[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-benefits-scandal-compensation-nl-2025":3},{"detail":4,"years":73},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":72},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},121,"benefits-scandal-compensation-nl","Benefits Scandal Compensation","NL","2026-07-08T16:57:27.980Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,62],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1314","ECLI:NL:RBMNE:2025:3859","ecli-nl-rbmne-2025-3859","",63,"2025-07-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F1787\n uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juli 2025 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).\n\nInleiding\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 9 mei 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).\n\n Bij uitspraak van 17 juli 2024 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiseres gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk 19 september 2024 een besluit op bezwaar te nemen.\n\nOp 1 maart 2025 heeft eiseres beroep tegen niet tijdig beslissen ingediend.\n\nOp 14 april 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 10 juni 2025 heeft verweerder een aanvulling op het verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigden van verweerder.\n\nOverwegingen\n\n1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 juli 2024 (UTR 24\u002F4159) een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.\n\n2. De rechtbank stelt vast dat deze termijn op 20 september 2024 is verstreken. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op het bezwaar van eiseres.\n\n3. Het beroep is daarom gegrond.\n\nVerweerder moet alsnog een besluit nemen\n\n4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.\n\n5. Eiseres voert aan dat de eerder door de rechtbank opgelegde beslistermijn is verstreken, zodat verweerder nu binnen twee weken na de uitspraak op de aanvraag moet beslissen.\n\n6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025- over bezwaarzaken in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) -overeenkomstig zou moeten worden toegepast op zaken als deze waarin een betrokkene een aanvraag om aanvullende compensatie heeft ingediend bij de CWS. In het belang van eenduidigheid verzoekt verweerder de rechtbank om een nadere termijn te bepalen van 60 weken vanaf het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, waarbij deels tegemoet gekomen wordt aan de feitelijke doorlooptijd van de behandeling van aanvragen om vergoeding van werkelijke schade.\n\n7. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar in Wht-zaken een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. Als op het moment van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. Daarbij heeft de Afdeling expliciet overwogen dat deze uitspraak niet gaat over uitblijvende besluiten op aanvraag. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om enkel vanwege de eenduidigheid bij de in de uitspraak van de Afdeling genoemde termijn van 60 weken aan te sluiten.\n\n8. Voor uitblijvende besluiten op aanvraag is naar het oordeel van de rechtbank nog steeds de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2023richtinggevend. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat een nadere beslistermijn van 12 weken na het verweerschrift en ten minste zes weken na de uitspraak in een individueel geval niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is, dan wel zou moeten zijn.\n\n9. Inmiddels zijn echter bijna twee jaren verstreken en zoals ook de Afdeling constateert in haar uitspraak van 26 maart 2025 is de uitvoeringsproblematiek bij de hersteloperatie toeslagen ondertussen niet opgelost, maar juist verergerd. Verweerder heeft onder verwijzing naar de UHT rapportage van week 17 laten zien dat er op 25 april 2025 6699 aanvragen om vergoeding van werkelijke schade bekend waren. Van deze aanvragen zijn er 886 afgehandeld met een beschikking en 429 aanvragen zijn ingetrokken. De actuele feitelijke doorlooptijd van aanvragen bij de CWS bedraagt op dit moment meer dan 800 dagen. De instroom van zaken gaat ook nog door. Ouders kregen in beginsel tot 1 juli 2025 de tijd om een aanvraag in te dienen, maar ouders van wie de integrale beoordeling na 1 januari 2025 onherroepelijk is geworden, kunnen nog tot zes maanden daarna een aanvraag indienen.\n\n10. Om redenen die de Afdeling ook benoemt in haar uitspraak van 26 maart 2025 ziet de rechtbank aanleiding om bij het bepalen van de nadere termijn met name aansluiting te zoeken bij de tijd die (bestendig) nodig is gebleken voor verweerder om een besluit op een aanvraag om vergoeding van werkelijke schade te nemen. Dat is in dit geval dus (meer dan 800 dagen) ruim 114 weken. Uit de 19e Voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen blijkt dat de CWS eraan werkt om de doorlooptijden omlaag te brengen en het proces te versnellen. Er heeft een intern adviestraject plaatsgevonden om het adviesproces van de CWS te analyseren en concrete aanbevelingen te doen. Er zijn verbeterpunten in kaart gebracht die zien op de productiviteit van medewerkers en vereenvoudiging van werkprocessen. Omdat van deze maatregelen wel enige verbetering verwacht mag worden, vindt de rechtbank een nadere beslistermijn van 60 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken, op dit moment dan ook een realistische termijn die niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is. Het stellen van een kortere termijn leidt er niet toe dat eerder op aanvragen beslist gaat worden, gegeven de beperkte capaciteit bij de CWS en UHT, maar leidt juist tot verdere vertraging, omdat die capaciteit dan ook gebruikt moet worden voor nog meer (herhaalde) beroepen over niet tijdig beslissen.\n\n11. Verweerder heeft gevraagd om te bepalen dat de nadere beslistermijn niet loopt en er geen dwangsom verschuldigd is gedurende de periode dat ouders bedenktijd hebben over welke schaderoute zij kiezen, via de CWS of een alternatief traject zoals bijvoorbeeld de schikkingsroute via de Stichting Gelijkwaardig Herstel. Ook de periode dat ouders niet in de wachtrij staan of in behandeling zijn bij de CWS, omdat zij hebben gekozen voor een andere schaderoute zou volgens verweerder niet moeten meetellen wanneer op die keus later wordt teruggekomen. De rechtbank gaat hier niet in mee. Tijdens de zitting heeft verweerder nader toegelicht dat de gegunde bedenktijd op dit moment alleen van toepassing is op 400 mensen die in een pilot zitten in het kader van de ontwikkeling van een aanmeldportaal. De rechtbank ziet geen reden om daarvoor een algemene uitzondering te formuleren. Hetzelfde geldt voor de periode dat ouders om een andere schaderoute hebben verzocht of daarin zijn opgenomen. De rechtbank geeft verweerder mee dat hij in concrete gevallen in het verweerschrift kan aangeven wat de specifieke situatie van een ouder is en welke periode in zijn ogen uitgezonderd zou moeten worden. De rechtbank zal dan per zaak beoordelen of er bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die aanleiding geven om te bepalen dat de nadere beslistermijn in een bepaalde periode niet loopt of heeft gelopen.\n\n12. De rechtbank zal de termijn van 60 weken vanaf vandaag stellen in alle zaken die gaan over aanvragen om werkelijke schade bij de CWS. De rechtbank zal daarbij geen onderscheid maken tussen eerste en opvolgende beroepen over hetzelfde uitblijvende besluit, omdat zij evenals de Afdeling van oordeel is dat opvolgende beroepen zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. De termijn begint te lopen vanaf de eerste dag waarop de wettelijke beslistermijn op grond van artikel 2.1, derde lid, in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van de Wht is verstreken. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, zal de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep bepalen.\n\n13. De rechtbank realiseert zich uiteraard dat dit voor de individuele gedupeerde ouder betekent dat hij of zij lang moet wachten op duidelijkheid. Eiseres heeft tijdens de zitting duidelijk uitgelegd wat dit met haar doet. De rechtbank vindt het wrang dat ouders die al slachtoffer zijn geworden van de toeslagenaffaire nog langer op duidelijkheid en rechtsherstel moeten wachten. Tegelijkertijd zijn zij er niet mee geholpen als de rechtbank een termijn stelt waarvan op voorhand al duidelijk is dat die niet gehaald gaat worden en in het grotere geheel juist averechts werkt.\n\n14. Het voorgaande betekent in het geval van eiseres het volgende. Eiseres heeft op 9 mei 2023 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De beslistermijn eindigde dus op 9 mei 2024. Omdat sindsdien meer dan 60 weken zijn verstreken bepaalt de rechtbank dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken.\n\nDwangsom\n\n15. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de uitspraak van deze rechtbank van 15 oktober 2024. De rechtbank volgt dus niet het uitgangspunt, zoals neergelegd in het beleid van de rechtspraak van € 250,- met een maximum van € 37.500,-, omdat de rechtbank van oordeel is dat het hiervoor genoemde beleid daar niet toe noopt. Bij verweerder is geen sprake van weigerachtigheid, maar – onder meer – een ernstig tekort aan menskracht. Ook het belang van eiseres rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hogere dwangsom niet. Een sterkere prikkel is daarom niet nodig.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.814,-.\n\n17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\n- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzitter, mr. M.M. Vollebregt-Kuipers en mr. G. Schnitzler, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:3209.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2024:6003.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:3859","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:15.492Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"667","ECLI:NL:RBNHO:2025:8961","ecli-nl-rbnho-2025-8961",67,"2025-06-19T00:00:00.000Z","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 24\u002F363\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2025 in de zaak tussen\n\n [eiseres], wonende te [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. R.H. Bouwman),\n\nen\n\nDienst toeslagen, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nIntegrale beoordeling\n\nEiseres heeft zich op 15 januari 2021 aangemeld voor herstel als slachtoffer van de kinderopvangtoeslagaffaire.\n\nOp 23 februari 2021 is door verweerder aan eiseres bij beschikking op grond van de zogenaamde Catshuisregeling een bedrag van € 30.000 toegekend.\n\nBij beschikking van 2 juli 2021 heeft verweerder een afwijzende beschikking gegeven voor de jaren 2011 en 2012, en voor het jaar 2013 een vergoeding van € 2.100 toegekend vanwege een onterechte O\u002FGS kwalificatie. Omdat eiseres reeds € 30.000 ontvangen had volgt er geen aanvullende betaling.\n\nEiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\nVerweerder heeft het bezwaar, na dienovereenkomstig advies van de BAC, bij beschikking van 13 december 2023 ongegrond verklaard.\n\nWerkelijke schade\n\nOp 8 juli 2021 heeft eiseres een verzoek tot vergoeding van werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) ingediend.\n\nDe CWS heeft geadviseerd een vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 15.000 toe te kennen aan eiseres.\n\nBij beschikking van 22 september 2022 heeft verweerder, nu het aan eiseres uit te betalen bedrag van € 15.000 beneden het surplus van de reeds toegekende € 30.000 blijft, het verzoek om aanvullende schadevergoeding afgewezen.\n\nEiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.\n\nBij beschikking van 13 december 2023 heeft verweerder, na ingewonnen advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie (BAC), het bezwaar gegrond verklaard en het bedrag aan aanvullende schadevergoeding berekend op € 17.797,69. Omdat dit bedrag beneden het surplus van het reeds toegekende bedrag van € 30.000 blijft, volgt geen aanvullende uitbetaling.\n\nIntegrale beoordeling en werkelijke schade\n\nEiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft daarbij ten aanzien van delen van de overgelegde stukken een beroep gedaan op artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het verzoek tot geheimhouding betreft in het bijzonder contact- en persoonsgegevens die in de stukken zijn opgenomen. Ter zitting heeft gemachtigde van eiseres verklaard geen bezwaar te hebben tegen geheimhouding van deze gegevens. Een beslissing in de geheimhoudingsprocedure is achterwege gelaten.\n\nEiseres heeft diverse malen nadere stukken ingediend.\n\nMet ingang van 1 juli 2024 heeft de CWS haar beleid om de werkelijke schade te beoordelen aangepast en een nieuw schadekader opgesteld. Deze beleidswijziging heeft geleid tot een aanvullende beslissing op bezwaar gedateerd 24 januari 2025 waarbij verweerder de werkelijke schadevergoeding bepaalt op € 22.097,69. Omdat deze vergoeding nog steeds lager is dan het surplus van de Catshuisregeling van € 27.900,00 wordt dienaangaande geen aanvullende vergoeding verstrekt. Wel wordt beslist dat eiseres recht heeft op een aanvullende vergoeding van € 500 voor het voeren van de procedure bij de CWS die niet wordt verrekend met de reeds ontvangen compensatie.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025 Alkmaar. Deze zaak is gelijk behandeld met de zaken van eiseres met zaaknummers ALK 23\u002F15 en ALK 24\u002F2754.\n\nEiseres is verschenen, bijgestaan door [naam 1] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] en mr. [naam 3] . Tevens was aanwezig mr. [naam 4] .\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Bij voorschotbeschikking van 16 maart 2011 is aan eiseres voor het jaar 2011 een kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) toegekend van € 5.005. Bij voorschotbeschikking van 18 oktober 2012 is het voorschot op de KOT voor 2011 vastgesteld op € 4.721 en bij beschikking van 27 oktober 2012 is de KOT voor 2011 definitief berekend op eveneens € 4.721.\n\n2. Bij voorschotbeschikking van 29 december 2011 is aan eiseres voor het jaar 2012 een KOT toegekend van € 6.579. Bij beschikking van 10 oktober 2014 is de KOT voor 2012 definitief berekend op eveneens € 6.579.\n\n3. Bij voorschotbeschikking van 28 december 2012 is aan eiseres voor het jaar 2013 een KOT toegekend van € 6.680. Bij beschikking van 11 september 2015 is de KOT voor 2013 definitief berekend op nihil en bij beschikking van 16 oktober 2015 opnieuw definitief berekend op eveneens nihil. In de beschikking van 11 september 2015 is aan eiseres meegedeeld dat zij over 2013 teveel KOT had ontvangen en daarom € 6.999 moest terugbetalen, namelijk het teveel ontvangen bedrag van € 6.680, vermeerderd met € 319 heffingsrente.\n\n4. Per brief van 9 augustus 2015 heeft eiseres het verzoek tot het treffen van een betalingsregeling voor het terug te betalen bedrag van € 6.999 ingediend. Het verzoek hield in dat eiseres gedurende een periode van 24 maanden vanaf 12 januari 2016 € 100 per maand zou aflossen en vanaf 12 mei 2016 € 200 per maand. Bij beslissing van 7 januari 2016 heeft verweerder dit verzoek afgewezen en beslist dat eiseres met ingang van 31 januari 2016 € 292 per maand moest aflossen.\n\n5. Eiseres heeft tegen de beslissing van 7 januari 2016 bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is gedagtekend 7 januari 2016 en daarin zet eiseres uiteen dat zij en haar partner, [naam 1] (hierna: de partner), wegens aflossingen op andere schulden onder de armoedegrens leven. Eiseres en haar partner vragen verweerder daarom alsnog akkoord te gaan met het door eiseres voorgestelde aflossingsplan of om voorlopig te worden vrijgesteld van aflossingsverplichtingen. In een brief van 27 januari 2016 aan verweerder schrijft de partner van eiseres namens hen beiden onder meer het volgende:\n\n“Tot nadere orde stel ik u voor om akkoord te gaan met een staffelplan \u002F % aflossingsverhouding van 60\u002F140. M.a.w. over de Eerste 12 maanden 60%van uw aflossingsbedrag €292 en over deLaatste 12 maanden 140%.\n\nMijn reden:Op dit moment lossen wij al af per maand een bedrag van € 396,50. Posten, zoals aflossing Huurachterstand € 100,00 p.mnd. is afgerond met ong. 2 maanden en enkele andere posten met ong. € 70,00 per maand zijn ook bijna afgerond. We lopen reeds bij de voedselbank en wensen niet in de WSNP te belanden, nu ik overzie dat met een goede administratiebeleid ik ook deze post kan verantwoorden.\n\nDe situatie\n\nNatuurlijk weten wij dat wij verantwoordelijk zijn voor een eerder aan u getoonde nalatigheid. Zoals u ziet zijn de Belastingzaken door volledige concentratie en wilskracht op orde gebracht door een goede samenwerking met uw organisatie.”\n\nOp 14 juni 2016 is eiseres door verweerder gehoord. Van het horen is verslag opgemaakt dat in kopie tot de gedingstukken behoort.\n\n6. Op 17 juni 2016 heeft verweerder het in 5. genoemde bezwaar afgewezen op de grond dat eiseres op vragen van verweerder over de KOT over 2013 geen informatie heeft verstrekt en daarin ernstig nalatig is geweest. Volgens verweerder was de terugvorderingsbeschikking aan eiseres zelf te wijten. Verweerder handhaafde daarom zijn besluit dat eiseres € 292 per maand moest terug betalen. De uiterste betaaldatum van de eerste betaling was 30 juli 2016 en de laatste termijn moest vóór 30 juni 2018 zijn betaald. Vanaf juli 2016 tot en met juli 2018 heeft eiseres het bedrag van € 6.999 in termijnen terugbetaald.\n\n7. Op 15 januari 2021 heeft eiseres een verzoek voor een herbeoordeling van haar toeslagen ingediend. Naar aanleiding van dat verzoek heeft verweerder bij beschikking van 23 februari 2021, met kenmerk [# 1] , beslist dat eiseres in aanmerking komt voor de vergoeding van € 30.000 ingevolge de zogenoemde Catshuisregeling.\n\n8. De verdere beoordeling van de situatie van eiseres is in behandeling genomen door het Uitvoeringsorgaan Herstel Toeslagen (hierna: het UHT) en dat heeft de zaak voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: de CvW). Op 7 juni 2021 heeft de CvW geoordeeld dat geen sprake was van institutioneel vooringenomen handelen door verweerder, maar eiseres voor wat betreft het jaar 2013 ten onrechte was beticht van opzet of grove schuld (in de desbetreffende stukken aangeduid als “O\u002FGS”). De CvW concludeerde dat verweerder zich terecht op het standpunt stelde dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir, niet van toepassing waren voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013, maar eiseres voor het jaar 2013 wel in aanmerking kwam voor een O\u002FGS-tegemoetkoming.\n\n9. Bij beschikking van 2 juli 2021, met kenmerk [# 2] , heeft verweerder beslist dat eiseres niet in aanmerking komt voor een aanvulling op de vergoeding ingevolge de Catshuisregeling. Bij beschikking van eveneens 2 juli 2021, met kenmerk\n\n [# 3] , heeft verweerder beslist dat eiseres in aanmerking komt voor een “tegemoetkoming O\u002FGS” van € 2.100. Omdat dit bedrag onderdeel was van de totale tegemoetkoming van € 30.000, is het niet aanvullend uitbetaald.\n\n10. Op 8 juli 2021 heeft eiseres bij de CWS een verzoek tot aanvullende schadevergoeding ingediend. Daarbij heeft eiseres aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van € 211.124,59, als volgt gespecificeerd:\n\nProceskosten\n\n€\n\n29.527,14\n\nLeningen voor schulden\n\n-\n\n10.929,50\n\nMedische kosten\n\n-\n\n15.998,80\n\nAflossingen crediteuren\n\n-\n\n28.204,19\n\nToeslagen naar achterstanden\n\n-\n\n72.971,32\n\nTotaal Materiële schade\n\n€\n\n157.630,95\n\nImmateriële schade\n\n-\n\n53.494,00\n\nTotaal\n\n€\n\n211.124,95\n\n11. Op 19 januari 2022 heeft eiseres haar verzoek aan de CWS aangevuld en daarbij aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van € 654.159,81, als volgt gespecificeerd:\n\nReiskosten\n\n€\n\n1.080,20\n\nMedische kosten\n\n-\n\n14.918,60\n\nAndere kosten als gevolg van het stopzetten van de kot\n\n-\n\n40.456,65\n\nMateriële schade kot\n\n-\n\n240.156,27\n\nSchade door registratie FSV\n\n-\n\n357.548,09\n\n€\n\n654.159,81\n\n12. Op 26 januari 2022 is eiseres door de CWS gehoord. Eiseres heeft daar onder meer aangevoerd dat zij een lening bij haar ouders moest afsluiten om het maandelijkse bedrag van € 292 te kunnen betalen. Van het horen is een verslag opgemaakt dat in kopie tot de gedingstukken behoort. Per e-mailberichten van 18 februari 2022 en 25 februari 2022 heeft eiseres op het hoorverslag gereageerd en de laatste vragen van de CWS beantwoord.\n\n13. Op 18 juli 2022 heeft de CWS geadviseerd aan eiseres geen aanvullende schadevergoeding toe te kennen. De CWS achtte niet aannemelijk dat de door eiseres opgevoerde reiskosten, medische en overige kosten het gevolg waren van de problemen met de KOT. Aangaande de proceskosten overwoog de CWS dat eiseres geen gebruik had gemaakt van een advocaat en aangaande de kosten van geldleningen dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om aan te nemen dat deze betalingen verband hielden met het weigeren van de persoonlijke betalingsregeling. Aangaande de immateriële schade achtte de CWS aannemelijk dat eiseres door de problemen met de KOT over het toeslagjaar 2013 stress en verdriet had ervaren, maar dat eiseres en haar partner al grote financiële problemen hadden voordat de persoonlijke betalingsregeling werd geweigerd. Door het forse bedrag dat maandelijks moest worden terugbetaald werden de financiële problemen wel groter en de CWS achtte aannemelijk dat het weigeren van de persoonlijke betalingsregeling grote impact had op het sociale leven van eiseres. Verder woog de CWS mee hoeveel tijd er was verstreken vanaf de definitieve weigering van de persoonlijke betalingsregeling tot het advies van de CWS. De CWS begrootte in haar advies van 18 juli 2022 de materiële schade op nihil en de immateriële schade op € 15.000, namelijk € 11.000 voor het leed van eiseres en € 1.000 voor het leed van elk van haar vier kinderen. Omdat dit bedrag minder was van het nog resterende surplus van de Catshuisregeling adviseerde de CWS om aan eiseres geen aanvullende schadevergoeding toe te kennen.\n\n14. Bij beschikking van 22 september 2022, kenmerk [# 4] , heeft verweerder conform het advies van de CWS beslist dat aan eiseres geen aanvullende schadevergoeding wordt toegekend. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op 15 mei 2023 heeft de BAC de schadevergoeding bij tussenconclusie begroot op € 16.797,69. Op 1 november 2023 is eiseres door de BAC gehoord. Van dit horen is een verslag opgemaakt dat in kopie tot de gedingstukken behoort. Op 30 november 2023 heeft de BAC advies uitgebracht aan verweerder en geadviseerd het beroep gegrond te verklaren en aan eiseres een schadevergoeding toe te kennen van € 16.797,69. Omdat de begrootte schadevergoeding nog steeds minder was dan het surplus ingevolge de Catshuisregeling, zou geen aanvullende vergoeding worden uitbetaald. Wel adviseerde de BAC aan eiseres een proceskostenvergoeding toe te kennen van twee procespunten tegen het hoogste tarief en naar een wegingsfactor 2.\n\n15. Bij beslissing op bezwaar van 13 december 2023, kenmerk [# 5] , heeft verweerder op het bezwaar beslist en daarbij het advies van de BAC geheel gevolgd. De beslissing houdt in dat aan eiser een vergoeding van medische kosten wordt toegekend van € 1.297,69 en vanwege de extra duur van de procedure, een extra vergoeding. Het totaal van de schadevergoeding komt daarmee uit op € 17.797,69. Dit is nog steeds minder dan het surplus ingevolge de Catshuisregeling en daarom is aan eiseres geen aanvullende vergoeding uitbetaald. Wel heeft verweerder, conform het advies van de BAC, aan eiseres een proceskostenvergoeding toegekend op basis van 2 procespunten naar een wegingsfactor 2.\n\n16. Op 23 januari 2024 heeft eiseres beroep ingesteld. Op 9 juli 2024 heeft eiseres het beroep nader gemotiveerd.\n\n17. Omdat de CWS haar beleid om werkelijke schade te beoordelen per 1 juli 2024 heeft aangepast, heeft verweerder op 24 januari 2025 een nadere (tweede) beslissing op het bezwaar genomen, de (eerste) beslissing op bezwaar in stand gelaten, maar de schadevergoeding berekend op € 22.097,69. Omdat deze vergoeding nog steeds lager is dan het surplus van de Catshuisregeling van € 27.900,00 wordt dienaangaande geen aanvullende vergoeding verstrekt. Wel wordt beslist dat eiseres recht heeft op een aanvullende vergoeding van € 500 voor het voeren van de procedure bij de CWS.\n\n18. Op verzoek van eiseres zijn ook de jaren 2005 tot en met 2010 en de jaren 2015 tot en met 2019 opnieuw beoordeeld. Bij voorlopige beslissing van 6 februari 2025 heeft verweerder beslist dat eiseres voor die jaren geen recht had op een compensatie wegens vooringenomen handelen of wegens hardheid en geen recht had op een tegemoetkoming voor opzet of grove schuld. Bij definitieve beslissing van 17 maart 2025 heeft verweerder deze beslissing gehandhaafd.\n\nGeschil 19. In geschil is of eiseres recht heeft op een hoger bedrag aan vergoeding ingevolge de integrale beoordeling of een aanvullende vergoeding voor werkelijke schade voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013.\n\n20. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een schadevergoeding van € 654.159,81 en heeft daarvoor – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste, tweede en derde lid, van het EVRM omdat het eiseres niet duidelijk is geworden op welke wijze en onder welk wetsartikel de aansprakelijkheid van de verplichte ketenpartners gewaarborgd is, zodat niet duidelijk is geworden waaraan verweerder zich heeft schuldig gemaakt. De gevolgschade van de fraudeaanpak van meerdere overheidsorganen is daarmee niet duidelijk geworden. In het kader van het vorenstaande doet eiseres een beroep op artikel 49 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Eiseres stelt dat zij beroep heeft ingesteld wegens:\n\n“1) de oorzakelijkheid in de handelswijze van de ketenpartners naar verweerder, hun rigide uitvoering fraudeaanpakmethodiek en hun medeaansprakelijkheid in relatie tot hun gevolgschade, ter inzage in het integraal onderzoekdossier niet gewaarborgd is,\n\n2) verweerder en de UHT een onvolledig integraal onderzoekdossier ter beoordeling heeft samengesteld, waarin alle relevante elementen zoals onder anderen de zienswijze, de bijzondere omstandigheden, de toeslagbeschikkingen genoemd; vergeten jaren; beschikking 2014 en 2015 stopzettingsbrief, van de ouders niet is gewaarborgd,\n\n3) door punt 1 en 2 de commissies van oordeel zijn, dat er geen recht op toeslag in 2013 is omdat eiseres geen gebruik zou hebben gemaakt van geregistreerde kinderopvang,\n\n4) volgens verweerder en de UHT de aansprakelijkheid geheel te wijten is aan de informatieplichtpositie van eiseres en\n\n5) voor de missende elementen een hernieuwd integraal proces moet worden aangevraagd.”\n\nEiseres stelt verder dat zij in 2009, door problemen met haar voormalige werkgever, in financiële problemen kwam en er tot 30 januari 2014 problemen waren met de haar toekomende uitkeringen WW en WWB, hetgeen leidde tot onvoldoende middelen voor de voorwaarden voor de KOT in 2013, 2014 en 2015. Eiseres concludeert dat sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen, hardheid, discriminatie, langdurige administratieve detentie, maatschappelijke uitsluiting en financiële uitbuiting. Volgens eiseres is de toegekende schadevergoeding niet toereikend voor de daardoor geleden schade en zijn de voormalige werkgever, de gemeente en het UWV daarvoor mede aansprakelijk.\n\n21. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot wijziging van de bestreden beschikkingen en tot toekenning van een schadevergoeding van € 654.159,81.\n\n22. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen recht heeft op een aanvullende vergoeding en voert daarvoor – zakelijk weergegeven – aan dat voor de jaren 2011 tot en met 2013 geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel, en alleen voor het jaar 2013 een onterechte O\u002FGS kwalificatie geldt. Verder heeft eiseres niet duidelijk gemaakt op welke ketenpartners in relatie tot welke vervolgschade zij doelt. Zo ketenpartners van verweerder al schade hebben veroorzaakt, dan wordt die niet meegenomen in de hersteloperatie toeslagen. Welke stukken ontbreken in het integrale onderzoekdossier heeft eiseres niet aangegeven. Uit een gesprek met eiseres kwam naar voren dat haar zoon in 2013 niet meer naar de kinderopvang ging en eiseres daarom over 2013 geen recht had op KOT. Omdat aan eiseres voor dat jaar wel een voorschot was toegekend is van haar terecht een bedrag van € 6.999 (inclusief € 319 rente) teruggevorderd. Eiseres was bekend met het voorschotsysteem met de verplichting om wijzigingen door te geven en wist dus dat zij dit bedrag zou moeten terugbetalen. Voor het feit dat eiseres ten onrechte opzet of grove schuld voor het jaar 2013 is verweten zodat zij niet in aanmerking kwam voor een persoonlijke betalingsregeling, is haar nu reeds € 30.000,00 schadevergoeding toegekend. Dat eiseres al vanaf 2009 in financiële problemen verkeerde, kan niet zijn veroorzaakt door verweerder.\n\n23. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nInleiding\n\n24. Het is de rechtbank uit het zeer uitgebreide procesdossier alsmede de behandeling ter zitting duidelijk dat eiseres veel spanning en frustratie heeft ervaren door en bij de behandeling van haar zaak. Op zichzelf betekent dat echter nog niet dat de hersteloperatie als zodanig in haar geval onzorgvuldig is geweest en dat de aan eiseres toegekende schadevergoeding van € 30.000 onvoldoende zou zijn.\n\nOp de zaak betrekking hebbende stukken\n\n25. Eiseres heeft gesteld dat er sprake zou zijn van een incompleet onderzoeksdossier. Door verweerder zijn de op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd. Dit betreft een zeer uitvoerig dossier met zeer vele ordners. Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt welke stukken die als op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen worden aangemerkt daarin zouden ontbreken. Deze grief van eiseres faalt op die grond.\n\nEerlijk proces\n\n26. Eiseres heeft erover geklaagd dat geen sprake zou zijn geweest van een eerlijke behandeling door verweerder tijdens de bezwaarfase. Ter zitting is gebleken dat eiseres erop doelt dat in het kader van de aanvraag integrale beoordeling geen eindgesprek met een persoonlijk zaaks behandelaar heeft plaatsgevonden, en zij daardoor onvoldoende gelegenheid zou hebben gehad om haar zaak te bepleiten. Verder is eiseres van oordeel dat het systeem van toekennen van voorschotten welke daarna bij definitieve beschikking teruggevorderd kunnen worden voor burgers zeer bezwarend en niet aanvaardbaar is.\n\n27. Verweerder heeft erop gewezen dat het ouderverhaal bij de integrale beoordeling wel is meegenomen omdat dit is verwoord in het invulformulier. Hij wijst er verder op dat eiseres haar standpunten in bezwaar en beroep en in het kader van het verzoek tot vergoeding van werkelijke schade naar voren heeft kunnen brengen en dit ook uitvoerig gedaan heeft. Ter zitting heeft verweerder excuses gemaakt dat beslist is zonder een eindgesprek.\n\n28. De rechtbank is van oordeel dat te betreuren is dat er in het kader van de integrale beoordeling geen sprake is geweest van een eindgesprek, maar dat nu eiseres haar standpunten in bezwaar en beroep uitvoerig naar voren heeft kunnen brengen zij door het achterwege blijven van dit gesprek niet in haar belangen geschaad is. Het niet gehouden zijn van een eindgesprek is daarom geen reden om de bestreden beschikking te vernietigen. Voor zover eiseres erover klaagt dat zij het wettelijk systeem van voorschot- en definitieve beschikkingen te bezwarend en onaanvaardbaar vindt, is het aan de wetgever om daarin te voorzien. Het is de rechter niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen.\n\nFSV\n\n29. Eiseres stelt dat zij en haar kinderen in het zogenaamde FSV-bestand zouden zijn opgenomen, en verwijst daarvoor naar opnames van een telefoongesprek met mevrouw [naam 5] van de belastingdienst waarvan de geluidsopname tot het dossier behoort. Verweerder heeft desgevraagd tijdens de bezwaar- en beroepsperiode meerdere malen uitdrukkelijk aangegeven dat sprake is geweest van een misverstand, dat mevrouw [naam 5] (ook tijdens het gesprek met eiseres) geen inzage heeft gehad in het FSV-bestand maar slechts in een belbestand waarin alle belastingplichtigen met hun bsn-nummers zijn opgenomen, en dat eiseres en haar kinderen nooit in het FSV-bestand opgenomen zijn geweest. De rechtbank acht deze verklaringen voldoende en geloofwaardig. Dat er sprake is geweest van opname in een FSV-bestand is daarmee geen grond voor schadevergoeding nu dit dus niet het geval is geweest.\n\nKetenpartners\n\n30. De rechtbank stelt verder voorop dat het beroep is gericht tegen beschikkingen van verweerder in het kader van het vergoeden van schade als gevolg van de zogenoemde kinderopvangtoeslagaffaire. Hetgeen eiseres aanvoert over medeaansprakelijkheid van de gemeente [woonplaats] , het UWV en de voormalige werkgever van eiseres, door eiseres aangeduid als “ketenpartners”, kan in deze procedure niet aan de orde komen. Voor een rechterlijke toetsing van de handelingen van de “ketenpartners”, voor zover die niet zijn vervat in door de gemeente en het UWV gegeven voor bezwaar en beroep vatbare beschikkingen, is de burgerlijke rechter bevoegd.\n\nWettelijk kader\n\n31. De Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) kent twee gescheiden compensatietrajecten. De Wht bevat een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten en de hoogte daarvan, zoals bepaald in de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht. Daarnaast kan aanspraak worden gemaakt op een schadevergoeding indien een ouder geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld (artikel 2.6 van de Wht). Als een aanvrager van compensatie meer schade heeft geleden dan op grond hiervan wordt vergoed, kan om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade worden verzocht, aldus artikel 2.1, derde lid, van de Wht, c.q. artikel 2.6, derde lid, van de Wht.\n\n32. Compensatie op grond van de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wht wordt toegekend indien sprake is van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of hardheid van het wettelijk systeem. Bij institutionele vooringenomenheid gaat het blijkens de wetsgeschiedenis om:\n\n1. een collectieve stopzetting van de KOT zonder voorafgaande individuele beoordeling;\n\n2. het opvragen bij een belanghebbende van grote hoeveelheden bewijsstukken over een of meerdere jaren;\n\n3. gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen, en ontbrekende bewijsstukken met soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijking van de aanspraak KOT was gevonden;\n\n4. het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming daarin en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op KOT bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken.\n\nVan hardheid van het stelsel is sprake als de KOT op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van de KOT heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de KOT geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden als de terugvordering het gevolg is van minder afgenomen uren kinderopvang.\n\nBeoordeling\n\n33. In de onderhavige zaak staat het volgende vast. Van eiseres is over het jaar 2011\n\n€ 284 KOT terecht teruggevorderd vanwege een lager uurtarief van de kinderopvang dan waarvan bij de voorschotbeschikking is uitgegaan. Over het jaar 2012 is in het geheel geen KOT van eiseres teruggevorderd. Over het jaar 2013 is terecht € 6.999 (inclusief € 319 heffingsrente) KOT teruggevorderd omdat geen kind van eiseres in dat jaar kinderopvang heeft genoten. Eiseres heeft dit zelf desgevraagd uitdrukkelijk aan verweerder bevestigd, en ook navraag door verweerder bij de betreffende kinderopvangorganisatie heeft bevestigd dat voor het jaar 2013 geen kinderopvang waarvoor een aanvraag KOT is gedaan is genoten. Dit ligt ook in de rede omdat het betrokken kind in het jaar 2012 4 jaar oud is geworden en vanaf toen naar de basisschool is gegaan. Ten aanzien van de jaren 2011 tot en met 2013 is de rechtbank dan ook van oordeel dat de terugvorderingen in 2011 en 2013 terecht waren, en dat geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel, zodat er geen recht op compensatie is op grond van de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wht.\n\n34. Aan eiseres is echter een persoonlijke betalingsregeling voor de terugvordering van KOT 2013 geweigerd omdat zij voor het jaar 2013 ten onrechte een kwalificatie O\u002FGS heeft gekregen. Dit betekende dat zij vanaf juli 2016 € 292 per maand moest terugbetalen in plaats van de aanvankelijk door haar voorgestelde € 100 per maand vanaf 12 januari 2016 voor de eerste vier maanden waarna zij € 200 per maand zou gaan betalen, of de op 27 januari 2016 voorgestelde 60\u002F140 staffel op € 292 per maand gedurende 24 maanden. Eiseres heeft aan deze betalingsverplichting van € 292 per maand voldaan door gelden te lenen van haar ouders.\n\n35. Artikel 2.6 van de Wht luidt als volgt:\n\n“1. De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O\u002FGS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.\n\n2. De O\u002FGS-tegemoetkoming bedraagt 30 procent van het bedrag van de terugvordering.\n\n3. Aan een aanvrager van een O\u002FGS-tegemoetkoming die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade als gevolg van de onbillijkheden van overwegende aard, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan de O\u002FGS-tegemoetkoming, wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag een aanvullende O\u002FGS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade toegekend.\n\n4. De O\u002FGS-tegemoetkoming en de aanvullende O\u002FGS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade blijven achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 over hetzelfde berekeningsjaar of voor zover op andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is voorzien.”\n\nIntegrale beoordeling\n\n36. Op 2 juli 2021 heeft verweerder in het kader van de integrale beoordeling voor het jaar 2013 een bedrag van € 2.100 tegemoetkoming toegekend (30% van € 6.999) als O\u002FGS tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, Wht.\n\n37. Naar het oordeel van de rechtbank is dit bedrag juist berekend op het in artikel 2.6, tweede lid, van de Wht opgenomen forfaitaire schadebedrag. De Wht is een wet in formele zin, en de wettekst laat geen ruimte om een hoger bedrag aan compensatie toe te kennen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (in het bijzonder in zijn uitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772) geoordeeld dat wegens het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet bij dwingende formulering van een bepaling in een wet in formele zin geen ruimte bestaat voor toepassing van het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat geen ruimte bestaat om belangen af te wegen en te toetsen of het besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Wel kan er aanleiding bestaan voor een zogenoemde contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De rechtbank is op grond van het procesdossier, de stellingen van partijen en de wetsgeschiedenis van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. De wetgever heeft immers uitdrukkelijk rekening gehouden met de omstandigheid dat de hoogte van de forfaitaire schadevergoeding niet (volledig) tegemoet komt aan de werkelijk geleden schade. Daarvoor kan namelijk een aanvraag tot vergoeding van werkelijke schade op grond van artikel 2.6, derde lid, Wht worden gedaan hetgeen eiseres ook gedaan heeft. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet de mogelijkheid heeft om af te wijken van de forfaitaire schadevergoeding.\n\n38. Het vorenstaande betekent dat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de integrale beoordeling faalt.\n\nWerkelijke schade\n\n39. Bij de uitspraak op bezwaar van 13 december 2023 is een aanvullende vergoeding van werkelijke schade vastgesteld van € 17.797,67 welke niet is uitbetaald vanwege verrekening met € 30.000 die is uitbetaald in het kader van de Catshuisregeling. In zijn aanvullende (tweede) uitspraak op bezwaar van 24 januari 2025 komt verweerder tot de conclusie dat eiseres recht heeft op een vergoeding van werkelijke schade voor een bedrag van € 22.097,69, maar omdat dit samen met de tegemoetkoming O\u002FGS van € 2.100 minder is dan de reeds toegekende € 30.000 er geen aanvullende compensatie aan eiseres wordt uitgekeerd. De rechtbank oordeelt als volgt.\n\n40. De werkelijke schade, als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van de Wht is alleen de schade die het gevolg is van een besluit, waarvan door eiseres aannemelijk gemaakt wordt dat haar werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan het na de integrale beoordeling toegekende bedrag. Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW).\n\n41. In deze zaak gaat het om het onterecht weigeren van een betalingsregeling voor het jaar 2013 vanwege de O\u002FGS kwalificatie. Eiseres heeft gesteld dat haar werkelijke schade € 654.159,81 bedraagt, bestaande uit reiskosten (€ 1.080,20), medische kosten (€ 14.918,60), andere kosten (€ 40.456,65), materiële schade (€ 240.156,27) en immateriële schade (€ 357.548,09). Het is aan eiseres om de aanwezigheid van deze schade en het causaal verband met het weigeren van de betalingsregeling aannemelijk te maken.\n\n42. De CWS heeft geadviseerd een vergoeding van € 15.000 toe te kennen vanwege immateriële schade (€ 11.000 voor eiseres en € 1.000 voor elk van haar kinderen). In afwijking hiervan heeft de BAC geadviseerd aanvullend € 1.297,69 voor tandartskosten te vergoeden. Voor het overige zijn de vorderingen van eiseres afgewezen. Verweerder heeft bij de bestreden beschikking van 13 december 2023 geoordeeld dat een bedrag aan werkelijke schade van € 17.797,69 voor vergoeding in aanmerking komt, hetgeen vanwege de reeds toegekende € 30.000 niet wordt uitbetaald.\n\n43. Gelet op artikel 6:19 van de Awb ziet het beroep van eiseres van rechtswege ook op de aanvullende (tweede) beslissing op bezwaar van 24 januari 2025. Met het nemen van deze aanvullende beslissing op bezwaar heeft verweerder de geleden immateriële schade vastgesteld op € 20.300 en de materiële schade gehandhaafd op € 1.297,69, alsmede een aanvullende vergoeding vastgesteld van € 500 voor verletdagen en reiskosten en als vergoeding voor de procedure tegen de afwijzing van het verzoek voor een persoonlijke betalingsregeling. Daarnaast is € 500 toegekend voor de procedure bij de CWS. Deze aanvullende beslissing is het gevolg van het gewijzigde schadekader van de CWS. Deze heroverweging raakt de rechtmatigheid van het bestreden besluit van 13 december 2023 niet, dat daarom ook in stand is gelaten.\n\n44. Uit het schadekader volgt dat de immateriële schadevergoeding uit vijf bouwstenen bestaat en per bouwsteen is er een aantal factoren dat meeweegt bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Aan elke factor die van toepassing is wordt een bedrag toegekend, afhankelijk van hoe zwaar de factor meeweegt.\n\n45. Bij het bepalen van de hoogte van eiseres’ immateriële schadevergoeding heeft verweerder in aanmerking genomen de bedragen die gekoppeld zijn aan de bouwstenen A (aantasting in de persoon, van de eer en de goede naam) B (gezinssamenstelling) en E (de stressvolle jaren vanaf de eerste negatieve kinderopvangtoeslagbeschikking). In het bestreden besluit op bezwaar van 13 december 2023 en het aanvullende besluit op bezwaar van 24 januari 2025 heeft verweerder aan de hand van die bouwstenen toegelicht hoe hij (in de nadere uitspraak op bezwaar van 24 januari 2025) tot het totaal toegekende bedrag voor de immateriële schade van € 20.300 is gekomen en waarom bouwstenen C en D niet zijn meegenomen in de berekening. Daarnaast heeft verweerder aangegeven hoe tot de overige vergoedingen is gekomen waardoor de totale schade is vastgesteld op € 22.097,69. Verweerder heeft hierop in mindering gebracht de vergoeding van € 27.900 als surplus van het bedrag dat eiseres eerder op grond van de Catshuisregeling heeft ontvangen als vergoeding voor materiële en immateriële schade, waardoor per saldo niets aanvullend aan eiseres is uitbetaald, behoudens € 500 voor kosten van de procedure bij de CWS.\n\n46. De rechtbank is van oordeel dat verweerder inzichtelijk heeft gemotiveerd hoe hij tot het bedrag van € 22.097,67 is gekomen. De rechtbank ziet in dat wat eiseres hierover heeft aangevoerd, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat op grond van het huidige schadekader aanleiding bestaat voor het toekennen van een hogere vergoeding van materiële of immateriële schade. Eiseres heeft niet aan de hand van de bouwstenen concreet gemotiveerd dat verweerder een hoger bedrag had moeten toekennen. Verder is gesteld noch gebleken dat er relevante omstandigheden zijn die niet door verweerder zijn meegewogen in de nadere (tweede) beslissing op bezwaar van 24 januari 2025. Wat eiseres in beroep en op de zitting heeft aangevoerd, is met name een uitgebreide weergave van dat wat haar is overkomen, maar daarmee is niet concreet aannemelijk gemaakt dat recht bestaat op een hogere vergoeding van materiële of immateriële schade. Dat verweerder een onjuiste aanvullende beslissing heeft afgegeven, is dan ook niet gebleken. De rechtbank heeft ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.\n\n47. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat eiseres volgens haar eigen verklaring reeds vanaf 2009 met hoge schulden te kampen had, hetgeen geen enkel verband houdt met de terugvordering van kinderopvangtoeslag 2013 en de weigering van de door eiseres gevraagde betalingsregeling in 2016. Eiseres was blijkens haar eigen voorstel in januari 2016 om een betalingsregeling te treffen voor de terugbetaling van KOT 2013 voornemens en in staat om terug te betalen, zij het met lagere bedragen per maand en gedurende een langere periode dan door verweerder verlangd dan wel binnen de door verweerder voorgestelde periode volgens een 60\u002F140 staffel. Zij heeft vervolgens volgens eigen zeggen aan haar betalingsverplichting voldaan door geld te lenen van haar ouders zodat zij de terugbetaling heeft kunnen doen. Dit betekende dat zij de eerste 12 maanden meer heeft moeten aflossen dan door haar verzocht en dat haar ouders hiervoor zijn bijgesprongen, maar de laatste 12 maanden minder dan door haar verzocht. Dat dit voor eiseres bezwarend was neemt de rechtbank zonder meer aan, maar dat daardoor de schade is ontstaan die eiseres stelt heeft zij op geen enkele manier aannemelijk gemaakt.\n\n48. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om de uitspraak op bezwaar van 13 december 2023 en de nadere (tweede) uitspraak op bezwaar van 24 januari 2025 onjuist te achten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze uitspraken op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, inzichtelijk gemotiveerd en navolgbaar.\n\n49. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat eiseres geen aanspraak kan maken op een hoger bedrag aan schadevergoeding dan reeds aan haar is toegekend.\n\nSlotsom\n\n50. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n51. Gelet op de aanvullende beslissing op bezwaar is er aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 51 en de proceskosten vergoedt. De hoogte van de proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van\n\nH. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.\n\ngriffier rechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:8961","2025-08-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:42.067Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":50,"updatedAt":71},"1313","ECLI:NL:RBGEL:2025:3494","ecli-nl-rbgel-2025-3494",60,"2025-05-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F5690uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiseres], uit [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. J. van de Wiel),\n\nen\n\nde Dienst Toeslagen\n\n(gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2]).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. De dienst heeft vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op compensatie over de jaren 2006 en 2007 en de jaren 2009 tot en met 2011. Eiseres is het niet eens met de besluiten van de Dienst. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst eiseres over de genoemde jaren niet hoeft te compenseren. Niet is gebleken dat de Dienst met vooringenomenheid heeft gehandeld. Ook was er geen sprake van hardheid bij de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Aan haar is daarom een forfaitaire compensatie toegekend van € 30.000 (de Catshuisregeling). Vervolgens heeft de dienst de zogenoemde integrale beoordeling verricht. In dat verband heeft de Dienst op 18 augustus 2022 vastgesteld dat bij de beoordeling over het toeslagjaar 2008 fouten zijn gemaakt. Eiseres krijgt daarom voor dit toeslagjaar een compensatiebedrag. Voor de jaren 2006, 2007 en 2009-2011 is geen compensatie toegekend. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 10 juli 2024 op het bezwaar van eiseres heeft de Dienst het bezwaar gegrond verklaard in verband met een verkeerd berekend rentebedrag over de compensatie voor het toeslagjaar 2008. De bezwaren tegen de afwijzing van compensatie voor de overige toeslagjaren zijn ongegrond verklaard. Het definitieve compensatiebedrag bedraagt €7.200. Omdat eiseres al een bedrag van €30.000 heeft gekregen, krijgt eiseres geen extra bedrag uitbetaald.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank stelt vast dat eiseres ten aanzien van toeslagjaar 2007 geen beroepsgronden heeft ingediend. Op de zitting heeft eiseres laten weten de beroepsgronden die zien op het toeslagjaar 2008 niet langer te handhaven. Dit betekent dat enkel de toeslagjaren 2006 en 2009 tot en met 2011 in deze uitspraak aan bod zullen komen.\n\nHeeft de Dienst in 2006 met vooringenomenheid gehandeld?\n\n4. Eiseres voert aan dat de mogelijkheid bestaat dat de Dienst in 2006 met vooringenomenheid heeft gehandeld. Eiseres heeft in april 2006 kinderopvangtoeslag aangevraagd en de uitbetaling hiervan heeft pas in augustus 2006 plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot betalingsproblemen en schulden. De bij de Dienst ontstane misverstanden over de uitbetaling en het niet tijdig toekennen van een voorschot van de kinderopvangtoeslag duiden op vooringenomenheid. Het feit dat uiteindelijk het correcte voorschot werd toegekend, doet niet af aan het feit dat eiseres benadeeld is door het lange uitblijven ervan waar geen enkele valide reden voor was.\n\n4.1.. De Dienst stelt dat niet is vast te stellen of de beslistermijn op de aanvraag is overschreden. De aanvraag is namelijk niet meer te traceren. Wel is te zien dat het voorschot pas eind augustus 2006 is uitgekeerd. Dit maakt het waarschijnlijk dat de behandeling van de aanvraag langer op zich heeft laten wachten en dat wijst op een onzorgvuldigheid. De Dienst heeft tijdens de zitting uitgelegd dat het vaker voorkomt dat op een aanvraag niet binnen de wettelijke beslistermijn wordt beslist. Dat kan om verschillende redenen zijn maar dit duidt niet direct op vooringenomenheid. De rechtbank volgt dit. De schending van een wettelijke beslistermijn is onzorgvuldig, maar de rechtbank ziet daarin – zonder bijkomende omstandigheden – geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de Dienst vooringenomen heeft gehandeld. Die bijkomende omstandigheden zijn er in dit geval niet. Dat over het jaar 2008 wel compensatie is toegekend vanwege vooringenomen handelen, betekent - anders dan eiseres stelt – niet dat dit daarom ook in het toeslagjaar 2006 al het geval was. Bovendien zou dit in de benadering van eiseres dan ook gelden voor het toeslagjaar 2007, maar de afwijzing van compensatie over dat jaar heeft eiseres niet betwist.\n\nWas er sprake van hardheid bij de terugvordering over de jaren 2009 tot en met 2011?\n\n5. Verder voert eiseres aan dat ten aanzien van de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 sprake is geweest van schade als gevolg van hardheid van het systeem. Eiseres heeft met het antwoordformulier van september 2010 aangegeven dat zij in 2009 geen kinderopvang heeft afgenomen en heeft de Dienst in november 2010 telefonisch bericht dat ook in 2010 geen opvang is afgenomen en dat de kinderopvangtoeslag kon worden stopgezet. Desondanks is de toeslag over die jaren volledig aan haar uitbetaald. Zij heeft hier echter nooit weet van gehad omdat ze destijds onder bewind stond. Ze kreeg geen post en had ook geen zicht op de financiën. Dit liep allemaal via de bewindvoerder. Ze wijst er daarbij op dat het traject vanaf 6 december 2010 is omgezet in de wettelijke schuldsanering welke liep tot 6 december 2011. Aan het einde van het traject, zo blijkt uit een proces-verbaal van de Rechtbank Zutphen van 16 november 2011, zijn de bestaande schulden aan de belastingdienst meegenomen met de schone lei die aan eiseres is verleend. Dat was voor haar het moment dat ze het schuldenverleden achter zich kon laten en een nieuwe start kon maken, het was dan ook een complete verrassing toen in 2013 de kinderopvangtoeslag werd teruggevorderd over de toeslagjaren 2009 tot en met 2011. Dit heeft haar emotioneel hard geraakt. De terugvordering getuigt volgens eiseres in dit licht bezien dan ook van een bijzondere hardheid.\n\n5.1.. De Dienst kent compensatie toe aan een aanvrager die schade heeft geleden door hardheid bij de toepassing van de wetgeving van de kinderopvangtoeslag.Van hardheid is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Er is op zichzelf geen sprake van een bijzondere omstandigheid als de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar. De financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, zullen in het algemeen niet leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel.\n\n5.2.. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft de Dienst eiseres niet te compenseren voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011. Er is geen sprake van hardheid. Eiseres heeft in deze jaren namelijk geen recht op kinderopvangtoeslag gehad omdat zij ook geen uren kinderopvang heeft afgenomen. Dit maakt dat de Dienst de voorschotten heeft mogen terugvorderen. Dat eiseres zelf geen zicht had op haar financiën en de bewindvoerder niet heeft opgemerkt dat eiseres voorschotten kreeg waar zij geen recht op had, kan de Dienst niet worden verweten. Ook is in dit geval niet van belang dat aan eiseres in 2011 een schone lei verklaring is verstrekt. In de eerste plaats niet omdat de schuld uit de terugvordering van de kinderopvangtoeslag op dat moment nog niet bestond, Maar bovendien moet goed in het oog worden gehouden dat de Dienst in 2011 niet als schuldeiser aan de schuldsaneringsprocedure heeft deelgenomen. Voor zover de Belastingdienst op de schone lei verklaring wordt genoemd als één van de schuldeisers, wijst de rechtbank er op dat de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen twee verschillende bestuursorganen zijn, die van elkaar moeten worden onderscheiden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen compensatie krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van R. Visscher, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit volgt uit artikel 2.1., eerste lid, onder b, van de Wht.\n\n Kamerstukken II, 2021\u002F2022, 36151 nr. 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:3494","2025-05-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.441Z",20,[74,11,75],2026,2024]