[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-consumer-law-nl-2025":3},{"detail":4,"years":74},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":73},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},29,"consumer-law-nl","Consumer Law","NL","2026-07-08T16:53:14.161Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":14},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1900","ECLI:NL:RBMNE:2025:7851","ecli-nl-rbmne-2025-7851","",79,"2025-11-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 11839439 \\ MC EXPL 25-4540\n\nVonnis van 26 november 2025\n\nin de zaak van\n\nINFOMEDICS B.V., als rechtsopvolger van INFOMEDICS FACTORING B.V., mede handelend onder de namen INFOMEDICS FACTORING, UWNOTA.NL, DFA SERVICES EN INFOMEDICS DFA,\n\nstatutair gevestigd en kantoorhoudende te Almere,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Infomedics,\n\ngemachtigde: Yards Deurwaardersdiensten BV,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 5 augustus 2025 met producties 1 en 2; - de mondelinge conclusie van antwoord; - de akte van Infomedics tevens akte vermindering van eis met productie 4; - de antwoordakte van [gedaagde] .\n\n1.2. De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.\n\n2. Kern van de zaak\n\n2.1. Deze zaak gaat over een onbetaalde zorgkostennota. Het gaat om de nota die Infomedics op 10 februari 2025 aan [gedaagde] heeft gestuurd. Volgens de nota heeft [gedaagde] op 22 januari 2025 een tandheelkundige behandeling gehad bij [de tandarts] (hierna: ‘de tandarts’). De kosten daarvan waren, na vergoeding door de zorgverzekeraar van [gedaagde] , € 48,37. Infomedics heeft de vordering op [gedaagde] van de tandarts – door cessie daarvan – overgenomen. Infomedics wil dat [gedaagde] de nota alsnog betaalt, met rente en kosten. [gedaagde] erkent de hoofdsom met rente, de buitengerechtelijke incassokosten, de dagvaardingskosten en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding. Zij heeft die bedragen één dag voor de rolzitting van 3 september 2025 ook aan de gemachtigde van Infomedics betaald. Zij is het daarom niet eens met het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte. De vraag is of [gedaagde] het griffierecht en het salarisgemachtigde voor de akte moet betalen.\n\n2.2. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk. [gedaagde] hoeft het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte niet aan Infomedics te betalen.\n\n3. De beoordeling\n\nDe hoofdsom en de rente\n\n3.1. Vaststaat dat [gedaagde] op 22 januari 2025 een tandheelkundige behandeling heeft ondergaan. De kosten daarvoor waren, na vergoeding door de zorgverzekeraar van [gedaagde] , € 48,45. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsom niet betwist. De hoofdsom van € 48,45 is dan ook toewijsbaar. Ook de gevorderde rente van € 1,06 is niet betwist en op grond van de wet toewijsbaar.\n\nDe buitengerechtelijke incassokosten\n\n3.2. De gevorderde incassokosten komen voor vergoeding in aanmerking als is voldaan aan de eisen van artikel 6:96 lid 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Daarin is het bedrag dat voor vergoeding in aanmerking komt beperkt. En ook is daarin vastgelegd dat die vergoeding pas verschuldigd is als de gedaagde partij – [gedaagde] – éérst in de gelegenheid is gesteld om het achterstallige bedrag nog gedurende veertien dagen zonder aanvullende kosten te voldoen en hij die gelegenheid niet heeft benut. In dit geval is aan de wettelijke eisen voldaan. De gevorderde vergoeding van € 40,00 is eveneens toewijsbaar.\n\nDe dagvaardingskosten en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding\n\n3.3. \n [gedaagde] heeft niet betwist dat zij te laat is met het betalen van de nota van de tandarts, waardoor Infomedics [gedaagde] uiteindelijk heeft moeten dagvaarden, met bijkomende kosten tot gevolg. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de dagvaardingskosten van € 120,78 en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding van € 40,00 niet betwist. Die kosten zijn toewijsbaar.\n\nBetaling vóór de rolzitting\n\n3.4. \n [gedaagde] heeft gesteld dat zij op 2 september 2025 – de dag voor de rolzitting op 3 september 2025 – alles heeft betaald. Uit de akte vermindering van eis is op te maken dat de gemachtigde van Infomedics in totaal het bedrag van € 250,21 van [gedaagde] heeft ontvangen. Met dat bedrag heeft [gedaagde] de hoofdsom, de buitengerechtelijke incassokosten, de rente, de dagvaardingskosten en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding (hierna: ‘hoofdsom met bijkomende kosten’) volledig betaald.\n\n3.5. De vorderingen van Infomedics tot betaling van de hoofdsom en bijkomende kosten worden om die reden dan ook afgewezen.\n\nHet griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte blijven voor rekening van Infomedics\n\n3.6. De vraag die resteert is of de rolzitting op 3 september 2025 doorgang had moeten vinden.\n\n3.7. \n [gedaagde] vindt van niet, omdat zij de hoofdsom met bijkomende kosten de dag vóór de rolzitting van 3 september 2025 heeft betaald. Zij wist niet dat zij vijf dagen vóór de rolzitting had moeten betalen. Anders had zij dat wel gedaan. Zij heeft nog contact met Infomedics opgenomen over haar betaling. Echter de gemachtigde van Infomedics gaf aan dat zij de betaling niet meer voor de rolzitting kon nagaan.\n\n3.8. Infomedics vindt van wel. Partijen zijn een betalingsregeling van (minimaal) € 30,00 per maand onder verband van vonnis overeengekomen. Dat betekent dat de rolzitting gewoon doorgang zou vinden. De verwijzing naar de vijf dagen stond in de dagvaarding en had betrekking op de hoofdsom en de bijkomende kosten. Echter, partijen waren een betalingsregeling overeengekomen waardoor het in één keer betalen van de hoofdsom en bijkomende kosten op dat moment niet meer nodig was. Na de rolzitting heeft [gedaagde] contact opgenomen met de gemachtigde van Infomedics, maar zij kon op dat moment de zaak niet meer voor de rolzitting doorhalen. [gedaagde] is daarom het griffierecht (en het salaris gemachtigde voor de akte) verschuldigd.\n\n3.9. De kantonrechter is van oordeel dat Infomedics deze procedure vóór de rolzitting op 3 september 2025 wél had kunnen intrekken. Het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte moeten daarom voor rekening van Infomedics blijven. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.\n\n3.10. Weliswaar heeft [gedaagde] niet vijf dagen vóór de rolzitting aan (de gemachtigde van) Infomedics betaald, maar Infomedics heeft niet betwist dat [gedaagde] op 2 september 2025, dus vóór de rolzitting op 3 september 2025, de hoofdsom en de bijkomende kosten heeft betaald. De rolzitting had dus geen doorgang hoeven hebben en deze procedure had dus ingetrokken kunnen worden, waardoor Infomedics het griffierecht niet had hoeven te betalen en ook geen akte had hoeven te nemen. Dat kennelijk het financiële systeem van de gemachtigde van Infomedics niet zo ingericht is dat een betaling snel getraceerd kan worden, is een omstandigheid die voor rekening en risico van Infomedics blijft. Het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte worden om die reden afgewezen. Dit betekent dat [gedaagde] het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte niet aan Infomedics hoeft te betalen.\n\nDe (resterende) proceskosten worden gecompenseerd\n\n3.11. Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. wijst de vorderingen van Infomedics af, omdat die voor de rolzitting op 3 september 2025 zijn voldaan,\n\n4.2. compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.\n\nHht\u002F37278","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7851","2026-04-15T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:44.491Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1899","ECLI:NL:RBNHO:2025:15617","ecli-nl-rbnho-2025-15617",67,"2025-09-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 11334484 \\ CV EXPL 24-6944\n\nUitspraakdatum: 10 september 2025\n\nVonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\n1. [eiser 1],\n\n2. [eiser 2], beiden wonende te [plaats]\n\neisers\n\nhierna gezamenlijk te noemen: de passagiers\n\ngemachtigde: [gemachtigde] L.L.B.\n\ntegen\n\nde vennootschap naar buitenlands recht\n\nTuristik Hava Tasimacilik Anonim Sirketihandelend onder de naamCorendon Airlines,\n\ngevestigd te Antalya (Turkije)\n\ngedaagde\n\nhierna te noemen: de vervoerder\n\ngemachtigde: mr. B.S. Friedberg\n\nDe zaak in het kort\n\nDe vervoerder voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard. Dit verweer slaagt niet. De passagiers waren er niet van op de hoogte dat de vervoerder hen voor het uitbrengen van de dagvaarding had gecompenseerd. Zij hebben de vervoerder daarom ook nadat hij hen had gecompenseerd meermaals aangeschreven met het verzoek tot compensatie. De vervoerder heeft de passagiers pas na het uitbrengen van de dagvaarding geïnformeerd over de verrichte betaling. De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding:\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- de conclusie van repliek;\n\n- de conclusie van dupliek; - de akte eisers.1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 7 september 2022 moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Antalya (Turkije), met vlucht XC1922 (hierna: de vlucht).2.2.. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.2.3.. De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd. De vervoerder heeft niet uitbetaald.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De passagiers vorderen – na wijziging van eis – dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - de wettelijke rente over € 800,00 vanaf de dag van vertraging van de vlucht, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 120,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, en de nakosten.3.2.. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261\u002F2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening). Nu de vervoerder reeds heeft gecompenseerd, vordert de passagier betaling van de wettelijke rente over de compensatie, rente en kosten.3.3.. De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard, zodat hij niet kan worden gehouden tot betaling van de proceskosten.3.4.. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.4. De beoordeling\n\n4.1.. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.4.2.. De wettelijke rente over de bij dagvaarding gevorderde compensatie is toewijsbaar zoals gevorderd.4.3.. De vervoerder voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard, zodat de passagiers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard ten aanzien van de gevorderde proceskosten. De vervoerder heeft de passagiers op 21 maart 2024 gecompenseerd, waarna zij op 5 september 2024 deze procedure zijn gestart.4.4.. Met de passagiers is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van rauwelijks dagvaarden. Uit de door de passagiers overgelegde stukken volgt dat zij de vervoerder ná 21 maart 2024 meermaals hebben aangeschreven met het verzoek tot betaling van compensatie over te gaan, waaruit naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval volgt dat de passagiers niet op de hoogte waren van de uitbetaling door de vervoerder. Ontvangst van deze aanschrijvingen is door de vervoerder niet betwist. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om na ontvangst van een van deze aanschrijvingen contact op te nemen met (de gemachtigde van) de passagiers, om zo deze gerechtelijke procedure te voorkomen. Omdat hij dit heeft nagelaten, komen de proceskosten in beginsel voor zijn rekening. Hetgeen partijen hebben aangevoerd omtrent het opgegeven referentienummer behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.4.5.. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.4.6.. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.4.7.. De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 120,00, vermeerderd met de wettelijke rente over € 800,00 vanaf 7 september 2022 en over € 120,00 vanaf 5 september 2024 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;5.2.. \n\nveroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:\n\ndagvaarding € 135,97; griffierecht € 218,00; salaris gemachtigde € 270,00;\n\nvermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;\n\n5.3.. veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;5.1.. \n\nwijst het meer of anders gevorderde af.\n\n Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15617","2026-01-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.453Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":51,"updatedAt":72},"376","ECLI:NL:RBAMS:2025:11498","ecli-nl-rbams-2025-11498",56,"2025-04-08T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11303388 \\ CV EXPL 24-11719\n\nVonnis van 8 april 2025\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. J.G. Brands,\n\ntegen\n\n [gedaagde] (H.O.D.N. [bedrijf] ),\n\nte De Kwakel,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. O. Saaliti.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 19 augustus 2024 met producties 1 tot en met 5, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5.\n\n1.2.. Op 12 maart 2025 vond de mondelinge behandeling plaats. [eiser] was aanwezig met haar gemachtigde mr. Brands. Namens [gedaagde] is mr. Saaliti verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en door de griffier zijn aantekeningen gemaakt.\n\n1.3.. Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [eiser] heeft een tweedehands auto gekocht van [gedaagde] . [eiser] stelt (samengevat) dat de auto een schadeverleden heeft en dat zij de auto nooit zou hebben gekocht als zij van het schadeverleden op de hoogte was geweest. [eiser] vordert in deze procedure terugbetaling van de volledige koopsom van € 11.000,00. Ook vordert zij betaling van herstelkosten van € 137,34 en onderzoekskosten van € 695,75, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Tot slot vordert zij de wettelijke rente over voornoemde vorderingen. [gedaagde] voert aan dat hij niet wist dat de auto een schadeverleden had en betwist de ernst van de schade. De vorderingen van [eiser] zullen grotendeels worden toegewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiser] sloot op 24 maart 2024 een koopovereenkomst met [gedaagde] voor de koop van een tweedehands Citroën C3 uit 2021 (hierna: de auto) tegen betaling van € 11.000,00. De kilometerstand bedroeg op dat moment 48.590.\n\n3.2.. \n\nIn artikel IV, tweede gedachtestreepje van de koopovereenkomst tussen partijen is het volgende bepaald:\n\n“De verkoper [...] verleent op verzoek van de koper medewerking aan de inzage in de onderhoudshistorie van de auto.”\n\n3.3.. \n\nIn artikel IV, vijfde gedachtestreepje van de koopovereenkomst tussen partijen, is het volgende bepaald:\n\n“De auto heeft wel\u002Fgeen schade gehad (doorhalen wat niet van toepassing is).”\n\nBij deze bepaling is geen tekst doorgehaald.\n\n3.4.. \n\nAan het slot van artikel IV van de koopovereenkomst staat het volgende:\n\n“Als de auto wel schade heeft gehad, dan wordt hieronder de aard van de schade beschreven en de schaderapport(en) overhandigd.”\n\n [gedaagde] heeft daar het volgende geschreven:\n\n“Auto heeft geen mankementen of storing. Klant heeft auto gezien en gereden.”\n\n3.5.. Op 2 april 2024 liet [eiser] via WhatsApp aan [gedaagde] weten dat zij de onderhoudshistorie van haar auto niet online kon raadplegen en dat zij niet wist dat de auto is geïmporteerd uit het buitenland. Ook vroeg zij om bewijs van de juistheid van de kilometerstand en om het onderhoudsboekje.\n\n3.6.. Eveneens op 2 april 2024 gaf [gedaagde] een reactie op het bericht van [eiser] . Hij schreef – samengevat – dat [eiser] aan het kenteken had kunnen zien dat de auto is geïmporteerd, dat hij nadere informatie over de auto zou opvragen en de informatie zal toesturen. Op 5 april 2024 stuurde [gedaagde] een registratiebewijs van de kilometerstand.\n\n3.7.. Op 23 april 2024 liet [eiser] via WhatsApp aan [gedaagde] weten dat de auto motorproblemen had. Op 24 april 2024 reageerde [gedaagde] dat [eiser] de auto naar ‘Bosch Service’ kon brengen en dat zij de kosten van herstel naar [gedaagde] mocht opsturen.\n\n3.8.. \n [eiser] heeft [gedaagde] bij aangetekende brief van 13 mei 2024 in gebreke gesteld. [eiser] verzocht [gedaagde] om binnen twee weken informatie over de kilometerstand en onderhoudshistorie te verstrekken, alsmede de auto te repareren.\n\n3.9.. \n [gedaagde] heeft per brief van 31 mei 2024 gereageerd op de ingebrekestelling. [gedaagde] verwijst wat betreft de kilometerstand en onderhoudshistorie naar de onderhoudssticker en Citroën-dealer die op de sticker is vermeld. Ten aanzien van de gebreken voerde [gedaagde] aan dat deze reeds verholpen waren.\n\n3.10.. \n\n [eiser] heeft op 17 mei 2024 opdracht gegeven aan DEKRA om de auto te laten onderzoeken naar schades uit het verleden. De conclusie van het rapport luidt – voor zover relevant – als volgt:\n\n“Bij het onderzoek hebben wij vastgesteld dat het voertuig schade heeft opgelopen in het verleden, de schade is matig hersteld zoals hierboven in het rapport is beschreven.\n\nEr zijn diverse onderdelen nog beschadigd en diverse delen zijn met lijm vastgezet, tevens is de katalysator ernstig beschadigd en de passagiersairbag aansluitstekker is verlijmd aan de airbagunit.\n\nDe geconstateerde foutcodes dienen nader onderzocht te worden om de exacte oorzaak hiervan te kunnen vaststellen, hierna dienen de defecten deugdelijk hersteld te worden.”\n\nVerder staat in het rapport: “Bij het onderzoek constateerden wij een afwijkende pasvorm van de volgende voertuigdelen:\n\nDe voorbumper ten opzichte van de linker en rechter koplampunits;\n\nDe sierlijsten op de bumper;\n\nDe dagrijverlichting units;\n\nDe grille is beschadigd;\n\nDe sierlijsten van de linker- en rechter voorscherm zijn beschadigd;\n\nDe mistlampunit en de mistlamp sierlijst aan de rechter voorzijde zijn beschadigd en gelijmd;\n\nDe voorruit is vernieuwd door een niet origineel exemplaar vanaf fabriek;\n\nDe PVC onderplaat ter hoogte van de motor ontbreekt;\n\nDe PVC onderplaat ter hoogte van de radiateur ontbreekt;\n\nDe PVC wielkuip aan de rechter voorzijde is beschadigd.”\n\n3.11.. Bij brief van 27 juni 2024 heeft [eiser] een ontbindingsverklaring gestuurd aan [gedaagde] en aanspraak gemaakt op terugbetaling van de koopsom binnen twee weken na dagtekening van de brief. Aan de ontbindingsverklaring legde [eiser] het ernstige schadeverleden van de auto ten grondslag.\n\n4. De beoordeling\n\nConsumentenkoop\n\n4.1.. Vast staat dat [eiser] de auto als consument heeft aangeschaft en dat sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\nNon-conformiteit en ontbinding van de koopovereenkomst\n\n4.2.. De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of het schadeverleden van de door [eiser] aangeschafte auto recht geeft op terugbetaling van de koopprijs. In dat verband moet worden bezien of [eiser] de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden op 27 juni 2024. Op grond van artikel 7:22 BW kan de koper de koop ontbinden indien de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt. Een auto beantwoordt volgens artikel 7:17 BW niet aan de koopovereenkomst als deze niet de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan de koper de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Een auto die niet aan de overeenkomst beantwoordt, is non-conform.\n\n4.3.. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] haar ten onrechte niet heeft ingelicht over het schadeverleden van de auto en het feit dat het een importauto betreft. Ook verwijt zij [gedaagde] dat hij de onderhoudshistorie niet aan haar heeft verschaft. [eiser] stelt dat zij geen auto behoefde te verwachten met een schadeverleden zoals door DEKRA is vastgesteld. Zo blijkt uit het rapport dat diverse delen met lijm zijn vastgezet, dat de katalysator ernstig beschadigd is en dat de passagiersairbag aansluitstekker is verlijmd aan de airbagunit. [eiser] heeft de auto voor een marktconforme prijs van € 11.000,- gekocht. Als zij had geweten dat de auto een dergelijk schadeverleden kende, dan had zij de auto, mede gelet op de waardedaling, niet gekocht, zo stelt [eiser] .\n\n4.4.. Die laatste stelling wordt door [gedaagde] niet betwist. Ook betoogt [gedaagde] dat indien hij van het schadeverleden had geweten, hij dit had medegedeeld aan [eiser] . Vastgesteld wordt door de kantonrechter dat het schadeverleden van de auto een negatieve invloed heeft op de waarde en verhandelbaarheid van de door [eiser] aangeschafte auto.\n\n4.5.. \n [gedaagde] voert verder aan dat hij niet wist dat de auto een schadeverleden had. [gedaagde] verkocht de auto in opdracht van een derde (een zogenaamde consignatieverkoop) en daarvan was [eiser] volgens [gedaagde] op de hoogte. Verder voert [gedaagde] aan dat de auto weliswaar in het verleden schade heeft opgelopen, maar tijdens de koop volledig functioneerde en dat [eiser] veilig kon deelnemen aan het verkeer. Daarnaast heeft [eiser] vanaf het moment van aankoop tot het moment dat zij de auto liet onderzoeken door DEKRA ongeveer 3.000 kilometer gereden en heeft DEKRA tijdens haar proefrit in het kader van het onderzoek geen afwijkingen geconstateerd.\n\n4.6.. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] op zichzelf terecht aanvoert dat bij de vraag of een tweedehands auto aan de overeenkomst beantwoordt, moet worden betrokken of het gebruik van de auto een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert. Dit betekent echter niet dat een verkeersveilige auto per definitie conform is. Hetgeen [eiser] mocht verwachten op grond van de koopovereenkomst wordt ingekleurd aan de hand van de aard van de zaak en de mededelingen die [gedaagde] in dat verband heeft gedaan. Verder gaat het hier om een consumentenkoop waarbij de consument van een professionele verkoper een dure en technisch complexe zaak koopt. Deze verhouding is onevenwichtig. In het geval een marktconforme prijs wordt betaald mag een consument er op vertrouwen dat de auto voldoet aan de verwachtingen. Dit kan verder gaan dan de vraag of de auto rijdt en geen gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert.\n\n4.7.. Het gaat hier om de aanschaf van een auto met een markconforme prijs. De consument is niet geïnformeerd over het feit dat het hier gaat om een schadeauto waarvan vast staat dat dit de waarde negatief beïnvloedt. Uit de koopovereenkomst volgt dat in het geval van schade hierover gerapporteerd zou worden (zie onder 3.4). Van een dergelijke rapportage is echter niet gebleken, terwijl wel degelijk sprake is van significante schade. Nu vast staat dat het schadeverleden belangrijke informatie betreft en door [gedaagde] op zijn minst is gesuggereerd dat van dergelijke schade geen sprake is, voldoet de auto niet aan hetgeen [eiser] mocht verwachten. Dat [gedaagde] de auto zou hebben verkocht in opdracht van een derde doet aan het voorgaande niets af. Daarbij blijkt uit niets dat [gedaagde] [eiser] voorafgaand aan de koop er van op de hoogte heeft gesteld dat het gaat om een consignatieverkoop.\n\n4.8.. Kortom, gelet op de aard van de zaak en de mededelingen van [gedaagde] ten tijde van de koop, behoefde [eiser] het ernstige schadeverleden niet te verwachten. Daarom wordt vastgesteld dat de auto non-conform is in de zin van artikel 7:17 BW. Overwogen is dat het schadeverleden invloed heeft op de waarde en verhandelbaarheid van de auto. Dit betekent dat herstel of vervanging in de zin van artikel 7:22 lid 2 BW onmogelijk was en [eiser] de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden op 27 juni 2024.\n\nTerugbetaling koopsom met rente\n\n4.9.. \n [eiser] mocht de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden. Het gevolg hiervan is dat [gedaagde] de betaalde koopsom moet terugbetalen en de auto terug moet naar [gedaagde] . [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 11.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf datum dagvaarding, (19 augustus 2024) tot de dag van volledige betaling. Het is aan [gedaagde] om de auto te komen ophalen, dan wel ervoor te kiezen dat [eiser] de auto op kosten van [gedaagde] bezorgt of laat bezorgen.\n\nHerstel- en onderzoekskosten met rente\n\n4.10.. \n\n [eiser] vordert ook vergoeding van schade bestaande uit herstelkosten van\n\n€ 137,34 en onderzoekskosten van € 695,75. De herstelkosten zien niet op het schadeverleden an sich, maar op de motorproblemen waar [eiser] op 23 april 2024 mee kampte (zie punt 3.7.). [gedaagde] heeft aangeboden dit gebrek te (laten) herstellen, zodat [eiser] niet gerechtigd is om het herstel door een derde laten plaatsvinden op kosten van [gedaagde] . Deze vordering zal daarom worden afgewezen.\n\n4.11.. De onderzoekskosten worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Daarom zal de vordering tot vergoeding van de onderzoekskosten van € 695,75 worden toegewezen. De wettelijke rente hierover zal worden toegewezen, te rekenen vanaf datum dagvaarding (zijnde 19 augustus 2024) tot de dag van volledige betaling.\n\nProceskosten\n\n4.12.. \n [gedaagde] wordt (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.Deze kosten komen ten laste van het Rijk. De proceskosten van [eiser] worden zodoende begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n87,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n812,00\n\n(2 punten × € 406,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n135,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.034,00.\n\n4.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.14.. De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de verplichting om aan dit vonnis te voldoen ingaat op het moment dat het is uitgesproken, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 19 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 695,75 aan onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 19 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.034,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n5.4.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11498","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.728Z",20,[75,11],2026]