[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-civil-procedure-nl-2025":3},{"detail":4,"years":84},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":21,"page":14,"limit":83},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},55,"civil-procedure-nl","Civil Procedure","NL","2026-07-08T16:54:05.484Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":14},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":14},12,[39,53,63,73],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"876","ECLI:NL:GHDHA:2025:2926","ecli-nl-ghdha-2025-2926","",58,"2025-12-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.360.538\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 11844194 RL EXPL 25-15226\n\nArrest van 30 december 2025 in het incident tot voeging\n\nopgeworpen door:\n\n [voegende partij] B.V.\n\ngevestigd in Den Haag,\n\neiseres in het incident,\n\nadvocaat: mr. C.A. Gobbens, kantoorhoudend in Rotterdam,\n\nin de zaak van\n\n1. [Vof], voorheen handelend onder de naam [voegende partij],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\n2. [Appellant 2] ,\n\nwonend in [woonplaats 1] ,\n\n3. [Appellant 3],\n\nwonend in [woonplaats 2] ,\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. C.A. Gobbens, kantoorhoudend in Rotterdam,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonend in [woonplaats 3] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nverweerder in het incident,\n\nadvocaat: mr. I.R. Köhne, kantoorhoudend in Voorburg.\n\nHet hof noemt partijen hierna [voegende partij] B.V., [Vof] en [verweerder] .1. De zaak in het kort1.1. \n [Vof] heeft met [verweerder] een huurovereenkomst gesloten voor een bedrijfsruimte waarin [Vof] een bakkerij exploiteert. [Vof] had uit hoofde van de huurovereenkomst een bankgarantie gesteld. Na omzetting van het bedrijf in een B.V., ontstond er een conflict tussen appellanten en gedaagde of indeplaatsstelling toegestaan was. Dit hof heeft over dat geschil in een procedure tussen partijen besloten een machtiging tot indeplaatsstelling van [voegende partij] B.V. in de huurovereenkomst onder voorwaarden toe te staan. Een van deze voorwaarden was, dat een nieuwe bankgarantie zou worden gesteld door [voegende partij] BV. Na het arrest is een nieuwe bankgarantie gesteld. [verweerder] heeft deze echter niet geaccordeerd en niet meegewerkt aan retournering van de oude bankgarantie, omdat deze volgens hem afwijkt van de oude bankgarantie. [Vof] heeft hierop een kort geding gestart en gevorderd dat [verweerder] deze oude bankgarantie zou retourneren. De kantonrechter overwoog echter dat geen spoedeisend belang daartoe was gebleken en dat deze vordering ook op inhoudelijke gronden niet kon worden toegewezen. [Vof] is in hoger beroep gekomen. In dit incident heeft [voegende partij] B.V. verzocht zich te mogen voegen aan de kant van [Vof] . [verweerder] verzet zich tegen de voeging, terwijl [Vof] de voeging ondersteunt.2. Het procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 21 oktober 2025 (met daarin opgenomen de grieven), waarmee [Vof] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 9 september 2025, houdende een incidentele conclusie tot voeging door [voegende partij] B.V. ex artikel 218 jo. 353 Rv;\n\nde conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [verweerder] ;\n\nde conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [Vof] .3. De vordering in incident3.1. \n [voegende partij] B.V. vordert in dit incident - zakelijk weergegeven - zich te mogen voegen aan de kant van [Vof] in de zaak tussen [Vof] en [verweerder] (de hoofdzaak), op de voet van artikel 217 jo. 353 Rv.3.2. \n [verweerder] concludeert tot afwijzing van de gevraagde voeging, met veroordeling van [voegende partij] B.V. in de kosten van het incident.4. De beoordeling van de vordering in incident4.1. Een partij die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangige procedure kan vragen zich daarin te mogen voegen (art. 217 Rv). Voor het aannemen van een dergelijk belang is voldoende dat de partij die voeging vraagt nadelige gevolgen kan ondervinden van een ongunstige uitkomst van de procedure voor de partij aan de kant van wie zij zich wil voegen. Met nadelige gevolgen worden in dit verband bedoeld de feitelijke of juridische gevolgen die (1) de toe- of afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of (2) het gezag van gewijsde van de eindbeslissingen in die procedure zullen kunnen hebben voor degene die de voeging vraagt. De mogelijke precedentwerking van die uitspraak vormt dus op zichzelf niet een voldoende belang. Hetzelfde geldt in het geval van sterk op elkaar lijkende vorderingen of feitencomplexen tussen deels dezelfde partijen.4.2. De vordering tot voeging kan bovendien worden afgewezen als toewijzing daarvan in strijd is met de eisen van een goede procesorde.4.3. Een gevoegde partij is bevoegd zelfstandig en op zelfstandig aangevoerde gronden verweer te voeren. Uit het karakter van voeging vloeit echter voort dat de rol van de gevoegde partij beperkt is tot het aandragen van feiten en gronden ten behoeve van het standpunt van de partij die zij ondersteunt. De gevoegde partij kan alleen feiten en gronden aanvoeren die de partij die zij ondersteunt, ook zelf zou kunnen aanvoeren. Een gevoegde partij kan niet verhinderen dat de partij aan wier zijde zij zich voegt, bepaalde feiten erkent, met als gevolg dat deze komen vast te staan. Zij moet het geding aanvaarden in de stand waarin het zich ten tijde van de voeging bevindt. De gevoegde partij is gebonden aan de door de appellant en geïntimeerde getrokken grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep.4.4. \n [voegende partij] B.V. heeft over het belang om zich te voegen aangevoerd dat zij zelf een rechtstreeks en zelfstandig belang heeft bij de uitkomst van de hoofdzaak. De vordering van appellanten strekt immers tot vrijgave van de oude bankgarantie en deze gelden zouden bij vrijgave rechtstreeks in het vermogen van [voegende partij] B.V. vloeien en direct bestemd zijn voor haar bedrijfsvoering. Ook voert [voegende partij] B.V. aan dat zij de liquiditeit nodig heeft om inkopen voor tijdens de feestdagen te voorfinancieren. [Vof] geeft aan dat het verzoek met haar instemming is gedaan. Volgens [Vof] is het evident dat [voegende partij] B.V. belang heeft bij voeging en nadelige gevolgen van de uitkomst van de hoofdprocedure kan ondervinden.4.5. \n [verweerder] heeft aangevoerd dat het verzoek tot voeging dient te worden afgewezen wegens strijd met de eisen van de goede procesorde en wegens misbruik van recht. Hij voert aan dat de ratio van de voeging is dat de interveniërende partij een andere partij kan ondersteunen met (nadere) argumenten, maar dat dat in deze zaak nergens voor nodig is, omdat [voegende partij] B.V. wordt vertegenwoordigd door twee van de drie appellanten in de hoofdzaak, met dezelfde advocaat die appellanten bijstaat. Ook heeft [voegende partij] B.V. geen argumenten aangevoerd die appellanten niet aanvoeren. Volgens [verweerder] leidt de voeging enkel tot vertraging en tot extra kosten. [voegende partij] B.V. verzoekt waarschijnlijk voeging enkel om te trachten het vermeende (spoedeisend) belang van [voegende partij] B.V. een rol te laten spelen, terwijl dat belang niet ter zake doet, maar wel de vraag of [Vof] een dergelijk spoedeisend belang heeft, aldus nog steeds [verweerder] .4.6. Het hof overweegt als volgt. [verweerder] heeft met zijn betoog dat er geen enkele reden is voor de voeging niet concreet betwist dat [voegende partij] B.V. zelf een rechtstreeks en zelfstandig belang heeft bij de uitkomst in de hoofdzaak en dat het geld van de oude bankgarantie bij vrijgave direct in het vermogen van [voegende partij] B.V. vloeit. Hij heeft niet betwist dat dit geld bestemd is voor haar bedrijfsvoering en zij dit geld daarvoor hard nodig heeft. Het feit dat [voegende partij] B.V. wordt vertegenwoordigd door twee van de appellanten en wordt vertegenwoordigd door dezelfde advocaat doet daar niet aan af, en betekent niet dat [voegende partij] B.V. niet een zelfstandige rechtspersoon is die andere argumentatie vanuit haar perspectief kan aanvoeren. Daarnaast geldt dat een voegende partij zelfstandig gronden mag aanvoeren. Het vermoeden van [verweerder] waarom [voegende partij] B.V. mogelijk voeging vordert, is een speculatie van de gronden die [voegende partij] B.V. zou kunnen aanvoeren ter ondersteuning in de hoofdzaak. De vraag of die gronden relevant zijn (bijvoorbeeld voor een spoedeisend belang), moet het hof na verweer in de hoofdzaak beoordelen.4.7. Het hof oordeelt dat een ongunstig resultaat voor [Vof] in de hoofdzaak ook [voegende partij] B.V. benadeelt en dat zij daarmee voldoende belang heeft bij voeging in de hoofdprocedure.4.8. Van strijd met de goede procesorde of van misbruik van recht is geen sprake. Het verzoek tot voeging is direct bij dagvaarding in hoger beroep gedaan. [verweerder] heeft niet onderbouwd gesteld dat er sprake is van een onredelijke vertraging of dat er met het verzoek tot voeging sprake is van misbruik van recht.4.9. De conclusie is dat de vordering tot voeging van [voegende partij] B.V. zal worden toegewezen. Het hof zal [verweerder] veroordelen tot betaling van de proceskosten. Deze begroot het hof aan de zijde van [Vof] op € 607,- (0,5 punt tarief II). Het hof merkt op dat aan de zijde van [voegende partij] B.V. geen extra kosten zijn gemaakt voor het incident, naast de kosten voor de memorie van grieven waarover het hof in de hoofdzaak zal oordelen.5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin het incident\n\nlaat [voegende partij] B.V. toe als gevoegde partij aan de kant van [Vof] in de zaak tussen [Vof] en [verweerder] ;\n\nbeveelt [Vof] en [verweerder] om [voegende partij] B.V. te voorzien van hun processtukken bij de kantonrechter en in het hoger beroep tot op heden;\n\nveroordeelt [verweerder] in de kosten van dit incident, aan de zijde van [Vof] begroot op € 607,-;in de hoofdzaak\n\nverwijst de zaak naar de rol van 10 februari 2026 voor memorie van antwoord aan de zijde van [verweerder] ;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij, mr. G. Dulek-Schermers en mr. R.M. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.\n\n Arrest van 18 februari 2025, zaaknummer 200.322.530\u002F01, ECLI:NL:GHDHA:2025:193","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2926","2026-03-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:52.408Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1833","ECLI:NL:RBNHO:2025:16064","ecli-nl-rbnho-2025-16064",73,"2025-11-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F368386 \u002F HA RK 25-119\n\nBeschikking van 12 november 2025\n\nin de zaak van\n\nASR SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Utrecht,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: ASR,\n\nadvocaat: mr. Chr.H. van Dijk,\n\ntegen\n\n1. [verweerder sub 1]\n\n2. [verweerder sub 2],\n\nbeiden in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige zoon [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: de ouders.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift dat op 8 augustus 2025 door de rechtbank werd ontvangen, met producties 1 tot en met 19;\n\n- aanvullende productie 20 van ASR;\n\n- de e-mailberichten van 22 augustus 2025, 24 augustus 2025, 23 september 2025, 25 september 2025 en 28 september 2025 van de ouders, met de daarbij gevoegde stukken;\n\n- de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. De ouders zijn niet op de mondelinge behandeling verschenen en hebben zich ook niet laten vertegenwoordigen door een advocaat. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel geen kennis mag nemen van de door de ouders toegestuurde berichten en stukken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ASR uitdrukkelijk aangegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat de rechtbank kennisneemt van de berichten van de ouders en dat de rechtbank deze bij de beoordeling van de zaak betrekt. De rechtbank heeft deze stukken daarom toegevoegd aan het procesdossier.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De relevante feiten\n\n2.1.. Op 21 oktober 2024 heeft de zoon van de ouders, [minderjarige] , als gevolg van een verkeersongeval ernstig letsel opgelopen. [minderjarige] was op dat moment 13 jaar oud.\n\n2.2.. ASR heeft erkend dat haar verzekerde aansprakelijk is voor de door [minderjarige] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade en dat zij als WAM-verzekeraar de ongevalsgerelateerde schade zal vergoeden.\n\n2.3.. Tussen de ouders en ASR is over het schaderegelingstraject een conflict dan wel impasse ontstaan.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. In dit deelgeschil verzoekt ASR de rechtbank om:\n\nde ouders te gelasten om de noodzakelijke medewerking te verlenen aan en inlichtingen te verstrekken voor het volgens de in Nederland geldende regels in kaart brengen van de ongevalsgerelateerde schade van [minderjarige] , onder meer maar niet alleen door onafhankelijke deskundigenrapporten;\n\nde ouders te gelasten medewerking te verlenen aan het inschakelen van Trivium Advies of een andere te goeder naam en faam bekendstaande zorgregisseur en aan de werkzaamheden van deze de medewerking te verlenen en de inlichtingen te verstrekken die deze nodig acht.\n\n3.2.. ASR stelt daartoe - samengevat - dat het schadetraject is komen stil te liggen na indiening van klachten van de ouders over de schadebehandeling. De ouders maken ASR allerlei onterechte verwijten en willen niet meer meewerken aan een reguliere schadeafwikkeling. Zonder onderbouwing vorderden de ouders in maart 2025 een schadebedrag van € 16.000.000, wat inmiddels in de tiende klachtbrief is opgelopen tot € 175.000.000. Ondanks pogingen van ASR om de ouders te bewegen de schaderegeling weer op gang te brengen, is dit niet gelukt. De ouders worden niet langer bijgestaan door een belangenhartiger of een advocaat. Het is niet in het belang van [minderjarige] en ASR dat de schaderegeling niet wordt voortgezet. ASR trekt zich het belang van [minderjarige] aan en roept daarom de hulp in van de deelgeschilrechter om de schaderegeling weer op gang te brengen.\n\n4. Het verweer\n\n4.1.. De ouders voeren verweer in de e-mails die zij aan de rechtbank hebben gestuurd. Kort gezegd voeren de ouders het volgende aan. Zij vinden dat de zaak zich niet leent voor een beperkte behandeling in deelgeschil. De kern van het conflict ziet namelijk niet alleen op de schadeafwikkeling, maar op institutioneel en moreel falen van ASR. De ouders hebben daarover inmiddels tien klachtbrieven aan ASR gestuurd, die inhoudelijk niet zijn beantwoord. Daarnaast is het proces-verbaal van de politie nog niet volledig en loopt er nog een forensische expertise, zodat een zorgvuldige beoordeling op dit moment niet mogelijk is. Verder schetst ASR in het verzoekschrift een beeld dat volgens de ouders niet overeenstemt met de werkelijkheid. De ouders worden ten onrechte weggezet als “onredelijke ouders”, die niet handelen in het belang van hun zoon.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ASR de rechtbank verzocht om “ambtshalve” een bijzondere curator te benoemen in de zin van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de zaak aan te houden om de ouders in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord. Gelet op de impasse die is ontstaan en het feit dat de ouders ook niet naar de zitting zijn gekomen om de zaak te bespreken, dient deze stap in het belang van [minderjarige] te worden overwogen, aldus ASR.\n\n5.2.. \n\nIn artikel 1:250 lid 1 BW is (voor zover van belang) bepaald dat als een zaak aanhangig is, de desbetreffende rechter een bijzondere curator kan benoemen voor aangelegenheden over het vermogen van de minderjarige. De rechter zal dit alleen doen als hij dit noodzakelijk acht in het belang van de minderjarige en er sprake is van een belangenstrijd tussen de belangen van de minderjarige en de belangen van zijn ouders.\n\nAls er een bijzondere curator benoemd wordt, betekent dit dat de bijzondere curator [minderjarige] zowel in als buiten rechte zal vertegenwoordigen. De bijzondere curator zal dan in plaats van de ouders beslissingen nemen ten aanzien van de (vermogensrechtelijke) belangen van [minderjarige] in het kader van de schaderegeling.\n\n5.3.. Het aanstellen van een bijzondere curator is dus een vergaande en ingrijpende maatregel. De ouders waren er niet van de op de hoogte dat ASR tijdens de zitting zou vragen een bijzondere curator te benoemen. Zij hebben hun standpunt daarover dus nog niet naar voren kunnen brengen. De rechtbank kan niet beslissen over het wel of niet benoemen van een bijzondere curator zonder de ouders eerst in de gelegenheid te stellen hierover gehoord te worden. De rechtbank zal daarom een nieuwe mondelinge behandeling gelasten. De rechtbank vindt het belangrijk dat de ouders bij de volgende zitting aanwezig zijn om de zaak te bespreken. De rechtbank zal daarom bepalen dat zij daarbij aanwezig moeten zijn.\n\n5.4.. De rechtbank zal op dit moment nog geen beslissing nemen over de verzoeken die ASR in haar verzoekschrift heeft gedaan en de verweren die de ouders hebben gevoerd. Of ASR ontvankelijk is in de verzoeken en zo ja, of de verzoeken zullen worden toe- of afgewezen, zal dus pas na een volgende zitting worden beoordeeld.\n\n5.5.. De rechtbank adviseert de ouders – gelet op de mogelijk vergaande gevolgen van het benoemen van een bijzondere curator – dringendom zich in het vervolg van deze procedure te laten bijstaan door een advocaat.\n\n5.6.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaat, met het doel dat in 5.3 is omschreven, door mr. N. Boots, in het gerechtsgebouw te Alkmaar, Kruseman van Eltenweg 2, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,\n\n6.2.. bepaalt dat de heer [verweerder sub 1] en mevrouw [verweerder sub 2] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat ASR dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,6.3.. bepaalt dat partijen uiterlijk woensdag 26 november 2025schriftelijk opgave moeten doen van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaat in de maandendecember 2025tot en metfebruari 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,\n\n6.4.. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,\n\n6.5.. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,\n\n6.6.. wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minutenzal worden uitgetrokken,\n\n6.7.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. N. Boots, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:16064","2026-06-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.036Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":51,"updatedAt":72},"874","ECLI:NL:GHSHE:2025:2534","ecli-nl-ghshe-2025-2534",72,"2025-09-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam Handelsrecht\n\nzaaknummer 200.182.317\u002F02\n\narrest van 16 september 2025\n\nin de zaak van\n\n [appellante],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,\n\ntegen\n\nOrde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. Chr. H. van Dijk te Amsterdam,\n\nop het bij exploot van dagvaarding van 2 juli 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 april 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen appellante als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde als eiser in conventie, verweerder in reconventie.\n\n1. Het geding in eerste aanleg (zaak-\u002Frolnummer 3129936 CV 14-3546)\n\nVoor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1.. Appellante heeft bij voormeld exploot van 2 juli 2015 geïntimeerde opgeroepen om te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 december 2015, waarna geïntimeerde is verschenen. Appellante heeft op die rol het hof eenstemmig toestemming verzocht voor een afwijkende procesvoering (namelijk een ruime termijn voor de memorie van grieven in verband met eventuele onderhandelingen). Het hof heeft op de rol aangegeven dat dat niet mogelijk is op grond van artikel 2.12. pilotregeling. De zaak is vervolgens ambtshalve doorgehaald.\n\n2.2.. \n\nOp 21 juli 2025 heeft het hof een H8-formulier (Verzoek doorhalen zaak\u002Fhervatten (doorgehaalde) zaak) van geïntimeerde ontvangen met het verzoek de zaak te hervatten en waarin onder meer is opgenomen:\n\n“De zaak stond voor het verrichten van een proceshandeling door [appellante] (memorie van grieven) toen uw hof op 29 december 2015 de procedure ambtshalve heeft doorgehaald.\n\nDe afgelopen (bijna) tien jaren is niets meer in de procedure gebeurd. Cliënte verzoekt uw hof op de voet van artikel 252 Rv een roldatum te bepalen waarop zij verval van instantie kan vorderen. Bijgaand gaat een kopie van de aanzegging aan mr. Reinders Folmer dat zij namens [appellante] de memorie van grieven uiterlijk twee weken na de hervatting van de procedure moet nemen. Dit moet op straffe van verval van het recht daartoe.”\n\n2.3.. Het hof heeft partijen bericht dat de zaak op de rol van 5 augustus 2025 zal worden hervat (zaaknummer 200.182.317\u002F02), dat partijen dan opnieuw advocaat moeten stellen en dat aan appellante twee weken uitstel wordt verleend voor het nemen van de memorie van grieven (ambtshalve peremptoir).\n\n2.4.. Op de rol van 5 augustus 2025 heeft de advocaat van appellante bij H2-formulier medegedeeld dat afgezien wordt van het nemen van de memorie van grieven.\n\n2.5.. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. \n\nUit artikel 251 lid 1 Rv volgt dat een partij verval van instantie kan vorderen als de wederpartij de proceshandeling waarvoor de zaak staat langer dan twaalf maanden niet heeft verricht.\n\nOp 29 december 2015 is de zaak bij het hof aangebracht en op die dag ambtshalve doorgehaald omdat partijen op eenstemmig verzoek een langere termijn wensten voor het nemen van de memorie van grieven in verband met eventuele onderhandelingen wat op grond van het destijds geldende “Procesreglement voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch” (2013) niet mogelijk was.\n\n3.2.. Anders dan geïntimeerde aanvoert, heeft de zaak dus niet voor een proceshandeling van de wederpartij gestaan. Dit heeft tot gevolg dat artikel 251 Rv niet van toepassing is en geïntimeerde geen verval van instantie kan vorderen op grond van artikel 252 Rv.\n\n3.3.. Appellante heeft echter medegedeeld dat zij afziet van het nemen van de memorie van grieven.\n\n3.4.. Nu appellante tegen het vonnis waarvan beroep geen grieven zal aanvoeren, kan zij in het hoger beroep niet worden ontvangen. Zij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep. Geïntimeerde heeft niet verzocht een memorie van eis in incidenteel hoger beroep te mogen nemen.\n\n3.5.. Het hof ziet aanleiding om in dit geval de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\n4. De uitspraak\n\nHet hof:\n\nverklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;\n\ncompenseert de proceskosten in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten daarvan zal dragen.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 september 2025.\n\n griffier rolraadsheer","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2534","2025-09-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.321Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":43,"courtId":77,"decisionDate":78,"fullText":79,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":51,"updatedAt":82},"712","ECLI:NL:GHARL:2025:8760","ecli-nl-gharl-2025-8760",70,"2025-05-22T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer gerechtshof 200.334.640\u002F02\n\nbeslissing van 2 juli 2025\n\nop het (schriftelijke) verzoek van:\n\n [naam] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoeker in het wrakingsincident\n\nhierna: verzoeker,\n\ndat strekt tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:\n\nmrs. O.E. Mulder, H. de Hek en M.A.F. Veenstra,\n\nraadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling civiel recht van het hof is onder zaaknummer 200.334.640\u002F01 een procedure aanhangig geweest tussen verzoeker en [naam 1] en belanghebbende [naam 2] (vereffenaar).1.2. Verzoeker heeft bij verzoekschrift van 4 juni 2025, ingekomen ter griffie van de rechtbank Noord-Nederland op 4 juni 2025 en, na doorzending daarvan, ter griffie van het hof op 5 juni 2025, een schriftelijk verzoek gedaan dat strekt tot wraking van bovengenoemde raadsheren.2. De beoordeling van het verzoek De ontvankelijkheid van het verzoek2.1. De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Een verzoek tot wraking kan in beginsel in elke stand van de procedure worden gedaan, maar moet worden ingediend vóórdat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd. Nadat de einduitspraak is gedaan, is de zaak immers niet meer bij de rechter in behandeling. Een na een einduitspraak gedaan verzoek tot wraking dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.\n\n2.2. Op 5 juni 2024 heeft de civiele kamer van het hof het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 augustus 2023 behandeld. Ter zitting zijn afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting. Partijen hebben de afspraken bevestigd door hun handtekening te zetten. Gelet op het gemaakte compromis heeft verzoeker ter zitting van 5 juni 2024 het hoger beroep ingetrokken.\n\n2.3. Vervolgens is door verzoeker bijna een jaar later, bij verzoekschrift van 4 juni 2025 om wraking verzocht van de leden van de civiele kamer. Op dat moment was de behandeling van de door verzoeker aanhangig gemaakte procedure echter reeds door de intrekking van het hoger beroep geëindigd. De wrakingskamer stelt dit gelijk aan de situatie waarin de zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, nu de zaak niet meer bij een rechter in behandeling is. Het verzoek is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook niet tijdig ingediend.2.4. \n\nReeds op grond van het vorenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker niet kan worden ontvangen in zijn verzoek tot wraking. Gelet hierop komt de wrakingskamer niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek. Een mondelinge behandeling kan daarom achterwege blijven. De beslissing\n\nHet gerechtshof (wrakingskamer):\n\nverklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, L.G. Wijma en L. van Dijk, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Wijmenga, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025. Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8760","2026-04-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:44.295Z",20,[85,11,86,87,88],2026,2024,2023,1915]