[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-drug-offences-nl-2024":3},{"detail":4,"years":79},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":21,"page":14,"limit":78},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},110,"drug-offences-nl","Drug Offences","NL","2026-07-08T16:56:56.630Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":17},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,59,69],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"774","ECLI:NL:GHAMS:2024:2334","ecli-nl-ghams-2024-2334","",56,"2024-08-22T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 23-003364-23\n\nDatum uitspraak: 22 augustus 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023 in de strafzaak onder parketnummer\n\n13-086634-22 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,\n\nadres: [adres 1] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. hij, in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 3 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een of meer, althans een grote hoeveelheid hennepplanten en\u002Fof delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\neen of meer (onbekend gebleven) personen in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 3 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft\u002Fhebben geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft\u002Fhebben gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een of meer, althans een grote hoeveelheid hennepplanten en\u002Fof delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en\u002Fof bij het plegen van welk(e) misdrijf\u002Fmisdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 3 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft en\u002Fof opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon\u002Fpersonen voornoemd pand voor het telen\u002Fbereiden\u002Fbewerken\u002Fverwerken van hennepplanten ter beschikking te stellen;\n\n2. hij, in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 03 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (uit een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Liander N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich de toegang tot die\u002Fdat weg te nemen elektriciteit heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof die\u002Fdat weg te nemen elektriciteit onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbreking en\u002Fof een valse sleutel (te weten een gemaakte extra en\u002Fof illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om);\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\neen of meer (onbekend gebleven) personen in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 03 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (uit een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan die (onbekend gebleven) personen en\u002Fof hun mededader(s) en\u002Fof aan verdachte toebehoorde, te weten aan Liander N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die (onbekend gebleven) personen en\u002Fof hun mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof dat\u002Fdie weg te nemen goed\u002Fgoederen onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak en\u002Fof verbreking en\u002Fof een valse sleutel (te weten een gemaakte extra en\u002Fof illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om) bij en\u002Fof tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 03 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en\u002Fof opzettelijk gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft, door aan die (onbekend gebleven) personen voornoemd pand en\u002Fof de aldaar aanwezige elektriciteitsvoorziening(en) (voor de teelt\u002Fhet kweken en\u002Fof het bereiden en\u002Fof bewerken en\u002Fof verwerken van hennepplanten) ter beschikking te stellen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof anders overweegt en tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.\n\nStandpunten\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van de feiten zoals onder 1 en 2 tenlastegelegd.\n\nDe verdediging heeft het hof primair verzocht de verdachte integraal vrij te spreken. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte direct heeft verklaard dat hij de woning onderverhuurde aan [naam 1] , een Aziatische man. In dit geval is amper onderzoek gedaan ter controle van de verklaring van de verdachte. De contante stortingen die de verdachte op zijn bankrekening heeft gedaan, kunnen worden verklaard uit de huuropbrengsten en zijn spaargeld. Aangezien alleen de gegevens zijn gevorderd van na 24 mei 2018, is niet onderzocht hoe de financiële situatie van de verdachte was vóór die datum.\n\nSubsidiair heeft de verdediging gesteld, dat niet kan worden bewezen verklaard dat sprake was van een ‘grote hoeveelheid’ hennepplanten. De raadsman heeft de op de foto’s in het dossier zichtbare potten die gevuld waren met aarde geteld en is tot een aantal van 93 hennepplanten gekomen.\n\nBewijsoverwegingen\n\nRedengevende feiten en omstandigheden\n\nUit de inhoud van het dossier kan worden afgeleid dat op 4 maart 2019 een hennepkwekerij met twee kweekruimtes is aangetroffen in een woning aan de [adres 2] , die werd gehuurd door de verdachte. In de kwekerij werd een (grote) hoeveelheid potten met potgrond aangetroffen; de planten waren geoogst. In ruimte 1 hingen 13 assimilatielampen, in ruimte 2 zijn 11 van dit soort lampen aangetroffen. Geconstateerd is dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen; vanuit de hoofdverzekeringenkast is een kabel aangebracht buiten de meter om. De verbalisant trof omstandigheden aan die wijzen op één of meerdere opbrengsten uit de hennepkwekerij, zoals gedroogde resten van hennepplanten, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen. Er zijn wortelresten van hennepplanten aangetroffen (in de plantenpotten) en lege verpakkingen van hennepstekken.\n\nLiander NV heeft aangifte gedaan van diefstal van stroom. De fraudespecialist zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Na het verwijderen van het deksel zag hij dat aan de onderzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Hij zag dat deze aansluiting buiten de meter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. Uit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019. Aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten (24 februari 2017) en trafo (27 november 2016), aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten. \n\nOp de ING bankrekening op naam van de verdachte zijn in de periode van 25 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen gestort, van in totaal € 10.660,- \n\nVerklaringen verdachte\n\nDe verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard, dat hij staat ingeschreven op het adres [adres 2] en dat hij zijn woning sinds juni 2018 onderverhuurde aan een Aziatische man, die hij via zijn werkgever bij een project had ontmoet. In een huurovereenkomst die de verdachte bij zich had toen hij op 4 maart 2019 naar de politie ging, is de naam van [naam 1] , een geboortedatum en telefoonnummer vermeld.De verdachte heeft verklaard dat hij de gegevens van de identiteitskaart van de onderhuurder heeft overgenomen, maar daar geen kopie van heeft gemaakt. Als huurprijs is vermeld € 627,- per maand. Verdachte heeft verklaard dat hij in die tijd bij zijn toenmalige vriendin woonde.\n\nDe verdachte heeft 5 jaar gewerkt bij [bedrijf] en heeft verklaard uit die periode een bedrag van € 6.000,- te hebben gespaard. Hij bewaarde dat geldbedrag contant in huis. Als zijn bankrekening moest worden aangevuld, stortte hij daar contant geld op, afkomstig van spaargeld en van de huuropbrengsten.\n\nSinds 1 juli 2018 is de verdachte gestopt met werken.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij zich een jaar voor 1 juli 2018 ziek heeft gemeld bij [bedrijf] . Ter zitting verklaarde hij dat hij in de tenlastegelegde periode schulden had van tenminste € 45.000,- en BKR geregistreerd stond. Er was ook sprake van loonbeslag. Hij nam zijn salaris op van zijn bankrekening, bewaarde dat in huis en stortte bij op zijn rekening als dat nodig was.\n\nDe verdachte heeft verder verklaard, dat hij tot september 2018 nog af en toe in de woning is geweest; toen zag het er nog normaal uit. De huur ontving hij aanvankelijk contant van de huurder, daarna legde de huurder het geld in de brievenbus in het portiek waar de verdachte het dan uithaalde. Het contact werd steeds minder en op enig moment ontdekte de verdachte dat het slot van de woning was veranderd. De laatste keer dat hij huur heeft ontvangen was eind januari 2019.\n\nOverwegingen\n\nDe verdachte, die huurder was van de woning aan de [adres 2] in Amsterdam en die als enige in de Basisregistratie Personen op dit adres stond ingeschreven, had over deze woning de beschikking. De verdachte heeft evenwel betrokkenheid bij de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij ontkend en heeft daartoe een alternatief scenario gegeven, namelijk dat een Aziatische man, aan wie hij de woning heeft onderverhuurd, de kwekerij heeft opgezet.\n\nHet hof is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is. De summiere informatie die de verdachte over de onderhuurder heeft verstrekt, is door de politie opgezocht in de beschikbare politiesystemen. Deze persoon, alsmede het telefoonnummer dat op het huurcontract stond, kwamen hier niet in voor. Het telefoonnummer is door de politie gebeld, maar werd niet beantwoord en uit onderzoek bleek dat het nummer niet geregistreerd stond op naam en een prepaid nummer was.Een buurtbewoner heeft desgevraagd verklaard, dat hij geen Aziatische mensen in het trapportaal heeft gezien.\n\nOver de ontmoeting met de Aziatische man heeft de verdachte verklaard, dat hij met hem in contact is gekomen door zijn vorige werkgever. Hij werkte volgens de verdachte op hetzelfde terrein als waar hij werkte voor [bedrijf] .De politie heeft navraag gedaan bij [bedrijf] , maar dat heeft niets opgeleverd. Voor welk bedrijf de man werkte of waar hij woonde, wist de verdachte niet. Het hof acht deze verklaring van de verdachte over de manier waarop hij in contact zou zijn gekomen met de onderhuurder, ongeloofwaardig. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte namelijk verklaard, dat hij een jaar voordat hij ontslag nam bij [bedrijf] , in juli 2018, was ziekgemeld vanwege rugklachten. Daarom is niet aannemelijk, dat hij de man via zijn werk heeft ontmoet. Verder zou de verdachte niets hebben ondernomen toen hij ontdekte dat het slot van zijn woning was veranderd en de huur na eind januari niet meer werd betaald. Verder is in de periode van 25 juni 2018 tot en met 3 januari 2019 in totaal een bedrag van € 10.660,- contant gestort op de rekening van de verdachte.Deze stortingen zijn onregelmatig en meermaals betreft dit een bedrag van € 1.000,- ineens. Hierin ziet het hof een belangrijke aanwijzing dat de verdachte, die in die periode volgens zijn eigen verklaring schulden had en leefde van een uitkering, inkomen kreeg uit de hennepkwekerij. Een andere verklaring voor de contante stortingen is niet aannemelijk geworden.\n\nNaar het oordeel van het hof is de verdachte, die als enige stond ingeschreven in de woning en daarover de beschikkingsmacht had, degene geweest die de hennepplanten heeft gekweekt. Dat hij de woning zou hebben onderverhuurd aan een Aziatische man, is niet aannemelijk. Het door hem overgelegde huurcontract is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, volstrekt onvoldoende. Het alternatieve scenario kan daarom niet worden gevolgd.\n\nBij het kweken van de hennep is gebruik gemaakt van illegaal afgetapte elektriciteit. Het hof is op basis van de voorgaande feiten en omstandigheden van oordeel, dat de conclusie voor de hand ligt dat het eveneens de verdachte is geweest die de elektriciteit heeft weggenomen en daartoe door middel van verbreking een illegale aansluiting heeft geplaatst. Een verklaring die een aanknopingspunt zou kunnen bieden voor de gedachte dat deze voor de hand liggende conclusie niet juist is, ontbreekt. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de hiervoor genoemde voor de hand liggende conclusie de juiste is. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bij het telen dan wel de diefstal van elektriciteit heeft samengewerkt met één of meer anderen.\n\nHoeveelheid hennepplanten\n\nIn de kwekerij zijn geen hennepplanten aangetroffen en de aangetroffen lege potten zijn niet geteld door de verbalisanten. De raadsman stelt dat op de foto’s in het dossier 93 potten met aarde kunnen worden geteld. De raadsman gaat er bij deze manier om het aantal potten te tellen aan voorbij, dat niet kan worden aangenomen dat op de foto’s alle in de woning aanwezige potten te zien zijn. Voor het aantal potten van de kwekerij baseert het hof zich daarom op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeelin de gelijktijdig behandelde ontnemingszaak tegen de verdachte. Hierin is het aantal hennepplanten berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken, omdat niet aannemelijk is dat meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Daarom wordt uitgegaan van 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2. In totaal komt dat op 360 hennepplanten en het hof zal, gelet op dit aantal, het telen van een grote hoeveelheid hennepplanten bewezen verklaren.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. primair hij, in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019 te Amsterdam, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres 2] een grote hoeveelheid hennepplanten en\u002Fof delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep;\n\n2. primair hij, in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019 te Amsterdam, uit een pand aan de [adres 2] een hoeveelheid elektriciteit, die toebehoorde aan Liander N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot die weg te nemen elektriciteit heeft verschaft en die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, te weten een illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om.\n\nHetgeen onder 1 primair en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de voetnoten onder het kopje Bewijsoverwegingen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nHet onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straffen\n\nDe politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, met een proeftijd van twee jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uur, te vervangen door hechtenis van 30 dagen.\n\nDe raadsman heeft in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat de verdachte als zelfstandige werkt in de wegenbouw en zijn leven en inkomen goed op de rit heeft. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft in een woonwijk in een kleine bovenwoning een hennepkwekerij in werking gehad met een groot aantal planten. Hij heeft voor de kwekerij stroom gestolen door het aanleggen van een illegale elektriciteitsaansluiting. De verdachte is voorbijgegaan aan de risico’s (van brand en overlast door bijvoorbeeld lekkage van water) voor de omwonenden van een hennepkwekerij. De verdachte heeft alleen gehandeld om financieel voordeel te behalen. Daarbij komt dat het telen van hennep en de handel daarin vaak gepaard gaat met andere vormen van strafbaar gedrag. Het hof acht dit twee ernstige feiten en is daarom van oordeel dat een straf zoals opgelegd door de politierechter niet passend is.\n\nBlijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juli 2024 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld.\n\nHet hof heeft aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.\n\nHet hof ziet in hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, geen aanleiding tot matiging van de straf.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren passend en geboden. Het hof zal de verdachte daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaren opleggen, om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen en teneinde te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw strafbare feiten begaat.\n\nHet hof heeft tenslotte acht geslagen op de omstandigheid dat in dit geval in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De verdachte is op 4 maart 2019 aangehouden en gehoord, het vonnis dateert van 14 december 2023 en het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is op 27 december 2023 ingesteld. Het hof doet uitspraak op 22 augustus 2024. Bij de behandeling in eerste aanleg is de redelijke termijn overschreden met twee jaar en 9 maanden. Dit is reden om een korting op de taakstraf toe te passen van 20 uren.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, passend en geboden.\n\nBeslag\n\nDe in beslag genomen ruimlijst zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van1 (één) maand.\n\nBepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door50 (vijftig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een ruimlijst.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.A. Groenendijk, mr. A.P.M. van Rijn en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van\n\nmr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n22 augustus 2024.\n\n mr. A.P.M. van Rijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 15 maart 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina 30 tot en met 34.\n\n Een geschrift, te weten een aangifte door fraudespecialist [naam 2] van Liander NV van 19 maart 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , dossierpagina 1 tot en met 16.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de verbalisant [verbalisant 2] , dossierpagina 28 tot en met 40 (aanvullend procesdossier).\n\n Dossierpagina 37.\n\n Dossierpagina 45 (aanvullend dossier).\n\n Dossierpagina 42.\n\n Dossierpagina 45.\n\n Dossierpagina 28 (aanvullend dossier).\n\n Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , dossierpagina 1 tot en met 11.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:2334","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:47.475Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":56,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":58},"775","ECLI:NL:GHAMS:2024:2335","ecli-nl-ghams-2024-2335","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 23-003365-23 (ontneming)\n\nDatum uitspraak: 22 augustus 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer\n\n13-086634-22 tegen de betrokkene\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,\n\nadres: [adres].\n\nProcesgang\n\nHet openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 151.215,96, welk bedrag ter terechtzitting in eerste aanleg is verlaagd tot een bedrag van € 108.165,72.\n\nDe betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het telen van hennep (feit 1) en de diefstal van elektriciteit (feit 2).\n\nDe politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 14 december 2023 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 69.615,48 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nDe betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.\n\nDe betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 augustus 2024 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het telen van hennep (feit 1) en de diefstal van elektriciteit (feit 2).\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe vordering\n\nDe advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 150.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal heeft zich gebaseerd op de inhoud van het Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel en is van mening dat sprake is geweest van vier oogsten.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft het hof primair verzocht bij vrijspraak de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in de vordering tot ontneming en subsidiair (bij een veroordeling) de vordering af te wijzen. Hij heeft daartoe aangevoerd, dat aannemelijk is dat één oogst is gestolen en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor vier oogsten. Meer subsidiair is verzocht de vordering af te wijzen omdat, aannemende dat betrokkene de woning verhuurde ten behoeve van de hennepteelt, tegenover de contante stortingen en de huurinkomsten de door betrokkene betaalde huur en de kosten van Liander staan.\n\nIn geval het hof de ontnemingsmaatregel toewijst, heeft de raadsman verzocht uit te gaan van één eerdere oogst van 93 planten, met een opbrengst van € 10.673,98 en aftrek van kosten (onder meer € 1.567,50 aan huurkosten en € 1.483,15 aan kosten Liander netverlies), met een voordeel van in totaal € 6.758,16.\n\nDe grondslag\n\nDe betrokkene is veroordeeld bij arrest van het gerechtshof voor het telen van hennep in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit dat feit en uit andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene die heeft begaan.\n\nIn het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel(hierna: het rapport) zijn onder meer de volgende aanwijzingen opgenomen:\n\neen (grote) hoeveelheid potten met potgrond, in ruimte 1 hingen 13 assimilatielampen, in ruimte 2 zijn 11 van dit soort lampen aangetroffen, gedroogde resten van hennepplanten in een droognet, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen, wortelresten van hennepplanten aangetroffen in de plantenpotten, productiedatum op gipsplaten (24 februari 2017), productiedatum trafo (27 november 2016) en lege verpakkingen van hennepstekken.\n\nUit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019. Aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten (24 februari 2017) en trafo (27 november 2016), aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten.\n\nOp de ING bankrekening op naam van de verdachte heeft hij in de periode van 25 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen gestort, van in totaal € 10.660,00.\n\nVoor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof uit van het volgende:\n\nAantal oogsten\n\nVoor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal het hof uitgaan van 3 oogsten. In de kwekerij zijn (na een inbraak) geen hennepplanten meer aangetroffen; de vierde en dus laatste oogst wordt daarom niet meegenomen in de berekening.\n\nAantal planten\n\nDe aangetroffen lege potten zijn niet geteld door de verbalisanten. De stelling van de raadsman, dat gelet op de foto’s in het dossier niet meer dan 93 planten zijn gekweekt per oogst, is niet aannemelijk. Voor het aantal potten van de kwekerij baseert het hof zich op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel.De hierin opgenomen uitgangspunten zijn gebaseerd op gegevens die jarenlang zijn verzameld. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken omdat niet aannemelijk is dat in dit geval (substantieel) meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Aannemelijk is dat 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2 zijn gekweekt, dat wil zeggen in totaal 360 hennepplanten.\n\nOpbrengst per oogst in grammen\n\nRuimte 1: uitgaande van een opbrengst van 28,20 gram per plant is de opbrengst per oogst:\n\n195 planten x 28,20 gram = 5.499 gram.\n\nRuimte 2: 165 planten x 28,20 gram = 4.653 gram.\n\nOpbrengst in geld\n\nUitgaande van een opbrengst van € 4,07 per gram is de totale opbrengst:\n\nRuimte 1: 5.499 gram x 4,07 = € 22.380,93 per oogst.\n\nRuimte 2: 4.653 gram x 4,07 = € 18.937,71 per oogst.\n\nKosten\n\nRuimte 1\n\nKosten investering € 150,00\n\nVariabele kosten € 1.499,55\n\nTotaal: € 1.649,55.\n\nOpbrengst € 22.380,93 minus kosten á € 1.649,55 = € 20.731,38 per oogst in ruimte 1.\n\nRuimte 2\n\nKosten investering € 150,00\n\nVariabele kosten € 1.268,85\n\nTotaal: € 1.418,85.\n\nOpbrengst € 18.937,71 minus kosten á € 1.418,85 = € 17.518,86 per oogst in ruimte 2.\n\nTotale opbrengst minus kosten per oogst\n\n€ 20.731,38 + € 17.518,86 = € 38.250,24 aan voordeel uit één oogst.\n\nUitgaande van drie oogsten is het voordeel in totaal:\n\n3x € 38.250,24 = € 114.750,72.\n\nAftrek energiekosten\n\nGezien het rapport op pagina 8, is op de nota van Liander een bedrag van € 5.932,61 genoemd als de totale kosten aan netverlies. Volgens een mededeling van de advocaat-generaal heeft betrokkene de volledige nota van Liander inmiddels voldaan. Anders dan in het rapport zal het hof daarom voor drie oogsten een bedrag van € 4.449,45 (3\u002F4 van € 5.932,61) aftrekken van het voordeel.\n\nAftrek huurkosten\n\nNiet aannemelijk is dat de woning, naast het telen van hennep, is gebruikt voor bewoning. De huur van de woning is betaald en het hof zal daarom de huurkosten van € 441,51 per maand voor een periode van 30 weken (3 oogsten; 3x (2,5 x 441,51=) € 1.103,77 = € 3.311,32) aftrekken van het wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\n€ 114.750,72 minus € 4.449,45 (energiekosten) minus € 3.311,32 (huurkosten) = afgerond € 106.989,00.\n\nVerplichting tot betaling aan de Staat\n\nRedelijke termijn\n\nDe betrokkene is op 4 maart 2019 aangehouden en gehoord, het ontnemingsvonnis is uitgesproken op\n\n14 december 2023 en het hof wijst thans op 22 augustus 2024 arrest. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak als de onderhavige dient te zijn afgerond binnen twee jaren per rechterlijke instantie. Daarom is in dit geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg overschreden met twee jaar en 9 maanden. Aangezien in de strafzaak rekening is gehouden met de overschrijding van de termijn, zal het hof in de ontnemingszaak volstaan met de constatering daarvan.\n\nAan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 106.989,00.\n\nToepasselijk wettelijk voorschrift\n\nDe op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €106.989,00. (honderdzesduizend negenhonderdnegenentachtig euro).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van€106.989,00. (honderdzesduizend negenhonderdnegenentachtig euro).\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.A. Groenendijk, mr. A.P.M. van Rijn en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van\n\nmr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n22 augustus 2024.\n\nMr. I.A. Groenendijk en mr. A.P.M. van Rijn zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dossierpagina 1 tot en met 11.\n\n Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 15 maart 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina 30 tot en met 34 en het Rapport, pagina 4.\n\n Een geschrift, te weten een aangifte door fraudespecialist [naam] van Liander NV van 19 maart 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3], dossierpagina 1 tot en met 16.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de verbalisant [verbalisant 1], dossierpagina 28 tot en met 40.\n\n Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dossierpagina 1 tot en met 11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:2335","2026-07-13T00:28:47.514Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":43,"courtId":63,"decisionDate":64,"fullText":65,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":50,"updatedAt":68},"762","ECLI:NL:GHSHE:2024:2187","ecli-nl-ghshe-2024-2187",72,"2024-07-03T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002672-23\n\nUitspraak : 3 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 september 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-110821-21, 03-136274-23 en 03-173579-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03-192020-19, tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,\n\nthans uit anderen hoofde verblijvende in [PI] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder feit 2 tenlastegelegde. De verdachte is ter zake van:\n\n ‘ ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (parketnummer 03-110821-21 feit 1 en parketnummer 03-136274-23);\n\n ‘ ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’ (parketnummer 03-110821-21 feit 3);\n\n ‘ ‘wederspannigheid’ (parketnummer 03-110821-21 feit 4);\n\n ‘ ‘diefstal’ (parketnummer 03-173579-23 feit 1);\n\n ‘ ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels’ (parketnummer 03-173579-23 feit 2),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot € 494,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2023, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het meerdere afgewezen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is gedeeltelijk toegewezen, te weten tot € 9,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2021, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het meerdere afgewezen. Tot slot heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 03-192020-19, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met aftrek van voorarrest.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep voor zover het is gericht tegen het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder feit 2 tenlastegelegde. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de overige tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging zal gelasten van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 weken onder parketnummer 03-192020-19. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toe zal wijzen conform de wijze waarop de politierechter dat heeft gedaan.\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten en de vorderingen van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de verdediging primair bepleit dat deze dient te worden afgewezen en subsidiair bepleit dat de proeftijd dient te worden verlengd.\n\nOntvankelijkheid hoger beroep\n\nDe verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – tenlastegelegd dat:\n\nonder parketnummer 03-110821-21:\n\n 1. hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 75,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof ongeveer 877,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en\u002Fof heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3. hij in of omstreeks de periode van 16 januari 2021 tot en met 22 januari 2021 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een enkelband, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt;\n\n4. hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Maastricht, zich met geweld en\u002Fof bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 3] (aspirant van Politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 4] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 5] (brigadier van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 6] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhun bediening, te weten aanhouding van verdachte, door zich met kracht los te rukken en\u002Fof zich te bewegen in tegengestelde richting dan daar waar voornoemde ambtena(a)re(en) hem trachtte(n) te bewegen;\n\nonder parketnummer 03-136274-23:\n\n hij op of omstreeks 2 juni 2023 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine en\u002Fof ongeveer 2,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof 0,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde methamfetamine en\u002Fof heroïne en\u002Fof cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nonder parketnummer 03-173579-23:\n\n 1. hij op of omstreeks 13 juli 2023 te Maastricht een pinpas, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n2. hij op of omstreeks 13 juli 2023 te Maastricht een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en\u002Fof dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door onbevoegd gebruik te maken van de bankpas van die [benadeelde 1] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\nonder parketnummer 03-110821-21:\n\n 1. hij op 22 februari 2021 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad 75,81 gram cocaïne en 877,5 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3. hij in de periode van 16 januari 2021 tot en met 22 januari 2021 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een enkelband die aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield;\n\n4. hij op 22 februari 2021 te Maastricht, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 3] (aspirant van Politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 4] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 5] (brigadier van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 6] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten aanhouding van verdachte, door zich met kracht los te rukken en zich te bewegen in tegengestelde richting dan daar waar voornoemde ambtenaren hem trachtten te bewegen;\n\nonder parketnummer 03-136274-23:\n\nhij op 2 juni 2023 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad 10 gram methamfetamine en 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne, zijnde methamfetamine en heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nonder parketnummer 03-173579-23:\n\n 1. hij op 13 juli 2023 te Maastricht een pinpas die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n2. hij op 13 juli 2023 te Maastricht een hoeveelheid geld die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door onbevoegd gebruik te maken van de bankpas van die [benadeelde 1] .\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nNu de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering:\n\nIn de zaak met parketnummer 03-110821-21:\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 22 februari 2021 (p. 1-3);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] d.d. 22 februari 2021 (p. 4-5);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 6-7);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 8-9);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 10-11);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 12-13);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] d.d. 9 maart 2021, inclusief bijlagen (rapporten NFiDENT) (p. 24-38);\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [aangever] d.d. 2 februari 2021, inclusief bijlagen (p. 39-48);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.\n\nIn de zaak met parketnummer 03-136274-23:\n\nHet proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 2 juni 2023 (p. 5-6);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] d.d. 2 juni 2023 (p. 8-11);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 26-27);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] d.d. 2 juni 2023 (p. 35);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 8] d.d. 26 juni 2023 (p. 37-40);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 43);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 44);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 45);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 46);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.\n\nIn de zaak met parketnummer 03-173579-23:\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 1] d.d. 13 juli 2023 (p. 6-10);\n\nHet proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [benadeelde 1] d.d. 14 juli 2024 (p. 12);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] d.d. 13 juli 2023 (p. 17-18);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] d.d. 13 juli 2023 (p. 20-21);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 13 juli 2023 (p. 23);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 19] en [verbalisant 16] d.d. 13 juli 2023 (p. 25-26);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 13 juli 2023 (p. 28-29);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.Bewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1 en in de zaak met parketnummer 03-136274-23 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nwederspannigheid.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\ndiefstal.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\ndiefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof – gelet op de geest en strekking van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en dat aan de verdachte aldus geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat aan de verdachte bij vonnis van de rechtbank Limburg d.d. 12 juni 2024 de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren is opgelegd en dat hij gemotiveerd is om behandelingen te volgen. Indien en voor zover aan de verdachte een straf zou worden opgelegd, dan zou dat de behandelingen van de ISD-maatregel doorkruizen. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht om oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf of een onvoorwaardelijke taakstraf.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs, het vernielen van een enkelband, wederspannigheid, diefstal van een pinpas en diefstal van een grote hoeveelheid geld door die pinpas te gebruiken. Met de diefstallen en vernieling heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendomsrecht. Ook zorgen deze feiten voor schade en hinder bij de betrokkenen. Door zich met kracht los te rukken uit de handen van politieambtenaren en zich in een andere richting te bewegen, heeft de verdachte blijk gegeven zich niets aan te trekken van het openbaar gezag en heeft hij de politieambtenaren gehinderd in de rechtmatige uitoefening van hun taak. Voorts heeft de verdachte opzettelijk hoeveelheden harddrugs aanwezig gehad. Hiermee heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit, welke handel vaak allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten bevordert, onder meer de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Daarnaast is het algemeen bekend dat harddrugs grote gevaren voor de gezondheid van de gebruikers opleveren. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof heeft bij de straftoemeting gelet op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 april 2024, reeds eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich schuldig te maken aan de tenlastegelegde feiten. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat artikel 63 van het Wetboek van Strafecht van toepassing is.\n\nTevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dat kader heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij spijt heeft van zijn daden, momenteel clean is, aan zichzelf wil werken en zelf om oplegging van de ISD-maatregel heeft gevraagd.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden:\n\n- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder ter zake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;\n\n- de mate waarin het bewezenverklaarde schade bij de betrokkenen teweeg heeft gebracht;\n\n- de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan 6 strafbare feiten en\n\n- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.\n\nIn het gegeven dat de verdachte bij vonnis van de rechtbank Limburg van 12 juni 2024 (parketnummer 03-327366-23) de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren is opgelegd en dat de verdachte in dat kader een behandeling zal gaan volgen, ziet het hof, anders dan de verdediging, geen aanleiding om aan de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde handelen geen straf of maatregel op te leggen. Een dergelijke afdoening doet onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.\n\nGelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, kan naar het oordeel van het hof eveneens niet worden volstaan met een taakstraf of geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de verdediging is bepleit. Het hof ziet echter, met het oog op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen, wel aanleiding om een groot gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek, passend en geboden. Daarbij zal een proeftijd van 1 jaar worden opgelegd omdat daarmee naar het oordeel van het hof kan worden volstaan.\n\nMet oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingediend. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 494,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.\n\nHet procesdossier bevat geen gespecificeerde vordering tot schadevergoeding. De vordering is ter terechtzitting ook niet nader toegelicht door de benadeelde partij. Het is het hof daardoor niet duidelijk wat het totaalbedrag van de vordering is, uit welke schadeposten de vordering is opgebouwd en of deze schadeposten het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Het hof is daarom van oordeel dat behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nDe benadeelde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van de verdachte en begroot deze op nihil.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10,96. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 9,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering is voor het meerdere afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.\n\nDe verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet betwist.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht. De verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij de strap van de enkelband heeft vernield. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof zal de vordering dan ook volledig toewijzen. De vordering is niet weersproken en komt het hof ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nWettelijke rente\n\nAangezien geen factuur is overgelegd, zal het hof het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021, zijnde de dag waarop de vordering is ingediend.\n\nProceskosten\n\nHet hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nOp grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 10,96. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nHet hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nDe officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 17 januari 2020 onder parketnummer 03-192020-19. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nHet hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen aanleiding om de vordering af te wijzen dan wel de bij voormeld vonnis vastgestelde proeftijd te verlengen.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 180, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 2 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10,96 (tien euro en zesennegentig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10,96 (tien euro en zesennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 1 (één) dag kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 17 januari 2020, parketnummer 03-192020-19, te weten van: een gevangenisstrafvoor de duur van3 (drie) weken.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. dr. A.R. Hartmann, voorzitter,\n\nmr. A.J. Henzen en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,\n\nen op 3 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2021027903, sluitingsdatum 9 april 2021, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 64. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023084417, sluitingsdatum 25 juli 2023, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 46. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023109016, sluitingsdatum 17 juli 2023, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 77. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2187","2024-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.959Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":43,"courtId":73,"decisionDate":74,"fullText":75,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":50,"updatedAt":77},"298","ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","ecli-nl-rbgel-2024-2693",60,"2024-05-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-337531-23; 20-000823-21 (tul)\n\nDatum uitspraak : 3 mei 2024\n\nTegenspraak (art. 279 Sv)\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. T. van Nimwegen, advocaat in Tilburg\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 april 2024.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 310 flessen van 3,3 liter\u002F2 kilogram, in elk geval een hoeveelheid\n\ndistikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, nu voor de aanwezigheid en het vervoeren van lachgas wettig bewijs ontbreekt. Daartoe voert de officier van justitie aan dat niet kan worden vastgesteld dat het om lachgas gaat nu niet door het NFI is onderzocht welke stof zich in de in het voertuig van verdachte aangetroffen cilinders bevond.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van cocaïne\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor beide feiten. Daartoe is aangevoerd dat de doorzoeking in het voertuig en de kennisname van de pallets met cilinders en het boterhamzakje met wit poeder onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Bewijsuitsluiting moet daarop volgen, waardoor niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ten aanzien van feit 1 in ieder geval vrijspraak moet volgen omdat niet kan worden vastgesteld dat in de cilinders lachgas zat, nu geen onderzoek is gedaan naar de daadwerkelijke inhoud van de cilinders.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nRechtmatigheid onderzoekshandelingen\n\nOp 23 september 2023 kwam een melding binnen van een eenzijdig ongeval op de A12 ter hoogte van hectometerpaal 125.0 in Arnhem. Ter plaatse bleek dat een bestelbusje tegen de vangrail stond en dat de bestuurder met gesloten ogen op zijn stoel zat en nergens op reageerde. Toen hij later de ogen opende, kon hij geen antwoord geven op vragen, waarop ambulancepersoneel de verzorging overnam en hem meenam naar het ziekenhuis.\n\nDe verbalisant zag op de bus geen enkele naam aanduiding of een andere indicatie met betrekking tot wat er in de bus vervoerd zou kunnen worden. Vervolgens heeft hij de achterkant van de bus geopend om te kijken of er goederen aanwezig waren en zo ja welke goederen. Vervolgens zag hij twee pallets staan, waarvan de inhoud was ingepakt met zwart plastic met daaromheen witte spanbanden. De pallets waren voorzien van meerdere stickers met daarop een gevarendiamant. Doordat het de verbalisant vanwege zijn ervaring meteen duidelijk was dat het hoogst waarschijnlijk zou gaan om pallets met lachgas flessen, is het vermoeden ontstaan dat zich in de bus verdovende middelen bevonden.\n\nDe vraag is of het openen van de achterdeur van het voertuig en de kennisname van de daarin aangetroffen cilinders en harddrugs rechtmatig is geweest.\n\nIn artikel 3 Politiewet is bepaald dat de politie tot taak heeft de rechtsorde te handhaven en hulp te verlenen aan hen die deze nodig hebben. Nu de bestuurder van het voertuig met de ambulance was afgevoerd, had de politie de zorg over het voertuig. Ter handhaving van de openbare orde kan het voor de politie van belang zijn te weten wat er in het voertuig werd vervoerd. Nu dat aan de buitenkant niet zichtbaar was, heeft de verbalisant de achterdeur geopend. Op het moment van het openen van de achterdeur was nog geen sprake van een doorzoeking, maar het openen van de achterkant van het voertuig valt onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet. Mocht immers blijken dat er gevaarlijke chemicaliën of explosieve stoffen vervoerd zouden worden, moeten direct adequate maatregelen worden genomen om allerlei onheil te voorkomen. Dat is ook de taak van de politie. Na het aantreffen van de twee pallets met een gevarendiamant en de ervaring van de verbalisant is volgens de rechtbank een verdenking ontstaan en heeft men het voertuig kunnen doorzoeken op basis van artikel 96b Wetboek van Strafvordering.\n\nDe rechtbank zal het verweer van de verdediging dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting dan ook afwijzen.\n\nTen aanzien van feit 1\n\nDe verbalisant heeft na het aantreffen van de twee pallets een stukje van het plastic opengescheurd en zag de hem ambtshalve bekende kartonnen dozen waarin ‘wegwerp’ lachgas flessen worden verpakt. Ook zag hij twee kartonnen dozen met zwarte ballonnen, die hij herkende als ballonnen die worden gebruikt om met lachgas te vullen. In totaal zijn er 310 cilinders met vermoedelijk lachgas in het voertuig aangetroffen.\n\nDe inhoud van de cilinders is niet onderzocht door het NFI en verdachte heeft geen verklaring afgelegd over de in zijn voertuig aangetroffen cilinders. Noch is onderzoek gedaan naar de fabrikant van de cilinders\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een enkele ambtshalve herkenning van de cilinders als lachgascilinders door verbalisant, zonder enig nader onderzoek en zonder een verklaring van verdachte dat het lachgas betreft, onvoldoende is om tot wettig en overtuigend bewijs te komen dat zich in de cilinders lachgas bevond. De cilinders kunnen immers ook leeg zijn of op een later moment gevuld met een andere substantie.\n\nDe rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 11-12;\n\n- het rapport NFiDENT van 13 november 2023, p. 20;\n\n- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 41-42;\n\nNadere bewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken nu sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in die zin dat de doorzoeking onrechtmatig heeft plaatsgevonden.\n\nDe rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat het openen van de achterkant van het voertuig in onderhavig geval onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet valt. Door het zoekend rondkijken in het voertuig is vervolgens een verdenking ontstaan dat zich in het voertuig verdovende middelen bevonden. Daartoe is het hele voertuig doorzocht en is in de linker portier een boterhamzakje met wit poeder aangetroffen.\n\nDe rechtbank is – mede gelet op het hiervoor overwogene – van oordeel dat de doorzoeking rechtmatig heeft plaatsgevonden en verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nDe rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van 6,05 gram van een materiaal bevattende cocaïne.\n\nDe rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n2.\n\nhij op of omstreeks23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fofheeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nEr is sprake van eendaadse samenloop, nu het vervoeren en aanwezig hebben dezelfde cocaïne betreft, op dezelfde plaats en tijd is geschied en hetgeen is strafbaar gesteld in artikel 2, onder B en C van de Opiumwet dezelfde strekking heeft.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\neendaadse samenloop van\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod\n\nen\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van 6,05 gram cocaïne. Ook heeft hij verklaard dat hij sinds kort cocaïne gebruikt. Het is algemeen bekend dat harddrugs in het algemeen zeer schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat de handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door in het bezit te raken van harddrugs.\n\nDe rechtbank heeft gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 maart 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor delicten van de Opiumwet. De rechtbank merkt op dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van 18 maart 2024. Het is de reclassering niet gelukt om met verdachte in contact te komen. De reclassering maakt op basis van de beschikbare gegevens de inschatting dat verdachte gebaat zou kunnen zijn bij begeleiding\u002Fbehandeling van een forensisch FACT-team van Fivoor. Tijdens het traject dient er aandacht te zijn voor het middelengebruik en het stabiliseren van criminogene leefgebieden. De reclassering adviseert daarom een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling\u002Fbegeleiding.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het vervoeren van 0 tot 10 gram harddrugs wordt doorgaans een taakstraf voor de duur van 30 uren opgelegd.\n\nGelet op het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf niet passend is. Verdachte liep nog in een proeftijd toen hij het feit pleegde en de reclassering heeft geen contact met hem kunnen krijgen. Zij adviseren bijzondere voorwaarden, maar verdachte heeft via zijn raadsman te kennen gegeven daar niet aan mee te willen werken. De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en zal dat aan verdachte opleggen.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 20-000823-21)\n\nHet gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte op 17 juni 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van deze straf.\n\nDe raadsman heeft geen standpunt ingenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. Er zijn geen redenen om dat niet te doen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2 en 10 van de Opiumwet.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstrafvoor de duur vanéén (1) maand;\n\nVordering na voorwaardelijke veroordeling\n\n beveelt de tenuitvoerlegging van de op 17 juni 2022 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand(parketnummer 20-000823-21).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2024.\n\nmrs. W. Bruins en A.J.H. Steenweg zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023440563, gesloten op 5 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","2026-07-13T00:28:23.279Z",20,[80,81,11,82,83],2026,2025,2023,2022]