[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-disability-rights-nl-2026":3},{"detail":4,"years":126},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":31,"page":14,"limit":125},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},46,"disability-rights-nl","Disability Rights","NL","2026-07-08T16:53:53.126Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":23},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63,70,79,89,98,107,115],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"652","ECLI:NL:RBGEL:2026:5192","ecli-nl-rbgel-2026-5192","",60,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F6557uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.I. Bal),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: mr. O. Kaya-Yazici).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het UWV om niet voor de toekomst terug te komen op het eerdere besluit van 19 juli 2022, waarbij de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) is afgewezen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht niet is teruggekomen van het eerdere besluit.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht niet is teruggekomen van het eerdere besluit. Eiseres krijgt dan ook geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft op 13 december 2022 een tweede aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Het UWV heeft dit opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 19 juli 2022, waarbij de eerste aanvraag van eiseres om een Wajong-uitkering is afgewezen. Het UWV heeft dit afgewezen bij het besluit van 6 april 2023. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV hierbij gebleven, onder aanpassing van de motivering.\n\n2.1.. \n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nHet UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 19 december 2024.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. A. Bal als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2002. Zij is licht verstandelijk beperkt en heeft – sinds een ongeval met haar fiets in 2015 – onder meer epilepsie en angstklachten. Zij woont samen met haar zoontje, haar moeder en haar zusje. Vanaf januari 2022 heeft eiseres individuele begeleiding ontvangen van Thuiszorg Evital uit een indicatie op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).\n\n3.1.. Eiseres heeft op 18 januari 2022 een eerste aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Na een onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige is de aanvraag van eiseres bij besluit van 19 juli 2022 afgewezen, omdat zij beschikt over arbeidsvermogen.\n\n3.2.. Op 13 december 2022 heeft eiseres een tweede aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Daarbij heeft zij ingebracht de resultaten van een intelligentieonderzoek van 6 februari 2015. Na een onderzoek door een verzekeringsarts heeft het UWV het besluit van 6 april 2023 genomen zoals vermeld onder 2. Daarbij is geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden om terug te komen van het besluit van 19 juli 2022.\n\n3.3.. In bezwaar heeft het UWV aan eiseres gevraagd wat het doel is van haar herhaalde aanvraag. Daarop heeft eiseres laten weten dat het haar gaat om een verzoek om een beoordeling op grond van de duuraanspraken-jurisprudentie.Eiseres heeft een verslag van een psychodiagnostisch onderzoek ingebracht van april\u002Fmei 2024, opgemaakt door een orthopedagoog werkzaam bij MEE. Na een onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) heeft het UWV het bestreden besluit genomen. Volgens het UWV is het besluit van 19 juli 2022 niet onjuist. Eiseres heeft op achttienjarige leeftijd, de datum van de eerste Wajong-aanvraag en dat moment, arbeidsvermogen.\n\nIs het verzoek om herziening terecht afgewezen?\n\n4. Eiseres voert aan dat bij haar geen sprake is van arbeidsvermogen en dat ten onrechte niet is getoetst of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Volgens eiseres is zij niet vier uur per dag belastbaar vanwege onregelmatig optredende epilepsieaanvallen, de vermoeidheid en de verminderde energie in verband met het gebruik van medicatie. Verder is van belang dat eiseres ook niet eerder in staat is gebleken om te werken of stage te lopen, waarbij zij vier uur per dag moest werken. Zij kon ook maar maximaal drie uur per week naar school en heeft door haar beperkingen geen opleiding kunnen afronden. Ook moet worden meegenomen dat de epilepsieaanvallen getriggerd kunnen worden door externe factoren. Haar psychische klachten in combinatie met haar verstandelijke beperking zorgen ervoor dat ze moeite heeft met het begrijpen van mensen en regelmatig problemen heeft bij omgang met anderen. Zij kan daardoor niet functioneren in arbeid, omdat dit zorgt voor stress en daarmee een toename van de epilepsieaanvallen. Ook ontbreken bij haar basale werknemersvaardigheden. Eiseres heeft in arbeid moeite met het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies van een werkgever vanwege haar beperkingen. Het UWV bevestigt ook dat eiseres praktisch geen leervermogen heeft. In ieder geval is gebleken dat zij afspraken niet kan nakomen, zonder daarbij één op één begeleiding te ontvangen. Eiseres wordt sinds haar ongeval begeleid door of haar moeder of professionele instanties. Volgens het UWV is er geen medische reden waarom eiseres niet op tijd kan zijn op afspraken, maar uit het psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat eiseres moeite heeft met het op tijd komen op afspraken en dat zij haar opleidingen niet heeft kunnen afronden vanwege haar beperkingen. Overigens is op het psychodiagnostisch onderzoek niet gereageerd. Het onderzoek is dan ook onzorgvuldig uitgevoerd.\n\n4.1.. Op grond van de duuraanspraken-jurisprudentie geldt dat voor een aanvraag, waarbij voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, de aanvrager zijn aanvraag deugdelijk en toereikend moet onderbouwen. Met name zijn hierbij feiten en omstandigheden relevant die – ten minste ook – zien op de voor het oorspronkelijke besluit geldende beoordelingsdatum. Een enkele herhaling van feiten en omstandigheden die bij de beoordeling van de eerdere aanvraag zijn betrokken zal doorgaans niet voldoende zijn. Het is vervolgens aan het UWV om te onderzoeken of en in hoeverre het oorspronkelijke besluit onjuist was. Als de onjuistheid van het besluit door het UWV wordt vastgesteld, is het UWV gehouden een belangenafweging te maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit, waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.Het gaat hier dus niet om de toets of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Dat het UWV dit niet heeft getoetst, is dus terecht.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is het door de verzekeringsarts b&b verrichte onderzoek niet onzorgvuldig geweest. Dat hij niet gereageerd zou hebben op het psychodiagnostisch onderzoek is feitelijk onjuist. Dat het erop lijkt dat de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek niet zijn gelezen, zoals eiseres tijdens de zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank ook niet. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b van 26 juli 2024 volgt immers dat hij kennis heeft genomen van de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek en daarop heeft gereageerd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat aspecten van de gezondheidstoestand van eiseres zijn gemist.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b toereikend gemotiveerd, dat de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek geen aanleiding geven om aan te nemen dat het eerdere besluit van 19 juli 2022 onjuist is. Dat die resultaten aangeven dat eiseres op een licht verstandelijk beperkt -\u002Fuitzonderlijk laag cognitief niveau functioneert en de verzekeringsarts bij de eerdere beoordeling in 2022 bij de diagnose heeft geschreven: ‘zeer lichte verstandelijke beperking??’ en er van is uitgegaan dat eiseres op een eenvoudig niveau functioneert en haar IQ beneden gemiddeld lijkt, maakt het eerdere besluit nog niet onjuist. De verzekeringsarts b&b heeft voldoende gemotiveerd dat eiseres als gevolg van de laagbegaafdheid en het praktisch niet hebben van een leervermogen alleen taken kan verrichten die routinematig kunnen worden uitgevoerd en eenvoudig, voorspelbaar en gestructureerd zijn. Volgens de verzekeringsarts b&b komt dit overeen met de door eiseres ingebrachte informatie. De rechtbank volgt dit gelet op het in het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek gegeven advies om voor eiseres individuele begeleiding in te zetten bij onder meer (sociale) contacten en communicatie met instellingen, bij het oplossen van haar problemen of bepaalde zaken die spelen en om structuur in en regie over haar persoonlijk leven aan te brengen en te behouden. Daarbij wordt geadviseerd om onder meer in eenvoudige taal en korte zinnen te spreken, belangrijke informatie te (laten) herhalen en informatie ook visueel aan te bieden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat een eventuele noodzaak van voortdurend toezicht en intensieve begeleiding in beginsel niet in de weg staat aan het aannemen van arbeidsvermogen.Eiseres heeft er tijdens de zitting nog op gewezen dat uit de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek ook volgt dat eiseres bij haar stage in een supermarkt niet goed begreep hoe ze vakken moest vullen. Daaruit leidt eiseres af dat ze ook de geduide taak van het plaatsen van onderdelen op een printplaat niet kan verrichten, omdat dit moeilijker is dan vakkenvullen. Dit volgt de rechtbank niet. Bij een Wajong-beoordeling gaat het er niet om of eiseres kan werken, stage lopen of school kan volgen, maar of zij een specifieke Wajong-taak, eventueel in het kader van beschut werk en dus met intensieve begeleiding en permanent toezicht, kan uitvoeren. Daarbij kan ook rekening worden gehouden met de communicatie-adviezen zoals die zijn gegeven in het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek. Hieraan doet niet af dat eiseres tijdens het onderzoek veel herhaling van een instructie nodig had, omdat daarmee rekening is gehouden bij de gegeven adviezen. Dat eiseres moeite heeft anderen te begrijpen betekent ook niet dat zij niet een specifieke Wajong-taak zou kunnen verrichten. Hetzelfde geldt voor het gestelde dat eiseres alles samen doet met haar moeder. De verzekeringsarts b&b heeft op dat punt in zijn rapport van 26 juli 2024 voldoende gemotiveerd dat hiervoor geen medische reden is. Verder is er bij het besluit van 19 juli 2022 ook uitgegaan van taken die eenvoudig moeten zijn en die geen groot appèl op schoolse vaardigheden doen en dat structuur en duidelijkheid gewenst is.\n\n4.4.. Ook voor het overige is toereikend gemotiveerd dat wat eiseres heeft aangevoerd, niet leidt tot de conclusie dat het besluit van 19 juli 2022 onjuist is geweest. Met de onregelmatig optredende epilepsieaanvallen, dat stress daar een negatieve invloed op heeft, met de vermoeidheid en de verminderde energie door het gebruik van medicatie is bij het oorspronkelijke besluit rekening gehouden. De verzekeringsarts b&b heeft verder voldoende toegelicht dat eiseres in verband met de astma, epilepsie en angstklachten niet overvraagd moet worden en daarom is aangewezen op taken die routinematig kunnen worden uitgevoerd en eenvoudig, voorspelbaar en gestructureerd zijn. Dat voorkomt ook stress. Verder heeft hij voldoende gemotiveerd dat er geen medische reden is om aan te nemen dat de moeheid dusdanig is dat eiseres de eenvoudige, routinematige taken niet kan verrichten. Bij het oorspronkelijke besluit is er ook rekening mee gehouden dat eiseres in het schooljaar 2018-2019 maar enkele uren naar school is geweest en het praktijkonderwijs niet heeft afgerond. Dat dit niet afronden veroorzaakt is door haar beperkingen volgt niet uit de stukken. De informatie van de praktijkschool vermeldt juist dat dit was vanwege een verhuizing naar Duitsland.\n\n4.5.. Wat eiseres aanvoert omtrent het moeite hebben met het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies van een werkgever, waardoor bij haar basale werknemersvaardigheden ontbreken, slaagt ook niet. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij daartoe, met in begrip van de in het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek gegeven adviezen en met begeleiding, medisch niet in staat is. De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapport van 26 juli 2024 verder voldoende toegelicht dat er geen medische reden is waarom eiseres niet op tijd zou kunnen zijn op afspraken. Dat in het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek staat dat de begeleider van eiseres vraagt waarom het eiseres niet lukt om naar haar afspraken te gaan, is daarvoor onvoldoende. Ook dit maakt daarom niet dat geconcludeerd moet worden dat het oorspronkelijke besluit van 19 juli 2022 onjuist is geweest.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht niet voor de toekomst is teruggekomen van het eerdere besluit van 19 juli 2022. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit houdt in dat voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van het besluit van 19 juli 2022, zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1 en hierna onder ro. 4.1.\n\n De rechtbank begrijpt: de datum van de tweede Wajong-aanvraag.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1478.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2052.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5192","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.346Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1504","ECLI:NL:RBOVE:2026:3815","ecli-nl-rbove-2026-3815",69,"2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Almelo\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 24\u002F3872\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , (hierna: [eiseres] )\n\ngemachtigde: mr. D. Aygur,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),\n\ngemachtigde: [gemachtigde] .\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over een afwijzing van een aanvraag voor een Wajong-uitkering. [eiseres] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen.\n\nDe rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat [eiseres] op haar achttiende verjaardag (nog) arbeidsvermogen had. [eiseres] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n1. [eiseres] is geboren op [geboortedatum] 2005 en is dus op [geboortedatum] 2023 achttien jaar geworden. Op 26 juli 2023 heeft zij een Wajong-uitkering aangevraagd. De aanvraag en medische informatie is beoordeeld door een verzekeringsarts en ook een arbeidsdeskundige heeft de aanvraag beoordeeld. Met het besluit van 20 november 2023 is de aanvraag afgewezen. Tegen dat besluit heeft [eiseres] bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 op het bezwaar van [eiseres] is het UWV bij dat besluit gebleven.\n\n1.1.. \n\n [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 9 december 2024 aanvullende gronden ingediend. Het UWV heeft daarop gereageerd met een rapport van\n\n16 januari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B).\n\n1.2.. Op 17 februari 2025 heeft [eiseres] aanvullende beroepsgronden ingediend met informatie van 22 oktober 2018 en 23 oktober 2023 van de internist\u002Fhematoloog dr. J.J.A. Auwerda (hierna: Auwerda). Ook is een rapport van arts Van Diemen, een verwijsbrief naar specialistische GGZ, een intakeverslag en een bericht van de kinderarts overgelegd.1.3.. Het UWV heeft hierop gereageerd met een rapport van 28 maart 2025 van de verzekeringsarts B&B.\n\n1.4.. \n\nOp 21 mei 2026 zijn aanvullende gronden ingediend met informatie van\n\n15 januari 2026 van GZ-psycholoog en regiebehandelaar dr. [medewerker GGZ] (hierna: [medewerker GGZ]), werkzaam bij Boncara GGZ.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het UWV. Ook mevrouw [naam] was aanwezig.\n\nStandpunt UWV\n\n2. Volgens het UWV heeft [eiseres] geen recht op een Wajong-uitkering, omdat zij op haar achttiende verjaardag (datum in geding) wel arbeidsvermogen heeft. Hiervoor baseert het UWV zich op de rapporten van de verzekeringsarts B&B en de arbeidsdeskundige B&B. Daarin is geconcludeerd dat [eiseres] ondanks haar gezondheidsklachten en beperkingen wel vier uur per dag en een uur aaneengesloten kan werken. Ook kan zijn de taak \"Invoeren van gegevens” doen en beschikt zij wel over basale werknemersvaardigheden.\n\nStandpunten [eiseres]\n\n3. [eiseres] stelt dat zij vanwege een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een vitamine B12-tekort geen arbeidsvermogen heeft. De beperkingen die zij hierdoor ondervindt maken dat zij niet in staat is om te werken en dit in de toekomst ook niet zal kunnen. Haar mentale klachten zijn al lang aanwezig en verschillende behandelingen hebben niet geleid tot het gewenste resultaat. In 2019 is zij in behandeling geweest bij een psycholoog en recentelijk is zij weer doorverwezen. Daarnaast is zij al jaren in behandeling bij Auwerda vanwege een vitamine B12-tekort. De verzekeringsarts heeft ten onrechte geconcludeerd dat zij niet gediagnosticeerd is met pernicieuze anemie. Zij is weldegelijk gediagnosticeerd met een vitamine B12-tekort.\n\n3.1.. Ook stelt [eiseres] dat het rapport van 23 oktober 2023 van Auwerda niet bij de beoordeling is betrokken. Verder stelt [eiseres] dat de verzekeringsarts ten onrechte op basis van een spreekuur heeft geconcludeerd dat zij wel arbeidsvermogen heeft, omdat dit een momentopname is. Tenslotte voert [eiseres] aan dat vanwege haar beperkingen sprake was van veel schooluitval. Uit het rapport van 26 juni 2023 van arts Van Diemen blijkt ook dat zij als gevolg van een combinatie van ernstige lichamelijke en psychische beperkingen niet in staat is om een studie te volgen. Zij heeft drie jaar niet naar school gekund.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de aanvraag voor een Wajong-uitkering terecht heeft afgewezen. De rechtbank licht dit als volgt toe.\n\n4.1.. Om in aanmerking te komen voor een Wajonguitkering moet eerst vast komen te staan dat iemand op zijn of haar achttiende verjaardag geen arbeidsvermogen heeft.Ook moet het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam zijn. Van het ontbreken van arbeidsvermogen is sprake als iemand:\n\na. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie; of\n\nb. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt; of\n\nc. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of\n\nd. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.\n\nDeze criteria worden beoordeeld door een verzekeringsarts. De criteria onder a. en b. worden ook beoordeeld door een arbeidsdeskundige.\n\nDat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam moet zijn, betekent dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.Hiervan is sprake als iemand geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en als herstel is uitgesloten.\n\nVerzekeringsgeneeskundige beoordeling\n\n4.2.. \n\nHet spreekuur bij de verzekeringsarts vond plaats op 5 oktober 2023 en er is aanvullende informatie opgevraagd en verkregen van Auwerda. In het rapport van\n\n1 november 2023 heeft de verzekeringsarts overwogen dat [eiseres] sinds de tienerjaren kampt met zowel mentale en lichamelijke problematiek. Binnen haar gezin en familie werd zij vanaf jonge leeftijd geconfronteerd met ziektes en overlijdens. Haar vader en broertjes kampen ook met een vitamine B12-tekort. Deze gebeurtenissen en situaties hebben destijds een flinke emotionele impact gehad. Bovendien kampt [eiseres] sinds de tienerjaren zelf met lichamelijke problematiek. Met veel ondersteuning heeft ze in 2022 nog haar VMBO-diploma kunnen halen. Zij heeft weinig energie, waardoor ze fysieke activiteiten niet goed kan volhouden. Hierdoor is ze veel thuis. Ook qua concentratie en geheugen merkt ze problemen en ze slaapt erg slecht. Op betere momenten probeert ze huishoudelijke taken te verrichten.\n\n4.3.. De verzekeringsarts concludeert dat het gaat om een complexe situatie waarbij het huidige functioneren van [eiseres] niet alleen bepaald wordt door medische factoren, maar ook door gebeurtenissen in het gezin in het verleden en actuele sociale omstandigheden. Volgens de verzekeringsarts zijn op basis van het spreekuur en het functioneren in het dagelijks leven minder (medische) beperkingen te objectiveren dan [eiseres] aangeeft. Bepaalde cognitieve functies (geheugen, woordvinding) zullen misschien niet optimaal zijn. Het energieniveau zal bij [eiseres] ook zeker minder zijn dan bij leeftijdsgenoten en er is psychisch een hoog spanningsniveau en een emotionele kwetsbaarheid. Volgens de verzekeringsarts is [eiseres] in het dagelijks leven wel in staat om gericht activiteiten te ondernemen en heeft zij ook arbeidsvermogen.\n\n4.4.. \n\nVolgens de verzekeringsarts is geen sprake van geobjectiveerde stoornissen van de aandachtsfunctie en er is ook geen sprake van ernstige emotionele instabiliteit en\u002Fof oncontroleerbare gedragingen. Zelfs met een (licht) verminderde geheugenfunctie zal [eiseres] in staat zijn om in werk dat cognitief niet al te veeleisend is een uur aaneengesloten te werken. Het is voorstelbaar dat de energiehuishouding van [eiseres] niet optimaal is, maar er zijn geen concrete feiten waaruit blijkt dat het energieniveau dermate laag is dat [eiseres] niet vier uur per dag belastbaar zou zijn. Verspreid over de dag kan ze activiteiten verrichten en tijdens het spreekuur was de lichamelijke toestand niet buitensporig slecht.\n\nVolgens de verzekeringsarts zijn er geen overtuigende medische feiten waaruit blijkt dat [eiseres] per definitie niet in staat zou zijn om eenvoudige instructies van een werkgever te begrijpen, te onthouden en uit te voeren. Eventueel kunnen als geheugensteun nog hulpmiddelen ingezet worden, en kan er op een werkplek begeleiding ingezet worden. Het is voorstelbaar dat er soms slechte dagen zijn waarop [eiseres] moeite heeft om tot activiteiten te komen, maar dat is onvoldoende reden om te stellen dat zij per definitie geen afspraken met werkgevers kan nakomen.\n\n4.5.. \n\nIn het rapport van 26 september 2024 concludeert de verzekeringsarts B&B dat er geen aanleiding is om de beoordeling van de verzekeringsarts te wijzigen. Het spreekuur vond plaats op 12 september 2024 en er is informatie verkregen van de huisarts. Volgens de verzekeringsarts B&B is er een discrepantie tussen de medisch objectieve gegevens en het geclaimde onvermogen. Zowel de lichamelijke aandoening als de psychische klachten van betrokkene kunnen een ontbreken van arbeidsvermogen niet verklaren. Op psychisch gebied heeft [eiseres] veel meegemaakt. [eiseres] geeft nog steeds veel klachten en belemmeringen aan. Zelfstandig worden en meer afstand nemen van het gezin zou een positief effect kunnen hebben op de klachten. Bij [eiseres] is echter geen sprake van een psychiatrisch ziektebeeld op basis waarvan zij geen arbeidsvermogen zou hebben.\n\nVerder concludeert de verzekeringsarts B&B dat bij [eiseres] sprake is van allerlei fysieke klachten die jaren geleden geduid zijn als het gevolg van een vitamine B12-tekort. Op basis van de beschikbare informatie is niet duidelijk op basis waarvan het tekort is ontstaan. Uit de informatie blijkt ook niet dat er bij [eiseres] sprake is van een pernicieuze anemie. Bij een adequate suppletie mag een verbetering van de neurologische symptomen verwacht worden binnen zes maanden en de internist geeft een duidelijk effect aan. Het is niet duidelijk in hoeverre de ernst van de ervaren klachten nog past bij een inmiddels gesuppleerd vitamine B12 tekort en het hebben van milde neurologische symptomen leidt niet tot het ontbreken van arbeidsvermogen.\n\n4.6.. \n\nIn de rapporten van 16 januari 2025 motiveert de verzekeringsarts B&B verder dat de beroepsgronden geen aanleiding geven om tot een andere conclusie te komen. Hiertoe overweegt de verzekeringsarts B&B dat de diagnose PTSS niet naar voren komt uit de gegevens van de curatieve sector. Uit deze informatie blijkt dat gesproken is over traumatische ervaringen omtrent de impact van de gezondheidssituatie van de vader van [eiseres] en haar broertjes. In de informatie van 3 september 2014 van de psycholoog Spijker komt de EMDR-behandeling naar voren maar wordt de diagnose PTSS niet genoemd. Deze diagnose komt ook niet voor in de informatie van 15 mei 2020 van psycholoog Homrighausen. Daaruit blijkt wel dat de behandeling goed is afgerond. Verder motiveert de verzekeringsarts B&B dat uit de medische informatie niet volgt dat bij [eiseres] sprake is van een pernicieuze anemie, maar wel van een symptomatisch vitamine B12-tekort. De oorzaak van dat tekort is niet duidelijk. Door de ziekte van haar vader en alertheid daarop binnen het gezin is [eiseres] op tijd gestart met suppletie. De aard en de ernst van een deel van de klachten en belemmeringen zoals [eiseres] die aangeeft kunnen echter niet vanuit het doorgemaakt vitamine B-12 tekort verklaard worden. Ook wordt in de beschikbare medische informatie geen bloedarmoede of neurologische afwijkingen beschreven. Het\n\nfeit dat [eiseres] al behandelingen heeft gevolgd wil niet zeggen dat zij niet meer van behandelingen kan profiteren. [eiseres] heeft namelijk eerder ook van behandeling kunnen profiteren. Daarnaast zal er nog sprake zijn van groei richting volwassenheid en zelfstandigheid en kan begeleiding plaatsvinden. Afstand kunnen nemen van een belastende thuissituatie kan bijdragen aan het versterken van de mentale weerbaarheid. Dit kan volgens de verzekeringsarts B&B ook een positief effect hebben op de ervaren lichamelijke klachten.\n\nArbeidskundige beoordeling\n\n4.7.. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 17 november 2023 geconcludeerd dat [eiseres] beschikt over basale werknemersvaardigheden en dat [eiseres] in staat moet worden geacht om een taak uit te kunnen voeren in een arbeidsorganisatie. Als taak is het invoeren van gegevens geselecteerd. De beperkingen in het energieniveau hoeft in deze taak geen probleem op te leveren, omdat deze taak wordt verricht bij een bureau met een computer. Gezien het opleidingsniveau van [eiseres] is de taak ook passend. Zij kan lezen, kan in staat worden geacht om gegevens te vergelijken en kan met een computer overweg. Gezien haar niveau mag dus ook verwacht worden dat zij deze taak kan begrijpen en uitvoeren.\n\n4.8.. De arbeidsdeskundige B&B concludeert in het rapport van 30 september 2024 dat er geen aanleiding is om de beoordeling te wijzigen. Naar aanleiding van het in bezwaar aangevoerde heeft de arbeidsdeskundige B&B daarbij opgemerkt dat, indien nodig, op de werkplek begeleiding ingezet kan worden. De taak is geschikt, omdat het een energetisch lichte taak is die past bij het niveau van [eiseres] . [eiseres] heeft voldoende intelligentie en opleiding en geen problemen in het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies. [eiseres] heeft dit op school ook laten zien. Er zijn ook geen problemen in bijvoorbeeld het gedrag die maken dat [eiseres] afspraken niet na kan komen.\n\nBeoordeling van de beroepsgronden\n\n4.9.. De rechtbank is van oordeel dat in de rapporten inzichtelijk en navolgbaar is gemotiveerd dat [eiseres] op haar achttiende verjaardag arbeidsvermogen had. Zowel bij de primaire beoordeling als in bezwaar hebben de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen met [eiseres] gesproken. Daarnaast is de medische informatie waar in het beroepschrift en tijdens de zitting op is gewezen, bij de beoordeling betrokken. Anders dan [eiseres] stelt is de beoordeling dan ook niet gebaseerd op een momentopname van een spreekuur. Ook is het rapport van 23 oktober 2023 van Auwerda wel bij de beoordeling betrokken. Die informatie staat op bladzijde 4 van het rapport van de verzekeringsarts B&B van 26 september 2024. Daarnaast heeft de verzekeringsarts B&B in het aanvullende rapport van 28 maart 2025 ook navolgbaar gemotiveerd dat het rapport van arts Van Diemen, de verwijsbrief naar specialistische GGZ, een intakeverslag en een bericht van de kinderarts niet tot een andere conclusie leiden.\n\n4.10.. \n\nDe informatie van 15 januari 2026 van [medewerker GGZ] laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat deze informatie slecht één dag voor de zitting is overgelegd. Artikel 8:58, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt namelijk dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Tijdens de zitting is gebleken dat deze informatie niet eerder is overgelegd, omdat de gemachtigde meer informatie wilde verzamelen en dit vervolgens gezamenlijk wilde overleggen. Dit maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Enerzijds omdat dit een eigen keuze is geweest anderzijds omdat deze keuze niet geheel navolgbaar is, omdat de informatie al in januari 2026 beschikbaar was en al ingediend had kunnen worden bij de eerder geplande zitting van 18 maart 2026 die op verzoek van de gemachtigde is uitgesteld. Ten overvloede merkt de rechtbank overigens op dat deze informatie ziet op een periode van na datum in geding; namelijk de periode van\n\n6 maart 2025 tot en met 15 januari 2026. Zoals tijdens de zitting ook met partijen is besproken, lijkt het erop dat [eiseres] gezondheidssituatie is verslechterd na haar achttiende verjaardag. Het UWV heeft daarover ter zitting gezegd dat zij binnen vijf jaar na haar achttiende verjaardag een wijziging van haar gezondheid kan doorgeven, zodat die wijziging beoordeeld kan worden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Zij krijgt het griffierecht dan ook niet terug en geen vergoeding van proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.\n\n Artikel 1a:1, eerste lid, onder a van de Wajong.\n\n Artikel 1a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.\n\n Artikel 1a:1, vierde lid van de Wajong.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3815","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:24.349Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":69},"1491","ECLI:NL:RBOVE:2026:3814","ecli-nl-rbove-2026-3814","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Almelo\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 25\u002F3563\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , (hierna: [eiseres] )\n\ngemachtigde: mr. K. Wevers,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (college),\n\ngemachtigde: [gemachtigde] .\n\nSamenvatting\n\nIn deze uitspraak beoordeeld de rechtbank het beroep van [eiseres] tegen het besluit van het college om aan haar een persoonsgebonden budget van € 910,90 toe te kennen voor de aanschaf van een handbewogen rolstoel. [eiseres] is het daar niet mee een en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\nDe rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. [eiseres] krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n1. [eiseres] heeft op 21 november 2021 een melding bij het college gedaan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Daarin heeft zij gevraagd om een nieuwe handbewogen rolstoel. Met het besluit van 13 juni 2022 heeft het college de aanvraag afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 8 maart 2023 is het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.\n\n1.1.. Vervolgens heeft [eiseres] beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft dat beroep gelijktijdig met drie andere beroepszaken over de Wmo behandeld op een zitting van 16 november 2023. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst, omdat onderzoek noodzakelijk was.\n\n1.2.. Destijds liep er ook een aanvraagprocedure voor een elektrische rolstoel. Met de beslissing op bezwaar van 13 maart 2024 is aan [eiseres] een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor een aangepaste elektrische rolstoel.\n\n1.3.. Op 16 april 2024 heeft JPH Consult adviezen uitgebracht. De daaropvolgende zitting heeft op 29 april 2025 plaatsgevonden. Met de uitspraakvan 19 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 8 maart 2023 vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank de het college opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.\n\n1.4.. Met het bestreden besluit van 5 november 2025 heeft het college een nieuw besluit genomen. Het bezwaar is gegrond verklaard en voor aanschaf van een handbewogen rolstoel is een éénmalig pgb toegekend van € 910,90. Dit bedrag is gebaseerd op de aanschafprijs van een Excel G-lightweight rolstoel met comfort beensteunen en een stuurstoffleshouder.\n\n1.5.. \n [eiseres] heeft beroep ingesteld en op 26 januari 2026 aanvullende gronden ingediend.\n\n1.6.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.7.. De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] , de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het college. Ook zorgverlener [zorgverlener] was aanwezig.\n\nStandpunten van [eiseres]\n\n2. Volgens [eiseres] is het besluit onzorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd. Ondanks de uitspraak van de rechtbank is geen zelfstandig en specifiek advies ingewonnen naar de specifieke eisen die vanwege haar gezondheidssituatie nodig zijn bij een handbewogen rolstoel. In plaats daarvan heeft college zelf op basis van het advies en verhelderingsvragen aan JPH Consult en aan haarzelf, een programma van eisen opgesteld, dat is gebaseerd op eigen aannames en overwegingen. Vervolgens is op basis daarvan ten onrechte gekozen voor een rolstoel met een minimale uitvoering. Ook heeft het college niet inzichtelijk gemaakt hoe deze rolstoel veilig en adequaat kan worden gebruikt.\n\n2.1.. Ook stelt [eiseres] dat het besluit innerlijk tegenstrijdig is. Het college erkent aan de ene kant de ernst van haar beperkingen en de noodzaak van ondersteuning bij transfers en verplaatsingen, maar concludeert desondanks dat kan worden volstaan met een standaard handbewogen rolstoel zonder wezenlijke aanpassingen. Terwijl het vanwege haar gezondheidsklachten van belang is dat de rugleuning gekanteld kan worden en dat de rolstoel voorzien is van een goede hoofdondersteuning.\n\n2.2.. Verder stelt [eiseres] dat ten onrechte is gemotiveerd dat weinig eisen aan de rolstoel gesteld hoeven worden, omdat het om incidenteel gebruik gaat voor snelle en eenvoudige verplaatsingen binnenshuis. Dat is namelijk niet zo, omdat zij de handbewogen rolstoel elke dag gebruikt en het ook gaat om verplaatsingen buitenshuis naar bijvoorbeeld de tandarts of het ziekenhuis. Dit zijn locaties waar zij met haar elektrische rolstoel niet altijd naar binnen kan, omdat de elektrische rolstoel daarvoor te breed is.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat het college ten onrechte een éénmalig pgb heeft toegekend van € 910,90 voor een handbewogen rolstoel. De rechtbank licht dit als volgt toe.\n\n3.1.. Deze beroepsprocedure bouwt voort op de uitspraak van 19 maart 2025. Voor de van belang zijnde feiten en het wettelijk kader verwijst de rechtbank dan ook naar die uitspraak. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat:\n\n“ Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit, met de verwijzing naar de elektrische rolstoel en de overweging dat een tweede rolstoel niet bijdraagt aan een vergroting van de zelfredzaamheid, onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.\n\nJPH Consult heeft in de adviezen expliciet vermeld dat de handbewogen rolstoel voor eiseres noodzakelijk is bij verplaatsingen binnenshuis en buitenshuis. Het college heeft niet uitgelegd waarom de adviezen van JPH Consult niet worden gevolgd. Voor zover het college er bij de besluitvorming vanuit is gegaan dat de handbewogen rolstoel als reserverolstoel voor de elektrische rolstoel is bedoeld, volgt de rechtbank dat niet. Al in de Wmo-melding is aangegeven dat de handbewogen rolstoel (ook) bedoeld is voor alle plaatsen waar een elektrische rolstoel niet naar binnen kan. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en het beroep is gegrond. De rechtbank draagt het college op opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij is ook van belang of het mogelijk is om de rolstoel geschikt te maken voor eiseres.”\n\n3.2.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat het college het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Er heeft geen (fysiek) onderzoek bij [eiseres] plaatsgevonden naar de speciek aan een handbewogen rolstoel voor haar te stellen eisen, gelet op haar beperkingen waaraan de rolstoel noodzakelijkerwijze dient te voldoen.\n\nDit, terwijl in de uitspraak is geoordeeld dat het van belang is dat de rolstoel geschikt is te maken voor [eiseres] . In plaats daarvan is het besluit gebaseerd op een advies van 16 april 2024 van JPH Consult dat via een videocall tot stand is gekomen en hoofdzakelijk gaat over de beperkingen die [eiseres] ondervindt in het gebruik van de huidige woning en het gebruik van een rolstoel binnenshuis. Daardoor is het gebruik buitenshuis niet bij die beoordeling betrokken, terwijl dat wel nadrukkelijk was bepaald in de uitspraak. Dat het college na het advies verhelderingsvragen aan JPH Consult en [eiseres] heeft gestuurd, maak dit oordeel niet anders. Het college heeft niet de deskundigheid om zelf op basis van eigen interpretatie van die antwoorden te beoordelen welke handbewogen rolstoel passend is en welke aanpassingen wel of niet nodig zijn. Tijdens de zitting heeft [eiseres] daarover navolgbaar toegelicht dat bijvoorbeeld een ergotherapeut die benodigde kennis wel heeft. Bovendien had [eiseres] in de antwoorden op de verhelderingsvragen het belang van een onderzoek benoemd, evenals het feit dat zij de handbewogen rolstoel ook dagelijks buitenshuis nodig heeft en aan welke eisen wat haar betreft de rolstoel zou moeten voldoen. Anders dan het college lijkt te stellen is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] voldoende heeft aangetoond dat het wel mogelijk is om een rolstoel te vinden die voldoet aan de specifieke vereisten.\n\nDe door haar na summier onderzoek gevonden rolstoel heeft weliswaar een motor, maar mogelijk is deze te verwijderen. Dit heeft [eiseres] niet nader onderzocht, omdat het vinden van een geschikte rolstoel primair op de weg van het college lag. De rechtbank kan [eiseres] hierin volgen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit van 5 november 2025 vernietigen.3.3.. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien. Ook zal de rechtbank het college niet weer opnieuw opdragen om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De reden daarvoor is dat tijdens de zitting duidelijk is geworden dat [eiseres] per 1 juli 2026 gaat verhuizen naar een andere gemeente. Dit heeft tot gevolg dat het college vanaf dan niet langer verantwoordelijk is voor het verstrekken van een handbewogen rolstoel. De rechtbank gaat er wel vanuit dat het college met medeweten van [eiseres] zorgdraagt voor een warme overdracht van de benodigde informatie naar de nieuwe verantwoordelijke gemeente.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep is gegrond, omdat het college onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan en onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat [eiseres] gelijk krijgt.\n\n4.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan [eiseres] vergoeden en krijgt [eiseres] ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand van haar gemachtigde krijgt [eiseres] een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-;\n\n- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 53,- aan [eiseres] vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBOVE:2025:3159","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3814","2026-07-13T00:29:23.621Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":51,"updatedAt":78},"1201","ECLI:NL:RBZWB:2026:5311","ecli-nl-rbzwb-2026-5311",64,"2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F442494 \u002F HA ZA 25-650\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eisende partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eisende partij] ,\n\nadvocaat: mr. D. Marcus,\n\ntegen\n\nSTICHTING [gedaagde partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij] ,\n\nadvocaat: mr. A.C. Beijering-Beck en mr. I.M. de Vries.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 februari 2026 en de daarin vermelde stukken\n\n- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eisende partij] heeft een autismespectrumstoornis (ASS). Hij is op 1 juli 2016 op grond van een zorg- en dienstverleningsovereenkomst bij [gedaagde partij] in zorg gekomen, laatstelijk op de locatie [locatie 1] in [woonplaats] . De locatie is toegerust voor personen met ASS. [eisende partij] bewoonde daar zelfstandig een appartement. [eisende partij] is per 18 februari 2021 een Wlz-indicatie met zorgprofiel GGZ-1 toegekend en per 24 juni 2025 een Wlz-indicatie met zorgprofiel GGZ-3.\n\n2.2.. Na 2021 is [eisende partij] klachten gaan uiten over de door [gedaagde partij] verleende zorg. [eisende partij] heeft hierover in november 2023 bij de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg (hierna: de Geschillencommissie) een klacht ingediend tegen [gedaagde partij] . De klacht hield met name in dat door [gedaagde partij] te weinig werd gedaan om aan de zorgvraag van [eisende partij] te voldoen. De Geschillencommissie heeft op 22 maart 2024 een bindend advies uitgebracht. [gedaagde partij] heeft geen uitnodiging voor de zitting van de Geschillencommissie ontvangen. De Geschillencommissie heeft de klacht gegrond verklaard en daartoe onder andere het volgende overwogen.\n\n“De commissie overweegt dat cliënt een indicatie heeft op grond van de Wlz. Dit betekent onder meer dat de zorgaanbieder verantwoordelijk is voor het opstellen én het uitvoeren van een zorgplan. Daarnaast dient de zorgaanbieder aan cliënt dagbesteding aan te bieden, dan wel de cliënt dient te ondersteunen bij zijn pogingen om aan zijn dagen een voor hem zinvolle invulling te geven. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder op beide punten tekort is geschoten. Alhoewel er op de locatie dagelijks begeleiding aanwezig is, verricht deze niet dan wel onvoldoende inspanning om aan de zorgvraag van cliënt tegemoet te komen en het opgemaakte zorgplan uit te voeren. Dat in het verleden tussen cliënt en deze begeleiding strubbelingen zijn geweest, doet hier niet aan af. Van de zorgaanbieder als professionele organisatie mag immers worden verlangd dat hij zijn zorgtaken uitvoert zoals deze in het zorgplan staan vermeld. Daarbij merkt de commissie op dat bepaalde zorgtaken die wellicht minder passend zijn binnen deze locatie, zoals het assisteren bij het maken van video’s, kunnen worden uitgevoerd door vrijwilligers, die ook binnen de organisatie van de zorgaanbieder aanwezig en actief zijn. Het is aan de zorgaanbieder om dit voor cliënt te faciliteren. Gezien het vorenstaande zal de commissie de klachten van cliënt gegrond verklaren.\n\nDe commissie begrijpt dat de zorgaanbieder het vertrouwen van cliënt heeft beschaamd, gezien het ontbreken van persoonlijke begeleiding op de locatie en een dagstructuur, en dat cliënt om die reden op zoek is naar een andere begeleid wonen voorziening. De commissie geeft de zorgaanbieder in overweging om in contact te treden met het zorgkantoor, teneinde het vinden van een passende woonruimte te bespoedigen.”\n\n2.3.. In de periode daarna heeft uitvoerige (e-mail)correspondentie plaatsgevonden tussen partijen.\n\n2.4.. Bij brief van 20 juni 2024 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] een eerste waarschuwing gegeven in verband met zijn taalgebruik en houding ten opzichte van haar medewerkers. Daarbij heeft [gedaagde partij] medegedeeld dat als deze waarschuwing niet leidt tot verbetering er weer een waarschuwing zal volgen en dat bij de derde en tevens laatste waarschuwing zal worden overgegaan tot beëindiging van de zorg- en dienstverleningsovereenkomst. Daarbij heeft [gedaagde partij] aangegeven dat in dat geval ook de beschikbaarheid van het door [eisende partij] bewoonde appartement vervalt.\n\n2.5.. In juli 2024 heeft [gedaagde partij] [eisende partij] verblijf aangeboden op haar locatie [locatie 2] in [plaats 1] . [eisende partij] heeft dit aanbod afgewezen.\n\n2.6.. \n [gedaagde partij] heeft bij brief van 5 november 2024 aan [eisende partij] een tweede waarschuwing gegeven in verband met de beschadigde vertrouwensrelatie. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] meegedeeld dat zij, om uit deze lastige situatie te komen, hem nog één keer een andere voorziening binnen [gedaagde partij] aanbiedt en dat, als hij die optie weigert, dat gevolgen heeft voor zijn verblijf binnen [gedaagde partij] . Zij zal dan het proces starten om tot beëindiging van de zorgovereenkomst te komen, wat tot gevolg zal hebben dat er voor hem geen woonplek meer beschikbaar is en hij de locatie [locatie 1] moet verlaten.2.7.. Op 18 december 2024 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] een woonplek aangeboden in een appartement aan de [locatie 3] te [woonplaats] . Zij heeft daarbij meegedeeld dat dit haar laatste aanbod is en dat [eisende partij] , als hij daar geen gebruik van wil maken, niet langer in zorg kan blijven bij [gedaagde partij] en de zorgovereenkomst zal worden beëindigd.\n\n2.8.. Bij e-mail van 8 januari 2025 heeft [gedaagde partij] herhaald dat als [eisende partij] onvoldoende meewerkt aan de zorglevering en de aangeboden zorg blijft weigeren, zij genoodzaakt is om de zorgovereenkomst te beëindigen en [eisende partij] door te verwijzen naar een andere zorgaanbieder.\n\n2.9.. \n [eisende partij] heeft de woning in de [locatie 3] niet geaccepteerd. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] in januari 2025 nog een woning aangeboden in de [locatie 4] in [plaats 2] . Op 14 maart 2025 heeft zij hem een woning in de [locatie 5] in [plaats 3] aangeboden. [eisende partij] heeft het aanbod voor deze woonlocaties afgewezen.\n\n2.10.. Bij brief van 18 februari 2025 heeft [eisende partij] bij de Regionale Klachtencommissie Zorg de volgende klachten geuit over de zorgverlening door [gedaagde partij] .\n\n“(1) Niet-naleving van het bindend advies van de Geschillencommissie Zorg\n\n [gedaagde partij] is bij bindend advies van de Geschillencommissie Zorg op 22 maart 2024 veroordeeld om passende zorg te leveren. Tot op heden heeft [gedaagde partij] deze uitspraak niet nageleefd. Ondanks toezeggingen om de uitspraak op te volgen, is er structureel zorgverzuim en weigert [gedaagde partij] uitvoering te geven aan de zorgdoelen.\n\n(2) Beëindigingstraject zonder herstelzorg\n\nIn plaats van herstelzorg te bieden en passende begeleiding te realiseren, heeft [gedaagde partij] een koers ingezet om mij uit de zorg te zetten. Dit blijkt onder meer uit dreigementen tot beëindiging van de zorgovereenkomst en het opleggen van onrechtmatige voorwaarden. Hierdoor ben ik onder druk gezet om te verhuizen naar een locatie waar geen passende zorg geboden kan worden.\n\n(3) Onzorgvuldige omgang met zorgplannen en Indicatie\n\nHet zorgplan is onzorgvuldig en eenzijdig aangepast, zonder voldoende overleg of instemming van mijn kant. Daarnaast wordt mijn Wlz-indicatie (GGZ-Wonen) niet correct nageleefd, aangezien essentiële ondersteuning wordt afgebouwd zonder overleg en onder dreiging van stopzetting van zorg.\n\n(4) Structurele weigering van passende zorg en begeleiding\n\nOndanks herhaaldelijke verzoeken wordt er geen invulling gegeven aan de volgende noodzakelijke zorg:\n\n• Actieve begeleiding bij daginvulling, waaronder ondersteuning bij videografie en sociale\n\ninteractie.\n\n• Een zorgvuldig afgestemde aanpak om mijn dag\u002Fnachtritme te verbeteren.\n\n(5) Onrechtmatige druk en dreigementen\n\nIk ervaar dat [gedaagde partij] misbruik maakt van haar zorgpositie door zorg onder voorwaarden te stellen, mij onder druk te zetten om akkoord te gaan met een onvolledig zorgplan, en door waarschuwingsbrieven te sturen waarin wordt gesuggereerd dat zorg beëindigd zal worden als ik niet meewerk aan de eisen van [gedaagde partij] .”\n\n2.11.. \n [gedaagde partij] heeft hierop als volgt gereageerd.\n\n“(1) Niet-naleving van het bindend advies van de Geschillencommissie Zorg\n\nVerweer: [gedaagde partij] heeft passende zorg geboden aan de heer [eisende partij] . Wij verwijzen hierbij naar de Tijdlijn in Bijlage 1. Hierin is te lezen op welke manier wij aanhoudend zorg hebben aangeboden en wij voortdurend in gesprek zijn gebleven met de heer [eisende partij] .\n\nOmdat de heer [eisende partij] steeds opnieuw onvrede uitte over de begeleiding, beschuldigingen deed over de zorg en over de rapportage, klachten indiende bij onze interne Klachtenfunctionaris en begeleiders manipuleerde is het wederzijds vertrouwen tussen hem en het team begeleiders van de [locatie 1] dermate geschaad, dat met hem is afgesproken om te zoeken naar een andere zorgaanbieder, dan wel een ander verblijf elders binnen [gedaagde partij] . Zie ook de uitspraak van de geschillencommissie, waar in de samenvatting staat: ‘cliënt wenst een andere woonruimte’. In het hele traject daarna heeft de heer [eisende partij] verschillende keren begeleiders aan de kant gezet, omdat hij de zorg van hen niet accepteerde en heeft hij andere woonruimte geweigerd. Ondanks alles, hebben diverse begeleiders steeds opnieuw getracht de begeleidingsrelatie te herstellen en vorm te geven.\n\n(2) Beëindigingstraject zonder herstelzorg\n\nVerweer: De zorg, ondersteuning en bemiddeling die [gedaagde partij] heeft aangeboden heeft niet geleid tot het herstel van vertrouwen in de hulpverleningsrelatie en heeft niet geleid tot werkbare afspraken tussen de heer [eisende partij] en de begeleiding.\n\n [gedaagde partij] heeft een aantal keren een passend alternatief verblijf aangeboden. Daarnaast zijn er mogelijkheden bij andere zorgaanbieders onderzocht. De heer weigert medewerking tot overplaatsing. Omdat de heer geen of nauwelijks gebruik maakt van de aangeboden zorg, omdat de heer ontevreden blijft over de zorg, omdat er geen zorgplan tot stand komt, c.q. afspraken over de zorgverlening achterwege blijven, is het onmogelijk dat de heer nog langer verblijft op de huidige locatie de [locatie 1] . De heer [eisende partij] heeft eind 2024 een advocaat ingeschakeld, heeft het Zorgkantoor ingeschakeld en heeft een cliëntondersteuner van MEE ingeschakeld. [gedaagde partij] heeft met deze instanties en personen overlegd om tot een oplossing te komen. [gedaagde partij] heeft de heer een laatste passend aanbod gedaan, onder voorwaarde dat de heer akkoord gaat met het opgestelde zorgplan. Indien de heer dit aanbod weigert, dan gaat [gedaagde partij] over tot het traject ‘einde zorg’.\n\n(3) Onzorgvuldige omgang met zorgplannen en indicatie\n\nVerweer: Het zorgplan is keer op keer besproken, op de schaarse momenten dat de heer dit toeliet, waarbij door de heer [eisende partij] aan begeleiders onmogelijke en voortdurend wisselende eisen werden gesteld. Er is geen duurzaam akkoord op het zorgplan tot stand gekomen.\n\nHet is in de zorg gebruikelijk dat de Wlz GGz 1 in een ambulante vorm met 24-uurs bereikbaarheid wordt uitgevoerd. Het zorgkantoor heeft dit naar ons bevestigd. Een deskundig team heeft de situatie en hulpvraag van de heer beoordeeld en is gekomen tot een pakket van passende zorg die binnen deze indicatie past én die passend is voor de persoonlijke hulpvraag van de heer [eisende partij] , gezien zijn gebruik van zorg en gezien zijn problematiek. Deze zorg wordt aangeboden.\n\n(4) Structurele weigering van passende zorg en begeleiding\n\n [gedaagde partij] biedt passende zorg aan. De heer [eisende partij] weigert deze zorg af te nemen. Afspraken, als deze al tot stand komen, worden geweigerd en afgezegd.\n\n(5) Onrechtmatige druk en dreigementen\n\nDe voorwaarden die [gedaagde partij] aan de zorg stelt zijn aller sinds redelijk. Enige medewerking van cliënten in de uitvoering is vereist. De medewerking van de heer [eisende partij] missen de begeleiders volledig.\n\nRegelmatig gaat de heer [eisende partij] over de grens van begeleiders heen, waarop wij hem een\n\nwaarschuwing hebben gegeven. Begeleiders ervaren geen medewerking. Er wordt geen druk uitgeoefend, laat staan dreigementen geuit. [gedaagde partij] vraagt medewerking aan zorguitvoering van de heer [eisende partij] .”\n\n2.12.. \n [gedaagde partij] heeft vanaf maart 2025 de begeleiding van [eisende partij] door het vaste team van de locatie [locatie 1] gestopt en in plaats daarvan een kernteam ingezet.\n\n2.13.. Bij brief van 9 april 2025 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] medegedeeld dat de zorgovereenkomst op 1 juni 2025 eindigt. Als redenen voor de beëindiging heeft [gedaagde partij] genoemd: de zorgweigering door [eisende partij] , zijn weigering om mee te werken aan overplaatsing naar een door deskundigen van [gedaagde partij] beoordeelde beter passende locatie, de wederzijdse vertrouwensbreuk en de weigering van [eisende partij] om mee te werken aan het aanpassen van zijn indicatie. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] meegedeeld dat hij per 1 juni 2025 geen recht meer heeft op begeleiding, ondersteuning en zorg van [gedaagde partij] en dat hij niet meer in de woning op de locatie [locatie 1] mag verblijven. Hij moet op zoek gaan naar andere huisvesting en begeleiding.\n\n2.14.. Bij vonnis van 28 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [eisende partij] , die onder andere luidden [gedaagde partij] te verbieden de zorgverlening per 1 juni 2025 te beëindigen, [gedaagde partij] te gelasten de zorgverlening onverkort voort te zetten op de huidige woonlocatie ( [locatie 1] ) en te gelasten dat geen afschaling van zorg wordt doorgevoerd, [gedaagde partij] te gelasten integrale begeleiding aan [eisende partij] te bieden door het vaste team op locatie [locatie 1] , dan wel door een in overleg met [eisende partij] aan te wijzen persoonlijk begeleider en [gedaagde partij] te veroordelen tot nakoming van het bindend advies van de Geschillencommissie van 22 maart 2024, afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder andere het volgende overwogen.\n\n“conclusie\n\n6.14.\n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde partij] op grond van het vorenstaande voldoende aannemelijk gemaakt dat [eisende partij] niet heeft meegewerkt aan de geboden zorgverlening en zonder goede reden niet bereid is geweest een andere passende locatie te aanvaarden. Dit heeft geleid tot een onherstelbare vertrouwensbreuk. Dit zijn gewichtige redenen die de opzegging van de zorgovereenkomst – en daarmee ook de beëindiging van het verblijf van [eisende partij] in een appartement op een locatie van [gedaagde partij] – rechtvaardigen.\n\nzorgvuldigheid\n\n6.15.\n\nDe voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde partij] [eisende partij] herhaaldelijk (in brieven van 20 juni 2024, 5 november 2024 en 18 december 2024 aan [eisende partij] en in de email van 14 januari 2025 aan de advocaat van [eisende partij] ) heeft gewaarschuwd voor opzegging van de zorgovereenkomst als hij niet zou meewerken aan de zorgverlening en aan de verhuizing naar een andere locatie. Daarnaast heeft zij actief gezocht naar passende zorgverlening voor [eisende partij] op een andere locatie, zowel intern als extern. Dat [eisende partij] nu wel bereid is zijn medewerking te verlenen aan een hogere indicatie betekent niet dat [gedaagde partij] op de opzegging moet terugkomen. De andere twee redenen zijn ernstig en zwaarwegend genoeg. Het bindend advies staat aan opzegging niet in de weg vanwege de situatie zoals die zich daarna heeft ontwikkeld.”\n\n2.15.. Bij vonnis van 9 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder andere overwogen dat het vonnis van 28 mei 2025 niet op een kennelijke feitelijke of juridische misslag berust en heeft hij de ontruimingsdatum bepaald op 1 september 2025.\n\n2.16.. \n [eisende partij] verblijft per 1 september 2025 op een zorglocatie in [plaats 4] .\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eisende partij] vordert - samengevat - na vermindering van eis ter zitting om, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1. te verklaren voor recht dat de zorgovereenkomst tussen partijen door [gedaagde partij] ten onrechte is beëindigd;\n\n2. [gedaagde partij] te gelasten de zorgovereenkomst te hervatten en passende begeleiding te bieden op een locatie van [gedaagde partij] binnen de gemeente [woonplaats] ;\n\n3. [gedaagde partij] te veroordelen tot nakoming van het bindend advies van de Geschillencommissie van 22 maart 2024;\n\n4. [gedaagde partij] te gelasten uitvoering te geven aan een viertal benoemde zorgdoelen;\n\n5. [gedaagde partij] te gelasten binnen 7 dagen na betekening van het vonnis aan het onder 2 t\u002Fm 4 gevorderde te voldoen;\n\n6. [gedaagde partij] te veroordelen tot het betalen van een dwangsom indien zij niet aan de op grond van 2 t\u002Fm 5 te geven veroordelingen voldoet;\n\n7. [gedaagde partij] te veroordelen tot het betalen van € 5.000,00 aan [eisende partij] als voorschot op schadevergoeding;\n\n8. te verklaren voor recht dat [gedaagde partij] gehouden is schadevergoeding aan [eisende partij] te betalen op te maken bij staat;\n\n9. [gedaagde partij] te veroordelen binnen 3 dagen na betekening van het vonnis aan [eisende partij] te betalen € 15.346,00 als schadevergoeding;\n\n10. [gedaagde partij] te veroordelen in de proceskosten van [eisende partij] .\n\n3.2.. \n [eisende partij] heeft aan zijn vorderingen de volgende verwijten, die elkaar grotendeels overlappen, ten grondslag gelegd.\n\n [gedaagde partij] heeft haar zorgplicht jegens [eisende partij] geschonden door:\n\n- zorg af te schalen;\n\n- niet over te gaan tot zorgherstel na het bindend advies;\n\n- geen deugdelijk zorgplan te hebben;\n\n- ten onrechte de zorgovereenkomst op te zeggen;\n\n- geen zorgopvolging en\u002Fof zorgoverdracht te laten plaatsvinden.\n\n [gedaagde partij] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van het bindend advies op de punten:\n\n- het opstellen en uitvoeren van een zorgplan;\n\n- het aanbieden van dagbesteding dan wel het bieden van ondersteuning bij pogingen van [eisende partij] daartoe.\n\n [gedaagde partij] heeft de zorgovereenkomst onrechtmatig beëindigd vanwege:\n\n- beëindiging zonder passende overdracht naar een andere aanbieder;\n\n- structurele afbouw van zorg zonder indicatie-aanpassing of deugdelijke motivering;\n\n- ondeugdelijk, eenzijdig en juridiserend zorgplanproces zonder instemming;\n\n- framing van autistisch gedrag als verwijtbaar gedrag;\n\n- sturende verslaglegging zonder hoor en wederhoor vanaf juni 2024;\n\n- onvoldoende zorgvuldigheid bij voorstellen voor alternatieve locaties.\n\nHet handelen van [gedaagde partij] heeft tot diverse soorten van schade bij [eisende partij] geleid.\n\n3.3.. \n [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. De verweren van [gedaagde partij] worden bij de navolgende beoordeling en de motivering daarbij betrokken.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [eisende partij] vordert enerzijds herstel van de zorgovereenkomst met [gedaagde partij] en hervatting van zorg op een locatie van [gedaagde partij] in de gemeente [woonplaats] . Daaraan ligt ten grondslag dat geen sprake is van gewichtige redenen die beëindiging van de zorgovereenkomst rechtvaardigen. Anderzijds vordert [eisende partij] schadevergoeding. Daaraan ligt ten grondslag dat [gedaagde partij] geen goede zorg heeft verleend en de zorgovereenkomst op ondeugdelijke gronden heeft beëindigd, en dat dit (wanprestatie en onrechtmatig handelen) schade voor [eisende partij] tot gevolg heeft gehad.\n\n4.2.. \n\nDe vorderingen van [eisende partij] nopen tot beantwoording van de vraag of [gedaagde partij] de zorgovereenkomst met [eisende partij] op goede gronden heeft mogen beëindigen. De rechtbank zal bij de beoordeling echter ook meteen de voor de schadevordering relevante vraag of [gedaagde partij] al dan niet goede zorg heeft verleend betrekken, omdat uit het debat tussen partijen duidelijk blijkt dat de beoordeling hiervan ook relevant is voor de vraag of [gedaagde partij] de zorgovereenkomst mocht beëindigen.\n\nIn de kern gaat deze zaak over de vraag of zowel [gedaagde partij] als [eisende partij] de op hen rustende verbintenissen die voortvloeien uit de tussen hen bestaande zorgovereenkomst over en weer voldoende deugdelijk zijn nagekomen.\n\n4.3.. Bij de beoordeling of [gedaagde partij] en [eisende partij] hun verbintenissen op grond van de zorgovereenkomst voldoende deugdelijk zijn nagekomen zijn de volgende juridische regels relevant.\n\nVolgens een van de kernbepalingen van de WGBO, artikel 7:453 BW, moet de hulpverlener ( [gedaagde partij] ) bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Op grond van artikel 2 Wkkgz moet de zorgaanbieder goede zorg aanbieden. Dat is zorg van goede kwaliteit en goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Ook moet de zorg voldoen aan de professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden. Daarnaast omvat goede zorg de plicht om de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht te nemen en de cliënt ook overigens respectvol te behandelen.\n\nOp grond van artikel 7:452 BW rust op de patiënt ( [eisende partij] ) de verplichting de hulpverlener naar beste weten de inlichtingen en de medewerking te geven die deze redelijkerwijs voor het uitvoeren van de overeenkomst behoeft.\n\n4.4.. Voorgaande regels laten zich samenvatten in die zin dat [gedaagde partij] de zorg dient te verlenen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot dat zou hebben gedaan en dat [eisende partij] [gedaagde partij] daarbij behulpzaam moet zijn en medewerking moet verlenen om die zorg aan hem te kunnen verlenen. Daarbij gaat het voor [gedaagde partij] om een inspanningsverplichting en niet om een resultaatsverplichting. Dit brengt mee dat, anders dan [eisende partij] bepleit, de enkele omstandigheid dat [gedaagde partij] na de beslissing van de Geschillencommissie gedurende de looptijd van de beëindigde zorgovereenkomst geen nieuw zorgplan, geen volledige uitvoering van een (oud of nieuw) zorgplan, geen dagbesteding zoals videografie en geen alternatieve huisvesting heeft gerealiseerd, nog niet de conclusie rechtvaardigt dat [gedaagde partij] is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen op grond van de zorgovereenkomst.\n\n4.5.. De rechtbank constateert dat [eisende partij] zijn verwijten in de dagvaarding nader heeft toegelicht met de producties 8, 9 en 13 waarin hij zijn reactie op in die producties beschreven gebeurtenissen en handelingen van [gedaagde partij] geeft en concludeert dat [gedaagde partij] na de beslissing van de Geschillencommissie de zorg aan hem heeft afgeschaald, zich heeft gericht op het zoeken naar een andere zorglocatie voor [eisende partij] en hem in verslaglegging negatief laat overkomen. De rechtbank constateert dat [gedaagde partij] tegenover de in 3.2. weergegeven verwijten aan [gedaagde partij] op het punt van de zorg en tegenover voormelde producties van [eisende partij] bij conclusie van antwoord als productie 1 een (als vertrouwelijk aangeduide) tijdlijn met een beschrijving van gebeurtenissen en handelingen van [gedaagde partij] en van [eisende partij] heeft overgelegd.\n\n4.6.. Vanwege de aangeduide vertrouwelijkheid - vanwege patiëntinformatie - van productie 1 van [gedaagde partij] zal de rechtbank in de navolgende motivering hieruit niet citeren. De rechtbank ziet in de opmerkingen en conclusies van [eisende partij] in zijn producties 8, 9 en 13 zijn persoonlijke visie en beleving over\u002Fvan weergegeven gebeurtenissen en handelingen. Wat daarbij ontbreekt zijn echter feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat [gedaagde partij] geen inspanningen gericht op zorgverlening heeft verricht, dat [gedaagde partij] louter gericht is geweest op verplaatsing van [eisende partij] en dat [gedaagde partij] [eisende partij] in een kwaad daglicht heeft willen plaatsen. Wat resteert is dan de louter persoonlijke beleving van [eisende partij] op deze punten. Dat volstaat echter niet om aan die beleving ook rechtsgevolgen te kunnen verbinden.\n\n4.7.. \n [gedaagde partij] heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat het debat in het kort geding destijds is gevoerd op grond van dezelfde argumenten als die welke in deze bodemprocedure zijn vermeld, waaronder de door [gedaagde partij] opgestelde tijdlijn van 7 maart 2025. De rechtbank constateert dat de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 28 mei 2025 voor zijn motivering heeft geput uit feiten en omstandigheden zoals vermeld in die tijdlijn. Anders dan op de zitting van 2 juni jl. door [eisende partij] is betoogd, acht de rechtbank de motivering van de voorzieningenrechter, voor zover die ziet op onderwerpen die ook in deze bodemzaak aan de orde zijn, inzichtelijk en deugdelijk. Het gaat dan om de overwegingen over de houding en het gedrag van [eisende partij] bij de inspanningen van [gedaagde partij] om te komen tot het verlenen van zorg op grond van het bestaande (mondelinge) zorgplan, over de houding en het gedrag van [eisende partij] bij de inspanningen van [gedaagde partij] om te komen tot het opstellen en ondertekenen van een nieuw zorgplan, over de houding en het gedrag van [eisende partij] bij de inspanningen van [gedaagde partij] om te komen tot het vinden van een passende zorglocatie elders dan in de [locatie 1] en over het handelen van [gedaagde partij] rondom de beëindiging van de zorgovereenkomst. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 6.5. tot en met 6.16 van het kortgedingvonnis van 28 mei 2025 en neemt die over.\n\n4.8.. De rechtbank overweegt aanvullend het volgende. De rechtbank komt op grond van de in 4.5. vermelde producties van beide partijen en uit hetgeen partijen in de processtukken en ter zitting naar voren hebben gebracht tot een aantal constateringen en overwegingen.\n\n4.9.. Allereerst overweegt de rechtbank dat de Geschillencommissie niet heeft beslist dat [gedaagde partij] tekort is geschoten in het opstellen van een zorgplan. De overwegingen in de uitspraak van de commissie vermelden daarover niets. Integendeel, de commissie overweegt dat [gedaagde partij] haar zorgtaken dient uit te voeren zoals die in het zorgplan staan. Verder brengt het standpunt van [eisende partij] dat de uitspraak partijen bindt mee dat [gedaagde partij] ook de overweging dat [gedaagde partij] in overleg met het Zorgkantoor het vinden van een passende zorglocatie elders dient te bespoedigen, dient op te volgen. Reeds hierom is het verwijt van [eisende partij] dat [gedaagde partij] zich na de uitspraak heeft ingespannen een dergelijke zorglocatie te vinden ongegrond. Bovendien is [gedaagde partij] op grond van de zorgovereenkomst bevoegd [eisende partij] op een locatie elders binnen [gedaagde partij] woonruimte en zorg te bieden, welke bevoegdheid zij gelet op de kritiek op de zorg op de locatie de [locatie 1] in redelijkheid kon aanwenden.\n\n4.10.. \n [gedaagde partij] heeft met de op het gebied van ASS deskundige medewerkers voor [eisende partij] passende zorglocaties uitgezocht en deze aan hem voorgesteld. [eisende partij] heeft zich op het standpunt gesteld dat deze locaties niet passend zijn omdat hem niet de juiste zorg kan worden geboden. De rechtbank constateert dat dit standpunt niet is gemotiveerd met verwijzing naar een zorgplan, hetgeen zich laat verklaren doordat [eisende partij] het laatstelijk door [gedaagde partij] aangehouden zorgplan niet heeft geaccepteerd. Evenmin is het standpunt gemotiveerd met de bevindingen en conclusies van een in ASS gespecialiseerde beroepsbeoefenaar. De persoonlijke mening van [eisende partij] is ontoereikend om de conclusie te rechtvaardigen dat de voorgestelde zorglocaties niet passend zijn.\n\n4.11.. \n [gedaagde partij] heeft zich (voor en) na de uitspraak van de Geschillencommissie ingespannen om te komen tot het opstellen van een nieuw zorgplan en tot het verlenen van zorg inclusief de door [eisende partij] gewenste individuele dagbesteding, met name het maken van video’s. Dat [gedaagde partij] daadwerkelijk zorg heeft verleend blijkt genoegzaam uit de door [eisende partij] in zijn producties (zie 4.5.) vermelde zorgcontacten. Ook blijkt uit de door [gedaagde partij] overgelegde tijdslijn (productie 1) dat [gedaagde partij] naar meer zorgcontacten heeft gestreefd en een vrijwilliger voor het maken van video’s had gevonden. Tot slot blijkt uit die tijdslijn (en de producties van [eisende partij] ) ook dat [gedaagde partij] heeft gestreefd om met betrokkenheid van [eisende partij] te komen tot het tot stand brengen van een nieuw zorgplan. De rechtbank constateert dat [eisende partij] niet heeft weersproken dat hij meermalen bezoekers ten behoeve van zorgverlening niet heeft toegelaten en dat hij meermalen medewerking aan het tot stand brengen van een nieuw zorgplan heeft geweigerd of toezeggingen en afspraken daarover heeft gewijzigd of ingetrokken. Van bewust afschalen van zorg door [gedaagde partij] is niet gebleken; [gedaagde partij] heeft zich ingespannen passende zorg te bieden.\n\n4.12.. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat [gedaagde partij] aan de op haar op grond van de zorgovereenkomst rustende inspanningsverbintenis heeft voldaan, voor zover de houding en het gedrag van [eisende partij] dat mogelijk maakte. Dat oordeel van de rechtbank zou anders kunnen zijn geweest indien [eisende partij] aanknopingspunten zou hebben geboden die steun bieden voor zijn betoog dat de oorzaak voor zijn hierboven beschreven houding en gedrag is gelegen in zijn aandoening ASS. Dergelijke aanknopingspunten heeft [eisende partij] niet gegeven. Dat was in deze procedure wel van hem te vergen nu tussen partijen vaststaat dat [eisende partij] tot in 2021 vele jaren zonder problemen met dezelfde aandoening bij [gedaagde partij] heeft gewoond en in zorg is geweest en wel op een locatie die speciaal is toegerust voor personen met de aandoening ASS. De rechtbank honoreert daarom niet het verzoek om nu alsnog een deskundige op dit punt onderzoek te laten verrichten. De conclusie is dan ook dat [eisende partij] wel is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende verbintenis om aan de zorgverleners de van hem te vergen medewerking te verlenen.\n\n4.13.. Het gevolg van de houding en het gedrag van [eisende partij] is geweest dat [gedaagde partij] aan [eisende partij] niet de zorg heeft kunnen geven die zij op grond van de zorgovereenkomst aan hem had willen geven, dat de verhoudingen op die locatie ernstig zijn verstoord en dat [gedaagde partij] ook geen plaatsing van [eisende partij] op een passende locatie binnen (of buiten) [gedaagde partij] heeft kunnen realiseren. Evenals de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat deze feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7:460 BW voor [gedaagde partij] om de zorgovereenkomst te beëindigen.\n\n4.14.. \n [gedaagde partij] heeft de vereiste zorgvuldigheid betracht door voorafgaand aan de beëindiging meerdere duidelijke waarschuwingen te geven en intussen zich in te spannen om de noodzakelijke zorg te verlenen en een passende zorglocatie elders te zoeken.\n\n4.15.. De conclusie is dat [gedaagde partij] niet is tekort geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis tot het verlenen van goede zorg en dat evenmin sprake is van onrechtmatig handelen met betrekking tot de beëindiging van de zorgovereenkomst.\n\n4.15.. Waar geen sprake is van wanprestatie of onrechtmatige daad is er ook geen grond voor schadevergoeding aan [eisende partij] .\n\n4.16.. De slotsom is dat alle vorderingen van [eisende partij] een deugdelijke feitelijke en juridische grondslag ontberen en daarom moeten worden afgewezen.\n\n4.17.. \n [eisende partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde partij] betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.995,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.672,00\n\n(2 punten × € 836,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.856,00\n\n4.18.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eisende partij] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5311","2026-07-13T00:29:09.646Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":88},"1562","ECLI:NL:RBAMS:2026:5577","ecli-nl-rbams-2026-5577",56,"2026-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: AMS 25\u002F5185\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres], uit [woonplaats], eiseres\n\nwettelijke vertegenwoordiger van [de persoon]\n\n(gemachtigde: mr. R. Imkamp),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E. Mensing van Charante).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een bruikleenauto. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een bruikleenauto in verband met de medische beperkingen van haar dochter [de persoon]. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de zus van [de persoon], de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3.1.. \n [de persoon] is vijftien jaar oud, is verstandelijk gehandicapt en heeft lichamelijke beperkingen. [de persoon] is rolstoelafhankelijk vanwege een ontwikkelingsachterstand en de aandoeningen congenitale arthrogryposis multiplex (een ziekte met als gevolg standsafwijkingen van haar gewrichten en spierzwakte), scoliose en de ziekte van Willebrand (een stollingsziekte). Ook lijdt [de persoon] sinds 2016 aan epilepsie, inmiddels met zeer frequente aanvallen. [de persoon] is zeer moeilijk lerend en heeft een zorgindicatie op basis van de Wet langdurige zorg.\n\n3.2.. Op 24 december 2024 heeft eiseres een bruikleenauto aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) voor het vervoer van [de persoon]. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder Argonaut gevraagd een onderzoek te doen en advies uit te brengen. Op 18 februari 2025 heeft Argonaut een negatief advies uitgebracht voor een bruikleenauto en een positief advies voor Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV) samenreizend. Volgens Argonaut is een bruikleenauto niet de goedkoopste geschikte oplossing voor het vervoer van [de persoon]. De goedkoopste geschikte oplossing voor [de persoon] is het AOV in combinatie met de rolstoel met hulpaandrijving. Er is door de arts vastgesteld dat er geen medische noodzaak is voor een bruikleenauto. Verweerder heeft het advies van Argonaut overgenomen en de aanvraag afgewezen op 5 maart 2025.\n\n3.3.. In bezwaar heeft eiseres een aanvullende verklaring van de behandelend kinderneuroloog van [de persoon], daterend van 30 juni 2025, overgelegd. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aangevoerd dat de aanvullende verklaring van de kinderneuroloog van 30 juni 2025 niet is meegenomen in het advies van Argonaut en het bestreden besluit. Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder in de beroepsfase Argonaut opnieuw om advies gevraagd.\n\n3.4.. In dit advies van 15 januari 2026 blijft Argonaut bij een negatief advies voor een bruikleenauto maar wordt positief geadviseerd voor AOV individueel reizen met begeleiding.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de afwijzing van een bruikleenauto niet in stand kan blijven omdat de aangevoerde medische klachten, bezwaren en argumenten door Argonaut onvoldoende zijn meegewogen. Verweerder heeft volgens eiseres niet draagkrachtig onderbouwd dat het AOV verantwoord en passend is, en alleen al hierom dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Ten eerste is het AOV niet passend omdat de chauffeur altijd zeer voorzichtig moet rijden zodat [de persoon] zich niet stoot, in verband met haar stollingsstoornis. Er moet voor [de persoon] heel rustig gereden worden om blauwe plekken te voorkomen, omdat zij anders naar het ziekenhuis moet en dit dus voor haar grote nadelige gevolgen kan hebben. Ten tweede is het AOV niet passend vanwege de wachttijden. De vervoersbehoefte van [de persoon] is namelijk niet altijd planbaar en [de persoon] kan niet lang in haar rolstoel stilzitten terwijl zij wacht op het AOV. Ten derde, en meest belangrijke reden dat [de persoon] geen gebruik kan maken van het AOV, is gelegen in haar epilepsie. [de persoon] krijgt snel stress van mensen die zij niet kent, zoals de wisselende chauffeurs in het AOV, en stress zorgt bij [de persoon] voor een verhoging van de kans op epileptische consulten. Dit blijkt ook uit de medische stukken van de kinderneuroloog. Daar komt bij dat verweerder door enkel de vraag te beantwoorden of een bruikleenauto ‘medisch noodzakelijk is’ een te beperkt afwegingskader heeft gehanteerd gelet op de -ruimere- compensatieplicht van artikel 2.3.5 van de Wmo. Het gaat er immers om dat verweerder aannemelijk moet maken dat met het AOV een passende voorziening is toegekend waarmee [de persoon] daadwerkelijk gebruik kan maken van vervoer en waarmee zij kan participeren.\n\n5.1.. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit uitgaan van het advies van een (medisch) deskundige, als is nagegaan of dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is, begrijpelijk is gemotiveerd en het de conclusies kan dragen. Dit is de zogenaamde vergewisplicht.Het is dan vervolgens aan de aanvrager om met medische stukken aannemelijk te maken dat het medisch advies niet klopt. Zijn er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren gebracht, dan mag niet zonder meer van het advies van de deskundige worden uitgegaan.\n\n5.2.. Ten aanzien van de argumenten van eiseres over de stollingsziekte van [de persoon] en de wachttijden bij het AOV is de rechtbank van oordeel dat Argonaut deze punten voldoende, inzichtelijk en zorgvuldig heeft meegewogen in het medisch advies. Ten aanzien van deze twee punten kan het medisch advies van Argonaut de conclusie dragen dat er geen medische noodzaak is voor een bruikleenauto en dat [de persoon] met individueel AOV voldoende wordt gecompenseerd. Argonaut heeft in het advies betrokken dat met de stollingsziekte rekening moet worden gehouden maar als het gaat om het gebruik van AOV, de kans nihil is dat zich hierbij impulsen zullen voordoen die kunnen leiden tot schade door deze stoornis en noodzaak voor medisch ingrijpen. Dit is wellicht anders als het AOV een ongeval krijgt, maar dat geldt ook voor het gebruik van een bruikleenauto. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat de chauffeurs van het AOV gewend zijn om kwetsbare mensen te vervoeren en dat bij AOV individueel een begeleider van [de persoon] mee kan reizen en de chauffeur, voor zover nodig, kan wijzen op het rustig rijden. Daarnaast heeft Argonaut in het advies meegewogen dat de orthopedisch chirurg aangeeft dat langdurig in een houding zitten ongewenst is maar dat dit niet in de weg staat aan het gebruik van het AOV. Bij AOV individueel reizen gaat het namelijk om korte wachttijden van maximaal een half uur. Tegen een dergelijke belasting is geen bezwaar. Bovendien blijkt uit de stukken van de orthopedisch chirurg niet hoe lang [de persoon] in een houding kan zitten en heeft eiseres op de zitting toegelicht dat [de persoon] (maximaal) een half uur kan wachten.\n\n5.3.. Wat betreft het punt van eiseres over de epilepsie van [de persoon], is de rechtbank van oordeel dat het advies van Argonaut niet inzichtelijk is, niet begrijpelijk is gemotiveerd en de conclusie niet kan dragen. Het idee achter de Wmo is dat beperkingen worden gecompenseerd, en niet dat beperkingen erger worden door een toegekende voorziening. Er moet dus beoordeeld worden of AOV individueel reizen met begeleiding de beperkingen van [de persoon] voldoende compenseert en of dit niet de beperkingen van [de persoon] verergert.\n\n5.4.. In de gronden van beroep wordt aangevoerd dat [de persoon] snel stress krijgt van mensen die zij niet kent, waaronder wisselende chauffeurs, en dat stress juist zorgt voor een verhoging van de kans op epileptische aanvallen. Eiseres heeft dit standpunt deels onderbouwd met de verklaring van de kinderneuroloog. Uit de verklaring van de kinderneuroloog volgt dat er een duidelijke relatie is tussen de epileptische aanvallen en spanning en stress. Oftewel, als [de persoon] spanning en stress ervaart, worden haar epileptische aanvallen erger. Dit punt staat tussen partijen ook niet ter discussie.\n\n5.5.. De cruciale vervolgvraag is dus of AOV individueel reizen met begeleiding (te veel) spanning oproept. Of dit wel of niet zo is, blijkt niet uit het dossier en de medische verklaringen. In de verklaring van de kinderneuroloog staat weliswaar dat het AOV spanning oproept, maar niet welke vorm van AOV dit betreft en ook niet welk aspect van het AOV deze spanning veroorzaakt. Daarnaast is het ook niet aan de kinderneuroloog om te beoordelen of AOV spanning oproept.\n\n5.6.. Echter, de conclusie van Argonaut dat ‘het oproepen van spanning en stress bij het gebruik van AOV niet onder de deskundigheid van de neuroloog valt en is gebaseerd op hetgeen de ouders haar hebben verteld’ is naar het oordeel van de rechtbank te kort door de bocht. De verklaring van de kinderneuroloog geeft immers wel aanknopingspunten voor mogelijk te veel spanning bij het AOV. Nu het specifieke punt, of vreemde chauffeurs te veel spanning veroorzaken, niet volgt uit de verklaring van de kinderneuroloog, maar wel cruciaal is voor de beoordeling, had het op de weg van Argonaut gelegen om over dit punt meer informatie op te vragen en contact op te nemen met de kinderneuroloog. Dat is niet gebeurd of daarover is niets opgeschreven in het advies van Argonaut.\n\n5.7.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de afwijzing van de aanvraag voor een bruinleenauto niet op de adviezen van Argonaut mocht baseren omdat het advies om de bovengenoemde redenen gebrekkig is. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de op hem rustende vergewisplicht van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld, het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig voorbereid, en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6.1.. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen over de vraag of eiseres in aanmerking komt voor de gevraagde voorziening omdat verweerder opnieuw onderzoek moet doen naar de medische situatie van [de persoon]. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.\n\n6.2.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 28 juli 2025;\n\n- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. J.C.M. Schilder, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:466.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5577","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.244Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":97},"328","ECLI:NL:RBROT:2026:7506","ecli-nl-rbrot-2026-7506",61,"2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F5845\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college\n\n(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om geen Europese gehandicaptenparkeerkaart voor passagiers (EGP-P) aan de dochter van eiseres toe te kennen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de aanvraag voor een EGP-P heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. De dochter van eiseres heeft op 17 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een EGP-P. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 30 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Op 11 november 2024 heeft een arts van het Team Sociaal Medische Advisering (SMA) een medisch advies uitgebracht naar aanleiding van de aanvraag van de dochter van eiseres. Uit dit advies blijkt – voor zover relevant – dat de dochter van eiseres een aantoonbare loopbeperking heeft van langdurig aard, dat zij van deur tot deur continu afhankelijk is van de bestuurder en dat de maximale loopafstand wordt geschat op 250-500 meter. Zij wordt dus in staat geacht om meer dan 100 meter zelfstandig te lopen en er zijn ook geen aantoonbare andere ernstige beperkingen, anders dan een loopbeperking.\n\n3.1.. \n\nMet het primaire besluit heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat de dochter van eiseres niet voldoet aan criteria voor een EGP-P. Met het bestreden besluit heeft het college zijn standpunt gehandhaafd. Het college is van mening dat de dochter van eiseres niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor een EGP-P en dat de\n\nSMA-arts een volledig beeld heeft gehad van haar medische situatie. Ook is er volgens het college geen reden om de hardheidsclausule toe te passen. Anders dan de loopbeperking is er geen andere aantoonbare ernstige beperking die het toekennen van de kaart alsnog rechtvaardigt, aldus het college.\n\nStandpunt eiseres\n\n4. Eiseres voert aan dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen, terwijl de dochter van eiseres een erkende medische diagnose heeft. Zij heeft nog steeds, net als een aantal jaar geleden toen er wel een EGP-P is verstrekt, continu intensieve begeleiding nodig. De situatie van de dochter is dus onveranderd en haar beperkingen rechtvaardigen het alsnog toekennen van een EGP-P.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. Het college kan een EGP-P verstrekken als er voldaan is aan de bij ministeriele regeling gestelde criteria.Voor een gehandicaptenkaart kunnen in aanmerking komen – voor zover voor de uitspraak van belang – passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurderen bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.\n\n5.1.. De rechtbank overweegt als volgt. De SMA-arts heeft de dochter van eiseres gezien tijdens een spreekuur, heeft een lichamelijk en oriënterend psychologisch onderzoek verricht, heeft nadere vragen gevragen gesteld en het medisch dossier als ook de specialistenbrief van 24 september 2024 bestudeerd. De SMA-arts heeft vervolgens geconcludeerd dat de dochter van eiseres met haar loopbeperking meer dan 100 meter zelfstandig kan lopen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan het medisch advies van de SMA-arts. Eiseres heeft ook geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar dochter minder dan 100 meter zelfstandig kan lopen. De brief van 28 januari 2019 waar eiseres naar verwijst betreft de medische situatie van de dochter zes jaar geleden. De arts heeft in het aanvullend advies van 19 mei 2025 toegelicht dat zij destijds onder andere afhankelijk was van sondevoeding. Zes jaar geleden was de conclusie dat de dochter van eiseres minder dan 100 meter kan lopen, maar de huidige medische situatie is nu anders en op dat punt verbeterd. Dit betekent dat de dochter van eiseres als passagier niet in aanmerking komt voor een EGP-P, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, eerste lid, onder b van de Regeling gehandicaptenkaart.\n\n5.2.. Ook het beroep op de hardheidsclausuleslaagt niet. Volgens de toelichting op de Regeling gehandicaptenkaart (Staatscourant 2001, 130, pagina 12) gaat het bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling om een hardheidsclausule die kan worden toegepast als de aanvrager van de kaart ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare ernstige beperking heeft anders dan een loopbeperking, die het hebben van een gehandicaptenparkeerkaart rechtvaardigt.\n\n5.3.. De SMA-arts bevestigt in het aanvullend advies van 19 mei 2025 dat de dochter van eiseres snel overprikkeld is en geen situationeel bewustzijn heeft in een openbare ruimte en daarom nog steeds afhankelijk is van begeleiding. Wel concludeert de SMA-arts dat de neurologische aandoening voldoende onder controle is. Dat wat door eiseres is aangevoerd is door de SMA-arts meegewogen in het oordeel dat er geen sprake is van een aantoonbare ernstige beperking anders dan een loopbeperking. De rechtbank kan zich voorstellen dat het voor eiseres niet gemakkelijk is, maar heeft geen aanknopingspunten om anders te oordelen.\n\n5.4.. Gelet op het voorgaande, heeft het college zich mogen baseren op het advies van de SMA-arts en dus terecht de aanvraag van de dochter van eiseres afgewezen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht de aanvraag voor een EGP-P heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd te tekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer.\n\n Artikel 1, eerste lid, onder b, van de Regeling gehandicaptenkaart.\n\n Artikel 1, eerste lid, onder d, van de Regeling gehandicaptenkaart.\n\n Artikel 1, eerste lid, onder d, van de Regeling gehandicaptenkaart.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7506","2026-07-13T00:28:24.634Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":105,"parsedAt":51,"updatedAt":106},"292","ECLI:NL:RBROT:2026:7145","ecli-nl-rbrot-2026-7145","2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F3279\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. J.J.A Leemans),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college\n\n(gemachtigde: mr. S. Ercan).\n\nInleiding\n\n1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 5 augustus 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. In een uitspraak van 28 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.\n\n3. Met een besluit van 3 april 2026 op het bezwaar van verzoeker (het bestreden besluit) heeft het college de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n4. Over dit verzoek gaat deze uitspraak. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n5. Verzoeker lijdt aan ernstige astma. Verzoeker beschikte over een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder (een gehandicaptenparkeerkaart), die op 3 oktober 2025 is verlopen. Op 5 juni 2025 heeft verzoeker een aanvraag om verlenging van de gehandicaptenparkeerkaart ingediend. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag van verzoeker afgewezen. Volgens het college is verzoeker namelijk in redelijkheid in staat om zelfstandig (eventueel met gebruik van hulpmiddelen) een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te overbruggen. Het college heeft dit standpunt gebaseerd op een medisch advies van [arts 1] (hierna: [arts 1] ), arts bij het Team Sociaal Medische Advisering (hierna: Team SMA) van 4 augustus 2025.\n\n6. In de bezwaarfase heeft verzoeker [arts 2] (hierna: [arts 2] ), als arts verbonden aan het expertisebureau Trompetter & partners, verzocht een contra-expertise uit te voeren. [arts 2] is in zijn rapport van 22 januari 2026 tot de conclusie gekomen, kort gezegd, dat verzoeker niet in staat is om in redelijkheid een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk lopend af te leggen.\n\n7. In een e-mail van 27 februari 2026 heeft [arts 3] , een andere arts van het Team SMA, hierop gereageerd, mede namens [arts 1] . In deze e-mail hebben de artsen geconcludeerd dat het rapport van [arts 2] geen aanleiding geeft om het eerdere medische advies te herzien.\n\n8. Het college heeft vervolgens in het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart gehandhaafd.\n\nHet standpunt van verzoeker\n\n9. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van de gehandicaptenparkeerkaart. Hij voert daartoe aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verzoeker in het verleden wel in aanmerking kwam voor een gehandicaptenparkeerkaart en op dit moment niet meer. De arts van het Team SMA heeft een te theoretische benadering gehanteerd bij het onderzoek en heeft onvoldoende rekening gehouden met de aard en de variabiliteit van de aandoening van verzoeker. Het college heeft bovendien een aanvullend rapport van [arts 2] van 26 maart 2026 ten onrechte niet bij het bestreden besluit betrokken. Ook heeft het college het fair play-beginsel geschonden door geen onafhankelijke derde deskundige in te schakelen. Verzoeker wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat aan hem tijdelijk een gehandicaptenparkeerkaart wordt verstrekt, totdat op het beroep is beslist.\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n10. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.\n\n11. Voldoende aannemelijk is geworden dat de afwijzing substantiële gevolgen heeft voor de mobiliteit van verzoeker. Evenals in de uitspraak van 28 oktober 2025 zal de voorzieningenrechter daarom een spoedeisend belang aannemen.\n\nHerhaald verzoek om een voorlopige voorziening\n\n12. Naar vaste rechtspraak is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het bezwaar is beslist en – wanneer vervolgens beroep wordt ingesteld – de rechtbank op dat beroep heeft beslist. Een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening kan alleen voor toewijzing in aanmerking komen als de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden die toewijzing van zo’n verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval als sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter of van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.\n\n13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden, nu verzoeker in de bezwaarfase een tegenrapport heeft overgelegd waarvan de conclusie afwijkt van de medische beoordeling van de arts van het Team SMA. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening dus inhoudelijk behandelen. Dit is tussen partijen overigens niet in geschil.\n\nWat zijn de toepasselijke regels?\n\n14. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (de Regeling) kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke hulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen.\n\n15. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.\n\nHet verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen\n\n16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De voorzieningenrechter licht dit oordeel als volgt toe. Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend in de beroepsprocedure.\n\n17. Het college heeft de weigering van de aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart gebaseerd op het medisch advies van de arts van het Team SMA van 4 augustus 2025 en op de e-mail van de twee artsen van het Team SMA van 27 februari 2026. Het bestuursorgaan mag, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.Indien de betrokkene een tegenrapport overlegt, moet worden beoordeeld of er op basis daarvan aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van het medisch advies.\n\n18. Verzoeker heeft met het rapport van [arts 2] een uitgebreid gemotiveerd rapport met een tegengestelde conclusie overgelegd. In het rapport van [arts 2] is onder meer vermeld dat, hoewel verzoeker met zijn longfunctie over een redelijke inspanningstolerantie en duurbelastbaarheid beschikt, de prikkelgevoeligheid van de luchtwegen, door specifieke en aspecifieke prikkels, maakt dat de longfunctie frequent veel beperkter is. In de e-mail van 27 februari 2026 hebben de artsen van het Team SMA hierop gereageerd. In deze e-mail is onder meer vermeld dat de gevoeligheid voor aspecifieke prikkels niet naar voren komt uit de medische informatie. De artsen zien geen reden om van het eerdere advies terug te komen. In zijn nadere rapport van 26 maart 2026 heeft [arts 2] op deze e-mail gereageerd. Hierin is onder meer vermeld dat [arts 2] de conclusie van de artsen van het Team SMA dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor een gehandicaptenparkeerkaart, niet redelijk vindt en niet passend bij de medische situatie van verzoeker. [arts 2] heeft er in zijn nadere rapport op gewezen dat een maximale loopafstand altijd een schatting is en dat de geschatte maximale afstand van 100-250 op zijn beperktst nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een gehandicaptenparkeerkaart. Het college heeft dit nadere rapport niet voorgelegd aan een arts van het Team SMA.\n\n19. Hoewel het nadere rapport van [arts 2] op het punt van de aspecifieke prikkels niet geheel duidelijk is, heeft de voorzieningenrechter toch te veel twijfel aan de juistheid van de door de artsen van Team SMA getrokken conclusie dat verzoeker in redelijkheid in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Hierbij is met name ook het volgende van belang. Uit het medisch advies van 4 augustus 2025 blijkt dat de arts van het Team SMA zelf ook uitgaat van een forse en aantoonbare loopbeperking als gevolg van de chronische luchtwegaandoening van verzoeker. Verder staat in het advies: “Schatting van de maximale loopafstand: 100-250 meter”. De arts schat dus in dat verzoeker in het slechtste geval maximaal 100 meter lopend kan overbruggen. Daarvan uitgaande zou verzoeker wél in aanmerking komen voor een gehandicaptenparkeerkaart. Dat is immers het geval als verzoeker niet in staat is om zelfstandig een afstand van “meer dan” 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Ook als de schatting van de maximale loopafstand zo moet worden begrepen dat verzoeker wel iets meer dan 100 meter zou moeten kunnen lopen, neemt dit de twijfel niet weg. De geschatte maximale afstand komt dan nog steeds heel dicht bij de afstand die wel recht geeft op een gehandicaptenparkeerkaart.\n\n20. De voorzieningenrechter betrekt verder bij zijn oordeel dat bovenaan de reactie van de artsen van het Team SMA op het rapport van [arts 2] is vermeld: “Nee, deze contra-expertise geeft geen aanleiding het eerdere advies te herzien. Allereerst het is afkomstig van een commercieel adviesbureau. Deze moet u per definitie direct opzij leggen.” Hoewel het college hiervan in het bestreden afstand heeft genomen en heeft benadrukt dat de artsen wel inhoudelijk op het rapport van [arts 2] zijn ingegaan, draagt deze opmerking niet bij aan het vertrouwen dat het rapport van [arts 2] voldoende serieus is genomen.\n\n21. Er bestaat al met al op dit moment te veel twijfel of het bestreden besluit in beroep stand zal houden. Nu daarnaast verzoeker vóór 3 oktober 2025 jarenlang wel over een gehandicaptenparkeerkaart heeft beschikt en hij genoegzaam heeft toegelicht dat het ontbreken van een zo’n kaart voor hem een substantiële belemmering van zijn mobiliteit betekent, ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudend dat het college verzoeker moet behandelen als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.Conclusie en gevolgen\n\n22. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat verzoeker moet worden behandeld als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.\n\n23. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Het rapport van [arts 2] is ook in de beroepsprocedure ingediend. Over de vraag of het college ook de kosten van dat rapport dient te vergoeden, zal in de beroepsprocedure een beslissing genomen worden.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- treft de voorlopige voorziening dat het college verzoeker moet behandelen als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken na de uitspraak op het beroep;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141.\n\n In het medische advies is verwezen naar Richtlijn gehandicaptenkaart 2022 van de Vereniging Artsen Volksgezondheid.\n\n Zie de uitspraak van de Raad van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1609.\n\n Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:516, en van de Raad van 8 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2238.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7145","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.984Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":111,"fullText":112,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":114},"317","ECLI:NL:RBROT:2026:7499","ecli-nl-rbrot-2026-7499","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F1037\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. N. Roos),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de aanvraag van eiser heeft afgewezen.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Het UWV heeft de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering met het primaire besluit van 22 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S.C. van Paridon als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.\n\nTotstandkoming bestreden besluit\n\n3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] . Op zijn dertiende is hij naar [stad] verhuisd waar hij tot en met zijn vijfentwintigste heeft gewoond.\n\n3.1.. Op 12 juli 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wajong.\n\n3.2.. Met het besluit van 22 juli 2024 heeft het UWV de aanvraag afgewezen, omdat eiser op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland of een land van de EU, EER of Zwitserland woonde. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.\n\n3.3.. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser heeft het UWV de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser niet als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt omdat hij op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland woonde. Volgens het UWV is ook niet gebleken van een duurzame band van persoonlijke aard tussen eiser en Nederland.\n\nWettelijk kader\n\n4. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIngezetene in de zin van de Wajong\n\n5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op [datum] 2010, de dag dat hij achttien jaar is geworden, niet in Nederland woonde maar in [stad] . Wat partijen nog verdeeld houdt is de vraag of eiser op zijn achttiende verjaardag een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en hij dus als ingezetene in de zin van de Wajong moet worden aangemerkt.\n\n5.1.. Eiser voert aan dat de duurzame band van persoonlijk aard tussen hem en Nederland altijd heeft blijven bestaan. Hierbij is volgens eiser van belang dat hij in Nederland is geboren, alleen de Nederlandse nationaliteit heeft, enkel de Nederlandse taal spreekt en dat hij tot zijn dertiende in Nederland heeft gewoond. Hij is gevormd naar het in Nederland geldende gemeenschappelijk systeem van normen en waarden. Eiser heeft zich altijd alleen maar Nederlander gevoeld. De enkele omstandigheid dat eiser vanaf zijn dertiende tot en met zijn vijfentwintigste buiten Nederland heeft gewoond is volgens eiser onvoldoende om te kunnen concluderen dat er geen sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen hem en Nederland. Alle feiten en omstandigheden moeten worden meegenomen en eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2838).\n\n5.2.. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep komt het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.\n\n5.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet kan worden geconcludeerd dat eiser op zijn achttiende verjaardag een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en dus als ingezetene kan worden aangemerkt. Weliswaar heeft hij een groot deel van zijn jeugd in Nederland doorgebracht, maar dat gegeven maakt niet dat eiser op zijn achttiende een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Ook het in bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit, het spreken van de Nederlandse taal en de enkele stelling dat eiser de intentie had om naar Nederland te verhuizen en zich altijd Nederlander heeft gevoeld, maken niet dat sprake is van een dergelijke band.\n\n5.4.. Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie van eiser niet vergelijkbaar met de door eiser aangehaalde uitspraak van de Raad van 22 juli 2016. In die zaak was de betrokkene door zijn ouders gedurende een periode bij familie in het buitenland ondergebracht in de hoop dat hij op een alternatieve wijze kon worden geholpen om van zijn aandoening af te komen. De ouders van de betrokkene bleven in Nederland wonen en bezochten hem diverse keren per jaar. Ook verbleef de betrokkene jaarlijks in de zomer gedurende twee maanden bij zijn ouders in Nederland en bleef hij voor de ziektekosten meeverzekerd bij zijn ouders. Van soortgelijke omstandigheden is in het geval van eiser niet gebleken.\n\n5.5.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nEvenredigheidsbeginsel\n\n6. Eiser heeft verder een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel en verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024.Eiser voert aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden omdat hij vanaf zijn geboorte tot en met zijn dertiende levensjaar in Nederland heeft verbleven en niet uit eigen wil Nederland heeft verlaten. Hij was afhankelijk van de keuze die zijn ouders hebben gemaakt om naar [stad] te verhuizen. Volgens eiser heeft de wetgever deze gevolgen, namelijk dat eiser onder deze omstandigheden niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, niet dan wel onvoldoende overzien en niet als zodanig geaccepteerd. Om die redenen is er in dit geval aanleiding om tot een andere uitkomst te komen dan de uitkomst waartoe strikte toepassing van de wet leidt.\n\n6.1.. De rechtbank overweegt dat de Wajong, een wet in formele zin, niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Dit is slechts anders als in bepaald geval de toepassing van een bepaling vanwege bijzondere omstandigheden waarmee de wetgever bij het maken van de wetgeving geen rekening heeft gehouden, in strijd zou kunnen komen met een fundamenteel rechtsbeginsel of (ander) ongeschreven recht. Dit is bijvoorbeeld het geval als de gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling niet overeenkomt met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.\n\n6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is van zo’n situatie geen sprake. Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest om de kring van uitkeringsgerechtigden te beperken tot personen die op hun achttiende verjaardag als ingezetenen van Nederland kunnen worden beschouwd.De Wajong geeft de wetgever ook de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur de kring van ingezetenen uit te breiden en te beperken.Niet in geschil is dat eiser ook op grond daarvan niet kan worden aangemerkt als ingezetene. Er moet dus worden aangenomen dat de wetgever de gevolgen van het begrip ingezetene in aanmerking heeft genomen, namelijk dat iemand die voor zijn achttiende verjaardag naar het buitenland is verhuisd en op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland woont, geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Dat eiser als dertienjarig kind volledig afhankelijk was van zijn ouders die hebben besloten om met hem naar [stad] te verhuizen, is dus geen bijzondere omstandigheid waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden en waarvan hij de gevolgen niet heeft overzien.\n\n6.3.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.\n\nde griffier is verhinderd te tekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels\n\nWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten\n\nArtikel 1:2 Ingezetene\n\n1. Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon, die in Nederland woont.\n\n2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan het begrip ingezetene.\n\n3. Voor de persoon die op grond van het tweede lid als ingezetene wordt aangemerkt, doch buiten Nederland woont, gelden de bepalingen van deze wet, met inachtneming van de specifieke regels die in deze wet ten aanzien van deze persoon zijn gesteld.\n\nArtikel 1:3 Woonplaats\n\n1. Waar een natuurlijk persoon woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld.\n\n(…)\n\nArtikel 1a:1 Jonggehandicapte\n\n1. Jonggehandicapte is de ingezetene die:\n\na. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;\n\nb. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.\n\n2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.\n\nBesluit uitbreiding en beperking kring ingezetenen Wajong\n\nArtikel 2. Uitbreiding van de kring van ingezetenen\n\nVoor de toepassing van de wet wordt mede verstaan onder ingezetene: de persoon, die buiten Nederland woont en die op grond van artikel 2, 3, 5 of 8 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 verplicht verzekerd is voor de volksverzekeringen.\n\nArtikel 3. Eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind van ontwikkelingswerker\n\n1. Voor de toepassing van de wet wordt mede verstaan onder ingezetene: het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind van de persoon, die is uitgezonden om door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen werkzaamheden in het kader van ontwikkelingssamenwerking te verrichten, dat gedurende het tijdvak, waarin bedoelde werkzaamheden worden verricht tot de huishouding van die persoon behoort, tenzij het kind gedurende bedoeld tijdvak werkzaamheden verricht.\n\n2. Het eerste lid is niet van toepassing op het pleegkind van de aldaar bedoelde persoon, dat eerst gedurende het tijdvak, waarin de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden verricht, tot diens huishouding is gaan behoren.\n\n3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.\n\n Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.\n\n ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908 r.o. 4.3.\n\n ECLI:NL:CRVB:2021:2901 r.o. 4.3.\n\n ECLI:NL:CRVB:2024:1119.\n\n ECLI:NL:CRVB:2017:2622 en ECLI:NL:CRVB:2025:1508.\n\nECLI:NL:CRVB:2024:1119 r.o. 4.5.\n\n Artikel 1:2, tweede lid, van de Wajong.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7499","2026-07-13T00:28:24.157Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":43,"courtId":119,"decisionDate":120,"fullText":121,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":51,"updatedAt":124},"1029","ECLI:NL:RBNHO:2026:4152","ecli-nl-rbnho-2026-4152",67,"2026-04-14T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11954049 \\ AO VERZ 25-146\n\nBeschikking van 14 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [plaats 1],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker],\n\ngemachtigde: mr. S. Nowjo,\n\ntegen\n\nde maatschap [verweerder],\n\ngevestigd te [plaats 2],\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder],\n\ngemachtigde: mr. M.C. Zaal.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt een werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever tijdens de proeftijd. De werknemer heeft het vermoeden dat de opzegging is gedaan vanwege haar chronische ziekte (borstkanker). De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat de opzegging (rechts)geldig is.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift;\n\n- het verweerschrift;\n\n- aanvullende stukken van [verzoeker] van 23 december 2025, 29 december 2025 en 8 januari 2026;\n\n- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnotitie van [verzoeker].\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Op 12 augustus 2025 hebben partijen een arbeidsovereenkomst gesloten, inhoudende dat [verzoeker] per 1 september 2025 bij [verweerder] in dienst zou treden als Praktijk Ondersteuner Huisarts (POH) GGZ Jeugdzorg. Partijen zijn een arbeidsomvang van twintig uur per week overeengekomen.\n\n2.2.. \n [verzoeker] is daarnaast sinds 2005 werkzaam bij het Regionaal Instituut Dyslexie (RID). [verzoeker] heeft haar werkuren bij RID per september 2025 teruggebracht van 26 uur per week naar 18 uur per week, teneinde haar werkzaamheden bij RID met haar nieuwe functie bij [verweerder] te kunnen combineren.\n\n2.3.. Kort voor haar indiensttreding bij [verweerder] constateerde [verzoeker] een knobbel in haar borst. Op 26 augustus 2025 heeft zij een bezoek gebracht aan de huisarts en op 29 augustus 2025 heeft sneldiagnostiek plaatsgevonden in het ziekenhuis. De radioloog gaf aan dat vermoedelijk behandeling nodig zou zijn. [verzoeker] heeft deze voorlopige uitkomst direct gedeeld met [verweerder].2.4.. Op 1 september 2025 hebben partijen telefonisch contact gehad over de planning van de eerste (werk)week. Omdat op 3 september 2025 de uitslag van de diagnostiek zou volgen, is besloten dat [verzoeker] die dag niet zou werken. [verweerder] heeft in dit gesprek aangeboden om de startdatum op te schuiven naar 1 oktober 2025. [verzoeker] heeft dit aanbod afgeslagen.\n\n2.5.. Op 3 september 2025 is [verzoeker] gediagnosticeerd met borstkanker.\n\n2.6.. Op 4 september 2025 heeft [verzoeker] de diagnose met [verweerder] gedeeld. Daarnaast heeft zij laten weten dat er op 5 september 2025 aanvullend onderzoek zou plaatsvinden en dat zij daarom op die datum niet zou kunnen werken. [verweerder] heeft vervolgens nogmaals aangeboden om de start van de arbeidsovereenkomst met één maand uit te stellen. [verzoeker] heeft dit aanbod wederom afgeslagen.\n\n2.7.. Op 5 september 2025 heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd beëindigd\n\n2.8.. \n [verzoeker] heeft nog diezelfde dag bezwaar gemaakt tegen het besluit om de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd te beëindigen en verzocht om een inhoudelijke toelichting.\n\n2.9.. Op 12 september 2025 heeft [verweerder] het proeftijdontslag schriftelijk toegelicht:\n\n“(…) De eerste twee werkdagen, de woensdag en de vrijdag in de eerste werkweek, kon je helaas niet aanwezig zijn.\n\nVoor je tweede werkweek gaf je aan er hopelijk de woensdag wel te zijn. De onzekerheid die daarin doorklonk maakte dat we je agenda nog niet met afspraken durfden te vullen.\n\nOmdat je uit een heel andere functie komt, is de proeftijd een belangrijke periode voor ons om te toetsen of je op je plek zit bij. Zowel qua invulling van de functie, als qua persoon in ons toch kleine team.\n\nZonder gevulde agenda (die nooit ad hoc gevuld kan worden gezien de aard van de functie van POH Jeugd), valt niet te toetsen of het werk jou bevalt en of je de functie naar behoren kunt vervullen. Daar komt bij dat deze functie is gesubsidieerd door de gemeente en dat geeft ons een zware verantwoordingsplicht en rapportageplicht m.b.t. de inzet van subsidiegelden.\n\nWij hebben meerdere keren aangeboden je startdatum op te schuiven naar 1 oktober, waarop jij zelf aan gaf daar niet voor te kiezen.\n\nDat maakte dat wij helaas hebben moeten concluderen dat wij in de proeftijd te weinig van je te zien krijgen om een oordeel te kunnen vellen over de geschiktheid van jou als onze nieuwe POH Jeugd en als lid van ons team.”\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen. Zij legt daaraan – kort gezegd – ten grondslag dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd vanwege haar borstkankerdiagnose. Dit is volgens [verzoeker] in strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: Wgbh\u002Fcz) waarin onder meer is bepaald dat onderscheid vanwege een handicap of chronische ziekte verboden is bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.\n\n3.2.. \n [verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van [verzoeker]. [verweerder] voert ‑ samengevat ‑ aan dat zij de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd omdat het niet mogelijk was om in de resterende proeftijd te beoordelen of [verzoeker] geschikt zou zijn voor de functie en of zij in het team zou passen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kantonrechter stelt voorop dat partijen een geldige proeftijd van één maand zijn overeengekomen.Het gaat in deze zaak om de vraag of [verweerder] in strijd heeft gehandeld met de Wgbh\u002Fcz door de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] tijdens de proeftijd op te zeggen. De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n4.2.. Het staat een werkgever in beginsel vrij om een werknemer gedurende de proeftijd te ontslaan. Dat is anders indien sprake is van een verboden onderscheid wegens een handicap of een chronische ziekte als bedoeld in artikel 4 Wgbh\u002Fcz.Tussen partijen is niet in geschil dat borstkanker moet worden aangemerkt als een chronische ziekte. Het is aan degene die meent dat er een onderscheid wordt gemaakt (in dit geval [verzoeker]) om feiten aan te voeren die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, waarna de wederpartij ([verweerder]) dient te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.4.3.. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] voldoende feiten heeft aangevoerd die aanleiding geven voor het vermoeden dat haar chronische ziekte een rol heeft gespeeld bij de beslissing van [verweerder] om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Van belang is onder meer dat [verzoeker] één dag nadat zij de formele diagnose aan [verweerder] had gemeld, telefonisch is ontslagen. In het telefoongesprek heeft [verweerder] aangegeven dat het beter zou zijn voor [verzoeker] om zich in de komende periode op haar ziekte en herstel te richten. Het ontslag vond plaats in de eerste week van de proeftijd, terwijl er nog drie weken proeftijd resteerden. Anders dan het bekend worden van de formele diagnose zijn er geen relevante wijzigingen of omstandigheden aan de orde geweest. [verweerder] heeft zelf ingevuld dat [verzoeker] in de tweede week van de proeftijd niet zou kunnen werken en vervolgens (zonder overleg met [verzoeker]) voor haar de keuze gemaakt dat zij de proeftijd niet mocht voltooien om zichzelf (alsnog) te bewijzen. De kantonrechter vindt het begrijpelijk dat [verzoeker] deze gang van zaken als zeer pijnlijk heeft ervaren.\n\n4.4.. Doordat [verzoeker] het vermoeden dat in strijd met de Wgbh\u002Fcz is gehandeld voldoende aannemelijk heeft gemaakt, is het aan [verweerder] om te bewijzen dat nietin strijd met de Wgbh\u002Fcz is gehandeld.[verweerder] is in het leveren van dit tegenbewijs geslaagd. Daartoe wordt als volgt overwogen.\n\n4.5.. De bedoeling van een proeftijd is om werkgever en werknemer de gelegenheid te geven te ontdekken of het werk, de samenwerking en de organisatie goed bij elkaar passen. [verweerder] heeft aangevoerd dat de proeftijd in het geval van [verzoeker] extra belangrijk was, omdat zij nog geen ervaring had als POH GGZ Jeugdzorg of in een soortgelijke functie. Als psycholoog bij RID houdt [verzoeker] zich uitsluitend bezig met kinderen met dyslexie, terwijl een POH GGZ Jeugdzorg te maken krijgt met uiteenlopende casuïstiek. De vacature bij [verweerder] betrof een functie voor 24 uur per week, verdeeld over drie werkdagen. Omdat [verzoeker] tijdens haar sollicitatie had aangegeven dat zij (in verband met haar baan bij RID) slechts twee dagen per week bij [verweerder] wilde werken, hebben partijen afgesproken dat [verzoeker] op vaste dagen (woensdagen en vrijdagen) negen uur per dag zou gaan werken en dat zij daarnaast twee uur per week zou besteden aan het volgen van (noodzakelijke) bijscholing. De eerste werkdag zou op woensdag 3 september 2025 zijn.\n\n4.6.. Tussen partijen is de navolgende gang van zaken niet in geschil. Op 29 augustus 2025 heeft [verzoeker] contact opgenomen met [verweerder] over de mogelijke medische aandoening aan haar borst. Op maandag 1 september 2025 hebben partijen in overleg besloten dat [verzoeker] op woensdag 3 september 2025 niet zou starten, omdat op die dag de uitslag van de diagnostiek zou volgen. [verweerder] heeft in dit gesprek aangeboden om de arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2025 in te laten gaan. Op 4 september 2025 (nadat [verzoeker] [verweerder] van de formele diagnose op de hoogte had gesteld en had laten weten dat zij op vrijdag 5 september 2025 niet zou kunnen werken) heeft [verweerder] nogmaals aangeboden om de startdatum met één maand op te schuiven. [verweerder] heeft daarbij aangegeven dat [verzoeker] dan naar verwachting beter weet waar ze aan toe is en beter kan starten met de werkzaamheden. [verzoeker] heeft dit aanbod om haar moverende redenen afgeslagen.\n\n4.7.. Tussen partijen is verder niet in geschil dat [verzoeker] in de proeftijd zelfstandig met eigen patiënten aan de slag zou gaan. Daarbij zou in de planning wel ruimte worden gelaten om tussendoor met collega’s te overleggen. [verweerder] voert aan dat doordat [verzoeker] in de eerste week van het dienstverband logischerwijze niet kon werken, zij genoodzaakt was om de patiënten van [verzoeker] af te zeggen. Hoewel [verzoeker] had aangegeven dat zij in de tweede week van het dienstverband graag wilde komen werken, was onzeker of dit praktisch gezien haalbaar zou zijn. Na een kankerdiagnose volgen doorgaans meerdere onderzoeken die vaak op korte termijn door het ziekenhuis eenzijdig worden ingepland, aldus [verweerder]. Om te voorkomen dat [verweerder] wéér patiënten moest afbellen, kon zij de agenda van [verzoeker] voor woensdag 10 en vrijdag 12 september 2025 niet vullen. Dat betekent dat zelfs als [verzoeker] wél was komen werken, zij slechts een handjevol patiënten had kunnen zien. Op grond van die feiten heeft [verweerder] geconcludeerd dat er van de proeftijd feitelijk nog slechts vier werkdagen resteerden. Dat was, mede gelet op het (specifieke) belang van de proeftijd en het feit dat deze door de beperkte(re) urenomvang toch al aan de krappe kant was, voor [verweerder] onvoldoende tijd om te beoordelen of [verzoeker] geschikt was voor de functie (en of zij binnen het team zou passen). Daarom heeft [verweerder] besloten om het dienstverband te beëindigen.\n\n4.8.. De kantonrechter is van oordeel dat uit het verweer van [verweerder], met name uit het herhaalde aanbod van [verweerder] om de startdatum uit te stellen, voldoende blijkt dat het [verweerder] om de duur van de beoordelingsperiode in de proeftijd ging en niet om het chronische karakter van de ziekte van [verzoeker]. [verweerder] heeft ter zitting toegelicht dat als het om een werknemer met een niet-chronische ziekte was gegaan, zij ook had aangeboden om de startdatum van de arbeidsovereenkomst uit te stellen. [verweerder] heeft verder toegelicht dat het haar bekend is dat er tijdens de eerste weken na een kankerdiagnose veel scans en onderzoeken in het ziekenhuis noodzakelijk zijn, terwijl er na vaststelling van het behandelplan meer ruimte is om om behandelingen heen te plannen. Tijdens de zitting hebben twee maten van [verweerder] (dhr. [betrokkene 1] en dhr. [betrokkene 2]) toegelicht dat zij het als zeer zwaar ervaren dat zij als huisarts beschuldigd worden van medische discriminatie. Zij hebben meegedeeld juist geprobeerd te hebben het beste te doen in een lastige situatie. Volgens de maten zou het kwalijker zijn geweest om [verzoeker] de proeftijd te laten afmaken, terwijl al duidelijk was dat er te weinig tijd resteerde om haar geschiktheid adequaat te beoordelen. De kantonrechter vindt deze verklaringen geloofwaardig. De conclusie is dan ook dat [verweerder] het vermoeden dat de reden voor het proeftijdontslag gelegen was in de chronische karakter van de ziekte van [verzoeker] voldoende heeft ontkracht.\n\n4.9.. Daarbij merkt de kantonrechter nog wel op dat [verweerder] onzorgvuldig heeft gehandeld door [verzoeker] niet ondubbelzinnig mee te nemen in haar gedachtegang achter het voorstel tot het opschuiven van de startdatum. [verweerder] had [verzoeker] moeten waarschuwen voor de mogelijke consequenties van het afslaan van dit voorstel. Indien [verweerder] aan [verzoeker] expliciet duidelijk had gemaakt dat zij zorgen had over het feit dat de resterende proeftijd te kort was om haar geschiktheid te beoordelen en dat het [verweerder] daarombeter leek om de startdatum op te schuiven, had [verzoeker] wellicht andere keuzes gemaakt. Dat [verweerder] dit niet heeft gedaan, maar maakt het ontslag niet discriminatoir in de zin van de Wgbh\u002Fcz.\n\n4.10.. De slotsom is dat van een verboden onderscheid als bedoeld in de Wgbh\u002Fcz geen sprake is. Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het proeftijdontslag rechtsgeldig is.\n\n4.11.. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. wijst het verzoek af,5.2.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Artikel 7:652 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 4 jo. artikel 1 Wgbh\u002Fcz.\n\n Artikel 10 Wgbh\u002Fcz.\n\n Artikel 10 Wgbh\u002Fcz.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4152","2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:00.103Z",20,[11,127],2025]