode tot 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013 (leningsovereenkomsten).\n\n18. Kopieen van alle communicatie rente betalingen en afwikkeling leningen met [E Ltd]\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie brief 17 mei 2016 voor de periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013 (leningsovereenkomsten).\n\n19. Bankafschriften van rentebetalingen leningen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie bijlagen voorde periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n20. Kopieen van alle communicatie van leningen na liquidatiedatum [E Ltd] .\n\n• Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten n.a.v. liquidatie [E Ltd] of Nederlandse deelnemingen.\n\n• Zie vraag 20.\n\n• Zie vraag 8\n\n22: Kopie notariele akten leningen van [E] .\n\n• Er bestaan geen notariele akten.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot op heden schenkingen ontvangen van [E Ltd]\n\n of bovenliggende moedermaatschappijen?\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Nee.\n\n24. Aandelen [B]\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven\n\n• Niet relevant zie C4 & C5\n\n• Zie bijlage\n\n25. Bent u en\u002Fof partner ultimate beneficiary owner geweest van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffing.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven\n\n• Nee”\n\n2.13.. De inspecteur heeft bij brief van 13 oktober 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. Met betrekking tot de informatie welke ik heb verkregen uit een derdenonderzoek, waaruit blijkt dat u na opheffing van [G Ltd] op 1 oktober 2013 via dezelfde Nederlandse tussenpersoon bij dezelfde Nederlandse eindopdrachtgever dezelfde consultacywerkzaamheden bent blijven uitvoeren, stelt u het volgende:\n\n1. \"Ik werkte inderdaad vanuit [woonplaats] waar ik woon via een in Nederland gevestigde tussenpersoon. De werkzaamheden werden in [woonplaats] uitgevoerd met behulp van collaboration\u002Fvirtual tools (internet). Fysieke aanwezigheid in Nederland werd niet verlangt van de eindopdrachtgever. Derhalve, ik heb niet \"bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaameheden verricht maar voor een Nederlandse eindopdrachtgever werkzaamheden verricht. De eindopdrachtgever is een internationaal bedrijf met veel kantoren in diverse landen, een bewust beleid heeft gevoerd om interne en externe medewerkers zoveel mogelijk thuis te laten werken om kantoorkosten te verminderen en work\u002Fhealth balance balance van medewerkers te ondersteunen.\"\n\nUit mijn informatie blijkt dat u tot 1 oktober 2013 woon-werkverkeer heeft gedeclareerd, welke is onderbouwd als dagelijks reizen naar de werkplek in [plaats 1] . Uit onze informatie blijkt dat uw werkzaamheden ook in [plaats 1] plaats hebben gevonden. Uit verdere informatie is geen wijziging opgetreden ten aanzien van de plaats van tewerkstelling. Ik moet dan verder constateren dat u uw stelling van thuiswerken niet heeft onderbouwd met documentatie, waaruit blijkt dat u vanaf 1 oktober 2013 voor uw werkzaamheden niet langer op de werkplek in [plaats 1] aanwezig hoefde te zijn. Ik verzoek u dan ook uw stelling met documentatie te onderbouwen.\n\n2. \"Zie mijn brief van 17 mei 2016 waarin ik heb aangegeven niet meer in Nederland te wonen vanaf 30\u002F9\u002F2013 waarvoor tevens bewijs (bijlagen) zijn aangeleverd. Indien u het hier niet mee eens bent, verzoek u ik dit gaarne te onderbouwen.\"\n\nVooralsnog volg ik u in uw stelling dat u vanaf 1 oktober 2013 in [woonplaats] woonachtig bent. Dit laat onverlet dat inkomsten uit werkzaamheden in Nederland na 1 oktober 2013 mogelijk in Nederland belast zijn. Indien deze werkzaamheden door u in [woonplaats] over de jaren 2013 en verder zijn aangegeven, zou dit een nadere onderbouwing kunnen zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden door u in [woonplaats] en de belastbaarheid van deze werkzaamheden in [woonplaats] .\n\n3. “Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig), zonder eerst (bewust of onbewust) uw standpunt A. te veriferen bij mij of deze (bewust of onbewust) enigzins concreet aannemelijk te maken. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\"\n\n4. \"U geeft aan tot uw standpunt te komen o.b.v. informatie verkregen uit een derdenonderzoek. In uw brief geeft u geen verdere gedetailleerde informatie hierover. Bijvoorbeeld de bronen van de verkregen informatie of de documenten\u002Fbewijsmaterialen welk zijn verkregen uit het derdenonderzoek waarop u uw standpunt heeft gebaseerd. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) zonder de betrouwbaarheid en\u002Fof de bewijsstukken van deze informatie eerst door mij te laten veriferen of te weerleggen. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A. 1.\"\n\n5. \"Op basis van punten A. 1., A. 2., A.3. & A.4. ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 aangezien ik niet in Nederland binnenlands belastingplichtig ben. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t. dit standpunt.\"\n\nIk merk op dat u op basis van artikel 47 AWR gehouden bent desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichten te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. De onderbouwing van het mogelijk fiscaal belang heb ik reeds in mijn brief van 8 september 2016 aan u medegedeeld. Ik verwijs u hiervoor dan ook naar mijn brief van 8 september 2016 en adviseer u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies in te winnen van een fiscaal adviseur.\n\nB. Ten aanzien van de mogelijk ontvangen voordelen voortkomend uit de (voormalige)\n\ndienstbetrekking, heeft u het volgende medegedeeld:\n\n1. \"Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, zie punt A. 2. hierboven. \"\n\nIk wil u erop attenderen dat ook voordelen uit een voormalige dienstbetrekking eveneens leiden tot fiscaal belast inkomen. Het opheffen van een entiteit leidt niet automatisch tot beëindiging van voordelen voorkomend uit (een (voormalige) dienstbetrekking bij) deze entiteit.\n\n2. \"In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\"\n\n3. \"U vraagt specifieke informatie (zie vraag 21) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6- alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig).\"\n\n4. \"Gelet B. 1., B2. & 83., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voorstandpund B. Hierdoorben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\"\n\nIk herhaal hetgeen in onder A3, A4 en A5 reeds heb opgemerkt.\n\nOnder C. en D. merk ik samengevat op, dat u stelt dat ik u onvoldoende informatie heb verstrekt om mijn standpunt te onderbouwen. Hierop herhaal ik dat ik het fiscaal belang in mijn brief van 8 september 2016 afdoende heb onderbouwd. De in mijn brief opgenomen jurisprudentie kunt u integraal op internet terugvinden onder de door mij opgenomen uitspraaknummers.\n\nIk herhaal mijn advies dat u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies kan inwinnen bij een fiscaal adviseur.\n\nTen aanzien van de door mij in mijn brief van 8 september 2016 gestelde vragen, merk ik op dat u geen van de vragen heeft beantwoord, met uitzondering van vraag 22, 23 en 25. Met betrekking tot uw antwoorden op vraag 23 en 25 merk ik op dat ik informatie heb ontvangen, welke tegenstrijdig is met de door u verstrekte antwoorden op vraag 23 en 25.\n\nVoor de vragen die toezien op de periode van voor 2011, is het volgende van toepassing. De aandeelhouder van [F Ltd] is een in Cyprus gevestigde entiteit. Indien de aandeelhouder u een beloning heeft verstrekt op basis van uw werkzaamheden voor [G Ltd] , dan is er mogelijk sprake van in het buitenland opgekomen inkomen, waarop de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van toepassing is.\n\nOm een lang correspondentietraject te voorkomen, roep ik u op voor een gesprek met u in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht. Dit gesprek kan plaatsvinden op één van de navolgende datums:\n\n 1 november 2016;\n\n 3 november 2016;\n\n 14 november 2016;\n\n 15 november 2016; of\n\n 17 november 2016.\n\nBij dit gesprek verzoek ik u om de navolgende informatie mee te nemen:\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstellingen onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) en de plaats van tewerkstelling blijkt.\n\n4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) van [belanghebbende] en na 1 oktober 2013 tot heden.\n\n5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.\n\n6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de oprichting van [F Ltd] .\n\n12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] ).\n\n13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] .\n\n14. Een onderbouwing van de verkoopprijs van de aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van 2008 ad € 100.000,= en 2009 ad 12 000,=.\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld.\n\n16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort;\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen.\n\n17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle leningovereenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum oprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden.\n\n18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen.\n\n19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland.\n\n20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n22. Deze vraag acht ik afdoende beantwoord.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de\n\nverwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle\n\nonderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle\n\nonderliggende stukken.\n\nHierbij verwacht ik tenminste de navolgende documenten:\n\nKopie letter of wishes, overeenkomst 'success by sharing' formule en de hierbij horende relevante communicatie.\n\n25. Bent u en\u002Fof uw partner [de echtgenote] op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum.\n\nGraag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\nVerder wil ik u er graag op wijzen dat, indien u de gevraagde informatie niet (volledig) verstrekt, ik een informatiebeschikking ex art. 52a AWR op kan leggen.’\n\n2.14.. Belanghebbende heeft bij e-mail van 2 november 2016 de inspecteur om uitstel van vier weken verzocht voor het beantwoorden van de onder 2.13 vermelde brief.\n\n2.15.. De inspecteur heeft bij e-mail van 7 november 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Helaas moet ik u berichten dat ik heb moeten constateren dat [belanghebbende] en [de partner] al geruime tijd niet aan hun informatieverplichting hebben voldaan. Ook de reactietermijn van mijn laatste brief, waarin ik [belanghebbende] en [de partner] heb opgeroepen voor een gesprek, is reeds ruimschoots verstreken zonder enige reactie van de heer [belanghebbende] en\u002Fof [de partner].\n\nHoewel ik begrip heb voor uw behoefte om het dossier te kunnen bestuderen, ben ik van mening dat [belanghebbende] en [de partner] u dan hiervoor eerder de gelegenheid hadden moeten bieden. Dit risico komt mijns inziens voor rekening van [belanghebbende] en [de partner].\n\nGezien de reeds aan uw cliënten geboden termijnen, alsmede de gezien de aanslagtermijnen kan ik uw cliënten helaas geen uitstel meer verlenen.’\n\n2.16.. De inspecteur heeft met dagtekening 22 november 2016 de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven. De inspecteur heeft de in de brief van 13 oktober 2016 vermelde vragen in de informatiebeschikkingen opgenomen (zie 2.13).\n\n2.17.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo ( CLO ) aan de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de Tax Information Exchange Agreement; hierna: TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, [de partner] en [L Ltd] . In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n‘On 14 October 2013, [belanghebbende] and [de partner] officially emigrated to [woonplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [belanghebbende] and possibly [de partner] incorporated [L Ltd] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA ) shows that after 14 October 2013, [belanghebbende] and [de partner] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [belanghebbende] and [de partner] declare the income from these activities in their income tax returns in [woonplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [belanghebbende] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n[belanghebbende]\n\nTo gain insight into the assets and interests of [belanghebbende] in 2013, and to gain insight into the income that [belanghebbende] declared in [woonplaats] , I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of income tax returns and income tax assessments of [belanghebbende] regarding the period 2013 - 2015.\n\n2. Overview regarding the period 2013 - 2016 of interests held by [belanghebbende] in companies with start date and end date of the interest held.’\n\n2.18.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 7 januari 2019 de ‘income tax returns’ van belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [woonplaats] Branch, [R Ltd] en het [commission] .\n\n2.19.. Op 21 februari 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.\n\n2.20.. Op 19 juni 2020 respectievelijk 20 oktober 2020 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen opgelegd voor 2008, 2009, 2011 en 2012.\n\n2.21.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 vernietigd en de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gewijzigd in die zin dat alleen de vragen 1 tot en met 21 en 24 in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken. De rechtbank heeft de inspecteur in de voor bezwaar en beroep gemaakte proceskosten aan de zijde van belanghebbende veroordeeld tot het bedrag van € 2.430 en heeft gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nIs belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot zijn beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012? Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord (dat wil zeggen: belanghebbende is ontvankelijk met betrekking tot zijn beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012), zijn deze informatiebeschikkingen dan terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2010, 2013 en 2014 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van zijn beroep voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012, tot vernietiging van alle ten aanzien van zijn genomen informatiebeschikkingen, tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof en tot vergoeding van schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\na) Ontvankelijkheid beroep met betrekking tot jaren 2008, 2009, 2011 en 2012\n\n4.1.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard wegens een gebrek aan belang. De informatiebeschikkingen zijn vanwege het opleggen van de navorderingsaanslagen van rechtswege komen te vervallen. Belanghebbende stelt dat het beroep tegen de informatiebeschikkingen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank had de informatiebeschikkingen dienen te vernietigen.\n\n4.2.. Volgens vaste jurisprudentie moet een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Als het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is. \n\n4.3.. Artikel 52a, lid 3, AWR, bepaalt dat de informatiebeschikking van rechtswege vervalt indien de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. Niet in geschil is dat over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn opgelegd. Dit brengt mee dat de informatiebeschikkingen voor die jaren van rechtswege zijn vervallen.\n\n4.4.. Gelet op het vorengaande heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende met betrekking tot de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van belanghebbende voor deze jaren is derhalve ongegrond.\n\n4.5.. De eerste vraag beantwoordt het hof bevestigend. De onder a) gestelde vervolgvraag behoeft in dat geval geen beantwoording.\n\nVraag b. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.6.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Als de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 van rechtswege zouden vervallen, kan de rechtmatigheid ervan niet meer worden getoetst. Het vervallen van de informatiebeschikking is in dat geval in strijd met het recht op een eerlijk proces zoals dat in artikel 6 EVRM is neergelegd. Door het vervallen van de informatiebeschikkingen, wordt belanghebbende een eerlijk proces ontnomen. Belanghebbende stelt dat artikel 6 EVRM in dit geval in de weg staat aan toepassing van nationaal recht, te weten artikel 52a, lid 3, AWR, omdat belanghebbende daarmee een eerlijk proces wordt ontnomen.\n\n4.7.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.9.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.10.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.11.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.12.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.13.. Vraag c moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag d) zijn de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte zijn gehandhaafd.\n\n4.15.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.16.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.17.. De rechtbank heeft geoordeeld dat per vraag dient te worden beoordeeld of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen. Voor zover de vragen in grote mate samenhangen, heeft de rechtbank deze gezamenlijk beoordeeld. Het hof volgt de rechtbank in deze en zal eveneens per vraag beoordelen of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen, waarbij het hof de vragen ook gezamenlijk zal behandelen voor zover zij in grote mate samenhangen. Het hof zal daarbij het hiervoor beschreven rechtskader als uitgangspunt nemen.\n\n‘1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] ’en\n\n‘2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] ’\n\n4.18.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.11.1. Belanghebbende heeft hierop geantwoord dat gelet op zijn emigratie naar [woonplaats] , de gevraagde informatie voor de Nederlandse Belastingdienst niet relevant is vanaf 30 september 2013. Om die reden ziet hij geen aanleiding de gevraagde informatie te verstrekken. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift geschreven dat gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vanaf 1 oktober 2013 in Nederland aangifte als buitenlands belastingplichtige doet, hij het redelijk acht om te toetsen of hij in [woonplaats] als binnenlands belastingplichtige aangifte doet.\n\n4.11.2.. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Die informatie zou immers licht kunnen werpen op de mogelijke (binnenlandse of buitenlandse) belastingplicht voor een bepaalde inkomensbron in Nederland. Hieraan doet niet af dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat hij over de gevraagde informatie in vraag 1 reeds beschikt, aangezien die informatie niet door belanghebbende is overgelegd en hij daarmee niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.19.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstelling en onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) en de plaats van tewerkstelling blijkt’,\n\n‘4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) van [belanghebbende] en na 1 oktober 2013 tot heden’,\n\n‘5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.’\n\n4.20.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.12. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende na 1 oktober 2013 (nagenoeg) uitsluitend voor de eindopdrachtgever [H BV] heeft gewerkt. Om die reden wenst hij te onderzoeken of Nederland over de daarmee verband houdende inkomsten mogelijk een heffingsrecht heeft. Gelet hierop kon de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft de vragen niet beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.21.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt daar het volgende aan toe.\n\n4.22.. Belanghebbende stelt geen consultancywerkzaamheden te hebben verricht als zelfstandige (natuurlijk persoon) na zijn verhuizing. Belanghebbende stelt in dienst te zijn geweest bij een derde, [L Ltd] . Het is geheel onduidelijk welk doel de inspecteur zou hebben om informatie te ontvangen van alle opdrachtgevers hierin, aldus belanghebbende. Als de inspecteur een vermoeden heeft dat er werkzaamheden zouden hebben plaatsgevonden voor een Nederlandse opdrachtgever, dan zouden specifieke vragen over deze desbetreffende Nederlandse opdrachtgever afdoende kunnen zijn en niet die informatie van alle overige niet Nederlandse opdrachtgevers.\n\n4.23.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De inspecteur heeft met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschreden.\n\n‘6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] )’,\n\n‘7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015’,,\n\n‘8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris’,\n\n‘9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen’en\n\n‘21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na[ar] aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken’\n\n4.24.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.13.1. De inspecteur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij de inspecteur het vermoeden heerst dat [G Ltd] feitelijk in Nederland gevestigd was, zodat belanghebbende mogelijk een dienstbetrekking bij een Nederlandse werkgever had en een belang in het aandelenkapitaal van een in Nederland gevestigde vennootschap had dat dan kwalificeert als een aanmerkelijk belang. In dat kader wilde de inspecteur verifiëren of belanghebbende na liquidatie van [G Ltd] mogelijk nabetalingen van een salaris, dividenden of een liquidatie-uitkering heeft genoten.\n\n4.13.2.. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. Hieraan doet niet af de stelling dat het niet duidelijk zou zijn wat de inspecteur heeft bedoeld met de gevraagde informatie met betrekking tot de buitenlandse bankrekeningen. De inspecteur heeft zijn vermoedens dat belanghebbende mogelijk in Nederland belastingplichtig is in zijn vragenbrieven duidelijk aan de orde gesteld, zodat niet valt in te zien dat belanghebbende in de veronderstelling is dat met de “buitenlandse bankrekeningen” de Nederlandse bankrekeningen wordt bedoeld. Het gaat hier immers om een verzoek om informatie van de Nederlandse Belastingdienst. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.25.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt daar met betrekking tot vraag 7 het volgende aan toe.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt dat hij niet beschikte over een American Expresskaart na 2012 en reeds daarom de verzochte gegevens niet over heeft kunnen leggen. In zijn brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende aangegeven dat, gelet op zijn inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Hieruit leidt het hof af dat deze kopieën wel beschikbaar zijn. Niet gebleken is dat belanghebbende deze kopieën reeds eerder heeft overgelegd, zodat de informatiebeschikking in zoverre terecht is gegeven. De door belanghebbende overgelegde brief van American Express leidt niet tot een ander oordeel. De brief van American Express bevestigt enkel dat er geen gegevens van belanghebbende bekend zijn ten tijde van de verzending van de brief (14 december 2016). De brief vermeldt tevens dat de gegevens uit het verleden niet meer traceerbaar zijn, zodat de brief in zoverre geen duidelijkheid verschaft over het niet-bestaan van een American Expresskaart in de periode voor 14 december 2016.\n\n‘10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa’,\n\n‘11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] ’,\n\n‘12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] )’,\n\n‘13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] ’,\n\n‘14. Een onderbouwing van de verkoopprijs van de aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van 2008 ad €100.000,= en 2009 ad 12 000,=’ en\n\n‘15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld’\n\n4.27.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.14.1. Bij de inspecteur heerst het vermoeden dat belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant begin 2008 in [G Ltd] heeft ingebracht. Dit vermoeden is gebaseerd op de omstandigheid dat belanghebbende dezelfde werkzaamheden, na het aangaan van een arbeidsovereenkomst met [G Ltd] , via deze vennootschap is blijven verrichten. Omdat belanghebbende zichzelf daarvoor een laag salaris heeft toegekend ten opzichte van de door [G Ltd] behaalde omzet, is een fors deel van de met die werkzaamheden behaalde winst in [G Ltd] achtergebleven, aldus de inspecteur.De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.14.2.. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\n4.14.3.. Belanghebbende heeft de vragen niet beantwoord. Dat belanghebbende met betrekking tot de vraag over de vermoedelijke inbreng van zijn werkzaamheden in [G Ltd] niet zou begrijpen wat ermee wordt bedoeld, doet hieraan niet af. In zijn brief met dagtekening 27 september 2016 staat vermeld dat hij hierop heeft geantwoord dat hij de verstrekking van die informatie niet relevant acht, onder meer omdat hij in twijfel trekt waarom hij informatie met betrekking tot [G Ltd] dient te verstrekken (zie 2.11). Hieruit volgt dat hij wel degelijk kon begrijpen dat de inspecteur vermoedt dat hij zijn werkzaamheden in [G Ltd] heeft ingebracht. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.28.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt hier het volgende aan toe.\n\n4.29.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake is van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.30.. De inspecteur stelt dat belanghebbende tot begin 2008 zijn consultancy-werkzaamheden zelfstandig verrichtte en dat hij daarvoor jaarlijks aangifte deed van winst uit onderneming. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende deze activiteit begin 2008 heeft ingebracht in [G Ltd] ., aangezien belanghebbende dezelfde activiteiten vanaf dat moment via [G Ltd] . verricht. Een fors deel van de winst die belanghebbende tot 2008 in privé genoot, blijft vanaf dat moment achter in [G Ltd] . Dit valt niet te rijmen met belanghebbendes stelling dat hij (of zijn partner) niet de Ultimate Beneficial Owner (UBO) van [G Ltd] . was, aldus de inspecteur. De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.31.. Het Hof stelt voorop dat een aantal vragen ziet op zaken waar belanghebbende in ieder geval rechtstreeks bij betrokken is geweest en dat hij, al dan niet als bestuurder van of gerechtigde tot het vermogen van [F Ltd] . en [E Ltd] , over de desbetreffende gegevens zou moeten kunnen beschikken. Deze gegevens zouden aanwezig moeten zijn (geweest) in zijn eigen administratie dan wel in de administratie van de vennootschappen. Daarbij gaat het onder meer om de correspondentie van belanghebbende met [E Ltd] (Cyprus) en [G Ltd] (vragen 10 en 11) en de informatie betreffende de verkoop van [G Ltd] (vragen 13, 14 en 15).\n\n4.32.. Gezien de aard van de gevraagde informatie en de onderbouwing van de inspecteur acht het hof aannemelijk dat deze documenten bestaan en dat belanghebbende met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, die informatie kan verkrijgen. Het gaat om een complexe structuurwijziging waarbij belanghebbende, kort samengevat, zijn werkzaamheden inbrengt in een buiten Nederland gevestigde vennootschap, welke vennootschap enkele jaren later wordt geliquideerd. Dat ten aanzien hiervan geen, dan wel niet meer dan belanghebbende reeds heeft overgelegd, schriftelijke correspondentie heeft plaatsgevonden en documenten bestaan, acht het hof geenszins aannemelijk. Van een ‘fishing expedition’ door de inspecteur is geen sprake.\n\n‘16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort,\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen’,\n\n‘17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle lening overeenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum oprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden’,\n\n‘18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen’,\n\n‘19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland’ en\n\n‘20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland’\n\n4.33.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.15.1. De inspecteur vermoedt dat de door belanghebbende bij [G Ltd] aangegane leningen van ieder € 200.000 slechts dienden om voordelen uit aanmerkelijk belang te verhullen en de aanzienlijke vermogensoverschotten die in [G Ltd] zijn ontstaan onbelast te onttrekken. De inspecteur vermoedt dat in werkelijkheid geen sprake van een terugbetalingsverplichting is geweest (zie 2.3). De inspecteur vermoedt dat in de jaren 2008 en 2009 ook dergelijke gelden bij [G Ltd] zijn geleend en dat daarop evenmin is afgelost.\n\n4.15.2.. De inspecteur kon zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft voormelde vragen niet beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.34.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle onderliggende stukken. Hierbij verwacht ik tenminste de navolgende documenten: Kopie letter of wishes, overeenkomst `success by sharing' formule en de hierbij horende relevante communicatie’\n\n4.35.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.16.1. De inspecteur vermoedt dat het aandelenbelang van belanghebbende in [B Ltd] niet in box 3, maar in box 2 in aanmerking moet worden genomen. Volgens de inspecteur zou sprake kunnen zijn van een indirect aanmerkelijk belang in [G Ltd] , dat vermoedelijk recht geeft op haar volledige waardeontwikkeling en winst. Dit zou kunnen via een side letter of enige andere overeenkomst, waarin staat vermeld dat bijzondere rechten aan het belang in [B Ltd] zijn verbonden, aldus de inspecteur.\n\n4.16.2.. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur gelet op het hiervoor vermelde zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.36.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n4.37.. Gelet op het voorgaande zijn de vragen met betrekking tot de werkzaamheden vanuit [woonplaats] en de relatie met de vennootschappen op [woonplaats] legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Gelet op de in 2.10 en 2.12 vermelde reactie op de door de inspecteur gestelde vragen is het hof van oordeel dat de gestelde vragen niet adequaat zijn beantwoord en dat voorts de verzochte informatie niet is verstrekt. Belanghebbende heeft in reactie op het overgrote deel van de vragen vermeld dat de verzochte informatie niet relevant of niet van toepassing is, waarmee hij geen inhoudelijk antwoord heeft verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\nVraag e) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.38.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.39.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.40.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.41.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.42.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderingsaanslagen te verlengen.\n\n4.43.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.44.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.45.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.46.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikkingen hoeven dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.47.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.48.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.49.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.50.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.51.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag g) Heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.52.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [woonplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding. Voor de inkomstenbelasting is dat dus in beginsel vanaf 1 januari 2009.\n\n4.53.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [woonplaats] .\n\n4.54.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.55.. Uit de slotzin van de onder 4.54 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.56.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.57.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.58.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag e). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.59.. Vraag g moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.61.. Zoals uit het voorgaande volgt, zijn de informatiebeschikkingen terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor zijn bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.62.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.63.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.64.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.65.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.66.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nTen aanzien van het verzoek om schadevergoeding\n\n4.67.. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van schade in verband met de van rechtswege vervallen informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012. Op dit verzoek is in beginsel artikel 8:73 Awb (oud) van toepassing.\n\n4.68.. Omdat voor de informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard, en niet gegrond, is een vergoeding van schade niet de aan de orde.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.69.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.70.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n Vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602 en Toelichting bij de Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II, 2008\u002F09, 30 645, nr. 14, p. 10-11.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Eerste tijdvak na inwerkingtreding op 1 maart 2008.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n Voor de inkomstenbelasting tot 1 januari 2029 van toepassing op grond van artikel V van de ‘Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 50)’, zoals gewijzigd bij artikel 3.4, onder A van de ‘Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht’, Stb. 2021, 135, ‘Besluit van 6 oktober 2023 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en daarmee samenhangende bepalingen uit de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en de Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (Stb. 2021, 135)’, Stb. 2023, 236 en artikel 8:108 Awb. Vgl. HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7736.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4082","2026-07-13T00:29:19.111Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":43,"courtId":63,"decisionDate":64,"fullText":65,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":50,"updatedAt":68},"536","ECLI:NL:RBNHO:2024:13002","ecli-nl-rbnho-2024-13002",73,"2024-12-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 23\u002F6073\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen\n\n [eiseres], uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. J.F.R. Eisenberger),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaren gericht tegen het opleggen van een last onder dwangsom bij besluit van 13 januari 2022 en tegen de invorderingsbeschikking van 22 november 2022. De rechtbank moet zich bij de toetsing van het bestreden besluit beperken tot de vraag of verweerder de bezwaren van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat zij haar bezwaren te laat heeft ingediend. Aan een beoordeling van de inhoud van de zaak komt de rechtbank daarom niet toe.\n\n1.1. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2. De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door [adviseur] (adviseur), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.\n\nTotstandkoming van de besluiten\n\n2.1. Eiseres is sinds 30 november 1996 eigenaar van het perceel met opstal (een recreatieverblijf) aan [adres] ( [nummer] ) te [plaats] . Het perceel is gelegen in een recreatiegebied waar slechts recreatieve bewoning is toegestaan. Eiseres staat sinds 13 juni 2018 op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Eiseres verblijft permanent in de woning op het perceel.\n\n2.2. Verweerder heeft naar aanleiding van controles door toezichthouders vastgesteld dat eiseres de woning gebruikt voor niet-recreatieve bewoning. Verweerder heeft bij brief van 4 oktober 2021 eiseres een vooraankondiging tot het opleggen van een last onder dwangsom gestuurd, omdat het gebruiken van een recreatieverblijf ten behoeve van permanente bewoning op grond van de geldende beheersverordening ter plaatse niet is toegestaan. Tegen de vooraankondiging is geen zienswijze ingediend door eiseres.\n\n2.3. Bij brief van 13 januari 2022 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd waarin zij is gelast binnen zes maanden na dagtekening het gebruik van haar recreatieverblijf ten behoeve van niet-recreatieve bewoning te beëindigen en beëindigd te houden. Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres na afloop van de begunstigingstermijn nog steeds stond ingeschreven op het adres.\n\n2.4. Bij brief van 31 oktober 2022 heeft verweerder een vooraankondiging tot het invorderen van de dwangsom kenbaar gemaakt omdat deze van rechtswege is verbeurd.\n\n2.5. Bij brief van 22 november 2022 heeft verweerder meegedeeld de verbeurde dwangsom van € 25.000,- in te vorderen. Bij brief van 15 december 2022 heeft verweerder eiseres aangemaand tot betaling met het verzoek om binnen twee weken het verschuldigde bedrag te betalen.\n\n2.6. Bij brief van 6 april 2023 heeft verweerder een dwangbevel uitgevaardigd tot voldoening van het bedrag van de dwangsom. Het dwangbevel is op 19 april 2023 door de deurwaarder aan het adres van eiseres betekend.\n\n2.7. Bij afzonderlijke bezwaarschriften van 2 mei 2023, door verweerder ontvangen op 3 mei 2023, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom en de invorderingsbeschikking. Eiseres heeft daarbij eveneens verzocht om uitstel van betaling. Met het besluit van 25 mei 2023 heeft verweerder het verzoek om uitstel van betaling afgewezen. Bij besluit van 17 augustus 2023 heeft verweerder de bezwaarschriften van eiseres beide niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren te laat zijn ingediend.\n\nStandpunt eiseres\n\n3.1.. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de besluiten niet in werking zijn getreden. Eiseres voert daartoe aan dat de besluiten niet op de juiste wijze zijn uitgereikt en toegezonden als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres betwist dat de besluiten haar bij aangetekend poststuk zijn aangeboden en zij stelt allereerst dat de besluiten niet aangetekend zijn verzonden en voor zover dat wel zo is, dat zij daar nooit een afhaalbericht voor heeft ontvangen en dat de besluiten niet naar een afhaalpunt zijn gebracht. Eiseres heeft als gevolg daarvan de bestreden besluiten voor het eerst vernomen per deurwaardersexploot eind april 2023. Eisers stelt dat gelet hierop sprake is van een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De bezwaarschriften van 2 mei 2023 zijn, aldus eiseres, daarom tijdig ingediend.\n\n3.2.. Ter onderbouwing wijst eiseres op de grote kwaliteitsproblemen rondom de postbezorging van PostNL in het algemeen. Verder stelt eiseres dat de postbezorging op het recreatiepark chaotisch is. Daarvoor heeft zij vier verklaringen van andere parkbewoners overgelegd waarin dat volgens haar wordt bevestigd, waaronder een verklaring van een bewoner die een keer heeft gezien dat een busje van de bezorgdienst langs het park reed zonder te stoppen en zij geen afhaalbericht had ontvangen, terwijl het verwachte pakket bij een afhaalpunt bleek te zijn gebracht. Eiseres heeft de mogelijkheid genoemd dat de postbezorger het betreffende adres of de brievenbus van eiseres niet heeft kunnen vinden, en de zending rechtsreeks naar een afhaalpunt heeft gebracht. Eiseres merkt op dat zij alleen het dwangbevel van 6 april 2023 heeft ontvangen omdat deze door het kattenluikje is geduwd. Eiseres voert verder aan dat het op de weg van verweerder had gelegen om – wetende dat eiseres de zending niet had ontvangen – een poging te doen om de zending opnieuw aan eiseres in het bezit te stellen. Zo had verweerder de brief per gewone post kunnen zenden. Verweerder heeft ervoor gekozen om voor uitreiking van het dwangbevel de deurwaarder langs te sturen. Verweerder had ook ambtenaren of handhavers kunnen langs sturen om de besluiten uit te reiken.\n\n3.3.. Tot slot voert eiseres aan dat in het geval dat wordt aangenomen dat het invorderingsbesluit van 22 november 2022 wel rechtsgeldig is verzonden, maar het eerdere besluit van 13 januari 2022 niet, sprake is van zogenaamde ketenbesluitvorming. Volgens eiseres kan in het geval het eerdere besluit geen rechtskracht heeft het vervolgbesluit dat ook niet hebben. In dat geval zou het in redelijkheid niet zo kunnen zijn dat verweerder toch tot invordering van de dwangsom overgaat.\n\nStandpunt verweerder\n\n4.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de besluiten op de juiste wijze bekend zijn gemaakt. De beide besluiten zijn per aangetekende post verstuurd. Verweerder stelt dat uit de track & trace-gegevens blijkt dat de stukken vergeefs zijn aangeboden en vervolgens twee weken konden worden afgehaald, wat niet is gebeurd. De bezwaartermijn is volgens verweerder daarom zes weken na de verzenddatum aangevangen, beide bezwaarschriften zijn ruim na de bezwaartermijn ingediend en van een verschoonbare overschrijding is volgens verweerder geen sprake. De problemen die eiseres aanvoert over de postbezorging komen voor eigen rekening en risico van eiseres. Verweerder ziet in de door eiseres opgegeven redenen dus geen grond om haar te laat ingediende bezwaarschrift alsnog inhoudelijk te behandelen en handhaaft de conclusie dat de bezwaarschriften kennelijk niet-ontvankelijk zijn.\n\n4.2.. Verweerder stelt onderzoek te hebben gedaan naar de verzending van de besluiten en heeft daarvan stukken overgelegd. Van de aangetekende verzending van het dwangsombesluit van 13 januari 2022 is de bewaarstrook met daarop de track&trace-code overgelegd. Deze komt overeen met de track&trace-code op de envelop die verweerder retour heeft ontvangen. In de overgelegde postregistratie is vermeld dat het invorderingsbesluit van 22 november 2022 is geregistreerd, verzonden en retour is ontvangen nadat de zending niet is afgehaald. Ten overvloede merkt verweerder op dat een medewerker van PostNL heeft bevestigd dat eiseres een fysieke kennisgeving\u002F afhaalbericht heeft ontvangen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt aan de hand van wat door partijen is aangevoerd.\n\n6. Als uitgangspunt bij de beoordeling geldt dat de dag van de terpostbezorging van een besluit bepalend is voor de aanvang van de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift. Voor de vaststelling dat de beroepstermijn is aangevangen, moet zowel de verzending als de aanbieding van de zending vast komen te staan, dan wel voldoende aannemelijk zijn gemaakt. De verzender dient aannemelijk te maken dat een besluit is verzonden. Bij aangetekende verzending vangt de termijn aan op de dag na afstempeling door de postdienst. Indien de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, zal onderzocht moeten worden of het stuk door de postdienst op regelmatige wijze aan het adres van de betrokkene is aangeboden.Wanneer de postdienst bij aanbieding van het stuk niemand thuis aantreft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het afhaalpunt voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten.\n\n7.1.. \n\nAllereerst betwist eiseres dat de besluiten aangetekend zijn verzonden.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aangetekende verzending van de beide besluiten voldoende aannemelijk is. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat onduidelijk is gebleven wat verweerder verzonden heeft. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.\n\n7.2.. \n\nMet betrekking tot het dwangsombesluit van 13 januari 2022 stelt verweerder dat de gesloten envelop met daarin het besluit retour is ontvangen en dat die bij binnenkomst tezamen zijn gescand. Anders dan eiseres betoogt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te betwijfelen dat het dwangsombesluit is verzonden in de envelop die retour is ontvangen.\n\nDe datum van de poststempel op de envelop komt overeen met de datum op de brief. Dat de postcode die is vermeld op de retoursticker niet overeenkomt met de postcode van verweerder op de envelop zelf, geeft geen aanleiding om te betwijfelen dat de brief in de betreffende envelop is verzonden. Die postcode is blijkens de verklaring van verweerder van Werksaam West-Friesland, de partij die namens verweerder retour verzonden poststukken scande. Dat op de brief geen track&trace-code is vermeld, en dat uitsluitend een sticker met die code op de vensterenvelop is geplakt, is evenmin voldoende aanleiding tot twijfel. Anders dan eiseres betoogt, volgt uit de jurisprudentie niet dat de track&trace-code op de brief zelf moet zijn vermeld. Verder blijkt uit het postregistratiesysteem van verweerder dat het dwangsombesluit is geregistreerd en op 13 januari 2022 is verzonden. Uit de overgelegde bewaarstrook blijkt dat de code van de geregistreerde zending op 13 januari 2022 gericht aan eiseres overeenkomt met de code op de retour ontvangen envelop.Dat verweerder geen verzendgegevens van PostNL heeft kunnen overleggen, omdat bij gebreke van een digitaal zakelijk account in de betreffende periode die gegevens niet bewaard zijn, leidt niet tot een andere conclusie. Vast staat immers dat verweerder de envelop retour heeft ontvangen met daarop een sticker van PostNL dat de aangetekende zending niet is afgehaald.\n\n7.3.. Met betrekking tot het invorderingsbesluit van 22 november 2022 stelt verweerder eveneens dat de gesloten envelop met daarin het besluit retour is ontvangen en dat die bij binnenkomst tezamen zijn gescand. Anders dan eiseres betoogt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te betwijfelen dat het invorderingsbesluit is verzonden in de envelop die retour is ontvangen. Dat er in de track&trace-gegevens ‘afzender onbekend’ staat vermeld, doet daar niet aan af nu op de retourenvelop het adres van verweerder vermeld is. Dat op de brief geen track&trace-code is vermeld, en dat uitsluitend een sticker met die code op de vensterenvelop is geplakt, is eveneens onvoldoende voor twijfel. Anders dan eiseres betoogt volgt uit de jurisprudentie niet dat de track&trace-code op de brief zelf moet zijn vermeld. Uit het postregistratiesysteem van verweerder volgt dat het invorderingsbesluit is geregistreerd en verzonden op 22 november 2022. Van de betreffende track&tracecode heeft verweerder een uitdraai van PostNL van “de reis van je pakket” overgelegd waarop is vermeld dat de bezorging niet lukte en dat de zending naar een PostNL-punt is gebracht, daar niet is afgehaald en daarna retour afzender is bezorgd op 14 december 2022. Vast staat dat verweerder de envelop retour heeft ontvangen met daarop een sticker van PostNL dat de aangetekende zending niet is afgehaald.\n\n7.4.. Gelet op het hiervoor vermelde bestaat geen aanleiding om aan de aangetekende verzending te twijfelen. De rechtbank gaat ervan uit dat de beide besluiten per aangetekende post naar het adres van eiseres zijn verzonden.\n\n8.1.. Voor zover de besluiten aangetekend zijn verzonden, betwist eiseres dat de aangetekend verzonden besluiten zijn aangeboden en voert in dat verband aan dat zij de afhaalberichten van PostNL nooit heeft ontvangen.\n\n8.2.. Van de verzending van het dwangsombesluit van 13 januari 2022 zijn geen track&trace-gegevens meer beschikbaar. In de door verweerder overgelegde track&trace-gegevens van de zending van het invorderingsbesluit van 22 november 2022 is vermeld dat op 23 november 2022 bezorging niet is gelukt en de zending naar een PostNL-punt gaat. De rechtbank is van oordeel dat door eiseres geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan de aanbieding van de aangetekende post door achterlating van een afhaalbericht redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De verwijzing naar de algemene stelling dat er veel mis is bij de postbezorging door PostNL is daarvoor onvoldoende. Dat de postbezorging op het recreatiepark chaotisch verloopt, leidt niet tot het oordeel dat kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Een chaotische postbezorging laat bovendien onverlet dat het op de weg van eiseres ligt om ervoor te zorgen dat zij post kan ontvangen. Dat geldt te meer nu zij permanent woonachtig is op een recreatiepark. Uit de overgelegde verklaringen van andere parkbewoners valt af te leiden dat de parkbewoners, net als eiseres, op de hoogte zijn van problemen met de postbezorging, en om die reden hebben gekozen voor alternatieve adressen waarop zij hun (pakket-)post laten bezorgen. Daarbij komt ook dat eiseres in ieder geval vanaf oktober 2021 door bezoek van toezichthouders van de gemeente op de hoogte was van de handhaving door verweerder tegen permanente bewoning op het park, zodat de stelling van eiseres dat zij geen rekening had hoeven houden met berichtgeving daarover niet opgaat. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft eiseres geen feiten aannemelijk gemaakt op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de afhaalberichten zijn achtergelaten op het adres van eiseres. Het betoog van eiseres dat zij korte tijd na het ontvangen van de besluiten via een deurwaardersexploot alsnog bezwaar heeft gemaakt tegen beide besluiten en contact heeft gezocht met verweerder, waaruit volgens haar blijkt dat zij de besluiten van gewicht vond en ze dus ook zou hebben afgehaald als er een afhaalbericht was achtergelaten, maakt het oordeel niet anders.\n\n9. Zowel de verzending als de aanbieding van beide besluiten zijn voldoende aannemelijk gemaakt. Anders dan eiseres betoogt, heeft verweerder geen inlichtingenplicht om de geadresseerde over retourontvangst van het per aangetekende post verzonden besluit op de hoogte te stellen, evenmin bestaat een plicht om eiseres in geval van retourontvangst op andere wijze van de besluitvorming op de hoogte te stellen. Het blijft voor rekening en risico van eiseres dat zij de aangetekende zendingen niet heeft opgehaald en de besluiten niet tijdig na bekendmaking heeft ontvangen.\n\n10. Gelet op het hiervoor vermelde is de rechtbank van oordeel dat de beide besluiten op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. Dat betekent dat de termijnen voor beide besluiten zijn aangevangen op respectievelijk 14 januari 2022 en 23 november 2022. Nu de bezwaren van eiseres dateren van 2 mei 2023, is sprake van een overschrijding van de termijn voor het indienen van de bezwaarschriften.\n\n11. In wat eiseres heeft aangevoerd is gelet op het hiervoor overwogene ook geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Al het hiervoor vermelde betekent dat verweerder de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vergelijk de uitspraken van 7 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8499 en 25 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4046.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:13002","2024-12-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.593Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":43,"courtId":73,"decisionDate":74,"fullText":75,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":50,"updatedAt":77},"566","ECLI:NL:RBZWB:2024:8498","ecli-nl-rbzwb-2024-8498",62,"2024-12-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 24\u002F4104\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres], uit [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. L.P. Kabel),\n\nen\n\nde algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van 25 april 2024 over het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid en het schorsen van haar rijbewijs.\n\n1.1.. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 8 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en namens het CBR mr. J.A. Launsbach.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of het CBR terecht een onderzoek naar de rijvaardigheid heeft opgelegd en het rijbewijs heeft geschorst. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n3.1.. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nFeiten en omstandigheden\n\n4. Op 8 december 2023 reden twee verbalisanten van de eenheid Zeeland-West-Brabant in een politieauto in het teamgebied Bergen op Zoom. Zij reden op de Markiezaatsweg in de richting van het kruispunt met de Van Konijnenburgweg. Aan de rechterzijde van de Markiezaatsweg is het winkelgebied “De Zeeland” gevestigd. Vanaf dit winkelgebied is het mogelijk om vanaf het parkeerterrein rechtsaf de Markiezaatsweg op te rijden. Er wordt ter plaatse een verplichte rijrichting aangegeven middels drie verkeersborden. De verbalisanten zagen een voertuig hun kant op komen. Ze hebben de bestuurder van het voertuig staande gehouden. De bestuurder heeft zich geïdentificeerd als eiseres. Eiseres leek de situatie niet te begrijpen. Zij gaf aan de verkeersborden niet te hebben gezien en dat het voor haar niet duidelijk was dat ze enkel rechtsaf mocht afslaan. De verbalisanten zijn met eiseres langs de plaats gereden waar zij de verkeerde richting in reed.\n\n4.1.. Naar aanleiding van het incident heeft de politie op 8 december 2023 een mededeling gedaan aan het CBR over een vermoeden dat eiseres niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid.\n\n4.2.. Het CBR heeft met het besluit van 15 februari 2024 aan eiseres een onderzoek naar haar rijvaardigheid opgelegd. In afwachting van de uitkomst van het onderzoek is het rijbewijs van eiseres geschorst.\n\n4.3.. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n4.4.. Het CBR heeft met het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n4.5.. Op 1 mei 2024 heeft het eerste onderzoek naar de rijvaardigheid plaatsgevonden. Daarna heeft er nog een tweede onderzoek plaatsgevonden. In beide onderzoeken is geconcludeerd dat eiseres niet over de vereiste rijvaardigheid beschikt. Haar rijbewijs is met het besluit van 17 juli 2024 ongeldig verklaard. Zij heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Haar bezwaar is op 30 oktober 2024 ongegrond verklaard.\n\nOmvang van het geding\n\n5. Dit beroep ziet op het opleggen van het onderzoek en het schorsen van het rijbewijs en niet op het uiteindelijk ongeldig verklaren van haar rijbewijs. De omvang van het geding beperkt zich dus tot het bestreden besluit.\n\nOpleggen onderzoek naar de rijvaardigheid\n\n6.1.. Eiseres heeft betoogd dat aan haar ten onrechte een onderzoek naar haar rijvaardigheid is opgelegd. Zij heeft enkel een vergissing gemaakt en hanteert geen verkeerde of slechte kijktechniek. De situatie ter plaatse was onduidelijk en was voorheen anders. Doordat de borden haaks op de weg stonden, kon ze de borden niet goed zien toen zij er langsreed. Daarnaast zorgt de middenberm voor verwarring. Hoewel mogelijk formeel wordt voldaan aan de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: Regeling), is er in dit geval toch geen vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid. Ten slotte leidt het opleggen van het onderzoek er in veel gevallen toe dat het rijbewijs uiteindelijk ongeldig wordt verklaard. Hierdoor weegt het opleggen van het rijbewijs te zwaar in verhouding tot de gevolgen voor eiseres.\n\n6.2.. Het CBR heeft gesteld dat uit de mededeling van de politie blijkt dat eiseres geen adequaat rijgedrag heeft vertoond. De situatie ter plaatse was duidelijk. Dat de situatie voorheen anders was, rechtvaardigt haar rijgedrag niet. Het CBR was ertoe gehouden om een onderzoek op te leggen, het feit dat dit vaak leidt tot ongeldigverklaring doet daar niet aan af.\n\n6.3.. Als bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden voor van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.\n\nEen vermoeden wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden als genoemd in de bijlage bij de Regeling.In de bijlage bij de Regeling is opgenomen dat een vermoeden bestaat dat betrokkene niet langer beschikt over de rijvaardigheid voor het besturen van een motorrijtuig, als de betrokkene niet adequaat kijkgedrag hanteert, bestaande uit het hanteren van een verkeerde kijktechniek en slecht kijkgedrag al dan niet met gebruikmaking van spiegels waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige verkeer wordt gelet dan wel manifesterend door slecht kijkgedrag in het algemeenof indien sprake is van gebrekkige rijvaardigheid die blijkt uit de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden.\n\nAls een schriftelijke mededeling van het vermoeden is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de rijvaardigheid.Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid in geval van feiten en omstandigheden als genoemd in de bijlage, onder A, onderdeel II van de Regeling.\n\n6.4.. De rechtbank is van oordeel dat het CBR terecht het vermoeden had dat eiseres niet langer beschikte over de vereiste rijvaardigheid. Eiseres reed vanaf de parkeerplaats de weg op. Bij de uitrit stonden drie borden die de verplichte rijrichting aangaven. Deze borden heeft zij niet opgemerkt en zij is de weg opgereden tegen de rijrichting in. Vervolgens is zij, zonder het te merken, tegen de rijrichting in blijven rijden totdat zij staande is gehouden door de politie. Hierna bleek de verplichte rijrichting alsnog niet helder te zijn voor eiseres, terwijl de rijbanen voor haar rijrichting zich rechts van haar, aan de overzijde van de middenberm bevonden. Dit wijst op het feit dat eiseres een verkeerde kijktechniek hanteert. Het feit dat zij de borden mogelijk nog niet kon zien op het moment dat ze nog evenwijdig aan de Markiezaatsweg op de parkeerplaats reed, doet daar niet aan af. Zij had de borden moeten, en kunnen, zien voordat zij de parkeerplaats afreed. Daarnaast is het niet vereist dat eiseres de verkeersovertreding bewust heeft begaan. Het vermoeden wordt namelijk niet enkel afgeleid uit het feit dat zij tegen de rijrichting heeft ingereden, maar ook uit het feit dat zij een verkeerde kijktechniek hanteert.6.5.. Nu het CBR uit de mededeling een vermoeden van het ontbreken van rijvaardigheid mocht afleiden, diende zij een onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen. Ook als het opleggen van het onderzoek in veel gevallen leidt tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, betekent dat niet dat het opleggen van het onderzoek onevenredig is. Dit betreft namelijk geen bijzondere omstandigheid die niet of niet ten volle is verdisconteerd in de afweging van de wetgever.\n\nSchorsen rijbewijs\n\n7.1.. Eiseres heeft betoogd dat haar rijbewijs ten onrechte is geschorst. De politie zag op het moment van staandehouding geen aanleiding om haar rijbewijs in te vorderen. Dit komt omdat eiseres geen gevaar vormt. Zij heeft namelijk niemand in gevaar gebracht met het rijden tegen de rijrichting in.\n\n7.2.. Het CBR heeft gesteld dat zij gezien het belang van de verkeersveiligheid gehouden was om het rijbewijs te schorsen. Om het rijbewijs te schorsen, is niet vereist dat een gevaar zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Eiseres heeft tegen de rijrichting in gereden en heeft daardoor gevaarzettend gehandeld. Spookrijden kan namelijk zeer gevaarlijke situaties veroorzaken.\n\n7.3.. Bij het besluit tot het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid wordt de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene geschorst, als de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder aan het verkeer deel te nemen.Op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van de Regeling is daarvan sprake in het geval dat de betrokkene met een motorrijtuig tegen de rijrichting heeft ingereden (spookrijden). In dat geval schorst het CBR de geldigheid van het rijbewijs, tenzij een educatieve maatregel wordt opgelegd of het CBR afziet van het opleggen van een onderzoek.\n\n7.4.. De rechtbank is van oordeel dat het CBR terecht het rijbewijs heeft geschorst. Gelet op bovenstaande regelgeving diende het CBR het rijbewijs de schorsen, omdat eiseres tegen de rijrichting heeft ingereden. Het CBR heeft voldoende gemotiveerd waarom eiseres hierdoor gevaarzettend heeft gehandeld en waarom het van belang is dat haar bevoegdheid wordt ontnomen om langer als bestuurder aan het verkeer deel te nemen. Het enkele feit dat de politie het rijbewijs niet heeft ingevorderd, doet niet af aan het feit dat eiseres de veiligheid op de weg in gevaar kan brengen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het CBR terecht een onderzoek naar de rijvaardigheid heeft opgelegd en het rijbewijs van eiseres heeft geschorst. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 12 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWegenverkeerswet 1994 (WVW)\n\nArtikel 130, eerste lid, van de WVW\n\nIndien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.\n\nArtikel 131 van de WVW\n\n1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:\n\nb. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.\n\nHet besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.\n\n2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:\n\na. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;\n\nArtikel 133, eerste lid, van de WVW\n\nIn de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.\n\nRegeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (Regeling)\n\nArtikel 2, eerste lid, van de Regeling\n\nEen vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.\n\nArtikel 3, eerste lid, van de Regeling\n\nFeiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen blijken uit:\n\na. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie;\n\nb. gegevens afkomstig van de officier van justitie, of\n\nc. door de politie nagetrokken gegevens uit andere bron.\n\nArtikel 5, aanhef en onder d, van de Regeling\n\nEen vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen: betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden).\n\nArtikel 6 van de Regeling\n\nIn de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.\n\nArtikel 23, derde lid, onder a, van de WVW\n\nHet CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid: in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder A, onderdelen I, Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig, of II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer.\n\n Artikel 130, eerste lid, van de WVW.\n\n Artikel 2, eerste lid, van de Regeling.\n\n Artikel A, onder II, onder II.1, onder f, van de bijlage bij de Regeling.\n\n Artikel A, onder II, onder II.2, onder a, van de bijlage bij de Regeling.\n\n Artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW.\n\n Artikel 23, derde lid, onder a, van de Regeling.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.\n\n Artikel 130, derde lid, in samenhang met artikel 131, tweede lid, onder a, van de WVW.\n\n Artikel 6 van de Regeling.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:8498","2026-07-13T00:28:37.033Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":43,"courtId":82,"decisionDate":83,"fullText":84,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":50,"updatedAt":86},"541","ECLI:NL:RBAMS:2024:7167","ecli-nl-rbams-2024-7167",56,"2024-11-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 24\u002F170\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [plaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering),\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder\n\n(gemachtigde: W.L.J. van de Griendt).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om zijn private schulden over te nemen.\n\n1.1.. De Sociale Banken Nederland (SBN) heeft deze aanvraag namens verweerder met een besluit van 26 januari 2023 (het primaire besluit) afgewezen op grond van het Besluit betalen private schulden (het Besluit). Met een besluit van 28 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 28 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen zijn beroep op de hardheidsclausule nader te onderbouwen en de door hem gestelde bijzondere omstandigheden en schrijnende situatie goed te schetsen, zoveel als mogelijk onderbouwd met stukken.\n\n1.5.. Eiser heeft bij brief van 14 mei 2024 zijn huidige situatie en zijn situatie ten tijde van het bestreden besluit toegelicht, als ook hoe deze situatie is ontstaan. De rechtbank heeft verweerder vervolgens in de gelegenheid gesteld op deze brief te reageren en tevens te reageren op het ter zitting gedane beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel.\n\n1.6.. Bij brief van 19 juni 2024 heeft verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hierop een nadere reactie te geven.\n\n1.7.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n2.1.. Eiser is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft een lening afgesloten bij familieleden voor een initiële hoofdsom van € 100.000,-. Daarbij zijn de woningen van eiser aan de [adres 1] [huisnummer 1] en de [adres 2] [huisnummer 2] te [woonplaats] als onderpand gebruikt. De schuldeiser [naam schuldeisers] heeft een pandrecht en een hypotheekrecht op deze woningen gevestigd.2.2.. Eiser heeft zich middels een formulier en daarbij gevoegde schuldenlijst op 15 september 2022 aangemeld om in aanmerking te komen voor overname van zijn private geldschulden door de SBN. Eiser heeft daarbij onder meer opgegeven dat hij op zijn schuld bij [naam schuldeisers] een opeisbare betalingsachterstand heeft van € 94.954,36.\n\n2.3.. De SBN heeft het verzoek namens de Dienst Toeslagen met het primaire besluit afgewezen op grond van het Besluit. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de schulden van eiser van € 111.899,84 en € 3.319,22 bij GGN Incasso overgenomen. Ten aanzien van eisers schuld bij [naam schuldeisers] is verweerder bij de afwijzing gebleven. Verweerder geeft hiervoor als reden dat op grond van artikel 4.1, vierde lid en onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) een hypothecaire schuld niet kan worden overgenomen, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op een verhypothekeerde zaak. Niet is gebleken dat eiser de woningen heeft verkocht, er is namelijk enkel beslag gelegd op de huurinkomsten. De schuld valt daarom buiten de reikwijdte van de Wht.Beoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd om eisers schuld bij [naam schuldeisers] over te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWettelijk kader\n\n5. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op grond van de Wht. Per 2 november 2022 is het Besluit verankerd in afdeling 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen. Deze afdeling heeft terugwerkende kracht tot en met 29 oktober 2021. Besluiten vanaf dan over het al dan niet overnemen van private schulden in het kader van de hersteloperatie toeslagen, worden aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 4.1 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak toetst aan de bepalingen van de Wht. De vereisten die de Wht stelt voor het overnemen en het betalen van private schulden zijn dezelfde vereisten die het Besluit stelde.\n\nBeroep op het evenredigheidsbeginsel\n\n6. Op de zitting is besproken dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers schuld bij [naam schuldeisers] een schuld betreft die is ontstaan na 31 december 2005 en vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Evenmin is in geschil dat eiser deze schuld op het tijdstip van de aanvraag nog niet had voldaan.Verweerder heeft eisers verzoek tot overname van deze private schuld afgewezen, omdat deze schuld de resterende hoofdsom betreft van een hypothecaire lening en geen sprake is van een restschuld na verkoop of verhaal op de verhypothekeerde zaak.Alleen in een dergelijk geval komt een hypothecaire schuld voor overname in aanmerking.\n\n7. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser zich op het standpunt gesteld dat de harde eis in Wht-zaken met betrekking tot de hypothecaire lening niet evenredig is. De regelgeving pakt (in dit geval) hard uit, nu de schuld al vóór 2009 is opgebouwd. De hypotheek is op de panden gevestigd en er is beslag gelegd, waardoor eiser ook heeft geprobeerd aan zijn verplichtingen te voldoen.\n\n8. Vervolgens is op de zitting besproken of met de hypotheek zoals deze op de panden van eiser gevestigd is, sprake is van een hypotheekschuld zoals de wetgever die in de Wht van overname heeft willen uitzonderen. In dit geval is immers geen sprake van een traditionele hypotheekschuld, waarbij geld is geleend bij een bank ter financiering van een woning. Maar van een hypotheek die als zekerheid is gesteld voor een reeds bestaande lening.\n\n9. Verweerder heeft zich in zijn reactie van 19 juni 2024 op het standpunt gesteld dat de cumulatieve voorwaarden voor de overname van private schulden in de Wht dwingend geformuleerd zijn. Volgens verweerder staat het toetsingsverbod uit artikel 120 van de Grondwet er dan ook aan in de weg dat de bestuursrechter deze bepaling toetst aan het evenredigheidsbeginsel, of andere algemene rechtsbeginselen of ongeschreven recht. Uit de rechtspraakvolgt dat er aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere\n\nomstandigheden, die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van\n\nde wetgever. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of ander (ongeschreven) recht, dat die toepassing achterwege moet blijven. In dit geval kan de lening niet anders worden gekwalificeerd dan als een hypothecaire schuld; er is immers sprake van een lening en een vestiging van een pand- en hypotheekrecht op de woningen van eiser. Uit de Memorie van Toelichting van de Wht volgt volgens verweerder dat de wetgever uitvoerig heeft stilgestaan bij het recht van een hypotheek. Dat de lening niet is aangegaan ten behoeve van de koop van een registergoed maakt dat volgens verweerder niet anders, aangezien het doel waarmee de lening is aangegaan er niet toe doet.\n\n10. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. Weliswaar is duidelijk dat de schuld waarvan eiser overname verzocht heeft, een hypothecaire schuld betreft. Naar het oordeel van de rechtbank volgt, anders dan de door verweerder aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden Nederland, uit de totstandkomingsgeschiedenis echter niet dat de wetgever een situatie als die van eiser heeft voorzien noch heeft beoogd ook deze situatie te regelen. In de Memorie van Toelichting is ten aanzien van artikel 4.1, vierde lid, van de Wht namelijk enkel opgenomen dat daarin is bepaald welke geldschulden en kosten niet worden overgenomen en dat enkel de geldschuld genoemd onder c van dit artikel een toelichting behoeft.Voor zover verweerder heeft willen verwijzen naar de algemene toelichting op de geldschulden die onder de Wht worden overgenomen,volgt daaruit evenmin dat de wetgever rekening heeft gehouden met een hypothecaire schuld zoals in deze zaak aan de orde is. In de kamerstukken is slechts de navolgende passage terug te vinden:\n\n“Bij hypothecaire leningen kan het voorkomen dat na meerdere niet betaalde maandelijkse termijnen de hoofdsom van de lening opeisbaar wordt. In die situatie wordt onderscheid gemaakt tussen de opeisbare achterstallige betalingen enerzijds en de hoofdsom anderzijds. De opeisbare achterstallige betalingen worden overgenomen, maar de opeisbare hoofdsom niet. De gedupeerde ouder blijft dus in principe schuldenaar van de resterende hoofdsom van de hypothecaire lening. De gedupeerde ouder of zijn toeslagpartner kan het maandelijkse rente- en aflossingsbedrag weer gaan betalen en zo de hypotheek verder aflossen. Een uitzondering hierop is als het gaat om een restschuld na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak. In deze gevallen wordt ook de hoofdsom vergoed.\n\n11. Hieruit volgt dat de onderhavige situatie, namelijk dat de hypotheekschuld die nietis aangegaan voor de aanschaf van een onroerend goed, in de wetsgeschiedenis niet expliciet is besproken en is meegenomen in de overwegingen van de wetgever. De rechtbank gaat er vanuit dat de wetgever bij het uitsluiten van de hypothecaire lening uitsluitend het oog had op de hypothecaire lening ten behoeve van de aanschaf van een woning en niet het vestigen van een hypotheekrecht op een al bestaande lening die was aangegaan voor een andere bestemming. In deze casus is aldus sprake van bijzondere omstandigheden, die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Er is ruimte voor een evenredigheidstoets.\n\n12. Alvorens daar nader op in te gaan merkt de rechtbank op dat uit de toelichting wel blijkt dat de uitsluitingsgrond hypothecaire schuld in ieder geval niet ziet op opeisbare achterstallige betalingen in het kader van een hypothecaire lening. Deze dienen ook bij een hypothecaire lening te worden overgenomen. De rechtbank stelt vast dat eiser daar niets over heeft gesteld. Alhoewel het hier een beslissing op aanvraag betreft is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het kader van het meer responsieve bestuursrecht en de vergewisplicht van artikel 3:2 Awbhier bij eiser navraag naar had moeten doen. Dit klemt te meer nu verweerder zelf de veroorzaker is van de situatie waarin eiser terecht is gekomen.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van dusdanig bijzondere omstandigheden dat toepassing van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht in dit geval buiten toepassing moet blijven. De onderhavige situatie sluit meer aan bij de situatie waarbij een private geldlening is vastgelegd via een notariële akte in de vorm van een hypotheekakte, waardoor in feite sprake is van de situatie van artikel 4.1, derde lid, onder a, van de Wht. Gezien de eigen rol van verweerder bij het ontstaan van de financiële problemen van gedupeerden en het doel van de herstelwetgeving toeslagenaffaire -zoveel mogelijk kansen bieden op een nieuwe start voor gedupeerden- dient bij de uitleg van onduidelijkheden in de wetgeving en\u002Fof toepassing van het evenredigheidsbeginsel uit te worden gegaan van zoveel mogelijk bescherming van gedupeerden.\n\n14. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat verweerder de schuld bij [naam schuldeisers] dient over te nemen nu het hier een middels notariële actie vastgelegde schuld betreft. De rechtbank merkt daarbij op dat de opeisbaarheid van deze schuld niet is betwist. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien.\n\nBeroep op de hardheidsclausule\n\n12. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank niet toe aan een oordeel over het beroep op de hardheidsclausule.\n\nVerzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn\n\n13. Eiser verzoekt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, gerekend vanaf de termijn van ontvangst van het bezwaarschrift op 2 februari 2023 tot aan deze uitspraak.\n\n14. Volgens vaste rechtspraakmag in procedures als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepsprocedure, de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank hoogstens anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd, tenzij er omstandigheden zijn die een langere behandelduur rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank moet beoordelen op welke manier de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan of, als de overschrijding van de termijn heeft plaatsgevonden in beroep, ten laste van de Staat der Nederlanden (de Staat).\n\n15. De vraag of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, moet worden beantwoord in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.\n\n16. In dit geval heeft eiser op 2 februari 2023 een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op 28 november 2023. De bezwaarfase heeft daarmee bijna 10 maanden geduurd. De rechtbank doet op 25 november 2024 uitspraak in deze zaak. Dit betekent dat de bezwaar- en beroepsprocedure in totaal één jaar en bijna tien maanden heeft geduurd. Daarmee is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Eiser komt dan ook niet voor immateriële schadevergoeding in aanmerking.Conclusie en gevolgen\n\n17. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de schuld aan [naam schuldeisers] dient te worden overgenomen omdat deze schuld gelijk is te stellen aan een schuld die is vastgelegd middels een notariële akte.\n\n18. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij bepaalt dat eisers schuld bij [naam schuldeisers] wel voor overname in aanmerking komt.\n\n19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.\n\n20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.998,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- herroept het primaire besluit voor zover daarbij is beslist dat de schuld bij [naam schuldeisers] niet voor overname in aanmerking komt omdat sprake is van een hypothecaire lening, bepaalt dat deze schuld wel voor overname in aanmerking komt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.998,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Galjee-Melehi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zoals bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.\n\n Zie artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht.\n\n De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van\n\n Verweerder verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:6687.\n\n TK, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 130.\n\n Idem, zie p. 44-45.\n\n Idem, p. 45.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:925.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:369.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7167","2026-07-13T00:28:35.881Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":43,"courtId":91,"decisionDate":92,"fullText":93,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":50,"updatedAt":96},"1835","ECLI:NL:RBDHA:2024:17372","ecli-nl-rbdha-2024-17372",58,"2024-11-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F8627\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 november 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. C.L. Mens),\n\nen\n\nde Dienst Toeslagen, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. I. Kayhan en mr. W.E. Louwerse).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende compensatie voor het jaar 2007 en de weigering van verweerder om compensatie toe te kennen voor de jaren 2010 en 2015.\n\n1.1.. \n\nVerweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 3 augustus 2022 het verzoek om compensatie toegewezen voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017 en afgewezen voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015. In het besluit van\n\n29 september 2022 is het compensatiebedrag herzien en in het bestreden besluit van\n\n22 november 2023 is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiseres ten aanzien van de jaren 2007 en 2011.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres heeft zich op 6 januari 2021 bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2015 tot en met 2017. Na overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het verzoek uitgebreid naar de jaren 2006 tot en met 2017.\n\n3. Verweerder heeft onderzocht of eiseres in aanmerking komt voor compensatie en geconcludeerd dat eiseres recht heeft op compensatie voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017. Voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015 komt eiseres niet in aanmerking voor toepassing van de compensatieregeling of de hardheidscompensatie.\n\n4. Verweerder heeft advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen (CvW). De CvW heeft in haar advies van 18 juli 2022 bevestigd dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015.\n\n5. Bij besluit van 3 augustus 2022 heeft verweerder de compensatie voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017 definitief vastgesteld op een bedrag van\n\n€ 141.397.\n\n6. Bij afzonderlijke besluiten van 3 augustus 2022 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de CvW, het verzoek van eiseres om compensatie voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015 afgewezen.\n\n7. Bij besluit van 29 september 2022 heeft verweerder het compensatiebedrag voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017 herzien en verhoogd tot een bedrag van € 162.949. Het herziene compensatiebedrag bestaat uit € 32.152 aan door eiseres terugbetaalde kinderopvangtoeslag, € 41.933 aan materiële schade, € 4.481 aan door eiseres betaalde rente en kosten, € 13.662 voor de juridische kosten, € 15.500 aan immateriële schade en € 53.607 aan rente over de gemiste kinderopvangtoeslag. Ook heeft eiseres een aanvullende vergoeding van 1% van het totaalbedrag ontvangen van € 1.614.\n\n8. In het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC), gegrond verklaard voor wat betreft\n\nde jaren 2007 en 2011 en voor het overige zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Het compensatiebedrag is daarbij verhoogd tot een bedrag van € 176.027 en eiseres heeft een nabetaling ontvangen van € 13.078.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n9. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de rentevergoeding voor het jaar 2007 en vindt dat zij ook voor de jaren 2010 en 2015 in aanmerking dient te komen voor compensatie. Met betrekking tot het jaar 2010 voert eiseres primair aan dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld, omdat zij destijds onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om aan te tonen dat zij voor het hele jaar recht had op kinderopvangtoeslag. Subsidiair voert eiseres aan dat de hardheidsregeling van toepassing is, omdat de neerwaartse correctie gebaseerd is op een formele tekortkoming die vanwege het verstrijken van de herzieningstermijn niet meer kan worden hersteld. Met betrekking tot het jaar 2015 voert eiseres aan dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld, omdat het voorschot kinderopvangtoeslag te laat is vastgesteld. Eiseres stelt daarnaast dat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\nWat vindt verweerder in beroep?\n\n10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding voor het jaar 2007 juist is berekend. Eiseres heeft geen recht op compensatie voor de jaren 2010 en 2015, omdat niet is gebleken dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld dan wel dat sprake is geweest van hardheid van het wettelijk stelsel. Van schending van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel is volgens verweerder geen sprake.\n\nWat is het toetsingskader?\n\n11. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie (Wht) volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór\n\n23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.\n\n12. In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Whtworden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken;\n\n(5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.\n\n13. Uit de memorie van toelichting bij de Wht blijkt dat sprake is van hardheid van het stelsel als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:\n\n- een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende;\n\n- een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of\n\n- een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan – tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van verweerder de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.\n\nEr is op zichzelf geen sprake van een bijzondere omstandigheid als:\n\n- de belanghebbende te kwader trouw is;\n\n- de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar;\n\n- de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend.\n\nVerder blijkt uit de toelichting dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, in het algemeen niet zullen leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling.\n\nHet advies van de CvW\n\n14. Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek om compensatie voor de jaren 2010 en 2015 gebaseerd op het advies van de CvW. Het advies van de CvW is een deskundigenadvies als bedoeld in artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechtermag een bestuursorgaan afgaan op een door een deskundige uitgebracht advies, nadat het bestuursorgaan is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur om een reactie op wat de belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.\n\n15. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om het advies van de CvW onjuist te achten. Naar het oordeel van de rechtbank is het advies op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, inzichtelijk gemotiveerd en navolgbaar. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd, geen concrete aanknopingspunten die twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop, rechtvaardigen. Verweerder heeft het oordeel van de CvW dan ook bij zijn besluitvorming mogen betrekken.\n\nHet jaar 2007\n\n16. Uit de herziene berekening van het compensatiebedrag volgt dat component B in het voordeel van eiseres is gewijzigd van € 362 naar € 155. Het gevolg van die wijziging is een verschil van € 207 ten opzichte van het eerder vastgestelde bedrag van € 5.254 onder component E. Eiseres heeft daarom een nabetaling van verweerder ontvangen van € 207. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat verweerder de rentevergoeding over de nabetaling van € 207 heeft berekend tot aan de datum van het bestreden besluit, met als gevolg dat de eerder aan eiseres toegekende rentevergoeding over de gemiste kinderopvangtoeslag is verhoogd van € 3.024 naar € 3.142. Eiseres heeft daarom een nadere rentevergoeding ontvangen van € 118. Eiseres stelt echter dat verweerder de nadere rentevergoeding had moeten berekenen over het nieuw vastgestelde bedrag van € 5.461 als vermeld onder component E en dus niet over de nabetaling van € 207. Verweerder is het daar niet mee eens, omdat eiseres over het eerdere bedrag van € 5.254 al een rentevergoeding heeft ontvangen van € 3.024.\n\n17. Uit artikel 2.2, onderdeel g, in samenhang met artikel 2.3, zevende lid, van de Wht, volgt dat een rentevergoeding alleen verschuldigd is over uit te betalen bedragen. De rentevergoeding is namelijk bedoeld om de schade van een te late betaling van misgelopen kinderopvangtoeslag te vergoeden. Vaststaat dat eiseres over het bedrag van € 5.254 al een rentevergoeding heeft ontvangen van € 3.024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de nadere rentevergoeding van € 118 dan ook terecht berekend over de nabetaling van € 207. De rechtbank ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat verweerder de rentevergoeding op onjuiste wijze heeft berekend.\n\n18. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende toegelicht waarom hij in zoverre is afgeweken van het advies van de BAC. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit in zoverre dan ook voldoende gemotiveerd.\n\nHet jaar 2010\n\n19. Met dagtekening 5 december 2009 is aan eiseres voor het jaar 2010 een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend van € 21.798. Hierop wordt het voorschot twee keer herzien, laatstelijk met dagtekening 2 juni 2010 tot € 6.513. Om te kunnen vaststellen op welk bedrag eiseres daadwerkelijk recht had, heeft verweerder eiseres na afloop van het jaar 2010 een antwoordformulier gestuurd en verzocht om een overzicht te verstrekken van de daadwerkelijk afgenomen opvanguren en gemaakte kinderopvangkosten over het jaar 2010.\n\nVerweerder heeft met dagtekening 30 november 2011 van eiseres het antwoordformulier en een jaaropgave van kinderopvang [bedrijf] ontvangen. Uit die jaaropgave volgt dat de beide kinderen van eiseres in de periode tot en met 29 september 2010 naar de opvang zijn geweest. Bij brief van 4 maart 2013 heeft verweerder eiseres om aanvullende informatie gevraagd en op 12 juni 2013 heeft verweerder een herinnering verstuurd. Uit het dossier blijkt niet dat eiseres op die brieven heeft gereageerd. De kinderopvangtoeslag is vervolgens, conform de ingestuurde jaaropgave, op 13 november 2013 definitief vastgesteld op een bedrag van € 3.936, waardoor eiseres een bedrag van € 2.577 moest terugbetalen. Eiseres is daartegen niet tijdig in bezwaar gegaan, met als gevolg dat het bezwaar op\n\n21 januari 2014 niet-ontvankelijk is verklaard. In die bezwaarprocedure heeft eiseres overigens geen nieuwe stukken ingediend. Wel heeft zij opnieuw de eerder ingestuurde jaaropgave van kinderopvang [bedrijf] overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze gang van zaken niet dat voor het jaar 2010 is voldaan aan (één van) de in overweging 12 genoemde kenmerken die duiden op institutioneel vooringenomen handelen door verweerder. Uit het voorgaande volgt bovendien dat verweerder wel degelijk nadere informatie heeft uitgevraagd bij eiseres en dat eiseres ten minste tweemaal in de gelegenheid is gesteld om haar recht op kinderopvangtoeslag aan te tonen. Onder die omstandigheden ligt het in de rede dat verweerder uitgaat van de juistheid van de jaaropgave die hem is verstrekt. Dat het voor eiseres niet duidelijk was welke informatie zij nog diende te overleggen, is geen omstandigheid die duidt op vooringenomen handelen van verweerder als bedoeld in overweging 12. Daar komt bij dat eiseres in het bezwaarschrift van\n\n17 december 2013 heeft aangegeven niet over andere gegevens te beschikken, zodat verweerder ook toen geen reden had om aan de volledigheid van de aangeleverde informatie te twijfelen.\n\n20. Voor zover eiseres stelt dat uit de door haar in bezwaar overgelegde stukkenvolgt dat haar kinderen wel degelijk gedurende het hele jaar naar de opvang zijn geweest en dat de definitieve vaststelling van 13 november 2013 dus niet juist is, leidt dat niet tot een ander oordeel. Verweerder is immers pas in de huidige bezwaarprocedure bekend geraakt met die stukken, zodat niet de conclusie kan worden getrokken dat verweerder ten aanzien van eiseres in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag vooringenomen heeft gehandeld. Daar komt bij dat eiseres in deze procedure de rechtmatigheid van het besluit van 13 november 2013 niet aan de bestuursrechter kan voorleggen, omdat die beschikking in rechte vaststaat en formele rechtskracht heeft gekregen. Tegen die beschikking heeft immers een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang opengestaan.\n\n21. Subsidiair voert eiseres aan dat sprake is geweest van hardheid van het wettelijk stelsel. Volgens eiseres is de neerwaartse correctie van € 2.577 het gevolg van een formele tekortkoming die niet meer kan worden hersteld, omdat de herzieningstermijn is verstreken. Zoals volgt uit overweging 19, is de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2010 op basis van de door eiseres ingestuurde jaaropgave verlaagd tot een bedrag van € 2.577. De kinderopvangtoeslag is dus niet op nihil gesteld of in zijn geheel teruggevorderd. Dit betekent dat geen sprake kan zijn van hardheid van het wettelijk stelsel als vermeld in overweging 13.\n\nHet jaar 2015\n\n22. Volgens eiseres heeft verweerder ook voor het jaar 2015 vooringenomen gehandeld. Eiseres wijst in dit verband op de onterechte stopzetting van de kinderopvangtoeslag 2014die volgens haar een causaal verband heeft met de te late toekenning van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015. De onterechte stopzetting van de kinderopvangtoeslag 2014 heeft namelijk geleid tot het niet automatisch toekennen van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015, met als gevolg dat eiseres op 4 januari 2015 een aanvraag kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015 heeft moeten indienen. Op die aanvraag is pas op 21 april 2015 beslist, waardoor er betaalachterstanden zijn ontstaan bij de kinderopvang.\n\n23. De rechtbank stelt vast dat voor dit jaar geen nihil-stellingen, stopzettingen of onterechte terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag hebben plaatsgevonden. De rechtbank leidt uit de stukken van het geding af dat verweerder aanvullende informatie nodig had om de aanvraag kinderopvangtoeslag van eiseres te kunnen beoordelen. Om die reden is eiseres bij brief van 25 februari 2015 om aanvullende stukken gevraagd. Eiseres heeft die stukken overgelegd, waarna verweerder op 21 april 2015 het voorschot kinderopvangtoeslag heeft vastgesteld op een bedrag van € 30.359. Weliswaar volgt uit artikel 16 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen dat verweerder de wettelijke beslistermijn heeft overschreden, maar dat maakt niet dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld als bedoeld in overweging 12. De rechtbank heeft ook overigens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de te late toekenning van het voorschot kinderopvangtoeslag verband houdt met een vooringenomen handeling van verweerder in de periode vóór 23 oktober 2019. Verder ziet de rechtbank in het dossier geen aanwijzing dat het door verweerder uitgeoefende toezicht over dit jaar verder ging dan regulier toezicht. Als eiseres door de te late toekenning van het voorschot kinderopvangtoeslag schade heeft geleden, kan zij zich wenden tot de Commissie Werkelijke Schade met een verzoek om vergoeding van de werkelijk geleden schade.\n\nAlgemene beginselen van behoorlijk bestuur\n\n24. Eiseres heeft op de zitting nog een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Zoals volgt uit het voorgaande, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder over de jaren 2010 en 2015 vooringenomen heeft gehandeld en evenmin voor het oordeel dat het handelen van verweerder een gevolg is van de hardheid van het wettelijk stelsel. Verweerder heeft het verzoek om compensatie voor de jaren 2010 en 2015 dan ook terecht afgewezen. Eiseres heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat het niet toekennen van de compensatie in het voorliggende geval onredelijk bezwarend is. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet. Evenmin is gebleken van schending van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n25. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, in navolging van het advies van de CvW, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de compensatie voor het jaar 2007 juist is vastgesteld en dat eiseres voor de jaren 2010 en 2015 niet als gedupeerde kan worden aangemerkt en dus geen recht heeft op compensatie. Het beroep is daarom ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op\n\n1 november 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p.72.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 70 en 71.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, nr. 3 blz 71.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3 blz. 72.\n\n Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van\n\n 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3760.\n\n Eiseres heeft een ongedateerd stuk van kinderopvang Klavertje Vier en een verklaring van\n\n kinderopvang Het Tuinhuis van 19 september 2022 overgelegd. Zie de producties 5 en 8 bij het\n\n bezwaarschrift van 29 september 2022.\n\n Vaststaat dat eiseres voor het jaar 2014 is gecompenseerd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:17372","2024-10-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.143Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":43,"courtId":63,"decisionDate":101,"fullText":102,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":50,"updatedAt":105},"504","ECLI:NL:RBNHO:2024:12421","ecli-nl-rbnho-2024-12421","2024-10-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 24\u002F186\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2024 in de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigde: H.A.J. van der Lee),\n\nen\n\nde directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster\n\n(gemachtigde: drs. I. Metaal).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\nOp 18 oktober 2023 heeft verzoeker verweerster verzocht om door hem geleden schade te vergoeden.\n\nBij besluit van 13 november 2023 heeft verweerster dit verzoek afgewezen.\n\nVerzoeker heeft de rechtbank op 11 januari 2024 verzocht verweerster te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade. Verweerster heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het verzoek op 18 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerster.\n\nNa afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nGronden van de beslissing\n\n1. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit, als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Verzoeker betoogt dat het besluit van 15 november 2018, waarbij verweerster zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard, onrechtmatig is. De rechtbank stelt echter vast dat de kosten waarvoor verzoeker een schadevergoeding verzoekt, kosten betreffen in verband met een geschiktheidsonderzoek dat voorafgaand aan dat besluit heeft plaatsgevonden. Die kosten zijn dus geen gevolg van het besluit van 15 november 2018, maar van het besluit van verweerster van 7 mei 2018 tot oplegging van een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Tegen het besluit van 7 mei 2018 is geen bezwaar gemaakt en ter zitting heeft verzoeker erkend dat de oplegging van het onderzoek rechtmatig is.\n\n2. Voor zover verzoeker zich op het standpunt stelt dat de kosten voortvloeien uit een handeling ter voorbereiding op het besluit van 15 november 2018 en dus uit een onrechtmatige voorbereidingshandeling, zoals bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, volgt de rechtbank dat standpunt ook niet. Het besluit van 15 november 2018 is door de rechtbank bij uitspraak van 3 april 2019 rechtmatig geacht en is door het niet instellen van hoger beroep in rechte komen vast te staan. Dat nog daargelaten, is de rechtbank van oordeel dat, indien het onderzoek naar de rijgeschiktheid al als voorbereidingshandeling kan worden aangemerkt, dit geen onrechtmatige voorbereidingshandeling is. Het onderzoek vloeide namelijk voort uit het rechtmatige opleggingsbesluit van 7 mei 2018. Dat het rijbewijs van verzoeker op 20 juli 2018 van rechtswege ongeldig was geworden door het onherroepelijk worden van zijn veroordeling door de politierechter, maakt het daarna uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek niet toch onrechtmatig. Ondanks de ongeldigheidsverklaring van rechtswege, bestond er nog steeds belang bij dat onderzoek, vanwege de verkeersveiligheid. Er bestond immers een vermoeden van rijongeschiktheid. Met het oog op een nieuwe aanvraag van een rijbewijs was het van belang om door middel van onderzoek daarover uitsluitsel te krijgen. Een voor de betrokkene negatieve onderzoeksuitslag wordt in het rijbewijzenregister verwerkt, zodat wordt voorkomen dat hij bij een nieuwe aanvraag zonder meer rijgeschikt wordt geacht. Daar komt bij dat met het onderzoek inzicht kan worden verkregen in het begin van de recidiefvrije periode die, zoals bij verzoeker, bij alcoholmisbruik moet zijn verstreken om weer rijgeschikt geacht te kunnen worden.\n\n3. Nu er geen schade als gevolg van een onrechtmatig besluit of een onrechtmatige voorbereidingshandeling is, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een schadevergoeding.\n\nSlotopmerkingen\n\n4. Omdat de rechtbank het verzoek heeft afgewezen, hoeft verweerster aan verzoeker geen schadevergoeding of vergoeding van het griffierecht of van proceskosten te betalen.\n\n5. Partijen zijn bij de mondelinge uitspraak gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2024 door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:12421","2024-12-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.849Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":43,"courtId":110,"decisionDate":111,"fullText":112,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":50,"updatedAt":115},"1604","ECLI:NL:RBROT:2024:9837","ecli-nl-rbrot-2024-9837",61,"2024-10-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 23\u002F2712\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [plaats] , eiser,\n\ngemachtigde: mr. A. Bakker,\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] ,\n\ngemachtigde: mr. R.P.M.M. Mols.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van 8 maart 2023.\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] in [plaats] (de woning) per 1 januari 2021 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 339.000,- (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [plaats] voor het jaar 2022 opgelegd (de aanslag).\n\n1.2.. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de WOZ-waarde gehandhaafd.\n\n1.3.. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Eiser heeft nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2024 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Namens de heffingsambtenaar is ook [taxateur] verschenen.\n\nFeiten\n\n2. Eiser is eigenaar van de woning, een twee-onder-één-kapwoning uit het jaar 1981. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 131 m² en een perceeloppervlakte van 250 m². De woning heeft een garage.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de waarde van de woning per 1 januari 2021 niet te hoog heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nHeeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld?\n\n4. Eiser betoogt dat de waarde van de woning ten hoogste € 268.000,- bedraagt. De heffingsambtenaar heeft slechts in algemene bewoordingen aangegeven dat met eventuele verschillen tussen de woning en niet met name genoemde vergelijkingsobjecten rekening zou zijn gehouden. Eiser bestrijdt dat de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Eiser bestrijdt bij gebrek aan wetenschap dat de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten juist zijn. De heffingsambtenaar heeft niet duidelijk aangegeven welk deel van het perceel onder de vrijstelling voor waterverdedigingswerken valt. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met de slechte ligging van de woning nabij een bedrijventerrein en een gebied met kassen. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser een WOZ-deskundigenrapport van 19 juli 2024 en overzichten van ‘De Juiste Waarde B.V.’ overgelegd. Ook heeft eiser informatie van Vastgoedpro (prijsontwikkeling woningen) overgelegd. De heffingsambtenaar heeft volgens eiser geen rekening gehouden met het achterstallig onderhoud en de minder goede voorzieningen van de woning.\n\n5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’.De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Uit het door verweerder overgelegde taxatierapport blijkt dat de waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De vergelijkingsobjecten ( [vergelijkingsobject 1] , [vergelijkingsobject 2] , [vergelijkingsobject 3] , [vergelijkingsobject 4] en [vergelijkingsobject 5] ) zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type en gebruiksoppervlakte voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten is hoger dan de vierkantemeterprijs van de woning.\n\n7. Wat eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Met de matrix heeft de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten zijn verdisconteerd. In de matrix heeft de heffingsambtenaar de waarde van de objectonderdelen vermeld. Het besluit is terzake voldoende gemotiveerd. Eiser heeft de juistheid van die objectkenmerken niet (gemotiveerd) betwist.\n\n7.1. Op de zitting heeft eiser verklaard dat de ligging van de woning aan of op een waterverdedigingswerk en nabij een bedrijventerrein en een gebied met kassen geen punten van geschil meer zijn. De rechtbank zal deze stellingen (en in combinatie daarmee het beroep op het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel) daarom verder niet bespreken. Eiser heeft zijn stelling dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, uitsluitend onderbouwd, door te wijzen op het verschil in bouwjaar waardoor met gebruikmaking van andere NEN-normen is gebouwd, hetgeen vooral tot verschil in de mogelijkheid tot energiebesparing leidt. Eiser heeft niet onderbouwd dat verweerder het onderhoudsniveau en het niveau van de voorzieningen van de woning anders had moeten waarderen dan hij heeft gedaan.\n\n7.2. In het door eiser overgelegde WOZ-deskundigenrapport wordt de waarde onderbouwd met verkoopcijfers van woningen die weliswaar een bouwjaar hebben dat meer overeenkomt met dat van de woning, maar die zijn gelegen in een andere wijk. De heffingsambtenaar heeft ter zitting uitgelegd dat de wijk waarin de woning van eiser ligt ( [wijk 1] ) een ander waardeniveau heeft dan de wijk waarin de woningen zijn gelegen waarmee in het door eiser overgelegde taxatierapport wordt vergeleken ( [wijk 2] ). De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de vergelijkingsobjecten in het taxatierapport van eiser daardoor minder goed bruikbaar zijn.\n\n7.3. Tot slot is in de matrix van de heffingsambtenaar sprake van een bandbreedte van € 76.111,- (door het verschil) tussen de vierkantemeterprijs van de woning en de gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten, waarin eventuele nadere verschillen, waaronder die in bouwjaar, geacht kunnen worden te zijn verdisconteerd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde van de woning hetzelfde blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C. Laukens, rechter, in aanwezigheid van mr.Y.W. Geerts, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2024.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\n Kamerstukken II 1992\u002F93, 22 885, nr. 3, blz. 44.\n\n HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.\n\n € 2.539 - € 1.958 * 131 = € 76.11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:9837","2024-10-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.204Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":43,"courtId":82,"decisionDate":120,"fullText":121,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":50,"updatedAt":124},"535","ECLI:NL:RBAMS:2024:5311","ecli-nl-rbams-2024-5311","2024-08-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 24\u002F56\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer),\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S. Maachi).\n\nInleiding\n\n1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een schuld over te nemen.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep samen met de zaak AMS 24\u002F55 op 21 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en partijen de gelegenheid gegeven nadere informatie in te brengen. Eiseres heeft op 22 mei 2024 gereageerd. Verweerder heeft op 10 juli 2024 gereageerd. Op de zitting is afgesproken dat de zaak zonder nadere zitting zou worden afgedaan. De rechtbank heeft vervolgens op 16 augustus 2024 het onderzoek gesloten.\n\nPersoonlijke noot vooraf van deze rechter\n\n2.1.. Voordat de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak, hecht deze rechter het van belang het volgende op te merken. De rechter heeft zich in deze uitspraak noodgedwongen laten leiden door de recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarbij de Afdeling aansluit bij de strenge uitleg die verweerder geeft aan de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en haar beleid over dit onderwerp.Deze rechter wil daar het volgende over opmerken.\n\n2.2.. Hoofdstuk 4 van de Wht ziet op het overnemen van schulden van gedupeerden van de toeslagenaffaire. De Memorie van Toelichting bij deze wet bevat onder meer de volgende passages:\n\n‘Met het oog op de ernst en breedte van de problematiek is de ambitie van het kabinet om een zo breed en samenhangend mogelijk herstel te bieden aan gedupeerden. Dit omvat excuses en erkenning, financieel herstel en een schuldenaanpak, brede ondersteuning van gemeenten op verschillende leefgebieden en toegankelijke ondersteuning door maatschappelijke organisaties. Hierbij wil het kabinet ook bijdragen aan een betere toekomst voor getroffen kinderen en (ex-)partners van gedupeerden. Zo hoopt het kabinet gedupeerden en betrokkenen, waar mogelijk, in staat te stellen een nieuwe start te maken.’\n\n‘In de uiteindelijke vormgeving van de hersteloperatie, en daarmee in dit wetsvoorstel, is een aantal principes als uitgangspunt genomen. De kern daarvan is een persoonlijke benadering met keuzevrijheid en regie voor gedupeerden, consistentie en gelijke behandeling, ruimhartigheid en zorgvuldigheid.’\n\n‘Daarnaast wordt, ook met dit wetsvoorstel, ruimhartigheid verkozen boven precisie en doelmatigheid wanneer deze onverenigbaar blijken. Het belang om (ernstig) gedupeerde toeslagaanvragers tijdig en adequaat te helpen weegt volgens het kabinet veelal zwaarder dan het voorkomen van gevallen van overcompensatie.’\n\n‘Met de hersteloperatie hoopt het kabinet, naast het bieden van breed en samenhangend herstel aan gedupeerden, ook bij te dragen aan herstel van vertrouwen in de overheid; in het bijzonder het vertrouwen van gedupeerden, maar ook het vertrouwen van de samenleving als geheel.’\n\n2.3.. De vraag is of de uitvoeringspraktijk van de bepalingen van de Wht over het overnemen van schulden, die zijn neergelegd in hoofdstuk 4, wel in overeenstemming is met de hierboven genoemde passages. Is er wel sprake van een ruimhartige toepassing boven precisie en doelmatigheid, wanneer deze onverenigbaar zijn? En weegt tijdig en adequaat helpen wel zwaarder dan het voorkomen van overcompensatie? Vooral de in de wet opgenomen eis van opeisbaarheid van de schuld voor 1 juni 2021 leidt in de praktijk tot veel begrijpelijke onbegrip bij erkende gedupeerden. In de praktijk hebben deze gedupeerden met kunst en vliegwerk en het vervangen van de ene schuld door de andere schuld voorkomen dat zij te maken zouden krijgen met een deurwaarder. Veel gedupeerden verzuchten in de rechtszaal: ‘had ik maar niet zo mijn best gedaan om aan mijn betalingsverplichtingen te voldoen, dan was mijn schuld wel overgenomen’.\n\n2.4. ‘. Het kan morgen weer gebeuren’. Dat is de conclusie van de parlementaire enquêtecommissie die de fraudebestrijding heeft onderzocht. In de podcast Haagse Zaken van het NRC spreekt juridisch redacteur en columnist [naam] op 2 maart 2024 de verwachting uit dat de politiek en de rechtspraak genoeg heeft geleerd van de Toeslagenaffaire en spreekt hij de verwachting uit dat de kans groot is dat het morgen niet nog een keer gaat gebeuren.\n\n2.5.. Deze rechter vraagt zich echter af of morgen inmiddels niet al vandaag is geworden. Na 2 maart 2024 heeft de Afdeling zich onder meer uitgelaten over de eis van een notariële akte om private schulden aan te tonen. De Afdeling sluit zich (wederom) aan bij de strikte uitleg van de Wht, die verweerder hanteert. De mogelijkheden voor erkende gedupeerden om gecompenseerd en\u002Fof geholpen te worden zijn een wirwar geworden van zeer langdurige procedures. De vraag is gerechtvaardigd hoeveel de erkende gedupeerden nu zijn opgeschoten met de herstelwetgeving en de uitspraken van de Afdeling. Ook nu lijkt zich weer een gang van zaken af te spelen waarbij bij de beoordeling van aanvragen om overname van schulden wordt gekozen voor een minimalistische toepassing en strikte uitleg van de wet. Als gedupeerden daarna in beroep gaan bij de rechtbank, zijn er (sommige) rechters die durven op zoek te gaan naar mogelijkheden om de wet daar waar dat nodig is in het voordeel van erkende gedupeerden minder strikt toe te passen. Vervolgens kiest de Afdeling in de hoger beroepsfase opnieuw voor de (te) strikte toepassing van de wet. Hierbij is er naar het oordeel van deze rechter (weer) te weinig oog voor de praktijk van de alledaagse werkelijkheid, en in verband daarmee de juridische fictie in de wetgeving. De menselijke maat is daarbij, als wezenlijk onderdeel van de inhoudelijke rechtvaardiging bij het toepassen van de wet, onvoldoende in beeld.\n\n2.6.. Deze rechter vindt het verder opvallend dat er in de praktijk (in ieder geval in de uitspraken die zijn gepubliceerd) geen voorbeelden zijn te vinden waarbij een beroep op de hardheidsclausule slaagt.\n\n2.7.. Deze rechter kiest er bewust niet voor om een uitspraak te doen die afwijkt van de recente uitspraken van de Afdeling. Deze rechter doet echter wel een uitdrukkelijk beroep op het ministerie van Financiën en vooral ook op de Afdeling om nog eens goed de hierboven genoemde passages uit de Memorie van Toelichting te bestuderen en deze voortaan wel, of meer, mee te laten wegen in de te nemen beslissingen en uitspraken.\n\n2.8.. Ook de wetgever zou nog eens kunnen bezien in hoeverre de tekst van de Wht en de uitvoering in de praktijk in overeenstemming zijn met de in de hierboven aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis, waarin beloftes worden gedaan over een ruimhartige toepassing om gedupeerden de kans te geven op een nieuwe start. Laat het niet zo ver te laten komen dat er over een paar jaar een tweede parlementaire enquête is over dit onderwerp, met wederom vernietigende conclusies voor de wetgever, het ministerie van Financiën en de rechtspraak.\n\n2.9.. Tot slot roept deze rechter het ministerie van Financiën op om meer oplossingsgericht naar individuele zaken te kijken en om meer dan nu het geval is samen met gedupeerden te zoeken naar een financiële regeling waarin gedupeerden zich kunnen vinden. Desgevraagd geven veel gedupeerden aan dat ze een redelijke oplossing op korte termijn prefereren boven procederen voor een volledige schadeloosstelling. Door meer te streven naar een overeenkomst met een redelijke uitkomst in plaats van juridische procedures kan een periode van jarenlange financiële en emotionele ellende worden afgesloten en kan er, in plaats van nog jarenlang procederen, daadwerkelijk naar de toekomst worden gekeken en een nieuwe start worden gemaakt. En dat is nu precies wat de Wht, gezien de bovengenoemde passages uit de wetsgeschiedenis, beoogt.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3.1.. Eiseres is gedupeerde van de Toeslagenaffaire. Zij heeft een schuldenlijst toegestuurd aan Sociale Banken Nederland (SBN) en de SBN verzocht om deze schulden op grond van de Wht over te nemen.\n\n3.2.. Met het primaire besluit van 30 mei 2023 heeft de SBN, namens verweerder, beslist op de overname van de schulden. De SBN heeft bepaald dat de schuld van eiseres aan de Beobank van € 24.537,49 niet wordt overgenomen, omdat de schuld is ontstaan of opeisbaar is geworden voor 1 januari 2006 of na 31 mei 2021 (cijfercode 16). De schulden van voor 1 januari 2006 en na 31 mei 2021 moet eiseres zelf betalen.\n\n3.3.. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het standpunt dat de schuld niet kan worden overgenomen gehandhaafd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4.1.. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd om de schuld van eiseres aan de Beobank over te nemen. De rechtbank volgt in deze uitspraak, zoals hierboven al is aangegeven, de lijn die de Afdeling heeft gehanteerd.\n\n4.2.. De schuld waar het in deze zaak om gaat is een persoonlijke (krediet)overeenkomst van eiseres bij de Beobank. De schuld valt onder artikel 4.1, vierde lid, sub b van de Wht. Zo’n schuld kan alleen worden overgenomen door verweerder als deze voldoet aan alle vereisten van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht: de schuld moet zijn ontstaan na 31 december 2005, de schuld moet voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geweest en de schuld moet niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.\n\nIs de schuld ontstaan na 31 december 2005?\n\n5.1.. Op de zitting is gebleken dat onduidelijkheid bestond over de ingangsdatum van de schuld. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting daarom geschorst en beide partijen de gelegenheid gegeven om hierover nadere informatie op te vragen bij de Beobank en deze informatie aan de rechtbank te overleggen.\n\n5.2.. Op 22 mei 2024 heeft eiseres nadere informatie ingebracht. Uit een overzicht van de lening bij de Beobank is gebleken dat eiseres op 10 februari 2017 een lening van € 11.999,92 heeft afgesloten voor de duur van 60 maanden. Voorgaande betekent dat de schuld van eiseres voldoet aan het eerste vereiste van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.\n\nWas de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar?\n\n6.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de schuld niet voldoet aan het tweede vereiste van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht, omdat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was. De achterstanden van de schuld zijn namelijk opgeëist op 29 augustus 2021 en op 26 september 2022.\n\n6.2.. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Niet is gebleken dat op 1 juni 2021 sprake was van opeisbare betalingsachterstanden.\n\n6.3.. Eiseres voert over de eis van opeisbaarheid aan dat deze eis ertoe leidt dat iemand die een geldlening heeft afgesloten om het hoofd boven water te houden en dus een nieuw krediet aanboort om andere opeisbare schulden te kunnen voldoen, zoals eiseres heeft gedaan, op dit punt niet gecompenseerd kan worden. Volgens eiseres moeten daarom leningen die zijn afgesloten om opeisbare schulden te voldoen gelijk worden gesteld met de achterliggende opeisbare schulden. De voorwaarde van ‘opeisbaarheid’ is te hardvochtig, omdat voorbij wordt gegaan aan het feit dat oude schulden zijn afgelost door nieuwe schulden aan te boren.\n\n6.4.. De rechtbank overweegt hiertoe dat, hoewel de slechte financiële situatie van eiseres als gevolg van het beleid van verweerder niet ter discussie staat, uit de totstandkomingsgeschiedenisvan de Wht blijkt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om alleen opeisbare schulden of betalingsachterstanden onder de regeling te laten vallen. De eis dat het moet gaan om opeisbare schulden behoort dan ook tot de kern van de regeling en is een steeds terugkerend uitgangspunt. De uiterlijke datum van opeisbaarheid heeft de wetgever op 1 juni 2021 bepaald, omdat de regeling toen bekend werd gemaakt en de wetgever wilde voorkomen dat op de regeling kon worden geanticipeerd, bijvoorbeeld door met de wetenschap van het bestaan van de regeling nieuwe schulden aan te gaan. Het alleen overnemen van opeisbare achterstanden van schulden sluit ook aan bij het doel van de Wht. De regeling is niet bedoeld om gedupeerde ouders volledig te vrijwaren van lopende betalingsverplichtingen, maar is met name bedoeld om te voorkomen dat de ouder in verdere schulden komt doordat een schuldeiser incassomaatregelen neemt voor de opeisbare schulden. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.\n\nSlaagt een beroep op de hardheidsclausule?\n\n7.1.. Eiseres heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, van de Wht. Op grond van deze hardheidsclausule kan van artikel 4.1 worden afgeweken voor zover toepassing daarvan onredelijk zou zijn. Er moet dan sprake zijn van bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn voorzien bij het maken van de regelgeving en die tot een schrijnende situatie leiden.\n\n7.2.. Met de schorsing van het onderzoek heeft de rechtbank eiseres ook de gelegenheid gegeven om haar beroep op de hardheidsclausule nader te onderbouwen. Op 22 mei 2024 heeft de rechtbank deze nadere onderbouwing ontvangen. Eiseres voert aan dat het haar, in de periode dat zij in België woonde, niet altijd gelukt is om de huur te voldoen. Eiseres overlegt daartoe een kopie van een Europees betalingsbevel van 19 mei 2022, wegens een huurachterstand. Eiseres voert verder aan dat de Belgische Rijksdienst voor sociale zekerheid zich op 3 november 2016 bij haar had gemeld, omdat zij van de Nederlandse overheid de informatie had ontvangen dat er een hoofdsom van € 7.493,- openstond wegens ten onrechte uitgekeerde kinderopvangtoeslag. Eiseres overlegt verder een aanplakbiljet van een Belgische deurwaarder, een lijst van roerende goederen waarop beslag werd gelegd en rekeningen die haar in die tijd bereikten, naast haar maandelijkse vaste lasten, die zwaar op haar bleven drukken bij een laag besteedbaar inkomen.\n\n7.3.. Hoewel de rechtbank in de stukken ziet dat eiseres het financieel zwaar heeft gehad en dat zij veel moeite heeft gedaan om haar betalingsverplichtingen te kunnen voldoen, is de rechtbank van oordeel dat een beroep op de hardheidsclausule niet kan slagen. De stukken die eiseres heeft overgelegd en de omstandigheden die zij heeft aangevoerd geven onvoldoende inzicht in haar actuele situatie. Zonder af te willen doen aan de gevolgen die de Toeslagenaffaire voor eiseres heeft gehad, stelt de rechtbank dat niet is gebleken dat de actuele situatie van eiseres zodanig bijzonder of schrijnend is dat het vasthouden aan de voorwaarde dat alleen opeisbare schulden voor overname in aanmerking komen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht heeft geweigerd de schuld over te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie (onder meer) de uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045 en ECLI:NL:RVS:2024:2040.\n\n Zie de Memorie van Toelichting bij de Wht, Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5311","2024-08-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.538Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":43,"courtId":129,"decisionDate":130,"fullText":131,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":130,"parsedAt":50,"updatedAt":133},"533","ECLI:NL:RBOVE:2024:4278","ecli-nl-rbove-2024-4278",57,"2024-08-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 23\u002F1891\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser], uit [woonplaats], eiser,\n\ngemachtigde: [gemachtigde],\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder.\n\nInleiding\n\nBij besluit van 4 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op eisers verzoek van 22 januari 2023 om inzage in zijn persoonsgegevens die in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) stonden. Tegen deze beslissing heeft eiser bezwaar gemaakt.\n\nOp 17 september 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn bezwaar.\n\nBij besluit van 6 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.\n\nArtikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.\n\nEiser heeft na het bestreden besluit aanvullende beroepsgronden ingediend, gericht tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft twee verweerschriften ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2024 op zitting behandeld. Namens eiser heeft zijn gemachtigde aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.D. Kortman, [naam 1] en [naam 2].\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nAanleiding\n\n1.1. Op 22 januari 2023 heeft eiser bij de Belastingdienst een verzoek ingediend om een overzicht van zijn persoonsgegevens die in de FSV stonden. Verweerder heeft dit verzoek aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). In het primaire besluit heeft verweerder het verzoek toegewezen en een overzicht van eisers persoonsgegevens in de FSV verstrekt.\n\n1.2. Bij brief van 2 juni 2023, door verweerder ontvangen op 8 juni 2023, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij brief van 15 juni 2023 heeft verweerder de ontvangst van dit bezwaar aan eiser bevestigd en de beslistermijn van zes weken op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb met zes weken verlengd.\n\n1.3. Bij brief van 28 juli 2023 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Daarna heeft het procesverloop plaatsgevonden dat is vermeld onder ‘Inleiding’.\n\nBeoordeling van het beroep wegens niet tijdig beslissen\n\n2. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit inmiddels heeft besloten op eisers bezwaar tegen het primaire besluit. Dat betekent dat eiser met zijn beroep wegens niet tijdig beslissen heeft bereikt wat hij wilde bereiken en dat zijn procesbelang bij dat beroep is komen te vervallen. De rechtbank zal daarom het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, niet-ontvankelijk verklaren.\n\nOp de vraag of eiser het beroep wegens niet tijdig beslissen terecht heeft ingesteld gaat de rechtbank verderop in deze uitspraak in.\n\nBeoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit\n\n3. In het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat, doordat aan eiser een overzicht van zijn persoonsgegevens is verstrekt, is voldaan aan de verplichtingen op grond van artikel 15 van de AVG en dat het primaire besluit inhoudelijk juist is.\n\nTermijn voor indienen gronden van bezwaar\n\n4.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit allereerst aangevoerd dat verweerder hem de gelegenheid had moeten geven om de gronden van het bezwaar aan te vullen. Volgens eiser heeft verweerder nu op een pro forma-bezwaarschrift besloten, zonder de redenen van het bezwaar te kennen.\n\n4.2. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in het bezwaarschrift van 2 juni 2023 niet staat dat dat een zogenoemd pro forma-bezwaarschrift is en daarin is ook niet gevraagd om een termijn voor het indienen van de gronden van bezwaar. Ook na het indienen van dat bezwaarschrift heeft eiser verweerder niet om een dergelijke termijn gevraagd en evenmin heeft hij of zijn gemachtigde op een later moment in de bezwaarfase aanvullende bezwaargronden ingediend of aangekondigd. Verder is eiser in het bezwaarschrift van 2 juni 2023 inhoudelijk ingegaan op het primaire besluit en heeft hij aangegeven dat hij het daarmee niet eens is. Daarnaast heeft hij bij zijn bezwaarschrift een kopie van het primaire besluit gevoegd, waarop hij tekstgedeelten heeft omcirkeld, leestekens heeft geplaatst en een opmerking heeft geschreven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hierin een bezwaargrond kunnen lezen. Voor het oordeel dat verweerder nog niet op het bezwaar had mogen beslissen, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.\n\nDeze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHoorplicht\n\n5.1. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, omdat zijn gemachtigde in de bezwaarfase ten onrechte niet is uitgenodigd voor een hoorzitting.\n\n5.2.1. Aan het einde van zijn bezwaarschrift heeft eiser het volgende geschreven:\n\n‘Aangezien bezwaar maken een goed recht is van iedere burger in Nederland en dit in de wet is geregeld, dien ik dat bezwaarschrift in middels deze brief. Derhalve verzoek ik u mij te bellen omtrent dit bezwaarschrift en het bezwaarschrift gegrond te verklaren. Tevens wil ik laten weten dat dhr. [gemachtigde] mijn gemachtigde is in deze procedure. Zijn adres is [adres].’\n\n5.2.2. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat in de bezwaarfase diverse keren is geprobeerd om contact op te nemen met eiser over zijn bezwaarschrift. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een print screen van alle telefonische contactpogingen en enkele sms-berichten overgelegd. Verweerder heeft in de bezwaarfase niet geprobeerd om contact op te nemen met eisers gemachtigde. Ter zitting heeft verweerder hierover verklaard dat hij in zaken waarin het gaat om persoonsgegevens extra voorzichtig is en dat als een betrokkene niet wordt bijgestaan door een advocaat, steeds om een officiële machtiging wordt gevraagd. Bovendien heeft eiser in zijn bezwaarschrift zelf gevraagd om daarover te worden gebeld. Om deze redenen heeft verweerder eerst geprobeerd om contact op te nemen met eiser. Dat is, ondanks meerdere pogingen daartoe, echter niet gelukt. Daardoor heeft verweerder niet bij eiser kunnen verifiëren of [gemachtigde] daadwerkelijk zijn gemachtigde is.\n\n5.2.3. \n\nVerder blijkt uit de stukken dat verweerder eiser per brief van 30 juli 2023 heeft meegedeeld dat hij het voornemen heeft om het bezwaar ongegrond te verklaren. In deze brief is eiser tevens meegedeeld dat meerdere keren hebben is geprobeerd om hem te bellen, maar dat het niet is gelukt om hem te bereiken. Ook is eiser gevraagd om, als hij gebruik wil maken van zijn hoorrecht, daarover contact op te nemen.\n\nOp 21 september 2023 heeft verweerder een soortgelijke brief naar eiser gestuurd. In die brief is eiser uitgenodigd voor een hoorgesprek op 3 oktober 2023.\n\n5.3. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en wat ter zitting is besproken blijkt dat verweerder van alles heeft geprobeerd om met eiser contact op te nemen over zijn bezwaarschrift, maar dat het onmogelijk is gebleken om hem te bereiken. Verder is de rechtbank van oordeel dat eisers bezwaarschrift wel een machtiging bevat en dat eiser daarin [gemachtigde] heeft gemachtigd om in de bezwaarfase op te treden als zijn gemachtigde. Eiser heeft, ondanks dat hij een officiële gemachtigde heeft, daarin echter ook gevraagd om hem te bellen over zijn bezwaarschrift. Hiermee heeft eiser gevraagd om hem ook persoonlijk te benaderen over het bezwaarschrift. Gelet op deze omstandigheden (eisers verzoek om hem persoonlijk te benaderen, de gebleken onmogelijkheid om hem te bereiken en de gevoelige aard van zaken over persoonsgegevens) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de correspondentie aan eiser heeft kunnen richten. Verweerder mocht ervan uitgaan dat eiser zijn gemachtigde op de hoogte zou stellen van de brieven die hij van verweerder ontving en die naar hem zou doorsturen. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser en zijn gemachtigde in de bezwaarfase wel degelijk de mogelijkheid heeft geboden om te worden gehoord over het bezwaarschrift, zodat van een schending van de hoorplicht geen sprake is. Daarbij stelt de rechtbank vast dat eiser de ontvangst van de brieven van verweerder van 30 juli 2023 en 21 september 2023 niet heeft ontkend. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie over het bezwaar\n\n6. Eiser heeft de rechtbank gevraagd om het bestreden besluit te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar verweerder voor een nieuw besluit op bezwaar. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat voor dit laatste in ieder geval geen reden bestaat. Daarbij stelt de rechtbank vast dat eiser in beroep alleen procedurele gronden heeft aangevoerd en het bestreden besluit inhoudelijk niet heeft bestreden.\n\nDwangsom wegens niet tijdig beslissen\n\n7.1. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet de dwangsom heeft vastgesteld die is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Eiser heeft de rechtbank gevraagd om die dwangsom alsnog vast te stellen. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat van een prematuur ingediende ingebrekestelling geen sprake is, omdat de verdagingsbeslissing van 15 juni 2023 ten onrechte niet naar zijn gemachtigde is gestuurd. Subsidiair heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij deze verdagingsbeslissing niet heeft ontvangen.\n\n7.2. Verweerder heeft in het verweerschrift van 6 oktober 2023 geconcludeerd dat eiser de ingebrekestelling van 28 juli 2023 te vroeg heeft ingediend, omdat in de verdagingsbeslissing van 15 juni 2023 de beslistermijn met zes weken is verlengd. Als gevolg hiervan is de ingebrekestelling ingediend voordat de beslistermijn was afgelopen.\n\n7.3. In rechtsoverweging 5.3 van deze uitspraak heeft de rechtbank al geconcludeerd dat verweerder in dit geval de correspondentie aan eiser heeft kunnen richten. Dat geldt ook voor de verdagingsbeslissing van 15 juni 2023, zeker gezien het verzoek van eiser om met hem contact op te nemen over het bezwaarschrift. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder met deze beslissing de beslistermijn met zes weken heeft verlengd, zodat de ingebrekestelling van 28 juli 2023 is ingediend voordat verweerder in gebreke was om tijdig een besluit te nemen op het bezwaar. Verweerder mocht er ook van uitgaan dat eiser zijn gemachtigde op de hoogte zou stellen van deze verdagingsbeslissing. Overigens stelt de rechtbank vast dat eiser de ingebrekestelling zelf heeft opgesteld en ingediend.\n\n7.4. Dat eiser de verdagingsbeslissing van 15 juni 2023 niet zou hebben ontvangen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Eiser heeft deze (subsidiaire) stelling pas in het aanvullend beroepschrift van 12 juli 2024 aangevoerd. Dat is dusdanig laat, dat de rechtbank hier niet in meegaat.\n\n7.5.. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat hij geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen is verschuldigd. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nBeroep wegens niet tijdig beslissen terecht ingesteld?\n\n8. Omdat eiser de ingebrekestelling heeft ingediend voordat verweerder in gebreke was om tijdig op het bezwaar te beslissen, is niet voldaan aan de voorwaarden uit\n\nartikel 6:12, tweede lid, van de Awb voor het instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen. Daarom is er geen reden om een proceskostenveroordeling uit te spreken of om verweerder op te dragen het griffierecht aan eiser te vergoeden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\nVoor het uitspreken van een proceskostenveroordeling of het opdragen van verweerder om het griffierecht aan eiser te vergoeden bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;\n\nverklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. P.J.H. Bijleveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\n de rechter is verhinderd deze\n\n uitspraak te ondertekenen\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2024:4278","2026-07-13T00:28:35.255Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":43,"courtId":91,"decisionDate":138,"fullText":139,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":140,"sourceTimestamp":141,"parsedAt":50,"updatedAt":142},"537","ECLI:NL:RBDHA:2024:9955","ecli-nl-rbdha-2024-9955","2024-06-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F5289\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2024 in de zaak tussen\n\n [eiseres], uit [woonplaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. L.M. Ravestijn),\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. [naam 1] en mr. [naam 2]).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om de zakelijke private schulden van eiseres bij Jobritess Holding B.V. (Jobritess) en de achterstallige rente, over te nemen.\n\n1.1. Met het primaire besluit van 2 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagengeweigerd de schulden van eiseres over te nemen. Met het bestreden besluit van 6 juli 2023 is verweerder bij die weigering gebleven.\n\n1.2. De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de echtgenoot van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBevoegdheid rechtbank\n\n2. Ambtshalve overweegt de rechtbank allereerst het volgende. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de rechtbank Amsterdam bevoegd op het onderhavige beroep te beslissen. Partijen hebben ter zitting echter verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat de rechtbank Den Haag uitspraak doet in de onderhavige beroepszaak. Gelet hierop en op de mogelijkheid dat aan de onbevoegdheid van de rechtbank in hoger beroep wordt voorbijgegaan, laat de rechtbank een onbevoegdverklaring achterwege.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor overname van hun zakelijke private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het overnemen van de zakelijke private schulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland.\n\n4. Eiseres heeft verzocht om overname van haar schulden bij Jobritess van in totaal\n\n€ 252.033,37, bestaande uit een lening van € 200.000 (leningdeel I), een lening van € 40.000 (leningdeel II) en achterstallige rente van in totaal € 12.033,37. De Dienst Toeslagen heeft bepaald dat de schulden en de achterstallige rente niet worden afbetaald, omdat deze niet voldoen aan de voorwaarden van de Wht.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n5. Eiseres stelt dat haar schulden bij Jobritess en de achterstallige rente ten onrechte niet door verweerder zijn overgenomen, omdat de schulden volgens haar wel degelijk voldoen aan de voorwaarden van de Wht. Leningdeel I betreft namelijk een opeisbare betalingsachterstand en uit de overeenkomst van geldlening van 24 april 2017 volgt dat de gehele hoofdsom per 30 april 2020 opeisbaar is geworden. Leningdeel II is geen informele schuld, zodat alleen de eis van de opeisbaarheid geldt. Uit artikel 6 van de overeenkomst van geldlening van 1 juni 2018 volgt dat de gehele hoofdsom van dit leningdeel voor\n\n1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Ook de achterstallige rente is voor 1 juni 2021 opeisbaar geworden en dient op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder d, van de Wht in aanmerking te komen voor overname. Eiseres doet daarnaast een beroep op de hardheidsclausule.\n\nWat vindt verweerder in beroep?\n\n6. Verweerder stelt dat hij leningdeel I niet kan overnemen, omdat primair sprake is van een hypothecaire lening en subsidiair omdat niet is gebleken dat dit leningdeel voor\n\n1 juni 2021 opeisbaar is geworden vanwege betalingsachterstanden. Leningdeel II kan verweerder niet overnemen, omdat primair sprake is van een informele schuld die niet in een notariële akte van voor 1 juni 2021 of een rechterlijke uitspraak is vastgelegd en subsidiair omdat niet is gebleken dat deze schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Omdat deze schulden niet overgenomen kunnen worden op grond van de Wht, kunnen ook de opgelopen renteachterstanden niet worden overgenomen. Verweerder ziet geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.\n\nWat is het toetsingskader?\n\n7. Toen het primaire besluit genomen werd op 2 januari 2023, gold als grondslag voor de besluitvorming de Wht. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak toetst aan de bepalingen van de Wht.\n\n8. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:\n\n- is ontstaan na 31 december 2005 (sub a);\n\n- vóór 1 juni 2021opeisbaar is geworden (sub b); en\n\n- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (sub c).\n\nVerder volgt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht, dat schulden die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling (de zogenaamde informele\u002Fprivate schulden), alleen worden overgenomen als de schuld is vastgelegd in een notariële akte die is opgesteld in de periode tussen\n\n1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak.\n\nSchulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn de resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.\n\n9. Artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht, bepaalt dat de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, niet wordt overgenomen, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op het verhypothekeerde goed.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nLeningdeel I\n\n10. Eiseres is deze lening initieel aangegaan met Werkenwonen Projectontwikkeling B.V. (Werkenwonen). De overeenkomst is ondertekend op 24 april 2017, is ingegaan op\n\n1 mei 2017 en liep af op 30 april 2020. Per die datum diende de hoofdsom van € 200.000 en de rente volledig te zijn afgelost. Aan Werkenwonen is tot zekerheid van de nakoming van de overeenkomst het recht van tweede hypotheek verleend, met als onderpand de onroerende zaak van eiseres aan de Imstenrade 49 te Amsterdam. Het onderpand is vastgelegd in een notariële akte van 26 juli 2017. De schuld is op 10 februari 2021 door Werkenwonen overgedragen aan Jobritess.\n\n10.1. Niet in geschil is dat dit leningdeel een hypothecaire lening is. In artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a van de Wht, is bepaald dat de hoofdsom van een hypothecaire lening niet wordt overgenomen, ook niet als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden. Dat, zoals eiseres stelt, de gehele hoofdsom per 30 april 2020 opeisbaar zou zijn geworden, maakt dus niet dat leningdeel I alsnog voor overname in aanmerking komt. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht volgt dat de gedupeerde ouder schuldenaar blijft van de resterende hoofdsom van de hypothecaire lening en de hypotheek zelf dient af te lossen.Hierop wordt een uitzondering gemaakt als het gaat om een restschuld na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak. Niet is gebleken dat daarvan sprake is. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden van de Wht. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of sprake is van een opeisbare schuld als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Hetgeen eiseres ter zitting in dit verband naar voren heeft gebracht, behoeft daarom geen bespreking.\n\nLeningdeel II\n\n11. Naar het oordeel van de rechtbank moet dit leningdeel als een privéschuld\u002Finformele schuld worden aangemerkt, omdat deze in de privésfeer is ontstaan en niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser. Uit de leningsovereenkomst van 1 juni 2018 blijkt dat Jobritess geld aan eiseres heeft geleend voor het starten van een onderneming. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat de bedrijfsactiviteiten van Jobritess gelet op de in het handelsregister opgenomen branchecodesniet hoofdzakelijk bestaan uit het verstrekken van financiële leningen aan derden en dat eiseres de geldleningsovereenkomst als privépersoon is aangegaan. Dit betekent dat de schuld valt onder de reikwijdte van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.11.1. Om voor overname van een informele schuld in aanmerking te komen moet deze op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht in een notariële akte of een rechterlijke uitspraak zijn vastgelegd. Niet in geschil is dat de schuld niet in een notariële akte is vastgelegd en ook niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak. Eiseres heeft weliswaar de geldleningsovereenkomst overgelegd, maar naar het oordeel van de rechtbank is daarmee geen sprake van een met een notariële akte vergelijkbare vastlegging van de lening. De schuld van eiseres voldoet daarmee niet aan het vereiste van artikel 4.1, derde lid, aanhef onder b, van de Wht. Nu eiseres niet aan de eis inzake de notariële akte heeft voldaan, komt de rechtbank ook voor dit leningdeel niet toe aan de beoordeling van de vraag of sprake is van een opeisbare schuld als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Ook in zoverre behoeft hetgeen eiseres over de opeisbaarheid heeft aangevoerd geen bespreking.\n\nAchterstallige rente\n\n12. Nu verweerder terecht heeft bepaald dat de leningdelen I en II niet in aanmerking komen voor overname, volgt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder d, van de Wht, dat ook de achterstallige rente niet voor overname in aanmerking komt.\n\n13. Hoewel het voor eiseres wellicht niet eerlijk voelt dat haar schulden niet worden overgenomen, laat dit onverlet dat de regeling voor het betalen van private schulden niet tot doel heeft om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen.Artikel 4.1 van de Wht is bovendien dwingend geformuleerd. Of er een causaal verband bestaat tussen de schulden van eiseres en de toeslagenaffaire speelt geen rol bij de vraag of een schuld overgenomen moet worden. Dit geldt ook voor het argument dat eiseres zich nu gestraft voelt voor haar proactieve houding en goede relatie met de schuldeiser.\n\n14. Het vereiste dat een private schuld moet blijken uit een notariële akte of rechterlijke uitspraak, vloeit voort uit de wet. Dat eiseres het niet eens is met dit vereiste, maakt het voorgaande niet anders. Het vereiste van een notariële akte is immers vastgelegd in een wet in formele zin. Dit betekent dat de rechtbank dit vereiste in de Wht niet aan het evenredigheidsbeginsel of andere algemene rechtsbeginselen mag toetsen. In artikel 120 van de Grondwet is namelijk bepaald dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen en in de rechtspraak is recent nogmaals bevestigd dat dit toetsingsverbod ook inhoudt dat de rechter een wet in formele zin niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Uit deze rechtspraak volgt verder dat er desalniettemin aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn meegenomen in de afweging van de wetgever. Dat is het geval als die niet meegenomen bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.De rechtbank is van oordeel dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich in dit geval niet voordoen. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraak van 15 mei 2024, heeft de wetgever bewust gekozen voor het stellen van voornoemde eis in de Wht. Dit betekent dat er geen sprake is van een omstandigheid die niet of niet ten volle is meegenomen in de afweging van de wetgever.\n\n15. Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden.In wat eiseres heeft aangevoerd, hoefde verweerder geen aanleiding te zien om de hardheidsclausule toe te passen. De wetgever heeft er immers bewust voor gekozen om de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening niet over te nemen. Ook heeft de wetgever bewust gekozen voor de eis dat een private schuld moet blijken uit een notariële akte of rechterlijke uitspraak. Het uitgangspunt van de Wht is bovendien niet het herstellen van de in het verleden geleden schade, maar toeslagenouders zoveel als mogelijk de kans te bieden om een nieuwe start te maken. Dat daarmee niet alle door de toeslagenaffaire veroorzaakte (financiële) problemen van toeslagenouders zijn opgelost, is door de wetgever dan ook onder ogen gezien. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat haar woning executoriaal verkocht zal worden waardoor zij de woning gedwongen zal moeten verlaten, maar er bevinden zich bij de gedingstukken geen gegevens die haar stelling onderbouwen. Er zijn bij deze stand van zaken dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de situatie zodanig bijzonder of schrijnend is om tot toepassing van de hardheidsclausule aanleiding te kunnen geven.\n\n16. Eiseres heeft verder verzocht haar bezwaarschrift als herhaald en ingelast te beschouwen. Verweerder heeft in het bestreden besluit op het bezwaarschrift gereageerd. Voor zover eiseres in beroep niet heeft aangegeven waarom de reactie van verweerder tekortschiet, kan deze beroepsgrond al hierom niet slagen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n17. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Voorheen de Belastingdienst\u002FToeslagen.\n\n Artikel 8:117 van de Awb.\n\n De datum van 1 juni 2021 sluit aan bij de bekendmaking van de regeling voor privaatrechtelijke\n\n schulden en voorkomt dat met de wetenschap van het bestaan van die regeling nieuwe schulden\n\n worden aangegaan. Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 130.\n\n Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, aanhef en\n\n onder b, van de Wht.\n\n Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, blz. 45.\n\n 69204 – belastingconsulenten, 82204 – verhuur van onroerend goed (niet van woonruimte), en 6810 – handel in eigen onroerend goed.\n\n Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 38.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van\n\n 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2040.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3, blz. 162.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:9955","2024-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.637Z",{"id":144,"ecli":145,"slug":146,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":147,"fullText":148,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":149,"sourceTimestamp":147,"parsedAt":50,"updatedAt":150},"510","ECLI:NL:RBOBR:2024:773","ecli-nl-rbobr-2024-773","2024-03-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F2635\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. I.L. van Geel),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren, het college\n\n(gemachtigden: N. Pullens en mr. A. Kuijken).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade voor zijn pluimveebedrijf aan de [adres] in [vestigingsplaats] .\n\n1.1.. Het college heeft de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade met het besluit van 1 maart 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 september 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing gebleven.\n\n1.2.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.\n\n1.4.. Na de zitting heeft de rechtbank twee getuigen opgeroepen. De rechtbank heeft de getuigen op 11 oktober 2023 onder ede gehoord. Nadien heeft de rechtbank aan partijen gevraagd of zij er nog behoefte aan hebben om mondeling op een zitting te worden gehoord. Geen van de partijen heeft aangegeven behoefte te hebben aan een nieuwe zitting. Wel heeft de rechtbank eiser nog in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op door het college ingebrachte stukken. Eiser heeft bij brief van 1 november 2023 nadere stukken ingediend. Het college heeft hier bij brief van 16 november 2023 op gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nVooraf\n\n3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:\n\n Eiser is eigenaar van het perceel aan de [adres] in [vestigingsplaats] met daarop een opfok- en vermeerderingsbedrijf in pluimvee (het pluimveebedrijf). De agrarische activiteiten op het pluimveebedrijf bestonden tot voor kort uit het grootbrengen van kuikens tot kippen. De kuikens werden aan het pluimveebedrijf van eiser geleverd door een opfokorganisatie. Er zijn in Nederland slechts vier van dit soort opfokorganisaties werkzaam.\n\n Bij besluit van 20 december 2017 heeft de gemeenteraad van de gemeente Someren het bestemmingsplan \"Vogelasiel Someren\" vastgesteld. Dit plan voorziet op ruim één kilometer afstand tot het pluimveebedrijf in voorzieningen voor dagrecreatie, waaronder een vogelasiel. Ter plaatse was feitelijk al een vogelasiel gevestigd en dit plan maakt een uitbreiding en vernieuwing van dat vogelasiel planologisch mogelijk.\n\n Eiser heeft het college bij brief van 26 september 2019 verzocht om een tegemoetkoming in planschade. De gestelde schade houdt verband met de kennisgeving van diverse opfokorganisaties aan eiser dat zij vanwege de nabijheid van het vogelasiel en de daarbij behorende risico’s op verspreiding van dierziektes geen kuikens (meer) zullen plaatsen op het pluimveebedrijf van eiser.\n\n Het college heeft de aanvraag om toekenning van een tegemoetkoming in planschade voorgelegd aan Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). Op 20 november 2020 heeft SAOZ een conceptadvies naar partijen gestuurd waarop eiser heeft gereageerd. De reactie van eiser heeft niet geleid tot inhoudelijke wijzigingen. Het advies is in januari 2021 definitief geworden. SAOZ heeft de tegemoetkoming in planschade vastgesteld op nihil, omdat het opzeggen van de door eiser genoemde overeenkomsten of het kenbaar maken van afnemers dat zij geen gebruik meer maken van de diensten van het pluimveebedrijf het gevolg is van beslissingen van privaatrechtelijke aard en niet rechtstreeks een ruimtelijk gevolg van de wijziging van de bestemming voor het vogelasiel betreft. De eventuele schade die uit die privaatrechtelijke beslissingen voortvloeit, komt volgens SAOZ niet voor tegemoetkoming op de voet van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in aanmerking.\n\n Het college heeft het advies van SAOZ aan het primaire besluit ten grondslag gelegd.\n\n4 Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. De door eiser in de aanvraag van 26 september 2019 aangewezen oorzaak van de gestelde schade is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro. Dat betekent dat in dit geval de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.\n\n5 Eiser voert aan dat hij vanwege de vaststelling van het bestemmingsplan \"Vogelasiel Someren\" in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren. Dit bestemmingsplan maakt namelijk een uitbreiding en vernieuwing van een vogelasiel planologisch mogelijk, terwijl het voorgaande bestemmingsplan een vogelasiel niet toestond. Eiser verwijst naar brieven van een drietal opfokorganisaties. Met die brieven hebben de drie opfokorganisaties aan eiser te kennen gegeven dat zij geen kuikens willen leveren aan het pluimveebedrijf vanwege de nabijheid van het vogelasiel en het daarmee samenhangend verhoogd risico op een vogelgriepuitbraak binnen het pluimveebedrijf. Eiser voert aan dat hij voor de levering van kuikens volledig afhankelijk is van de drie opfokorganisaties en dat dit de enige opfokorganisaties in Nederland zijn. Omdat eiser geen kuikens meer geleverd krijgt, is de waarde van de eigendommen van eiser aangetast, omdat deze niet meer kunnen worden gebruikt voor de exploitatie van een pluimveebedrijf, en is sprake van omzetderving, aangezien eiser zijn bedrijf niet meer (in de huidige vorm) kan exploiteren. Volgens eiser is de schade een rechtstreeks gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan “Vogelasiel Someren”. Als dit bestemmingsplan niet zou zijn vastgesteld, dan hadden de opfokorganisaties de levering van dieren aan eiser niet gestopt, zo staat ook in de brieven van de opfokorganisaties. Dit volgt volgens eiser ook uit een van de getuigenverklaringen.\n\n6. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het kenbaar maken van opfokorganisaties dat zij geen gebruik meer maken van de diensten van het pluimveebedrijf van eiser het gevolg is van beslissingen van privaatrechtelijke aard en niet rechtstreeks een ruimtelijk gevolg van de wijziging van de bestemming voor het vogelasiel betreft. Tussen de gestelde schade en de planologische wijziging bestaat geen rechtstreeks oorzakelijk verband, nu de overeenkomsten door de opfokorganisaties als gevolg van een bij hen levende, maar niet geobjectiveerde vrees voor besmettingen, zijn opgezegd. Het college stelt namelijk vast dat een concreet en algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs ontbreekt en dat er ook geen sprake is van een anderszins van (rijks)overheidswege voorgeschreven, op het voorzorgsprincipe gebaseerd dringend advies om in een situatie als de onderhavige een bepaalde minimumafstand aan te houden. De schade kan dus niet als een rechtstreeks gevolg van het nieuwe bestemmingsplan aan het college worden toegerekend. De eventuele schade die uit die privaatrechtelijke beslissingen voortvloeit komt daarom niet voor tegemoetkoming in aanmerking. Mocht er daadwerkelijk schade zijn ontstaan door de uitbraak van salmonella of vogelgriep, waarbij aangetoond wordt dat het vogelasiel daarvoor verantwoordelijk is, dan kan dit op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk wetboek verhaald worden op het schadeveroorzakende bedrijf. Dat is in dit geval het vogelasiel, aldus het college. Daarnaast volgt uit de getuigenverklaringen dat de ligging van het vogelasiel niet de enige reden is voor het niet aangaan van een leveringsovereenkomst. Uit één getuigenverklaring volgt namelijk dat de aanwezigheid van een vogelasiel een duidelijk minpunt is in het totaalplaatje, maar op voorhand niet absoluut beslissend hoeft te zijn. Uit de andere getuigenverklaring volgt volgens het college dat de eis van de opfokorganisatie is dat er geen ander pluimveebedrijf binnen één kilometer mag zitten voor Grandparent Stockdieren. Bij Parent Stock dieren zijn deze eisen minder zwaar. Het vogelasiel is gelegen op 1,1 kilometer afstand tot het bedrijf van eiser, dus daarin kan volgens het college geen dwingende reden gelegen zijn om geen leveringsovereenkomst aan te gaan met het pluimveebedrijf van eiser.\n\n7. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) getuigen opgeroepen. Beide getuigen werken bij twee verschillende opfokorganisaties, in een functie waarbij zij verantwoordelijk zijn voor of wetenschap hebben over leveringsovereenkomsten die hun firma afsluit met derden zoals het bedrijf van eiser. Uit de getuigenverklaringen leidt de rechtbank het volgende af:\n\n In Nederland zijn vier opfokorganisaties werkzaam. Het is een kapitaalintensieve bedrijfstak met een hoog risico, waardoor er geen nieuwkomers zijn.\n\n Opfokorganisaties kunnen het opfokken van kuikens uitbesteden aan pluimveebedrijven zoals die van eiser. Dit is uniek voor Nederland. In andere landen is de keten namelijk geïntegreerd, en in België is geen sprake is van een vergelijkbare situatie, omdat daar de broederijen vaak de eigenaar van de opfokdieren zijn.\n\n Uit een van de getuigenverklaringen volgt dat de opfokorganisatie voor eigen rekening kuikens levert die worden geplaatst bij andere pluimveehouderijen. Deze worden daar opgefokt, en door de opfokorganisatie vervolgens weer afgenomen, als ze gezond zijn. Daarvoor krijgt de pluimveehouder een vergoeding.\n\n Bij het uitbesteden van het opfokken is voor de opfokorganisaties de ligging van het pluimveebedrijf belangrijk. Uit een van de verklaringen volgt dat de opfokorganisatie als eis stelt dat er geen andere pluimveebedrijven in de buurt mogen zijn gesitueerd van het pluimveebedrijf waaraan zij dieren levert. Deze opfokorganisatie maakt onderscheid tussen Parent Stock-dieren en Grandparent Stock-dieren. Bij Grandparent Stock-dieren mag geen ander pluimveebedrijf binnen een afstand van één kilometer zijn gesitueerd. Bij Parent Stock-dieren zijn de eisen minder zwaar. Dat zijn eisen van de opfokorganisatie zelf.\n\n Uit de andere getuigenverklaring volgt dat het bedrijf waarvoor de getuige werkt een scan maakt van potentiële pluimveebedrijven waarmee de opfokorganisatie wil samenwerken. In zo’n scan kijkt de opfokorganisatie naar ondernemerschap, naar het pluimveebedrijf zelf, de stallen, de algemene kwaliteit, en verder onder meer of in het verleden salmonella is opgetreden bij het pluimveebedrijf. De opfokorganisatie vraagt zich met de scan steeds af of zij een investering wil plegen bij het pluimveebedrijf.\n\n Uit een van de getuigenverklaringen volgt dat de opfokorganisatie voor wie de getuige werkt een vogelasiel absoluut ziet als een risico. Uit de andere getuigenverklaringen volgt dat de opfokorganisatie voor wie de getuige werkt de omstandigheid dat een vogelasiel nabij het pluimveebedrijf van eiser is gesitueerd ziet als een minpunt in de scan van een pluimveebedrijf, maar kan daaruit niet worden afgeleid dat als het vogelasiel er niet zou zitten, de opfokorganisatie zonder meer niet in zee zou zijn gegaan met het pluimveebedrijf van eiser. De aanwezigheid van een vogelasiel is voor deze opfokorganisatie wel een heel duidelijke min in het totaalplaatje.\n\n Uit een van de getuigenverklaringen volgt dat de opfokorganisatie voor wie deze getuige werkt in het verleden een leveringsovereenkomst had met het pluimveebedrijf van eiser, maar dat niet bekend is wanneer deze overeenkomst is beëindigd. Het totaalplaatje van het pluimveebedrijf is de reden geweest voor het niet (opnieuw) aangaan van een overeenkomst. Uit de andere getuigenverklaring volgt dat het de getuige niet bekend is of de opfokorganisatie voor wie hij werkt een overeenkomst heeft (gehad) met het pluimveebedrijf van eiser.\n\n8. De rechtbank overweegt het volgende. Voor het toekennen van een tegemoetkoming in planschade is vereist dat de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en schade lijdt of zal lijden. Volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de schade en het nieuwe planologische regime vereist, wat wil zeggen dat de schade in een zodanig nauw verband met het nieuwe bestemmingsplan moet staan, dat de schade het college, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een rechtstreeks gevolg van het nieuwe bestemmingsplan kan worden toegerekend.\n\n9. Een tegemoetkoming in geleden planschade is een vorm van nadeelcompensatie van een rechtmatige overheidsdaad. De rechtbank maakt bij het vaststellen van de aanwezigheid van het causale verband twee stappen: is er een conditio sine qua non (csqn)-verband (is er maar één factor waardoor schade wordt geleden of zijn er meerdere factoren?) en wat is de omvang van de aansprakelijkheid (welke schadeposten en welke schadeomvang kunnen de overheid worden toegerekend?).\n\n10. In dit geval lijdt eiser strikt genomen geen schade door de wijziging van het bestemmingsplan zelf, maar lijdt hij schade door de keuze van de opfokorganisaties om de bestaande overeenkomst op te zeggen dan wel geen (nieuwe) overeenkomst aan te gaan. Het nieuwe bestemmingsplan dwong de opfokorganisaties echter niet tot het maken van die keuze. Het bestemmingsplan maakt wel de komst van een vogelasiel mogelijk. Uit de getuigenverklaringen blijkt naar het oordeel van de rechtbank in een voldoende redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aanwezigheid van een vogelasiel invloed heeft op opfokorganisaties bij de selectie van pluimveebedrijven. In zoverre is er een csqn-verband (en wordt voldaan aan de eerste noodzakelijke voorwaarde voor toekenning van een tegemoetkoming in geleden planschade).\n\n11. Kan deze schade wel volledig aan de overheid worden toegerekend? De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit bij de beantwoording van deze vraag in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de omstandigheden van het geval. De rechtbank noemt een aantal omstandigheden die van belang zijn bij de toerekening:\n\n de selectie van opfokbedrijven is een ondernemersbeslissing van de opfokorganisaties. Naast de aanwezigheid van een vogelasiel zijn bij de selectie andere elementen van een potentieel opfokbedrijf van belang.\n\n Bovendien valt niet uit te sluiten dat de aanwezigheid van een vogelasiel in de toekomst een meer doorslaggevende rol gaat spelen of juist een minder prominente rol (bijvoorbeeld als er een goed, breed geaccepteerd vaccin tegen vogelgriep is ontwikkeld). De vrees voor verspreiding van dierziektes speelt een belangrijke rol maar deze vrees is niet overal even hard aanwezig en is evenmin vertaald in harde, eenduidige selectiecriteria. Een getuige heeft aangegeven dat hierbij een harde grens wordt getrokken van één kilometer bij Grandparent Stock-dieren, maar de grens is al minder hard bij Parent-stock dieren. De rechtbank neemt ook in aanmerking dat eiser ook zou kunnen omschakelen naar een reguliere pluimveehouderij (vleeskuikens of leghennen).\n\n Ook de kennis over verspreidingsrisico’s zal een rol spelen. Dit wordt bevestigd in de reactie van het college op de getuigenverklaringen waarin twijfels worden geuit over de overdraagbaarheid van vogelgriep door de lucht.\n\n Eiser heeft in zijn reactie op de getuigenverklaring enkele andere relevante omstandigheden genoemd: de kring van opfokorganisaties is beperkt (er zijn maar vier organisaties in Nederland) en er zijn ook maar weinig opfokbedrijven. Het is een kleine kring en het is een zeer kapitaalintensieve markt.\n\n Tot slot staat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een vogelasiel op deze locatie uit het oogpunt van vogelgriep en de eventuele gevolgen van het bestemmingsplan voor de agrarische bedrijven in de omgeving, waaronder die van eiser, vast na de uitspraak van de Afdelingop het beroep van eiser tegen het bestemmingsplan op juist dit punt. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat het bedrijf van eiser in het verleden wel door een opfokorganisatie is geselecteerd, ondanks de illegale aanwezigheid van het vogelasiel op dat moment.\n\n12. De rechtbank acht het onder de hierboven geschetste omstandigheden in dit specifieke geval niet redelijk dat de door eiser geleden schade volledig aan de gemeente wordt toegerekend. Daarvoor is de selectie van opfokbedrijven te veel een ondernemersbeslissing en zijn de criteria voor deze selectie niet geheel objectief en wetenschappelijk onderbouwd. Anderzijds acht de rechtbank het evenmin redelijk dat eiser met lege handen achterblijft en geen enkele aanspraak kan maken op enige tegemoetkoming. Duidelijk is dat de aanwezigheid van het vogelasiel wel een rol speelt en dat de invloed van dat asiel bepalend kan zijn in een kleine kapitaalintensieve markt. Met andere woorden, deze zaak leent zich niet voor een ‘alles of niets’-benadering. Welke benadering past dan wel? Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de rede om in dit specifieke geval een toerekening naar redelijkheid toe te passen waarbij het antwoord op de vraag aan welke gebeurtenis of gebeurtenissen de schade moet worden toegerekend, afhangt van diverse factoren en de omstandigheden van het geval. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat door de positieve bestemming van het vogelasiel op zijn minst een risico voor eiser is geschapen, dat zich vervolgens heeft verwezenlijkt. Dit heeft het college in het bestreden besluit op bezwaar niet onderkend. In zoverre slaagt de beroepsgrond. Overigens acht de rechtbank het redelijk om de omvang van de schade te relateren aan de kosten van omschakeling van een pluimveehouderij van bijvoorbeeld Grandparent-stock dieren naar een andere categorie (bijvoorbeeld vleeskuikens).\n\nRedelijke termijn\n\n13. De vraag of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser. In beginsel is in dit geval, waarin de bezwaarfase is gevolgd, een totale lengte van de procedure van ten hoogste twee jaar redelijk, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift.Heeft de totale periode langer geduurd dan twee jaar, dan dient vervolgens te worden bezien of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten.\n\n14. De redelijke termijn is aangevangen op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift (12 april 2021). Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn bijna 3 jaren verstreken. Al is het geen gemakkelijke zaak, de rechtbank heeft in dit geval geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de lengte van de gehele procesgang langer dan twee jaar zou mogen duren. De redelijke termijn is aldus met 11 maanden overschreden. Uitgaande van een uit de jurisprudentie af te leiden vergoeding van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiser toe te kennen bedrag aan schadevergoeding € 1.000,00. Deze schade moet volledig worden toegerekend aan de rechtbank. Daarom zal de rechtbank de Staat opdragen deze schade te vergoeden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n15. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak binnen twaalf weken na dagtekening van deze uitspraak.\n\n16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat het college het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden. De rechtbank veroordeelt het college verder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.062,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen op de zittingen inclusief het bijwonen van het getuigenverhoor en ½ punt voor de reactie naar aanleiding van het getuigenverhoor, met een waarde per punt van € 875,00 en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt het college op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat het college aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 183,00 vergoedt;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 3.062,50;\n\nveroordeelt de Staat tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 1.000,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr.M.J.A.B. Elsman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vergelijk de overzichtsuitspraak in planschadezaken van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 2.11 en 3.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2462).\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:886.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1704.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:773","2026-07-13T00:28:34.064Z",{"id":152,"ecli":153,"slug":154,"caseNumber":43,"courtId":155,"decisionDate":156,"fullText":157,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":158,"sourceTimestamp":159,"parsedAt":50,"updatedAt":160},"571","ECLI:NL:RBNHO:2024:3060","ecli-nl-rbnho-2024-3060",67,"2024-02-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 22\u002F6332\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 februari 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nDe Minister van Veiligheid en Justitie, Justitiële Informatiedienst, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M. Moddejonge).\n\nInleiding\n\n1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de vraag of verweerder het verzoek van eiser, om verwijdering van zijn gegevens uit het Justitieel Documentatie Systeem te verwijderen, kon afwijzen.\n\n1.2. Eiser heeft op 31 maart 2022 verweerder verzocht om gegevens te verwijderen uit het JDS.\n\n1.3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser met het primaire besluit van 9 mei 2022 afgewezen.1.4. Met het bestreden besluit van 19 september 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.\n\n1.5. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.6. De rechtbank heeft het beroep op 21 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2.1. Bij e-mail van 31 maart 2022 vraagt eiser aan verweerder of zijn gegevens kunnen worden verwijderd uit het JDS. In een moeilijke periode van zijn leven heeft hij onder invloed van alcohol een [object 1] en een [object 2] van zijn buren vernield. De buren hebben aangifte gedaan van vernieling, maar deze aangifte ook weer ingetrokken. De zaak is vervolgens geseponeerd door het Openbaar Ministerie (OM), omdat de gevolgen van de gebeurtenis onderling zijn opgelost. Volgens eiser staan de gevolgen die hij vandaag de dag nog ondervindt van de registratie van het sepot in het JDS niet in verhouding tot het voorval dat heeft plaatsgevonden.3.2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. De persoonlijke belangen van eiser wegen niet zwaarder dan het belang om een volledig historisch overzicht te behouden voor een goede strafrechtspleging. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die verwijdering van de registratie rechtvaardigen. Daarbij is overwogen dat eiser niet zeer jong was ten tijde van het gepleegde delict, dat succesvolle vervolging technisch haalbaar zou zijn geweest, dat het feit relatief recentelijk is gepleegd en dat het feit gekwalificeerd wordt als misdrijf. Daarnaast is niet gebleken van meer dan normale carrièrehinder of van een specifiek genoten opleiding.\n\n3.3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder leiden de bezwaren van eiser niet tot een ander oordeel. Daarbij is overwogen dat de genoemde omstandigheden waaronder het delict heeft plaatsgevonden niet relevant zijn, omdat bij de beoordeling van het verzoek van eiser bekeken moet worden of er huidige bijzondere omstandigheden zijn die verwijdering van de justitiële registratie rechtvaardigen. Dat eiser nooit op de hoogte is gesteld van de registratie is geen bijzondere persoonlijke omstandigheid. Ook het mogelijk ontstaan van hinder is geen bijzondere persoonlijke omstandigheid. Daarnaast is de bewaartermijn wettelijk vastgelegd, en kan niet per geval beoordeeld worden of deze termijn al dan niet passend is.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4.1. De rechtbank beoordeelt of verweerder het verzoek van eiser in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n4.2. Het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n4.3. De regels en wetten die op deze zaak van toepassing zijn staan opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nOntvankelijkheid5. In het kader van de ontvankelijkheid overweegt de rechtbank dat eiser met zijn e-mail van 19 oktober 2022 aan de centrale balie van de rechtbank kenbaar heeft gemaakt in beroep te willen gaan tegen een ontvangen besluit. Uit navraag is gebleken dat dit beroep gericht was tegen het besluit van 19 september 2022. Het beroepschrift is dus verzonden binnen zes weken na ontvangst van dit besluit. Daarmee is het beroep tijdig ingediend. Daarom gaat de rechtbank hierna over tot een inhoudelijke beoordeling.\n\nHeeft verweerder het verzoek van eiser tot verwijdering van zijn gegevens in redelijkheid kunnen weigeren?6.1. Eiser voert aan dat de nadelige consequenties van de registratie in relatie tot het voorval te zwaar zijn. Ondanks het feit dat de strafzaak is geseponeerd, ondervindt hij door de registratie nog steeds hinder in zijn carrière en in zijn privéleven. Zo moet hij voor zijn werk regelmatig [faciliteit] bezoeken, waarbij het hem in vergelijking met zijn collega’s vaak meer moeite kost om toegang te krijgen. Ook krijgt hij geen visum om buiten de Europese Unie te reizen. De registratie legt daarnaast ten onrechte de focus op het voorval zelf, en niet op de omstandigheden waaronder het voorval plaatsvond. Hij zat in een moeilijke periode van zijn leven en heeft de vernieling gedaan onder invloed van alcohol. Hij heeft het goed gemaakt met zijn buurman en momenteel drinkt eiser niet meer. Ook stelt eiser dat de langdurige registratie niet in verhouding staat tot de ernst van het delict.\n\n6.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden bij eiser die zwaarder wegen dan het belang van strafrechtspleging. Omdat eiser [leeftijd] jaar was ten tijde van het plegen van het delict, mag worden aangenomen dat hij de gevolgen van zijn handelen heeft kunnen overzien. De leeftijd is één criterium die in samenhang met de overige criteria is afgewogen. Niet valt in te zien hoe toepassing van dit criterium in het geval van eiser leidt tot leeftijdsdiscriminatie. Ook staat de sepotbeslissing op de juiste wijze in het JDS geregistreerd. Het voorval betrof vernieling, dat volgens artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is aangemerkt als misdrijf. Tot slot is de registratie niet bedoeld als straf. Dat eiser dit wel zo ervaart en hier emotionele hinder door heeft kan zoals blijkt uit de wetgeschiedenis niet worden gezien als bijzondere persoonlijke omstandigheid die verwijdering van de registratie rechtvaardigt. Verweerder heeft ook maar beperkt ruimte om de betrokken belangen af te wegen. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4610).\n\n6.3.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het verzoek tot verwijdering van de justitiële gegevens van eiser in redelijkheid kunnen weigeren. Op grond van artikel 7 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in samenhang met artikel 2 van de Wet justitiële en strafvorderlijke (Wjsg) gegevens wordt een sepot van het OM als hier aan de orde 20 jaar bewaard. Eiser ontkent niet dat het voorval heeft plaatsgevonden en dat sprake is geweest van een sepot. De inhoudelijke juistheid van de registratie staat dus niet ter discussie.6.3.2. De bijzondere omstandigheden die eiser aanvoert zijn geen omstandigheden die maken dat verweerder in het geval van eiser toch de gegevens had moeten verwijderen. De rechtbank zal dit uitleggen. In de uitspraak waar verweerder ook naar verwijst, overweegt de Afdeling het volgende:\n\n4.1.. De verwerking van justitiële gegevens heeft tot doel een goede strafrechtspleging te bevorderen (Kamerstukken II 1999-2000, 24 797, nr. 7, p. 12-13). Wil de rechter of officier van justitie een compleet beeld krijgen van iemands strafrechtelijk verleden, dan is het volgens de wetgever van belang dat de gegevens over alle delicten die tot een afdoening door de officier van justitie of de rechter hebben geleid gedurende de in de wet genoemde termijnen beschikbaar blijven. Niet van belang is of degene van wie de gegevens zijn verwerkt hieronder emotioneel gebukt gaat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 26 Wjsg dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen de verwerking van de gegevens moet worden gestaakt (vergelijk de uitspraak van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1148). Het moet volgens de wetgever gaan om zeer bijzondere gevallen, waarbij de aard van de zaak zwaarder weegt dan het beginsel dat de justitiële documentatie een volledige registratie bevat ten behoeve van een goede strafrechtspleging (Kamerstukken II 2001-2002, 24797, nr. 13, p. 2).\n\n4.2.. \n\nDe minister heeft beoordelingsruimte bij de behandeling van een verzet op grond van artikel 26, eerste lid, van de Wjsg. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de vaste gedragslijn (zie ook de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:618). Volgens die vaste gedragslijn weegt de minister de volgende criteria in samenhang:\n\n - hoe specifiek de desbetreffende opleiding is en of er meer dan normale (carrière)hinder wordt ondervonden;\n\n - de leeftijd ten tijde van het delict;\n\n - de ernst van het delict;\n\n - de aard van de beslissing door het OM of de rechter;\n\n- het tijdstip wanneer het delict heeft plaatsgevonden (tijdsverloop tussen het delict en aanvragen verzet);\n\n - het bestaan\u002Fontbreken van andere delicten op het uittreksel.6.3.3. In de hierboven beschreven vaste lijst met criteria die verweerder afweegt bij het beoordelen van een verzoek tot verwijderen van gegevens uit het JDS staan de omstandigheden van het voorval zelf, in dit geval dus de vernieling en de omstandigheden waaronder die vernieling heeft plaatsgevonden, niet genoemd. Dat betekent dat verweerder die omstandigheden niet kan meewegen in zijn afweging.\n\n6.3.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder wel mee kunnen laten weten dat eiser ten tijde van de vernieling [leeftijd] jaar was en dus geen jonge leeftijd had. Van een [leeftijd] -jarige mag worden verwacht dat hij de gevolgen kan overzien van zijn acties. Van leeftijdsdiscriminatie is hier geen sprake.\n\n6.3.5. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder bij zijn afweging ook aandacht heeft besteed aan het feit dat de strafzaak is geseponeerd en dat de vernieling het enige geregistreerde feit is. Ook is meegewogen dat, hoewel sprake is van een misdrijf, sprake is van een gering feit (afgezet tegen andere misdrijven). Verweerder heeft daarnaast aandacht besteed aan de hinder die eiser ondervindt van de registratie. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van meer dan normale (carrière)hinder. Bovendien stelt eiser dat hij hinder ondervindt in zijn werk, dit hij heeft dit niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Het feit dat eiser zich beperkt voelt in zijn doen en laten is onvoldoende om over te gaan tot verwijdering van de gegevens. Daarom heeft verweerder in redelijkheid het belang van een juiste en volledige registratie in het JDS zwaarder kunnen wegen. Daarbij kan de emotionele hinder die eiser van de registratie ondervindt ook niet tot een ander oordeel leiden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage\n\nWet justitiële en strafvorderlijke gegevens\n\nArtikel 2\n\n1. Onze Minister verwerkt in de justitiële documentatie justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging.\n\nArtikel 4\n\n1. Justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens misdrijven worden vernietigd:\n\nb. twintig jaar nadat een beslissing om niet te vervolgen is genomen, nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, en in het kader van het misdrijf de justitiële gegevens zijn verwerkt of nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, dan wel twaalf jaar na het overlijden van betrokkene, of\n\n[…]\n\nArtikel 22\n\n1. De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende justitiële gegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, onvolledige justitiële gegevens te laten aanvullen. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.\n\n2 De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onnodige vertraging vernietiging van de hem betreffende justitiële gegevens te verkrijgen, indien de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of een wettelijk voorschrift tot vernietiging verplicht.\n\n[…]\n\nArtikel 26\n\n1. Betrokkene kan bij Onze Minister verzet aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden.\n\n[…]\n\nBesluit justitiële en strafvorderlijke gegevens\n\nArtikel 7\n\n1. Voor zover van toepassing worden als justitiële gegevens als bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 9 aangemerkt:\n\na. alle beslissingen die door het Openbaar Ministerie of de rechter zijn genomen, met uitzondering van:\n\n1˚. de beslissing tot niet vervolgen omdat de betrokken persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt;\n\n2˚. de beslissing tot niet vervolgen na vaststelling van een rechtmatige geweldsaanwending van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren;\n\n[…]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:3060","2024-03-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.342Z",{"id":162,"ecli":163,"slug":164,"caseNumber":43,"courtId":82,"decisionDate":165,"fullText":166,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":167,"sourceTimestamp":168,"parsedAt":50,"updatedAt":169},"599","ECLI:NL:RBAMS:2024:559","ecli-nl-rbams-2024-559","2024-01-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 23\u002F3260\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2024 in de zaak tussenStichting Laka, uit Amsterdam, eiseres\n\n(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde minister voor Klimaat en Energie, verweerder (hierna: de minister)\n\n(gemachtigden: mr. H. Nota, mr. E. Koorstra en [gemachtigde 2] ).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Faculteit Technische Natuurwetenschappen van de Technische Universiteit Delft(hierna: TU Delft)\n\n(gemachtigden: mr. L.I. Tan en J.L. Kloosterman).\n\nInleiding\n\nDe minister heeft beslist dat eiseres geen belanghebbende is bij vier subsidiebeschikkingen en heeft haar bezwaarschrift om die reden niet-ontvankelijk verklaard.\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen deze beslissing van de minister. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ook TU Delft heeft gereageerd op het beroep van eiseres.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van de minister en de gemachtigden van TU Delft.\n\nAchtergrond en procesverloop\n\n1. De Tweede Kamer heeft besloten tot vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor het jaar 2022. Hierbij heeft de Tweede Kamer ook een amendement van de leden Erkens en Dassen (hierna: het amendement) aangenomen over een kennis- en innovatieprogramma op het gebied van nucleaire technologie. Meer in het bijzonder ziet het amendement op het in de begrotingsstaten uittrekken van eenmalig vijf miljoen euro voor het versterken van de kennis- en innovatiestructuur op het gebied van nucleaire technologie.\n\n2. Aan het amendement is invulling gegeven door middel van vier subsidiebeschikkingen:\n\n- Beschikking van 30 november 2022 gericht aan regieorgaan SIA, onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, inhoudende een subsidie ter hoogte van € 1.200.000 voor het bewerkstelligen van drie lectoren op het gebied van kernenergie;\n\n- Beschikking van 21 december 2022 gericht aan N.V. Elektriciteits- Produktiemaatschappij Zuid-Nederland, inhoudende een subsidie ter hoogte van € 140.000 voor het maken van een haalbaarheidsstudie voor een mogelijke realisatie van een publiekscentrum over kernenergie;\n\n- Beschikking van 22 december 2022 gericht aan Stichting Nuclear Research and Consultancy Group, inhoudende een subsidie ter hoogte van € 1.250.000 voor het opzetten van een Nuclear Academy en vervanging en modernisering laboratoriumapparatuur;\n\n- Beschikking van 14 december 2022 gericht aan TU Delft, inhoudende een subsidie ter hoogte van € 2.410.000 voor het versterken van de kennisinfrastructuur in Nederland, door het realiseren van een leerstoel stralingsbescherming, het opleiden van twee promovendi en de aanschaf van nieuwe laboratoriumapparatuur voor leerdoeleinden.\n\n3. Nadat de voornoemde subsidiebeschikkingen openbaar zijn gemaakt, heeft eiseres hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Met het besluit van 3 mei 2023 heeft de minister dit bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres geen belanghebbende is bij de bestreden subsidiebeschikkingen. Hiertegen richt zich het beroep van eiseres.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank zal beoordelen of de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarvoor is van belang de vraag of eiseres (als rechtspersoon) belanghebbende is bij de vier subsidiebeschikkingen.\n\n5. In artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat wanneer een rechtspersoon belanghebbende is. Daarvoor is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.\n\n6. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenisveilig willen stellen dat verenigingen of stichtingen als belanghebbende kunnen opkomen tegen een besluit gericht aan een derde, mits een algemeen of collectief belang dat zij statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij dat besluit rechtstreeks is betrokken.\n\n7. Artikel 2 van de statuten van eiseres luidt als volgt:\n\n“De stichting stelt zich ten doel: Het beschermen van de natuur en het milieu tegen vervuiling in het algemeen en tegen straling, radioactiviteit en kernenergie, in de ruimste zin der woorden, in het bijzonder.\n\nDe stichting tracht dit doel te bereiken door:\n\n- de samenleving te informeren over de energieproblematiek in het algemeen en kernenergie in het bijzonder\n\ntijdens manifestaties;\n\nop aanvraag van derden;\n\ndoor middel van eigen publicaties;\n\nhet archiveren en ontsluiten van informatie;\n\nhet initiëren van en participeren in activiteiten en manifestaties;\n\nhet voeren van procedures;\n\nalle andere middelen welke tot het doel bevorderlijk zijn.\"\n\n8. Volgens de minister zijn de subsidies gericht op het opbouwen en versterken van de nucleaire kennisbasis en kennisinfrastructuur en niet op activiteiten met gevolgen voor natuur en milieu, wat het belang is waarvoor eiseres opkomt. Er is volgens de minister dan ook geen relatie tussen de doelstelling van eiseres en deze subsidiestromen.\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat in de statuten van eiseres het beschermen van de natuur en het milieu (tegen vervuiling, straling, etc.) als doel is opgenomen. De subsidies zijn verleend voor het versterken van de kennis- en innovatiestructuur. De activiteiten die met de subsidies worden gefinancierd, hebben geen gevolgen voor de natuur en het milieu en raken het statutaire doel van eiseres dus niet. Eiseres heeft aangevoerd deel te kunnen uitmaken en te kunnen bijdragen aan de nucleaire kennisbasis en kennisinfrastructuur in Nederland. De rechtbank leest in de doelstellingen niet dat de activiteiten van eiseres zich richten op kennisversterking (het zelf toevoegen van nieuwe informatie en ontwikkelen van nieuwe kennis op het gebied van nucleaire technologie), wat wel het doel is van de subsidies. Omdat eiseres blijkens haar statuten al niet voldoet aan dit eerste vereiste (de doelstelling), komt de rechtbank niet toe aan het beoordelen van de in overweging 5. genoemde feitelijke werkzaamheden van eiseres.\n\n10. Dat eiseres ook graag had willen meedingen naar de subsidie, zoals zij op de zitting naar voren heeft gebracht, maakt haar nog geen belanghebbende in de subsidieverdeling aan andere partijen. Daarvoor is deze procedure niet de geëigende weg; eiseres had zelf een aanvraag voor de subsidie kunnen indienen.\n\n11. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. De rechtbank overweegt dat artikel 7:3 van de Awb de mogelijkheid geeft om af te zien van het horen van een betrokkene als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Nu al uit de statuten van eiseres volgt dat zij geen belanghebbende is bij de subsidiebeschikkingen, is de rechtbank van oordeel dat de minister in redelijkheid van het horen in bezwaar heeft kunnen afzien.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank zal daarom geen oordeel geven over de tijdigheid van het bezwaar, wat namens TU Delft op de zitting naar voren is gebracht.\n\nConclusie\n\n13. Het beroep is ongegrond. Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. M. den Toom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n Kamerstukken II 1988\u002F1989, 21 221, nr. 3, blz. 32-35.\n\n Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Raad van State van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2327.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:559","2024-02-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.704Z",{"id":171,"ecli":172,"slug":173,"caseNumber":43,"courtId":82,"decisionDate":174,"fullText":175,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":176,"sourceTimestamp":177,"parsedAt":50,"updatedAt":178},"345","ECLI:NL:RBAMS:2024:179","ecli-nl-rbams-2024-179","2024-01-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 23\u002F3232\n uitspraak van de meervoudige kamer van 2 januari 2024 in de zaak tussen\n de besloten vennootschap Fastned B.V. ( Fastned ) , uit Amsterdam, eiseres\n\n(gemachtigden: mr. L.P.W. Mensink en mr. I.A. Siskina),\n\nen\n\nde minister van Infrastructuur en Waterstaat, (de minister) , verweerder\n\n(gemachtigden: mr. L.J. Hamstra en mr. K.E. Haan).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel:\n\nde besloten vennootschap EG Retail B.V. (EG )uit Breda\n\n(gemachtigde: mr. V.J. Leijh).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Fastned tegen de aan haar verleende vergunningop verzorgingsplaats [naam 2] .\n\nDe minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van Fastned , de gemachtigden van de minister en de gemachtigde van EG Retail .\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. Fastned heeft op 20 december 2011 een aanvraag gedaan voor het realiseren van een basisvoorziening energielaadpunt met acht laadplekken voor elektrisch snelladen op verzorgingsplaats [naam 2] langs Rijksweg 6 (A6) in de gemeente Noordoostpolder. Fastned heeft de aanvraag aangevuld op 20 april 2022, 26 juli 2022 en 7 oktober 2022.\n\n2. Op verzorgingsplaats [naam 2] is al een vergunde en gerealiseerde basisvoorziening energieoplaadpunt van Mister Green Fast Charging Network B.V. (Fast Charging Network) aanwezig in de vorm van één laadpaal met twee laadplekken op de algemene parkeervoorziening aan de rechterzijde van de verzorgingsplaats. Daarnaast is op de verzorgingsplaats het benzinestation van EG gevestigd, dat geëxploiteerd wordt door Esso . Het benzinestation heeft vier tankzuilen met acht opstelplaatsen, waar in totaal acht voertuigen tegelijkertijd kunnen tanken.\n\n3. De minister heeft de vergunning voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De ontwerpbeschikking heeft van 23 december 2022 tot 3 februari 2023 ter inzage\n\ngelegen. EG heeft tegen de ontwerpvergunning een zienswijze ingediend.\n\n4. Met het bestreden besluit van 25 april 2023 heeft de minister de vergunning aan Fastned verleend. Ten opzichte van de ontwerpvergunning heeft de minister een wijziging aangebracht. In plaats van een looptijd van vijftien jaar is aan de vergunning een looptijd van iets meer dan zeven jaar verbonden. Het verkorten van de looptijd houdt verband met de Tijdelijke beleidsregel, welke op 23 december 2022 is gepubliceerd.In deze Tijdelijke beleidsregel heeft de minister aanvullende regels gesteld over de geldigheidsduur van Wbr-vergunningen en heeft hij een vergunningenstop opgenomen. Op grond van de Tijdelijke beleidsregel moet de minister bij de vergunningverlening aan Fastned rekening houden met de looptijd van de vergunning van Fast Charging Network voor een basisvoorziening. Deze vergunning loopt op 22 juli 2030 af. Om die reden heeft de minister de vergunning aan Fastned verleend tot 22 juli 2030.\n\n5. Het beroep van Fastned tegen het bestreden besluit richt zich uitsluitend tegen de looptijd van de vergunning.\n\nJuridisch kader\n\n6. Artikel 3, eerste lid, van de Wbr bepaalt, voor zover hier relevant, dat een vergunning slechts kan worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken. Een aanvraag tot wijziging van een Wbr-vergunning moet, kort gezegd, worden beoordeeld op veiligheid en doelmatigheid.\n\n7. Het toetsingskader voor aanvragen om een vergunning voor het aanbieden van voorzieningen op een verzorgingsplaats langs rijkswegen, als bedoeld in artikel 3 van de Wbr, is het beleid, zoals neergelegd in de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen (de Kennisgeving). De Kennisgeving is in 2004 vastgesteld en in 2011, 2013, 2017, 2021 en 2022 gewijzigd. Daarnaast is in aanvulling op de Kennisgeving op 23 december 2022 de Tijdelijke beleidsregel gepubliceerd in de Staatscourant.\n\n8. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt een vergunning slechts verleend of gewijzigd met een geldigheidsduur die in ieder geval is beperkt (a) tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van een voor inwerkingtreding van deze beleidsregel verleende vergunning voor een basisvoorziening energielaadpunt op de betreffende verzorgingsplaats, of (b) als voor de betreffende verzorgingsplaats geen vergunning als bedoeld in onderdeel a, is verleend, tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van de voor inwerkingtreding van deze beleidsregel gesloten huurovereenkomst van een locatie voor een motorbrandstoffenverkooppunt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen op deze verzorgingsplaats. De Tijdelijke beleidsregel beoogt de implementatie van de beleidsvisie van de minister tot herordening van de inrichting van verzorgingsplaatsen te faciliteren. Volgens de beleidsvisie is het eindbeeld in 2050 een verzorgingsplaats die voorziet in de (energie)behoeften van een zero-emissie wagenpark door middel van één laadlocatie per verzorgingsplaats. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat concurrentie plaatsvindt tussen de verzorgingsplaatsen en niet óp de verzorgingsplaatsen.\n\n9. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt geen vergunning verleend, indien toepassing van het eerste lid zou leiden tot een geldigheidsduur van minder dan vijf jaar.\n\n10. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel treedt de beleidsregel in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, dus op 24 december 2022.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt in dit beroep of de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten de Wbr-vergunning met een geldigheidsduur tot 22 juli 2030 aan Fastned te verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van Fastned .\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.\n\n13. De rechtbank heeft in een soortgelijke zaak over verzorgingsplaats Haarrijn een uitspraak gedaan op 21 juli 2023.Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat de Tijdelijke beleidsregel op zichzelf niet kennelijk onredelijk en ook niet in strijd met de doelstellingen van de nieuwe beleidsvisie is. De hiervoor relevante overwegingen van de rechtbank in de uitspraak van 21 juli 2023 worden hier als herhaald en ingelast beschouwd. In zoverre is de Tijdelijke beleidsregel niet in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Voor zover Fastned deze grond herhaalt, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 21 juli 2023.\n\nMoest de minister afwijken van het beleid op grond van artikel 4:84 van de Awb?\n\n14. Fastned stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de minister in dit geval van het beleid had moeten afwijken op grond van artikel 4:84 van de Awb. Fastned wijst ten eerste op de overschrijding van de wettelijke beslistermijn. Als de minister deze termijn wel in acht zou hebben genomen, dan zou de vergunning aan Fastned zijn verleend vóór de inwerkingtreding van de Tijdelijke beleidsregel. Fastned zou in dat geval een vergunning met een looptijd van vijftien jaar hebben gekregen. Fastned heeft op verzorgingsplaats [naam 2] al veel investeringen gedaan met het oog op een langere looptijd van de vergunning. De minister neemt het voorgaande ten onrechte niet mee in de belangenafweging, hetgeen volgens Fastned onzorgvuldig en onevenwichtig is.\n\n15. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat de wettelijke beslistermijn is overschreden op zichzelf geen omstandigheid is die ertoe leidt dat het geldende beleid buiten toepassing behoort te blijven. Voor zover Fastned wijst op de belangenafweging stelt de rechtbank vast dat in de toelichting van artikel 3 en 4 van de Tijdelijke beleidsregel is gemotiveerd waarom de looptijd van vergunningen wordt bekort. De rechtbank stelt verder vast dat de looptijd van de vergunning rekening houdt met het belang van het met het toekomstig beleid te dienen doel, zoals neergelegd in de beleidsvisie, alsook het belang van Fastned door de vergunning niet verder te bekorten dan zeven jaar. Fastned heeft daarnaast de gestelde financiële investeringen op [naam 2] niet met concrete stukken onderbouwd en ook niet aannemelijk gemaakt dat binnen de looptijd van de vergunning de gestelde investeringen niet kunnen worden terugverdiend. In zoverre is geen sprake van onzorgvuldigheid of onevenwichtige besluitvorming.\n\n16. Volgens Fastned is het niet noodzakelijk om de looptijd voor verzorgingsplaats\n\n [naam 2] te bekorten. Een vergunning voor deze locatie met een looptijd van vijftien jaar staat namelijk de algemene implementatie van de nieuwe beleidsvisie niet in de weg. Daarvoor is immers nog geen planning opgesteld, er is nog geen verdelingsmethode gekozen en er is nog niet begonnen met de inrichtingsplannen per verzorgingsplaats. Fastned stelt verder dat zij op deze locatie bovendien al voldoet aan de voorwaarden van het toekomstig beleid op de punten van exclusiviteit en het gebiedscriterium. De minister heeft toegelicht dat het beleid is gericht op het zo snel mogelijk invoeren van een nieuwe verdelingssystematiek. Daarbij leiden uitzonderingen ertoe dat de nieuwe verdelingssystematiek wordt ondergraven. Een langere looptijd voor deze verzorgingsplaats betekent bovendien ook dat andere partijen niet kunnen toetreden tot de markt. Verder heeft de minister toegelicht dat het toekomstig beleid nog in ontwikkeling is en daarom niet op voorhand vaststaat dat Fastned daaraan voldoet. Met deze toelichting heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom het bekorten van de looptijd in dit geval ook noodzakelijk is.\n\n17. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de minister artikel 4:84 van de Awb had moeten toepassen.\n\nArtikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet\n\n18. Fastned voert verder aan dat de vergunning in strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet is verleend voor de duur van zeven jaar. Zij wijst ter ondersteuning daarvan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 juli 2021.\n\n19. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet. Uit de genoemde uitspraak volgt weliswaar dat de minister er rekening mee moet houden dat aan vergunninghouders voldoende tijd wordt geboden om de door hen noodzakelijk gemaakte investeringen en de investeringen die zij lopende de geldigheidsduur van de vergunning redelijkerwijs moeten maken, te kunnen afschrijven, maar deze termijn hoeft niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder te worden bepaald. Wel kan volgens de uitspraak per branche, met inachtneming van de tijd waarin de noodzakelijke investeringen van de standplaatshouders binnen die branche gemiddeld genomen worden terugverdiend, worden vastgesteld binnen welke termijn de hiervoor bedoelde afschrijvingen redelijkerwijs kunnen worden gedaan. In de Tijdelijke beleidsregel heeft de minister dit gedaan door een zogenoemde ‘kap’ te zetten op vijf jaar en in de toelichting bij de Tijdelijke beleidsregel heeft hij deze kap gemotiveerd. De rechtbank heeft de kap in bovengenoemde uitspraak van 21 juli 2023 niet onredelijk gevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. De rechtbank overweegt aanvullend dat het Fastned vrijstaat om minder laadpunten te realiseren om tijdig de investeringen terug te verdienen. Voor zover Fastned stelt dat zij haar investeringen niet zou kunnen terugverdienen, ook niet met minder laadpunten, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt.\n\nBeleidswijziging en lopende aanvraag\n\n20. Fastned stelt dat het toepassen van de Tijdelijke beleidsregel in strijd is met de systematiek van de verdeling van schaarse vergunningen. Fastned beroept zich opnieuw op een uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012.Daarnaast wijst Fastned op een uitspraak van de Afdeling van 7 september 2016.Fastned betoogt dat uit deze uitspraken volgt dat de uitspraak van 21 juli 2023 van deze rechtbank onjuist is.\n\n21. De rechtbank heeft in de uitspraak van 21 juli 2023 geoordeeld dat de vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012 niet opgaat omdat, anders dan in die uitspraak, de beleidswijziging in dit geval niet direct ziet op de methode aan de hand waarvan wordt bepaald aan wie de vergunningen worden verleend, maar slechts op de duur van de vergunning. De rechtbank ziet in hetgeen Fastned aanvullend heeft gesteld geen aanleiding om terug te komen van dit oordeel. De rechtbank is van oordeel dat Fastned ook niet aannemelijk heeft gemaakt op welke wijze zij aan de uitspraak van 7 september 2016 steun kan ontlenen voor de stelling dat in haar voordeel van het beleid moet worden afgeweken.\n\n22. Volgens Fastned is het toepassen van de verkorte looptijd in haar geval ook in strijd met de rechtszekerheid. Als sprake is van rechtmatig gevoerd beleid dat wordt gewijzigd, dan moet die wijziging wel tijdig bekend worden gemaakt en mag niet zonder meer een kortere looptijd worden toegepast op lopende aanvragen. Fastned verwijst, evenals in andere beroepen, naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 3 september 2019en stelt dat de rechtbank die uitspraak ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.\n\n23. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 21 juli 2023 heeft overwogen gaat de vergelijking met de uitspraak van het CBb over subsidies niet op. De hiervoor relevante overwegingen van de rechtbank in de uitspraak van 21 juli 2023 worden hier als herhaald en ingelast beschouwd. De rechtbank ziet in hetgeen Fastned aanvullend heeft gesteld geen aanleiding om anders te oordelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n24. De minister heeft aan Fastned in redelijkheid een Wbr-vergunning kunnen verlenen met een looptijd tot 22 juli 2030.\n\n25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Fastned geen gelijk krijgt. Fastned krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzitter, en mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).\n\n Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 december 2022, tot vaststelling van een tijdelijke beleidsregel inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op elektrische laadpunten op verzorgingsplaatsen, Stcrt, 23 december 2022, nr. 32554.\n\n ECLI:NL:RBAMS:2023:4789.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1588\n\n ECLI:NL:RVS:2012:BW7592.\n\n ECLI:NL:RVS:2016:2423.\n\n ECLI:NL:CBB:2019:378.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:179","2024-01-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.381Z",15,20,[182,183,11,184,185],2026,2025,2023,2022]