[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-criminal-procedure-nl-2023":3},{"detail":4,"years":118},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":29,"page":14,"limit":117},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},84,"criminal-procedure-nl","Criminal Procedure","NL","2026-07-08T16:55:34.252Z",2023,[13,15,17,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":16},2,{"month":18,"count":19},3,0,{"month":21,"count":19},4,{"month":23,"count":19},5,{"month":25,"count":19},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":14},8,{"month":31,"count":19},9,{"month":33,"count":19},10,{"month":35,"count":19},11,{"month":37,"count":18},12,[39,53,62,72,81,91,100,107],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"757","ECLI:NL:GHARL:2023:11009","ecli-nl-gharl-2023-11009","",60,"2023-12-29T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-002261-22\n\nUitspraak d.d.: 29 december 2023\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 18 mei 2022 met parketnummer 05-016848-22 in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,\n\nwonende te [woonadres] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 december 2023.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,\n\nmr. L.C. de Lange, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 18 januari 2022 te [pleegplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 371 XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,\n\n- ongeveer 820 gram MDMA-poeder, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,\n\n- ongeveer 20 liter MDMA-olie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en\u002Fof\n\n- ongeveer 25 milliliter 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB),\n\n(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 18 januari 2022 te [pleegplaats] om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan MDMA en\u002Fof één of meer andere soort(en) harddrugs, in elk geval een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, te weten:\n\n- Een drukreactieketel gevuld met MDMA-olie\n\n- twee waterstofcilinders,\n\n- één of meerdere gascilinder beschermkappen,\n\n- één of meerdere waterstofdrukregelaars,\n\n- twee RVS ketels met koelbuis\n\n- een zak BMK glycidezout,\n\n- een tabletteermachine met stempelset met logo van ‘Star Wars Storm Trooper’,\n\n- een centrifuge,\n\n- twee rode gascilinders,\n\n- twee drukregelaars,\n\n- een 25 liter jerrycan gevuld met 12 liter monomethylamine,\n\n- 3 blauwe 20 liter jerrycans gevuld met zwavelzuur (totaal 60 liter),\n\n- 4 blauwe jerrycans van 25 liter gevuld met fosforzuur (totaal 80 liter)\n\n- 16 blauwe jerrycans gevuld met zoutzuur (totaal 320 liter),\n\n- 7 blauwe jerrycans gevuld met methanol (totaal 140 liter),\n\n- 50 blauwe jerrycans gevuld met ethanol (totaal 1000liter),\n\n- 2 witte jerrycans met restanten PMK,\n\n- twee laboratorium glaswerk distillatiebochten,\n\n- diverse zwenkwielen,\n\n- metalen pijpen en koppelstukken,\n\n- een RVS schakelkast,\n\n- een gasdrukregeklaar voor propaangas,\n\n- twee metalen branderbakken met een gasbrander met gasslang en een glazen rondbodemkolf,\n\n- 2 flessen chloor (totaal 10 liter),\n\n- een jerrycan met Coleman Fuel (totaal 5 liter),\n\n- een fles met zoutzuur (totaal 5 liter),\n\n- een (vervuilde) vacuümpomp,\n\n- 20 kilo Caustic Soda,\n\n- 2 blauwe jerrycans met aceton (totaal 40 liter),\n\n- een (vacuüm)distillatie-opstelling bestaande uit twee RVS ketels en een koelbuis,\n\n- 15 kilo cellulose en\u002Fof,\n\n- een ventilatie slakkenhuis gekoppeld aan een koolstoffilter,\n\nwaarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit;\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nDe feiten\n\nA.\n\nOp dinsdag 18 januari 2022 werd een zogeheten “integrale controle” gehouden op meerdere\n\nadressen aan de [adres] te [pleegplaats] . Bij de controle waren een ambtenaar van Bouwtoezicht van de gemeente [pleegplaats] , een medewerker van energiebedrijf Liander, de Ondermijningscoördinator van de gemeente [pleegplaats] en meerdere politiemedewerkers betrokken.\n\nVan de gemeente heeft de politie het verzoek gekregen aan te sluiten bij deze integrale controle. Aanleiding was bij de gemeente binnengekomen “ondermijnende signalen” in genoemde straat.\n\nDe medewerker van Liander was betrokken voor het geval men tegen een hennepkwekerij\n\nof andere vormen van stroomdiefstal aan zouden lopen. De politie was betrokken voor de veiligheid van de ambtenaar van Bouwtoezicht en de politie zou een casus overnemen als er strafbare feiten werden waargenomen. In totaal werden 8 adressen bezocht.\n\nBij het eerste adres was sprake van illegale bewoning. Dat heeft de ambtenaar van\n\nBouwtoezicht afgehandeld. Bij het derde adres werden aangetroffen henneptoppen en hennepresten, een in werking zijnde hennepkwekerij met 4 planten, een ontmantelde\n\nhennepkwekerij en drie op vuurwapen gelijkende wapens. Daarna werden nog ongeveer 4 á 5 adressen bezocht. Hier was niets aan de hand.\n\nAls laatste werd het pand aan de [adres] [huisnummer 1] te [pleegplaats] bezocht, te weten het pand dat bij verdachte in gebruik was. De ambtenaar van Bouwtoezicht belde aan bij de voordeur. Er werd niet op gereageerd. Er stonden twee personenauto’s op het terrein naast de woning. In de woning brandde licht. Waargenomen werd dat er aan de rechterzijde van de woning een nieuwe metalen trap was geplaatst die naar een kelder moest leiden. De ramen van de kelder waren geblindeerd met platen en glaswol. In de achtertuin werd een groot aantal kratten met lege Colaflessen tegen de achtergevel gezien. Daarnaast\n\nwaren er ongeveer 20 kratten bier van het merk Hertog Jan. Aan de achterzijde van de woning, grenzend aan de achtertuin bevond zich een grote loods. Aan de voorzijde van die loods stond een klein voorgebouw wat de uitstraling had van een kantoortje. De ambtenaar van Bouwtoezicht heeft aangeklopt en roepend gevraagd of er iemand aanwezig was. Ook hierop kwam geen reactie. Vervolgens liep men terug naar de achterzijde van de woning.\n\nDe ambtenaar van Bouwtoezicht liep de achtertuin in en liep naar de rechterzijde van het kantoortje. De ambtenaar van Bouwtoezicht trok aan de deurklink, de deur ging open en de ambtenaar wei: “Hé, deze deur is open.”\n\nVervolgens liep de ambtenaar van Bouwtoezicht door de deur het kantoortje binnen. De medewerker van Liander liep achter de ambtenaar aan naar binnen, gevolgd door politiefunctionaris [functionaris] .\n\nDe medewerker van Liander zei dat er allemaal vaten binnen stonden. Een verbalisant [opmerking hof: dit betreft een verbalisant die na [functionaris] naar binnen ging]is er naar toe gelopen en hij zag dat de ruimte een soort van schuur betrof welke zich in dezelfde ruimte bevond als het eerder genoemde kantoortje. Er stonden tientallen blauwe vaten van 20 liter met als inhoud ethanol, aceton in het schuurtje. Een collega-verbalisant heeft hierop contact gezocht met Landelijke Faciliteit Ontmantelen.Gezien het bovenstaande rees het vermoeden dat er zich in de kelder een drugslab kon bevinden. Vervolgens is er met de officier van justitie, contact geweest en deze gaf toestemming om de woning te betreden.Vlak daarna kwam verdachte toevallig aanrijden. Verdachte heeft de huissleutels gegeven en hierop werd de woning binnengetreden.In de kelder trof men pillen en poeder aan.\n\nB.\n\nHet rapport van de toezichthouder van de gemeente [pleegplaats] vermeldt onder meer als volgt:\n\n“Aangekomen bij [adres] [huisnummer 1] (woonhuis) en [huisnummer 2] (bedrijfsgedeelte).\n\nOp basis van mijn bevoegdheid zoals vastgelegd in de Algemene Wet Bestuursrecht\n\nartikel 5:15 -5:19 het terrein opgelopen. Ter beveiliging zijn op de woning nr [huisnummer 1] en op het bedrijfsgebouw nr [huisnummer 2] diverse bolcamera's aangebracht. Op het voorterrein van [adres] [huisnummer 2] staan 2 auto's. Een jaguar ( [kenteken 1] ) en een Ford Ka ( [kenteken 2] ) waarvan de autosleutels nog in het slot zitten. Samen met ondersteuning van de politie heb ik de volgende acties genomen:\n\nAangebeld en geklopt op de entreedeur bij het bedrijfsgebouw [huisnummer 2] : hier volgde geen\n\nreactie. Omdat het hek open staat vanaf het voorterrein van het bedrijfspand richting de\n\nbedrijfswoning loop ik naar de voordeur van de bedrijfswoning en bel enkele keren aan\n\nen klop op de voordeur. Ook hier is geen reactie. Aan de westzijde van de woning is\n\nzichtbaar dat hier recent een buitentrap is gemaakt. Gezien de afwerking van de trap, de\n\ntuin en het kozijn dat in de gevel bij de kelder is gezaagd zijn ze hier nog niet klaar. Via\n\nkieren tussen de deur en het kozijn en de koekoeken is licht zichtbaar. In combinatie met\n\nde sleutels in de auto lijkt het dat er iemand aanwezig zou kunnen zijn. Om het huis heengelopen en aan de achterzijde naar binnengekeken hier was niks te\n\nzien anders dan een paar schoenen waar iemand uit was gestapt om het binnen schoon\n\nte houden. Vanaf het terras zie ik dat het bedrijfspand nr [huisnummer 2] een zijdeur heeft met hier een\n\nbolcamera erboven en loop naar de deur. Ik klop een paar keer op de deur maar krijg\n\ngeen reactie. Ik probeer of de deur open is en deze blijkt open te zijn. Ik zet de deur op\n\neen kier en roep of er iemand aanwezig is. Ook hierop volgt geen reactie. Op basis van\n\nmijn bevoegdheden om elk pand anders dan een woning te mogen betreden loop ik\n\nonder het roepen of dat er iemand aanwezig is naar binnen. En ik zie 2 ruimten. In de\n\neerste ruimte staan grote blauwe (lege) tonnen, voorts zijn korven met installatiemateriaal zichtbaar en een RVS ketel. In de 2e ruimte is een ruimte getimmerd van houten wanden aan de voorzijde van het gebouw hieraan is niks te zien. In de ruimte staan meerdere blauwe kunststof jerrycans met hierop vermeld ethanol, acidity regulator E37 en 2 rvs ketels. Na een informatief belletje van de politie met een specialist wordt aangegeven dat we zo snel mogelijk de ruimte moeten verlaten omdat dit gevaarlijke stoffen zijn. Verder neemt de politie de vervolgactie om het terrein te verzekeren en de LOD te informeren. Deze geeft aan zo spoedig mogelijk ter plaatse te zijn.\n\nToegekende bevoegdheden als handhaver van de gemeente [pleegplaats] \u002FWDW\n\nArtikel 5:15\n\n1. Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur,\n\nelke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de\n\nbewoner.\n\n2 Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.\n\n3 Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn\n\naangewezen.\n\nArtikel 5:16\n\nEen toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.\n\n[…]”\n\nC.\n\nProces-verbaal van bevindingen \u002F controlerapportage\n\n“Ik, toezichthouder [serienummer] , van de werkorganisatie [gemeente 1] [pleegplaats] , als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht op het gebied van: Bouw- en woonrecht, BAG, Wet BRP, natuur en milieuwetgeving, monumentenrecht, ruimtelijk ordeningsrecht, Huisvesting- en leegstandsrecht en omgevingsrecht en alle daaraan gerelateerde wet- en regelgeving, aangewezen als toezichthouder door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [pleegplaats] verklaar het volgende:\n\n [organisatie] staat voor Ondermijningteam [gebied] . Binnen het [organisatie] werken de gemeenten [pleegplaats] , [gemeente 1] , [gemeente 2] , [gemeente 3] , [gemeente 4] en [gemeente 5] samen met ketenpartners zijnde de omgevingsdienst, energiemaatschappijen en politie. Deze samenwerking is gericht op het daadkrachtig, effectief en integraal aanpakken van ondermijning. Door het [organisatie] worden structureel en integraal (bedrijfs-)controles georganiseerd en uitgevoerd. Als toezichthouder neem ik deel aan deze controles.\n\nBedrijfscontrole [adres]\n\nOp dinsdag 18 januari 2022, nam ik, toezichthouder [serienummer] , deel aan een integrale bedrijfscontrole aan de [adres] te [pleegplaats] . In deze straat zijn meerdere panden gecontroleerd op het formeel gebruik van percelen en panden overeenkomstig het bestemmingsplan zoals opgesteld door de gemeente [pleegplaats] .\n\n[…]”\n\nDe gronden van het appel\n\nDe advocaat-generaal heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot bewijsuitsluiting en vrijspraak. Volgens het openbaar ministerie zijn de door de gemeente op basis van “ondermijnende signalen” geïnitieerde integrale controles van meerdere bedrijfspanden op 18 januari 2022 in de [adres] te [pleegplaats] rechtmatig geweest. Er zijn daadwerkelijk meerdere panden onderzocht. Er was op voorhand geen sprake van concrete verdenkingen van strafbare feiten. Van oneigenlijk gebruik van bevoegdheden was geen sprake. Het binnentreden in de bedrijfspanden was gebaseerd op artikel 5.15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat een toezichthouder de bevoegdheid toekent om elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner, zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm. Het derde lid bepaalt dat de toezichthouder bevoegd is zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.\n\nOok voor het onderzoek naar het bedrijfspand van verdachte was er op het moment dat de toezichthouder het niet-afgesloten bedrijfspand betrad, nog geen sprake van een vermoeden van een strafbaar feit. Er was dus ook nog geen sprake van een voorbereidend onderzoek in strafrechtelijke zin.\n\nDe politie was in dit geval mee ter beveiliging van de gemeentelijke toezichthouder en om zo nodig bijstand te kunnen verlenen. Bij de betreding van het bedrijfspand van verdachte is een verbalisant met de toezichthouder mee naar binnen gegaan.\n\nOp zich was daartoe geen bijzondere noodzaak, althans deze is niet geverbaliseerd of anderszins gebleken. De advocaat-generaal acht het “vergezellen” door de politiefunctionaris van de toezichthouder echter niet onrechtmatig, gelet op artikel 5:15 derde lid Awb, dat daarvoor een grondslag bevat.\n\nMocht het hof daar anders over denken, dan meent de advocaat-generaal dat er hoogstens sprake is van een vormverzuim dat in het licht van het arrest van de Hoge Raad d.d.\n\n1 december 2020zonder rechtsgevolg kan blijven.\n\nWat betreft het bewijs voert de advocaat-generaal aan dat verdachte de beschuldigingen feitelijk erkent. De belastende vondsten worden ook niet betwist. De advocaat-generaal concludeert dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen en eist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank juist is, en dat het hof op dezelfde wijze zou moeten beslissen. Er is volgens de verdediging zowel sprake van onrechtmatig overheidsoptreden door de gemeente als van onrechtmatig binnentreden door de politie. Er was van meet af aan sprake van strafrechtelijk optreden omdat men wel wist dat er waarschijnlijk strafbare feiten zouden worden geconstateerd, maar de politie kon nog niet binnentreden. Men heeft bestuurlijk\u002Fbestuursrechtelijk optreden gebruikt voor strafrechtelijke doelen, en daarmee zijn - de burger beschermende - strafvorderlijke voorschriften omzeild. Dit heeft volgens de verdediging een structureel karakter. Deze wijze van optreden is bepalend geweest voor het verdere strafrechtelijke onderzoek. Om dit misbruik in de toekomst te voorkomen dient de sanctie daarop bewijsuitsluiting te zijn als rechtstatelijke waarborg, zoals de rechtbank terecht heeft gedaan. Omdat alle resultaten van het onderzoek in het bedrijfspand en de woning tevens zijn aan te merken als onrechtmatig verkregen en de verboden vruchten daarvan, dienen zij ook om die reden te worden uitgesloten van het bewijs. Het hof dient verdachte dan ook vrij te spreken.\n\nMocht het hof anders oordelen, dan meent de verdediging dat de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte eraan in de weg staan dat hij onvoorwaardelijk de gevangenis in zou moeten. De persoonlijke problemen die hij toen had, zijn onder controle. Verdachte heeft geen strafblad. Verdachte heeft inmiddels een goed lopend bedrijf.\n\nOverwegingen van het hof over de rechtmatigheid van het binnentreden\n\nHet hof overweegt dat uit het door de advocaat-generaal genoemde arrest van de Hoge Raad (zie voetnoot 8) blijkt dat zo nodig ook een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ligt, onder meer omdat van een opsporingsonderzoek nog geen sprake was. Uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 september 2023blijkt voorts dat zo nodig ook een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling door andere personen dan opsporingsambtenaren. Daarvoor is vereist dat (i) de resultaten van een onrechtmatige handeling zijn gebruikt bij het opsporingsonderzoek naar of de vervolging van een verdachte voor ten laste gelegde feiten en (ii) de resultaten door dit gebruik van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of van de vervolging. Als daarvan sprake is, is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan het gebruik van de resultaten van een onrechtmatige handeling en, zo ja, welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van de inbreuk die dit gebruik maakt op de rechten van de verdachte. Bij het bepalen van een rechtsgevolg kan aansluiting worden gezocht bij de in art. 359a tweede lid Sv genoemde factoren, terwijl ook het uitgangspunt van subsidiariteit in acht moet worden genomen. De rechter kan tot het oordeel komen dat de onrechtmatige handeling door de andere persoon dan de opsporingsambtenaar, die van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging, dwingt tot bewijsuitsluiting. Dat is allereerst aan de orde als bewijsuitsluiting noodzakelijk is om de schending van het in art. 6 EVRM bedoelde recht op eerlijk proces te voorkomen. Daarnaast kan bewijsuitsluiting in aanmerking komen als de opsporingsambtenaar direct of indirect betrokken is bij de onrechtmatige handeling door een andere persoon en het gebruik van de resultaten, mede gelet op wijze waarop die zijn verkregen, een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel zou opleveren. Van een zodanige betrokkenheid van een opsporingsambtenaar kan sprake zijn als deze het gedrag van de betreffende persoon heeft geïnitieerd of gefaciliteerd, daaronder mede begrepen dat de opsporingsambtenaar het onrechtmatige gedrag van die persoon welbewust heeft laten begaan en\u002Fof voortduren.\n\nAnders dan de rechtbank en de verdediging is het hof van oordeel dat het optreden van de gemeentelijke autoriteiten rechtmatig was. De toezichthouder heeft zijn bevoegdheden ingezet op de gronden, bevoegdheden en aanleiding zoals door deze zijn omschreven onder de feiten, het onder C. bedoelde proces-verbaal. Het hof ziet geen aanwijzing dat deze weergave niet klopt of dat er heimelijk ongeoorloofde bijbedoelingen waren. Het is een legitiem belang van de gemeente dat bedrijfs- en andere panden overeenkomstig het bestemmingsplan worden gebruikt. Dat de ervaring leert dat er een gerede kans bestaat dat er bij controles van bedrijfspanden regelmatig ook strafbare feiten worden geconstateerd, in het bijzonder de aanwezigheid van hennepkwekerijen met illegale stroomaftap, doet daaraan niet af. De bestrijding van illegale en brandgevaarlijke situaties is immers evengoed een legitiem belang van de gemeente. Het samenwerken daarin met onder andere de politie acht het hof eveneens legitiem, onder meer omdat artikel 5:15 Awb daarin uitdrukkelijk voorziet, mits evenredig.\n\nEr was in dit geval ook geen reden om aan te nemen dat er specifiek jegens verdachte van meet af aan al sprake was van de verdenking van een strafbaar feit ten aanzien van het gebruik van de bedrijfsruimte en woning en dat er aldus reeds sprake was een opsporingsonderzoek jegens verdachte.\n\nOok op het moment dat de toezichthouder de bedrijfsruimte betrad, was er nog geen sprake van een verdenking van een strafbaar feit. De bevindingen tot dan toe op het erf van verdachte gaven daartoe immers geen aanleiding. Evenmin bestond er op dat moment een bijzondere beschermingsbehoefte voor de toezichthouder. Met de verdediging is het hof daarom van oordeel dat er op het moment dat de toezichthouder het bedrijfspand binnentrad, er geen geldige reden bestond dat er tegelijkertijd ook een politiefunctionaris mee naar binnen ging. Artikel 5:15, derde lid, Awb biedt de mogelijkheid dat de toezichthouder zich door iemand laat vergezellen. Artikel 5:13 Awb bepaalt echter dat een toezichthouder slechts van zijn bevoegdheden gebruik maakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Ook uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de toezichthouder geen andere personen dient mee te nemen dan redelijkerwijs voor een goede taakvervulling door de toezichthouder nodig is.Nu niet is geverbaliseerd of anderszins is gebleken dat op het moment van binnentreden door de gemeentelijk toezichthouder de assistentie van de politie – bijvoorbeeld uit het oogpunt van personele veiligheid van die toezichthouder en\u002Fof andere gemeentemedewerkers – gewenst was, moet het ervoor worden gehouden dat de politiefunctionaris op dat moment zonder gegronde reden mee naar binnen is gegaan. Deze constatering is van belang, nu de politie eigen wettelijke bevoegdheden heeft die strafrechtelijk zijn genormeerd en waarmee dus prudent moet worden omgegaan. In zoverre is er sprake van een vormfout. Uit het arrest van de Hoge Raad genoemd in noot 8 kan worden afgeleid dat een rechtsgevolg aan een verzuim als dit op zijn plaats kan zijn indien het vormverzuim of de onrechtmatige handeling vanbepalende invloedis geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en\u002Fof de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. In een dergelijk geval is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg wordt verbonden aan het vormverzuim of de onrechtmatige handeling, en zo ja: welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling.\n\nHet hof oordeelt dat het door de binnentredende politiefunctionaris begane verzuim in deze zaak geen enkele invloedheeft gehad op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging van verdachte. De gemeentelijke toezichthouder is de bedrijfsruimte rechtmatig binnen gegaan en heeft een constatering gedaan die leidde tot het vermoeden van een strafbaar feit. Als de politiefunctionaris niet mee naar binnen was gegaan maar buiten was blijven wachten, was deze slechts enkele momenten later op de hoogte geraakt van de bevinding van de toezichthouder. Het resultaat was hetzelfde geweest. Ook de ernst van het verzuim acht het hof gering. De toezichthouder betrad rechtmatig een niet-afgesloten bedrijfsruimte. De politiefunctionaris die de toezichthouder volgde, is verder niet actief opgetreden en heeft op het moment van en direct na zijn binnentreden zeker geen opsporings- of onderzoekshandelingen verricht. De vaten zijn ook niet als eerste door de betreffende politiefunctionaris opgemerkt. Het verzuim heeft zich vermoedelijk voorgedaan doordat niemand in het team zich op dat moment realiseerde dat men even had moeten afwegen of er een legitieme reden was dat de politie meteen mee naar binnen liep. Dan had die afweging achteraf ter controle kunnen worden geverbaliseerd. Voor de volledigheid merkt het hof nog op dat van enige opzettelijke onrechtmatige sturing door de politie of van het bewust of onbewust schenden van het recht op een eerlijk proces van verdachte niet is gebleken.\n\nHet hof merkt nog op dat hiermee ook het verweer wordt verworpen dat het binnentreden in de woning van verdachte en de vondsten daar eveneens toegerekend moet worden aan het binnengaan van de verbalisant in de bedrijfsruimte.\n\nHet hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om enig gevolg aan het verzuim te verbinden. Volstaan kan worden met de enkele constatering van het verzuim. Om die reden dient het vonnis van de rechtbank te worden vernietigd, nu de rechtbank ten onrechte tot bewijsuitsluiting is overgegaan.\n\nVoorwaardelijk verzoek van de verdediging\n\nHet hof wijst het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het horen van [getuige] , ondermijningscoördinator [gebied] , af omdat het horen van deze getuige, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet van belang is voor enige door het hof op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.\n\nOverwegingen over het bewijs\n\nHet hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nTer nadere onderbouwing van onderstaande bewezenverklaring overweegt het hof het volgende. Verdachte heeft het aantreffen van de verboden middelen en voorwerpen niet betwist.De spullen in de bedrijfshal zouden niet van hem maar van een andere man zijn, wiens naam hij niet wil noemen. Verdachte zou 5.000 euro voor de opslag ontvangen. Verdachte wist dat het om drugs ging.Over de man van wie de drugs en de installaties beweerdelijk zouden zijn, heeft verdachte niets concreets verklaard. Dat een ander mogelijk eigenaar van deze spullen zou zijn geweest, doet echter niet af aan het voorhanden en in opslag hebben door verdachte. Verdachte geeft aan dat de opslagruimte van hem was en dat hij daar ook spullen in opsloeg.Aldus had hij daarover ook de beschikkingsmacht over de tenlastegelegde goederen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. hij op of omstreeks18 januari 2022 te [pleegplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 371 XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,\n\n- ongeveer 820 gram MDMA-poeder, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,\n\n- ongeveer 20 liter MDMA-olie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en\u002Fof\n\n- ongeveer 25 milliliter 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB),\n\n(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeksde periode van 1 november 2021 tot en met 18 januari 2022 te [pleegplaats] om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan MDMA en\u002Fof één of meer andere soort(en) harddrugs, in elk geval een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen,stoffen,gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, te weten:\n\n- Een drukreactieketel gevuld met MDMA-olie,\n\n- twee waterstofcilinders,\n\n- één of meerdere gascilinder beschermkappen,\n\n- één of meerdere waterstofdrukregelaars,\n\n- twee RVS ketels met koelbuis\n\n- een zak BMK glycidezout,\n\n- een tabletteermachine met stempelset met logo van ?Star Wars Storm Trooper?,\n\n- een centrifuge,\n\n- twee rode gascilinders,\n\n- twee drukregelaars,\n\n- een 25 liter jerrycan gevuld met 12 liter monomethylamine,\n\n- 3 blauwe 20 liter jerrycans gevuld met zwavelzuur (totaal 60 liter),\n\n- 4 blauwe jerrycans van 25 liter gevuld met fosforzuur (totaal 80 liter)\n\n- 16 blauwe jerrycans gevuld met zoutzuur (totaal 320 liter),\n\n- 7 blauwe jerrycans gevuld met methanol (totaal 140 liter),\n\n- 50 blauwe jerrycans gevuld met ethanol (totaal 1000liter),\n\n- 2 witte jerrycans met restanten PMK,\n\n- twee laboratorium glaswerk distillatiebochten,\n\n- diverse zwenkwielen,\n\n- metalen pijpen en koppelstukken,\n\n- een RVS schakelkast,\n\n- een gasdrukregeklaar voor propaangas,\n\n- twee metalen branderbakken met een gasbrander met gasslang en een glazen rondbodemkolf,\n\n- 2 flessen chloor (totaal 10 liter),\n\n- een jerrycan met Coleman Fuel (totaal 5 liter),\n\n- een fles met zoutzuur (totaal 5 liter),\n\n- een (vervuilde) vacuümpomp,\n\n- 20 kilo Caustic Soda,\n\n- 2 blauwe jerrycans met aceton (totaal 40 liter),\n\n- een (vacuüm)distillatie-opstelling bestaande uit twee RVS ketels en een koelbuis,\n\n- 15 kilo cellulose en\u002Fof,\n\n- een ventilatie slakkenhuis gekoppeld aan een koolstoffilter,\n\nwaarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nBij verdachte zijn verboden verdovende middelen aangetroffen en materiaal om dergelijke middelen te produceren. Verdachte heeft maar beperkt inzicht gegeven in de achtergrond van de strafbare feiten. Hij heeft enkel verklaard dat hij persoonlijk in financiële nood was komen te verkeren. Nu zou hij blijkens de verklaring van de raadsman weer een goedlopend bedrijf hebben.\n\nUit het uittreksel juridische documentatie d.d. 13 november 2023 blijkt niet van verdere relevante strafbare gedragingen.\n\nHet hof acht de door de advocaat-generaal voorgestelde afdoening in beginsel passend. De illegale productie van verdovende middelen werkt maatschappelijk ontwrichtend door de daarmee gepaard gaande gezondheidsproblemen bij gebruikers, de daarmee veelal samenhangende illegale dump van schadelijk afval en de investering van crimineel geld in de legale economie. De strafmaat moet voldoende zijn om anderen af te schrikken dit gedrag te volgen. Ook verdachte moet ervan worden weerhouden om toe te geven aan de verleiding van crimineel geld. Het hof weet weinig van verdachte. Hij is niet op zitting verschenen en heeft het hof er dus ook niet van kunnen overtuigen dat hij het verkeerde van zijn handelen inziet. Om die redenen is geen andere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Het voorwaardelijk deel dient ertoe verdachte op het rechte pad te houden. Het hof zal de proeftijd op drie jaar stellen, gelet op het feit dat hij niet is verschenen om het hof te overtuigen van zijn betere houding in de toekomst.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nWat betreft de onder verdachte in beslag genomen contante geldbedragen heeft verdachte aangevoerd dat dit geld deels afkomstig was van een klus. Het andere deel had hij altijd voor reserve in huis. Nu verdachte ook een legaal bedrijf had waar hij contant geld mee kon verdienen en er geen concrete aanwijzingen zijn dat het in beslag genomen geld afkomstig was uit enig misdrijf, zal het hof bepalen dat het geld aan verdachte wordt teruggegeven.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van10 (tien) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\ngeldbedragen, groot € 1.200, € 100,00, € 10,00, € 20,00 en € 1.000,00.\n\nWijst af het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [getuige] .\n\nAldus gewezen door\n\nmr. R.G.J. Welbergen, voorzitter,\n\nmr. P.A.H. Lemaire en mr. D.R. Sonneveldt, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier,\n\nen op 29 december 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 29 december 2023.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. P.A.H. Lemaire, voorzitter,\n\nmr. N. Versloot, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of\n\nambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij\n\nhet in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 1 april 2022, genummerd zaaksdossier DECEPTION \u002F ON5R022007 \u002F BVH nummer: PI0600-2022027789, opgemaakt door politie Oost-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren..\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 74 en 75 en proces-verbaal van bevindingen, p. 77 en 78.\n\n Machtiging binnentreden woning d.d. 18 januari 2022 p. 91, proces-verbaal binnentreding woning d.d. 19 januari 2022 p. 93.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 20 januari 2022 p. 74 en 75.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 79 en het proces-verbaal van binnentreden in woning p. 96 en de indicatieve positieve tests p. 108.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [functionaris] d.d. 1 januari 2022 met bijlage, p. 83 t\u002Fm 88.\n\n Proces-verbaal van bevindingen\u002Fcontrolerapportage d.d. 25 januari 2022, p. 90.\n\n ECLI:NL:HR:2020:1889, rechtsoverweging 2.4.4.\n\n ECLI:NL:HR:2023:1159.\n\n Kamerstukken 23700 Nader rapport, par. 8 .6.3: “Wel geldt ingevolge artikel 5.1.3 dat uitsluitend die personen mogen worden meegenomen die redelijkerwijs nodig zijn voor een goede taakvervulling door de toezichthouder. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad is daarop in de memorie van toelichting nog uitdrukkelijk gewezen.”\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 januari 2022, p. 45 en 46.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 50\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 46.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:11009","2024-01-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:46.737Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1170","ECLI:NL:GHDHA:2023:2570","ecli-nl-ghdha-2023-2570",58,"2023-12-20T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-001647-22\n\nParketnummer: 71-148283-21\n\nDatum uitspraak: 20 december 2023\n\nTEGENSPRAAKGerechtshof Den Haag\n\nmeervoudige kamer voor strafzaken\n\nArrest\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,\n\nthans gedetineerd in P.I. Zwolle Zuid 2 te Zwolle.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep. Daarnaast is de maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgelegd.\n\nNamens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) - tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\n zij\n\nop één of meerdere tijdstippen in de periode van 29 september 2013 tot en met 05 juni 2021 in één of meer plaats(en) in Syrië,\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nheeft deelgenomen aan een (terroristische) organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (JaN) (later Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham), althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en\u002Fof heeft\u002Fhebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,\n\nA. het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 1S7 Wetboek van Strafrecht),(te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\nB. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nC. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nD. de samenspanning en\u002Fof opzettelijke voorbereiding van en\u002Fof bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en\u002Fof 289a en\u002Fof96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nE. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en\u002Fof munitie van de categorieën II en\u002Fof III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en\u002Fof lid 5 van de Wet wapens en munitie)\n\n 2.\n\n zij\n\nop één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 05 juni 2021 in één of meer plaats(en) in Nederland en\u002Fof België en\u002Fof Syrië,\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, telkens met het oogmerk om ter voorbereiding en\u002Fof ter bevordering van de\u002Fhet (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):\n\n- het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft,(te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)\n\n- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en\u002Fof\n\n- gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en\u002Fof\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het misdrijf\n\nimmers heeft\u002Fhebben zij, verdachte, en\u002Fof haar mededader(s)\n\nA. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (verder JaN) (later Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham), althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) aan voornoemde organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep(en), althans (een)organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan, eigen gemaakt en\u002Fof\n\nB. zich laten informeren over het afreizen naar en\u002Fof verblijven in het strijdgebied in Syrië en\u002Fof Irak en\u002Fof\n\nC. met [medeverdachte] de reis naar Syrië gemaakt teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een, door een terroristische organisatie (zoals JaN en IS(IS\u002FIL), althans een hieraan gelieerde strijdgroep) gecontroleerd gebied en\u002Fof\n\nD. zich samen met [medeverdachte] gevoegd bij een of meer mededader(s) en\u002Fof JaN en IS(IS\u002FIL) strijder(s), althans (telkens) perso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\n(gedurende enige tijd) in het (strijd)gebied in Syrië verbleven en\u002Fof is zij, verdachte (op Islamitische wijze) een huwelijk aangegaan met [medeverdachte] en\u002Fof\n\neen gezamenlijk huishouden gevoerd met [medeverdachte] die als JaN en IS(IS\u002FIL) strijder (eveneens) deelnam aan een terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en\u002Fof\n\nE. met één of meer mededader(s) in Syrië deelgenomen aan ideologische en\u002Fof (gevechts)trainingen en\u002Fof trainingskampen en\u002Fof opleidingen bij (een) Jihadistische strijdgroep(en) en deelgenomen en\u002Fof bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de (terroristische) organisatie JaN en IS, althans (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\nF. zich (middels internet\u002Fsocial mediakana(al(en)\u002Fmediaplatform(s)) geuit en\u002Fof met (een) ander(en) perso(o)n(en) gechat\u002Fgecommuniceerd en\u002Fof berichten en\u002Fof afbeeldingen geplaatst en\u002Fof gedeeld, met betrekking tot en\u002Fof inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en\u002Fof (pro)IS-gerelateerde content;\n\nG. in Syrië (vuur)wapens gebruikt en\u002Fof gedragen en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof\n\nH. zich gevoegd \u002Faangesloten bij en\u002Fof deelgenomen aan de Khatiba Nusaybah (een vrouwenstrijdgroep\u002F-baltaljon binnen IS) en\u002Fof (daarbij) een of meer andere perso(o)n(en) fysieke training en\u002Fof onderricht gegeven, althans een of meer handelingen verricht voor en\u002Fof ten behoeve van die Khatiba Nusaybah;\n\nin welke gewapende Jihadstrijd moord en\u002Fof doodslag en\u002Fof brandstichting en\u002Fof het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk;\n\nwelke gedragingen en\u002Fof voorwerp(en) en\u002Fof informatie al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het in vereniging en\u002Fof alleen begaan van dat\u002Fdie misdrijf\u002Fmisdrijven.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde onderdeel E zal worden vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde (periode beperkt tot 1 september 2017) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.\n\nMocht het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan vordert de advocaat-generaal daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden overeenkomstig het reclasseringsadvies van 10 november 2023, behoudens de hierna te noemen uitzondering, en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde van het contactverbod vordert de advocaat-generaal deze op te leggen zonder de in het reclasseringsadvies geadviseerde mogelijkheid dat de verdachte met toestemming van de reclassering in contact mag treden met (een van) de bij het contactverbod genoemde personen.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nInleiding\n\nDe verdachte is op 29 september 2013 met haar (latere) echtgenoot [medeverdachte] (hierna ook: [medeverdachte]) uitgereisd naar Syrië. Zij hebben in de jaren erna in Syrië op verschillende plekken verbleven.\n\n[medeverdachte] heeft zich in Syrië aangesloten bij achtereenvolgens Jahbat al Nusra en IS(IL). De verdachte en [medeverdachte] zijn in augustus 2017 gevangengenomen door de SDF. [medeverdachte] is overgebracht naar een gevangenis in Irak en verblijft daar nog steeds. De verdachte heeft geruime tijd verbleven in Koerdische kampen en is in juni 2021 in Nederland aangekomen.\n\nHet hof beoordeelt hierna de vragen of de verdachte heeft deelgenomen aan – kort gezegd - een (of meer) terroristische organisatie(s) en of zij voorbereidingshandelingen tot het plegen van terroristische misdrijven heeft gepleegd.\n\nFeit 1\n\nAan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd – kort gezegd – dat zij, alleen dan wel in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een of meer terroristische organisatie(s), te weten Jabhat al-Nusra en\u002Fof IS.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nDe raadsvrouw heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat dat de verdachte heeft deelgenomen aan de onder 1 tenlastegelegde terroristische organisaties door voor hen een ondersteunende functie te vervullen. Het gedrag van de verdachte tussen 2014 en 2017 levert dan ook geen deelneming aan een terroristische organisatie op, maar hoogstens burgerschap. Voorts verzoekt de verdediging de verdachte vrij te spreken van deelneming tussen 2017 en 2021 omdat de verdachte in die tijd in detentiekampen verbleef.\n\nJuridisch kader\n\nDeelneming aan – kort gezegd - een terroristische organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140a Sr. Alvorens te beoordelen of daarvan in dit geval sprake is, zal hierna kort worden ingegaan op enkele relevante juridische kaders.\n\nTerroristische organisatie\n\nVolgens artikel 140a, eerste lid, Sr moet het gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van de organisatie - een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstelling - moet derhalve zijn gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Sr, mits begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk.\n\nOnder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.\n\nVoor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.\n\nHet gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr dus niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van die misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.\n\nDeelneming\n\nVan deelneming aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.\n\nEen dergelijk aandeel kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid — in de zin van onvoorwaardelijk opzet - weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.\n\nJabhat al-Nusra en IS\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet kwam tegen het regime van president Bashar al-Assad.\n\nIn de loop van 2012 wordt duidelijk dat jihadistische strijdgroepen, met zowel lokale als buitenlandse strijders in hun gelederen, in toenemende mate betrokken zijn geraakt bij de opstand in Syrië.\n\nHet gerechtshof Den Haag heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat Jabhat al-Nusra en IS het oogmerk hadden om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van Jabhat al-Nusra en IS met zich meebrengt het plegen van terroristische misdrijven.\n\nStrijdgroepen als Jabhat al-Nusra en IS bereikten in de tenlastegelegde periode hun doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Zij kunnen aldus worden aangemerkt als organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.\n\nBeoordeling\n\nOp grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de wettige bewijsmiddelen stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.\n\nDe verdachte is zich in 2013 gaan verdiepen in de Islam, onder meer via internet. Tevens sprak zij met anderen in haar omgeving in Gouda. De verdachte leerde de begrippen Jihadisme, Kalifaat en Islamitische staat kennen en nam kennis van de strijd in Syrië en van het feit dat in die periode regelmatig personen uit Nederland naar Syrië uitreisden. De verdachte is de jihadistische ideologie gaan aanhangen en – zo blijkt uit de in die periode verstuurde berichten via Twitter - actief gaan uitdragen. De verdachte is, gelet op haar uitlatingen tegenover de wijkagent, een voorstander geworden van de gewapende strijd in Syrië en zag het als een plicht voor iedere moslim om te strijden voor een kalifaat, een Islamitische staat. Eind augustus 2013 leerde de verdachte via Facebook [medeverdachte] kennen, die ook bezig was met het geloof. Zij kenden beiden mensen die naar Syrië waren vertrokken en besloten dat ook te doen.\n\nDe verdachte is, zoals vermeld, op 29 september 2013 samen met [medeverdachte] via Turkije uitgereisd naar Syrië.\n\nIn Turkije gingen zij van Antalya naar Antakya waar zij door een smokkelaar werden opgehaald die hen in Syrië naar Kafr Hamra bracht, een dorp in de provincie Aleppo. Eenmaal daar aangekomen, heeft [medeverdachte] zich aangesloten bij Jabhat al-Nusra.\n\nIn november 2013 zijn de verdachte en [medeverdachte] naar islamitisch recht getrouwd. Vanaf dat moment voerden zij daar gezamenlijk een huishouden. Diezelfde maand heeft de verdachte via een chatbericht aan haar in Nederland achtergebleven nicht en vriendinnen onder meer bericht dat hijrah (het verlaten van familie en land ten behoeve van de jihad) verplicht is, dat zij dat heeft gedaan, dat zij nu in Syrië is en gelukkig getrouwd met een broeder, dat zij en haar man nu leven onder de sharia, dat er jihad qital (gewapende strijd) is, dat de broeders strijden op het slagveld en dat de jihad er zal zijn tot het einde der tijden. In dit bericht zegt de verdachte dat zij haar vriendinnen hetzelfde gunt als zichzelf, te weten het paradijs, en maant zij hen dat ze niet alleen moeten lezen maar ook moeten praktiseren en gehoorzamen.\n\nIn december 2013 zijn de verdachte en [medeverdachte] verhuisd naar Taftanaz, een stad in de provincie Idlib, waar zij tot april 2014 hebben verbleven. Vanwege een conflict tussen [medeverdachte] en Jabhat al-Nusra verhuisden de verdachte en [medeverdachte] in april 2014 naar Al Bab, waar IS de feitelijke macht had. Zij kregen daar van IS een huis toegewezen. Op 26 mei 2014 is [medeverdachte] lid geworden van IS. Uit een registratieformulier van IS volgt dat hij zich toen als strijder heeft aangemeld en dat hij eerder had meegedaan aan de jihad bij Jabhat al-Nusra. [medeverdachte] was in dienst bij de Shorta (de politie) van IS en ontving een salaris van 100 dollar per maand. De verdachte en [medeverdachte] hadden een vuurwapen in huis, dat op verscheidene plaatsen (niet in een kluis) in huis lag en eigendom was van [medeverdachte], die het gebruikte voor zijn werk voor IS.\n\nVolgens opgave van de verdachte verhuisde het gezin in 2016 naar Aktarin vanwege de onrust en vele bombardementen in Al Bab. Vervolgens zijn ze naar Manbij gegaan en in juni 2016 werd [medeverdachte] door IS overgeplaatst naar Tabqa, gelegen in de provincie Raqqa. Op 22 juni 2016 werd [naam zoon], de oudste zoon van de verdachte en [medeverdachte], geboren. Ook in Tabqa zat [medeverdachte] bij de Shorta.\n\nOp 16 juli 2016 ontving de verdachte een WhatsApp bericht van Oum Ayoub Asariah met de inhoud: “Zuster, je bent geweer bij ons vergeten.”\n\nIn de winter van 2016 ging [medeverdachte] in dienst bij de Hisba, de religieuze politie van IS.\n\nOp 30 november 2016 heeft de verdachte via een spraakbericht aan haar zus onder meer bericht dat ze ervoor heeft gekozen de Jihad bij te staan, dat ze niet ongelukkig is omdat ze weet waarom ze is gekomen, dat het verplicht is, dat ze al zo vaak tegen haar zus heeft gezegd om hiernaartoe (het hof begrijpt: naar Syrië) te komen, dat de verdachte en haar man bereid waren om geld en een smokkelweg te regelen, maar dat haar zus haar telkens heeft genegeerd en dat het in het nadeel van haar zus is als ze daar (het hof begrijpt: in Nederland) blijft. Diezelfde dag heeft de verdachte via een spraakbericht aan haar tante onder meer bericht dat ‘je voelt we helpen de ummah (de moslimgemeenschap)’ en dat zij hoopt dat haar familie zal komen.\n\nOp 14 januari 2017 heeft de verdachte in een groepsapp aan haar familie onder meer bericht dat zij en haar man onderdeel zijn van Dawla Islamia (het hof begrijpt: IS) en dat ze zich nog nooit zo gelukkig heeft gevoeld.\n\nIn maart 2017 vestigde het gezin zich in Raqqa. In Raqqa zette [medeverdachte] zijn werkzaamheden bij de Hisba voort.\n\nMedio 2017 verslechterde de situatie in Raqqa voor IS. De stad werd omsingeld door de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) en op 25 april 2017 ging de SDF Tabqa binnen. Op 10 mei 2017 meldde de SDF de volledige herovering van Tabqa en de Tabqa dam op IS. De verdachte en [medeverdachte] hebben op 29 augustus 2017 Raqqa verlaten en zich overgegeven aan Koerdische troepen van de SDF, waarop zij door deze zijn gevangengenomen.\n\nTussenconclusie ten aanzien van [medeverdachte]\n\n[medeverdachte] heeft in Syrië in de tenlastegelegde periode deelgenomen aan de terroristische organisaties Jabhat al-Nusra en daarna IS. Hij was bij deze organisaties aangesloten en heeft gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van deze organisaties. Bij IS was [medeverdachte] werkzaam bij de politie, en later bij de religieuze politie. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is het hof van oordeel dat [medeverdachte] ook gedragingen heeft verricht ten behoeve van de jihad voor Jabhat al-Nusra; dit leidt het hof af uit het hiervoor genoemde registratieformulier van IS, waaruit volgt dat hij al eerder had meegedaan aan de jihad, en wel bij Jabhat al-Nusra.\n\nDeelneming door de verdachte\n\nHet hof is van oordeel dat ook de verdachte heeft deelgenomen aan deze organisaties, en zal hierna uiteenzetten waarom.\n\nUit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte, terwijl zij kennis had van de jihadistische ideologie en voorstander was van de gewapende jihadstrijd, met die overtuiging samen met [medeverdachte] is afgereisd naar Syrië en zich aldaar samen met hem onder het gezag – en de daaraan verbonden regels van de sharia - heeft gesteld van de terroristische organisaties Jabhat al-Nusra en (vervolgens) IS. De verdachte en [medeverdachte] zijn daar gehuwd en hebben daar een gezamenlijk huishouden gevoerd, terwijl [medeverdachte] actief heeft deelgenomen aan beide organisaties en met zijn verdiensten daaruit de kostwinner was. De verdachte heeft door haar handelen, ingegeven door haar bewuste keuze om – in haar eigen woorden - ‘de jihad bij te staan’, de invloedssfeer van deze organisaties telkens getalsmatig versterkt. Daarnaast heeft de verdachte samen met [medeverdachte] een vuurwapen voorhanden gehad. Dat ook de verdachte over dat wapen kon beschikken valt af te leiden uit het feit dat zij op enig moment erop werd gewezen dat zij het wapen bij iemand had laten liggen. Ten slotte blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte de jihadistische ideologie van deze organisaties actief heeft uitgedragen en dat zij meermalen anderen heeft aangespoord ook naar Syrië te gaan. De verdachte heeft aldus gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van deze organisaties. Dit terwijl uit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte van het terroristische oogmerk van deze organisaties in zijn algemeenheid op de hoogte was. Illustratief hiervoor zijn haar hiervoor weergegeven uitlatingen over de gewapende strijd tegenover de wijkagent, het chatbericht aan nicht en vriendinnen hierover en ook heeft zij ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij tijdens haar verblijf in Syrië op de hoogte was van de onthoofdingen die plaatsvonden. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aan deze terroristische organisaties heeft deelgenomen als bedoeld in artikel 140a Sr.\n\nMedeplegen\n\nHet hof is voorts van oordeel dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat bij het voorgaande sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte], die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering, zodat ook het tenlastegelegde medeplegen bewezen kan worden verklaard.\n\nConclusie feit 1\n\nHet hof is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de verdachte in de periode van 29 september 2013 tot\n\n29 augustus 2017 tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft deelgenomen aan twee organisaties die tot oogmerk hadden het plegen van terroristische misdrijven, te weten Jabhat al-Nusra en IS, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd.\n\nFeit 2\n\nAan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat zij, alleen dan wel in vereniging met een ander of anderen, voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen heeft verricht om misdrijven te plegen als brandstichting, doodslag en\u002Fof moord met een terroristisch oogmerk.\n\nDe raadsvrouw heeft overeenkomstig haar pleitaantekeningen aangevoerd dat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van dit feit. Volgens de raadsvrouw ontbreekt voor het grootste deel van de onder A tot en met H tenlastegelegde gedragingen het bewijs. Voor zover de verdachte deze gedragingen wel heeft verricht, strekten deze volgens de raadsvrouw niet tot het opzettelijk met een (terroristisch) oogmerk voorbereiden of bevorderen van brandstichting, doodslag en moord.\n\nVoorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven\n\nDe in artikel 96, tweede lid, Sr beschreven voorbereidings- en bevorderingshandelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen.\n\nVoorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet. Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen kunnen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid.\n\nBeoordeling\n\nMet de rechtbank en aansluitend op de overwegingen met betrekking tot feit 1 overweegt het hof als volgt.\n\nGelet op de hiervoor reeds weergegeven feitelijke vaststellingen in samenhang met de overige door het hof gehanteerde bewijsmiddelen acht het hof de onder A, B, C, D, F en G opgesomde gedragingen wettig en overtuigend bewezen, zoals aangegeven in de bewezenverklaring.\n\nNaar het oordeel van het hof volgt bovendien uit de bewijsmiddelen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, zodat ook het tenlastegelegde medeplegen bewezen kan worden.\n\nDoor aldus te handelen heeft de verdachte samen met [medeverdachte] zichzelf of anderen gelegenheid, middelen en inlichten verschaft tot het plegen van de in de tenlastelegging onder 2 genoemde terroristische misdrijven en – door het voorhanden hebben van een vuurwapen – een voorwerp voorhanden gehad waarvan zij wist dat deze bestemd was tot het plegen van een dergelijk misdrijf.\n\nUit de combinatie van de onder A, B, C, D, F en G bewezenverklaarde gedragingen in onderlinge samenhang beschouwd, kan tenslotte het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van deze misdrijven worden afgeleid.\n\nHet hof komt dan ook tot het oordeel dat de verdachte zich in de periode van 1 januari 2013 tot 29 augustus 2017 tezamen en in vereniging met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan de bevordering en voorbereiding van terroristische misdrijven.\n\nDaarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.\n\nDeelvrijspraken\n\nPeriode vanaf 29 augustus 2017\n\nVrijwel overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en bepleit door de verdediging zal het hof de verdachte ten aanzien van de onder 1 en 2 tenlastegelegde periode vanaf 29 augustus 2017 vrijspreken, daar de verdachte zich toen heeft overgegeven aan de Koerden (SDF).\n\nHet onder 2 tenlastegelegde onderdeel E\n\nNet als de rechtbank en overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal zal het hof de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde onderdeel E vrijspreken, nu er geen concreet bewijs voorhanden is betreffende deelname van de verdachte aan – kort gezegd – gevechtstrainingen en trainingskampen bij Jihadistische strijdgroepen dan wel deelname aan de gewapende Jihadstrijd.\n\nHet onder 2 tenlastegelegde onderdeel H\n\nDe verdachte wordt onder het onder 2 tenlastegelegde onderdeel H verweten – kort gezegd - dat zij zich heeft gevoegd\u002Faangesloten bij en\u002Fof heeft deelgenomen aan de IS-vrouwenstrijdgroep Khatiba Nusaybah (hierna ook: het Nusaybah bataljon).\n\nDe verdachte heeft betrokkenheid bij dit bataljon steeds ontkend.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet Amerikaanse Federal Bureau of Investigation (FBI) heeft in deze zaak verschillende keren informatie verstrekt aan het Nederlandse opsporingsteam. Dit betreft onder meer informatie over [medeverdachte] in de periode dat hij zich in gevangenschap bevond. In het eerste “informatiepakket” was te lezen dat [medeverdachte] op\n\n26 oktober 2017 tegenover het Amerikaanse Department of Defence (DOD) heeft gesproken over het Nusaybah Bataljon en de rol van de verdachte hierbij. Het tweede “informatiepakket” bevatte een memorandum van de FBI d.d. 25 april 2022 met daarin de vermelding dat [medeverdachte] op 15 februari 2018 door de FBI in Bagdad is ondervraagd en welke informatie hij daarbij heeft verstrekt. Ook hier zou hij hebben gesproken over onder meer (de rol van de verdachte bij) het Nusaybah Bataljon. [medeverdachte] is in de strafzaak tegen de verdachte niet gehoord; het in hoger beroep op verzoek van de verdediging horen van de in Irak gedetineerde [medeverdachte] is niet gelukt.\n\nDe FBI special agent, die op 15 februari 2018 met\n\n[medeverdachte] heeft gesproken, is op 14 november 2023 ter terechtzitting in hoger beroep als getuige gehoord.\n\nHierbij heeft de special agent onder meer verklaard over hetgeen [medeverdachte] tegen hem heeft gezegd over betrokkenheid van de verdachte bij Kathiba Nusaybah.\n\nHet hof stelt vast dat de verklaring van deze getuige in zoverre een verklaring van horen zeggen (de-auditu) is. Voor een de-auditu verklaring geldt in beginsel dat deze betrekkelijke waarde heeft en met uiterste behoedzaamheid dient te worden beschouwd.\n\nIn dit geval vindt de verklaring van de getuige voor wat betreft betrokkenheid van de verdachte bij Kathiba Nusaybah geen steun in enig ander bewijs, dan de hiervoor weergegeven informatie van de FBI. Dit betreft echter niet meer dan een schriftelijke weergave van wat dezelfde FBI-agent en (kennelijk) een medewerker van de DOD\n\n[medeverdachte] heeft horen zeggen. Nader door het Openbaar Ministerie uitgevoerd onderzoek naar deelname door de verdachte aan het Nusaybah bataljon – door onderzoek in de administratie van het bataljon en het horen van een getuige over het bataljon – heeft niets opgeleverd.\n\nBij deze stand van zaken ziet het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor deelname door de verdachte aan het Khatiba Nusaybah bataljon. Het hof zal de verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken.\n\nTen overvloede overweegt het hof nog als volgt.\n\nDe verdediging heeft – kort gezegd - aangevoerd dat het gebruik van de verklaring van [medeverdachte] voor het bewijs in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM, omdat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen en dit onvoldoende compensatie vindt in het horen van de FBI-agent ter terechtzitting. Ook het Openbaar Ministerie heeft het toetsingskader van het EHRM ten aanzien van niet-ondervraagde getuigen ten grondslag gelegd aan zijn (andersluidende) opvatting dat wèl voldoende compensatie is geboden.\n\nHet door de partijen gebezigde toetsingskader geldt echter voor gevallen waarin de verdachte niet een (adequate en behoorlijke) gelegenheid heeft gehad tot het ondervragen van een getuige à charge, die een belastende verklaring heeft afgelegd. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. [medeverdachte] heeft in deze zaak geen verklaring afgelegd. Het gaat hier om de verklaring van de FBI-special agent, en die heeft (ter terechtzitting in hoger beroep) wel een verklaring afgelegd, waarbij de verdediging aanwezig was en vragen heeft kunnen stellen die ook beantwoord zijn.\n\nGelet hierop en uiteraard vanwege de hiervoor weergegeven vrijspraak overwegingen, zal het hof de door de partijen in dit verband naar voren gebrachte standpunten niet nader bespreken.\n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nDe raadsvrouw heeft voorwaardelijk verzocht [medeverdachte] als getuige te horen, indien het hof zijn verklaring(en) bruikbaar acht voor het bewijs.\n\nHet hof bezigt de bedoelde uitlatingen van [medeverdachte] niet voor het bewijs, zodat het verzoek geen nadere bespreking behoeft.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1.\n\n zij\n\nop één of meerdere tijdstippenin de periode van 29 september 2013 tot29 augustus 2017en met 05 juni 2021 in één of meer plaats(en)in Syrië,\n\ntezamen en in vereniging met (een)ander(en), althans alleen,\n\nheeft deelgenomen aan een (terroristische)organisaties, te weten Islamitische Staat (IS), dan welIslamic State of Iraq and Shaam (ISIS) ofIslamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (JaN)(later Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham), althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s)tot oogmerkhad(den) en\u002Fof heeft\u002Fhebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,\n\nA. het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 1S7 Wetboek van Strafrecht),(te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\nB. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nC. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nD. de samenspanning en\u002Fof opzettelijke voorbereiding van en\u002Fof bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en\u002Fof 289a en\u002Fof96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nE. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en\u002Fof munitie van de categorieën II en\u002Fof III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en\u002Fof lid 5 van de Wet wapens en munitie)\n\n 2.\n\n zij\n\nop één of meerdere tijdstippenin de periode van 1 januari 2013 tot29 augustus 2017en met 05 juni 2021 in één of meer plaats(en)in Nederland en\u002Fof België en\u002Fof Syrië,\n\ntezamen en in vereniging met (een)ander(en), althans alleen, telkensmet het oogmerk om ter voorbereiding en\u002Fof ter bevordering van de\u002Fhet (meermalen)te plegen misdrij(f)(ven):\n\n- het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft,(te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)\n\n- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en\u002Fof\n\n- gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en\u002Fof\n\n- eenvoorwerpenvoorhanden heeft gehad waarvan zij wist datzijditbestemdwasrentot het plegen van het misdrijf\n\nimmers heeft\u002Fhebben zij, verdachte, en\u002Fof haar mededader(s)\n\nA. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) ofIslamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (verder JaN)(later Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham), althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) aan voornoemde organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep(en), althans (een)organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan, eigen gemaakt en\u002Fof\n\nB. zich laten informeren over het afreizen naar en\u002Fof verblijven in het strijdgebied in Syrië en\u002Fof Irak en\u002Fof\n\nC. met [medeverdachte] de reis naar Syrië gemaakt teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een, door een terroristische organisatie (zoals JaN en IS(IS\u002FIL), althans een hieraan gelieerde strijdgroep) gecontroleerd gebieden\u002Fof\n\nD. zichsamen met [medeverdachte]gevoegd bij een of meer mededader(s) en\u002Fof JaN en IS(IS\u002FIL) strijder(s), althans (telkens) perso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\n(gedurende enige tijd)in het(strijd)gebied in Syrië verbleven en\u002Fofis zij, verdachte (op Islamitische wijze) een huwelijk aangegaan met [medeverdachte] en\u002Fof\n\nheeft zijeen gezamenlijk huishouden gevoerd met [medeverdachte] dieals JaN en IS(IS\u002FIL) strijder (eveneens)deelnam aan een terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en\u002Fof\n\nE. met één of meer mededader(s) in Syrië deelgenomen aan ideologische en\u002Fof (gevechts)trainingen en\u002Fof trainingskampen en\u002Fof opleidingen bij (een) Jihadistische strijdgroep(en) en deelgenomen en\u002Fof bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de (terroristische) organisatie JaN en IS, althans (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\nF. zich (middels internet\u002Fsocial mediakana(al(en)\u002Fmediaplatform(s)) geuit en\u002Fof met (een) ander(en) perso(o)n(en) gechat\u002Fgecommuniceerd en\u002Fof berichten en\u002Fof afbeeldingen geplaatst en\u002Fof gedeeld, met betrekking tot en\u002Fof inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en\u002Fof (pro)IS-gerelateerde content en;\n\nG. in Syrië een(vuur)wapens gebruikt en\u002Fofgedragen en\u002Fof voorhanden gehaden\u002Fof\n\nH. zich gevoegd \u002Faangesloten bij en\u002Fof deelgenomen aan de Khatiba Nusaybah (een vrouwenstrijdgroep\u002F-baltaljon binnen IS) en\u002Fof (daarbij) een of meer andere perso(o)n(en) fysieke training en\u002Fof onderricht gegeven, althans een of meer handelingen verricht voor en\u002Fof ten behoeve van die Khatiba Nusaybah;\n\nin welke gewapende Jihadstrijd moord en\u002Fof doodslag en\u002Fof brandstichting en\u002Fof het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk;\n\nwelke gedragingen en\u002Fof voorwerp(en)en\u002Fof informatie al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het in vereniging en\u002Fof alleen begaan vandat\u002Fdiemisdrijf\u002Fmisdrijven.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het onder 1 en 2 bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van met het oogmerk om opzettelijk brand stichten en\u002Fof ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft, en\u002Fof moord en\u002Fof doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, zich of anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf verschaffen en\u002Fof een voorwerp voorhanden hebben waarvan zij weet dat het bestemd is tot het plegen van het misdrijf.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte is op 29 september 2013 samen met [medeverdachte], met wie zij in november 2013 is getrouwd, naar Syrië gereisd. In de periode van 29 september 2013 tot 29 augustus 2017 heeft de verdachte samen met [medeverdachte] in Syrië deelgenomen aan achtereenvolgens Jabhat al-Nusra en IS, organisaties die in de bewezenverklaarde periode tot oogmerk hadden het plegen van terroristische misdrijven.\n\nJihadistische groeperingen als de onderhavige hebben zich structureel schuldig gemaakt aan bloedig, angstaanjagend geweld en grove mensenrechtenschendingen in Syrië. Zij hebben vele doden op hun geweten en zijn mede verantwoordelijk voor de verschrikkelijke vernietiging dan wel vernielingen van huizen, landbouw en infrastructuur. Hun terreurdaden hebben een ontwrichtende werking op de samenleving gehad, de sektarische strijd aangewakkerd en bijgedragen aan ondraaglijk lijden en angst van velen. Geterroriseerde inwoners zijn vanwege dit hiervoor beschreven geweld op de vlucht geslagen en hebben alles achter moeten laten.\n\nToen de verdachte naar Syrië reisde, was het kalifaat nog niet uitgeroepen, maar ook in die periode was er al veel bekend over de door IS en Jabhat al-Nusra gepleegde ernstige mensenrechtenschendingen en overige wandaden. De verdachte wist in het algemeen hiervan, maar is niettemin uitgereisd, hetgeen het hof de verdachte uiterst kwalijk neemt. Haar bewuste keuze hiervoor heeft niet alleen voor haar, maar ook voor haar in Syrië geboren kinderen onomkeerbare gevolgen gehad. Zij hebben de eerste jaren van hun leven moeten doorbrengen in oorlogsgebied.\n\nOok heeft de verdachte zich samen met [medeverdachte] in de bewezenverklaarde periode schuldig gemaakt aan voorbereidings- en\u002Fof bevorderingshandelingen gericht op het plegen van onder meer moord en doodslag met een terroristisch oogmerk. Vanwege de inhoudelijke samenhang van dit feit met het hiervoor genoemde feit, legt dit feit voor wat betreft de op te leggen straf geen extra gewicht in de schaal.\n\nTerroristische misdrijven als hier aan de orde dienen op krachtige wijze te worden tegengegaan. Vergelding en algemene preventie moeten bij de keuze van strafsoort en - duur van de op te leggen straf voorop staan.\n\nNaar het oordeel van het hof kan dan ook niet anders gereageerd worden dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.\n\nDe hoogte van de straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gekeken naar de hoogte van straffen in zaken die enigszins vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak.\n\nAls uitgangspunt voor deelneming aan een terroristische organisatie, ongeacht de bewezenverklaarde periode, geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.\n\nDe op te leggen straf zal aanzienlijk lager zijn dan de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Dit komt met name door het gegeven dat het hof – anders dan het Openbaar Ministerie - niet bewezen acht dat de verdachte betrokken is geweest bij de IS-vrouwenstrijdgroep Khatiba Nusaybah.\n\nIn strafmatigende zin zal het hof meewegen dat niet is bewezen dat de verdachte zelf heeft deelgenomen aan de gewapende strijd. Ook neemt het hof als strafmatigende factor in aanmerking dat zij na haar gevangenneming in Syrië tijdelijk in een Koerdische gevangenis en bijna vier jaar in detentiekampen in Syrië heeft verbleven en aldus reeds aanzienlijke negatieve gevolgen van haar handelen heeft ondervonden.\n\nHet hof houdt bij de bepaling van de op te leggen straf geen rekening met de mogelijkheid dat de Nederlandse nationaliteit van de verdachte wordt ingetrokken, nu hier nog geen voornemen toe ligt. Het hof ziet ook geen aanleiding in strafmatigende zin rekening te houden met door de verdediging genoemde gebeurtenissen die de verdachte gedurende haar voorlopige hechtenis in de PI Zwolle heeft meegemaakt, nu deze niet in verband staan met de bewezenverklaarde feiten.\n\nUittreksel Justitiële Documentatie\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d.\n\n31 oktober 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.\n\nRapportages over de persoon van de verdachte\n\nHet hof heeft kennis genomen van de zich in het dossier bevindende adviesrapporten van Reclassering Nederland van 25 april 2022 en 10 november 2023.\n\nIn het reclasseringsadvies van 25 april 2022 is onder meer het volgende vermeld.\n\nDe reclassering heeft zorgen over de leefgebieden ‘overtuiging, opvatting en ideologie’ en ‘sociale context en intentie’. Het risico op algemene en geweldsrecidive wordt ingeschat als laag-gemiddeld. Deze uitkomst is hoofdzakelijk bepaald door het feit dat terugkeer naar het strijdgebied gezien de actuele situatie in Syrië en terreurgroep IS voor de verdachte geen optie is. Zij lijkt haar leven in Syrië te idealiseren en dit ideale beeld niet te willen loslaten. Ook lijkt zij selectief in haar verhaal over haar leven in de Koerdische kampen en vertelt zij opvallend weinig over haar contacten met andere vrouwen.\n\nDaarnaast scoort de verdachte hoog op de items ‘toewijding aan ideologie die geweld rechtvaardigt’. Uit onderzoek is gebleken dat er sprake is van gewelddadig salafistische concepten, standpunten en overtuigingen. Ook keurt zij de democratie af omdat het tegenstrijdig is met de sharia. Regeren met andere wetgeving staat voor de verdachte gelijk aan ongeloof. Dit komt overeen met gewelddadig salafistische opvattingen over democratie en de democratische rechtsorde. Tot slot scoort zij hoog op de items ‘zoeker, gebruiker of ontwikkelaar gewelddadig extremistische informatie, ‘persoonlijk contact met gewelddadig extremisten’ en ‘gevoeligheid voor beïnvloeding, sturing of indoctrinatie’. De reclassering adviseert bij oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf daaraan bijzondere voorwaarden te koppelen, waaronder een contactverbod.\n\nHet reclasseringsadvies van 10 november 2023 houdt, voor zover hier van belang en kort weergegeven, het volgende in.\n\nDe reclassering wijkt niet af van de eerdere inschatting van de risico’s daar de verdachte nog in detentie verblijft en er geen nieuwe ontwikkelingen bij de reclassering bekend zijn die tot een andere inschatting zou kunnen leiden.\n\nTen slotte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het Pro Justitia rapport, triple onderzoek, betreffende de verdachte, opgemaakt door M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog, A.E. Grochowska, psychiater en\n\nJ. Volders, forensisch milieuonderzoeker d.d. 14 december 2021. De rapporteurs komen tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van ernstige sociale en emotionele achterstanden bij de verdachte in de periode voorafgaand aan haar vertrek naar Syrië. De verdachte worstelde weliswaar met identiteitsproblemen en maatschappelijke problemen, maar dat is passend bij die levensfase. Er waren geen ernstige beperkingen op het gebied van het organiseren van het eigen gedrag en inschatten van situaties. Evenmin is er psychiatrische problematiek, ontwikkelings- of persoonlijkheidsproblematiek vastgesteld bij de verdachte. De rapporteurs komen tot de conclusie dat het tenlastegelegde de verdachte kan worden toegerekend.\n\nJeugdstrafrecht - adolescentenstrafrecht\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verzoek gedaan om bij een veroordeling het jeugdstrafrecht toe te passen. Het jeugdstrafrecht biedt meer maatwerk dan het volwassenstrafrecht. De verdachte was 19 jaar oud toen zij naar Syrië afreisde en 23 jaar oud toen zij zich aan de Koerden overgaf. Haar leeftijd valt hiermee precies binnen de reikwijdte van het adolescentenstrafrecht, aldus de raadsvrouw.\n\nHet hof ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat een jongvolwassene, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig was, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De reclassering adviseert in het advies van 25 april 2022 toepassing van het volwassenstrafrecht omdat de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte verder is uitgerijpt, zij moeder is van twee kinderen en al lange tijd gescheiden is van haar ouders. Dit betekent dat de verdachte niet meer zal kunnen profiteren van pedagogische beïnvloeding. Ook het Pro Justitia rapport van 14 december 2021 vermeldt dat er onvoldoende argumenten zijn om tot toepassing van het jeugdstrafrecht te adviseren.\n\nHet hof zal dan ook het volwassenstrafrecht toepassen.\n\nDe op te leggen straf\n\nGezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten is het hof van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nDe ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt zonder meer dat de verdachte een onvoorwaardelijke detentie ondergaat die langer is dan de tijd die zij tot op heden in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nGelet op het advies van de reclassering en op het grote belang van het voorkomen van recidive, zal het hof een aanmerkelijk deel van de op te leggen straf voorwaardelijk opleggen. Met het voorwaardelijk strafdeel wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De proeftijd zal daarom op drie jaren worden vastgesteld.\n\nGelet op de inhoud van de adviesrapporten zal het hof aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals deze zijn geadviseerd in het reclasseringsadvies d.d. 10 november 2023, met uitzondering van het contactverbod. Mede gelet op de te verwachten praktische problemen bij het nakomen en het controleren daarvan, daarbij betrekkende dat een deel van de betreffende personen familieleden van de verdachte zijn en dat van een deel van de personen (genoemd in de lijst in het reclasseringsadvies) relevante persoonsgegevens ontbreken, is het hof de effectiviteit en daarmee de toegevoegde waarde van het geadviseerde contactverbod in dit geval onvoldoende gebleken.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat zij bereid is om zich aan de op te leggen bijzondere voorwaarden te houden.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten het medeplegen van deelname aan terroristische organisaties en het medeplegen van het voorbereiden en\u002Fof bevorderen van terroristische misdrijven.\n\nHet hof slaat verder acht op het radicale gedachtengoed waarmee de verdachte zich heeft ingelaten alsmede op de omstandigheid dat uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies blijkt dat de verdachte hoog scoort op het item ‘toewijding aan ideologie die geweld rechtvaardigt’. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat uit het duidingsonderzoek is gebleken dat de verdachte zaken vanuit een gewelddadig salafistisch perspectief benadert. Zo verwerpt zij de democratie; regeren met andere wetten dan de wetten van Allah staat voor de verdachte gelijk aan ongeloof. Gelet ten slotte op het feit dat terroristische misdrijven een zeer groot risico op letselschade met zich meebrengen, is het hof – alles tezamen genomen - van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen.\n\nDaarom zal het hof bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van dat artikel uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nConclusie\n\nHet hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 96, 140a, 157, 176a, 176b, 288a, en 289a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van4 (vier) jaren.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot\n\n1 (één) jaar,niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt\n\nof de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn\u002Fhaar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken\n\nof geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde dient op een constructieve wijze mee te werken aan gesprekken en openheid van zaken te geven over de door de reclassering bepaalde gespreksonderwerpen.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden op de internationale luchthavens Schiphol, Rotterdam-The Hague Airport, Eelde, Eindhoven en Maastricht, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De veroordeelde dient tevens op twee (2) kilometer afstand van de landsgrenzen te blijven en gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering. De veroordeelde werkt mee aan elektronische controle op dit locatieverbod.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen verplicht aanwezig is op het verblijfadres dat aangewezen wordt door de gemeente Gouda, zolang het Openbaar Ministerie dat nodig vindt. De veroordeelde werkt mee aan elektronische controle op dit locatiegebod. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verplicht is mee te werken aan de gedragsinterventie SOLO Inclusion, een individuele training gegeven door de reclassering, gericht op denkpatronen en -vaardigheden en het uittreden uit een extremistisch netwerk, als en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd haar medewerking dient te verlenen aan gesprekken met een door de reclassering aan te wijzen externe theologisch deskundige.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde haar medewerking verleent aan een traject gericht op het verkrijgen en het behouden van een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nBeveelt dat bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaarzijn.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.A.J. van de Kar,\n\nmr. D.M. Thierry en mr. L.C. van Walree, in bijzijn van de griffiers mr. M.J.J. van den Broek en mr. M.T. Huynh.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 december 2023.\n\nVoor de leesbaarheid van het arrest zal het hof de tenlastegelegde organisaties Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) aanduiden met IS.\n\nZie o.a. Gerechtshof Den Haag 3 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1242; Gerechtshof Den Haag 25 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1248; Gerechtshof Den Haag 6 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3879; Gerechtshof Den Haag 18 december 2020. ECLI:NL:GHDHA:2020:2492; Gerechtshof Den Haag 6 oktober 2017, ECLI:GHDHA:2017:2855; Gerechtshof Den Haag 26 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:102.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2023:2570","2026-07-13T00:29:07.941Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"1754","ECLI:NL:RBAMS:2023:7980","ecli-nl-rbams-2023-7980",56,"2023-12-08T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F104210-23\n\nDatum uitspraak: 8 december 2023\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,\n\nvolgens de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres:\n\n [adres 1] , [woonplaats] ,\n\nthans gedetineerd te: [detentieadres] .\n\n1. Onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 november 2023.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Hoekstra, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.H.B. Budde, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam [slachtoffer] , door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het afsluiten van de woning en\u002Fof het op slot doen van de deur van de woning gelegen aan [adres 2] en\u002Fof het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer] en\u002Fof het (zonder toestemming) betasten van die [slachtoffer] , (die [slachtoffer] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten\n\n- het tongzoenen, althans zoenen op de mond van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het zoenen in de nek en\u002Fof het zoenen van de borsten, althans het zoenen van het lichaam van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het oraal binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het met zijn vingers binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] ;\n\n(art 242 Wetboek van Strafrecht)\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam, [slachtoffer] , door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het afsluiten van de woning en\u002Fof het op slot doen van de deur van de woning gelegen aan [adres 2] en\u002Fof het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer] en\u002Fof het (zonder toestemming) betasten van die [slachtoffer] , (die [slachtoffer] ) heeft gedwongen tot het plegen en\u002Fof dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten\n\n- het tongzoenen, althans zoenen op de mond van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het zoenen in de nek en\u002Fof het zoenen van de borsten, althans het zoenen van het lichaam van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het oraal binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het met zijn vingers binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] ;\n\n(art 246 Wetboek van Strafrecht)\n\n2. hij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door, (na binnenkomst in de woning gelegen aan [adres 2] ) die woning (gelegen aan [adres 2] ) af te sluiten en\u002Fof de deur van die woning op slot te doen en\u002Fof (daarna) de sleutel van de (buiten)deur weg te halen;\n\n(art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n3. hij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar een pil met amfetamine toe te dienen, althans door haar te dwingen een pil met amfetamine, zijnde een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, in te nemen en\u002Fof te controleren of die [slachtoffer] de pil daadwerkelijk had doorgeslikt;\n\n(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam, een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en\u002Fof door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, (die [slachtoffer] ) wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en\u002Fof te dulden, te weten de inname van amfetamine, althans de inname van een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, door haar een pil met (deze) amfetamine toe te dienen, althans door haar te dwingen een pil met amfetamine, zijnde een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, in te nemen en\u002Fof te controleren of die [slachtoffer] de pil daadwerkelijk had doorgeslikt.\n\n(art 284 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 2 en 3 primair. De feiten kunnen worden bewezen op grond van de verklaring van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), die wordt ondersteund door het whatsappgesprek tussen [slachtoffer] en verdachte en de verklaringen van getuigen die kort na het feit contact met [slachtoffer] hebben gehad en beschrijven dat zij zeer geëmotioneerd was. Verdachte heeft daarnaast verklaard de deur op slot te hebben gedaan. Bij de rechter-commissaris volgens hem om te voorkomen dat vreemden binnenkomen. Nog daargelaten dat een deur van buitenaf niet geopend kan worden zonder sleutel, verklaart hij ter zitting weer anders over de reden om de deur op slot te doen. Verder is er een NFI rapport waaruit blijkt dat er in [slachtoffer] bloed amfetamine is aangetroffen.\n\n3.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1, 2 en 3 primair.\n\nVoor feit 1 is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De seks heeft op vrijwillige basis plaatsgevonden. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat de ten laste gelegde feitelijkheden ervoor hebben gezorgd dat [slachtoffer] is gedwongen tot de seksuele handelingen. Opzet daarop ontbreekt. Voor seksueel binnendringen is eveneens onvoldoende wettig bewijs, nu dit slechts volgt uit de verklaring van [slachtoffer] . Uit onderzoek van de NFI volgt juist dat geen DNA van verdachte is aangetroffen op de binnenste en buitenste schaamlippen en ook niet diep vaginaal. Over feit 2 is aangevoerd dat verdachte dit feit ontkent en in ieder geval geen opzet heeft gehad op wederrechtelijke vrijheidsberoving. Over feit 3 is primair aangevoerd dat [slachtoffer] daar wisselend over heeft verklaard. Op het cruciale punt, de dwang, spreekt zij zichzelf tegen. Subsidiair is ten aanzien van dit feit aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van mishandeling, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van pijn of letsel; ten aanzien van de ten laste gelegde dwang heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. Oordeel over feit 1\n\nZedenzaken kenmerken zich over het algemeen door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: de verdachte en degene bij wie de verdachte strafbare seksuele handelingen zou hebben gepleegd. Het is dan ook vaak het woord van de een tegen het woord van de ander. Indien de verdachte ontkent, is er meestal maar één getuige van de seksuele handelingen, namelijk degene bij wie de feiten zouden zijn gepleegd.\n\nIn deze zaak verklaren zowel verdachte als [slachtoffer] dat zij hadden afgesproken en dat [slachtoffer] daarvoor naar Amsterdam was afgereisd. Nadat verdachte haar bij metrostation [metrostation] had opgehaald, zijn zij naar zijn woning gegaan. Verdachte en [slachtoffer] verklaren beiden dat daar seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Volgens verdachte vond dit plaats met wederzijdse instemming; volgens [slachtoffer] is dit tegen haar wil gebeurd.\n\nBewijsminimum in zedenzaken\n\nArtikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt in dat de rechter niet uitsluitend op de verklaring van één getuige kan aannemen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Niet vereist is echter dat het bedoelde steunbewijs betrekking heeft op alle onderdelen van de tenlastelegging. Ten aanzien van de ten laste gelegde gedragingen geldt dat de feiten en omstandigheden die in een getuigenverklaring (aangifte) worden genoemd, ook voldoende steun kunnen vinden in het overige bewijsmateriaal als dat geen betrekking heeft op de ten laste gelegde gedragingen. Er mag evenwel geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband tussen de verklaring en dat overige bewijsmateriaal. Het vereiste van voldoende steun wordt wel omschreven als een eis van inhoudelijk verband die er vooral toe strekt dat de rechter in het concrete geval feiten en omstandigheden benoemt die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de getuige.\n\nBeoordeling van feit 1\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] kort na het ten laste gelegde driemaal een verklaring heeft afgelegd. [slachtoffer] heeft meteen na het ten laste gelegde contact gezocht met haar begeleiders en is met de trein van Amsterdam naar [plaats] gereisd. Als zij die nacht in [plaats] uit de trein stapt, wordt zij benaderd door de politie en haar begeleider bij [psychologisch en pedagogisch adviesbureau] , [persoon 1] . [slachtoffer] verklaart ter plaatse dat zij via datingapp [datingapp] had afgesproken met een man genaamd [voornaam verdachte] om wat in Amsterdam te gaan drinken. Zij hadden afgesproken bij metrohalte [metrostation] , waar [voornaam verdachte] haar heeft opgehaald. [slachtoffer] is met [voornaam verdachte] meegegaan naar zijn woning. Daar heeft hij de deur van zijn woning op slot gedraaid en haar gezoend en betast. Dit wilde zij niet.\n\nKort daarna is [slachtoffer] telefonisch in contact gebracht met de zedenpolitie. Tijdens dit gesprek heeft zij verklaard dat zij op 8 juli 2022 is uit gestapt bij halte [metrostation] . Zij is met [voornaam verdachte] meegegaan naar zijn woning aan [adres 2] in Amsterdam. [voornaam verdachte] deed de deur van de woning op slot. Hij heeft de kleding van [slachtoffer] uitgetrokken. [slachtoffer] verklaart dat zij heeft gezegd dat zij dit niet wilde en wilde weggaan. [voornaam verdachte] lag bovenop [slachtoffer] . Hij heeft een pilletje in haar mond gestopt en daarna gevraagd of zij haar mond wilde openen, om te controleren of zij haar pil had doorgeslikt. [voornaam verdachte] heeft haar ook overal op haar lichaam aangeraakt. Ook heeft hij haar borsten gekust, bij de vagina gevoeld en zijn vingers naar binnen gebracht. Dit wilde zij niet.\n\nDiezelfde nacht heeft een informatief gesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft [slachtoffer] verklaard dat zij op 8 juli 2022 in Amsterdam had afgesproken met [voornaam verdachte] om wat te gaan drinken en daarna naar een nachtclub te gaan. Zij is afgereisd naar Amsterdam en kwam rond 21.45 uur aan. [voornaam verdachte] stelde voor om naar zijn woning te gaan. Dit voelde niet goed, maar zij is toch meegelopen. [voornaam verdachte] woont op het adres [adres 2] in Amsterdam. Eenmaal in de woning aangekomen, deed hij de deur meteen op slot. In eerste instantie liet hij de sleutel in de deur zitten, maar later zag [slachtoffer] dat de sleutels er niet meer in zaten. [voornaam verdachte] heeft de kleding van [slachtoffer] uitgetrokken en begon haar op een gegeven moment te zoenen. [slachtoffer] wilde dit niet en bevroor. Vervolgens heeft hij haar kleding uitgedaan en haar op allerlei plekken aangeraakt. Verder heeft hij haar in haar nek, op haar mond en op haar borsten gezoend. Ook heeft hij haar gebeft en gevingerd, waarbij hij met zijn vingers in haar vagina is gegaan. [slachtoffer] heeft verder verklaard dat zij een pilletje moest innemen terwijl zij dit niet wilde. [voornaam verdachte] heeft vervolgens gecontroleerd of zij het pilletje had doorgeslikt. [slachtoffer] heeft ook verklaard dat zij tegen [voornaam verdachte] heeft gezegd dat zij weg wilde; daarop zei hij dat zij moest blijven en dat ze over een halfuur zouden gaan. Uiteindelijk heeft [slachtoffer] voorgesteld om een rondje te lopen. Toen ze eenmaal buiten waren is zij weggerend, waarna zij een begeleider bij [psychologisch en pedagogisch adviesbureau] , [persoon 2] , heeft gebeld.\n\nDe begeleider van [slachtoffer] , [persoon 2] , is later door de politie gehoord als getuige. Zij heeft verklaard dat zij de betreffende avond werd gebeld door [slachtoffer] en direct hoorde dat zij in paniek was. [slachtoffer] vertelde dat ze in Amsterdam had afgesproken met een jongen die ze kende via datingapp [datingapp] , dat de jongen haar had opgesloten en aangeraakt en dat ze iets, vermoedelijk een pil, tegen haar wil had ingenomen. Tijdens het telefoongesprek met getuige [persoon 2] huilde [slachtoffer] en was ze aan het hyperventileren.\n\n [slachtoffer] is kort na het ten laste gelegde opgehaald op Centraal station [plaats] door een andere begeleider, [persoon 1] . Ook [persoon 1] is later de politie gehoord als getuige. [persoon 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] paniekerig was toen zij op het station aankwam en aan het hyperventileren was. Ook die nacht en nog lang daarna is [slachtoffer] paniekerig geweest. [persoon 1] heeft verklaard dat zij van [slachtoffer] heeft gehoord dat zij een date had en dat de jongen – eenmaal in de woning aangekomen – de deur op slot heeft gedaan, haar wilde aanraken en dingen wilde doen die [slachtoffer] niet wilde. De jongen is in ieder geval met zijn handen bij de vagina van [slachtoffer] geweest. Daarnaast heeft [slachtoffer] verklaard dat de jongen iets in haar drinken heeft gedaan en dat zij dit moest opdrinken. Dit was ‘een hele pil van iets’. [slachtoffer] wilde dit niet, maar heeft dit uiteindelijk wel gedaan.\n\nOp 9 juli 2022 wordt bloed afgenomen bij [slachtoffer] . Het bloed wordt onderzocht en daaruit volgt dat de aanwezigheid van amfetamine is aangetoond.\n\nTussen [slachtoffer] en verdachte zijn via Whatsapp berichten uitgewisseld. [slachtoffer] heeft deze berichten beschikbaar gesteld aan de politie. Uit de berichten die zijn uitgewisseld volgt dat verdachte voorstelt om af te spreken bij metrohalte [metrostation] in Amsterdam. [slachtoffer] vraagt vervolgens meermalen of het mogelijk is om in [plaats] af te spreken. De eerste keer antwoordt verdachte dat dit niet kan, maar dat hij een leuke plek in Amsterdam kent waar zij kunnen afspreken in de buurt van metrohalte [metrostation] . Verdachte vraagt vervolgens aan [slachtoffer] of zij al weet welke jurk ze zal aantrekken en dat ze bonuspunten krijgt als zij een rok of jurk aantrekt. Als [slachtoffer] vervolgens vraagt of het goed is als zij alleen wat gaan drinken in een café, antwoordt verdachte bevestigend. Kennelijk na afloop van de date vraagt verdachte aan [slachtoffer] of zij zijn nummer kan verwijderen uit haar contactenlijst. Ook vraagt hij haar het Whatsapp gesprek te verwijderen.\n\nVerdachte heeft op zitting verklaard dat, toen hij met [slachtoffer] in de woning was, het gesprek aanvankelijk niet soepel verliep. Hij heeft een naar zijn zeggen ‘goedlopend techniekje’ ontwikkeld dat hij vervolgens heeft toegepast. Hij heeft de hand van [slachtoffer] vastgepakt en daarna hebben zij even gepraat. Op een gegeven moment heeft [slachtoffer] haar kleding uitgetrokken. Volgens verdachte was [slachtoffer] erg geïnteresseerd in hem en is zij ingegaan op zijn voorstel om naar de slaapkamer te gaan; zij gaf hem een ‘ja’-signaal. Tegelijkertijd heeft verdachte verklaard dat hij in de woonkamer wilde blijven om nog even te praten. Over het dwingen tot het innemen van een pil heeft verdachte verklaard dat hij zijn medicatie innam en dat [slachtoffer] hem op dat moment ook om een pil vroeg. Verdachte ontkent haar te hebben gedwongen een pil in te nemen. Over het afsluiten van zijn deur verklaart hij wisselend. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte hierover verklaard dat hij niet wil dat vreemden bij hem kunnen binnenkomen. Op zitting heeft verdachte echter verklaard dat hij uit gewoonte zijn sleutels in het slot laat, zodat hij ze niet kwijtraakt. Daarnaast verklaart hij dat hij de deur nooit afsluit als hij met iemand in huis is en dat dat ook nu het geval was. Op de vraag waarom de sleutels zich volgens [slachtoffer] in tweede instantie niet meer in de deur bevonden antwoordt verdachte eerst dat hij dit niet weet en vervolgens dat de sleutels dan in zijn zak moeten hebben gezeten.\n\nOp basis van het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt. De verklaringen van [slachtoffer] zijn direct afgelegd en consistent en vinden ondersteuning in andere bewijsmiddelen. De begeleiders van [slachtoffer] hebben haar kort na het ten laste gelegde aan de telefoon gesproken en gezien. Zij verklaren beiden dat [slachtoffer] in paniek was en hyperventileerde. Ook heeft bloedonderzoek uitgewezen dat in haar bloed amfetamine is aangetroffen. Deze omstandigheden sluiten aan op wat [slachtoffer] heeft verklaard over het ten laste gelegde. Daartegenover heeft verdachte een warrige en wisselende verklaring afgelegd. Zijn verklaring vindt geen steun in het overige bewijs. De rechtbank gaat daarom uit van de verklaring die [slachtoffer] over de situatie heeft afgelegd.\n\nGelet op de gehele gang van zaken, zoals hiervoor is omschreven, is de rechtbank van oordeel dat het kennelijk de bedoeling van verdachte is geweest om af te spreken zodat hij seks kon hebben met [slachtoffer] . Uit de berichten die voorafgaand aan de afspraak zijn uitgewisseld maakt de rechtbank op dat het de bedoeling van verdachte is geweest [slachtoffer] naar zijn woning te krijgen. Verdachte persisteerde bij het afspreken bij metrohalte [metrostation] en stuurde haar berichten over de kleding die zij zou aantrekken naar de date. Ook stuurde hij tweemaal het bericht “I know an awesome place you're going to love”. Op zitting heeft verdachte verklaard dat dit een standaardzin is die hij stuurde en dat deawesome placezijn huis was. In de woning heeft hij een gesprekstechniek toegepast naar eigen zeggen opgedaan door begeleiding van date- en\u002Fof sekscoaches. Anders dan verdachte hierover heeft verklaard ziet de rechtbank dit niet als een middel om vriendschap te sluiten, maar als middel om tot seks te komen.\n\nDoor na de aankomst in zijn woning de deur op slot te doen, de kleding van [slachtoffer] uit te trekken en haar daarna te betasten heeft verdachte haar gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen die daarna hebben plaatsgevonden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij bevroor en heeft aangegeven dat zij het niet wilde en dat verdachte toch doorging. Uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat verdachte haar heeft gezoend, in de nek en op de borsten. Ook heeft hij haar gebeft en is hij met zijn vingers in haar vagina geweest. Deze laatste handelingen vallen onder seksueel binnendringen.\n\nGelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verkrachting.\n\n3.3.2. Oordeel over feit 2\n\nDe rechtbank heeft hierboven al overwogen dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over het afsluiten van zijn woning. Daarnaast is onder de bespreking van feit 1 overwogen dat de rechtbank uitgaat van de verklaring van [slachtoffer] en dat haar verklaring wordt ondersteund door ander bewijs. [slachtoffer] heeft drie verklaringen afgelegd over het ten laste gelegde. Daarin heeft zij telkens verklaard dat [voornaam verdachte] de deur van zijn woning op slot heeft gedaan. [slachtoffer] heeft bovendien verklaard dat zij [voornaam verdachte] heeft gezegd dat zij weg wilde gaan, waarop hij antwoordde dat zij over een halfuur zouden vertrekken. Dit laatste sluit aan op de verklaring die verdachte bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Door op deze manier te handelen heeft verdachte willens en wetens de kans aanvaard dat hij daarmee [slachtoffer] weerhield van weggaan en zich dus schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Met andere woorden: er is sprake van voorwaardelijk opzet.\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving en beroofd houden van [slachtoffer] .\n\n3.3.3. Oordeel over feit 3\n\n [slachtoffer] heeft drie verklaringen afgelegd over het ten laste gelegde. Daarin heeft zij telkens verklaard dat zij van verdachte een pil moest innemen. Ook heeft zij verklaard dat hij daarna heeft gecontroleerd of zij de pil daadwerkelijk had ingeslikt. Het bloed van [slachtoffer] is onderzocht en daaruit volgt dat de aanwezigheid van amfetamine is aangetoond. Daarmee wordt haar verklaring ondersteund.\n\nDe vraag is of dit een strafbaar feit oplevert en zo ja, als welk strafbaar feit dit kan worden gekwalificeerd.\n\nPrimair is dit ten laste gelegd als mishandeling. Voor mishandeling is vereist dat sprake is van pijn en\u002Fof letsel. Uit het dossier volgt niet dat [slachtoffer] pijn of letsel heeft ondervonden als gevolg van het innemen van de pil. Zij heeft juist verklaard dat zij hierna geen effect opmerkte. De rechtbank is van oordeel dat daarom niet kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.\n\nSubsidiair is dit ten laste gelegd als dwang. De rechtbank overweegt dat in de gegeven omstandigheden de bovengenoemde handelingen hebben veroorzaakt dat [slachtoffer] de pil heeft ingenomen. Daarmee is sprake geweest van dwang. Het subsidiair ten laste gelegde kan daarmee worden bewezen.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage I opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:\n\nten aanzien van feit 1 primair:\n\nop 8 juli 2022 te Amsterdam [slachtoffer] , door een andere feitelijkheid, te weten het op slot doen van de deur van de woning gelegen aan [adres 2] en het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer] en het (zonder toestemming) betasten van die [slachtoffer] , die [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten\n\n- het zoenen op de mond van die [slachtoffer] en\n\n- het zoenen in de nek en het zoenen van de borsten van die [slachtoffer] en\n\n- het oraal binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] en\n\n- het met zijn vingers binnendringen van de vagina van die [slachtoffer];\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 8 juli 2022 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door na binnenkomst in de woning gelegen aan [adres 2] de deur van die woning op slot te doen en daarna de sleutel van de deur weg te halen;\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair:\n\nop 8 juli 2022 te Amsterdam een ander, te weten [slachtoffer] , door enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, die [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten een pil met amfetamine, zijnde een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, in te nemen en te controleren of die [slachtoffer] de pil daadwerkelijk had doorgeslikt.\n\n5. Strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n6. Strafbaarheid van verdachte\n\n6.1. Advies van de deskundigen\n\nDe deskundigen B. Fokkink, arts in opleiding tot specialist (psychiatrie), heeft onder supervisie van psychiater S.C.J. Frehe, verdachte onderzocht. Dit geldt eveneens voor R.A. Sterk, psycholoog. Naar aanleiding daarvan hebben beide deskundigen een rapport uitgebracht.\n\nSamenvattend komen de deskundigen tot de conclusie dat verdachte lijdt aan schizofrenie, een autismespectrumstoornis en misbruik van dexamfetamine. Daarnaast wordt in het psychiatrisch rapport een alcoholstoornis vastgesteld. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het bewezen verklaarde.\n\nHet gedrag van verdachte werd ten tijde van het bewezen verklaarde rechtstreeks en vrijwel volledig bepaald door de beperkingen voortkomend uit de vastgestelde stoornissen. Daarvan kan worden gesteld dat er in ieder geval sprake is van een zeer significant doorwerken en waarschijnlijk een volledige doorwerking in het bewezen verklaarde. Als gevolg van de geconstateerde problematiek lijkt verdachte in het geheel niet in staat geweest om zijn wil in vrijheid te kunnen bepalen. Geadviseerd wordt om het bewezen verklaarde in het geheel niet toe te rekenen.\n\n6.2. Standpunten\n\nDe officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt dat het bewezen verklaarde, in overeenstemming met de over hem uitgebrachte rapporten, niet aan verdachte kan worden toegerekend. Hij dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n6.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en neemt deze op dit punt over. De rechtbank is op grond van de rapporten van oordeel dat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd als gevolg van de bij hem vastgestelde schizofrenie en een autismespectrumstoornis, zodat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend. Verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n7. Motivering van de maatregel\n\n7.1. Eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot oplegging van de maatregel tbs met dwangverpleging. Daarnaast is gevorderd dat de maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd.\n\n7.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht te volstaan met oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden. Daartoe is aangevoerd dat tbs met dwangverpleging een contraproductieve werking zal hebben op het herstel van verdachte, zo volgt uit de rapporten van de deskundigen.\n\n7.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen afdoening van de zaak is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op zitting is gebleken.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft [slachtoffer] voor een date meegenomen naar zijn woning. Hij heeft de deur van zijn woning op slot gedaan, heeft [slachtoffer] uitgekleed en haar betast. Daarmee heeft hij haar gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen die hij vervolgens heeft verricht. Dit levert verkrachting op. Een verkrachting betekent per definitie een ernstige, grove aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. In zijn algemeenheid is verkrachting een schokkende, ingrijpende en beangstigde gebeurtenis die vaak langdurig fysieke, psychische en\u002Fof emotionele gevolgen voor het slachtoffer heeft. Dat die gevolgen ook daadwerkelijk zijn ingetreden volgt uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] , die op zitting is voorgelezen.\n\nDaarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] . Verdachte heeft de woning op slot gedaan en er daarmee voor gezorgd dat [slachtoffer] niet vrij was om de woning te verlaten. Toen [slachtoffer] tegen verdachte zei dat zij weg wilde, heeft verdachte daar geen gehoor aan gegeven en heeft [slachtoffer] nog geruime tijd tegen haar zin in de woning moeten blijven. Dat aan de situatie uiteindelijk een einde is gekomen, ligt niet aan verdachte, maar komt doordat [slachtoffer] voorstelde om samen naar buiten te gaan voor een wandeling, waarna zij is weggerend.\n\nTot slot heeft hij [slachtoffer] gedwongen een pil amfetamine in te nemen. Hiermee heeft hij eveneens een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] .\n\nPersoon van de verdachte\n\nPsychische stoornis\n\nZoals hiervoor onder 6 overwogen blijkt uit de rapporten van de deskundigen dat verdachte lijdt aan schizofrenie en een autismespectrumstoornis en dat deze stoornissen ook aanwezig waren ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.\n\nRisico taxatie\n\nOver het risico op recidive rapporteert de psychiater – zakelijk weergegeven – onder meer dat bij het uitblijven van adequate behandeling het risico op delicten, waaronder gewelds- en zedendelicten, wordt ingeschat op hoog tot zeer hoog. De psycholoog schat deze kans in als hoog.\n\nInterventieadvies\n\nOver het interventieadvies rapporteert de psychiater – zakelijk weergegeven – onder meer dat het functioneren van verdachte in het heden en verleden moet worden gezien in het kader van de twee ernstige stoornissen die met elkaar verweven zijn en elkaar voortdurend beïnvloeden. Gezien het huidige toestandsbeeld is van belang dat als eerste stap de psychotische belevingen\u002Fwanen worden behandeld door middel van antipsychotica in een adequate dosering. Dit zal voor langere periode, en mogelijk zelfs levenslang, nodig zijn. Na de stabilisatie op medicatie is verdachte erbij gebaat om in een stabiele, veilige woonsetting te verblijven en te beschikken over een zinvolle, passende dagbesteding. Ook is verdachte erbij gebaat zijn ziekte-inzicht te vergroten. In het rapport is geadviseerd de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen, aangevuld met een zorgmachtiging voor een farmacologische dwangbehandeling. In het rapport wordt omschreven dat de tbs-maatregel met dwangverpleging niet aangewezen is, omdat dat bij verdachte veel frustratie en weerstand zal oproepen, hetgeen een averechtse werking kan hebben op de behandeling.\n\nDe psycholoog heeft in zijn rapport – zakelijk weergegeven – gesteld dat in de aanvang een klinische behandeltraject is aangewezen, waarbij expertise is van de problematiek die bij verdachte speelt. Naast medicamenteuze interventies zou ook psychoeducatie en gedragstherapie geboden moeten worden. Een verhoogd beveiligingsniveau is niet nodig, mits er voldoende expertise van de complexe psychische problematiek aanwezig is. In tweede instantie zou verdachte begeleid kunnen worden naar een beschermde woonvorm, waarbij eveneens expertise voor de geconstateerde psychische problematiek dient te zijn. Hierbij zal de nadruk liggen op de autismespectrumstoornis, omdat deze van grote invloed is op het niveau van zijn sociaal functioneren. Ook de psycholoog adviseert de oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden in combinatie met een zorgmachtiging voor de dwangmedicatie.\n\nUit het rapport van de reclassering van 10 oktober 2023 volgt dat de verwachting is dat verdachte zich niet langdurig kan conformeren aan bijzondere voorwaarden. Daarom wordt negatief geadviseerd ten aanzien van de uitvoerbaarheid van een tbs-maatregel met voorwaarden.\n\nOp de zitting hebben de psychiater S.C.J. Frehe en psycholoog R.A. Sterk het uitgebrachte advies bijgesteld. Uit informatie afkomstig uit het PPC, waar verdachte op dit moment verblijft, volgt dat hij ervoor heeft gekozen om geen mediatie in te nemen. Medicatie is echter een noodzakelijk onderdeel van de behandeling. De eerdere overweging om geen tbs met dwangverpleging te adviseren, namelijk omdat dit een averechtse werking kan hebben op de behandeling, is daarmee achterhaald nu is gebleken dat verdachte niet te motiveren is tot medicatie inname. De deskundigen menen thans dat een tbs-maatregel met voorwaarden in combinatie met een zorgmachtiging onvoldoende kader biedt om het recidivegevaar tegen te gaan. Bij deze stand van zaken wordt geadviseerd een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.\n\nDe rechtbank constateert dat verdachte al een lange tijd zorgelijk gedrag vertoont. De politie heeft een proces-verbaal opgemaakt waarin melding wordt gemaakt van een grote hoeveelheid mutaties die dateren van 2013 tot en met juli 2022. Verdachte kent ook een lange geschiedenis in de geestelijke gezondheidszorg. Van oktober 2020 tot en met januari 2021 heeft een klinische opname plaatsgevonden in het kader van een zorgmachtiging. Vanuit de [GGD] is hij betrokken bij de Gemeentelijke aanpak PPPG: psychiatrische patiënten, potentieel gevaarlijk. Deze interventies hebben tot nu toe nog niet het gewenste resultaat gehad.\n\nGelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de tbs-maatregel met voorwaarden ontoereikend is vanwege het gebrek aan ziekte inzicht bij verdachte en de beoordeling dat een strenger (dwang)kader nodig zal zijn, in ieder geval voor het innemen van medicatie. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat ook op dit moment in het PPC problemen zijn ontstaan met betrekking tot de medicatie inname. De rechtbank ziet de terbeschikkingstelling met dwangverpleging als enig toereikend middel en zal dit gelasten.\n\nDe rechtbank overweegt dat voldaan wordt aan de eisen die de wet stelt aan het opleggen van de terbeschikkingstelling, te weten: bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op de gepleegde misdrijven, te weten verkrachting (feit 1 primair) en wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2) is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld. En tot slot eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen die maatregel.\n\nDe rechtbank overweegt dat de terbeschikkingstelling niet in duur is beperkt, nu deze onder meer wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten verkrachting.\n\nGedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe rechtbank ziet ook aanleiding om naast de tbs-maatregel aan verdachte een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. De rechtbank acht de oplegging van deze maatregel noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen.\n\n8. Vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] vordert €418,12 aan vergoeding van materiële schade en €7.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe officier van justitie en de raadsman stellen zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering, voor zover het de materiële schade betreft. Volgens de raadsman is de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk ten aanzien van de immateriële schade. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de immateriële schade toewijsbaar is tot een bedrag van € 1.000,-.\n\nImmateriële schade\n\nVast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer] ontvankelijk is in haar vordering. Op grond van de ernst van het bewezen verklaarde, de namens de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, matigt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op €1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 8 juli 2022. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank overweegt dat vaststaat dat de benadeelde partij de gevorderde reiskosten heeft gemaakt als gevolg van het bewezen verklaarde. Bij het bepalen van de hoogte van de reiskosten is aangesloten bij artikel 11, eerste lid onder d van het Besluit tarieven in strafzaken (hierna: het Besluit), dat uitgaat van een bedrag van € 0,28 per kilometer. De rechtbank is van oordeel dat de gemaakte reiskosten voor vergoeding in aanmerking komen. Anders dan is aangevoerd namens de benadeelde partij en met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet valt onder de personen genoemd onder artikel 11, eerste lid onder d van het Besluit. Wel komt zij in aanmerking voor de standaardvergoeding van € 0,19 per kilometer. Dit betekent dat een bedrag van € 15,69 wordt toegewezen; voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.\n\nHet kan worden vastgesteld dat de ondergoed van de benadeelde partij in beslag is genomen in het kader van het opsporingsonderzoek; zij heeft dit niet teruggekregen. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij daardoor schade heeft geleden en dat die schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde. De gevorderde schade wordt dan ook toegewezen.\n\nDe benadeelde partij zal in de vordering ten aanzien van de post zorgkosten niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit bedrag ziet op toekomstige kosten en betreft daarmee geen door de benadeelde partij geleden schade. Een rechtstreeks verband tussen de gevorderde schade en het bewezen verklaarde kan daarmee niet worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.525,69,-. Gelet op de zeer beperkte financiële draagklacht van verdachte, in verband met de huidige detentie en de opgelegde tbs-maatregel, zal de rechtbank bepalen dat bij niet-betaling maximaal 1 (één) dag gijzeling kan worden bevolen.\n\n9. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 242 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart het onder 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nfeit 1, primair:\n\nverkrachting;\n\nfeit 2:\n\nopzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nfeit 3, subsidiair:\n\neen ander door enige andere feitelijkheid gericht hetzij tegen die ander wederrechtelijk dwingt iets te doen.\n\nTen aanzien van de feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair:\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaathemvan alle rechtsvervolgingter zake daarvan.\n\nTen aanzien van de feiten 1 primair en 2:\n\nGelast dat verdachte ter beschikkingwordtgestelden beveelt dat hijvan overheidswege wordt verpleegd.\n\nLegt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.\n\nTen aanzien van de vordering benadeelde partij:\n\nWijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van €1.525,69 (duizend vijfhonderdvijfentwintig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 1.500,- (duizendvijfhonderd euro) immateriële schade en € 25,69 (vijfentwintig euro en negenenzestig cent) materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 juli 2022) tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat €1.525,69 (duizend vijfhonderdvijfentwintig euro en negenenzestig cent), bestaande uit € 1.500,- (duizendvijfhonderd euro) immateriële schade en € 25,69 (vijfentwintig euro en negenenzestig cent) materiële schade, te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 juli 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. A.S. Dogan, voorzitter,\n\nmrs. P.L.C.M. Ficq en K.M.A. van der Heijden, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 december 2023.\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:7980","2023-12-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:37.179Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":51,"updatedAt":80},"1320","ECLI:NL:RBAMS:2023:5260","ecli-nl-rbams-2023-5260","2023-08-24T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13.132823.23\n\nDatum uitspraak: 24 augustus 2023\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1994,\n\nwonende op het adres [adres] (niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen),\n\nthans gedetineerd te: [plaats detentie]\n\n1. Het onderzoek op de zitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 10 augustus 2023. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.R.F. van Raab van Canstein, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.I. L’Ghdas, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Beschuldiging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\n1. een diefstal in vereniging vergezeld van geweld, waarbij van [aangever] een telefoon (Apple iPhone 11 Pro) is weggenomen;\n\n2. een poging tot diefstal in vereniging vergezeld van geweld, waarbij is gepoogd van [aangever] een horloge (merk Tudor) weg te nemen.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.\n\n3. Voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.\n\n4. Waardering van het bewijs\n\n4.1.. Het standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich aan beide ten laste gelegde feiten schuldig heeft gemaakt.\n\n4.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van beide ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Het dossier bevat onvoldoende bewijs op basis waarvan de rol van verdachte als (mede)pleger kan worden aangetoond, gelet ook op de verklaring van verdachte dat hij niets met de diefstal te maken heeft en de situatie alleen wilde de-escaleren. Hij is weggerend voor de politie, omdat hij geen legale verblijfstatus heeft. Dat kan dus niet als belastend worden aangemerkt.\n\nMocht de rechtbank vinden dat het dossier voldoende bewijs bevat om verdachte als (mede)pleger aan te merken, heeft de raadsman subsidiair aangevoerd dat ten aanzien van de diefstal van de telefoon (feit 1) niet is gebleken dat het toegepaste geweld zag op het voorbereiden of vergemakkelijken daarvan, waardoor het in dit verband vereiste oogmerk ontbreekt. Verdachte moet dus in ieder geval van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.\n\n4.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1.. Feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nAangever, [aangever] , wordt op 28 mei 2023 kort na 04:45 uur door drie mannen benaderd. Nadat deze mannen aan aangever vragen of hij weet waar de tram is, loopt een van de mannen het trappetje op waarop aangever zit. Aangever staat op en wordt dan bij zijn linkerarm ter hoogte van zijn elleboog vastgepakt. Nadat aangever zich weet los te rukken en wegrent, krijgt hij een trap van achteren waardoor hij op de grond terecht komt. Eenmaal op de grond voelt aangever dat de drie mannen naar zijn horloge grijpen. Aangever houdt zijn horloge stevig vast en wordt ondertussen door de mannen tegen zijn benen getrapt. Tijdens de worsteling valt de telefoon van aangever uit zijn broekzak. Zodra een fietser ter plaatse komt rennen de drie mannen weg. De telefoon van aangever blijkt dan te zijn verdwenen.\n\nNadat de drie mannen zijn weggerend komt de politie ter plaatse. Aangever vertelt hen wat er is gebeurd en laat weten dat een van de mannen een opvallend rood trainingspak droeg. De vriendin van aangever, [vriendin van aangever] , traceert de telefoon van aangever via een app op haar iPhone. De laatst bekende locatie van de telefoon van aangever, is de [straat] ter hoogte van perceel [nummer] . Verbalisant [verbalisant] treft drie personen aan die naast elkaar op hun rug in de bosjes liggen. Wanneer verbalisant [verbalisant] de drie personen toeroept dat zij zijn aangehouden, slaan zij op de vlucht. Er volgt een achtervolging. Eén van de personen die in de bosjes lag wordt uiteindelijk aangehouden. Deze persoon draagt een rood traingingspak en blijkt verdachte te zijn.\n\n4.3.2.. Verdachte is medepleger\n\nDe rechtbank vindt op basis van de bovenstaande feiten en omstandigheden bewezen dat de drie mannen nauw en bewust hebben samengewerkt bij het wegnemen van de telefoon van aangever (feit 1) en ook in hun poging om het horloge van aangever weg te nemen (feit 2). Verdachte is één van die drie mannen. De afzonderlijke rollen zijn niet precies vast te stellen, maar dat is voor de bewezenverklaring van medeplegen ook niet nodig. Dat verdachte niets met de ten laste gelegde feiten te maken heeft en enkel de situatie wilde de-escaleren, vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Deze verklaring wordt weersproken door de verklaring van aangever en ook door de verklaring van getuige [getuige] . Uit beide verklaringen volgt dat aangever door drie mannen te grazen werd genomen. Daarnaast is verdachte samen met de twee medeverdachten gevlucht en later door de politie aangetroffen, terwijl hij naast deze medeverdachten in de bosjes lag. Ook hieruit blijkt het gezamenlijk handelen van de drie mannen. Dat verdachte vluchtte voor de politie omdat hij geen verblijfstatus heeft, vindt de rechtbank in het licht van het voorgaande evenmin geloofwaardig.\n\n4.3.3.. Wel geweld bij poging diefstal horloge, maar niet bij diefstal telefoon\n\nOp grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden vindt de rechtbank bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten met geweld hebben geprobeerd het horloge van aangever weg te nemen (feit 2). Dat het geweld ook was gericht op het wegnemen van de telefoon van aangever (feit 1), kan echter niet worden bewezen. De toepassing van het geweld door de verdachten richtte zich vanaf het begin op het voorbereiden en het vergemakkelijken van het wegnemen van het horloge van aangever. De telefoon van aangever is tijdens de worsteling uit zijn broek gevallen en is daarmee als een bijkomstig gevolg van het toegepaste geweld in het bezit van verdachte en zijn mededaders gekomen. Het oogmerk om geweld toe te passen in relatie tot de diefstal van de telefoon kan niet worden bewezen. Verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.\n\n4.3.4.. Conclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage 2 bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal van een telefoon in vereniging gepleegd (feit 1) en aan een poging tot diefstal van een horloge in vereniging gepleegd en vergezeld van geweld (feit 2).\n\n5. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte\n\nten aanzien van feit 1:\n\nop 28 mei 2023 te Amsterdam omstreeks 4:55, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met anderen, een mobiele telefoon (te weten een Apple iPhone 11 Pro) die aan [aangever] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 28 mei 2023 te Amsterdam omstreeks 4:55, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een horloge (te weten van het merk Tudor) dat aan [aangever] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld tegen voornoemde [aangever] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken\n\n- die [aangever] met kracht bij de linker arm heeft vastgepakt en - die [aangever] met kracht tegen de rug heeft getrapt, ten gevolge waarvan die [aangever] ten val kwam en - (vervolgens) terwijl die [aangever] op de grond lag, met kracht aan het voornoemde horloge aan de arm van die [aangever] heeft getrokken en - met kracht het horloge van de arm van die [aangever] heeft af\u002Flosgetrokken en - die [aangever] meermaals tegen zijn benen heeft getrapt,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\n6. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n7. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n8. Motivering van de straf\n\n8.1.. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen verklaarde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek van voorarrest. De officier van justitie gaat daarbij uit van een eendaadse samenloop.\n\nDe officier van justitie is verder van mening dat het gebruik van een vuurwapen door de politie bij de aanhouding van verdachte een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert, maar dat verdachte hiervan geen nadeel heeft ondervonden. Om die reden dient dit volgens haar niet te leiden tot strafvermindering.\n\n8.2.. Het standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, mocht de rechtbank beide ten laste gelegde feiten bewezen verklaren, sprake is van eendaadse samenloop.\n\nDe raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Uit het dossier blijkt dat een van de verbalisanten betrokken bij de aanhouding van verdachte zijn vuurwapen uit zijn holster heeft gehaald en daarmee op verdachte heeft gericht. Dit vuurwapengebruik is in strijd met artikel 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, omdat er geen sprake is van een verdenking van een strafbaar feit dat ernstig genoeg is om het trekken van een vuurwapen te rechtvaardigen. Het nadeel dat verdachte heeft ondervonden bestaat uit een schending van zijn lichamelijke integriteit, te meer nu verdachte recent het slachtoffer is geweest van een schietincident. De raadsman vindt dat er naar aanleiding van het vormverzuim strafvermindering moet volgen.\n\nBij het bepalen van de straf moet ook rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging en aan een poging tot diefstal in vereniging vergezeld van geweld. Verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke integriteit als het eigendomsrecht van het slachtoffer, [aangever] . Naast dat dit soort feiten schokkend zijn voor de samenleving in het algemeen , leert de ervaring dat slachtoffers van dit soort misdrijven nog langdurig nadelige gevolgen kunnen ondervinden van wat hen is overkomen. In deze zaak speelt daarbij ook dat het slachtoffer als gevolg van het geweld dat tegen hem is gebruikt zijn pols heeft gebroken. Het slachtoffer zal hierdoor nog vaak ongewild herinnerd zijn aan wat hem op 28 mei 2023 is overkomen. De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk.\n\nDe rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de twee bewezen verklaarde feiten dusdanig samenhangend zijn en zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspeelden, dat er moet worden gesproken van eendaadse samenloop. De diefstal in vereniging van de telefoon (feit 1) maakte onderdeel uit van de poging tot diefstal in vereniging vergezeld van geweld (feit 2). De rechtbank neemt daarom dit laatste bewezen verklaarde feit als vertrekpunt voor de op te leggen straf.\n\nBij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor strafoplegging, die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken (LOVS). De rechtbank houdt rekening met het uittreksel uit de Justitiële Documentatie dat aan het dossier is toegevoegd en waaruit blijkt dat verdachte zich eerder aan vermogensdelicten schuldig heeft gemaakt. Het oriëntatiepunt voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging is, in geval van recidive, een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. In het nadeel van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat het slachtoffer een botbreuk aan de beroving heeft overgehouden en dat verdachte de feiten samen met anderen heeft begaan. De rechtbank komt tot een lagere straf dan vermeld in de oriëntatiepunten vanwege het hierna te bespreken vormverzuim.\n\nDe rechtbank is met de raadsman en officier van justitie van oordeel dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Uit het dossier blijkt dat een van de verbalisanten tijdens de achtervolging die uiteindelijk tot de aanhouding van verdachte heeft geleid, zijn vuurwapen heeft getrokken en dit vuurwapen kort op de benen van verdachte heeft gericht. De rechtbank is van oordeel dat het doel dat de verbalisant tijdens het trekken van zijn vuurwapen nastreefde, namelijk het tot stilstand brengen en aanhouden van een verdachte waarvan niet is gebleken dat hij tijdens zijn vlucht over verzetsmiddelen beschikte, het gebruik van een vuurwapen niet rechtvaardigt en dat dit doel op een andere wijze had kunnen worden bereikt. Daarmee heeft de verbalisant artikel 7 van de Politiewet geschonden.\n\nAnders dan de officier van justitie, is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat verdachte nadeel heeft ondervonden als gevolg van het vormverzuim zoals hierboven omschreven. De raadsman heeft op de zitting betoogd dat verdachte recent het slachtoffer is geweest van een schietincident. De rechtbank neemt zonder meer aan dat een dergelijk incident traumatisch is en dat het opnieuw worden geconfronteerd met een vuurwapen onder deze omstandigheden gevoelens van angst en psychisch leed heeft veroorzaakt. Om dit nadeel te compenseren zal de rechtbank overgaan tot strafvermindering.\n\nAlles overwegend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\n9. Beslag\n\nNaar aanleiding van de bewezen verklaarde feiten is het volgende voorwerp in beslag genomen:\n\n1 STK Pet (G6346924)\n\nDit goed is aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane feiten. Nu niet is gebleken aan wie dit goed toebehoort, zal het worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 55, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op, ten aanzien van feiten 1 en 2:\n\neendaadse samenloop van diefstal door twee of meer verenigde personen en poging tot diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan: 1 STK Pet (G6346924).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,\n\nmrs. E.G.M.M. van Gessel en L. Leerkes, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mrs. J.M. Esschendal en R.R. Eijsten, griffiers,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 augustus 2023.\n\n [(...)]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:5260","2023-08-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.849Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":85,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":89,"parsedAt":51,"updatedAt":90},"768","ECLI:NL:GHSHE:2023:3145","ecli-nl-ghshe-2023-3145",72,"2023-07-13T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000940-19\n\nUitspraak : 13 juli 2023\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 12 maart 2019, in de strafzaak met parketnummer 01-997630-16 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank verdachte veroordeeld ter zake van medeplegen van opzettelijk waren waarop een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst en\u002Fof waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of model waarop een ander recht heeft dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen, verkopen of te koop aanbieden of in voorraad hebben, terwijl de schuldige het plegen van het misdrijf genoemd in artikel 337 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd,tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank beslist op de inbeslaggenomen goederen.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\nNamens verdachte is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust,\n\nmet uitzondering van de door de rechtbank opgelegde strafmotivering en straf. De strafmotivering zal worden aangevuld. Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd voor zover het de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft;\n\nmet dien verstande dat het hof de door de eerste rechter aangehaalde toepasselijke wettelijke voorschriften zal verbeteren in die zin dat in plaats van het aanhalen van artikel 377 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) kennelijk artikel 337 Sr is bedoeld. Daarnaast ziet het hof aanleiding om de door de rechtbank aangehaalde artikelen waarop de strafoplegging is gegrond aan te vullen met artikel 63 Sr, nu dat artikel eveneens toepassing vindt.\n\nHet hof kan zich in beginsel op zichzelf vinden in de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, en de daaraan ten grondslag gelegde strafmotivering, nu hetgeen in hoger beroep in verband met de strafoplegging naar voren is gebracht het hof niet tot andere overwegingen brengt dan de rechtbank in haar vonnis heeft neergelegd.\n\nHet hof komt echter tot een andere strafoplegging aangezien is gebleken dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in hoger beroep is geschonden. In dat verband stelt het hof het volgende vast.\n\nHet hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van haar zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nHet hof heeft geconstateerd dat tussen het instellen van het hoger beroep door de verdachte op 25 maart 2019 en het wijzen van het arrest door het hof op 13 juli 2023 een periode van 4 jaar en 2 maanden is verstreken, waardoor arrest wordt gewezen na het verstrijken van voornoemde tweejaarstermijn.\n\nNaar het oordeel van het hof is een deel daarvan toe te schrijven aan de verdediging, en stelt vast dat voor het overige de redelijke termijn met ruim 8 maanden is overschreden. Het hof zal derhalve een strafkorting toepassen van ongeveer 10%.\n\nZonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de strafmotivering en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorengaande.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,\n\nmr. J.T.F.M. van Krieken en mr. A.C. Bosch, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. V.C. Minneboo, griffier,\n\nen op 13 juli 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. J.T.F.M. van Krieken is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2023:3145","2023-09-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.191Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":51,"updatedAt":99},"1317","ECLI:NL:GHARL:2023:1187","ecli-nl-gharl-2023-1187","2023-02-07T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-001626-21\n\nUitspraak d.d.: 7 februari 2023\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2021 met parketnummer\n\n08-997004-17 in de strafzaak tegen\n\n [Verdacht B.V.] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van verdachte en haar raadslieden, mr. E. van der Meer en mr. W. Sleijfer, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe rechtbank heeft bij vonnis van 25 maart 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van:\n\n feit 1: het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013;\n\n feit 2: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 3: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 4: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018;\n\n feit 5: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018,\n\nveroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,-, waarvan € 40.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met aanvulling van gronden, behalve voor zover het betreft de strafoplegging.\n\nTen aanzien van de op te leggen straf komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.\n\nAanvulling van gronden\n\nTen aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat er zowel binnen het bestuursrecht als het civiele recht voldoende middelen bestonden om corrigerend op te treden, zodat er geen plaats is voor een strafrechtelijke vervolging. Daarnaast is er volgens de verdediging gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat verdachte en haar bestuurder [medeverdachte] zijn vervolgd en de Staat als privaatrechtelijke partij en tevens toezichthouder, niet. Ten slotte is aangevoerd dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel in combinatie met een overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de Staat het in eerste instantie heeft nagelaten om handhavend op te treden terwijl de controlerende instanties op de hoogte waren van de winlocaties van verdachte, en de daadwerkelijke strafvervolging vervolgens veel te lang heeft geduurd. Alles samen maakt volgens de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ingestelde strafvordering.\n\nHet hof overweegt, in aanvulling op hetgeen door de rechtbank op pagina 8 tot en met 10 van het vonnis is overwogen, dat al de door de verdediging aangevoerde omstandigheden, ook in samenhang bezien, niet maken dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte.\n\nVan gelijke gevallen in de zin van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake, nu de rol van verdachte en die van de overheid als eigenaar van de gronden een geheel andere is. De overheid heeft door middel van het uitgeven van vergunningen, of door het niet verlenen daarvan, in beginsel voldaan aan zijn verplichting om te verhinderen dat zonder vergunning wordt ontgrond. Dat diezelfde overheid pas laat heeft ingegrepen met betrekking tot de overtreding van het verbod van artikel 3 van de Ontgrondingenwet (hierna: Ogw) door verdachte, is in het licht van het gelijkheidsbeginsel niet relevant. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan verdachte daaraan geen rechten ontlenen.\n\nVerder overweegt het hof dat de in het kader van het gelijkheidsbeginsel aangehaalde Aanwijzingen voor de regelgeving evenmin in de weg staan aan ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aangezien zij naar inhoud en strekking niet zijn aan te merken is als recht in de zin van artikel 79 van het Wet op de Rechterlijke Organisatie, waardoor geen horizontale of verticale werking door partijen aan die bepalingen kan worden ontleend.\n\nEr is geen sprake van een situatie waarin geen redelijk denkend lid van het openbaar ministerie tot een vervolgingsbeslissing ten aanzien van verdachte had kunnen komen. Het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.\n\nTen aanzien van artikel 3 en 3a van de Ontgrondingenwet\n\nTer terechtzitting in hoger beroep is nogmaals door mr. E. van der Meer bepleit dat verdachte niet zonder vergunning heeft ontgrond, omdat zij in de periode van 2011 tot en met 2013 een ontgrondingsvergunning had voor de Noordzee. In voorschrift 1.1. is het wingebied gedefinieerd doordat is bepaald dat de winning alleen mag worden uitgevoerd binnen het gebied zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende indicatieve tekening met nummer [nummer] . Het winnen van schelpen buiten het aangegeven gebied valt volgens de verdediging aan te merken als het handelen in strijd met voorschriften van een bestaande vergunning, welk verbod is opgenomen in artikel 3a van de Ogw, en valt niet onder het zonder een vergunning ontgronden uit artikel 3 van de Ogw.\n\nHet hof overweegt dat voor zover artikel 3a Ogw van toepassing is, in ieder geval ook artikel 3 Ogw van toepassing is, omdat vaststaat dat verdachte in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013 in de Waddenzee en Noordzeekustzone schelpen heeft gewonnen terwijl zij daarvoor in die periode geen vergunning had.\n\nDat verdachte een begrip voor de Noordzee hanteert waarin geen onderscheid bestaat tussen de Noordzee en de Noordzeekustzone, dient voor haar rekening en risico te blijven. Op grond van de diverse vergunningen die aan verdachte zijn vertrekt, moet haar dat onderscheid duidelijk zijn geweest.\n\nAanvullende overweging ten aanzien van de feiten 2 tot en met 5\n\nDat de zoon van de bestuurder van verdachte de betreffende opgaven aan het Rijksvastgoedbedrijf (hierna: RVB) zou hebben gedaan, omdat de bestuurder niet met computers overweg kan, maakt het verwijt dat in de tenlastegelegde feiten besloten ligt, niet anders. Het handelen van de bestuurder van verdachte en diens zoon kunnen aan verdachte worden toegerekend, nu sprake is van het handelen van een persoon die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en daaraan dienstig is geweest, terwijl de rechtspersoon erover kon beschikken dat de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nIndien het hof toch tot een veroordeling komt, is volgens de verdediging een schuldigverklaring zonder strafoplegging een passende afdoening gezien de houding van de Staat, die door verwijtbaar nalaten medeverantwoordelijk is voor de strafrechtelijke gang van zaken.\n\nOordeel van het hof\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft in de periode van medio maart 2011 tot en met 2013 meerdere malen\n\nschelpen gewonnen op een winlocatie, waarvoor zij geen vergunning had (feit 1). Zij heeft\n\nschelpen gewonnen in de Noordzeekustzone en Waddenzee, een gebied waarbinnen meerdere partijen zich kunnen inschrijven per kavel. Of er kavels worden toebedeeld en hoe veel, is afhankelijk van het bedrag dat een partij ervoor over heeft. Verdachte had in de periode van 2011 tot en met 2013 enkel een vergunning voor het winnen van schelpen in de Noordzee. Voor die periode had verdachte geen kavels in de Noordzeekustzone of in de Waddenzee, en zij mocht derhalve in dit gebied geen schelpen winnen. Door dit alsnog te doen, heeft verdachte niet alleen de doelstellingen van het vergunningensysteem ondergraven, maar zichzelf ook financieel bevoordeeld ten opzichte van haar concurrenten.\n\nHet hof heeft geconstateerd dat de onder 1 tenlastegelegde feiten zo lang geleden zijn gepleegd dat het al gedeeltelijk is verjaard - voor zover het de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 betreft – en op korte termijn in zijn geheel zal verjaren in verband met de absolute verjaringstermijn als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof voorziet dat de aankomende verjaring reeds reden voor cassatie zou kunnen zijn. Om verdere procedures te voorkomen, en omdat het karakter en de verjaringstermijn van het onder 1 ten laste gelegde delict verschillen van die van de overige tenlastegelegde feiten, zal het hof de verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde geen straf of maatregel opleggen.\n\nVerder heeft verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot 1 januari 2019, gedurende acht jaren, in meerdere elektronische opgaven vermeld dat zij schelpen had gewonnen in het wingebied Noordzee, terwijl deze schelpen in werkelijkheid waren gewonnen in het wingebied de Waddenzee of de Noordzeekustzone. Vervolgens heeft zij deze valse opgaven toegestuurd aan het RVB (feiten 2, 3, 4 en 5).\n\nNaar het oordeel van het hof zijn de bewezenverklaarde feiten van dien aard, dat hierbij niet kan worden volstaan met schuldigverklaring zonder strafoplegging. Verdachte – een partij die zich al jarenlang in de wereld van het winnen van schelpen begeeft – heeft gedurende een lange periode uiterst laakbaar gehandeld. In november 2014 is zij reeds gewezen op haar onjuiste handelen, maar dit heeft geen verschil teweeg gebracht in de handelwijze van de B.V. In de periode van 2011 tot en met 2018 was de prijs voor schelpen die werden gewonnen in het wingebied de Noordzee (veel) lager dan de prijs die moest worden betaald voor schelpen die waren gewonnen in het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone en door het handelen van verdachte is het RVB dan ook financieel benadeeld. Gelet hierop acht het hof een geldboete een passende straf bij de bewezenverklaarde feiten.\n\nUit het de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 22 december 2022 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nHet hof constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken in eerste aanleg is overschreden. De rechtbank heeft een geldboete ter hoogte van € 50.000,-, waarvan € 40.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren opgelegd en daarin is de overschrijding van de redelijke termijn ook al meegewogen. Het hof houdt in hoger beroep ook rekening met de overschrijding en zal geen straf opleggen die hoger is dan de straf die door de rechtbank is bepaald.\n\nHet gegeven dat de bestuurder van verdachte voor dezelfde feiten als in de onderhavige zaak straffen opgelegd krijgt, maakt dat het hof reden ziet om verdachte tot een geheel voorwaardelijke geldboete te veroordelen. Aangezien verdachte nog actief is als het gaat om het winnen van schelpen, zal de voorwaardelijke geldboete wel fors zijn, om te voorkomen dat verdachte in de toekomst nog verkeerde wingebieden op zal geven en valse opgaven op zal sturen aan het KVB.\n\nIndien het hof de bewezenverklaring van feit 1 had betrokken in de strafoplegging zonder rekening te houden met het punt van verjaring, zou een zelfde straf zijn opgelegd als de rechtbank heeft gedaan.\n\nAlles overziend acht het hof een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 50.000,- met een proeftijd van drie jaren voor de feiten die onder 2, 3, 4 en 5 bewezen zijn verklaard, passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nBepaalt dat ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nVeroordeelt de verdachte voor het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,-,.\n\nBepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.W. Lensing, voorzitter,\n\nmr. W.M. Weerkamp en mr. R.G.J. Welbergen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,\n\nen op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 februari 2023.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. D. Visser, voorzitter,\n\nmr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,\n\nmr. G. Ladjevardi, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1187","2023-02-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.655Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":95,"fullText":104,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":51,"updatedAt":106},"767","ECLI:NL:GHARL:2023:1188","ecli-nl-gharl-2023-1188","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-000807-22\n\nUitspraak d.d.: 7 februari 2023\n\nTEGENSPRAAK\n\nONTNEMINGSZAAK\n\nVerkort arrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 februari 2022 met parketnummer\n\n08-997004-17 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen\n [Verdacht B.V.] ,\n\ngevestigd [vestigingsplaats] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van betrokkene en haar raadslieden, mr. E. van der Meer en\n\nmr. W. Sleijfer, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.\n\nDe vordering\n\nDe inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 321.209,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 321.209,-.\n\nDe ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie\n\nDoor de raadslieden is aangevoerd dat Rijkswaterstaat een privaatrechtelijke vordering tegen de veroordeelde had moeten indienen. Hieruit maakt het hof op dat de verdediging de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ook in de ontnemingszaak aan de orde heeft willen stellen.\n\nUit artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht volgt dat het openbaar ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan indienen tegen degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit. Verdachte is bij arrest van 7 februari 2023 veroordeeld voor strafbare feiten die samenhangen met de onderhavige ontnemingszaak. Gelet hierop is het hof van oordeel dat een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde kan worden ingediend, dat de eventuele mogelijkheid tot het indienen van een vordering bij de burgerlijke rechter hieraan niet in de weg staat en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is.\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 308.459,90 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van\n\n€ 290.000,-.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadslieden hebben zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat de betrokkene geen schelpen heeft gewonnen\n\nop niet-toegestane locaties. In de periode van 2011 tot en met 2013 zijn schelpen gewonnen\n\nin de Noordzeekustzone. De betrokkene beschikte in die periode over een vergunning voor het winnen van schelpen in de Noordzee. In 2014 zijn eveneens schelpen gewonnen in de Noordzeekustzone. De betrokkene heeft opgegeven dat zij schelpen had gewonnen in de Noordzee. Volgens de raadslieden is deze opgave juist, nu de Noordzeekustzone deel uitmaakt van de Noordzee.\n\nSubsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de berekeningen van het openbaar ministerie onjuist zijn. Het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode\n\nvan 2011 tot en met 2013 is bepaald middels een berekening op transactiebasis, maar had,\n\ngelet op een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 november 2020\n\n(ECLI:NL:RBOVE:2020:3757) moeten worden vastgesteld door een vergelijking te maken\n\nmet de legale werkwijze. Het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat volgens die\n\nberekeningswijze uit de besparing van de brandstofkosten en onderhoudskosten voor het\n\nschip.\n\nVerder hebben de raadslieden bepleit dat het rendementsverlies, wat is geleden naar aanleiding van het gedeeltelijk onrechtmatig conservatoire beslag (ter hoogte van\n\n€ 453.376,-), als matigingsfactor moet worden meegenomen bij de vaststelling van de betalingsverplichting.\n\nTot slot hebben de raadslieden zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden, wat ook als matigingsfactor moet worden meegenomen. De betalingsverplichting zou met tien procent van het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden bijgesteld.\n\nOordeel van het hof\n\nBewezenverklaarde handelen\n\nDe betrokkene is, voor zover voor de beoordeling van de vordering van belang, bij vonnis van 25 maart 2021 (parketnummer 08-997004-17) door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor:\n\n feit 1: het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013;\n\n feit 2: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 3: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 4: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018;\n\n feit 5: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018.\n\nHet vonnis is voor wat betreft de bewezenverklaring bij arrest van dit hof van 7 februari 2023 bevestigd (parketnummer 21-001626-21).\n\nVerjaarde feiten\n\nDe rechtbank heeft in het vonnis overwogen dat de strafvervolging voor het onder 1 ten laste gelegde door verjaring is vervallen voor zover het de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 betreft. Op grond hiervan is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor dit deel van het feit. Deze beslissing is in hoger beroep in stand gebleven.\n\nHet hof is van oordeel dat die (gedeeltelijke en toekomstige) verjaring niet in de weg staat aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit oordeel is gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI2307) en dat van 11 mei 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL7660). Het hof zal daarom de gehele tenlastegelegde periode bij de beoordeling van de vordering betrekken.\n\nUit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.\n\nTen aanzien van de verweren van de verdediging\n\nMet betrekking tot het subsidiaire standpunt: onjuiste berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe verdediging heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2020:3757), waarin het ging om het winnen van schelpen in wateren op Duits grondgebied. Het hof constateert dat de omstandigheden van de onderhavige zaak afwijken van die in de zaak waar naar is verwezen, als gevolg waarvan het subsidiaire verweer van de verdediging zal worden verworpen. Zo is niet aannemelijk geworden dat betrokkene de gewonnen schelpen had kunnen verkrijgen uit (één van) de haar vergunde gebieden en dat (dus) het bewezen verklaarde strafbare handelen uitsluitend heeft plaatsgevonden om kosten te besparen.\n\nDe vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nHet hof neemt bij het vaststellen van het door de veroordeelde wederrechtelijk\n\nverkregen voordeel de berekeningen uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel betreffende [Verdacht B.V.] , van 14 mei 2018, als uitgangspunt.\n\nBerekening 1: het zonder vergunning winnen van schelpen (2011 tot en met 2013)\n\nBlijkens voornoemd rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van\n\n2011 tot en met 2013 bepaald door middel van een berekening op transactiebasis. Bij deze\n\nberekening bestaat het voordeel over een bepaald boekjaar uit het resultaat voor belastingen\n\n(omzet -\u002F- totaal kosten) naar rato toegerekend aan de illegale (niet vergunde)\n\nbedrijfsactiviteit in verhouding tot de totale bedrijfsactiviteiten van de onderneming.\n\nTen eerste is aan de hand van de winst- en verliesrekening het resultaat voor belastingen\n\n(omzet -1- totaal kosten) over de jaren 2011 tot en met 2013 als volgt bepaald:\n\n[afbeelding]\n\nHet resultaat voor belastingen over 2011 bedraagt dus € 70.002,-. Over 2012 bedraagt het\n\nresultaat voor belastingen € 178.045,- en over 2013 € 19.998,-.\n\nTen tweede is aan de hand van de door betrokkene verstrekte overzichten van de\n\nhoeveelheid gewonnen schelpen, de data waarop deze zijn gewonnen en de winlocatie(s) in\n\ncombinatie met de black box gegevens van het schip waarop de betrokkene voer, het\n\npercentage bepaald van het deel van de gewonnen schelpen dat zonder vergunning (buiten\n\nvergund gebied) zou zijn gewonnen in verhouding tot de totaal in het betreffende jaar\n\ngewonnen hoeveelheid schelpen. In 2011 is dat percentage 27,7%. Voor 2012 en 2013 zijn\n\nvoornoemde gegevens gecombineerd met informatie uit de aangetroffen agenda 2012 en\n\n2013. In 2012 is het percentage 90,1% en in 2013 95,4%\n\nTot slot is aan de hand van het hierboven beschreven resultaat voor belastingen en het\n\npercentage zonder vergunning gewonnen schelpen in verhouding tot de totaal gewonnen\n\nhoeveelheid het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt bepaald:\n\n[afbeelding]\n\nHet is aldus aannemelijk dat betrokkene met het winnen van schelpen zonder vergunning over de jaren 2011 tot en met 2013 een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van € 198.886,-.\n\nDe omstandigheid dat de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 is verjaard, en de hele tenlastegelegde periode in verband met de absolute verjaringstermijn gaat verjaren, doet aan deze vaststelling niet af, nu hiervoor reeds is overwogen dat deze verjaring niet in de weg staat aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nBerekening 2: valsheid in geschrifte (2014)\n\nHet hof stelt voorop dat de betrokkene bij vonnis van de rechtbank Overijssel is veroordeeld wegens valsheid in geschrift, gepleegd in de perioden van 1 januari 2011 tot en met\n\n31 januari 2014 (feit 2) en 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018 (feit 4). Het vonnis is in hoger beroep bij arrest van dit hof van 7 februari 2023 voor wat betreft die bewezenverklaring bevestigd.\n\nIn het rapport van 14 mei 2018 is berekend welk voordeel de betrokkene heeft verkregen uit valsheid in geschrift, gepleegd in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014, terwijl zij hiervoor niet is vervolgd en dus evenmin is veroordeeld. De vraag is of dus uit deze, andere, strafbare feiten voordeel is genoten als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nIn dit kader overweegt het hof dat uit het strafrechtelijk onderzoek, meer in het\n\nbijzonder de door de betrokkene aan de Staat verstrekte overzichten in vergelijking met de\n\nblack box-gegevens, is op te maken dat de betrokkene telkens een ander wingebied opgaf\n\ndan waar zij in werkelijkheid schelpen had gewonnen. Het is het hof niet gebleken dat\n\nde betrokkene haar handelswijze in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december\n\n2014 heeft aangepast, in die zin dat zij zich toen wel aan de geldende wet- en regelgeving en\n\nvergunning hield. Dit betekent dat er naar het oordeel van het hof voldoende\n\naanwijzingen zijn om aan te nemen dat er in de periode van 1 januari 2014 tot en met\n\n31 december 2014 andere strafbare feiten zijn begaan dan er in het vonnis van 25 maart 2021 zijn beoordeeld en bewezen zijn verklaard.\n\nGelet op het voorgaande volgt het hof voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nBlijkens dit rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 1 januari\n\n2014 tot en met 31 december 2014 bepaald op basis van de bespaarde kosten. Bij deze\n\nberekening bestaat het voordeel uit het verschil tussen de feitelijk te betalen vergoeding over\n\nde gewonnen schelpen en de daadwerkelijk betaalde vergoeding. Ten eerste is de feitelijk te betalen vergoeding over de gewonnen schelpen bepaald. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene in totaal 25.886 m³ schelpen heeft gewonnen. Zij had hierover het vergoedingstarief van de Waddenzee\u002FNoordzeekustzone moeten betalen, in\n\nplaats van het tarief van het opgegeven, goedkopere, wingebied van de Noordzee. Voor de\n\neerste 16.000 m³ had de betrokkene een vergoeding moeten betalen van € 10,52 en voor de volgende 16.000 m³ een vergoeding van € 10,51. In totaal had dus € 272.221.86 betaald\n\nmoeten worden. Vervolgens is berekend dat de betrokkene daadwerkelijk een bedrag van\n\n€ 149.898,37 heeft betaald.\n\nIn onderstaande tabel is een en ander weergegeven:\n\n[afbeelding]\n\nOp grond hiervan is het aannemelijk dat betrokkene met het plegen van valsheid in geschrift in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 122.323,00 (€ 272.221,86 min € 149.898,37).\n\nberekening 1 + 2 = omvang wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nGelet op voorgaande berekeningen stelt het hof de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 321.209,-(€ 198.886,- + € 122.323,-).\n\nDe verplichting tot betaling aan de Staat\n\nRendementsverlies\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een te hoog bedrag beslag is\n\ngelegd, waardoor dit beslag (deels) onrechtmatig is.\n\nHet hof begrijpt het aangevoerde als een beroep op matiging als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, vierde volzin, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht echter niet aannemelijk dat sprake zou zijn van een deels onrechtmatig beslag. De omstandigheid dat het beslag tot een hoger bedrag beloopt dan het bedrag waarop een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitkomt, is daartoe onvoldoende. Het hof ziet in ieder geval geen termen voor matiging.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn\n\nDe redelijke termijn in ontnemingszaken vangt, zo blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578), aan op het moment dat de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk voordeel aanhangig wordt gemaakt. Uit voornoemd arrest volgt verder dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een ontnemingszaak met een eindvonnis dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gaan lopen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.\n\nBij een overschrijding van deze termijn dient het ontnemingsbedrag te worden verminderd.\n\nIn geval van overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder wordt een\n\nvermindering van vijf procent van het ontnemingsbedrag voorgeschreven. In geval van\n\noverschrijding van de redelijke termijn met zes tot twaalf maanden wordt een vermindering\n\nvan in beginsel tien procent van het ontnemingsbedrag voorgeschreven, met dien verstande\n\ndat de maximale vermindering in beginsel € 5.000,- zal bedragen. In geval van overschrijding van meer dan twaalf maanden mag worden gehandeld naar bevind van zaken.\n\nHet hof stelt vast dat redelijke termijn is aanvangen op het moment dat er conservatoir beslag is gelegd, te weten op 27 maart 2017. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren had de veroordeelde op 27 maart 2019 een eindvonnis in de ontnemingszaak mogen verwachten. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 21 februari 2022. Dit betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna drie jaar is overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen. Hoewel het hof bij de veroordeling van de rechtspersoon ook rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en doorgaans maar een keer met die overschrijding wordt rekening gehouden in geval van een ontnemingsvordering in samenhang met een strafrechtelijke veroordeling, ziet het hof in de bijzondere omstandigheden van deze zaken aanleiding om ook in de ontnemingsvordering rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nDaarom is naar het oordeel van het hof een vermindering van de betalingsverplichting met meer dan € 5.000,- op zijn plaats en zal de betalingsverplichting naar beneden worden bijgesteld met een bedrag van €31.209,-.\n\nConclusie\n\nOp grond van het voorgaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van € 290.000,-. (€ 321.209,- min € 31.209,-).\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 321.209,- (driehonderdeenentwintigduizend tweehonderdnegen euro).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van€ 290.000,- (tweehonderdnegentigduizend euro).\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.W. Lensing, voorzitter,\n\nmr. W.M. Weerkamp en mr. R.G.J. Welbergen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,\n\nen op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 februari 2023.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. D. Visser, voorzitter,\n\nmr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,\n\nmr. G. Ladjevardi, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1188","2026-07-13T00:28:47.156Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":43,"courtId":111,"decisionDate":112,"fullText":113,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":115,"parsedAt":51,"updatedAt":116},"1005","ECLI:NL:RBMNE:2023:7825","ecli-nl-rbmne-2023-7825",63,"2023-01-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F700145-12 (ontneming)\n\nVonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming\n\nin de zaak tegen\n\n [veroordeelde],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,\n\ngedetineerd te P.I. [plaats] ,\n\nhierna te noemen: veroordeelde,\n\nbijgestaan door mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Roosendaal.1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING\n\nDe vordering is behandeld op de terechtzitting van 12 januari 2023. Veroordeelde en zijn raadsman zijn – zoals zij de rechtbank voorafgaande aan de zitting hadden laten weten – niet verschenen.\n\nVoorafgaand aan de behandeling is de rechtbank gebleken dat veroordeelde en het Openbaar Ministerie een schikking zijn overeengekomen. Ter zitting heeft de officier van justitie verzocht het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.2. BEOORDELING VAN DE VORDERING\n\nDe rechtbank overweegt dat veroordeelde er, na het treffen van een schikkingsovereenkomst met het Openbaar Ministerie, op mag vertrouwen dat de officier van justitie de rechtbank zal verzoeken om af te zien van een verdere behandeling van de ontnemingsvordering, indien hij aan de voorwaarden van de schikking zal voldoen.\n\nDe rechtbank zal het Openbaar Ministerie conform het standpunt van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.A. Spee, voorzitter, mr. L.M.M. Heppe en\n\nmr. J.P. Verboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 januari 2023.\n\nMr. L.M.M. Heppe is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:7825","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.536Z",20,[119,120,121,11,122,123],2026,2025,2024,2022,2016]