[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-benefits-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":139},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":35,"page":14,"limit":138},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},86,"benefits-law-nl","Benefits Law","NL","2026-07-08T16:55:44.327Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,31,33,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":26},6,10,{"month":28,"count":14},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":26,"count":15},{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,61,68,77,87,95,104,111,121,130],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"915","ECLI:NL:RBOBR:2026:4636","ecli-nl-rbobr-2026-4636","",72,"2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 25\u002F2933\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster], uit [vestigingsplaats] , verzoekster\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: M.A. Brouwer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de vraag welke schade het UWV aan verzoekster moet vergoeden als gevolg van te late besluitvorming door het UWV. Verzoekster heeft de rechtbank gevraagd hierover te oordelen.\n\n1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de schade van verzoekster heeft vergoed. De overige schade waarvan verzoekster vergoeding vraagt komt niet voor vergoeding in aanmerking. Verzoekster krijgt dus geen gelijk en het verzoek om veroordeling van het UWV tot een hogere schadevergoeding wordt afgewezen. Verzoekster krijgt wel een vergoeding van een deel van haar proceskosten, omdat het UWV een nieuw besluit heeft genomen over de schadevergoeding aan verzoekster, nadat verzoekster haar verzoek bij de rechtbank had ingediend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoekster heeft op 13 augustus 2025 een verzoek om schadevergoeding ingediend bij het UWV. Op 15 oktober 2025 heeft het UWV op dit verzoek beslist en aan verzoekster een schadevergoeding toegekend van € 1.450,19.\n\n2.1. Verzoekster heeft op 31 oktober 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingestuurd.\n\n2.2. Het UWV heeft op 18 november 2025 een nieuwe beslissing genomen met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding en daarbij een schadevergoeding aan verzoekster toegekend van in totaal € 24.625,19.\n\n2.3. Verzoekster heeft haar verzoekschrift aangevuld.\n\n2.4. Het UWV heeft gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.\n\n2.5. Verzoekster heeft op het aanvullende verweerschrift gereageerd.\n\n2.6. De rechtbank heeft het verzoek op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het UWV.\n\n2.7. De rechtbank heeft ter zitting verzoekster een termijn verleend voor het indienen van nadere stukken en het onderzoek aangehouden.\n\n2.8. Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd. Het UWV heeft hierop gereageerd. Verzoekster heeft vervolgens gereageerd op de reactie van het UWV.\n\n2.9. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de schade die verzoekster claimt voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is van oordeel dat het UWV met de toekenning van een schadevergoeding van € 24.625,19 de geleden schade van verzoekster heeft vergoed en dat daarom het verzoek van verzoekster om een hogere schadevergoeding moet worden afgewezen. Hierna wordt dit uitgelegd.\n\nDe aanleiding voor het verzoek en de standpunten van partijen\n\n4. De ex-werknemer van verzoekster is in februari 2022 ziek geworden. Nadat hij twee jaar ziek is gebleven en verzoekster twee jaar zijn loon had doorbetaald, heeft de ex-werknemer een WIA-uitkering aangevraagd bij het UWV. Naar aanleiding van een verzoek om herbeoordeling op 30 oktober 2024, heeft het UWV op 23 juni 2025 besloten een IVA-uitkering toe te kennen aan de ex-werknemer vanaf 30 oktober 2024 (het WIA-besluit). De uitkering is dus met terugwerkende kracht van toepassing, vanaf het moment van ontvangst van het verzoek om herbeoordeling.\n\n4.1. Tijdens de behandeling van het verzoek om herbeoordeling heeft verzoekster het loon van de ex-werknemer doorbetaald. Nu het UWV het besluit om aan de ex-werknemer een hogere uitkering toe te kennen te laat heeft genomen heeft verzoekster het loon van de ex-werknemer langer doorbetaald dan nodig was. Verzoekster heeft het UWV dan ook gevraagd om het te veel betaalde loon te vergoeden vanaf 30 oktober 2024 tot en met juni 2025 samen met een vergoeding voor andere door verzoekster gemaakte kosten. In totaal heeft verzoekster volgens het UWV € 46.1943,63 aan kosten gemaakt en zij heeft het UWV in eerste instantie verzocht om € 20.305,09 te vergoeden.\n\n4.2. Het UWV heeft aanvankelijk € 1.450,19 vergoed. Meer schade die voor vergoeding in aanmerking komt had verzoekster volgens het UWV niet geleden. Het loon van de ex-werknemer over de maanden november 2024 tot en met juni 2025 was € 46.1943,63. Een deel van dit loon, €21.569,44, heeft eiseres van het UWV ontvangen vanwege de WGA-uitkering van de ex-werknemer en € 23.175,- is vergoed aan eiseres door haar verzuimverzekeraar Sazas verzuimverzekeringen (Sazas). Na indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank heeft het UWV aan verzoekster laten weten dat ook de € 23.175,- door het UWV wordt vergoed. Het UWV heeft eiseres gevolgd in haar standpunt dat deze kosten door Sazas zijn teruggevorderd. De schade van verzoekster wordt door het UWV hiermee vastgesteld op € 24.625,19.\n\n4.3. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht het UWV te veroordelen tot een hogere schadevergoeding. Verzoekster stelt meer schade te hebben dan het UWV tot nu toe heeft vergoed. Verzoekster stelt dat Sazas € 28.350,- terugvordert in plaats van € 23.175,-, zodat UWV is gehouden om nog € 5.175,- te vergoeden. Ook vraagt zij om de kosten van Merks Advies (haar gemachtigde) te vergoeden. Deze kosten zijn volgens eiseres gemaakt om de fouten van het UWV te moeten corrigeren en kosten die verband houden met de\n\nre-integratie van de ex-werknemer. De kosten hiervan zijn € 6.260,- voor de periode november 2024 tot en met juni 2025 en € 4.772,- voor de periode juli 2025 tot en met november 2025. In totaal vraagt verzoekster voor de kosten van Merks Advies dus € 11.032,-.\n\n4.4. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat hij een termijn van 8 weken heeft om een beslissing te nemen op het verzoek tot herbeoordeling van eiseres. Het verzoek is op 30 oktober 2024 ingediend, zodat deze termijn eindige op 27 december 2024. Pas na deze datum is de schade van verzoekster ontstaan, omdat vanaf dat moment vaststaat dat het UWV te laat op het verzoek om herbeoordeling heeft beslist. Het UWV heeft de schade van verzoekster vergoed vanaf 1 november 2024. Daarmee heeft het UWV verzoekster niet tekort gedaan. Het UWV schrijft verder dat hij de kosten die verzoekster heeft gemaakt en daarna zijn teruggevorderd door Sazas heeft vergoed. Dat Sazas nu een hoger bedrag terugvordert dan dat het UWV aan verzoekster heeft betaald, is volgens het UWV een kwestie tussen verzoekster en Sazas. Er is geen causaal verband tussen het hogere bedrag dat Sazas terugvordert en de te late beslissing. De door verzoekster geclaimde schade vanwege de kosten voor Merks Advies komen volgens het UWV niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze schade niet een rechtsreeks gevolg is van het te late WIA-besluit. De kosten gemaakt vanwege re-integratie zijn geen gevolg van het te late besluit, maar gingen daaraan vooraf. De facturen die zijn overgelegd laten volgens het UWV alleen zien dat er werkzaamheden zijn verricht door Merks Advies, maar specificeren niet welke werkzaamheden dat dan zijn geweest en hoe deze het gevolg waren van het te late WIA-besluit. Het verzoek om de nabetaling IVA aan de werkgever over te maken, het verzoek om de maandelijkse uitkering aan de werkgever over te maken, het verzoek om schadevergoeding en de toelichting op de geclaimde loonschade zijn wel inzichtelijk. Toch komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking volgens het UWV, omdat deze werkzaamheden behoren tot reguliere taken van een werkgever en bij de reguliere bedrijfsvoering horen. Dat de werkgever deze taken heeft uitbesteed, is een keuze van de werkgever. Het UWV beroept zich op de jurisprudentie waarin dit is beslist.\n\nBeoordelingskader\n\n5. De bestuursrechter is bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit.\n\n5.1. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van zo’n verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluit bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. De vraag die in deze zaak aan de rechtbank voorligt is of er een oorzakelijk (causaal) verband bestaat tussen enerzijds de te late besluitvorming en anderzijds de schadeposten die verzoekster claimt. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of die schadeposten aan het UWV kunnen worden toegerekend, zodat het UWV die schade moet betalen.Tot slot vergelijkt de rechtbank de uitkomst van deze beoordeling met de schadevergoeding die het UWV al heeft toegekend en de onderbouwing daarvan.\n\n5.2. Bij dit alles geldt als uitgangspunt dat de schadevergoeding de verzoekster zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit – de te late besluitvorming – niet zou hebben plaatsgevonden. Dat betekent in deze zaak dat de hoogte van de schade het positieve verschil is tussen enerzijds het door verzoekster betaalde loon aan de ex-werknemer en de kosten die daarbij kwamen kijken en anderzijds de kosten die zij had gehad als het UWV op tijd een besluit had genomen op het verzoek om herbeoordeling van de ex-werknemer.\n\nBeoordeling van het verzoek om schadevergoeding\n\n6. Tussen verzoekster en het UWV staat niet ter discussie dat te laat is besloten op het verzoek om herbeoordeling en dat verzoekster daardoor schade heeft geleden. Het geschil gaat over de hoogte van de schade. In beroep zijn nog twee schadeposten in geschil: te weten: 1. de loonkosten die door eiseres zijn doorbetaald aan de ex-werknemer en aanvankelijk door Sazas zijn uitgekeerd, maar uiteindelijk door Sazas zijn teruggevorderd. Het betreft nog een bedrag van € 5.175,-; 2. de kosten van Merks Advies van in totaal € 11.032,-. De rechtbank zal deze gevorderde schadeposten beoordelen.\n\n1. De terugvordering van de uitkering van Sazas van € 5.175,-\n\n7. De rechtbank volgt het UWV niet in zijn standpunt dat de uitkering die door Sazas is teruggevorderd niet voor vergoeding in aanmerking komt. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat het totale bedrag van € 28.350,- betrekking heeft op door eiseres aan de ex-werknemer doorbetaalde loonkosten van na 27 december 2024. Er is dus een causaal verband tussen enerzijds het schadeveroorzakende feit, te weten de te late WIA-beslissing en de door eiseres geleden schade. Dat eiseres aan het UWV aanvankelijk om een te lage vergoeding van deze schadepost heeft verzocht, houdt de rechtbank op een omissie van eiseres, die zij in beroep heeft hersteld door alsnog deze schadepost te specificeren. Toch leidt dit niet tot het oordeel dat het UWV is gehouden om het nog niet vergoede bedrag van € 5.175,- aan eiseres te betalen. Dat motiveert de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het UWV eiseres meer dan volledig schadeloos heeft gesteld met de toekenning van in totaal € 24.625,19. Met het UWV is de rechtbank het eens dat hij aan eiseres over de maanden november 2024 en december 2024 onterecht schadevergoeding heeft betaald, omdat in deze maanden het schadeveroorzakende feit, het te laat beslissen, nog niet plaatsgevonden. Dit betekent dat het UWV € 8.654,27 ten onrechte aan verzoekster heeft vergoed. Dit bedrag is door verzoekster niet betwist. Omdat het UWV € 8.654,27 te veel schadevergoeding heeft betaald, kan de door verzoekster gevraagde € 5.175,- niet leiden tot toekenning van een hogere schadevergoeding dan die zij al heeft ontvangen van het UWV. Een ander oordeel zou leiden tot de situatie waarin verzoekster door de schadevergoeding in een betere financiële positie komt te verkeren en dit druist in tegen het uitgangspunt dat de schadevergoeding verzoekster zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit – de te late besluitvorming – niet zou hebben plaatsgevonden. Voor dit oordeel is ook van belang dat de rechtbank de door verzoekster gevraagde schadepost van € 11.032,- voor de kosten van Merks Advies afwijst. Hoe de rechtbank tot dit oordeel komt, licht de rechtbank hieronder toe.2. De kosten van Merks Advies van € 11.032,-7.1.. De kosten van Merks zijn volgens verzoekster gemaakt om de fouten van het UWV te herstellen. Voor zover daarvan al sprake is, kan dat niet leiden tot toewijzing van het gevorderde bedrag, omdat verzoekster niet aannemelijk heeft kunnen maken dat deze kosten verband houden met het schadeveroorzakende feit. Daar komt bij dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 9 december 2015heeft geoordeeld dat kosten voor reguliere, binnen het dienstverband verrichte werkzaamheden niet voor schadevergoeding in aanmerking komen. De werkzaamheden die Merks Advies heeft uitgevoerd in verband met het voldoen aan re-integratieverplichtingen en een eventuele discussie hierover met een uitvoeringsinstantie zoals het UWV, behoren, als deze binnen bepaalde grenzen blijven, tot de normale bedrijfsvoering. Dat verzoekster deze werkzaamheden aan haar gemachtigde heeft uitbesteed doet niets af aan dit uitgangspunt. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden deze grens hebben overschreden. Verzoekster heeft niet aan de hand van een inzichtelijke berekening duidelijk gemaakt waarin de noodzaak lag voor de geclaimde uren aan werkzaamheden naar aanleiding van het te laat beslissen door het UWV. Met het ingebrachte urenoverzicht van de gemachtigde heeft verzoekster hierin niet voorzien. De werkzaamheden die de gemachtigde van verzoekster naar aanleiding van het te laat beslissen heeft verricht behoorden daarom tot de normale bedrijfsvoering en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Over de kosten die verzoekster claimt omdat haar gemachtigde kosten heeft gemaakt voor deze procedure, oordeelt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak er geen plaats is voor een aanvullende vergoeding van proceskosten via de weg van een aanvullend verzoek om schadevergoeding.Voor zover de kosten van juridische bijstand moeten worden gezien als buitengerechtelijke kosten heeft verzoekster niet voldoende concreet en inzichtelijk onderbouwd dat van deze kosten sprake is geweest en dat het maken van de kosten, in de gegeven omstandigheden, redelijk is en dat de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk was om vergoeding van de schade te verkrijgen.\n\n7.2.. De slotsom is dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, voor zover de hoogte daarvan de door het UWV toegekende schadevergoeding te boven gaat.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het verzoek om aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt.\n\n8.1.. Het UWV heeft een aanvullende schadevergoeding toegekend met het besluit van 18 november 2025 naar aanleiding van het verzoek. In de omstandigheid dat verzoekster een verzoek heeft moeten indienen om die aanvullende schadevergoeding te krijgen, ziet de rechtbank aanleiding om het UWV te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar griffierecht. Het UWV moet deze vergoeding betalen.\n\n8.2.. De hoogte van de proceskosten stelt de rechtbank vast op € 934,-. De rechtbank gaat hierbij uit van 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift. De rechtbank kent in dit geval geen punt toe voor het bijwonen van de zitting omdat het nieuwe schadebesluit door het UWV twee weken na het indienen van het verzoek is genomen, nog voor de zaak op zitting is gepland.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het verzoek om aanvullende schadevergoeding af;\n\n- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 385,- aan verzoekster te vergoeden;\n\n- veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van N. Verhoeven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\n Wet werk en inkomensvoorziening naar arbeidsvermogen.\n\n Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.\n\n Centrale Raad van Beroep 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4452 en Centrale Raad van Beroep 22 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:130.\n\n Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.\n\n Centrale Raad van beroep 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4452.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1319.\n\n Centrale Raad van Beroep 3 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2094, en 16 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:87.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4636","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:54.342Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":50,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":60},"968","ECLI:NL:RBZWB:2026:5836","ecli-nl-rbzwb-2026-5836",64,"RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F2224\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de vaststelling dat zij geen recht heeft op huurtoeslag voor het jaar 2023 en de terugvordering van haar huurtoeslag over hetzelfde jaar. Eiseres heeft een aantal argumenten aangevoerd waarom ze het niet eens is met het besluit van de Dienst Toeslagen. Aan de hand van deze argumenten, de beroepsgronden, beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van eiseres terecht heeft vastgesteld op € 0 en daarom ook terecht het betaalde voorschot heeft teruggevorderd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn.\n\nWat aan deze procedure voorafging\n\n2. Op 23 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van eiseres voor het jaar 2023 voorlopig vastgesteld op een bedrag van € 2.903.2.1.. In 2024 heeft de Dienst Toeslagen een melding ontvangen dat eiseres beschikt over een vermogen in de vorm van spaargeld. Dit vermogen is te hoog voor huurtoeslag, waardoor de Dienst Toeslagen met het besluit van 9 augustus 2024 heeft bepaald dat eiseres voor het jaar 2023 geen recht heeft hierop. In dat besluit is daarom de huurtoeslag vastgesteld op € 0. Daarnaast is besloten dat eiseres het betaalde voorschot, € 2.915 (waarvan € 12 rente), moet terugbetalen.2.2.. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.2.3.. Tussen eiseres en de Dienst Toeslagen heeft een gesprek plaatsgevonden om het bezwaar te bespreken.2.4.. Met het besluit van 30 januari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de Dienst Toeslagen het eerdere besluit in stand gelaten, aangevuld met een motivering. Dit besluit, het bestreden besluit, wordt in deze procedure door de rechtbank beoordeeld.\n\n2.5.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.6.. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.7.. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres was hierbij aanwezig. Namens de Dienst Toeslagen zijn mr. N. Akka en [gemachtigde] verschenen.Beoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de Dienst Toeslagen terecht heeft besloten dat eiseres over het jaar 2023 geen recht heeft op huurtoeslag en een bedrag van € 2.915 heeft teruggevorderd.\n\nWat zijn de regels?\n\n4. De huurtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van het huren van een woning.De hoogte hiervan is afhankelijk van iemands financiële draagkracht. Een onderdeel van deze draagkracht is het vermogen van de huurder.Dit betekent dat de huurtoeslag een inkomensafhankelijke regeling is. Daarom is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing op de huurtoeslag.4.1.. Het recht op huurtoeslag bestaat niet als de belanghebbende een voordeel ontvangt uit sparen of beleggen. Dit wordt een rendementsgrondslag genoemd. In 2023 was de maximale rendementsgrondslag € 33.748. Als het vermogen van de belanghebbende hoger is dan dit maximum, kan diegene geen huurtoeslag (meer) ontvangen.\n\n4.2.. In de bijlage bij deze uitspraak staan de regels die van belang zijn voor deze zaak.\n\nWelke argumenten heeft eiseres aangevoerd?\n\n5. Eiseres stelt dat het bedrag op de spaarrekening is bestemd voor de studie van haar dochter. Dit geld is meegenomen in de vaststelling van haar vermogen. Volgens eiseres is het grootste deel van het bedrag afkomstig van de vader van haar dochter. Eiseres betoogt dat ze het geld op de spaarrekeningen, dat toebehoort aan een ander, niet kan gebruiken om de huurtoeslag terug te betalen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nIs eiseres ontvankelijk in haar beroep?\n\n6. Iemand die beroep instelt bij de bestuursrechter, moet dat op tijd doen.Gebeurt dat niet, dan kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.Dat betekent dat de zaak niet inhoudelijk kan worden beoordeeld.6.1.. Partijen zijn het met elkaar eens dat eiseres haar beroepschrift te laat heeft ingediend. Eiseres heeft toegelicht dat ze door persoonlijke omstandigheden niet op tijd beroep heeft kunnen instellen.6.2.. De rechtbank beoordeelt of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarvan kan sprake zijn als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden. De bestuursrechter moet een belanghebbende de mogelijkheid bieden om de termijnoverschrijding verder uit te leggen. Dat kan bijvoorbeeld door extra feiten te noemen of documenten aan te leveren.6.3.. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet alleen schriftelijk maar ook op zitting voldoende toelichting heeft gegeven waaruit blijkt dat sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden. Eiseres was hierdoor niet in staat om op tijd beroep bij de rechtbank in te dienen en haar kan daarvan geen verwijt worden gemaakt. De termijnoverschrijding is daarom verschoonbaar. Ter zitting heeft de Dienst Toeslagen zich hier niet tegen verzet. In het vervolg van deze uitspraak wordt het beroep daarom inhoudelijk behandeld.\n\nHeeft de Dienst Toeslagen het vermogen van eiseres juist vastgesteld?\n\n7. Het recht op huurtoeslag is afhankelijk van de financiële draagkracht van de huurder. Om deze draagkracht vast te stellen, wordt onder andere bepaald wat iemands vermogen is.Dat is belangrijk, omdat vanaf een bepaald bedrag aan vermogen wordt aangenomen dat iemand een voordeel geniet uit sparen of beleggen. Dat wordt een rendementsgrondslag genoemd. In dat geval kan iemand geen huurtoeslag ontvangen.7.1.. Of sprake is van een voordeel uit sparen of beleggen, wordt vastgesteld op basis van de aanslag inkomstenbelasting van het betreffende jaar. Die gegevens worden vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst.7.2.. Om huurtoeslag te kunnen ontvangen, mag de rendementsgrondslag over 2023 niet hoger zijn dan € 33.748. De inspecteur van de Belastingdienst heeft het vermogen van eiseres over 2023 vastgesteld op € 35.657. De Dienst Toeslagen mag uitgaan van die gegevens.7.3.. \n\nOp grond van de wet worden bepaalde vormen van vermogen niet meegerekend bij de vaststelling van de rendementsgrondslag.De rechtbank stelt vast dat in dit geval geen sprake is van een dergelijke uitzondering. Eiseres voert aan dat het gespaarde bedrag grotendeels afkomstig is van de vader van haar dochter en dat ze dit hebben gespaard voor hun dochter. De rechtbank begrijpt dat eiseres het geld heeft gespaard voor een bepaald doel, maar voor die omstandigheid heeft de wet geen uitzondering gemaakt. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het vermogen van eiseres juist is vastgesteld.\n\nMocht de Dienst Toeslagen het gehele voorschot terugvorderen?\n\n8. De wet bepaalt dat het teveel betaalde voorschot volledig moet worden terugbetaald.Alleen in bijzondere omstandigheden kan deze terugvordering worden verminderd of kan daarvan worden afgezien.8.1.. Eiseres betoogt dat in dit geval sprake is van die bijzondere omstandigheden. Ze heeft aangevoerd dat ze het geld op de spaarrekeningen niet kan gebruiken voor het terugbetalen van het voorschot, omdat dit geld is gespaard voor haar dochter. Daarnaast benoemt ze dat het gespaarde bedrag de vermogensgrens minimaal overschrijdt en ze de huurtoeslag hard nodig heeft.8.2.. De rechtbank stelt voorop dat zij begrip heeft voor de persoonlijke situatie en het gevoel van eiseres. De omstandigheden die zij noemt, zijn echter geen bijzondere omstandigheden op basis waarvan de terugvordering kan worden verminderd. Het Verzamelbesluit Toeslagen noemt verschillende omstandigheden die wel of juist niet kunnen leiden tot een vermindering van de terugvordering.De kleine overschrijding van de vermogensgrens en de persoonlijke financiële situatie die eiseres noemt, zijn daarin genoemd als redenen om het bedrag niet te verminderen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres het gespaarde geld niet wil gebruiken om het voorschot terug te betalen, is dat geen reden om van terugvordering af te zien.8.3.. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen het gehele bedrag mocht terugvorderen.8.4.. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat voor eiseres de mogelijkheid bestaat om een herzieningsverzoek in te dienen bij de inspecteur van de Belastingdienst. Tijdens de zitting van 21 mei 2026 heeft de Dienst Toeslagen aangegeven bereid te zijn eiseres verder te informeren over deze mogelijkheid op het moment dat zij aangeeft hiervoor open te staan. De Dienst Toeslagen heeft op de zitting toegezegd dat zij niet zal overgaan tot de invordering van de huurtoeslag bij eiseres totdat er definitieve duidelijkheid bestaat over het inkomen van eiseres.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De rechtbank komt tot de conclusie dat de huurtoeslag van eiseres over 2023 terecht is vastgesteld op € 0. Ook oordeelt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen terecht het gehele voorschot van de huurtoeslag over het jaar 2023 heeft teruggevorderd.9.1.. Dat betekent dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en krijgt het betaalde griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nBijlage: regels die belangrijk zijn voor deze uitspraak\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 6:6\n\nHet bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:\n\nniet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of\n\n(…)\n\nmits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.\n\nArtikel 6:7\n\nDe termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.\n\nWet op de huurtoeslag\n\nArtikel 1\n\n(…)\n\nhuurtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van het huren van een woning;\n\n(…)\n\nArtikel 1a\n\n1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.\n\n(…)\n\nArtikel 7\n\n1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagdracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, dienst partner en de medebewoners.\n\n(…)\n\nAlgemene wet inkomensafhankelijke regelingen\n\nArtikel 1\n\nDeze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.\n\n(…)\n\nArtikel 7\n\nTer bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en van zijn partner in aanmerking genomen.\n\n(…)\n\nIndien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 38.479, dan wel meer zou bedragen dan dit bedrag indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. (…)\n\nArtikel 26\n\nIndien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.\n\nHet terug te vorderen bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig door de Dienst Toeslagen teruggevorderd. Voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering van het bedrag ingevolge het eerste lid onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, kan de Dienst Toeslagen bij het vaststellen van de beschikking tot terugvordering een lager bedrag terugvorderen dan het bedrag ingevolge het eerste lid.\n\n(…)\n\nVerzamelbesluit Toeslagen\n\n2.1\n\n(…)\n\nVan een onevenredige terugvordering is in beginsel geen sprake als:\n\n(…)\n\nde terugvordering het gevolg is van het overschrijden van een vermogensgrens;\n\nde belanghebbende de terugvordering vanwege ontoereikende financiële middelen niet kan voldoen;\n\n(…)\n\nUitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen\n\n1. Op verzoek van de belanghebbende blijft artikel 7, derde en vierde lid, van de wet (…) buiten toepassing indien wel aanspraak op huurtoeslag (…) zou bestaan indien ten aanzien van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomensbelasting 2001, zou worden verminderd met:\n\na. bezittingen die zijn opgekomen\n\ni. (…)\n\nii. Van de zijde van een kind en waarover zowel de belanghebbende, diens partner, een eventuele medebewoner, alsook het kind niet kan beschikken;\n\nb. (…)\n\n Artikel 1, onder e, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag; artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Artikel 6:6, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31 (r.o. 3.4).\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1730 (r.o. 10).\n\n Artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, in samenhang gelezen met artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Punt 2.1 van het Verzamelbesluit Toeslagen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5836","2026-07-13T00:28:56.909Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":50,"fullText":65,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":67},"971","ECLI:NL:RBZWB:2026:5835","ecli-nl-rbzwb-2026-5835","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F390\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling dat hij geen recht heeft op huurtoeslag voor het jaar 2024 en de terugvordering van een deel van zijn huurtoeslag over hetzelfde jaar. Eiser heeft een aantal argumenten aangevoerd waarom hij het niet eens is met het besluit van de Dienst Toeslagen. Aan de hand van deze argumenten, de beroepsgronden, beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWat aan deze procedure voorafging\n\n2. Op 24 juli 2024 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van eiser voor het jaar 2024 voorlopig vastgesteld op een bedrag van € 4.721.\n\n2.1.. In 2025 heeft de Dienst Toeslagen een melding ontvangen dat eiser beschikt over een vermogen dat bestaat uit zijn aandeel in een woning. Dit vermogen is te hoog, waardoor de Dienst Toeslagen met het besluit van 17 oktober 2025 heeft bepaald dat eiser voor het jaar 2024 geen recht heeft op huurtoeslag. In dat besluit is daarom de huurtoeslag vastgesteld op € 0. Daarnaast is besloten dat eiser het betaalde voorschot, € 4.776 (waarvan € 55 rente), moet terugbetalen.2.2.. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.2.3.. Met het besluit van 29 december 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het eerdere besluit in stand gelaten, aangevuld met een motivering.2.4.. Tegen het eerste bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.2.5.. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.2.6.. Tijdens de beroepsprocedure heeft de Dienst Toeslagen opnieuw beslist op het bezwaar van eiser. Met het besluit van 21 mei 2026 is de Dienst Toeslagen voor een deel tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiser. De Dienst Toeslagen heeft in dit besluit, het bestreden besluit, bepaald dat het bedrag dat eiser moet terugbetalen, wordt verminderd tot € 3.582. Op de zitting heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat bedoeld is dat dit besluit het eerdere vervangt. De wet bepaalt dat het beroep van eiser ook betrekking heeft op dit nieuwe bestreden besluit.\n\n2.7.. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser was hierbij aanwezig, bijgestaan door zijn tolk, [tolk] . Namens de Dienst Toeslagen zijn mr. N. Akka en [gemachtigde] verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de Dienst Toeslagen terecht heeft besloten dat eiser over het jaar 2024 geen recht heeft op huurtoeslag. Ook beoordeelt de rechtbank of de Dienst Toeslagen het betaalde voorschot tot een bedrag van € 3.582 heeft kunnen terugvorderen.\n\nWat zijn de regels?\n\n4. De huurtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van het huren van een woning.De hoogte hiervan is afhankelijk van iemands financiële draagkracht. Een onderdeel van deze draagkracht is het vermogen van de huurder.Dit betekent dat de huurtoeslag een inkomensafhankelijke regeling is. Daarom is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing op de huurtoeslag.4.1.. Het recht op huurtoeslag bestaat niet als de belanghebbende een voordeel ontvangt uit sparen of beleggen. Dat wordt een rendementsgrondslag genoemd. In 2024 was de maximale rendementsgrondslag € 36.952. Als het vermogen van de belanghebbende hoger is dan dit maximum, kan diegene geen huurtoeslag (meer) ontvangen.\n\n4.2.. In de bijlage bij deze uitspraak staan de regels die van belang zijn voor deze zaak.\n\nWelke argumenten heeft eiser aangevoerd?\n\n5. Eiser stelt dat zijn vermogen bestaat uit zijn aandeel in de woning die hij met zijn ex-partner heeft gekocht. Eiser betoogt dat hij geen toegang heeft tot dit geld. Volgens eiser mag de eigendom van deze woning daarom niet worden meegerekend bij de vaststelling van zijn vermogen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nHeeft de Dienst Toeslagen het vermogen van eiser juist vastgesteld?\n\n6. Het recht op huurtoeslag is afhankelijk van de financiële draagkracht van de huurder. Om deze draagkracht vast te stellen, wordt onder andere bepaald wat iemands vermogen is. Dat is belangrijk, omdat vanaf een bepaald bedrag aan vermogen wordt aangenomen dat iemand een voordeel geniet uit sparen of beleggen. Dat wordt een rendementsgrondslag genoemd. In dat geval kan iemand geen huurtoeslag ontvangen.6.1.. Of sprake is van een voordeel uit sparen of beleggen, wordt vastgesteld op basis van de aanslag inkomstenbelasting van het betreffende jaar. Die gegevens worden vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst. De Dienst Toeslagen mag zijn besluiten op die gegevens baseren.6.2.. Om huurtoeslag te kunnen ontvangen, mag de rendementsgrondslag over 2024 niet hoger zijn dan € 36.952. Het vermogen van eiser aan het begin van 2024 is vastgesteld op € 51.348.6.3.. Op grond van de wet worden bepaalde vormen van vermogen niet meegerekend bij de vaststelling van de rendementsgrondslag.De rechtbank stelt vast dat in dit geval geen sprake is van een dergelijke uitzondering. Eiser voert aan dat het vermogen bestaat uit zijn aandeel in een woning en dat hij daarom geen toegang heeft tot dit geld. De wet heeft geen uitzondering gemaakt voor vermogen dat bestaat uit een aandeel in een woning. Dit is ook niet anders doordat eiser daar niet woont, maar zijn ex-vrouw en hun kinderen. Het is begrijpelijk dat eiser hen niet op straat wil zetten. Dit verandert echter niets aan het feit dat hij gedeeltelijk eigenaar is van de woning. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het vermogen van eiser juist is vastgesteld.\n\nMocht de Dienst Toeslagen een deel van het voorschot terugvorderen?\n\n7. De wet bepaalt dat het teveel betaalde voorschot volledig moet worden terugbetaald.Alleen in bijzondere omstandigheden kan deze terugvordering worden verminderd of kan daarvan worden afgezien.7.1.. Eiser heeft aangevoerd dat hij de terugvordering onevenredig vindt, omdat hij over onvoldoende financiële middelen beschikt. Tijdens de zitting heeft eiser aangevoerd dat geheel moet worden afgezien van terugvordering.7.2.. Voor de terugvordering van betaalde voorschotten is beleid vastgesteld. Op basis van dit beleid is een gebrek aan financiële middelen geen reden om het terug te betalen bedrag te verlagen.De Dienst Toeslagen heeft tijdens de beroepsprocedure de situatie van eiser opnieuw beoordeeld. Hierbij is het financiële belang van eiser gewogen tegen het algemeen belang van het terugvorderen van een voorschot. Ook heeft de Dienst Toeslagen gekeken naar de rol die eiser heeft gehad in het laten ontstaan van de situatie. De Dienst Toeslagen heeft na deze nieuwe beoordeling besloten om niet het volledige voorschot terug te vorderen. Het terug te vorderen bedrag is in dit vervangende besluit verlaagd tot € 3.582 (inclusief € 41 rente).7.3.. Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden gekomen tot een matiging van de terugvordering. Het standpunt van eiser dat geheel van terugvordering had moeten worden afgezien, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van gehele terugvordering af te zien of om de terugvordering verder te verlagen.7.4.. Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat de Dienst Toeslagen met eiser een persoonlijke betalingsregeling heeft getroffen.Tijdens de zitting heeft de Dienst Toeslagen dit toegelicht. Als gevolg van deze regeling wordt het voorschot niet actief bij eiser ingevorderd. Dit betekent dat eiser het bedrag waar het om gaat, € 3.582, nu niet hoeft terug te betalen. Pas op het moment dat eiser een eenmalige teruggave ontvangt, wordt het openstaande bedrag van de terugvordering zo mogelijk daarmee verrekend.Conclusie en gevolgen\n\n8. De rechtbank komt tot het oordeel dat het recht op huurtoeslag van eiser over 2024 juist is vastgesteld. Ook oordeelt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen niet van volledige terugvordering had hoeven afzien. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.8.1.. Tijdens de beroepsprocedure heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser opnieuw beoordeeld. Naar aanleiding daarvan is een vervangend bestreden besluit genomen. Eiser is daarom terecht in beroep gegaan tegen het besluit van 29 december 2025. Daarom bepaalt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen het griffierecht dat eiser heeft betaald, moet vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nBijlage: regels die belangrijk zijn voor deze uitspraak\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 6:19\n\nHet bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.\n\n(…)\n\nWet op de huurtoeslag\n\nArtikel 1\n\n(…)\n\nhuurtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van het huren van een woning;\n\n(…)\n\nArtikel 1a\n\n1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.\n\n(…)\n\nArtikel 7\n\n1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagdracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, dienst partner en de medebewoners.\n\n(…)\n\nAlgemene wet inkomensafhankelijke regelingen\n\nArtikel 1\n\nDeze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.\n\n(…)\n\nArtikel 7\n\nTer bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en van zijn partner in aanmerking genomen.\n\n(…)\n\nIndien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 38.479, dan wel meer zou bedragen dan dit bedrag indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. (…)\n\nArtikel 26\n\nIndien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.\n\nHet terug te vorderen bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig door de Dienst Toeslagen teruggevorderd. Voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering van het bedrag ingevolge het eerste lid onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, kan de Dienst Toeslagen bij het vaststellen van de beschikking tot terugvordering een lager bedrag terugvorderen dan het bedrag ingevolge het eerste lid.\n\n(…)\n\nVerzamelbesluit Toeslagen\n\n2.1\n\n(…)\n\nVan een onevenredige terugvordering is in beginsel geen sprake als:\n\n(…)\n\nde terugvordering het gevolg is van het overschrijden van een vermogensgrens;\n\nde belanghebbende de terugvordering vanwege ontoereikende financiële middelen niet kan voldoen;\n\n(…)\n\nUitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen\n\n1. Op verzoek van de belanghebbende blijft artikel 7, derde en vierde lid, van de wet (…) buiten toepassing indien wel aanspraak op huurtoeslag (…) zou bestaan indien ten aanzien van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomensbelasting 2001, zou worden verminderd met:\n\na. bezittingen die zijn opgekomen\n\ni. (…)\n\nii. Van de zijde van een kind en waarover zowel de belanghebbende, diens partner, een eventuele medebewoner, alsook het kind niet kan beschikken;\n\nb. (…)\n\nLeidraad Invordering 2008\n\nArtikel 79.9\n\nAls de belanghebbende een betalingsregeling is toegestaan, als bedoeld in artikel 79.8 van deze leidraad, die rekening houdt met een betalingscapaciteit die ontoereikend is om het teruggevorderde bedrag binnen 24 maanden te voldoen, zal Dienst Toeslagen na afloop van die regeling de belanghebbende meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de nog openstaande schuld.\n\nAls aan de hand van de gegevens op het door de belanghebbende ingevulde vragenformulier is vastgesteld dat hij niet over enige betalingscapaciteit beschikt, dan zal Dienst Toeslagen de belanghebbende na die vaststelling meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de toeslagenschuld in kwestie.\n\nIn beide situaties wordt aan de mededeling de voorwaarde verbonden dat gedurende 3 jaar te rekenen vanaf de datum van de mededeling, eventuele toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting — voor zover die niet in maandelijkse termijnen worden uitbetaald — zullen worden verrekend met de buiten de invordering gelaten schuld.\n\n Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Artikel 1, onder e, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag; artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1730 (r.o. 10).\n\n Artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, in samenhang gelezen met artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Punt 2.1 van het Verzamelbesluit Toeslagen.\n\n Artikel 79.9 van de Leidraad Invordering 2008.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5835","2026-07-13T00:28:57.015Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":72,"fullText":73,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":51,"updatedAt":76},"920","ECLI:NL:RBOBR:2026:4607","ecli-nl-rbobr-2026-4607","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 25\u002F2436\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: E.A.M. Vervoort).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de terugvordering van een aan eiser verstrekt voorschot op zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beslissing over die terugvordering in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 7 juli 2025 heeft het UWV vastgesteld dat eiser € 782,51 bruto te veel aan voorschot op de WAO-uitkering heeft ontvangen en dat hij dit moet terugbetalen aan het UWV.\n\n2.1.. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 17 september 2025 (het bestreden besluit) is het UWV bij dat besluit gebleven.\n\n2.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn partner, en de gemachtigde van het UWV.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen een vraag van de rechtbank voor te leggen aan zijn voormalig werkgever. Eiser heeft van die gelegenheid gebruikgemaakt en de schriftelijke reactie van zijn voormalig werkgever (een brief van 23 maart 2026) in het geding gebracht. Het UWV is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Van die gelegenheid heeft het UWV gebruikgemaakt.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij het niet nodig vindt om in deze zaak een nadere zitting te houden en partijen de gelegenheid gegeven om het binnen vier weken te laten weten als zij wel op een nadere zitting willen worden gehoord. Geen van de partijen heeft binnen die termijn verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe relevante feiten\n\n3. Eiser bereikte op 26 juni 2025 de AOW-gerechtigde leeftijd. Eiser had tot die datum recht op een WAO-uitkering. Deze uitkering werd in de vorm van een voorschot verstrekt, waarbij achteraf de inkomsten werden verrekend met zijn uitkering. Eiser had namelijk naast zijn WAO-uitkering inkomen uit arbeid. Hij werkte voor [naam] Ook dat dienstverband eindigde op 26 juni 2025 wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.\n\n4. Eiser heeft voor de periode 1 juni 2025 tot en met 25 juni 2025 een voorschot ontvangen op zijn WAO-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het ging om een voorschot van € 724,54 bruto (exclusief vakantiegeld).\n\nEiser heeft in de maand juni 2025 in totaal € 4.541,10 bruto van zijn werkgever ontvangen, waaronder naast zijn gebruikelijke salaris een (eenmalig) bedrag van € 1.900 genaamd ‘uitkering Vut\u002FPensioen N\u002FBr.eenm’.\n\n5. Het UWV heeft op basis van de inkomensgegevens van de Belastingdienst een definitieve berekening van eisers WAO-uitkering uitgevoerd over juni 2025. Daarbij is berekend of het in juni 2025 verstrekte voorschot in overeenstemming was met het bedrag aan WAO-uitkering waar eiser in die maand recht op had. Dat heeft geleid tot de besluitvorming zoals weergegeven onder ‘Procesverloop’.\n\nDe standpunten van partijen\n\n6. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het voorschot op de WAO-uitkering dat eiser in juni 2025 heeft ontvangen (€ 782,51 incl. vakantiegeld) hoger is dan de uitkering waar eiser in die maand recht op had (€ 0,00). Dat bedrag moet eiser daarom terugbetalen. Het UWV heeft dit berekend door in de maand juni 2025 een bedrag van € 4.541,10 aan SV-loon in aanmerking te nemen. Het loonverlies (en arbeidsongeschiktheidspercentage) wordt berekend door de volgende som: (maatmanloon - SV-loon)\u002F maatmanloon x 100%. Het maatmanloon van eiser bedraagt € 4.629,80. Voormelde som leidt dan tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15%, zodat het uitkeringspercentage 0% bedraagt. De aan eiser in juni 2025 betaalde gift van\n\n€ 1.900, die onderdeel uitmaakt van het voormelde bedrag van € 4.541,10, is volgens het UWV door de werkgever (terecht) aangemerkt als SV-loon, zodat het moet worden verrekend met eisers WAO-uitkering. Dat dit is aangemerkt als SV-loon blijkt volgens het UWV uit de polisadministratie en eisers loonstrook. Volgens het UWV is deze gift, anders dan bijvoorbeeld extra salaris bij een 25-jarig of 40-jarig jubileum, niet uitgezonderd van het loonbegrip. Om die reden is het als loon in aanmerking genomen en verrekend met de uitkering.\n\n7. Eiser is het niet eens met de terugvordering. Hij voert aan dat hij, vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, in juni 2025 een financiële gift heeft ontvangen van zijn werkgever ter hoogte van € 1.900 (€ 50 netto per gewerkt jaar voor de door eiser gewerkte 38 dienstjaren). Eiser vindt het onterecht dat dit bedrag wordt verrekend met de WAO-uitkering. Dit is volgens eiser een ‘cadeau’ van zijn werkgever, wat ook zou blijken uit de personeelsgids van zijn werkgever. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser (in bezwaar) zijn loonstrook over de maand juni 2025 overgelegd. Als dit ‘cadeau’ was verstrekt na 1 juli 2025, dan was er volgens eiser niets aan de hand geweest en zou het UWV niets hebben verrekend. Eiser heeft het ontstane probleem aangekaart bij de werkgever en die zal de betreffende ‘cadeaus’ in het vervolg een maand later uitkeren.\n\nEiser stelt dat het UWV het cadeau bij het 25-jarig jubileum wel akkoord vond. Verder voert eiser aan dat hem onduidelijk is waarom hij nu € 643,01 netto moet terugbetalen, terwijl hij in juni 2025 € 595,30 netto van het UWV heeft ontvangen.\n\nDe redenen voor de beslissing van de rechtbank\n\n8. De wet- en regelgeving die voor de beoordeling van het beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n9. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht een bedrag van € 782,51 bruto van eiser heeft teruggevorderd.\n\n10. Om te kunnen bepalen of het UWV dit bedrag terecht van eiser heeft teruggevorderd is van belang of het UWV voor de maand juni 2025 het juiste bedrag aan inkomsten uit arbeid in aanmerking heeft genomen voor het berekenen van de arbeidsongeschiktheidsklasse op basis waarvan de WAO-uitkering van eiser over deze maand moet worden uitbetaald.\n\n11. Tussen partijen staat alleen ter discussie of het UWV de aan eiser gedane financiële verstrekking van € 1.900 terecht heeft betrokken in de verrekening met de WAO-uitkering, zoals bepaald in artikel 44 van de WAO. Op grond van deze bepaling moet het UWV een fictieve schatting te maken van de arbeidsongeschiktheid van de uitkeringsgerechtigde, indien hij inkomen uit arbeid ontvangt.\n\n12. Om te bepalen wat onder inkomen en loon als bedoeld in artikel 44 van de WAO wordt verstaan, wordt teruggevallen op het loonbegrip zoals dat in de fiscale wet- en regelgeving wordt omschreven. Dat is het zogeheten SV-loon. Dit is ook bepaald in de artikelen 2 en 2a van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen. De strekking van die bepalingen is hetzelfde, namelijk dat, voor zover hier van belang, als loon en inkomen heeft te gelden het loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten.\n\n13. Uit artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964 volgt dat niet tot loon behoort een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft.\n\n14. In de brief van 23 maart 2026 van de werkgever die eiser in het geding heeft gebracht, heeft de werkgever verklaard dat het verstrekte bedrag van € 1.900 geen verband houdt met het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar of na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar. Hieruit volgt dat het bedrag niet valt onder de wettelijke uitzondering zoals genoemd in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964. Er is dus geen sprake van een financiële verstrekking die buiten het (fiscale) loonbegrip valt. Dat het, zoals eiser stelt, door de werkgever een ‘cadeau’ wordt genoemd laat onverlet dat het wel een (gebruteerde) financiële verstrekking is waarvan de werkgever loonaangifte heeft gedaan. In zoverre is dus sprake van loon dat het UWV moet verrekenen met de WAO-uitkering.\n\n15. Eisers voormalig werkgever heeft het verstrekte bedrag van € 1.900 als SV-loon in de loonaangifte opgenomen in het aangiftetijdvak van juni 2025. Die informatie van de Belastingdienst komt terecht in de polisadministratie die het UWV gebruikt bij het vaststellen van het inkomen uit arbeid dat een uitkeringsgerechtigde ontvangt. Het UWV mag uitgaan van deze gegevens, tenzij wordt aangetoond dat die gegevens onjuist zijn. Eiser heeft de juistheid van deze gegevens van de Belastingdienst niet betwist. In artikel 44, tweede lid, van de WAO is uitdrukkelijk bepaald dat het loon wordt geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan. Dus in dit geval is dat juni 2025. Het UWV kan dus, voor zover eiser dat bedoelt aan te voeren, dat loon niet toerekenen aan een later dan wel ander tijdvak dan juni 2025.\n\n16. Het UWV heeft in het verweerschrift, onder verwijzing naar rechtspraak, verder uitgelegd dat hier sprake is van loon uit tegenwoordige arbeid en niet uit een vroegere dienstbetrekking, zodat de aan eiser gedane extra financiële verstrekking ook in die zin geen uitgezonderd loon vormt dat buiten beschouwing moet worden gelaten bij de schatting. Eiser heeft die uitleg niet betwist. Die uitleg van het UWV is ook in lijn met de rechtspraak van de hoogste rechter in Nederland in sociale zekerheidszaken, de Centrale Raad van Beroep.\n\n17. Gelet op het voorgaande heeft het UWV de financiële verstrekking van € 1.900 terecht als loon verrekend met de WAO-uitkering.\n\n18. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de eenmalige uitkering van € 1.900 in juni 2025 de overschrijding van de inkomensgrens in die maand veroorzaakt, waardoor eiser in die maand terugvalt van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% naar de lagere klasse van 0 tot 15%. Dat heeft tot gevolg dat zijn uitkeringspercentage in die maand wijzigt van 28% naar 0% van de grondslag. Hierdoor heeft eiser over die maand een te hoog voorschot aan WAO-uitkering ontvangen. Cijfermatig betekent dit volgens het UWV dat eiser in de maand juni 2025 € 782,51 te veel (voorschot) WAO-uitkering (inclusief vakantiegeld) heeft ontvangen. Dat is het (bruto)bedrag dat van eiser is teruggevorderd.\n\n19. Over de hoogte van dat teruggevorderde bedrag, waarvan eiser vindt dat het onduidelijk is, overweegt de rechtbank als volgt. In het betreden besluit en in het verweerschrift is hierover uitgelegd dat bij het in juni 2025 verstrekte bruto bedrag van € 724,54 een bedrag aan gereserveerde vakantietoeslag van bruto € 57,97 moet worden opgeteld, waarmee het totaal terug te vorderen bedrag uitkomt op € 782,51. Eiser heeft die uitleg verder niet betwist. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de hoogte van het teruggevorderde bedrag te twijfelen.\n\n20. Er zijn geen dringende redenen gesteld of gebleken op grond waarvan het UWV had moeten besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.\n\n21. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het UWV terecht een bedrag van € 782,51 bruto van eiser heeft teruggevorderd. De beroepsgronden slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nBijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving\n\nWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)\n\nArtikel 44\n\n1. Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:\n\na. niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%; of\n\nb. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.\n\nNa afloop van het in de aanhef genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid.\n\n2 Indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in dienstbetrekking arbeid als bedoeld in het eerste lid verricht of heeft verricht, wordt het loon geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.\n\n(…)\n\n8 Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder inkomen en loon als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.\n\nArtikel 57\n\n1. De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.\n\n2 De uitkering die onverschuldigd aan de werkgever is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de werkgever teruggevorderd, indien de werkgever de uitkering op grond van artikel 629, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in mindering heeft kunnen brengen op het loon.\n\n(…)\n\n6 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.\n\n7 Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.\n\n8 In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.\n\nRegeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen\n\nArtikel 2\n\n1. Onder loon als bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, van de WAO en 58, tweede lid, van de Waz wordt verstaan het loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer in de zin van die wet, met uitzondering van:\n\na. het loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964;\n\nb. loondervingsuitkeringen, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de door de werkgever betaalde aanvullingen op die uitkeringen;\n\nc. de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964. (…)\n\nArtikel 2a\n\n1. Onder inkomen als bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, van de WAO en 58, eerste lid, van de Waz wordt verstaan:\n\na.het loon, bedoeld in artikel 2;\n\n(…)\n\nc. het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, voor zover de verzekerde niet als werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Wet financiering sociale verzekeringen, inkomen verdient, met uitzondering van:\n\n1°.het loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964;\n\n(…)\n\n6 Bij de vaststelling van het inkomen wordt het in de relevante aangiftetijdvakken opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en de in die tijdvakken opgebouwde looncomponenten ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag als bedoeld in artikel 1:1 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten in aanmerking, waarbij het betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de uitbetaalde looncomponenten ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag in die tijdvakken niet in aanmerking worden genomen.\n\nWet financiering sociale verzekeringen\n\nArtikel 16\n\n1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.\n\n2 Tot het loon behoren niet:\n\na. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten met uitzondering van uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat en met uitzondering van toeslagen op grond van de Toeslagenwet;\n\n(…).\n\nWet op de loonbelasting 1964\n\nArtikel 11\n\n1. Tot het loon behoren niet:\n\n(…)\n\no. een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft, mits is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; (…).\n\n Algemene Ouderdomswet (AOW).\n\n Op grond van artikel 44 van de WAO.\n\n Vergelijk de uitspraak van 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1068","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4607","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:54.569Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":43,"courtId":81,"decisionDate":82,"fullText":83,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":51,"updatedAt":86},"1163","ECLI:NL:RBNNE:2026:2612","ecli-nl-rbnne-2026-2612",65,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F1758\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n [naam uit woonplaats] , verzoeker,\n\n en\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, het college\n\n(gemachtigde: S. de Jong).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoeker heeft op 22 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Op 6 februari 2026 heeft het college verzoeker gevraagd om aanvullende gegevens zodat de aanvraag kan worden beoordeeld. Hierbij heeft het college onder andere gevraagd om bankafschriften en overzichten van vermogen, schulden en inkomens. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verzoeker nadere stukken ingediend. Op 3 maart 2026 heeft er een intakegesprek plaatsgevonden.\n\n2.1.. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 maart 2026 afgewezen. Hiertoe heeft het college overwogen dat verzoeker onvoldoende informatie heeft verstrekt om zijn recht op bijstand vast te kunnen stellen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n2.2.. Op 30 maart 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om de voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 26\u002F1077. Bij uitspraak van 13 april 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang nu het college over de maand april 2026 een voorschot heeft toegekend.\n\n2.3.. Op 8 april 2026 heeft het college verzoeker gevraagd om aanvullende gegevens zodat de aanvraag kan worden beoordeeld. Hierbij heeft het college onder andere gevraagd om bankafschriften en transactie-overzichten van zijn gokaccounts over de periode van 22 oktober 2025 tot en met 8 april 2026. Daarnaast heeft het college verzocht om overzichten van zijn vermogen, schulden, inkomens en cryptocoins. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verzoeker nadere stukken ingediend.\n\n2.4.. Op 20 april 2026 heeft het college verzoeker (nogmaals) gevraagd om aanvullende gegevens. Hierbij heeft het college onder andere gevraagd om speel- en transactie- overzichten van al zijn gokaccounts \u002F wallets over de periode 22 oktober 2025 tot en met 8 april 2026. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verzoeker nadere stukken ingediend.\n\n2.5.. Op 5 juni 2026 heeft verzoeker een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.6.. Bij e-mailbericht van eveneens 5 juni 2026 heeft het college aan verzoeker verzocht om de volgende -nog ontbrekende- gegevens te overleggen:\n\nafschriften van de transacties die hebben plaatsgevonden op de rekening van Privalgo LTD;\n\nafschriften van de transacties die hebben plaatsgevonden op de rekening van Inpay A\u002FS;\n\neen uitdraai van zijn wallet bij Instant Casino;\n\neen overzicht van zijn wallet bij Coin Casino;\n\neen verifieerbare verklaring van de stortingen op uw ING-rekening op 4, 5, 6,10 en 26 februari 2026 en op 4, 6 en 7 maart 2026. Denk daarbij aan een ondertekende verklaring van de gever met daarop vermeld het bedrag, datum en doel waarvoor het gegeven is. En of er een verplichting is tot terugbetaling.\n\nHierbij heeft het college verzoeker verzocht deze gegevens uiterlijk 12 juni 2026 te overleggen.\n\n2.7.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.\n\n3.1.. Gelet op de aard van de bijstandsuitkering als vangnet en de stukken die verzoeker heeft overgelegd ten aanzien van de achterstand van de betaling van zijn huur ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen. De voorzieningenrechter zal de zaak daarom inhoudelijk behandelen.\n\nKan het verzoek worden toegewezen?\n\n4. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandsverlenende instantie deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet en als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, is dit een grond voor weigering van de bijstand.\n\n4.1.. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstand behoevende omstandigheden, is zijn financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. De bijstandsverlenende instantie is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.In beginsel worden afschriften over de laatste drie maanden opgevraagd. Indien op basis van concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen, kan het bijstandverlenend orgaan in het kader van dat onderzoek zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften en andere financiële gegevens van een betrokkene over een verder in het verleden liggende periode.\n\n4.2.. Indien een belanghebbende bij een aanvraag onvoldoende gegevens heeft aangeleverd om het recht op bijstand vast te kunnen stellen, moet aan de belanghebbende schriftelijk een termijn worden gegeven om de gevraagde gegevens aan te vullen. Dit wordt de hersteltermijn genoemd. De hersteltermijn moet zijn afgestemd op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en documenten. De lengte van de termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan te leveren.\n\n5. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het college op goede gronden tot een afwijzing van de aanvraag is gekomen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.\n\n5.1.. Uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften en overige gegevens komt een aaneenschakeling van bij- en afschrijvingen naar voren. Het college heeft verzoeker meerdere keren gevraagd om verifieerbare verklaringen te overleggen met betrekking tot de stortingen op zijn bankrekening en om (transactie)overzichten van zijn gokaccounts en betaalproviders. Naar aanleiding van deze verschillende verzoeken van het college heeft verzoeker weliswaar gegevens verstrekt, maar heeft verzoeker naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen volledig inzicht in zijn gokaccounts gegeven en heeft verzoeker ook geen deugdelijke verklaring voor de vele stortingen dan wel bijschrijvingen gegeven.5.2.. \n\nVoor zover verzoeker heeft aangegeven dat hij voor wat betreft de gokaccounts niet over meer informatie beschikt omdat deze accounts zijn beëindigd en hij hier geen toegang meer toe heeft, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroepis het bij onlinegokken, anders dan bij een bezoek aan een gokinstelling, in beginsel wèl mogelijk om een verifieerbare administratie of boekhouding te verstrekken waarin is opgenomen welke bedragen bij welk gokspel zijn ingezet, welk bedrag per speelbeurt is gewonnen en of de ontvangen bedragen eventueel weer opnieuw zijn ingezet en, zo ja, in hoeverre bij welk gokspel. Bij online gokken worden namelijk al deze gebeurtenissen geregistreerd in de gokaccounts van de betrokkene. Bij online gokken kan de betrokkene dus gegevens verstrekken aan de hand waarvan het mogelijk is om de gokopbrengsten, en daarmee ook het recht op bijstand, vast te stellen. Dat de gokaccounts inmiddels zouden zijn beëindigd en verzoeker hierdoor geen toegang meer heeft tot genoemde gegevens komt voor zijn rekening en risico, nu verzoeker de gokaccounts -althans naar zijn zeggen- zelf heeft beëindigd zonder eerst de mutatiegegevens veilig te stellen.\n\nDaarnaast heeft verzoeker ter zitting weliswaar aangegeven dat hij heeft geprobeerd om (alsnog) aan de desbetreffende overzichten te komen door via de mail contact op te nemen met verschillende helpdesks, maar van dit door verzoeker ter zitting ingenomen standpunt heeft de voorzieningenrechter geen enkele onderbouwing gezien. Datzelfde geldt overigens voor de gestelde beëindigingen dan wel het afsluiten van gokaccounts an sich door verzoeker.\n\n5.3.. Met betrekking tot de bijschrijvingen door derden op zijn bankrekeningen overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker hiervoor geen deugdelijke verklaring heeft gegeven. Verzoeker heeft gesteld dat dit stortingen zijn van vrienden die zijn gokaccounts gebruikten en dat hij inmiddels met deze mensen geen contact meer heeft. Ook voor dit door verzoeker ingenomen standpunt overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker dit niet heeft onderbouwd met controleerbare en verifieerbare gegevens.\n\n6. Gelet op het bovenstaande heeft het college, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, de aanvraag kunnen afwijzen. Verzoeker heeft als aanvrager van bijstand de plicht om de gevraagde inlichtingen te verstrekken en medewerking te verlenen aan het onderzoek van het college. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker hierin niet in geslaagd. Het college heeft daarom onvoldoende informatie om vast te stellen of verzoeker op het moment van de aanvraag in bijstand behoevende omstandigheden verkeerde. Deze informatie heeft verzoeker ook in het kader van de onderhavige procedure niet aangeleverd. Dit kan alsnog in de bezwaarprocedure of in het kader van een nieuwe aanvraag, maar op dit moment zijn er naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het bezwaar kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt en dat er dus geen voorlopige voorziening zal worden getroffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1896.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1955.\n\n Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1591.\n\n Zie onder de meer de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 6 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:760.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2612","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.605Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":43,"courtId":81,"decisionDate":91,"fullText":92,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":51,"updatedAt":94},"1165","ECLI:NL:RBNNE:2026:2613","ecli-nl-rbnne-2026-2613","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F1764\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [naam uit woonplaats] , verzoekster,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n1.1.. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.\n\n1.2.. Het Uwv heeft de aanvraag van 30 maart 2026 met de beslissing van 5 juni 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als \"onverwijlde spoed\" dat vereist.\n\n2.1.. Verzoekster betoogt dat de spoedeisendheid is gelegen in het behoud van de feitelijk beschikbare praktijkroute. Hiertoe heeft verzoekster aangegeven dat indien de bezwaarprocedure dient te worden afgewacht haar re-integratiepositie, dossierpositie en concrete praktijkroute worden beschadigd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft verzoekster aangegeven dat het Uwv haar aanvraag niet heeft beoordeeld als een geïntegreerde route van juridische scholing met leerwerk-\u002Fpraktijkcomponent. Verzoekster acht de beslissing van 5 juni 2026 om die reden onrechtmatig en geen correcte uitvoering van de door de voorzieningenrechter eerder gedane uitspraak. Ten slotte heeft verzoekster aangegeven dat de door haar verzochte 2 jarige opleiding start in september 2026.\n\n2.2.. Met het besluit van 5 juni 2026 heeft het Uwv de aanvraag van verzoekster voor een werkervaringsplek van 2 jaar en een juridische hbo-opleiding afgewezen. Hierbij heeft het Uwv aangegeven dat verzoekster wel de mogelijkheid wordt aangeboden om voor een periode van maximaal 6 maanden stage te lopen met behoud van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de WIA) in combinatie met de inzet van de re-integratiedienst Praktijkassessment.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat naar zijn voorlopig oordeel de beslissing van 5 juni 2026 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). De bezwaren die door verzoekster daartegen schriftelijk zijn ingebracht zijn in zoverre ontvankelijk en haar verzoek om een voorlopige voorziening moet connex aan deze bezwaren worden geacht, zodat ook dit verzoek in zoverre ontvankelijk is.\n\n2.4.. \n\nDe voorzieningenrechter is echter van oordeel dat er géén sprake is van een voldoende spoedeisend belang. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van een dusdanige spoed dat verzoekster de beslissing op de door haar gemaakte bezwaren niet kan afwachten. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat het Uwv in het besluit van 5 juni 2026 heeft aangegeven dat verzoekster – met behoud van haar WIA-uitkering – in ieder geval gedurende zes maanden een stage mag volgen bij het door haar gewenste advocatenkantoor. Voor wat betreft hetgeen door verzoekster is gesteld met betrekking tot het door haar gewenste scholingstraject, is de voorzieningenrechter niet gebleken dat sprake is van dusdanig zwaarwegende feiten en \u002Fof omstandigheden dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.\n\nHierbij betrekt de voorzieningenrechter dat de door verzoekster in deze procedure gevraagde schorsing van het besluit van 5 juni 2026 niet leidt tot het door haar gewenste gevolg. Daarmee kan verzoekster niet het door haar geambieerde integrale stage- en scholingstraject gaan volgen met behoud van uitkering. De aard van de onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure leent zich voorts niet voor het door de voorzieningenrechter toekennen van vorenbedoeld traject. Dit onder meer gelet op de onomkeerbaarheid daarvan. Het doorlopen van de bezwaarprocedure waarin het Uwv op basis van de door verzoekster ingebrachte bezwaren tegen het besluit van 5 juni 2026 een volledige heroverweging moet maken aangaande het stage- en scholingstraject van verzoekster, is in dit geval dan ook de aangewezen route.\n\n2.5.. De voorzieningenrechter wijst er ten slotte volledigheidshalve op dat voor zover de bezwaarprocedure voor verzoekster nadelig uitpakt zij tegen het besluit op bezwaar beroep kan instellen en zij gedurende deze beroepsprocedure een nieuwe voorlopige voorziening kan indienen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2613","2026-07-13T00:29:07.717Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":43,"courtId":99,"decisionDate":91,"fullText":100,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":51,"updatedAt":103},"2006","ECLI:NL:RBDHA:2026:17191","ecli-nl-rbdha-2026-17191",58,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F1385\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n de staatssecretaris van Defensie, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.H.G. In de Braekt),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n( gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. [(ex-)werknemer] , (ex-)werknemer van eiser, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 27 juni 2025 heeft eiser verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werknemer op de WIA-uitkering.\n\n1.1.. Eiser heeft op 6 februari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op het verzoek om een herbeoordeling.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiser heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 16 september 2025 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.\n\n3. Het Uwv heeft op 17 november 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiser een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.\n\n4. Omdat het Uwv nog geen besluit op het herbeoordelingsverzoek heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.1.. Eiser heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen twee weken na deze uitspraak, alsnog een beslissing te nemen.\n\n4.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een tekort aan in te zetten verzekeringsartsen.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n4.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat hij binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n4.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n5. Het Uwv spreekt in het verweerschrift van 20 februari 2026 de hoop uit dat binnen vier maanden een besluit op het herbeoordelingsverzoek kan worden genomen, maar vermeldt ook dat het zeer goed mogelijk is dat het Uwv dit jaar niet meer in staat is een beslissing te nemen. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n6. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\n- bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17191","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:49.620Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":43,"courtId":99,"decisionDate":91,"fullText":108,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":51,"updatedAt":110},"2008","ECLI:NL:RBDHA:2026:17192","ecli-nl-rbdha-2026-17192","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F3754\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. L.C.J. Schobbers),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n( gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 13 augustus 2025 heeft het Uwv bepaald dat eiseres per 29 mei 2025 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 5 mei 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.\n\n1.2.. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 12 maart 2026 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.\n\n3. Het Uwv heeft op 8 mei 2026 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.\n\n4. Omdat het Uwv nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.1.. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen om alsnog een besluit op bezwaar te nemen.\n\n4.2.. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een groot tekort aan verzekeringsartsen.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.\n\n4.4.. In twee uitspraken van 31 maart 2025heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n4.5.. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.\n\n5. Het Uwv verzoekt de rechtbank de termijn die de rechtbank Rotterdam stelt in haar uitspraken van 30 juli 2025 in overweging te nemen.Die rechtbank geeft het Uwv bij een beroep niet tijdig beslissen een termijn van 30 weken voor werknemersberoepen om alsnog een besluit bekend te maken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen.\n\n5.1.. Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee.De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.\n\n6. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat op dit moment niet kan worden aangegeven wanneer het besluit op bezwaar kan worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat al bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.\n\n7. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden.Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n9. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\nUitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.\n\nDe uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.\n\n De uitspraken van de rechtbank Rotterdam 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9226.\n\n De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 4.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 4.4.\n\n https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17192","2026-07-13T00:29:49.704Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":43,"courtId":115,"decisionDate":116,"fullText":117,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":119,"parsedAt":51,"updatedAt":120},"1557","ECLI:NL:RBMNE:2026:3503","ecli-nl-rbmne-2026-3503",63,"2026-06-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 26\u002F3244\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: B. van der Plas)\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep van eiseres, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van de heer [A] .\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)\n\n3. Eiseres heeft haar verzoek om herbeoordeling ingediend op 11 maart 2024. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 19 mei 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 14 mei 2024 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 8 mei 2026 beroep ingesteld.\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.\n\n5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.\n\n6. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.\n\n7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).\n\n8. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,-.\n\n9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan eiseres betalen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:41.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3503","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.049Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":43,"courtId":115,"decisionDate":125,"fullText":126,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":127,"sourceTimestamp":128,"parsedAt":51,"updatedAt":129},"1411","ECLI:NL:RBMNE:2026:3411","ecli-nl-rbmne-2026-3411","2026-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 26\u002F2599\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster] , uit [plaats] (Groot-Brittannië), verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. C.H. Bijvank),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep van 2 april 2026 dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 6 november 2024.\n\nNa de indiening van het beroep hebben de partijen overeenstemming bereikt waarmee het procesbelang van het beroep is komen te vervallen.\n\nVerzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.\n\nVerweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.\n\nOverwegingen\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.\n\n2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).\n\n3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.\n\n4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).\n\n5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van\n\nJ.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid te ondertekenen\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3411","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.024Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":43,"courtId":115,"decisionDate":134,"fullText":135,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":136,"sourceTimestamp":128,"parsedAt":51,"updatedAt":137},"1399","ECLI:NL:RBMNE:2026:3366","ecli-nl-rbmne-2026-3366","2026-06-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F7258\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. M.B. Visser),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep van 12 september 2025 dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 2 juni 2024.\n\nOp 22 december 2025 heeft verweerder alsnog een besluit genomen.\n\nVerzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.\n\nVerweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek, maar wel in het verweerschrift van 2 maart 2026 gezegd het griffierecht en een proceskostenvergoeding te betalen. Dit omdat het beroep op zichzelf terecht is ingesteld.\n\nOverwegingen\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.\n\n2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).\n\n3. Verweerder heeft in het verweerschrift van 2 maart 2026 gezegd het griffierecht en de proceskostenvergoeding te betalen.\n\n4. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 22 december 2025 tegemoet is gekomen aan verzoekster. De rechtbank zal het verzoek daarom als volgt toewijzen. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).\n\n5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van\n\nJ.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3366","2026-07-13T00:29:19.633Z",20,[11,140],2025]