[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-benefits-scandal-compensation-nl-2026":3},{"detail":4,"years":81},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":21,"page":14,"limit":80},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},121,"benefits-scandal-compensation-nl","Benefits Scandal Compensation","NL","2026-07-08T16:57:27.980Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":17},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63,72],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1142","ECLI:NL:RBGEL:2026:5091","ecli-nl-rbgel-2026-5091","",60,"2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 25\u002F918uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M. van Leeuwen),\n\nen\n\nde minister van Financiën\n\n(gemachtigde: mr. J. Rhebergen).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om het door eiseres ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaart in het bestreden besluit. Om die reden is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren. De minister stelt zich namelijk terecht op het standpunt dat de schuld van eiseres bij ABN AMRO Bank N.V. (ABN AMRO) niet voldoet aan de voorwaarde van opeisbaarheid in artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister hoeft de hardheidsclausule niet toe te passen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Eiseres heeft een schuldenlijst opgestuurd naar de Sociale Banken Nederland (SBN), waarop een openstaande schuld aan de ABN AMRO staat van € 5.886,93. Eiseres heeft verzocht om overname van deze schuld.\n\n2.1.. De SBN heeft namens de Belastingdienst\u002FToeslagen (nu: de minister) in het besluit van 7 juni 2024 geweigerd de schuld over te nemen. De minister heeft het bezwaar van eiseres met het bestreden besluit van 7 januari 2025 niet-ontvankelijk verklaard.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, om eiseres in de gelegenheid te stellen de kredietovereenkomst met ABN AMRO te overleggen. Eiseres heeft op 24 maart 2026 stukken overgelegd en de minister heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 11 mei 2026.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet bestreden besluit\n\n3. De minister stelt in het bestreden besluit dat eiseres na het besluit op 7 juni 2024 binnen zes weken bezwaar had moeten maken, maar pas op 25 september 2024 bezwaar heeft gemaakt. Dat is te laat. Eiseres geeft geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding. Daarom verklaart de minister het bezwaar niet-ontvankelijk.\n\nDe minister beoordeelt de bezwaargronden wel ambtshalve. De minister stelt ten aanzien van de schuld aan ABN AMRO dat geen achterstanden zijn ontstaan en de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar is gesteld of is opgeëist. Daarom komt de schuld niet voor overname in aanmerking.\n\nIn beroep\n\nVerklaart de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk?\n\n4. Eiseres voert aan dat de minister het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaart. Daarbij licht eiseres toe dat het besluit van 7 juni 2024 was bezorgd bij de buren. Op die dag was zij dus ook niet op de hoogte van het besluit. Daar komt bij dat ook niet duidelijk is of het besluit daadwerkelijk op 7 juni 2024 is verzonden en bezorgd.\n\n5. De rechtbank overweegt dat rechtspraak bestaat over een betwiste verzending.Daaruit volgt dat als de geadresseerde stelt dat hij of zij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat het besluit wél op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Daartoe volstaat in eerste instantie het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres door een bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf. Omdat de bij deze postvervoerbedrijven aangeboden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd, rechtvaardigt het gebruik maken van deze bedrijven het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Wel is vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat er een deugdelijke verzendadministratie is. Verder mag niet gebleken zijn van recente, concrete problemen bij de verzending van poststukken.\n\n5.1.. De rechtbank heeft aan de minister gevraagd of hij informatie over de verzending van het besluit van 7 juni 2024 kan overleggen. Hierop gaf de minister aan dat het besluit per reguliere post (PostNL) is verzonden waardoor geen verzendbewijs kan worden overgelegd. De verzending is ook niet afzonderlijk geregistreerd. In het geautomatiseerde systeem dat de minister bijhoudt staat wel dat het besluit op 7 juni 2024 is genomen, en er staat ook dat de beschikking op die dag is verstuurd.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt dat de minister met deze toelichting niet voldoet aan de onder 5 weergegeven bewijslast. Het besluit van 7 juni 2024 is voorzien van een verzenddatum en adressering, maar verder is niet duidelijk waaruit de daadwerkelijke verzending van het besluit blijkt. Dat blijkt ook niet uit (de uitdraai van) het geautomatiseerde systeem waar de minister op wijst. Daaruit blijkt immers enkel op welke datum is beslist. De minister heeft dus geen deugdelijke verzendadministratie bijgehouden. De verzending en ontvangst van het besluit is om die reden niet aannemelijk. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat eiseres, door eerst op 25 september 2024 bezwaar te maken, niet in verzuim is geweest. De minister verklaart het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.\n\n5.3.. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.\n\nHoe nu verder?\n\n6. Als de rechtbank een besluit vernietigt, moet zij de mogelijkheden van definitieve beslechting van het geschil onderzoeken.\n\n6.1.. Als de rechtbank het besluit enkel vernietigt, valt de bezwaarprocedure weer ‘open’. De minister moet dan beslissen op wat eiseres in haar bezwaarschrift aanvoert. In dit geval heeft de minister dit eigenlijk al gedaan, omdat hij de bezwaargronden ambtshalve beoordeelt in het te vernietigen besluit en uitlegt dat- en waarom hij de schuld niet overneemt. Eiseres geeft in haar beroepsgronden ook aan waarom zij het niet eens is met dit standpunt. Tijdens de zitting heeft de minister naar voren gebracht dat de uitkomst en motivering van de ‘ambtshalve beoordeling’ niet wijzigt als hij een nieuwe beslissing zou moeten nemen op het bezwaar.\n\n6.2.. De rechtbank heeft dit met partijen besproken tijdens de zitting en aan hen de vraag voorgelegd of zij een oordeel wensen over de uitkomst en motivering van de door de minister, verrichtte ‘ambtshalve beoordeling’. Partijen hebben daarmee ingestemd. Concreet betekent dit dat de rechtbank - aan de hand van de beroepsgronden van eiseres - hieronder beoordeelt of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de schuld van eiseres bij ABN AMRO niet voor overname in aanmerking komt.\n\nOpeisbaarheid\n\n7. De rechtbank stelt eerst het volgende vast. Eiseres heeft op 1 juli 2006 een kredietrekening afgesloten bij ABN AMRO (Privélimiet Plus). Op grond van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, in samenhang gelezen met artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht, wordt de hoofdsom van zo’n lening overgenomen, als die vanwege betalingsachterstanden vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.\n\n7.1.. Uit informatie van ABN AMRO volgt dat bij eiseres op 31 mei 2021 geen vorderingen zijn opgeëist. Er is geen sprake van een opeisbare betalingsachterstand. Dit is verder ook niet in geschil.\n\n8. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de hoofdsom van de kredietrekening opeisbaar is. Om die vraag te beantwoorden, is onder meer van belang wat daarover in de voorwaarden is bepaald. Hierbij is niet van belang of de schuldeiser ook daadwerkelijk al stappen tot invordering of opeising heeft gezet.\n\n9. Eiseres voert aan dat de schuld (hoofdsom) weliswaar niet is opgeëist, maar wel opeisbaar ís. Daarbij wijst eiseres op artikel 4 van de Bijlage van de kredietovereenkomst. Daarin staat:\n\n‘Zowel de Bank als de Kredietnemer zijn bevoegd deze kredietfaciliteit te allen tijde te beëindigen. Op verzoek van Kredietnemer zal de Bank de reden(en) mededelen. De Bank zal hiertoe met name overgaan als gedurende een onafgebroken periode van twee maanden de kredietlimiet, zonder toestemming van de Bank met minimaal een bedrag gelijk aan 5% van de kredietlimiet wordt overschreden.’\n\nVolgens eiseres volgt hieruit dat de ABN AMRO op ieder moment de kredietrekening kan intrekken en het openstaande bedrag kan opeisen. Eiseres betoogt dat de schuld daarom wél in aanmerking komt voor overname.\n\n10. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister wijst terecht op artikel 7 van de Bijlage van de kredietovereenkomst. Daarin staat in welke gevallen de hoofdsom ineens opeisbaar wordt, bijvoorbeeld - kort gezegd - als iemand na een ingebrekestelling niet voldoet aan de betalingsverplichting of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kredietnemer binnen vier maanden Nederland zal verlaten. Uit artikel 7 van de Bijlage volgt dat pas sprake is van opeisbaarheid als aan een voorwaarde uit dit artikel is voldaan. In het geval van eiseres is niet aan een voorwaarde voor opeisbaarheid uit dat artikel voldaan. De stelling van eiseres dat de hoofdsom op grond van artikel 4 van de Bijlage altijd opzegbaar en dus opeisbaar is, is dus niet juist. De hoofdsom van de kredietovereenkomst wordt immers alleen onder de in artikel 7 bepaalde voorwaarden opeisbaar. Artikel 4 van de Bijlage ziet op de mogelijkheid van beëindiging van de kredietrekening. Van beëindiging van de overeenkomst op grond van dat artikel is niet gebleken, en evenmin is gebleken dat de in dat artikel genoemde kredietoverschrijding zich bij eiseres heeft voorgedaan..\n\n10.1.. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarde van opeisbaarheid in artikel 4.1 van de Wht.\n\nEvenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule\n\n11. Eiseres voert aan dat zij de kredietrekening heeft afgesloten om de openstaande schulden te betalen die zijn ontstaan door de toeslagenaffaire. Eiseres voldeed altijd aan haar betalingsverplichting en betaalt nu nog een maandelijks bedrag aan rente. Als zij dat niet had gedaan was een opeisbare betalingsachterstand ontstaan, die wél zou worden overgenomen. Volgens eiseres leidt dit tot een ongerechtvaardigd onderscheid.\n\n12. Deze beroepsgrond strekt ertoe dat de rechtbank de eis dat een schuld opeisbaar is toetst aan het evenredigheidsbeginsel. Deze eis staat echter in een wet in formele zin (artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht) en valt daarom onder het toetsingsverbod. De rechtbank mag deze bepaling in beginsel niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dit is alleen anders als zich bijzondere omstandigheden voordoen, die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarbij kan het ook gaan om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.\n\n13. De rechtbank komt vanwege het toetsingsverbod niet toe aan de vraag of artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht buiten toepassing moet worden gelaten omdat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij wijst zij op rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken. Daaruit volgt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om alleen opeisbare schulden of achterstanden over te nemen. Daarmee heeft de wetgever met zoveel woorden onder ogen gezien dat dit tot situaties kan leiden die onrechtvaardig kunnen aanvoelen. Daaronder kan ook de situatie van ouders vallen, die zoals eiseres, onder lastige omstandigheden veel moeite hebben gedaan om het ontstaan van achterstanden en schulden te voorkomen en die het als gevolg van de toeslagenproblematiek financieel moeilijk hebben.\n\n14. Het beroep van eiseres op de hardheidsclausule slaagt ook niet. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht een hardheidsclausule is opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1 van de Wht, voor zover de toepassing daarvan, gelet op het belang dat die bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf, gelet op de ratio ervan, onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien, is daarbij niet van doorslaggevend belang.\n\n14.1.. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres oneerlijk voelt dat zij niet volledig gecompenseerd wordt, terwijl zij alles op alles heeft gezet om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Toch is de omstandigheid dat de schuld daardoor niet opeisbaar is geworden, ‘geen onbillijkheid van overwegende aard’. Zoals onder 13 staat, heeft de wetgever er bewust voor gekozen om alleen opeisbare schulden of achterstanden over te nemen. Eiseres geeft verder geen inzicht in haar actuele situatie. Zonder af te willen doen aan de gevolgen die de toeslagenaffaire voor eiseres heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk maakt dat haar actuele situatie zodanig bijzonder of schrijnend is, dat het vasthouden aan de voorwaarde dat alleen opeisbare schulden voor overname in aanmerking komen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n15. Het beroep is gegrond omdat de minister het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaart. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit.\n\n16. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing. De rechtbank verklaart het bezwaar tegen het besluit van 7 juni 2024 ongegrond en stelt haar uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit. De minister hoeft daarom niet opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De rechtbank stelt de vergoeding voor de proceskosten vast op € 2.335 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, en 0,5 punt voor de reactie na schorsing ter zitting).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;\n\n- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53 aan eiseres moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335 aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. L.G.C. Lelifeld, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2335.\n\n Dat staat in artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5101.\n\n De rechtbank wijst hierbij op de uitspraken van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:2045 en 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5091","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:06.333Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1066","ECLI:NL:RBROT:2026:8084","ecli-nl-rbrot-2026-8084",61,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F1343\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. J. van den Ende),\n\nen\n\nDienst Toeslagen\n\n(gemachtigde: [naam 1]).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) over de toeslagjaren 2010 en 2011. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag terecht heeft afgewezen.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Met een besluit van 7 maart 2023 (UHT-DCHA) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2010 en 2011 afgewezen.\n\n1.2.. Met een besluit van 8 maart 2023 (UHT-O OGS B) heeft de Dienst Toeslagen de tegemoetkoming in verband met een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld bepaald op € 6.629,-. Omdat dit bedrag lager is dan het bedrag van € 30.000,- dat eiseres al eerder had ontvangen, heeft zij geen extra geld ontvangen.\n\n1.3.. Met het besluit van 3 januari 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen de besluiten van 7 maart 2023 en 8 maart 2023 gehandhaafd.\n\n1.4.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.1.5.. De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.6.. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De Dienst Toeslagen heeft aan het bestreden besluit, voor zover van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Over de jaren 2010 en 2011 is sprake geweest van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen omdat eiseres voorafgaand aan de nihilstellingen van 23 juli 2010 en 9 juni 2011 niet schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om informatie toe te sturen. Eiseres heeft echter geen recht op compensatie op deze grond omdat eiseres evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. Eiseres was namelijk geen zogenoemde doelgroeper, onder meer omdat de partner van eiseres destijds geen rechtmatig verblijf had en niet werkte.\n\n3. Eiseres heeft aangevoerd dat de Dienst Toeslagen haar ten onrechte geen compensatie op basis van vooringenomenheid, dan wel hardheid van het stelsel heeft toegekend. Zij is slachtoffer geworden van een derde, [naam 2] . Deze had gezegd dat eiseres het geld van de kinderopvangtoeslag naar hem moest overmaken en hij zou dan de opvang voor haar betalen. De Dienst Toeslagen had een onderzoek naar [naam 2] moeten uitvoeren, nu de kinderopvangtoeslag door hem was aangevraagd. In een zaak van een ander slachtoffer van [naam 2] heeft de Dienst Toeslagen wel compensatie toegekend, aldus eiseres.\n\n4.1.. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wht volgt dat compensatie achterwege blijft indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als blijkt dat de ouder evident geen recht had op kinderopvangtoeslag in het desbetreffende jaar.\n\n4.2.. Eiseres heeft geen beroepsgronden gericht tegen het standpunt van de Dienst Toeslagen dat eiseres geen doelgroeper was omdat haar partner destijds geen rechtmatig verblijf had en niet werkte. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat eiseres zelf van mening is dat zij wel doelgroeper was maar dat die stelling niet kan worden onderbouwd. Ook ter zitting is het genoemde standpunt van de Dienst Toeslagen daarom niet voldoende gemotiveerd betwist. Nu aangenomen moet worden dat eiseres geen doelgroeper was, had eiseres om deze reden evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Dat is een ernstige onregelmatigheid. Deze kan eiseres worden toegerekend. Hierbij is van belang dat het de bedoeling van eiseres was dat kinderopvangtoeslag zou worden aangevraagd en dat de kinderopvangtoeslag ook op de rekening van eiseres is bijgeschreven. Gelet hierop heeft de Dienst Toeslagen terecht toepassing gegeven aan artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.\n\n4.3.. Voor zover van belang, overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen destijds onderzoek had moeten doen naar [naam 2] . Niet is gebleken dat de Dienst Toeslagen had moeten vermoeden dat sprake was van oplichting. Over de verwijzing naar het besluit over een ander slachtoffer van [naam 2] , waarin de Dienst Toeslagen wel compensatie heeft toegekend, merkt de rechtbank op dat het niet gaat om vergelijkbare situaties. Uit het andere besluit blijkt namelijk dat er in dat geval geen aanknopingspunten waren om vast te stellen dat de kinderopvangtoeslag is overgemaakt naar een rekening die op naam stond van de betrokkene.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr.J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36151, nr. 3, p. 72.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8084","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.310Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":58,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"1921","ECLI:NL:RBMNE:2026:3705","ecli-nl-rbmne-2026-3705",63,"RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F595361 \u002F HA ZA 25-314\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eisende partij sub 1] ,\n\n2. [eisende partij sub 2],\n\n3. [eisende partij sub 3],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nadvocaten: mrs. C.L.J.A. Spiertz en M. Jans\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nDE STAAT DER NEDERLANDEN\n\n(Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Toeslagen),\n\nte ’s-Gravenhage,\n\ngedaagde partij,\n\nadvocaten: mrs. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]\n\nPartijen worden hierna de kinderen en de Staat genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 6 juni 2025 met 5 producties; - de conclusie van antwoord van 6 augustus 2025 met 8 producties;\n\n- de oproep voor de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025;\n\n- de brief van 19 maart 2026 van de Staat met productie 9;\n\n- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Jans, voorgelezen tijdens de mondelinge behandeling;\n\n- de spreekaantekeningen van mr. [gemachtigde 1] , voorgelezen tijdens de mondelinge behandeling;\n\n- het overzicht (uit)betalingen en\u002Fof verrekeningen Toeslagen 2006\u002F2007, tijdens de mondelinge behandeling overhandigd door de Staat.\n\n1.2.. \n\nTen slotte is bepaald dat op 27 mei 2026 uitspraak wordt gedaan. Door organisatorische redenen is die datum niet gehaald en wordt uitspraak gedaan op 24 juni 2026.\n\n2. De kern van de zaak\n\nDe moeder van de kinderen (hierna: de moeder) is erkend gedupeerde van de Toeslagenaffaire. De kinderen vinden dat de Staat ook tegenover hen onrechtmatig heeft gehandeld. Zij hebben de Staat aansprakelijk gesteld. De Staat meent dat hij niet aansprakelijk is tegenover de kinderen. In deze procedure vorderen de kinderen een verklaring voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen tegenover hen in het kader van de toeslagenaffaire. Het gaat hier om de besluiten over de kinderopvangtoeslag van de moeder over de jaren 2006 tot en met 2009 en de daaruit voortvloeiende handelingen van de Belastingdienst\u002FToeslagen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de Staat niet aansprakelijk is tegenover de kinderen en zal de vorderingen van de kinderen daarom afwijzen.\n\n3. De achtergrond van het geschil\n\nKinderopvangtoeslag\n\n3.1.. Kinderopvangtoeslag is een inkomensafhankelijke regeling, vastgelegd in de Wet kinderopvang. De Belastingdienst\u002FToeslagen is het aangewezen bestuursorgaan dat besluit over de toekenning, vaststelling en eventueel terugvordering van kinderopvangtoeslag. De moeder heeft in de jaren 2006 t\u002Fm 2009 kinderopvangtoeslag ontvangen als tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De moeder heeft daarna te maken gekregen met substantiële terugvorderingen van de Belastingdienst\u002FToeslagen.\n\nDe toeslagenaffaire en hersteloperatie\n\n3.2.. Voor een goed begrip van deze uitspraak, wordt eerst geschetst welke herstelregelingen in het leven zijn geroepen en welke voorwaarden daarvoor gelden.\n\n3.3.. Naar aanleiding van signalen van ouders over misstanden bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, heeft de staatssecretaris van Financiën in 2019 de Adviescommissie uitvoering toeslagen (hierna: AUT) ingesteld. Het advies van de AUT heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om gedupeerde ouders te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De hersteloperatie is gebaseerd op de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht). De Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT) voert deze regelingen uit.\n\n3.4.. De procedure bij de herstelregelingen begint ermee dat een gedupeerde ouder zich meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets, waarbij wordt beoordeeld of iemand recht heeft op een eerste uitkering van € 30.000,00. Daarbij wordt bekeken of de aanvrager aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldeed, of de aanvrager ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen en of de kinderopvangtoeslag ten onrechte is stopgezet. Deze regeling staat ook wel bekend als de Catshuisregeling.\n\n3.5.. Na deze eerste toets kan een gedupeerde een aanvraag doen voor een hogere vergoeding. In deze zogenoemde ‘integrale beoordeling’ wordt bekeken of de gedupeerde recht heeft op een vergoeding voor materiële en immateriële schade (de compensatievergoeding). Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald.\n\nAanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade\n\n3.6.. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade doen via de Commissie Werkelijke Schade, de Stichting (Gelijk)waardig Herstel of via de Regieroute Vaststellingsovereenkomst.\n\nHet toetsingskader van de Wht\n\n3.7.. \n\nOp grond van de Wht kent de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem of haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag:\n\na) sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de\n\nDienst Toeslagen, of\n\nb) de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast.\n\n3.8.. Of sprake is van institutionele vooringenomenheid (a) moet worden beoordeeld op basis van de volgende kenmerken:\n\ncollectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde;\n\nbreed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren;\n\ngevolgd door een ‘zero tolerance’-onderzoek (…);\n\nhet niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming daarin;\n\nhet afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in stukken.\n\nBij de beoordeling of institutionele vooringenomenheid aanwezig is, gaat het niet om de optelsom van deze kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een dossier.\n\n3.9.. \n\nVan hardheid van het stelsel (b) is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato, namelijk op basis van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager heeft aangetoond dat deze (wél) tijdig zijn betaald aan de kinderopvanginstelling. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandighedenwaarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.\n\nRuimhartige beoordeling\n\n3.10.. Ouders hoeven in het kader van de hersteloperatie niet aan te tonen dat sprake is van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst\u002FToeslagen. Bij het vaststellen van de compensatie, en zo ook bij de beoordeling of sprake is van institutionele vooringenomenheid of hardheid, hanteert de UHT een ruimhartige maatstaf. Dat betekent dat het verhaal van de ouder leidend is en dat beschikbare gegevens in de systemen in het voordeel van de ouder worden uitgelegd.\n\nDe compensatie die de ouders en de kinderen al hebben ontvangen\n\n3.11.. De UHT heeft aan de moeder compensatie toegekend op grond van de Catshuisregeling waarna de moeder om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade heeft verzocht. Uiteindelijk heeft zij op 7 maart 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de UHT. In totaal heeft de moeder een bedrag van € 430.250,00 ontvangen van de Staat, bestaande uit de compensatievergoeding en de vergoeding van haar werkelijke schade. Ook de vader van de kinderen heeft een schikking getroffen met de Staat. Via de ‘regieroute VSO’ is aan hem ruim € 260.000,00 uitgekeerd.\n\n3.12.. Kinderen van gedupeerde ouders ontvangen via de ‘Kindregeling’ van de Wht ook een tegemoetkoming. De hoogte van die tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind en ligt tussen € 2.000,00 en € 10.000,00.Op basis van de Kindregeling hebben de oudste twee kinderen bedragen van € 10.000,00 en het jongste kind een bedrag van € 8.000,00 ontvangen.\n\nDe vordering van de kinderen in deze civiele procedure\n\n3.13.. Het gezin heeft in de periode van de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag meerdere jaren ernstige financiële problemen gehad. [eisende partij sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling namens de kinderen uitgelegd dat – en hoe – de financiële problemen en de bijkomende stress van hun ouders het dagelijks leven van hen als kinderen raakte. Ook heeft [eisende partij sub 1] verteld dat haar ouders door de financiële zorgen uit elkaar gingen, wat veel impact had op het gezin, maar ook op de kinderen individueel. De kinderen hebben daar veel last van gehad en ervaren dat de gevolgen daarvan nog steeds aanwezig zijn in hun leven.\n\n3.14.. De kinderen stellen dat zij materiële en immateriële schade hebben geleden als gevolg van het handelen van de Staat. Er is voor de kinderen, buiten de Kindregeling, geen bestuursrechtelijke mogelijkheid om vergoeding te krijgen voor de geleden schade. Daarom mogen zij hun vordering aan de civiele rechter voorleggen.\n\n3.15.. De kinderen vorderen in deze procedure een verklaring voor recht dat de Staat ten opzichte van hen aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen in het kader van de toeslagenaffaire. Zij willen daarnaast dat de rechtbank de Staat veroordeelt om de schade te vergoeden die zij als gevolg van het onrechtmatig handelen hebben geleden. De kinderen baseren zich daarbij onder meer op de (erkenning van) aansprakelijkheid door de Staat tegenover hun moeder voor besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de UHT compensatie is toegekend.\n\n3.16.. Dat de kinderen een zware periode achter de rug hebben, staat vast. De rechtbank is onder de indruk van het verhaal van [eisende partij sub 1] , en de wijze waarop zij dat, ook namens haar broer en zus, naar voren heeft gebracht. Ook is het bijzonder hoe de kinderen zijn doorgegaan en zich hebben ontwikkeld onder moeilijke omstandigheden.\n\n3.17.. Hoe moeilijk hun situatie echter ook was (en is), dat betekent niet automatisch dat daarmee de aansprakelijkheid van de Staat tegenover de kinderen vaststaat. In de procedure bij de civiele rechter geldt namelijk een andere toets voor aansprakelijkheid dan de (ruimhartige) toets die de UHT hanteert. Bovendien gaat het hier niet om de moeder maar om de kinderen. De rechtbank zal daarom zelfstandig moeten beoordelen of de Staat in dit geval, ten opzichte van de kinderen, een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Daarnaast gelden in deze procedure de regels van het civiele bewijsrecht.\n\n4. De beoordeling\n\nNiet voldaan aan de vereisten voor een onrechtmatige daad\n\n4.1.. De rechtbank zal de door de kinderen gevraagde verklaring voor recht dat de Staat tegenover hen aansprakelijk is, niet geven.\n\n4.2.. In de civiele procedure geldt dat de kinderen, als eisende partij, de feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen, waaruit volgt dat aan alle vereisten is voldaan die de wet aan een onrechtmatige daad stelt.Het eerste vereiste voor een onrechtmatige daad is dat sprake moet zijn van onrechtmatig handelen of nalaten door de Staat (de normschending).De vordering van de kinderen loopt al op dit onderdeel stuk, omdat niet is gebleken dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de kinderen. De rechtbank legt dat hieronder uit.\n\nGeen normschending vastgesteld\n\n4.3.. De kinderen baseren het onrechtmatig handelen van de Staat op alle besluiten en daaruit voortvloeiende juridische en feitelijke handelingen waarvoor de aansprakelijkheid van de Staat tegenover de moeder expliciet is erkend.Volgens de kinderen is de door moeder over de jaren 2006 tot en met 2009 ontvangen kinderopvangtoeslag onterecht teruggevorderd. Zij menen dat de Belastingdienst\u002FToeslagen daarbij vooringenomen en in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld.\n\n4.4.. De rechtbank is echter van oordeel dat de kinderen niet concreet hebben gesteld welke besluiten en terugvorderingen onrechtmatig zijn en op welke wijze de Belastingdienst\u002FToeslagen vooringenomen is geweest of in strijd met de evenredigheid heeft gehandeld. Daar komt bij dat de Staat gemotiveerd heeft betwist dat de besluiten onrechtmatig zijn. De Staat stelt daarnaast – met de kennis van nu– dat er geen sprake is geweest van vooringenomenheid richting de moeder of strijd met het evenredigheidsbeginsel. De Staat heeft daarbij toegelicht hoe de besluiten en terugvorderingen over de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 tot stand zijn gekomen. Daarbij heeft de Staat per jaar onder meer het navolgende naar voren gebracht, wat door de kinderen niet (gemotiveerd) is betwist.\n\nKinderopvangtoeslag in 2006\n\n4.5.. Vanaf mei 2006 gingen de kinderen naar de kinderopvang. De moeder heeft een bedrag van € 12.328,00 ontvangen als voorschot op de kinderopvangtoeslag over 2006. Vanwege non-responsis de kinderopvangtoeslag over dat jaar op nihil gesteld.De moeder heeft daartegen bezwaar gemaakt,waarna de Belastingdienst\u002FToeslagen de invordering heeft uitgesteld. Bij besluit van 7 april 2010 is het bezwaar ongegrond bevonden.In de beschikking staat:\n\n“Om de kinderopvangtoeslag te kunnen berekenen hebben wij een jaaropgave van de kinderopvanginstelling(en) nodig. Ik heb u hierover op 24 februari 2010 gebeld. U heeft toen toegezegd een jaaropgave te zullen sturen. Dit is tot nu toe niet in ons bezit gekomen. U ontvangt dan ook geen nieuwe beschikking.”\n\n4.6.. Omdat de moeder geen jaaropgave over 2006 heeft opgestuurd is de Belastingdienst\u002FToeslagen bij haar besluit gebleven en in 2011 begonnen met het terugvorderen van de kinderopvangtoeslag over 2006. Op 27 december 2011 heeft de moeder alsnog de jaaropgaven 2006 en 2007 van de kinderopvanginstelling opgestuurd.Op basis van de jaaropgave 2006 heeft de Belastingdienst\u002FToeslagen het recht op kinderopvangtoeslag over 2006 op 11 maart 2012 vervolgens vastgesteld op € 13.128,00. Het op dat moment al teruggevorderde deel van de toeslag over 2006 heeft de moeder alsnog ontvangen.\n\nKinderopvangtoeslag in 2007\n\n4.7.. In 2007 werd de kinderopvangtoeslag automatisch voortgezet. De moeder ontving een voorschot van € 23.472,00 voor het jaar 2007. Vanwege non-respons is de kinderopvangtoeslag over 2007 bij beschikking van 12 mei 2009 op nihil gesteld. Het voorschot over 2007 is door middel van verrekening teruggevorderd in de periode juli 2009 tot en met april 2011.\n\n4.8.. Op 27 december 2011 heeft de moeder ook tegen de nihilbeschikking over 2007 bezwaar gemaakt en alsnog de jaaropgaven 2006 en 2007 van de kinderopvanginstelling opgestuurd.Uit de jaaropgave 2007 blijkt dat het oudste kind tot en met maart 2007 naar de kinderopvang ging en de jongste twee kinderen tot en met juli 2007. Op basis van deze informatie heeft de Belastingdienst\u002FToeslagen het recht op kinderopvangtoeslag over 2007 bij beschikking van 10 maart 2012 vastgesteld op een bedrag van € 12.101,00. Dit bedrag is alsnog aan de moeder uitgekeerd.\n\n4.9.. De kinderen hebben niet gesteld dat hun moeder in de tweede helft van 2007 of daarna nog kinderopvang heeft genoten.\n\nKinderopvangtoeslag in 2008 en 2009\n\n4.10.. Omdat de moeder de kinderopvangtoeslag niet heeft stopgezet, werd de kinderopvangtoeslag automatisch voortgezet in 2008. De moeder ontving over 2008 een voorschot van € 23.458,00 en over 2009 een voorschot van € 23.204,00. Vanwege non-respons is de kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009 bij beschikkingen van respectievelijk 14 mei 2010 en 21 april 2011 op nihil gesteld. De Belastingdienst\u002FToeslagen heeft de uitgekeerde bedragen bij de moeder ingevorderd.\n\n4.11.. De moeder heeft tegen de nihilbeschikkingen voor de jaren 2008 en 2009 geen bezwaar gemaakt. Tussen partijen is ook niet betwist dat de moeder over de jaren 2008 en 2009 geen jaaropgaven van een kinderopvanginstelling aan de Belastingdienst\u002FToeslagen heeft verstrekt.\n\nGeen sprake van onterechte terugvorderingen of vooringenomenheid\n\n4.12.. Op basis van de door de Staat overgelegde stukken blijkt niet dat sprake is geweest van onterechte terugvorderingen van kinderopvangtoeslag van de moeder, of dat sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.\n\n4.13.. Weliswaar heeft de UHT in het kader van de hersteloperatie vooringenomenheid van de Belastingdienst\u002FToeslagen jegens de moeder aangenomen, maar die aanname is gedaan omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld of de Belastingdienst\u002FToeslagen de jaaropgaven daadwerkelijk bij de moeder had opgevraagd. De UHT heeft daarom aangenomen dat de moeder in de jaren 2007 tot en met 2009 kinderopvang heeft genoten en dat de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande uitvraag op nihil is gesteld. Op basis van het eerder genoemde (ruimhartige) toetsingskader heeft dit geleid tot de aanname van vooringenomenheid en vervolgens ook erkenning van aansprakelijkheid van de Staat ten opzichte van de moeder.\n\n4.14.. In deze procedure heeft de Staat een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat de Belastingdienst\u002FToeslagen toch (diverse) uitvraag- en rappelbrieven heeft verstuurd aan de moeder over de toeslagjaren 2007 tot en met 2009.Deze gegevens waren tijdens de integrale beoordeling door de UHT nog niet bekend, en zijn pas in 2025 door de Auditdienst Rijk onderzocht en juist en volledig bevonden.Hieruit blijkt dus dat de moeder, ondanks uitvraag van de Belastingdienst\u002FToeslagen, geen jaaropgaven heeft gestuurd over de tweede helft van 2007 tot en met 2009. Zij heeft daarmee niet aangetoond dat zij over die jaren recht had op kinderopvangtoeslag, terwijl zij wel diverse verzoeken heeft gehad om dat te doen. De Belastingdienst\u002FToeslagen is in eerste instantie ook terecht begonnen met het terugvorderen van de kinderopvangtoeslag over 2006 en 2007 aangezien de moeder, ondanks uitvraag, in eerste instantie geen jaaropgaven over die jaren heeft toegezonden en dit pas heeft gedaan op 27 december 2011. De Belastingdienst\u002FToeslagen mocht de door de moeder ontvangen kinderopvangtoeslag dan ook terugvorderen. Van een normschending op basis van onterechte besluiten of vooringenomenheid is daarmee niet gebleken.\n\nSchending van het evenredigheidsbeginsel is niet gebleken\n\n4.15.. De rechtbank heeft evenmin kunnen vaststellen dat de Belastingdienst\u002FToeslagen in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld bij de vaststellings- en terugvorderingsbesluiten over de kinderopvangtoeslag van de moeder en bij de daaruit volgende juridische en feitelijke handelingen. Daarvoor heeft de rechtbank afgewogen of de nadelige gevolgen van de besluiten onevenredig zijn geweest in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.Dat onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag is teruggevorderd is op zichzelf niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dat dit voor de moeder van de kinderen anders zou zijn geweest, is niet gebleken, althans daarvoor zijn door de kinderen onvoldoende concrete feiten naar voren gebracht.\n\n4.16.. Ook is niet of onvoldoende gebleken dat de wijze van invordering door de Belastingdienst\u002FToeslagen in deze zaak in strijd met het evenredigheidsbeginsel is. De kinderen hebben niet concreet gesteld op welke wijze de Belastingdienst\u002FToeslagen de kinderopvangtoeslag bij de moeder heeft teruggevorderd en waarom dit in strijd met het onevenredigheidsbeginsel zou zijn. Weliswaar heeft de Staat volgens de kinderen geweigerd een betalingsregeling met de moeder te treffen, maar uit de door de Staat overgelegde stukken blijkt dat geruime tijd is gewacht met nemen van terugvorderingsmaatregelen en dat de onterecht ontvangen bedragen over een periode van acht jaar zijn terugbetaald.\n\n4.17.. Voor zover de kinderen een verklaring voor recht beogen dat ook in meer brede zin sprake is van een onrechtmatige daad, omdat de wetgeving het handelen van de Belastingdienst\u002FToeslagen mogelijk maakte, gaat ook dit betoog niet op. De wetgeving kan namelijk in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden uitgelegd maar dat is helaas langere tijd niet gedaan.\n\nDe erkenning van aansprakelijkheid door de Staat leidt niet tot vaststelling van een normschending\n\n4.18.. De kinderen hebben zich ook beroepen op de erkenning van de aansprakelijkheid van de Staat ten opzichte van de moeder. Maar dat beroep gaat niet op. De erkenning van aansprakelijkheid van de Staat ten opzichte van de moeder heeft niet tot gevolg dat onrechtmatig handelen van de Staat tegenover de kinderen vast staat. De erkenning van aansprakelijkheid tegenover de moeder moet gezien worden in het licht van de hersteloperatie. De Staat heeft daarbij de pragmatische keuze gemaakt om een ruimhartig toetsingskader toe te passen voor compensatie, om daarmee te helpen de drempels naar compensatie zoveel mogelijk weg te nemen. Daarbij is van belang dat de kinderen niet concreet hebben gemaakt welke normschending in het specifieke geval van de moeder precies door de Staat zou zijn erkend. In elk geval hebben de kinderen daarmee niet aangetoond dat de Staat ook tegenover hen onrechtmatig heeft gehandeld.\n\nGeen normschending vastgesteld – de rechtbank komt niet toe aan de relativiteit\n\n4.19.. In deze civiele procedure is niet gebleken dat de Belastingdienst\u002FToeslagen ten opzichte van de kinderen onrechtmatig heeft gehandeld bij de besluiten en daaruit voortvloeiende handelingen over de kinderopvangtoeslag van de moeder in de periode 2006 tot en met 2009. Omdat de rechtbank geen normschending heeft vastgesteld zullen de vorderingen van de kinderen worden afgewezen.\n\n4.20.. De rechtbank merkt nog op dat een belangrijk onderdeel van het debat tussen partijen ziet op de vraag of de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de kinderen die hebben geleden (de relativiteit). Maar omdat er geen geschonden norm is, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of voldaan is aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.\n\nDe kinderen moeten de proceskosten betalen\n\n4.21.. De kinderen zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n4.22.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.23.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.24.. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. wijst de vorderingen van de kinderen af,\n\n5.2.. veroordeelt de kinderen hoofdelijk in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de kinderen niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt de kinderen hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3. en 5.4. genoemde beslissingen, uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich, mr. M.S.T. Belt en mr. A.W. Zwart en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. Mr. M.S.T. Belt is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.\n\n Zoals bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).\n\n Dit volgt uit artikel 2.1 lid 1 Wht.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3, p. 70-71 en Eindadvies Adviescommissie uitvoering toeslagen “Omzien in verwondering 2” van 12 maart 2020, p. 23\u002F24.\n\n Bijzondere omstandigheden zijn bijvoorbeeld: (identiteits)fraude door een derde waar de aanvrager niet van afweet, of een geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening van aanvrager.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3, p. 71.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 31 066, nr. 1025.\n\n Artikel 2.12 Wht.\n\n Zie ook Rechtbank Den Haag 11 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5088, r.o. 4.6 e.v.\n\n Productie 3 bij dagvaarding.\n\n Artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n Artikel 6:162 lid 2 BW.\n\n Dagvaarding, randnummer 6.\n\n Productie 9 van de Staat.\n\n Non-respons wil zeggen dat de Belastingdienst\u002FToeslagen geen reactie heeft geregistreerd op de uitvraagbrief aan de hand waarvan (de omvang van) het recht op kinderopvangtoeslag kon worden vastgesteld.\n\nBeschikking van 9 juni 2008.\n\nBezwaar van 18 juli 2008.\n\n Productie 1 bij conclusie van antwoord.\n\n Bezwaarschrift van 27 december 2011, productie 2 bij conclusie van antwoord.\n\n Door een wijziging van het gezamenlijk toetsingsinkomen werd de toeslag uiteindelijk hoger vastgesteld.\n\n Productie 2 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 9 bij conclusie van antwoord.\n\nKamerstukken II 2025\u002F26, 36708, nr. 63.\n\n De toets volgt uit artikel 3:4 Awb en zie ook ABRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3535, r.o. 8.11.\n\n Productie 5 en 6 bij conclusie van antwoord.\n\n Zie: Rechtbank Overijssel 25 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1459, r.o. 4.55.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3705","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:45.633Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":79},"1952","ECLI:NL:RBROT:2026:7681","ecli-nl-rbrot-2026-7681","2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F9486\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen\n \n [naam 1] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nDe minister van Financiën, de minister\n\n(gemachtigde: [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de vergoeding van betaalde schulden. Deze aanvraag is met het besluit van 1 mei 2024 afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 5 september 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\n1.2.. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Eiser is slachtoffer in de toeslagenaffaire. Hij heeft op 30 december 2023 een aanvraag gedaan voor compensatie van vijf schulden bij de ABN AMRO en een schuld BMW Financial Services Nederland. Eiser is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.\n\n3. Eiser betoogt dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar zijn schulden en verwijst hiervoor naar artikel 3:2 Awb. Door dit na te laten is het bestreden besluit volgens eiser onzorgvuldig voorbereid.\n\n3.1. De rechtbank is van oordeel dat het niet op de weg van de minister lag om bij schuldeisers zoals ABN AMRO te informeren naar de schulden van eiser. Dat zou ook niet zomaar kunnen. De minister heeft aan eiser bij brief van 20 juni 2024 (de ontvangstbevestiging van het bezwaar van eiser) aan eiser aangegeven wat hij nodig heeft om te beoordelen of een schuld voor compensatie in aanmerking komt. Daarmee heeft de minister eiser geholpen om de vereiste informatie aan te leveren. Eiser heeft ter zitting ook bevestigd dat deze brief hem heeft geholpen om de informatie op te vragen. De minister heeft daarmee zorgvuldig gehandeld.\n\n4. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij vervolgens ook contact heeft opgenomen met ABN AMRO en dat de bank heeft aangegeven dat eiser een schuld heeft bij hen, maar dat die schuld niet opeisbaar is. ABN AMRO kon daarom geen verklaring van de opeisbaarheid afgeven, aldus eiser.\n\n4.1. \n\nOm voor compensatie van een afgeloste schuld in aanmerking te komen, bestaan er kort gezegd drie voorwaarden en een van die voorwaarden is dat een schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was.Dat was bij eisers schulden bij ABN AMRO niet het geval en ook van eisers schuld bij BMW is dat niet gebleken.\n\nOmdat niet aan alle voorwaarden is voldaan voor de compensatie voor afbetaalde schulden, heeft de minister een juiste beslissing genomen. De regeling waar het hier om gaat, is niet bedoeld als compensatie voor schade, maar is bedoeld om mensen te helpen die te maken hebben met invorderingsmaatregelen door schuldeisers. Dat is bij eiser niet het geval.\n\nHet bestreden besluit is daarom begrijpelijk en voldoende gemotiveerd.\n\n5. Eiser voert verder aan dat het onevenredig is om aan hem geen compensatie toe te kennen voor de afgeloste schulden. In het geval van eiser is er geen sprake van onevenredigheid. Het gaat (gelukkig) goed met eiser en er is voor eiser geen schrijnende situatie. Er daarom geen disbalans tussen het doel dat wordt nagestreefd met de regeling die aan de orde is in deze zaak en de gevolgen van het bestreden besluit voor eiser.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Omdat de beroepsgronden niet slagen, is het beroep ongegrond.\n\n7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.\n\n Dit staat in artikel 4.1 lid 2 onderdeel a van de Wet hersteloperatie toeslagen","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7681","2026-07-13T00:29:47.060Z",20,[11,82,83],2025,2024]