[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-direct-taxation-nl-2026":3},{"detail":4,"years":206},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":204,"page":14,"limit":205},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},47,"direct-taxation-nl","Direct Taxation","NL","2026-07-08T16:53:53.141Z",2026,[13,15,18,20,23,26,28,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":19},3,{"month":21,"count":22},4,6,{"month":24,"count":25},5,7,{"month":22,"count":27},18,{"month":25,"count":17},{"month":30,"count":17},8,{"month":32,"count":17},9,{"month":34,"count":17},10,{"month":36,"count":17},11,{"month":38,"count":17},12,[40,54,61,68,75,83,93,100,109,117,124,133,141,151,158,165,172,182,189,197],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"860","ECLI:NL:RBGEL:2026:5236","ecli-nl-rbgel-2026-5236","",60,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F7898 tot en met 24\u002F7901, 24\u002F7903 en 24\u002F7904 rectificatie\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde\u002Fechtgenoot]),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almere, de inspecteur\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 september 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor ieder van de jaren 2009 tot en met 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de betreffende navorderingsaanslag heeft de inspecteur voor ieder jaar belanghebbende heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende daartegen gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente dan wel belastingrente gehandhaafd, de boetebeschikkingen over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd en de boetebeschikkingen over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nBij uitspraak welke is verzonden op 21 mei 2025heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank een verzoek van de inspecteur om geheimhouding dan wel beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht van een stuk genaamd ”Memo aandachtspunten Verhuld Vermogen” toegewezen.\n\nIn reactie hierop heeft belanghebbende de rechtbank bericht dat zij akkoord gaat met kennisname door de rechtbank van de ongeschoonde versie van het hiervoor genoemd stuk.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk en gelijktijdig op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenoot van belanghebbende, tevens haar gemachtigde en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is gehuwd met [gemachtigde\u002Fechtgenoot] (de echtgenoot). Belanghebbende en de echtgenoot zijn vennoten van VOF [naam vof] (de vof). Vanaf 2010 is belanghebbende tevens in loondienst bij [naam bedrijf] BV. De echtgenoot heeft in het verleden gewerkt bij de Belastingdienst.\n\n2. Aan belanghebbende zijn de volgende aanslagen IB\u002FPVV opgelegd:\n\njaar\n\naangifte IB\u002FPVV ingediend\n\ndagtekening aanslag\n\nverzamelinkomen\n\nwaarvan box 1-inkomen\n\nwaarvan box 3-inkomen\n\n2009\n\n13-6-2011\n\n24-8-2011\n\n€ 161.749\n\n€ 161.749\n\n€ 0\n\n2010\n\n12-8-2011\n\n19-1-2012\n\n€ 182.358\n\n€ 181.061\n\n€ 1.297\n\n2011\n\n3-2-2013\n\n7-3-2014\n\n€ 115.842\n\n€ 115.842\n\n€ 0\n\n2012\n\n29-3-2014\n\n30-12-2014\n\n€ 86.471\n\n€ 86.471\n\n€ 0\n\n2013\n\n21-7-2014\n\n11-2-2015\n\n€ 79.468\n\n€ 79.468\n\n€ 0\n\n2014\n\n2-7-2015\n\n28-8-2015\n\n€ 95.813\n\n€ 95.813\n\n€ 0\n\n3. Aan belanghebbende is becon-uitstel verleend voor het doen van aangifte IB\u002FPVV 2009 tot 1 mei 2011.\n\n4. Op 29 december 2017 hebben belanghebbende, de echtgenoot en hun zoon de Belastingdienst een, door ieder van hen persoonlijk ondertekende, e-mail (de inkeermelding) gestuurd met de volgende inhoud:\n\n“Geachte inspecteur,\n\nWij maken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 met verrekening van dividend belasting.\n\nWij hebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWij hebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen.\n\nIn Hong Kong is het belegd in fondsen en individuele effecten belegt.\n\nDe rekening in Hong Kong is op naam gesteld van onze zoon [naam zoon], wonende [adres], [postcode] [plaats] BSN [BSN-nummer], de reden is dat hij regelmatig in Hong Kong moet zijn voor zijn werk.\n\nHij heeft geen enkel belang of bedrag in deze rekening.\n\nHet saldo is van ons.\n\nWij hebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.\n\nIn afwachting van uw reactie.\n\nMet vriendelijke groet,”\n\n [gemachtigde\u002Fechtgenoot], [belanghebbende] en [naam zoon]”\n\n[rechtbank:met daarbij drie weergegeven, geschreven, handtekeningen]\n\n5. Op 9 januari 2018 heeft de inspecteur de ontvangst van de inkeermelding van belanghebbende schriftelijk bevestigd.\n\n6. Naar aanleiding van de ontvangen inkeermelding heeft de inspecteur belanghebbende meermaals gevraagd om nadere informatie over het buitenlands vermogen te verstrekken. Belanghebbende heeft hierop gereageerd.\n\n7. De inspecteur schrijft op 20 november 2018 over het in rekening brengen van heffings- en belastingrente in een e-mail aan belanghebbende:\n\n“Daar heeft u een punt! Ik zal er dan straks bij de afhandeling van het dossier voor oudere jaren nog wel even naar kijken.”\n\n8. Omdat belanghebbende, naar daartoe meerdere malen te zijn gevraagd, ter zake van het buitenlands vermogen niet alle gegevens heeft verstrekt, heeft de inspecteur op 13 mei 2019 ten name van belanghebbende een informatiebeschikking afgegeven voor de jaren 2005 - 2014.\n\n9. Met dagtekening 3 mei 2021 heeft de inspecteur uitspraak op het tegen de informatiebeschikking ingediende bezwaar gedaan. Het bezwaar wordt toegewezen voor zover het ziet op de bronbelasting en voor het overige afgewezen. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.\n\n10. Bij uitspraak van 9 augustus 2023heeft deze rechtbank het beroep tegen de informatiebeschikking gegrond verklaard. De informatiebeschikking, voor zover deze ziet op de mutatieoverzichten 1 januari 2005-31 december 2007, is hierbij gehandhaafd. De overige onderdelen van de informatiebeschikking zijn vernietigd.\n\n11. Op verzoek van belanghebbende en de echtgenoot zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014 uitsluitend opgelegd aan belanghebbende. De echtgenoot van belanghebbende heeft dit in een e-mail van 24 september 2023 aan de inspecteur bevestigd.\n\n12. In alle in geschil zijnde jaren bestond het in het buitenland aangehouden vermogen uit een aandeelportefeuille en liquiditeiten. Het saldo van het in het buitenland aangehouden vermogen was in deze jaren op 1 januari als volgt:\n\njaar\n\n2009\n\n€ 1.588.826\n\n2010\n\n€ 2.120.584\n\n2011\n\n€ 2.308.772\n\n2012\n\n€ 1.925.903\n\n2013\n\n€ 2.102.365\n\n2014\n\n€ 2.548.560\n\n13. Op 28 september 2023 heeft de inspecteur een mededeling van het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014, de daarbij behorende beschikkingen inzake heffings- en belastingrente en de daarbij behorende vergrijpboetes gestuurd.\n\n14. Met dagtekening 24 respectievelijk 25 november 2023 zijn aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen IB\u002FPVV, heffings-\u002Fbelastingrentebeschikkingen en vergrijpboetes opgelegd:\n\nzaaknummer\n\njaar\n\nverzamelinkomen\n\nheffingsrente\u002F belastingrente\n\nvergrijpboete\n\n24\u002F7898\n\n2009\n\n€ 235.937\n\n€ 7.520\n\n€ 18.046\n\n24\u002F7899\n\n2010\n\n€ 260.665\n\n€ 8.498\n\n€ 22.077\n\n24\u002F7900\n\n2011\n\n€ 208.192\n\n€ 8.555\n\n€ 23.598\n\n24\u002F7901\n\n2012\n\n€ 163.507\n\n€ 6.024\n\n€ 18.116\n\n24\u002F7903\n\n2013\n\n€ 163.562\n\n€ 7.313\n\n€ 23.376\n\n24\u002F7904\n\n2014\n\n€ 197.755\n\n€ 10.350\n\n€ 36.698\n\n15. Met dagtekening 5 september 2024 heeft de inspecteur de uitspraak op bezwaar verstuurd waarin de bezwaren gedeeltelijk gegrond worden verklaard. In deze uitspraak is vermeld dat de navorderingsaanslagen en de heffings-\u002F belastingrentebeschikkingen in stand blijven, dat de vergrijpboetes over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd worden en dat de vergrijpboetes over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd blijven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n16. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen, heffings- en belastingrentebeschikkingen en boetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Het gaat hierbij om de volgende geschilpunten:\n\nzijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd;\n\nis de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 tijdig opgelegd;\n\nheeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend gehandeld;\n\nheeft de inspecteur gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb);\n\nis terecht en zo ja tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht;\n\nzijn de opgelegde vergrijpboetes wegens opzet in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 terecht en naar de juiste bedragen vastgesteld;\n\nis het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden;\n\nheeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van de procedure die zag op de informatiebeschikking;\n\nheeft belanghebbende recht op een vergoeding wegens geleden immateriële schade.\n\nDe hoogte van de over alle bij de navorderingsaanslagen vastgestelde verzamelinkomens is niet in geschil.\n\n17. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nZijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd?\n\n18. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan haar niet het gehele dossier is verstrekt. In het toegezonden dossier bevonden zich namelijk geen aantekeningen van de behandelend inspecteurs. De inspecteur heeft deze stelling van belanghebbende gemotiveerd weersproken, heeft verklaard dat alle op de zaken betrekking hebbende stukken (digitaal) zijn verstrekt en heeft in dit verband verder nog gesteld dat er geen stukken zijn met betrekking tot afstemming tussen inspecteurs.\n\n19. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. Belanghebbende heeft onvoldoende geconcretiseerd welke stukken ontbreken die de inspecteur heeft gebruikt bij de voorbereiding van de besluitvorming of welke informatie daaruit van belang kan zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. De rechtbank heeft alle geschilpunten kunnen beoordelen aan de hand van de (digitale) stukken die partijen in het geding hebben gebracht. Belanghebbende komt met niets waaruit enige aanwijzing valt af te leiden dat wellicht sprake zou kunnen zijn van niet-overgelegde stukken.\n\nIs de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 binnen de navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgelegd?\n\n20. De navorderingstermijn voor inkomsten en vermogen die in het buitenland zijn gehouden of opgekomen, bedraagt twaalf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De navorderingstermijn voor het vaststellen van een navorderingsaanslag wordt verlengd met de duur van het verleende uitstel, indien voor het doen van de aangifte uitstel is verleend. De termijn voor het opleggen van de aanslag wordt verlengd met de termijn tussen de bekendmaking van de informatiebeschikking en het moment waarop de informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan, dan wel wordt vernietigd.\n\n21. Niet in geschil is dat voor het doen van de aangifte IB\u002FPVV 2009 een jaar becon-uitstel is verleend en dat als gevolg hiervan de navorderingstermijn met een jaar wordt verlengd. De informatiebeschikking is genomen op 13 mei 2019 en is door deze rechtbank vernietigd op 9 augustus 2023. De looptijd van de informatiebeschikking is derhalve vier jaar, twee maanden en 24 dagen. De navorderingstermijn eindigt derhalve op 24 maart 2026. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV heeft als dagtekening 25 november 2023 en is daarmee binnen de navorderingstermijn opgelegd.\n\n22. Belanghebbende heeft haar stelling dat de inspecteur alleen maar een informatiebeschikking heeft opgelegd om de aanslagtermijn te verlengen, op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank deze stelling passeert.\n\n23. De inspecteur heeft op basis van artikel 47 van de AWR een ruime bevoegdheid om informatie te vragen aan belastingplichtigen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur deze bevoegdheid niet te buiten is gegaan. Wanneer de inspecteur ervan op de hoogte raakt dat een belastingplichtige rechthebbende is tot in het buitenland aangehouden, niet aangegeven bankrekeningen, kan hij zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de mogelijkheid bestaat dat de belastingplichtige gedurende enige tijd over (andere) onbekende bronnen van inkomen heeft beschikt en ervoor heeft gekozen daarmee verband houdende vermogensbestanddelen in het buitenland onder te brengen. Dit is voor de inspecteur toereikend om opgave te verlangen van al wat, zo nodig met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR, in de belastingheffing kan worden betrokken.\n\n24. Bij de inspecteur was niet bekend of belanghebbende alle bankafschriften had ingediend. Zo zou het heel goed mogelijk hebben kunnen zijn dat naast de aangegeven rekening in het buitenland, belanghebbende daarnaast nog over andere in het buitenland aangehouden bankrekeningen beschikte, van welke rekeningen geen gegevens waren overgelegd. Belanghebbende heeft desgevraagd niet alle gevraagde informatie aan de inspecteur verstrekt.\n\n25. Het door belanghebbende in dit verband genoemde arrest van de Hoge Raad,doet aan het hiervoor overwogene niet af. Dat, zoals zij aanvoert, belanghebbende niet wist van vermogen in het buitenland en dat daardoor geen informatiebeschikking aan haar kon worden opgelegd, doet niet ter zake. Anders dan in het hier genoemde arrest is belanghebbende in de onderhavige zaken in ieder geval vanaf einde 2013 op de hoogte van het bestaan van een bankrekening in het buitenland, zo volgt uit de mede door belanghebbende persoonlijk getekende inkeermelding. Dat zij dan vervolgens niet over de volledige gegevens van het vermogen in het buitenland beschikt, is voor haar rekening en staat er overigens niet aan in de weg dat aan belanghebbende een informatiebeschikking kan worden afgegeven.\n\nZijn de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend opgelegd?\n\n26. Bij toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR ter zake van spaartegoeden die in een andere lidstaat van de Europese Unie worden aangehouden, dient de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voor te bereiden en vast te stellen aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking staan.Indien een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden, is in ieder geval geen sprake van voortvarend handelen.\n\n27. De rechtbank wijst in dit verband allereerst naar wat zij hiervoor onder 23. tot en met 25. heeft overwogen. Afgezien van de periode waarin de procedure over de informatiebeschikking werd gevoerd, blijkt nergens uit het dossier dat de inspecteur gedurende langer dan zes maanden heeft stilgezeten. De met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR vastgestelde navorderingsaanslagen zijn daarom voldoende voortvarend opgelegd. Daarbij komt nog dat de voortvarendheidseis voor het jaar 2014 reeds niet geldt omdat in dat jaar de niet-aangegeven gelden stonden op een bankrekening in Hongkong. Hongkong behoort niet tot de Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n28. De door belanghebbende in dit verband genoemde uitspraak van de Rechtbank Noord-Hollandis wat betreft het voortvarend opleggen van navorderingsaanslagen in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdamvernietigd. Het door belanghebbende genoemde arrest van de Hoge Raadleidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel over de voortvarendheid van handelen van de inspecteur.\n\nHeeft de inspecteur gehandeld in strijd met de abbb?\n\n29. De rechtbank leest de stelling van belanghebbende dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als een beroep op schending van het vertrouwensbeginsel.\n\n30. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de vernietiging van de navorderingsaanslagen over de jaren 2005 tot en met 2008 er toe zou moeten leiden dat ook de navorderingsaanslagen over latere jaren zouden moeten worden vernietigd, heeft zij die stelling niet met enig bewijs onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.Voor in rechte te beschermen vertrouwen is derhalve meer vereist dan de enkele door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de inspecteur navorderingsaanslagen over eerdere jaren om proceseconomische redenen en\u002Fof de omvang van het dossier heeft vernietigd. Nodig zijn een of meer andere omstandigheden die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de vaststelling\u002Fvernietiging van de aanslagen berustte op een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur.Belanghebbende heeft zulke omstandigheden niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve.\n\n31. Haar stelling dat de inspecteur door haar met name genoemde andere beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, heeft belanghebbende niet onderbouwd en wordt daarom verworpen.\n\nIs het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden?\n\n32. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden. Zij meent dat de navorderingsaanslagen daarom moeten worden vernietigd.\n\n33. In zijn arrest van 13 juni 2025(het arrest van 13 juni 2025) overwoog de Hoge Raad, voor zover van belang (onder weglating van voetnoten):\n\n“5.2.2\n\nHet Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is van toepassing wanneer de inspecteur voornemens is een bezwarend besluit vast te stellen dat de belangen van degene tot wie dat besluit is gericht, aanmerkelijk raakt. Een naheffingsaanslag in de omzetbelasting is zo’n besluit. Het beginsel houdt in dat de inspecteur degene tot wie dat besluit is gericht, de gelegenheid moet bieden zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken voordat dat besluit wordt genomen. Dit brengt mee dat de inspecteur die het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen, de belastingplichtige tijdig en expliciet, dat wil zeggen in niet mis te verstane bewoordingen, van de voorgenomen naheffingsaanslag op de hoogte moet stellen, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag ten grondslag wil leggen. Daarbij moet de inspecteur de belastingplichtige expliciet en ook tijdig uitnodigen om zijn standpunten over de voorgenomen naheffingsaanslag kenbaar te maken. Het moet door deze mededelingen voor de belastingplichtige duidelijk zijn dat, wanneer hij geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om zijn standpunten kenbaar te maken, de inspecteur hem de voorgenomen naheffingsaanslag zal opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De hiervoor bedoelde mededelingen kunnen niet alleen schriftelijk maar ook mondeling worden gedaan.\n\n5.2.3\n\nDe hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen moeten in alle gevallen worden gedaan, ook indien het voornemen tot naheffing ontstaat tijdens een controle die de inspecteur verricht, de belastingplichtige de redenen kent waarom de controle is ingesteld, en die belastingplichtige op de hoogte is van de feiten die tot de voorgenomen naheffingsaanslag leiden. Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel vereist niet dat een onderzoek naar de juistheid van belastingaangiften is afgerond voordat de inspecteur de belastingplichtige op de hoogte stelt van een of meer voorgenomen naheffingsaanslag(en) onder vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag(en) ten grondslag wil leggen. Dat beginsel is juist erop gericht om de elementen waarop een bezwarend besluit zal zijn gebaseerd, zorgvuldig vast te stellen. Daarvoor kan van belang zijn dat de inbreng van de belastingplichtige bij dat onderzoek wordt betrokken voordat het wordt afgerond. Dat biedt de belastingplichtige de gelegenheid voor het aanvoeren van bepaalde feiten die de inspecteur niet aan de voorgenomen naheffingsaanslag ten grondslag heeft gelegd.\n\n5.2.4\n\nIndien de belastingplichtige stelt dat de inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden, rust op de inspecteur de last feiten te stellen en bij betwisting te bewijzen waaruit volgt dat hij bij zijn besluitvorming dat beginsel heeft gerespecteerd. In geval van geschil daarover ligt het daarom op de weg van de inspecteur te bewijzen dat en op welk moment hij de belastingplichtige de hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen heeft gedaan, nadat hij het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen.”\n\n34. De brief van de inspecteur van 28 september 2023 waarin de navorderingsaanslagen worden aangekondigd, voldoet naar het oordeel van de rechtbank wat betreft het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3. van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen de navorderingsaanslagen op te leggen. Met deze brief is belanghebbende niet tijdig en expliciet van de voorgenomen navorderingsaanslagen op de hoogte gesteld, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die de inspecteur aan die navorderingsaanslagen ten grondslag wil leggen. Met deze brief was het voor belanghebbende niet duidelijk dat, wanneer zij geen gebruik zou maken van de haar geboden gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken, de inspecteur haar de voorgenomen navorderingsaanslagen zou opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De rechtbank wijst er hierbij op dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008 en de boetes over de jaren 2009 tot en met 2011 nà 28 september 2023 zijn vernietigd. De rechtbank volgt belanghebbende in haar stelling dat zij na de mededeling van de inspecteur van 28 september 2023 voor het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2014 geen gelegenheid heeft gehad haar uit te laten over de feiten en gronden over de hoogte van deze nog op te leggen navorderingsaanslagen. Het enkele bieden van de gelegenheid om vragen te stellen, zoals vermeld in de laatste alinea van de brief van 28 september 2023, is daartoe onvoldoende. Omdat de feiten voor alle jaren hetzelfde zijn, had belanghebbende voor de niet vernietigde navorderingsaanslagen en boetes willen bepleiten dat deze daarom ook dienden te worden vernietigd. Zij is daartoe echter niet meer in de gelegenheid gesteld daarvoor alsnog argumenten aan te dragen.\n\n35. Dat belanghebbende ten aanzien van het niet aangeven van het saldo op de buitenlandse bankrekening zich vrijwillig heeft ingekeerd, dat zij ervan op de hoogte was dat de inspecteur als gevolg daarvan het voornemen had navorderingsaanslagen IB\u002FPVV op te leggen en dat de navorderingsaanslagen conform de door haar overgelegde cijfermatige gegevens zijn opgelegd, zoals de inspecteur heeft aangevoerd, laat onverlet dat gelet op de eisen die in het bovenstaande arrest van de Hoge Raad worden gesteld, ook dan belanghebbende de gelegenheid moet worden geboden te reageren op een definitief standpunt van de inspecteur of op een definitief element van de navorderingsaanslagen, voor zover dat standpunt of dat element is gegrond op feiten en omstandigheden die de inspecteur aan de navorderingsaanslagen ten gronde wilde leggen.\n\n36. Schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt alleen tot vernietiging van het bezwarende besluit als het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder die schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad (het andere-afloopcriterium). Voor dit oordeel is het voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, degene tot wie dat besluit is gericht een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van dat besluit van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval. Bij toepassing van het andere-afloopcriterium gaat het erom of op basis van de gegevens die de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel aan belanghebbende zou hebben voorgelegd, moet worden aangenomen dat naar objectieve maatstaven in die voorfase niet was uitgesloten dat de inspecteur tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Bij toetsing aan het andere-afloopcriterium gaat het niet erom welke afloop uiteindelijk in rechte komt vast te staan.\n\n37. Wanneer geen schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel had plaatsgevonden, acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen van belang was. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft belanghebbende niet erop mogen vertrouwen dat, in navolging van de aanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008, de inspecteur de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2009 tot en met 2014 ook zou vernietigen. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat ieder belastingjaar op zichzelf staat. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd conform door belanghebbende aan de inspecteur verstrekte gegevens. Voordat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, heeft belanghebbende zelf aan de inspecteur aangegeven dat deze uitsluitend aan haar moesten worden opgelegd en niet (deels) ook aan de echtgenoot.\n\n38. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, hoewel het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden, de navorderingsaanslagen toch in stand blijven, omdat noch het vertrouwensbeginsel, noch de hiervoor genoemde, vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen door belanghebbende gemaakte opmerking over het opleggen van aanslagen uitsluitend aan haarzelf, tot een andere afloop zouden hebben kunnen leiden. Uitgesloten is dat de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Aan het andere-afloopcriterium is niet voldaan.\n\nIs terecht en tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht?\n\n39. Het in rekening brengen van heffings- en belastingrente vloeit voort uit de wet (artikel 30f van de AWR en verder). De heffings- en belastingrente is terecht en tot de juiste bedragen berekend. Belanghebbende heeft haar stelling dat geen heffings- en belastingrente in rekening mag worden gebracht omdat het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden, niet onderbouwd.\n\n40. Anders dan belanghebbende stelt, valt volgens de rechtbank uit het hiervoor onder 7. weergegeven citaat niet af te leiden dat de inspecteur bij oplegging van de navorderingsaanslagen in ieder geval de heffings- en belastingrente zou matigen. Evenmin kan, anders dan belanghebbende aanvoert, de inspecteur niet eraan worden gehouden om tijdens de procedure over de informatiebeschikking (voorlopige) navorderingsaanslagen op te leggen.\n\nBoetes\n\n41. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100% van het bedrag van de navorderingsaanslag indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.\n\n42. Op grond van artikel 67e, zesde lid, van de AWR bedraagt de boete voor zover de navorderingsaanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet IB 2001, in zoverre in afwijking van het eerste lid, ten hoogste 300% van de daarover verschuldigde belasting zoals deze bij de navorderingsaanslag is vastgesteld.\n\n43. Voor het opleggen van de vergrijpboete is vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Van opzet is sprake als de belastingplichtige willens en wetens zodanige handelingen verricht of nalaat dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet alleen vereist dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat zij die kans toen bewust heeft aanvaard.De inspecteur dient overtuigend aan te tonen dat sprake is van opzet aan de zijde van de belastingplichtige. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.\n\n44. De inspecteur heeft gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 op grond van artikel 67e van de AWR voor die jaren vergrijpboetes wegens opzet opgelegd. Omdat sprake is van een vrijwillige verbetering heeft hij daarbij de boetes gematigd naar 120% (40% van 300%).\n\n45. De inspecteur neemt het standpunt in dat bij belanghebbende primair sprake was van (voorwaardelijk) opzet, subsidiair van grove schuld. De over 2009 tot en met 2011 opgelegde vergrijpboetes zijn vervallen wegens gebrek aan overtuigend bewijs dat sprake was van opzet of grove schuld.\n\n46. Belanghebbende betwist dat haar opzet kan worden verweten met betrekking tot het doen van onjuiste aangiften. Zij voert daartoe aan dat zij niet bekend is met het boxensysteem in de Wet IB 2001, dat zij in de vennootschap geen werkzaamheden verricht voor aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting en dat haar echtgenoot tot in 2017 haar bewust onwetend heeft gelaten over de aanwezigheid van buitenlands vermogen. Daarom kunnen aan haar geen boetes worden opgelegd, zo voert zij aan.\n\n47. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er in geslaagd om overtuigend aan te tonen dat sprake is van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014. Gelet op de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding van 28 december 2017 wist zij in elk geval in 2013 van het bestaan van een in Luxemburg gehouden bankrekening, omdat de rekening door haar en haar echtgenoot in dat jaar is opgeheven en het saldo is overgeboekt naar een rekening in Hongkong. De aangiften IB\u002FPVV 2012, 2013 en 2014 zijn alle ingediend nà het opheffen in 2013 van de Luxemburgse effectenrekening en nà het overstorten van het saldo van deze rekening naar een in Hongkong gehouden rekening. Gelet op de inkeermelding wist belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en volgende van het buitenlands vermogen af, maar vermeldde dit niet in deze aangiften.\n\n48. Luxemburg had tot 2015 een absoluut bankgeheim. Door het saldo van de bankrekening niet aan te geven, heeft belanghebbende ervoor gekozen het vermogen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden. De rechtbank wijst in dit verband nog op de volgende passages van de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding (onderstrepingen door de rechtbank):\n\n“Wijmaken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 (…)\n\nWijhebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWijhebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen. (…)\n\nHet saldo is van ons.\n\nWijhebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.”\n\nDe andersluidende verklaring van de echtgenoot in het stuk van 10 april 2026, namelijk dat belanghebbende pas eind 2017 zou zijn ingelicht over het buitenlands vermogen, acht de rechtbank gelet op de duidelijke tekst van de inkeermelding en gelet op het feit dat de inkeermelding door belanghebbende is ondertekend, volstrekt ongeloofwaardig.\n\n49. Belanghebbende heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar aangiften IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 niet juist zouden worden ingediend. Onder die omstandigheden kan het in deze aangiften niet aangeven van het saldo van in het buitenland aangehouden vermogen worden aangemerkt als zozeer gericht op het doen van een onjuiste aangifte dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dit heeft gewild. Dit niet-ontzenuwde bewijsvermoeden van opzet is gebaseerd op vaststaande feiten en omstandigheden die buiten redelijke twijfel vaststaan. Die vermoedens zijn zo sterk dat het behoudens ontzenuwing ervan niet anders kan zijn dan dat belanghebbende opzettelijk heeft gehandeld.Het kan belanghebbende worden verweten dat zij bewust niet alle benodigde gegevens voor het doen van de juiste aangifte in de aangiften heeft vermeld.\n\n50. Belanghebbende en de echtgenoot hebben verzocht om het gehele vermogen toe te rekenen aan belanghebbende. Dit betekent dat de aan belanghebbende opgelegde primitieve aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Hiermee is voldaan aan de delictsomschrijving van artikel 67e van de AWR, zodat de vergrijpboetes op basis van dat artikel terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Dat (een deel van) het door belanghebbende niet aangegeven vermogen in eerste instantie ook niet in de aanslagen van haar echtgenoot was begrepen, neemt belanghebbendes opzet op de te lage aanslagen niet weg. Haar aangiften waren immers – net als die van de echtgenoot – onjuist omdat het in het buitenland aangehouden vermogen opzettelijk niet bij de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen was opgenomen.\n\nDe situatie in de onderhavige zaken wijkt af van die waarbij twee fiscale partners aanvankelijk de volledige gezamenlijke grondslag sparen en beleggen hebben aangegeven en waarbij, na ontvangst van de primitieve aanslagen, een keuze als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 wordt gedaan. Voor de toepassing van artikel 67e van de AWR gaat het er in de onderhavige zaken echter om dat de aanslagen van belanghebbende tot een te laag bedrag waren vastgesteld en dat het opzet van belanghebbende daarop was gericht. Dat dit het geval was, is bij belanghebbende buiten redelijke twijfel vast komen te staan.\n\n51. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van belanghebbende dat de opgelegde boetes dienen te vervallen door de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd.\n\n52. Het is algemeen bekend dat (al dan niet in het buitenland aangehouden en\u002Fof opgekomen) inkomens- en\u002Fof vermogensbestanddelen in de belastingaangifte moeten worden opgenomen; de vraagstelling in de aangifte hieromtrent is voldoende duidelijk.Voor zover belanghebbende op basis van het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015het standpunt inneemt dat haar geen boetes kunnen worden opgelegd omdat zij niet op de hoogte was van het bestaan van buitenlands vermogen, faalt het. Anders dan in dat arrest was in de onderhavige zaken belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften IB\u002FPVV 2012 - 2014 nu juist wel op de hoogte van buitenlands vermogen, zo volgt uit de inkeermelding. De door belanghebbende genoemde omstandigheden verhinderen het opleggen van boetes niet en leiden ook niet tot vernietiging of vermindering van de opgelegde boetes.\n\n53. De door belanghebbende gestelde schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt niet tot vernietiging of vermindering van de boetes. Op overeenkomstige gronden als hiervoor onder 34. en 35. weergegeven, komt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur bij het opleggen van de boetes het verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De inspecteur heeft niet voldaan aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3.van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen een vergrijpboete op te leggen.\n\n54. Evenals dit geldt voor de navorderingsaanslagen, is ook ten aanzien van de boetes niet voldaan aan de eisen van het andere-afloopcriterium. Ook zonder schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de boetes van belang was. Uit de inkeermelding volgt dat belanghebbende op de hoogte was van de overboeking van gelden in 2013 naar Hongkong. Door in het buitenland gestalde gelden niet in haar naderhand ingediende aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en verder op te nemen, heeft zij opzettelijk onjuist aangifte gedaan en kan geen sprake zijn van een andere afloop.\n\n55. De opgelegde boetes zijn proportioneel en evenredig. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd uitsluitend op basis van door belanghebbende ingediende gegevens. De hoogte van de boetes is afhankelijk van de hoogte van de over het niet-aangegeven buitenlands vermogen verschuldigde belasting zoals deze bij de betreffende navorderingsaanslag is vastgesteld. De rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes van 120% in beginsel passend en geboden.\n\n56. De rechtbank zal de boetes ambtshalve verminderen omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Uiterlijk de brief van 14 februari 2019 is aan te merken als aankondiging van het opleggen van boetes, vanaf welke datum de redelijke termijn hiervoor is gaan lopen. Sindsdien zijn meer dan zeven jaren verstreken. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, zijn niet gesteld of gebleken. De redelijke termijn van twee jaren is daarmee met meer dan vijf jaren overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boetes te verminderen met 20%.De boetes dienen daarom te worden verminderd tot de volgende bedragen: € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014).\n\nVergoeding van immateriële schade\n\n57. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.\n\n58. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\n59. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar. Voor de toekenning van een vergoeding immateriële schade worden alle zaken als met elkaar samenhangend beschouwd.De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de aanslagen ontvangen op 4 januari 2024. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) twee jaar en zes maanden. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met afgerond een half jaar overschreden. Dit betekent een vergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 5 september 2024. De overschrijding van de redelijke termijn is voor twee maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor vier maanden aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om € 167 (2\u002F6 * € 500) en de Staat veroordelen om € 333 (4\u002F6 * € 500) aan belanghebbende te betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n60. De beroepen zijn ongegrond. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en de heffings- en belastingrentebeschikkingen blijven in stand. De vergrijpboetes worden door de rechtbank ambtshalve verminderd. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een vergoeding immateriële schade van € 500. Zowel toekenning van vergoeding immateriële schade als ambtshalve vermindering van de boetes leiden niet tot gegronde beroepen.\n\n61. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Wanneer rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van de belanghebbende, moet in beginsel worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend.De rechtbank ziet in de onderhavige zaken geen aanleiding hierover anders te oordelen.\n\n62. Voor een aanvullende (integrale) proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase ten aanzien van de afgegeven informatiebeschikking, waar belanghebbende om heeft verzocht, bestaat eveneens geen aanleiding. Deze (advocaat)kosten staan namelijk los van de huidige beroepsprocedures en bovendien zien zij deels ook op de aan de echtgenoot opgelegde informatiebeschikking.\n\n63. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is na 31 mei 2024 gedaan. Belanghebbende heeft daarom in verband hiermee geen recht op vergoeding van griffierecht.De ambtshalve vermindering van de vergrijpboetes geeft evenmin aanleiding voor vergoeding van griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2012 tot en met 2014 voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de boetebeschikkingen tot € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014);\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraken op bezwaar;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 167.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. P.J. Tikken en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.\n\nUitgesproken op 26 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2025:5003.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2023:6090.\n\n Artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\n Hoge Raad 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:778.\n\n Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nHoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120.\n\nHoge Raad 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:717, en Hoge Raad 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105.\n\n Waarbij de navorderingstermijn wordt verlengd met de looptijd van de informatiebeschikking: zie artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\nHvJEU 15 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:119.\n\n Rechtbank Noord-Holland 4 juli 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:8544.\n\n Gerechtshof Amsterdam 3 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:428.\n\n Hoge Raad 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1557.\n\n Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069 en Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439.\n\n Zie Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, r.o. 3.2.1.\n\nECLI:NL:HR:2025:903.\n\n Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1053.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063.\n\n ECLI:NL:HR:2013:63.\n\n ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nVergelijk Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\nECLI:NL:HR:2016:252.\n\nBeleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2, en Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:586.\n\nHoge Raad 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, r.o. 3.2.1.\n\n Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5236","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:51.704Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":58,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":52,"updatedAt":60},"1580","ECLI:NL:RBGEL:2026:5066","ecli-nl-rbgel-2026-5066","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8842\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om dwangsom.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 420.\n\nDe inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende afgewezen.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in [woonplaats] en heeft een fiscaal partner.\n\n2. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2022 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2021.\n\n3. Belanghebbende heeft op 22 maart 2022 de aangifte IB\u002FPVV 2021 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 420 opgegeven.\n\n4. Met dagtekening 20 oktober 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2021 vastgesteld conform de ingediende aangifte. Op de aanslag staat dat voor het box 3-inkomen rekening is gehouden met de uitspraak van Hoge Raad van 24 december 2021.\n\n5. Bij brief van 5 december 2022, ontvangen door de inspecteur op 13 december 2022, heeft belanghebbende tezamen met zijn fiscaal partner om een ambtshalve vermindering voor box 3 aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2021 verzocht.\n\n6. De inspecteur heeft op 28 juni 2023 een brief aan belanghebbende verzonden over massaal bezwaar plus en box 3. De inspecteur geeft aan dat het bezwaar ondanks dat het te laat is ingediend toch in behandeling wordt genomen en beoordeeld zal worden of belanghebbende in aanmerking komt voor rechtsherstel.\n\n7. Belanghebbende heeft op 30 september 2024 en ontvangen door de inspecteur op 8 oktober 2024, een ingebrekestelling verzonden voor het niet beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende. Belanghebbende geeft ook aan dat hij op 5 juli 2023 een brief heeft verzonden aan de inspecteur, maar geen reactie hierop heeft ontvangen.\n\n8. Op 15 november 2024 heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. De inspecteur geeft aan dat de genoemde brief van 5 juli 2023 niet vindbaar is en verzoekt belanghebbende om een afschrift van deze brief per e-mail te versturen. Belanghebbende heeft dezelfde dag een e-mail met als bijlage de brief in Word-bestand aan de inspecteur verzonden.\n\n9. De inspecteur heeft op 20 november 2024 een e-mail verstuurd aan belanghebbende waarin hij refereert naar het telefonisch contact met belanghebbende waar is besproken dat het verzoek om ambtshalve vermindering wordt aangehouden in verband met de massaal bezwaar plus procedure en de voorbereiding van het formulier opgaaf werkelijk rendement door de Belastingdienst. De inspecteur geeft ook de mogelijkheid om de ingebrekestelling in te trekken. Bij geen intrekking verzoekt hij om de jaaropgaaf van rekeningen met bank- en spaartegoeden en een overeenkomst en bankafschrift waaruit de ontvangen rente over de verleende lening blijkt, te verstrekken. De inspecteur vraagt om de gevraagde informatie voor 28 november 2024 te versturen.\n\n10. Met dagtekening 3 december 2024 heeft de inspecteur de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering aan belanghebbende verstuurd. De inspecteur geeft aan dat de verzochte informatie niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat het verzoek wordt afgewezen.\n\n11. Belanghebbende heeft op 4 december 2024 een e-mail met afschriften rendement 2021 aan de inspecteur verzonden. Belanghebbende geeft aan dat hij het niet eens is met de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek als bezwaar aangemerkt had moeten worden. Belanghebbende haalt het recht op een dwangsom aan.\n\n12. Hangende het beroep, heeft de inspecteur met dagtekening 14 januari 2025 de beslissing op het verzoek om een dwangsom aan belanghebbende kenbaar gemaakt.\n\nDe inspecteur kent geen dwangsom toe, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n13. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Alvorens zij dat doet, beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n14. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid\n\n15. De rechtbank stelt vast dat hangende het beroep de inspecteur op 14 januari 2025 een beslissing heeft genomen op het verzoek om een dwangsom. Tegen deze beslissing staat bezwaar open. Belanghebbende had eerst bezwaar moeten maken tegen deze afwijzing van het verzoek om dwangsom. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan, heeft de rechtbank met instemming van partijen ter zitting verklaard dat het beroep ontvankelijk is en inhoudelijk beoordeeld wordt.\n\nDwangsom\n\n16. Belanghebbende heeft betoogd dat hij recht heeft op een dwangsom, omdat de inspecteur nadat hij door belanghebbende in gebreke is gesteld te laat een beslissing heeft genomen. Volgens belanghebbende heeft hij recht op de maximale vergoeding.\n\n17. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de beslissing om geen dwangsom toe te kennen juist is, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\n18. De rechtbank overweegt dat een verzoek om ambtshalve vermindering is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is niet opgenomen welke beslistermijn er geldt voor het beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering. Een beslissing dient dan binnen een redelijke termijn van acht weken genomen te worden.\n\n19. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, voor ten hoogste 42 dagen.De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.Geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.\n\n20. In de memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt over de uitzondering die is opgenomen in artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a van de Awb, het volgende opgemerkt:\n\n“De eerste uitzondering […] op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, [hij] zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen.(…)”\n\n“Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (…).”\n\nIn de Handelingen van de Tweede Kamer is het volgende vermeld:\n\n“In het algemeen is (…) zelfs een termijn van vijf of zes maanden nog niet onredelijk laat. We praten dus echt over een periode van een jaar of twee jaar waarin men helemaal niets laat horen. Dan is het raar om opeens in gebreke te gaan stellen en heel snel een beslissing te willen. Het is echt bedoeld voor dat soort uitzonderingsgevallen.”\n\n21. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de ingebrekestelling die door de inspecteur op 8 oktober 2024 is ontvangen. Dat belanghebbende mogelijk eerder op 5 juli 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden aan de inspecteur, is door hem niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft weliswaar op 15 november 2024 een e-mail aan de inspecteur verzonden met als bijlage een brief in Word-bestand met datum 5 juli 2023, maar daaruit blijkt niet dat die brief ook daadwerkelijk is verzonden.\n\n22. De rechtbank stelt vast dat het tijdsverloop van einde beslistermijn van de inspecteur (acht weken na het verzoek om ambtshalve vermindering van 5 december 2022) en de ingebrekestelling van 8 oktober 2024 aanzienlijk langer is dan de “hooguit enkele weken”, zoals in de memorie van toelichting is vermeld. Belanghebbende heeft ruim 1 jaar en 10 maanden geen actie ondernomen om een besluit op zijn verzoek te krijgen. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat in zijn algemeenheid niet kan worden bepaald wanneer een ingebrekestelling onredelijk laat is, omdat daarbij van belang is hoe er nadien tussen partijen van gedachten is gewisseld. Wel wordt een tijdsverloop van een jaar of twee jaar in ieder geval als onredelijk laat beschouwd. Belanghebbende heeft meermaals contact gehad met de inspecteur, maar dit contact heeft plaatsgevonden nadat hij de ingebrekestelling had ingediend. Eerder contact is, zoals onder punt 21 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling onder deze omstandigheden onredelijk laat ingediend. De inspecteur is daarom geen dwangsom verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om dwangsom wordt afgewezen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4:13 van de Awb.\n\n Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, zesde lid onder a van de Awb.\n\n Kamerstukken II, 2004\u002F05, 29934, nr. 6, blz. 5 en 13.\n\n Handelingen II 2005\u002F06, nr. 76, blz. 4726.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5066","2026-07-13T00:29:28.258Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":65,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":52,"updatedAt":67},"1579","ECLI:NL:RBGEL:2026:5069","ecli-nl-rbgel-2026-5069","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8843\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om dwangsom.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.602 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 295.\n\nDe inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende afgewezen.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde] namens belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in [plaats] en heeft een fiscaal partner.\n\n2. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2022 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2021.\n\n3. Belanghebbende heeft op 22 maart 2022 de aangifte IB\u002FPVV 2021 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.602 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 295 opgegeven.\n\n4. Met dagtekening 30 augustus 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2021 vastgesteld conform de ingediende aangifte. Het betreft een nihil aanslag. Op de aanslag staat dat voor het box 3-inkomen rekening is gehouden met de uitspraak van Hoge Raad van 24 december 2021.\n\n5. Bij brief van 5 december 2022, ontvangen door de inspecteur op 13 december 2022, heeft belanghebbende tezamen met haar fiscaal partner om een ambtshalve vermindering voor box 3 aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2021 verzocht.\n\n6. Belanghebbende en haar fiscaal partner hebben op 30 september 2024 en ontvangen door de inspecteur op 8 oktober 2024, een ingebrekestelling verzonden voor het niet beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering. Belanghebbende geeft ook aan dat zij op 5 juli 2023 een brief heeft verzonden aan de inspecteur, maar geen reactie hierop heeft ontvangen.\n\n7. Op 15 november 2024 heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met de fiscaal partner van belanghebbende. De inspecteur geeft aan dat de genoemde brief van 5 juli 2023 niet vindbaar is en verzoekt aan de fiscaal partner van belanghebbende een afschrift van deze brief per e-mail te versturen. De fiscaal partner heeft dezelfde dag een e-mail met als bijlage de brief in Word-bestand aan de inspecteur verzonden.\n\n8. De inspecteur heeft op 20 november 2024 een e-mail verstuurd aan de fiscaal partner van belanghebbende waarin hij refereert naar telefonisch contact waar is besproken dat het verzoek om ambtshalve vermindering wordt aangehouden in verband met de massaal bezwaar plus procedure en de voorbereiding van het formulier opgaaf werkelijk rendement door de Belastingdienst. De inspecteur geeft ook de mogelijkheid om de ingebrekestelling in te trekken. Bij geen intrekking verzoekt hij om de jaaropgaaf van rekeningen met bank- en spaartegoeden en een overeenkomst en bankafschrift waaruit de ontvangen rente over de verleende lening blijkt, te verstrekken. De inspecteur vraagt om de gevraagde informatie voor 28 november 2024 te versturen.\n\n9. Met dagtekening 3 december 2024 heeft de inspecteur de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering aan belanghebbende verstuurd. De inspecteur geeft aan dat de verzochte informatie niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat het verzoek wordt afgewezen.\n\n10. De fiscaal partner van belanghebbende heeft op 4 december 2024 een e-mail met afschriften rendement 2021 aan de inspecteur verzonden. De fiscaal partner geeft aan dat hij het niet eens is met de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek als bezwaar aangemerkt had moeten worden. De fiscaal partner haalt het recht op een dwangsom aan.\n\n11. Hangende het beroep, heeft de inspecteur met dagtekening 14 januari 2025 de beslissing op het verzoek om een dwangsom aan belanghebbende kenbaar gemaakt.\n\nDe inspecteur kent geen dwangsom toe, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n12. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Alvorens zij dat doet, beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid\n\n14. De rechtbank stelt vast dat hangende het beroep de inspecteur op 14 januari 2025 een beslissing heeft genomen op het verzoek om een dwangsom. Tegen deze beslissing staat bezwaar open. Belanghebbende had eerst bezwaar moeten maken tegen deze afwijzing van het verzoek om dwangsom. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan, heeft de rechtbank met instemming van partijen ter zitting verklaard dat het beroep ontvankelijk is en inhoudelijk beoordeeld wordt.\n\nDwangsom\n\n15. Belanghebbende heeft betoogd dat zij recht heeft op een dwangsom, omdat de inspecteur nadat hij door belanghebbende in gebreke is gesteld te laat een beslissing heeft genomen. Volgens belanghebbende heeft zij recht op de maximale vergoeding.\n\n16. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de beslissing om geen dwangsom toe te kennen juist is, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\n17. De rechtbank overweegt dat een verzoek om ambtshalve vermindering is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is niet opgenomen welke beslistermijn er geldt voor het beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering. Een beslissing dient dan binnen een redelijke termijn van acht weken genomen te worden.\n\n18. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, voor ten hoogste 42 dagen.De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.Geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.\n\n19. In de memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt over de uitzondering die is opgenomen in artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a van de Awb, het volgende opgemerkt:\n\n“De eerste uitzondering […] op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, [hij] zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen. (…)”\n\n“Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (…).”\n\nIn de Handelingen van de Tweede Kamer is het volgende vermeld:\n\n“In het algemeen is (…) zelfs een termijn van vijf of zes maanden nog niet onredelijk laat. We praten dus echt over een periode van een jaar of twee jaar waarin men helemaal niets laat horen. Dan is het raar om opeens in gebreke te gaan stellen en heel snel een beslissing te willen. Het is echt bedoeld voor dat soort uitzonderingsgevallen.”\n\n20. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de ingebrekestelling die door de inspecteur op 8 oktober 2024 is ontvangen. Dat belanghebbende mogelijk eerder op 5 juli 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden aan de inspecteur, is door haar niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft weliswaar op 15 november 2024 een e-mail aan de inspecteur verzonden met als bijlage een brief in Word-bestand met datum 5 juli 2023, maar daaruit blijkt niet dat die brief daadwerkelijk is verzonden.\n\n21. De rechtbank stelt vast dat het tijdsverloop van einde beslistermijn van de inspecteur (acht weken na het verzoek om ambtshalve vermindering van 5 december 2022) en de datum van de ingebrekestelling van 8 oktober 2024 aanzienlijk langer is dan de “hooguit enkele weken”, zoals in de memorie van toelichting vermeld. Belanghebbende heeft ruim 1 jaar en 10 maanden geen actie ondernomen om een besluit op haar verzoek te krijgen. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat in zijn algemeenheid niet kan worden bepaald wanneer een ingebrekestelling onredelijk laat is, omdat daarbij van belang is hoe er nadien tussen partijen van gedachten is gewisseld. Wel wordt een tijdsverloop van een jaar of twee jaar in ieder geval als onredelijk laat beschouwd. Belanghebbende heeft meermaals contact gehad met de inspecteur, maar dit contact heeft plaatsgevonden nadat zij de ingebrekestelling had ingediend. Eerder contact is, zoals onder punt 20 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling onder deze omstandigheden onredelijk laat ingediend. De inspecteur is daarom geen dwangsom verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om dwangsom wordt afgewezen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4:13 van de Awb.\n\n Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, zesde lid onder a van de Awb.\n\n Kamerstukken II, 2004\u002F05, 29934, nr. 6, blz. 5 en 13.\n\n Handelingen II 2005\u002F06, nr. 76, blz. 4726.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5069","2026-07-13T00:29:28.192Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":72,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":52,"updatedAt":74},"1578","ECLI:NL:RBGEL:2026:5042","ecli-nl-rbgel-2026-5042","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F9105\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 november 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.628. Gelijktijdig bij de vaststelling van de aanslag heef de inspecteur belastingrente van € 129 in rekening gebracht.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag IB\u002FPVV 2022 gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 1] namens belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is op 7 september 1992 bij Blokker B.V. in dienst getreden.\n\n2. Op 26 april 2021 heeft belanghebbende een vaststellingsovereenkomst met Blokker B.V. gesloten waarbij partijen overeen zijn gekomen dat de bestaande arbeidsovereenkomst per 1 september 2021 met wederzijds goedvinden eindigt. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen een beëindigingsvergoeding van € 31.444,37 overeengekomen.\n\n3. Belanghebbende heeft zich op 18 mei 2021 ziek gemeld bij Blokker B.V. Belanghebbende ontving vanaf het moment dat hij ziek werd tot 14 mei 2023 een Ziektewet-uitkering van Blokker B.V.\n\n4. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2023 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2022.\n\n5. Belanghebbende heeft op 14 april 2023 om uitstel verzocht. De inspecteur heeft tot 1 mei 2024 uitstel verleend.\n\n6. Belanghebbende heeft op 2 mei 2023 de aangifte IB\u002FPVV 2022 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 25.520 opgegeven bij Blokker B.V. en inkomen uit eigen woning van € - 1.892.\n\n7. Met dagtekening 1 december 2023 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2022 vastgesteld. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 23.628 en bestaat uit inkomen uit vroegere dienstbetrekking ter hoogte van € 25.520 bij Blokker B.V. en inkomen uit eigen woning van € - 1.892. Daarnaast heeft de inspecteur belastingrente van € 129 in rekening gebracht.\n\n8. Belanghebbende heeft op 10 januari 2024, ontvangen door de inspecteur op 11 januari 2024, bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB\u002FPVV 2022. Belanghebbende geeft in het bezwaarschrift aan dat de ingediende aangifte juist is en de witte tabel toegepast dient te worden, omdat belanghebbende in dienst was van Blokker B.V.\n\n9. De inspecteur heeft op 16 augustus 2024 aan belanghebbende verzocht om informatie met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij Blokker B.V.\n\n10. Belanghebbende heeft op 22 augustus 2024 per e-mail een vaststellingsovereenkomst, salarisstrook van december 2022 en een brief van het UWV van 6 april 2023 aan de inspecteur verzonden.\n\n11. Bij brief van 21 oktober 2024 heeft de inspecteur belanghebbende laten weten voornemens te zijn om het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren. In deze brief is belanghebbende ook gewezen op het hoorrecht.\n\n12. Belanghebbende heeft op 1 november 2024 gereageerd op het voornemen van de inspecteur. Volgens belanghebbende kan een wettelijk ontslag niet ingaan tijdens een ziekteperiode. Belanghebbende heeft onder andere de jaaropgave 2023 overgelegd waarin staat vermeld dat de ontslagdatum 15 mei 2023 is.\n\n13. Bij uitspraak op bezwaar van 12 november 2024 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard, omdat belanghebbende tot en met 31 augustus 2021 in loondienst was bij Blokker B.V. en in september 2021 een ontslaguitkering heeft ontvangen. Daarnaast heeft belanghebbende in de periode van 1 september 2021 tot en met 31 december 2021 een Ziektewet-uitkering ontvangen van Blokker B.V. Volgens de inspecteur is hiermee terecht de groene tabel toegepast.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n14. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB\u002FPVV 2022 juist is vastgesteld, in het bijzonder of recht bestaat op arbeidskorting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n16. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in 2022 recht heeft op arbeidskorting, omdat sprake is van een dienstbetrekking. Hij heeft op 26 april 2021 een vaststellingsovereenkomst met Blokker B.V. gesloten waarbij de bestaande arbeidsovereenkomst op 31 augustus 2021 zou eindigen. Op 18 mei 2021 heeft belanghebbende zich ziek gemeld en met ingang van deze datum heeft hij een Ziektewet-uitkering van Blokker B.V. ontvangen, waardoor de dienstbetrekking niet is beëindigd op 31 augustus 2021. Belanghebbende verwijst hierbij naar een loonspecificatie van december 2022 waarin als datum van indiensttreding 1 september 2021 wordt genoemd en het contract voor onbepaalde tijd staat aangemerkt. Tevens verwijst belanghebbende naar de jaaropgaven 2021, 2022 en 2023 waarin belanghebbende wordt aangeduid als werknemer.\n\n17. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat van een dienstbetrekking in 2022 geen sprake meer is, omdat deze op 31 augustus 2021 met wederzijds goedvinden is geëindigd. De inspecteur geeft aan dat uit de betalingsspecificatie van december 2022 en de jaaropgaven van Blokker B.V. blijkt dat Blokker B.V. geen arbeidskorting heeft toegepast op de Ziektewet-uitkering. Pas na uitdiensttreding, per 1 september 2021, heeft Blokker B.V. een ziektewetuitkering aan belanghebbende uitgekeerd en is er een nieuwe inkomstenverhouding ontstaan. Dit heeft Blokker B.V. niet gedaan in het kader van een lopende dienstbetrekking, maar als eigenrisicodrager voor de Ziektewet.\n\n18. In artikel 8.11, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. Volgens artikel 8.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet IB 2001 wordt onder arbeidsinkomen verstaan: het gezamenlijk bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden. Voor 1 januari 2020 gold dat een Ziektewet-uitkering tot het arbeidsinkomen werd gerekend.Met ingang van 1 januari 2020 is dat gewijzigd en wordt een Ziektewet-uitkering alleen tot het arbeidsinkomen gerekend indien de dienstbetrekking nog niet beëindigd is.\n\n19. In de parlementaire behandelingis over bovenstaande wijziging het volgende opgenomen:\n\n“Een werknemer krijgt in veel gevallen bij ziekte zijn loon doorbetaald door zijn werkgever. Als dat niet het geval is, zorgt de ZW voor een inkomensvoorziening bij ziekte van de werknemer. Een ZW-uitkering wordt echter ook verstrekt aan personen die door ziekte tijdelijk niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, maar geen dienstbetrekking (meer) hebben, bijvoorbeeld aan personen die een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) hadden en ziek zijn geworden of personen van wie de dienstbetrekking tijdens ziekte is beëindigd.\n\nAls iemand een ZW-uitkering heeft, telt die uitkering mee als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en van de IACK. Een WW-uitkering telt niet mee als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en van de IACK. Iemand die een WW-uitkering heeft en ziek wordt en daardoor een ZW-uitkering ontvangt, heeft op dat moment een hoger inkomen dat meetelt voor de bepaling van de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. Als gevolg daarvan treedt op dat moment in de regel een substantiële netto-inkomensstijging op. Vervolgens ervaart deze persoon juist in de regel een substantiële netto-inkomensdaling als hij zich beter meldt en weer een WW-uitkering geniet. Beide situaties acht het kabinet, ook voor vergelijkbare groepen, niet wenselijk. Daarom is het voorstel om per 2020 voor nieuwe ZW-uitkeringsgerechtigden zonder werk de ZW-uitkering niet mee te laten tellen als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting.\n\nDat betekent dat een knip moet worden aangebracht in de groep mensen die een ZW-uitkering geniet. Kort gezegd, wordt een knip aangebracht tussen zieken met werk en zieken zonder werk. De voorgestelde maatregel is daarmee zowel van toepassing voor mensen met een WW-uitkering die ziek worden als voor mensen die in een vergelijkbare situatie verkeren als zieke WW-gerechtigden: zij zijn ziek en hebben geen dienstbetrekking (meer). Het betreft bijvoorbeeld mensen met een arbeidscontract voor bepaalde duur dat is beëindigd, uitzendkrachten die onder het uitzendbeding vallen en zwangeren die geen dienstbetrekking (meer) hebben en zich vóór hun zwangerschaps- en bevallingsverlof ziek melden. Voorgesteld wordt bij deze groepen de ZW-uitkering niet langer te laten meetellen als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. Het gaat om circa 250.000 ziektegevallen per jaar (ZW-uitkeringen), met een gemiddelde duur van 52 dagen (cijfers 2017).”\n\n20. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende in 2022 geen recht had op arbeidskorting, omdat hij geen dienstbetrekking had. Belanghebbende ontving in 2022 een Ziektewet-uitkering van zijn ex-werkgever, waarbij de dienstbetrekking al per 1 september 2021 middels een vaststellingsovereenkomst was beëindigd. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd die erop kunnen wijzen dat de vaststellingsovereenkomst niet geldig of herroepen is. Dat in de loonspecificatie een ingangsdatum van 1 september 2021 en een contract voor onbepaalde tijd staat genoemd, en in de jaaropgaven over een werknemer wordt gesproken, maakt niet dat het om een lopende dienstbetrekking gaat. De rechtbank ziet daarentegen in de loonspecificatie ook de functie ‘ZW-uitkeringsgerechtigde’ staan. Verder blijkt uit de door de inspecteur overgelegde stukken dat de ex-werkgever van belanghebbende voor de periode tot 1 september 2021 uitgaat van een dienstbetrekking en voor de periode erna (dus heel 2022) niet. Voorts merkt de rechtbank op dat belanghebbende bij een eventuele betermelding na 1 september 2021 geen loon meer zou ontvangen van zijn ex-werkgever, omdat de arbeidsovereenkomst immers niet meer bestond.\n\n21. Belanghebbende heeft ter zitting gewezen op een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland zonder de exacte gegevens te weten. De rechtbank heeft getracht deze uitspraak te achterhalen. Voor zover belanghebbende heeft willen verwijzen naar de uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2024:2692, merkt de rechtbank op dat deze op een andere situatie ziet.\n\n22. Nu het hier niet om een Ziektewet-uitkering met dienstbetrekking gaat, dient de Ziektewet-uitkering niet tot het arbeidsinkomen gerekend te worden en bestaat er dus ook geen recht op arbeidskorting. De aanslag IB\u002FPVV 2022 is juist vastgesteld.\n\nBelastingrente\n\n23. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Omdat er geen reden is om de aanslag te verminderen, blijft de belastingrente in stand.\n\nConclusie en gevolgen\n\n24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 8.1, tweede lid, onderdeel van de Wet IB 2001 (tekst 2019).\n\n MvT, Kamerstukken II2018\u002F19, 35026, nr.3, p 18-19.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5042","2026-07-13T00:29:28.152Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":79,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":52,"updatedAt":82},"1577","ECLI:NL:RBGEL:2026:5077","ecli-nl-rbgel-2026-5077","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 25\u002F2178 en 26\u002F783, 26\u002F2902 en 26\u002F2904\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 april 2025 (jaar 2021) en van 15 december 2025 (jaar 2022).\n\n2021\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.029 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd (de verzuimboetebeschikking 2021).\n\n2022\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 ambtshalve een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.620 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 253. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd (de verzuimboetebeschikking 2022).\n\n2023\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 ambtshalve een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.091 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 478. Er is voor het jaar 2023 geen verzuimboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende voor de jaren 2021 tot en met 2023 (voorgenomen beslissing van 13 maart 2026) ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd. Op 31 december 2025 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2022 verlaagd met € 78. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verminderd naar nihil.\n\n2024\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2024 ambtshalve een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.595 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 970. Er is voor het jaar 2024 geen verzuimboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nDe rechtbank heeft na de zitting nog nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Hierin heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1946.\n\n2. Belanghebbende was van 30 maart 1973 tot en met 15 juni 2007 gehuwd met [persoon C]. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende vanaf 2011 betaalde alimentatie mag aftrekken, of de aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2021 tot en met 2024 naar de juiste bedragen zijn opgelegd en of de verzuimboetes voor de jaren 2021 en 2022 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n4. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nVooraf\n\n5. Voor het jaar 2024 hebben partijen ter zitting afgesproken dat zij toestemming geven voor rechtstreeks beroep, waardoor de rechtbank ook de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2024 kan beoordelen.\n\nMag belanghebbende vanaf 2011 betaalde alimentatie in aftrek brengen?\n\n6. Belanghebbende heeft gesteld dat hij nog geld terug moet krijgen van de Belastingdienst, bijvoorbeeld vanwege betaalde alimentatie aan zijn ex-partner in de jaren 2011 tot en met 2017. Belanghebbende wil een eenvoudig aangifteformulier ontvangen en vanaf 2011 betaalde alimentatie in aftrek brengen.\n\n7. Over de jaren tot en met 2020 hoefde belanghebbende geen aangifte IB\u002FPVV te doen.Belanghebbende moest voor het eerst over het jaar 2021 aangifte IB\u002FPVV doen.\n\n8. Volgens de wet kan tot vijf jaar terug aangifte IB\u002FPVV worden gedaan.Om van de Belastingdienst geld terug te kunnen krijgen, moet voor die jaren in ieder geval aangifte IB\u002FPVV zijn gedaan. De jaren 2011 tot en met 2020 zijn meer dan vijf jaren geleden. Voor die jaren kan dus geen aangifte IB\u002FPVV meer worden gedaan. Belanghebbende vindt dat voor hem een uitzondering moet gelden, vanwege zijn leeftijd en omdat hij ziek is geweest.\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat van de wettelijke aangifteplicht niet kan worden afgeweken, ook niet om de redenen die belanghebbende noemt.\n\nConclusie:\n\n10. Belanghebbende kan geen aangiften IB\u002FPVV dan wel verzoeken om ambtshalve vermindering doen voor de jaren 2011 tot en met 2020. Hij kan de betaalde alimentatie daarom niet in aftrek brengen.\n\nZijn de aanslagen voor de jaren 2021 tot en met 2024 juist?\n\n11. Belanghebbende heeft gesteld dat hij geld terug moet ontvangen in verband met in eerdere jaren betaalde alimentatie. Belanghebbende heeft op de zitting gezegd dat hij alimentatie aan zijn ex-partner heeft betaald tot en met 2017. Dus voor de jaren 2021 tot en met 2024 heeft hij geen alimentatie betaald. Betalingen van alimentatie uit eerdere jaren kunnen niet meer worden afgetrokken van het inkomen van 2021 of latere jaren.\n\n12. Belanghebbende heeft geen andere aftrekposten genoemd en ook in de overgelegde stukken ziet de rechtbank geen andere aftrekposten. De inspecteur heeft zich bij het opleggen van de aanslagen gebaseerd op gegevens van belanghebbende, die bij de Belastingdienst via de Sociale Verzekeringsbank, het ABP, Nationale Nederlanden en de banken bekend zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat die inkomsten onjuist zouden zijn. Belanghebbende heeft op de zitting ook niet aangegeven dat die gegevens onjuist zijn of dat gegevens ontbreken.\n\nConclusie:\n\n13. De aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2021 tot en met 2024 zijn juist.\n\nVerzuimboetes (jaren 2021 en 2022)\n\n14. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2021 en 2022.\n\n15. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat hij die aangiften niet heeft gedaan.\n\n16. De inspecteur heeft mogelijkheden om op te treden als niet of niet tijdig aangifte wordt gedaan. De inspecteur kan een verzuimboete opleggen.\n\n17. Het niet binnen de termijndoen van de aangiftes vormt een verzuim. Daarvoor kan de inspecteur belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete opleggen.\n\n18. Omdat geen aangiften zijn ingediend over de jaren 2021 en 2022 heeft de inspecteur terecht de verzuimboetes opgelegd.\n\n19. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verzuimboetes te matigen in verband met de door belanghebbende gestelde medische situatie en zijn leeftijd. Belanghebbende heeft op de zitting gezegd dat hij geen hulp wil vragen en dat hij er bewust voor kiest om geen aangifte te doen. De inspecteur is al erg coulant geweest. De inspecteur heeft over 2023 en 2024 géén verzuimboetes opgelegd, terwijl belanghebbende ook voor die jaren geen aangiftes heeft gedaan. Voor het jaar 2025 heeft de inspecteur op de zitting een vooringevulde papieren aangifte IB\u002FPVV aan belanghebbende aangeboden. Deze aangifte wilde belanghebbende niet meenemen naar huis om hem thuis rustig te controleren, eventueel aan te vullen, te ondertekenen en terug te sturen aan de inspecteur. De rechtbank acht in de gegeven omstandigheden een boete van € 385 voor het jaar 2021 en € 385 voor het jaar 2022 passend en geboden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n20. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen teruggaaf van IB\u002FPVV krijgt voor de jaren 2011 tot en met 2024 en de verzuimboetes in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\nUitgesproken op 26 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:1 van de Awb en artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient eerst bezwaar gemaakt te worden tegen een voor bezwaar vatbare beschikking voordat beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a Awb is voldaan, hebben partijen ter zitting ingestemd met rechtstreeks beroep.\n\n Belanghebbende is voor die jaren niet uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV.\n\n Artikel 9.6 van de Wet IB 2001 en artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling IB 2001.\n\n Artikel 6.40 van de Wet IB 2001 bepaalt dat persoonsgebonden aftrekposten, waaronder alimentatie, in aftrek kunnen worden gebracht op het tijdstip waarop zij zijn betaald, verrekend, ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden.\n\n Artikel 9, derde lid, van de AWR (aanmaning).\n\n Artikel 67a, eerste lid, van de AWR.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5077","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:28.117Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":44,"courtId":87,"decisionDate":88,"fullText":89,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":52,"updatedAt":92},"1004","ECLI:NL:RBNNE:2026:2468","ecli-nl-rbnne-2026-2468",65,"2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: LEE 25\u002F1840, LEE 25\u002F1841 en LEE 25\u002F1842\n\nuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 juni 2026 in de zaken tussen\n de erven van [erflater] , uit [plaats] , eisers\n\n(gemachtigde: [naam 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, Particulieren, kantoor Eindhoven, de inspecteur\n\n(gemachtigde: mr. drs. [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 9 april 2025.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan erflater voor de jaren 2018, 2019 en 2020 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd.\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard.\n\n1.3.. Tegelijk met de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur beslist dat eisers geen recht hebben op dwangsommen.\n\n1.4.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.5.. Eisers hebben nadere stukken ingediend.\n\n1.6.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, bijgestaan door [naam 3] , en namens de inspecteur mr. [naam 4] en mr. [naam 5] .\n\nFeiten\n\n2.2.1.. Aan wijlen [erflater] (erflater) zijn voor de jaren 2018, 2019 en 2020 aanslagen IB\u002FPVV opgelegd met respectievelijk dagtekening 19 september 2019, 9 mei 2020 en 6 augustus 2021. Erflater heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen.\n\n2.2.. Erflater is overleden op 9 juli 2022.\n\n2.3.. Erflater heeft twee erfgenamen, de heren [naam 1] en [naam 6] .\n\n2.4.. Eisers hebben bij brief van 30 november 2024, door de inspecteur ontvangen op 5 december 2024, bezwaar gemaakt tegen de aan erflater opgelegde aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2018 tot en met 2022. Het bezwaarschrift luidt – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“Als gevolg van het box 3-arrest is vast komen te staan dat het fictieve rendement voor de jaren 2018 tot en met 2023 te hoog is vastgesteld ten opzichte van het daadwerkelijk genoten rendement en zelfs negatief betaalde rendement in 2021.\n\nIn de jaren voor haar overlijden was zij slechts in beperkte mate in staat op te komen voor haar eigen financiële en fiscale positie en had zij een zeer teruggetrokken bestaan. De wijlen willen dit verzuim herstellen door alsnog bezwaarschriften in te dienen.\n\nIn onderhavige kwestie is sprake van verschoonbare termijnoverschrijding (ECLI:NL:HR:2024:515), waardoor de bezwaarschriften ontvankelijk zijn. Als u van mening bent dat sprake is van een niet-ontvankelijkheidskwestie verzoek ik u om daarover met ons in gesprek te gaan.(…)\n\nAls u het bezwaar deels en\u002Fof volledig afwijst dan willen wij graag gehoord worden.(…)”\n\n2.5.. Bij brief van 23 maart 2025, door de inspecteur ontvangen op 27 maart 2025, hebben eisers de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaren.\n\n2.6.. Bij brieven van 2 april 2025 heeft de inspecteur eisers een vooraankondiging van de door hem voorgenomen uitspraken op bezwaar gestuurd. De inspecteur schrijft daarin van plan te zijn de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren. Deze brieven luiden – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“HorenU kunt mondeling toelichten waarom u denkt dat uw bezwaar toch ontvankelijk is. U hebt het recht om gehoord te worden. Als u een afspraak wilt maken voor een gesprek kunt u mij e-mailen op [mailadres] of bellen op [telefoonnummer] . U kunt daarbij ook aangeven of u gebruik wilt maken van het recht de stukken die betrekking hebben op de zaak vooraf in te zien (inzagerecht). Laat u mij dit weten vóór 9 april 2025.\n\nIk zal beoordelen of uw verklaring reden is om het bezwaar toch als tijdig te behandelen.”\n\n2.7.. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2018, 2019 en 2020 niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraken op bezwaar hebben als dagtekening 9 april 2025.\n\n2.8.. Naar aanleiding van de uitspraken op bezwaar hebben eisers de inspecteur op 24 april 2025 een e-mail van 23 april 2025 doorgezonden. Die e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“Bijgaand reageer ik op de stapel brieven die ik heb ontvangen.\n\nIk sta perplex en weet eigenlijk niet zo goed hoe ik moet reageren.\n\nDaarom heb ik ook eventjes gewacht. Ik voel mij overvallen.\n\nHet is voor mij onduidelijk wat u hebt gedaan, hoe u tot uw inzichten bent gekomen en waarom de beslissingen zijn genomen zoals ze zijn genomen.\n\nHet is voor mij een wirwar en kan mij dan ook moeilijk met de besluiten verenigen. Wilt u mij dat opnieuw en meer op detailniveau uitleggen?\n\nDe ingebrekestelling is voor u kennelijk de aanleiding geweest voor een abrupte afdoening en op volle snelheid handelingen uit te voeren zonder inachtneming van een passende en juiste bezwaar behandeling. Dat lijkt mij niet juist. Een ingebrekestelling overrult de inhoudelijk behandeling niet. Het is slechts een prikkel om u te activeren naar de inhoudelijke behandeling toe.\n\nImmers, (i) waren alle termijnen verstreken, heeft de Belastingdienst na de ontvangstbevestiging niks van zich laten horen en verder ook geen enkel initiatief getoond.\n\nDe afwikkeling van de nalatenschap was een beladen traject, nu dit. Een ingebrekestelling is geen vrijbrief om vervolgens alle regels die horen bij een de bezwaar- en verzoekbehandeling opzij te schuiven.\n\nBij mij ontstaat de indruk dat het niet uitbetalen van een dwangsomvergoeding, belangrijker is dan een deugdelijk behandeling van het bezwaar- en\u002Fof verzoekschrift op zichzelf.\n\nIk verzoek u daarom het volgende:\n\n- een nieuwe herbeoordeling van de ontvankelijkheid waarbij wordt getoetst op de persoonlijke omstandigheden (zoals ook al gemotiveerd) conform de nieuwe jurisprudentie zoals aangehaald in de eerste brief, deze mag u niet zo maar opzij schuiven. Mijn moeder was op een zeer hoge leeftijd, woonachtig in een bejaardenhuis, zie ook de context in brief met de datum 30 november 2024;\n\n- sommige jaren speelt de ontvankelijkheid wel en voor andere niet hoe kan dat en waarop baseert u dat inzicht?\n\n- voor sommige jaren is volgens geen sprake van box 3-inkomen, kunt u mij uitleggen waarop u dat inzicht baseert?\n\nHopend dat u nogmaals kritisch, open en integraal het dossier (ambtshalve) doorneemt.”\n\n2.9.. In reactie op de e-mail van 24 april 2025 van eiser heeft de inspecteur op 29 april 2025 per e-mail gereageerd. Deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“Na onderzoek blijkt dat de belastingjaren 2018, 2019 en 2020 automatisch mee doen aan de massaal bezwaar plus procedure. Voor de belastingjaren 2021 en 2022 heeft wijlen mevrouw [erflater] geen box 3 belang. Uw reactietermijn voor een hoorgesprek is verstreken. Mocht u het niet eens zijn met de uitspraken, dan verwijs ik u naar de bijlage in de brieven waar u ziet hoe u in beroep en\u002Fof in bezwaar kunt gaan.”\n\n2.10.. In reactie op de e-mail van 29 april 2025 van de inspecteur hebben eisers op 6 mei 2025 per e-mail gereageerd. Deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“Ik verbaas mij over uw reactie, opstelling en houding. Uw reactie is onjuist en ongepast.\n\nUw opstelling past niet bij een fatsoenlijke bezwaarprocedure die de Belastingdienst nastreeft.\n\nUw houding past niet bij de rechtsbeginselen, de Awb zoals bijvoorbeeld het Besluit fiscaal bestuursrecht, paragraaf 9. Dat is een uitvloeisel van artikel 7:2 Awb. Ik zal dat onderstaand toelichten.\n\nIk verzoek u nogmaals om de ontvankelijkheid te beoordelen alsook de materiële aspecten van box 3.\n\nU mag niet zonder meer enkele dagen voor een hoorgesprek inplannen. De gegeven reactietermijn was onredelijk en dat behoort u te (kunnen) weten.\n\nDat staat geheel los van de ingestuurde ingebrekestelling zoals uitgelegd in de vorige mail. Bovendien hebt u zich dan te houden aan enig vorm van herstelverzuim als uw opvatting wel juist zou zijn. Ik heb het hoorrecht niet prijsgegeven en ik heb hiervan ook niet afgezien.\n\nVerder houdt u geen enkele rekening met de geschetste en specifieke omstandigheden dat mijn moeder is overleden, erfgenamen onderdeel zijn van de correspondentie en de overleden persoon en erfgenamen zich correct hebben gehouden aan de fiscale verplichtingen. Ik neem aan dat ik ook van u enige wederkerigheid mag verwachten.\n\nAls u opnieuw besluit om zonder een serieuze, oprechte en inhoudloze behandeling te gaan voor afdoening, dan maak ik conform de door u aangehaalde rechtsmiddelenverwijzingen bezwaar en beroep tegen uw besluiten.\n\nDeze moet u dan ook als zodanig kwalificeren. Ik ben het dan oneens met uw standpunten zonder dat ik mij echt moeilijk kan verweren aangezien nergens echt inhoudelijk op is ingegaan.\n\nOp u rust dan de doorzendplicht ingevolge artikel 6:15 Awb. De doorzendplicht verplicht het bestuursorgaan waarbij bezwaar of beroep wordt ingesteld terwijl dat bij een ander orgaan dient te gebeuren, dit bezwaar of beroepsschrift door te zenden naar het orgaan dat op dit bezwaar of beroep dient te beslissen.\n\nOok uw andere verzuimen zoals het ongemotiveerd afdoen, niet horen en niet verstrekken van op de zaak betrekking hebben de stukken, geen opvolging geven aan de op uw rustende onderzoeksplicht t.a.v. de ontvankelijkheid vormen dan onder meer gronden van bezwaar en beroep.”\n\n2.11.. Eisers hebben hun beroepschrift per aangetekende post aan de rechtbank gezonden. De rechtbank heeft het beroepschrift op 27 mei 2025 ontvangen. De verzendsticker op de enveloppe geeft aan dat de brief op 26 mei 2025 op de post is gedaan.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOntvankelijkheid van de beroepen\n\n3. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken.Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het besluit, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking.Een beroepschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.Als de rechtbank een beroep niet-ontvankelijk verklaart, omdat het niet tijdig is ingediend, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.\n\n4. Het beroepschrift van eisers is buiten de beroepstermijn ontvangen. Het is per post verzonden op 26 mei 2025 (zie 2.11). Dat had uiterlijk op 21 mei 2025 gemoeten. Uitgaande van de hiervoor genoemde regels is het beroep dan niet tijdig ingediend.\n\n5. De rechtbank ziet echter aanleiding om het beroep toch ontvankelijk te achten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Nadat eisers de uitspraken op bezwaar ontvingen hebben zij met de inspecteur contact per e-mail contact gehad (zie 2.8 en 2.10). De rechtbank leest in de e-mails van eisers dat zij het niet eens zijn met de uitspraken op bezwaar én daarbij de inspecteur vragen om het bezwaar opnieuw te behandelen. Gelet daarop, en gelet op het feit dat de inspecteur niet zelf kan terugkomen op zijn uitspraken op bezwaar, had de inspecteur deze e-mails aan de rechtbank moeten doorsturen als zijnde een (pro forma) beroepschrift. Het feit dat de inspecteur in zijn reactie (zie 2.9) eisers nogmaals op de mogelijkheid van beroep heeft gewezen, waarna eisers bleven aandringen op een herbeoordeling door de bezwaarbehandelaar, doet deze doorzendplicht niet vervallen. Uitgaande van de datums van de e-mails van eisers, zijn de beroepen dan wel tijdig ingediend.\n\nInhoudelijke beoordeling van de beroepen\n\n6. De rechtbank beoordeelt hierna of de inspecteur de bezwaren terecht nietontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de inspecteur zorgvuldig heeft gehandeld in de bezwaarprocedure en of de inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat:\n\nde inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard;\n\nde inspecteur niet zorgvuldig heeft gehandeld in de bezwaarprocedure;\n\nde inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend.\n\nHierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid van de bezwaren\n\n8. Eisers stellen dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. De inspecteur heeft het op de door de Hoge Raad in zijn arrest van 5 april 2024 geformuleerde beoordelingskader niet juist toegepast.Ter zitting hebben eisers toegelicht dat, toen erflater nog in leven was, de gemachtigde van eisers op basis van een levenstestament of volmacht ook gerechtigd was om voor erflater bezwaar te maken. Erflater wilde haar zaken echter zelf regelen. Tot op zekere hoogte kon zij dat ook. Haar doenvermogen was echter beperkt. Uit respect voor de wensen van erflater heeft de gemachtigde van eisers daarom destijds geen bezwaar gemaakt.\n\n9. De inspecteur stelt dat voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in bezwaar vereist is dat eisers aannemelijk maken dat erflater niet in staat was om zelf tijdig bezwaar te maken. Als erflater niet zelf in staat was om bezwaar te maken, had zij maatregelen moeten treffen om haar belangen te laten behartigen. De inspecteur wijst er verder op dat na het overlijden van erflater het nog circa tweeëneenhalf jaar heeft geduurd voordat eisers bezwaar instelden. Ook voor dat deel van de termijnoverschrijding zijn geen valide redenen aangevoerd. Aldus de inspecteur.\n\n10. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de bezwaren ver buiten de bezwaartermijnen zijn ingediend. Ook staat vast dat ten aanzien van elke aanslag IB\u002FPVV een deel van de termijnoverschrijding kwam doordat erflater geen bezwaar had gemaakt, en een deel doordat de erfgenamen pas tweeëneenhalf jaar na het overlijden bezwaar maakten. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de termijnoverschrijdingen verschoonbaar zijn.\n\n11. Van verschoonbaarheid is sprake indien (i) de indiener pas na het verstrijken van de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en (ii) de indiener, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Dit moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van de indiener onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen.\n\n12. Uit wat eisers hebben gesteld volgt niet dat erflater niet in staat was tijdig bezwaar te maken. Het enkele feit dat erflater een hoge leeftijd had en was opgenomen in een verzorgingstehuis, vormen op zichzelf nog geen reden om daar anders over te oordelen. Uit de ter zitting gegeven toelichting van eisers blijkt bovendien dat erflater bij leven maatregelen “op papier” had getroffen, maar dat haar gevolmachtigde niet haar wens om dingen zelf te regelen heeft willen doorkruisen. De termijnoverschrijding is dus niet verschoonbaar. De bezwaren zijn daarom reeds hierom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het tweede deel van de termijnoverschrijding – de circa tweeëneenhalf jaar tussen het overlijden van erflater en het indienen van de bezwaren door eisers – behoeft dan verder geen bespreking.\n\nZorgvuldigheid van de bezwaarbehandeling\n\n13. Eisers stellen dat de inspecteur in de bezwaarprocedure onzorgvuldig gehandeld heeft. Eisers wijzen er daarbij op dat de ontvankelijkheid van de bezwaren niet juist is beoordeeld, dat na de ingebrekestelling de bezwaarprocedure is afgeraffeld, en dat de reactietermijn die de inspecteur hen gaf na de ingebrekestelling te kort was.\n\n14. De inspecteur stelt wel zorgvuldig gehandeld te hebben. Over de ontvankelijkheid is een gemotiveerde beslissing genomen in de uitspraak op bezwaar. Omdat duidelijk was dat het kerstarrest over box 3 de enige reden was voor het alsnog indienen van de bezwaren, waren eventuele persoonlijke omstandigheden tijdens de bezwaartermijn niet relevant. In de brief van 2 april 2025 is een week reactietermijn gegeven. Dat was voldoende. Met de ingebrekestelling verzoeken eisers juist om een beslissing binnen twee weken. Eisers hebben binnen de reactietermijn niet aangegeven dat ze gehoord wilden worden.\n\n15. De rechtbank overweegt als volgt. In hun bezwaarschrift hebben eisers expliciet aangegeven in gesprek te willen gaan indien de inspecteur van mening was dat de bezwaren niet-ontvankelijk zouden zijn. Daarnaast hebben eisers aangegeven dat bij afwijzing van het bezwaar graag gehoord willen worden (zie 2.4). In het licht daarvan is de brief van 2 april 2025, met name de passage over het horen (zie 2.6), moeilijk te plaatsen. Het had voor de inspecteur al duidelijk moeten zijn dat eisers gehoord wilden worden over zijn voornemen om de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren. Door desondanks eisers niet actief uit te nodigen voor een hoorgesprek en in de plaats daarvan het initiatief voor een hoorgesprek bij eisers te leggen, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld.\n\n16. Eisers hebben in beroep de mogelijkheid gehad om alsnog een toelichting te geven waarom volgens hen de termijnoverschrijdingen in bezwaar verschoonbaar zijn. Daar hebben zij ook gebruik van gemaakt in de van hen afkomstige stukken en op de zitting. De rechtbank heeft, met inachtneming van wat eisers hebben aangevoerd, hiervoor geoordeeld dat de termijnoverschrijdingen in bezwaar niet verschoonbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom aannemelijk dat eisers in zoverre niet benadeeld zijn door het onzorgvuldige handelen van de inspecteur. De rechtbank past daarom artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe. Dat betekent dat het onzorgvuldig handelen niet tot gevolg heeft dat het bestreden besluit – de uitspraken op bezwaar – vernietigd wordt.\n\n17. Eisers hebben wel recht op vergoeding van het griffierecht. Zij hebben immers kosten moeten maken om de onzorgvuldigheid van de inspecteur aan de orde te stellen.\n\nOp de zaak betrekking hebbende stukken\n\n18. Eisers stellen dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Eiser noemt daarbij onder meer de voorlopige aanslagen, systeeminformatie uit diverse systemen, beschrijvingen van zoek- en procesinformatie, logboekregistraties, en interne correspondentie over de bezwaren.\n\n19. De inspecteur stelt dat hij wel alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.\n\n20. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard en dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld in bezwaar, zijn de stukken waar eisers op wijzen niet (meer) van belang voor beslechting van het bij de rechtbank voorliggende geschil. Reeds om die reden zijn de stukken die eiser noemt geen op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.\n\nDwangsommen\n\n21. Eisers verzoeken de rechtbank om vast te stellen dat de inspecteur dwangsommen moet betalen omdat de bezwaarprocedure niet op een juiste en volledige wijze heeft plaatsgevonden. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat tegenwoordig meer zorgvuldigheid en dienstbaarheid van de overheid verwacht mag worden.\n\n22. De inspecteur stelt dat hij terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de uitspraken op bezwaar niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen, stelt de inspecteur dat een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar nog steeds een uitspraak op bezwaar is. De inspecteur wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2018.\n\n23. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft hebben deze beroepen mede betrekking op de dwangsombeschikkingen.\n\n24. Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling uitspraak op de bezwaren heeft gedaan. Er zijn daarom geen dwangsommen verschuldigd. Een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar telt voor de dwangsomregeling gewoon mee.De rechtbank ziet in de ontwikkeling hoe er over de verhouding tussen burger en overheid wordt gedacht geen aanleiding om anders te beslissen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n25. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Eisers krijgen wel het griffierecht vergoed (zie 17). In verband met samenhang heeft de rechtbank alleen in zaaknummer LEE 25\u002F1840 griffierecht geheven.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond;\n\nverklaart de beroepen voor zover gericht tegen de dwangsombeschikkingen ongegrond;\n\nbepaalt dat de inspecteur het in zaaknummer LEE 25\u002F1840 betaalde griffierecht van € 53,- aan eisers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nUitgesproken op 23 juni 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 22j, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).\n\n Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.\n\n Hoge Raad 20 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2824 en Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516.\n\n Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.2 t\u002Fm 4.2.6.\n\n Artikel 6:11 van de Awb.\n\n Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.2 t\u002Fm 4.2.6.\n\n Hoge Raad 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96.\n\n Zie Hoge Raad 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96, vergelijk Gerechtshof Amsterdam 4 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2152, Rechtbank Noord-Nederland 21 januari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:440, Rechtbank Midden-Nederland 19 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6984.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2468","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.488Z",{"id":94,"ecli":95,"slug":96,"caseNumber":44,"courtId":87,"decisionDate":88,"fullText":97,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":52,"updatedAt":99},"1003","ECLI:NL:RBNNE:2026:2469","ecli-nl-rbnne-2026-2469","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: LEE 25\u002F3031 en 26\u002F1286\n\nuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 juni 2026 in de zaken tussen\n de erven van [erflater] , uit [plaats] , eisers\n\n(gemachtigde: [naam 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, Particulieren, kantoor Eindhoven, de inspecteur\n\n(gemachtigde: mr. drs. [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juli 2025.\n\n1.1.. De inspecteur heeft bij beslissing van 2 april 2025 de verzoeken van eisers om ambtshalve vermindering van de aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) voor de jaren 2021 en 2022 afgewezen. Tegelijk met het afwijzen van de verzoeken heeft de inspecteur beslist dat eisers geen recht hebben op dwangsommen.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van eisers tegen de beslissing dat zij geen recht hebben op dwangsommen afgewezen. Eisers hebben beroep ingesteld tegen deze uitspraken op bezwaar.\n\n1.3.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Eisers hebben nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, bijgestaan door [naam 3] , en namens de inspecteur mr. [naam 4] en mr. [naam 5] .\n\nFeiten\n\n2.1.. Aan wijlen [erflater] (erflater) zijn voor de jaren 2021 en 2022 aanslagen IB\u002FPVV opgelegd met respectievelijk dagtekening 27 september 2022 en 23 juni 2023.\n\n2.2.. Erflater is overleden op 9 juli 2022.\n\n2.3.. Erflater heeft twee erfgenamen, de heren [naam 1] en [naam 6] .\n\n2.4.. De heer [naam 1] heeft bij brief van 30 november 2024, door de inspecteur ontvangen op 5 december 2024, bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2018 tot en met 2022. Het bezwaar ziet op de hoogte van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.\n\n2.5.. Het bezwaarschrift is, voor zover het ziet op de jaren 2021 en 2022, aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering.\n\n2.6.. Bij brief van 23 maart 2025, door de inspecteur ontvangen op 27 maart 2025, hebben eisers de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen ten aanzien van de aanslagen IB\u002FPVV 2018 tot en met 2022.\n\n2.7.. Met dagtekening 2 april 2025 heeft de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen. In diezelfde brief heeft de inspecteur beslist dat eisers geen dwangsom krijgen, omdat binnen twee weken na het ontvangen van de ingebrekestelling is beslist.\n\n2.8.. Bij brief van 19 mei 2025, door de rechtbank ontvangen op 27 mei 2025, hebben eisers beroep ingesteld tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2018 tot en met 2022.\n\n2.9.. De rechtbank heeft geconstateerd dat de inspecteur voor de jaren 2021 en 2022 geen uitspraken op bezwaar had gedaan, maar dat hij enkel de voorgenoemde beslissing van 2 april 2025 had genomen (zie 2.7). De rechtbank heeft daarom het beroep, voor zover dat zag op de jaren 2021 en 2022, doorgezonden naar de inspecteur om als bezwaarschrift in behandeling te nemen.\n\n2.10.. Op 3 juli 2025 heeft de inspecteur beslist op de bezwaren van eisers voor zover die zagen op de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Hiertegen zijn eisers niet in beroep gegaan.\n\n2.11.. Op 14 juli 2025 heeft de inspecteur beslist op de bezwaren van eisers voor zover die zagen op het niet toekennen van dwangsommen.\n\n2.12.. Bij brief van 19 augustus 2025, door de rechtbank ontvangen op 25 augustus 2025, hebben eisers beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van 14 juli 2025.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5. Eisers verzoeken de rechtbank om vast te stellen dat de inspecteur dwangsommen moet betalen omdat het bezwaarschrift ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, en de bezwaarprocedure niet op een juiste en volledige wijze heeft plaatsgevonden. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat zij de beslissingen van de inspecteur niet konden begrijpen, omdat uit de aangiften voor de jaren 2021 en 2022 volgt dat er belasting in box 3 verschuldigd zou zijn. Over de definitieve aanslagen, waarin geen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen, beschikten zij niet. Volgens eisers mag tegenwoordig meer zorgvuldigheid en dienstbaarheid van de overheid verwacht worden.\n\n6. De inspecteur stelt dat hij terecht geen dwangsommen heeft toegekend omdat binnen twee weken na de ingebrekestelling is beslist. Omdat de ingebrekestelling zag op het niet tijdig nemen van beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering, doet niet ter zake wat er in de latere bezwaarprocedure is gebeurd.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur heeft binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op de verzoeken om ambtshalve vermindering beslist. Dit was binnen de termijn die daar volgens artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor staat. Omdat de inspecteur niet in gebreke was, heeft hij ook geen dwangsommen verbeurd. De inspecteur heeft dus terecht geen dwangsommen toegekend. De rechtbank ziet in de door eisers aangevoerde argumenten geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Zelfs als er iets zou schorten aan de besluitvorming in de verzoekprocedure, wat de inspecteur overigens heeft betwist, dan is er voor de toepassing van de wettelijke dwangsommenregeling nog altijd sprake van een tijdig genomen beslissing.Wat er voorafgaande aan de verzoekprocedure is gebeurd (in de aanslagfase) dan wel na afloop daarvan (in de bezwaarfase) heeft verder geen invloed op het al dan verbeuren van dwangsommen; de ingebrekestelling heeft daar immers geen betrekking op gehad.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen recht hebben op dwangsommen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nUitgesproken op 23 juni 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vgl. Hoge Raad 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2469","2026-07-13T00:28:58.434Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":44,"courtId":104,"decisionDate":105,"fullText":106,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":52,"updatedAt":108},"1723","ECLI:NL:RBZWB:2026:5608","ecli-nl-rbzwb-2026-5608",64,"2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 21\u002F3677 tot en met 21\u002F3679\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 juni 2026 in de zaken tussen\n de erven van [maat 1] , belanghebbenden\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbenden tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juli 2021.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan [maat 1] ( [maat 1] ) de volgende aanslagen opgelegd en daarbij de volgende beschikkingen vastgesteld:\n\neen navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) voor het jaar 2011 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.737, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 8.385 en in rekening gebrachte heffingsrente van € 3.531;\n\neen navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 261.259, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 44.654 en in rekening gebrachte belastingrente van € 16.467;\n\neen navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2013 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 173.493, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 40.541 en in rekening gebrachte belastingrente van € 11.952;\n\n1.2.. Bij uitspraken op bezwaar is de vergrijpboete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2013 verminderd tot € 39.346. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard. Aan [maat 1] is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.\n\n1.3.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.\n\n1.5.. De inspecteur heeft een verzoek om geheimhouding van delen van stukken gedaan. De rechtbank heeft het verzoek gedeeltelijk toegewezen.De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft de inspecteur opgedragen ongeschoonde versies te overleggen van delen van bijlagen 3, 4 en 99 bij het verweerschrift. Bij brief van 18 maart 2025 heeft de inspecteur deze beslissing gevolgd.\n\n1.6.. De rechtbank heeft op 28 januari 2026 een brief ontvangen van mr. C.J. van der Have (voormalig gemachtigde) waarin hij aangeeft dat hij zich heeft teruggetrokken als gemachtigde.\n\n1.7.. Omdat de rechtbank niet over (al) de adresgegevens van belanghebbenden beschikte, is op 11 februari 2026 de oproep voor de zitting geplaatst in de Staatscourant.\n\n1.8.. Daarnaast is de oproep voor de zitting op 10 maart 2026 doorgezonden aan het enige bij de rechtbank bekende recente adres van (één van) belanghebbenden.\n\n1.9.. Bij brief van 23 maart 2026 heeft mr. A.W. Hooijen zich als gemachtigde gesteld.\n\n1.10.. Belanghebbenden hebben op 23 maart 2026 en op 30 maart 2026 verzocht om uitstel van de zitting. De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen en heeft daarbij gemotiveerd waarom de zitting niet wordt uitgesteld.\n\n1.11.. De rechtbank heeft de beroepen op 10 april 2026 op zitting behandeld. Als gemachtigde heeft deelgenomen mr. G.P. Polders. Namens de inspecteur zijn verschenen: mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\n1.12.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft partijen de gelegenheid gegeven om met elkaar in overleg te treden.\n\n1.13.. De inspecteur heeft op 24 april 2026 aan de rechtbank laten weten dat geen overeenstemming is bereikt. Daarnaast geeft de inspecteur een nadere onderbouwing van een door hem ingenomen standpunt.\n\n1.14.. Op 1 mei 2026 heeft de inspecteur nog een aanvulling gegeven op het stuk van 24 april 2026.\n\n1.15.. Belanghebbenden hebben op 4 mei 2026 gereageerd op de stukken van de inspecteur van 24 april 2026 en van 1 mei 2026.\n\n1.16.. De rechtbank heeft op 11 mei 2026 het onderzoek ter zitting gesloten en een uitspraak aangekondigd binnen zes weken.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Daarbij komt eerst de vraag aan de orde of het verdedigingsbeginsel is geschonden. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Tenslotte gaat de rechtbank in op de vraag of de inspecteur de (hoogte van de) door hem doorgevoerde correcties in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbenden.\n\n2.1.. Niet in geschil is dat de opgelegde vergrijpboetes dienen te worden vernietigd omdat [maat 1] is overleden. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.\n\n2.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is het verdedigingsbeginsel niet geschonden. De rechtbank is verder van oordeel dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 niet tijdig is opgelegd. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 zijn terecht en niet tot te hoge bedragen aan [maat 1] opgelegd. De vergrijpboetes worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. [maat 1] is overleden op [datum] 2021.\n\n3.1.. \n [maat 1] maakte in de jaren 2011 tot en met 2013 deel uit van de [maatschap] (de maatschap). De andere maat in de maatschap was [maat 2] ( [maat 2] ).\n\n3.2.. De maatschap exploiteerde het [motortankschip] (hierna ook: [motortankschip] ). Het schip heeft een lengte van 99,84 meter en een breedte van 9,5 meter. Het schip beschikt over een totaal laadvermogen van 1.893 m3. Daarnaast heeft het schip twee zogenoemde sloptanks met elk een laadvermogen van 30 m3.\n\n3.3.. De [motortankschip] vervoerde in de jaren 2011 tot en met 2013 bedrijfsmatig plantaardige oliën. [maat 1] was kapitein op het schip. [maat 2] hield de administratie van de maatschap bij.\n\n3.4.. \n [motortankschip] werd gedurende de jaren 2011 tot en met 2013 bevracht door [bevrachter] B.V. te [plaats] .\n\n3.5.. Na elk transport van olie ontstaat in een schip bedrijfsafval, ook wel slops genoemd. Deze slops worden verzameld in de sloptanks. In die slops zit een percentage vocht\u002Fvuil en een percentage olie.\n\n3.6.. De oliecomponent in de slops heeft een waarde. Of de slops als geheel een positieve of negatieve waarde vertegenwoordigen, is afhankelijk van het vocht\u002Fvuilpercentage: des te hoger dat percentage, des te eerder zullen de kosten van het scheiden van de olie van het vocht\u002Fvuil niet opwegen tegen de opbrengst van de olie.\n\n3.7.. Op 5 december 2011 heeft een afvalstoffencontrole plaatsgevonden door de Dienst Waterpolitie aan boord van een motortankschip dat plantaardige olie vervoerde. Dit was de aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek dat zich richtte op de opsporing van vermoedelijk strafbare feiten die werden gepleegd bij het ontvangen, vervoeren en afgeven van plantaardige oliën en vetten middels binnenvaartschepen en daarmee gepaard gaande (al dan niet gefingeerde) afvalstromen. Dit strafrechtelijk onderzoek heeft uiteindelijk de naam Flip gekregen (hierna: het strafrechtelijk onderzoek).\n\n3.8.. Tot de stukken van het strafrechtelijk onderzoek behoort het zogeheten Basis Proces-Verbaal Flip (Basis PV). Dit proces-verbaal bevat een beschrijving van het gehele strafrechtelijke onderzoek, waarin ook verklaringen zijn opgenomen van verdachten en andere betrokken personen.\n\n3.9.. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is het vermoeden ontstaan dat door ongeveer vijftig schippers gedurende langere tijd, maar in ieder geval in de jaren 2011, 2012 en 2013 van verschillende Nederlandse motortankschepen partijen plantaardige olie vanuit de lading zijn verduisterd. Deze partijen plantaardige olie werden als slops aangeboden aan vethandel [vethandel] B.V. ( [vethandel] ) die deze slops met tankwagens naar [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ) vervoerde.\n\n3.10.. In het strafrechtelijk onderzoek is de volgende werkwijze beschreven. Wanneer de olie door [vethandel] bij het schip werd opgehaald werden door [vethandel] en de schipper zogeheten s-formulieren en begeleidingsbrieven ingevuld. Hierop werd onder meer de datum van de ontdoening ingevuld en in de meeste gevallen ook de geschatte totale hoeveelheid van de slop en het geschatte percentage vocht\u002Fvuil. De schipper kreeg een doorslag van deze formulieren. Bij aflevering van de slops door [vethandel] aan [bedrijf] werden door [bedrijf] gegevens op de begeleidingsbrieven en s-formulieren afgedrukt. Dit betrof een zogenoemde weegbrugstempel. Op de weegbrugstempel stonden onder meer de datum, het volgnummer van de weegbon en het tarra en netto gewicht van de slops, dat werd bepaald aan de hand van de weegbrug. [vethandel] overhandigde een (doorslag) van deze begeleidingsbrieven en s-formulieren – in de meeste gevallen voorzien van het exacte vocht\u002Fvuil percentage – aan de schipper. Van de betalingen door [vethandel] aan de schippers werden door [vethandel] inkoopfacturen opgemaakt op naam van het betreffende schip.\n\n3.11.. In het strafrechtelijk onderzoek zijn onder andere [vethandel] en [maat 1] als verdachte aangemerkt. [maat 1] is tot aan zijn overlijden verdachte geweest in het strafrechtelijk onderzoek.\n\n3.12.. De Belastingdienst heeft op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de informatie die volgt uit het strafrechtelijk onderzoek ontvangen. Daaropvolgend heeft de Belastingdienst de inbeslaggenomen administratie van [vethandel] ingezien. Ook heeft de Belastingdienst op 30 november 2017 een boekenonderzoek bij [vethandel] uitgevoerd en op 13 maart 2018 heeft er een bespreking tussen de Belastingdienst en [vethandel] plaatsgevonden.\n\n3.13.. Van de bespreking op 13 maart 2018 is een gespreksverslag opgemaakt wat behoort tot de gedingstukken.\n\n3.14.. Op grond van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek en het fiscale onderzoek heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat de financiële administratie van [vethandel] op het punt van de van de schippers ingekochte slops sluitend is. Dat wil zeggen dat de bedragen op alle inkoopfacturen als zodanig zijn verantwoord in het grootboek, dat in het kasboek de betreffende betalingen per kas zijn geregistreerd en dat in het bankboek de bijbehorende kasopnames (op totaalniveau) zijn terug te vinden.\n\n3.15.. In de administratie van [vethandel] zijn genummerde inkoopfacturen aangetroffen op naam van de maatschap ter zake van ingekochte slops door [vethandel] (de inkoopfacturen). Daarnaast zijn er ook s-formulieren en begeleidingsbrieven met betrekking tot [motortankschip] aangetroffen, voorzien van weegbrugstempels.\n\n3.16.. Verder zijn er in de administratie van [vethandel] een maandkalender van 2011 en twee weekkalenders van het jaar 2013 aangetroffen. Op de kalenders staan namen genoteerd van in het strafrechtelijk onderzoek betrokken motortankschepen met daarachter een getal.\n\n3.17.. In de administratie van [vethandel] bevindt zich ten slotte nog een aantal (klad)kasboeken. In de kasboeken werd door [vethandel] bijgehouden op welke data er bankbiljetten werden besteld bij de bank. In de kasboeken werden daarbij door [vethandel] de betreffende inkoopfactuurnummers genoteerd.\n\n3.18.. In de jaarstukken van de maatschap zijn in de jaren 2011 tot en met 2013 geen opbrengsten van slops verantwoord.\n\n3.19.. Op basis van de bevindingen tijdens het strafrechtelijk onderzoek en de in beslag genomen administratie van [vethandel] is door de Politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant, Team opsporing Milieu een Excel-spreadsheet opgesteld. In deze spreadsheet zijn de bevindingen samengevat over de goederenstromen en de geldstromen met betrekking tot de afgifte van de betreffende slops. In de Excel-spreadsheet is per inkoopfactuur een overzicht gemaakt van de datum en de afgegeven hoeveelheid slops, de prijs per kilogram, het contant door [vethandel] betaalde bedrag en het nummer van de betreffende begeleidingsbrief. Ook zijn er gegevens uit de administratie van [bedrijf] in opgenomen zoals onder andere het weegbonnummer, de datum van weging, het aantal kilogram olie en het vocht\u002Fvuil percentage.\n\n3.20.. \n [maat 1] heeft voor het jaar 2011 aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen van € 78.661. Voor het jaar 2012 heeft [maat 1] een aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.514. De aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2011 en 2012 zijn conform de aangiften opgelegd.\n\n3.21.. Voor het jaar 2013 is [maat 1] uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV. Hij heeft geen aangifte ingediend. De inspecteur heeft een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000.\n\n3.22.. Per brief van 14 september 2017 heeft de inspecteur aan [maat 1] medegedeeld dat hij zich op basis van de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek op het standpunt stelt dat [maat 1] in de jaren 2011 tot en met 2013 olie heeft geleverd aan [vethandel] waarvoor hij contante betalingen heeft ontvangen. De inspecteur heeft [maat 1] in de gelegenheid gesteld om aan te tonen hoe hij de veronderstelde ontvangen contante betalingen op inkoopfacturen van [vethandel] heeft verantwoord in zijn aangiften IB\u002FPVV.\n\n3.23.. Bij de brief van 14 september 2017 is een overzicht verstrekt van de gestelde contante betalingen, de afgegeven slops (aantal kilogram) en de betreffende factuurnummers op de inkoopfacturen van [vethandel] . De ontvangen contante betalingen bedragen volgens de inspecteur: voor het jaar 2011 € 36.650, voor het jaar 2012 € 233.105 en voor het jaar 2013 € 84.500.\n\n3.24.. \n [maat 1] heeft op 21 september 2017 op deze brief gereageerd. Hij geeft daarbij aan dat hij geen administratie heeft van de maatschap. De administratie is altijd gevoerd door [maat 2] . Volgens [maat 1] moet de inspecteur bij [maat 2] zijn voor de gevraagde informatie.\n\n3.25.. De inspecteur heeft [maat 2] ook gevraagd naar de inkomsten uit de slops. [maat 2] stelt zich op het standpunt dat de heer [maat 1] buiten het zicht van de maatschap ontvangsten heeft gehad uit de verkoop van de slops en dat hij dit niet aan de maatschap heeft medegedeeld.\n\n3.26.. Mevrouw [woordvoerster] heeft namens [maat 2] verklaard dat zij gedurende de jaren 2002 tot 2015 de administratie heeft gevoerd van de maatschap en dat er gedurende deze periode geen inkomsten uit verkopen van slops zijn ontvangen op de bankrekening van de maatschap.\n\n3.27.. Bij brief van 3 november 2017 heeft de inspecteur [maat 1] ervan op de hoogte gesteld dat hij navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en boetes voor de jaren 2011 tot en met 2013 gaat opleggen. Daarbij heeft de inspecteur de inkoopfacturen die ten grondslag liggen aan de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV overgelegd.\n\n3.28.. Met dagtekening 15 december 2017 is de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 aan [maat 1] opgelegd.\n\n3.29.. Met dagtekening 17 maart 2018 zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 aan [maat 1] opgelegd.\n\n3.30.. Het belastbaar inkomen uit werk en woning in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2011 tot en met 2013 bestaat uit de vermeende contant ontvangen bedragen (zie 3.23). Voor de jaren 2012 en 2013 heeft de inspecteur de bedragen verminderd met de omzetbelasting die over deze bedragen is berekend.Voor het jaar 2013 is bovendien bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB\u002FPVV nog rekening gehouden met een belastbaar resultaat uit de maatschap en een negatief inkomen uit eigen woning.\n\n3.31.. Op 3 februari 2020 heeft een inzage in het dossier van de inspecteur plaatsgevonden door de gemachtigde. Op 12 februari 2020 zijn aanvullend nog stukken aan de gemachtigde opgestuurd.\n\n3.32.. Bij uitspraken op bezwaar is de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2013 verminderd tot € 39.346 omdat deze niet op de juiste grondslag was berekend. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard.\n\nMotivering\n\nVerdedigingsbeginsel\n\n3.33.. Belanghebbenden hebben zich in de bezwaarfaseop het standpunt gesteld dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat geen inzage is gegeven in het (boete)dossier. In de beroepsfase hebben belanghebbenden verzocht om de standpunten uit bezwaar als herhaald en ingelast te beschouwen.\n\n3.34.. Naar het oordeel van de rechtbank is van een schending van het verdedigingsbeginsel – voor zover van toepassing – geen sprake. Er bestaat geen rechtsregel die de inspecteur verplicht om bij vragenbrieven (3.22 en 3.23) volledige inzage te geven in de stukken die hem ter beschikking staan. In de bezwaarfase is inzage gegeven in de op de zaak betrekking hebbende stukken.Daarbij is aan gemachtigde gelegenheid geboden om aan te geven als er volgens hem stukken missen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.\n\nTijdigheid navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2011\n\n3.35.. Op grond van artikel 16, derde lid van de AWR vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte kenbaar uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van het uitstel verlengd.\n\n3.36.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is omdat aan [maat 1] kenbaar 13 maanden uitstel is verleend op grond van de uitstelregeling belastingconsulenten (de Becon-regeling).\n\n3.37.. Belanghebbenden betwisten dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Volgens hen is aan [maat 1] geen kenbaar uitstel voor het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011 verleend.\n\n3.38.. \n\nDesgevraagd heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat zich in het dossier geen stukken bevinden die een verleend Becon-uitstel onderbouwen. In de stukken die de inspecteur na afloop van de zitting heeft ingediend (1.13 en 1.14) voert de inspecteur aan dat Becon-uitstel destijds standaard 13 maanden bedroeg. Volgens de inspecteur heeft de gemachtigde van [maat 1] in de bezwaarfase bovendien erkend dat Becon-uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011.\n\n De inspecteur heeft na afloop van de zitting informatie opgevraagd bij een collega met betrekking tot de vraag of aan [maat 1] Becon-uitstel is verleend. De betreffende collega heeft de inspecteur geantwoord dat volgens het door haar geraadpleegde systeem [maat 1] geen Becon-uitstel heeft gehad voor de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011. Ook geeft de collega aan dat gegevens over uitstel voor het indienen van de aangifte niet worden geschoond. De inspecteur heeft zijn standpunt over de tijdigheid van de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 niet bijgesteld naar aanleiding van de verkregen informatie van zijn collega.\n\n3.39.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Uit geen van de overgelegde bescheiden volgt dat daadwerkelijk Becon-uitstel voor de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011 kenbaar is verleend. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 met dagtekening 15 december 2017 is buiten de navorderingstermijn van 5 jaar opgelegd. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 en daarbij opgelegde vergrijpboete en heffingsrentebeschikking daarom vernietigen. Gelet hierop behoeft de stelling van belanghebbenden over de plichten van de inspecteur in het licht van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) geen verdere behandeling, aangezien daar op dit punt geen belang meer bij is.\n\nCorrecties in verband met contante betalingen aan [maat 1] door [vethandel]\n\n3.40.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat [maat 1] contante betalingen van [vethandel] heeft ontvangen voor verkochte slops, die hij niet heeft opgenomen in zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013. Ter onderbouwing verwijst de inspecteur onder meer naar de gegevens uit de administratie van [vethandel] , de verklaringen van de heer [vethandel] en de vastleggingen in het basis PV van het strafrechtelijk onderzoek.\n\n3.41.. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat [maat 1] de contante betalingen van [vethandel] nooit heeft ontvangen. Belanghebbenden stellen dat de administratie van [vethandel] geen overtuigend bewijs bevat, omdat [vethandel] heeft geprobeerd om zijn eigen straat schoon te vegen. Belanghebbenden stellen dat ook moet worden gekeken naar de betrokkenheid van [maat 2] .\n\n3.42.. De bewijslast dat [maat 1] in de jaren 2012 en 2013 meer inkomen heeft genoten dan hij in zijn aangiften IB\u002FPVV voor die jaren heeft aangegeven rust op de inspecteur.\n\n3.43.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat [maat 1] de gestelde contante betalingen heeft ontvangen. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.\n\n De inspecteur heeft gegevens uit de administratie van [vethandel] overgelegd. Daaronder bevinden zich de inkoopfacturen. De inspecteur heeft alle inkoopfacturen die ten grondslag liggen aan de correcties in de navorderingsaanslagen overgelegd. De inspecteur heeft voor een aantal inkoopfacturen in het verweerschrift uitgewerkt hoe de inkoopfacturen zich verhouden tot de begeleidingsbrieven en weegbrugstempels. De gegevens in de inkoopfacturen sluiten aan met de gegevens van de bijbehorende begeleidingsbrieven en weegbrugstempels. Het gewicht dat op de inkoopfacturen staat vermeld, komt bijvoorbeeld overeen met de gegevens op de weegbon van [bedrijf] . Dat geldt ook voor het daarop vermelde vuil\u002Fvochtpercentage. De bescheiden uit de administratie van [vethandel] bevestigen dat de werkwijze zoals omschreven in overweging 3.10 ook in geval van [maat 1] heeft plaatsgevonden. In de Excel-spreadsheet (3.19) zijn voor alle inkoopfacturen de gegevens van de begeleidingsbrieven en de weegbrugstempels aan de inkoopfacturen gekoppeld.\n\n Ook de door de inspecteur overgelegde week- en maandkalenders en (klad)kasboeken onderbouwen de door de inspecteur gestelde facturenstroom. De inspecteur heeft voorbeelden aangedragen waarbij inkoopfacturen ten aanzien van [maat 1] te herleiden zijn naar vermeldingen van contante bedragen op de kalenders.\n\n Ten slotte acht de rechtbank van belang dat door de maatschap in de jaren 2012 en 2013 in het geheel geen ontvangsten voor de slops zijn verantwoord in de jaarrekeningen en dat degene die de administratie voerde ook heeft verklaard dat door de maatschap geen inkomsten van de verkoop van slops zijn verantwoord. Belanghebbenden hebben de ontvangst van de contante betalingen betwist, maar niet de leveringen van slops als zodanig. Uit de door de inspecteur overgelegde stukken blijkt dat de slops een behoorlijke waarde vertegenwoordigen.\n\nDe rechtbank acht gelet op al het voorgaande aannemelijk dat [maat 1] de contante betalingen voor de leveringen van de slops heeft ontvangen. De door belanghebbenden ingenomen stellingen zijn niet onderbouwd door bewijs en brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. De na de zitting ingenomen stelling van belanghebbenden over de schending van artikel 21 van het Rv. kan ook niet leiden tot een vernietiging van de aanslagen zoals belanghebbenden bepleiten. Nog daargelaten of artikel 21 van het Rv. toepasbaar is in dit geval, ziet de niet-verstrekte informatie niet op de jaren 2012 en 2013. De stelling treft dus geen doel.\n\n3.44.. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift gesteld dat de omkering van de bewijslast moet worden toegepast. De rechtbank ziet voor de toepassing van de omkering van de bewijslast geen aanleiding. De inspecteur heeft met toepassing van de reguliere bewijslast zijn correcties al aannemelijk gemaakt. Verder gaat het hier niet om een geval waarin de omvang van de correctie onduidelijk is. De inspecteur heeft de omvang van de correctie aannemelijk gemaakt op basis van de hem ter beschikking staande inkoopfacturen.\n\n3.45.. De rechtbank concludeert dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 en 2013 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd.\n\nVergrijpboeten\n\n3.46.. Partijen zijn het erover eens dat de aan [maat 1] opgelegde vergrijpboeten dienen te worden vernietigd. De rechtbank beslist overeenkomstig. De rechtbank volstaat verder met de constatering dat de redelijke behandeltermijn voor de boetezaken is overschreden.\n\nBelastingrente\n\n3.47.. Belanghebbenden hebben geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Het bedrag van de belastingrente volgt het bedrag van de aanslagen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente en vernietigt die aanslag en beschikkingen.\n\n4.1.. De beroepen tegen de vergrijpboetes voor de jaren 2012 en 2013 zijn ook gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes en vernietigt die vergrijpboetes.4.2.. De resterende beroepen zijn ongegrond. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 en bijbehorende belastingrentebeschikkingen blijven in stand.\n\n4.3.. Omdat de in 4 en 4.1 genoemde beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbenden vergoeden en krijgen belanghebbenden ook een vergoeding van hun proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.\n\n4.4.. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen belanghebbenden een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 en in beroep van € 934. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhang tussen de zaken. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde van belanghebbenden konden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek zijn. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en deelgenomen aan de zitting (1 punt). De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868. De rechtbank kent geen kostenvergoeding toe voor de bezwaarfase, omdat bij uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding is toegekend die niet in geschil is.\n\n4.5.. Belanghebbenden hebben zich in het schrijven van 4 mei 2026 op het standpunt gesteld dat er aanleiding bestaat voor een hogere proceskostenvergoeding. De inspecteur heeft in het stuk van 1 mei 2026 namelijk een andere voorstelling van de feiten gegeven dan in het stuk van 24 april 2026. Dit heeft gemachtigde onnodig extra werk opgeleverd.\n\n4.6.. De rechtbank ziet voor een hogere proceskostenvergoeding geen aanleiding. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de nieuwe informatie die de inspecteur in het stuk van 1 mei 2026 heeft gedeeld voor de gemachtigde tot veel extra werk heeft geleid.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 en de daarbij opgelegde vergrijpboete en beschikking heffingsrente gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente;\n\n- vernietigt de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente; - verklaart de beroepen tegen de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes;\n\n- vernietigt de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes;\n\n- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbenden moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbenden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. drs. P.E.C. Vossenberg en mr. M.A.M. van Meer, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier.\n\nDe griffier is verhinderd\n\ndeze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nWegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak getekend door de jongste rechter.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nAan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.Informatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1075.\n\n Staatscourant 11 februari 2026, nr. 6572.\n\n Voor het jaar 2011 is de omzetbelasting niet in mindering gebracht op de vermeende contant ontvangen bedragen, omdat de inspecteur de omzetbelasting voor dat jaar niet meer kon naheffen.\n\n Aanvullend bezwaarschrift van 27 februari 2018.\n\n Conform artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5608","2026-07-13T00:29:35.870Z",{"id":110,"ecli":111,"slug":112,"caseNumber":44,"courtId":104,"decisionDate":113,"fullText":114,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":113,"parsedAt":52,"updatedAt":116},"1536","ECLI:NL:RBZWB:2026:5368","ecli-nl-rbzwb-2026-5368","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 22\u002F4395\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 augustus 2022.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.453. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 714 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\nFeiten\n\n2. Belanghebbende stond in 2018 in de Basisregistratie personen ingeschreven op een Nederlands adres.\n\n2.1.. Belanghebbende is vanaf 10 oktober 2017 als piloot in loondienst werkzaam voor [werkgever] AS. Zijn standplaats is in 2018 [standplaats] in Oslo (Noorwegen).\n\n2.2.. In het kader van internationale gegevensuitwisseling heeft de Nederlandse belastingdienst van de Noorse fiscale autoriteit gegevens ontvangen waaruit blijkt dat belanghebbende in 2018 een bedrag van in totaal 795.794 Noorse Kronen, omgerekend € 82.921, van [werkgever] AS heeft ontvangen.\n\n2.3.. Verder heeft de inspecteur een renseignement ontvangen van [stichting] waaruit blijkt dat belanghebbende in 2018 € 575 heeft ontvangen.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft aangifte IB voor het jaar 2018 gedaan naar belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.799, volledig bestaande uit resultaat uit overige werkzaamheid. Verder heeft belanghebbende aangegeven gedurende heel 2018 niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen.\n\n2.5.. De inspecteur heeft bij brief van 6 oktober 2021 zijn voornemen aan belanghebbende kenbaar gemaakt om af te wijken van de aangifte in verband met de gerenseigneerde inkomensgegevens.\n\n2.6.. Belanghebbende heeft daarop gereageerd en onder meer de loonstroken voor alle maanden van 2018 en de jaaropgaaf 2018 van [werkgever] AS overgelegd.\n\n2.7.. De inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende een herzien voornemen tot afwijking van de aangifte IB 2018 gestuurd.\n\n2.8.. De inspecteur heeft vervolgens de aanslag IB 2018 – in afwijking van de aangifte en conform zijn herziene voornemen – vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.453, bestaande uit een loon van € 72.728 en een resultaat uit overige werkzaamheid van € 575.\n\n2.9.. Op alle overgelegde loonstroken voor het jaar 2018 staan de posten “ [post 1] ”voor een bedrag van 105,42 Noorse Kronen,“ [post 2] ”voor een bedrag van 2.695,58 Noorse Kronen en“ [post 3] ”voor een bedrag van 288,75 Noorse Kronen vermeld.\n\n2.10.. Op de loonstroken voor de maanden juli, augustus en november van het jaar 2018 staat de post “ [post 4] ”voor een bedrag van 542 (juli), 937 (augustus) respectievelijk 873 (november) Noorse Kronen vermeld.\n\n2.11.. \n\nOp de jaaropgaaf staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“\n\nBeskrivelse\n\nBeløp\n\nAnt.\n\nTrekkpl.\n\nDetaljer\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\nUtgiftsgodtgjørelse\n\n [naam]\n\n15 170\n\nNei\n\n [naam]\n\n4 124\n\nJa\n\nReise kost\n\n57 927\n\nJa\n\nReise kost med overnatting ps hotell\n\n59 631\n\n99\n\nNei\n\n”\n\n2.12.. \n\nIn de Collective Agreement no. 544 van [werkgever] AS die ziet op de periode 1 november 2011 tot 31 oktober 2020 (de cao) staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“Clause 10 - Travel and subsistence provisions\n\nSub-clause 1 Personnel shall be compensated for extra expenses linked to board and lodging in accordance with sub-clauses 2-9 below.\n\nSub-clause 2 Hotel accommodation\n\n (…)\n\nSub-clause 3 The Company shall pay a daily allowance in accordance with Annex D in connection with official travel, flying and training.\n\nSub-clause 4 In the case of foreign travel, standard Norwegian government subsistence allowances shall be paid if these are higher than the subsistence allowance specified in Annex D.\n\nSub-clause 5 The allowance amount shall be calculated per day (24 hours) from the ordered time of appearance at the base until check-out at the base. (…)\n\nSub-clause 6 The Company shall cover special expenses incurred in connection with the performance of duties, provided that these are documented by means of a bill or receipt and certified by the Pilot Manager or a person authorised by him or her.\n\n(…)”\n\nEn:\n\n“Clause 11 - Insurance cover\n\n(…)\n\nSub-clause 1Loss of License (LOL)\n\nThe Company is at all times obliged to maintain LOL insurance for all pilots who have not reached the age of 62 years and who earn income that gives rise to pension benefits. The policy shall cover all medical (somatic and psychological) conditions relevant to the pilot’s medical certificate (issued by an aviation medical examiner). The insurance premium shall be paid in full by the Company. Payment under such insurance shall be made upon loss of the pilot’s licence as a result of such a medical condition.\n\nWhen the pilot has received an order from the aviation authorities declaring a permanent loss of his or her pilot’s licence, he or she shall send a copy of the medical order to the Company without undue delay.\n\nThe Company shall, without undue delay and no later than upon giving notice of termination of employment, inform the insurance company\u002Fcompanies with which the Company has taken out LOL insurance of the medical order.\n\nSection 13(2) and (3) of the Working Environment Act shall apply in such cases.\n\nThe Loss of License payout sum, specified as multiples of G (the base amount under the national insurance scheme), is as follows:\n\nUp to and including\n\n52 years\n\n30\n\n53 years\n\n27\n\n54 years\n\n24\n\n55 years\n\n21\n\n56 years\n\n18\n\n57 years\n\n15\n\n58 years\n\n12\n\n59 years\n\n9\n\n60 years\n\n6\n\n61 years\n\n3\n\nFrom the age of\n\n62 years\n\n0\n\n(From the age of 62 years onwards, employees shall not be taxed on the benefit provided by the scheme.)\n\nIn addition, a lump-sum payment shall be made via operations equal to 1.65 x salary grade (current annual salary as at the payment date). This amount shall not be reduced in line with age.\n\n(…)\n\nSub-clause 3Group insurance\n\nThe Company maintains full-time group insurance via an insurance company, which covers: (…)”\n\nEn:\n\n“Annex D - Salary and allowances\n\nSalary, subsistence allowance and other allowances shall be paid on the 25th of each month, as follows:\n\nA: Salary shall be paid for the current month.\n\nB: Subsistence allowance and other documented expenses shall be paid\u002Freimbursed in arrears in accordance with completed and certified forms.\n\n(…)\n\nIV GENERAL ALLOWANCES\n\nTo be adjusted by the same %age as the salary scale applicable as of 1 November 2017.\n\nTelephone allowance:\n\nNOK 342 per month to cover a landline subscription.\n\nEach captain shall receive a mobile telephone allowance of NOK 338 per month, provided that all captains have their own mobile telephone that can be used for duty purposes, including availability during ground stops.\n\nUniform allowance:\n\nPayable at NOK 1,258 per month.\n\nThe above allowances shall be adjusted according to the employment percentage worked by the pilot.\n\nUniform cleaning:\n\nExpenses shall be covered as billed.\n\nGlasses:\n\nCosts shall be covered in accordance with sub-clause 1.2 if ordered by an aviation medical examiner.\n\nPassport and visa:\n\nCovered as billed.\n\nRate of subsistence\n\nallowance per 1\u002F1 day\n\n(24-hour period):\n\nNOK 825\n\n”\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n3.1.. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nMotivering\n\n4. Partijen houdt verdeeld of de inspecteur het (belaste) fiscaal loon bij de aanslag IB 2018 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Meer specifiek gaat het om de vraag of de inspecteur de post “ [post 4] ”van in totaal 2.352 Noorse Kronen, omgerekend € 245, terecht tot het loon heeft gerekend en om de vraag of sprake is van een gerichte vrijstellingof vrijgesteld loonmet betrekking tot de volgende loonbestanddelen:\n\nTotaal bedrag\n\nOmgerekend naar euro’s\n\nReise kost\n\n NOK 108.558\n\n € 12.247\n\n [post 2]\n\n NOK 32.347\n\n € 3.362\n\n [post 3]\n\n NOK 3.465\n\n € 361\n\n [post 1]\n\n NOK 1.265\n\n € 132\n\n4.1.. De rechtbank zal het geschil hierna per post beoordelen.\n\nPost “ [post 4] ”4.2.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 2.352 Noorse Kronen, omgerekend € 245, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 4] ,door de inspecteur ten onrechte tot het loon is gerekend. Het is belanghebbende niet duidelijk wat deze post inhoudt. Belanghebbende wijst erop dat de post niet op de jaaropgaaf 2018 staat vermeld. Verder bevreemd het belanghebbende dat de post maar op een beperkt aantal loonstroken is vermeld. Volgens belanghebbende zijn de bedragen onder de noemer“ [post 4] ”nooit aan hem uitbetaald.\n\n4.3.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in samenhang met artikel 10 Wet LB loon al hetgeen is dat uit een dienstbetrekking wordt genoten. Het genietingstijdstip van de looninkomsten is op grond van artikel 3.146, eerste lid, van de Wet IB 2001 mede het tijdstip waarop het loon is ontvangen dan wel het loon vorderbaar en inbaar is geworden.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de bedragen die onder de noemer “ [post 4] ”op een aantal loonstroken staan vermeld terecht tot het loon gerekend. De rechtbank stelt vast dat partijen geen duidelijkheid hebben kunnen verschaffen over de precieze aard van deze post. Vast staat evenwel dat de post voorkomt op door de werkgever opgemaakte loonstroken. Tegen die achtergrond acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is van een uit de dienstbetrekking voortvloeiend voordeel. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd op basis waarvan aannemelijk is dat de vermelde bedragen hem niet op enigerlei wijze ten goede zijn gekomen. De enkele omstandigheid dat de post niet afzonderlijk op de jaaropgaaf staat vermeld kan verschillende oorzaken hebben en wil nog niet zonder meer zeggen dat het naar Nederlandse maatstaven geen loonbestanddeel vormt.\n\nPost [post 2]4.5.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 32.347 Noorse Kronen, omgerekend € 3.362, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 2] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Primair voert belanghebbende aan dat de premies zijn betaald voor een verzekering die kan worden getypeerd als ongevallenverzekering. Deze verzekering geeft volgens belanghebbende recht op een aanspraak die is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Subsidiair voert belanghebbende aan dat de verzekering recht geeft op een aanspraak die naar aard en strekking overeenkomst met aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB, zodat de vrijstelling artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB van toepassing is. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden.\n\n4.6.. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn primaire stelling. In artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB is opgenomen dat aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval vrijgesteld zijn van de heffing van loonbelasting. Uit de beschikbare gegevens (zie 2.12) volgt dat het gaat om door de werkgever betaalde premies voor een zogenoemde ‘Loss of License-verzekering’. Deze verzekering geeft – kort gezegd – aanspraak op een uitkering bij verlies van een vliegbrevet. Dat is naar het oordeel van de rechtbank geen aanspraak als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Dat een verlies van vliegbrevet onder omstandigheden het gevolg kan zijn van invaliditeit, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders want het kan ook een scala aan andere oorzaken hebben.\n\n4.7.. De rechtbank volgt belanghebbende evenmin in zijn subsidiaire stelling. In artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB is opgenomen dat aanspraken die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel e, vrijgesteld zijn van heffing van loonbelasting. Aanspraken als bedoeld in onderdeel e zijn aanspraken ingevolge de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet. Belanghebbende maakt – tegenover de stelling van de inspecteur – niet aannemelijk dat de ‘Loss of License-verzekering’ een risico dekt dat in het Nederlandse sociale verzekeringsstelsel ook door een werknemersverzekering wordt gedekt.\n\n4.8.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur een bedrag van in totaal 32.347 Noorse Kronen, omgerekend € 3.362, terecht niet heeft vrijgesteld van het loon.\n\nPost [post 3]4.9.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 3.465 Noorse Kronen, omgerekend € 361, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 3] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Primair voert belanghebbende aan dat de premies zijn betaald voor een verzekering die kan worden getypeerd als voltijds groepsverzekering voor – kort gezegd – arbeidsongevallen, arbeidsziekte, vrije tijd letsel en overige ziekte. Deze verzekering geeft volgens belanghebbende recht op een aanspraak die is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Subsidiair voert belanghebbende aan dat de verzekering recht geeft op een aanspraak die naar aard en strekking overeenkomst met aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB, zodat de vrijstelling artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB van toepassing is.\n\n4.10.. Belanghebbende stelt dat deze vergoeding van de werkgever niet als loon kan worden aangemerkt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, met verwijzing naar de collective agreement, lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van belanghebbende om meer inzicht te verstrekken over de vraag wat hier nou precies is afgesproken en waar deze vergoeding op ziet. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank tot de conclusie dat de inspecteur terecht de vrijstelling niet heeft toegepast.\n\nPost [post 1]4.11.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 1.265 Noorse Kronen, omgerekend € 132, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 1] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Het is belanghebbende niet precies duidelijk wat deze post inhoudt. Belanghebbende denkt dat het gaat om een verzekering die prioriteit geeft in de wachtrij wanneer een behandeling of gezondheidszorg noodzakelijk is. Volgens belanghebbende is daarop de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB van toepassing.\n\n4.12.. Ter zitting is namens belanghebbende desgevraagd bevestigd dat hij zich enkel beroept op de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB. Deze bepaling ziet op aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding. De door belanghebbende gegeven toelichting op deze post wijst er niet op dat het gaat om een dergelijke regeling. Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat van een dergelijke regeling sprake is.\n\n4.13.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur een bedrag van in totaal 1.265 Noorse Kronen, omgerekend € 132, terecht niet heeft vrijgesteld van het loon.\n\nPost reise kost4.14.. Belanghebbende stelt dat de door hem ontvangen vergoedingen van 57.927 Noorse Kronen en 59.631 Noorse Kronen, in totaal omgerekend € 12.247, ten onrechte niet gericht zijn vrijgesteld op grond van artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB 2001. Volgens belanghebbende betreffen en reis- en verblijfkosten.\n\n4.15.. Vast staat dat de vergoedingen zijn ontvangen van een niet-inhoudingsplichtige werkgever. Een vergoeding of verstrekking kan in zo’n geval worden vrijgesteld op basis van artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB voor zover zij voldoet aan de eisen die artikel 31a, tweede, van de Wet LB aan de desbetreffende gerichte vrijstelling stelt, maar zonder dat een aanwijzing als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB nodig is.\n\n4.16.. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de betreffende vergoedingen kunnen worden aangemerkt als een met belanghebbende overeengekomen vergoeding, zoals bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB. De stukken van het geding laten voor dat geval geen andere slotsom toe dan dat het een vaste kostenvergoeding betreft. Bij een vaste kostenvergoeding is voor een gerichte vrijstelling volgens artikel 31a, derde lid, van de Wet LB (wettekst 2018) vereist dat aan die vergoeding een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt. De eis dat het onderzoek aan de vergoeding ‘ten grondslag ligt’, brengt mee dat het onderzoek moet hebben plaatsgevonden voordat de vergoeding wordt betaald. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat in een geval als dit, waarin de werkgever niet inhoudingsplichtig is, in redelijkheid niet kan worden verwacht dat die werkgever zich richt naar het systeem van de Nederlandse loonbelasting. De Hoge Raad heeft artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB zo uitgelegd dat in deze gevallen voor toepassing van de gerichte vrijstelling ook kan worden volstaan met een onderzoek naar de werkelijke kosten dat door de werknemer is gedaan zonder dat de werkgever daarbij betrokken was. Daarbij kan in redelijkheid van een werknemer niet worden verlangd dat hij dit onderzoek al heeft verricht voordat hij de vergoeding van zijn werkgever krijgt.\n\n4.17.. Belanghebbende heeft bij zijn aanvullende stuk van 12 mei 2026 een door hem opgesteld kostenonderzoek verstrekt. De inspecteur betwist dat dit een afdoende kostenonderzoek is. De inspecteur vindt het kostenonderzoek onder meer te algemeen van aard en wijst erop dat onderbouwende stukken ontbreken.\n\n4.18.. Naar het oordeel van de rechtbank is met het door belanghebbende gepresenteerde overzicht van beperkte omvang niet voldaan aan de voorwaarde dat aan de vergoedingen een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt. Het overzicht is qua aard van de kosten en tijdspanne te algemeen en bevat bovendien kosten die in de cao, in het bijzonder ‘Annex D’, niet tot vaste kostenvergoeding zijn gerekend. Op grond van dit overzicht kan niet worden vastgesteld welke kosten aan belanghebbende worden vergoed en of de hoogte van de vergoeding gebruikelijk is.\n\n4.19.. Bij gebrek aan dit onderzoek is de gerichte vrijstelling op grond van artikel 31a, derde lid, van de Wet LB (wettekst 2018) niet van toepassing. De inspecteur heeft de gerichte vrijstelling voor deze post dus terecht niet toegepast.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 31, lid 1, onderdeel f in samenhang met artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB).\n\n Artikel 11 van de Wet LB.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1236.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1236.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5368","2026-07-13T00:29:25.978Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":44,"courtId":104,"decisionDate":113,"fullText":121,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":113,"parsedAt":52,"updatedAt":123},"1851","ECLI:NL:RBZWB:2026:5366","ecli-nl-rbzwb-2026-5366","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F2745\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 mei 2025.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.504. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur € 3.613 revisierente en € 84 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2023 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de rentebeschikkingen gegrond verklaard. De inspecteur heeft de revisierente verminderd tot € 3.513 en de belastingrente tot € 81.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld van zijn [echtgenote] en ter bijstand ondersteund door [persoon] , en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB\u002FPVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag IB\u002FPVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft een spaarkasovereenkomst afgesloten bij [verzekeringsmaatschappij] N.V. met [nummer] . Deze spaarkasovereenkomst is ingegaan op 1 april 1999.\n\n3.1.. Volgens het clausuleblad van 26 maart 1999 betreft de spaarkasovereenkomst een lijfrente als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Volgens het clausuleblad van 3 december 2003 betreft de spaarovereenkomst een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).\n\n3.2.. De polis is per 1 november 2012 premievrij gemaakt.\n\n3.3.. Op 4 oktober 2023 heeft belanghebbende de spaarkasovereenkomst afgekocht voor een bedrag van € 18.065. Bij deze afkoop is een bedrag van € 9.395 (52%) aan loonheffing ingehouden.\n\n3.4.. De inspecteur heeft een saldoverklaring verstrekt aan belanghebbende. Hierin is verklaard dat de betaalde premies uit 2012 van € 500 niet zijn afgetrokken in de aangifte IB\u002FPVV 2012.\n\n3.5.. Belanghebbende heeft de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2023 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.504, bestaande uit € 32.475 belastbare winst uit onderneming, € 17.565 afkoopsom lijfrente, en een negatief saldo aan inkomsten eigen woning voor een bedrag van € 3.536. Verder heeft belanghebbende een bedrag van € 3.613 aan revisierente in de betreffende aangifte vermeld.\n\n3.6.. De inspecteur heeft de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2023 vastgesteld conform de ingediende aangifte (zie 1.1). Voor de berekening van de revisierente is de inspecteur uitgegaan van een bruto afkoopsom van € 18.065.\n\n3.7.. Bij uitspraak op bezwaar is de inspecteur voor de berekening van de uitgegaan van een bruto afkoopsom van € 17.565.\n\nMotivering\n\n4. Belanghebbende stelt in de kern dat hij naar verhouding te veel belasting moet betalen ter zake van de afkoop van zijn lijfrente. Hij wijst erop dat de spaarkasovereenkomst een zogenoemde woekerpolis is gebleken en aanzienlijk minder heeft opgeleverd dan bij het aangaan van de spaarkasovereenkomst werd verwacht. Volgens belanghebbende had hij bovendien feitelijk geen andere keuze dan de lijfrente af te kopen, omdat deze anders op de einddatum zonder uitkering zou eindigen. Mede tegen die achtergrond vindt belanghebbende de verschuldigde belasting en revisierente disproportioneel en niet redelijk of billijk.\n\n4.1.. De rechtbank heeft in eerste plaats gekeken of de inspecteur de verschuldigde belasting ter zake van de afkoop van de lijfrente juist heeft berekend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de inspecteur de geldende wet- en regelgevingjuist heeft toegepast en de belasting tot het juiste bedrag heeft berekend. De rechtbank merkt daarbij op dat de inspecteur in zijn berekening er rekening mee heeft gehouden dat na 1 november 2012 geen premieaftrek door belanghebbende meer is genoten. Ook de revisierente, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, is naar het oordeel van de rechtbank overeenkomstig de geldende wet- en regelgevingtot het juiste bedrag berekend.\n\n4.2.. De rechtbank heeft begrip voor het standpunt van belanghebbende dat toepassing van de wet- en regelgeving in zijn situatie tot een belastingpercentage leidt, wat hij niet had voorzien. De wetgever heeft er echter voor gekozen om geen uitzonderingen te maken op de (fiscale) gevolgen die de wet verbindt aan de afkoop van een lijfrente. Bij afkoop worden de fiscale voordelen die gedurende de looptijd van de lijfrente konden worden genoten weer teruggenomen. Verder wordt over het achteraf ten onrechte genoten belastinguitstel een rentevergoeding verschuldigd.De rechtbank dient recht te spreken volgens de wet en het staat haar niet vrij om formele wetgeving te toetsen op haar innerlijke waarde of billijkheid.De rechtbank kan bepalingen die zien op de afkoop van een lijfrente ook niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, aangezien de Wet IB en de AWR, waarin die bepalingen staan, wetten in formele zin zijn en het verdisconteerde omstandigheden betreft.Dat betekent dat de rechtbank de keuze van de wetgever hier heeft te respecteren, ongeacht de persoonlijke omstandigheden die tot afkoop van de lijfrente hebben geleid.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB\u002FPVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Afdeling 3.8. van de Wet IB 2001.\n\n Artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).\n\n Vgl. bijv. Kamerstukken II1988\u002F89, 21198, nr. 3, p. 42.\n\n Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28).\n\n Vgl. ook Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5366","2026-07-13T00:29:42.053Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":128,"fullText":129,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":131,"parsedAt":52,"updatedAt":132},"1534","ECLI:NL:GHARL:2026:4064","ecli-nl-gharl-2026-4064","2026-06-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummers BK-ARN 24\u002F1718, 24\u002F1719, 24\u002F1720\n\nuitspraakdatum: 16 juni 2026\n\nUitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [belanghebbende]te[woonplaats](hierna: belanghebbende)\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 augustus 2024, nummers ARN 22\u002F556, 22\u002F559 en 22\u002F2192, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteurvan de Belastingdienst\u002FKantoor Zwolle(hierna: de Inspecteur)\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben bij brief van 15 juni 2015, door de Inspecteur ontvangen op 16 juni 2015, gezamenlijk verzocht om geruisloze inbreng met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 van de gehele door hen gedreven onderneming in een nog op te richten besloten vennootschap [onderneming1] , op de voet van artikel 3.65, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en uitgaande van een verkrijgingsprijs van -\u002F- € 1.371 voor belanghebbende en -\u002F- € 1.852 voor haar echtgenoot.1.2.. Belanghebbende heeft over het jaar 2016 aangifte inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.619 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.868.1.3.. Ten name van belanghebbende is met dagtekening 13 december 2019 een aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 381.156 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.068 (de aanslag). Bij beschikking is belastingrente in rekening gebracht. Tevens is een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 41.123. In verband daarmee is ook belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.4.. Bij beschikking van 8 februari 2021 heeft de Inspecteur het onder 1.1 genoemde verzoek om geruisloze inbreng afgewezen.\n\n1.5.. Bij uitspraak op bezwaar van 24 december 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag gegrond verklaard, de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 325.832 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.258, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd; de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (aanslag Zvw) heeft de Inspecteur gehandhaafd.\n\n1.6.. Bij uitspraak op bezwaar van 9 januari 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen het de afwijzing van het verzoek om geruisloze inbreng ongegrond verklaard.\n\n1.7.. Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.\n\n1.8.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.1.9.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Namens belanghebbende is, zonder bericht van verhindering, niemand verschenen. Belanghebbende is bij digitaal verzonden bericht onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen data in de digitale postkamer van het Hof, is het bericht op 19 januari 2026 om 9:12 uur in het digitale dossier (via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’) geplaatst. Het Hof heeft hiervan op 19 januari 2026 om 9:17 uur een kennisgeving per e-mailbericht verzonden naar het door de gemachtigde van belanghebbende opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt het Hof aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op 19 januari 2026. Belanghebbende is dus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. Namens de Inspecteur is verschenen [naam1] , bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Vaststaande feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] [geboortejaar] . Belanghebbende was gehuwd met [echtgenoot] , geboren op [geboortedatum2] [geboortejaar2] en overleden op [datum] 2017 (hierna: erflater). Belanghebbende is enig erfgenaam van erflater.2.2.. Belanghebbende heeft in 1974 het landhuis met de naam [landhuis] , met schuur en bijbehorende grond van ongeveer 3040 m2 (het pand) gekocht. In de akte van levering staat dat het pand alleen mag worden gebruikt voor eigen bewoning en voor de verhuur aan verplegend personeel (zogenaamd kamerverhuur). Vanaf 1999 dreef belanghebbende, na inbreng van het pand, samen met erflater een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma met de naam [landhuis] . Het gehele pand is steeds gerekend tot het ondernemingsvermogen van aanvankelijk de eenmanszaak en nadien de vennootschap.2.3.. \n\nNaar aanleiding van het verzoek van erflater en belanghebbende om geruisloze inbreng heeft de Inspecteur bij brief van 6 oktober 2015 de volgende vragenbrief gestuurd:\n\n “Naar aanleiding van uw verzoek om toepassing van artikel 3.65 IB bij de inbreng in een BV (…) hebben wij al een kort telefoongesprek gehad, waarbij o.a. het ondernemerschap van uw cliënten aan de orde kwam. (…)\n\nIn uw e-mail van 29 juni 2015 geeft u aan dat u vindt dat er een onderneming wordt gedreven omdat de exploitatie voor rekening en risico wordt uitgevoerd door de firmanten van de V.O.F., waardoor alle verplichtingen drukken op de V.O.F. c.q. de firmanten.\n\nHet gaat bij de vraag of er sprake is van een materiële onderneming in fiscale zin niet om de vorm of presentatie (vof) maar om de aard en inhoud van de activiteiten.\n\nIn het pand (…) wordt een aantal appartementen te huur aangeboden. Het betreft kamers met gebruik van keuken en douche. Uit mij ter beschikking staande gegevens blijkt dat een aantal bewoners al jarenlang een dergelijk appartement huurt.\n\nHet verhuren van appartementen is in principe een beleggingsactiviteit. In sommige situaties kan er sprake zijn een resultaat uit overige werkzaamheden of van het drijven van een onderneming.\n\nIk heb de volgende vragen:\n\n1. Welke feiten en omstandigheden leiden er naar uw mening toe dat er in dit geval sprake is van meer dan actief vermogensbeheer? Ik verzoek u daarbij aan te geven in welke mate eventuele werkzaamheden door de firmanten er toe leiden dat een hoger rendement van de appartementen wordt behaald dan met normaal actief vermogensbeheer.\n\n2.Hoeveel appartementen zijn direct verhuurbaar en hoe was de bezetting in 2014 en 2015?\n\n3. Wilt een exemplaar van de huurovereenkomsten die zijn gesloten ter inzage sturen?\n\n4. Wilt u een specificatie verstrekken, uitgesplitst per appartement, van de ontvangen huren in 2015 (€ 47.924)\n\n5. Welke feitelijke werkzaamheden worden door de firmanten verricht?\n\n6. Indien er in 2014 of 2015 naast de permanente verhuur ook sprake was van verhuur voor drie maanden (aangeboden volgens de website) verzoek ik u de omzetverhouding tussen de permanente verhuur en de tijdelijke verhuur aan te geven.”2.4.. \n\nBij brief van 21 oktober 2015 heeft de gemachtigde van erflater en belanghebbende daarop het volgende geantwoord:\n\n“Namens [erflater] en [belanghebbende] (hierna: cliënten) verstrek ik u hierbij de volgende gegevens waarmee uw vragen worden beantwoord. Daarbij hanteer ik de door u gehanteerde volgorde van gestelde vragen in uw brief van 6 oktober jl.\n\n(…)\n\nVraag 2.\n\nHoeveel appartementen zijn direct verhuurbaar en hoe was de bezetting in 2014 en 2015?\n\nIn tegenstelling tot de door u gebruikte term 'appartement' is in deze situatie sprake van kamers welke worden verhuurd. Daarnaast wordt een appartement verhuurd.\n\nEr worden 12 kamers voor de verhuur aangeboden. Deze kamers verschillen van omvang en dientengevolge ook de gerekende huur. Hier volgt de opsomming:\n\n• 4 kamers verhuurd voor € 300 huur per maand;\n\n• 6 kamers verhuurd voor € 350 huur per maand;\n\n• 1 kamer verhuurd voor € 400 huur per maand;\n\n• 1 kamer verhuurd voor € 425 huur per maand;\n\n• 1 appartement wordt (permanent) verhuurd voor€ 710 per maand.\n\nDe bezetting in 2014 was dat niet alle kamers het gehele jaar doorlopend konden worden verhuurd. In het huidige jaar worden nagenoeg alle kamers tot op heden doorlopend gehuurd door afwisselende huurders.\n\nDe kamers worden louter en alleen verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] welke is gevestigd te [vestigingsplaats] . Ondanks de vele vraag van bijvoorbeeld andere overheidsinstanties, wensen cliënten de kamers niet aan andere partijen te verhuren.\n\n(…)\n\nVraag 3.\n\nHuurovereenkomsten\n\nEr worden geen schriftelijke huurovereenkomsten gesloten met de huurders. De voorwaarden worden mondeling overeengekomen zoals de huurprijs en een opzegtermijn van een maand. Cliënten willen de huurders niet beperken in hun mogelijkheden om tussentijds óf naar huis te kunnen gaan om daar te wonen tijdens de studie óf anderzijds beperkingen op te leggen. Dit is een risico echter dit risico wensen zij te aanvaarden omwille van het voornoemde.\n\nDe voorwaarden worden ondermeer besproken in een kennismakingsgesprek die cliënten standaard voeren met elke (nieuwe) huurder. En niet geheel ten overvloede, er is civielrechtelijk ook sprake van verhuur als zodanig wordt gehandeld. Een schriftelijke huurovereenkomst is niet noodzakelijk.\n\nVraag 4.\n\nSpecificatie ontvangen huren in 2015\n\nU schrijft dat u een specificatie wenst te ontvangen van de ontvangen huur in 2015 van € 47.924. Ik veronderstel dat u het jaar 2014 bedoelt getuige de aan u toegezonden jaarrekening.\n\nDe ontvangen huur kan eenvoudig worden verklaard:\n\nTotaal ontvangen huur in 2014\n\n€ 47.924\n\nAf: verhuur appartement\n\n- 8.520\n\nOntvangen huur kamers (6x)\n\n€ 39.404\n\nVraag 5.\n\nWelke feitelijke werkzaamheden worden door de firmanten verricht?\n\nCliënten verrichten de volgende werkzaamheden:\n\n- Onderhoud internetpagina\n\nBijvoorbeeld, er wordt geconstateerd dat de internetpagina niet op een smartphone kan worden geopend.\n\n- Onderhoud kamers\n\nAlle kamers worden na afloop van een (ver)huurperiode geheel schoongemaakt. Ook het onderhoud zoals schilderen, behangen etc. wordt door hen verzorgd.\n\nOp 2 november a.s. start een schildersbedrijf om het binnenwerk te gaan schilderen. Cliënten zijn thans bezig om de huurders hierover in te lichten\n\n- en om voorbereidende werkzaamheden te verrichten zodat de schilders op 2\n\n- november een vlotte start kunnen maken.\n\n(…)\n\nVraag 6.\n\nOmzetverhouding\n\n(…)\n\nConclusie\n\nGetuige de verstrekte gegevens en de aanvulling daarbij, kan onmogelijk worden gesteld dat hier geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. (…)”\n\n2.5.. \n\nOp 1 december 2015 heeft namens de Inspecteur een huisbezoek plaatsgevonden, waarbij erflater, belanghebbende en hun gemachtigde aanwezig waren. In het verslag dat daarvan is opgemaakt, staat onder meer het volgende:\n\n“Permanente verhuur:\n\n- 1 kamer aan [A]\n\n- 1 kamer aan [B]\n\n-1 volledig zelfstandig huis (appartement genoemd) gelegen in de tuin met eigen garage enz. verhuurd aan [C] en [D]; al tien jaar verhuurd aan hen.\n\nOok hiervan zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten\n\nOpzegtermijn 1 maand\n\n(…)\n\nDaarnaast worden de overige kamers nagenoeg uitsluitend verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] . Dit is de situatie sinds ongeveer 5 jaar, toen het opleidingsinstituut [locatie1] sloot. Daarvoor werd verhuurd aan een andere doelgroep. [Het pand] [landhuis] is 40 jaar geleden ontstaan toen [belanghebbende], werkzaam in zorginstelling, het pand kocht en dus kamers ging verhuren. (…) In de periode voor 2010 werd ook verhuurd aan jongens van [instelling1] . Dat was een moeilijker doelgroep dan studenten van [onderwijsinstelling] die makkelijker zijn qua omgang enz. (…) Het echtpaar heeft een sterke sociale band met de huurders van de kamers. Er komen ook jonge studenten (17\u002F18 jaar) en daarvoor vervult ze soms ook een sociale rol bij privé-problemen. heimwee enz. Termijn van huur eerst vooral 3 maanden, nu ook 9 maanden en 6 maanden. De huurders nemen zelf contact op met haar. Er volgt een gesprek waarbij [belanghebbende] beoordeelt of iemand “in de groep” past (dat stamt nog uit de tijd van de jongenshuisvesting van voor 2010). Ze let dan o.a. op de leeftijdsopbouw van de groep bewoners. Overigens zijn dat geheel zelfstandige huurders (privacy). De kamers mag zij natuurlijk niet betreden behoudens bij calamiteiten (reservesleutel). Momenteel vindt de verhuur van de kamers gemeubileerd plaats. Vroeger namen ze hun eigen inrichtingsspullen mee, maar dat gaf toch praktische probleempjes, als men een verblijf voor een korte periode wilde (maand\u002Fsoms korter). Men adverteert op [onderwijsinstelling] . Werft verder niet actief. Vooral nieuwe huurders door de mond-op-mondreclame op [onderwijsinstelling] . Er is verder geen binding met [onderwijsinstelling] . Wel zijn ze aanwezig op de zgn. “familiedag” voor nieuwe studenten op [onderwijsinstelling] om zich te presenteren als huurlocatie.\n\nDe huurders hebben de beschikking over een ingerichte keuken en een badkamer (2e etage zelfs twee badkamers). Ze koken zelf en houden zelf de kamers schoon. Er staat een centrifuge in een van de badkamers (…) maar de was wordt normaliter in de weekenden meegenomen naar huis. Ook het beddengoed. [Belanghebbende] onderhoudt dus niet de kamers, verschoont niet de bedden en verzorgt geen maaltijden. (…) De studenten eten op hun kamer. Soms (een keer per jaar, bij speciale gelegenheden, eten ze gezamenlijk in de woonkamer van de fam. (…) (die eten dan ook mee). Ook hierbij is het sociale aspect betekenisvol voor het echtpaar. De studenten koken dan een maaltijd of [belanghebbende] haalt een maaltijd bij “de chinees”.\n\nZij houdt wel de algemene ruimten schoon zoals het trappenhuis. Ook eens per week (…) de badkamer en keuken. Bij iedere huurwisseling maakt zij de kamers schoon.\n\nEr gelden enige (…) 4) huisregels (…). Ze houden ook enige controle op overkomen van (nieuwe) vriendinnen en hebben daarvoor een logeerkamer (…).”2.6.. In een brief van 2 mei 2016 gericht aan de gemachtigde van erflater en belanghebbende, schrijft de Inspecteur onder andere:\n\n“Wij verschillen van mening over het aanwezig zijn van een materiële onderneming bij [erflater] en [belanghebbende].\n\n(…)\n\nDe exploitatie\n\nIn het pand (…) worden de volgende woonruimten al jarenlang permanent verhuurd:\n\n- 1 kamer aan [A]\n\n- 1 kamer aan [B]\n\n- 1 volledig zelfstandig huis (appartement genoemd) gelegen achter het hoofdgebouw met een eigen garage enz. verhuurd aan [C] en [D] (samenwonend); al 10 jaar aan hen verhuurd.\n\nEr zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten. [Erflater] en [belanghebbende] verrichten nauwelijks schoonmaak- of andere werkzaamheden voor de huurders.\n\n[Erflater] en [belanghebbende] hebben de volledige benedenverdieping in eigen gebruik. De overige kamers worden verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] in [vestigingsplaats] (hierna: [onderwijsinstelling] ). Dit is de situatie sinds ongeveer 5 jaar toen het opleidingsinstituut de [locatie1] in [vestigingsplaats] sloot. In de periode voor 2010 werden kamers verhuurd aan een heel andere doelgroep namelijk bewoners van de [instelling1] . Er was toen geen sprake van alleen maar verhuur van kamers omdat bij die bewoners ook zorgtaken moesten worden uitgeoefend.\n\nDe termijn van verhuur varieert van 3 maanden tot 9 maanden. De huurders nemen zelf contact op met [belanghebbende]. Er vindt geen acquisitie plaats, behoudens een advertentie die is opgehangen in [onderwijsinstelling] . (…) Nieuwe huurders komen spontaan via mond-tot-mondreclame op [onderwijsinstelling] . Er wordt niet actief geworven. Wel zijn [erflater] en [belanghebbende] aanwezig op de zgn. “familiedag” voor nieuwe studenten op [onderwijsinstelling] om hun huurlocatie te presenteren. [Erflater] en [belanghebbende] voelen zich sociaal wel bij de studenten betrokken.\n\nDe huurders wonen geheel zelfstandig. (…)\n\nDe administratie bestaat uit handmatig opgestelde facturen die door [erflater] maandelijks bij de huurders op hun kamers worden bezorgd.\n\nOnderhoud pand:\n\nHet onderhoud aan het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven.(…)\n\nDe tuin, die behoort bij de door [erflater] en [belanghebbende] bewoonde begane grond, wordt ongeveer 3 maal per jaar onderhouden dor een hoveniersbedrijf (snoeien enz.). Het normale onderhoud, zoals onkruid wieden doet de 80-jarige [erflater] zelf ook wel (…).”\n\n2.7.. \n\nIn een brief van 8 juni 2016 schrijft de gemachtigde van erflater en belanghebbende aan de Inspecteur in reactie op de brief van de Inspecteur van 2 mei 2016 het volgende:\n\n “(…) Hetgeen [erflater] en [belanghebbende] u zeer kwalijk nemen is dat uw standpunt ter zake de ‘andere doelgroep’ volstrekt onjuist is. Er zijn nooit kamers verhuurd aan de [instelling1] . (…)\n\nUw standpunt, dat er toen geen sprake was van alleen maar verhuur van kamers omdat bij die bewoners ook zorgtaken moesten worden uitgeoefend, is helemaal correct. De zorgtaken die door [erflater] en [belanghebbende] dagelijks worden gepleegd, zijn het continu klaar staan voor de zorgen (privé-situaties) van de huurders. Er is daar geen verandering in gekomen zij het dat de zorgtaken een andere perceptie hebben gekregen oftewel een ander karakter. Zij zijn sociaal emotionele gesprekspartners voor de huurders. Dit zijn geen korte en vluchtige gesprekken (…). Tot midden in de nacht hebben zij met huurders gesproken over heimwee etc.\n\n(…) Een huurtermijn van 1 maand behoort ook tot de mogelijkheden (…).\n\n(…) De termijn van huur varieert van 1, 3, 4 of 9 maanden en dat betekent dat de kamers volledig schoongemaakt worden. Daarnaast zijn er meerdere badkamers, douches en keukens. Derhalve dagelijks stofzuigen, lappen, anderszins reinigen e.d. van twee verdiepingen.\n\n(…) (…) [belanghebbende] verzorgt de gehele administratie welke bestaat uit het inboeken van facturen, verrichten van betalingen. Daarnaast wikkelt zij e-mails af, heeft zij contact met de Gemeente en banken en verder.\n\nOnderhoud pand:\n\n“Het onderhoud aan het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven”.\n\nDit is inderdaad correct.\n\n(…)\n\n[Erflater) verricht het reguliere onderhoud bestaande (…) dat opkomt door storingen aan elektra, onderhoud van wc’s, douches, meubilair en verder. Naast dit onderhoud verricht [erflater] al het kleine onderhoud aan het pand zoals schilderwerkzaamheden en verdere reparaties. (…) Daarnaast verzorgt [erflater] het reguliere tuinonderhoud dat bestaat uit het onkruid wieden en het verder schoonhouden van de paden, de parkeerplaats en de opritten. Dit gebeurt nagenoeg iedere dag.(…)”\n\n2.8.. Tot en met het belastingjaar 2015 heeft de Inspecteur erflater en belanghebbende voor de inkomstenbelasting aangemerkt als ondernemer.2.9.. Belanghebbende heeft over het jaar 2016 aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.619 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.868.\n\n2.10.. \n\nTen name van belanghebbende is met dagtekening 13 december 2019 een aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 381.156 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.068 (de aanslag). Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur met toepassing van de foutenleer de winst over het jaar 2016 verhoogd met de helft van het verschil tussen de WOZ-waarde van het pand en de boekwaarde daarvan tot een bedrag van € 860.990 (€ 910.000 -\u002F- de boekwaarde van € 49.910), te weten € 430.495 (1\u002F2 x € 860.990).\n\nDe belastbare winst is rekening houdend daarmee als volgt berekend:\n\nAangegeven winst voor ondernemersaftrek € 5.924\n\nzelfstandigenaftrek € 3.640 -\u002F-\n\nniet gerealiseerde zelfstandigenaftrek € 2.284 -\u002F-\n\ncorrectie meer winst € 430.495\n\ncorrectie meer niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek € 801 -\u002F-\n\ncorrectie MKB-vrijstelling € 60.158 -\u002F-\n\nbelastbare winst € 369.536\n\nDaarnaast is de grondslag voor de vermogensrendementsheffing verhoogd met de helft van de WOZ-waarde (½ x € 910.000).\n\n2.11.. Bij beschikking is belastingrente in rekening gebracht. Tevens is een aanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 42.719. In verband daarmee is ook belastingrente in rekening gebracht.\n\n2.12.. Bij beschikking van 8 februari 2021 is het verzoek om geruisloze inbreng afgewezen op de grond dat de besloten vennootschap niet binnen vijftien maanden na het overgangstijdstip (1 januari 2015) tot stand is gekomen.\n\n2.13.. In het kader van de behandeling van het bezwaar heeft op 20 september 2021 een hoorgesprek plaatsgevonden. In het verslag dat de Inspecteur daarvan heeft opgemaakt, is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Het pand\n\nHet betreft een pand dat is gebouwd rond 1900 en heeft op dit moment, volgens [de gemachtigde], wat achterstallig onderhoud. Er zijn een aantal kamers bekeken op de verschillende verdiepingen, het gesprek vond plaats in de woonkamer op de begane grond. Op de tweede en derde verdieping zijn de volledig gestoffeerde (slaap)kamers. Op elke verdieping is een badkamer en een keuken net als een wasruimte die bestemd is voor gezamenlijk gebruik. Totaal is er plek voor tien studenten. De begane grond wordt privé gebruikt en wordt niet verhuurd. Wel zijn er soms samenkomsten in de woonkamer waar bijvoorbeeld samen wordt gegeten.\n\nOntstaan\n\nIn het jaar 1974 is het [pand] aangekocht voor fl. 175.000. Vanaf begin af aan is er sprake geweest van verhuur van kamers. De doelgroep en daarmee samenhangende werkzaamheden zijn in de loop der tijd wel veranderd. Centraal daarin hebben altijd passie en een hoge mate van betrokkenheid gestaan. [Belanghebbende] benadrukte dat ze altijd klaarstaat voor de huurders, er aandacht voor elkaar is en ze het van belang vindt dat de bewoners het fijn met elkaar hebben. [Belanghebbende] gaf aan dat er altijd is gewerkt vanuit een sociale insteek, dat blijkt bijvoorbeeld uit de (lage) huurprijs en het feit dat er veel contact is met de huurders. Het contact met de huurders gaat verder dan alleen kamerverhuur; [belanghebbende] omschreef het als een ‘hechte gemeenschap’. Tot op de dag van vandaag onderhoudt zij contacten met (oud) huurders. De contacten met (oud) huurders zijn [belanghebbende] veel waard, houden haar jong en geven haar vreugde. Zoals zij klaarstaat voor de huurders, zo staan en stonden de huurders ook voor haar klaar in moeilijke tijden, bijvoorbeeld in de periode van het overlijden van [erflater].\n\nVerandering van huurders\n\nOngeveer 10 tot 15 jaar geleden is een omslag gemaakt van verhuur aan zorgpersoneel naar alleen maar verhuur aan studenten van de nabij gelegen [onderwijsinstelling] . Voor deze omslag werden de kamers voornamelijk verhuurd aan zorgpersoneel van diverse instellingen in de omgeving. Deze huurders woonden permanent in het huis en waren daar ook ingeschreven. Naast het zorgpersoneel woonden er ook afwisselend jongeren die re-integreerden in de maatschappij.\n\nSamen met [erflater] en het zorgpersoneel droeg zij zorg voor deze jongeren om, zoals zij het omschreef, het positieve van de maatschappij te laten zien en te zorgen voor een goede “herstart”. Er is veel gebeurd in deze periode van verhuur, bijvoorbeeld de tijd dat er om en om gewaakt moest worden bij een verlamde patiënt.\n\nOm meer zekerheid te krijgen over het soort huurders is de omslag gemaakt naar verhuur aan studenten van de nabijgelegen [onderwijsinstelling] . Zij zijn niet ingeschreven op het adres en verblijven alleen in het huis in de periodes dat er les wordt gevolgd aan [onderwijsinstelling] . Dit zijn afwisselend periodes van één tot drie maanden, met telkens tussenpauzes van één tot drie maanden. Over het algemeen betreffen het studenten die vanuit het ouderlijk huis voor het eerst “uitvliegen”. De studenten eten en studeren vaak samen, net als dat zij vaak samen reizen (lopen\u002Ffietsen\u002F auto) naar de nabij gelegen [onderwijsinstelling] .\n\nHuursom\n\nEr wordt niet gewerkt met huurcontracten, afspraken worden mondeling gemaakt in goed vertrouwen. Elke vier weken verstuurt [belanghebbende] een factuur.\n\nVoor elke kamer geldt een vaste huur per vier weken, inclusief gas, water, licht, internet, televisie en gebruik en schoonmaak van de gezamenlijke keuken en badkamer. Bij de eerder genoemde omslag is ook besloten om voor elke kamer eenzelfde huurprijs te rekenen. Voordien werd voor elke kamer een aparte prijs gerekend die afhankelijk was van de grootte daarvan. [Belanghebbende] gaf aan dat vaste huurbedrag tussen de 400 en 425 euro ligt. Het was een bewuste keus van [belanghebbende] en wijlen [erflater].om de huur niet te hoog vast te stellen. [Erflater].liet hierin ook meewegen dat de studenten doorgaans tijdens de weekenden niet aanwezig waren, dus dan werd er ook geen gas, water en stroom verbruikt. De studenten krijgen 90% van de huursom vergoed door hun werkgever, [organisatie] . Als een student een periode geen lessen volgt hoeft er geen huur betaald te worden. Als een student een kamer heeft, is hij er ook van verzekerd dat gedurende de gehele studie een kamer voor hem beschikbaar is maar dit is, na een periode van afwezigheid, niet altijd dezelfde kamer.\n\nDe huurprijs is nimmer verhoogd. [Belanghebbende] gaf daarover aan dat dat niet juist voelde\u002Fvoelt en zij en wijlen haar echtgenoot ook opzagen tegen het feit om te vragen om een hogere huur. Het feit dat de studenten 90% vergoed krijgen, is geen aanleiding om de huur te verhogen.\n\nDe mogelijkheid deed zich voor om kamers te verhuren aan buitenlandse studenten. [Belanghebbende] realiseert zich dat ze dan waarschijnlijk een hogere huur had kunnen vragen, maar ze heeft hier bewust niet voor gekozen. Ze zou dan de regie kwijt zijn en vond dat niet wenselijk.\n\nWerkzaamheden\n\nDe insteek van [belanghebbende] en [erflater].was verhuur waarbij het sociale aspect een groot aandeel heeft. De werkzaamheden bestaan naast de eerder genoemde sociale aspecten voornamelijk uit het schoonhouden van de gezamenlijke ruimten in het pand, het uitvoeren van klein onderhoud en het onderhouden van de tuin. (…)\n\nEr wordt geen reclame gemaakt, de mond-op-mond reclame en goede connectie met [onderwijsinstelling] zorgen voor voldoende aanbod van huurders.”\n\n2.14.. In reactie op het hoorverslag heeft de gemachtigde bij brief van 11 oktober 2021 het volgende geschreven aan de Inspecteur:\n\n“Paragraaf: Verandering van huurders\n\nWat ontbreekt is de wijze van samenstelling van de huurders. Eerst waren dat huurders, zijnde verplegend personeel en huurders met een zorgbehoefte. Dat was de voorwaarde destijds bij de verwerving van het pand. Dit staat in de akte van levering. Naast deze zorg-behoevende huurders werden er ook huurders ontvangen via (…), waaronder mensen uit Sudan, Ghana, Polen, India, China enz. om hen meer wegwijs te maken.\n\nOmdat enkele huurders met zorgbehoefte aan de drugs geraakten, werd het te lastig om deze mensen te blijven opvangen omdat ook de veiligheid in het geding kwam, ook voor de andere huurders.\n\nZo gaande weg kwam [het pand] in contact met [onderwijsinstelling] , doordat eerst al huurders waren geweest die een ‘goed woordje’ bij [onderwijsinstelling] hadden gedaan over hun verblijf bij [het pand], de huiselijke sfeer en de aandacht die de huurders kregen, gelet op de zorgachtergrond en het bijbrengen van sociale vaardigheden van [erflater] en [belanghebbende]. De verandering vond in meer of mindere mate gedwongen plaats, omdat veiligheid voor alle huurders, bewoners vooropstaat.\n\n(…)\n\nParagraaf: Huursom\n\nDe huurprijs is wel verhoogd, zij het [onderwijsinstelling] de laatste jaren. Daarvoor niet of nauwelijks. Wel als er een nieuwe huurder zich aandiende, dan werd de huurprijs wel wat aangepast. De huurprijzen verschillen wel per kamer, dat in samenhang met de grootte van de kamer.\n\nParagraaf: Werkzaamheden\n\nGraag nader omschrijven: als de huurders na drie maanden naar [organisatie] gaan en er een ‘nieuwe klas’ komt, worden alle kamers volledig en grondig schoongemaakt en dit dient dan binnen enkele dagen gedaan te worden.\n\nHet onderhoud wordt door [erflater] en [belanghebbende] altijd zelf gedaan. Zo deed [erflater] al het loodgieterswerk en andere huiselijke klusjes, zgn. onderhoud en [belanghebbende] deed het schilderwerk van alle kamers, evenals het reinigen, het vervangen van vloerbedekking etc. het schilderen van de plafonds deed [erflater].\n\nErflater deed tot het laatst toe ook het volledige tuinonderhoud, in ieder geval alles buiten op het buitenterrein.\n\n(…)\n\nBij het verzoek deze op- en aanmerkingen te verwerken in het concept hoorverslag van het gesprek op 20 september 2021.”\n\n2.15.. Bij uitspraak op bezwaar van 24 december 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot één berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 325.832 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.258, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat bij het opleggen van de aanslag de gestelde staking niet juist is gecorrigeerd. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de niet eerder benutte stakingsaftrek. Ook is het resultaat dat is behaald met de verhuur van de kamers in 2016 ten onrechte belast als winst uit onderneming en is voor de toepassing van de foutenleer ten onrechte aangesloten bij de waarde van het pand op 1 januari 2010 in plaats van bij de waarde van het pand op 1 januari 2016, te weten € 787.000 (waarde WOZ). Rekening houdend daarmee is de belastbare winst van belanghebbende vastgesteld op € 314.213. Dit bedrag is als volgt berekend:\n\nBoekwinst op pand: € 368.995 (1\u002F2 x € 787.000)\n\nStakingsaftrek € 3.630 -\u002F-\n\nMKB-winstvrijstelling € 51.152 -\u002F-\n\nBelastbare winst € 314.213\n\nDe grondslag sparen en beleggen heeft de Inspecteur als volgt berekend:\n\nAangegeven aandeel in de aangifte € 46.705\n\nAandeel in correctie € 483.365\u002F2 € 209.757\n\nGecorrigeerd aandeel in box 3 € 256.462\n\n2.16.. In de motivering van de uitspraak op bezwaar is de volgende rendementsberekening opgenomen:\n\nOmzet\n\nExploitatie kosten\n\nNetto\n\ninkomsten\n\nWOZ\n\nIPD\n\n65% WOZ\n\n60% WOZ\n\n2010\n\n€55.236\n\n€29.438\n\n€25.798\n\n€910.000\n\n4,00%\n\n4,36%\n\n4,72%\n\n2011\n\n€52.596\n\n€27.671\n\n€24.925\n\n€875.000\n\n4,10%\n\n4,38\n\n4,75%\n\n2012\n\n€56.878\n\n€26.526\n\n€30.352\n\n€825.000\n\n4,30%\n\n5,66%\n\n6,13%\n\n2013\n\n€56.837\n\n€40.560\n\n€16.277\n\n€767.000\n\n4,50%\n\n3,26%\n\n3,54%\n\n2014\n\n€50.800\n\n€34.257\n\n€16.543\n\n€751.000\n\n4,70%\n\n3,39%\n\n3,67%\n\n2015\n\n€53.938\n\n€ 50.208\n\n€3.730\n\n€758.000\n\n4,60%\n\n0,76%\n\n0,82%\n\n2016\n\n€52.289\n\n€37.735\n\n€14.554\n\n€787.000\n\n5,50%\n\n2,85%\n\n3,08%\n\nGemiddelde\n\n€ 54.082\n\n€ 35.199\n\n€ 18.883\n\n€ 810.429\n\n4,53%\n\n3,58%\n\n3,88 %\n\nHierbij is de Inspecteur ervan uitgegaan dat de WOZ-waarde voor 35% (kolom 65% WOZ) dan wel 40% (kolom 60% WOZ) toerekenbaar is aan de benedenverdieping. De IPD\u002FROZ index is een overzicht van in percentages uitgedrukte gemiddeld behaalde rendementen in de vastgoedmarkt. De Inspecteur heeft zich in de uitspraak op bezwaar op het standpunt gesteld dat de berekende rendementen door het gebruik van de Woz-waarde lager zijn dan de werkelijke rendementen, die moeten worden berekend op basis van de waarde in het economische verkeer en dat geen sprake is van een hoger rendement dan bij normaal vermogensbeheer.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is in de eerste plaats of de kamerverhuur is aan te merken als een ondernemingsactiviteit of dat sprake is van normaal vermogensbeheer. In de tweede plaats is in geschil of de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen een individuele en buitensporige last vormt. Voorts is in geschil of het verzoek om geruisloze inbreng terecht is afgewezen en of daarop tijdig is beslist.\n\n3.2.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van een ondernemingsactiviteit, dat de heffing over sparen en beleggen een individuele en buitensporige last vormt en dat het verzoek om geruisloze inbreng ten onrechte en te laat is afgewezen. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van normaal vermogensbeheer, dat wat betreft de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen geen sprake is van een individuele en buitensporige last en dat het verzoek om geruisloze inbreng terecht is afgewezen.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\nWinst uit onderneming of normaal (actief) vermogensbeheer?\n\n4.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van het drijven van een materiële onderneming c.q. meer dan normaal vermogensbeheer.\n\n4.2.. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank de vraag of daarvan sprake is ten onrechte alleen beantwoord aan de hand van de arbeid-plus-eis en niet ook getoetst of aan de rendement-plus-eis is voldaan. Zij verwijst daarvoor naar de uitspraak van dit Hof van 15 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1087. Belanghebbende voert ook aan zij veel meer dan alleen administratieve\u002Fbureauwerkzaamheden verrichtte. Zij onderhoudt ook het contact met de huurders, levert zorg aan hen, maakt schoon, onderhoudt het pand, verricht schilderwerkzaamheden en kleine reparaties, voert besprekingen van sociaal-psychologische aard met de huurders en geeft hen sociaal-emotionele ondersteuning. Zij wijst er op dat de huurperiodes vaak kort zijn waardoor er extra werkzaamheden moeten worden verricht. Ook wijst zij erop dat de huurders die al lang vertrokken zijn, nog altijd contact met haar onderhouden. Volgens belanghebbende waren zij altijd beschikbaar voor de studenten. Zij en erflater hadden als het ware hun eigen toko en werkten niet alleen van 9:00 uur tot 17:00 uur, maar ook daarbuiten.\n\n4.3.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake meer is van een onderneming, maar van normaal vermogensbeheer. Volgens de Inspecteur heeft er in de loop van de jaren - ergens tussen 2006 en 2010 - een omslag plaatsgevonden van de verhuur van kamers aan zorgpersoneel en zorgbehoevenden naar verhuur van die kamers aan studenten van [onderwijsinstelling] .\n\n4.4.. In de jaren voorafgaand aan de aanslag zijn de opbrengsten uit de verhuur van het pand voor de IB\u002FPVV aangemerkt als winst uit onderneming. Niet in geschil is dat tot het jaar 2010 sprake was van een onderneming. Anders dan de Inspecteur stelt en de Rechtbank heeft overwogen, rust hier de bewijslast dat de activiteiten inzake de verhuur van het pand zodanig zijn gewijzigd dat in het betrokken jaar geen sprake meer is van een materiële onderneming op de Inspecteur. De Inspecteur is in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Daarvoor acht het Hof het volgende van belang.\n\n4.5.. In een geval als het onderhavige waarin sprake is van verhuur (van gedeelten van) een onroerende zaak, is van normaal vermogensbeheer geen sprake als het rendabel maken daarvan mede geschiedt door arbeid die de eigenaar van de onroerende zaak verricht en deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaak welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat.\n\n4.6.. Uit de feiten als hiervoor onder 2. weergegeven, komt naar voren dat de activiteiten vanaf het jaar 2010 zijn afgenomen door de wijziging van de doelgroep waaraan werd verhuurd. Vóór 2010 werden niet alleen kamers verhuurd, maar verrichtten erflater en belanghebbende ook zorgtaken voor de huurders. Onder andere uit de reactie van gemachtigde op het hoorverslag van de Inspecteur komt naar voren dat er een onhoudbare toestand was ontstaan en dat erflater en belanghebbende daarom zijn gestopt met de zorgtaken en vervolgens kamers zijn gaan verhuren aan een andere doelgroep, namelijk studenten van [onderwijsinstelling] . In het betrokken jaar verhuurden erflater en belanghebbende 12 kamers aan studenten van [onderwijsinstelling] , voor doorgaans drie tot negen maanden. Daarnaast werden twee kamers en een vrijstaande woning op het terrein van het landgoed permanent verhuurd. Deze verhuur en de bijkomende werkzaamheden die erflater en belanghebbende verrichtten kunnen niet worden aangemerkt als het drijven van een materiële onderneming.\n\n4.7.. Weliswaar geschiedt het rendabel maken van het pand mede door de arbeid die erflater en belanghebbende verrichtten, maar niet kan worden gezegd dat deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van voordelen uit het pand welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan. De omvang van de door erflater en belanghebbende verrichte werkzaamheden overstijgt niet wat bij normaal vermogensbeheer van onroerende zaken gebruikelijk is. Belanghebbende maakte de gezamenlijke ruimten (de gangen, de keuken en twee badkamers) schoon en erflater verrichtte kleine onderhoudswerkzaamheden. Het groot onderhoud van het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven. De kamers die voor een aantal maanden worden verhuurd, worden schoongehouden door de huurders. Dat geldt ook voor de huurders van de andere kamers en voor de huurder van de vrijstaande woning. Daarvoor worden in het geheel geen schoonmaakwerkzaamheden verricht. Dat erflater en belanghebbende incidenteel samen met huurders aten, maakt dat niet anders. Van een pensionbedrijf is geen sprake. Van een rendement dat uitgaat boven hetgeen met normaal vermogensbeheer kan worden behaald, is evenmin sprake. In 2016 en de daaraan drie voorgaande jaren, is in ieder geval niet het IPD-rendement voor vastgoed behaald (zie 2.16). Er is dus sprake van normaal vermogensbeheer. Dit betekent dat de onderneming voor het jaar 2016 is gestaakt en dat het verschil over de waarde in het economische verkeer van het pand en de boekwaarde daarvan (de meerwaarde) had moeten worden belast als winst uit onderneming in het laatste jaar waarin sprake was van een onderneming.\n\n4.8.. Niet in geschil is dat er niet meer kon worden nagevorderd over voorgaande belastingjaren omdat de daarvoor geldende termijn was verstreken. Het stond de Inspecteur daarom vrij om de onjuistheid te herstellen in het laatste openstaande belastingjaar.\n\nIndividuele en buitensporige last?\n\n4.9.. Belanghebbende klaagt ook over de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen. Volgens belanghebbende is sprake van een individuele en buitensporige last. De Inspecteur heeft dit betwist.\n\n4.10.. \n\nDe bewijslast dat sprake is van een individuele en buitensporige last rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft deze stelling niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt. Die beroepsgrond kan daarom niet slagen.\n\nNevenbeschikkingen4.11. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente en het verzamelinkomen. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het hoger beroep daartegen is daarom ongegrond.\n\nAanslag Zvw\n\n4.12.. \n\nHet hoger beroep is ook gericht tegen de uitspraak inzake de aanslag Zvw. Belanghebbende heeft alleen aangevoerd dat sprake is van een materiële onderneming. Uit 4.7 volgt dat die beroepsgrond niet slaagt.\n\nVerzoek geruisloze inbreng\n\n4.13.. Op grond van artikel 3.65 van de Wet IB 2001, voor zover van belang, kan op verzoek van de belastingplichtige en als aan de door de Minister te stellen voorwaarden wordt voldaan, een onderneming geruisloos worden omgezet in de vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Nu geen sprake is van een onderneming, komt het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking. Het verzoek om geruisloze inbreng is reeds daarom terecht door de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende heeft gesteld dat de behandeling van het verzoek door de Inspecteur te lang heeft geduurd, maar zij heeft daaraan geen consequenties verbonden. Het hof ziet daarom geen reden om daaraan gevolgen te verbinden.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\nHet Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.\n\nDe beslissing is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. J. van de Merwe.\n\n(E.D. Postema) (J. van de Merwe)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731, HR oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0481 en HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1321.\n\n Vgl. HR 29 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3858, HR 28 april 1999, ECLI:NL:HR:AA2746, rechtsoverweging 3.4 en 3.5, en HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:850, rechtsoverweging 4.5.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4064","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.810Z",{"id":134,"ecli":135,"slug":136,"caseNumber":44,"courtId":87,"decisionDate":137,"fullText":138,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":137,"parsedAt":52,"updatedAt":140},"427","ECLI:NL:RBNNE:2026:2208","ecli-nl-rbnne-2026-2208","2026-06-09T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: LEE 25\u002F2505 en 25\u002F2507\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 juni 2026 in de zaken tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: [naam 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst\u002FMidden- en kleinbedrijf\u002Fkantoor Almere, de inspecteur\n\n(gemachtigde: [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 juni 2025.\n\nLEE 25\u002F25051.1.. De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 107.030 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 502. Gelijktijdig met de vaststelling van deze navorderingsaanslag heeft de inspecteur eiser € 9.304 belastingrente in rekening gebracht.\n\nLEE 25\u002F25071.2.. De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 136.775 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4. Gelijktijdig met de vaststelling van deze navorderingsaanslag heeft de inspecteur eiser 11.085 belastingrente in rekening gebracht.\n\nAlle zaaknummers1.3.. De inspecteur heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.\n\n1.4.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.5.. De rechtbank heeft de beroepen op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [naam 3] .\n\nFeiten\n\n2.2.1.. Eiser is werkzaam als verzorgende (niveau 3). Hij verleent zorg in natura bij cliënten aan huis en in instellingen. De werkzaamheden worden verricht onder de naam [handelsnaam] . Eiser heeft geen BIG-registratie.\n\n2.2.. In 2019 en 2020 verrichtte belanghebbende zorgwerkzaamheden voornamelijk door tussenkomst van bemiddelingsbureaus, waaronder [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] .\n\n2.3.. Daarnaast verleende eiser in 2019 en 2020 zorg aan mevrouw [naam 4] . Mevrouw [naam 4] was budgethouder van een persoonsgebonden budget (hierna: PGB). Eiser factureerde mevrouw [naam 4] voor zijn werkzaamheden, welke zij (deels) voldeed uit haar PGB.\n\n2.4.. Op 23 oktober 2020 doet eiser aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2019. Daarin geeft hij onder meer het volgende aan:\n\nResultaat uit overige werkzaamheden\n\nBruto opbrengsten uit werkzaamheden (Thuiszorg [eiser] )\n\n€ 29.821\n\nTotaal kosten bij resultaat uit werkzaamheden\n\n€ 1.630\n\n2.5.. Op 4 oktober 2021 doet eiser aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2020. Daarin geeft hij onder meer het volgende aan:\n\nResultaat uit overige werkzaamheden\n\nBruto opbrengsten uit werkzaamheden (Thuiszorg)\n\n€ 26.814\n\nEiser heeft geen kosten bij resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven.\n\n2.6.. De inspecteur heeft de aanslag IB\u002FPVV 2019 opgelegd met dagtekening 27 november 2020 en de aanslag IB\u002FPVV 2020 met dagtekening 19 november 2021. De aanslagen zijn conform de aangiften opgelegd.\n\n2.7.. Eind 2023 ontvangt de inspecteur informatie dat eiser zijn inkomsten uit zorgwerkzaamheden in 2019 en 2020 mogelijk te laag zou hebben aangegeven. Deze informatie was afkomstig van de erven van mevrouw [naam 4] . Mevrouw [naam 4] heeft in 2019 diverse bedragen overgemaakt naar eiser. Op 27 november 2023 verzoekt de inspecteur per brief aan eiser om informatie te verstrekken.\n\n2.8.. De toenmalige boekhouder van eiser, de heer [naam 5] , stuurt op 24 januari 2024 naar aanleiding van het schrijven van de inspecteur de volgende documenten:\n\n- Facturen aan [bedrijf 4] 2019 en 2020;\n\n- Facturen aan mevrouw [naam 4] 2019 en 2020;\n\n- Zorgovereenkomst met mevrouw [naam 4] ;\n\n- Overeenkomst [bedrijf 1] ;\n\n- Werkschema voor mevrouw [naam 4] ;\n\n- Overzichten opbrengsten en kosten 2019 en 2020.\n\n2.9.. Tussen 4 december 2023 en 27 september 2024 is er diverse malen contact tussen de inspecteur en de heer [naam 5] . De inspecteur stuurt op 27 september 2024 een aanvullend verzoek om informatie omdat nog niet alle vragen zijn beantwoord en informatie is verstrekt. Vervolgens is er in de periode 2 oktober 2024 en 22 oktober 2024 weer diverse malen contact via e-mail tussen de inspecteur en de heer [naam 5] .\n\n2.10.. Op 24 oktober 2024 reageert belanghebbende schriftelijk naar de inspecteur. Bij zijn schrijven zijn kostenoverzichten gevoegd. Op 5 en 6 november 2024 is er via e-mail contact tussen de inspecteur en eiser. De heer [naam 5] staat eiser inmiddels niet meer bij.\n\n2.11.. Met de datum 22 november 2024 kondigt de inspecteur navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2019 en 2020 aan. Op 5 december 2024 reageert eiser via e-mail op de kennisgeving van het opleggen van de navorderingsaanslagen. De inspecteur reageert op 6 december 2024 op de e-mail van eiser.\n\n2.12.. Met dagtekening 20 december 2024 legt de inspecteur de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2019 op (zie 1.1.) en met dagtekening 18 januari 2025 de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2020 (zie 1.2.).\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt de navorderingsaanslagen 2019 en 2020 naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Het geschil concentreert zich op de vraag of de inspecteur de inkomsten uit zorgwerkzaamheden op de juiste bedragen heeft vastgesteld en of deze inkomsten kwalificeren als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden.\n\n4. Eiser stelt – samengevat – dat de inkomsten te hoog zijn vastgesteld en dat sprake is van winst uit onderneming. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering van de navorderingsaanslagen en beschikkingen belastingrente.\n\n5. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat de kosten voor het jaar 2019 € 4.700 bedragen en dat het beroep voor het jaar 2019 gegrond moet worden verklaard. De inkomsten voor het jaar 2020 zijn volgens de inspecteur tot de juiste bedragen vastgesteld. De inspecteur is verder van mening dat de inkomsten kwalificeren als resultaat uit overige werkzaamheden.\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast\n\nDe rechtbank zal allereerst oordelen of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt namelijk dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast).\n\n8. De inspecteur heeft gesteld dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan en dat daarom sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast.\n\n9. Voor de heffing van IB\u002FPVV geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven.Bij de vereiste bewustheid geldt dat kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat in dit verband aan die belastingplichtige moeten worden toegerekend.\n\n10. Deze omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de inspecteur gehouden is bij het vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van de belastingplichtige. Het vereiste van een redelijke schatting strekt ertoe, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld.In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.\n\n11. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft in beroep gesteld dat de inkomsten uit zorgwerkzaamheden in 2019 € 93.283,38 (opbrengsten van € 107.419 minus kosten van € 14.135,62) bedragen en dat de inkomsten in 2020 € 103.802,06 (opbrengsten van € 113.270,64 minus kosten van € 9.468,58) bedragen in plaats van de aanvankelijk aangegeven inkomsten van € 28.191 in 2019 en € 26.814 in 2020. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is van een gebrek in de aangiften dat ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eiser had zich ervan bewust moeten zijn dat door het niet aangeven van deze inkomsten een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.\n\n12. Dat het onjuist aangifte doen – mogelijk – is veroorzaakt door zijn toenmalige boekhouder, de heer [naam 5] , maakt dit niet anders. De rechtbank wijst er in dit kader nog op dat eiser in beroep heeft aangevoerd dat de aangiften nooit door eiser zelf zijn ingediend, maar dat eiser in zijn bericht van 24 oktober 2024 aan de inspecteur heeft geschreven dat hij in de jaren 2019 en 2020 zelf zijn financiële administratie heeft beheerd, zonder de hulp van een professional. Wat daar ook van zij, eiser heeft de inkomsten in 2019 en 2020 op zijn bankrekening ontvangen en had bij (controle van) de aangiften in één oogopslag moeten zien dat bij de inkomsten veel te lage bedragen waren vermeld. Ook als eiser de controle van de aangiften niet zou hebben gedaan en volledig vertrouwd zou hebben op de heer [naam 5] kan dit eiser worden aangerekend.\n\n13. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.\n\nHoogte navorderingsaanslagen\n\n14. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2019 vastgesteld op € 107.030 en bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2020 op € 136.775. Hierbij heeft de inspecteur zich voor beide jaren gebaseerd op de bankgegevens van eiser waaruit de inspecteur een bedrag aan opbrengsten van € 114.216 (2019) respectievelijk € 143.992 (2020) heeft afgeleid en waarbij de inspecteur voor 2019 € 3.383 en voor 2020 € 3.368 als kosten in aftrek heeft toegelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een redelijke schatting van eisers inkomen.\n\n15. Eiser stelt dat de inkomsten in 2019 € 6.797 en in 2020 € 30.721,36 lager moeten worden vastgesteld, en de kosten € 10.796,62 (2019) respectievelijk € 6.100,58 (2020) hoger (zie 11). De rechtbank overweegt als volgt.\n\n16. Ten aanzien van de door eiser betwiste opbrengsten in 2019 overweegt de rechtbank dat eiser met hetgeen hij ter zitting heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, niet heeft doen blijken dat deze ontvangsten geen inkomsten zijn. Daartoe heeft eiser onvoldoende specifieke feiten en omstandigheden aangevoerd. Ten aanzien van € 4.700 aan kosten ‘inhuur derden’ in 2019 heeft eiser toegelicht dat dit een salarisbetaling aan zijn zoon is, die samen met hem zorgwerkzaamheden verrichtte. In een procedure die zijn zoon bij een andere rechtbank heeft gevoerd, heeft die rechtbank geoordeeld dat deze betaling voor de zoon salaris was. De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat dit bedrag als kosten voor eiser moet worden meegenomen. Meer of andere kosten voor 2019 heeft eiser niet doen blijken. Eiser heeft behalve (afschriften uit) zijn boekhouding en een rittenregistratie waar de inspecteur kanttekeningen bij heeft geplaatst, geen facturen of betaalbewijzen overgelegd die een hoger bedrag aan kosten voldoende onderbouwen.\n\n17. Ook voor wat betreft de door eiser in 2020 betwiste opbrengsten en gestelde hogere kosten is de rechtbank van oordeel dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd, niet heeft doen blijken dat de door de inspecteur geschatte opbrengsten en kosten in zoverre onjuist zijn. Ook hiervoor geldt dat eiser behalve afschriften uit zijn boekhouding en (de door de inspecteur niet gevolgde) kilometeradministratie geen facturen of betaalbewijzen heeft overgelegd, waardoor eiser niet aan zijn verzwaarde bewijslast heeft voldaan.\n\n18. Vervolgens is tussen partijen in geschil of de inkomsten uit zorgwerkzaamheden van eiser dienen te worden belast als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden. Op eiser rust de last om feiten en omstandigheden te doen blijken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van winst uit onderneming. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake is van winst uit onderneming onder meer aangevoerd dat hij niet is ‘ingebed’ als werknemer, er geen sprake is van een gezagsverhouding, eiser meerdere opdrachtgevers had in 2019 en 2020, zelf factureert en administratie voert, vrije opdrachtacceptatie heeft, ondernemersrisico loopt omdat er geen loondoorbetaling bij ziekte of uitval is en dat hij zich (tot op zekere hoogte) vrijelijk kan laten vervangen.\n\n19. De inspecteur heeft de stelling van eiser betwist en daartoe onder meer aangevoerd dat eiser de zorgwerkzaamheden voornamelijk heeft verricht via bemiddeling van diverse zorgaanbieders en dat de zorgaanbieders de opdrachtgevers van eiser zijn, en niet de zorgvragers. De eindverantwoordelijkheid voor de te verlenen zorg ligt volgens de inspecteur dan ook bij de zorgaanbieder, wat betekent dat de zorgaanbieder zowel op vakinhoudelijk als organisatorisch gebied een instructiebevoegdheid heeft. Eiser mag niet zelfstandig het (verplichte) zorgplan opstellen. Dit recht (en de verplichting tot opstelling daartoe) is voorbehouden aan de zorgaanbieder(s). Hij mag dit mogelijk wel doen voor of namens de zorgaanbieder, maar dan vervaardigt hij het zorgplan altijd onder (eind-) verantwoordelijkheid van de desbetreffende zorgaanbieder. Ook is hij verplicht om zich bij de uitvoering van de zorgwerkzaamheden te houden aan de richtlijnen zoals deze in het zorgplan zijn neergelegd. Dat eiser bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden en het uitvoeren van het zorgplan een zekere zelfstandigheid heeft, doet daar niet aan af. Ook wijst de inspecteur erop dat de tarieven die eiser berekent gereguleerd zijn, en daarboven niet onderhandelbaar, en dat het debiteurenrisico dat eiser loopt uitsluitend jegens de zorgaanbieders is.\n\n20. De rechtbank overweegt dat eiser, in het licht van hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, niet voldoende feiten en omstandigheden heeft doen blijken die de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van winst uit onderneming. Uit hetgeen door partijen is aangevoerd is voor de rechtbank niet komen vast te staan dat en in hoeverre eiser onder eigen verantwoordelijkheid en voor eigen rekening en risico zorgwerkzaamheden in natura aan de zorgvragers kan aanbieden. Die zorgvragers hebben immers jegens hun verzekeraar recht op zorg in natura, welke zorg in opdracht van die verzekeraars slechts mag worden verleend door en onder verantwoordelijkheid van een toegelaten zorgaanbieder (zoals een bemiddelingsbureau). Zonder tussenkomst van een toegelaten zorgaanbieder kan eiser geen diensten tegen betaling verrichten aan de zorgvragers die recht hebben op zorg in natura. De rechtbank merkt op dat zij het op zichzelf aannemelijk acht dat de werkzaamheden voor andere zorgvragers aan wie eiser niet via een bemiddelingsbureau diensten heeft verricht, onder andere condities zijn verricht dan hiervoor is geschetst, maar eiser heeft gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd niet voldoende doen blijken in hoeverre dat het geval is en wat de omvang daarvan dan is. De inspecteur heeft de inkomsten uit zorgwerkzaamheden van eiser daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht voor het geheel niet als winst uit onderneming, maar als resultaat uit overige werkzaamheden aangemerkt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Het beroep tegen de navorderingsaanslag 2019 is gegrond gelet op wat de rechtbank onder 16. heeft overwogen. Het belastbaar inkomen uit werk en inkomen moet worden verlaagd met € 1.317. Dat betekent dat de rechtbank de navorderingsaanslag 2019 zal verlagen. Omdat het beroep gegrond is, dient de inspecteur aan eiser het griffierecht te vergoeden. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Ter zitting hebben partijen aangegeven dat deze proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht kan worden vastgesteld op € 2.534 (2 punten voor de beroepsfase à € 934 per punt en 1 punt voor de bezwaarfase à € 666 per punt met een wegingsfactor 1).\n\n22. Het beroep tegen de navorderingsaanslag 2020 is ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslag in stand blijft. Eiser krijgt daarom zijn griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van proceskosten in deze zaak.\n\nBeslissing\n\nLEE 25\u002F2505\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag naar een navorderingsaanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.713;\n\n- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeeld de inspecteur in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.534.\n\nLEE 25\u002F2507\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nUitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.\n\n Zie Hoge Raad 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663.\n\n Vergelijk Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.\n\n Vergelijk Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401.\n\n € 4.700 - € 3.383 = € 1.317","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2208","2026-07-13T00:28:29.349Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":44,"courtId":145,"decisionDate":146,"fullText":147,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":148,"sourceTimestamp":149,"parsedAt":52,"updatedAt":150},"1006","ECLI:NL:RBDHA:2026:17073","ecli-nl-rbdha-2026-17073",58,"2026-06-05T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummers: SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791, SGR 24\u002F4792, SGR 24\u002F4794\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaken tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Weisfelt),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser voor de jaren 2014 tot en met 2017 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd alsmede voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Bij alle belastingaanslagen is belastingrente berekend en bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV zijn tevens vergrijpboetes aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft tegen de voornoemde belastingaanslagen en de daarbij gegeven boete- en rentebeschikkingen bezwaar gemaakt.\n\nVerweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 maart 2024 (IB\u002FPVV en Zvw 2014), 27 maart 2024 (IB\u002FPVV 2016 en 2017) en 10 april 2024 (IB\u002FPVV 2015) de bezwaren gedeeltelijk toegewezen en daarbij de belastingaanslagen en rentebeschikkingen verminderd en de boetebeschikkingen op nihil gesteld.\n\nEiser heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026.\n\nEiser is verschenen, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ö. Küçüksu,\n\nmr. H.N. Lakhi, drs. [controlemedewerker 3] en [naam 3] .\n\nDe zaken zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van [naam 1] met de zaaknummers SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803, SGR 24\u002F4804, SGR 24\u002F4805.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser bezit vanaf 17 december 2008 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. (Holding BV). Holding BV betreft een beheer- en houdstermaatschappij.\n\n2. Eiser bezit, via zijn aandelen in Holding BV, vanaf 17 december 2008 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. ( [bedrijfsnaam 2] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 2] betreffen de aankoop, verkoop, exploitatie en financiering van onroerende goederen.\n\n3. Eiser bezit, via zijn aandelen in Holding BV, vanaf 21 juli 2010 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V. ( [bedrijfsnaam 3] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 3] betreffen:\n\nGroothandel en import van bouwmaterialen, vloeren, sanitair, tegels, hout en aanverwante artikelen;\n\nHet (doen) uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burger- en utiliteitsbouw;\n\nHet stofferen en inrichten ten behoeve van (weder-) verkoop.\n\n4. Eiser bezat, via zijn aandelen in Holding BV, vanaf 8 februari 2012 tot 1 januari 2015 33% van de aandelen in [bedrijfsnaam 4] B.V. ( [bedrijfsnaam 4] ) en vanaf 1 januari 2015 tot heden 50%. De activiteiten van [bedrijfsnaam 4] zijn:\n\nHet begeleiden en advisering van bouwprojecten;\n\nHet uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burgerlijke- en utiliteitsbouw.\n\n5. Uit het Renseignementen Informatie Systeem van de Belastingdienst blijkt dat eiser en [naam 1] ( [naam 1] , hierna ook wel genoemd: de compagnon), ieder voor 50%, in de jaren 2014 tot en met 2017 onder meer de volgende panden bezitten:\n\n [pand 1] ;\n\n [pand 2] ;\n\n [pand 3] ;\n\n [pand 4] ;\n\n [pand 5] ;\n\n [pand 6] ;\n\n [pand 7] .\n\n6. Eiser en de compagnon hebben in de onderhavige jaren diverse bouwwerkzaamheden laten verrichten aan deze panden, alsook aan veel andere panden. De werkwijze van eiser en de compagnon komt er veelal op neer dat zij panden kopen die zij -na al dan niet (omgevings)vergunningen te hebben aangevraagd - laten opknappen\u002F verbouwen en daarna verhuren. De verhuur vindt plaats in box 3. In een groot aantal taxatierapporten die eiser heeft verstrekt, wordt ten behoeve van de financiering van de desbetreffende panden aangegeven dat de kosten voor de verbouwing\u002Frenovatie lager dan marktconform zijn vastgesteld, aangezien eiser en de compagnon de werkzaamheden voor een deel in eigen beheer uitvoeren.\n\nBoekenonderzoek\n\n7. Op 17 december 2018 heeft controlemedewerker [controlemedewerker 1] ( [controlemedewerker 1] ) van de Belastingdienst per e-mail een boekenonderzoek aangekondigd inzake de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 tot en met 2017 van eiser en de compagnon. Het (deel)onderzoek heeft zich beperkt tot de activiteiten rondom de gezamenlijke onroerendezaaktransacties die in die jaren hebben plaatsgevonden. Ook bij [bedrijfsnaam 2] is een boekenonderzoek ingesteld.\n\n8. Op 11 februari 2019 heeft [controlemedewerker 1] samen met een collega van de Belastingdienst ( [controlemedewerker 2] ) een inleidend gesprek omtrent het boekenonderzoek gevoerd met onder andere eiser, zijn adviseur (gemachtigde H. Weisfelt) en de compagnon.\n\n9. Op 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een uitnodiging voor een slotbespreking verstuurd. Daarbij is tevens het conceptrapport meegestuurd. Verder is in deze brief aangegeven dat een andere controlemedewerker van de Belastingdienst, te weten [controlemedewerker 3] ( [controlemedewerker 3] ), het boekenonderzoek zal overnemen vanwege het aankomende vertrek van [controlemedewerker 1] .\n\n10. Met dagtekening 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een kennisgeving verstuurd inzake de op te leggen (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en vergrijpboetes. De vergrijpboetes vloeien voort uit correcties vanwege niet-aangegeven (verkapte) winstuitdelingen aan eiser over de belastingjaren 2014 tot en met 2017 die leiden tot inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2).\n\n11. Om een slotbespreking in te plannen, is tussen [controlemedewerker 3] en de adviseur van eiser mailverkeer geweest. Door de Covid-19 maatregelen is de slotbespreking uitgesteld.\n\n12. Op 2 oktober 2020 heeft [controlemedewerker 3] per e-mail aangegeven dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014, conform het correctievoornemen in het conceptrapport van 27 februari 2020, opgelegd zullen worden wegens dreigende verjaring. Op 30 oktober 2020 is eiser per brief in kennis gesteld van het opleggen van deze navorderingsaanslagen.\n\n13. De navorderingsaanslag Zvw 2014 is met dagtekening 21 november 2020 opgelegd. Het bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 51.414. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 is met dagtekening 28 november 2020 opgelegd. Het verzamelinkomen in deze aanslag bedraagt € 193.220 en bestaat uit een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 163.908, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van € 29.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 1.\n\n14. Op 16 oktober 2020, 28 januari 2021, 3 maart 2021 en 31 maart 2021 hebben (slot)besprekingen plaatsgevonden. Van deze (slot)besprekingen zijn verslagen opgemaakt.\n\nDeze besprekingen zijn onder andere gevoerd met eiser, zijn gemachtigde, [naam 2] (adviseur) en de compagnon, en [controlemedewerker 3] en [naam 3] (controlemedewerkers van de Belastingdienst).\n\n15. Per e-mail is op 18 juni 2021 door [controlemedewerker 3] een aanvullend correctievoorstel verstuurd over de waarden van de panden van eiser en de compagnon. Daarna hebben de gemachtigde en [controlemedewerker 3] elkaar nog gemaild op 1 juli 2021 en 2 juli 2021 en op 16 juli 2021 heeft [controlemedewerker 3] een reactie verstuurd inzake de waardebeoordeling van de panden van eiser en de compagnon.\n\n16. De bevindingen van het onderzoek zijn uiteindelijk neergelegd in het definitieve controlerapport met dagtekening 20 juli 2021 (het controlerapport). In het controlerapport zijn tevens de op te leggen vergrijpboetes medegedeeld. De inkomenscorrecties (box 1) zijn daarbij mede gebaseerd op de door een ambtelijk taxateur van de Belastingdienst gegeven waardebepalingen (de waardebeoordelingen) betreffende de verschillende panden. In het controlerapport staat omtrent de activiteiten vermeld:\n\n“2.1.1 Algemeen\n\nIn de jaren 2012 tot en met 2017 hebben belanghebbenden samen meer dan 50 onroerende zaken verworven in de eigendomsverhouding 50\u002F50. Kort samengevat worden appartementen gekocht die in vrijwel alle gevallen achterstallig zijn onderhouden dan wel sterk gedateerd zijn. Deze appartementen staan doorgaans te koop op het woningplatform Funda. Soms wordt een object door een makelaar onder de aandacht gebracht. De activiteiten beperken zich niet alleen tot het verrichten van noodzakelijk onderhoud of het moderniseren van woningen. Er vinden ook meer grondige wijzigingen plaats in zowel feitelijke als juridische staat. Hierbij moet worden gedacht aan het splitsen, ombouwen van kantoor-\u002Fbedrijfsruimte naar woonruimte, het realiseren van constructieve doorbraken, het realiseren van een loggia, wijzigingen aan het balkon, het realiseren van een dakterras, het vergroten van een dakkapel, het realiseren van een inpandig balkon, het bouwen van garages (i.e. nieuwe onroerende zaken) en zelf het realiseren van een dakopbouw c.q. het aanbrengen van een geheel nieuwe verdieping. Voornoemde werkzaamheden worden onder hoofdstuk 3 nader beschouwd. Per project vindt een beschrijving plaats van de investeringen en het met het project behaalde resultaat. Na afronding worden de panden – op enkele uitzonderingen na – door belanghebbenden verhuurd.”\n\n17. In het controlerapport is onder andere, samengevat, het volgende geconcludeerd:\n\nDe activiteiten van eiser rondom de gezamenlijke onroerendgoedtransacties met de compagnon worden in een groot aantal – in het controlerapport benoemde – gevallen aangemerkt als een bron van inkomen, te weten box 1-inkomen, over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Daarbij gaat het doorgaans om de positieve resultaten behaald bij de overgang van box 1 (einde van meer dan normaal vermogensbeheer) naar box 3 (aanvang reguliere verhuur\u002Fstart normaal vermogensbeheer). In een enkel geval (waaronder [pand 3] ) gaat het om het resultaat behaald bij verkoop.\n\nDe correcties kwalificeren in beginsel als belastbare winst uit onderneming (primaire conclusie), maar worden in de belastingaanslagen vooralsnog in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiaire conclusie).\n\nUit diverse transacties van de gelieerde vennootschap [bedrijfsnaam 2] volgt daarnaast een (verkapte) uitdeling van dividend aan eiser en de compagnon over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Dientengevolge moet het box 2-inkomen worden gecorrigeerd.\n\nOver het bijgetelde inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) worden vergrijpboeten opgelegd. Deze vergrijpboeten hebben enkel betrekking op de correcties die worden aangebracht naar aanleiding van de (verkapte) uitdelingen van dividend.\n\n18. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2015 en 2016 (dagtekening 14 augustus 2021) en de aanslag IB\u002FPVV 2017 (dagtekening 10 augustus 2021) zijn overeenkomstig de uitkomsten van het boekenonderzoek opgelegd. Ten opzichte van de aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2014 tot en met 2017 zijn de volgende correcties doorgevoerd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nVastgesteld inkomen uit\n\n€ 93.096\n\n€ 120.231\n\n€ 122.510\n\n€ 162.585\n\nwerk en woning (box 1)\n\nCorrectie inkomen uit werk en\n\n€ 70.812\n\n€ 353.990\n\n€ 126.952\n\n€ 399.014\n\nwoning (box 1, resultaat uit\n\noverige werkzaamheden)\n\nCorrectie inkomen uit\n\n€ 29.311\n\n€ 27.981\n\n€ 68.006\n\n€ 72.417\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n€ 1\n\n€ 1.679\n\n€ 2.089\n\n€ -\n\n(box 3)\n\nTotaal verzamelinkomen na\n\n€ 193.220\n\n€ 503.881\n\n€ 319.557\n\n€ 634.016\n\ncorrecties\n\nVergrijpboete\n\n€ 3.224\n\n€ 3.497\n\n€ 8.500\n\n€ 9.052\n\n19. Eiser heeft tegen alle (navorderings)aanslagen bezwaar gemaakt.\n\n20. Tussen 29 maart 2022 en 29 april 2022 hebben de bezwaarbehandelaar en de gemachtigde van eiser elkaar gemaild. Op verzoek van de gemachtigde heeft de bezwaarbehandelaar gewacht met het doen van uitspraak op bezwaar, totdat de besprekingen aangaande de bezwaren tegen de samenhangende aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2014 tot en met 2017 waren afgerond.\n\n21. Met dagtekening 14 november 2023 is een vaststellingsovereenkomst (VSO) ondertekend door enerzijds eiser en zijn partner en de compagnon en zijn partner en anderzijds de Belastingdienst over de correcties inzake het box 2-inkomen. In de VSO is onder meer vastgelegd dat de bewuste belastingschuld zal worden geformaliseerd in een nog op te leggen navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 aan [bedrijfsnaam 2] en de aangebrachte correcties in box 2 daardoor uit de aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 worden geëlimineerd. Verder is vastgelegd dat de bijbehorende vergrijpboeten op € 0 worden gesteld en de ondertekening van de VSO geldt als een intrekking van de bezwaren, gericht tegen de box 2-correcties.\n\n22. Bij uitspraken op bezwaar is verweerder vervolgens deels aan de bezwaren tegemoetgekomen en zijn de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017, waarbij is uitgegaan van winst uit onderneming in plaats van resultaat uit overige werkzaamheden, als volgt verminderd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n€ 100.980\n\n€ 316.106\n\n€ 122.510\n\n€ 319.430\n\nwerk en woning (box 1)\n\nBelastbare winst uit onderneming\n\n€ 7.884\n\n€ 195.875\n\n€ -\n\n€ 156.845\n\nBelastbare inkomsten uit\n\n€ 93.096\n\n€ 120.231\n\n€ 122.510\n\n€ 162.585\n\ntegenwoordige arbeid\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ -\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ 2.089\n\n€ -\n\n(box 3)\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 100.980\n\n€ 316.106\n\n€ 124.599\n\n€ 319.430\n\nBelastingrente\n\n€ 860\n\n€ 20.032\n\n€ -\n\n€ 9.707\n\nVergrijpboete\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ -\n\nDe navorderingsaanslag Zvw 2014 is bij de uitspraak op bezwaar verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 7.784 en de belastingrente is daarbij dienovereenkomstig verminderd naar € 87.\n\nGeschil\n\n23. In geschil is of de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en Zvw 2014 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Daarbij is meer specifiek in geschil:\n\nof sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nof de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon ter zake van de zeven hiervóór onder punt 5 genoemde panden kwalificeren als ‘meer dan normaal vermogensbeheer’ en leiden tot box 1-inkomen bestaande uit winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden (in plaats van box 3-heffing over die panden);\n\nof de aan de inkomenscorrecties ten grondslag liggende waardebepaling van de panden juist is;\n\nof het gelijkheidsbeginsel is geschonden;\n\nof sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden;\n\nof de belastingrente dient te worden gematigd;\n\nof eiser recht heeft op vergoeding van de integrale proceskosten.\n\nDe vergrijpboetes zijn in deze procedure niet meer in geschil. Het jaar 2016 is ook niet meer in geschil.\n\n24. Eiser neemt in beroep de volgende standpunten in:\n\ner is geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen geen winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden; er is geen sprake van werkzaamheden die normale beleggers niet uitvoeren, waardoor de betreffende panden tot het box 3-inkomen dienen te worden gerekend;\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder, waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn niet juist; er dient te worden uitgegaan van de taxaties van eiser en de compagnon;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat in een ander gelijk geval de inkomsten wel als box 3-inkomen zijn aangemerkt;\n\ner is sprake van vooringenomenheid en willekeur en van onzorgvuldigheid door de manier waarop de hele controle is uitgevoerd en afgehandeld;\n\nde belastingrente dient te worden gematigd, omdat die mede is opgelopen door aan verweerder te wijten vertragingen.\n\nEiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering dan wel vernietiging van de belastingaanslagen en rentebeschikkingen overeenkomstig zijn standpunten, onder toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.\n\n25. Verweerder stelt dat de belastbare inkomens uit werk en woning voor de jaren 2014 tot en met 2017 bij de uitspraken op bezwaar niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld en neemt daarbij de volgende standpunten in:\n\ner is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen meer dan normaal vermogensbeheer en vormen winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt);\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn juist;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is niet geschonden;\n\ner is geen sprake van vooringenomenheid of willekeur en ook niet van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel;\n\ner is geen aanleiding de belastingrente te matigen.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nBewijslastverdeling\n\n26. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het niet doen van de vereiste aangiften, omdat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst verweerder op de aangiften IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en de bevindingen van het boekenonderzoek zoals neergelegd in hoofdstuk 3.1.2 van het controlerapport. Dit onderdeel ziet op de box 2-correcties.\n\n27. De rechtbank stelt vast dat verweerder daarmee de gestelde omkering en de verzwaring van de bewijslast doet steunen op de naar aanleiding van het boekenonderzoek in box 2 toegepaste inkomenscorrecties die in de onderhavige procedure niet in geschil zijn.\n\nPartijen hebben over die specifieke box 2-correcties en de afdoening daarvan in de VSO overeenstemming bereikt, waardoor die correcties in de onderhavige procedure niet voorliggen. Uit de VSO valt niet aanstonds op te maken dat de desbetreffende correcties in de onderhavige zaken dienen te leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast, meer specifiek dat dienaangaande is voldaan aan het voor de omkering en verzwaring geldende bewustheidsvereiste. Uit de enkele verwijzing naar 3.1.2 van het controlerapport en de gesloten VSO volgt onvoldoende dat voor wat betreft het box 2-inkomen voor de onderhavige jaren bewusteen onjuiste aangifte is gedaan. Onder die omstandigheden rechtvaardigen de box 2-correcties niet de bewijsrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in deze procedure. De rechtbank zal dan ook de normale regels van de bewijslastverdeling toepassen.\n\nDe activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de panden: box 1 of box 3\n\n28. Ten aanzien van de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon met betrekking tot de (ver)bouwactiviteiten aan de onderhavige zeven panden stelt verweerder dat sprake is van méér dan normaal vermogensbeheer zodat ter zake van de inkomsten daaruit sprake is van belastbare winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt). Eiser neemt daartegenover het standpunt in dat diengaande geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer zodat de panden in box 3 belast zijn. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\n29. De rechtbank stelt voorop dat er geen harde grens is tussen box 3 en box 1. Onder meer dan normaal vermogensbeheer dient te worden verstaan: het rendabel maken van de onroerende zaken mede door middel van arbeid welke door dan wel namens de eigenaar van de onroerende zaken wordt verricht waarbij deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaken, welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan.Het hangt van de feiten en omstandigheden van het geval af wanneer de grens van normaal vermogensbeheer wordt overschreden. In beginsel vergt dat een beoordeling per pand. Voor de vraag of sprake is van winst uit onderneming ligt het meer in de rede de activiteiten als geheel te beoordelen. Verweerder heeft bij de aanslagoplegging ter zake van 24 panden het standpunt ingenomen dat sprake is van box 1-inkomen (meer dan normaal vermogensbeheer) bestaande uit resultaat uit overige werkzaamheden, terwijl verweerder nu nog ter zake van zeven panden box 1-inkomen stelt, bestaande uit winst uit onderneming.Verweerder heeft daarbij ingezoomd op de afzonderlijke panden en heeft niet de activiteiten van eiser en de compagnon als geheel beoordeeld. Daarom ligt nu niet concreet de vraag voor of al dan niet sprake is van een onderneming, maar enkel of de zeven onder 5 genoemde panden terecht in de box 1-heffing zijn betrokken. Gelet hierop zal de rechtbank per pand beoordelen of sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Indien dat het geval is, zal de rechtbank dit als winst uit onderneming kwalificeren conform verweerders primaire standpunt, aangezien dit voordeliger is voor eiser dan resultaat uit overige werkzaamheden (gelet op de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling).\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met wat hij heeft aangevoerd en overgelegd, afgezet tegen en in samenhang bezien met wat eiser heeft aangevoerd en overgelegd, voor vier panden\u002Fprojecten aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Dat betreft de panden: ‘ [pand 3] ’, ‘ [pand 4] ’, ‘ [pand 5] ’ en ‘ [pand 6] ’. Voor die panden geldt dat de werkzaamheden veel meer omvatten dan enkel een verbouwing van bijvoorbeeld een keuken en\u002Fof badkamer en kwalificeren als projectontwikkeling die naar aard en omvang de grens van normaal vermogensbeheer overschrijdt, waarbij aannemelijk is dat ook steeds een rendement is beoogd dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende ten aanzien van die panden\u002Fprojecten uitgevoerde activiteiten en werkzaamheden, die volgen uit de door eisers aangevraagde omgevingsvergunningen, de door eiser overgelegde taxatierapporten en het controlerapport. Dat het pand [pand 3] uit de verhuur kwam, maakt niet dat het resultaat van de verbouwing niet in box 1 valt. Ten aanzien van de voornoemde panden\u002Fprojecten acht de rechtbank in ieder geval het volgende aannemelijk:\n\n- [pand 3]\n\nDit betreft een woonhuis met garage dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd in drie appartementen met bergingen.\n\n- [pand 4]\n\nDit betreft een garage\u002Fbedrijfsruimte ( [huisnummer 1] ) met erf en tuin en een bovenwoning op de eerste en tweede verdieping ( [huisnummer 2] ) die in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) zijn getransformeerd in twee woningen, te weten: een ‘onvrije’ (dat wil zeggen: een woning waarvan de vertrekken uitkomen op een gemeenschappelijke gang of hal) parterrewoning met een onvrije bovenwoning bestaande uit twee woonlagen, waarbij aan de achterzijde op de begane grond een uitbouw is gerealiseerd. In de verklaring ter zitting dat “een oude garagedeur [is] vervangen door een raamkozijn waardoor er een aparte woning op de begane grond ontstond”, vindt de rechtbank overigens bevestiging in de transformatie van de bedrijfsruimte naar woning. Of al dan niet ook een dakterras op de aanbouw is gecreëerd, acht de rechtbank voor de kwalificatie box 1 of box 3 niet van belang.\n\n- [pand 5]\n\nDit betreft een kantoorgebouw (kantoor met dienstwoning) dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd\u002Fopgesplitst in drie winkels\u002Fbedrijfsruimten en elf appartementen. Er is een extra woonlaag toegevoegd aan het gebouw.\n\n- [pand 6]\n\nDit betreft een winkel\u002Fwoonhuis op de begane grond en het achtergedeelte van de eerste verdieping, waar overeenkomstig de daartoe verleende vergunningen onder meer constructieve doorbraken en een aanbouw zijn gerealiseerd. De opmerking van eiser dat het stuitend is dat verweerder [huisnummer 3] heeft getaxeerd, terwijl dit volgens eiser moet zijn [huisnummer 4] , omdat [huisnummer 3] niet bestaat, doet hier niet aan af, omdat het eiser duidelijk is welk pand het betreft. Deze verwarring heeft eiser bovendien zelf veroorzaakt, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport, waarin eveneens ‘ [pand 6] ’ staat vermeld.\n\n31. Het vorenstaande betekent dat ten aanzien van de vier hiervóór genoemde panden\u002Fprojecten terecht box 1-inkomen in aanmerking is genomen. Voor de overige drie onder punt 5 genoemde panden\u002Fprojecten, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank niet. De in het controlerapport beschreven werkzaamheden en activiteiten zijn, mede in het licht van wat eiser daarover heeft aangevoerd, onvoldoende om meer dan normaal vermogensbeheer aannemelijk te achten. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat (ook na de zitting) nog steeds onduidelijkheid bestaat over of, en zo ja in hoeverre, een aantal in het controlerapport genoemde werkzaamheden\u002Factiviteiten al dan niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dat voor twee panden - [pand 2] en [pand 7] - de door verweerder becijferde resultaten voor de onderhavige jaren ook niet dwingen tot de conclusie dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer (geen rendement-plus). Deze drie panden [pand 1] , [pand 2] en [pand 7] dienen daarom tot het box 3-vermogen te worden gerekend.\n\nInkomenscorrecties; waardebepaling\n\n32. Vervolgens ligt de vraag voor of de in verband met de onder rechtsoverweging 30 genoemde panden\u002Fprojecten toegepaste inkomenscorrecties berusten op een juiste waardebepaling van die panden\u002Fprojecten. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.\n\n- [pand 3]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 407.654 met een waardecreatie van 41,5%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de daadwerkelijke gerealiseerde verkoopprijzen van de (gerealiseerde) appartementen. De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 4]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 66.675 met een waardecreatie van 27,4%, is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 310.000 in vrije staat (met waardepeildatum 31 oktober 2015). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde is getaxeerd op € 225.000 in verhuurde staat (met waardepeildatum 22 september 2014) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats eind oktober 2015 - en, anders dan in eisers taxatie het geval is, terecht uitgaat van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De taxatiewaarde van eiser van € 225.000 naar verhuurde staat per 22 september 2024 ligt overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van € 310.000 in onverhuurde staat per 31 oktober 2015, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) acht de rechtbank dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 5]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend van € 296.915 met een waardecreatie van 16,2%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op in totaal € 2.130.000 (€ 1.750.000 voor de woningen in verhuurde staat en € 380.000 voor de bedrijfsruimte in verhuurde staat). Nu de waarde is bepaald in verhuurde staat, acht de rechtbank deze uitgangspunten geenszins onredelijk. Het door eiser voor dit pand oorspronkelijk overgelegde taxatierapport van vóór de verbouwing van een registertaxateur van 18 maart 2016, in opdracht van een bank, naar een totale marktwaarde van € 1.585.000 (€ 235.000 k.k. voor drie winkelunits (begane grond) + € 1.035.000 k.k. voor 9 woonunits (1e, 2e en 3e etage) + € 315.000 voor 2 woonunits (dakopbouw)), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht niet aannemelijk dat die taxatie aansluit bij de werkelijke waarde van het pand\u002Fde verschillende units zoals uiteindelijk gerealiseerd. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 6]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport – waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend ten bedrage van € 81.080 met een waardecreatie van 21,9% – is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 97.000 (voor de winkelruimte in vrije staat) en € 355.000 (voor de woonruimte in vrije staat) (waardepeildatum 31 december 2017). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde in verhuurde staat van de winkelruimte is bepaald op € 95.000 en van de woonruimte op € 335.000 (met waardepeildatum: 14 maart 2017) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats op 31 december 2017 - en, anders dan in eisers taxatie, daarin terecht is uitgegaan van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De hiervóór bedoelde taxatiewaarden van eiser in verhuurde staat per 14 maart 2017 liggen overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van respectievelijk € 355.000 en € 97.000 in onverhuurde staat per 31 december 2017, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is daarom aannemelijk gemaakt.\n\nInkomenscorrecties\n\n33. Het voorgaande betekent dat ter zake van voornoemde projecten de volgende resultaten als winst uit onderneming (vóór ondernemersaftrek) in aanmerking moeten worden genomen, overeenkomstig de berekening in het controlerapport:\n\n- [pand 3] : € 407.654 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 4] : € 66.675 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 5] : € 296.915 toerekenbaar aan 2017;\n\n- [pand 6] : € 81.080 toerekenbaar aan 2017;\n\nvolgens dezelfde verdeelsleutel als tot nu toe is gehanteerd (50% aan zowel eiser als aan de compagnon).\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n34. Eiser stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden en wijst in dit verband op een volgens hem vrijwel identiek geval, waarin wel is geconcludeerd dat sprake is van box 3-inkomen en niet van box 1-inkomen. Het geval betreft de vaste aannemer van eiser en de compagnon die in de bewuste periode een kerkgebouw heeft omgebouwd tot zeven appartementen.\n\n35. Het enkele feit dat één gelijk geval anders is behandeld, is onvoldoende om een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen. Eiser beroept zich uitdrukkelijk niet op de meerderheidsregel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient dan sprake te zijn van een oogmerk van begunstiging of van begunstigend beleid door de Belastingdienst. Daargelaten of de gevallen zo gelijk zijn als eiser stelt, is in elk geval de aanwezigheid van een oogmerk van begunstiging of begunstigend beleid -die verweerder betwist-, gesteld noch gebleken. Reeds om die reden moet het beroep op het gelijkheidsbeginsel worden verworpen.\n\nVooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar \u002F zorgvuldigheidsbeginsel\n\n36. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank stelt voorop dat zij de irritatie van eiser over het taalgebruik van bepaalde medewerkers van de Belastingdienst in hun interne mailverkeer, met name van de controlemedewerker [controlemedewerker 1] , zoals dat blijkt uit de gedingstukken, begrijpt en ook het daaraan ontleende gevoel dat ze volgens [controlemedewerker 1] hoe dan ook moesten betalen. De rechtbank acht de bewuste passages onprofessioneel en ongepast. Die constatering rechtvaardigt echter als zodanig niet de conclusie dat sprake is geweest van vooringenomenheid en willekeur ten aanzien van de aanslagregeling of van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de controle \u002F het boekenonderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en [controlemedewerker 1] is opgevolgd door [controlemedewerker 3] die zich niet op ongepaste wijze heeft uitgelaten. Tijdens de hele periode van het onderzoek en de aanslagregeling heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden, waarbij ook steeds de (nieuwe) argumenten van eiser zijn meegenomen bij de verdere beoordeling. Dit heeft onder meer geleid tot de VSO. De rechtbank ziet daarbij in de reacties van de Belastingdienst, anders dan de hiervóór bedoelde uitlatingen, geen onzorgvuldigheid of vooringenomenheid. Aldus is het zorgvuldigheidsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden. Ook overigens vindt de rechtbank daarvoor in het dossier geen aanknopingspunten.\n\nBelastingrente\n\n37. Niet in geschil is dat de belastingrente is berekend conform de geldende wettelijke bepalingen. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Eiser meent dat desondanks aanleiding bestaat de belastingrente te matigen, omdat, kort gezegd, de rente mede is opgelopen door een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze aan de zijde van verweerder. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Weliswaar heeft een en ander lang geduurd, maar dat is niet te wijten aan een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze van verweerder. Het komt vooral door de lange duur van het uitgevoerde boekenonderzoek en die hangt samen met het feit dat omvangrijke activiteiten als de onderhavige veelal niet eenvoudig zijn te overzien of (fiscaal) te duiden. Dat vormt echter geen omstandigheid die een matiging van de belastingrente rechtvaardigt.Ook andere matigingsgronden zijn de rechtbank niet gebleken. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de verminderingen van de belastingaanslagen die voortvloeien uit deze uitspraak.\n\nConclusie\n\n38. Gelet op wat hiervóór is overwogen, dienen de beroepen betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017 gegrond te worden verklaard. Het beroep betreffende het jaar 2016 zal de rechtbank ongegrond verklaren, omdat over dat jaar geen geschil meer bestaat.\n\n39. De rechtbank zal verweerder opdragen de belastingaanslagen te verminderen met inachtneming van wat is bepaald in deze uitspraak, met de opdracht om de daarmee samenhangende rentebeschikkingen dienovereenkomstig te verminderen.\n\nProceskosten\n\n40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser voor de beroepsprocedure gemaakte proceskosten. Hierbij stelt de rechtbank vast dat tussen de onderhavige zaken en de zaken van de compagnon die tegelijkertijd ter zitting zijn behandeld, sprake is van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank stelt op grond van het Besluit de voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden kosten vast op 50% van € 4.203 = € 2.101,50 (50% van de vergoeding gebaseerd op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1,5 wegens de zwaarte van de zaak en een samenhangfactor 1,5). Voor de bezwaarfase kent de rechtbank geen vergoeding toe, omdat daarvoor bij de uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding aan eiser is toegekend.\n\nDe rechtbank kent de proceskostenvergoeding van € 4.203 voor de helft, dus voor € 2.101,50 toe in de onderhavige gegronde beroepen (SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791 en SGR 24\u002F4794) en zal de andere helft toekennen in de overige samenhangende gegronde beroepen van de compagnon.\n\n41. De rechtbank wijst hierbij het verzoek van eiser om een integrale proceskostenvergoeding af, aangezien de rechtbank in de gedingstukken geen ondersteuning vindt, ook niet in samenhang bezien met hetgeen eiser dienaangaande heeft aangevoerd, voor de conclusie dat verweerder standpunten heeft ingenomen tegen beter weten inof in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 24\u002F4792 (betreffende het jaar 2016) ongegrond;\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791 en SGR 24\u002F4794 (betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017) gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en de navorderingsaanslag Zvw 2014, behoudens voor zover het de nihilstelling van de boetebeschikkingen en de toegekende proceskostenvergoeding betreft;\n\ndraagt verweerder op de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en de navorderingsaanslag Zvw 2014 en de bij die belastingaanslagen gegeven rentebeschikkingen te verminderen met inachtneming van wat is beslist in deze uitspraak en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.101,50;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. K.G. Scholten en\n\nmr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n In de zaak SGR 24\u002F4785 is € 51 griffierecht betaald.\n\n Vgl. HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731.\n\n In de uitspraken op bezwaar heeft verweerder ten aanzien van 17 panden (sommige bestaande uit meerdere nummers\u002Fobjecten) geconcludeerd dat toch sprake is van box 3-inkomen.\n\n Vgl. Gerechtshof Den Haag 24 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1105, bevestigd in Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:539 (met artikel 81 RO).\n\n Vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.\n\n Vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17073","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.596Z",{"id":152,"ecli":153,"slug":154,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":146,"fullText":155,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":146,"parsedAt":52,"updatedAt":157},"428","ECLI:NL:RBGEL:2026:4496","ecli-nl-rbgel-2026-4496","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F5739\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de inspecteur van 18 april 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor ieder van de jaren 2020, 2021 en 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 niet-ontvankelijk verklaard en aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering. Hij heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 afgewezen.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB\u002FPVV 2022 ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].\n\nZoals afgesproken op zitting, heeft de inspecteur na het sluiten van het onderzoek nog een stuk, te weten een reeds eerder door hem aan belanghebbende gestuurd – en door haar ontvangen – stuk ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft dit stuk aan het dossier toegevoegd.\n\nFeiten\n\n1. Met dagtekening 5 juni 2021 en 14 maart 2023 is aan belanghebbende de aanslag IB\u002FPVV 2020, respectievelijk 2021 opgelegd.\n\n2. Belanghebbende heeft tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft in zijn uitspraak met dagtekening 18 april 2024 deze bezwaren wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft deze bezwaren vervolgens aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering van de betreffende aanslag en heeft deze verzoeken afgewezen.\n\n3. Belanghebbende heeft de volgende inkomsten ontvangen in 2022:\n\nInhoudingsplichtige\n\nLoon\n\nLoonheffing\n\nLoonbelastingtabel\n\nBedrijfstakpensioenfonds beroepsvervoer over de weg\n\n€ 2.570\n\n€ 941\n\nGroen\n\nUWV\n\n€ 9.990\n\n€ 802\n\nGroen\n\n [naam bedrijf] B.V.\n\n€ 6.685\n\n€ 0\n\nWit\n\n4. Het arbeidsinkomen dat belanghebbende in 2022 heeft genoten bedraagt € 6.685. De uitkering van het UWV betreft een uitkering Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA-uitkering).\n\n5. Belanghebbende heeft op 27 december 2023 de aangifte IB\u002FPVV 2022 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen in de aangifte bedraagt € 19.245.\n\n6. Met dagtekening 9 februari 2024 is de definitieve aanslag IB\u002FPVV 2022 opgelegd conform de ingediende aangifte.\n\n7. Met dagtekening 18 april 2024 heeft de inspecteur het tegen deze aanslag ingediende bezwaar afgewezen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n8. De rechtbank beoordeelt of de door belanghebbende in de jaren 2020, 2021 en 2022 genoten WGA-uitkering, welke alle jaren door het UWV aan haar werd uitbetaald, in de berekeningsgrondslag voor de arbeidskorting moet worden betrokken. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n9. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nVerzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021\n\n10. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 zijn opgelegd op respectievelijk 5 juni 2021 en 14 maart 2023. Verder staat onbestreden vast dat de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 wegens termijnoverschrijding terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n11. Op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:1 van de Awb en artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient eerst bezwaar gemaakt te worden tegen een voor bezwaar vatbare beschikking voordat beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Indien partijen daar beiden mee instemmen, kan echter rechtstreeks beroep worden ingesteld op grond van artikel 7:1a van de Awb.\n\n12. De inspecteur heeft de beide door hem als zodanig aangemerkte verminderingsverzoeken op 18 april 2024 afgewezen. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift verzocht om de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 ambtshalve te verminderen. De rechtbank heeft deze verzoeken ontvangen op 16 mei 2024.\n\n13. De rechtbank zou deze verminderingsverzoeken moeten doorsturen naar de inspecteur om ze als zodanig inhoudelijk te laten beoordelen, waarna – bij een eventuele afwijzing van de verzoeken – belanghebbende alsnog daartegen beroep zou kunnen instellen bij de rechtbank. Ter zitting hebben partijen echter toestemming gegeven voor rechtstreeks beroep, waardoor de rechtbank de verminderingsverzoeken over deze twee jaren ook kan beoordelen.\n\nInhoudelijk\n\n14. Belanghebbende heeft haar WGA-uitkering direct van het UWV ontvangen. Voor de vaststelling van de hoogte van de arbeidskorting van belanghebbende, is in alle in geschil zijnde jaren met deze uitkering geen rekening gehouden. Wanneer daarentegen belanghebbende de WGA-uitkering van haar werkgever zou hebben ontvangen, dan zou deze uitkering wel tot de grondslag van de arbeidskorting hebben behoord. Dat in het geval dat de WGA-uitkering via het UWV wordt betaald deze uitkering niet en wanneer de WGA-uitkering via de werkgever wordt uitbetaald, wèl in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de arbeidskorting, is volgens belanghebbende in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij beroept zich hierbij op een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag.Dit gerechtshof oordeelde, kort gezegd, dat bij het vaststellen van de arbeidskorting rekening moet worden gehouden met een ontvangen WGA-uitkering en dat daarbij niet van belang is door wie die WGA-uitkering wordt uitbetaald.\n\n15. De hiervoor genoemde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag is door de Hoge Raad vernietigd.De Hoge Raad heeft geoordeeld dat wanneer een WGA-uitkering door een werkgever wordt uitbetaald, deze uitkering wel, en wanneer deze uitkering door het UWV wordt uitbetaald, niet meeloopt in de vaststelling van de arbeidskorting. De Hoge Raad vindt dit een niet gerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen en dit is daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In zoverre heeft belanghebbende dus gelijk.\n\n16. De Hoge Raad oordeelt verder dat het niet aan de rechter, maar aan de wetgever is om in gevallen als daar aan de orde voor rechtsherstel te zorgen. Gelijke behandeling zou namelijk op verschillende manieren kunnen worden bereikt. Dat zou kunnen door ook in gevallen waarin de WGA-uitkering door het UWV wordt betaald, rekening te houden met de arbeidskorting. De wetgever zou echter bijvoorbeeld ook kunnen beslissen om nooit – dus ook wanneer de WGA-uitkering door de werkgever wordt uitbetaald – rekening te houden met de arbeidskorting (net als bij belanghebbende nu gebeurt). Omdat een keuze voor een van die manieren zich niet duidelijk laat afleiden uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen of de wetsgeschiedenis, heeft de Hoge Raad rechtsherstel overgelaten aan de wetgever.\n\n17. De rechtbank overweegt dat het voorgaande ook geldt voor de zaken van belanghebbende. Dat betekent dat de rechtbank belanghebbende geen rechtsherstel biedt voor de geconstateerde schending van het discriminatieverbod en dat dit, net als in het geval waarin de Hoge Raad heeft beslist, niet leidt tot vermindering van de aanslagen.\n\n18. Het kabinet heeft bij brief van 14 maart 2025 gereageerd op het arrest van 15 november 2024 (de kabinetsreactie).De kabinetsreactie komt erop neer dat het kabinet ervoor kiest de ongelijke behandeling op te heffen door in geen enkel geval meer arbeidskorting toe te passen over socialezekerheidsuitkeringen, waaronder begrepen de WGA. Volgens het kabinet sluit inperking op die wijze het meest nauw aan bij een doel van de arbeidskorting (stimuleren arbeidsparticipatie) en wordt met een inperking voorkomen dat nieuwe mogelijke discriminaties ontstaan (bijvoorbeeld tussen mensen met een WGA-uitkering en mensen met een WW-uitkering). Het kabinet heeft ervoor gekozen deze inperking door te voeren per 1 januari 2027. De redenen daarvoor zijn (i) borgen dat degenen die een financieel nadeel ondervinden door de inperking niet te abrupt worden geconfronteerd met een inkomensdaling en (ii) softwareontwikkelaars en werkgevers de nodige tijd geven om te anticiperen op deze aanpassing.\n\n19. De kabinetsreactie is voor de rechtbank geen aanleiding om aan belanghebbende toch rechtsherstel te bieden. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het kabinet met voldoende spoed actie heeft ondernomen om de discriminatie, binnen iets meer dan twee jaar na het arrest van 15 november 2024, op te heffen. Daarbij heeft de rechtbank op dit moment geen reden om eraan te twijfelen dat de wetgever 1 januari 2027 zal halen. Ook de voorgenomen wijze waarop de discriminatie wordt opgeheven, geeft de rechtbank geen aanleiding om in te grijpen. Zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.4.2 van het arrest van 15 november 2024 heeft overwogen, sluit het goed aan bij het doel van de arbeidskorting om een WGA-uitkering in geen enkel geval meer mee te tellen voor de berekening van de arbeidskorting.\n\nConclusie en gevolgen\n\n20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat over de jaren 2020, 2021 en 2022 de aanslagen en bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven. De inspecteur heeft op de zitting aangegeven het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende, te weten € 31,36 reiskosten, te vergoeden. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 31,36 aan proceskosten aan belanghebbende;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.\n\nUitgesproken op 5 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Gerechtshof Den Haag 22 februari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:370.\n\n Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657.\n\nBrief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane en van de Minister van Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid van 14 maart 2025, 2025-0000079599.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4496","2026-07-13T00:28:29.426Z",{"id":159,"ecli":160,"slug":161,"caseNumber":44,"courtId":145,"decisionDate":146,"fullText":162,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":163,"sourceTimestamp":149,"parsedAt":52,"updatedAt":164},"295","ECLI:NL:RBDHA:2026:17074","ecli-nl-rbdha-2026-17074","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummers: SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803, SGR 24\u002F4804, SGR 24\u002F4805\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaken tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Weisfelt),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser voor de jaren 2014 tot en met 2017 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd alsmede voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Bij alle belastingaanslagen is belastingrente berekend en bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn tevens vergrijpboetes aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft tegen de voornoemde belastingaanslagen en de daarbij gegeven boete- en rentebeschikkingen bezwaar gemaakt.\n\nVerweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 maart 2024 (Zvw 2014), 30 maart 2024 (IB\u002FPVV 2016 en 2017), 5 april 2024 (IB\u002FPVV 2014) en 8 april 2024 (IB\u002FPVV 2015) de bezwaren gedeeltelijk toegewezen en daarbij de belastingaanslagen en rentebeschikkingen verminderd en de boetebeschikkingen op nihil gesteld.\n\nEiser heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026.\n\nEiser is verschenen, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] ,\n\nmr. [naam 4] , drs. [naam 5] en [naam 6] .\n\nDe zaken zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van [naam 1] met de zaaknummers SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791, SGR 24\u002F4792, SGR 24\u002F4794.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser bezit vanaf 17 december 2008 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. ( [bedrijfsnaam 1] ). [bedrijfsnaam 1] betreft een beheer- en houdstermaatschappij.\n\n2. Eiser bezit, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 17 december 2008 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. ( [bedrijfsnaam 2] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 2] betreffen de aankoop, verkoop, exploitatie en financiering van onroerende goederen.\n\n3. Eiser bezit, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 21 juli 2010 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V( [bedrijfsnaam 3] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 3] betreffen:\n\nGroothandel en import van bouwmaterialen, vloeren, sanitair, tegels, hout en aanverwante artikelen;\n\nHet (doen) uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burger- en utiliteitsbouw;\n\nHet stofferen en inrichten ten behoeve van (weder-) verkoop.\n\n4. Eiser bezat, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 8 februari 2012 tot 1 januari 2015 34% van de aandelen in [bedrijfsnaam 4] B.V. ( [bedrijfsnaam 4] ) en vanaf 1 januari 2015 tot heden 50%. De activiteiten van [bedrijfsnaam 4] zijn:\n\nHet begeleiden en advisering van bouwprojecten;\n\nHet uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burgerlijke- en utiliteitsbouw.\n\n5. Uit het Renseignementen Informatie Systeem van de Belastingdienst blijkt dat eiser en [naam 1] ( [naam 1] , hierna ook wel genoemd: de compagnon), ieder voor 50%, in de jaren 2014 tot en met 2017 onder meer de volgende panden bezitten:\n\n [pand 1] ;\n\n [pand 2] ;\n\n [pand 3] ;\n\n [pand 4] ;\n\n [pand 5] ;\n\n [pand 6] ;\n\n [pand 7] .\n\n6. Eiser en de compagnon hebben in de onderhavige jaren diverse bouwwerkzaamheden laten verrichten aan deze panden, alsook aan veel andere panden. De werkwijze van eiser en de compagnon komt er veelal op neer dat zij panden kopen die zij -na al dan niet (omgevings)vergunningen te hebben aangevraagd - laten opknappen\u002F verbouwen en daarna verhuren. De verhuur vindt plaats in box 3. In een groot aantal taxatierapporten die eiser heeft verstrekt, wordt ten behoeve van de financiering van de desbetreffende panden aangegeven dat de kosten voor de verbouwing\u002Frenovatie lager dan marktconform zijn vastgesteld, aangezien eiser en de compagnon de werkzaamheden voor een deel in eigen beheer uitvoeren.\n\nBoekenonderzoek\n\n7. Op 17 december 2018 heeft controlemedewerker [controlemedewerker 1] ( [controlemedewerker 1] ) van de Belastingdienst per e-mail een boekenonderzoek aangekondigd inzake de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 tot en met 2017 van eiser en de compagnon. Het (deel)onderzoek heeft zich beperkt tot de activiteiten rondom de gezamenlijke onroerendezaaktransacties die in die jaren hebben plaatsgevonden. Ook bij [bedrijfsnaam 2] is een boekenonderzoek ingesteld.\n\n8. Op 11 februari 2019 heeft [controlemedewerker 1] samen met een collega van de Belastingdienst ( [controlemedewerker 2] ) een inleidend gesprek omtrent het boekenonderzoek gevoerd met onder andere eiser, zijn adviseur (gemachtigde H. Weisfelt) en de compagnon.\n\n9. Op 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een uitnodiging voor een slotbespreking verstuurd. Daarbij is tevens het conceptrapport meegestuurd. Verder is in deze brief aangegeven dat een andere controlemedewerker van de Belastingdienst, te weten [naam 5] ( [naam 5] ), het boekenonderzoek zal overnemen vanwege het aankomende vertrek van [controlemedewerker 1] .\n\n10. Met dagtekening 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een kennisgeving verstuurd inzake de op te leggen (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en vergrijpboetes. De vergrijpboetes vloeien voort uit correcties vanwege niet-aangegeven (verkapte) winstuitdelingen aan eiser over de belastingjaren 2014 tot en met 2017 die leiden tot inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2).\n\n11. Om een slotbespreking in te plannen, is tussen [naam 5] en de adviseur van eiser mailverkeer geweest. Door de Covid-19 maatregelen is de slotbespreking uitgesteld.\n\n12. Op 2 oktober 2020 heeft [naam 5] per e-mail aangegeven dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014, conform het correctievoornemen in het conceptrapport van 27 februari 2020, opgelegd zullen worden wegens dreigende verjaring. Op 30 oktober 2020 is eiser per brief in kennis gesteld van het opleggen van deze navorderingsaanslagen.\n\n13. De navorderingsaanslag Zvw 2014 is met dagtekening 21 november 2020 opgelegd. Het bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 51.414. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 is met dagtekening 28 november 2020 opgelegd. Het verzamelinkomen in deze aanslag bedraagt € 200.606 en bestaat uit een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 166.340, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van € 29.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 4.955.\n\n14. Op 16 oktober 2020, 28 januari 2021, 3 maart 2021 en 31 maart 2021 hebben (slot)besprekingen plaatsgevonden. Van deze (slot)besprekingen zijn verslagen opgemaakt.\n\nDeze besprekingen zijn onder andere gevoerd met eiser, zijn gemachtigde, [naam 2] (adviseur) en de compagnon, en [naam 5] en [naam 6] (controlemedewerkers van de Belastingdienst).\n\n15. Per e-mail is op 18 juni 2021 door [naam 5] een aanvullend correctievoorstel verstuurd over de waarden van de panden van eiser en de compagnon. Daarna hebben de gemachtigde en [naam 5] elkaar nog gemaild op 1 juli 2021 en 2 juli 2021 en op 16 juli 2021 heeft [naam 5] een reactie verstuurd inzake de waardebeoordeling van de panden van eiser en de compagnon.\n\n16. De bevindingen van het onderzoek zijn uiteindelijk neergelegd in het definitieve controlerapport met dagtekening 20 juli 2021 (het controlerapport). In het controlerapport zijn tevens de op te leggen vergrijpboetes medegedeeld. De inkomenscorrecties (box 1) zijn daarbij mede gebaseerd op de door een ambtelijk taxateur van de Belastingdienst gegeven waardebepalingen (de waardebeoordelingen) betreffende de verschillende panden. In het controlerapport staat omtrent de activiteiten vermeld:\n\n“2.1.1 Algemeen\n\nIn de jaren 2012 tot en met 2017 hebben belanghebbenden samen meer dan 50 onroerende zaken verworven in de eigendomsverhouding 50\u002F50. Kort samengevat worden appartementen gekocht die in vrijwel alle gevallen achterstallig zijn onderhouden dan wel sterk gedateerd zijn. Deze appartementen staan doorgaans te koop op het woningplatform Funda. Soms wordt een object door een makelaar onder de aandacht gebracht. De activiteiten beperken zich niet alleen tot het verrichten van noodzakelijk onderhoud of het moderniseren van woningen. Er vinden ook meer grondige wijzigingen plaats in zowel feitelijke als juridische staat. Hierbij moet worden gedacht aan het splitsen, ombouwen van kantoor-\u002Fbedrijfsruimte naar woonruimte, het realiseren van constructieve doorbraken, het realiseren van een loggia, wijzigingen aan het balkon, het realiseren van een dakterras, het vergroten van een dakkapel, het realiseren van een inpandig balkon, het bouwen van garages (i.e. nieuwe onroerende zaken) en zelf het realiseren van een dakopbouw c.q. het aanbrengen van een geheel nieuwe verdieping. Voornoemde werkzaamheden worden onder hoofdstuk 3 nader beschouwd. Per project vindt een beschrijving plaats van de investeringen en het met het project behaalde resultaat. Na afronding worden de panden – op enkele uitzonderingen na – door belanghebbenden verhuurd.”\n\n17. In het controlerapport is onder andere, samengevat, het volgende geconcludeerd:\n\nDe activiteiten van eiser rondom de gezamenlijke onroerendgoedtransacties met de compagnon worden in een groot aantal – in het controlerapport benoemde – gevallen aangemerkt als een bron van inkomen, te weten box 1-inkomen, over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Daarbij gaat het doorgaans om de positieve resultaten behaald bij de overgang van box 1 (einde van meer dan normaal vermogensbeheer) naar box 3 (aanvang reguliere verhuur\u002Fstart normaal vermogensbeheer). In een enkel geval (waaronder [pand 3] ) gaat het om het resultaat behaald bij verkoop.\n\nDe correcties kwalificeren in beginsel als belastbare winst uit onderneming (primaire conclusie), maar worden in de belastingaanslagen vooralsnog in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiaire conclusie).\n\nUit diverse transacties van de gelieerde vennootschap [bedrijfsnaam 2] volgt daarnaast een (verkapte) uitdeling van dividend aan eiser en de compagnon over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Dientengevolge moet het box 2-inkomen worden gecorrigeerd.\n\nOver het bijgetelde inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) worden vergrijpboeten opgelegd. Deze vergrijpboeten hebben enkel betrekking op de correcties die worden aangebracht naar aanleiding van de (verkapte) uitdelingen van dividend.\n\n18. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2015, 2016 en 2017 (dagtekening 14 augustus 2021) zijn overeenkomstig de uitkomsten van het boekenonderzoek opgelegd. Ten opzichte van de aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2014 tot en met 2017 zijn de volgende correcties doorgevoerd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nVastgesteld inkomen uit\n\n € 95.528\n\n € 108.431\n\n € 110.076\n\n € 160.855\n\nwerk en woning (box 1)\n\nCorrectie inkomen uit werk en\n\n € 70.812\n\n € 353.990\n\n € 126.952\n\n € 399.014\n\nwoning (box 1, resultaat uit\n\noverige werkzaamheden)\n\nCorrectie inkomen uit\n\n € 29.311\n\n € 27.981\n\n € 68.006\n\n € 72.417\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n € 4.955\n\n € 1.542\n\n € 9.859\n\n € 10.934\n\n(box 3)\n\nTotaal verzamelinkomen na\n\n € 200.606\n\n € 491.944\n\n € 314.893\n\n € 643.220\n\ncorrecties\n\nVergrijpboete\n\n € 3.224\n\n € 3.497\n\n € 8.500\n\n € 9.052\n\n19. Eiser heeft tegen alle navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt.\n\n20. Tussen 29 maart 2022 en 29 april 2022 hebben de bezwaarbehandelaar en de gemachtigde van eiser elkaar gemaild. Op verzoek van de gemachtigde heeft de bezwaarbehandelaar gewacht met het doen van uitspraak op bezwaar, totdat de besprekingen aangaande de bezwaren tegen de samenhangende aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2014 tot en met 2017 waren afgerond.\n\n21. Met dagtekening 14 november 2023 is een vaststellingsovereenkomst (VSO) ondertekend door enerzijds eiser en zijn partner en de compagnon en zijn partner en anderzijds de Belastingdienst over de correcties inzake het box 2-inkomen. In de VSO is onder meer vastgelegd dat de bewuste belastingschuld zal worden geformaliseerd in een nog op te leggen navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 aan [bedrijfsnaam 2] en de aangebrachte correcties in box 2 daardoor uit de aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 worden geëlimineerd. Verder is vastgelegd dat de bijbehorende vergrijpboeten op € 0 worden gesteld en de ondertekening van de VSO geldt als een intrekking van de bezwaren, gericht tegen de box 2-correcties.\n\n22. Bij uitspraken op bezwaar is verweerder vervolgens deels aan de bezwaren tegemoetgekomen en zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017, waarbij is uitgegaan van winst uit onderneming in plaats van resultaat uit overige werkzaamheden, als volgt verminderd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n € 103.412\n\n € 304.306\n\n € 110.076\n\n € 317.700\n\nwerk en woning (box 1)\n\nBelastbare winst uit onderneming\n\n € 7.884\n\n € 195.875\n\n € -\n\n € 156.845\n\nBelastbare inkomsten uit\n\n € 95.528\n\n € 108.431\n\n € 110.076\n\n € 160.855\n\ntegenwoordige arbeid\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n € 2.905\n\n € 312\n\n € 9.859\n\n € 10.934\n\n(box 3)\n\nVerzamelinkomen\n\n € 106.317\n\n € 304.618\n\n € 119.935\n\n € 328.634\n\nBelastingrente\n\n € 731\n\n € 20.119\n\n € -\n\n € 9.647\n\nVergrijpboete\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\nDe navorderingsaanslag Zvw 2014 is bij de uitspraak op bezwaar verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 7.784, en de belastingrente is daarbij dienovereenkomstig verminderd naar € 87.\n\nGeschil\n\n23. In geschil is of de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en Zvw 2014 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Daarbij is meer specifiek in geschil:\n\nof sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nof de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon ter zake van de zeven hiervóór onder punt 5 genoemde panden kwalificeren als ‘meer dan normaal vermogensbeheer’ en leiden tot box 1-inkomen bestaande uit winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden (in plaats van box 3-heffing over die panden);\n\nof de aan de inkomenscorrecties ten grondslag liggende waardebepaling van de panden juist is;\n\nof het gelijkheidsbeginsel is geschonden;\n\nof sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden;\n\nof de belastingrente dient te worden gematigd;\n\nof eiser recht heeft op vergoeding van de integrale proceskosten.\n\nDe vergrijpboetes zijn in deze procedure niet meer in geschil. Het jaar 2016 is ook niet meer in geschil.\n\n24. Eiser neemt in beroep de volgende standpunten in:\n\ner is geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen geen winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden; er is geen sprake van werkzaamheden die normale beleggers niet uitvoeren, waardoor de betreffende panden tot het box 3-inkomen dienen te worden gerekend;\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder, waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn niet juist; er dient te worden uitgegaan van de taxaties van eiser en de compagnon;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat in een ander gelijk geval de inkomsten wel als box 3-inkomen zijn aangemerkt;\n\ner is sprake van vooringenomenheid en willekeur en van onzorgvuldigheid door de manier waarop de hele controle is uitgevoerd en afgehandeld;\n\nde belastingrente dient te worden gematigd, omdat die mede is opgelopen door aan verweerder te wijten vertragingen.\n\nEiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering dan wel vernietiging van de belastingaanslagen en rentebeschikkingen overeenkomstig zijn standpunten, onder toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.\n\n25. Verweerder stelt dat de belastbare inkomens uit werk en woning voor de jaren 2014 tot en met 2017 bij de uitspraken op bezwaar niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld en neemt daarbij de volgende standpunten in:\n\ner is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen meer dan normaal vermogensbeheer en vormen winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt);\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn juist;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is niet geschonden;\n\ner is geen sprake van vooringenomenheid of willekeur en ook niet van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel;\n\ner is geen aanleiding de belastingrente te matigen.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nBewijslastverdeling\n\n26. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het niet doen van de vereiste aangiften, omdat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst verweerder op de aangiften IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en de bevindingen van het boekenonderzoek zoals neergelegd in hoofdstuk 3.1.2 van het controlerapport. Dit onderdeel ziet op de box 2-correcties.\n\n27. De rechtbank stelt vast dat verweerder daarmee de gestelde omkering en de verzwaring van de bewijslast doet steunen op de naar aanleiding van het boekenonderzoek in box 2 toegepaste inkomenscorrecties die in de onderhavige procedure niet in geschil zijn.\n\nPartijen hebben over die specifieke box 2-correcties en de afdoening daarvan in de VSO overeenstemming bereikt, waardoor die correcties in de onderhavige procedure niet voorliggen. Uit de VSO valt niet aanstonds op te maken dat de desbetreffende correcties in de onderhavige zaken dienen te leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast, meer specifiek dat dienaangaande is voldaan aan het voor de omkering en verzwaring geldende bewustheidsvereiste. Uit de enkele verwijzing naar 3.1.2 van het controlerapport en de gesloten VSO volgt onvoldoende dat voor wat betreft het box 2-inkomen voor de onderhavige jaren bewusteen onjuiste aangifte is gedaan. Onder die omstandigheden rechtvaardigen de box 2-correcties niet de bewijsrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in deze procedure. De rechtbank zal dan ook de normale regels van de bewijslastverdeling toepassen.\n\nDe activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de panden: box 1 of box 3\n\n28. Ten aanzien van de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon met betrekking tot de (ver)bouwactiviteiten aan de onderhavige zeven panden stelt verweerder dat sprake is van méér dan normaal vermogensbeheer zodat ter zake van de inkomsten daaruit sprake is van belastbare winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt). Eiser neemt daartegenover het standpunt in dat diengaande geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer zodat de panden in box 3 belast zijn. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\n29. De rechtbank stelt voorop dat er geen harde grens is tussen box 3 en box 1. Onder meer dan normaal vermogensbeheer dient te worden verstaan: het rendabel maken van de onroerende zaken mede door middel van arbeid welke door dan wel namens de eigenaar van de onroerende zaken wordt verricht waarbij deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaken, welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan.Het hangt van de feiten en omstandigheden van het geval af wanneer de grens van normaal vermogensbeheer wordt overschreden. In beginsel vergt dat een beoordeling per pand. Voor de vraag of sprake is van winst uit onderneming ligt het meer in de rede de activiteiten als geheel te beoordelen. Verweerder heeft bij de aanslagoplegging ter zake van 24 panden het standpunt ingenomen dat sprake is van box 1-inkomen (meer dan normaal vermogensbeheer) bestaande uit resultaat uit overige werkzaamheden, terwijl verweerder nu nog ter zake van zeven panden box 1-inkomen stelt, bestaande uit winst uit onderneming.Verweerder heeft daarbij ingezoomd op de afzonderlijke panden en heeft niet de activiteiten van eiser en de compagnon als geheel beoordeeld. Daarom ligt nu niet concreet de vraag voor of al dan niet sprake is van een onderneming, maar enkel of de zeven onder 5 genoemde panden terecht in de box 1-heffing zijn betrokken. Gelet hierop zal de rechtbank per pand beoordelen of sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Indien dat het geval is, zal de rechtbank dit als winst uit onderneming kwalificeren conform verweerders primaire standpunt, aangezien dit voordeliger is voor eiser dan resultaat uit overige werkzaamheden (gelet op de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling).\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met wat hij heeft aangevoerd en overgelegd, afgezet tegen en in samenhang bezien met wat eiser heeft aangevoerd en overgelegd, voor vier panden\u002Fprojecten aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Dat betreft de panden: ‘ [pand 3] ’, ‘ [pand 4] ’, ‘ [pand 5] ’ en ‘ [pand 6] ’. Voor die panden geldt dat de werkzaamheden veel meer omvatten dan enkel een verbouwing van bijvoorbeeld een keuken en\u002Fof badkamer en kwalificeren als projectontwikkeling die naar aard en omvang de grens van normaal vermogensbeheer overschrijdt, waarbij aannemelijk is dat ook steeds een rendement is beoogd dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende ten aanzien van die panden\u002Fprojecten uitgevoerde activiteiten en werkzaamheden, die volgen uit de door eisers aangevraagde omgevingsvergunningen, de door eiser overgelegde taxatierapporten en het controlerapport. Dat het pand Van Boetzelaerlaan uit de verhuur kwam, maakt niet dat het resultaat van de verbouwing niet in box 1 valt. Ten aanzien van de voornoemde panden\u002Fprojecten acht de rechtbank in ieder geval het volgende aannemelijk:\n\n- [pand 3]\n\nDit betreft een woonhuis met garage dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd in drie appartementen met bergingen.\n\n- [pand 4]\n\nDit betreft een garage\u002Fbedrijfsruimte ( [huisnummer 1] ) met erf en tuin en een bovenwoning op de eerste en tweede verdieping ( [huisnummer 2] ) die in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) zijn getransformeerd in twee woningen, te weten: een ‘onvrije’ (dat wil zeggen: een woning waarvan de vertrekken uitkomen op een gemeenschappelijke gang of hal) parterrewoning met een onvrije bovenwoning bestaande uit twee woonlagen, waarbij aan de achterzijde op de begane grond een uitbouw is gerealiseerd. In de verklaring ter zitting dat “een oude garagedeur [is] vervangen door een raamkozijn waardoor er een aparte woning op de begane grond ontstond”, vindt de rechtbank overigens bevestiging in de transformatie van de bedrijfsruimte naar woning. Of al dan niet ook een dakterras op de aanbouw is gecreëerd, acht de rechtbank voor de kwalificatie box 1 of box 3 niet van belang.\n\n- [pand 5]\n\nDit betreft een kantoorgebouw (kantoor met dienstwoning) dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd\u002Fopgesplitst in drie winkels\u002Fbedrijfsruimten en elf appartementen. Er is een extra woonlaag toegevoegd aan het gebouw.\n\n- [pand 6]\n\nDit betreft een winkel\u002Fwoonhuis op de begane grond en het achtergedeelte van de eerste verdieping, waar overeenkomstig de daartoe verleende vergunningen onder meer constructieve doorbraken en een aanbouw zijn gerealiseerd. De opmerking van eiser dat het stuitend is dat verweerder [huisnummer 3] heeft getaxeerd, terwijl dit volgens eiser moet zijn [huisnummer 4] , omdat nummer [huisnummer 3] niet bestaat, doet hier niet aan af, omdat het eiser duidelijk is welk pand het betreft. Deze verwarring heeft eiser bovendien zelf veroorzaakt, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport, waarin eveneens ‘ [pand 6] ’ staat vermeld.\n\n31. Het vorenstaande betekent dat ten aanzien van de vier hiervóór genoemde panden\u002Fprojecten terecht box 1-inkomen in aanmerking is genomen. Voor de overige drie onder punt 5 genoemde panden\u002Fprojecten, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank niet. De in het controlerapport beschreven werkzaamheden en activiteiten zijn, mede in het licht van wat eiser daarover heeft aangevoerd, onvoldoende om meer dan normaal vermogensbeheer aannemelijk te achten. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat (ook na de zitting) nog steeds onduidelijkheid bestaat over of, en zo ja in hoeverre, een aantal in het controlerapport genoemde werkzaamheden\u002Factiviteiten al dan niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dat voor twee panden - [pand 2] en [pand 7] - de door verweerder becijferde resultaten voor de onderhavige jaren ook niet dwingen tot de conclusie dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer (geen rendement-plus). Deze drie panden [pand 1] , [pand 2] en [pand 7] dienen daarom tot het box 3-vermogen te worden gerekend.\n\nInkomenscorrecties; waardebepaling\n\n32. Vervolgens ligt de vraag voor of de in verband met de onder rechtsoverweging 30 genoemde panden\u002Fprojecten toegepaste inkomenscorrecties berusten op een juiste waardebepaling van die panden\u002Fprojecten. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.\n\n- [pand 3]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 407.654 met een waardecreatie van 41,5%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de daadwerkelijke gerealiseerde verkoopprijzen van de (gerealiseerde) appartementen. De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 4]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 66.675 met een waardecreatie van 27,4%, is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 310.000 in vrije staat (met waardepeildatum 31 oktober 2015). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde is getaxeerd op € 225.000 in verhuurde staat (met waardepeildatum 22 september 2014) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats eind oktober 2015 - en, anders dan in eisers taxatie het geval is, terecht uitgaat van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De taxatiewaarde van eiser van € 225.000 naar verhuurde staat per 22 september 2024 ligt overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van € 310.000 in onverhuurde staat per 31 oktober 2015, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) acht de rechtbank dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 5]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend van € 296.915 met een waardecreatie van 16,2%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op in totaal € 2.130.000 (€ 1.750.000 voor de woningen in verhuurde staat en € 380.000 voor de bedrijfsruimte in verhuurde staat). Nu de waarde is bepaald in verhuurde staat, acht de rechtbank deze uitgangspunten geenszins onredelijk. Het door eiser voor dit pand oorspronkelijk overgelegde taxatierapport van vóór de verbouwing van een registertaxateur van 18 maart 2016, in opdracht van een bank, naar een totale marktwaarde van € 1.585.000 (€ 235.000 k.k. voor drie winkelunits (begane grond) + € 1.035.000 k.k. voor 9 woonunits (1e, 2e en 3e etage) + € 315.000 voor 2 woonunits (dakopbouw)), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht niet aannemelijk dat die taxatie aansluit bij de werkelijke waarde van het pand\u002Fde verschillende units zoals uiteindelijk gerealiseerd. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 6]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport – waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend ten bedrage van € 81.080 met een waardecreatie van 21,9% – is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 97.000 (voor de winkelruimte in vrije staat) en € 355.000 (voor de woonruimte in vrije staat) (waardepeildatum 31 december 2017). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde in verhuurde staat van de winkelruimte is bepaald op € 95.000 en van de woonruimte op € 335.000 (met waardepeildatum: 14 maart 2017) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats op 31 december 2017 - en, anders dan in eisers taxatie, daarin terecht is uitgegaan van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De hiervóór bedoelde taxatiewaarden van eiser in verhuurde staat per 14 maart 2017 liggen overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van respectievelijk € 355.000 en € 97.000 in onverhuurde staat per 31 december 2017, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is daarom aannemelijk gemaakt.\n\nInkomenscorrecties\n\n33. Het voorgaande betekent dat ter zake van voornoemde projecten de volgende resultaten als winst uit onderneming (vóór ondernemersaftrek) in aanmerking moeten worden genomen, overeenkomstig de berekening in het controlerapport:\n\n- [pand 3] : € 407.654 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 4] : € 66.675 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 5] : € 296.915 toerekenbaar aan 2017;\n\n- [pand 6] : € 81.080 toerekenbaar aan 2017;\n\nvolgens dezelfde verdeelsleutel als tot nu toe is gehanteerd (50% aan zowel eiser als aan de compagnon).\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n34. Eiser stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden en wijst in dit verband op een volgens hem vrijwel identiek geval, waarin wel is geconcludeerd dat sprake is van box 3-inkomen en niet van box 1-inkomen. Het geval betreft de vaste aannemer van eiser en de compagnon die in de bewuste periode een kerkgebouw heeft omgebouwd tot zeven appartementen.\n\n35. Het enkele feit dat één gelijk geval anders is behandeld, is onvoldoende om een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen. Eiser beroept zich uitdrukkelijk niet op de meerderheidsregel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient dan sprake te zijn van een oogmerk van begunstiging of van begunstigend beleid door de Belastingdienst. Daargelaten of de gevallen zo gelijk zijn als eiser stelt, is in elk geval de aanwezigheid van een oogmerk van begunstiging of begunstigend beleid -die verweerder betwist-, gesteld noch gebleken. Reeds om die reden moet het beroep op het gelijkheidsbeginsel worden verworpen.\n\nVooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar \u002F zorgvuldigheidsbeginsel\n\n36. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank stelt voorop dat zij de irritatie van eiser over het taalgebruik van bepaalde medewerkers van de Belastingdienst in hun interne mailverkeer, met name van de controlemedewerker [controlemedewerker 1] , zoals dat blijkt uit de gedingstukken, begrijpt en ook het daaraan ontleende gevoel dat ze volgens [controlemedewerker 1] hoe dan ook moesten betalen. De rechtbank acht de bewuste passages onprofessioneel en ongepast. Die constatering rechtvaardigt echter als zodanig niet de conclusie dat sprake is geweest van vooringenomenheid en willekeur ten aanzien van de aanslagregeling of van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de controle \u002F het boekenonderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en [controlemedewerker 1] is opgevolgd door [naam 5] die zich niet op ongepaste wijze heeft uitgelaten. Tijdens de hele periode van het onderzoek en de aanslagregeling heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden, waarbij ook steeds de (nieuwe) argumenten van eiser zijn meegenomen bij de verdere beoordeling. Dit heeft onder meer geleid tot de VSO. De rechtbank ziet daarbij in de reacties van de Belastingdienst, anders dan de hiervóór bedoelde uitlatingen, geen onzorgvuldigheid of vooringenomenheid. Aldus is het zorgvuldigheidsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden. Ook overigens vindt de rechtbank daarvoor in het dossier geen aanknopingspunten.\n\nBelastingrente\n\n37. Niet in geschil is dat de belastingrente is berekend conform de geldende wettelijke bepalingen. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Eiser meent dat desondanks aanleiding bestaat de belastingrente te matigen, omdat, kort gezegd, de rente mede is opgelopen door een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze aan de zijde van verweerder. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Weliswaar heeft een en ander lang geduurd, maar dat is niet te wijten aan een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze van verweerder. Het komt vooral door de lange duur van het uitgevoerde boekenonderzoek en die hangt samen met het feit dat omvangrijke activiteiten als de onderhavige veelal niet eenvoudig zijn te overzien of (fiscaal) te duiden. Dat vormt echter geen omstandigheid die een matiging van de belastingrente rechtvaardigt.Ook andere matigingsgronden zijn de rechtbank niet gebleken. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de verminderingen van de belastingaanslagen die voortvloeien uit deze uitspraak.\n\nConclusie\n\n38. Gelet op wat hiervóór is overwogen, dienen de beroepen betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017 gegrond te worden verklaard. Het beroep betreffende het jaar 2016 zal de rechtbank ongegrond verklaren, omdat over dat jaar geen geschil meer bestaat.\n\n39. De rechtbank zal verweerder opdragen de belastingaanslagen te verminderen met inachtneming van wat is bepaald in deze uitspraak, met de opdracht om de daarmee samenhangende rentebeschikkingen dienovereenkomstig te verminderen.\n\nProceskosten\n\n40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser voor de beroepsprocedure gemaakte proceskosten. Hierbij stelt de rechtbank vast dat tussen de onderhavige zaken en de zaken van de compagnon die tegelijkertijd ter zitting zijn behandeld, sprake is van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank stelt op grond van het Besluit de voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden kosten vast op 50% van € 4.203 = € 2.101,50 (50% van de vergoeding gebaseerd op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1,5 wegens de zwaarte van de zaak en een samenhangfactor 1,5). Voor de bezwaarfase kent de rechtbank geen vergoeding toe, omdat daarvoor bij de uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding aan eiser is toegekend.\n\nDe rechtbank kent de proceskostenvergoeding van € 4.203 voor de helft, dus voor € 2.101,50 toe in de onderhavige gegronde beroepen (SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803 en SGR 24\u002F4805) en zal de andere helft toekennen in de overige samenhangende gegronde beroepen van de compagnon.\n\n41. De rechtbank wijst hierbij het verzoek van eiser om een integrale proceskostenvergoeding af, aangezien de rechtbank in de gedingstukken geen ondersteuning vindt, ook niet in samenhang bezien met hetgeen eiser dienaangaande heeft aangevoerd, voor de conclusie dat verweerder standpunten heeft ingenomen tegen beter weten inof in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 24\u002F4804 (betreffende het jaar 2016) ongegrond;\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803 en SGR 24\u002F4805 (betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017) gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2016 en de navorderingsaanslag Zvw 2014, behoudens voor zover het de nihilstelling van de boetebeschikkingen en de toegekende proceskostenvergoeding betreft;\n\ndraagt verweerder op de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en de navorderingsaanslag Zvw 2014 en de bij die belastingaanslagen gegeven rentebeschikkingen te verminderen met inachtneming van wat is beslist in deze uitspraak en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.101,50;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. K.G. Scholten en\n\nmr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n In de zaak SGR 24\u002F4801 is € 51 griffierecht betaald.\n\n Vgl. HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731.\n\n In de uitspraken op bezwaar heeft verweerder ten aanzien van 17 panden (sommige bestaande uit meerdere nummers\u002Fobjecten) geconcludeerd dat toch sprake is van box 3-inkomen.\n\n Vgl. Gerechtshof Den Haag 24 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1105, bevestigd in Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:539 (met artikel 81 RO).\n\n Vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.\n\n Vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17074","2026-07-13T00:28:23.139Z",{"id":166,"ecli":167,"slug":168,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":146,"fullText":169,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":170,"sourceTimestamp":146,"parsedAt":52,"updatedAt":171},"727","ECLI:NL:RBGEL:2026:4470","ecli-nl-rbgel-2026-4470","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F7178, 24\u002F7184, 24\u002F7185, 24\u002F7186, 24\u002F7188 en 24\u002F7191\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 5 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 11 juni 2024, 12 juni 2024, 13 juni 2024 en 18 juni 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2020 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd en gelijktijdig belastingrente in rekening gebracht naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1), aanmerkelijk belang (box 2) en sparen en beleggen (box 3) van:\n\nBox 1\n\nBox 2\n\nBox 3\n\nBelastingrente\n\n2015\n\nNavordering\n\n€ 770.064\n\n€ 197.458\n\n€ 46.665\n\n2016\n\nNavordering\n\n€ 680.892\n\n€ 243.516\n\n€ 38.575\n\n2017\n\nNavordering\n\n€ 750.950\n\n€ 51.309\n\n€ 105.726\n\n€ 31.572\n\n2018\n\nNavordering\n\n€ 1.531.079\n\n€ 131.213\n\n€ 99.212\n\n2019\n\nAanslag\n\n€ 677.237\n\n€ 175.654\n\n€ 13.260\n\n2020\n\nAanslag\n\n€ 2.887.547\n\n€ 161.682\n\n€ 60.395\n\nVoor de jaren 2018 en 2019 heeft de inspecteur naar aanleiding van het Kerstarrest het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot € 117.882 (2018) en € 157.393 (2019) en de belastingrente verminderd tot € 98.518 (2018) en € 12.512 (2019).\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de (navorderings)aanslagen uitsluitend voor wat betreft het belastbaar inkomen box 1 en de belastingrente als volgt verminderd:\n\nBox 1\n\nBox 2\n\nBox 3\n\nBelastingrente\n\n2015\n\n€ 698.739\n\n€ 197.458\n\n€ 38.755\n\n2016\n\n€ 616.856\n\n€ 243.516\n\n€ 31.788\n\n2017\n\n€ 685.316\n\n€ 51.309\n\n€ 105.726\n\n€ 25.659\n\n2018\n\n€ 1.373.230\n\n€ 117.882\n\n€ 84.302\n\n2019\n\n€ 674.004\n\n€ 157.393\n\n€ 12.284\n\n2020\n\n€ 2.675.488\n\n€ 161.682\n\n€ 54.942\n\nDe rechtbank heeft de beroepen als volgt geregistreerd:\n\nJaar\n\nZaaknummer\n\n2015\n\n24\u002F7178\n\n2016\n\n24\u002F7184\n\n2017\n\n24\u002F7185\n\n2018\n\n24\u002F7186\n\n2019\n\n24\u002F7188\n\n2020\n\n24\u002F7191\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Belanghebbende en zijn gemachtigde, bijgestaan door [persoon A] en namens de inspecteur [persoon B] en [persoon C]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen verzocht schriftelijke inlichtingen te geven. Partijen hebben daarop gereageerd. Bij bericht van 17 april 2026 heeft de rechtbank partijen ervan in kennis gesteld dat zij voldoende geïnformeerd is en het onderzoek wil sluiten zonder nadere zitting, tenzij partijen binnen twee weken kenbaar maken een nadere zitting te willen. Omdat geen reactie is ontvangen, heeft de rechtbank het onderzoek op 7 mei 2026 gesloten.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is geboren in 1967 en onder huwelijkse voorwaarden gehuwd.\n\n2. Belanghebbende bezit sinds 23 december 2005 alle aandelen in [naam bedrijf 1] B.V. ([naam bedrijf 1]) en is enig bestuurder van deze vennootschap.\n\n3. [naam bedrijf 1] bezit sinds 1 januari 2006 alle aandelen in [naam bedrijf 2] B.V. ([naam bedrijf 2]) en is enig bestuurder van deze vennootschap.\n\n4. Belanghebbende is sinds 4 juli 2014 enig bestuurder van de [naam stichting] (de stichting). De stichting heeft een Raad van Toezicht (RvT) bestaande uit ten minste één en ten hoogste drie leden. De stichting is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.\n\n5. Belanghebbende is eigenaar van een villa-complex met 7 appartementen (de villa’s) met gezamenlijk zwembad aan de [locatie] [huisnummer] tot en met [huisnummer] (even nummers) te [plaats 2].\n\n6. Belanghebbende is eigenaar van een woon-zorgcomplex (het woon-zorgcomplex) te [plaats 2] genaamd ‘[naam]’, bestaande uit een hoofdgebouw ([locatie] [huisnummer]) en 48 appartementen ([locatie] [huisnummer] tot en met [huisnummer] (even nummers)).\n\n7. Op 4 juli 2014 heeft belanghebbende een recht van erfpacht uitgegeven op het woon-zorgcomplex ten behoeve van de stichting. De overeengekomen prijs bedroeg € 7.500.000. Daarvan is € 2.000.000 door de stichting betaald. De overige € 5.500.000 werd schuldig gebleven. Jaarlijks werd over dit bedrag aan belanghebbende rente vergoed. De rente bedroeg per jaar:\n\n2015\n\n€ 267.254\n\n2016\n\n€ 247.187\n\n2017\n\n€ 219.948\n\n2018\n\n€ 205.307\n\nBelanghebbende gaf ook het recht op gebruik van de grond uit aan de stichting. De overeengekomen erfpachtcanon bedroeg € 42.000 per jaar. De waarde van de blote eigendom van de grond is getaxeerd op € 1.400.000.\n\n8. Op 7 december 2018 heeft de stichting het recht van erfpacht verkocht aan [naam bedrijf 1]. De overeengekomen prijs bedroeg € 7.216.900. Daarvan is € 2.216.900 door [naam bedrijf 1] betaald. De overige € 5.000.000 werd schuldig gebleven. Belanghebbende heeft tegelijkertijd de juridische gerechtigdheid tot het woon-zorgcomplex verkocht aan [naam bedrijf 1]. De overeengekomen prijs bedroeg € 1.633.100 en is volledig schuldig gebleven.\n\n9. [naam bedrijf 1] heeft het woon-zorgcomplex vervolgens aan de stichting verhuurd. De stichting zette zich in voor persoonlijke zorg- en dienstverlening aan de bewoners van het woon-zorgcomplex.\n\n10. De stichting verhuurde de appartementen in het woon-zorgcomplex aan bewoners. De huurovereenkomst werd aangegaan voor onbepaalde tijd en eindigde door opzegging of na overlijden van de bewoner of als de bewoner de overeenkomst tot persoonlijke verzorging had opgezegd of die overeenkomst om een andere reden werd beëindigd. Bewoners sloten tevens een overeenkomst tot serviceverlening met [naam bedrijf 2] voor de afname van hotelmatige diensten.\n\n11. Belanghebbende verhuurde de villa’s aan bewoners. In de jaren 2015 tot en met 2020 bedroeg de huuropbrengst:\n\n2015\n\n€ 244.140\n\n2016\n\n€ 203.460\n\n2017\n\n€ 244.020\n\n2018\n\n€ 244.020\n\n2019\n\n€ 282.360\n\n2020\n\n€ 142.020\n\n12. Het zwembad verhuurde belanghebbende in de jaren 2015 tot en met 2017 aan de stichting. In 2018 en 2019 is het zwembad verhuurd aan [naam bedrijf 2]. De jaarlijkse huuropbrengst bedroeg € 40.980. In 2020 is er geen huuropbrengst geweest.\n\n13. In 2020 heeft belanghebbende de villa’s en het zwembad verkocht aan een Frans bedrijf dat actief is op het gebied van gezondheidszorg en huisvesting voor bejaarden. [naam bedrijf 1] heeft tegelijkertijd ook het woon-zorgcomplex verkocht aan het Franse bedrijf. De verkoopprijs voor al het onroerend goed samen bedroeg € 15.180.000. Daarvan is € 5.624.534 toerekenbaar aan de villa’s en het zwembad.\n\n14. De historische verkrijgingsprijs van de villa’s bedroeg in totaal € 2.932.920.\n\n15. Belanghebbende rekende de villa’s en het hoofdgebouw van het woon-zorgcomplex jaarlijks tot zijn grondslag sparen en beleggen. In zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2020 heeft belanghebbende daarvoor het volgende aangegeven:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 270.300\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 369.750\n\n€ 371.450\n\n€ 383.350\n\n€ 395.250\n\n€ 425.850\n\n€ 476.000\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n-\n\nTotaal\n\n€ 2.520.250\n\n€ 2.530.450\n\n€ 2.584.850\n\n€ 2.630.750\n\n€ 3.081.250\n\n€ 2.495.600\n\n16. De op grond van de door belanghebbende ingediende aangiften IB\u002FPVV verschuldigde belasting bedroeg:\n\n2015\n\n€ 233.047\n\n2016\n\n€ 230.173\n\n2017\n\n€ 245.435\n\n2018\n\n€ 255.201\n\n2019\n\n€ 290.537\n\n2020\n\n€ 277.107\n\n17. De inspecteur is een boekenonderzoek gestart naar aanleiding van de aangifte\n\nvennootschapsbelasting 2018 van [naam bedrijf 1]. Van dit boekenonderzoek is geen rapport opgemaakt.\n\n18. De gegevens die bij het boekenonderzoek bekend zijn geworden, vormden voor de inspecteur aanleiding om navorderingsaanslagen IB\u002FPVV aan belanghebbende op te leggen voor de jaren 2015 tot en met 2018 en om voor de jaren 2019 en 2020 bij het opleggen van de aanslagen IB\u002FPVV af te wijken van de aangiften. De inspecteur heeft daarbij de volgende correcties aangebracht in het belastbaar inkomen:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nCorrectie box 1\n\n+ € 594.374\n\n+ € 533.627\n\n+ € 546.948\n\n+ €1.315.407\n\n+ € 287.772\n\n+ €2.493.599\n\nCorrectie box 2\n\n+ € 51.309\n\nCorrectie box 3\n\n-\u002F- € 300.810\n\n-\u002F- € 294.019\n\n-\u002F- € 383.328\n\n-\u002F- € 370.484\n\n-\u002F- € 172.242\n\n-\u002F- € 127.079\n\n19. De correcties in box 1 zijn als volgt te specificeren:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nRente-baten vordering\n\n€ 267.254\n\n€ 247.187\n\n€ 219.948\n\n€ 205.307\n\n-\n\n-\n\nCanon\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n-\n\n-\n\nVerhuur villa's\n\n€ 244.140\n\n€ 203.460\n\n€ 244.020\n\n€ 244.020\n\n€ 282.360\n\n€ 142.020\n\nVerhuur zwembad\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n-\n\nVerkoop rechten\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 783.100\n\n-\n\n-\n\nVerkoop villa’s\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 2.691.615\n\nTBS-vrijstelling\n\n-\u002F- € 35.568\n\n-\u002F- € 340.036\n\nTotaal\n\n€ 594.374\n\n€ 533.627\n\n€ 546.948\n\n€1.315.407\n\n€ 287.772\n\n€ 2.493.599\n\n20. De grondslag box 3 heeft de inspecteur naar aanleiding van de correcties in box 1 met de volgende bedragen verlaagd:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nOverige vorderingen en contant geld\n\n€5.000.000\n\n €4.820.000\n\n€4.525.000\n\n€4.250.000\n\n-\n\n-\n\nOverige onroerende zaken\n\n€2.520.250\n\n €2.530.450\n\n€2.586.850\n\n€2.630.750\n\n€3.081.250\n\n€2.495.600\n\nTotaal\n\n€7.520.250\n\n €7.350.450\n\n€7.111.850\n\n€6.880.750\n\n€3.081.250\n\n€2.495.600\n\n21. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de correcties van de inspecteur. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de correcties in box 1 als volgt aangepast:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nRente-baten vordering\n\n€ 267.254\n\n€ 247.187\n\n€ 219.948\n\n€ 205.307\n\n-\n\n-\n\nCanon\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n-\n\n-\n\nVerhuur villa's\n\n€ 244.140\n\n€ 203.460\n\n€ 244.020\n\n€ 244.020\n\n€ 282.360\n\n€ 142.020\n\nVerhuur zwembad\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n-\n\nVerkoop rechten\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 783.100\n\n-\n\n-\n\nVerkoop villa’s\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 2.450.640\n\nTBS-vrijstelling\n\n-\u002F- € 71.325\n\n-\u002F- € 64.036\n\n-\u002F- € 65.634\n\n-\u002F- € 157.849\n\n-\u002F- € 38.801\n\n-\u002F- € 311.120\n\nTotaal\n\n€ 523.049\n\n€ 469.591\n\n€ 481.314\n\n€1.157.558\n\n€ 284.539\n\n€ 2.281.540\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n22. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd en of de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020 niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n23. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 en de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020 tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n24. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nMoet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?\n\n25. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat voor alle in geschil zijnde jaren de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Volgens de inspecteur is sprake van inhoudelijke gebreken in de aangiften die ertoe leiden dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De inspecteur voert primair aan dat sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en dat belanghebbende daarom een aantal inkomensbestanddelen in box 1 had moeten aangeven in plaats van in box 3. Volgens de inspecteur wist belanghebbende dit of had hij zich ervan bewust moeten zijn. De inspecteur heeft zijn standpunt onderbouwd met de volgende berekening met betrekking tot de verschuldigde belasting:\n\n26. Subsidiair voert de inspecteur aan dat, ook als wordt aangenomen dat geen sprake is van een samenwerkingsverband, de aangiften IB\u002FPVV 2015 tot en met 2019 de volgende inhoudelijke gebreken vertonen:\n\n2015 tot en met 2018: De hoofdgerechtigdheid tot de grond voor [locatie] [huisnummer] is voor € 550.000 te weinig aangegeven in box 3.\n\n2015 tot en met 2017: De waarde van het zwembad is niet in box 3 aangegeven en bedraagt volgens de inspecteur € 700.000.\n\n2018 en 2019: De huuropbrengst van het zwembad (€ 40.980) is niet in box 1 aangegeven.\n\nHet verschil tussen de verschuldigde belasting op grond van de aangiften en de werkelijk verschuldigde belasting heeft de inspecteur voor dat geval als volgt berekend:\n\n2015: € 15.000 absoluut en 11,60% relatief\n\n2016: € 15.000 absoluut en 10,07% relatief\n\n2017: € 20.212 absoluut en 12,32% relatief\n\n2018: € 22.851 absoluut en 12,56% relatief\n\n2019: € 21.207 absoluut en 14,42% relatief\n\n27. Belanghebbende is van mening dat er geen ruimte is voor omkering en verzwaring van de bewijslast, omdat sprake is van een pleitbaar standpunt ten aanzien van de vraag of er een samenwerkingsverband is. De correcties op grond van het subsidiaire standpunt van de inspecteur zijn volgens belanghebbende ten dele juist, maar leiden niet tot een relatief aanzienlijk bedrag aan te weinig betaalde belasting.\n\n28. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, als aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting op zichzelf beschouwd (absoluut) en verhoudingsgewijs (relatief) aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.Inhoudelijke gebreken in de aangifte leiden alleen tot de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.Ten slotte geldt dat als sprake is van een rechtens pleitbaar standpunt, er geen ruimte is voor omkering en verzwaring van de bewijslast.\n\n29. De rechtbank moet per belastingjaar beoordelen of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Omdat belanghebbende voor al de in geschil zijnde belastingjaren aangiften IB\u002FPVV heeft ingediend, moet worden beoordeeld of sprake is van ‘inhoudelijke gebreken’, zoals hiervoor bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat dit het geval is. Als de rechtbank de inspecteur al zou volgen in zijn primaire standpunt dat sprake is van een samenwerkingsverband, dan kan dit niet leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat belanghebbende bij zijn aangiften voor de jaren 2015 tot en met 2020 ervan is uitgegaan dat geen samenwerkingsverband aanwezig is, is naar het oordeel van de rechtbank een pleitbaar standpunt. Het kon namelijk gebaseerd worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, waarvan hij - naar objectieve maatstaven gemeten - redelijkerwijs kon en mocht menen dat die uitleg en daarmee de door hem gedane aangiften juist waren.\n\n30. Voor wat betreft het subsidiaire standpunt van de inspecteur staat vast dat belanghebbende in zijn aangiften 2015 tot en met 2018 de hoofdgerechtigdheid tot de grond voor [locatie] [huisnummer] voor € 550.000 te weinig heeft aangegeven in box 3. Verder staat vast dat belanghebbende in zijn aangiften 2015 tot en met 2017 de waarde van het zwembad onterecht niet in box 3 heeft aangegeven en voor de jaren 2018 en 2019 de huuropbrengst van het zwembad onterecht niet in box 1 heeft aangegeven. Deze inhoudelijke gebreken in de aangiften leiden er naar het oordeel van de rechtbank echter niet toe dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank merkt daarbij op dat de inspecteur in zijn berekeningen is uitgegaan van veel lagere belastingbedragen (zie 25. de kolom ‘Aangifte’) dan die op grond van de ingediende aangiften verschuldigd zijn (zie 16.). Bovendien verschillen partijen van mening over de waarde van het zwembad en staat de € 700.000 waarvan de inspecteur in zijn berekening is uitgegaan dus ter discussie. Als wordt uitgegaan van de juiste belastingbedragen die op grond van de aangiften verschuldigd zijn en voor het overige de uitgangspunten van de inspecteur zouden worden gevolgd (zie 26.), is de werkelijk verschuldigde belasting voor de jaren 2015 tot en met 2019 tussen de 6,43% en 8,95% lager.De rechtbank acht dit niet relatief aanzienlijk.\n\n31. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er voor geen enkel belastingjaar aanleiding is om de bewijslast om te keren en te verzwaren. Dat betekent dat de rechtbank de normale bewijslastverdeling zal hanteren.\n\nIs er een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet IB 2001?\n\n32. Belanghebbende is van mening dat geen sprake is van een samenwerkingsverband. Volgens belanghebbende is daarvoor nodig dat het samenwerkingsverband in civiel juridische zin kwalificeert als een bijzondere overeenkomst die aan alle kenmerken voldoet van een maatschap in de zin van artikel 7A:1655 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (BW). De ondernemingen moeten worden gedreven voor rekening en risico van een fiscaal transparant samenwerkingsverband en dat is niet het geval volgens belanghebbende.\n\n33. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de stichting, [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] een samenwerkingsverband vormen in de zin van artikel 3.92, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 2001. De inspecteur is van mening dat niet enkel juridische feiten doorslaggevend zijn, maar ook of en in hoeverre sprake is van organisatorische en economische verbondenheid tussen partijen. Volgens de inspecteur gaat het hier om partijen die niet onafhankelijk van elkaar handelden, maar een hecht samenwerkingsverband hebben gerealiseerd, waarbij ze gebruikmaakten van elkaars diensten. Belanghebbende stelt vermogensbestanddelen ter beschikking aan dat samenwerkingsverband. Die vermogensbestanddelen behoren daarom tot box 1 en niet tot box 3. Voor zover is vereist dat sprake is van een in het BW geregelde vorm van samenwerking, stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het samenwerkingsverband kwalificeert als een stille maatschap. Aanwijzingen daarvoor ziet de inspecteur onder meer in het feit dat in een due diligence rapport staat vermeld dat partijen gezamenlijk een onderneming drijven en dat in een concentratiebesluit partijen gezamenlijk worden aangemerkt als [naam onderneming]. Partijen waren afhankelijk van elkaars activiteiten, zodat een totaalpakket kon worden geleverd van wonen, zorg en dienstverlening. Er was sprake van feitelijke samenwerking in het kader van de beroepsuitoefening.\n\n34. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.92 van de Wet IB 2001 volgt dat aan de keuze van de wetgever voor een regeling voor het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen twee uitgangspunten ten grondslag liggen, namelijk a) de parallel te versterken tussen ondernemers die hun onderneming voor eigen rekening drijven en ondernemers die hebben gekozen voor de rechtsvorm van de BV en b) te voorkomen dat al te gemakkelijk relatief hoog belast winstinkomen wordt getransformeerd in lager belast inkomen in box 3.\n\n35. In de wet en de wetsgeschiedenis ontbreekt een duidelijke definitie van het begrip ‘samenwerkingsverband’. Wel is duidelijk dat hieronder in elk geval moeten worden begrepen de in boek 7A van het BW en de in het Wetboek van Koophandel geregelde samenwerkingsverbanden, zoals de maatschap en de vennootschap onder firma. De rechtbank leidt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2013 af dat de uitleg van het begrip ‘samenwerkingsverband’ moet worden beperkt tot fiscaal transparante lichamen.De rechtbank zal dus eerst moeten beoordelen of sprake is van een samenwerkingsverband dat wordt gedreven voor rekening van een fiscaal transparant lichaam. Op de inspecteur rust de bewijslast dat hiervan sprake is.\n\n36. Artikel 7A:1655 BW definieert de maatschap als “ene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.” Deze definitie bevat vijf elementen: 1) overeenkomst 2) samenwerking op basis van gelijkheid\u002Fgelijkwaardigheid 3) verdeling van voordeel 4) inbreng 5) gerichtheid op voordeel voor alle deelnemers. De inspecteur heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan al deze elementen. Als al wordt aangenomen dat partijen zich tegenover elkaar hebben verbonden om op basis van gelijkwaardigheid in maatschapsverband samen te werken, dan ontbreekt een onderbouwing door middel van documenten of cijfers waaruit valt af te leiden dat partijen gericht waren op gezamenlijk voordeel, wat dit gezamenlijke voordeel was en hoe dit vervolgens onderling werd verdeeld. Weliswaar is het al dan niet bestaan van een winstverdelingsregeling niet vereist en zou voldoende zijn dat partijen gezamenlijk gerechtigd waren tot (een deel van) de winst, maar ook dat is niet aannemelijk gemaakt door de inspecteur. De enkele stelling dat de samenwerking tussen partijen was gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten, is hiervoor onvoldoende.\n\n37. Gelet op wat in 34. tot en met 36 is overwogen concludeert de rechtbank dat geen sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, lid 1, aanhef en onderdeel b van de Wet IB 2001. Dat betekent dat de door de inspecteur bij de (navorderings)aanslagen aangebrachte en op dit standpunt gebaseerde correcties onterecht zijn. Met betrekking tot het jaar 2020 leidt dit ertoe dat de aanslag te hoog is vastgesteld en dat het beroep gegrond is. Of ook voor de (navorderings)aanslagen 2015 tot en met 2019 geldt dat deze te hoog zijn vastgesteld zal de rechtbank in het navolgende beoordelen.\n\nZijn de (navorderings)aanslagen te hoog, gelet op het subsidiaire standpunt inspecteur?\n\n38. De inspecteur heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat er alsnog correcties mochten plaatsvinden voor de jaren 2015 tot en met 2019. De inspecteur heeft met betrekking tot zijn subsidiaire standpunt een beroep gedaan op interne compensatie.\n\n39. Het leerstuk van de interne compensatie houdt in dat, in het geval dat een beroep geheel of gedeeltelijk gegrond is, de inspecteur andere elementen van de aanslag aan de orde mag stellen en het standpunt mag innemen dat de aanslag toch niet te hoog is vastgesteld gelet op die andere elementen. Aan het toepassen van interne compensatie zijn enkele beperkingen gesteld. Zo mag geen hoger bedrag worden gevorderd dan het oorspronkelijke bedrag van de aanslag, aangezien belanghebbende door het instellen van beroep niet in een slechtere positie mag komen. Daarnaast kan interne compensatie worden beperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In deze zaak ziet de rechtbank geen beperkingen voor toepassing van interne compensatie.\n\n40. Niet meer in geschil is dat belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2018 de hoofdgerechtigdheid tot de grond van [locatie] [huisnummer] voor € 550.000 te weinig heeft aangegeven in box 3 en dat voor de jaren 2018 en 2019 de huuropbrengst van het zwembad onterecht niet in box 1 is aangegeven. Partijen verschillen alleen nog van mening over de waarde van het zwembad in de jaren 2015 tot en met 2017. De inspecteur is van mening dat de waarde € 700.000 bedraagt en onderbouwt dit door de bij de verkoop in 2020 gerealiseerde verkoopprijs van € 5,6 miljoen (zie 13.) voor de 7 villa’s inclusief het zwembad te delen door 8. De rechtbank volgt de inspecteur hierin niet. Dit zou namelijk betekenen dat het zwembad evenveel waarde vertegenwoordigt als een villa en dat acht de rechtbank onaannemelijk. Bovendien strookt dit niet met de aanschafwaarde die de inspecteur in de motivering van de uitspraak op bezwaar heeft becijferd. Die heeft de inspecteur berekend op € 190.974 (5 x € 38.194,68) aanschafwaarde + € 50.000 ontwikkelkosten = € 240.974. Belanghebbende heeft de waarde van het zwembad geschat op 5 maal de jaarhuur van € 40.980 = € 204.900. Dat ligt in de buurt van de door de inspecteur in de motivering van de uitspraak op bezwaar verdedigde waarde. De rechtbank zal daarom uitgaan van de hoogste van deze twee waardes, dus € 240.974. De rechtbank zal per jaar uitwerken wat de gevolgen zijn.\n\n2015\n\n41. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nTotaal vermogen box 3\n\n€ 12.681.454\n\n€ 13.472.428\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 42.660\n\n€ 42.660\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 12.638.794\n\n€ 13.429.768\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 182.083\n\n€ 182.083\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 12.456.711\n\n€ 13.247.685\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan € 13.247.685 * 4% = € 529.907.\n\n42. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nNavorderings-aanslag\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 228.723\n\n€ 228.723\n\n€ 228.723\n\n€ 228.723\n\nROW\n\n € 0\n\n€ 594.374\n\n€ 523.049\n\n€ 0\n\nEigen woning\n\n-€ 53.033\n\n-€ 53.033\n\n-€ 53.033\n\n-€ 53.033\n\nInkomen box 1\n\n€ 175.690\n\n€ 770.064\n\n€ 698.739\n\n€ 175.690\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 498.268\n\n€ 197.458\n\n€ 197.458\n\n€ 529.907\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 673.958\n\n€ 967.522\n\n€ 896.197\n\n€ 705.597\n\n43. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2015 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2015 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2015 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2016\n\n44. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nTotaal vermogen box 3\n\n€ 14.041.795\n\n€ 14.832.769\n\nSchulden -\u002F-\n\n€ 320.976\n\n€ 320.976\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 48.874\n\n€ 48.874\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 13.671.945\n\n€ 14.462.919\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 233.578\n\n€ 233.578\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 13.438.367\n\n€ 14.229.341\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan € 14.229.341 * 4% = € 569.174.\n\n45. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nNavorderings-aanslag\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 184.261\n\n€ 184.261\n\n€ 184.261\n\n€ 184.261\n\nROW\n\n€ 11.484\n\n€ 545.111\n\n€ 481.075\n\n€ 11.484\n\nEigen woning\n\n-€ 48.480\n\n-€ 48.480\n\n-€ 48.480\n\n-€ 48.480\n\nInkomen box 1\n\n€ 147.264\n\n€ 680.892\n\n€ 616.856\n\n€ 147.265\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 537.534\n\n€ 243.516\n\n€ 243.516\n\n€ 569.174\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 684.799\n\n€ 924.408\n\n€ 860.372\n\n€ 716.439\n\n46. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2016 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2016 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2016 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2017\n\n47. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nTotaal vermogen box 3\n\n€ 11.094.411\n\n€ 11.885.385\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 50.000\n\n€ 50.000\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 11.044.411\n\n€ 11.835.385\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 1.804.105\n\n€ 1.804.105\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 9.240.306\n\n€ 10.031.280\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan (€ 239.250 * 1,63%) + (€ 9.792.030 * 5,39%) = € 531.690.\n\n48. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nNavorderings-aanslag\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 183.710\n\n€ 183.710\n\n€ 183.710\n\n€ 183.710\n\nROW\n\n€ 65.417\n\n€ 612.365\n\n€ 546.731\n\n€ 65.417\n\nEigen woning\n\n-€ 45.125\n\n-€ 45.125\n\n-€ 45.125\n\n-€ 45.125\n\nInkomen box 1\n\n€ 204.002\n\n€ 750.950\n\n€ 685.316\n\n€ 204.002\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 51.309\n\n€ 51.309\n\n€ 51.309\n\nInkomen box 3\n\n€ 489.054\n\n€ 105.726\n\n€ 105.726\n\n€ 531.690\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 693.056\n\n€ 907.985\n\n€ 842.351\n\n€ 787.001\n\n49. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2017 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2018\n\n50. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nSpaar- en banktegoeden\n\n€ 958.137\n\n€ 958.137\n\nOverige bezittingen\n\n€ 10.830.319\n\n€ 11.380.319\n\nSchulden -\u002F-\n\n€ 339.711\n\n€ 339.711\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 11.448.745\n\n€ 11.998.745\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 60.000\n\n€ 60.000\n\nGrondslag sparen en beleggen\n\n€ 11.388.745\n\n€ 11.938.745\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 1.846.991\n\n€ 1.846.991\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 9.541.754\n\n€ 10.091.754\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan ((0,12% * € 958.137) + (€ 11.380.319 * 5,38%) -\u002F- (€ 339.711 * 3,20%)) ÷ € 11.998.745 = 5,02%. 5,02% * € 10.091.754 = € 506.777.\n\n51. Voor box 1 geldt dat alleen een correctie ten opzichte van de aangifte gerechtvaardigd is van € 36.062 (€ 40.980 -\u002F- 12% TBS-vrijstelling). Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nVerminderings-beschikking\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 168.098\n\n€ 168.098\n\n€ 168.098\n\n€ 168.098\n\nROW\n\n€ 92.210\n\n€ 1.407.617\n\n€ 1.249.768\n\n€ 128.272\n\nEigen woning\n\n-€ 44.636\n\n-€ 44.636\n\n-€ 44.636\n\n-€ 44.636\n\nInkomen box 1\n\n€ 215.672\n\n€ 1.531.079\n\n€ 1.373.230\n\n€ 251.734\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 501.397\n\n€ 117.882\n\n€ 117.882\n\n€ 506.777\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 717.069\n\n€ 1.648.961\n\n€ 1.491.112\n\n€ 758.511\n\n52. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2018 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2019\n\n53. Voor box 3 geldt dat er geen aanleiding is de rendementsgrondslag te verhogen ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nSpaar- en banktegoeden\n\n€ 743.383\n\n€ 743.383\n\nOverige bezittingen\n\n€ 6.765.861\n\n€ 6.765.861\n\nSchulden -\u002F-\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 7.509.244\n\n€ 7.509.244\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 60.720\n\n€ 60.720\n\nGrondslag sparen en beleggen\n\n€ 7.448.524\n\n€ 7.448.524\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 989.736\n\n€ 989.736\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 6.458.788\n\n€ 6.458.788\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan ((0,08% * € 743.383) + (5,59% * € 6.765.861)) ÷ € 7.509.244 = 5,045%. 5,045% * € 6.458.788 = € 325.846.\n\n54. Voor box 1 geldt dat alleen een correctie ten opzichte van de aangifte gerechtvaardigd is van € 36.062 (€ 40.980 -\u002F- 12% TBS-vrijstelling). Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nVerminderings-beschikking\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 135.410\n\n€ 135.410\n\n€ 135.410\n\n€ 135.410\n\nROW\n\n€ 286.291\n\n€ 574.063\n\n€ 570.830\n\n€ 322.353\n\nEigen woning\n\n-€ 32.236\n\n-€ 32.236\n\n-€ 32.236\n\n-€ 32.236\n\nInkomen box 1\n\n€ 389.465\n\n€ 677.237\n\n€ 674.004\n\n€ 425.527\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 347.896\n\n€ 157.393\n\n€ 157.393\n\n€ 325.846\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 737.361\n\n€ 834.630\n\n€ 831.397\n\n€ 751.373\n\n55. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de aanslag IB\u002FPVV 2019 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2019 gegrond is. De rechtbank zal de aanslag IB\u002FPVV 2019 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n56. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende (navorderings)aanslagen zullen worden verminderd, verstaat de rechtbank dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n57. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar.\n\n58. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht (€ 51) aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.503 en is als volgt berekend: 2,5 punten voor de beroepsfase (beroepschrift 1 punt, zitting 1 punt, schriftelijke inlichtingen 0,5 punt) met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1,5 omdat het meer dan 4 zaken betreft. Voor de bezwaarfase wordt geen kostenvergoeding toegekend, omdat alleen om kostenvergoeding is gevraagd met betrekking tot het jaar 2020 en daarvoor in bezwaar al een kostenvergoeding is toegekend.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2015 (24\u002F7178) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 175.690 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 529.907 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2016 (24\u002F7184) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 147.265 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 569.174 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 (24\u002F7185) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 204.002, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 51.309 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 531.690 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 (24\u002F7186) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 251.734 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 506.777 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de aanslag IB\u002FPVV 2019 (24\u002F7188) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 425.527 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 325.846 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de aanslag IB\u002FPVV 2020 (24\u002F7191) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 393.948 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 293.501 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.503 aan proceskosten aan belanghebbende.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en mr. J.J. Westerbaan, leden, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.\n\nUitgesproken op 5 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet inkomstenbelasting 2001\n\nArtikel 3.92. Ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden\n\n1. Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan:\n\na. het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 behoudens indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond van de artikelen 4.10 en 4.11;\n\nb. het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een samenwerkingsverband waarvan een vennootschap als bedoeld in onderdeel a deel uitmaakt.\n\n2. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt:\n\na. met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eerste lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een daar bedoeld samenwerkingsverband gelijkgesteld:\n\n1°. het aangaan of het hebben van een schuldvordering alsmede het aangaan of het hebben van rechten uit een spaarovereenkomst of uit een daarmee verwante overeenkomst op een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;\n\n2°. het sluiten van een overeenkomst van levensverzekering of het hebben van rechten uit een overeenkomst van levensverzekering waarbij de in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in aanmerking zouden worden genomen als een periodieke uitkering of verstrekking als bedoeld in afdeling 3.5;\n\n3°. het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband;\n\n4°. het overeenkomen of het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, te verwerven;\n\n5°. het verkrijgen of het hebben van een recht, anders dan bedoeld in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, of een verplichting een vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;\n\n6°. het verkrijgen of het hebben van een recht of een verplichting een vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;\n\nb. onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.91, tweede lid, onderdelen b en c;\n\nc. een vergoeding voor het aangaan van borgtocht voor schulden van een vennootschap of betreffende een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel;\n\nd. met een vennootschap gelijkgesteld een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 4.5 en een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag;\n\ne. onder het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen niet begrepen het houden van aandelen in een vennootschap en het houden van winstbewijzen van een vennootschap;\n\nf. onder rechten als bedoeld in onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand;\n\ng. onder verplichtingen als bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan: verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand.\n\n3. Op dezelfde wijze als het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een met de belastingplichtige verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, wordt behandeld het ter beschikking stellen aan een vennootschap waarin een niet onder artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, begrepen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, indien het een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van dit lid, waaronder regels of sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling.\n\n4. Indien de belastingplichtige in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd en tot die gemeenschap een vermogensbestanddeel als bedoeld in het eerste lid of tweede lid behoort, wordt dit vermogensbestanddeel voor de helft toegerekend aan de belastingplichtige en voor de andere helft aan zijn echtgenoot. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vermogensbestanddeel als bedoeld in het eerste of tweede lid dat behoort tot een beperkte gemeenschap van goederen.\n\n Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665 en Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.\n\n Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE3220.\n\n Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970.\n\n Vgl. Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638, rechtsoverweging 3.4.5.\n\n 2015: € 15.000\u002F€ 233.047 = 6,43%\n\n2016: € 15.000\u002F€ 230.173 = 6,52%\n\n2017: € 20.212\u002F€ 245.435 = 8,24%\n\n2018: € 22.851\u002F€ 255.201 = 8,95%\n\n2019: € 21.207\u002F€ 290.537 = 7,3%\n\nKamerstukken II1998-1999, 26 727, nr. 3, p. 136 enKamerstukken I1999-2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 43-44 en nr. 202c, p. 18.\n\n Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4034, r.o. 3.3.2. en 3.3.3.\n\n Zie Hoge Raad 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, r.o. 3.9.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4470","2026-07-13T00:28:45.115Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":44,"courtId":176,"decisionDate":177,"fullText":178,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":179,"sourceTimestamp":180,"parsedAt":52,"updatedAt":181},"393","ECLI:NL:GHSHE:2026:1433","ecli-nl-ghshe-2026-1433",72,"2026-06-03T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 23\u002F1664\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 8 september 2023, nummer BRE 22\u002F3004 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) over het jaar 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, haar gemachtigde, [gemachtigde] , haar echtgenoot, [echtgenoot] , en haar zus, [zus] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is gehuwd met [echtgenoot] (hierna: de echtgenoot). Gedurende het belastingjaar 2020 kwalificeren zij als elkaars fiscale partners.\n\n2.2.. Belanghebbende heeft samen met haar echtgenoot twee kinderen, namelijk [kind 1] (geboren op [datum 1] 2006) en [kind 2] (geboren op [datum 2] 2008).\n\n2.3.. De inspecteur heeft op 15 januari 2020 aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2020 opgelegd naar een te ontvangen bedrag van € 1.321. Deze is gebaseerd op een inschatting van de situatie van belanghebbende in 2020. Hierbij is verondersteld dat belanghebbende recht zou hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: IACK).\n\n2.4.. Belanghebbende en haar echtgenoot zijn op 6 januari 2017 een overeenkomst voor de minnelijke schuldregeling aangegaan met de gemeente [gemeente] . Op 25 maart 2021 is dit schuldhulpverleningstraject beëindigd.\n\n2.5.. De teruggave op de voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2020 is aangewend ter aflossing van openstaande schulden onder het op dat moment van toepassing zijnde schuldhulpverleningstraject. Op het moment van het opleggen van de definitieve aanslag IB\u002FPVV 2020 was dit schuldhulpverleningstraject beëindigd.\n\n2.6.. Op 17 september 2021 heeft belanghebbende de aangifte IB\u002FPVV 2020 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 19.557 en bestaat geheel uit loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.\n\n2.7.. De aanslag IB\u002FPVV 2020 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.557. Tevens is bij beschikking € 25 belastingrente in rekening gebracht. Het te betalen bedrag van de aanslag IB\u002FPVV 2020 bedraagt € 1.321 (exclusief belastingrente). Het te betalen bedrag is ontstaan doordat de inspecteur heeft vastgesteld dat niet belanghebbende, maar haar echtgenoot over 2020 recht heeft op de IACK.\n\n2.8.. \n\nMet dagtekening 21 juli 2022 schrijft belanghebbende aan de rechtbank dat zij zich laat vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [gemachtigde] . De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Naar aanleiding van het door de belastingdienst genomen besluit op bezwaar van 10 mei 2022 inzake een bezwaar welke ongegrond is verklaard wensen wij, mevrouw [belanghebbende] en de heer [echtgenoot] , de heer [gemachtigde] te machtigen ons te vertegenwoordigen in deze beroepzaak.”\n\nDe brief is ondertekend door belanghebbende en haar echtgenoot en vermeld als verzendadres: ‘ [adres 1] [woonplaats] ’.\n\n2.9.. In zijn brief van 19 augustus 2022 verzoekt de griffier van de rechtbank belanghebbende een schriftelijke machtiging te overleggen. Tevens verzoekt de griffier belanghebbende de adresgegevens te vermelden waar zij de verdere correspondentie wenst te ontvangen.\n\n2.10.. \n\nIn reactie op de brief van de griffier van de rechtbank schrijft belanghebbende bij brief van 31 augustus 2022 aan de rechtbank het volgende:\n\n“Hierbij ontvangt u de volmacht om Dhr. [gemachtigde] , woonachtig aan [adres 2] te [plaats] , mij te vertegenwoordigen in de zaak met zaaknummer: BRE 22 \u002F 3004 IB\u002FPVV.\n\n(…)\n\nAlle correspondentie kunt u naar mijn huisadres sturen, te weten: [adres 1] te [woonplaats] .”\n\n2.11.. \n\nDe rechtbank heeft op 8 september 2023 uitspraak gedaan. De uitspraak is op 27 september 2023 aangetekend per post verzonden. De begeleidende brief bij de uitspraak van de rechtbank vermeldt als geadresseerde:\n\n“De heer [gemachtigde]\n\np\u002Fa\n\n [adres 1]\n\n [woonplaats] ”\n\n2.12.. \n\nBij brief van 24 november 2023, door het hof ontvangen op 28 november 2023, heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hogerberoepschrift luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Als gemachtigde heb ik op 20 november 2023 kennis kunnen nemen van de uitspraak. Deze is op 27 september 2023 naar belanghebbende verzonden en naar hun woonadres. Aangezien ik als gemachtigde niet eerder heb kunnen reageren verzoek ik dit als een verschoonbare reden aan te merken. Deze uitspraak in beroep wordt hierbij betwist.”\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\ni) Is het hoger beroep van belanghebbende ontvankelijk?\n\nii) Heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB\u002FPVV 2020 gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid?\n\niii) Heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB\u002FPVV 2020 gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel?\n\niv) Dient de aanslag IB\u002FPVV 2020 te worden verminderd op basis van de hardheidsclausule?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot teruggaaf van het bedrag van € 1.321 aan IB\u002FPVV en € 25 aan belastingrente. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\ni) Ontvankelijkheid hoger beroep\n\n4.1.. Voordat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes klachten tegen de uitspraak van de rechtbank, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het hoger beroep ontvankelijk is.\n\n4.2.. De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt zes weken.Deze termijn begint de dag na die waarop de uitspraak van de rechtbank op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.Een hogerberoepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.De wet biedt daarnaast een tegemoetkoming voor die gevallen waarin een hoger beroep uiterlijk één week na deze termijn is ontvangen. Een dergelijk hoger beroep wordt toch geacht tijdig ingediend te zijn indien het stuk vóór het einde van de hogerberoepstermijn ter post is bezorgd.\n\n4.3.. Het hoger beroep wordt bij niet-tijdig indienen in beginsel niet-ontvankelijk verklaard, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Op grond van artikel 6:11 Awb kan een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarvan is sprake indien: (i) belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn het hogerberoepschrift heeft ingediend als gevolg van een haar niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens (ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het hoger beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.Of artikel 6:11 Awb van toepassing is, moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig hoger beroep in te stellen.\n\n4.4.. De rechtbank heeft op 8 september 2023 uitspraak gedaan. De uitspraak is op 27 september 2023 aangetekend per post verzonden aan de gemachtigde van belanghebbende, per adres ‘ [adres 1] [woonplaats] ’. Dit geldt als de dag van bekendmaking van deze uitspraak. Met deze bekendmaking gaat de termijn voor het instellen van hoger beroep lopen.De hogerberoepstermijn is aangevangen op (donderdag) 28 september 2023 en eindigde op (woensdag) 8 november 2023. Het hogerberoepschrift is, gelet op de stempel voor ontvangst, op 28 november 2023 bij de griffie van het hof ontvangen. Dit is na afloop van de hogerberoepstermijn die, gelet op dat wat hiervoor is overwogen, op 8 november 2023 is afgelopen en daarmee is het hogerberoepschrift te laat ingediend. De tegemoetkoming zoals omschreven onder 4.2 is niet van toepassing, aangezien dit stuk meer dan één week na 8 november 2023 is ontvangen.\n\n4.5.. Belanghebbende betoogt dat haar gemachtigde pas op 20 november 2023 kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak, nu deze op 27 september 2023 naar het woonadres van belanghebbende is gestuurd. Naar de mening van belanghebbende is daarmee sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat de uitspraak niet naar het woonadres van belanghebbende is gestuurd, maar naar het postadres van de gemeente [woonplaats] . Vervolgens is de uitspraak door de gemeente [woonplaats] naar het woonadres van belanghebbende doorgestuurd. Hierdoor heeft belanghebbende, alsook haar gemachtigde, pas op 20 november 2023 kennis kunnen nemen van de uitspraak van de rechtbank, aldus belanghebbende.\n\n4.6.. Uit artikel 6:17 Awb volgt dat, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde ter beschikking moeten worden gesteld. Het hof stelt vast dat belanghebbende in haar brief van 31 augustus 2022 aan de rechtbank (zie 2.10) heeft verzocht om als correspondentieadres haar woonadres te hanteren, te weten, ‘ [adres 1] [woonplaats] ’. Het hof acht aannemelijk dat de rechtbank haar uitspraak, conform dit verzoek, heeft toegezonden naar dit adres. De begeleidende brief van de rechtbank vermeldt immers ‘ [adres 1] [woonplaats] ’ als toezendadres. Ook schrijft de gemachtigde van belanghebbende in het hogerberoepschrift dat de uitspraak ‘naar belanghebbende [is] verzonden en naar hun woonadres’ en heeft zij daarbij niet vermeld dat de uitspraak eerst naar de gemeente [woonplaats] is verzonden, terwijl belanghebbende in het hogerberoepschrift wel verzoekt om de te late indiening van het hogerberoepschrift als verschoonbaar aan te merken. Naar het oordeel van het hof had het dan op de weg van belanghebbende gelegen om in het hogerberoepschrift melding te maken van deze omstandigheid. Met hetgeen belanghebbende heeft gesteld en ter zitting heeft verklaard, acht het hof daarom niet aannemelijk dat de uitspraak niet naar het juiste adres is verzonden.\n\n4.7.. De rechtbank heeft door toezending van haar uitspraak aan het woonadres van belanghebbende (op 27 september 2023) voldaan aan de op haar rustende verplichtingen van artikel 6:17 Awb. Het gegeven dat de gemachtigde van belanghebbende pas later kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak van de rechtbank, komt voor risico van belanghebbende. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende zelf, in reactie op het verzoek daartoe van de rechtbank, haar eigen woonadres als correspondentieadres heeft opgegeven. Ook heeft (de gemachtigde van) belanghebbende in alle overige correspondentie aan de rechtbank het woonadres van belanghebbende vermeld als verzendadres. De omstandigheid dat de gemachtigde pas na het verstrijken van de termijn het hogerberoepschrift heeft ingediend vormt daarom niet een gevolg van een haar niet toe te rekenen omstandigheid, zodat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.\n\n4.8.. Uit bovenstaande volgt dat het hogerberoepschrift van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes klachten tegen de uitspraak van de rechtbank.\n\nTussenconclusie\n\n4.9.. De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.10.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.11.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 6:24 Awb.\n\n Artikel 6:8, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.\n\n Artikel 6:9, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.\n\n Artikel 6:9, lid 2, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.3 en 4.3 en Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.3.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.3 en 4.3 en Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.4.\n\n Artikel 6:8, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1433","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.517Z",{"id":183,"ecli":184,"slug":185,"caseNumber":44,"courtId":176,"decisionDate":177,"fullText":186,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":187,"sourceTimestamp":180,"parsedAt":52,"updatedAt":188},"392","ECLI:NL:GHSHE:2026:1458","ecli-nl-ghshe-2026-1458","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 24\u002F1147 t\u002Fm 24\u002F1154\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 juli 2024, nummers BRE 23\u002F1090 t\u002Fm 1093, 23\u002F1095, 23\u002F1097, 23\u002F1098 en 23\u002F1100, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV), alsmede in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en zijn bij beschikkingen vergrijpboetes opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2016 en 2017 gegrond verklaard en de overige bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de boete IB\u002FPVV 2014 en de boete IB\u002FPVV 2016 gegrond verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Op 10 februari 2026 heeft belanghebbende het hof verzocht om uitstel van de zitting. Het hof heeft het verzoek op de hierna onder 4.1 tot en met 4.2 vermelde gronden afgewezen.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende, geboren op [datum] 1947, is alleenstaand. Belanghebbende was gehuwd met mevrouw [naam] . Mevrouw [naam] is op 24 augustus 2004 overleden. Uit het huwelijk zijn vijf kinderen geboren.\n\n2.2.. Belanghebbende exploiteert gedurende meer dan 40 jaar een autosloperij.\n\n2.3.. Op 11 juli 2017 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de woning en het terrein rondom de woning van belanghebbende doorzocht. Daarbij is een bedrag van € 235.715,69 aan contant geld gevonden en sieraden ter waarde van € 29.175. Bij vonnis van 22 juli 2020 van de rechtbank is belanghebbende vrijgesproken van witwassen.Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2014 tot en met 2017 aangiften IB\u002FPVV ingediend. Naar aanleiding van de aangetroffen contante gelden heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat deze gelden inkomen vormen en daarom moeten worden aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Hij heeft het totaalbedrag van € 235.715 over vier belastingjaren verdeeld en voor alle vier de jaren het inkomen uit werk en woning verhoogd. Voor de jaren 2016 en 2017 is eveneens het inkomen uit sparen en beleggen gecorrigeerd.\n\n2.5.. \n\nDe navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.524. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 12.411 en is belastingrente van € 6.206 in rekening gebracht. De navorderingsaanslag Zvw 2014 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 75.461. Daarbij is € 315 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe aanslag IB\u002FPVV 2015 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 108.004. Daarbij is € 405 belastingrente in rekening gebracht. De aanslag Zvw 2015 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 98.048. Daarbij is € 2 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe aanslag IB\u002FPVV 2016 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.969 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.576. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 14.349 en is belastingrente in rekening gebracht van € 4.600. De aanslag Zvw 2016 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 87.213. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 34.\n\nDe aanslag IB\u002FPVV 2017 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.883 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.570. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 8.709 en is belastingrente in rekening gebracht van € 1.484. De aanslag Zvw 2017 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 45.509. Daarbij is € 124 belastingrente in rekening gebracht.\n\n2.6.. De bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2016 en 2017 zijn gegrond verklaard. Voor 2016 is het inkomen uit werk en woning in stand gelaten en is het inkomen uit sparen en beleggen verminderd. De vergrijpboete is in stand gelaten. Voor het jaar 2017 zijn zowel het inkomen uit werk en woning als het inkomen uit sparen en beleggen verminderd, en is de vergrijpboete in zijn geheel vernietigd. De overige bezwaren zijn ongegrond verklaard.\n\n2.7.. Een en ander laat zich - voor wat betreft de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV - als volgt samenvatten.\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nAangegeven belastbaar inkomen box 1\n\n€ 22.177\n\n€ 40.657\n\n€ 31.622\n\n€ 25.209\n\nCorrectie ROW (totaal € 235.715)\n\n€ 67.347\n\n€ 67.347\n\n€ 67.347\n\n€ 33.674\n\nVastgesteld belastbaar inkomen box 1\n\n€ 89.524\n\n€ 108.004\n\n€ 98.969\n\n€ 58.883\n\nAangegeven vermogen box 3\n\n0\n\n0\n\n0\n\n€ 241.889\n\nCorrectie grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n€ 164.402\n\n€ 233.455\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n€ 164.402\n\n€ 475.344\n\nVergrijpboete\n\n€ 12.411\n\ngeen\n\n€ 14.349\n\n€ 8.709\n\nUitspraak op bezwaar\n\nongegrond\n\nongegrond\n\ngegrond\n\ngegrond\n\nBelastbaar inkomen box 1\n\nongewijzigd\n\n€ 50.939\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n€ 113.614\n\n€ 201.451\n\nVergrijpboete\n\nongewijzigd\n\nvernietigd\n\n2.8.. De rechtbank heeft de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2014 verminderd naar een bedrag van € 5.000 en de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 verminderd naar een bedrag van € 6.000. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de boetes verder met 20% verminderd naar respectievelijk € 4.000 en € 4.800. Verder heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot het bedrag van € 1.750 en bepaald dat de inspecteur het griffierecht van, in totaal, € 100 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nHeeft de inspecteur de (navorderings)aanslagen terecht vastgesteld onder toepassing van artikel 27e Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)?\n\nZo ja, is er sprake van een redelijke schatting door de inspecteur?\n\nZo ja, kan belanghebbende een voorziening vormen ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden ter zake van de door justitie in beslag genomen contanten?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en tot gegrondverklaring van zijn bezwaar voor wat betreft de correctie resultaat uit overige werkzaamheden en de daarbij behorende boetes. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. \n\nDe correcties met betrekking tot de grondslag in box 3, en de daarbij behorende belastingrente en boete, zijn niet langer in geschil.\n\n4. Gronden\n\nVooraf\n\n4.1.. Belanghebbende heeft verzocht om uitstel van de zitting van 19 februari 2026 (zie 1.5). Als reden voor het verzoek om uitstel vermeldt belanghebbende dat de verdere behandeling van het hoger beroep in de strafzaak van belanghebbende (zie 2.3) is uitgesteld tot het tweede kwartaal van 2026.\n\n4.2.. Het hof heeft in hetgeen belanghebbende aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat om gewichtige redenen om uitstel is verzocht. Belanghebbende heeft in zijn verzoek weliswaar aangegeven om uitstel te verzoeken “in verband met de eenheid van het vaststellen van de feiten”, maar heeft in zijn hogerberoepschrift verklaard dat “ten aanzien van de feiten geen verschil van mening [bestaat] zoals deze door de rechtbank Breda zijn vastgesteld”. Ook heeft belanghebbende hierin geschreven dat de omvang van de bedragen niet in geschil is. De belastingrechter is voorts niet gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex, noch aan enig oordeel van de strafrechter in die strafzaak. De belastingrechter dient zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil te vormen. Belanghebbende heeft bij zijn verzoek om uitstel ook niet voldaan aan het verzoek om aan te geven op welke data hij wel beschikbaar is voor een zitting. Integendeel, belanghebbende heeft juist verzocht om uitstel voor onbepaalde tijd. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het algemene belang van een doelmatige rechtsgang zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende om uitstel te krijgen tot na zijn strafzitting.\n\nTen aanzien van het geschil\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast\n\n4.3.. Belanghebbende voert voor elk van de jaren aan dat de omkering van de bewijslast te lichtvaardig en willekeurig is toegepast. Er zijn geen structurele negatieve kassen. Belanghebbende stelt dat van het aangetroffen contant geld ter grootte van € 235.715 het bedrag van € 180.101 hem toebehoort. Het restant was van familieleden. Ook stelt belanghebbende dat de aangetroffen contante gelden over een langere periode door hem gespaard zijn en dat deze gelden al in zijn aangiften inkomstenbelasting over eerdere jaren zijn verantwoord.\n\n4.4.. Artikel 27e, lid 1, AWR bepaalt dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep van de belastingplichtige ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het wetsartikel is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.Bij de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast krijgt belanghebbende in plaats van de inspecteur de bewijslast met betrekking tot de hoogte van de aanslag (omkering) en wordt bovendien de bewijslast verzwaard omdat belanghebbende moet doen blijken – dat is overtuigend aantonen – dat, en in hoeverre, de aanslag te hoog is. De vereiste aangifte is, onder andere, niet gedaan indien één of meer gebreken in de aangifte ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, zowel in absoluut als in relatief opzicht. Bij deze beoordeling moeten de normale regels van stelplicht en bewijslast worden toegepast.Een afwijking van 19% dient in ieder geval als ‘verhoudingsgewijs aanzienlijk’ te worden beschouwd.De inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen in het geval dat de belastingplichtige ten tijde van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De bewijslast dat de vereiste aangifte niet is gedaan, rust op de inspecteur.Het hof zal dus allereerst beoordelen of belanghebbende, gelet op dit beoordelingskader, voor de jaren 2014 tot en met 2017 niet de vereiste aangiften heeft gedaan.\n\n4.5.. Het hof stelt vast dat belanghebbende geen afzonderlijke gronden heeft aangevoerd tegen de (navorderings)aanslagen Zvw. Ter zitting hebben partijen ermee ingestemd de (navorderings)aanslagen Zvw te beoordelen in lijn met de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV.\n\nNavorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014\n\n4.6.. Vaststaat dat het bedrag van € 235.715,69 op 11 juli 2017 is aangetroffen op het terrein van belanghebbende rondom de woning. Belanghebbende heeft op verschillende momenten, waaronder ter zitting bij het hof, verklaard dat daarvan een bedrag van € 180.101 hem toebehoort. Belanghebbende stelt dat deze gelden zijn gespaard vanuit maandelijkse kasopnames, bedoeld om huishoudelijke uitgaven van te bekostigen. Na het overlijden van zijn echtgenote in 2004, is belanghebbende minder gaan uitgeven aan zijn huishoudelijke kosten zodat er een groter bedrag kon worden gespaard. Het dossier bevat uiteenlopende verklaringen van belanghebbende omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten.\n\n4.7.. De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2014 geen aangifte heeft gedaan binnen het inkomen uit sparen en beleggen van de contante gelden die bij de doorzoeking bij belanghebbende zijn aangetroffen. Hiermee heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. De met de niet aangegeven contante gelden verschuldigde belasting is zowel absoluut als relatief aanzienlijk. Op basis hiervan moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard.\n\n4.8.. De inspecteur voert aan dat belanghebbende, gelet op zijn verklaringen omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten, op 1 januari 2014 over het bedrag van € 142.251 aan contant gelden beschikte. De inspecteur is bij deze berekening uitgegaan van een gespaard bedrag van € 9.400 per jaar voor de jaren 2014 en 2016 (kasopnames van € 1.000 per maand, verminderd met uitgaven van € 50 per week). Voor 2015 gaat de inspecteur - conform de verklaring van belanghebbende - uit van een kasopname van € 16.000, zodat het gespaarde bedrag voor dit jaar op € 13.400 is berekend. Voor de eerste helft van 2017 berekent de inspecteur het gespaarde bedrag op € 5.650 (de helft van het gespaarde bedrag over 2014 en 2016). Uitgaande van contante gelden op 11 juli 2017 ter grootte van € 180.101 bedraagt het vermogen aan contante gelden op 1 januari 2014 € 142.251, zijnde € 180.101, verminderd met 2 x € 9.400, met € 13.400 en met € 5.650. De inspecteur heeft de verschuldigde inkomstenbelasting in box 3 hierover berekend op het bedrag van € 893.\n\n4.9.. Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs om aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2014, in ieder geval, het bedrag aan contanten van € 142.251 ten onrechte niet als box 3 bezitting in zijn aangifte heeft verwerkt en dat dit heeft geleid tot het niet heffen van IB\u002FPVV voor een bedrag van € 893. Het hof volgt de inspecteur in zijn berekening, nu deze gebaseerd is op verklaringen zoals door belanghebbende - ook ter zitting bij het hof - zijn afgelegd. Naar het oordeel van het hof kan evenwel niet worden gezegd dat het bedrag van € 893 op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag is, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast op basis hiervan niet aan de orde is.\n\n4.10.. De inspecteur heeft subsidiair gesteld dat omkering en verzwaring van de bewijslast kan worden gebaseerd op het niet door belanghebbende aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden. De inspecteur voert aan dat belanghebbende in 2014 een onbekende bron van inkomen moet hebben gehad waaruit hij € 67.347 moet hebben verdiend. Dit bedrag heeft belanghebbende niet in zijn aangifte opgenomen.\n\n4.11.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2014 resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor de periode 2011 tot en met 2018 in het geding ingebracht, waaruit volgens de inspecteur een negatief netto privé blijkt. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat de vermogensvergelijking op onderdelen onjuist is. Ook kon de inspecteur desgevraagd geen toelichting verstrekken op inhoudelijke vragen van het hof over de vermogensvergelijking. Het hof zal daarom geen (voldoende) doorslaggevende betekenis toekennen aan de vermogensvergelijking. De inspecteur heeft overigens ook geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat belanghebbende in 2014 een onbekende bron van inkomen heeft gehad.\n\n4.12.. Nu de bewijslast voor 2014 niet zal worden omgekeerd en verzwaard, en de inspecteur de correctie voor wat betreft het resultaat uit overige werkzaamheden, niet aannemelijk heeft gemaakt, zal het hof het hoger beroep tegen de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014 gegrond verklaren en de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014 vernietigen.\n\nAanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015\n\n4.13.. De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2015 geen aangifte heeft gedaan binnen het inkomen uit sparen en beleggen van de contante gelden die bij de doorzoeking bij belanghebbende zijn aangetroffen. Hiermee heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. De voor de niet aangegeven contante gelden verschuldigde belasting is zowel absoluut als relatief aanzienlijk. Op basis hiervan moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard.\n\n4.14.. De inspecteur voert aan dat belanghebbende, gelet op zijn verklaringen omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten, op 1 januari 2015 over het bedrag van € 151.651 aan contante gelden beschikte. De inspecteur heeft de verschuldigde inkomstenbelasting in box 3 voor het jaar 2015 hierbij berekend op het bedrag van € 1.512 (zie 4.8).\n\n4.15.. Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs om aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2015, in ieder geval, van de contante gelden een bedrag van € 126.041 niet in zijn aangifte heeft verwerkt. Het hof volgt de inspecteur in zijn berekening, nu deze gebaseerd is op verklaringen zoals door belanghebbende - bevestigd ter zitting bij het hof - zijn afgelegd. Naar het oordeel van het hof kan eveneens worden vastgesteld dat het bedrag van € 1.512 op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag is. Van in relatieve zin aanzienlijk zal naar het oordeel van het hof in beginsel eerst sprake zijn bij een percentage van 10% of meer.De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat indien de aangifte IB\u002FPVV 2015 was gevolgd, de verschuldigde belasting voor aftrek van heffingskortingen moet worden berekend op het bedrag van € 9.971. Uitgedrukt in een percentage bedraagt de belasting ter zake van de veronderstelde gebreken in de aangifte ten opzichte van de veronderstelde werkelijk verschuldigde belasting 13,2% (€ 1.512\u002F€ 11.483). Het is een feit van algemene bekendheid dat inkomsten uit sparen en beleggen in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken en daarom moeten worden aangegeven in de aangifte. Doordat belanghebbende dit voor wat betreft zijn (contante) spaargeld niet heeft gedaan moest belanghebbende zich ervan bewust zijn dat daardoor verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelasting niet zouden worden geheven. Het feit dat het hier contante gelden betreft, maakt dit oordeel niet anders.\n\n4.16.. Uit bovenstaande volgt dat de bewijslast voor het jaar 2015 moet worden omgekeerd en verzwaard. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de berekening van de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015 redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van deze aanslagen en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat belanghebbende in staat is opening van zaken te geven. Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten moeten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van het bedrag van de aanslagen redelijk en dus niet willekeurig is. Waar het op aankomt is dat de inspecteur de hoogte van zijn schatting zodanig moet onderbouwen met feitelijke stellingen, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.\n\n4.17.. De inspecteur heeft aangevoerd dat de aangetroffen gelden niet zijn terug te voeren naar één enkele transactie en dat gelet op de hoogte van het bedrag ook niet aannemelijk is dat dit bedrag in één keer is verdiend. De inspecteur heeft daarom aangenomen dat de contanten die op 11 juli 2017 in de woning van belanghebbende zijn aangetroffen gespreid zijn verdiend over 42 maanden (2014, 2015, 2016 en zes maanden in 2017). De inspecteur is daarbij uit gegaan van het bedrag van € 235.715, dat wil zeggen: zonder rekening te houden met de stelling van belanghebbende dat een deel van de gelden niet aan hem toebehoorde.\n\n4.18.. Het hof volgt de inspecteur niet in zijn berekening waar hij uitgaat van het bedrag van € 235.715. In het vonnis van de rechtbank van 22 juli 2020 inzake de strafzaak tegen belanghebbende is vastgesteld dat “van de twee in de jukebox in de woning van verdachte [hof: belanghebbende] gevonden bedragen en de € 41.848,70 in een motorblok in een loods op zijn terrein verdachte niet als eigenaar wordt aangemerkt”. De belastingrechter is echter niet gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex, noch aan enig oordeel van de strafrechter in die strafzaak. De belastingrechter dient zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil te vormen. Wel dient de belastingrechter de Melo Tadeu-jurisprudentie in acht te nemen.Die jurisprudentie houdt kortgezegd in dat de belastingrechter - in het geval er een verband is met een strafzaak - met zijn oordeel en zijn optreden, de motivering van zijn beslissing of de door hem gebruikte bewoordingen geen twijfel doet ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van hetgeen de verdachte in zijn strafzaak werd verweten. Verder geldt dat indien de hoogte van de schatting wordt betwist, aan de belastingrechter de bevoegdheid toekomt de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen.Het hof zal daarom uitgaan van het bedrag van € 180.101 (zie 4.3) en dit bedrag, gelijk de systematiek van de inspecteur, toerekenen over 42 maanden. Dat betekent dat het hof zal beslissen dat belanghebbende in 2015 een resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald voor het bedrag van € 51.457 (te weten: € 180.101 gedeeld door 42 maanden en vermenigvuldigd met 12 maanden). Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur voor het overige voldoende aanknopingspunten verschaft waaruit is af te leiden dat zijn berekeningen van de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015 redelijk en dus niet willekeurig zijn.\n\n4.19.. Op belanghebbende rust vervolgens de last te doen blijken - dat willen zeggen overtuigend aantonen - dat dit bedrag aan geschat inkomen onjuist is. Belanghebbende heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat:\n\nde aangetroffen gelden over een langere periode door belanghebbende zijn gespaard vanuit kasopnames, bestemd voor huishoudelijke uitgaven; en\n\nde aangetroffen gelden reeds in de aangiften IB\u002FPVV over eerdere belastingjaren waren opgenomen.\n\n4.20.. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft gesteld, niet overtuigend aangetoond dat de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015, na vermindering door het hof (zie 4.18), te hoog zijn. Belanghebbende heeft wisselende verklaringen afgelegd met betrekking tot de vraag op welke wijze de aangetroffen gelden zijn verkregen. Ook ter zitting heeft belanghebbende hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Zelfs in het geval het hof uitgaat van de voor belanghebbende meest gunstige verklaring, tellen de alsdan maandelijks gespaarde bedragen niet op tot € 180.101. Ook heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk kunnen maken waaruit de conclusie kan worden getrokken dat een deel van de aangetroffen gelden aan anderen dan belanghebbende toebehoorden, dan wel dat de aangetroffen gelden reeds eerder in de aangifte IB\u002FPVV zijn opgenomen.\n\n4.21.. Voor het geval de correctie met betrekking tot het resultaat uit overige werkzaamheden door het hof in stand wordt gelaten, heeft belanghebbende in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat voor het door justitie in beslag genomen bedrag aan contanten ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden een voorziening kan worden gevormd. De inspecteur voert aan dat het vermogensverlies definitief wordt in het jaar waarin de verbeurdverklaring onherroepelijk is. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat op de balansdatum sprake is van een redelijke mate van zekerheid dat de strafrechter op vordering van het Openbaar Ministerie zou beslissen tot verbeurdverklaring van het in beslag genomen vermogensbestanddeel dan wel een ontneming en dat deze beslissing in rechte zou standhouden. Bovendien staat artikel 3.14, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 aftrek van dergelijke kosten niet toe, aldus de inspecteur.\n\n4.22.. Het hof stelt vast dat de aangetroffen gelden eerst in juli 2017 in beslag zijn genomen. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat er reeds in 2015 een redelijke mate van zekerheid bestond dat de gelden in beslag zouden worden genomen. Integendeel, in 2015 beschikte belanghebbende nog over de gelden en er is van geen indicatie gebleken dat die gelden in beslag zouden worden genomen. De stelling van belanghebbende faalt daarom.\n\n4.23.. Uit bovenstaande volgt dat het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2015 nader zal vaststellen op het bedrag van € 51.457. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 92.114, zijnde het hiervoor genoemde bedrag van € 51.457 en het reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag van € 40.657. Het voorgaande heeft geen gevolgen voor de aanslag Zvw 2015, nu het hof het bijdrage-inkomen van belanghebbende voor dit jaar op het bedrag van € 82.158 berekenten de inspecteur reeds een aanslag had opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen van € 51.976.\n\nAanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2016\n\n4.24.. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2016 ten bedrage van € 4.544 is in hoger beroep niet langer in geschil. Belanghebbende heeft in 2016 ten onrechte geen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in zijn aangifte aangegeven. Over het in de aanslag IB\u002FPVV 2016 in aanmerking genomen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is een bedrag van € 1.363 aan IB\u002FPVV verschuldigd. De inspecteur heeft verder onweersproken gesteld dat indien de aangifte IB\u002FPVV 2016 was gevolgd, de verschuldigde belasting voor aftrek van heffingskortingen moet worden berekend op het bedrag van € 6.347. Uitgedrukt in een percentage bedraagt de belasting ter zake van de veronderstelde gebreken in de aangifte ten opzichte van de veronderstelde werkelijk verschuldigde belasting 17,6% (€ 1.363\u002F€ 7.710). Het niet in de aangifte vermelden van deze inkomsten, mede gelet op de omvang daarvan, ten tijde van het doen van de aangiften leidt tot het oordeel dat belanghebbende zich ervan bewust was, althans zich ervan bewust moet zijn geweest, dat als gevolg daarvan verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelasting niet zouden worden geheven (zie 4.15). Hieruit volgt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan.\n\n4.25.. Uit bovenstaande volgt dat de bewijslast voor het jaar 2016 moet worden omgekeerd en verzwaard. Het hof zal het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2016 vaststellen op het bedrag van € 51.457 en acht de schatting voor het jaar 2016 niet willekeurig en onredelijk. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft gesteld, niet overtuigend aangetoond dat de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2016, na vermindering door het hof, te hoog zijn. Het hof verwijst ter motivering van het voorgaande naar rechtsoverwegingen 4.17 tot en met 4.20.\n\n4.26.. Ook het standpunt van belanghebbende, inhoudende dat hij een voorziening kan vormen in 2016 voor het door justitie in beslag genomen bedrag aan contanten, faalt om redenen als genoemd in rechtsoverweging 4.22.4.27.. Uit bovenstaande volgt dat het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2016 nader zal vaststellen op het bedrag van € 51.457. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 83.079, zijnde het hiervoor genoemde bedrag van € 51.457 en het reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag van € 31.622. Het voorgaande heeft geen gevolgen voor de aanslag Zvw 2015, nu het hof het bijdrage-inkomen van belanghebbende voor dit jaar op het bedrag van € 71.323 berekenten de inspecteur reeds een aanslag had opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen van € 52.763.\n\nAanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017\n\n4.28.. De inspecteur stelt dat belanghebbende door het niet aangeven van het resultaat uit overige werkzaamheden ter grootte van € 33.674, alsmede het niet (tot het juiste bedrag) vermelden van de contante gelden zich ten tijde van het doen van de aangifte ervan bewust had moeten zijn dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting niet zou worden geheven. Dit is in relatieve en absolute zin aanzienlijk, aldus de inspecteur.\n\n4.29.. Het staat vast dat het werkelijk belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, na bezwaar, lager is dan door belanghebbende vermeld in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017. In zoverre kan de omkering en verzwaring van de bewijslast reeds hierom niet daarop worden gebaseerd. Ook de stelling van de inspecteur dat de omkering en verzwaring moet worden gebaseerd op het niet-aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden faalt. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2017 resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor de periode 2011 tot en met 2018 in het geding ingebracht, waaruit volgens de inspecteur een negatief netto privé blijkt. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat de vermogensvergelijking op onderdelen onjuist is. Ook kon de inspecteur desgevraagd geen toelichting verstrekken op inhoudelijke vragen van het hof over de vermogensvergelijking. Het hof zal daarom geen (voldoende) doorslaggevende betekenis toekennen aan de vermogensvergelijking. De inspecteur heeft overigens ook geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat belanghebbende in 2017 een onbekende bron van inkomen heeft gehad.\n\n4.30.. Gelet op het bovenstaande zal het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor 2017 nader vaststellen op nihil. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 25.209, zijnde de reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde belastbare winst uit onderneming (€ 11.835), ontvangen AOW (€ 14.754) en saldo inkomsten eigen woning (-\u002F- € 1.380). Het hof zal de aanslag Zvw 2017 verminderen naar een bijdrage-inkomen van € 11.835.\n\nBoeten\n\n4.31.. De correctie ten aanzien van het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2014 - dat tevens de grondslag voor de boete vormt - zal door het hof worden vernietigd (zie 4.11 en 4.12). Als gevolg daarvan zal het hof de vergrijpboete voor het jaar 2014 eveneens vernietigen.4.32.. Voor zover de boete ziet op het niet door belanghebbende in de aangifte IB\u002FPVV 2016 vermelde belastbaar inkomen uit sparen en beleggen - € 681 (zijnde 50% van € 1.363) - wordt deze door belanghebbende in hoger beroep niet bestreden. Voor het overige ziet de boete op het door belanghebbende niet vermelde resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank heeft de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 verminderd naar een bedrag van € 6.000. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de boete verder met 20% verminderd naar respectievelijk € 4.800. Het hof ziet aanleiding om de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 verder te verminderen naar een bedrag van € 4.500 wegens de vermindering van het resultaat uit overige werkzaamheden. Het hof zal de boete verminderen met 20% tot het bedrag van € 3.600 vanwege overschrijding van de redelijke termijn.\n\nTussenconclusie\n\n4.33.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.34.. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.35.. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.\n\n4.36.. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten)x € 934 (waarde per punt) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 2.802.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over de vergoeding van de proceskosten en griffierechten;\n\nverklaart de beroepen bij de rechtbank gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar, met uitzondering van de beslissingen met betrekking tot de aanslagen Zvw 2015 en Zvw 2016;\n\nvernietigt de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 en de navorderingsaanslag Zvw 2014, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven rentebeschikkingen;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2015 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 92.114 en wijzigt de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2016 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 83.079 en wijzigt de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 naar een bedrag van € 3.600;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2017 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 25.209 en wijzigt de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aanslag Zvw 2017 naar een bijdrage-inkomen van € 11.835;\n\nvernietigt de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2017;\n\nbepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;\n\nveroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 2.802.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, M.E. Smorenburg en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe uitspraak is alleen ondertekend door M.E. Smorenburg, aangezien de voorzitter en de griffier zijn verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De oudste raadsheer,\n\nM.M. Stassen-Kanters M.E. Smorenburg\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 juli 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:3258.\n\n € 235.715 gedeeld door 42 (drie-en-een-half jaar) maal twaalf.\n\n Artikel 27h, lid 2, AWR.\n\n Hoge Raad 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8731.\n\n Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.\n\n Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.2.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3001, r.o. 4.4.4.\n\n Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140.\n\n Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9047.\n\n Belastbare winst uit onderneming van € 30.701, zoals volgend uit de aangifte, vermeerderd met het resultaat uit overige werkzaamheden van € 51.457.\n\n Belastbare winst uit onderneming van € 19.866, zoals volgend uit de aangifte, vermeerderd met het resultaat uit overige werkzaamheden van € 51.457.\n\n Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1458","2026-07-13T00:28:27.466Z",{"id":190,"ecli":191,"slug":192,"caseNumber":44,"courtId":176,"decisionDate":193,"fullText":194,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":195,"sourceTimestamp":193,"parsedAt":52,"updatedAt":196},"424","ECLI:NL:GHSHE:2026:1278","ecli-nl-ghshe-2026-1278","2026-05-20T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 25\u002F834\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van\n\n24 maart 2025, nummer BRE 24\u002F2629, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en [persoon] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland.\n\n2.2.. Van 18 oktober 2005 tot 2 juni 2022 heeft belanghebbende in loondienst gewerkt voor [bedrijf groep] , waarbij achtereenvolgens als werkgever optraden [bedrijf 1] (van 18 oktober 2005 tot 2 augustus 2013), [bedrijf 2] Luxembourg branch (van 2 augustus 2013 tot 30 september 2018) en [bedrijf 3] (van 1 oktober 2018 tot 2 juni 2022).\n\n2.3.. \n\nGedurende de twee laatstgenoemde dienstverbanden waren [bedrijf 2] ,\n\nLuxembourg branch, respectievelijk [bedrijf 3] inhoudingsplichtige voor de Nederlandse loonbelasting.\n\n2.4.. Tot 1 september 2017 was belanghebbende verplicht sociaal verzekerd in Luxemburg. In dat kader nam hij verplicht deel aan de Luxemburgse pensioenregeling bij Caisse nationale d'assurance pension (hierna: CNAP). De werkgever betaalde de ene helft van de premies, de andere helft van de premies kwam voor rekening van belanghebbende als werknemer.\n\n2.5.. Vanaf 1 september 2017 is belanghebbende verplicht sociaal verzekerd in Nederland en daarom vanaf die datum premieplichtig in Nederland. Op 31 augustus 2017 eindigde derhalve de verplichte sociale verzekering in Luxemburg en daarmee ook de onder 2.4 genoemde inhouding van de werkgever- en werknemersbijdragen op het loon van belanghebbende. [bedrijf 2] , Luxembourg branch heeft belanghebbende geïnformeerd over de mogelijkheid om in Luxemburg pensioenpremies te blijven voldoen en schrijft daarover het volgende:\n\n“It came to our knowledge that there is a possibility for you to continue paying pension funds in Luxembourg, even though you have been disaffiliated as per August the 31st, 2017.\n\nThe system is based on a voluntary applicationwhich all of you can make, if you are interested in continuing to contribute for pension funds in Luxembourg and it can be done retrospectively to September the 1st, 2017.\n\n(…) the company has decided to participate in contributing pension funds in Luxembourg, for those who wish to apply for it. The maximum proportion of the cost which the company can offer is 8% of your total gross salary, such as we've contributed for you during your affiliation in Luxembourg the years before.\n\n(…)\n\nPlease note that this application is an exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution; the invoice has to be entirely paid by the employee and only if the employee provides a copy of the invoice, the company will be able to reimburse the corresponding part of the cost (which can only be maximum half of the amount - 8% of your total gross salary).\n\nAs mentioned here above, the company is willing to meet you in case if your country of affiliation offers you a less favorable pension scheme than provided by the Luxembourgish public pension institution BUTit is solely up to you, whether to decide to subscribe to the voluntary continuation of pension contributions in Luxembourg or not.”\n\n2.6.. Belanghebbende heeft ervoor gekozen om na 1 september 2017 door te gaan met het betalen van pensioenpremies in Luxemburg. Hij betaalt die premies van zijn privébankrekening aan Centre Commun de la Sécurité Sociale (CCSS), gevestigd te Luxemburg. Belanghebbende heeft in het jaar 2020 in totaal een bedrag van € 14.830 betaald aan CCSS.\n\n2.7.. Belanghebbende heeft in 2020 van [bedrijf 3] elke maand een bedrag van € 1.361,83 bruto ontvangen, aangeduid op de loonstroken als ‘pension contribution’.\n\nDaarover schrijft [bedrijf 3] aan belanghebbende:\n\n“If you are making pension contributions to LUX pension CCSS.\n\nOn your payslips (…) you will see a new Gross amount. This is due to the fact that [bedrijf 4] decided to put your pension contributions on your payslip and not pay them separately into your personal bankaccounts (…).”\n\n2.8.. Volgens de gerenseigneerde loongegevens heeft belanghebbende in 2020 van [bedrijf 3] een fiscaal loon ontvangen van in totaal € 82.625, waarvan € 16.332 aan pension contributions.\n\n2.9.. In de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2020 heeft belanghebbende in de rubriek ‘loon, uitkering ZW en andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking’ onder meer het van [bedrijf 3] ontvangen bedrag van € 82.625 aangegeven en verder een negatieve post opgenomen van € 7.415 met de omschrijving ‘betaalde pensioenpremie CCSS Luxemburg’.\n\n2.10.. De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2020 van de aangifte afgeweken. Hij heeft het door belanghebbende in zijn aangifte opgenomen negatieve bedrag van € 7.415 in de aanslag IB\u002FPVV 2020 niet in aftrek van het box 1-inkomen toegelaten.\n\n2.11.. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.708. Tevens is bij beschikking € 348 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een aftrek van het inkomen uit werk en woning voor het gedeelte van de door hem aan CCSS betaalde premies, dat niet door zijn werkgever is vergoed.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vermindering van het inkomen uit werk en woning met € 7.415 tot € 77.293. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Het hof stelt voorop dat belanghebbende heeft verzocht om aftrek tot een bedrag van € 7.415. Dat bedrag betreft het saldo van de totaal door belanghebbende in 2020 aan CCSS betaalde premies van € 14.830, verminderd met het bedrag dat belanghebbende van [bedrijf 3] heeft ontvangen als ‘pension contributions’ na aftrek van de daarover ingehouden loonheffingen. Partijen zijn het erover eens dat het van [bedrijf 3] ontvangen brutobedrag van € 16.332 correspondeert met een netto bedrag van € 7.415, welk bedrag vergelijkbaar is met de hoogte van de werkgeversbijdrage van de verplichte pensioenbijdragen aan CNAP van voor 1 september 2017.\n\n(Negatief) loon?\n\n4.2.. Het hof zal, gelijk de rechtbank heeft gedaan, eerst stilstaan bij de vraag of de ‘pension contributions’ die belanghebbende van zijn werkgever heeft ontvangen, terecht tot het belastbaar loon zijn gerekend. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende geoordeeld:\n\n“Belastbaar loon5.1.. \n\nDe rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat de inspecteur voor wat betreft de\n\nhoogte van het belastbaar inkomen uit arbeid in de aanslag is uitgegaan van door hem\n\nontvangen gerenseigneerde loongegevens. Dat acht de rechtbank als uitgangspunt juist. De\n\nvergoeding die belanghebbende van zijn werkgever ontving, betreft een geldelijke\n\nvergoeding voortkomend uit dienstverband die belanghebbende heeft aangewend voor een\n\nvrijwillige voortzetting van de voormalige CNAP-regeling bij het CCSS in Luxemburg.\n\nOmdat die vergoeding door de werkgever aan belanghebbende in geld is uitgekeerd en door\n\nbelanghebbende zelf en vrijwillig is aangewend om betalingen aan een door hem in privé\n\novereengekomen verzekering te voldoen, is geen sprake van ‘inhouding’ van\n\npensioenpremies door de werkgever, of van een ‘aanspraak’ ingevolge een\n\npensioenregeling.1 Dat betekent dat belanghebbende in dat kader van zijn werkgever geen\n\nvan de loonbelasting vrijgesteld loon heeft ontvangen. De inspecteur heeft het belastbaar\n\nloon van belanghebbende daarom niet tot een te hoog bedrag in de aanslag IB\u002FPVV 2020\n\nbetrokken.\n\nOnder vermelding van voetnoot 1:\n\nZoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder c en j, van de Wet op de Loonbelasting 1964. In\n\nafwijking van de hoofdregel van artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in\n\ncombinatie met artikel 10, eerste en tweede lid van de Wet op de Loonbelasting 1964.”\n\nHet hof acht dit oordeel van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.\n\n4.3.. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting het voor zijn rekening gebleven deel van de aan CCSS betaalde premies als negatief loon in mindering gebracht op zijn inkomen uit werk en woning.\n\n4.4.. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van negatief loon. Het is belanghebbende die in privé de verzekering heeft afgesloten bij CCSS. De werkgever omschrijft het als een “exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution” (zie 2.5). Anders dan voorheen bij CNAP, is belanghebbendes werkgever geen partij bij de door belanghebbende met CCSS afgesloten verzekeringsovereenkomst. Belanghebbende heeft zichzelf op vrijwillige basis verbonden aan de deelname aan de pensioenverzekering bij CCSS. De aanspraak op uitkeringen die hij daarmee verkrijgt is geen aanspraak op pensioen als bedoeld in artikel 18 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), in verband waarmee de uitkeringen niet zijn aan te merken als loon in de zin van die wet. Derhalve houdt de premie die belanghebbende aan de pensioenverzekering heeft betaald onvoldoende verband met zijn dienstbetrekking om als negatief loon te kunnen worden aangemerkt.\n\n4.5.. De stelling van belanghebbende dat geen sprake is van een willekeurig gekozen verzekering, maar dat een en ander in het verlengde ligt van de voor 1 september 2017 verplichte sociale verzekering via CNAP in Luxemburg (zie onder 4.1 hiervoor), maakt het voorgaande, wat er ook van deze stelling zij, niet anders.\n\n4.6.. Belanghebbende stelt verder nog dat de werkgever en werknemer pensioen zijn overeengekomen. Voor zover belanghebbende hiermee heeft bedoeld te stellen dat de werkgever een pensioentoezegging heeft gedaan aan belanghebbende, is die stelling niet aannemelijk gemaakt. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken valt niet op te maken dat de werkgever aan belanghebbende een pensioentoezegging heeft gedaan (namelijk dat sprake is van pensioenopbouw via de werkgever), maar juist dat de werkgever een vergoeding betaalt voor de door belanghebbende zelf in privé afgesloten pensioenverzekering bij CCSS. Een vergoeding betalen is iets anders dan een pensioentoezegging doen.\n\n4.7.. De verwijzing van belanghebbende naar het vraag-en-antwoordbesluit, gepubliceerd op 11 december 2019 met de titel “V&A 19-010 Behandeling van door werknemers betaalde pensioenpremie aan een beroepspensioenfonds in de aangifte inkomstenbelasting”, wordt door het hof verworpen. Dit besluit ziet namelijk op werknemers die deelnemen aan de pensioenregeling van een beroepspensioenfonds en zelf de pensioenpremie aan dat fonds betalen. De situatie van belanghebbende valt niet onder de reikwijdte van dit besluit, alleen al omdat de pensioenregeling van belanghebbende bij CCSS niet blijft binnen de grenzen die zijn opgenomen in hoofdstuk IIB en VIII van de Wet LB en de daarop gebaseerde regelgeving, zie onder 4.2 en 4.4 hiervoor. In het besluit wordt in dat kader ook verwezen naar het door het hof in 4.4 aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 26 november 2010.\n\nUitgave voor inkomensvoorzieningen (premie voor lijfrente)?4.8.. De volgende vraag waarvoor het hof zich geplaatst ziet is of belanghebbende de premies in aftrek kan brengen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:\n\n“5.2. De rechtbank begrijpt het betoog van belanghebbende verder zo dat de betalingen\n\naan het CCSS als uitgaven voor inkomensvoorziening in mindering op zijn box 1-inkomen\n\nmoeten worden gebracht als aftrekbare premies voor lijfrente. In dat kader rust op belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken dat de betalingen kwalificeren als\n\npremies voor lijfrente als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001,\n\nen dat die premies dienen ter compensatie van een pensioentekort2. Aan die bewijslast heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Aan de hand van hetgeen\n\nbelanghebbende heeft gesteld en de stukken die hij heeft overgelegd, kan namelijk niet de\n\nconclusie worden verbonden dat de premies aan de definitiebepaling van lijfrente voldoen.\n\nBelanghebbende heeft daar mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur\n\nonvoldoende voor gesteld noch met concrete verifieerbare stukken zijn stellingen in dat\n\nkader onderbouwd. Dat betekent dat reeds om die reden belanghebbende de betaalde bedragen aan het CCSS niet als inkomensvoorziening in mindering op zijn box 1-inkomen\n\nkan brengen.\n\nOnder vermelding van voetnoot 2:\n\nZie de voorwaarden van artikel 3.124 eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001.”\n\nHet hof acht dit oordeel van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.\n\n4.9.. Belanghebbende heeft verder gesteld dat sprake is van strijd het Europees recht, waaronder diverse artikelen uit het Europees verdrag voor de rechten van de Mens en het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:\n\n“Europees discriminatieverbod5.4.. \n\nBelanghebbende betoogt verder dat de minister een onderscheid maakt door alleen\n\nsommige buitenlandse pensioenverzekeraars als toegelaten pensioenstellingen in de zin van\n\nartikel 3.126 van de Wet IB 2001 aan te merken5. Dat onderscheid is volgens belanghebbende discriminerend en strijdig met het Unierecht. De rechtbank komt aan een\n\ninhoudelijke beoordeling van deze stelling niet toe, reeds omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betalingen aan het CCSS in zijn geval kwalificeren als\n\npremies voor lijfrente in de zin van artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001.\n\nDat betekent dat het beroep van belanghebbende in zoverre dus ook niet kan slagen.\n\nOnder vermelding van voetnoot 5:\n\nArtikel 3.126, derde lid, van de Wet IB 2001 in combinatie met artikel 14 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.”\n\nHet hof acht dat oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.\n\n4.10.. Over klachten die zich richten tegen de wettelijke regeling als zodanig kan het hof zich niet uitlaten, omdat de rechter niet bevoegd is de innerlijke waarde en billijkheid der wet te beoordelen. Dat volgt uit artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk.\n\n4.11.. Belanghebbende is het verder niet eens met het oordeel van de rechtbank over het vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft dienaangaande als volgt geoordeeld:\n\n“Vertrouwensbeginsel5.5.. \n\nOok de beroepsgrond van belanghebbende dat het vertrouwensbeginsel is\n\ngeschonden omdat de inspecteur de ingediende aangiften van belanghebbende in andere\n\njaren wel heeft gevolgd en alleen voor het jaar 2020 is afgeweken, slaagt niet. Voor in\n\nrechte te beschermen gewekt vertrouwen als hier bedoeld, is meer vereist dan de enkele\n\nomstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag\n\nop een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. Dat sprake is van bijkomstige omstandigheden die leiden tot gewekt vertrouwen, is echter niet aannemelijk geworden.”\n\nHet hof acht dit oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.\n\n4.12.. Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat het niet in aftrek toestaan van de premies leidt tot een buitensporige last en potentieel dubbele heffing omdat hij deze stelling niet nader heeft onderbouwd.\n\n4.13.. Al hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft gesteld, leidt het hof niet tot een ander oordeel.\n\n4.14.. Voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op de door hem gevraagde aftrek van aan CCSS betaalde premies.\n\nTussenconclusie\n\n4.15.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.16.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.17.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door M.H. van Schaik, voorzitter, J.M. van der Vegt en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE. Royakkers M.H. van Schaik\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Hoge Raad 26 november 2010, ECLI:NL:2010:BM9268.\n\n Zie voetnoot 1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1278","2026-07-13T00:28:29.177Z",{"id":198,"ecli":199,"slug":200,"caseNumber":44,"courtId":176,"decisionDate":193,"fullText":201,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":202,"sourceTimestamp":193,"parsedAt":52,"updatedAt":203},"425","ECLI:NL:GHSHE:2026:1283","ecli-nl-ghshe-2026-1283","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F866\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] (Frankrijk),\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 3 juni 2024, nummer BRE 23\u002F10151, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) over het jaar 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur] .\n\n1.7.. Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan. Het hof heeft partijen daarna schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.\n\n1.8.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen is verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak is geplaatst.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende woonde in het jaar 2019 in Frankrijk.\n\n2.2.. Belanghebbende heeft in 2019 onder meer een pensioenuitkering van Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP) ontvangen van € 22.766.\n\n2.3.. De Franse belastingautoriteiten hebben op 22 september 2022 een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2019 vastgesteld (hierna: de Franse aanslag). Daarbij is de gehele pensioenuitkering van € 22.766 in de heffing betrokken, conform de door belanghebbende aldaar gedane aangifte.\n\n2.4.. De inspecteur heeft op 7 oktober 2022 de aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2019 opgelegd (hierna: de aanslag), waarbij de pensioenuitkering voor de helft (€ 11.383) in de heffing is betrokken, conform het door belanghebbende in de aangifte aangegeven bedrag.\n\n2.5.. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur, aan de hand van een door belanghebbende overgelegd diensttijdoverzicht, de pensioenuitkering op een tijdsevenredige basis tot een bedrag van € 11.169 (49,06%) in de heffing betrokken. Uit het diensttijdoverzicht volgt dat de pensioenuitkering voor een deel toerekenbaar is aan een publiekrechtelijke arbeidsverhouding (1 augustus 1984 tot 1 augustus 1996) en voor het overige aan een privaatrechtelijke arbeidsverhouding (1 augustus 1996 tot 1 februari 2009).\n\n2.6.. Belanghebbende heeft in zijn brief van 28 november 2024 aan de Franse belastingautoriteiten gevraagd om vermindering van zijn Franse aanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 2019 tot en met 2022, vanwege de dubbele belasting van een deel van zijn pensioenuitkeringen. Namens de directeur Overheidsfinanciën van het departement Nièvre is in een brief van 17 maart 2025 aan belanghebbende onder meer het volgende medegedeeld:\n\n“Berekening van de door aangeleverde indeling. U bent immers de enige die de herkomst van uw pensioenuitkeringen kent.\n\nBij het bestuderen van uw dossier bleek dat het publiekrechtelijke pensioen is vrijgesteld in Frankrijk, maar dat er rekening mee gehouden moet worden bij de berekening van het belastingtarief dat van toepassing is op andere inkomsten van de fiscale huishouding (het effectieve tarief).\n\n(…)\n\nDe indeling van het pensioen in publiekrechtelijk en privé is uw taak.\n\nOmdat de genoemde rubrieken bij de Franse aangifte inkomstenbelasting niet juist waren ingevuld, is uw publiekrechtelijke pensioen dat normaliter in Frankrijk is vrijgesteld foutief aangeslagen. Ik wijs u er nogmaals op dat de posten die zijn meegenomen in uw aangifte van inkomsten onder uw verantwoordelijkheid vallen en niet onder die van de Franse Belastingdienst. U bent verplicht om een en ander goed na te kijken en om wijzigingen aan te brengen als dat nodig is.\n\nVoor het jaar 2019 (IR 2020) is de bezwaardatum verlopen op 31 december 2022 en voor het jaar 2020 (IR 2021), is de bezwaartermijn verlopen op 31 december 2023. Dientengevolge kan uw bezwaar van 28 november 2024 niet in uw voordeel beantwoord worden. (…)”\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nI. Heeft de inspecteur de aanslag tijdig opgelegd?\n\nII. Heeft de inspecteur de pensioenuitkering terecht voor een deel in de Nederlandse heffing betrokken?\n\nIII. Indien vraag II bevestigend moet worden beantwoord: heeft de inspecteur de pensioenuitkering voor het juiste deel in de Nederlandse heffing betrokken?\n\nIV. Indien vraag II bevestigend moet worden beantwoord: kan belanghebbende een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel doen?\n\nV. Dient de inspecteur een overlegprocedure te starten met de Franse belastingautoriteiten om een oplossing te vinden voor alle emigranten die in dezelfde situatie al belanghebbende verkeren?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag door vermindering van het bedrag van de pensioenuitkering dat in de Nederlandse heffing wordt betrokken tot nihil, of subsidiair om dat bedrag te verlagen tot € 6.835. De inspecteur concludeert dat bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\nI. Heeft de inspecteur de aanslag tijdig opgelegd?\n\n4.1.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur te lang heeft gewacht met het opleggen van de aanslag. De inspecteur heeft geen rekening gehouden met de omstandigheid dat belanghebbende in Frankrijk ook tijdig aangifte moest doen. Belanghebbende heeft moeten wachten met het doen van aangifte in Frankrijk totdat de Nederlandse aanslag was opgelegd, zodat hij een boete heeft gekregen voor het te laat doen van aangifte in Frankrijk. Daar komt bij dat de aanslag pas is opgelegd nadat de Franse aanslag al was opgelegd, zodat de inspecteur zijn voorkeursrecht, dat in artikel 19, lid 1, van het Belastingverdrag Nederland-Frankrijk van 16 maart 1973 (hierna: het Verdrag)is vastgelegd, heeft verspeeld.\n\n4.2.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur tijdig, en dus niet te laat, de aanslag heeft opgelegd. De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt na drie jaren na het einde van het belastingjaar.In dit geval was de inspecteur dus tot en met 31 december 2022 bevoegd om de aanslag vast te stellen, zodat de aanslag op 7 oktober 2022 tijdig is vastgesteld. Dat belanghebbende ook in Frankrijk tijdig aangifte moest doen, maakt het voorgaande niet anders. Verder is er op grond van het Verdrag geen sprake van een voorkeursrecht, zoals belanghebbende betoogt, maar een verdeling van heffingsbevoegdheden tussen de landen. Dat de Franse aanslag inkomstenbelasting al was opgelegd, leidt er op zichzelf bezien dus niet toe dat de inspecteur geen aanslag meer mocht vaststellen.\n\nII. Heeft de inspecteur de pensioenuitkering terecht voor een deel in de Nederlandse heffing betrokken?\n\n4.3.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat de gehele pensioenuitkering al in Frankrijk belast was. Bovendien geeft het Verdrag niet de mogelijkheid om de pensioenuitkering te splitsen in een publiekrechtelijk en privaatrechtelijk deel. Dit standpunt wordt door de Franse inspecteur bevestigd, aldus belanghebbende.\n\n4.4.. Het hof overweegt dat de pensioenuitkering op grond van nationale wetgeving deel uitmaakt van het belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland.Nederland is verder op grond van het Verdrag bevoegd om belasting te heffen over het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering.Dit deel van de pensioenuitkering dient op grond van datzelfde Verdrag in Frankrijk te worden vrijgesteld van inkomstenbelasting.Dat dit laatste niet gebeurd is, doet niet af aan de bevoegdheid van Nederland om over het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering te heffen. De grond slaagt daarom niet. Het hof merkt daarbij overigens nog op dat ook de Franse belastingautoriteiten ervan uitgaan dat op grond van het Verdrag het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering in Nederland belast mag worden, en dat het in Frankrijk wordt vrijgesteld. Dit volgt namelijk uit de onder 2.6 van deze uitspraak geciteerde passages uit de brief van 17 maart 2025.\n\nIII. Omdat vraag II bevestigend moet worden beantwoord: heeft de inspecteur de pensioenuitkering voor het juiste deel in de Nederlandse heffing betrokken?\n\n4.5.. Belanghebbende stelt dat, als het Verdrag een splitsing van het pensioen toelaat, deze splitsing niet op de door de inspecteur gebruikte tijdsevenredige basis mag worden gemaakt, omdat een tijdsevenredige toedeling alleen past bij een pensioen dat volledig op eindloon is gebaseerd. Hij wijst daarbij op het feit dat zijn pensioenrechten tot 1 januari 2004 werden opgebouwd op basis van een eindloonregeling en vanaf 1 januari 2004 tot 1 februari 2009 op basis van een middenloonregeling. Belanghebbende stelt dat hij over die laatste periode zodanig veel pensioen heeft opgebouwd dat van zijn totale pensioen slechts 30% aan het publiekrechtelijke deel van zijn loopbaan is toe te rekenen.\n\n4.6.. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat bij de splitsing van het pensioen het deel dat is opgebouwd in de jaren dat een middenloonregeling gold bij voorkeur wordt bepaald op het daadwerkelijk in die jaren opgebouwde pensioen. Naar het oordeel van het hof brengt dat met zich dat het op de weg van belanghebbende ligt om aannemelijk te maken dat en hoeveel pensioen hij vanaf 1 januari 2004 heeft opgebouwd. Belanghebbende heeft immers de bewijslast, omdat hij zich beroept op een vermindering van de volgens nationale wetgeving toegestane heffing en alleen hij (en zijn pensioenuitvoerder) (kunnen) beschikken over de voor de berekening benodigde gegevens. Belanghebbende heeft echter slechts een benaderende becijfering gegeven die niet is onderbouwd met stukken en waarbij ten onrechte geen rekening is gehouden met de loonsverhogingen van belanghebbende in de periode van 1 augustus 1996 tot 1 januari 2004. Met deze benaderende becijfering heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 1 januari 2004 meer dan tijdsevenredig pensioen heeft opgebouwd. Belanghebbende heeft niet betwist dat, als het pensioen tijdsevenredig moet worden gesplitst, de inspecteur deze splitsing correct heeft becijferd. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur de pensioenuitkering dan ook voor het juiste deel in de heffing betrokken.\n\nIV. Omdat vraag II bevestigend moet worden beantwoord: kan belanghebbende een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel doen?\n\n4.7.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur de verwachting heeft geschept dat hij rekening zou houden met het deel van de pensioenuitkering dat al in Frankrijk in de heffing betrokken was, in die zin dat hij dit deel dan niet in de Nederlandse belastingheffing zou betrekken. De inspecteur heeft namelijk zelf om de Franse aanslag gevraagd. Belanghebbende wijst daarbij op de volgende passage uit een brief van de inspecteur van 15 september 2022:\n\n“In uw mail van 27 juli 2022 vraagt u het volgende:\n\nOnlangs heb ik de jaaropgaven van het ABP (2019, 2020 en 2021, zie bijlage 2) overgelegd aan de Franse Belastingdienst. Er is nu risico dat het 'ambtenarendeel' dubbel belast gaat worden.\n\nIk zal het erg op prijs stellen als u met dit gegeven rekening houdt bij het vaststellen van mijn belastbaar inkomen over 2019, 2020 en 2021.\n\nAntwoord:\n\nZolang de definitieve aanslag 2019 niet is vastgesteld door Frankrijk kan ik nog geen rekening houden met bedrag wat misschien dubbel belast gaat worden.\n\nU heeft altijd de mogelijkheid om tegen die tijd een bezwaarschrift in te dienen.”\n\n4.8.. Het hof heeft hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Kort gezegd houdt het vertrouwensbeginsel in dat de inspecteur gebonden is aan toezeggingen die door hem zijn gedaan. Het hof is van oordeel dat van een toezegging in dit geval geen sprake is. De inspecteur heeft gedurende de gehele procedure steeds het standpunt ingenomen dat Nederland bevoegd was te heffen over het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering. Belanghebbende heeft dat ook erkend.De passage uit de brief van 15 september 2022, wat daar verder ook van zij, kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gezien als een concrete toezegging van de inspecteur dat het deel van de pensioenuitkering waarover in Frankrijk geheven is, niet in de Nederlandse belastingheffing zal worden betrokken. Reeds hierom faalt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel.\n\nV. Dient de inspecteur een overlegprocedure te starten met de Franse belastingautoriteiten om een oplossing te vinden voor alle emigranten die in dezelfde situatie als belanghebbende verkeren?\n\n4.9.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat een overlegprocedure in de zin van artikel 27 van het Verdrag voor hem geen redelijke weg is om te begaan, aangezien een dergelijke procedure duur is in verhouding tot het concrete financiële belang van belanghebbende zelf. Belanghebbende zal dan namelijk een advocaat moeten inschakelen en gebruik moeten maken van een tolk. Bovendien duurt zo’n procedure lang, en is het onzeker of het tot een oplossing zal leiden. Belanghebbende wijst op de mogelijkheid van artikel 27, lid 3, onder b, en lid 4, van het Verdrag, waarmee de inspecteur op eigen initiatief in overleg kan treden met de Franse belastingautoriteiten om een oplossing te vinden voor alle Nederlanders die in Frankrijk wonen en die hetzelfde probleem als belanghebbende hebben.\n\n4.10.. Het hof overweegt dat het Verdrag aan de bevoegde autoriteiten van Nederland en Frankrijk de mogelijkheid biedt om ten aanzien van verschillende situaties in overleg te treden om overeenstemming te bereiken. Het hof is echter niet bevoegd om de inspecteur te verplichten een dergelijk overleg te initiëren. Het hof merkt daarbij overigens nog op dat van een moeilijkheid of twijfelpunt in algemene zin zoals bedoeld in artikel 27, lid 3, van het Verdrag in dit geval geen sprake lijkt te zijn. Ten aanzien van de toepassing van het Verdrag bestaat in dit geval namelijk geen verschil in opvatting tussen de landen: zowel de Nederlandse als Franse inspecteur gaat ervan uit dat het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering in Nederland belast is, en het privaatrechtelijke deel in Frankrijk.\n\nTussenconclusie\n\n4.11.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.12.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.13.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.\n\nDe uitspraak is ondertekend door de griffier, en door de oudste raadsheer, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De oudste raadsheer,\n\nR. Camps C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n De Nederlandse vertaling van de brief is door belanghebbende in hoger beroep overgelegd.\n\nOvereenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen.\n\n Artikel 11, lid 3 en lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Artikel 7.2, lid 2, aanhef en onder b, Wet IB 2001.\n\n Artikel 19, lid 1, van het Verdrag.\n\n Artikel 24, aanhef en onderdeel B, onder a, van het Verdrag.\n\n In zijn nader stuk (reactie op het verweerschrift) van 16 juli 2024, punt 7.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1283","2026-07-13T00:28:29.236Z",35,20,[11,207,208,209],2025,2024,1993]