[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-commercial-law-nl-2025":3},{"detail":4,"years":74},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":73},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},59,"commercial-law-nl","Commercial Law","NL","2026-07-08T16:54:05.553Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":14},12,[39,53,63],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"714","ECLI:NL:GHARL:2025:8616","ecli-nl-gharl-2025-8616","",70,"2025-12-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.345.483\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Nederland 226421\n\narrest van 23 december 2025\n\nin de zaak van\n\n [appellante] ( [appellante] )\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. H. Veldman\n\nen\n\n [geïntimeerde] ( [geïntimeerde]\n\ndie gevestigd is in [vestigingsplaats1]\n\nadvocaat: mr. E.J. Loos\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, (hierna: de rechtbank) op 19 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven tevens houdende akte vermeerdering van eis\n\nde memorie van antwoord\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 30 juli 2025 is gehouden\n\nNa een aanhouding van de zaak voor minnelijk overleg hebben partijen laten weten dat een regeling niet is bereikt en hebben zij verzocht om arrest. Daarop heeft het hof de zaak bepaald voor arrest.\n\n2. De kern van de zaak\n\nHet gaat in deze zaak om de vraag of er tussen [geïntimeerde] en de heer [naam1] , de inmiddels overleden echtgenoot van [appellante] , een overeenkomst van geldlening is gesloten, waarbij [geïntimeerde] aan [naam1] een bedrag van ruim € 150.000 heeft uitgeleend, of dat sprake was van een risicodragende investering van [geïntimeerde] in een gezamenlijk project van [geïntimeerde] , de DGA van [geïntimeerde] , en [naam1] . Als sprake was van een overeenkomst van geldlening speelt verder nog de vraag of die lening inmiddels ook opeisbaar is geworden.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten\n\n3.1. \n [appellante] was de echtgenote van de inmiddels overleden heer [naam1] (hierna: [naam1] ). [geïntimeerde] en [naam1] waren bevriend.\n\n3.2. \n\nIn 1996 heeft [naam1] samen met zijn ex-echtgenote een boerderij gekocht in Sorbey\n\n(Frankrijk). In 2004 heeft hij de naastgelegen grond erbij gekocht om daar nog twee\n\nwoonhuizen te realiseren voor de verkoop (hierna: het project).\n\n3.3. \n [naam1] is in 2006 gescheiden van zijn ex-echtgenote. [naam1] is daarna getrouwd met [appellante] .\n\n3.4. \n\nOmdat [naam1] onvoldoende financiële middelen had om het project te financieren\n\nheeft [geïntimeerde] in de periode van 28 april 2005 tot en met 8 november 2010 meerdere keren\n\ngeld overgemaakt naar [naam1] ten behoeve van het project in Sorbey. In totaal gaat het om\n\neen bedrag van € 153.365,92.\n\n3.5. \n\nOp 19 juli 2011 hebben [geïntimeerde] en [naam1] de volgende overeenkomst opgesteld\n\nen ondertekend:\n\n‘ [geïntimeerde] heeft aan ( [naam1] een bedrag van € 153365,92 (zegge\n\nhonderddrieenvijftigduizenddriehonderdvijfenzestig Euro en 92 cent) geleend tegen een\n\nrente percentage van 4 % per annum.\n\nHet totale leenbedrag beslaat uit de volgende deelbedragen:\n\n(…)\n\n [naam1] verplicht zich bij deze tot volledige terugbetaling van het geleende bedrag, inclusief de uit hoofde van deze lening verschuldigde rente. De totale aflossing zal niet later plaatshebben dan op de datum van verkoop van voornoemd project.\n\n [naam1] heeft het recht om op ieder moment, het nog verschuldigde deel van de originele\n\nleenbedrag te voldoen. Zulks zonder bijbetaling van verdere kosten.\n\n [geïntimeerde] heeft het recht het nog resterende bedrag van de lening en\n\nverschuldigde rente direct op te eisen.’\n\n3.6. De overeenkomst was opgesteld door [geïntimeerde] . In een begeleidende mail van eveneens 19 juli 2011 heeft [geïntimeerde] het volgende aan [naam1] bericht: “even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”.3.7. \n [naam1] is in juni 2018 overleden. Het project was toen nog niet af. [appellante] is zijn enig erfgename en zij heeft de erfenis zuiver aanvaard.\n\n3.8. \n\nOp 27 september 2018 heeft [geïntimeerde] een brief naar [appellante] gestuurd. In die brief heeft [geïntimeerde] een aantal afspraken vastgelegd die hij met [appellante] zou hebben gemaakt over de geldlening en het project. Die afspraken behelzen dat [geïntimeerde] [appellante] zal assisteren bij de verkoop van het project, “zodat [geïntimeerde] bij een succesvolle transactie uit de gerealiseerde verkoopsom kan worden voldaan”. In de afspraken is in dat verband vastgelegd dat [appellante] aan [geïntimeerde] een onherroepelijke en onvoorwaardelijke volmacht verleent ten behoeve van een verkoop van het project aan een derde. Verder is onder meer vastgelegd:\n\n“5. In geval van een verkooptransactie, zal de Geldlening onmiddellijk geheel of gedeeltelijk worden afgelost uit de opbrengst van de verkoop van het Project. De overeenkomst van geldlening d.d. 19 juli 2011 blijft onverminderd van kracht.\n\n6. Indien en voor zover de opbrengst van het Project hoger is dan het bedrag dat u uit hoofde van de Geldlening aan ons verschuldigd bent, is [geïntimeerde] , bovenop\n\nde uit hoofde van de Geldlening verschuldigde bedragen gerechtigd tot 50% van het surplus.”\n\n De brief is door [appellante] voor akkoord ondertekend.\n\n3.9. \n\nNa de verkoop van de voormalige echtelijke woning heeft [appellante] op 1 juni 2025 aan [geïntimeerde] een bedrag van € 25.000,- voldaan als aflossing op de lening. Na die betaling heeft [geïntimeerde] op dezelfde dag aan [appellante] geschreven dat het openstaande bedrag van de lening inclusief rente € 200.899,20 bedraagt. Verder schrijft hij in die brief onder meer:\n\n“Na onderling overleg besluiten we afspraak 7 van de onderhavige leenovereenkomst. als volgt te wijzigen\n\nIndien en voor zover de opbrengst van de verkoop van het Project lager is dan het bedrag dat u aan ons verschuldigd bent uit hoofde van de Geldlening maar wij schriftelijk akkoord zijn gegaan met de verkoopsom, zal de gehele opbrengst van\n\nde verkoop aan ons toekomen en zal het restant van het nog te vorderen bedrag van de Geldlening (met de daarover verschuldigde rente) worden gekwijt.”\n\nOok die brief is door [appellante] voor akkoord ondertekend.\n\n3.10. Op 6 september 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] een Whatsapp bericht gestuurd dat hij een geïnteresseerde partij heeft gevonden die het project wil afmaken en die de lening wil overnemen voor maximaal € 100.000. Op 13 september 2022 heeft hij hierover telefonisch contact met [appellante] . In dat gesprek verlangt [geïntimeerde] van [appellante] nog een aanvullende betaling van € 25.000. [appellante] weigert in dat gesprek die betaling te doen. Zij bevestigt die weigering in een e-mail van 5 oktober 2022. Volgens haar is een aanvullende betaling in strijd met de gemaakte afspraken\n\n3.11. \n\n [geïntimeerde] is bij brief van 27 oktober 2022 overgegaan tot opeising van de geldlening en heeft [appellante] gesommeerd om over te gaan tot betaling van het openstaande bedrag van de geldlening vermeerderd met rente ad € 211.985,62.\n\nIn deze sommatie schrijft [geïntimeerde] onder meer:\n\n‘Gezien de plotselinge wijziging in uw houding jegens ons, na ons laatste gesprek van 13 september 2022 jl., is bij ons het gerechtvaardigd vermoeden gerezen dat, ondanks piëteit en geduld van onze zijde, geen sprake meer zal zijn van een minnelijke afwikkeling en volledige aflossing van de Geldlening. Om die reden zijn wij genoodzaakt het openstaande bedrag van de Geldlening, in overeenstemming met de overeenkomst van 19 juli 2011, per direct geheel op te eisen.’\n\n3.12. Bij brief van 3 november 2022 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] bericht dat zij pas tot betaling over zal gaan als het project verkocht is.\n\n3.13. Op 28 november 2022 heeft de (toenmalige) advocaat van [geïntimeerde] [appellante] nogmaals gesommeerd om tot betaling over te gaan.\n\n3.14. \n\nBij brief van 9 december 2022 heeft [appellante] op de sommatie gereageerd en laten weten niet tot betaling over te gaan. Ook heeft zij in deze brief de nietigheid van de\n\novereenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 ingeroepen vanwege een wilsgebrek dan wel misbruik van omstandigheden.\n\n3.15. \n [appellante] is niet tot betaling overgegaan, ook niet nadat de advocaat van [geïntimeerde] haar op 16 maart 2023 nogmaals gesommeerd heeft tot betaling van € 218.978,32.\n\n4. 4. De vorderingen bij – en de beslissing van de rechtbank\n\n4.1. \n\n [geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is en dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van € 218.978,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 200.894,64 vanaf de dag van dagvaarding.\n\n [appellante] heeft in reconventie gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat de overeenkomst van 19 juli 2011 is verjaard en dat de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 nietig zijn, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van het bedrag van € 25.000.\n\n4.2. De rechtbank heeft in conventie verklaard voor recht dat tussen partijen de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is en heeft [appellante] veroordeeld tot betaling van € 218.978,32 vermeerderd met de wettelijke rente over € 200.894,64 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. In reconventie zijn de vorderingen van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.\n\n4.3. Op 10 juli 2024 is [geïntimeerde] overgegaan tot het leggen van executoriaal beslag op de woning en het loon van [appellante] .5. 5. De vorderingen in hoger beroep\n\n [appellante] vordert in hoger beroep, na vermeerdering van eis, dat het vonnis van de rechtbank in conventie wordt vernietigd, dat de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat onverschuldigd blijkt te zijn betaald.\n\n6. 6. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nInleiding\n\n6.1. Tegen de vermeerdering van eis door [appellante] in hoger beroep – de vordering tot terugbetaling van wat onverschuldigd is betaald - is geen bezwaar gemaakt en het hof heeft daar ook ambtshalve geen bezwaar tegen, zodat ook op die vordering beslist zal worden.\n\n6.2. \n [appellante] heeft geen hoger beroep ingesteld van het vonnis dat in reconventie is gewezen. De afwijzing van haar beroep op verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde] uit de overeenkomst van 19 juli 2011 en de afwijzing van haar beroep op de nietigheid van de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 zijn daarmee onherroepelijk. Dat geldt ook voor haar vordering tot terugbetaling van € 25.000.\n\n6.3. \n\nHet hof zal beslissen dat de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 wel van kracht is, maar dat die op sommige punten afwijkt van wat [naam1] en [geïntimeerde] eerder hadden afgesproken. Partijen zijn aan die eerdere afspraken gebonden, in het bijzonder de afspraak dat geen rente is verschuldigd over de hoofdsom. Maar ook aan de afspraak dat het geld uit de verkoop van de woningen moest komen. In lijn met die laatste afspraak heeft [geïntimeerde] op 27 september 2018 en 1 juni 2021 bindende nadere afspraken gemaakt met [appellante] , waaruit volgt dat de leningsovereenkomst nog niet opeisbaar is.\n\nDe grieven van [appellante] tegen het vonnis slagen daarmee ten dele. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en er zal gedeeltelijk anders worden beslist. [geïntimeerde] wordt daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan [appellante] van wat onder het beslag door haar is betaald.\n\nHierna zal worden toegelicht hoe het hof tot zijn beslissingen is gekomen.\n\nde motivering van de beslissing\n\n6.4. \n [appellante] heeft drie bezwaren (grieven) naar voren gebracht tegen het bestreden vonnis. In die grieven snijdt zij de volgende kwesties aan:\n\na) is er op 19 juli 2011 een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen tussen [naam1] en [geïntimeerde] , of ging het in werkelijkheid om een risicodragende investering van [geïntimeerde] en zijn Holding in een gezamenlijk project; b) als sprake is van een geldleningsovereenkomst, is die lening dan wel opeisbaar, nu volgens [appellante] in de aanvullende overeenkomst van 27 september 20218 is vastgelegd dat aflossing van de lening alleen aan de orde is bij verkoop van het project; c) als sprake is van een geldlening, is daarover dan wel rente verschuldigd, nu door [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank is verklaard dat de oorspronkelijke afspraak was dat [naam1] alleen terug hoefde te betalen wat hij geleend had?\n\n Daarnaast voert [appellante] aan dat inmiddels al diverse bedragen zijn uitgewonnen onder het executoriale beslag. Volgens [appellante] dienen die nu als onverschuldigd betaald aan haar terugbetaald te worden. Het hof zal hieronder op deze kwesties ingaan.\n\nde geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011 is geldig6.5. \n [appellante] heeft niet betwist dat de overeenkomst door [naam1] is ondertekend. De overeenkomst heeft daarmee te gelden als een onderhandse akte waaraan dwingende bewijskracht toekomt ten aanzien van de in die overeenkomst opgenomen verklaringen van [geïntimeerde] en [naam1] (artikel 157 lid 2 Rv). Tegen dit dwingende bewijs staat tegenbewijs open (artikel 151 lid 2 Rv). Dat tegenbewijs is niet beperkt tot de stelling dat anders is verklaard dan in de overeenkomst is opgenomen, maar kan ook betrekking hebben op de stelling dat de in de overeenkomst opgenomen verklaring niet overeenstemt met de werkelijkheid.\n\n6.6. Volgens [appellante] is dat laatste het geval, want zij stelt dat in werkelijkheid sprake was van een risicodragende investering van [geïntimeerde] en zijn Holding in een gezamenlijk project van [geïntimeerde] en [naam1] . Ter onderbouwing van die stelling beroept [appellante] zich op correspondentie tussen [naam1] en [geïntimeerde] voorafgaand aan, maar ook na die overeenkomst. De overeenkomst betrof volgens [appellante] een schijnhandeling die kennelijk was bedoeld om schulden van [geïntimeerde] aan zijn Holding weg te werken in het zicht van de koop van een woning door [geïntimeerde] .\n\n6.7. \n\n [appellante] kan worden toegegeven dat in correspondentie tussen [naam1] en [geïntimeerde] verschillende malen wordt gesproken over een project waarin zij gezamenlijk deelnemen.\n\nDie correspondentie levert echter nog niet het tegenbewijs op dat [naam1] en [geïntimeerde] niet bedoeld hebben met de overeenkomst van 19 juli 2011 daadwerkelijk een geldleningsovereenkomst te sluiten; een overeenkomst waarbij de geldverstrekking door [geïntimeerde] en zijn Holding is vastgelegd als een lening door [geïntimeerde] aan [naam1] .6.8. \n\nUit die correspondentie komt namelijk ook naar voren dat er tussen [naam1] en [geïntimeerde] onduidelijkheid over bestond hoe de geldverstrekkingen te beschouwen waren: als (risicodragende) investering of als geldlening en dat zij daarover contact hebben gehad met elkaar. Zo schrijft [geïntimeerde] in een mail van 22 juni 2010 aan [naam1] : “Even iets anders [naam1] . Heb jij de bouw in Frankrijk ondergebracht in een apart bedrijfje van ons samen of staat alles nog op jouw persoonlijke naam? De reden dat ik dit vraag is een belastingtechnische. Als de transacties vanuit mijn Holding in een apart investeringsbedrijf ( van jou en mij) komen is het een investering: als jij het daar allemaal nog op jouw persoonlijke naam hebt staan, is het een lening. Daar moeten we op korte termijn naar kijken, zodat e.e a. niet spaak gaat lopen met de belastingen alhier.”\n\nIn antwoord daarop schrijft [naam1] op 15 augustus 2010: “Als we een CSI aangaan in Fr. zijn we voordelig uit in Fr. Boekhoudkundig zitten we voorlopig goed door geld wat niet van mij is als schuld op te nemen.”\n\n6.9. Vast staat dat het project altijd op naam is blijven staan van [naam1] en dat het niet is gekomen van de oprichting van een gezamenlijk (investerings)bedrijf. Tegen die achtergrond is het verklaarbaar dat, hoewel [naam1] en [geïntimeerde] onderling ook hebben gesproken over een gezamenlijk project, zij hebben besloten de geldverstrekkingen te gieten in de vorm van een overeenkomst van geldlening en dat zij daarbij (kennelijk) hebben besloten om die te zetten op naam van [naam1] en [geïntimeerde] . Dat [geïntimeerde] duidelijkheid nodig had over de titel waaronder de gelden aan [naam1] ter beschikking waren gesteld vanwege de door hem voorgenomen koop van een woning, brengt daar geen verandering in.\n\n6.10. De stelling dat [geïntimeerde] het doel van de ter beschikking gestelde gelden heeft veranderd van een risicodragende investering in een lening om in het zicht van de aankoop van die woning zijn schuld aan zijn Holding te verminderen, is door [geïntimeerde] weersproken. [appellante] heeft die stelling verder niet onderbouwd en is ook niet bijzonder aannemelijk in het licht van de correspondentie dat de mogelijkheid bestond om de samenwerking te gieten in een CSI (in welk geval geen sprake zou zijn van een geldlening, maar van een investering). Bovendien, ook als het een (risicodragende) investering zou zijn geweest, had [geïntimeerde] schulden aan zijn Holding kunnen verminderen door de investering op naam van zijn Holding te zetten.\n\n6.11. \n\nDe correspondentie ontzenuwt daarmee niet de dwingende bewijskracht van de overeenkomst van geldlening. [appellante] heeft verder geen andere omstandigheden aangevoerd die dat tegenbewijs wel kunnen opleveren.\n\nIntegendeel, ook [appellante] lijkt er, voordat het in deze zaak tot een procedure kwam, niet aan getwijfeld te hebben dat sprake was van een geldlening. Zij heeft immers ingestemd met het maken van aanvullende afspraken uitgaande van de geldleningsovereenkomst. Dat die aanvullende afspraken tot stand zouden zijn gekomen onder invloed van wilsgebreken is een stelling die zij in hoger beroep niet langer inneemt. Ook heeft zij nog een aflossing op de lening verricht van € 25.000, waar zij in hoger beroep niet langer de terugbetaling van vordert. Kennelijk heeft ook [naam1] bij leven [appellante] er niet over geïnformeerd dat geen sprake zou zijn van een geldlening, maar van een risicodragende investering, wat wel voor de hand had gelegen als van een geldlening in werkelijkheid geen sprake zou zijn geweest.\n\n6.12. Het hof deelt daarmee het oordeel van de rechtbank dat de overeenkomst van 19 juli 2011 een reële overeenkomst van geldlening betreft, welke nu geldt tussen [geïntimeerde] en [appellante] .\n\nhet uitgeleende bedrag volgens de overeenkomst van geldlening is echter niet opeisbaar6.13. Het hof is wel met [appellante] van oordeel dat het bedrag uit de overeenkomst van geldlening van 19 juli 2011 nog niet opeisbaar is.\n\n6.14. \n\nTijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [geïntimeerde] verklaard: “Het geld moest uit de verkoop van de woningen komen. Dat is vanaf het begin af aan altijd de onderliggende afspraak geweest”. De zinssnede in de e-mail van 11 juli 2011:“even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”, doelde daarmee kennelijk ook op de afspraak dat het geld voor het terugbetalen van de lening moest komen uit de verkoop van het project. De aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 behelst in lijn hiermee dat de geleende geldsom zal worden voldaan uit de verkoopopbrengst van het project. Daarbij zijn ook nadere afspraken vastgelegd over wat [geïntimeerde] aanvullend nog toekomt als de gerealiseerde verkoopopbrengst hoger is dan de geleende som. In de nadere aanvullende overeenkomst van 1 juni 2022 is daarnaast vastgelegd welke (verminderde) aanspraken op terugbetaling [geïntimeerde] heeft als de verkoopopbrengst waarmee [geïntimeerde] heeft ingestemd minder bedraagt dan de geleende som. De gerealiseerde verkoopopbrengst is volgens deze nadere afspraken dus mede bepalend voor de betalingsverplichtingen en -aanspraken die kunnen voortvloeien uit de overeenkomst van geldlening.\n\nDe aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 moet daarmee worden begrepen als (ook) een afspraak tussen [geïntimeerde] en [appellante] over het moment waarop de geleende som opeisbaar zal zijn, te weten bij verkoop van het project; zij hield kennelijk in dat de datum van opeisbaarheid van de lening verschoof van “niet later dan uiterlijk op de datum van de verkoop van het project”naar “uit de gerealiseerde verkoopopbrengst”.In ieder geval had [appellante] dat redelijkerwijs zo mogen begrijpen. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat [appellante] dat ook van meet af aan zo begrepen heeft.\n\n6.15. Daar doet niet aan af dat in de aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 is bepaald: “De overeenkomst van geldlening d.d. 19 juli 2011 blijft onverminderd van kracht”en dat in de overeenkomst van 19 juli 2011 is bepaald: “[geïntimeerde] heeft het recht het nog resterende bedrag van de lening en verschuldigde rente direct op te eisen.”Zoals gezegd, heeft [geïntimeerde] in de mail van 11 juli 2011 geschreven dat de schriftelijke overeenkomst niet bedoelde een wijziging aan te brengen in de oorspronkelijke afspraken. En de oorspronkelijke afspraak was dat het geld moest komen uit de verkoop van het project. Bovendien, als [geïntimeerde] het anders bedoelde dan als door [appellante] is opgevat, had het op haar weg als opsteller van de aanvullende bepalingen gelegen om dat voldoende duidelijk te maken. Als zij bedoelde dat lening ook na het maken van die nadere afspraken te allen tijde door haar opgeëist zou kunnen worden, had zij dat expliciet in de nadere afspraken moeten vermelden. Het alleen indirect kenbaar maken van die bedoeling, door te verwijzen naar de overeenkomst van 19 juli 2011, is in het licht van de nader gemaakte afspraken en de e-mail van 11 juli 2011 onvoldoende.6.16. \n\n [geïntimeerde] heeft verder niets aangevoerd waaruit volgt dat de overeenkomst van 27 september 2018 nu niet meer geldt. Van (een geldige buitengerechtelijke) ontbinding van die overeenkomst en de daarin vastgelegde afspraken is niet gebleken en die wordt in deze procedure ook niet gevorderd. [geïntimeerde] heeft wel gesteld dat [appellante] doelbewust haar verplichtingen om medewerking te verlenen aan de verkoop van het project niet nakomt, maar zij heeft daar geen verbintenisrechtelijke gevolgen aan verbonden.\n\nDaarbij wordt opgemerkt dat het [geïntimeerde] zelf is geweest die verdere verkooppogingen heeft gestaakt nadat [appellante] had geweigerd om nog een aanvullend bedrag van € 25.000,- te betalen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde] niet duidelijk kunnen maken uit welke (contractuele) verplichting een gehoudenheid van [appellante] daartoe zou volgen.\n\ngeen rente verschuldigd over de geldlening\n\n6.17. \n [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat partijen in eerste instantie hadden afgesproken dat [naam1] over de door [geïntimeerde] en zijn Holding ter beschikking gestelde bedragen geen rente verschuldigd zou zijn. De zinssnede in de e-mail van 11 juli 2011: “even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”, doelde daar volgens hem op. Zij heeft voor haar rentevordering echter aangevoerd dat [appellante] in de aanvullende overeenkomst van 1 juni 2021 er zelf voor heeft getekend dat de openstaande schuld nog € 200.899,20 bedroeg. Dat bedrag was berekend inclusief rente. Daarmee heeft [appellante] die rente zelf aanvaard, aldus [geïntimeerde] .6.18. De stelling dat [appellante] zelf de verschuldigdheid van rente over de lening heeft aanvaard, wordt verworpen. Uit niets blijkt dat [appellante] toen al de wetenschap had dat [naam1] en [geïntimeerde] , in afwijking van de geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011, waren overeengekomen dat alleen het bedrag in hoofdsom verschuldigd was en dat daarover geen rente berekend zou worden. [geïntimeerde] was vanwege die afspraak niet gerechtigd om aan [appellante] een bedrag voor te leggen waarin wel rente was berekend. In die situatie is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde] [appellante] zou kunnen houden aan haar instemming met het door de holding in strijd met die afspraak berekende bedrag van de openstaande schuld. Zij is dus geen rente verschuldigd over het bedrag in hoofdsom.\n\n [geïntimeerde] dient aan [appellante] terug te betalen van wat onder het beslag uitgewonnen is\n\n6.19. De slotsom uit het vorenstaande is dat de veroordeling van [appellante] om een geldbedrag te betalen aan [geïntimeerde] zal worden vernietigd. Daaruit volgt dat de vordering van [appellante] om [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van geldbedragen die onder het executoriale beslag zijn uitgewonnen, slaagt. Voor de goede orde wordt daarbij opgemerkt dat tot die verplichting tot terugbetaling niet behoort het bedrag van € 25.000 dat [appellante] op 1 juni 2021 aan [geïntimeerde] heeft betaald. De terugbetaling van dat bedrag is al bij de rechtbank gevorderd en afgewezen en daartegen heeft [appellante] geen hoger beroep ingesteld.\n\nbewijsaanbiedingen\n\n6.20. \n\nPartijen hebben over en weer bewijs aangeboden van hun stellingen door het horen van getuigen.\n\n [appellante] heeft aangeboden [geïntimeerde] te horen over de stelling dat geen sprake is van een overeenkomst van geldlening. Aan dat aanbod gaat het hof voorbij. [appellante] heeft in dit verband geen concreet te bewijzen feiten en omstandigheden gesteld waarover [geïntimeerde] als getuige kan verklaren.\n\nVoor het overige hebben de aanbiedingen van partijen geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien zij zouden komen vast te staan, leiden tot een ander oordeel.\n\nslotsom\n\n6.21. Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Het bestreden vonnis in conventie zal om redenen van proceseconomie geheel vernietigd worden.\n\n6.22. Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zowel in de procedure bij de rechtbank in conventie als in hoger beroep, zal het hof bepalen dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).6.23. De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n7. De beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1. vernietigt het in conventie gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen van 19 juni 2024, en beslist:\n\n7.2. verklaart voor recht dat tussen partijen de geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is, met dien verstande dat: a) over het uitgeleende bedrag geen contractuele rente verschuldigd is; b) de verplichting tot terugbetaling van het geleende bedrag pas opeisbaar is bij verkoop van het project; c) de omvang van die verplichting nader wordt bepaald door wat partijen daarover aanvullend hebben afgesproken in de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021;\n\n7.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellante] van al wat door haar is betaald aan [geïntimeerde] op grond van het door [geïntimeerde] onder haar gelegde executoriale beslag;\n\n7.4. verklaart deze veroordeling tot terugbetaling uitvoerbaar bij voorraad;7.5. wijst af wat meer of anders is gevorderd;7.6. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt, in beide instanties. Voor de procedure bij de rechtbank geldt deze beslissing alleen voor de procedure in conventie.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, M.E.L. Fikkers en A. Elgersma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n23 december 2025.\n\n Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:848","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8616","2025-12-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:44.367Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"668","ECLI:NL:GHARL:2025:7443","ecli-nl-gharl-2025-7443",60,"2025-11-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.348.817\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland C\u002F16\u002F579726\n\narrest van 18 november 2025\n\nin de zaak van\n\n [de taxichaffeur] ( [de taxichaffeur] )\n\nhandelend onder de naam Taxi Utrecht Centraal\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. N.A.W.E. Jansen\n\nen\n\nUtrechtse Taxi Centrale B.V. (UTC)\n\ndie is gevestigd in Utrecht\n\nadvocaat: mr. U.T. Hoekstra\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. \n [de taxichaffeur] heeft beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 13 november 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven\n\nde memorie van antwoord\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 14 oktober 2025 is gehouden\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. UTC en [de taxichaffeur] exploiteren beiden een taxibedrijf in de stad Utrecht en omstreken. UTC stelt dat [de taxichaffeur] met zijn handelsnamen “Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale”en“TUC”inbreuk maakt op haar handelsnamen“Utrechtse Taxi Centrale”, “Utrechtse Taxicentrale”, “UTC”en“U.T.C.”.\n\n2.2.. UTC heeft bij de rechtbank gevorderd dat het [de taxichaffeur] wordt verboden de in 2.1 genoemde handelsnamen te gebruiken onder verbeurte van dwangsommen. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.\n\n2.3.. Het hof zal beslissen dat het hoger beroep slechts voor een klein deel slaagt, te weten dat het verbod op het gebruik van de handelsnaam “TUC”zal worden opgeheven, maar dat de beslissing van de rechtbank voor het overige wordt bekrachtigd. Het hof licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de rechtbank dus voor het overgrote deel in stand. Voordat het hof uitlegt hoe het tot zijn beslissing is gekomen, zal het de tussen partijen vaststaande feiten weergeven.\n\n3. De tussen partijen vaststaande feiten\n\n3.1.. UTC exploiteert na een fusie van twee oudere coöperaties sinds 1993 in de stad Utrecht en omstreken een taxionderneming onder de handelsnamen “Utrechtse Taxi Centrale”, “Utrechtse Taxicentrale”, “UTC”en“U.T.C.”. Bij haar zijn aangesloten circa 180 taxi-voertuigen, gereden door circa 200 taxibestuurders. UTC is de werkmaatschappij van de coöperatieve vereniging“Coöperatieve Utrechtse Taxi centrale U.A.”. Haar website is toegankelijk via de domeinnaam utc.nl en haar e-mailadressen eindigen op @utc.nl.\n\n3.2.. \n [de taxichaffeur] exploiteert sinds 2018 in de stad Utrecht en omstreken een taxionderneming onder de handelsnamen “Taxi Utrecht Centraal”en“Taxi Utrecht Centrale”. Zijn websites zijn toegankelijk via de domeinnamen taxiutrechtcentraal.com en taxiutrechtcentrale.nl. Zijn e-mailadres is info@taxiutrechtcentrale.nl. [de taxichaffeur] verdeelt bij hem binnenkomende verzoeken tot taxivervoer via een WhatsApp-groep onder bij hem aangesloten taxibestuurders.\n\n3.3.. UTC heeft [de taxichaffeur] op 30 januari 2024 gedagvaard voor de rechtbank en gevorderd dat het [de taxichaffeur] wordt verboden gebruik te maken van de woorden “Utrechtse Taxi Centrale”of daarop gelijkende bewoordingen als“Utrechtse taxicentrale”. Gelijktijdig of min of meer gelijktijdig heeft UTC bij de kantonrechter een verzoek ingediend tot wijziging van de handelsnaam van [de taxichaffeur] ex artikel 6 van de Handelsnaamwet. De zaken zijn vervolgens gevoegd behandeld bij de kantonrechter krachtens ex art. 96 Rv. Ter voorbereiding op de zitting in die zaak (zaaknummer C\u002F16\u002F11032198) op 24 mei 2024 heeft UTC bij brief van 22 april 2024 haar eis aldus uitgebreid dat zij ook een verbod vorderde van het gebruik van onder meer de handelsnamen“Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale”en“TUC”. Ter zitting van 24 mei 2024 hebben partijen een schikking getroffen met onder meer de volgende afspraken:\n\n“1. [de taxichaffeur] zal geen gebruik maken van de benaming “Utrechtse Taxi Centrale” of “Utrechtse Taxicentrale”, op straffe van een direct opeisbare boete van € 1.000,- voor iedere dag dat hij deze toezegging overtreedt tot een maximum van € 50.000,-. (…)\n\n3. Partijen verlenen elkaar na uitvoering van het bovenstaande finale kwijting van al hetgeen zij in het kader van deze procedure gevorderd hebben. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat daar niet onder valt de eiswijziging zoals geformuleerd in de brief van mr. Hoekstra van 22 april 2024. (…)”\n\n4. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nDe grief over de gang van zaken bij de rechtbank\n\n4.1.. Nadat UTC [de taxichaffeur] tegen de terechtzitting van de rechtbank van 28 augustus 2024 had gedagvaard, heeft de advocaat van [de taxichaffeur] in een e-mail van 27 augustus 2024 onder meer aangekondigd zich te stellen voor [de taxichaffeur] , verzocht om uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord van zes weken en verzocht om verwijzing naar kanton. De rolrechter heeft de zaak verwezen naar de rol van 9 oktober 2024 voor conclusie van antwoord. UTC heeft de rechtbank op 2 september 2024 bericht niet in te stemmen met verwijzing naar kanton. [de taxichaffeur] heeft ter rolle van 9 oktober 2024 niet gediend voor antwoord en geen uitstel verzocht, waarop de rolrechter akte niet dienen heeft verleend en de zaak voor beraad van partijen heeft verwezen naar de rol van 23 oktober 2024. Partijen konden op die rolzitting aangeven of zij een mondelinge behandeling wensten of vonnis, onder de vermelding dat [de taxichaffeur] en zijn advocaat op de mondelinge behandeling geen verweer mochten voeren. Op de rolzitting van 24 oktober 2024 heeft UTC vonnis gevraagd en heeft [de taxichaffeur] erop gewezen dat op zijn verzoek tot verwijzing niet is gereageerd en dat dit alsnog moet gebeuren. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.1 van het bestreden vonnis beslist dat zij niet terugkomt van haar beslissing tot verlenen van akte niet dienen en dat er geen mondelinge behandeling zal worden gehouden. De rechtbank heeft deze beslissing aldus uitgewerkt in rechtsoverweging 2.2 dat [de taxichaffeur] niet op de voorgeschreven manier (te weten door het instellen van een incidentele vordering) heeft verzocht om verwijzing. De rechtbank heeft ten slotte de vorderingen van UTC toegewezen, omdat deze haar niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen. Onder meer tegen deze beslissingen richt zich grief 3. [de taxichaffeur] stelt zich op het standpunt dat de griffie van de rechtbank hem had moeten berichten dat de vordering tot verwijzing niet op de juiste manier was aangebracht, zodat hij de gelegenheid zou hebben gehad tot herstel van het verzuim. Volgens [de taxichaffeur] is sprake van schending hoor en wederhoor en excessief formalisme.\n\n4.2.. \n [de taxichaffeur] heeft niet toegelicht welk gevolg hij met deze grief beoogt. Bij het hof vindt binnen de grenzen van het door de grieven ontsloten gebied een herbeoordeling plaats van de stellingen van partijen. Het hof zal daarom aandacht besteden aan het in de grieven geformuleerde verweer van [de taxichaffeur] . [de taxichaffeur] heeft daarom geen belang bij een grief over het feit dat zijn verweer niet in de beoordeling van de rechtbank is betrokken. Dat [de taxichaffeur] zijn verweer slechts in één feitelijke instantie heeft kunnen voeren, maakt dat niet anders. Een partij heeft in beginsel geen aanspraak op behandeling van haar geschil in twee feitelijke instanties. Dat daarop in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt, heeft [de taxichaffeur] niet gesteld. Het hof heeft niet de mogelijkheid de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank, ook al zou de rechtbank op onjuiste gronden [de taxichaffeur] niet de gelegenheid hebben gegeven verweer te voeren.\n\nDe eerdere schikking staat niet aan de onderhavige procedure in de weg\n\n4.3.. In punt 3 van de schikking die partijen op 24 mei 2024 hebben getroffen is bepaald dat onder de finale kwijting niet de eiswijziging bij brief van UTC van 22 april 2024 valt (zie 2.3, hierboven). Daardoor heeft de finale kwijting geen betrekking op de handelsnamen “Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale”en“TUC”. Dat betekent dat het beroep door [de taxichaffeur] op (analoge toepassing van) gezag van gewijsde van de schikking en niet-ontvankelijkheid van UTC in haar vorderingen in verband met de eerder getroffen schikking wordt verworpen.\n\nHet misleidende karakter van de handelsnamen\n\n4.4.. UTC heeft gevorderd dat het [de taxichaffeur] wordt verboden de handelsnamen “Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale”en“TUC”te voeren, omdat zij verwarring bij het publiek wekken ten opzichte van haar handelsnamen“Utrechtse Taxi Centrale”, “Utrechtse Taxicentrale”, “UTC”en“U.T.C.”en omdat zij misleidend zijn, nu zij een onjuiste indruk geven van de onder die naam gedreven onderneming (nr. 5 van de inleidende dagvaarding). UTC stelt in nr. 5 van de inleidende dagvaarding weliswaar dat alle drie de handelsnamen van [de taxichaffeur] , te weten“Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale”en“TUC”, misleidend zijn, maar zij werkt dat slechts uit ten opzichte van de handelsnamen“Taxi Utrecht Centrale”en“Taxi Utrecht Centraal”, kort gezegd met het argument dat [de taxichaffeur] met deze handelsnamen de indruk wekt dat er een taxicentrale bestaat die de ritten tussen de taxibestuurders verdeelt en toezicht houdt op de kwaliteit (nr. 8 van de inleidende dagvaarding). Ook in nr. 5 van de inleidende dagvaarding heeft UTC gesteld dat [de taxichaffeur] het publiek misleidt door het gebruik van de woorden “centraal” of “centrale”, omdat hij zich hiermee groter voordoet dan hij is. Het hof legt de stellingen van UTC zo uit dat zij slechts voor de handelsnamen“Taxi Utrecht Centrale”en“Taxi Utrecht Centraal”heeft gesteld dat deze misleidend zijn en niet ook voor de handelsnaam“TUC”. Dat zou ook onverwacht zijn, omdat de naam“TUC”geen elementen bevat die iets aangeven over omvang en karakter van de onderneming.\n\n4.5.. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vorderingen van UTC haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Dit betekent dat de rechtbank de in de dagvaarding vermelde grondslagen van de vorderingen kennelijk heeft overgenomen, dus dat de door [de taxichaffeur] gevoerde handelsnamen krachtens het vonnis zowel misleidend als verwarringwekkend zijn ten opzichte van die van UTC. Dit brengt weer mee dat [de taxichaffeur] in hoger beroep, als hij tegen het gehele oordeel van de rechtbank op dit punt op wil komen, van beide grondslagen moet aanvoeren dat zij ondeugdelijk zijn.\n\n4.6.. \n [de taxichaffeur] heeft in zijn memorie van grieven alleen het verwarringwekkende karakter van zijn handelsnamen betwist, maar niet betwist dat zij misleidend zouden zijn. Dat betekent dat het oordeel van de rechtbank dat de handelsnamen “Taxi Utrecht Centrale”en“Taxi Utrecht Centraal”misleidend zijn buiten het door de grieven ontsloten gebied valt en dat daardoor vaststaat dat deze handelsnamen misleidend zijn. Omdat dat oordeel de toewijzing van de vorderingen van UTC met betrekking tot de handelsnamen“Taxi Utrecht Centrale”en“Taxi Utrecht Centraal”zelfstandig kan dragen, is hetgeen het hof hierna over het verwarringwekkende karakter van deze handelsnamen zal beslissen ten overvloede geoordeeld.\n\nDe beoordeling van het verwarringsgevaar\n\n4.7.. UTC heeft gesteld dat de handelsnamen “Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale”en“TUC”gevaar voor verwarring wekken met haar handelsnamen“Utrechtse Taxi Centrale”, “Utrechtse Taxicentrale”, “UTC”en“U.T.C.”Zij doet daarmee een beroep op artikel 5 van de Handelsnaamwet dat als volgt luidt:“Het is verboden een handelsnaam te voeren, die, vóórdat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover dientengevolge, in verband met de aard der beide ondernemingen en de plaats, waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is.”\n\n4.8.. Bij de beoordeling van het verwarringsgevaar komt het aan op een globale beoordeling van de volledige handelsnamen wat betreft hun visuele, auditieve en begripsmatige kenmerken, in relatie tot de aard van de ondernemingen en alle overige omstandigheden van het geval. Tot de visuele kenmerken behoren ook gebruikte logo’s en eventuele andere visuele vormgeving. Voorts dient de vraag of verwarring te duchten valt, te worden beoordeeld vanuit het perspectief van het normaal oplettende publiek en zijn eventuele (specialistische) kennis van het desbetreffende marktsegment. Een geheel beschrijvende handelsnaam heeft in beginsel geen onderscheidend vermogen, tenzij het publiek een zodanige naam door de intensiteit van het gebruik ervan is gaan associëren met de onderneming die haar voert (‘inburgering’). Voorts is van belang dat, nu het gebruik van beschrijvende aanduidingen is toegenomen, aangenomen mag worden dat het publiek eraan gewend is dat ondernemingen beschrijvende handelsnamen gebruiken, en minder snel in verwarring zal raken als meer (rechts)personen onder dezelfde, of slechts in geringe mate afwijkende, beschrijvende handelsnamen aan het economische verkeer deelnemen. Mocht verwarring dreigen, dan kan een kleine variatie in de naam dat gevaar al wegnemen. Omgekeerd kan worden aangenomen dat, naarmate een handelsnaam meer onderscheidend vermogen heeft, eerder verwarring te duchten valt. Het is immers aannemelijk dat het publiek in dat geval, bij kennisneming van eenzelfde of een slechts in geringe mate afwijkende naam, die naam eerder in verband zal brengen met de onderneming die de oudere handelsnaam voert (HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:269, Dairy Partners).\n\n4.9.. Tussen partijen is niet geschil dat de handelsnamen van UTC ouder zijn dan die van [de taxichaffeur] en dat het gebruik door UTC van haar handelsnamen rechtmatig is. Verder is van belang dat partijen precies dezelfde diensten aanbieden, te weten taxivervoer, in dezelfde regio, te weten Utrecht. De handelsnamen “Utrechtse Taxi Centrale”en “Utrechtse Taxicentrale”zijn beschrijvend. Het woord“Taxi”beschrijft de aard van de onderneming en het woord“Utrechtse”de geografische locatie. Het woord“Centrale”is ook in zekere mate beschrijvend. Het publiek zal bij het begrip denken aan een fysieke centrale locatie waar de verzoeken voor ritten binnenkomen en vervolgens worden uitgezet onder de taxibestuurders. UTC heeft gesteld dat deze handelsnamen zijn ingeburgerd. Zij gebruikt deze handelsnamen sinds 1993, zij heeft een marktaandeel van 30% en 80% van haar vloot van circa 180 taxiauto’s is bestickerd met het logo van de onderneming. [de taxichaffeur] heeft deze onderbouwing van inburgering van de twee handelsnamen niet voldoende betwist, zodat het hof daarvan uitgaat.\n\n4.10.. Door deze inburgering hebben deze twee beschrijvende handelsnamen van UTC enige mate van onderscheidend vermogen verworven, zodat verwarringsgevaar aan de orde kan zijn omdat het relevante publiek de namen kent en deze in verband brengt met UTC. Naar het oordeel van het hof is, alle omstandigheden in aanmerking nemend, van een dergelijk verwarringsgevaar met de twee beschrijvende handelsnamen van [de taxichaffeur] ook daadwerkelijk sprake. Er is immers een zeer sterke gelijkenis tussen beide paren van handelsnamen, nu zij maar op drie punten van ondergeschikte betekenis verschillen. Ten opzichte van de handelsnamen van UTC heeft [de taxichaffeur] slechts de woordvolgorde van “Utrechtse”en“Taxi”omgedraaid, van het bijvoeglijk naamwoord“Utrechtse”het zelfstandig naamwoord“Utrecht”gemaakt en in één van de handelsnamen het woord“Centrale”veranderd in het woord“Centraal”. Daarmee zijn verschillen ontstaan die in visueel, auditief en begripsmatig perspectief van ondergeschikt belang zijn. Dat er enig begripsmatig verschil bestaat tussen“Centrale”en“Centraal”, in die zin dat“Centraal”in deze context mogelijk mede verwijst naar station Utrecht Centraal, maakt niet dat deze handelsnaam, gezien zijn sterke visuele en auditieve gelijkenis met“Utrechtse Taxi Centrale”voldoende afstand houdt tot deze handelsnaam. Deze verschillen zullen het relevante publiek – personen die op zoek zijn naar een taxi vanuit of naar (de regio) Utrecht – niet zo snel opvallen. Van dit publiek zal immers niet een bijzonder hoog aandachtsniveau worden verwacht. Het hof beslist daarom dat gevaar voor verwarring te duchten is door het gebruik van de handelsnamen“Taxi Utrecht Centraal”en“Taxi Utrecht Centrale”. Het verschil in de door UTC en [de taxichaffeur] gebruikte logo’s neemt dit gevaar niet weg. Dat brengt mee dat de rechtbank de vorderingen van UTC ook in dat opzicht terecht heeft toegewezen.\n\n4.11.. Het hof is van oordeel dat er geen verwarringsgevaar bestaat tussen enerzijds de handelsnamen “UTC”en“U.T.C.”van UTC en anderzijds“TUC”van [de taxichaffeur] . Het gaat in beide gevallen om een combinatie van drie dezelfde, in kapitalen geschreven hoofdletters, maar in een afwijkende volgorde. Omdat het een afkorting van slechts drie letters betreft is een wisseling van de volgorde een relatief grote wijziging van deze afkorting. Die wisseling voorkomt dat er gevaar voor verwarring is te duchten. Daarbij gaat het hof er ook vanuit dat de ruimte voor ondernemingen om ook een afkorting te gebruiken ter aanduiding van hun onderneming, niet te zeer mag worden begrensd. De afwijkende volgorde leidt ten slotte ook tot een auditief verschil, omdat“TUC”ook kan worden uitgesproken, niet als drie letters, maar als het woord“tuk”. Dat dit geen theoretisch argument is werd bevestigd tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, toen de afkorting door een van de namens UTC aanwezigen werd uitgesproken als“tuk”. Het voorgaande betekent dat op dit punt het vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven. Het verbod op het gebruik van de handelsnaam“TUC”zal daarom alsnog worden afgewezen.\n\nGebruik van de handelsnaam “TUC”\n\n4.12.. \n [de taxichaffeur] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof aangevoerd dat hij de handelsnaam “TUC”nooit heeft gebruikt, ook al staat deze in het handelsregister. Deze betwisting is een nieuwe grief tegen het vonnis die uiterlijk bij memorie van grieven had moeten worden aangevoerd. UTC heeft niet ingestemd met het alsnog toevoegen van deze grief aan het debat in hoger beroep. Dit betekent dat het hof gezien de tweeconclusieregel deze betwisting niet mag onderzoeken.\n\nDe conclusie\n\n4.13.. Het hoger beroep slaagt deels. Omdat [de taxichaffeur] voor het overgrote deel in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de taxichaffeur] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Omdat UTC geen proceskosten heeft gevorderd op grond van artikel 1019h Rv, zal het hof de kosten vaststellen conform het liquidatietarief. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1.. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2024, met uitzondering van de woorden “en\u002Fof ‘TUC’”in onderdeel 3.1 van het dictum, welke woorden het hof schrapt uit het vonnis;\n\n5.2.. \n\nveroordeelt [de taxichaffeur] tot betaling van de volgende proceskosten van UTC:\n\n€ 798 aan griffierecht\n\n€ 2.428 aan salaris van de advocaat van UTC (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)\n\n5.3.. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, C. Bakker en M. Schut, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:7443","2025-11-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:42.112Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":51,"updatedAt":72},"1087","ECLI:NL:RBMNE:2025:323","ecli-nl-rbmne-2025-323",71,"2025-02-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F577570 \u002F HL ZA 24-176\n\nVonnis van 12 februari 2025\n\nin de zaak van\n\n1. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n [eiseres sub 1] LLC,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 1] in Koeweit, 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n [eiseres sub 2] LLC,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 2] in de Verenigde Arabische Emiraten,\n\neisende partijen,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] ,\n\nhierna samen te noemen: [eiseressen] ,\n\nadvocaat: mr. R.J.W. Pijls,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 3] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. S. Booij.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 t\u002Fm 17;\n\n- de conclusie van antwoord met producties 1 t\u002Fm 4;\n\n- de akte van [eiseressen] met aanvulling van de gronden, vermeerdering van eis en productie 18;\n\n- de mondelinge behandeling van 6 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;\n\n- de spreekaantekeningen van [eiseressen] ;\n\n- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] behoren toe aan dezelfde groep aan vennootschappen en leggen zich toe op de productie en levering van onder andere bakkerijgrondstoffen. [gedaagde] levert vloeibare zuivel, melkpoeder en boter aan verwerkers en eindgebruikers. [gedaagde] had een (niet exclusieve) samenwerking met [bedrijf] B.V. welke partij op 4 april 2023 in staat van faillissement is verklaard. Volgens [eiseressen] is [gedaagde] meerdere keren betaald voor een bestelling Ghee Butter, die [gedaagde] maar één keer heeft geleverd aan [eiseressen] vindt daarom dat [gedaagde] aan haar een gedeelte moet terugbetalen. Namelijk primair € 195.039,00 aan [eiseres sub 1] , subsidiair € 220.585,50 aan [eiseres sub 2] en meer subsidiair € 75.524,40 aan [eiseres sub 1] of [eiseres sub 2] . Verder maakt [eiseressen] aanspraak op betaling van de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] ziet geen reden tot betaling van enig bedrag. De rechtbank is het eens met [gedaagde] . Dat betekent dat [eiseressen] ongelijk krijgt en dat haar vorderingen zullen worden afgewezen.\n\n3. De beoordeling\n\nWat is er aan de hand?\n\n3.1.. Volgens [eiseressen] heeft zij in reactie op een gezamenlijk aanbod van [bedrijf] en [gedaagde] in maart 2022 een bestelling Ghee Buttergeplaatst bij hen en heeft zij voor deze bestelling € 126.282,00 betaald aan [bedrijf] . Vanwege importproblemen kon de bestelling niet geleverd worden. In augustus 2022 heeft zij een vervangende bestellingGhee Buttergeplaatst bij [bedrijf] en [gedaagde] . Deze bestelling had een totale waarde van € 251.748,00. Maar gelet op de eerdere mislukte levering heeft zij slechts € 94.304,50 betaald. Ook deze bestellingen is niet geleverd, omdat een voor de levering vereist halal-certificaat ontbrak.\n\n3.2.. \n [eiseressen] heeft in december 2022 bij [gedaagde] een bestelling geplaatst voor een lading Ghee Butter. De levering van deze bestelling is wel gelukt. Volgens [eiseressen] hoefde zij niet te betalen aan [gedaagde] voor deze levering, omdat deze diende ter vervanging van de niet geleverde bestellingen in maart en augustus 2022. Per ongeluk heeft [eiseressen] de factuur voor de derde bestelling van € 195.039,00 wel aan [gedaagde] betaald, aldus [eiseressen]\n\n3.3.. Volgens [eiseressen] is de betaling daarom onverschuldigd gedaan aan [gedaagde] . Primair vordert [eiseressen] dat [gedaagde] dat bedrag aan haar terug betaald. Subsidiair stelt [eiseressen] zich op het standpunt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de verbintenis tegenover haar, omdat [gedaagde] haar leveringsverplichting van de eerste en de tweede bestelling Ghee Butterniet is nagekomen. Daarom vordert zij subsidiair een vervangende schadevergoeding van [gedaagde] ter hoogte van haar betaling voor de eerste en tweede bestelling van in totaal € 220.585,50. Meer subsidiair vordert [eiseressen] van [gedaagde] betaling van een bedrag van € 75.524,40 op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Volgens [eiseressen] heeft [gedaagde] dat bedrag ontvangen van [bedrijf] als betaling voor de tweede bestelling, terwijl zij daarvoor geen tegenprestatie heeft geleverd.\n\n3.4.. Volgens [gedaagde] heeft zij niet met [bedrijf] een gezamenlijk aanbod gedaan aan [eiseressen] voor een lading Ghee Butteren is zij niet betrokken geweest als partij bij de bestellingen van [eiseressen] bij [bedrijf] . [gedaagde] betwist dat er een verbintenis tussen haar en [eiseressen] tot stand is gekomen voor bestellingen in maart en augustus 2022. Volgens [gedaagde] heeft [eiseressen] in december 2022 voor het eerst een ladingGhee Butterbij haar besteld en is dat de eerste verbintenis die tussen hen tot stand is gekomen. [gedaagde] heeft conform die afspraakGhee Buttergeleverd en [eiseressen] heeft conform afspraak betaald, aldus [gedaagde] . Daarmee ontbreekt volgens [gedaagde] een rechtsgrond voor de vorderingen van [eiseressen]\n\n [gedaagde] geen contractspartij bij de bestellingen in maart en augustus 2022\n\n3.5.. Voorafgaand aan de beslissingen op de vorderingen, zal eerst de onderliggende vraag die partijen verdeeld houdt, worden beantwoord: Heeft [eiseressen] met [gedaagde] gecontracteerd voor de leveringen van Ghee Butterin maart en augustus 2022?\n\n3.6.. Omdat [eiseressen] zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde verbintenissen met [gedaagde] , en [gedaagde] die verbintenissen heeft betwist, is het aan [eiseressen] om aan te tonen dat de verbintenissen zijn aangegaan.\n\n3.7.. \n [eiseressen] heeft vier argumenten aangevoerd die zouden moeten maken dat zij met (onder andere) [gedaagde] heeft gecontracteerd, namelijk: (1) de (pro forma) facturen, (2) de bemanning van een gezamenlijke stand op [beurs] in Dubai door [bedrijf] en [gedaagde] en hun samenwerking, (3) de e-mailcorrespondentie tussen [gedaagde] en [bedrijf] en e-mailcorrespondentie tussen [eiseressen] en [gedaagde] en (4) een verklaring van de voormalig bestuurder van [bedrijf] . Deze argumenten slagen niet.\n\n(1) De (pro forma) facturen\n\n3.8.. \n [eiseressen] verwijst allereerst naar de (pro forma) facturen (overgelegd als producties 1 en 3 bij de dagvaarding) ter onderbouwing van haar stelling dat zij met [bedrijf] én [gedaagde] heeft gecontracteerd. Op de eerste factuur is naast het logo en adres van [bedrijf] , ook het logo van [gedaagde] te zien. Op de tweede factuur is naast het logo van [gedaagde] , ook het adres en bankrekeningnummer van [gedaagde] vermeld. [gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat zij niet bekend is met deze facturen en deze niet namens haar zijn opgesteld of verzonden. Volgens haar zijn deze facturen afkomstig van [bedrijf] , waaraan [bedrijf] kennelijk het logo van [gedaagde] heeft toegevoegd. De facturen zijn voorzien van een stempel van [bedrijf] en ondertekend namens [bedrijf] . Een handtekening namens en stempel van [gedaagde] ontbreken.\n\n3.9.. Omdat [gedaagde] haar betrokkenheid bij het opstellen van deze facturen betwist en de accordering van [gedaagde] niet uit de facturen kan worden afgeleid, kunnen de facturen niet de stelling dragen dat hieruit volgt dat [eiseressen] met [gedaagde] heeft gecontracteerd voor de bestellingen in maart en augustus 2022. [eiseressen] heeft geen andere stukken, bijvoorbeeld e-mailcorrespondentie, overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde] als contractspartij betrokken is bij (de onderhandeling en de totstandkoming van) de bestellingen in maart en augustus 2022. Evenmin zijn er stukken overgelegd waaruit volgt dat [gedaagde] een verplichting is aangegaan tegenover [eiseressen] om de bestellingen te leveren.\n\n(2) Partnerschap en een stand delen op een beurs is onvoldoende\n\n3.10.. \n [eiseressen] heeft ten tweede aangevoerd dat [gedaagde] en [bedrijf] als partners gezamenlijk naar buiten traden en gezamenlijk een stand hebben gedeeld op de beurs van [beurs] 2022 in Dubai. Dat laatste staat niet ter discussie tussen partijen. Dat [gedaagde] en [bedrijf] als partners naar buiten traden heeft [gedaagde] wel betwist. [gedaagde] heeft de handelsrelatie tussen hen als volgt toegelicht. [bedrijf] en zij waren in februari 2022 een samenwerking aangegaan. De afspraken tussen [gedaagde] en [bedrijf] hielden onder andere in dat alle verkoopcontracten door [gedaagde] worden gesloten, dat [gedaagde] factureert aan de klant en dat de klant 100% van de koopprijs betaalt aan [gedaagde] . De afspraken hielden dus niet in dat [bedrijf] als agent van [gedaagde] uit haar naam overeenkomsten kon aangaan met derden en bevoegd was [gedaagde] daaraan te binden.\n\n3.11.. \n [eiseressen] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat alle communicatie over de bestellingen in maart en augustus 2022 met [bedrijf] is geweest. Zij ging ervan uit dat [bedrijf] de agent was die namens [bedrijf] én [gedaagde] de overeenkomst mocht aangaan. Deze kennelijk onjuiste voorstelling van zaken blijft in dit geval voor rekening van [eiseressen] Het ligt immers op de weg van [eiseressen] om een veronderstelde vertegenwoordigingsbevoegdheid bij beoogde zakenpartners te controleren. [eiseressen] had niet op basis van de door haar gestelde omstandigheden er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat een verbintenis met [bedrijf] ook [gedaagde] zou binden. [eiseressen] heeft verder ook niet gesteld dat zij op grond van bepaalde gedragingen van [gedaagde] redelijkerwijs mocht verwachten dat de verbintenissen die zij aangingen met [bedrijf] ook [gedaagde] zou binden.\n\n(3) Verbintenis volgt niet uit de e-mailcorrespondentie tussen [gedaagde] en [bedrijf]3.12.. \n [eiseressen] heeft ten derde verwezen naar de e-mailcorrespondentie van 19 oktober 2022 en 2 december 2022 (overgelegd als productie 11 bij de dagvaarding) tussen [gedaagde] en [bedrijf] . Maar deze toont niet aan dat [gedaagde] een verbintenis met c.q. leveringsverplichting aan [eiseressen] had. In deze e-mailcorrespondentie wisselen [gedaagde] en [bedrijf] updates uit over de stand van zaken tussen hen en maken zij afspraken met elkaar. Als deze e-mailwisseling gaat over een lading Ghee Butterdie [bedrijf] bij [gedaagde] heeft besteld, dan is dat voor de rechtsverhouding tussen [eiseressen] en [gedaagde] niet relevant. Aan de afspraken tussen [bedrijf] en [gedaagde] kan [eiseressen] geen rechten ontlenen. Dit zou alleen anders zijn, als partijen daar afspraken over hebben gemaakt, maar dat blijkt niet uit de stukken.\n\n3.13.. Uit de andere e-mailcorrespondentie van december 2022 (overgelegd als productie 5 bij de dagvaarding) tussen [eiseressen] en [gedaagde] blijkt ook niet dat [eiseressen] met [gedaagde] een verbintenis is aangegaan voor de bestellingen Ghee Buttervan maart en augustus 2022. Anders dan [eiseressen] heeft betoogd, blijkt uit deze e-mailwisseling niet dat partijen refereren aan een eerdere bestelling die [eiseressen] bij [gedaagde] zou hebben geplaatst en waarvoor [eiseressen] aan [gedaagde] zou hebben betaald.\n\n(4) De verklaring van de voormalig bestuurder van [bedrijf]\n\n3.14.. \n [eiseressen] heeft ter vierde gewezen op een verklaring van de voormalig bestuurder van [bedrijf] , afgegeven per e-mail op 30 augustus 2023 aan [eiseressen] In deze verklaring wordt niet verklaard dat [eiseressen] met [bedrijf] én [gedaagde] heeft gecontracteerd voor de bestellingen in maart en augustus 2022. De verklaring van de bestuurder van [bedrijf] is om die reden geen onderbouwing van die stelling van [eiseressen] Daarbij is de rechtbank het met [gedaagde] eens dat de voormalig bestuurder van [bedrijf] een eigen belang kan hebben bij zijn verklaring. De verklaring is ook niet onder ede afgelegd.\n\nGeen sprake van onverschuldigde betaling\n\n3.15.. Tussen partijen staat vast dat [eiseres sub 2] in december 2022 per e-mail bij [gedaagde] 25.005 kg Ghee Butterheeft besteld voor een prijs van € 7,80 per kg. [gedaagde] heeft, zoals partijen hadden afgesproken, die bestelling laten leveren bij [eiseres sub 1] . [gedaagde] heeft voor deze levering een factuur van € 195.039,00 gezonden aan [eiseres sub 2] en op 24 januari 2023 is de factuur door [eiseres sub 1] betaald aan [gedaagde] .\n\n3.16.. Hieruit volgt dat aan de betaling van € 195.039 door [eiseressen] aan [gedaagde] een tussen partijen afgesproken levering van 25.005 kg voor € 7,80 kg Ghee Butterten grondslag ligt. Dat maakt dat de betaling van [eiseressen] aan [gedaagde] niet zonder rechtsgrond is gedaan. Om die reden kan er geen sprake zijn van een onverschuldigde betaling. Dat zou alleen anders zijn, als partijen zijn overeengekomen dat deze bestelling niet betaald hoefde te worden of omdat voor deze levering al betaald was.\n\n3.17.. Volgens [eiseressen] blijkt uit de e-mailcorrespondentie tussen [eiseressen] en [gedaagde] in december 2022 dat partijen zijn overeengekomen dat [eiseressen] de bestelling Ghee Butterniet aan [gedaagde] hoefde te betalen, omdat deze bestelling twee eerdere bestellingen zou vervangen. Een dergelijke afspraak is niet op te maken uit de e-mailcorrespondentie. Bovendien ligt een dergelijke afspraak niet in de rede. Uit de beoordeling onder 3.5 t\u002Fm 3.14 volgt dat, anders dan [eiseressen] stelt, [gedaagde] geen eerdere leveringsverplichtingen tegenover [eiseressen] heeft gehad.\n\n3.18.. Voor zover [eiseressen] met verwijzing naar de twee betaalafschriften, overgelegd als productie 2 en 4 bij de dagvaarding, heeft bedoeld aan te tonen dat zij [gedaagde] al had betaald voor de bestelling Ghee Butterin december 2022, volgt de rechtbank [eiseressen] hierin niet. Uit de betaalafschriften volgt dat [eiseres sub 2] aan [bedrijf] heeft betaald voor de bestellingen in maart en augustus 2022. Zoals geoordeeld, was [gedaagde] niet als contractspartij bij deze verbintenissen betrokken. Zonder nadere afspraak tussen partijen, waarvan niet is gebleken, kunnen deze betalingen dan ook niet worden opgevat als een betaling voor de bestelling van 25.005 kgGhee Butterin december 2022 bij [gedaagde] .\n\n3.19.. Dit betekent dat de primair gevorderde veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 195.039 aan [eiseressen] op grond van onverschuldigde betaling zal worden afgewezen.\n\nGeen sprake van een toerekenbare tekortkoming\n\n3.20.. De subsidiair gevorderde vervangende schadevergoeding van € 220.585,50 zal ook worden afgewezen. Deze vordering is gebaseerd op de stelling dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar leveringsverplichtingen tegenover [eiseressen] bij de bestellingen Ghee Buttervan maart en augustus 2022. Deze vordering strandt, omdat niet is gebleken dat [eiseressen] en [gedaagde] voor die bestellingen verbintenissen zijn aangegaan, op grond waarvan [gedaagde] moest leveren aan [eiseressen] Om die reden kan van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] geen sprake zijn.\n\nGeen sprake van ongerechtvaardigde verrijking\n\n3.21.. Ook de meer subsidiair gevorderde betaling van € 75.524,40 op grond van ongerechtvaardigde verrijking zal worden afgewezen.3.22.. Voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking is vereist a) dat sprake is van een verrijking (een vermogensvermeerdering) die b) ten koste van een ander heeft plaatsgevonden, zodat die ander schade heeft geleden (een verarming) en c) dat de verrijking ten koste van de ander ongerechtvaardigd is. Ten slotte geldt dat d) op de verrijkte slechts een verplichting tot op schadevergoeding rust, voor zover dit redelijk is.\n\n3.23.. Gelet op voornoemde vereisten is de enkele omstandigheid dat [bedrijf] een bedrag van € 75.524,40 aan [gedaagde] heeft betaald, onvoldoende om te kunnen vaststellen dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiseressen] [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij het door [bedrijf] aan haar betaalde bedrag van € 75.524,40 heeft verrekend met de schulden die [bedrijf] aan [gedaagde] heeft. Dat betekent dat er geen verrijking heeft plaatsgevonden aan de zijde van [gedaagde] , nog los van de vraag of dat ten koste van [eiseressen] is gegaan. Kortom, [eiseressen] heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is geweest ongerechtvaardigde verrijking bij [gedaagde] .\n\nGeen sprake van onrechtmatige daad\n\n3.24.. Volgens [eiseressen] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld tegenover haar. Enige onderbouwing bij deze stelling ontbreekt. Zonder nadere toelichting ziet de rechtbank niet in op welke wijze [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseressen]\n\nAfwijzing nevenvorderingen\n\n3.25.. Omdat zowel de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire hoofvordering van [eiseressen] worden afgewezen, delen de daaraan gekoppelde nevenvorderingen dat lot. De gevorderde buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente zullen daarom ook worden afgewezen.\n\n [eiseressen] moet de proceskosten betalen\n\n3.26.. \n [eiseressen] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.617,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n5.428,00\n\n(2 punten × € 2.714,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n12.223,00\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n4.1.. wijst de vorderingen van [eiseressen] af,\n\n4.2.. veroordeelt [eiseressen] in de proceskosten van [gedaagde] , begroot op € 12.223,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW als de betaling niet binnen deze termijn plaats vindt,\n\n4.3.. de proceskosten worden vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseressen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025.\n\n5340","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:323","2025-02-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.353Z",20,[75,11,76],2026,2024]