[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-employment-contract-termination-nl-2026":3},{"detail":4,"years":218},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":217,"page":14,"limit":26},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},156,"employment-contract-termination-nl","Employment Contract Termination","NL","2026-07-08T17:00:45.330Z",2026,[13,16,18,20,23,25,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":22},4,5,{"month":22,"count":24},6,{"month":24,"count":26},20,{"month":28,"count":14},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":36,"count":15},11,{"month":38,"count":15},12,[40,54,64,74,82,89,98,106,115,123,130,139,148,156,165,174,183,191,200,209],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"1322","ECLI:NL:RBAMS:2026:6791","ecli-nl-rbams-2026-6791","",56,"2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12156355 \\ EA VERZ 26-361\n\nBeschikking van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Heimensem,\n\ntegen\n\nFACT ACCOUNTANTS & ADVISEURS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: FACT\n\nvertegenwoordigd door: [naam] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van 19 maart 2026, met producties;\n\n- het verweerschrift, met producties.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026. [verzoeker] was aanwezig met zijn gemachtigde. Namens FACT is [naam] ( [functie 1] ) verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, [verzoeker] mede aan de hand van zittingsaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. [verzoeker] heeft zijn eis ter zitting verminderd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Vervolgens is de beschikking bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 2005, is op 9 december 2024 als [functie 2] bij FACT in dienst getreden. Zijn laatstgenoten salaris was € 1.710,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld, op basis van een 24-urige werkweek.\n\n2.2.. \n\nOp 31 juli 2025 stuurde FACT [verzoeker] per e-mail onder meer:\n\n“We hebben de volgende aanvullende afspraken gemaakt:\n\n Het contract dat we nu hebben loopt tot 30 juni 2026\n\n Ik heb aangegeven dat wij tevreden zij[n] over jou en dat ik de nieuwe overeenkomst per 1 juli 2026 wil omzetten in een contract voor onbepaalde tijd\n\n Je zult dan vallen onder de autoregeling\u002Fmobiliteitsbudget (…)”\n\n2.3.. Vanaf de aanvang van zijn dienstverband bij FACT gebruikte [verzoeker] zijn studenten-OV om naar FACT te reizen. Hij maakte daardoor geen reiskosten.\n\n2.4.. In augustus 2025 heeft [verzoeker] zijn rijbewijs gehaald en een Toyota Aygo gekocht.\n\n2.5.. In oktober 2025 heeft [verzoeker] bij FACT een reiskostendeclaratie ingediend voor in september 2025 gemaakte reiskosten. FACT heeft [verzoeker] gevraagd een kostenopgave te maken van de kosten van zijn auto. [verzoeker] heeft daarop onder meer aangegeven dat zijn auto een verbruik had van 1:9. FACT heeft er op gewezen dat dit verbruik hoger is dan het gemiddelde verbruik van dat type auto en om aanvullende informatie gevraagd.\n\n2.6.. In de maanden daarna heeft [verzoeker] ook reiskosten gedeclareerd voor de maanden tot en met december 2025. FACT heeft die reiskosten niet voldaan.\n\n2.7.. Op 16 december 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] FACT gesommeerd de gedeclareerde reiskosten van september tot en met december 2025 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging daarover.\n\n2.8.. Op 24 december 2025 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. FACT heeft daarvan een gespreksverslag opgemaakt. [verzoeker] heeft dat niet ondertekend. In dat gespreksverslag staat onder meer dat besproken is dat FACT vermoedt dat de door [verzoeker] opgegeven kostenopgave vanwege het hoge brandstofverbruik onjuist is, dat [verzoeker] de gelegenheid is gegeven om de juistheid te onderbouwen door – kort gezegd – aanvullende informatie aan te leveren, dat hij dat niet heeft gedaan en dat FACT daarom vermoedt dat sprake is van een vervalsing. Verder staat er dat is besproken dat het functioneren van [verzoeker] onvoldoende is.\n\n2.9.. Op 14 januari 2026 heeft FACT [verzoeker] geschorst. [verzoeker] heeft daar dezelfde dag bezwaar tegen gemaakt.\n\n2.10.. In een e-mail van 21 januari 2026 schrijft FACT aan [verzoeker] onder meer:\n\n“In ons gesprek van vorige week heb ik je aangegeven dat ik overging tot een schorsing. Ik heb daarvoor de volgende redenen:\n\n Het zonder enige vorm van overleg declareren van kosten\n\n Het bewust verstrekken van onjuiste informatie met betrekking tot de kosten van je auto\n\n Het negeren van aanvullende instructies met betrekking tot de onjuist gedane kostenopgaaf van je auto\n\n Het bewust onjuist schrijven van je uren en dan met name de interne uren (…)\n\n Het opstarten van een juridische procedure tegen Fact\n\n Het volstrekt onvoldoende uitvoeren van werkzaamheden. (…).\n\nDe grondvereiste [sic] van iedere werknemer van Fact is dat hij integer is en bij jou moet ik helaas constateren dat je dat niet bent. Ik moet dus maatregelen nemen en hoopte dat je met de schorsing tot inzicht zou komen. (…)\n\nEr is geen verdere basis meer voor enig vertrouwen!In het gesprek van gisteren gaf je aan niet van mening te zijn veranderd. Mij rest dan niets anders als [sic] een verdere maatregel te nemen en dat is dan ontslag op staande voet.Per gisteren ben je uit dienst (…).”\n\n2.11.. \n [verzoeker] heeft zijn werklaptop van FACT niet aan FACT teruggegeven, ondanks verzoek daartoe van FACT.\n\n2.12.. \n [verzoeker] werkt sinds 23 februari 2026 bij een andere werkgever. Hij verdient daar iets meer dan bij FACT (€ 1.800,- per maand voor 24 uur in de week).\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\nIn de hoofdzaak\n\n3.1.. \n\n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter na eisvermindering om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, FACT samengevat te veroordelen:\n\nI. tot betaling van een billijke vergoeding van € 55.853,00 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;\n\nII. tot betaling van € 2.462,40 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging;\n\nIII. tot betaling van de transitievergoeding van € 750,00 bruto;\n\nIV. een deugdelijke bruto\u002Fnetto specificatie te verschaffen van de hiervoor genoemde betalingen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00;\n\nV. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel;\n\nVI. tot betaling van de wettelijke rente over de onder I, II en III genoemde bedragen vanaf opeisbaar worden tot voldoening;\n\nVII. tot betaling van € 866,22 aan reiskosten, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nVIII. tot betaling van € 700,00 aan achterstallig loon wegens het niet inleveren van de laptop, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nIX. tot betaling van € 942,00 aan ingehouden betalingen voor te veel opgenomen verlof, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nX. tot betaling van € 427,50 aan wegens schorsing ingehouden loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nXI. tot betaling van € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nXII. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na vonnisdatum.\n\n3.2.. \n [verzoeker] legt hieraan kort gezegd ten grondslag dat er geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet en dat de verschillende inhoudingen onterecht zijn.\n\n3.3.. FACT verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken.\n\nIn het incident\n\n3.4.. \n [verzoeker] verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de procedure onder meer veroordeling tot (i) doorbetaling van het salaris, (ii) verstrekking van salarisspecificaties, (iii) wettelijke verhoging en (iv) buitengerechtelijke incassokosten.\n\n4. De beoordeling\n\nIn de hoofdzaak:\n\n4.1.. \n [verzoeker] berust in het ontslag, maar maakt aanspraak op een aantal vergoedingen. Hij heeft zijn verzoekschrift daartoe tijdig ingediend. De vergoedingen kunnen worden toegewezen als het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. In deze procedure moet daarom de vraag worden beantwoord of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.\n\n4.2.. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Dat wordt als volgt toegelicht.\n\nJuridisch kader ontslag op staande voet4.3.. In de wet staat dat beide partijen bevoegd zijn om de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden op te zeggen, onder een onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.Voor een werkgever worden als dringende reden aangemerkt zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, dat in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Van belang zijn bijvoorbeeld de aard en de ernst van wat er is gebeurd, de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden en de onverwijldheid liggen bij de werkgever.\n\nOntslag op staande voet niet rechtsgeldig4.4.. FACT heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welke dringende reden zij ten grondslag heeft gelegd aan het gegeven ontslag op staande voet. Dat had wel op haar weg gelegen. Alleen daarom al is het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.\n\n4.5.. Voor zover FACT in dat kader heeft willen verwijzen naar de door haar op 21 januari 2026 gestuurde e-mail (2.10 hiervoor) geldt het volgende. In die e-mail heeft FACT een aantal redenen gegeven op grond waarvan zij tot schorsing van [verzoeker] was overgegaan. Daargelaten in hoeverre een schorsing op die gronden juridisch toelaatbaar was - dat ligt in deze procedure immers niet voor - geldt dat die gronden niet kwalificeren als dringende reden voor het rechtvaardigen van een ontslag op staande voet. Een ontslag op staande voet is immers een zeer ingrijpend middel, met vergaande consequenties voor de werknemer.\n\n4.6.. Dat [verzoeker] ondanks zijn schorsing volgens FACT ‘niet tot inzicht’ zou zijn gekomen, is evenmin voldoende om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Al is het maar omdat FACT onvoldoende over het voetlicht heeft gebracht wat zij in dat kader van [verzoeker] verwachtte en evenmin dat het niet voldoen aan die verwachting dit arbeidsrechtelijk zwaarste middel van een ontslag op staande voet rechtvaardigt.\n\n4.7.. Daar komt bij dat voorzover FACT aan haar ontslag op staande voet dezelfde gronden ten grondslag heeft willen leggen als aan haar schorsing, FACT onvoldoende over het voetlicht heeft gebracht dat zij het ontslag op staande voet onverwijld heeft gegeven. Zo heeft FACT niet toegelicht dat zij mede in het licht van de periode van schorsing voldoende voortvarend te werk is gegaan.\n\nTransitievergoeding4.8.. Een werkgever moet een transitievergoeding aan de werknemer betalen als de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd, behalve als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door de werknemer.FACT heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd. Niet gebleken is dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in voornoemde zin. Dat hij onvoldoende heeft kunnen uitleggen waarom het in eerste instantie door hem genoemde verbruik van zijn auto afwijkt van het door FACT genoemde gemiddelde van dergelijke auto’s, is daarvoor op zichzelf niet voldoende. Omdat [verzoeker] berust in het ontslag op staande voet staat vast dat de einddatum van het dienstverband 21 januari 2026 is. De transitievergoeding bedraagt daarom € 689,70. Betaling daarvan wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van deze beschikking.\n\nGefixeerde schadevergoeding4.9.. De arbeidsovereenkomst is door een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet geëindigd en is daarmee op onregelmatige wijze opgezegd. Als een werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, moet zij het in geld vastgestelde loon betalen over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.Dat wordt de gefixeerde schadevergoeding genoemd. De berekening hiervan door [verzoeker] wordt niet gevolgd, omdat hij daarbij uitgaat van een periode vanaf 14 januari 2026, terwijl het dienstverband liep tot 21 januari 2026. Omdat [verzoeker] per 23 februari 2026 elders in dienst is getreden, loopt de relevante periode tot 23 februari 2026. De periode van 21 januari 2026 tot 23 februari 2026 is 1,07 maanden, zodat als gefixeerde schadevergoeding een bedrag van (1,07 * € 1.710,00 * 1,08=) € 1.976,08 toewijsbaar is. De daarover verzochte wettelijke rente is toewijsbaar vanaf heden tot voldoening.\n\nBillijke vergoeding4.10.. Omdat [verzoeker] ten onrechte op staande voet is ontslagen en hij berust in het ontslag, kan hij tegenover FACT aanspraak maken op een billijke vergoeding.Bij de begroting van de hoogte daarvan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het gaat er kort gezegd om dat [verzoeker] wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van FACT. Daarbij kan rekening worden gehouden met de gevolgen voor [verzoeker] van het verlies van zijn baan. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te beëindigen.\n\n4.11.. De kantonrechter ziet aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op nihil. Daarbij weegt mee dat de gevolgen voor [verzoeker] van het verlies van zijn baan in dit geval beperkt zijn. Hij heeft vrij snel een nieuwe baan gevonden en bovendien ter zitting toegelicht dat hij vóór het gegeven ontslag op staande voet zelf al in vergaande gesprekken was met een nieuwe werkgever. Het dienstverband zou daarom naar verwachting hoe dan ook niet al te lang meer hebben geduurd. Ook weegt mee dat hem een transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding toekomt. Verder weegt de kantonrechter mee dat [verzoeker] in zijn verzoekschrift heeft nagelaten te vermelden dat hij op dat moment (19 maart 2026) al bijna een maand een nieuwe baan had. Dat staat haaks op de in het verzoekschrift door hem beschreven verwachting dat hij nog 18 maanden bij FACT in dienst zou zijn geweest. Ook weegt de kantonrechter mee dat, zoals hierna verder zal blijken, [verzoeker] zelf ook een aandeel in het ontstane arbeidsconflict met FACT heeft gehad.\n\nReiskosten4.12.. De door [verzoeker] verzochte veroordeling tot betaling van de gedeclareerde reiskosten wordt afgewezen. Niet in geschil is dat [verzoeker] van meet af aan met zijn studenten-OV naar het werk reisde. Volgens hem is op enig moment besproken dat hij zijn kilometers mocht gaan declareren, maar hij heeft dat standpunt in het licht van de gemotiveerde betwisting door FACT onvoldoende onderbouwd. Zijn verwijzing naar artikel 9 van de arbeidsovereenkomst – waarin kort gezegd staat dat de secundaire arbeidsvoorwaarden van FACT van toepassing zijn – maakt dat niet anders. Niet in geschil is immers dat hij in de praktijk gebruik maakte van zijn studenten-OV en dus geen reiskosten maakte. Ook zijn verwijzing naar in juli 2025 gevoerde onderhandelingen maken dat niet anders. FACT heeft immers onweersproken toegelicht dat die onderhandelingen hebben geleid tot de e-mail van 31 juli 2025 (2.2 hiervoor), waaruit kort gezegd volgt dat [verzoeker] vanaf 1 juli 2026 - en dus niet eerder - onder de autoregeling zou vallen.\n\nOverige verzoeken4.13.. FACT heeft € 700,00 ingehouden in verband met het niet inleveren van de laptop. Zij heeft echter niet toegelicht op welke grondslag zij daarvoor geld op het loon heeft mogen inhouden, noch dat dit een bedrag van € 700,00 rechtvaardigt. Dat had wel op haar weg gelegen. Betaling van dit bedrag is dus toewijsbaar. Het voorgaande laat onverlet dat [verzoeker] is gehouden om de laptop aan FACT terug te geven, aangezien het dienstverband is geëindigd. FACT heeft hierover echter geen tegenverzoek ingediend, zodat de kantonrechter daar verder niet op kan beslissen. Omdat niet in geschil is dat FACT [verzoeker] eerder heeft gevraagd de laptop in te leveren, hetgeen hij zonder goede onderbouwing niet heeft gedaan, zal over dit bedrag geen wettelijke verhoging worden toegekend. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf heden tot betaling.\n\n4.14.. Het verzoek tot betaling van € 942,00 aan ingehouden verlofsaldo wordt afgewezen. [verzoeker] heeft namelijk niet gesteld dat dit bedrag op zichzelf onterecht is berekend, maar uitsluitend aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst niet geëindigd is en dat het daarom niet zou mogen worden ingehouden. Hiervoor is echter gebleken dat de arbeidsovereenkomst geëindigd is. Ook het verzoek tot betaling van € 427,50 wegens aan tijdens schorsing ingehouden loon wordt afgewezen. FACT heeft immers gemotiveerd aangevoerd dat gedurende de schorsing het loon is doorbetaald. FACT heeft dat onderbouwd met een loonstrook. [verzoeker] heeft dat vervolgens onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.\n\n4.15.. Het verzoek tot betaling van € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, is toewijsbaar, te vermeerderen met 25% wettelijke verhoging daarover. Zelfs als het zo zou zijn dat [verzoeker] onjuiste uurcodes heeft gebruikt, of meer uren op een bepaalde code heeft geschreven dan zijn collega’s, maakt dat nog niet dat FACT daarvoor loon in mindering mag brengen. FACT heeft ook geen (bedrijfs)documentatie overgelegd waaruit iets anders blijkt. De wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf heden tot volledige betaling.\n\n4.16.. De verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld dat méér werkzaamheden zijn verricht dan verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.\n\n4.17.. Het verzoek tot afgifte van de salarisspecificatie wordt in die zin toegewezen, dat FACT wordt veroordeeld tot het verstrekken een deugdelijke bruto\u002Fnetto specificatie van de betalingen van de transitievergoeding en de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging, binnen een maand na de datum van beschikking. Als FACT daar niet tijdig aan voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 50,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00.\n\nProceskosten4.18.. Omdat FACT overwegend ongelijk krijgt, moet zij de proceskosten betalen. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.19.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nIn het incident:4.20.. Omdat in de hoofdzaak wordt beslist, bestaat geen belang meer bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. Deze worden dus afgewezen. [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van het incident. Deze kosten worden aan de zijde van FACT begroot op nihil.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nIn de hoofdzaak:\n\n5.1.. veroordeelt FACT om aan [verzoeker] te betalen:\n\nI. € 689,70 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\nII. € 1.976,08 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\nIII. € 700,00 bruto aan ingehouden loon voor de laptop, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\nIV. € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, te vermeerderen met 25% wettelijke verhoging daarover, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\n5.2.. veroordeelt FACT om binnen een maand na heden een deugdelijke bruto\u002Fnetto specificatie te verstrekken van de betalingen genoemd onder 5.1 sub I en II, bij gebreke waarvan zij een dwangsom verbeurt van € 50,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00;\n\n5.3.. veroordeelt FACT in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als FACT niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n5.4.. veroordeelt FACT tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders verzochte af;\n\nIn het incident\n\n5.7.. wijst het verzochte af;\n\n5.8.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van FACT begroot op nihil.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.M.B. Cramwinckel en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\n Artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 7:678 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW.\n\n Artikel 7:672 lid 11 BW.\n\n Vakantiegeld.\n\n Artikel 7:681 lid 1 sub a BW.\n\n Vgl. Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 en HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6791","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:15.959Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":63},"1308","ECLI:NL:RBROT:2026:7443","ecli-nl-rbrot-2026-7443",61,"2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nzaaknummer: 711202 HA RK 25-1185\n\ndatum uitspraak: 29 juni 2026\n\nBeschikking van de rechter\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwoonplaats: [woonplaats],\n\nverzoekster,\n\nadvocaat: mr. H.B. Dekker,\n\ntegen\n\nStichting Nederlands Fotomuseum,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\nverweerster,\n\nadvocaat: mr. M. Hurks.\n\nVerzoekster\u002Fwerkneemster wordt hierna ‘de bestuurder’ genoemd. Verweerster\u002Fwerkgever wordt hierna ‘de RvT’ of ‘werkgever’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van de bestuurder, met bijlagen;\n\nhet verweerschrift van de RvT met bijlagen;\n\nde aanvullende bijlagen van de bestuurder;\n\nde spreekaantekeningen van de advocaten;\n\nde schriftelijke verklaring die de bestuurder tijdens de zitting heeft voorgedragen.\n\n1.2.. Op 18 mei 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. De bestuurder was aanwezig met haar advocaat. Namens de RvT waren de voorzitter en drie leden aanwezig, met de advocaat.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. De bestuurder werkte bij werkgever als directeur-bestuurder. De RvT heeft de bestuurder op 18 juli 2025 ontslagen, met een opzegtermijn van twee maanden. De arbeidsovereenkomst is geëindigd per 1 oktober 2025. De bestuurder is het niet eens met het ontslag. Zij vraagt een verklaring voor recht dat er geen redelijke grond was om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, dan wel dat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de RvT. De bestuurder vraagt primair een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto inclusief onderzoekskosten en juridische kosten. Als dit bedrag niet wordt toegewezen vraagt de bestuurder een billijke vergoeding van € 300.000,- bruto plus onderzoekskosten en juridische kosten. Ook vraagt de bestuurder om werkgever te veroordelen een rectificatie op de website te plaatsen en deze te sturen aan de hoofdredacteuren van de Volkskrant, NRC, het AD, de NOS en het ANP. De RvT vindt dat de verzoeken moeten worden afgewezen.\n\nDe uitkomst\n\n2.2.. De bestuurder krijgt gelijk. De rechter oordeelt dat er geen redelijke grond was voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst en dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Werkgever moet aan de bestuurder de gevraagde billijke vergoeding betalen van € 400.000,- bruto. Ook moet werkgever een rectificatie plaatsen. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.\n\nWat is er gebeurd?\n\n2.3.. De bestuurder werkte sinds 15 november 2018 bij werkgever als directeur-bestuurder.\n\n2.4.. In april\u002Fmei 2024 vernam de bestuurder dat de Volkskrant bezig was met een onderzoek naar de werksfeer bij werkgever. In overleg met de RvT is een statement en Q&A-lijst voor medewerkers opgesteld. In september 2024 kreeg de RvT signalen dat de Volkskrant bezig was met een artikel. Op initiatief van de RvT is vervolgens een Cultuuronderzoek uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau (Kroll).\n\n2.5.. In mei 2025 ontving de bestuurder een concept artikel van de Volkskrant, waarin zij werd beschuldigd van narcisme, toxisch management en schrikbewind. De bestuurder heeft dit concept doorgestuurd aan de RvT, personeelsvertegenwoordiging (‘PVT’) en het managementteam (‘MT’). De bestuurder heeft aan de Volkskrant een reactie gestuurd op het concept. De RvT stuurde ook een reactie aan de Volkskrant en een met de PVT en het MT afgestemd statement. Daarin werd steun aan de bestuurder uitgesproken.\n\n2.6.. Op 19 juni 2025 heeft de RvT de bestuurder per direct geschorst. Als reden gaf de RvT dat hij de vorige dag informatie uit de organisatie had ontvangen over het functioneren van de bestuurder. De RvT wilde niet zeggen welke informatie dat was. De RvT kondigde aan dat hij een intern onderzoek zou starten. Vanaf dat moment had de bestuurder geen toegang meer tot haar mailbox. De RvT heeft de schorsing per e-mail bevestigd en de bestuurder uitgenodigd voor de RvT-vergadering van 18 juli 2025, waarin haar voorgenomen ontslag als bestuurder op de agenda stond. De RvT heeft na de schorsing van de bestuurder bij de Volkskrant het statement met de steun aan de bestuurder ingetrokken.\n\n2.7.. De bestuurder heeft diezelfde dag per mail tegen de schorsing geprotesteerd. De volgende dag heeft zij gevraagd om een nadere toelichting en om toegang tot haar e-mail.\n\n2.8.. \n\nOp 23 juni 2025 heeft de RvT de bestuurder laten weten dat de RvT serieuze signalen had gekregen dat hij verschillende malen informatie had ontvangen, die mogelijk door\n\nde bestuurder zou zijn beïnvloed. Daardoor zou de RvT zijn controlerende taak niet volledig of naar behoren hebben kunnen uitvoeren.\n\n2.9.. Op 24 juni 2025 heeft de advocaat van de bestuurder nogmaals gevraagd om een toelichting op het schorsingsbesluit. Op 26 juni 2025 heeft de advocaat van de RvT de bestuurder en haar advocaat uitgenodigd voor een hoorgesprek op 3 juli 2025.\n\n2.10.. Op 26 juni 2025 heeft de Volkskrant gepubliceerd over de schorsing van de bestuurder. Op 1 juli 2025 verscheen in de Volkskrant een uitgebreid artikel over de bestuurder.\n\n2.11.. Op 3 juli 2025 vond het hoorgesprek plaats. Op 8 juli 2025 heeft de bestuurder schriftelijk een aanvullende reactie gegeven op onderwerpen die tijdens het hoorgesprek aan de orde kwamen. Op 9 juli 2025 heeft de bestuurder gereageerd op de notulen van het hoorgesprek die zij twee dagen daarvoor ontving. Ook heeft de bestuurder op 9 juli 2025 gereageerd op aanvullende vragen van de RvB. Diezelfde dag heeft de RvB weer aanvullende vragen gesteld. Deze heeft de bestuurder op 10 juli 2025 beantwoord.\n\n2.12.. Op 11 juli 2025 heeft de RvT de bestuurder laten weten dat het voorgenomen ontslag in stand bleef. De bestuurder ontving de conclusies van het onderzoek, een brief met daarin de redenen voor het voorgenomen ontslag en een agenda voor de vergadering op 18 juli 2025.\n\n2.13.. Op 14 juli 2025 heeft de bestuurder gereageerd op het onderzoek van de RvT. Zij heeft gevraagd om de Whatsapp berichten en de managementrapportages van 2024 en 2025 waarnaar de RvT verwees. Zij vroeg ook opnieuw om toegang tot haar mailbox. De RvT heeft alleen de managementrapportages verstrekt en geweigerd om de andere gevraagde informatie aan de bestuurder te verstrekken. De bestuurder kreeg ook geen toegang tot haar mailbox.\n\n2.14.. Op 16 juli 2025 heeft de bestuurder aanvullende stukken gestuurd aan de RvB. Op 17 juli 2025 ontving de bestuurder een aangepast onderzoeksrapport. Daarop heeft de bestuurder diezelfde dag nog gereageerd.\n\n2.15.. Op 18 juli 2025 is de bestuurder tijdens de RvT vergadering ontslagen als bestuurder. De arbeidsovereenkomst tussen de RvT en de bestuurder is per 1 oktober 2025 geëindigd.\n\n2.16.. Op 19 juli 2025 om 06.00 uur heeft de RvT op haar website een statement over het ontslag van de bestuurder geplaatst. Op dat moment is een pushbericht verstuurd aan meer dan 130 personen in binnen- en buitenland, die zich op persnieuwsberichten van werkgever hebben geabonneerd.\n\n2.17.. Na het ontslag van de bestuurder, in september 2025, heeft de RvT door extern onderzoeksbureau Unravelling een onderzoek laten uitvoeren naar de cultuur binnen de organisatie.\n\nWat vindt de rechter?\n\nHet ontslag was onterecht\n\n2.18.. Werkgever had geen redelijke grond om de arbeidsovereenkomst met de bestuurder op te zeggen. Op de zitting heeft de RvT gesteld dat sprake zou zijn van de h-grond en anders de g-grond. Voor de h-grond is nodig dat sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van de RvT niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor de g-grond moet sprake zijn van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, waardoor van de RvT niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.\n\n2.19.. De verwijten die de RvT in dit verband aan de bestuurder maakt zijn naar het oordeel van de rechter onterecht. Het is niet gebleken dat sprake was van sociale onveiligheid of een angstcultuur, veroorzaakt door de leiderschapsstijl van de bestuurder. Evenmin heeft de bestuurder de RvT niet voldoende of onjuist geïnformeerd over sociale onveiligheid en personeelsverloop, waardoor de RvT zijn toezichthoudende taak onvoldoende heeft kunnen uitoefenen. Verder staat niet vast dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde relatie. Voor zover er kritiek was op het leiderschap van de bestuurder, de wijze waarop de RvT geïnformeerd werd of sprake was van een verstoring in de werkrelatie, dan was dat in de gegeven omstandigheden nog geen reden voor ontslag. De RvT, die de bestuurder hier al die jaren niet op heeft aangesproken of vragen over heeft gesteld, kan dan niet ineens grijpen naar zo’n zware sanctie. Hierna wordt dit oordeel uitgelegd.\n\nGeen sociale onveiligheid en angstcultuur\n\n2.20.. Het staat niet vast dat sprake was van sociale onveiligheid en cultuurproblemen (angstcultuur) door het leiderschap van de bestuurder.\n\n2.21.. Het is wel zo dat er bij sommige medewerkers en oud-medewerkers de nodige weerstand was tegen de bestuurder. De bestuurder heeft uitgelegd dat dit te maken had met de opdracht die zij in 2018 bij haar aantreden van de RvT de opdracht kreeg. Dat was de opdracht om de organisatie weer op de rails te krijgen. De organisatiestond er zowel financieel als organisatorisch zeer slecht voor. De bestuurder heeft verschillende maatregelen getroffen en veranderingen doorgevoerd in de organisatie, waarbij zij merkte dat niet iedereen openstond voor die veranderingen en zij zelfs werd tegengewerkt. Dat wordt bevestigd door het onderzoek van Berenschot in 2020. Berenschot concludeerde dat een aantal medewerkers moeite had met de voortvarende aanpak van de bestuurder, terwijl een deel juist waardering had voor de frisse wind van de bestuurder en erkende dat verandering nodig was. Volgens Berenschot was er in het verleden sprake geweest van vrijblijvendheid en hobbyisme. In het rapport schrijft Berenschot: “dat er een schisma is tussen de oude garde en de nieuwelingen”, “Er is weerstand maar niet precies duidelijk is waartegen”, “Er zijn koninkrijkjes in het museum”, “Het benoemen financiële crisis, vormen crisisteam en bevriezen MT en het ontslag van twee “aanwezige” medewerkers is bij aantal medewerkers verkeerd gevallen. Dit wordt door aantal medewerkers aangegrepen om dwars te liggen (in gedrag en houding). Weerstand is nadrukkelijk zichtbaar bij maatregelen\u002Finterventies directeur.”\n\n2.22.. Volgens de bestuurder kende de RvT dit rapport. In 2021 had de bestuurder haar eerste en enige functioneringsgesprek met de RvT (met de toenmalige voorzitter en een van de leden). De bestuurder heeft onweersproken gesteld dat in dit gesprek veel waardering is uitgesproken voor het functioneren van de bestuurder, en ook voor het feit dat de bestuurder nadat ze zag wat ze aantrof binnen de organisatie, de baan niet had teruggegeven. Ook vroegen zij de bestuurder tijdens dat gesprek hoe zij het gif uit de organisatie ging halen. De bestuurder antwoordde daarop ‘Door mensen aan te spreken op hun gedrag. Maar dat zal niet makkelijk zijn.' De RvT heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. De bestuurder heeft ook allerlei organisatorische veranderingen doorgevoerd, zoals het instellen van een externe vertrouwenspersoon, een gedragscode, een klokkenluidersregeling, het aanstellen van een HR-medewerker en het invoeren van drie functioneringsgesprekken per jaar en het organiseren van teamuitjes. Daarmee is door de bestuurder een forse verbeterslag gemaakt op het gebied van professionalisering van de organisatie.\n\n2.23.Volgens de bestuurder was de RvT op de hoogte van alle veranderingen die zij heeft doorgevoerd en was de RvT in zijn jaarlijkse verslagen altijd zeer lovend over de verrichtingen van de bestuurder en haar team. Het is niet vast komen te staan dat na 2021 met de bestuurder is gesproken over haar functioneren. De RvT stelt dat zij periodiek feedbackgesprekken had met de bestuurder, maar die betwist dat. Dat waren volgens de bestuurder koffiemomenten die plaatsvonden in het kader van de re-integratie van de bestuurder na een ernstige ziekte. Zij kreeg daarin geen feedback op haar functioneren. De RvT heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat dat anders is. Er zijn wel stukken en e-mails van de periode na 2021, maar daarin staat niets over (enige feedback op) het functioneren van de bestuurder.\n\n2.24.. Dat er andere zorgelijke signalen waren over het leiderschap van de bestuurder, of dat zelfs sprake was van een angstcultuur binnen de organisatie, zoals de RvT stelt, is evenmin gebleken. De bestuurder stelt onweersproken dat er de afgelopen jaren zes externe onderzoeken zijn uitgevoerd binnen de organisatie en dat daar niets uit is gekomen wat wijst op sociale onveiligheid of problemen in de cultuur. In 2018 en 2022 zijn onderzoeken uitgevoerd door Berenschot, in 2022 en in 2024 vonden medewerkersonderzoeken plaats. In januari 2024 verscheen een rapport van de Visitatiecommissie van OCW. De commissie concludeerde dat er een open relatie was tussen de RvT en de bestuurder, de RvT en de medewerkers en tussen de bestuurder en de medewerkers. Ook werd volgens de commissie adequaat gereageerd op incidenten die raken aan een veilige werkomgeving binnen het museum. De commissie was zeer onder de indruk van de betrokkenheid en bevlogenheid van zowel de medewerkers als de bestuurders. Wel werd de werkdruk door sommige medewerkers als hoog ervaren door de aankomende verhuizing. In 2024 heeft de externe vertrouwenspersoon een rapport uitgebracht. Daarin stond dat in 2023 een minimaal beroep op de vertrouwenspersoon was gedaan en dat medewerkers goed de weg wisten te vinden als er sprake is van (mogelijk) grensoverschrijdend gedrag. In 2024 vond het Cultuuronderzoek door Kroll plaats. Uit het rapport blijkt dat erkend werd dat het museum een noodzakelijke ontwikkeling had doorgemaakt van een familiale cultuur naar een meer hiërarchische cultuur en dat dit nodig was geweest. De ondervraagden hadden er begrip voor dat de verandering ook had geleid tot het vertrek van medewerkers. Volgens de bestuurder zijn uit al deze onderzoeken geen signalen naar voren gekomen die de beschuldigingen van de RvT ondersteunen. De RvT heeft dit alles niet weersproken. De RvT trekt nu de betrouwbaarheid van die onderzoeken in twijfel, omdat zij meent dat de bestuurder die uitkomsten zou hebben beïnvloed. Die beschuldiging is onterecht, zoals hierna zal worden uitgelegd. Op de zitting heeft de RvT nog gezegd dat het rapport van de externe vertrouwenspersoon niet zoveel zegt, omdat medewerkers niet naar de externe vertrouwenspersoon durfden, maar de RvT onderbouwt dat niet. Er is geen reden om aan te nemen dat wat de RvT zegt klopt. Volgens het rapport van de vertrouwenspersoon wisten medewerkers de weg naar de vertrouwenspersoon juist goed te vinden.\n\n2.25.. De bestuurder heeft er ook op gewezen dat in de periode in 2022, toen zij langdurig afwezig was vanwege een ernstige ziekte en vervangen werd door een interim-directeur, van zijn kant ook geen signalen zijn gekomen dat sprake was van een onveilige cultuur. De bestuurder heeft er in dit verband ook onweersproken op gewezen dat deze interim-directeur volgens de RvT ‘warm en benaderbaar’ was. Als er serieuze problemen waren binnen de organisatie, dan ligt het voor de hand dat dit ook onder de aandacht van de interim directeur zouden zijn gebracht.\n\n2.26.. Uit signalen van de PVT blijkt evenmin dat sprake was van sociale onveiligheid of een angstcultuur. De RvT legt een brief over van de PVT uit 2020 aan de RvT, waaruit volgens de RvT blijkt dat de PVT ernstige zorgen heeft over de bestuurder. De PVT heeft deze brief echter nooit verstuurd. Op de zitting heeft de RvT uitgelegd dat dat was omdat het de bedoeling van de PVT was om deze brief te sturen namens het hele personeel, maar niet iedereen stond hier achter. De RvT stelt in het verweerschrift dat zij in 2021 van de PVT “zorgelijke signalen kreeg over de organisatie en met name de onrust en werkdruk voor het personeel” maar dit is verder niet onderbouwd. Uit niets blijkt dat de RvT hierop enige actie heeft ondernomen of dit met de bestuurder heeft besproken. De RvT legt verder nog een brief over van de PVT aan de bestuurder van 22 februari 2024. De bestuurder heeft uitgelegd dat zij hier uitgebreid op heeft gereageerd en dat zij naar aanleiding van deze brief ook verschillende maatregelen heeft getroffen, die zij ook benoemt. De bestuurder zegt dat zij niet heeft gehoord dat de PVT de acties niet voldoende vond. Zij heeft daarna geen signalen meer gekregen van de PVT. Ook niet van de RvT, aan wie zij de brief van de PVT en haar uitgebreide reactie daarop had doorgestuurd. De RvT heeft dit alles niet weersproken.\n\n2.27.. De RvT onderbouwt de gestelde sociale onveiligheid en angstcultuur verder met zijn eigen onderzoek en een onderzoek door Unravelling. Uit het eigen onderzoek zijn volgens de RvT signalen gekomen dat er al lange tijd iets mis lijkt met de cultuur. Volgens de RvT worden die uitkomsten bevestigd door het in september 2025 uitgevoerde cultuuronderzoek door extern onderzoeksbureau Unravelling. De rechter is het met de bestuurder eens dat beide onderzoeken onvoldoende objectief zijn en onvoldoende met feiten onderbouwd zijn. Daarom leveren zij geen deugdelijke onderbouwing op voor de gestelde ontslagredenen en de verwijten die de RvT aan de bestuurder maakt.\n\n2.28.. Het eigen intern onderzoek van de RvT is naar het oordeel van de rechter onvoldoende betrouwbaar. De rechter is het eens met de conclusies uit het rapport van Verinorm, dat door de bestuurder is ingeschakeld en neemt deze over. Verinorm komt tot de conclusie dat het onderzoek onvoldoende onpartijdig, onafhankelijk, zorgvuldig en objectief is uitgevoerd. De RvT heeft in het kader van het eigen onderzoek met een beperkt aantal personen gesproken. De bestuurder werd vervolgens uitgenodigd voor een hoorgesprek, zonder dat zij wist waar dat over zou gaan. Ondanks herhaald verzoek kreeg zij geen toegang tot haar e-mail. De bestuurder is daardoor onvoorbereid het drie uur durende hoorgesprek in gegaan, waarin zij allerlei verwijten te horen kreeg. Verder was de RvT zelf ook partij bij een van de verwijten aan de bestuurder, namelijk het verwijt dat de bestuurder hem onvoldoende zou hebben geïnformeerd. De beschuldiging over beïnvloeding van het Cultuuronderzoek en medewerkersonderzoek is – naar de rechter begrijpt – gebaseerd op enkele verklaringen van anonieme medewerkers. De verklaringen van deze medewerkers ontbreken en ook de stukken waarop de RvT zich kennelijk baseert, zitten niet bij hun onderzoeksrapport. De bestuurder heeft ook niet de beschikking gekregen over deze stukken en\u002Fof verklaringen, zodat zij zich daartegen niet naar behoren heeft kunnen verweren. Het rapport lijkt vooral een bevestiging van vooraf ingenomen conclusies. De vragen die aan de bestuurder zijn gesteld waren sturend en de RvT baseert zich grotendeels op subjectieve verklaringen en ervaringen van enkele anonieme medewerkers. Uit het rapport blijkt niet dat deze verklaringen zijn getoetst aan andere (objectieve) data. Aan de verklaringen van de bestuurder en de stukken die zij heeft aangeleverd heeft de RvT ten onrechte weinig waarde gehecht, terwijl de bestuurder daarmee het overgrote deel van de gemaakte verwijten deugdelijk heeft weerlegd. Dit was overigens mede te danken aan het feit dat de bestuurder kortdurend – zonder dat de RvT dit overigens mogelijk had gemaakt – toegang bleek te hebben tot haar mailbox, waardoor zij meerdere belangrijke stukken boven water heeft kunnen halen.\n\n2.29.. De rechter is met de bestuurder van oordeel dat ook het onderzoek van Unravelling onvoldoende betrouwbaar is en geen deugdelijke onderbouwing oplevert voor de gestelde sociale onveiligheid door het leiderschap van de bestuurder. Dit onderzoek is achteraf, na het ontslag van de bestuurder, in opdracht van de RvT uitgevoerd. De bestuurder is niet op de hoogte gesteld van dit onderzoek. Hoewel het onderzoek werd gepresenteerd als een ‘cultuuronderzoek’, ging het gelet op de vraagstelling grotendeels over het leiderschap door de bestuurder. De bestuurder kwam hier pas achter nadat de onderzoekers aan haar ook een vragenformulier hadden toegezonden als ‘oud-medewerker’. De uitkomsten van het onderzoek zijn beïnvloed door de suggestieve presentatie en vraagstelling, zoals Verinorm ook constateert. Zo staat bijvoorbeeld in de uitnodiging die is verzonden aan de medewerkers en oud-medewerkers dat de RvT had besloten tot dit onderzoek omdat meerdere (oud)medewerkers naar aanleiding van het vertrek van de bestuurder hun ervaringen wilden delen “met het oog op verwerking en herstel”. Verder blijkt uit het rapport dat alle medewerkers en oud-medewerkers anoniem zijn ondervraagd naar hun negatieve ervaringen met de bestuurder. De uitkomsten zijn onvoldoende representatief omdat het gaat om een kleine groep deelnemers. In het rapport staat “Het aantal respondenten is te klein om statistisch significante uitspraken te doen”. Bovendien staan in het rapport alleen meningen en ervaringen van de anonieme deelnemers aan het onderzoek. Niet is onderzocht of beoordeeld of de ervaringen feitelijk juist zijn. Opvallend is ook dat alle oud-medewerkers uit de bestuursperiode van de bestuurder zouden zijn uitgenodigd om deel te nemen, maar enkele door de bestuurder genoemde personen die positief verklaren over haar functioneren zijn niet uitgenodigd voor het onderzoek. Gelet op dit alles kunnen er naar het oordeel van de rechter geen algemene conclusies over de cultuur en de leiderschapsstijl van de bestuurder worden getrokken op basis van dit onderzoeksrapport, laat staan de conclusie dat sprake was van een angstcultuur.\n\n2.30.. Hiermee wil de rechter overigens niet afdoen aan de beleving van sommige (oud) medewerkers over hun ervaringen met de bestuurder, zoals die blijken uit het onderzoeksrapport. Er was sprake van directief leiderschap, dat mede gelet op de opdracht die de bestuurder van de RvT had meegekregen – het gif uit de organisatie halen – niet bij alle medewerkers steeds in goede aarde is gevallen. Er zijn ingrijpende maatregelen getroffen, zoals het gedwongen vertrek van twee medewerkers met een lange staat van dienst. Ook was de werkdruk binnen de organisatie hoog vanwege de verhuizing naar een nieuwe locatie en alle voorbereidingen die hiermee samenhingen. Maar als er pas achteraf, nadat de bestuurder al is ontslagen, met een onderzoek op de manier zoals dat hier is ingestoken, signalen over onvrede bij medewerkers en oud-medewerkers worden opgehaald, dan moeten de bevindingen wel kritisch worden beschouwd en in het juiste perspectief worden geplaatst. Daarbij had de RvT rekening moeten houden met wat hij al die tijd al wist, namelijk dat er een tweedeling was tussen de oude en de nieuwe garde, waarbij sommige medewerkers nu eenmaal moeite hadden met de voortvarende aanpak van de bestuurder. Dit heeft de RvT onvoldoende gedaan.\n\nDe bestuurder heeft de RvT niet onvoldoende of onjuist ingelicht\n\n- Uitstroomcijfers en vertrekredenen\n\n2.31.. In het verweerschrift maakt de RvT aan de bestuurder een nieuw verwijt, te weten dat de bestuurder de RvT onvolledig of onjuist heeft geïnformeerd over de jarenlange zorgelijk hoge uitstroomcijfers. De bestuurder voert terecht aan dat de uitstroomcijfers over de eerdere jaren niet aan haar ontslag ten grondslag zijn gelegd. Het ontslag had te maken met de uitstroom over 2024. Bovendien waren de uitstroomcijfers in de bestuursperiode van de bestuurder niet hoger dan in de jaren voordat de bestuurder aantrad. Verder heeft de bestuurder gemotiveerd weersproken dat de RvT al die jaren niet op de hoogte was van de uitstroomcijfers of dat de bestuurder hierover onjuiste informatie heeft verstrekt. De uitstroomcijfers staan volgens de bestuurder in alle jaarverslagen en waren de RvT dus bekend. Volgens de bestuurder heeft de RvT nooit vragen gesteld over de uitstroomcijfers of zijn zorgen hierover uitgesproken. De RvT heeft dit allemaal onvoldoende weersproken.\n\n2.32.. Het verwijt dat de bestuurder de RvT onvoldoende of onjuist heeft geïnformeerd over de vertrekredenen en feedback van de in 2024 vertrokken medewerkers, is eveneens onterecht. De RvT stelt dat de bestuurder in het jaarverslag 2024 onjuiste informatie heeft verstrekt, omdat daarin staat dat uit de exitgesprekken met de vertrekkende medewerkers geen algemene reden voor hun vertrek naar voren is gekomen. Volgens de RvT blijkt uit de e-mail van HR die de bestuurder op 30 september 2024 ontving wel degelijk een rode draad in de feedback uit de exitgesprekken. De RvT stelt dat hij de informatie die de bestuurder heeft achtergehouden nodig had om zijn toezichthoudende taak te kunnen uitoefenen, zeker gezien de Cultuurscan die zou starten.\n\n2.33.. \n\nDe bestuurder heeft de mail van HR van 30 september 2024 niet gedeeld met de RvT. Dit kan de bestuurder niet worden verweten. De rechter vindt leest in die e-mail geen informatie, die maakte dat deze e-mail door de bestuurder met de RvT moest worden gedeeld. In die mail staat het volgende over het vertrek van zes medewerkers in 2024:\n\n\"Feedback die in exitgesprekken meerdere malen naar voren kwam:\n\n. onduidelijkheid over mandaten\n\n. micromanagement wordt meermaals genoemd\n\n. ervaren gebrek aan (gewenste) transparantie, met name over medewerkers die eerder uit dienst gingen, sociale (on)veiligheid wordt hierdoor sterker beleefd\n\n. weinig worden betrokken bij processen, (dit speelt ook onder medewerkers in dienst)\n\n. te veel ad hoc werk wat ervaren werkdruk vergroot”\n\n2.34.. De bestuurder heeft in haar aanvullende reactie op het hoorgesprek aan de RvT al uitgelegd, dat volgens haar uit het overzicht van HR geen patroon in de vertrekredenen kan worden afgeleid. De rechter is het hiermee eens. Uit de e-mail blijkt dat sprake was van verschillende, deels persoonlijke vertrekredenen. De bestuurder verwijst naar een e-mail van HR van 22 augustus 2024, dat haar standpunt bevestigt. Er staat: “In de jaarplannen staat aangegeven dat uit de exitgesprekken met de uitdiensttredende medewerkers geen algemene reden voor vertrek is gekomen. Het deels natuurlijke verloop is conform de beweging die op de arbeidsmarkt in de cultuursector te zien was. Dit klopt in mijn ogen grotendeels wel, ook als we kijken naar andere organisaties in de sector”.Volgens de bestuurder heeft HR deze e-mail opgesteld voor het overleg met de PVT van 29 augustus 2024, waarbij ook een RvT lid aanwezig was. Volgens de bestuurder heeft dit RvT-lid tijdens dat overleg ook gezegd dat de uitstroom volgens zijn ervaring niet ongebruikelijk was. De RvT heeft dit niet weersproken. Volgens de bestuurder was de RvT bovendien al op de hoogte van het vertrek en de vertrekreden van drie van de zes medewerkers (de directiesecretaresse, de controller en de zakelijk leider) waar de mail van HR over ging. Van de andere drie medewerkers heeft de bestuurder de redenen toegelicht: twee hadden een andere uitdaging gevonden en één medewerker gaf aan dat zijn baan te veel stress opleverde. Ook dit heeft de RvT onvoldoende weersproken.\n\n2.35.. De bestuurder voert verder onweersproken aan dat zij naar aanleiding van de feedback uit de exitgesprekken ook de nodige acties heeft ondernomen. De onderwerpen 'onduidelijkheid mandaten, micromanagement, weinig betrokken bij processen' zijn meegenomen in het Organisatie Ontwikkelingsplan, dat begin 2024 is gestart en in het Management development Traject, dat begin 2025 van start is gegaan. Naar aanleiding van de feedback ‘te veel adhoc werk wat de werkdruk verder vergroot' is de afspraak gemaakt dat alleen teamleiders aan medewerkers een opdracht kunnen geven en niet collega’s onderling. Om collega's weerbaarder te maken en tegen collega's durven te zeggen dat ze geen opdracht kunnen aannemen, is daaraan aandacht besteed in de door de bestuurder georganiseerde cursus feedback voor alle medewerkers. Naar aanleiding van de feedback 'ervaren gebrek aan (gewenste) transparantie over medewerkers die uit dienst gaan', is in de teams uitleg gegeven, namelijk dat over een afscheid van een medewerker vaak niets gezegd kan worden in verband met privacy of omdat er nog gesprekken plaatsvinden met de betreffende medewerker.\n\n2.36.. De rechter is van oordeel dat op basis van de feedback uit de exitgesprekken inderdaad niet kan worden geconcludeerd dat sprake was van een rode draad, die wijst op een cultuurprobleem. Bovendien was de RvT al op de hoogte van de vertrekredenen van drie van de zes medewerkers. De rechter vindt daarom dat de bestuurder geen verwijt valt te maken dat zij de RvT niet heeft geïnformeerd over de e-mail van 30 september 2024. Als de RvT meer informatie had gewild of vragen had over de uitstroomcijfers, had de RvT hiernaar kunnen vragen. Maar daar zag de RvT toen kennelijk geen reden voor. Bovendien heeft de bestuurder de feedback ter harte genomen en adequate acties genomen.\n\n2.37.. De RvT maakt aan de bestuurder ook een verwijt rondom de opzegging van zijn dienstverband door curator [naam 1] (hierna: de curator) na 20 jaar dienstverband. De RvT stelt in dit verband dat de bestuurder de opzeggingsbrief van de curator van 30 september 2024 twee weken onbeantwoord heeft gelaten, daarop vervolgens harteloos heeft gereageerd en de RvT niet heeft geïnformeerd over zijn ontslag. De bestuurder betwist dat. Zij heeft erop gewezen dat zij de voltallige RvT direct per e-mail op de hoogte heeft gebracht van het ontslag van de curator. Daarnaast zegt de bestuurder dat zij in een persoonlijk gesprek met de curator heeft gesproken over zijn beweegredenen en dat zij samen met hem de berichtgeving over zijn vertrek heeft opgesteld. Verder heeft de bestuurder een verrassingsafscheid georganiseerd, waarbij zij de curator heeft toegesproken en een waardebon van € 600,- heeft gegeven voor een nieuwe I-pad. Dit alles heeft de RvT niet weersproken. De Rvt heeft op de zitting gezegd dat hij niet wist van het gesprek tussen de bestuurder en de curator. Dat had de RvT niet afgeleid uit de ontslagbevestiging die de bestuurder aan de curator heeft gestuurd, en heeft vervolgens zelf de conclusie getrokken dat geen gesprek had plaatsgevonden, zonder dit bij de bestuurder of de curator na te vragen. Verder meent de RVT dat de brief van de bestuurder aan de curator harteloos was. In die brief schrijft de bestuurder onder meer: “(…) lk waardeer je uitgebreide toelichting, openheid en feedback die je in jouw ontslagbrief meegeeft. Dit biedt waardevolle inzichten die ons kunnen helpen bij het verbeteren van de organisatie(processen). Indien je jouw feedback verder wenst toe te lichten, ben je van harte uitgenodigd een exitgesprek te voeren met [naam medewerker] van HR. Door jouw ervaringen en feedback beter te begrijpen, kunnen we gerichter werken aan verbeteringen die onze organisatie in ontwikkeling ten goede komen. (…) Ik wil je hartelijk bedanken voor jouw bijzonder waardevolle bijdrage, die je jarenlang aan het fotomuseum hebt geleverd. Ik wens je veel voorspoed in je verdere carrière en hoop dat je een positieve herinnering aan jouw tijd bij [naam werkgever] (…) zult bewaren. Tot slot kijk ik ernaar uit om ook in de toekomst in het museum tentoonstellingen van jouw hand te zien.”De RvT heeft op de vraag van de rechter niet kunnen uitleggen wat hier harteloos aan is. Dat de curator in de gelegenheid is gesteld om met HR een exitgesprek te voeren, in plaats van met de bestuurder, waarvan de RvT ook een punt maakt, is naar het oordeel van de rechter juist positief te noemen. HR kan zo’n gesprek neutraler voeren dan de leidinggevende van de vertrekkende medewerker.\n\n- Beïnvloeding uitkomsten Cultuurscan en medewerkersonderzoek\n\n2.38.. Dat de bestuurder medewerkers onder druk heeft gezet, waardoor zij de uitkomsten van de Cultuurscan en het medewerkersonderzoek heeft beïnvloed, staat naar het oordeel van de rechter niet vast.\n\n2.39.. Volgens de RvT blijkt uit haar eigen onderzoek dat twee medewerkers zich in het najaar van 2024 door de bestuurder onder druk gezet voelden om de interviews ten behoeve van het Cultuuronderzoek op een voor de bestuurder positieve wijze in te vullen. Een andere medewerker voelde zich onder druk gezet het medewerkersonderzoek 2024 meerdere keren in te vullen.\n\n2.40.. De bestuurder heeft de beschuldigingen gemotiveerd weersproken. Zij voert aan dat zij geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de beide onderzoeken en ook niet wist welke vragen gesteld zouden worden aan de medewerkers. Zij heeft alleen op verzoek van het onderzoeksbureau Kroll de uitnodigingen verstuurd voor het Cultuuronderzoek. De bestuurder voert aan dat zij medewerkers met vragen juist naar Kroll heeft verwezen. Zij heeft hen niet gevraagd om de vragen voor te bereiden. De bestuurder onderbouwt dit met een e-mail, waaruit blijkt dat zij een medewerker die vragen had, heeft verwezen naar het onderzoeksbureau. Verder voert de bestuurder aan dat de RvT bij het onderzoeksbureau had kunnen informeren of de bestuurder wist welke vragen gesteld zouden worden en ook of de uitkomsten van het onderzoek wel of niet representatief waren. Dat alles heeft de RvT niet gedaan. De RvT heeft ook niet gesteld dat de uitkomsten afwijkend waren. Over het medewerkersonderzoek voert de bestuurder aan dat het helemaal niet mogelijk was om dat meerdere keren in te vullen. Ook dat had de RvT kunnen navragen bij het onderzoeksbureau.\n\n2.41.. De RvT baseert zijn conclusie op een door hem zelf uitgevoerd intern onderzoek. Het zou gaan om twee medewerkers. Niet duidelijk is welke medewerkers zijn gehoord en wat zij precies hebben verklaard. De RvT zegt dat hij beschikt over aanvullend bewijs in de vorm van Whatsappberichten tussen een van die medewerkers en diens partner en nog andere documenten. Op basis van die stukken vindt de RvT die verklaringen van die medewerkers geloofwaardig, ondanks de ontkenning van de bestuurder. De bestuurder heeft de stukken waarop de RvT zich baseert, ondanks herhaald verzoek, niet mogen inzien. Ook de rechter kent die stukken niet. De RvT zegt dat dat vanwege privacy is en dat het ook niet nodig is, omdat de bestuurder stellig ontkent dat zij de medewerkers heeft beïnvloed. Volgens de RvT heeft bewijs leveren dan geen zin. Dat standpunt is onjuist en onbegrijpelijk. Het uitgangspunt is juist dat een partij die iets stelt, wat door een ander gemotiveerd wordt betwist, zijn standpunt moet onderbouwen. Van de RvT had dus verwacht mogen worden dat hij de zeer ernstige beschuldigingen aan de bestuurder zou onderbouwen met (eventueel geanonimiseerde) stukken, waarover hij zegt te beschikken. De RvT krijgt geen gelegenheid om die stukken alsnog te overleggen. Daar heeft hij genoeg kans voor gehad. De RvT heeft ook geen andere stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de twee werknemers door de bestuurder zijn beïnvloed. Ook heeft de RvT niet toegelicht dat de uitkomsten daadwerkelijk zijn beïnvloed. Uit het rapport van Kroll blijkt juist dat er lange, open gesprekken met de medewerkers zijn gevoerd. Overigens valt ook niet goed in te zien dat de uitkomst van het Cultuuronderzoek, waarin met meerdere personen in de organisatie is gesproken door het onderzoeksbureau, erg beïnvloed zouden worden doordat de bestuurder twee medewerkers onder druk zou hebben gezet om positief over de organisatie te verklaren. Omdat de RvT zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.\n\n2.42.. Het staat ook niet vast dat de bestuurder een medewerker onder druk heeft gezet het medewerkersonderzoek dat is uitgevoerd door onderzoeksbureau Solon in 2024 twee keer in te vullen. De RvT stelt dat, maar de bestuurder betwist dat. Zij voert aan dat Solon heeft gezegd dat het helemaal niet mogelijk is om het onderzoek meerdere keren in te vullen. De RvT heeft haar stelling niet nader onderbouwd, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. De RvT verwijst alleen naar haar eigen interne onderzoek waarin de betreffende medewerker dit zou hebben verklaard, maar enige onderbouwing ontbreekt, evenals relevante stukken. De rechter kan dus niet vaststellen of dit verwijt klopt. De RvT krijgt geen gelegenheid om haar stelling nader te onderbouwen, daar heeft zij genoeg kans voor gehad en niet voldaan aan haar stelplicht.\n\n- Medewerkersonderzoek 2024\n\n2.43.. Niet gebleken is dat de bestuurder de RvT onvoldoende of onjuist heeft ingelicht over de uitkomsten van het medewerkersonderzoek in 2024.\n\n2.44.. De RvT verweet de bestuurder tijdens het drie uur durende hoorgesprek, dat zij het rapport van het medewerkersonderzoek niet met de RvT had gedeeld. De bestuurder heeft dat weerlegd en aangetoond dat zij het rapport op 14 februari 2025 heeft gemaild aan de voorzitter [naam 2] en aan RvT lid [naam 3]. Toen kwam er een nieuw verwijt, dat de bestuurder bijlage 3 bij dat rapport niet had verstrekt, met daarin de antwoorden op de open vragen. De bestuurder heeft erkend dat zij die bijlage niet heeft meegestuurd op 14 februari 2025. Maar tijdens het onderzoek en ook op de zitting heeft de bestuurder uitgelegd dat zij die bijlage op 14 februari 2025 nog niet had. Zij kon die toen dus ook niet doorsturen. De bestuurder verwijst naar haar mail van 14 februari 2025 aan [naam 2] en [naam 3] waarin zij schrijft dat zij het onderzoeksbureau Solon heeft gevraagd om de antwoorden op de open vragen nog in het rapport te verwerken. De bestuurder legt daarin ook uit dat Solon dat aanvankelijk niet gedaan vanwege de vrees tot herleidbaarheid, maar dat zou alsnog worden gedaan. De bestuurder schrijft dat zodra dat er is, zij dit zal doorsturen. De bestuurder heeft bij die mail ook de e-mailcorrespondentie met Solon overgelegd. De RvT heeft nooit gevraagd aan de bestuurder om de bijlage bij het rapport aan hem door te sturen.\n\n2.45.. De bestuurder heeft verder uitgelegd dat de toegevoegde waarde van bijlage 3 beperkt is, omdat de resultaten alsnog waren verwerkt in het rapport. De bestuurder voert verder aan dat de RvT pas in het kader van het vervolg van het onderzoek met het verwijt is gekomen over de bijlage 3. De RvT heeft hier niet naar gevraagd op het moment dat de bestuurder het medewerkersonderzoek mailde in februari 2025 en ook niet op een later moment De RvT heeft tegen al deze argumenten van de bestuurder onvoldoende ingebracht. De voorzitter van de RvT heeft verklaard dat zij vanwege privé omstandigheden niet had gezien dat de bestuurder het onderzoeksrapport had gemaild op 14 februari 2025. Daarom was de e-mail van de bestuurder aan haar aandacht ontsnapt en ging de RvT er in het hoorgesprek vanuit dat het rapport niet aan RvT ter beschikking was gesteld.\n\n2.46.. De RvT maakt de bestuurder ook een verwijt dat zij de uitkomsten van het medewerkersonderzoek niet afzonderlijk met de RvT heeft besproken. Maar de RvT heeft daar ook niet om gevraagd. Verder voert de bestuurder onweersproken aan dat de RvT was uitgenodigd om de presentatie bij te wonen, waar de resultaten besproken zijn en de vervolgestappen met de medewerkers zijn afgesproken. Het was de bedoeling dat de voorzitter van de RvT daar een presentatie zou geven, maar omdat zij verhinderd was heeft RvT-lid [naam 3] dat gedaan. Daarnaast heeft de bestuurder de resultaten verwerkt in het jaarverslag en de managementletters. De RvT heeft hier toen geen vragen over gesteld. Daar zag de RvT kennelijk geen aanleiding voor. De rechter is met het de bestuurder eens dat zij er daarom van uit mocht gaan dat zij de resultaten niet nogmaals afzonderlijk met de RvT hoefde te bespreken.\n\n2.47.. Het staat ook niet vast dat sprake was van een sterke achteruitgang van het welbevinden van de medewerkers. Het verwijt dat de bestuurder deze achteruitgang heeft gebagatelliseerd en in managementletters en het jaarverslag geflatteerd heeft weergegeven is evenmin juist. De bestuurder betwist dat sprake was van een sterke achteruitgang. Volgens onderzoeksbureau Solon was de uitkomst van het medewerkersonderzoek – waaruit een daling naar voren kwam over de mate van medewerkerstevredenheid ten opzichte van het vorige onderzoek – niet ongebruikelijk bij een tweede onderzoek. Er was dus volgens de bestuurder geen reden om aan te nemen dat die achteruitgang te maken had met sociale onveiligheid of cultuurproblemen. De RvT heeft dit verwijt ook niet verder toegelicht of onderbouwd.\n\n- Eenzijdige besluiten bestuurder om reputatie te redden\n\n2.48.. Het staat niet vast dat de bestuurder eenzijdig besluiten heeft doorgedrukt om haar eigen reputatie te redden, met het oog op het artikel in de Volkskrant. De RvT verwijt de bestuurder onder andere dat zij het MT onder druk heeft gezet om een waarschuwingsbrief te tekenen aan een medewerker en dat zij de opening van pakhuis Santos op 25 september 2025 er eenzijdig doorgedrukt heeft.\n\nCasus medewerker B\n\n2.49.. De bestuurder erkent dat zij het voltallige MT heeft gevraagd een waarschuwingsbrief te ondertekenen, die gericht was aan een medewerker. De bestuurder vroeg dat omdat zij wilde dat de brief ‘extra indruk zou maken’ op deze medewerker. De bestuurder heeft uitgelegd dat zij tijdens het Management Development-traject in bijzijn van een externe begeleider heeft gezegd dat zij betreurde dat enkele MT-leden zich kennelijk onder druk gezet hadden gevoeld en dat zij een vergelijkbare situatie in de toekomst zal voorkomen. Volgens de bestuurder was het daarmee uitgesproken. De RvT heeft niet gezegd dat dit voor het MT anders was. De rechter is het met de RvT eens dat het wellicht beter was geweest als de bestuurder het MT hier niet op deze manier in had betrokken. Dat erkent de bestuurder ook. Maar de rechter vindt dat uit het handelen van de bestuurder daarna kan worden afgeleid dat zij open heeft gestaan voor de feedback van MT leden en deze serieus heeft genomen.\n\nOpening Santos\n\n2.50.. Niet gebleken is dat de bestuurder het besluit tot de opening van de nieuwe locatie, Santos, op 25 september 2025 eenzijdig doorgedrukt heeft. De RvT maakt de bestuurder wel dat verwijt, maar dat is niet terecht. De bestuurder heeft verschillende verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat er tijdens de vergaderingen van de MT stuurgroepen steeds is besproken of de geplande datum haalbaar was. Uit die verklaringen blijkt ook dat tijdens het MT overleg op 17 juni 2025 de laatste stand van zaken is besproken en dat zowel het MT-lid Hoofd Presentatie & Publieksbereik als het MT-lid Team Actieplan hebben bevestigd dat de planning haalbaar was. Uit een van die verklaringen blijkt ook dat tijdens het overleg voldoende ruimte was om tegengas te geven, maar dat niemand heeft aangegeven dat de planning niet haalbaar was. De RvT heeft tegenover deze verklaringen onvoldoende ingebracht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de bestuurder op een vraag van de rechter geantwoord dat bovendien wekelijks tijdens de MT-overleggen is gesproken over de planning en de openingsdatum van Santos. Van de MT-overleggen zijn ook steeds verslagen opgemaakt. De RvT heeft die verslagen niet overgelegd en deze stelling van de bestuurder niet gemotiveerd weersproken, zodat de rechter uitgaat van de juistheid van wat de bestuurder op dit punt heeft gesteld. Het is ook niet voorstelbaar dat de bestuurder zo’n belangrijke datum, de verhuizing waar een aantal jaren naartoe is gewerkt en waar allerlei adviseurs bij betrokken waren, er eenzijdig ‘doorheen zou hebben gedrukt’. De RvT is met niets gekomen waaruit blijkt dat dit verwijt terecht is. Dat na het ontslag van de bestuurder besloten is om de verhuizing uit te stellen, betekent nog niet dat de verhuisdatum niet haalbaar was op het moment dat in het MT tot de verhuisdatum werd besloten.\n\n- Weghouden medewerkers bij RvT en de RvT bij PVT?\n\n2.51.. De bestuurder betwist dat zij medewerkers heeft weggehouden bij de RvT doordat zij de RvT heeft afgeschilderd als een groep personen die niet serieus genomen hoefde te worden of de indruk heeft gewekt dat zij goed bevriend was met de voorzitter. De RvT heeft dit niet nader onderbouwd. Ook betwist de bestuurder dat zij de RvT heeft weggehouden bij de PVT. Aanvankelijk was daar volgens de bestuurder inderdaad discussie over, nadat de bestuurder had ontdekt dat RvT-lid [naam 3] zonder dat de bestuurder dit wist, tweemaal overleg had gehad met de PVT. Dat heeft de bestuurder met [naam 3] en de voorzitter RvT besproken. Afgesproken is dat twee keer per jaar een bijeenkomst zou plaatsvinden tussen de RvT en PVT, zonder aanwezigheid van de bestuurder (die wel nadien zou aansluiten). De RvT heeft deze uitleg van de bestuurder niet weersproken. Het is voor de rechter onduidelijk gebleven waarom dit overleg niet van de grond is gekomen, zeker na de ontvangst van de brief van de PVT van 22 februari 2024 (zie hiervoor). De RvT stelt dat er sinds 2023 ‘pittige discussies’ werden gevoerd met de bestuurder hierover, maar heeft geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt of verder uitgelegd waarover deze discussies dan zouden zijn gegaan. De bestuurder betwist dat zij de RvT negatief heeft afgeschilderd. Zij voert aan dat de RvT altijd werd uitgenodigd voor bijeenkomsten met medewerkers, maar dat de RvT hier bijna nooit aanwezig was. De RvT heeft geen stukken of verklaringen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de bestuurder de RvT op een negatieve manier heeft afgeschilderd.\n\n2.52.. Het is naar het oordeel van de rechter eerder zo geweest, dat de RvT op het enkele signaal dat wel bij hen is binnengekomen, geen adequate actie heeft ondernomen om de PVT en\u002Fof de medewerkers zelf te kunnen spreken. Zo heeft de RvT tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat naar aanleiding van de brief van de PVT van 22 februari 2024 (zie r.o. 2.26), die ook aan de RvT was gestuurd, er geen concrete stappen door de RvT zijn genomen om met de PVT en\u002Fof de medewerkers hierover in gesprek te gaan. Als het echt zo zou zijn geweest dat zo’n gesprek werd gedwarsboomd door de bestuurder, zoals de RvT lijkt te willen stellen maar niet verder onderbouwt, dan is niet te begrijpen waarom de RvT dit al die tijd heeft laten gebeuren en waarom daarover dan niets staat in de e-mails die tussen de RvT en de bestuurder zijn gewisseld.\n\nGeen duurzaam verstoorde verhouding\n\n2.53.. Voor zover al moet worden aangenomen dat sprake is van een onwerkbare situatie tussen de bestuurder en het MT en andere belangrijke sleutelpersonen, is de rechter van oordeel dat de RvT geen enkele poging heeft gedaan om hiervoor een oplossing te zoeken, anders dan tot ontslag over te gaan.\n\n2.54.. Dat sprake was van een zodanige verstoring dat de samenwerking blijvend onmogelijk was geworden, is naar het oordeel van de rechter in elk geval niet gebleken. De RvT stelt dat tijdens het onderzoek zou zijn gebleken dat de leden van het MT geen vertrouwen meer hebben in een samenwerking met de bestuurder. Ook andere sleutelpersonen hebben volgens de RvT het vertrouwen in de bestuurder opgezegd. De bestuurder betwist dat. Zij voert onweersproken aan dat tijdens het onderzoek helemaal niet met haar is gesproken over een verstoring in de verhouding met MT leden of andere sleutelpersonen. Pas in het ontslagbesluit is dit voor het eerst gezegd. De bestuurder heeft hierop tijdens het onderzoek dus helemaal niet kunnen reageren. De bestuurder betwist dat sprake is van een onwerkbare relatie. Zij weet niet de ‘andere sleutelpersonen’ zijn. De bestuurder voert aan dat de verhouding met het MT goed was tot het moment van de schorsing. De bestuurder wijst onder meer op de steun die zij op 31 mei 2025 kreeg van het MT naar aanleiding van het aangekondigde artikel in de Volkskrant. De bestuurder heeft ook 40 steunbetuigingen overgelegd, waarvan 25 van verschillende medewerkers. Ook legt de bestuurder een Whatsapp-bericht van de voorzitter van de PVT over, waarin zij ook haar steun betuigt aan de bestuurder. De rechter gaat voorbij aan de opmerking van de RvT dat aan de door de bestuurder overgelegde steunbetuigingen weinig waarde worden gehecht, omdat die medewerkers alleen hun steun hebben betuigd om niet verdacht over te komen als de bestuurder eventueel zou terugkeren. Dit blijkt nergens uit en vindt ook geen steun in de grote hoeveelheid steunbetuigingen.\n\n2.55.. De RvT heeft niet concreet gemaakt waaruit de verstoorde relatie verder precies zou bestaan. Zij heeft alleen een niet-ondertekende zeer algemene verklaring van het MT overgelegd, waarin staat dat het MT geen vertrouwen meer heeft in de bestuurder. De rechter vindt dat van de RvT verwacht had mogen worden dat zij meer had toegelicht en met stukken onderbouwd waaruit de gestelde onwerkbare situatie zou bestaan. Dat geldt ook voor de gestelde vertrouwensbreuk met “andere belangrijke sleutelpersonen”. De RvT heeft niet toegelicht om wie het gaat en waaruit de onwerkbare relatie blijkt. Hiernaast is vaste rechtspraak dat van een werkgever kan worden verlangd om stappen te ondernemen om een verstoorde arbeidsverhouding te herstellen, bijvoorbeeld door het inzetten van mediation. Dat is niet eens geprobeerd.\n\nVoor zover er zorgen waren, dan nog geen ontslag\n\n2.56.. Voor zover de RvT kritiek of zorgen had over het leiderschap van de bestuurder of de informatie die zij aan de RvT verstrekte, dan was dit nog geen rechtvaardiging om de bestuurder te ontslaan en haar te behandelen zoals de RvT dat heeft gedaan. Van de RvT had verwacht mogen worden om over hun zorgen met de bestuurder in gesprek te gaan en zo nodig duidelijke afspraken te maken om tot verbetering te komen. Hiernaast mocht van de RvT, zoals hiervoor is overwogen, ook worden verwacht dat hij zich zou inspannen om de gestelde verstoorde relatie te herstellen. Dit alles is niet gebeurd.\n\n2.57.. Hierbij neemt de rechter in aanmerking dat vaststaat dat de bestuurder goede resultaten heeft geboekt. De bestuurder heeft ervoor gezorgd dat de financiële positie van het museum sterk is verbeterd, de interne organisatie is geprofessionaliseerd, nieuwe huisvesting is mogelijk gemaakt en het museum is naar buiten toe (nationaal en internationaal) weer op de kaart gezet. Ook is van belang dat de RvT altijd lovend over de bestuurder is geweest en haar niet eerder heeft aangesproken op haar functioneren. De RvT had in deze omstandigheden andere maatregelen moeten treffen in plaats van te kiezen voor de meest verstrekkende maatregel van ontslag.\n\nWerkgever moet een billijke vergoeding betalen van € 400.000,-\n\n2.58.. Omdat de arbeidsovereenkomst is opgezegd zonder redelijke grond, heeft de bestuurder recht op een billijke vergoeding.Herstel van het dienstverband is juridisch gezien niet mogelijk, aangezien het gaat om het ontslag van een bestuurder van een stichting. De wet biedt geen mogelijkheid om zo’n ontslag te laten vernietigen. De rechter kan alleen een billijke vergoeding toekennen aan een bestuurder, als die onterecht is ontslagen.\n\n2.59.. De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. De rechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij kan in aanmerking worden genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de RvT wordt weggedacht. Ook mag rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Het gaat er uiteindelijk om dat de bestuurder wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De rechter vindt in dit geval de gevraagde billijke vergoeding van € 400.000,- bruto, wat ongeveer neerkomt op twee jaarsalarissen, passend. Bij de begroting van dit bedrag houdt de rechter rekening met de volgende omstandigheden.2.60.. De rechter gaat er van uit dat als de arbeidsovereenkomst niet door het ernstig verwijtbaar handelen van werkgever zou zijn geëindigd, deze nog minimaal twee jaar zou hebben voortgeduurd. Er is geen reden om aan te nemen dat de arbeidsovereenkomst eerder zou zijn geëindigd. De bestuurder heeft in de jaren dat zij het museum heeft geleid goede resultaten geboekt en de RvT heeft haar nooit eerder aangesproken op haar leiderschap of op het onvoldoende verstrekken van informatie. De rechter verwerpt het standpunt van de RvT de arbeidsovereenkomst van de bestuurder door de uitkomsten van het onderzoek van Unravelling in ieder geval rechtsgeldig zou kunnen worden opgezegd per 1 juni 2026. Hiervoor is al uitgelegd dat dit onderzoek naar het oordeel van de rechter onvoldoende objectief en feitelijk onderbouwd is en dus geen rechtvaardiging vormt voor een ontslag van de bestuurder.2.61.. De rechter houdt ook rekening met de omstandigheid dat de bestuurder heeft verklaard dat zij sinds haar ontslag geen vergelijkbare positie met een vergelijkbaar inkomen heeft kunnen verwerven en ook niet verwacht dat dit binnen afzienbare termijn zal lukken. De mooie loopbaan van de bestuurder is door het onterechte ontslag tot een abrupt einde gekomen. Volgens de bestuurder is haar verdere (internationale) carrière geruïneerd door alle negatieve publiciteit, die zoals gezegd mede door de onzorgvuldige handelwijze van RvT ten opzichte van de bestuurder verder is gevoed. De RvT heeft hiertegen onvoldoende ingebracht en gelet op de hele gang van zaken is de rechter van oordeel dat dit inderdaad aannemelijk is. De rechter ziet in de gegeven situatie geen aanleiding om de WW-uitkering in mindering te brengen. Zonder het ernstig verwijtbaar handelen van de RvT zou de bestuurder haar WW-rechten nog niet hoeven op te souperen.\n\n2.62.. De rechter neemt ook de mate van het ernstig verwijtbaar handelen van werkgever in aanmerking. De RvT heeft zeer ernstig verwijtbaar gehandeld rondom de schorsing, de onderzoeken en het ontslag en heeft steeds veel te weinig oog gehad voor de belangen van de bestuurder. Het valt de RvT ernstig aan te rekenen dat zij de bestuurder drie maanden voor de geplande opening van Santos abrupt heeft geschorst, zonder eerst in gesprek te gaan en zonder een toelichting te geven over de redenen voor de schorsing. De bestuurder moest direct haar sleutels inleveren, mocht niet meer in het museum komen en geen contact hebben met medewerkers. Erg kwalijk is ook dat aan de bestuurder de toegang tot haar mail is ontzegd, en geweigerd is om haar op een later moment nog toegang tot haar mail te geven, zodat zij zich niet behoorlijk kon verdedigen tegen de forse beschuldigingen. De RvT heeft de bestuurder ook naar buiten toe als een baksteen laten vallen. De RvT heeft direct de Volkskrant geïnformeerd over de schorsing en het statement waarin de RvT eerder steun uitsprak aan de bestuurder, bij de Volkskrant “ingetrokken”. Vooruitlopend op de uitkomsten van het eigen onderzoek heeft de RvT de bestuurder al geïnformeerd dat haar voorgenomen ontslag op 18 juli 2025 op de agenda stond. Dat doet vermoeden dat voor de RvT de uitkomst van het onderzoek al vaststond, zoals de bestuurder ook stelt. Dat de RvT het onderzoek dat leidde tot het ontslag van de bestuurder zelf heeft gedaan en niet een extern bureau hiervoor heeft ingeschakeld, en de wijze waarop dit onderzoek door de RvT is uitgevoerd, was onzorgvuldig, onpartijdig en onvoldoende objectief.\n\n2.63.. De bestuurder heeft ondanks herhaald verzoek geen toegang gekregen tot haar mail en kreeg ook geen nadere uitleg over de beschuldigingen. Vervolgens is zij in een drie uur durend gesprek ondervraagd. Hoewel de bestuurder de gemaakte verwijten vervolgens grotendeels met stukken heeft kunnen weerleggen, heeft de RvT de bestuurder op 18 juli 2025 toch ontslagen. Kennelijk heeft de RvT hoe dan ook niet willen wijken van de op 19 juni 2025 ingezette ramkoers. De rechter sluit niet uit dat het vernietigende artikel in de Volkskrant daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld en voor de RvT reden was om de bestuurder ‘voor de bus te gooien’. Bij dit alles heeft de RvT onvoldoende rekening gehouden met de zeer ernstige gevolgen van het ontslag voor de bestuurder, ook door de vele negatieve publiciteit. En er was geen redelijke ontslaggrond. Een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto is in de gegeven omstandigheden dan ook gerechtvaardigd.\n\n2.64.. De RvT heeft overigens ook na het ontslag nog een aantal beschadigende acties ondernomen, waarbij onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de bestuurder. Hoewel de RvT tegen de bestuurder had gezegd dat hij terughoudend zou zijn met de berichtgeving, heeft de RvT het ontslag de volgende ochtend meteen bekend gemaakt op de website van werkgever, met een zeer gedetailleerd, negatief en beschadigend bericht. Hiervan is ook een pushbericht gestuurd aan 130 personen die zich hadden ingeschreven voor nieuws van het museum. De RvT heeft op de zitting uitgelegd dat het versturen van dat pushbericht niet de bedoeling was, maar zij heeft niets gedaan om de gevolgen te beperken. De RvT heeft ook geen excuses aangeboden. Daarna is de reputatie van de bestuurder nog verder beschadigd door het onderzoek van Unravelling. De uitkomsten van dat onderzoek heeft de RvT gedeeld met alle medewerkers en meerdere stakeholders, waaronder de gemeenteraad en het Ministerie. Het staat vast dat het ontslag van de bestuurder en alle negatieve publiciteit, die verder is gevoed door de handelwijze van de RvT, zeer ernstige en beschadigende gevolgen heeft gehad voor de bestuurder, ook voor haar gezondheid door alle stress die bij de bestuurder is veroorzaakt.\n\n2.65.. Tot slot nog een opmerking over de onderzoekskosten en buitengerechtelijke kosten. De bestuurder heeft gesteld dat als aan haar een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto wordt toegekend, zij geen separate vergoeding voor onderzoekskosten en buitengerechtelijke kosten vraagt. Gelet hierop hoeft niet meer te worden beslist over de onderzoekskosten en buitengerechtelijke kosten. \n\nRectificatie\n\n2.66.. De verzochte rectificatie wordt grotendeels toegewezen. De werkgever hoeft in de rectificatie niet de gevraagde excuses en het dankwoord op te nemen. Daarvoor bestaat naar het oordeel van de rechter geen grond. Gelet op de aankondiging van werkgever dat zij voornemens is om het een en ander aan de tekst toe te voegen, als de rectificatie wordt toegewezen, bepaalt de rechter dat het werkgever niet is toegestaan om in de rectificatie een verwijzing te maken naar het onderzoek van Unravelling of anderszins de tekst te wijzigen en\u002Fof iets toe te voegen.\n\nWerkgever moet de volgende tekst plaatsen en niet meer dan dat:\n\n\"De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking d.d. 29 juni 2026 Stichting Nederlands Fotomuseum veroordeeld tot het plaatsen dan wel delen, van de volgende rectificatie:\n\nDe Raad van Toezicht van Stichting Nederlands Fotomuseum verklaart hierbij dat hij ten onrechte [verzoekster] heeft beschuldigd van het herhaaldelijk achterhouden en onjuist presenteren van informatie. De RvT heeft zijn toezichthoudende taak derhalve naar behoren kunnen uitoefenen, ook met betrekking tot het welzijn in de organisatie. De Raad is te overhaast overgegaan tot de schorsing van [verzoekster] en had niet zelf een onderzoek moeten uitvoeren, dat vervolgens heeft geleid tot een ontslag van [verzoekster] op onterechte gronden. Ten onrechte is daarbij het beeld ontstaan dat [verzoekster] onvoldoende zou hebben gezorgd voor een veilige werksfeer in het museum.\"\n\n2.67.. De gevraagde dwangsom wordt toegewezen. De rechter ziet aanleiding om de dwangsom te maximeren op € 100.000,-.\n\nWerkgever moet de proceskosten betalen\n\n2.68.. De proceskosten komen voor rekening van werkgever omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De rechter begroot de kosten die werkgever aan de bestuurder moet betalen op € 331,- aan griffierecht, € 1.766,- aan salaris voor de advocaat en € 189,- aan nakosten. Dit is totaal € 2.286,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.\n\n2.69.. Werkgever hoeft niet de volledige advocaatkosten te vergoeden die de bestuurder heeft gemaakt in het kader van deze procedure, zoals de bestuurder wel vraagt. Dat hoeft namelijk alleen maar als sprake is van buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. Dit kan niet snel worden aangenomen, omdat iedereen het recht heeft om een zaak te laten beoordelen door de rechter (artikel 6 EVRM).In dit geval zijn er niet zulke buitengewone omstandigheden. Dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld ten opzichte de bestuurder rechtvaardigt geen volledige proceskostenveroordeling.\n\nDeze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.70.. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat de bestuurder dat heeft gevraagd en werkgever daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechter:\n\n3.1.. verklaart voor recht dat de RvT ten onrechte is overgegaan tot het ontslag van de bestuurder, waardoor er geen redelijke grond bestaat voor de opzegging van haar arbeidsovereenkomst door werkgever;\n\n3.2.. verklaart voor recht dat (de RvT van) werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de wijze waarop de schorsing, het onderzoek en het ontslag van de bestuurder tot stand is gekomen;\n\n3.3.. veroordeelt werkgever om aan de bestuurder een billijke vergoeding te voldoen van € 400.000,- bruto, binnen een week na betekening van de beschikking;\n\n3.4.. veroordeelt werkgever om binnen 24 uur na betekening van de beschikking, de in 2.66 genoemde rectificatie – met de daarbij gegeven aanwijzing – te plaatsen op de website van het werkgever als nieuwsbericht, met verzending van een pushbericht aan de abonnees van nieuwsberichten van werkgever, aan alle huidige medewerkers van werkgever en aan alle ex-medewerkers vanaf 2019 aan wie de uitnodiging voor het onderzoek van Unravelling in september 2025 is verstuurd en aan de hoofdredacteur van de landelijke dagbladen Volkskrant, NRC en AD, evenals aan de NOS en het ANP, op straffe van een dwangsom van op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per (gedeelte van een) dag dat werkgever hiermee in gebreke is, met een maximum van € 100.000,-;\n\n3.5.. veroordeelt werkgever in de proceskosten, die aan de kant van de bestuurder tot vandaag worden vastgesteld op € 2.286,-;\n\n3.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. wijst al het andere af.\n\nDeze beschikking is gegeven door rechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.\n\n3168\n\n Een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 7:669 lid 3 onder h BW\n\n Artikel 7:669 lid 3 onder g BW.\n\n Artikel 7:682 lid 3 onder a BW en artikel 7:671 lid 1 onder e BW\n\n Artikel 2:298a lid 1 Burgerlijk Wetboek\n\n Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow)\n\n Uit Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, volgt overigens ook dat bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding met buitengerechtelijke kosten geen rekening kan worden gehouden.\n\n Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, 5.3.3 en 5.3.4","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7443","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.176Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":44,"courtId":68,"decisionDate":69,"fullText":70,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":52,"updatedAt":73},"722","ECLI:NL:RBOVE:2026:3703","ecli-nl-rbove-2026-3703",78,"2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12160067 \\ EJ VERZ 26-109\n\nBeschikking van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [partij A],\n\ngemachtigde: mr. S. Groen,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TKH LOGISTICS B.V.,\n\ngevestigd en kantoorhoudende te Haaksbergen,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: TKH,\n\ngemachtigde: mr. I. Lintsen.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag (rechts)geldig is.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift dat is ingediend op 26 maart 2026,\n\n- het verweerschrift, met een tegenverzoek,\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij beide partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [partij A] was sinds 1 maart 2019 in dienst bij TKH. De functie van [partij A] was magazijnmedewerker met een loon van € 2.700,00 bruto per maand.\n\n2.2.. In de ochtend van 30 januari 2026 ontving TKH een e-mail van een klant waarin melding werd gemaakt dat producten van het merk Epiphan en Intronics die in het magazijn van TKH horen te liggen via Marktplaats te koop werden aangeboden. Daarop heeft TKH onderzoek gedaan en geconstateerd dat de producten vermoedelijk door [partij A] te koop werden aangeboden.\n\n2.3.. Vervolgens heeft TKH [partij A] diezelfde dag uitgenodigd voor een gesprek. In het gespreksverslag staat onder meer het volgende:\n\n[afbeelding]2.4.. Op 30 januari 2026 is [partij A] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat onder meer het volgende:\n\n[afbeelding]2.5.. \n [partij A] is het niet eens met het ontslag op staande voet en is daarom deze verzoekschriftprocedure gestart.\n\n3. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek\n\n3.1.. \n [partij A] verzoekt, na wijziging van zijn verzoeken, de kantonrechter om een billijke vergoeding, een vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging en een transitievergoeding toe te wijzen. Volgens [partij A] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. [partij A] verzoekt voorts voor de duur van de procedure doorbetaling van loon bij wijze van voorlopige voorziening.\n\n3.2.. TKH voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. TKH voert ‑ samengevat ‑ aan dat de feiten een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. TKH heeft een tegenverzoek gedaan. TKH verzoekt een verklaring voor recht dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en hij daarom geen recht heeft op een transitievergoeding. TKH heeft ook een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan. Zij verzoekt (voorwaardelijk) dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden zonder toekenning van enige vergoeding.\n\n4. De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.\n\n4.2.. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is. Het moet gaan om zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet hoeft te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.\n\n4.3.. De kantonrechter oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat [partij A] producten uit het magazijn van TKH heeft meegenomen en dat hij deze te koop heeft aangeboden via Marktplaats. In eerste instantie heeft [partij A] ontkend dat de twee producten van het merk Epiphan met een waarde van respectievelijk ongeveer € 2.500,00 en € 450,00, afkomstig zijn uit het magazijn van TKH en dat zijn vrouw één van deze mogelijk heeft gekocht via de webshop Coolblue om video’s op te nemen met hun dochter. Dit kon [partij A] niet aantonen met aankoopbewijzen. Later heeft [partij A] erkend dat de producten afkomstig zijn uit het magazijn van TKH, maar dat het ging om producten die gratis konden worden meegenomen door het personeel van TKH, omdat deze beschadigd waren. Deze stelling van [partij A] acht de kantonrechter ongeloofwaardig, gelet op de uitvoerig gemotiveerde onderbouwing van TKH dat dergelijke producten met een hoge verkoopwaarde nooit gratis beschikbaar worden gesteld aan het personeel. Ook blijkt uit de door TKH overgelegde stukken dat de klant, waarvoor TKH de producten van het merk Epiphan in het magazijn opslaat, als beleid heeft dat beschadigde producten altijd teruggestuurd moeten worden en dus nooit gratis worden aangeboden aan werknemers van TKH. Ook de substantiële wijziging van de verklaring van [partij A] voor het in bezit hebben van de betreffende producten draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn in tweede instantie gegeven verklaring, mede omdat hij desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd zich destijds verwonderd te hebben over de hoge waarde van met name het Epiphan-product dat volgens hem gratis zou zijn aangeboden aan het personeel waardoor het op zijn minst bijzonder is dat je je dat niet zou herinneren als je gevraagd wordt hoe het product in jouw bezit is gekomen.\n\n4.4.. Het wegnemen van producten uit het magazijn van TKH zonder daarvoor te betalen vormt op zichzelf een dringende reden voor ontslag op staande voet. Dat [partij A] door de verkoop van die producten slechts een gering voordeel heeft genoten zoals door hem is gesteld, doet daar niets aan af. Gezien de aard en de ernst van de dringende reden, namelijk het wegnemen van producten zonder daarvoor te betalen, is de kantonrechter van oordeel dat de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van [partij A] en de gevolgen van het ontslag voor [partij A] niet afdoen aan de rechtsgeldigheid en het belang van TKH bij het ontslag op staande voet. Diefstal is namelijk een ernstig feit.\n\nDe dringende reden is onverwijld en voldoende duidelijk aan [partij A] medegedeeld4.5.. Volgens [partij A] zijn de redenen voor het ontslag niet onverwijld aan hem medegedeeld. Uit de ontslagbrief blijkt volgens [partij A] onvoldoende duidelijk welke redenen aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. De kantonrechter volgt die stelling niet. Het gaat erom dat [partij A] wist waarom hij is ontslagen. Uit de ontslagbrief van 30 januari 2026 met in de bijlage een gespreksverslag van het gesprek waarbij [partij A] aanwezig is geweest, volgt voldoende duidelijk welke redenen ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag. Dat in de brief en het verslag geen opsomming is gemaakt van de ontvreemde producten doet daar niets aan af. [partij A] wist bovendien om welke producten het ging. Hij heeft immers op 2 februari 2026 de twee duurste producten ingeleverd bij TKH.\n\n4.6.. Voor zover er al andere feiten aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd, heeft te gelden dat deze niet meer hoeven te worden beoordeeld, omdat het in bezit hebben van twee producten die in het magazijn van TKH behoren te liggen al een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet. Van een samengestelde dringende reden is geen sprake.\n\nGeen billijke vergoeding4.7.. Het verzoek van [partij A] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is.\n\nGeen transitievergoeding4.8.. Het verzoek om TKH te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [partij A] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Diefstal wordt namelijk expliciet door de wetgever genoemd als voorbeeld van ernstig verwijtbaar handelen.Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd.\n\nGeen vergoeding vanwege onregelmatige opzegging4.9.. TKH heeft [partij A] terecht ontslagen. Daarom hoefde TKH geen opzegtermijn in acht te nemen en is TKH niet gehouden om aan [partij A] een vergoeding te betalen.\n\nGeen voorlopige voorziening tot doorbetaling van loon4.10.. Nu [partij A] tijdens de procedure alsnog heeft berust in het ontslag is de arbeidsovereenkomst definitief geëindigd op 30 januari 2026 en kan hij geen aanspraak meer maken op loon na die datum. Daarom heeft hij geen belang (meer) bij dit verzoek, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.\n\nHet voorwaardelijke ontbindingsverzoek hoeft niet behandeld te worden4.11.. Nu [partij A] zijn verzoeken heeft gewijzigd en dus berust in het ontslag, is de arbeidsovereenkomst geëindigd op 30 januari 2026. Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van TKH hoeft daarom niet behandeld te worden.\n\nDe door TKH verzochte verklaring voor recht is toewijsbaar4.12.. Hiervoor is al geoordeeld dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom geen recht heeft op een transitievergoeding. Dat betekent dat de door TKH verzochte verklaring voor recht toewijsbaar is.\n\n [partij A] moet de proceskosten in het verzoek en het tegenverzoek betalen4.13.. De proceskosten komen voor rekening van [partij A], omdat [partij A] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van TKH worden begroot op € 721,00 (€ 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.14.. De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nop het verzoek\n\n5.1.. wijst de verzoeken af,\n\nop het tegenverzoek\n\n5.2.. verklaart voor recht dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat [partij A] daarom geen recht heeft op een transitievergoeding,\n\n5.3.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nop het verzoek en het tegenverzoek\n\n5.4.. veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.5.. veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking zijn betaald,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026\n\nKamerstukken II2013-2024, 33818, nr. 3, p. 40.\n\n Artikel 7:673 lid 7, onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3703","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:44.849Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":69,"fullText":78,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":52,"updatedAt":81},"792","ECLI:NL:RBROT:2026:7056","ecli-nl-rbrot-2026-7056","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Dordrecht\n\nzaaknummer: 12054548 CV EXPL 26-153\n\ndatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\nSportpersoneel B.V.,\n\nvestigingsplaats: Baarn,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. A. Robustella,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwoonplaats: [woonplaats],\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. E. Huijser.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 7 januari 2026, met bijlagen;\n\nhet antwoord;\n\nde nadere bijlagen 1 en 2 van Sportpersoneel;\n\nde pleitaantekeningen van Sportpersoneel.\n\n1.2.. Op 11 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:\n\n [naam] namens Sportpersoneel, met mr. Robustella;\n\n [gedaagde] met mr. Huijser en twee belangstellenden.\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern?\n\n2.1.. \n [gedaagde] werkte vanaf 1 januari 2025 bij Sportpersoneel als sportbegeleider op basis van een arbeidsovereenkomst van 10 maanden. Sportpersoneel wilde dit contract niet verlengen. Daarop heeft [gedaagde] op 18 juli 2025 gemaild dat hij ergens anders wil gaan werken en daarom eerder bij Sportpersoneel wil stoppen. De arbeidsovereenkomst is hierdoor op 1 september 2025 geëindigd. Vanaf 1 september 2025 werkt [gedaagde] bij Sportprofessional. Volgens Sportpersoneel werkt [gedaagde] daar voor dezelfde opdrachtgevers als waarvoor hij werkte toen hij in dienst was bij Sportpersoneel en handelt hij daardoor in strijd met twee artikelen uit de arbeidsovereenkomst. Per artikel eist Sportpersoneel een boete van € 7.500,-. Sportpersoneel eist ook dat [gedaagde] € 1.629,68 betaalt, omdat hij tijdens zijn dienstverband te weinig uren heeft gewerkt. [gedaagde] erkent dat hij voor dezelfde opdrachtgevers werkt(e), maar betwist dat hij daardoor in strijd handelt met een artikel uit de arbeidsovereenkomst. Hij voert verder aan dat hij zich altijd beschikbaar heeft gehouden om al zijn uren te werken en daarom betwist hij dat hij enig bedrag aan Sportpersoneel hoeft te betalen. [gedaagde] krijgt op beide punten gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom dit het oordeel is.\n\nOm welke artikelen uit de arbeidsovereenkomst gaat het?\n\n2.2.. Volgens Sportpersoneel heeft [gedaagde] in strijd gehandeld met deze artikelen uit de arbeidsovereenkomst:\n\nArtikel 6.1\n\nWerknemer is gehouden tot geheimhouding gedurende en na beëindiging van de arbeidsovereenkomst ten aanzien van alle feitelijkheden en bijzonderheden, waarvan Werknemer uit hoofde van haar dienstbetrekking kennisneemt of draagt, voor zover Werknemer redelijkerwijs moet begrijpen dat deze feitelijkheden en bijzonderheden een vertrouwelijk karakter hebben, dan wel aan haar ter zake door Werkgever een uitdrukkelijke geheimhouding is opgelegd. Deze geheimhouding betreft in het bijzonder informatie met betrekking tot relaties\u002Fklanten van Werkgever en informatie met betrekking tot de organisatie van Werkgever zelf.\n\nArtikel 6.5\n\nWerknemer verklaart tijdens en na beëindiging van het dienstverband op zorgvuldige wijze om te gaan met de contacten, die zij heeft opgebouwd met relaties van Werkgever en zal zowel tijdens als na einde dienstverband de belangen van Werkgever in relatie tot genoemde relaties niet schaden.\n\n [gedaagde] hoeft geen boete te betalen\n\n2.3.. \n [gedaagde] mocht tegen zijn nieuwe werkgever zeggen voor welke opdrachtgevers hij bij Sportpersoneel werkte. Daarbij mocht hij ook de namen noemen van het betreffende kinderdagverblijf en de basisschool. Het is logisch dat dit in een sollicitatieprocedure aan de orde komt. [gedaagde] hoefde niet te begrijpen dat deze feitelijkheden een vertrouwelijk karakter hadden. Sportpersoneel heeft niet uitgelegd waarom dat wel zo zou moeten zijn. Sportpersoneel heeft daarnaast niet aangevoerd dat hierover een geheimhouding aan [gedaagde] is opgelegd.\n\n2.4.. Sportpersoneel voert aan dat [gedaagde] ook tegen zijn nieuwe werkgever heeft gezegd dat als ze hem zouden nemen hij twee opdrachtgevers mee zou nemen, maar dat betwist [gedaagde] en heeft Sportpersoneel niet (nader) onderbouwd. Het lijkt wel of Sportpersoneel beredeneert dat het ‘zo wel heeft moeten gaan’, maar dat is niet hoe het in een juridische procedure werkt. Sportpersoneel moet feiten stellen, maar dat heeft zij niet gedaan. Uit het enkele feit dat [gedaagde] bij zijn nieuwe werkgever voor dezelfde opdrachtgevers heeft gewerkt als voor Sportpersoneel, blijkt in ieder geval niet dat hij deze opdrachtgevers zelf heeft meegenomen naar zijn nieuwe werkgever. In het voordeel van [gedaagde] spreekt bovendien dat hij onbetwist heeft aangevoerd dat hij zelfs uitgebreid afscheid heeft genomen bij het kinderdagverblijf waar hij via Sportpersoneel werkte. Dat deze opdrachtgever na zijn vertrek niet met een nieuwe medewerker van Sportpersoneel in zee wilde gaan, maar liever weer met [gedaagde] via zijn nieuwe werkgever wilde werken, is het goed recht van de opdrachtgever. Daar staat [gedaagde] buiten. Zijn enige inbreng hierin is (blijkbaar) zijn goede functioneren, maar dat kan niet tegen hem worden gebruikt. Ditzelfde geldt voor de basisschool.\n\n2.5.. \n [gedaagde] heeft deze artikelen uit de arbeidsovereenkomst niet overtreden. Hij hoeft dus ook geen boete te betalen.\n\n [gedaagde] hoeft niets aan Sportpersoneel te betalen voor te weinig gewerkte uren\n\n2.6.. Het klopt dat [gedaagde] minder uren heeft gewerkt dan de gemiddeld 31 uur per week die de partijen hebben afgesproken. Omdat dat naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid voor rekening van Sportpersoneel komt, moet Sportpersoneel toch gewoon het loon van [gedaagde] betalen.Ook over de niet gewerkte uren. Het is namelijk de verantwoordelijkheid van Sportpersoneel om ervoor te zorgen dat [gedaagde] gemiddeld 31 uur per week kon werken. Dat heeft Sportpersoneel niet gedaan. [gedaagde] heeft zich altijd beschikbaar gehouden om te werken op de afgesproken dagen. Het is Sportpersoneel die hem voor minder uur heeft ingezet. Sportpersoneel erkent dat het een hele uitdaging is om ‘iedereen zijn uren te laten maken’. Daarvoor heeft zij weliswaar initiatieven ontplooid (sportdagen en -kampen organiseren in de zomervakantie), maar dat is kennelijk niet genoeg om alle werknemers hun gemiddeld overeengekomen uren te kunnen laten werken. Voor het aanmelden voor dit extra werk in de zomervakantie geldt immers naar eigen zeggen van Sportpersoneel vol=vol. Ongeacht wat hierover in de arbeidsovereenkomst staat, is het in dit geval en onder deze omstandigheden niet redelijk om dit voor risico van [gedaagde] te laten komen.\n\nSportpersoneel moet de proceskosten betalen\n\n2.7.. De proceskosten komen voor rekening van Sportpersoneel, omdat zij ongelijk krijgt.De kantonrechter begroot de kosten die Sportpersoneel aan [gedaagde] moet betalen op € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.008,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de vordering af;\n\n3.2.. veroordeelt Sportpersoneel in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.008,-.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C. van Steenderen - Koornneef en in het openbaar uitgesproken.\n\n703\n\n Dat staat in artikel 7:628 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7056","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:48.214Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":69,"fullText":86,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":52,"updatedAt":88},"911","ECLI:NL:RBAMS:2026:6467","ecli-nl-rbams-2026-6467","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12102870 \\ EA VERZ 26-197\n\nBeschikking van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\nverzoekster,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\ngemachtigde: mr. C. van der Goot-Koenig,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerder,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. L.R. Harteveld.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Op 16 februari 2026 heeft [verzoekster] een verzoekschrift ingediend om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift met voorwaardelijke tegenverzoeken ingediend. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen aanvullende producties ingediend.\n\n1.2.. Op 26 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [verzoekster] zijn verschenen [naam 1] (rector van het [onderwijsinstelling] , hierna: [naam 1] ), [naam 2] (leidinggevende van [verweerder] , hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (HR adviseur van [verzoekster] ), bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, de gemachtigden mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.\n\n2. Feiten en omstandigheden\n\n2.1.. \n [verzoekster] is het schoolbestuur van zes zelfstandige gymnasia, waaronder het [onderwijsinstelling] in [plaats] .\n\n2.2.. \n [verweerder] , geboren [geboortedag] 1962, is sinds 1 oktober 2019 in dienst bij [verzoekster] als beleidsadviseur ICT. Het salaris van [verweerder] bedraagt € 6.432,00 bruto per maand exclusief emolumenten. [verweerder] verricht zijn werkzaamheden voor het [onderwijsinstelling] . Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Voortgezet Onderwijs van toepassing.\n\n2.3.. Voordat [verweerder] in dienst trad heeft hij van 2003 tot 2019 als zzp-er ICT werkzaam-heden voor [verzoekster] verricht.\n\n2.4.. \n\nPartijen hebben voorafgaand aan de indiensttreding per e-mail gecorrespondeerd over de aanwezigheid van [verweerder] op school. Bij e-mail van 28 juni 2019 heeft [verweerder] aan de toenmalig rector van het [onderwijsinstelling] , [naam 5], onder meer het volgende geschreven:\n\n“(…) Naar aanleiding van ons telefoon gesprek en de acuut ontstane situatie heb ik je voorstel dan ook direct even met de achterban en ook de werkzaamheden met [naam 3] besproken en zover lijkt het me een haalbare optie en de moeite van het bekijken waard.\n\n(…)\n\nBelangrijkste insteek voor mij zal zijn:\n\n* Vergelijkbaar besteedbaar netto inkomen.\n\n* 16 uur op school waarvan 8 op de woensdag en 8 vrij in te vullen per week op lokatie, in overleg met [naam 3] . (…)”\n\nBij e-mail van 29 augustus 2019 heeft [verweerder] aan het ICT team laten weten dat hij de gehele woensdag op school te vinden is en op de andere dagen flexibel met [naam 3] . Bij e-mail van 1 oktober 2019 heeft [verweerder] aan het ICT team onder meer het volgende geschreven:\n\n“(…) Deze week val ik nog in voor [naam 3] en ben ik er dagelijks, mogelijk volgende week ook, afhankelijk hoe het met [naam 3] gaat.\n\nNormaliter de hele woensdag en wisselend twee dagdelen verspreid over de week. (…)”\n\n2.5.. Bij de arbeidsovereenkomst is een afsprakenformulier gevoegd dat op 2 oktober 2019 door partijen is ondertekend. Hierin is onder andere vastgelegd dat [verweerder] op woensdag en twee dagdelen flexibel per week op school werkt en de overige dagen op afstand mag werken.\n\n2.6.. \n [verweerder] was vanaf zijn indiensttreding tot en met januari 2020 alleen op de woensdagen aanwezig op de school. Na januari 2020 is [verweerder] niet meer op vaste wekelijkse basis op de school aanwezig geweest.\n\n2.7.. Op 11 december 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [naam 1] en de toenmalig leidinggevende van [verweerder] . Tijdens dit gesprek is besproken dat de schoolleiding [verweerder] op school niet ziet en hem weer twee vaste dagdelen op school wil zien werken.\n\n2.8.. Bij brief van 26 juni 2025 heeft [naam 1] aan [verweerder] onder meer laten weten dat er in de afgelopen twee jaar regelmatig met hem is gesproken over zijn aan- \u002F afwezigheid op school. Daarbij is meegedeeld dat van [verweerder] wordt verwacht dat hij na de zomervakantie van 2025 op woensdagen aanwezig zal zijn met in de daaropvolgende maanden uitbreiding naar twee extra dagdelen, met als uitgangspunt dit voor 1 december 2025 gerealiseerd te hebben.\n\n2.9.. Bij brief van 10 juli 2025 heeft [verweerder] bezwaar gemaakt tegen de verplichting om op vaste dagen aanwezig op school aanwezig te zijn. Daarbij heeft [verweerder] laten weten dat aanwezigheid op vaste dagen niet mogelijk is, omdat de werkzaamheden in de avond- en nachtelijke uren moeten plaatsvinden om de dagelijkse werkprocessen niet te verstoren, en dat het voor zijn gezondheid niet verantwoord is om structureel te wisselen tussen dag- en avondwerk.\n\n2.10.. In de periode van juli 2025 tot en met begin september 2025 hebben twee incidenten tussen [verweerder] en zijn collega [naam 4] (hierna: [naam 4] ) plaatsgevonden. Daarnaast heeft in die periode een externe ICT dienstverlener, Socia, op verzoek van de school het netwerk van de school onderzocht. Uit de bevindingen van Socia bleek dat de interne back-uporgani-satie van de school niet op orde was.\n\n2.11.. Bij e-mail van 9 september 2025 heeft de gemachtigde van [verweerder] aan [naam 1] laten weten dat [verweerder] zijn werkzaamheden de volgende dag zoals gebruikelijk “remote” zal uitvoeren op grond van de arbeidsvoorwaarde die in de afgelopen jaren is ontstaan.\n\n2.12.. Op 10 september 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [naam 1] en [naam 2] over het functioneren van [verweerder] . Tijdens dit gesprek is aangekondigd dat een formeel verbetertraject wordt opgesteld en is besproken dat [verweerder] gehouden wordt aan de eerder gemaakte afspraken over zijn fysieke aanwezigheid op de school. Daarnaast heeft [naam 1] [verweerder] een brief overhandigd gedateerd op 9 september 2025. In deze brief staat onder meer dat het functioneren van [verweerder] niet aansluit bij de verwachtingen van de school. In de brief zijn een aantal verbeterpunten genoemd ten aanzien van de communicatie en samenwerking van [verweerder] en de invulling van zijn functie.\n\n2.13.. Bij brief van 17 september 2025 heeft de gemachtigde van [verweerder] aan [naam 1] onder meer meegedeeld dat sprake is van een verworven arbeidsvoorwaarde op grond waarvan [verweerder] zijn werkzaamheden grotendeels remote verricht en dat [verweerder] zijn werkzaamheden daarom remote zal blijven verrichten.\n\n2.14.. Op 18 september 2025 is het verbeterplan met [verweerder] besproken. In het verbeterplan is opgenomen dat [verweerder] wordt gehouden aan de gemaakte afspraken over zijn fysieke aanwezigheid op de school.\n\n2.15.. Bij brief van 24 september 2025 heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] aan (de gemachtigde van) [verweerder] onder meer laten weten dat geen sprake is van een verworven arbeidsvoorwaarde die [verweerder] het recht geeft om onbeperkt thuis te werken. Daarbij is [verweerder] verzocht om op woensdag 1 oktober 2025 op school aanwezig te zijn, onder aankondiging dat het niet naleven van deze afspraak als schending van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst zal worden aangemerkt en rechtspositionele gevolgen kan hebben.\n\n2.16.. Diezelfde dag heeft [verweerder] zich ziekgemeld.\n\n2.17.. Bij brief van 2 oktober 2025 heeft [naam 2] aan [verweerder] voorgesteld om het geschil over de fysieke aanwezigheid via medation te bespreken.\n\n2.18.. MVU: nodig? Bij brief van 30 oktober 2025 heeft [verzoekster] aan [verweerder] onder meer geschreven dat [verweerder] tijdens zijn ziekte meerdere malen telefonisch niet bereikbaar was en dat van een goed werknemer mag worden verwacht dat hij gedurende zijn ziekte actief bereikbaar is voor de werkgever.\n\n2.19.. Op 27 november 2025 is het mediationtraject gestart. De mediation is op 10 februari 2026 zonder resultaat geëindigd.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, meer subsidiair vanwege disfunctioneren en uiterst subsidiair vanwege de cumulatiegrond. Volgens [verzoekster] staat het opzegverbod ontbinding niet in de weg.\n\n3.2.. \n [verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek met veroordeling van [verzoekster] tot betaling van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om bij het bepalen van de ontbindingstermijn rekening te houden met de toepasselijke opzegtermijn van drie maanden zonder aftrek van de proceduretijd, toekenning van een billijke vergoeding en veroordeling van [verzoekster] tot betaling van de transitievergoeding.\n\n3.3.. Bij de beoordeling wordt op de inhoudelijke standpunten van partijen ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.\n\n4.2.. Een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.\n\nOpzegverbod4.3.. De kantonrechter beantwoordt allereerst de vraag of sprake is van een opzegverbod, nu [verweerder] sinds 24 september 2025 arbeidsongeschikt is. Ingevolge artikel 7:671b lid 6 BW staat een opzegverbod echter niet in de weg aan ontbinding, wanneer het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met de ziekte. Een redelijke uitleg van dit artikel brengt mee dat alleen als de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft, voldaan is aan de wettelijke voorwaarde dat er geen verband is.\n\n4.4.. De omstandigheden waarop [verzoekster] zich baseert zien met name op het functioneren va [verweerder] voor zijn ziekte en het conflict dat is ontstaan de afwezigheid van [verweerder] op de werkplek. Deze omstandigheden staan los van de (latere) ziekmelding van [verweerder] en ook van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft. De kanton-rechter is dan ook van oordeel dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] .\n\nOntbinding arbeidsovereenkomst4.5.. \n [verzoekster] is van mening dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dus dat de arbeidsovereenkomst primair moet worden ontbonden op de e-grond. Volgens [verzoekster] bestaat het verwijtbaar handelen van [verweerder] uit het stelselmatig weigeren de (overeengekomen) aanwezigheid op school na te komen, het ontkennen van schriftelijk vastgelegde afspraken, het frustreren van het verbetertraject door te weigeren aan geldende voorwaarden te voldoen, het herhaaldelijk en onprofessioneel bejegenen van leiding-gevenden en collega’s, en het stelselmatig neerleggen van verantwoordelijkheid bij anderen.\n\n4.6.. De kantonrechter is met [verzoekster] van oordeel dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld, zodanig dat van [verzoekster] niet in redelijkheid gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarover wordt het volgende overwogen.\n\n4.7.. Uit alle overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er tussen partijen een arbeidsconflict is ontstaan dat ziet op de structurele weigering van [verweerder] om op vaste dagen in de week fysiek op school aanwezig te zijn. Volgens [verzoekster] geldt op grond van de arbeidsovereenkomst en het addendum dat [verweerder] een vaste dag per week en daarnaast twee nader te bepalen dagdelen per week fysiek op school aanwezig is. [verzoekster] stelt dat zij bovendien als werkgever gerechtigd is instructies te geven en van haar werknemers kan verlangen fysiek op het werk aanwezig te zijn als de bedrijfsvoering dat vraagt. [verweerder] voert daartegen aan dat partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] zijn werk in beginsel vanuit huis verricht, maar dat hij na indiensttreding alleen tijdelijk zou afwijken van deze afspraak door op woensdagen en twee andere dagdelen op school aanwezig te zijn ter vervanging van een zieke collega. Voor zover al zou worden aangenomen dat [verweerder] op basis van de gemaakte afspraken verplicht is om wekelijks op vaste dagen aanwezig te zijn op school, voert [verweerder] aan dat [verzoekster] deze verplichting sinds januari 2020 meerdere jaren niet heeft gehandhaafd, terwijl hij zijn werkzaamheden structureel vanuit huis verrichtte. Volgens [verweerder] is hierdoor sprake is van een bestendige gedragslijn waarop hij heeft mogen vertrouwen, waardoor een verworven recht is ontstaan om zijn werkzaamheden grotendeels op afstand te blijven verrichten.\n\n4.8.. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit niets dat bij indiensttreding is afgesproken dat [verweerder] slechts tijdelijk vaste dagen in de week op school aanwezig zou zijn. Uit de overgelegde e-mails van [verweerder] (zie rov 2.4) en het addendum bij de arbeidsovereen-komst volgt juist duidelijk dat [verweerder] vanaf zijn indiensttreding bij [verzoekster] iedere woensdag en twee dagdelen per week aanwezig zou zijn op school. [verweerder] heeft aangevoerd dat uit de verwijzing in de e-mails naar een acuut ontstane situatie en zijn tijdelijke vervanging van een collega in de eerste en mogelijk de tweede week volgt dat zijn aanwezigheid op vaste dagen slechts tijdelijk was, maar de kantonrechter volgt hem daarin niet. Juist het feit dat [verweerder] herhaaldelijk heeft bevestigd dat hij op woensdag en twee dagdelen aanwezig is, en bovendien in zijn e-mail van 1 oktober 2019 schrijft dat hij normaliterop die dagen aanwezig is, wijst op een structurele afspraak.\n\n4.9.. Ook is er geen sprake van een verworven recht. Nog daargelaten dat [verzoekster] heeft toegelicht dat [verweerder] in de coronaperiode en periodes van arbeidsongeschiktheid vooral vanuit huis heeft gewerkt, geldt dat voor het ontstaan van een vaste, afdwingbare arbeidsvoorwaarde uit een bestendige gedragslijn meer nodig is dan enkel het gedurende enige tijd feitelijk volgen van een bepaalde praktijk. Er is onvoldoende gebleken van andere omstandigheden waaruit volgt dat [verweerder] in beginsel mocht thuiswerken.4.10.. Bovendien staat het een werkgever vrij een werknemer instructies te geven en als het op enig moment, en om welke reden dan ook, nodig is dat een werknemer zijn werk-zaamheden weer (deels) op kantoor gaat verrichten. Dat is een redelijk en zeker geen buitensporig verzoek, waaraan de werknemer dient te voldoen. Voor zover [verweerder] betoogt dat geen sprake is van een redelijk verzoek omdat de werkzaamheden alleen ’s avonds kunnen worden uitgevoerd en het verrichten van wisselende diensten een negatief effect heeft op zijn gezondheid, heeft hij dat, mede gelet op de verklaring van [verzoekster] dat de ICT-omgeving van de school grotendeels overdag te beheren is en dat allen een herinrichting van de ICT-omgeving avond- en nachtwerk tot een uitzondering maken, onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [verzoekster] in redelijkheid van [verweerder] mag verlangen dat hij op vaste dagen aanwezig is op school.\n\n4.11.. Dat [verweerder] structureel is blijven weigeren om op vaste dagen fysiek aanwezig te zijn op school, kan hem worden verweten. Het was [verweerder] daarbij duidelijk dat [verzoekster] wenste dat hij – conform de afspraken – zijn werkzaamheden weer (deels) op school kwam verrichten. Keer op keer heeft [verzoekster] [verweerder] de mogelijkheid gegeven alsnog op school te komen, zij heeft hem ruim de tijd gegeven, en hij wist dat zij het ontoelaatbaar achtte dat [verweerder] niet aan deze redelijke opdracht voldeed.\n\n4.12.. Nu [verweerder] gewoonweg heeft geweigerd op school te komen, en mediation ook geen oplossing heeft opgeleverd, kan in redelijk van [verzoekster] niet verwacht worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op de e-grond. [verweerder] heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij bereid is op vaste dagen aanwezig te zijn op school, maar hij hield tegelijkertijd vast aan zijn standpunt dat de werkzaamheden niet overdag kunnen worden uitgevoerd. Dit doet bij de kantonrechter sterke twijfel ontstaan over zijn werkelijke bereidheid om alsnog aan het verzoek van [verzoekster] gehoor te geven.\n\n4.13.. Nu ontbonden wordt op de e-grond, ligt herplaatsing niet in de rede. Nog daargelaten dat [verzoekster] voldoende heeft toegelicht dat herplaatsing niet mogelijk is door het zeer specialistische en schoolspecifieke karakter van de werkzaamheden van [verweerder] . Dit heeft [verweerder] niet weersproken.\n\n4.14.. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] zal toewijzen op de e-grond en dat de arbeidsovereenkomst dus zal worden ontbonden.\n\n4.15.. De kantonrechter zal bij het bepalen van de datum van ontbinding rekening houden met de opzegtermijn, waarbij met toepassing van artikel 7:671b lid 9 sub a BW de proceduretijd in mindering zal worden gebracht op de opzegtermijn met dien verstande dat een termijn van ten minste een maand resteert. Er bestaat geen aanleiding om de proceduretijd buiten beschouwing te laten, omdat, zoals hierna zal worden overwogen in het kader van de billijke vergoeding, geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden per 1 augustus 2026.\n\nTransitievergoeding4.16.. \n [verweerder] heeft recht op de transitievergoeding omdat geen sprake is van ernstigverwijtbaar handelen of nalaten en de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Daartoe weegt mee dat [verweerder] voorafgaand aan zijn indiensttreding jarenlang als zzp-er zijn werkzaamheden grotendeels op afstand verrichtte en bij aanvang van het dienstverband was besproken dat hij op dezelfde wijze kon blijven werken. Na zijn indiensttreding is [verweerder] slechts een korte periode structureel op woensdag aanwezig geweest op school. Tegen die achtergrond kon bij [verweerder] de indruk bestaan dat fysieke aanwezigheid op vaste dagen geen harde verplichting was. Hij is daarin blijven hangen, ten onrechte, maar dat maakt dat zijn handelwijze daarom wel verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar is.\n\n4.17.. \n [verweerder] stelt dat voor de berekening van de transitievergoeding dient te worden uitgegaan van een indiensttreding in september of oktober 2003 omdat toen materieel al sprake was van een arbeidsrelatie. Dit heeft hij echter, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoekster] , onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft hij ervoor gekozen om deze periode als zelfstandige werkzaam te zijn waarbij hij genoot van de daarbij horende fiscale \u002F financiële voordelen. Omdat [verweerder] op 1 september 2019 bij [verzoekster] in dienst is getreden komt de transitievergoeding, rekening houdend met de ontbindingsdatum van 1 augustus 2026, neer op een bedrag van € 17.184,09 bruto. Het verzoek om [verzoekster] te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 september 2026.\n\nBillijke vergoeding4.18.. \n\nEen billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeids-overeenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.\n\n [verweerder] stelt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Hij voert daartoe aan dat [verzoekster] niet heeft geluisterd naar zijn inhoudelijke bezwaren en onvoldoende heeft gedaan om het conflict op te lossen en de arbeidsrelatie te herstellen. In plaats daarvan is [verzoekster] volgens [verweerder] onterecht druk op hem blijven uitoefenen om in te stemmen met een vaste wekelijkse aanwezigheid van twee dagen op de school en heeft zij daarbij op geen enkele kenbare wijze rekening gehouden met de situatie van [verweerder] noch met het feit dat hij vanaf 24 september 2025 ziek was. [verweerder] betoogt dat al deze omstandigheden erop duiden dat [verzoekster] de situatie bewust heeft willen laten escaleren in een poging het ontslagdossier zo sterk mogelijk te maken.\n\n4.19.. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Hiervoor is overwogen dat [verzoekster] op goede gronden van [verweerder] mocht verlangen dat hij op vaste dagen per week fysiek op school aanwezig zou zijn. Bovendien heeft [verzoekster] [verweerder] nog een overgangsregeling aangeboden om aan zijn belangen tegemoet te komen (zie rov 2.8). Daarnaast heeft [verzoekster] mediation ingezet in een poging de situatie te verbeteren. Als [verweerder] gevolg had gegeven aan het redelijke verzoek van [verzoekster] was de arbeidsverhouding naar verwachting niet zodanig verstoord geraakt. Het verzoek tot toekennen van een billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.\n\n4.20.. \n [verzoekster] hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.\n\nProceskosten4.21.. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026,\n\n5.2.. veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 17.184,09 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.3.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,\n\n5.4.. verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en mr M. Hillebrink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n51447.MVU","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6467","2026-07-13T00:28:54.197Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":44,"courtId":93,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":52,"updatedAt":97},"1147","ECLI:NL:RBNNE:2026:2457","ecli-nl-rbnne-2026-2457",70,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12165818 \\ AR VERZ 26-26\n\nBeschikking van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING KWADRANT,\n\nte Drachten,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Kwadrant,\n\ngemachtigde: mr. L. Sandberg,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\nprocederend met toevoeging,\n\ngemachtigde: mr. J.S. Bauer.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten verwijtbaar handelen (de e-grond). De kantonrechter beoordeelt het gedrag van de werknemer ook als ernstig verwijtbaar. Het (voorwaardelijk) tegenverzoek van werknemer om ten laste van de werkgever een transitie- en billijke vergoeding toe te kennen wordt afgewezen. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om het tegenverzoek tot loonbetaling van werknemer te honoreren.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- het verweerschrift, met een tegenverzoek\n\n- een wijziging van verzoek met aanvullende producties van 13 mei 2026 - aanvullende producties van Kwadrant van 20 mei 2026\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van Kwadrant.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verweerder] , geboren [geboortedatum] 1989, is sinds 1 december 2023 in dienst bij Kwadrant. De functie van [verweerder] is [functie] met een loon van € 5.787,48 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO VVT van toepassing. [verweerder] houdt zich bezig met het in kaart brengen van ICT vragen vanuit Kwadrant en met name met de implementatie van een softwaresysteem genaamd AFAS.\n\n2.2.. In de mailbox van [verweerder] is op 2 juni 2025 ’s ochtends een concept e-mail opgesteld met de volgende tekst:\n\nBeste relatie,\n\nGraag verwijs ik naar de factuur in de bijlage.\n\nMet vriendelijke groet,\n\n [bedrijf 2]\n\nEveneens op 2 juni 2025 is ’s middags bij Kwadrant via de mail een factuur binnengekomen met als afzender [mailadres 1] met dezelfde hiervoor genoemde begeleidende tekst die ’s ochtends was aangemaakt in de mailbox van [verweerder] .\n\n2.3.. Op een via [naam 1] (hierna: [naam 1] ) aan Kwadrant gestuurde uitdraai van Whatsappgesprekken waarop de namen [verweerder] en [naam 1] als gespreksdeelnemers zijn vermeld (hierna de uitdraai van WhatsAppgesprekken) staat onder andere het volgende vermeld:\n\n Op 16 mei 2025:\n\n [verweerder] : Hieronder zijn de gegevens die normaal gesproken op een factuur staan. Het enige risico is dat mijn organisatie een IT-klusje gaan factureren aan een eenmanszaak dat staat ingeschreven als modellenbureau. Ik moet even goed nadenken hoe we dat risico kunnen vermijden. Kun jij de volgende gegevens met mij delen zodat ik een conceptfactuur kan opstellen.\n\nOp 21 mei 2025:\n\n [verweerder] : Perfect. Als jij de gegevens hebt aangeleverd dan kan ik verder met het aanmaken van de eerste factuur.\n\nOp 2 juni 2025, in antwoord op de vraag van [naam 1] wanneer de eerste betaling wordt gedaan:\n\n [verweerder] : Yo bro, dat durf ik niet te zeggen. Ik heb de betaling in het proces gedrukt\n\nOp 3 juni 2025:\n\n [verweerder] : Kijk bro, dit is de factuur die ik namens jou heb ingediend\n\nOp 19 juni 2025:\n\n [verweerder] : Ik heb net gecheckt. De vervaldatum in het systeem van de factuur is volgende week donderdag. Dan gaat de opdracht naar de bank en dan duurt het nog 1 a 2 dagen\n\nOp 26 juni 2025:\n\n [verweerder] : Bro, het gaat vandaag naar je worden overgemaakt. Laat ff weten als je het hebt ontvangen. [verweerder] : Het netto bedrag wat je ontvangt is 1940. Voor mij 70 procent is 1358. En voor jou 30 procent is 582. Je moet zelf kijken wat je met het BTW bedrag doet. Als je het hebt ontvangen stuur ik je wel een tikkie.\n\n(…)\n\n [verweerder] : Ik heb een betaalverzoek gemaakt van € 1.358,00 voor 2025. Je kunt met elke bank in Nederland betalen. Dank je wel!\n\nOp 16 juli 2025\n\n [verweerder] : Bro het lijkt me slimmer om die nabetaling te skippen. Ik laat in de le of 2e week van augustus rond de 7K uitbetalen en eind september rond de 12K. Eens?\n\n [verweerder] : Mijn broer spreek ik dit weekend. Bel je daarna wel mbt de BTW aangifte\n\nOp 7 september 2025:\n\n [verweerder] : Zeker nu het lekker loopt\n\n(…)\n\n [verweerder] : Helemaal vergeten te zeggen dat we komende donderdag ook nog wat krijgen. Het is momenteel chaos bij ons waardoor ik heel eenvoudig uurtjes jou kan laten uitbetalen. Donderdag gaan we ongeveer 2400 extra ontvangen\n\nOp 29 september 2025:\n\n [verweerder] : Als we afspreken kunnen we gelijk bespreken hoe we de komende maanden nog maximaal kunnen verdienen\n\n2.4.. Op 19 september 2025 ’s ochtends is er vanuit de mailbox van [verweerder] een mailbericht gestuurd aan [mailadres 2] met de volgende tekst:\n\nOnderwerp: Implementatie Front Vision Koppeling\n\nMail:\n\nGoedemorgen [verweerder] ,\n\nHoe verloopt het testen van de Front Vision Koppeling? We horen graag of de inrichting naar wens is verlopen. Laat het ons gerust weten als we je verder kunnen ondersteunen.\n\nActie voor jou:\n\nMaak een handtekening met bedrijfsnaam inclusief naam en functie.\n\nVervolgens is dezelfde dag, 19 september 2025, ’s middags in de mailbox van [verweerder] een e-mailbericht binnengekomen van [mailadres 3] met als onderwerp: Front Vision Koppeling en de volgende tekst:\n\nGoedemiddag [verweerder] ,\n\nHoe verloopt het testen van de Front Vision Koppeling? We horen graag of de inrichting naar wens is verlopen. Laat het ons gerust weten als we je verder kunnen ondersteunen.\n\nMet vriendelijke groet,\n\n [naam 2]\n\nSenior IT Consultant\n\n2.5.. Op een via [naam 1] aan Kwadrant gestuurde uitdraai van Signalgesprekken (hierna de uitdraai van Signalgesprekken) staat, naast diverse betaalverzoeken, onder andere het volgende vermeld:\n\nOp 10 december 2025:\n\n Bro what's up? Ik heb ons mannetje van de BD gesproken. Dat moeten wij even bespreken\n\nOp 28 december 2025:\n\nVorige week heb ik €1K aanbetaald. Het belasting mannetje gaat nu uitzoeken wat we moeten aanleveren om zo min mogelijk te betalen. Onze verdeling is 70\u002F30 dus dat heb ik zo berekend. Ik wil 100 procent zeker zijn dat dit ook goed gaat\n\n2.6.. Op 27 januari 2026 om 10.30 is er vanuit de mailbox van [verweerder] een e-mailbericht gestuurd naar [mailadres 2] met in de bijlage een factuur van [bedrijf 1] . Dezelfde dag om 10.58 wordt in de crediteurenmailbox van Kwadrant een mailbericht ontvangen afkomstig van [mailadres 3] met dezelfde tekst als voormelde mail aan [mailadres 2] met als bijlage dezelfde factuur van [bedrijf 1] .\n\n2.7.. Begin 2026 heeft de business controller van Kwadrant vastgesteld dat er een forse kostenoverschrijding had plaatsgevonden op de begroting van ICT. Uit nadere bestudering bleek dat aan twee crediteuren, namelijk [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) betalingen waren gedaan op basis van 23 facturen over de periode 26 juni 2025 tot en met 29 januari 2026 voor een totaalbedrag van € 121.797,80 terwijl niets daarvoor was begroot. De omschrijvingen op de facturen gaven aan dat het om ICT-gerelateerde werkzaamheden ging. Omdat het vermoeden bestond bij Kwadrant dat het om spookfacturen ging, heeft zij [bedrijfsrecherche] (hierna: [bedrijfsrecherche] ) ingeschakeld om nader onderzoek te doen.\n\n2.8.. Op 2 februari 2026 heeft Kwadrant een melding gedaan bij haar bank, de ING, dat zij ten onrechte facturen heeft ontvangen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] .\n\n2.9.. Op 3 februari 2026 heeft de leidinggevende van [verweerder] , de heer [leidinggevende] , [verweerder] bevraagd over mogelijke onregelmatigheden omtrent facturatie.\n\n2.10.. Op of omstreeks 3 en 4 februari 2026 heeft de ING bank informatie gevraagd aan [bedrijf 1] en [naam 1] over de facturen.\n\n2.11.. Op 5 februari 2026 heeft [verweerder] zich ziek gemeld. Op de uitdraai van Signalgesprekken staan op dezelfde dag, 5 februari 2026, naast een reeks facturen, de volgende gesprekken genoteerd:\n\n ( [naam 1] ) Bro kan je bellen?\n\n Belangrijke info van de bank\n\nBen ermee bezig\n\nStel dat ze vragen om een naam van eem contactpersoon moet je niet mijn naam noemen\n\nDan is de cirkel rond\n\nBro wat je nog kunt zeggen. Je bent door functioneel beheer kwadrant gevraagd om te helpen bij het doorontwikkelen van Afas. Dat heb je dan ook steeds gedaan. Naam weet je niet meer zo goed\n\n(…)\n\nDit is het overzicht van alle betalingen, inclusief het bedrag en de datum van ontvangst.\n\nWaar een V staat betekent dat ik de betaling heb ontvangen. Voor de overige betalingen heb ik nog geen correcte factuur ontvangen. Zou je deze zsm kunnen delen?\n\n(…)\n\nHet mailadres is [mailadres 1]\n\nVoordat ze het vragen\n\n(…)\n\nBelangrijk dat je beetje in het midden laat wie je aanspreekpunt is want als ik in het verhaal kom in combinatie met betalingen naar mij\n\nDan wordt het kut\n\n2.12.. Op 16 februari 2026 heeft [bedrijfsrecherche] de leidinggevende van de ICT afdeling op de hoogte gesteld van haar tussentijdse bevindingen in het onderzoek en heeft [bedrijfsrecherche] aangegeven [verweerder] te willen horen. Dezelfde dag, 16 februari 2026, is herhaaldelijk tevergeefs getracht telefonisch contact met [verweerder] te krijgen. Kwadrant is daarom ’s middags naar het huis van [verweerder] te gaan. Bij aankomst bleek dit te zijn leeggehaald en niet te worden bewoond.\n\n2.13.. Bij brief en per e-mail van 16 februari 2026 heeft Kwadrant [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek op 17 februari 2026 om 10.30 uur op de locatie van Kwadrant om hem te horen in het kader van het onderzoek naar de onregelmatigheden die aan het licht waren gekomen. Verder heeft Kwadrant meegedeeld aan [verweerder] dat hij gedurende het onderzoek op non-actief werd gesteld, dat het hoorgesprek niet vrijblijvend was en dat niet-verschijnen van [verweerder] arbeidsrechtelijke consequenties zou hebben, waarbij een ontslag op staande voet niet werd uitgesloten. Per separate e-mail van 16 februari 2026 heeft Kwadrant [verweerder] geattendeerd op voormelde uitnodiging en hem meegedeeld dat niet-verschijnen van [verweerder] aanleiding zou zijn voor Kwadrant om aangifte te doen bij de politie.\n\n2.14.. Per e-mail van 17 februari 2026 om 00.18 uur heeft [verweerder] , voor zover van belang, de volgende reactie aan Kwadrant gestuurd:\n\n(…) Ik ben bereid volledig mee te werken aan het aangekondigde onderzoek en er is geen sprake van weigering. Ik zal mij daarnaast houden aan de voorwaarden die gelden tijdens mijn non-actiefstelling.\n\nIk ben momenteel ziekgemeld en mijn huisarts is op de hoogte van de aard van mijn klachten en kan dit desgewenst bevestigen. Een gesprek op korte termijn is in mijn ogen niet verantwoord. Ik verzoek je alternatieve data voor volgende week of de week erop voor te stellen.\n\nVoorafgaand aan het gesprek ontvang ik graag schriftelijk:\n\n- een concrete omschrijving van de vermeende onregelmatigheden\n\n- wie aanwezig zal zijn en in welke hoedanigheid\n\nIn de afgelopen week is contact geweest met meerdere directe collega’s en onbereikbaarheid is niet aan de orde. Ik ben per e-mail bereikbaar en zal tijdig reageren.\n\nGezien de korte termijn van het geplande gesprek en het belang van een correcte procedure, verzoek ik je om bovenstaande punten schriftelijk te bevestigen voordat verdere stappen worden ondernomen.\n\nTer voorbereiding op het gesprek behoud ik mij het recht voor juridisch advies in te winnen.\n\n(…)\n\n2.15.. In de ochtend van 17 februari 2026 heeft Kwadrant tevergeefs telefonisch contact gezocht met [verweerder] , waarna ze een e-mail bericht heeft gestuurd. In deze e-mail heeft Kwadrant aan [verweerder] verzocht om wel om 10.30 uur op de afspraak te komen en aan hem uitgelegd dat er op dat moment een onderzoek door [bedrijfsrecherche] plaatsvond, dat [bedrijfsrecherche] met hem in gesprek wilde gaan en dat het gesprek uitstellen met één of twee weken niet mogelijk was. Verder werd de optie geboden aan [verweerder] om het gesprek bij hem thuis of via teams plaats te laten vinden. Ten slotte heeft Kwadrant [verweerder] verzocht om telefonisch contact op te nemen en zijn verblijfadres aan Kwadrant te verstrekken.\n\n2.16.. Per e-mail van dezelfde dag, 17 februari 2026, om 10.29 uur heeft [verweerder] gereageerd en aan Kwadrant meegedeeld dat hij vanwege gezondheidsproblemen niet op gesprek kon komen. Tevens heeft [verweerder] aangegeven dat hij op dat moment tijdelijk ergens anders verbleef en te allen tijde per e-mail bereikbaar was en binnen een redelijke termijn zou reageren.\n\n2.17.. Per e-mail van dezelfde dag, 17 februari 2026, om 14.13 uur heeft Kwadrant [verweerder] opgeroepen om op 19 februari 2026 om 10.30 uur op gesprek te komen en hem nogmaals gewezen op de arbeidsrechtelijke consequenties bij niet-verschijnen. Verder heeft Kwadrant meegedeeld dat [verweerder] verplicht was zijn huidige verblijfplaats door te geven in verband met de Wet Verbetering Poortwachter, dat een en ander (waaronder het al een week niet bereikbaar zijn voor zijn leidinggevende) niet acceptabel was en dat hij bereikbaar diende te zijn, niet enkel per mail.\n\n2.18.. Per e-mail en per sms van 17 februari 2026 heeft de bedrijfsarts [verweerder] opgeroepen voor het spreekuur via teams op 18 februari 2026 om 9 uur. Per e-mail van 17 februari 2026 om 15.47 uur heeft Kwadrant [verweerder] geattendeerd op voormelde oproep van de bedrijfsarts en op zijn verplichting op grond van de Wet Verbetering Poortwachter om hieraan gehoor te geven om te kunnen beoordelen in hoeverre er sprake is van arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en of hij recht heeft op salaris. [verweerder] is 18 februari 2026 niet verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft die dag herhaaldelijk tevergeefs geprobeerd telefonisch contact met [verweerder] te krijgen.\n\n2.19.. \n\nPer e-mail van 18 februari 2026 met als titel: ‘Contact en terugkoppeling bedrijfsarts’ heeft Kwadrant het volgende, voor zover van belang, aan [verweerder] meegedeeld:\n\nJe hebt tot heden niet gereageerd op mijn mails van gistermiddag. Je hebt telefonisch geen contact opgenomen met je leidinggevende en je neemt je telefoon niet op wanneer wij je proberen te bellen. Gistermiddag heb je per mail en per sms een uitnodiging ontvangen van de bedrijfsarts voor een consult via teams voor vanmorgen om 9.00u. Je bent niet verschenen. Ook was je voor de bedrijfsarts telefonisch niet bereikbaar. Bijgaand ontvang je de terugkoppeling van de bedrijfsarts.\n\nJe houd je niet aan de verplichtingen, voortvloeiende uit de Wet Verbetering Poortwachter. Ook overtreed je onze interne afspraken die wij met elkaar hebben ten aanzien van ziekmelding, bereikbaarheid bij ziekte etc. We kunnen hierdoor niet vaststellen of er sprake is van ziekte en of je recht hebt op salaris. Hierbij deel ik je dan ook mede dat je salaris per vandaag wordt opgeschort. Salarisbetaling zal hervat worden, nadat de bedrijfsarts heeft kunnen constateren dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid.\n\nGisteren heb je een uitnodiging ontvangen om morgen om 11.30u aanwezig te zijn bij de [adres] te Drachten om in gesprek te gaan met [bedrijfsrecherche] , in het kader van een onderzoek dat zij aan het verrichten zijn in opdracht van Kwadrant. Je bent verplicht te verschijnen. Zoals aangegeven zal niet verschijnen arbeidsrechtelijke consequenties hebben.\n\nIk wil dat je vandaag nog telefonisch contact opneemt met de bedrijfsarts om een nieuwe afspraak in te plannen. De gegevens staan in het verslag van de bedrijfsarts opgenomen. Daarnaast wil ik dat je vandaag nog telefonisch contact met mij opneemt en bevestigt dat je morgen op de afspraak zult verschijnen. Ook wil ik dat je vandaag je verblijfadres aan ons doorgeeft.\n\n(…)\n\n2.20.. Per e-mail van 19 februari 2026 om 00.59 uur heeft [verweerder] aan Kwadrant, voor zover van belang, meegedeeld dat hij vanwege zijn gezondheidsklachten niet in staat is om deel te nemen aan het gesprek met [bedrijfsrecherche] op 19 februari 2026 en heeft hij verzocht het gesprek naar de week daarop te verplaatsen. Verder heeft [verweerder] geschreven dat hij geen vaste verblijfplaats heeft maar voor de komende periode aan [adres] verblijft en uitsluitend via e-mail bereikbaar is. Ook heeft [verweerder] aangegeven dat hij het gezien de korte aanzeggingstermijn van minder dan 24 uur niet redelijk acht en dat hij niet akkoord gaat met het opschorten van zijn loon vanwege zijn afwezigheid bij de afspraak met de bedrijfsarts.\n\n2.21.. Op 19 februari 2026 heeft [verweerder] contact opgenomen met de bedrijfsarts waarop meteen per videocall een consult heeft plaatsgevonden. In de terugkoppeling van dit consult staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:\n\nProbleem en Vraagstelling van werkgever\n\nProbleem:Werknemer heeft zich ziek gemeld terwijl er problemen bestaan die gerelateerd zijn aan het werk. Werkgever wil graag met werknemer in gesprek over de bestaande problemen. Werknemer geeft bij werkgever aan dat werknemer medische belemmeringen ervaart om in gesprek te gaan met werkgever.\n\nVragen:\n\n1. Heeft werknemer beperkingen op medische grond om een gesprek met werkgever te voeren?\n\n2. Zo ja, zijn er voorwaarden op medische grond waar aan voldaan moet worden om een gesprek wel\n\nmogelijk te maken?\n\n3. Als werknemer medische belemmeringen heeft, is er voldoende zorg voor werknemer? Zo neen,\n\ngraag advies geven aan werknemer voor adequate zorg.\n\nAntwoord op de gestelde vragen:\n\n1. Werknemer is verminderd belastbaar op medische grond t.a.v. veel prikkels uit de omgeving en t.a.v. een zwaar emotioneel appel. Mijns inziens is een gesprek met werkgever wel mogelijk, mits rekening gehouden met specifieke voorwaarden.\n\n2. Specifieke voorwaarden voor een gesprek:\n\na. Eenvoudige, duidelijke informatie, welke overzichtelijk gedeeld wordt. Denk daarbij aan maximaal 4 personen inclusief werknemer zelf. Waarbij om de beurt gesproken wordt. En waarbij werknemer eventuele informatie geprint of per mail mee naar huis krijgt.\n\nb. Advies is dat werknemer zelf een vertrouwd persoon mee neemt.\n\nc. Duur van een gesprek maximaal 30 minuten.\n\nd. Indien er informatie gedeeld wordt met een zware emotionele lading, adviseer ik om een vervolg\n\nvan het gesprek op een ander moment te plannen.\n\ne. Organiseer dat werknemer niet zelf hoeft te rijden rondom een gesprek met emotionele lading.\n\n3. Dit is startende. Werknemer heeft daarover maandag weer contact. Ik spreek werknemer weer over 3\n\nweken en zal dit ook blijven volgen met werknemer.\n\nAdvies:\n\nGraag wil ik werkgever en werknemer de volgende adviezen geven:\n\n• Ga met elkaar probleem oplossend in gesprek. Houdt daarbij rekening met de vermelde voorwaarden.\n\n• Werknemer blijft onder behandeling van de behandelaar.\n\n(…)\n\n2.22.. \n [verweerder] is niet verschenen op het gesprek met [bedrijfsrecherche] van 19 februari 2026 om 11.30 uur. Per e-mail van dezelfde dag met als onderwerp contact en afspraken heeft Kwadrant aan [verweerder] meegedeeld dat hij ondanks het advies van de bedrijfsarts dat hij medisch in staat is om onder voorwaarden in gesprek te gaan, niet verschenen is op de afspraak om 11.30 uur terwijl het vanwege het onderzoek naar de onregelmatigheden van facturaties zeer belangrijk is dat het gesprek plaatsvindt en dat aan niet verschijnen arbeidsrechtelijke consequenties zijn verbonden waarbij een ontslag op staande voet niet is uitgesloten. Verder wordt [verweerder] wederom opgeroepen voor een gesprek op maandag 23 februari 2026 met een vervolggesprek op woensdag 25 februari 2026 en wordt hem dringend verzocht telefonisch contact op te nemen om afspraken te kunnen maken over de locatie van het gesprek en het vervoer.\n\n2.23.. Op vrijdag 20 februari 2026 heeft de volgende e-mail correspondentie tussen partijen plaatsgevonden:\n\n- Om 8.09 uur heeft [verweerder] aan Kwadrant meegedeeld dat hij bereid is mee te werken aan de gesprekken, zoals door de bedrijfsarts is geadviseerd maar dat hij de wijze waarop druk wordt uitgeoefend door Kwadrant (namelijk directe eisen, korte termijnen en dwingende contactmomenten) niet als zorgvuldig en daarmee niet in lijn met het advies van de bedrijfsarts ervaart. [verweerder] heeft een nieuw datumvoorstel gedaan voor de komende woensdag (25 februari 2026) en de vrijdag daarna (27 februari), zodat hij tijd heeft om te bepalen wie hem bijstaat en hij heeft aangegeven de komende maandag (23 februari 2026) na zijn afspraak bij de huisarts tussen 10 en 11 uur te kunnen bellen.\n\n- Om 9.42 uur heeft Kwadrant gereageerd en aan [verweerder] , voor zover van belang, meegedeeld dat hij diezelfde dag nog tussen 10 en 11 uur telefonisch contact dient op te nemen met Kwadrant om af te stemmen hoe laat hij maandag 23 februari 2026 naar de huisarts moet, zodat de afspraak met [bedrijfsrecherche] daarop afgestemd kan worden.\n\n- Om 11.02 uur heeft [verweerder] hierop per e-mail gereageerd en aangegeven dat hij zich die dag emotioneel niet in staat voelt om te bellen en maandag 23 februari 2026 na 10 uur kan bellen en woensdag 25 februari 2026 aanwezig kan zijn voor het gesprek.\n\n- Om 13:21 uur heeft Kwadrant [verweerder] gesommeerd om op maandag 23 februari 2026 om 14.30 uur naar Kwadrant te komen voor een gesprek met [bedrijfsrecherche] en heeft Kwadrant verder het volgende, voor zover van belang, aan [verweerder] meegedeeld:\n\n(…)\n\nWe hebben je afgelopen woensdag bericht dat je salaris werd opgeschort omdat we niet vast konden stellen of er sprake was van arbeidsongeschiktheid. Inmiddels is er contact met de bedrijfsarts geweest, zodat het salaris wordt hervat. Echter, omdat je je niet aan redelijke (werk)instructies houdt, waartoe je wel gehouden kunt worden conform het advies van de bedrijfsarts, heb je geen recht op salaris. Vanaf vandaag wordt je salaris dan ook stopgezet. Het recht op salaris neemt weer een aanvang wanneer je je wel aan redelijke (werk) instructies houdt. Je bent afgelopen week herhaaldelijk niet op een gesprek verschenen, waartoe je wel in staat wordt geacht door de bedrijfsarts. Je neemt daarnaast geen telefonisch contact met ons op, ondanks herhaald verzoek. Hiermee voldoe je niet aan redelijke werkopdrachten. Ook ben je reeds herhaaldelijk erop gewezen dat dit arbeidsrechtelijke gevolgen heeft. Voor nu wordt het salaris stopgezet.\n\n(…)\n\n2.24.. Op 23 februari 2026 heeft Kwadrant tevergeefs geprobeerd [verweerder] telefonisch te bereiken. Per e-mail van dezelfde dag om 11.37 uur heeft [verweerder] aan Kwadrant meegedeeld dat hij bereid is om mee te werken aan gesprekken en zijn re-integratie conform het advies van de bedrijfsarts van 19 februari 2026, maar dat de gesprekken herhaaldelijk eenzijdig zijn ingepland, op korte termijn en zonder afstemming met [verweerder] , waarbij de voorwaarden van de bedrijfsarts niet zijn nageleefd. Verder heeft [verweerder] , voor zover van belang, het volgende geschreven:\n\n(…)\n\nIk begrijp dat wordt gesteld dat ik medisch in staat ben om gesprekken te voeren. Dit is echter nadrukkelijk gekoppeld aan de randvoorwaarden geformuleerd door de bedrijfsarts.\n\nWanneer deze voorwaarden niet worden nageleefd, is deelname aan het vanmiddag geplande gesprek niet verantwoord. Dit is geen werkweigering maar handelen binnen het medisch advies.\n\nOp dezelfde dag gesprek met de huisarts (gemeld in verslag bedrijfsarts) als gesprek met [bedrijfsrecherche] is voor mij niet haalbaar vanwege mijn belastbaarheid en de voorwaarden van de bedrijfsarts.\n\nDaarnaast zijn de richtlijnen van de bedrijfsarts bij de planning voor dit gesprek niet aantoonbaar nageleefd. Om die reden kan ik hier niet aan deelnemen.\n\nDe wijze van handelen vanuit Kwadrant ervaar ik als zeer ingrijpend en intimiderend. Mijn salaris is opgeschort en vervolgens stopgezet. Er is herhaaldelijk gedreigd met consequenties. Er zijn afspraken opgelegd met te korte voorbereidingstijd.\n\nDit alles is gericht op het afdwingen van een gesprek. Tegelijkertijd ervaar ik weinig tot geen aandacht voor mijn ziekmelding, belastbaarheid en herstel en mij als persoon.\n\nHet stopzetten van mijn salaris op basis van vermeende werkweigering acht ik onterecht. Ik werk mee binnen de grenzen van het advies van de bedrijfsarts. Ik verzoek u om dit besluit per direct terug te draaien.\n\nIk verzoek u ook om het advies van de bedrijfsarts leidend te laten zijn.\n\n(…)\n\n2.25.. Per e-mail van 24 februari 2026 heeft Kwadrant aan [verweerder] onder meer meegedeeld dat zij zich wel aan de voorwaarden van de bedrijfsarts heeft gehouden bij de geplande afspraak van de dag ervoor en dat [verweerder] zonder bericht niet op de afspraak is verschenen, telefonisch niet bereikbaar was en niet per e-mail binnen een redelijke termijn heeft gereageerd. Kwadrant heeft twee nieuwe opties voor een moment van een gesprek voorgesteld aan [verweerder] . Verder heeft Kwadrant aan [verweerder] meegedeeld dat – samengevat - zij vasthoudt aan de stopzetting van het salaris zolang [verweerder] zich niet houdt aan de redelijke voorschriften en (werk) instructies.\n\n2.26.. Per e-mail van 26 februari 2026 heeft [verweerder] aan Kwadrant meegedeeld dat hij beschikbaar is om op 3 maart 2026 op gesprek te komen binnen de randvoorwaarden zoals de bedrijfsarts die heeft geadviseerd en dat hij uiterlijk 2 maart 2026 zal doorgeven wie hij als vertrouwenspersoon meeneemt.\n\n2.27.. Per e-mail van 2 maart 2026 heeft [verweerder] aan Kwadrant onder meer meegedeeld dat de afspraak voor de volgende dag niet door kan gaan omdat zijn vertrouwenspersoon door overmacht niet beschikbaar is.\n\n2.28.. Op 4 maart 2026 heeft Kwadrant een lijst van [bedrijfsrecherche] aan [verweerder] gestuurd met vragen over – samengevat – zijn rol in de ‘frauduleuze constructie’ met de facturen. Kwadrant heeft [verweerder] verzocht om de vragen schriftelijk te beantwoorden op uiterlijk 9 maart 2026.\n\n2.29.. Per e-mail van 10 maart 2026 heeft [verweerder] de volgende, voor zover van belang, reactie aan Kwadrant gestuurd:\n\nHet verbaast mij enigszins dat mij deze vragen worden voorgelegd. In de afgelopen twee jaar ben ik medeverantwoordelijk geweest voor de implementatie van AFAS (…).\n\nHiervoor heb ik met veel verschillende partijen samengewerkt. In mijn ogen is het heel gemakkelijk om mij nu een aantal partijen voor de voeten te werpen met dit soort vragen.\n\n(…)\n\nIk kan een hele lijst opstellen van nog meer organisaties, partijen of individuen die geen of slechts een minimale bijdrage hebben geleverd tegen forse onkostenvergoedingen.\n\n(…)\n\nNogmaals: als je mij zulke vragen stelt zonder enige context over hoe er intern wordt gehandeld en hoe eenvoudig opdrachten worden verstrekt, dan wordt er een beeld geschetst waarin mijn handelen als verdacht wordt neergezet. Terwijl dat handelen juist volledig in lijn ligt met de manier waarop binnen de organisatie wordt gewerkt.\n\n(…)\n\n2.30.. In het op 20 maart 2026 gedateerde onderzoeksrapport van [bedrijfsrecherche] , heeft zij het volgende geconcludeerd:\n\nUit het onderzoek blijkt dat de heer [verweerder] instructies heeft gegeven en letterlijke teksten heeft gedicteerd aan het e-mailadres ' [mailadres 2] ', over de wijze van indienen van facturen bij zijn werkgever Kwadrant. De heer [verweerder] heeft ook een factuur van [bedrijf 1] naar dat e-mailadres verzonden, voordat deze factuur door [bedrijf 1] bij Kwadrant werd ingediend.\n\nOok is gebleken dat de heer [verweerder] een conceptmail had opgesteld in zijn zakelijke mailbox van Kwadrant met de ondertekening ' [bedrijf 2] '. Deze conceptmail bleek exact dezelfde tekst en ondertekening te bevatten als de e-mail met de eerste factuur van [bedrijf 2] naar de crediteuren mailbox van Kwadrant. Deze conceptmail bleek bovendien op dezelfde dag te zijn opgesteld, maar enkele uren eerder, als de dag waarop de eerste factuur van [bedrijf 2] aan Kwadrant is verzonden. De heer [verweerder] heeft daarnaast de Crediteurenafdeling er ook op geattendeerd dat een factuur van [bedrijf 1] niet was betaald.\n\n(…)\n\nDe heer [verweerder] heeft geen gebruikgemaakt van de gelegenheid om de vastgestelde handelswijze toe te lichten. Ook op de schriftelijke vragen ten aanzien van deze casus heeft de heer [verweerder] niet gereageerd.\n\nBovenstaande bevindingen wijzen erop dat de heer [verweerder] zijn kennis van de organisatie heeft gebruikt om op onrechtmatige wijze geld van zijn werkgever te onttrekken.\n\n2.31.. Per e-mail van 26 maart 2026 heeft [naam 3] namens [bedrijf 1] het volgende, voor zover van belang, aan Kwadrant meegedeeld:\n\nNaar aanleiding van het contact dat ik met ING heb gehad, neem ik vertrouwelijk contact met u op om te komen tot een oplossing voor de kwestie waar u en ik ons mee geconfronteerd weten.\n\nUit de informatie die mij ter beschikking is gesteld, blijkt dat [bedrijf 1] in 2025 meerdere malen aan Kwadrant heeft gefactureerd voor AFAS-gerelateerde consultwerkzaamheden. Ik wil daarbij uitdrukkelijk vermelden dat ikzelf niet betrokken ben geweest bij de uitvoering van of de besluitvorming rondom deze werkzaamheden. Ik heb hiervan pas kennisgenomen naar aanleiding van de melding die Kwadrant recent bij ING heeft ingediend, inhoudende dat de gefactureerde diensten niet zouden zijn geleverd.\n\nZonder vooruit te lopen op een inhoudelijke beoordeling van de situatie, doe ik u het volgende voorstel. Namens [bedrijf 1] ben ik bereid over te gaan tot volledige terugbetaling van de gefactureerde bedragen, zodat deze kwestie voor beide partijen definitief kan worden afgesloten.\n\n(…).\n\n2.32.. Op 2 april 2026 heeft [naam 3] namens [bedrijf 1] een bedrag van € 18.997,00 op de rekening van Kwadrant gestort.\n\n2.33.. Bij brief van 13 april 2026 heeft Kwadrant [naam 1] , voor zover van belang, gesommeerd het ten onrechte ontvangen bedrag van € 102.800,80 te vermeerderen met rente en incassokosten te voldoen. Bij de brief aan [naam 1] heeft Kwadrant een overzicht van de door haar ontvangen facturen in de periode 27 mei tot en met 31 december 2025 ten titel van ‘consultancy werkzaamheden’ gevoegd.\n\n2.34.. Per e-mail van 23 april 2026 heeft [naam 1] het volgende, voor zover van belang, aan Kwadrant meegedeeld:\n\n(…)\n\nIk ben op de hoogte van de kwestie rondom de factureringen in de genoemde periode en wens dit in goed overleg af te wikkelen.\n\nIk ben bereid het door mij ingehouden bedrag terug te betalen. Ter verduidelijking: hoewel het volledige bedrag van € 102.800,80 op mijn rekening is ontvangen, heb ik slechts 30% behouden. 70% is overgemaakt aan de heer [verweerder] , werkzaam bij Stichting Kwadrant, tegen wie momenteel een gerechtelijke procedure loopt voor dezelfde feiten (…). Volgens mijn kennis en inzicht is de constructie door de heer [verweerder] opgezet; hij kende de financieel-logistieke processen binnen Stichting Kwadrant.\n\nHet bewijs van de overmakingen aan de heer [verweerder] heb ik in februari 2026 aan de bank overgelegd.\n\n(…).\n\n [naam 1] heeft, naast de eerder genoemde uitdraaien van Whatsapp- en Signalgesprekken, bankafschriften waarop overboekingen van hem aan [verweerder] staan vermeld over de periode juni 2025 tot januari 2026 aan Kwadrant gestuurd.\n\n2.35.. Op 23 april 2026 is een document aangemaakt waarvan in de broninformatie [verweerder] als auteur en als degene die het document het laatst heeft gewijzigd wordt vermeld. In het document, met als titel ‘Betalingsverklaring’ (hierna: de betalingsverklaring) staat vermeld dat [verweerder] zich verplicht om 70% van het totaal verschuldigde bedrag van € 106.451,11 in termijnen te betalen op voorwaarde dat zijn naam niet zal worden genoemd in ieder geval tot de datum van de rechtszitting op 22 mei 2026.\n\n2.36.. Per e-mail van 28 april 2026 van de gemachtigde van Kwadrant aan de gemachtigde van [verweerder] wordt [verweerder] naar aanleiding van het dringend advies van de bedrijfsarts om met elkaar in gesprek te gaan, uitgenodigd voor een viergesprek tussen een afgevaardigde van Kwadrant en [verweerder] en hun beider gemachtigden, met inachtneming van de belemmeringen die de bedrijfsarts kenbaar heeft gemaakt. De uitnodiging is vervolgens namens [verweerder] afgewezen.\n\n2.37.. Op 12 mei 2026 heeft Kwadrant, na daartoe op dezelfde datum verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, conservatoir derdenbeslag doen leggen onder een viertal bankrekeningen van [verweerder] (ING en ABN AMRO). De vordering waarvoor het beslag is verleend is daarbij bepaald op € 152.745,93.\n\n2.38.. Op 13 mei 2026 heeft [bedrijfsrecherche] gesproken met [naam 1] . In het naar aanleiding daarvan door [naam 1] ondertekende gespreksverslag is, voor zover van belang, vermeld dat [naam 1] heeft verklaard dat hij [verweerder] via [naam 3] heeft leren kennen en dat [verweerder] degene was die het account beheerde van [mailadres 1] van waaruit de facturen naar Kwadrant werden verstuurd, terwijl [naam 1] zelf nooit toegang heeft gehad tot dit account. Ook heeft [naam 1] verklaard de facturen niet zelf te hebben opgesteld en pas van [verweerder] via de Signalchat te hebben ontvangen nadat de bank begin februari 2026 contact opnam. Op de vraag hoe het contact met [verweerder] is verlopen heeft [naam 1] het volgende verklaard:\n\n(…) Hij heeft mij uitgelegd wat voor constructie hij had bedacht en of ik mijn gegevens wilde delen, zodat hij mijn bedrijfsgegevens kon gebruiken. Hij vertelde wanneer er een betaling zou worden gedaan. De afspraak was dat ik 30% mocht houden en de overige 70% moest ik doorsturen naar zijn rekeningnummer.\n\n(…)\n\nIk heb na berichtgeving van de advocaat van Kwadrant [verweerder] benadert om voor te stellen alles gezamenlijk terug te betalen. [verweerder] wilde daar niet aan meewerken. Hij gaf aan dat hij twijfelde of hij terug wilde betalen. Op enig moment heeft hij gezegd dat hij wel akkoord wilde gaan met alles terugbetalen als ik beloofde zijn naam niet te noemen. Hij heeft een document opgesteld waarin hij belooft mij het volledige bedrag over te maken in ruil voordat ik zijn naam niet noem. Ik toon u dat document. Dat heeft hij opgemaakt en ondertekend op 23 april. Daarna heb ik niets meer van hem gehoord.\n\n(…)\n\n2.39.. Op 18 mei 2026 heeft [naam 1] de betalingsverklaring en het door hem geaccordeerde en ondertekende verslag van het gesprek van 13 mei 2026 aan [bedrijfsrecherche] gestuurd.\n\n2.40.. Kwadrant heeft aangifte bij de politie gedaan tegen [verweerder] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n\nKwadrant verzoekt – na wijziging van verzoek - de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad:\n\nI. de arbeidsovereenkomst tussen partijen met onmiddellijke ingang te ontbinden, althans op zo kort mogelijk termijn, althans met ingang van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen tijdstip op een redelijke grond in de zin van de wet, zonder toekenning van transitievergoeding;\n\nII. [verweerder] te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 102.800,80 aan Kwadrant, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de betaling van de bedragen, althans vanaf de dag van indienen van het verzoekschrift, tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nIII. [verweerder] te veroordelen tot het betalen van de schade welke Kwadrant lijdt door het instellen van onderzoek, waaronder de facturen van [bedrijfsrecherche] ad € 18.696,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid, althans vanaf een door de kantonrechter te bepalen datum, alsmede de kosten van de accountant, nader op te maken bij staat, met een verwijzing naar de schadestaatprocedure;\n\nIV. met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van Kwadrant en de kosten van het leggen van beslag.\n\n3.2.. Kwadrant heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verweerder] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van Kwadrant in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [verweerder] is de initiator van een constructie waarbij hij zichzelf financieel heeft verrijkt ten koste van Kwadrant. Op zeer geraffineerde wijze heeft [verweerder] ervoor gezorgd dat Kwadrant voor in totaal € 121.797,80 aan onterechte facturen heeft voldaan. Door dit frauduleuze handelen van [verweerder] is er sprake van zeer ernstige integriteitsschendingen. Dit is volgens Kwadrant ernstig verwijtbaar zodat er moet worden ontbonden op de kortst mogelijke termijn zonder toekenning van de transitievergoeding. Daarbij heeft Kwadrant door het onrechtmatig handelen schade geleden en heeft zij kosten moeten maken om de aansprakelijkheid van [verweerder] vast te stellen, waardoor zij recht heeft op schadevergoeding, aldus Kwadrant.\n\n4. Het verweer en de tegenverzoeken\n\n4.1.. \n [verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert daartoe - samengevat – het volgende aan. Het opzegverbod tijdens ziekte staat aan het ontbindingsverzoek in de weg. Verder wordt betwist dat [verweerder] valse facturen zou hebben gestuurd en \u002Fof enige betrokkenheid zou hebben gehad bij de verzending van valse facturen. Ook wordt betwijfeld of er wel sprake is van spookfacturen, omdat Kwadrant geen beleid heeft bij het uitbesteden van opdrachten en iedereen binnen de organisatie maar wat doet. Er is dan ook geen sprake van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] en het verzoek tot schadevergoeding van Kwadrant moet worden afgewezen. Overigens kan het verzoek sowieso niet als nevenverzoek worden behandeld, gezien de complexiteit ervan, aldus [verweerder] .\n\n4.2.. \n [verweerder] heeft een voorlopige voorziening ingediend tot – samengevat - betaling van het salaris vanaf 19 februari 2026 en wedertewerkstelling bij herstel, op straffe van een dwangsom. Ook heeft [verweerder] een zelfstandig tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt – samengevat - veroordeling van Kwadrant tot betaling van het loon vanaf 19 februari 2026 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, alsmede wedertewerkstelling zodra hij voldoende hersteld is onder verbeurte van een dwangsom.\n\n4.3.. Voor zover er toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] – samengevat - om toekenning van een billijke vergoeding van € 50.000,00 en betaling van de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens verzoekt [verweerder] veroordeling van Kwadrant tot betaling van zijn salaris en de volledig eindafrekening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.\n\n5. De beoordeling van het verzoek\n\n5.1.. Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft mr. Bauer namen [verweerder] bezwaar gemaakt tegen het late tijdstip van indiening door Kwadrant van de akte met producties 39 tot en met 42. De kantonrechter zal het namens [verweerder] ingediende bezwaar passeren. De goede procesorde staat niet aan toelating in de weg. Daarbij wordt in aanmerking genomen de – niet weersproken - toelichting van Kwadrant inhoudende dat de stukken niet eerder door haar konden worden ingediend en ook deels bekend waren. Dat [verweerder] niet voldoende gelegenheid heeft gehad om te kunnen reageren op de stukken is niet gebleken. De stukken worden daarmee geacht deel uit te maken van het procesdossier.\n\n5.2.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.\n\n5.3.. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.Verder mag er geen opzegverbod in de weg staan aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst.\n\nhet opzegverbod tijdens ziekte staat niet in de weg aan ontbinding\n\n5.4.. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerder] sinds 5 februari 2026 wegens ziekte ongeschikt is voor zijn werk. Dit opzegverbod staat echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Het verzoek om ontbinding is gegrond op verwijtbaar gedrag (frauduleus handelen en het frustreren van het onderzoek) en dat staat in dit geval los van de ziekte van [verweerder] .\n\ner is een redelijke grond voor ontbinding\n\n5.5.. De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding, omdat sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] dat van Kwadrant in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat wordt als volgt toegelicht.\n\n5.6.. Kwadrant legt aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen door [verweerder] doordat hij de initiator is geweest van een constructie waarbij derden, namelijk [naam 1] en [bedrijf 1] , facturen bij Kwadrant indienden voor niet verrichte werkzaamheden en waarbij hij zelf een substantieel deel van de opbrengsten ontving. [verweerder] heeft gebruikmakend van zijn kennis van de organisatie en van het betaalproces gefraudeerd en daarbij gelden onttrokken aan Kwadrant voor een bedrag van € 121.97,80.\n\n5.7.. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft Kwadrant zich onder meer gebaseerd op het onderzoek van [bedrijfsrecherche] . Hieruit is volgens Kwadrant gebleken dat [verweerder] instructies heeft gegeven aan [bedrijf 1] ( [naam 3] ) en [naam 1] over het indienen van facturen bij Kwadrant. Ook is uit het onderzoek gebleken dat in de mailbox van [verweerder] concepten en e-mails zijn aangetroffen die rechtstreeks aansloten bij de ingediende facturen terwijl er geen aanwijzingen waren dat er daadwerkelijk werkzaamheden door [naam 1] en [bedrijf 1] waren verricht voor Kwadrant. Het enkele verweer dat [verweerder] hier tegenover stelt, namelijk dat iedereen in zijn computer kon en e-mails kon opstellen en versturen, dat gemotiveerd is weersproken door Kwadrant - onder meer met het argument van het clean desk\u002Fclear screen-beleid - wordt in dit verband onvoldoende geacht. Het had op de weg van [verweerder] gelegen zijn verweer nader te specificeren, bijvoorbeeld door onderbouwd aan te geven wie dit dan gedaan zou (kunnen) hebben, op welke wijze en met welke reden, hetgeen [verweerder] niet heeft gedaan. De kantonrechter acht de conclusie van [bedrijfsrecherche] dat [verweerder] zijn kennis van de organisatie heeft gebruikt om op onrechtmatige wijze geld van zijn werkgever te onttrekken dan ook gerechtvaardigd.\n\n5.8.. Kwadrant heeft haar stelling dat [verweerder] bovendien als spin in het web van de door [bedrijfsrecherche] geconstateerde fraude moet worden beschouwd, onderbouwd met de via [naam 1] in het geding gebrachte Whatsapp- en Signalcorrespondentie, en zijn bankafschriften. Volgens Kwadrant blijkt uit de inhoud van die overgelegde correspondentie en bankafschriften dat [verweerder] en [naam 1] elkaar kennen, dat [verweerder] het initiatief heeft genomen tot de facturatie, dat [verweerder] facturen heeft opgesteld of laten opstellen, dat hij de betaling binnen Kwadrant heeft gevolgd en dat [naam 1] vervolgens 70% van de ontvangen bedragen aan [verweerder] heeft doorbetaald. [verweerder] betwist dat hij [naam 1] kent en dat hij heeft deelgenomen aan de in het geding gebrachte Whatsapp- en Signalcorrespondentie. Volgens [verweerder] is de correspondentie gefabriceerd en niet van hem afkomstig.\n\n5.9.. De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat er in de periode juni 2025 tot en met januari 2026 facturen zijn ingediend door [naam 1] en [bedrijf 1] . Ook staat vast dat het bedrag ad € 18.997,00 dat Kwadrant aan [bedrijf 1] heeft betaald, inmiddels volledig is terugbetaald door [bedrijf 1] aan Kwadrant. Het verweer van [verweerder] dat [bedrijf 1] in opdracht van [verweerder] (naar genoegen) werkzaamheden zou hebben verricht zonder dat [verweerder] betrokken was bij de facturering hiervan faalt. Nog daargelaten dat uit het onderzoek van [bedrijfsrecherche] reeds is gebleken dat [verweerder] wel degelijk betrokken was bij de (instructies over de) facturering, wordt zijn stelling dat in opdracht werkzaamheden zijn verricht door [bedrijf 1] gelogenstraft door de terugbetaling van het gehele bedrag door [bedrijf 1] .\n\n5.10.. Wat [naam 1] betreft heeft Kwadrant onder overlegging van bankafschriften gesteld dat [naam 1] € 72.061,00 aan [verweerder] heeft overgemaakt, wat als zodanig ook niet wordt betwist door [verweerder] . De kantonrechter neemt daarom tot uitgangspunt dat [verweerder] in ieder geval € 72.061,00 heeft ontvangen. De verklaring ter zitting van [verweerder] dat het overboekingen waren vanwege privézaken acht de kantonrechter niet geloofwaardig, temeer nu [verweerder] anderzijds heeft betoogd dat hij [naam 1] niet kent. Beide stellingen vallen niet met elkaar te rijmen. Kwadrant heeft naast de betalingsverklaring en het daarbij behorende brondocument (zie r.o. 2.35) correspondentie in het geding gebracht waarin onder meer in detail wordt gesproken over (de wijze, het aanmaken, en de aankondiging van) de facturering, waarin betaalverzoeken worden gedaan, de 70\u002F30 verdeling van gelden wordt besproken en instructies worden gegeven over wat [naam 1] wel en niet moet zeggen als de bank vragen stelt. [verweerder] heeft hier tegenover enkel als algemeen verweer aangevoerd dat de betalingsverklaring en de correspondentie fake zijn en niet van hem afkomstig zijn. Dit verweer wordt onvoldoende geacht. Het had op de weg van [verweerder] gelegen om tegenover de concrete, specifieke feiten en omstandigheden die Kwadrant ter onderbouwing van haar stellingen naar voren heeft gebracht, ook met een gemotiveerd en specifiek verweer te komen. Het algemene, niet nader onderbouwde verweer van [verweerder] volstaat in dat verband niet.\n\ner is sprake van ernstige verwijtbaarheid\n\n5.11.. De conclusie van de kantonrechter is dat Kwadrant voldoende heeft gesteld dat [verweerder] als spin in het web van frauduleuze handelingen, in de vorm van spookfacturen, ten nadele van Kwadrant heeft gefungeerd en daarmee een aanzienlijk bedrag aan zorggeld heeft onttrokken. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn deze gedragingen van [verweerder] zodanig verwijtbaar dat van Kwadrant in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het is – zoals zij heeft aangevoerd - voor Kwadrant, die werkt met publieke middelen, van groot belang dat zij kan vertrouwen op de integriteit van haar medewerkers en dat geldt zeker voor een [functie] die toegang heeft tot systemen, processen en informatie. Van een [functie] mag volstrekt integer handelen worden verwacht en naar het oordeel van de kantonrechter moet [verweerder] zich ook bewust zijn geweest van het onoirbare karakter van zijn gedragingen en de integriteitsschending die hij hiermee heeft gepleegd. De kantonrechter kwalificeert het handelen van [verweerder] dan ook niet slechts als verwijtbaar maar tevens als ernstig verwijtbaar.\n\ngeen herplaatsing en ontbindingsdatum per heden\n\n5.12.. Omdat de kantonrechter het handelen van [verweerder] als ernstig verwijtbaar kwalificeert ligt herplaatsing niet in de rede. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 24 juni 2026, de datum van deze beschikking.Dat is conform het verzoek van Kwadrant op een eerdere datum dan die waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd.\n\ngeen transitievergoeding en geen billijke vergoeding\n\n5.13.. Omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] is op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW geen transitievergoeding verschuldigd. Nu [verweerder] geen aanspraak heeft op een transitievergoeding, wordt zijn (voorwaardelijk) tegenverzoek op dit punt afgewezen.\n\n5.14.. Voor toekenning van een billijke vergoeding aan [verweerder] bestaat evenmin grond. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.Daarvan is in dit geval geen sprake, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbare gedragingen van [verweerder] . Hetgeen [verweerder] heeft aangevoerd over onterechte beschuldigingen aan zijn adres met als gevolg reputatieschade en stress, alsmede de verwijten die Kwadrant worden gemaakt ten aanzien van werkdruk en werkomstandigheden die tot arbeidsongeschiktheid van [verweerder] zouden hebben geleid – hetgeen door Kwadrant wordt weersproken - kunnen [verweerder] dan ook, wat daar ook van zij, niet baten.\n\n5.15.. Kwadrant hoeft geen gelegenheid te krijgen het ontbindingsverzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.\n\nKwadrant heeft schade geleden\n\n5.16.. Kwadrant heeft aan haar verzoek tot schadevergoeding het volgende ten grondslag gelegd. Door de bedrijfsfraude is € 121.797,80 aan Kwadrant onttrokken. Hiervan is later € 18.997,00 door [bedrijf 1] terugbetaald. Het resterende bedrag van € 102.800,80 dat ziet op de onterecht door Kwadrant betaalde facturen van [naam 1] dient voor rekening van [verweerder] te komen, die aansprakelijk is vanwege zijn onrechtmatige en ernstig verwijtbare handelen alsmede op grond van artikel 7:661 BW, nu er sprake is van opzettelijk handelen door [verweerder] . Ter onderbouwing van de gestelde schade van € 102.800,80 heeft Kwadrant de aan haar gerichte facturen van [bedrijf 1] en [naam 1] in het geding gebracht. Tevens vordert Kwadrant op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW de kosten van het onderzoek naar bedrijfsfraude van [bedrijfsrecherche] (ad € 18.696,07) en de accountant (nader op te maken bij staat) die zij heeft moeten maken.\n\n5.17.. \n [verweerder] heeft de verschuldigdheid van enige schadevergoeding betwist, primair omdat volgens hem de grondslag voor aansprakelijkheid ontbreekt, subsidiair omdat de schadevordering te complex zou zijn om als nevenverzoek te kunnen worden behandeld in de onderhavige procedure.\n\n5.18.. Naar het oordeel van de kantonrechter kwalificeert het handelen van [verweerder] niet alleen als ernstig verwijtbaar maar tevens als onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. Daarmee is de grondslag voor de aansprakelijkheid van [verweerder] voor de door zijn handelen veroorzaakte schade al gegeven en faalt zijn verweer op dit punt. Nu de schade verband houdt met de (beëindiging van de) arbeidsovereenkomst en met het handelen van [verweerder] als werknemer kan de verzochte schadevergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 7:686a lid 3 BW als nevenverzoek worden behandeld.\n\n5.19.. Ten aanzien van de omvang van de schade wordt overwogen dat voldoende onderbouwd gesteld en niet (voldoende) weersproken is dat Kwadrant (ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [verweerder] ) ten onrechte een bedrag van € 102.800,80 aan [naam 1] heeft voldaan, zodat vaststaat dat dit bedrag onttrokken is aan Kwadrant.\n\n5.20.. \n [verweerder] heeft ter zitting de omvang van de schade waarvoor hij aansprakelijk kan worden gehouden betwist met het argument dat er op grond van de stukken onvoldoende bewijs is dat hij dermate grote bedragen heeft ontvangen. Dit verweer faalt. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld kan ervan worden uitgegaan dat een bedrag van in ieder geval € 72.061,00 van [naam 1] naar [verweerder] is overgemaakt. Maar, ongeacht of het resterende ontbrekende bedrag nog in bezit is van [naam 1] of iemand anders, acht de kantonrechter dat, gelet op alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en verband bezien, voldoende aannemelijk is geworden dat [verweerder] een allesbepalende, coördinerende en prominente rol in de gehele constructie van de spookfacturen heeft gespeeld. Dit kan genoegzaam worden afgeleid uit onder meer de in het geding gebrachte WhatsApp- en Signalcorrespondentie. Daarmee is [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter aansprakelijk voor de totale schade die Kwadrant heeft geleden door het ten onrechte betalen van de facturen aan [naam 1] . De vordering onder II. zal dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke betaaldata door Kwadrant van de onderliggende facturen.\n\n5.21.. Kwadrant heeft verder nog om vergoeding van kosten verzocht voor het onderzoek van [bedrijfsrecherche] als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Kwadrant heeft haar schade onderbouwd met in het geding gebrachte facturen van [bedrijfsrecherche] . [verweerder] heeft de (omvang van de) schade niet weersproken en ook anderszins is niet gebleken dat deze niet redelijk is. De onder III. verzochte schadevergoeding zal daarom als onweersproken worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke data van verschuldigdheid van de facturen van [bedrijfsrecherche] . Nu de grondslag voor de aansprakelijkheid van [verweerder] vast staat en aannemelijk is dat er (een mogelijkheid voor) schade is in verband met het boekenonderzoek door de accountant, zal de onweersproken verzochte verwijzing naar de schadestaatprocedure in verband met accountantskosten eveneens worden toegewezen.\n\nproceskosten\n\n5.22.. De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt en er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van Kwadrant worden begroot op € 2.513,00 (€ 1.504,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\nbeslagkosten\n\nKwadrant verzoekt [verweerder] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 873,04 voor kosten deurwaardersexploten en € 577,00 voor salaris gemachtigde (1,0 punt × € 577,00), totaal € 1.450,04.\n\n6. De beoordeling van het tegenverzoek\n\ngeen wedertewerkstelling\n\n6.1.. Het oordeel dat de arbeidsovereenkomst met [verweerder] zal eindigen per heden, betekent dat het verzoek tot wedertewerkstelling en de daaraan gekoppelde dwangsom niet voor toewijzing in aanmerking komen.\n\nloonbetaling\n\n6.2.. \n [verweerder] heeft verzocht om zijn salaris vanaf 19 februari 2026 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd te betalen. [verweerder] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de loonstop die Kwadrant per die datum heeft ingevoerd onterecht was. [verweerder] heeft volgens hem meegewerkt aan alles wat er gevraagd werd, alleen niet op de manier die Kwadrant voor ogen stond. [verweerder] heeft gereageerd op de verzoeken van zijn werkgever en van de bedrijfsarts en ook aangegeven dat hij mediation wilde. Kwadrant wilde echter openheid over de kwestie rond de facturen en de afspraken die zij wilde maken waren daarop gericht en niet op zijn re-integratie, aldus [verweerder] .\n\n6.3.. Kwadrant betwist dat zij nog loon is verschuldigd aan [verweerder] en heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. De bedrijfsarts heeft op 19 februari 2026 geoordeeld dat een gesprek tussen [verweerder] en de werkgever mogelijk was onder voorwaarden. Kwadrant heeft die voorwaarden gerespecteerd en zij heeft expliciet bij de bedrijfsarts gevraagd of [verweerder] tot een gesprek in staat was. Vanwege het weigeren te voldoen aan deze redelijke instructie van Kwadrant, namelijk het in gesprek gaan over de facturen, dat conform het advies van de bedrijfsarts kon worden verlangd van [verweerder] , is het loon – na opschorting – terecht stopgezet, aldus Kwadrant.\n\n6.4.. De kantonrechter is van oordeel dat Kwadrant het loon van [verweerder] ten onrechte heeft stopgezet. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:629 BW heeft een werknemer tijdens ziekte in beginsel aanspraak op doorbetaling van loon. Enkel onder bepaalde, strikte voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. Aan deze voorwaarden is naar het oordeel van de kantonrechter hier niet voldaan. Als volgt wordt overwogen.\n\n6.5.. Volgens Kwadrant heeft [verweerder] geweigerd mee te werken aan een redelijke werkinstructie van zijn werkgever, waardoor hij geen aanspraak heeft op loon. Dit is echter onvoldoende voor stopzetting van het loon, nu niet gebleken is dat de instructie in kwestie gericht was op de re-integratie van [verweerder] . [verweerder] heeft in dit verband gesteld dat de aan hem gerichte verzoeken van Kwadrant enkel bedoeld waren om het gesprek aan te gaan over de facturenkwestie met [bedrijfsrecherche] . Deze stelling vindt steun in de feiten en wordt ook niet (voldoende) betwist door Kwadrant. De enkele stelling ter zitting dat redelijke instructies en noodzakelijke communicatie niet alleen voor het onderzoek maar ook in het kader van de re-integratie van [verweerder] bedoeld waren, wordt niet gehonoreerd. Daartoe wordt van belang geacht dat in de in het geding gebrachte correspondentie steevast naar voren komt dat Kwadrant [verweerder] wilde (laten) horen in het kader van het onderzoek naar de facturen. De bedrijfsarts staat, zoals Kwadrant zelf ook ter zitting heeft aangevoerd, buiten het geschil en oordeelt uitsluitend over de belastbaarheid en gespreksmogelijkheid. Uitgangspunt is de re-integratie van de werknemer en niet het verkrijgen van informatie in verband met een fraudeonderzoek. Dit blijkt ook wel uit de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 19 februari 2026 waarin geadviseerd wordt om ‘probleem oplossend’ met elkaar in gesprek te gaan (zie r.o.2.21). De weigering van [verweerder] om mee te werken aan de ondervraging door [bedrijfsrecherche] en het afhouden van de door Kwadrant voorgestelde gesprekken die enkel gericht waren op het fraude-onderzoek, kan [verweerder] weliswaar worden verweten maar rechtvaardigt niet de stopzetting van het loon van [verweerder] tijdens ziekte.\n\n6.6.. Het voorgaande betekent dat het verzoek tot loonbetaling van [verweerder] over de periode van 19 februari 2026 tot aan de datum van beëindiging van de arbeidsrelatie, 24 juni 2026, zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval, met name de ernstige verwijtbaarheid aan het adres van [verweerder] , aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf het moment van opeisbaarheid van het loon.\n\n6.7.. De proceskosten in het tegenverzoek komen voor rekening van Kwadrant, omdat zij overwegend ongelijk krijgt. Gelet op de samenhang met het verzoek en omdat ten behoeve van het tegenverzoek geen zelfstandige proceshandelingen zijn verricht, worden de proceskosten aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op nihil.\n\nVoorlopige voorziening\n\n6.8.. Nu uitspraak is gedaan in het tegenverzoek wordt niet toegekomen aan de behandeling van de verzochte voorlopige voorzieningen.\n\n7. De verdere beoordeling in het verzoek en het tegenverzoek\n\nVerrekening\n\n7.1.. Kwadrant beroept zich op verrekening. Op grond van artikel 6:127 lid 2 BW heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van betaling van de vordering. Gelet op hetgeen hiervoor over het verzoek is overwogen en geoordeeld, heeft Kwadrant recht op betaling van schadevergoeding van in ieder geval € 121.496,87 en heeft zij aldus een vordering op [verweerder] . De vordering van achterstallig loon die [verweerder] op Kwadrant heeft is lager. Het verzoek van Kwadrant om toe te staan dat hetgeen zij nog aan [verweerder] verschuldigd is wordt verrekend met haar opeisbare vordering, wordt dan ook toegestaan.\n\n8. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin de zaak van het verzoek\n\n8.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 24 juni 2026;\n\n8.2.. bepaalt dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding;\n\n8.3.. veroordeelt [verweerder] tot betaling van € 121.496,87 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 102.800,80 vanaf de respectievelijke betaaldata van de onderliggende facturen en over € 18.696,07 vanaf de dag der verschuldigdheid van de onderliggende facturen van [bedrijfsrecherche] ;\n\n8.4.. veroordeelt [verweerder] tot betaling aan Kwadrant van de accountantskosten gemaakt in het kader van het fraudeonderzoek naar de facturen van [bedrijf 1] en [naam 1] , nader op te maken bij staat;\n\n8.5.. veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 2.513,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n8.6.. veroordeelt [verweerder] in de beslagkosten van € 1.450,04;\n\n8.7.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n8.8.. wijst het meer of anders verzochte af;\n\nIn de zaak van het tegenverzoek\n\n8.9.. veroordeelt Kwadrant om een [verweerder] te betalen het salaris vanaf 19 februari 2026 tot 24 juni 2026 van € 5.787,48 bruto per maand, alsmede het vakantiegeld en overige emolumenten over deze periode, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de loonbetalingen tot aan de dag van volledige betaling;\n\n8.10.. veroordeelt Kwadrant in de proceskosten, tot op heden vastgesteld op nihil;\n\n8.11.. wijst het meer of anders verzochte af;\n\nEn voorts in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek\n\n8.12.. bepaalt dat Kwadrant het op grond van r.o. 8.9 verschuldigde bedrag mag verrekenen met het op grond van r.o. 8.3 van [verweerder] te ontvangen bedrag.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. T.K. Hoogslag en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n426.\n\n Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 2 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder b, BW\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2457","2026-07-13T00:29:06.676Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":44,"courtId":68,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":52,"updatedAt":105},"1095","ECLI:NL:RBOVE:2026:3652","ecli-nl-rbove-2026-3652","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12208841 \\ EJ VERZ 26-144\n\nBeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\ngemachtigde: mr. M.J.J. van Geel,\n\ntegen\n\nde stichting HET STEDELIJK LYCEUM ENSCHEDE,\n\ngevestigd te Enschede,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Het Stedelijk,\n\ngemachtigde: mr. H. Eillert.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. In deze zaak verzoekt [verzoekster] om toekenning van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding na een ontslag op staande voet door Het Stedelijk. De kantonrechter wijst de verzoeken van [verzoekster] toe, omdat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 13,\n\n- het verweerschrift met producties 1 tot en met 12,\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van [verzoekster] ,\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van Het Stedelijk,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [verzoekster] , geboren [geboortedatum] 1997, is sinds 1 augustus 2024 voor bepaalde tijd in dienst bij Het Stedelijk. De functie van [verzoekster] is docent LB binnen de Internationale Schakelklas (ISK) met een loon van € 2.407,23 bruto per maand exclusief emolumenten bij een arbeidsomvang van 0,6 fte.\n\n3.2.. \n [verzoekster] volgde naast haar werk een deeltijdopleiding (0,2 fte) tot docent Nederlands aan het [universiteit] in [plaats 1] . Omstreeks juni 2025 zijn de werkdagen van [verzoekster] gewijzigd, omdat zij ten behoeve van haar opleiding in de periode van 7 oktober 2025 tot 31 januari 2026 stage ging lopen bij het [instelling] , locatie [plaats 2] .\n\n3.3.. Met ingang van 8 oktober 2025 heeft [verzoekster] zich arbeidsongeschikt gemeld voor haar werkzaamheden bij Het Stedelijk.\n\n3.4.. In de probleemanalyse van 11 november 2025 heeft de Arbo Unie – kort gezegd – geoordeeld dat er geen sprake is van benutbare mogelijkheden. De probleemanalyse is opgesteld door dhr. J. Hesselink, verpleegkundige (hierna te noemen: Hesselink) en beoordeeld door mw. A.C. Franke, arts in opleiding tot bedrijfsgeneeskundige. Als eindverantwoordelijke bedrijfsarts is mw. [naam 1] genoteerd.\n\n3.5.. Uit de daarna opgestelde consultrapportages van 24 en 28 november 2025 van Hesselink blijkt dat er nog geen sprake is van benutbare mogelijkheden. In de consultrapportages van 19 januari en 3 februari 2026 is de bedrijfsarts dhr. [naam 2] tot hetzelfde oordeel gekomen. In het verslag van 3 februari 2026 is opgenomen dat ook kort sociaal contact (zoals koffiemomentjes) als te belastend worden geacht.\n\n3.6.. Op 1 december 2025 vindt een e-mailwisseling plaats tussen Hesselink en [teamleider] . Op de vraag van [teamleider] of de constatering dat geen arbeidsmogelijkheden worden gezien ook betekent dat [verzoekster] de studie on hold heeft gezet, antwoordt Hesselink dat hij daar in alle gesprekken naar heeft gevraagd en dat [verzoekster] doet voorkomen dat ze zowel haar studie als stage helemaal on hold heeft gezet, maar dat hij dat natuurlijk niet kan controleren.\n\n3.7.. Op 13 januari, 27 januari en 22 februari 2026 heeft [verzoekster] , na verwijzing door Hesselink, gesprekken gehad bij Het Roessingh. Uit de rapportage van 19 februari 2026blijkt – kort gezegd – wat de klachten van [verzoekster] zijn. Wat betreft de stage staat in het rapport het volgende vermeld:\n\n“(…) Client heeft in de periode tussen oktober 2025 en december 2025 nog wel 2 stage uren per week gedaan. Deze stage loopt zij voor haar deeltijdopleiding op een reguliere middelbare school op 5 minuten afstand van haar huis. Hier werkt ze niet in volle verantwoordelijkheid. Er ontstond een discussie met haar werkgever, waarom ze dezelfde werkzaamheden wel bij stage kon doen, maar niet op haar werk, terwijl cliënt dit juist verklaart doordat het andere werkzaamheden zijn. Inmiddels is ze hier ook mee gestopt.”\n\n3.8.. Op 16 februari 2026 heeft mevrouw [HR-adviseur] , HR-adviseur, (hierna te noemen: [HR-adviseur] ) bij het [instelling] gevraagd of [verzoekster] zich tijdens haar stage (tot en met 31 januari 2026) heeft ziekgemeld. Vanuit het [instelling] is daarop op 16 februari 2026 geantwoord dat er geen ziekmelding is geweest.\n\n3.9.. Op 19 februari 2026 heeft Het Stedelijk de volgende brief naar [verzoekster] gestuurd:\n\n“(…) Onlangs hebben wij echter vernomen dat u van 25 augustus 2025 tot en met 31 januari 2026 bij het [instelling] te [plaats 2] stage heeft gelopen en daarbij lessen heeft verzorgd. U heeft ons noch de bedrijfsarts hierover geïnformeerd, terwijl wij u hier meerdere keren over hebben bevraagd. Dit staat dus haaks op de informatie die u eerder heeft verstrekt aan de bedrijfsarts. Met de verrichte werkzaamheden in het [instelling] staat vast dat u wel degelijk in staat bent tot het verrichten van (uw eigen) werkzaamheden bij het Stedelijk. U was verplicht ons te informeren over deze activiteiten en u heeft de bedrijfsarts onjuiste informatie verstrekt.\n\nGelet op al het voorgaande heeft u geen recht op loon over in ieder geval de periode 25 augustus 2025 tot en met 31 januari 2026. Het onverschuldigd betaalde loon zal op u worden verhaald dan wel met uw salaris worden verrekend. Tevens overwegen wij aanvullende maatregelen, waarbij ontslag niet wordt uitgesloten.\n\nAlvorens hiertoe over te gaan stellen wij u in de gelegenheid u te horen. Hierbij nodig ik u uit voor een hoorgesprek op2 maart 2026 om 10.00 uur (…)”\n\n3.10.. Op 2 maart 2026 heeft er een hoorgesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] , vergezeld door haar echtgenoot, [HR-adviseur] en [manager HR] (manager HR). In het hiervan opgemaakte verslag is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…) Zij (= [verzoekster] , toevoeging ktr.) stelt dat de in de brief genoemde stageperiode (…) niet correct is en dat de stage van kortere duur is geweest (…). Zij geeft aan dat ze meerdere malen haar stage heeft gemeld aan de bedrijfsarts, de verpleegkundige en aan [teamleider] (teamleider) en mevrouw [HR-adviseur] .\n\nDaarnaast geeft mevrouw [verzoekster] aan dat zij met Jeroen Hesselink, de verpleegkundige van de arbodienst, overleg heeft gevoerd over haar stageactiviteiten, en ook de bedrijfsarts op de hoogte heeft gesteld van haar stageactiviteiten.. Volgens haar vormde dit geen belemmering voor haar re-integratie bij Het Stedelijk.\n\nMevrouw [verzoekster] geeft aan verbaasd te zijn over de informatie die bij de werkgever bekend is over haar stage.\n\nVanaf het moment dat zij een afspraak met mevrouw [teamleider] heeft geannuleerd, heeft zij geen contact meer opgenomen met haar leidinggevende, ook niet om afspraken af te zeggen.\n\nMevrouw [HR-adviseur] licht kort de inhoud van de Wet verbetering poortwachter toe (…)”.\n\n3.11.. Op 2 maart 2026heeft Hesselink op de vraag van [HR-adviseur] om schriftelijk te reageren op ‘het stageverhaal’ van [verzoekster] zoals opgenomen in het gespreksverslag van 2 maart 2026 als volgt gereageerd:\n\n“Het is niet aan mij of de bedrijfsarts om inhoudelijk op de brief te reageren. Wat van belang is dat er door ons in diverse rapportages is aangegeven dat ze niet in staat is om te werken op basis van de klachten die ze aangeeft maar dat dit er blijkbaar niet van heeft weerhouden om wel elders te werken (stage adres). Daar moeten jullie het met haar over hebben.\n\nIk heb haar in het begin van het traject meegedeeld dat ik het raar vindt dat ze wel naar stage zou kunnen en niet zou kunnen werken. Als het een kan dan kan het ander ook.”\n\n3.12.. Op 4 maart 2026 is [verzoekster] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief is het volgende aan het ontslag ten grondslag gelegd:\n\n“Dit betekent dat uw dienstverband op en ingaande 5 maart 2026 met onmiddellijke ingang is geëindigd op grond van een dringende reden, te weten het\n\ntijdens ziekte werkzaamheden bent gaan verrichten in het kader van uw stage, terwijl u naar eigen zeggen dan wel volgens de bedrijfsarts in deze periode niet in staat zou zijn om arbeid te verrichten;\n\nu uw werkgever niet heeft geïnformeerd over uw stage activiteiten tijdens ziekte;\n\nu de bedrijfsarts dan wel de verpleegkundige van de arbodienst niet heeft geconsulteerd over uw stage activiteiten tijdens ziekte;\n\nu na zijn geconfronteerd met het bovenstaande tijdens het gesprek op 2 maart 2026 heeft gelogen over het informeren van uw werkgever;\n\nu na te zijn geconfronteerd met het bovenstaande tijdens het gesprek op 2 maart 2026 heeft gelogen over het consulteren van de arbodienst.”\n\n4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter – na wijziging van eis – om een billijke vergoeding toe te kennen van € 28.000,00 bruto. Verder verzoekt [verzoekster] om Het Stedelijk te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Volgens [verzoekster] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat er geen sprake is van een dringende reden, het ontslag op staande voet niet proportioneel is en de dringende reden niet onverwijld is medegedeeld. Subsidiair, namelijk voor het geval er sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, verzoekt [verzoekster] om betaling van de transitievergoeding, omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen.\n\n4.2.. Het Stedelijk voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Het Stedelijk voert ‑ samengevat ‑ aan dat [verzoekster] heeft verzwegen en\u002Fof gelogen dat zij tijdens haar arbeidsongeschiktheid stage liep bij het [instelling] .\n\n5. De beoordeling\n\nDe dringende reden5.1.. Tussen partijen is in geschil of er sprake is van een dringende reden waardoor Het Stedelijk de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] met onmiddellijke ingang mocht opzeggen. Het Stedelijk heeft aan de dringende reden kort gezegd ten grondslag gelegd dat [verzoekster] tijdens haar arbeidsongeschiktheid heimelijk stage heeft gevolgd en zij hierover heeft gelogen tegen haar leidinggevende en de arbodienst.\n\n5.2.. \n [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij haar leidinggevende, [teamleider] , voorafgaand en tijdens haar ziekte heeft geïnformeerd over de stage en zij ook Het Roessingh en de bedrijfsarts heeft geïnformeerd. Van het schenden van haar informatieplicht of misleiding is daarom geen sprake. Bovendien was de stage ten tijde van het ontslag op staande voet al beëindigd.\n\n5.3.. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen op grond van een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Een ontslag op staande voet is een uiterst middel en is alleen gerechtvaardigd als van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet de aard en ernst van de door de werkgever aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.\n\n5.4.. Voor de beoordeling van de vraag of het door Het Stedelijk gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zijn de dringende redenen zoals vermeld in de ontslagbrief van 4 maart 2026 maatgevend. Het geschil wordt dan ook afgebakend door de daarin genoemde verwijten. Wat betreft de in deze brief genoemde verwijten overweegt de kantonrechter dat [verzoekster] onbetwist heeft gesteld dat zij de drie dagen waarop zij haar werkzaamheden verricht voor Het Stedelijk, in overleg met Het Stedelijk heeft gewijzigd zodat zij vanaf maandag 7 oktober 2025 stage kon gaan lopen bij het [instelling] . Dit betekent dat [verzoekster] niet tijdens haar ziekte stage is gaan lopen, maar op het moment van ziekmelding al begonnen was met de stage. De kantonrechter is verder van oordeel dat het niet aan Het Stedelijk is om zich een oordeel te vormen over de vraag of [verzoekster] al dan niet wel in staat is om stage te lopen terwijl zij zich heeft ziekgemeld voor haar werkzaamheden bij Het Stedelijk. Dit is bij uitstek een kwestie die beoordeeld dient te worden aan de bedrijfsarts en waarbij onderzocht zal dienen te worden wat de belasting is van de onderscheiden werkzaamheden\u002Factiviteiten in relatie tot de beperkingen van [verzoekster] .\n\n5.5.. In het derde aandachtpunt van de ontslagbrief heeft Het Stedelijk als verwijt opgenomen dat [verzoekster] de bedrijfsarts dan wel de verpleegkundige van de arbodienst niet heeft geconsulteerd over de stageactiviteiten tijdens de ziekte. Uit de gedingstukken kan niet worden opgemaakt wat wel of niet met de bedrijfsarts is besproken, daarover is namelijk niets vermeld. Uit de verklaring\u002Fe-mails van Hesselink blijkt ook niet dat [verzoekster] tegen hem heeft gelogen of verzwegen dat zij stage loopt. In die e-mails staat immers enkel dat [verzoekster] heeft doen voorkomen dat zij was gestopt met de stage en dat Hesselink haar in het begin van het traject heeft gezegd dat hij het raar vindt dat [verzoekster] stage zou kunnen lopen tijdens haar arbeidsongeschiktheid, maar niet dat [verzoekster] daadwerkelijk heeft gezegd dat zij is gestopt met haar stage. Bovendien blijkt uit het rapport van Het Roessingh dat [verzoekster] daar volledige openheid van zaken heeft gegeven over haar arbeidsongeschiktheid, werk, opleiding en stage en dat dit rapport met de bedrijfsarts\u002FHesselink is gedeeld. Daaruit blijkt dat [verzoekster] niet de intentie heeft gehad om hierover te liegen. Dit blijkt eveneens uit het gespreksverslag van het hoorgesprek, waarin is opgenomen dat [verzoekster] altijd in de veronderstelling verkeerde dat Het Stedelijk op de hoogte was van haar stage. Dat [verzoekster] op enig moment argwanend werd en hierdoor minder openhartig sprak over haar arbeidsongeschiktheid en stage, is gelet op de correspondentie van Het Stedelijk waarin zij direct dreigde met een loonsanctie niet onbegrijpelijk.\n\n5.6.. Of [verzoekster] ook daadwerkelijk heeft gelogen op 2 maart 2026 over het informeren van de werkgever zoals haar wordt verweten in de ontslagbrief onder het vierde aandachtsstreepje en waarover dan precies, is niet duidelijk geworden omdat het gespreksverslag van 2 maart 2026 in dat opzicht niet helder is. Als bedoeld is dat [verzoekster] in het gesprek van 2 maart 2026 heeft gelogen over het al dan niet voortzettenvan de stage na de ziekmelding bij [teamleider] en [HR-adviseur] dan bevreemdt het dat [verzoekster] hiermee niet is geconfronteerd door [HR-adviseur] aangezien zij ook deelnam aan het gesprek op 2 maart 2026.\n\n5.7.. Uit de verklaring van [teamleider] , neergelegd in de e-mail van 11 mei 2026 zou afgeleid kunnen worden dat [verzoekster] tegen haar gezegd zou hebben dat zij met de stage is gestopt vanwege arbeidsongeschiktheid, maar dat is naar de letter genomen niet aan het ontslag ten grondslag gelegd. Ook is die verklaring door [verzoekster] gemotiveerd betwist en door Het Stedelijk niet nader onderbouwd. Bovendien behoeft [verzoekster] als werkneemster geen openheid van zaken te geven over haar arbeidsongeschiktheid tegenover haar leidinggevende, zolang zij dit wel doet tegenover de bedrijfsarts.\n\n5.8.. Zelfs als zou komen vast te staan dat [verzoekster] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven aan [teamleider] over de voortzetting van de stage na 8 oktober 2025 is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van rechtsgeldig ontslag op staande voet. Hierbij is van belang dat een ontslag op staande voet een uiterste middel is en rekening gehouden dient te worden met onder meer de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] . [verzoekster] is sedert oktober 2025 arbeidsongeschikt en uit de rapportages van de bedrijfsarts van januari en februari 2026 blijkt dat van benutbare mogelijkheden geen sprake is. Ook uit de rapportage van Het Roessingh blijkt dit niet. Juist bij een zieke werknemer dient een ontslag op staande voet nog terughoudender te worden ingezet: deze is per direct van een inkomen verstoken en kan vanwege de arbeidsongeschiktheid ook geen vervangend inkomen verwerven.\n\n5.9.. Dat de handelwijze van [verzoekster] Het Stedelijk schade heeft berokkend doordat re-integratiemogelijkheden zijn gemist zoals bepleit door Het Stedelijk, is veel tekort door de bocht. Daar had dan eerst nader onderzoek naar moeten worden gedaan door de bedrijfsarts en bovendien is dat niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd. Ook is het dan maar de vraag of Het Stedelijk in dat geval voortvarend genoeg heeft gehandeld: als het voor Het Stedelijk zo belangrijk was, dan had zij na de e-mailwisseling van 1 december 2025 tussen [teamleider] en Hesselink nader onderzoek moeten instellen en dat niet pas medio februari 2026 moeten doen.\n\n5.10.. De conclusie van het voorgaande is dan ook dat van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet geen sprake is.\n\nGefixeerde schadevergoeding5.11.. De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt.[verzoekster] heeft ter zitting gesteld dat de opzegtermijn drie maanden beloopt en dat eerst tegen 1 juli 2026 had kunnen worden opgezegd. Het Stedelijk heeft dit niet betwist. De kantonrechter gaat daarom uit van deze opzegtermijn, waardoor de gefixeerde schadevergoeding gelijk is aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn van 4 maart 2026 tot en met 30 juni 2026, te weten € 9.318,31bruto, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten.\n\nBillijke vergoeding5.12.. Ook het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.\n\n5.13.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.\n\n5.14.. De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 3.000,00 bruto. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. [verzoekster] was ten tijde van het ontslag op staande voet circa anderhalf jaar in dienst. De arbeidsovereenkomst zou tot en met 31 juli 2026 hebben voortgeduurd, aangezien de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op dat moment zou aflopen en [verzoekster] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het dienstverband hierna zou zijn voortgezet, gelet op haar arbeidsongeschiktheid en de miscommunicaties tussen haar en haar leidinggevende. Ook wordt rekening gehouden met de hoogte van de hiervoor toegekende gefixeerde schadevergoeding.\n\n5.15.. Het Stedelijk zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van 3.000,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.\n\nTransitievergoeding5.16.. Het verzoek om Het Stedelijk te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is.Het Stedelijk wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 1.491,15 bedraagt. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 5 april 2026.\n\nVoorlopige voorziening5.17.. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoekster]. Ook heeft [verzoekster] haar verzoek gewijzigd en berust in het ontslag op staande voet zodat ook om die reden geen grond zou bestaan voor de gevraagde voorlopige voorziening.\n\nProceskosten5.18.. De proceskosten komen voor rekening van Het Stedelijk, omdat Het Stedelijk overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. veroordeelt Het Stedelijk om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 3.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.2.. veroordeelt Het Stedelijk om aan [verzoekster] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 9.318,31 bruto, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten,\n\n6.3.. veroordeelt Het Stedelijk om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van € 1.491,15 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.4.. veroordeelt Het Stedelijk in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Het Stedelijk niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.5.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.6.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n EA\n\n Met toestemming van [verzoekster] mocht de rapportage worden gedeeld met de verwijzer (bedrijfsarts) en de huisarts.\n\n Op 11 mei 2026 heeft Hesselink nogmaals dezelfde reactie gegeven aan [HR-adviseur] .\n\n Artikel 7:672 lid 11 BW.\n\n Restant maart (€ 2.407,23:31 x 27) + april, mei en juni (3 x € 2.407,23).\n\n Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.\n\nKamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).\n\n Artikel 7:673 lid 1 BW.\n\n Artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3652","2026-07-13T00:29:03.722Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":44,"courtId":110,"decisionDate":111,"fullText":112,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":52,"updatedAt":114},"1873","ECLI:NL:RBOVE:2026:3663","ecli-nl-rbove-2026-3663",57,"2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12206949 \\ EJ VERZ 26-130\n\nBeschikking van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [partij A],\n\ngemachtigde: mr. M.F. Riepma,\n\ntegen\n\nSTICHTING DEVENTER ZIEKENHUIS,\n\ngevestigd te Deventer,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Deventer Ziekenhuis,\n\ngemachtigde: mr. M.G.N. de Jonge.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1. In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag op staande voet (rechts)geldig is. Het tegenverzoek van werkgever tot betaling van de kosten voor het inschakelen van een deskundige wordt eveneens afgewezen, aangezien geen sprake is van redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid van werknemer.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 12,\n\n- het verweerschrift, met een zelfstandig tegenverzoek, met producties 1 tot en met 20,\n\n- de brief met aanvullende productie 13 van [partij A],\n\n- de brief met aanvullende productie 21 van Deventer Ziekenhuis\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van [partij A],\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van Deventer Ziekenhuis\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [partij A] is van 1 september 2018 tot en met 27 februari 2026 in dienst geweest bij Deventer Ziekenhuis. De functie van [partij A] was specialistisch verpleegkundige SEH (Spoedeisende hulp) met een loon van € 4.203,61 bruto per maand exclusief emolumenten. [partij A] had, naast zijn reguliere werkzaamheden, samen met één andere collega de taak om de medicijnkamer te ordenen en opgeruimd te houden.\n\n3.2. In week 3 van 2026 heeft een werknemer die werkzaam is op de afdeling SEH, bij de afdelingsmanager (dhr. [naam 1], hierna te noemen: [naam 1]) gemeld dat het geneesmiddel Midazolam neusspray (hierna te noemen: Midazolam) een niet te verklaren, hogere consumptie heeft dan de gebruikelijke hoeveelheid van één à twee flesjes per week.\n\n3.3. In de periode van 19 tot en met 26 januari 2026 hebben vier andere werknemers op eigen initiatief de voorraad Midazolam dagelijks gemonitord. Op 26 januari 2026 hebben deze vier werknemers hun bevindingen, namelijk dat de voorraad Midazolam zonder verklaring afneemt, bij [naam 1] gemeld.\n\n3.4. In de periode van 26 januari 2026 tot en met 2 februari 2026 heeft [naam 1] de voorraad Midazolam zelf gemonitord en geconcludeerd dat er flesjes Midazolam zijn weggenomen en dat [partij A] hiervoor verantwoordelijk is.\n\n3.5. Op 2 februari 2026 is [partij A] na een gesprek met [naam 1] en mw. [naam 2] (HR-adviseur) over de verdenkingen op non-actief gesteld.\n\n3.6. Op 3 februari 2026 heeft Deventer Ziekenhuis Bravo Recherche- en onderzoeksbureau (hierna te noemen: Bravo) opdracht gegeven om onderzoek te doen naar het verdwijnen van Midazolam. Op 25 februari 2026 is [partij A] door Bravo gehoord.\n\n3.7. \n\nOp 27 februari 2026 is [partij A] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Deventer Ziekenhuis neemt het jou kwalijk dat jij geruime tijd stelselmatig tijdens en buiten diensttijd medicatie hebt weggenomen, dat jij gedurende werktijd veelvuldig geen werkzaamheden hebt verricht en dat jij geen verantwoordelijkheid hebt willen nemen voor jouw gedrag. (…)\n\nDe dringende reden van jouw ontslag is er onder meer in gelegen dat\n\nuit intern en extern onderzoek is gebleken dat jij herhaaldelijk en ongeoorloofd de medicijnkamer hebt betreden op momenten waarop vervolgens Midazolam neusspray bleek te ontbreken;\n\ndeze vermissingen waren niet te relateren aan patiëntenzorg, voorschriften of andere legitieme werkzaamheden;\n\ner een patroon is vastgesteld tussen jouw diensten en aanwezigheid in het ziekenhuis en het verdwijnen van de Midazolam neusspray;\n\njij de medicijnkamer zevenmaal hebt betreden terwijl je niet was ingeroosterd voor werkzaamheden op de SEH;\n\njij geen plausibele en verifieerbare verklaring hebt kunnen geven voor onder andere jouw aanwezigheid in de medicijnkamer terwijl je niet aan het werk was;\n\ndat jij ten onrechte volstrekt onbereikbaar bent gebleven voor zowel Bravo als jouw werkgever;\n\njij ernstig in strijd hebt gehandeld met de op jou rustende verplichtingen als specialistisch verpleegkundige en het in jou gestelde vertrouwen op grove wijze geschonden;\n\njouw handelen heeft geleid tot risico's voor de patiëntveiligheid en tot een onherstelbare vertrouwensbreuk.\n\nAlle omstandigheden in overweging nemende zijn wij van oordeel dat de voornoemde ernstige constateringen ieder voor zich en\u002Fof in onderling verband beschouwend een dringende reden (…) voor een onmiddellijke beëindiging van jouw dienstverband opleveren.”\n\n4. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek\n\n4.1. \n [partij A] verzoekt de kantonrechter:\n\nprimair:\n\nI. Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding aan\n\n [partij A] van € 59.089,00 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nII. Aan [partij A] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen van € 12.185,27 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nIII. Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling aan [partij A] van de transitievergoeding van € 14.878,06 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nsubsidiair:\n\nIV. voor zover de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd op 27 februari 2026, om Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 14.878,06 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nmeer subsidiair:\n\nV. voor zover het ontslag op staande voet terecht is gegeven en tevens sprake is van ernstige verwijtbaarheid om veroordeling van Deventer Ziekenhuis tot betaling van de transitievergoeding van € 14.878,06 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nprimair, subsidiair en meer subsidiair:\n\nVI. Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling aan [partij A] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de bedragen tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nVII. Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot het verstrekken van een deugdelijke eindafrekening;\n\nVIII. Deventer Ziekenhuis te veroordelen in de kosten van de procedure.\n\n4.2. \n [partij A] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat geen sprake is van een dringende reden, omdat hij geen geneesmiddelen heeft weggenomen. Het ontslag op staande voet is daarom onterecht gegeven. Door de melding bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, die Deventer Ziekenhuis heeft gedaan, is hij in zijn goede naam aangetast en kan bij niet binnen redelijke afstand van zijn woonplaats in de zorg werken.\n\n4.3. Deventer Ziekenhuis voert verweer en stelt dat de verzoeken van [partij A] moeten worden afgewezen. Deventer Ziekenhuis voert ‑ samengevat ‑ aan dat er wel degelijk sprake is van een dringende reden en zij [partij A] daarom rechtsgeldig op staande voet heeft ontslagen. Deventer Ziekenhuis heeft daarnaast een tegenverzoek gedaan, waarbij zij verzoekt om een verklaring voor recht dat het ontslag rechtsgeldig is gegeven en om [partij A] te veroordelen tot betaling van de onderzoekskosten van € 16.561,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2026, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.\n\n5. De beoordeling van het verzoek\n\n5.1. Aan de kantonrechter ligt de vraag voor of Deventer Ziekenhuis de arbeidsovereenkomst met [partij A] rechtsgeldig heeft opgezegd. Voor de vraag of in strijd met artikel 7:671 BW is opgezegd, dient te worden beoordeeld of sprake is van een dringende reden als bedoeld in art. 7:677 lid 1 BW. Ingevolge art. 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij Deventer Ziekenhuis als werkgever.\n\nDe dringende reden5.2. \n\nIn de ontslagbrief zijn meerdere redenen voor ontslag genoemd. Uit de bewoordingen van de ontslagbrief en het verweer in deze procedure blijkt dat de dringende reden volgens Deventer Ziekenhuis - kort gezegd – is gelegen in het feit dat\n\n [partij A] Midazolam heeft weggenomen. Gezien de stellingen van [partij A] in dezeprocedure is het hem ook steeds duidelijk geweest dat dit de dringende reden is die tot de opzegging heeft geleid.\n\n5.3. Nu [partij A] ontkent Midazolam te hebben weggenomen, zal de kantonrechter in deze procedure moeten beoordelen of Deventer Ziekenhuis voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat dat wel het geval is. Van een werkgever mag in geval van een verwijt als dit worden verwacht dat hij een zoveel mogelijk uitgewerkt dossier voorlegt met daarin de nodige overtuigingsstukken waaruit blijkt dat de verweten gedraging met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is gepleegd. De kantonrechter is van oordeel dat Deventer Ziekenhuis dat in deze procedure heeft gedaan en overweegt daartoe als volgt.\n\n5.4. \n\nDat [partij A] gedurende een aantal jaren Midazolam heeft weggenomen blijkt volgens Deventer Ziekenhuis uit het onderzoek door de vier werknemers, het individuele onderzoek door [naam 1] en het rapport van Bravo. Uit het rapport van Bravo volgt dat zij naar aanleiding van de door Deventer Ziekenhuis aangeleverde stukken tot de conclusie is gekomen dat alleen [partij A] telkens aanwezig was op alle dagen dat er Midazolam verdween. Vervolgens heeft Bravo een overzicht opgesteld op basis van de dienstroosters van de jaren 2024, 2025 en 2026, de voorraadlijsten, de medicatieopdrachten van de apotheek en de badgemeldingen van [partij A] bij de medicijnkamer van 22 maart 2025 tot 2 februari 2026. Uit dit overzicht blijkt dat er telkens Midazolam verdween wanneer\n\n [partij A] dienst had, met name in de nachtdiensten, terwijl in de perioden dat\n\n [partij A] afwezig was, geen verdwijningen werden geconstateerd. Er werden onder andere geen vermissingen geconstateerd tijdens de vakanties van [partij A], maar kort ervoor en direct erna wel. Verder constateert Bravo dat [partij A] aan het einde van zijn dienst vaak de medicijnkamer bezocht, terwijl alle andere verpleegkundigen zich op dat moment elders verzamelden voor de overdracht van de diensten. Ook heeft Bravo geconstateerd dat [partij A] in de periode van april tot en met augustus 2025 in totaal acht keer in de medicijnkamer is geweest, waarvan zeven keer op momenten dat hij geen dienst had, en één keer terwijl hij een interne training volgde op een andere afdeling. Verder legt Deventer Ziekenhuis nog een anonieme verklaring aan haar stelling ten grondslag waaruit blijkt dat een werknemer de jas van [partij A] in de kleedruimte van de kapstok heeft laten vallen en zij toen een flesje Midazolam uit de jaszak van [partij A] heeft zien vallen, waarna zij deze heeft teruggeplaatst.\n\n5.5. \n [partij A] betwist dat hij Midazolam heeft weggenomen. Hij voert aan dat de Midazolam mogelijk door anderen is weggenomen, maar niet door hem. Wat betreft zijn aanwezigheid in de medicijnkamer buiten zijn diensten heeft [partij A] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij een aantal keer in het ziekenhuis aanwezig was vanwege een medische afspraak voor zijn zoontje. De cursus vond bovendien plaats op een afdeling vlakbij de SEH. [partij A] heeft verder verklaard dat hij zich niet kan herinneren waarom hij op die momenten de medicijnkamer zou hebben betreden. Hij zegt dat hij mogelijk een pijnstiller heeft gepakt of iets heeft opgeruimd. Hij verklaart verder nooit Midazolam te hebben gebruikt en dit ook niet in zijn jaszak te hebben gehad.\n\n5.6. De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij Midazolam heeft weggenomen. Hierbij is met name van belang dat hij geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij als enige dienst had op alle dagen dat Midazolam verdween, er telkens Midazolam verdween als hij in de medicijnkamer was geweest en er geen Midazolam verdween als hij geen dienst had of op vakantie was. Verder acht de kantonrechter van belang dat [partij A] geen verklaring heeft kunnen geven over zijn bezoeken aan de medicijnkamer op de spoedeisende hulp (waarna er ook Midazolam verdwenen bleek te zijn) op de momenten waarop hij geen dienst had. Een bezoek aan het ziekenhuis voor zijn zoontje verklaart immers niet een bezoek aan de medicijnkamer.\n\n5.7. \n [partij A] heeft wel aangevoerd dat de Midazolam, gelet op de diensten, kan zijn weggenomen door meerdere andere collega’s gezamenlijk, maar dat acht de kantonrechter niet geloofwaardig, mede gelet op het feit dat er geen Midazolam verdween tijdens de vakanties of afwezigheid van [partij A]. Voor zover [partij A] verder stelt dat hij door de zwart gelakte stukken in het rapport van Bravo niet kan nagaan of hij de enige is geweest die op de momenten van de wegneming van Midazolam altijd dienst had, oordeelt de kantonrechter dat uit de conclusies van Bravo blijkt dat hij de enige was. Verder volgt uit de lijst die de vier werknemers van de SEH van 19 tot en met 26 januari 2026 hebben opgesteld (en waarop geen namen zijn zwart gelakt) dat [partij A] de enige werknemer is die steeds dienst had wanneer er in die periode Midazolam verdween. Tot slot volgt de kantonrechter [partij A] ook niet in zijn betoog dat het mogelijk is dat iemand de medicijnkamer is binnengekomen zonder een badge te gebruiken door achter een andere medewerker aan mee naar binnen te lopen en dat deze persoon de Midazolam heeft weggenomen. [partij A] heeft de stelling dat dit is gebeurd, laat staan dat dit gebeurde met het oogmerk om Midazolam weg te nemen, niet op enige wijze onderbouwd en Deventer Ziekenhuis heeft ook betwist dat dit gebeurt. Bovendien is het ten aanzien van dit alternatieve scenario niet begrijpelijk waarom de Midazolam alleen zou zijn verdwenen op de momenten dat (ook) [partij A] in de medicijnkamer is geweest.\n\n5.8. Gezien het voorgaande stelt de kantonrechter met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast dat [partij A] zich schuldig heeft gemaakt aan het ongeoorloofd wegnemen van Midazolam. Deventer Ziekenhuis heeft aangevoerd dat Midazolam een benzodiazepine is, verslavend werkt, op de zwarte markt verkocht kan worden en zeer schadelijke gevolgen kan hebben wanneer het verkeerd wordt gebruikt. [partij A] was er bovendien van op de hoogte dat hij het middel niet zonder toestemming voor eigen gebruik of anderszins mocht wegnemen. Door dit toch te doen heeft [partij A] het door Deventer Ziekenhuis in hem gestelde vertrouwen ernstig geschaad en heeft hij zijn verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst ernstig geschonden. [partij A] heeft zelf overigens ook gesteld dat diefstal van medicijnen kwalificeert als dringende reden.\n\n5.9. Bij de beoordeling van de vraag of de gedragingen van [partij A] in dit geval ook een dringende reden opleveren, wordt ook acht geslagen op zijn persoonlijke omstandigheden. [partij A] heeft in dat verband geen bijzondere persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht. De kantonrechter heeft wel gekeken naar de leeftijd en de duur van het dienstverband van [partij A] en naar het feit dat er een melding is gedaan bij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. De kantonrechter begrijpt dat de gevolgen van het ontslag voor [partij A] ingrijpend zijn. In aanmerking moet echter worden genomen dat hij welbewust, gedurende een langere periode en op grote schaal Midazolam heeft weggenomen, wetende dat dit niet was toegestaan. Een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van het handelen leiden er in dit geval toe dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.\n\n5.10. Gezien het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat het handelen van [partij A] kwalificeert als een dringende reden tot onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het ontslag op staande voet is daarom rechtsgeldig.\n\nDe verzochte vergoedingen5.11. Het verzoek van [partij A] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is. Hetzelfde geldt voor het (subsidiaire en meer subsidiaire) verzoek om Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen van [partij A] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is Deventer Ziekenhuis geen transitievergoeding aan [partij A] verschuldigd.\n\nProceskosten5.12. De proceskosten komen voor rekening van [partij A], omdat [partij A] in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van Deventer Ziekenhuis worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.13. De door Deventer Ziekenhuis gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beoordeling van het tegenverzoek\n\nVerklaring voor recht6.1. Uit het bovenstaande blijkt dat sprake was van een dringende reden op grond waarvan Deventer Ziekenhuis de arbeidsovereenkomst met [partij A] onmiddellijk mocht opzeggen. Het verzoek van Deventer Ziekenhuis om een verklaring voor recht dat het ontslag rechtsgeldig is gegeven, zal daarom worden toegewezen.\n\nKosten voor onderzoek Bravo6.2. Deventer Ziekenhuis verzoekt verder om [partij A] te veroordelen tot betaling van de kosten die zij heeft moeten maken voor het inschakelen van Bravo. Dit betreft een bedrag van € 16.561,88. Deventer Ziekenhuis stelt dat sprake is van redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid van [partij A]. Daarover overweegt de kantonrechter als volgt.\n\n6.3. \n\nOp grond van artikel 6:96 lid 2 sub a BW komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking. In deze procedure is echter niet gesteld dat sprake is van aansprakelijkheid en een daaruit voortvloeiende verplichting tot betaling van schadevergoeding van [partij A]. De vastgestelde dringende reden levert niet automatisch aansprakelijkheid voor schade van [partij A] op. Omdat in deze procedure geen oordeel wordt gevraagd over de aansprakelijkheid van [partij A] en dus ook geen aansprakelijkheid van [partij A] is vastgesteld, kan in deze procedure ook geen vergoeding worden gevorderd van kosten ter vaststelling van die aansprakelijkheid. De kantonrechter zal het verzoek van Deventer Ziekenhuis tot betaling van het bedrag van\n\n€ 16.561,88 afwijzen.\n\nProceskosten tegenverzoek6.4. De kantonrechter zal bepalen dat partijen in het tegenverzoek ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat het tegenverzoek voor zover dat wordt toegewezen voortvloeit uit de beoordeling van het hoofdverzoek door [partij A], en het tegenverzoek tot betaling wordt afgewezen.\n\n7. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nop het verzoek\n\n7.1. wijst het verzoek af,\n\n7.2. veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n7.3. veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n7.4. veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n7.5. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de beslissing onder 7.1.\n\nop het tegenverzoek\n\n7.6. verklaart voor recht dat het door Deventer Ziekenhuis aan [partij A] verleende ontslag op staande voet op 26 februari 2026 rechtsgeldig is gegeven,\n\n7.7. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\nEA\n\n Artikel 7:673 lid 7, onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3663","2026-07-13T00:29:43.102Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":44,"courtId":119,"decisionDate":111,"fullText":120,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":52,"updatedAt":122},"673","ECLI:NL:RBMNE:2026:3767","ecli-nl-rbmne-2026-3767",63,"RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12134743 \\ UE VERZ 26-102\n\nBeschikking van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. B. Bostancieri-Dinc,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. T.G. Martens.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met productie 1 tot en met 10,\n\n- het aanvullend verzoekschrift met productie 11 tot en met 13,\n\n- het verweerschrift met productie 1 tot en met 6 met zelfstandige tegenvordering,\n\n- de brief van [verweerder] van 20 mei 2026 met productie 7 en 8,\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waar [eiser] is verschenen met haar gemachtigde en waar [verweerder] zich heeft laten vertegenwoordigen door mevrouw [A] (bestuurder) en mevrouw [B] (administratief medewerkster en begeleider) en haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting.\n\n1.2. De producties die mr. Bostancieri heeft meegenomen naar de zitting zijn te laat aangeboden en zijn buiten beschouwing gelaten.\n\n1.3. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De kern van de zaak\n\nHet gaat in deze zaak over de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd door de opzegging van [eiser] , of dat [verweerder] daarna heeft opgezegd tegen een eerdere datum en de arbeidsovereenkomst daardoor tegen die eerdere datum is geëindigd. Aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of er een loondoorbetalingsplicht voor [verweerder] bestaat en zo ja tot wanneer precies. Ook is aan de orde hoeveel onregelmatigheidstoeslag (ORT) nog aan [eiser] moet worden betaald. Op verzoek van [verweerder] moet worden beoordeeld of [eiser] aan [verweerder] de kosten moet vergoeden van het vervangen van alle sleutels van de opvanglocaties van [verweerder] , omdat die niet of niet op de juiste manier zijn ingeleverd en of [eiser] de kosten voor haar eigen vervanging aan [verweerder] moet vergoeden, omdat zij niet is komen werken op het moment dat dat volgens [verweerder] wel moest. Allebei de partijen verzoeken subsidiair om toekenning van een gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat beide partijen een vorderingen hadden op de ander en veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de over en weer verschuldigde bedragen. Ook wijst de kantonrechter het verzoek tot het verstrekken van een correcte eindafrekening aan [eiser] .\n\n3. De achtergrond van de zaak\n\n3.1. \n [eiser] , geboren [geboortedatum] 2003, is sinds 10 maart 2025 in dienst bij [verweerder] . De functie van [eiser] is Begeleider. Zij werkt tegen een loon van € 2.956,77 bruto per maand, te vermeerderen met IKB toeslag van 16,4 % (inclusief vakantiegeld). Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Sociaal Werk van toepassing.\n\n3.2. \n [verweerder] biedt jongeren van 8 tot 18 jaar een veilige stabiele woonomgeving waarin persoonlijke groei en herstel centraal staan. De organisatie begeleidt kwetsbare jongeren die door complexe thuissituaties, psychische problemen of vastgelopen hulpverlening extra ondersteuning nodig hebben. [verweerder] werkt onder de paraplu van AZ-Multizorg B.V., waardoor in de praktijk ook [verweerder] aan andere doelgroepen, zoals ouderen, wordt verstrekt. [eiser] werkte zowel op de jeugdlocaties als in de thuiszorg voor ouderen.\n\n3.3. Per e-mailbericht van 12 december 2025 heeft [eiser] haar arbeidsovereenkomst opgezegd. In het bericht staat dat [eiser] zich bewust is van de opzegtermijn van 2 maanden en dat zij daarom opzegt per 12 februari 2026 en voorafgaand aan die einddatum haar eventueel resterende vakantiedagen zal opnemen.\n\n3.4. In antwoord op het bericht van [eiser] heeft [C] , administratief medewerker bij [verweerder] , aan [eiser] laten weten:\n\n“Naar aanleiding van je opzegging zijn wij tot de conclusie gekomen dat we afwijken van de geldende opzegtermijn van twee maanden. Dit betekent dat je arbeidsovereenkomst eindigt op 5 januari 2026.”\n\n [C] licht toe dat [verweerder] daarvoor gekozen heeft in verband met de onrust die het wisselen van begeleiders met zich meebrengt voor de cliënten. Verder berekent [C] dat [eiser] nog een negatief vakantiedagensaldo heeft van 18,94 uur, en geeft zij aan dat [eiser] de sleutels van de woongroep en de tag voor het inklokken uiterlijk 5 januari 2026 dient in te leveren.\n\n3.5. Naar aanleiding van een aan haar gestelde vraag heeft [eiser] op 4 januari 2026 in een bericht aan de dochter van een cliënt laten weten dat zij niet meer voor [verweerder] werkte.\n\n3.6. Op 6 januari 2026 heeft [eiser] van collega [D] het volgende Whatsapp bericht gehad: “Hi alles goed? Kan jij alle mensen een bericht sturen zoals advocaat, bewindvoerder, Wooning en artsen van [E] en doorgeven dat jij weggaat en de info mal van AZ multizorg doorgeeft? Anders blijven dingen liggen en niet opgepakt, Dankjewel.”\n\n3.7. Op 12 januari 2026 heeft [eiser] op dit e-mail bericht van [verweerder] gereageerd, heeft zij [verweerder] gewezen op de opzegtermijn van twee maanden en heeft zij gevraagd hoe het zit met de loonbetaling over de opzegtermijn. Daarnaast heeft [eiser] gewezen op het feit dat zij geen ORT heeft ontvangen en dat de vakantiedagen verkeerd zijn berekend.\n\n3.8. Op 13 januari 2026 heeft [verweerder] per e-mail laten weten dat zij niet eenzijdig heeft opgezegd, maar dat [eiser] dat zelf had gedaan. Daarbij geeft [verweerder] aan dat als [eiser] van mening was geweest dat de arbeidsovereenkomst niet was geëindigd, van haar verwacht had mogen worden dat zij op 5 januari 2026 gewoon was komen werken. Met betrekking tot de ORT geeft [verweerder] aan dat [eiser] eerst zelf een overzicht moet aanleveren van de dagen en uren waarop zij recht meent te hebben op ORT. [verweerder] geeft verder aan dat de eindafrekening zal volgen nadat alle bedrijfseigendommen volledig zijn ingeleverd.\n\n3.9. Op 9 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] zich gemeld bij [verweerder] en namens haar aanspraak gemaakt op het loon tot 12 februari 2026 en de wettelijke verhoging daarover.\n\n3.10. In een e-mail van 10 februari 2026 laat [verweerder] weten ervan uit te gaan dat de overeenkomst is geëindigd op 5 januari 2026 en dat uit het bericht van [eiser] aan een cliënt van 4 januari 2026 blijkt dat [eiser] zelf aan derden heeft meegedeeld dat zij niet meer in dienst is. In de brief is eveneens aangegeven dat [verweerder] de loper van de opvanglocaties heeft vervangen, nadat [eiser] haar sleutels (ondanks eerder verzoeken) niet heeft ingeleverd en dat de kosten daarvan € 3.000,00 bedragen. Ook geeft [verweerder] aan dat zij geen gegevens van [eiser] heeft ontvangen over ORT-uren.\n\n3.11. Bij e-mail van 11 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] gereageerd en heeft zij onder meer gesteld dat de sleutels zijn ingeleverd door een nicht van [eiser] en wijst zij namens [eiser] aansprakelijkheid voor de € 3.000,00 schade van de hand. Zij levert ook een overzicht van de ORT-uren aan. De overige verzoeken van [eiser] worden gehandhaafd.\n\n4. Het verzoeken over en weer\n\n4.1. \n [eiser] verzoekt de kantonrechter na wijziging van eis tijdens de mondelinge behandeling:\n\n- Primairhet ontslag van 23 december 2025 te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon en IKB-toeslag vanaf januari 2026 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, dat wil zeggen ofwel (primair) 1 maart 2026,danwel (subsidiair) 12 februari 2026, en\n\nsubsidiair, voor het geval de kantonrechter de opzegging niet vernietigt, te bepalen dat [verweerder] een gefixeerde schadevergoeding van € 5.912,88 bruto aan [eiser] verschuldigd is,\n\n [verweerder] te veroordelen tot het verstrekken van een correcte eindafrekening met uitbetaling van de opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen tot en met 12 februari 2026,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de ORT van € 4.513,84 bruto over de periode van indiensttreding tot en met december 2025,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling gemiddelde ORT over de maanden januari en februari ter hoogte van € 712,95 bruto,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris en de ORT,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het salaris, de ORT en de gefixeerde schadevergoeding, en\n\n [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2. \n\n [verweerder] wil dat de verzoeken worden afgewezen, met uitzondering van het door [verweerder] erkende bedrag aan ORT van € 4.362,52 bruto.\n\nDaarnaast wil [verweerder] dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [verweerder] , bestaande uit\n\n€ 7.920,00 voor kosten die [verweerder] heeft gemaakt omdat zij op korte termijn externe [verweerder] heeft moeten inkopen toen [eiser] na 5 januari 2026 niet meer kwam werken, en\n\n€ 4.059,07 omdat [eiser] haar sleutels niet (bij haar manager) heeft ingeleverd, waardoor de cilinders en sleutels van alle locaties moesten worden vervangen.\n\n [verweerder] vraagt ook de wettelijke rente over de schadebedragen indien deze niet tijdig worden voldaan. Voor de situatie waarin de kantonrechter ervan uitgaat [verweerder] heeft opgezegd, deze opzegging wordt vernietigd en daarmee wordt teruggevallen op de opzegging door [eiser] , vordert [verweerder] nog een gefixeerde schadevergoeding.\n\n5. De beoordeling\n\nDe verzoeken van [eiser]\n\n5.1. verzoekt de kantonrechter de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerder] op 23 december 2025 te vernietigen en [verweerder] te veroordelen het loon door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.\n\nWanneer kan de kantonrechter een opzegging vernietigen?\n\n5.2. De kantonrechter kan de beëindiging van een arbeidsovereenkomst (zoals een ontslag op staande voet of opzegging) vernietigen als het ontslag onrechtmatig is gegeven. Daarvan is onder meer sprake indien het ontslag zonder instemming van de werknemer en\u002Fof zonder toestemming van het UWV is gegeven. De werknemer moet hiervoor wél binnen twee maanden na de ontslagdatum een verzoek indienen bij de rechter.\n\n5.3. Vast staat dat [eiser] haar verzoek tijdig heeft ingediend.\n\nDe mededeling van 23 december 2026 van [verweerder] is een eenzijdige opzegging van de arbeidsovereenkomst\n\n5.4. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst eenzijdige heeft opgezegd. Het is juist dat [eiser] deze aanvankelijk heeft opgezegd op 12 december 2025 tegen 12 februari 2026, maar [verweerder] heeft [eiser] laten weten dat zij de arbeids-overeenkomst eerder zou eindigen, namelijk op 5 januari 2026. Naar eigen zeggen deed [verweerder] dat om te voorkomen dat te veel wisselingen in begeleiding van de cliënten zou komen. [verweerder] stelt weliswaar dat deze brief moet worden gezien als een ‘praktisch voorstel’, maar uit de brief blijkt dat helemaal niet. Het einde van het dienstverband per 5 januari 2026 is geformuleerd als een mededeling en uit de brief blijkt niet dat van [eiser] nog een antwoord wordt verwacht of dat er überhaupt ruimte is voor overleg. Er wordt ook medegedeeld dat [eiser] haar sleutels en tag uiterlijk 5 januari 2026 moet inleveren. Ook dat wijst erop dat [eiser] niet meer wordt verwacht op de werkvloer. [eiser] mocht het bericht dan ook opvatten als een opzegging.\n\n5.5. \n [verweerder] stelt dat niet te zwaar aan de bewoordingen van de brief moet worden getild omdat de brief is opgesteld door een medewerker van [verweerder] die geen jurist is. Ook dat argument gaat niet op. Van een werkgever mag verwacht worden dat zij op de hoogte is van de geldende regelgeving en daar op de juiste wijze uitvoering aan geeft. [verweerder] heeft die taak aan deze medewerker toebedeeld en is gebonden aan en verantwoordelijk voor de wijze waarop deze die taak uitvoert.\n\n5.6. Ook het verweer van [verweerder] dat [eiser] uit het feit dat zij was ingeroosterd had moeten begrijpen dat eigenlijk sprake was van een voorstel en dat de arbeidsovereenkomst feitelijk niet was geëindigd, gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. [eiser] mocht vertrouwen op de mededeling dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd en hoefde niet op eigen initiatief te onderzoeken of de inroostering, voor zover zij die al zou hebben gezien, betekende dat de arbeidsovereenkomst toch niet geëindigd was.\n\n5.7. Het is ook niet zo dat uit het feit dat [eiser] niet kwam werken op 5 januari 2026 mag worden afgeleid dat zij heeft ingestemd met de beëindiging per die datum. Zij hoefde niet te komen werken, want de arbeidsovereenkomst was op dat moment al beëindigd.\n\nDe kantonrechter vernietigt de opzegging van [verweerder] van 23 december 2025\n\n5.8. De opzegging heeft in beginsel tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst op 5 januari 2026 is geëindigd door de opzegging van [verweerder] van 23 december 2025, zonder dat [eiser] daarmee heeft ingestemd of dat daarvoor toestemming was van het UWV. Dat is onrechtmatig en daarom zal de kantonrechter die opzegging vernietigen.\n\n5.9. \n\nOmdat de opzegging vernietigd is, hoeft het subsidiaire standpunt van [eiser] , dat [verweerder] de gefixeerde schadevergoeding moet betalen, geen verdere bespreking.\n\n [verweerder] moet het loon doorbetalen tot en met 12 februari 2026, en ook de wettelijke rente en wettelijke verhoging; [eiser] hoeft geen gefixeerde schadevergoeding te betalen\n\n5.10. De vernietiging van de opzegging heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst na 5 januari 2026 feitelijk is blijven bestaan en dat [verweerder] het loon moet doorbetalen tot het moment dat de arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig is geëindigd. Partijen zijn het er niet over eens op welk moment dat is. [eiser] heeft op 12 december 2025 opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden, tegen 12 februari 2026. Dat heeft [eiser] niet goed gedaan, want in de arbeidsovereenkomst staat dat de opzegging moet gebeuren tegen het einde van een kalendermaand. Zij had dus tegen het einde van de maand op moeten zeggen en dan had de arbeidsovereenkomst tot 1 maart 2026 geduurd. Gelet op de standpunten die partijen sindsdien over en weer hebben ingenomen verbindt de kantonrechter daar geen conclusies aan.\n\n5.11. De kantonrechter is van oordeel dat de intentie van [eiser] duidelijk blijkt uit haar opzegging. Zij wilde de opzegtermijn in acht nemen en haar arbeidsovereenkomst tot dat moment uitdienen. Hoewel haar berekening eigenlijk niet juist is, is niet gebleken dat [verweerder] niet akkoord was met die eerdere opzegging. Integendeel, [verweerder] heeft daar niet eerder dan in deze procedure een punt van gemaakt en heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst beëindigd op een nóg eerdere datum. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [verweerder] in ieder geval akkoord was met een datum gelegen voor 1 maart 2026. Omdat daarover overeenstemming was met partijen kan [eiser] daar niet tijdens de mondelinge behandeling op terugkomen. Datzelfde geldt voor [verweerder] . De arbeidsovereenkomst is daarom geëindigd op 12 februari 2026, zonder dat [eiser] gefixeerde schadevergoeding aan [verweerder] hoeft te betalen. [verweerder] hoeft ook alleen tot die datum het loon door te betalen. [verweerder] is onbetwist ook IKB-toeslag verschuldigd.\n\n5.12. Het verweer van [verweerder] dat zij over die periode geen loon verschuldigd is omdat ook geen sprake is geweest van arbeid gaat daarbij niet op. Artikel 7:628 BW bepaalt dat de werknemer recht blijft houden op loon als de oorzaak van het feit dat hij geen arbeid heeft verricht in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Daarvan is hier ook sprake: het is [verweerder] zelf die deze situatie in het leven heeft geroepen, dat gaat niet ten koste van de loondoorbetalingsplicht.\n\n5.13. \n [eiser] heeft verzocht om toewijzing van de wettelijke rente over het loon dat nog uitbetaald moet worden, vanaf de respectievelijke data van verschuldigdheid van de verschillende salarisbetalingen. Dit zal worden toegewezen. [eiser] heeft daarnaast verzocht op toewijzing van de wettelijke verhoging. De kantonrechter zal ook die toewijzen. Voor matiging ziet de kantonrechter geen aanleiding. De reden waarom het loon te laat is betaald is, gelet op de onrechtmatige opzegging, volledig te wijten aan [verweerder] .\n\n [verweerder] moet ORT betalen aan [eiser] , vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging\n\n5.14. \n [eiser] wil dat [verweerder] de ORT betaalt die zij nog niet heeft ontvangen. Het gaat dan over ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2025 én om de gemiddelde ORT over de voorliggende maanden over de periode tussen 5 januari 2026 en 12 februari 2026.\n\n De ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2025\n\n5.15. Hoewel [eiser] recht had op ORT, heeft [verweerder] in het geheel nog geen ORT uitgekeerd tijdens het dienstverband van [eiser] . [verweerder] stelt dat zij daartoe nog niet over hoefde te gaan omdat [eiser] daartoe niet de vereiste administratie had ingeleverd en dat [eiser] dat pas in de loop van deze procedure heeft gedaan. Dat argument gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Een werkgever heeft de wettelijke plicht om een sluitende administratie bij te houden van de gewerkte dagen en uren van haar werknemers. Die verplichting mag niet volledig worden verschoven naar de werknemer. Bovendien had [eiser] een vast rooster en heeft zij gesteld dat zij daarvan nooit is afgeweken. Dat heeft [verweerder] niet betwist. [verweerder] was daarom op de hoogte van de gewerkte uren en de verschuldigde ORT.\n\n5.16. \n [verweerder] heeft de ORT-berekening van [eiser] over de periode van indiensttreding tot en met december 2025 niet betwist, op twee ziektedagen na. [eiser] heeft die fout in de berekening tijdens de mondelinge behandeling erkend. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de vordering van [eiser] voor uitbetaling van ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2026 komt vast te staan tot het bedrag dat door [verweerder] is erkend van € 4.362,52 bruto.[eiser] heeft niet onderbouwd gesteld dat zij aanspraak kan maken op een hoger bedrag.\n\n De ORT over de periode vanaf 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026\n\n5.17. De kantonrechter zal ook ORT toewijzen voor de periode van 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026. Vast staat dat namelijk dat [eiser] structureel recht had op ORT. Dat betekent dat op het moment dat [eiser] recht heeft op loon over de periode 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026, zoals hiervoor is vastgesteld, zij op grond van de CAO ook recht heeft op ORT over die periode. Die wordt volgens de CAO berekend over het gemiddelde ORT van de drie voorafgaande maanden. [eiser] heeft dat bedrag berekend op een totaal van € 712,95 en dat zal worden toegewezen. [verweerder] heeft de omvang van deze vordering namelijk niet gemotiveerd betwist.\n\n [verweerder] moet de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de ORT betalen\n\n5.18. \n [eiser] verzoekt ook de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de ORT. Wettelijke rente en wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW zijn verschuldigd vanaf de opeisbaarheid van de verschuldigde bedragen. Daarom moet voor de toewijzing daarvan duidelijk zijn wanneer dat is.\n\n5.19. \n [verweerder] stelt dat die bedragen nog niet opeisbaar waren, omdat zij pas na 8 mei 2026 op de hoogte was van de ORT-uren van [eiser] en dat zij daarom niet ‘te laat’ heeft betaald.\n\n5.20. De kantonrechter is van oordeel dat dat verweer niet op gaat. Zoals hiervoor al overwogen is de werkgever gehouden om een overzicht bij te houden van de gewerkte uren en daarvan een sluitende administratie te voeren en [verweerder] heeft zich daar onvoldoende aan gehouden, door die verantwoordelijkheid volledig bij de werknemer neer te leggen. [verweerder] wordt geacht op de hoogte te zijn van de door [eiser] gewerkte dagen en uren en dus ook van de verschuldigdheid van ORT daarover.\n\n5.21. Voor de opeisbaarheid zoekt de kantonrechter aansluiting bij artikel 6.7 van de CAO, waarin staat:\n\n“Het salaris wordt uiterlijk twee dagen voor het einde van de kalendermaand uitbetaald. Eventuele toeslagen opgebouwd in die betreffende kalendermaand worden uiterlijk in de daaropvolgende maand uitbetaald. Alle betalingen vinden plaats door storting op een bankrekening op naam van de werknemer.”\n\nDat betekent dat de ORT steeds vanaf dat moment opeisbaar is. De wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW moeten daarom vanaf die respectievelijke momenten worden berekend.\n\n5.22. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te matigen, omdat [verweerder] al vanaf de indiensttreding van [eiser] geen enkel bedrag aan ORT heeft betaald, terwijl dit een aanzienlijk deel van het salaris van [eiser] uitmaakte.\n\n [verweerder] moet een correcte eindafrekening verstrekken\n\n5.23. \n [eiser] heeft de kantonrechter verzocht om [verweerder] te veroordelen een correcte en deugdelijke eindafrekening te verstrekken, waarin de door haar opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen zijn opgenomen. Een correcte eindafrekening moet inderdaad nog worden opgesteld. Ten aanzien van de vakantiedagen overweegt de kantonrechter het volgende. [verweerder] heeft aangegeven dat [eiser] begin januari 2026 een negatief vakantie-urensaldo (-18,94 uur) had en dat ervan uit kan worden gegaan dat de opgebouwde vakantie-uren nihil zijn voor zover de arbeidsovereenkomst geacht moet worden te hebben doorgelopen tot 12 februari 2026. [eiser] heeft dat niet (gemotiveerd) betwist. De kantonrechter stelt daarom vast dat er geen vakantie-uren meer hoeven te worden uitbetaald. [verweerder] heeft aangeboden om binnen 14 dagen na de mondelinge behandeling een correcte eindafrekening te sturen, maar de kantonrechter kan niet controleren of dat ook daadwerkelijk gebeurd is. Daarom wordt het verzoek – voor zover nodig – toch toegewezen.\n\nDe tegenverzoeken van [verweerder]\n\nDe kosten voor de extern ingekochte [verweerder] worden afgewezen\n\n5.24. \n [verweerder] heeft een tweetal tegenverzoeken gedaan. Het verzoek tot betaling van de factuur die gaat over de vervangende [verweerder] die [verweerder] extern heeft moeten inkopen vanaf 5 januari 2026 zal worden afgewezen. [eiser] heeft niet onrechtmatig gehandeld door niet te verschijnen op het werk, aangezien [verweerder] de arbeidsovereenkomst had opgezegd. Daarmee komt de grondslag aan die vordering te ontvallen en zal dat deel van de gevorderde schadevergoeding worden afgewezen.\n\n [eiser] moet de kosten vergoeden voor het vervangen van de sleutels\n\n5.25. De kantonrechter zal de kosten voor het vervangen van de sleutels toewijzen. [eiser] had de beschikking over sleutels die toegang gaven tot alle opvanglocaties van [verweerder] waar [eiser] werkzaam was. [eiser] had deze bij het einde van de arbeidsovereenkomst in moeten leveren. Zij heeft dat, ondanks meerdere verzoeken, niet aantoonbaar gedaan. [verweerder] zag zich daarom genoodzaakt de sloten te vervangen en heeft daarvoor kosten moeten maken. De kosten voor het vervangen bedragen volgens [verweerder] € 4.059,07. [verweerder] heeft daarvan facturen overgelegd.\n\n5.26. \n [verweerder] verzorgt de opvang van zeer kwetsbare jongeren. Van sommigen van hen is het absoluut onwenselijk dat zij de opvanglocatie kunnen verlaten indien zij per ongeluk de sleutel in handen zouden krijgen en voor sommigen van hen is het belangrijk voor hun veiligheid dat mensen van buiten geen toegang hebben tot de locatie waar zij verblijven. [verweerder] moet daarom weten waar de sleutels zijn. Op het moment dat er sleutels ‘weg’ zijn, of onduidelijk is waar een sleutel is gebleven, is het vervangen van de sloten de enige manier om de veiligheid te waarborgen. [verweerder] heeft daarom een Protocol Gebruik en Inleveren sleutels opgesteld, dat onderdeel uitmaakt van haar huisregels en daarmee ook van de individuele arbeidsovereenkomsten. In het protocol staat dat de uitgifte van sleutels wordt geregistreerd door de leidinggevende of aangewezen verantwoordelijke, dat deze bij uitdiensttreding direct moeten worden ingeleverd en dat de inlevering wordt geregistreerd door de verantwoordelijke medewerker of leidinggevende. In het protocol staat eveneens dat bij nalatigheid passende maatregelen kunnen worden genomen en\u002Fof de kosten op de werknemer kunnen worden verhaald.\n\n5.27. De kantonrechter begrijpt de noodzaak voor [verweerder] om de cliënten die aan haar [verweerder] zijn toevertrouwd te beschermen. De toegang tot het gebouw en de mogelijkheid om het gebouw al dan niet te verlaten is een belangrijk instrument daarvoor. [verweerder] heeft er daarom naar het oordeel van de kantonrechter een groot belang bij dat zij zicht houdt op de sleutels en dat het risico’s met zich brengt als niet duidelijkheid is waar de sleutels zich bevinden. Er is dan immers een mogelijkheid dat de betreffende sleutel in verkeerde handen kunnen komen. [eiser] heeft het belang van [verweerder] bij het zicht op de sleutels ook niet betwist.\n\n5.28. \n [verweerder] heeft deze noodzaak ook duidelijk naar haar medewerkers gecommuniceerd, en nadere regels vastgesteld in het protocol. De medewerkers, waaronder [eiser] , zijn hiervan op de hoogte. [eiser] heeft niet betwist dat zij op grond van de arbeidsovereenkomst heeft ingestemd met de huisregels van [verweerder] , onder meer bestaande uit het Protocol Gebruik en Inleveren van Sleutels.\n\n5.29. \n [verweerder] heeft [eiser] een paar keer gevraagd de sleutels in te leveren en [eiser] heeft dat niet aantoonbaar gedaan. [eiser] stelt dat zij (pas) op 9 februari 2026 de sleutels aan haar nicht heeft gegeven tijdens een babyshower, zodat deze de sleutels kon inleveren. In een brief van 11 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] dit gemeld aan [verweerder] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verteld dat deze nicht – die ook voor [verweerder] werkte – de sleutels op het werk in een kluis zou hebben gelegd, omdat er op dat moment niemand aanwezig was om de sleutel bij in te leveren. Of dat daadwerkelijk gebeurd is valt voor de kantonrechter niet vast te stellen, omdat het nergens uit blijkt. [verweerder] betwist de sleutels te hebben ontvangen en de nicht wil daarover niet verklaren.\n\n5.30. \n [verweerder] heeft onderbouwd gesteld dat [eiser] gehouden was de sleutels in te leveren en die is door [eiser] ook erkend. Doordat niet is komen vast te staan dat [eiser] de sleutels heeft ingeleverd, is de tekortkoming in de nakoming van de verplichting komen vast te staan. [eiser] heeft er, ondanks dat zij op de hoogte was van deze regels en het belang daarvan voor [verweerder] , bewust voor gekozen om de sleutels op oncontroleerbare wijze aan een derde af te geven. De tekortkoming kan [eiser] daarom ook worden toegerekend. [verweerder] heeft de schade voldoende aangetoond met de overgelegde facturen. [eiser] is daarom gehouden de schade van [verweerder] ten bedrage van € 4.059,07 te vergoeden.\n\n [verweerder] heeft een beroep gedaan op verrekening\n\n5.31. Bij brief van 20 mei 2026 aan de kantonrechter heeft [verweerder] een beroep gedaan op verrekening. Daarmee heeft [verweerder] ook aan [eiser] kenbaar gemaakt haar vordering te willen verrekenen met die van [eiser] . [eiser] heeft weliswaar de vordering van [verweerder] betwist, maar geen bezwaar gemaakt tegen de verrekening voor zover de vordering van [verweerder] zou komen vast te staan. De verrekening werkt op grond van de wet terug tot het moment waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. Hoewel de sloten eerder zijn vervangen, gaat de kantonrechter uit van de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd na vernietiging van de opzegging door [verweerder] , dus van 12 febuari 2026. Pas bij het einde van de arbeidsovereenkomst bestond immers de verplichting tot het inleveren van de sleutels.\n\n5.32. De verbintenissen van [eiser] en [verweerder] gaan door verrekening tot hun gemeenschappelijk beloop teniet. Dat betekent dat de vordering van [verweerder] op [eiser] volledig teniet is gegaan op het moment dat deze vordering verrekend kon worden en [eiser] geen wettelijke rente verschuldigd is over deze schadevergoeding.\n\n [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling\n\n5.33. De kantonrechter veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de over en weer verschuldigde bedragen, zoals geformuleerd in de beslissing.\n\nDe proceskosten worden gecompenseerd\n\n5.34. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld.\n\nDe beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard\n\nDe kantonrechter zal bepalen dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is. Dat betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n6.1. vernietigt de op 23 december 2025 door [verweerder] gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst;\n\n6.2. veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de navolgende over en weer verschuldigde bedragen:\n\n€ 2.956,44 bruto per maand aan loon, vermeerderd met de IKB-toeslag van 16,4% daarover, vanaf 1 januari 2026 tot 12 februari 2026,\n\n€ 4.362,52 bruto aan ORT die [eiser] heeft opgebouwd over de periode van indiensttreding tot en met december 2025,\n\n€ 712,95 bruto aan ORT die [eiser] over de periode januari 2026 tot en met 12 februari 2026 te betalen,\n\ne wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris en de ORT zoals benoemd in onderdeel 6.2 onder a tot en met c van deze beschikking, rekening houdend met de betaaltermijnen van het salaris en de ORT als omschreven in § 5.13 en § 5.21 en\n\nde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW te betalen over de bedragen genoemd in onderdeel 6.2 onder a tot en met c van dit vonnis, vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid als omschreven in § 5.13 en § 5.21 tot aan de dag van de gehele betaling;\n\nminus\n\n€ 4.059,07 aan schadevergoeding voor vervanging van sleutels, welk bedrag door verrekening per 12 februari 2026 in mindering sterkt op de onder a tot en met e genoemde bedragen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 BW.\n\n6.3. veroordeelt [verweerder] om binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking een deugdelijke en correcte eindafrekening te verstrekken,\n\n6.4. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,\n\n6.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\n [eiser] heeft bij verzoekschrift verzocht [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon tot [geboortedatum] 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] haar verzoek vermeerderd en loondoorbetaling verzocht tot 1 maart 2026. [verweerder] heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat de stelling dat de arbeidsovereenkomst tot 1 maart 2026 zou doorlopen tot aan de mondelinge behandeling niet was ingenomen en zij zich niet op dat standpunt had hoeven voor te bereiden. De kantonrechter staat de vermeerdering toe, omdat daaraan geen nieuwe feiten ten grondslag zijn gelegd en het standpunt in lijn is met het pas kort voor de mondelinge behandeling ingenomen standpunt van [verweerder] over de door [eiser] gehanteerde opzegtermijn.\n\n Verweerschrift § 3.18.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3767","2026-07-13T00:28:42.459Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":44,"courtId":93,"decisionDate":80,"fullText":127,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":52,"updatedAt":129},"1158","ECLI:NL:GHARL:2026:4034","ecli-nl-gharl-2026-4034","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht, handel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.536\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 11765438)\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWaterschap Drents Overijsselse Delta\n\ngevestigd in Zwolle\n\nverzoekster in hoger beroep bij de kantonrechter: verweerster\n\nhierna: het Waterschap\n\nadvocaat: mr. M.J. Kolijn-Van der Merwe te Zwolle\n\ntegen\n\n [verweerder]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nverweerder in hoger beroep\n\nbij de kantonrechter: verzoeker\n\nhierna: [verweerder]\n\nadvocaat: mr. D. Warnink te Kampen\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nHet Waterschap heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 7 oktober 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift van 6 januari 2026;\n\nhet verweerschrift van 17 april 2026;\n\nde op 1 mei 2026 door het Waterschap ingediende productie 28;\n\nde op 7 mei 2026 door [verweerder] nog ingediende productie 6;\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 mei 2026 is gehouden.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [verweerder] is op staande voet ontslagen, in essentie vanwege wat het Waterschap betitelt als urenfraude\u002Fdagdieverij. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd omdat het niet onverwijld was verleend en niet berustte op een dringende reden en heeft ook de bij het voorwaardelijk tegenverzoek verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen.2.2. Het Waterschap wil met een beslissing van het hof alsnog het einde van de arbeidsovereenkomst bewerkstelligen. [verweerder] wil dat de beslissing van de kantonrechter in stand blijft en anders wil hij, indien mogelijk, een billijke vergoeding.\n\n2.3. Het hof wijst de verzoeken van het Waterschap af en zal die beslissing hierna motiveren, nadat eerst de relevante feiten zijn vastgesteld. Aan de voorwaardelijke tegenverzoeken van [verweerder] komt het hof niet toe.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten:\n\n3.1. \n [verweerder] , geboren in 1964, is [sinds] 1994 in dienst van het Waterschap dan wel van een van zijn rechtsvoorgangers. [verweerder] is aangesteld als muskusrattenvanger en is steeds als zodanig werkzaam geweest. Zijn loon bedroeg, inclusief toelagen, in 2025 ongeveer € 3.500,- bruto per maand bij een 36-urige werkweek.\n\n3.2. \n [verweerder] is in 2024, tot 2 september 2024, (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geweest vanwege klachten voortvloeiende uit darmkanker waarvoor hij was behandelend en vanwege schouderklachten. [verweerder] is daarnaast bekend met ADHD waarvoor hij medicijnen voorgeschreven krijgt.\n\n3.3. Voor [verweerder] is vanaf 1 januari 2025, een ‘ontzie-maatregel’ getroffen. Dit houdt in dat hij per week 5 uur minder hoeft te werken, bij gelijkblijvend loon, pensioen en vakantie-uren.\n\n3.4. Muskusrattenbestrijders moesten wekelijk urenbriefjes invullen en verwerken in een computerprogramma met de naam AllSolutions.\n\n3.5. \n\nDe teamleider van het team van de Muskusrattenbestrijders (het MURA-team) was [naam1] (verder: [naam1] ). De verstandhouding tussen [verweerder] en [naam1] was slecht. In het jaargesprek (door het Waterschap aangeduid als het Goede Gesprek) van 16 oktober 2023 is dit benoemd.\n\nDaarin staat verder onder meer:\n\n“ [naam1] [ [naam1] , hof] verwacht van [verweerder] [ [verweerder] , hof] niet de productie die hij verwacht van een jongere bestrijder dat mag wel 30- 40% minder zijn maar de werkwijze kan universeel zijn dat staat los van de leeftijd. Als hij kijkt naar het aantal uren wat [verweerder] maakt is de productie van het aantal kilometers speuren minder dan bij de gemiddelde bestrijders. Daarnaast schrijft [verweerder] iedere week gemiddeld 8-9 uur organisatie en administratie. [verweerder] geeft aan dat hij de uren die hij rijdt onder dit vlak zet. [naam1] geeft aan wel een keer met [verweerder] een week mee te willen gaan om te zien hoeveel kilometer je op een dag kunt afspeuren. (…). [naam1] geeft aan dat [verweerder] wel goed tijd schrijft. [naam1] geeft aan dat [verweerder] regelmatig naar het hoofdkantoor gaat of aansluit bij andere bijeenkomsten hier heeft [naam1] nog nooit wat van gezegd maar wordt niet gemeld terwijl hier wel afspraken over zijn. Als je niet in je eigen gebied bezig bent dan geef je dat door dat doen anderen ook.”\n\n3.6. Op 15 november 2024 heeft het volgende Goede Gesprek plaatsgevonden. In het daarvan door [naam1] opgemaakte verslag (niet door [verweerder] ondertekend) is onder meer opgenomen:\n\n“ [verweerder] geeft aan wel ander werk te willen doen of iets naast de bestrijding, tegen [verweerder] gezegd dat dit nog niet zo gemakkelijk is en erover na moeten denken wat dan. We kunnen niet een functie waar geen formatie voor is invullen. [verweerder] zou wel iets met de rivierkreeften willen doen maar dat is geen wettelijke taak van het waterschap en doen we momenteel nog niet, ook werk voor de bever zou hij we willen doen maar is nu nog niet benodigd. Werken met de bosmaaier of exotenbestrijding wordt lastig gezien de problemen met de schouder, dan blijft er weinig over als we naar de functies binnen het waterschap kijken.\n\nHeb [verweerder] afgelopen jaar gevraagd om de functie van bode te gaan doen dan zou ik daar contact over opnemen, [verweerder] heeft mij aangegeven dat dit niet iets is wat bij hem past omdat hij een buitenman is.\n\nTen aanzien van de werkzaamheden in het veld maak ik me wel een beetje zorgen over de gemaakte velduren in relatie tot het aantal gespeurde kilometers. Gezien het aantal velduren zou [verweerder] met die uren een grotere oppervlakte en kilometers aan watergangen moeten kunnen speuren. Tegen [verweerder] al vaker gezegd dat hij van mij niet zo hard hoeft te lopen als een jonge bestrijder, al haal je 60% van de productie van een jongere collega dan ben ik al dik tevreden. Wanneer je met structuur je werk doet wat los staat van je leeftijd en de dag erop weer verder gaat waar je de dag ervoor bent gestopt met speuren dan moet het mogelijk zijn om 10 kilometer per dag te speuren en het gebied wat jou is toegewezen twee keer te speuren. Jouw collega’s helpen je nu anders was dat niet gelukt dit jaar om het gebied twee keer te speuren. Gezien het aantal vangsten in jouw gebied en het aantal vaste vangmiddelen en conibearklemmen gaat daar de tijd niet in zitten, er genoeg tijd om te speuren. Structuur in het werk help je bij de voortgang dat zie je bij de collega’s die zo werken. [verweerder] wordt dit jaar 60, het duurt nog zeven jaar voor hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. [verweerder] heeft het afgelopen jaar problemen gehad met zijn schouder en een paar jaar geleden gelukkig weer genezen van een niet te noemen ziekte het is te hopen voor [verweerder] dat hij de komende jaren gevrijwaard is van deze fysieke problemen.”\n\n3.7. Op 3 maart 2025 heeft [naam1] aan [verweerder] meegedeeld dat de black box van zijn dienstauto zou worden uitgelezen. Dit is gebeurd voor de periode 19 augustus 2024 tot en met 26 februari 2025. Daarna heeft [naam1] deze gegevens geplaatst naast de urenbriefjes en AllSolutions-registraties van [verweerder] en verwerkt in een deels in zijn vrije tijd gemaakt Excel schema. Deze gegevens zijn op 17 maart 2025 aan [verweerder] gepresenteerd waarbij een vervolggesprek is aangekondigd waarbij [verweerder] werd aangeraden juridische bijstand in de arm te nemen. Op 26 maart 2025 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden met de advocaat van [verweerder] erbij, waarbij het Waterschap vragen heeft gesteld. Op die dag is per e-mail aan de advocaat van [verweerder] bericht dat [verweerder] “tot en met volgende week woensdag is vrijgesteld van werk” (dat is tot en met 2 april 2025). Deze non-actiefstelling is vervolgens tweemaal verlengd tot en met 18 april 2025. Ook zijn er op 2 april 2025 schriftelijk aanvullende vragen aan (de advocaat van) [verweerder] gesteld.\n\n3.8. \n\nOp 11 april 2025 heeft de advocaat van [verweerder] de vragen beantwoord, daarna is [verweerder] opgeroepen voor een gesprek op 17 april 2025. Op die dag heeft het Waterschap [verweerder] op staande voet ontslagen en hem een 10 pagina’s tellende ontslagbrief uitgereikt.\n\nDaarin staat aan het eind:\n\n“Voornoemde feiten en omstandigheden in overweging genomen zijn wij van mening dat je je met jouw handelswijze schuldig hebt gemaakt aan urenfraude. We rekenen je dit zwaar aan, omdat je op grond van het personeelshandboek en de gedragscode wist of behoorde te weten dat dergelijk gedrag niet past bij hetgeen van een werknemer van het waterschap wordt verwacht. Bovendien zijn er in 2023 twee van je collega's ontslagen wegens urenfraude. Van een goed werknemer mag worden verwacht dat zijn geschreven (werk)uren overeenkomen met de werkelijkheid. Daar komt nog eens bij dat we ervan uitgaan dat je zelf wist dat je meer uren schreef dan je daadwerkelijk werkte en je in de weekbrieven een ander beeld hebt geschetst dan de werkelijkheid. De verklaringen die je hiervoor hebt gegeven zijn niet afdoende. Eén en ander kan niet worden verklaard door een slordige administratie, problemen met systemen, gesprekken met de vertrouwenspersoon\u002Fbedrijfsmaatschappelijk ondersteuner (danwel het uitvoeren van opdrachten) en lichamelijke klachten. Bovendien zien we inconsistenties in je verklaringen. Daar komt bij dat er steeds in jouw voordeel is geschreven en niet in het voordeel van de werkgever. Dat samen maakt je verklaringen niet geloofwaardig. Je hebt in de gesprekken en in de schriftelijke verklaringen niet aangegeven spijt te hebben of op enige andere wijze excuses aangeboden. (…)\n\nJouw persoonlijke omstandigheden, zoals onder meer de gevolgen die het ontslag voor jou zal hebben, hebben wij afgewogen tegen de aard, ernst en omvang van de dringende redenen. Gelet op de duur van je dienstverband zijn wij van mening dat je als ervaren ambtenaar wist of behoorde te weten dat meer uren schrijven dan je daadwerkelijk werkt een goed ambtenaar niet betaamt en ernstig plichtsverzuim oplevert. (…)\n\nUitsluitend uit coulance en onder het uitdrukkelijke voorbehoud van alle rechten verlenen wij dit ontslag op staande voet onder de opschortende voorwaarde dat je vóór dinsdag 22 april 2025 om 16.00 uur zelf je arbeidsovereenkomst schriftelijk en met ingang van 1 augustus 2025 hebt opgezegd”\n\n3.9. \n [verweerder] heeft niet zelf de arbeidsovereenkomst opgezegd. Hij heeft wel op 22 april 2025 de bedrijfseigendommen bij het Waterschap ingeleverd.\n\n3.10. Op 16 oktober 2025, nadat de kantonrechter het ontslag op staande voet had vernietigd heeft het afdelingshoofd van de afdeling waaronder het team MURA viel en de bedrijfsjurist van het Waterschap een bespreking gehad met het hele team MURA – zonder [verweerder] – over de uitspraak van de kantonrechter en de terugkeer van [verweerder] . Daarbij is onder meer de medische situatie van [verweerder] besproken en is aangekondigd dat voor [verweerder] een verbetertraject geldt en is aangegeven wat er in dat traject zal worden opgenomen. Van deze bespreking – waarbij ook ongepaste grappen werden gemaakt over de stoelgangproblemen van [verweerder] – is een opname gemaakt die in het bezit is geraakt van [verweerder] .\n\n3.11. \n [naam1] is inmiddels met pensioen en opgevolgd door [naam2] als teamleider die met ingang van december 2025 het verbetertraject ter hand heeft genomen. Nadat op 16 januari 2026 nog een aanvaring tussen hen beiden is geweest heeft [verweerder] zijn werkzaamheden (in een ander zoekgebied) hervat en verricht hij zijn werkzaamheden naar tevredenheid van [naam2] .\n\n4. De beslissing van de kantonrechter\n\n4.1. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd omdat het ontslag niet onverwijld was gegeven, dit omdat het Waterschap had gesteld dat de signalen van ‘urenfraude’ al in november 2024 bij het Waterschap bekend waren en er geen verklaring is gegeven waarom het onderzoek daarna pas op 3 maart 2025 is gestart.\n\n4.2. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat ook materieel gezien geen sprake was van een dringende reden. De kantonrechter had niet de overtuiging dat sprake was van urenfraude, terwijl het op de weg van het Waterschap had gelegen om eerst [verweerder] te waarschuwen over de onjuiste wijze waarop uren werden weggeschreven. Ook heeft het Waterschap onvoldoende rekening gehouden met de invloed van (fysieke en andere) beperkingen van [verweerder] op de uitvoering van het werk en heeft het [verweerder] in een moeilijke situatie gebracht door met terugwerkende kracht een nadere verklaring van [verweerder] te verlangen voor de door hem verrichte werkzaamheden vanaf augustus 2024, terwijl het Waterschap verder onvoldoende rekening heeft gehouden met het arbeidsverleden van [verweerder] .\n\n4.3. De kantonrechter heeft het subsidiaire ontbindingsverzoek van het Waterschap afgewezen omdat het ernstige verwijtbare handelen niet is komen vast te staan, het onterechte wantrouwen van het Waterschap in [verweerder] onvoldoende is voor een ontbinding op de g-grond, en alles tezamen ook onvoldoende is voor een ontbinding op de i-grond.\n\n5. De beoordeling door het hof\n\nDe verzoeken in hoger beroep5.1. Het Waterschap verzoekt het hof om voor recht te verklaren dat het op 17 april 2025 verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en, naar het hof de vordering begrijpt, alsnog een moment vast te stellen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Subsidiair verzoekt het Waterschap het hof om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de -e- dan wel g- dan wel de i-grond.\n\n5.2. \n [verweerder] verzoekt het hof om de uitspraak van de arbeidsovereenkomst te bekrachtigen, dan wel – als het hof uitgaat van een geldig ontslag op staande voet – ten minste een termijn van vier maanden na arrestdatum aan te houden voor het einde van de arbeidsovereenkomst. Ingeval het hof tot ontbinding overgaat verzoekt [verweerder] om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding van ruim € 150.000, en bij ontbinding op de i-grond op een cumulatievergoeding van 50% van de transitievergoeding.\n\nHet beoordelingskader5.3. Het hof schetst allereerst het juridische toetsingskader voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. De werkgever heeft op grond van artikel 7:677 BW de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens een dringende reden. Die reden moet onverwijld aan de werknemer worden meegedeeld. Artikel 7:678 BW bepaalt dat als dringende reden wordt beschouwd zodanige omstandigheden die als gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevraagd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De wet geeft daarvan ook voorbeelden. Uit die opsomming blijkt dat het moet gaan om zeer ernstige omstandigheden die objectief bekeken maken dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevraagd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De bewijslast daarvan rust op de werkgever. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.\n\nOnverwijldheid5.4. Een ontslag op staande voet is pas rechtsgeldig als het onverwijld is gegeven. De ‘onverwijldheidsklok’ begint te lopen wanneer een vermoeden van een dringende reden ontstaat. Voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden van dat ontslag daadwerkelijk ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Sprake moet zijn van een geïndividualiseerd en geconcretiseerd vermoeden, dat wil zeggen een redelijke mate van duidelijkheid over welke werknemer het betreft en de feitelijke grondslag die het bestaan van een dringende reden voor het ontslag van die werknemer redelijkerwijs aannemelijk maakt. Vanaf dat moment heeft de partij die een opzegging wegens dringende reden overweegt, enig, maar niet veel, respijt (bijvoorbeeld voor het verrichten van enig onderzoek) voordat daadwerkelijk tot ontslag wordt overgegaan.\n\n5.5. Het kernverwijt dat het Waterschap [verweerder] maakt – het hof komt daarop hierna in rov. 5.12 en volgende op terug – is dat [verweerder] feitelijk minder uren werkt voor het Waterschap dan uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeit en hij op zijn tijdschrijfformulieren dan wel in het programma AllSolutionsheeft verantwoord. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het Waterschap zelf heeft gesteld dat het Waterschap ten tijde van het ‘Goede Gesprek’ van 15 november 2024 beschikte over signalen dat [verweerder] zijn uren niet maakte en dat het Waterschap niet helder heeft uitgelegd waarom zij daar pas begin maart 2025 onderzoek naar heeft ingesteld. Het Waterschap heeft zich wel beroepen op nieuwe signalen ontvangen kort voor 3 februari 2025, maar heeft dat niet concreet gemaakt.\n\n5.6. \n\nIn hoger beroep voert het Waterschap aan dat er na november 2025 nieuwe signalen van collega’s van [verweerder] bij de toenmalige teamleider [naam1] binnenkwamen dat de auto van [verweerder] bij zijn huis was gezien, terwijl hij nog niet was afgemeld voor werk, en dat die signalen reden waren voor het onderzoek naar de black box van de dienstauto. Het Waterschap wil niet meedelen van wie die signalen afkomstig waren omdat anonimiteit zou zijn beloofd.\n\nHet hof stelt vast dat er volgens het Waterschap zowel voor november 2025 als daarna signalen bij de teamleider binnengekomen waren die er kort gezegd op neerkwamen dat [verweerder] zijn uren niet maakte. Waarom die signalen in november 2024 geen reden waren voor een nader onderzoek maar in maart 2025 wel, heeft het Waterschap niet goed uitgelegd. Het Waterschap stelt wel dat de eerdere signalen tijdens het Goede Gesprek van 15 november 2024 door [naam1] met [verweerder] zijn besproken, maar [verweerder] bestrijdt dit en in het - redelijke uitvoerige - verslag dat van dit gesprek is opgenomen staat niets over het (mogelijk) niet maken van zijn uren door [verweerder] , laat staan iets over een daarvoor gegeven waarschuwing.\n\nHet hof verwerpt dan ook het bezwaar van het Waterschap en is het met de kantonrechter eens dat het Waterschap niet onverwijld heeft gehandeld doordat zij, hoewel er volgens haar zelf in november 2025 als signalen waren dat [verweerder] minder uren werkte dan hij zou moeten, daar pas in maart 2025 nader onderzoek naar te doen.\n\nHet onderzoek naar de black box5.7. Het Waterschap heeft op 3 maart 2025 aan [verweerder] meegedeeld dat de black box van zijn dienstauto zou worden uitgelezen. Volgens het Waterschap mag zij dit doen bij het vermoeden van onregelmatigheden. Het Waterschap heeft daartoe het ‘Reglement track and trace digitale rittenregistratiesystemen Waterschap Drents Overijssels Delta 2020’ in het geding gebracht. In artikel 3 van dat reglement zijn de doeleinden van gegevensverwerking opgenomen. Dit zijn:\n\nhet kunnen voldoen aan fiscale wet- en regelgeving inzake een sluitende rittenregistratie (kort gezegd: onderscheid werk- dan wel privégebruik);\n\nhet optimaliseren van de bedrijfsvoering van het Waterschap door de analyse van vervoersbewegingen;\n\nhet onderzoeken van rechtmatig gebruik van het rijdend en varend materieel in relatie met het functioneren van medewerkers, indien sprake is van gerede twijfel;\n\nhet kunnen traceren van materieel zoals bij diefstal en eventuele vermissing van medewerkers.\n\n5.8. Het hof stelt vast dat geen van deze doeleinden ziet op het gebruik van de black box als een soort prikklok om vast te stellen of een medewerker zijn uren wel maakt, ook die genoemd onder het derde gedachtestreepje niet waarop het Waterschap zich heeft beroepen. Daar gaat het om het onrechtmatig gebruik van het dienstvoertuig. Daarvan is in het geval van [verweerder] geen sprake noch een vermoeden. Het hof heeft in de regeling ook geen bepaling aangetroffen dat een dergelijk onderzoek wel mogelijk is als de directeur bedrijfsvoering en\u002Fof de voorzitter van de ondernemingsraad daarvoor toestemming geeft.\n\n5.9. Het hof is het met [verweerder] eens dat het Waterschap niet heeft kunnen uitleggen waarom, als er eind februari\u002Fbegin maart 2025 signalen bij het Waterschap zijn binnengekomen dat de auto van [verweerder] ‘te vroeg’ (dus onder werktijd) bij zijn huis stond, hem niet diezelfde week is gevraagd daarover tekst en uitleg te verschaffen, in plaats van de gegevens van de black box uit de periode vanaf augustus 2024 (toen [verweerder] nog niet eens hersteld was gemeld) uit te lezen, te analyseren en [verweerder] om een verklaring te verzoeken voor daaruit volgens het Waterschap geconstateerde onregelmatigheden in die hele periode. Het op deze wijze verrichten van onderzoek is niet zorgvuldig of onverwijld te noemen. Dit alles betekent dat het oordeel van de kantonrechter op dit punt overeind blijft.\n\nDe meegedeelde dringende reden5.10. Naar vaste rechtspraak wordt de ontslaggrond gefixeerd door (de inhoud van) de opzeggingsbrief. Andere gronden, ook als die zich zouden hebben voorgedaan, kunnen daarmee geen reden voor het ontslag op staande voet vormen. Als meerdere redenen voor het ontslag op staande voet zijn meegedeeld, moet, eveneens volgens vaste jurisprudentie, de werkgever stellen en aannemelijk maken dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen indien hij niet meer gronden zou hebben gehad dan in rechte zijn komen vast te staan. Dit laatste moet voor de werknemer in het licht van de gehele aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk zijn geweest.\n\n5.11. \n\nDe ontslagbrief telt tien pagina’s. In die pagina’s worden door het Waterschap een groot aantal verwijten aan [verweerder] gemaakt, variërend van het te langzaam rijden met zijn auto, het met de auto speuren naar muskusratten, het stationair laten draaien van de auto, het in de ogen van het Waterschap te vaak bezoeken van het steunpunt in [plaats1] , het teveel uren besteden aan administratie en aan activiteiten als cursussen, bezoeken bedrijfsarts en gesprekken met de vertrouwenspersoon, tot het verschil tussen de gegevens uit de black box over tijdstippen van vertrek en thuiskomst en de tijdsregistratie op de formulieren \u002F in AllSolutionsvan 94 uur en 11 minuten.\n\nNa deze opsomming en bespreking vervolgt de ontslagbrief met “voornoemde feiten in overweging genomen zijn wij van mening dat je je met jouw handelswijze schuldig hebt gemaakt aan urenfraude”.\n\nDat lijkt erop te wijzen dat het Waterschap alle verwijten categoriseert als urenfraude of ‘dagdieverij’, terwijl veel van de gemaakte verwijten op uiteenlopende gedragingen zien die niet in die categorie passen. In het vervolg van de procedure wordt door het Waterschap voornamelijk ingezoomd op het laatste verwijt van de niet juist verantwoorde 94 uur en 11 minuten, maar dat neemt niet weg dat de ontslagbrief allesbehalve duidelijk is geformuleerd en dat het Waterschap niet voldaan heeft aan de hiervoor uit de vaste jurisprudentie voortvloeiende eisen die aan een ontslag met een meervoudige ontslagreden worden gesteld. Het hof is het met de kantonrechter eens dat een groot deel van de verwijten die het Waterschap aan [verweerder] maakt betrekking hebben op de wijze waarop hij functioneert – waarbij een verbetertraject is aangewezen – en geen dringende reden opleveren op grond waarvan de arbeidsovereenkomst onmiddellijk zou moeten worden beëindigd.\n\n5.12. Het hof is het ook met de kantonrechter eens dat het verschil tussen de door [verweerder] in AllSolutionsverantwoorde uren en de uren die het Waterschap heeft herleid uit de black box van de dienstauto in dit geval geen voldoende dringende reden oplevert. [verweerder] heeft gesteld dat hij thuis administratie verrichtte, werkte aan opdrachten die hij van de vertrouwenspersoon had gekregen en studeerde voor een VCA-examen (veiligheid, gezondheid en milieu) dat hij inmiddels heeft behaald. Verder heeft hij aangevoerd dat hij vanwege de doorgemaakte darmkanker problemen heeft met zijn stoelgang en vaker naar het toilet moet. Ter zitting bij het hof is ook aan de orde geweest dat hij, als hij zijn medicatie voor de ADHD niet slikte, hij soms vergat om de auto uit te schakelen. Ook heeft hij aangevoerd dat hij geen feeling had voor administratie en computers en dat het invullen van de administratie hem buitengewoon veel tijd kostte.\n\n5.13. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting rijst het beeld dat [verweerder] in de periode na het herstel van zijn darmkanker niet goed in zijn vel zat, sneller aangebrand reageerde naar collega’s toe, zijn speurwerkzaamheden niet meer juist uitvoerde (vanuit de auto in plaats van met de ter beschikking gestelde middelen als de quad), zijn gebrek aan administratief talent en computervaardigheden een te groot en tijdrovend obstakel liet worden, een slechte verstandhouding had met zijn teamleider – waarbij een weinig geslaagd sinterklaasgedicht van [naam1] bestemd voor [verweerder] de sfeer bepaald niet verbeterde – en er, kort gezegd, de kantjes wat vanaf liep. Daaruit komt echter niet het beeld naar voren dat [verweerder] opzettelijk vrij nam zonder daarvoor verlofuren op te nemen. Daar komt nog bij dat [verweerder] vanaf januari 2025 ontzie-uren heeft toegekend gekregen vanwege zijn medische situatie terwijl zijn situatie in de periode in 2024 waarop het onderzoek zich richtte niet wezenlijk verschilde van de periode na 1 januari 2025.\n\n5.14. De kantonrechter heeft ook terecht waarde gehecht aan het feit dat [verweerder] geen – bij voorkeur schriftelijke – waarschuwing heeft gekregen voor het onjuist verantwoorden van zijn uren. Het hof gaat niet mee in de redenering van het Waterschap dat het voldoende is dat het Waterschap in het verleden ook andere medewerkers op staande voet heeft ontslagen vanwege wat zij noemt dagdieverij en dat die ontslagen in de organisatie breed zijn gecommuniceerd.\n\n5.15. Ook heeft het Waterschap er geen blijk van gegeven dat zij de bijzondere medische toestand en de verdere persoonlijke omstandigheden van [verweerder] op juiste wijze heeft afgewogen. Het Waterschap stelt dat pas tijdens de verhoren in maart 2025 aan de orde kwam dat [verweerder] darmklachten had en voor ADHD werd behandeld en dat, bij gebreke van afdoende bewijsstukken, het Waterschap daarmee geen rekening hoefde te houden bij de beslissing om ontslag te verlenen. Dat laatste is niet juist: het Waterschap had in ieder geval kennis van deze omstandigheden toen het ontslag op staande voet werd verleend en had dus deze omstandigheden moeten afwegen. Ook het lange, eenzijdige dienstverband van [verweerder] als muskusrattenvanger – een beroep dat bijna alleen bij een waterschap kan worden uitgeoefend – heeft het Waterschap niet op juiste wijze meegewogen. Het Waterschap heeft op dat punt ten onrechte alleen aangegeven dat juist omdat [verweerder] al zo lang ambtenaar was, hij meer bewust moest zijn dat hij integer moest handelen en zijn werkuren moest maken.\n\n5.16. Het hof is het, alles afwegende, eens met het oordeel van de kantonrechter dat in dit geval geen sprake is van een dringende reden in objectieve zin.\n\n5.17. \n [verweerder] heeft nog aangevoerd dat, gelet op het feit dat het ontslag op staande voet onder opschortende voorwaarde van ontslagname per 1 augustus 2025 was gegeven, ook geen sprake is van een subjectieve dringende reden. Als [verweerder] inderdaad bij ontslagname ‘gewoon’ tot 1 augustus 2025 zou mogen blijven, is dat slecht te rijmen met een ontslag op staande voet. Uit de tekst van de ontslagbrief blijkt niet wat de bedoeling van het Waterschap was op dit punt. Ter zitting heeft het Waterschap aangegeven dat, als [verweerder] op dat voorstel in zou gaan, hij dan feitelijk niet meer zou mogen werken. Uitgaande van die uitleg zou de opschortende voorwaarde als zodanig niet aan een geldig ontslag op staande voet in de weg hebben gestaan. Van groot belang is dit verder niet meer, omdat het ontslag op staande voet niet voldoet aan de eisen van onverwijldheid en een objectieve geldige reden voor dat ontslag.\n\n5.18. De primaire verzoeken van het Waterschap stuiten hierop af.\n\nGeen voldoende grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst5.19. De wet schrijft voor dat het hof een datum bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst eindigt als het verzoek van de werkgever aan de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden ten onrechte is afgewezen (artikel 7:683 lid 5 BW). Ter beoordeling ligt dus allereerst voor of zich een redelijke ontslaggrond voordoet (artikelen 7:671b leden 1 en 2 BW en 7:669 lid 1 BW). Die beoordeling is uitdrukkelijk niet beperkt tot feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de beslissing van de kantonrechter, maar beslaat ook de huidige situatie.\n\n5.20. \n\nVolgens het Waterschap levert de constatering naar aanleiding van het onderzoek naar de black box dat sprake is van urenfraude ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] op en heeft de kantonrechter ten onrechte de arbeidsovereenkomst niet op de e-grond ontbonden.\n\nHet hof verwijst naar wat hiervoor over deze grond in het kader van de beoordeling van de dringende reden is overwogen. Dat [verweerder] zich aan fraude zoals het Waterschap heeft gesteld heeft schuldig gemaakt, is onvoldoende komen vast te staan.\n\n5.21. Wat de door het Waterschap gestelde verstoorde arbeidsverhouding betreft overweegt het hof dat het belang van de slechte verstandhouding tussen [verweerder] en [naam1] inmiddels is achterhaald omdat [naam1] met pensioen is gegaan. Voor zover het Waterschap heeft gewezen op de opname die van de bijeenkomst op 16 oktober 2025 (zie hiervoor onder 3.10) en het kwalijke karakter van heimelijke opnames in het algemeen, blijkt uit niets dat [verweerder] de hand heeft gehad in het feit dat van deze bijeenkomst – waar hij niet aanwezig was – een opname is gemaakt. Uit het door het Waterschap zelf in het geding gebrachte verslag van die bijeenkomst blijkt dat de daar aanwezige leidinggevenden minst genomen niet handig hebben geopereerd. Het hof wil wel aannemen dat dit niet de bedoeling was, maar het plenair bespreken met alle collega’s van het voorgenomen verbeterplan voor [verweerder] en zijn medische situatie geeft geen pas. Uit dat verslag en uit het dossier blijkt ook dat het ontslag van [verweerder] , ten onrechte, tot een teamaangelegenheid is geworden, waarbij het Waterschap bij het verweerschrift in eerste aanleg diverse steunbetuigingen aan [naam1] heeft ingebracht, dit naar aanleiding van de door [verweerder] overgelegde verklaring van een oud-collega die – ten onrechte – een relatie had gelegd tussen de zelfmoord van een andere collega en de handelwijze van [naam1] . Tijdens de zitting van het hof heeft het afdelingshoofd haar excuses aangeboden aan [verweerder] voor genoemde bijeenkomst en heeft [verweerder] richting [naam1] aangegeven dat het zo niet had gemoeten met de door hem ingebrachte steunverklaring van desbetreffende oud-collega.\n\n5.22. Uit het verslag van 16 oktober 2025 blijkt wel dat er op dat moment iets aan de hand was in het MURA-team en dat bij de positieve uitkomst van het medewerkerswaarderingsonderzoek waarop het Waterschap zich heeft beroepen, wel kanttekeningen zijn te maken. Dat sprake is van onherstelbaar beschadigde relaties tussen het managementteam van het Waterschap en [verweerder] danwel tussen [verweerder] en de rest van het MURA-team is het hof onvoldoende gebleken. Het Waterschap heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoende pogingen heeft gedaan om die verstandhoudingen weer te verbeteren. Daarbij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat het hof de indruk heeft dat de nieuwe teamleider [naam2] goed bezig is en dat tussen hem en [verweerder] (inmiddels) sprake is van goed werkbare verhoudingen. Het hof heeft er voldoende vertrouwen in dat [naam2] , als hij de nodige steun en verdere medewerking van het hogere management krijgt, de verstandhoudingen binnen het team kan normaliseren. Daarbij worden ook inspanningen van [verweerder] verwacht, in die zin dat hij blijft doorgaan op de manier waarop hij vanaf januari 2026 zijn activiteiten heeft hervat en dat hij de voorgeschreven ADHD- medicatie gebruikt.\n\n5.23. Voor een ontbinding op de i-grond acht het hof ook onvoldoende grond aanwezig. Uit het dossier blijkt dat vooral sprake is van een onvoldragen d-grond omdat [verweerder] door een aantal factoren niet meer goed functioneerde. Uit de overgelegde verslagen van het verbetertraject blijkt dat, nadat het tussen de nieuwe teamleider [naam2] en [verweerder] het medio januari 2026 nog even had geknetterd, bij [verweerder] de knop is omgegaan en hij naar behoren lijkt te functioneren en het plezier is zijn werk heeft teruggevonden en zich heeft gerealiseerd dat hij dit tot zijn pensioen wil blijven doen.\n\n5.24. Het hof zal daarom ook, in het voetspoor van de kantonrechter, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst afwijzen.\n\nDe slotsom5.25. De grieven van het Waterschap treffen geen doel. Het hof zal het beroep van het Waterschap ongegrond verklaren en de in hoger beroep ingestelde vorderingen afwijzen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof het Waterschap in de kosten van de procedure veroordelen, te begroten op het geheven griffierecht en een bedrag voor de kosten van de advocaat. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n5.26. De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. verwerpt het beroep;\n\n6.2. wijst de vorderingen van het Waterschap af;\n\n6.3. veroordeelt het Waterschap in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 373,- aan verschotten en op € 2.580,- aan salaris advocaat (twee punten naar tarief II van het liquidatietarief) en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente en\n\n6.5. wijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, K. Mans en R.J.A. Dil en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\n HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:283 \n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4034","2026-07-13T00:29:07.284Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":44,"courtId":119,"decisionDate":134,"fullText":135,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":136,"sourceTimestamp":137,"parsedAt":52,"updatedAt":138},"826","ECLI:NL:RBMNE:2026:3730","ecli-nl-rbmne-2026-3730","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12082644 \\ UE VERZ 26-41 MS\u002F1270\n\nBeschikking van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING BEVOLKINGSONDERZOEK NEDERLAND,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: Bevolkingsonderzoek,\n\ngemachtigde: mr. F.J. Bloem-Timmermans,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. Y.M. van der Meulen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties, door de kantonrechter ontvangen op 26 januari 2026,\n\n- het verweerschrift met producties.\n\n1.2. De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 30 maart 2026. Namens Bevolkingsonderzoek waren aanwezig mevrouw [A] (hierna: [A] ), [functie 1] bij Bevolkingsonderzoek , mevrouw [B] (hierna: [B] ), [functie 2] bij Bevolkingsonderzoek , met de gemachtigde. [verweerder] was aanwezig, ook met zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij de gemachtigde van Bevolkingsonderzoek gebruik heeft gemaakt van een pleitnota. Zij hebben op elkaar kunnen reageren en vragen beantwoord van de kantonrechter. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter besloten dat uitspraak zal worden gedaan.\n\n1.3. Bevolkingsonderzoek heeft op 1 april 2026 de behandelend rechter mr. H.A.M. Pinckaers gewraakt. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek mondeling behandeld op 21 april 2026 en heeft het verzoek bij beslissing van 6 mei 2026 afgewezen.\n\n1.4. Hierna is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.\n\n2. De kern van de zaak\n\nIn deze zaak verzoekt Bevolkingsonderzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wegens disfunctioneren, een verstoorde arbeidsverhouding of een combinatie van deze gronden. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat Bevolkingsgroep ten onrechte geen herplaatsingsonderzoek heeft gedaan.\n\n3. De voorgeschiedenis van de zaak\n\n3.1. \n [verweerder] , geboren [geboortedatum] 1964, is sinds 1 mei 2013 in dienst bij Bevolkingsonderzoek. De arbeidsovereenkomst geldt inmiddels voor onbepaalde tijd. De functie van [verweerder] is [functie 3] met een loon van € 4.534,44 bruto per maand. [verweerder] is daarnaast lid van de Ondernemingsraad van Bevolkingsonderzoek. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Ziekenhuizen van toepassing.\n\n3.2. \n [verweerder] was in de periode 2013 tot 2023 werkzaam als [functie 4] . Bevolkingsonderzoek was toen nog regionaal georganiseerd in zeven entiteiten. Deze zijn per 1 januari 2022 gefuseerd in één stichting. [verweerder] is per 16 september 2023 in de nieuwgevormde afdeling [afdeling] gaan werken. [A] werd per die datum zijn leidinggevende.\n\n3.3. \n [A] heeft op 8 augustus 2024 een gesprek gehad met [verweerder] over zijn functioneren. Zij heeft [verweerder] laten weten dat de extra taken die hij sinds een jaar had gekregen per direct bij hem zouden worden weggehaald, omdat hij onvoldoende proactief werkte en er eerst ontwikkeling op dit punt nodig was. [A] heeft [verweerder] gevraagd de punten die hij nog in zijn functioneren moest ontwikkelen uit te werken in een Persoonlijk Ontwikkelplan (POP).\n\n3.4. \n [verweerder] was het niet eens met de kritiek op zijn functioneren. Hij heeft in een overleg met [A] op 11 september 2024 te kennen gegeven dat het voor hem onvoldoende duidelijk was wat zijn taken waren en dat zijn functie [functie 5] (nu geheten: [functie 3] ) moest zijn, omdat hem was toegezegd dat hij deze functie zou gaan vervullen. [A] heeft hem beloofd dat zij hierover duidelijkheid zou geven. Zij heeft [verweerder] verder meegedeeld dat zij te voortvarend taken bij hem had weggehaald en heeft met hem afgesproken dat hij deze weer zou gaan uitvoeren. [A] en [verweerder] hebben verder afgesproken dat [A] de te ontwikkelen punten SMART zou uitwerken en dat [verweerder] hulp kon vragen bij HR om het POP op te stellen.\n\n3.5. \n [A] heeft de ontwikkelpunten in een e-mail van 14 oktober 2024 uitgewerkt en heeft in een gesprek met [verweerder] op 22 oktober 2024 bevestigd dat hem inderdaad was toegezegd dat hij als [functie 3] zou worden aangesteld. Dit was één salarisschaal hoger. [A] heeft daarbij aangegeven dat zij het functioneren van [verweerder] in deze functie de komende drie maanden wilde monitoren. Er was daarbij sprake van een proefplaatsing. Omdat het [verweerder] nog steeds onvoldoende duidelijk was wat er van hem werd verwacht, is afgesproken dat [A] hem een overzicht van taken en verwachtingen zou sturen. Dat heeft zij op 29 oktober 2024 gedaan. [A] en [verweerder] hebben verder op 22 oktober 2024 afgesproken dat de ontwikkeling van [verweerder] wekelijks zou worden geëvalueerd en dat hij dagelijks een kort verslagje aan [A] zou sturen van zijn activiteiten die dag.\n\n3.6. \n [A] heeft in november 2024 geconstateerd dat het functioneren van [verweerder] een stijgende lijn had en heeft de aanstelling in de functie van [functie 3] daarom definitief gemaakt. De wekelijkse gesprekken werden voortgezet.\n\n3.7. \n [A] heeft [verweerder] in een overleg op 19 februari 2025 laten weten dat hij nog steeds ontwikkeling moest laten zien op de verbeterpunten. [verweerder] heeft hierop aangegeven dat hij duidelijke kaders nodig had en [A] heeft toegezegd dat zij hiervoor zou zorgen. Zij heeft [verweerder] in een overleg op 3 april 2025 aan de hand van voorbeelden toegelicht op welke punten hij nog niet op het niveau van een [functie 3] functioneerde en heeft de projecten benoemd waarvoor hij verantwoordelijk was. [A] heeft [verweerder] gevraagd hierop de reflecteren en zijn gedachtes hierover in een volgend overleg toe te lichten, zodat een verbeterplan kon worden opgesteld.\n\n3.8. De ontwikkelpunten zijn in een overleg op 16 april 2025 opnieuw besproken. [verweerder] heeft daarbij aangegeven dat hij het niet eens was met de visie van [A] op zijn functioneren. [A] heeft de ontwikkelpunten nog een keer toegelicht. Zij heeft [verweerder] meegedeeld dat een formeel verbeterplan zou worden opgesteld en dat zij in een periode van twee maanden verbetering wilde zien.\n\n3.9. Er is vervolgens een verbeterplan opgesteld, dat [verweerder] en [A] op 21 mei 2025 hebben besproken. De deadline voor verbetering was 21 juli 2025. [A] heeft in een overleg op 19 juni 2025 laten weten dat zij onvoldoende verbetering zag in het functioneren van [verweerder] . Omdat de communicatie tussen hen stroef liep en [A] vond dat een goede communicatie noodzakelijk was om vooruitgang te kunnen boeken in het verbetertraject, heeft zij de inzet van een mediator voorgesteld.\n\n3.10. In de periode van 4 tot en met 29 september 2025 hebben [verweerder] en [A] gesprekken met een mediator gevoerd. Het verbetertraject is na de mediation hervat, waarbij een nieuwe deadline is bepaald op 20 december 2025.\n\n3.11. \n [A] heeft [verweerder] in een overleg op 12 november 2025 laten weten dat zij nog onvoldoende ontwikkeling had gezien op de verbeterpunten tactisch niveau en analytisch vermogen.\n\n3.12. \n [verweerder] heeft zich op 19 november 2025 ziekgemeld. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om voor de arbeidsgerelateerde problemen een probleemoplossend gesprek te voeren. [verweerder] en [A] hebben ieder afzonderlijk met de mediator gesproken over heropening van de mediation. De mediator heeft hierna echter de conclusie getrokken dat mediation niet meer mogelijk is.\n\n3.13. \n [A] heeft in een gesprek met [verweerder] op 10 december 2025 het standpunt ingenomen dat mediation door toedoen van [verweerder] niet mogelijk was en dat dit de voortgang van het verbetertraject belemmerde. Zij heeft [verweerder] verweten dat hij met anderen in de organisatie over zijn verbetertraject en de verslechterende verstandhouding tussen hen heeft gesproken en heeft hem laten weten dat zij dit als gezagsondermijnend ervaarde. [A] heeft de conclusie getrokken dat verdere samenwerking tussen hen niet meer mogelijk was en heeft [verweerder] vrijgesteld van zijn werkzaamheden.\n\n3.14. \n [A] heeft [verweerder] in een e-mail van 16 december 2025 laten weten dat een beëindiging van de arbeidsrelatie onvermijdelijk was, omdat sprake was van ongeschiktheid voor de functie en een verstoorde arbeidsrelatie die door toedoen van [verweerder] niet meer met mediation kon worden opgelost. Vanwege de belemmerende houding van [verweerder] in het verbetertraject en de mediation zou er geen herplaatsingsonderzoek worden uitgevoerd.\n\n4. De beoordeling\n\nBevolkingsonderzoek verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden\n\n4.1. Bevolkingsonderzoek verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege disfunctioneren, een verstoorde arbeidsverhouding of een combinatie van deze gronden. Zij heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd - kort weergegeven - dat [verweerder] niet goed in zijn functie van [functie 3] functioneert en er niet in is geslaagd zijn functioneren aan de hand van een verbetertraject te verbeteren. De verhouding tussen [verweerder] en [A] is gedurende het verbetertraject volledig en duurzaam verstoord. Mediation heeft hierin geen oplossing gebracht. Bevolkingsonderzoek meent dat daarom in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voortzet. Zij heeft afgezien van een herplaatsingsonderzoek binnen haar organisatie, omdat de houding van [verweerder] in het verbetertraject en in de mediation maakt dat dit in redelijkheid niet van haar verlangd kan worden.\n\n [verweerder] wil dat de arbeidsovereenkomst in stand blijft of dat er een vergoeding wordt betaald\n\n4.2. \n [verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] betwist dat sprake is van disfunctioneren of een verstoorde arbeidsverhouding. Hij stelt daarnaast dat Bevolkingsonderzoek ten onrechte heeft nagelaten een herplaatsingsonderzoek te doen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een billijke vergoeding.\n\nWanneer kan de kantonrechter een arbeidsovereenkomst ontbinden?\n\n4.3. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Verder kan de arbeidsovereenkomst alleen worden ontbonden als herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, dat wil zeggen logischerwijs niet te verwachten valt.Er mag ook geen sprake zijn van een opzegverbod.\n\nEr is sprake van opzegverboden, maar die staan aan ontbinding niet in de weg\n\n4.4. De wet geeft een aantal situaties waarin een arbeidsovereenkomst niet ontbonden mag worden. Er is dan sprake van een zogenaamd opzegverbod.De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst dan alleen ontbinden als de omstandigheden waarop het verzoek berust niets te maken hebben met de omstandigheden die maken dat er een opzegverbod is.De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst ook ontbinden als er wel een opzegverbod is, maar de kantonrechter vindt dat het in het belang van de werknemer is dat de arbeidsovereenkomst eindigt.\n\n4.5. In dit geval zijn er twee opzegverboden van toepassing, namelijk het opzegverbod bij ziekte en het opzegverbod tijdens het lidmaatschap van een Ondernemingsraad.Deze opzegverboden staat aan ontbinding niet in de weg, omdat de omstandigheden waarop het verzoek berust - disfunctioneren en een verstoorde arbeidsverhouding - niets te maken hebben met de omstandigheid dat [verweerder] ziek is of zijn lidmaatschap van de Ondernemingsraad.\n\nEr is geen redelijke grond voor ontbinding wegens disfunctioneren\n\nToetsingskader4.6. De kantonrechter kan op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van disfunctioneren. De kantonrechter moet in dat geval beoordelen of er omstandigheden zijn die de werknemer ongeschikt maken om zijn (bedongen) werkzaamheden goed uit te voeren. Die ongeschiktheid mag niet het gevolg zijn van ziekte of gebreken van de werknemer. De kantonrechter betrekt in zijn beoordeling ook of de werkgever de werknemer tijdig heeft laten weten dat hij vindt dat de werknemer ongeschikt is voor zijn werkzaamheden en of de werknemer daarna voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn functioneren te verbeteren. De wet bepaalt niet op welke manier de werkgever dat moet doen. Maar omdat een ontbinding op grond van disfunctioneren voor een werknemer ingrijpende gevolgen kan hebben, gaat de kantonrechter ervan uit dat van een goed werkgever verwacht mag worden dat hij de werknemer een serieuze en reële kans moet hebben gegeven om zijn functioneren te verbeteren.De ongeschiktheid mag niet het gevolg zijn van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer.\n\nHet standpunt van Bevolkingsonderzoek4.7. Bevolkingsonderzoek stelt dat [verweerder] onvoldoende functioneert op pro-activiteit en een helicopterview bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. Zij heeft hem een redelijke verbeterkans gegeven: er is expliciet benoemd dat het functioneren onvoldoende was, de verbeterpunten zijn concreet benoemd en er is een redelijke termijn gegund voor de verbetering. [A] heeft begeleiding geboden op de werkvloer. Er is ook coaching aangeboden, maar [verweerder] heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt. [verweerder] was het niet eens met de mening van [A] dat hij onvoldoende functioneerde. Hij heeft bij herhaling aangegeven dat hij het niet eens was met haar observaties, dat hij kaders nodig had, dat onduidelijk was wat zijn werkzaamheden precies waren en dat hij de verbeterpunten niet snapte. Dit terwijl er steeds weer concreet werd benoemd wat er van hem werd verlangd. [A] heeft zich anderhalf jaar lang ingespannen om [verweerder] steeds weer uit te leggen wat er beter moest, maar zonder resultaat. Doordat de verhoudingen voortijdig volledig en duurzaam verstoord zijn geraakt, is het verbetertraject niet tot de afgesproken einddatum doorlopen. [verweerder] heeft echter voldoende tijd gekregen om verbetering te laten zien. Bevolkingsonderzoek vindt daarom dat zij hem een redelijke verbeterkans heeft geboden.\n\nHet standpunt van [verweerder]4.8. stelt dat geen sprake is van een voldragen ontslaggrond vanwege disfunctioneren, omdat geen sprake is geweest van een verbetertraject in de zin van de wet. Voor een geslaagd verbetertraject is volgens [verweerder] nodig dat sprake is van tweerichting-verkeer, een eerlijke kans, een redelijke duur, een concreet plan met duidelijke doelstellingen en passende begeleiding of scholing. [verweerder] betwist dat [A] hem een aanbod heeft gedaan om zich te laten ondersteunen door een coach. Het uiteindelijke verbeterplan was er pas sinds medio juni 2025 en gaat uit van het wensenlijstje\u002Fde verwachtingen van [A] waarbij niet is aangesloten bij objectieve criteria. [verweerder] stelt dat de verbeterpunten tactisch niveau en analytisch vermogen niet vallen onder de functieomschrijving van [functie 3] en vraagt zich af of hij niet bij voorbaat al gedoemd was om in de ogen van [A] te mislukken. Het verbeterplan voorziet alleen in begeleiding door [A] zelf, terwijl het grote euvel nu juist tussen [verweerder] en [A] zit. Het bevat geen aanbod tot scholing of inbreng van [verweerder] over wat hij nodig denkt te hebben. [verweerder] heeft op dit plan gereageerd, maar dit is verder niet meer besproken. Er is ook geen evaluatie of eindgesprek geweest. [verweerder] stelt dat de medewerkers waar hij leiding aan geeft en projectleiders waar hij mee te maken heeft wel erg tevreden zijn over zijn functioneren.\n\n [verweerder] is onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn functioneren te verbeteren4.9. De kantonrechter laat in het midden of Bevolkingsonderzoek zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het functioneren van [verweerder] onvoldoende is. Ook als er sprake zou zijn van disfunctioneren, dan is [verweerder] namelijk onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn functioneren te verbeteren. [verweerder] stelt terecht dat het verbeterplan niet is gebaseerd op objectieve criteria die aansluiten bij de functieomschrijving van [functie 3] . Het had op de weg gelegen van [A] om een duidelijke en concrete koppeling te leggen tussen het doel van het verbeterplan (versterking van het tactisch niveau, rolbewustzijn, samenwerking en professioneel leiderschap) en de functie-eisen waaraan [verweerder] naar haar mening niet voldeed. [verweerder] heeft ook geen redelijke termijn gekregen om zijn functioneren aan de hand van een verbeterplan te verbeteren. Het eerste verbetertraject met een duur van twee maanden was in de gegeven omstandigheden veel te kort. Het tweede verbetertraject, dat niet is afgemaakt, was met een duur van drie maanden ook te kort. Verder is niet gebleken dat Bevolkingsonderzoek [verweerder] scholing of onafhankelijke begeleiding heeft geboden om zijn functioneren te verbeteren. Bevolkingsonderzoek heeft weliswaar gesteld dat zij [verweerder] coaching heeft aangeboden, maar [verweerder] heeft dit betwist en dit aanbod blijkt ook niet uit de correspondentie tussen partijen. Dit maakt dat geen sprake is van een voldragen ontslaggrond. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren is daarom niet mogelijk.\n\nEr is wel een redelijke grond voor ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding\n\n4.10. Er is wel een redelijke grond voor ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Dat wordt als volgt toegelicht.\n\nToetsingskader4.11. De kantonrechter kan op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden als sprake is van een arbeidsverhouding die zo verstoord is, dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Daarbij geldt als uitgangspunt dat sprake moet zijn van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie en dat herstel van de arbeidsrelatie niet meer mogelijk is.\n\nDe standpunten van partijen4.12. Bevolkingsonderzoek stelt zich op het standpunt dat sprake is van een volledig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. [verweerder] betwist dit. Hij stelt zich op het standpunt dat hoogstens de onderlinge verstandhouding tussen hem en [A] niet goed is, maar dat hij verder binnen Bevolkingsonderzoek geen problemen of conflicten met collega’s heeft. Naar zijn idee is er nog steeds een goede samenwerking mogelijk, maar moet er wellicht worden gekeken naar herplaatsing in een andere functie waarbij [A] niet langer zijn leidinggevende is. Hij heeft erop gewezen dat hij doorgaans in [plaats 1] \u002F [plaats 2] werkt en [A] in [plaats 3] , zodat zij elkaar op de werkvloer niet echt tegenkomen.\n\nEr is sprake van verstoorde arbeidsverhouding4.13. Uit de correspondentie tussen partijen en wat zij in deze procedure hebben aangevoerd kan naar het oordeel van de kantonrechter geen andere conclusie worden getrokken dan dat er tussen Bevolkingsonderzoek en [verweerder] sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding omdat de arbeidsrelatie tussen [verweerder] en zijn leidinggevende [A] definitief en onherstelbaar is verstoord. Deze verstoorde arbeidsverhouding is aan Bevolkingsonderzoek te wijten omdat deze in de eerste plaats is veroorzaakt doordat [A] zich op het standpunt heeft gesteld dat [verweerder] niet goed functioneerde, maar hem onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren. De verstoring van de arbeidsrelatie is daarnaast veroorzaakt doordat [A] , toen zij in september 2023 de leidinggevende van [verweerder] werd, niet op de hoogte was van de toezegging van een promotie aan [verweerder] tot [functie 3] . Zij heeft die promotie later na afloop van een proefperiode weliswaar geformaliseerd, maar is tegelijkertijd bij haar standpunt gebleven dat [verweerder] niet voldoende functioneerde in de lager ingeschaalde functie die hij eerst bekleedde met de extra taken die hij daarbij had gekregen. Daarmee heeft zij een dubbel signaal afgegeven en bij [verweerder] het gevoel in de hand gewerkt dat hij geen eerlijke kans heeft gekregen. De omstandigheid dat [A] eerst taken van [verweerder] heeft afgenomen en vrijwel meteen weer terug moest geven, zal ook tot dit gevoel hebben bijgedragen.\n\nEr is niet voldaan aan de herplaatsingsplicht\n\n4.14. Hoewel er een redelijke grond is voor ontbinding, zal het verzoek daartoe toch worden afgewezen omdat Bevolkingsonderzoek ten onrechte geen herplaatsingsonderzoek heeft gedaan. Daarbij is het volgende van belang.\n\n4.15. Bij het herplaatsingsvereiste gaat het in essentie om het vervullen van een zorgplicht door de werkgever, voorafgaand aan het indienen van een ontbindingsverzoek. Als de werkgever niet heeft voldaan aan die zorgplicht, zal dat tot afwijzing van het verzoek moeten leiden. Een andere benadering zou tot een uitholling van het herplaatsingsvereiste kunnen leiden.\n\n4.16. Het staat in dit geval vast dat Bevolkingsonderzoek geen herplaatsingsonderzoek heeft gedaan. Volgens Bevolkingsonderzoek kon dit niet van haar verlangd worden. Zij voert hiertoe het volgende aan:\n\nde achtergrond en werkervaring van [verweerder] maken hem ongeschikt voor alle overige functies binnen de organisatie;\n\n [verweerder] toont totaal geen inzicht in zijn aandeel in het ontstaan van het conflict;\n\n [verweerder] heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn ontwikkeling in het verbetertraject en in iedere andere functie binnen Bevolkingsonderzoek zou zijn leidinggevende hier opnieuw tegenaan lopen;\n\nde mediator heeft geprobeerd om Bevolkingsonderzoek en [verweerder] tot elkaar te brengen; dat ging niet alleen om de persoonlijke relatie tussen [A] en [verweerder] , maar over de visie van Bevolkingsonderzoek op de uitoefening door [verweerder] van zijn functie;\n\n [verweerder] heeft diverse andere leidinggevenden, waaronder de [functie 6] en de [functie 7] van Bevolkingsonderzoek, benaderd met zijn visie op het verbetertraject, namelijk dat [A] het helemaal verkeerd deed; deze leidinggevenden hebben er ook geen vertrouwen meer in dat [verweerder] in een andere functie hun gezag wél zal accepteren;\n\n [verweerder] heeft ten slotte een gesprek opgenomen met de [functie 2] [B] ; dit heeft niet alleen de relatie met [A] , maar met de gehele organisatie ernstig beschadigd.\n\n4.17. \n [verweerder] stelt dat er wel een mogelijkheid tot herplaatsing is, omdat Bevolkingsonderzoek een dermate grote organisatie is dat het werk zo kan worden ingedeeld dat hij en [A] niet meer met elkaar te maken hebben. [verweerder] stelt dat er binnen Bevolkingsonderzoek geregeld andere functies worden aangeboden die hij zich eigen zou kunnen maken, zoals functies in inkoop, als coördinator vastgoed en teamleider in de screening. Hij zou ook weer [functie 4] kunnen worden of de functie van ambtelijk secretaris van de OR kunnen verrichten.\n\n4.18. De kantonrechter is van oordeel dat de argumenten van Bevolkingsonderzoek van onvoldoende gewicht zijn om te oordelen dat bij voorbaat al duidelijk zou zijn dat herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt en dat Bevolkingsonderzoek daarom geen herplaatsingsonderzoek hoefde te doen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Bevolkingsonderzoek een grote werkgever is met ongeveer 1000 arbeidsplaatsen en dat [verweerder] jarenlang goed heeft gefunctioneerd. De verstoring van de arbeidsrelatie is beperkt gebleven tot één leidinggevende. De kantonrechter ziet niet in dat de arbeidsrelatie met de gehele organisatie ernstig en duurzaam verstoord is geraakt. [verweerder] heeft dit betwist en Bevolkingsonderzoek heeft onvoldoende nader onderbouwd dat dit het geval zou zijn. Bevolkingsonderzoek verwijt [verweerder] dat hij met andere leidinggevenden over zijn visie op het verbetertraject heeft gesproken en dat hij een gesprek met [B] heeft opgenomen. Dit is echter onvoldoende om aan te nemen dat de arbeidsrelatie met de gehele organisatie ernstig verstoord is geraakt en dat [verweerder] in een andere functie het gezag van zijn leidinggevende niet zal accepteren. Uit de stukken in het dossier over het verbetertraject en de mediation kan ook niet de conclusie worden getrokken dat herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Integendeel, herplaatsing is aanvankelijk als mogelijkheid besproken en als sanctie op het niet slagen van het verbetertraject in het vooruitzicht gesteld. Bevolkingsonderzoek heeft tot slot haar stelling dat [verweerder] gelet op zijn achtergrond en werkervaring ongeschikt is voor alle overige functies binnen de organisatie onvoldoende onderbouwd. Het had op haar weg gelegen om dit concreet te onderzoeken, maar dat heeft zij niet gedaan.\n\nConclusie: de arbeidsovereenkomst zal niet worden ontbonden\n\n4.19. Op grond van het voorgaande heeft Bevolkingsonderzoek niet aannemelijk gemaakt dat herplaatsing in een andere functie binnen de redelijke termijn van artikel 7:669 lid 1 BW niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De arbeidsovereenkomst zal daarom niet worden ontbonden.\n\nDe proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.20. De proceskosten komen voor rekening van Bevolkingsonderzoek, omdat Bevolkingsonderzoek overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.21. De uitspraak wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dat wil zeggen dat Bevolkingsonderzoek moet uitvoeren wat daar in staat, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1. wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,\n\n5.2. veroordeelt Bevolkingsonderzoek in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Bevolkingsonderzoek niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.3. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 2 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 6, onder a, BW.\n\n Artikel 7:671b lid 6, onder b, BW.\n\n Artikel 7:670 lid 1 en 4 BW.\n\n Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:933 (Ecofys).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3730","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:49.961Z",{"id":140,"ecli":141,"slug":142,"caseNumber":44,"courtId":143,"decisionDate":144,"fullText":145,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":144,"parsedAt":52,"updatedAt":147},"1659","ECLI:NL:GHARL:2026:3978","ecli-nl-gharl-2026-3978",60,"2026-06-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.353.131\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , 581737\n\narrest van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [de bestuurder]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. M.P.C. de Kramer\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V.\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats]\n\nadvocaat: mr. M. Hurks\n\n(hierna: [geïntimeerde] )\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. \n [de bestuurder] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , op 26 februari 2025tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven\n\nde memorie van antwoord\n\neen akte houdende producties van [de bestuurder]\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 10 maart 2026 is gehouden. [de bestuurder] heeft nog op dat verslag gereageerd; die reactie is aan het proces-verbaal gehecht.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [de bestuurder] was (statutair) bestuurder en indirect aandeelhouder in de structuurvennootschap [geïntimeerde] . [de bestuurder] ’ management-BV [de management-BV] B.V. (hierna: [de management-BV] ) had een overeenkomst van opdracht met [geïntimeerde] waarbij ook [de bestuurder] als “ingezette persoon” partij was. [de bestuurder] verrichtte werkzaamheden voor [geïntimeerde] en haar rechtsvoorgangers, eerst als gerechtsdeurwaarder en nadien in managementfuncties, uiteindelijk als bestuurder. Hij is op 8 februari 2024 door de raad van commissarissen ontslagen als bestuurder. [geïntimeerde] heeft de overeenkomst van opdracht tussen [geïntimeerde] en [de management-BV] op 2 juli 2024 opgezegd met een opzegtermijn van een jaar; de overeenkomst is op 2 juli 2025 geëindigd.\n\n2.2.. \n [de bestuurder] heeft bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat het ontslagbesluit nietig is, althans vernietiging daarvan gevorderd, op grond van artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) respectievelijk 2:15 BW. Hij wil, kort gezegd, zijn bestuurderschap weer uitoefenen, ingeschreven worden in het Handelsregister, toegang tot de gebouwen en digitale omgeving van [geïntimeerde] en een rectificatie. Verder heeft [de bestuurder] een verklaring voor recht gevorderd dat de rechtsverhouding tussen hem en [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW is.\n\n2.3.. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Het besluit van de raad van commissarissen is niet nietig of vernietigbaar; de commissarissen hadden geen tegenstrijdig belang, de raadgevende stem en het hoorrecht van [de bestuurder] zijn niet geschonden en het adviesrecht van de ondernemingsraad evenmin. Ook (anderszins) is het besluit niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. De rechtbank heeft de onderlinge rechten en verplichtingen van de rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] vastgesteld en overwogen dat sommige aspecten van de rechtsverhouding weliswaar duiden op een arbeidsovereenkomst maar dat de rechtsverhouding toch overwegend als een overeenkomst van opdracht valt aan te merken. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen. De aan het slot van [geïntimeerde] ’s memorie van antwoord opgenomen “grief I”, is, zoals bij de mondelinge behandeling in hoger beroep besproken, niet op te vatten als een grief in een incidenteel hoger beroep; de daar opgenomen verweren van [geïntimeerde] komen vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep aan de orde als een grief van [de bestuurder] zou slagen.\n\n2.4.. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Het ontslagbesluit is niet nietig of vernietigbaar. De rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] was geen arbeidsovereenkomst. Het hof licht dit oordeel hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nFeiten en achtergronden\n\n3.1.. De rechtbank heeft de feiten beknopt vastgesteld in rov. 3.1-3.3 van het vonnis. Daartegen zijn geen grieven gericht. Het hof zal ook van die feiten uitgaan, aangevuld met wat verder is vast komen te staan. Kort gezegd komt een en ander op het volgende neer.\n\n3.2.. \n [geïntimeerde] drijft een incasso- en gerechtsdeurwaarderskantoor. In de huidige structuur, die sinds 2019 bestaat, worden de aandelen in [geïntimeerde] gehouden door [naam1] U.A. (hierna: [naam1] ) en door [naam2] B.V. (hierna: [naam2] ). [naam1] houdt de stemgerechtigde aandelen en [naam2] houdt stemrechtloze (maar nog gedurende 7 jaar na de herstructurering van 2019 winstgerechtigde) aandelen.\n\n3.3.. De leden van [naam1] (begin 2024 17 in getal) zijn de management-B.V.’s van personen die in de onderneming van [geïntimeerde] werken, bijvoorbeeld als gerechtsdeurwaarder of in een management- of bestuursfunctie. De certificaten van aandelen in [naam2] worden gehouden door de oprichters van [geïntimeerde] (dan wel hun management-B.V.’s). Een deel van de oprichters is nog steeds werkzaam voor [geïntimeerde] . Zij zijn (via hun management-B.V.) ook lid van [naam1] . De personen achter de leden van [naam1] en de certificaathouders van [naam2] zijn de uiteindelijk belanghebbenden (feitelijk: eigenaren) van [geïntimeerde] .\n\n3.4.. \n [de bestuurder] is sinds 1994 werkzaam voor (een rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] . Hij was sinds 2002 indirect mede-eigenaar van een rechtsvoorganger, en is sinds de fusie van verschillende rechtsvoorgangers in 2009 een van de (indirecte) participanten in (een rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] . Sinds de oprichting van [naam1] in 2019 participeert hij (indirect, via [de management-BV] ) in [geïntimeerde] , zowel via het lidmaatschap van [naam1] als via certificaten van aandelen in [naam2] . [de management-BV] is lid van [naam1] .\n\n3.5.. \n\nDe ledenovereenkomst van [naam1] , waarbij zowel de leden als hun “ingezette personen” partij zijn (onder wie [de management-BV] respectievelijk [de bestuurder] , zie hierna), bepaalt onder meer het volgende:\n\n“Artikel 1. Begripsomschrijvingen1.1.. \n\nIn deze Ledenovereenkomst wordt verstaan onder:\n\n(…)\n\n- Ingezette Persoon: de natuurlijke persoon die door het Lid ter beschikking wordt gesteld aan [ [geïntimeerde] ] voor het feitelijk uitvoeren van werkzaamheden, een en ander op grond van de tussen het Lid en [ [geïntimeerde] ] gesloten Overeenkomst van Opdracht;\n\n(…)\n\n- Overeenkomst van Opdracht: de overeenkomst van opdracht tussen een Lid als opdrachtnemer, een Ingezette Persoon en [ [geïntimeerde] ] als opdrachtgever, ter uitvoering van de Opdracht (zoals gedefinieerd in de overeenkomst van opdracht), tezamen met het Reglement (zoals gedefinieerd in de overeenkomst van opdracht), waaronder begrepen alle wijzigingen van, en aanvullingen op de overeenkomst van opdracht en het Reglement, in hoofdlijnen in de vorm zoals aangehecht als Bijlage A;\n\n(…)\n\nArtikel 2. Toepasselijkheid Ledenovereenkomst. Vaststelling en wijziging van Toetredingsovereenkomst en Overeenkomst van Opdracht2.1.. De Ledenovereenkomst is van toepassing op de verhouding tussen de volgende (rechts)personen: [ [geïntimeerde] ], de Coöperatie, een Lid en\u002Fof een Ingezette Persoon.2.2.. \n\nBij deze Ledenovereenkomst behoort het model voor de met de Leden en Ingezette Personen af te sluiten Overeenkomst van Opdracht en het model voor de met nieuwe Leden en een Toetreder af te sluiten Toetredingsovereenkomst. (…)\n\nInbreng en financieringArtikel 5.5.1.. Ingevolge een door [ [geïntimeerde] ] met ieder Lid gesloten Overeenkomst van Opdracht brengt ieder Lid in [ [geïntimeerde] ] onder meer zijn arbeid en vlijt in en staat ieder Lid er tegenover [ [geïntimeerde] ]C voor in dat zijn Ingezette Persoon onder meer zijn arbeid en vlijt ter beschikking van [ [geïntimeerde] ] stelt.5.2.. Uiterlijk ten tijde van de ondertekening van deze Ledenovereenkomst, dan wel ondertekening van de Toetredingsovereenkomst, betaalt ieder Lid de Ledenbijdrage. De Ledenrekening van het Lid zal worden gecrediteerd met het bedrag van de Ledenbijdrage.5.3.. Het Lid is op grond van het bepaalde in de Overeenkomst van Opdracht gerechtigd tot een vergoeding van [ [geïntimeerde] ].5.4.. Bij de toetreding van het Lid als lid van de Coöperatie dient het Lid een Ledenbijdrage, vastgesteld in overeenstemming met het bepaalde in de Statuten, te voldoen ten bedrage van €25.000 (zegge: vijfentwintig duizend euro. (…)5.6.. Bij besluit van de AV genomen met een meerderheid van vijfenzeventig procent (75%) van de uitgebrachte stemmen, op voorstel van het Bestuur, kunnen, wanneer de solvabiliteit van [ [geïntimeerde] ] versterkt moet worden, aan de leden van Coöperatie verplichtingen worden opgelegd tot storting van een aanvullende Ledenbijdrage of het ter beschikking stellen van een (aanvullende) lening. (…)5.7.. De Coöperatie zal de door het Lid betaalde Ledenbijdrage aanwenden voor het doen versterken van het vermogen van [ [geïntimeerde] ].5.8.. \n\nOp verzoek van [ [geïntimeerde] ] kan de vergoeding, waartoe het Lid gerechtigd is op grond van artikel 5.3, geheel of gedeeltelijk worden verrekend met de (aanvullende) Ledenbijdrage (of een deel daarvan) dan wel met de pro rata gerechtigdheid van het Lid terzake van de uitkeringen door [ [geïntimeerde] ] aan de Coöperatie op de door de Coöperatie gehouden aandelen in [ [geïntimeerde] ]. (…)\n\nBatig saldo. Uitkeringen\n\nArtikel 7. 7.1. De AV beslist welke bestemming aan het batig saldo, blijkende uit de vastgestelde jaarrekening, wordt gegeven.7.2.. Indien door de AV wordt besloten tot uitkering zal het aan ieder Lid uit te keren bedrag worden berekend pro rata de Ledenbijdrage als bedoeld in artikel 5.4 (…).7.3.. Indien het Lid respectievelijk zijn Ingezette Persoon in gebreke is met de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van deze Ledenovereenkomst - de Overeenkomst van Opdracht daaronder mede begrepen - dan is [het bestuur van [naam1] ] bevoegd, onverminderd het recht van [ [geïntimeerde] ] om de schade welke [ [geïntimeerde] ] als gevolg van de tekortkoming lijdt op het betreffende Lid te verhalen, om te besluiten dat de betaling van opbrengsten aan een Lid, zal worden opgeschort, een en ander voor zover de maatregel in verhouding staat tot het verzuim. (…)”\n\n3.6.. \n\nTussen de management-B.V.’s en [geïntimeerde] zijn overeenkomsten van opdracht gesloten. Bij die overeenkomsten van opdracht zijn ook de personen achter de management-B.V.’s, die in de onderneming van [geïntimeerde] werken, partij als “ingezette persoon”, zoals ook volgt uit artikel 2.2 van de ledenovereenkomst. De overeenkomst van opdracht tussen [geïntimeerde] , [de management-BV] (als “Opdrachtnemer”) en [de bestuurder] (als “Ingezette persoon”), ondertekend op 16 mei 2019, houdt onder meer het volgende in:\n\n“OVERWEGINGEN:\n\nA. [ [geïntimeerde] ] exploiteert sinds haar oprichting op 27 maart 2009 een onderneming op het gebied van full service creditmanagement (\"Onderneming\").\n\nB. [ [geïntimeerde] ] heeft bepaalde taken opgedragen aan diverse rechtspersonen, waaronder aan Opdrachtnemer. Deze door Opdrachtgever aan Opdrachtnemer verleende opdracht heeft Opdrachtnemer aanvaard onder de voorwaarden opgenomen in de overeenkomst van opdracht van 27 maart 2009 (inclusief eventuele wijzigingen daarop) (\"Oude OvO\").\n\nC. Op 15 mei 2019 is Opdrachtnemer lid geworden van [ [naam1] ] (…), en op 16 mei 2019 is de Coöperatie alle A-aandelen in het geplaatste kapitaal van [ [geïntimeerde] ] gaan houden (\"Herstructurering\").\n\nD. Partijen hebben afspraken gemaakt om de Oude OvO in lijn te brengen met het onder C. beschreven lidmaatschap. Partijen willen die afspraken vastleggen in dit document (\"OvO\") en de daarbij behorende bijlagen. Hierbij is het nog steeds de nadrukkelijke bedoeling van Partijen dat de OvO niet als een arbeidsovereenkomst wordt beschouwd of een daarmee op één lijn te stellen arbeidsverhouding.\n\n(…)\n\n1. OPDRACHT, FUNCTIE EN WERKZAAMHEDEN1.1. [. \n [geïntimeerde] ] heeft op 27 maart 2009 aan Opdrachtnemer de opdracht gegeven om haar als branchemanager (\"Functie\") te ondersteunen (\"Opdracht\"). Opdrachtnemer heeft op 27 maart 2009 die Opdracht aanvaard.1.2.. De door Opdrachtnemer ter uitvoering van de Opdracht te verrichten werkzaamheden zullen worden opgenomen in de later aan deze OvO te hechten bijlage 1 (\"Werkzaamheden\").1.3.. \n\nDe Omvang van de Opdracht (zoals gedefinieerd in het Reglement) is 100%.\n\n2. TERBESCHIKKINGSTELLING INGEZETTE PERSOON2.1.. \n\nVoor de feitelijke uitvoering van de Werkzaamheden heeft Opdrachtnemer sinds 27 maart 2009 haar statutair directeur, de Ingezette Persoon, aan [ [geïntimeerde] ] ter beschikking gesteld. [ [geïntimeerde] ] heeft deze terbeschikkingstelling aanvaard.\n\n3. VERGOEDING3.1.. Als beloning voor de Werkzaamheden is [ [geïntimeerde] ] aan Opdrachtnemer een vergoeding verschuldigd (\"Vergoeding\").3.2.. De Vergoeding bedraagt sinds 1 mei 2019 exclusief btw op (kalender)maandbasis €13.940,67 (zegge: dertienduizend negenhonderd veertig euro zevenenzestig eurocent). (…)\n\n6. REGLEMENT EN OVERIGE BIJLAGEN\n\n6. 1. Door ondertekening van deze OvO verklaren Opdrachtnemer en de Ingezette Persoon\n\n( i) bekend te zijn met de Inhoud van het in bijlage 2 opgenomen reglement (\"Reglement\") en (ii) daaraan onbeperkt gebonden te zijn.”\n\nDe overeenkomst van opdracht bevat voorts een meldplicht voor al dan niet gehonoreerde nevenwerkzaamheden, een non-concurrentiebeding, een relatiebeding en een non-wervingsbeding.\n\n3.7.. \n\nAls bijlage bij de overeenkomst van opdracht is een reglement gevoegd. Daarin is onder meer het volgende bepaald:\n\n“2.2 [ [geïntimeerde] ] kan het Reglement altijd aanvullen en\u002Fof wijzigen, na voorafgaande goedkeuring van de vergadering van houders van A-aandelen van [ [geïntimeerde] ] (die wordt gevormd door de Coöperatie), welk goedkeuringsbesluit voorafgaande goedkeuring behoeft van de AV op de wijze als bepaald in artikel 22 van de Statuten Coöperatie. Een dergelijke wijziging, mits geldig tot stand gekomen, bindt alle Partijen bij een OvO zonder dat daartoe verdere toestemmingen of formaliteiten zijn vereist. (…) 3. GOED OPDRACHTNEMERSCHAP3.1. Opdrachtnemer zal de Opdracht uitvoeren c.q. door de Ingezette Persoon doen uitvoeren, overeenkomstig de eisen die met name ten aanzien van arbeid, vlijt, omvang, kwaliteit en betrouwbaarheid aan een goed opdrachtnemer worden gesteld, daarbij - mede tegen de achtergrond van artikel 4.3 - de Statuten [ [geïntimeerde] ] en de Statuten Coöperatie en de Ledenovereenkomst naleven c.q. doen naleven en de belangen van [ [geïntimeerde] ] en de Coöperatie in de meest ruime zijn van het woord in acht nemen c.q. doen nemen. 4. INGEZETTE PERSOON4.1. Opdrachtnemer en [ [geïntimeerde] ] hebben afgesproken, en Opdrachtnemer is daartoe aldus verplicht, de Ingezette Persoon ter beschikking te stellen aan [ [geïntimeerde] ] ter feitelijke uitvoering van de Werkzaamheden. Dit brengt met zich dat het verrichten van de werkzaamheden door de Ingezette Persoon uitsluitend binnen de organisatie van [ [geïntimeerde] ] plaatsvindt, en voor zover mogelijk ook in naam van [ [geïntimeerde] ], met volledige inzet van de arbeid, kennis en vlijt van de Ingezette Persoon en inbreng van zijn zakelijke relaties.4.2. \n\nOpdrachtnemer mag alleen na voorafgaande schriftelijke toestemming van [ [geïntimeerde] ] een andere persoon dan de Ingezette Persoon (mede) ter beschikking stellen aan [ [geïntimeerde] ] als Ingezette Persoon. (…) 5. VERGOEDING EN FACTURATIE(…) 5.4 Bij ziekte of arbeidsongeschiktheid van de Ingezette Persoon is de op dat moment geldende Vergoeding alleen verschuldigd tot en met de 12e kalendermaand na de maand waarin de ziekte of arbeidsongeschiktheid is begonnen. Van ziekte of arbeidsongeschiktheid is sprake als de Ingezette Persoon voor minder dan 100% arbeidsgeschikt wordt geacht door een arts die deskundig is op het gebied van arbeidsongeschiktheidsvraagstukken, aan te wijzen door de arbodienst van [ [geïntimeerde] ] of door [ [geïntimeerde] ] zelf. Perioden van ziekte of arbeidsongeschiktheid die elkaar opvolgen met tussenposen van niet meer dan 4 weken worden geacht één periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid te zijn. 5.5 Bij overlijden van de Ingezette Persoon is [ [geïntimeerde] ] een vergoeding aan Opdrachtnemer\n\nverschuldigd gelijk aan 1\u002F6e deel van de in het jaar van overlijden verschuldigde Vergoeding. [ [geïntimeerde] ] zal dit bedrag, vermeerderd met btw, aan Opdrachtnemer voldoen binnen 1 maand nadat zij door Opdrachtnemer schriftelijk op de hoogte is gebracht van het overlijden van de Ingezette Persoon.5.6. De Ingezette Persoon heeft geen enkele aanspraak jegens [ [geïntimeerde] ] op een beloning in welke vorm dan ook voor de Werkzaamheden die door hem ter uitvoering van de Opdracht zijn verricht. (…) 7. FISCALITEITEN EN VRIJWARING(…)7.2. Alle betalingen door [ [geïntimeerde] ] aan Opdrachtnemer zijn “bruto\" betalingen, waarbij Partijen ervan uitgaan dat alle verschuldigde belastingen en sociale verzekeringspremies voor rekening en risico van Opdrachtnemer komen.”\n\n3.8.. Voorafgaand aan de herstructurering van 2019 hadden [de management-BV] en [de bestuurder] een overeenkomst van opdracht met [naam2] (destijds genaamd [naam3] N.V.).\n\n3.9.. \n [de bestuurder] is vanaf 1 september 2019 werkzaam als Directeur Operatie en Sales\u002FORB en per 1 februari 2022 benoemd tot (statutair) bestuurder van [geïntimeerde] . De resultaten van [geïntimeerde] stonden onder druk en het lukte onvoldoende om het tij te keren, wat de raad van commissarissen (ook) weet aan [de bestuurder] . Bij brief van 19 december 2023 heeft de raad van commissarissen hem uitgenodigd voor een algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: algemene vergadering) en een vergadering van de raad van commissarissen, beide op 8 februari 2024 te houden, waar een voorgenomen besluit tot ontslag van [de bestuurder] als bestuurder op de agenda stond (net als het voorgenomen ontslag van [de collega-bestuurder] ). Daarbij is aan [de bestuurder] voorgesteld in overleg een oplossing te vinden waardoor de vergaderingen achterwege konden blijven. Die oplossing is er niet gekomen. Op 29 januari 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de advocaat van [de bestuurder] de redenen voor het voorgenomen ontslag uiteen gezet.\n\n3.10.. De ondernemingsraad van [geïntimeerde] is op 30 januari 2024 om advies gevraagd en heeft diezelfde dag, na de bespreking ervan in een overlegvergadering, een positief advies uitgebracht met betrekking tot het voorgenomen besluit tot ontslag van [de bestuurder] als bestuurder.\n\n3.11.. \n\nOp 1 februari 2024 heeft een ledenvergadering van [naam1] plaatsgevonden. In die vergadering is ook het voorgenomen ontslag van [de bestuurder] (die aanwezig was bij de vergadering) besproken. Ook is over (het functioneren van) de raad van commissarissen gesproken. Daarover is in de notulen het volgende opgenomen:\n\n“(…) vraagt of er draagvlak is voor een onafhankelijk onderzoek naar het functioneren van de RvC. Een rondje langs de leden leert dat 5 leden voor een onderzoek zijn, 8 zijn tegen een onderzoek, er is één onthouding en 2 leden vinden dat er eerst een gesprek moet plaatsvinden met de RvC alvorens een onderzoek wordt gedaan.”\n\n3.12.. In de algemene vergadering van 8 februari 2024 (van bijna een uur en drie kwartier) hebben aandeelhouders [naam2] en [naam1] het woord gevoerd over het voorgenomen ontslag en hebben [de bestuurder] en zijn advocaat het standpunt van [de bestuurder] toegelicht, alles in aanwezigheid van de commissarissen. In de nagenoeg aansluitende vergadering van de raad van commissarissen (van zeven minuten), waarbij [de bestuurder] aanwezig was, heeft de raad van commissarissen besloten tot zijn ontslag als bestuurder.\n\n3.13.. Bij brief van 2 juli 2024 heeft [geïntimeerde] de overeenkomst van opdracht met [de management-BV] en [de bestuurder] opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar, dus tegen 2 juli 2025.\n\nGeldigheid van het ontslagbesluit\n\n3.14.. \n [de bestuurder] heeft aangevoerd dat het besluit van de raad van commissarissen waarbij hij is ontslagen als bestuurder nietig dan wel vernietigbaar is in verband met het bepaalde in artikel 2:14 en 2:15 BW. Hij heeft aangevoerd dat (i) de raad van commissarissen een tegenstrijdig belang had bij het besluit; (ii) de regels omtrent zijn raadgevende stem als bestuurder en zijn hoorrecht als bestuurder niet zijn nageleefd; (iii) het besluit (ook anderszins) in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW; (iv) het besluit in strijd is met het belang van de onderneming; en (v) de ondernemingsraad niet tijdig (toen het advies nog van invloed kon zijn) om advies is gevraagd.\n\nJuridisch kader\n\n3.15.. Bij een structuurvennootschap als [geïntimeerde] worden de bestuurders benoemd door de raad van commissarissen, op grond van artikel 2:272 BW. De raad van commissarissen kan de bestuurders ook ontslaan, op grond van artikel 2:244 BW, maar, gelet op artikel 2:272 BW, niet dan nadat de algemene vergadering over het voorgenomen ontslag is gehoord. Dit volgt ook uit de artikelen 15.1 en 15.2 van de statuten van [geïntimeerde] .\n\n3.16.. De commissarissen van [geïntimeerde] worden op grond van artikel 2:268 BW (en artikel 22.1 van de statuten) benoemd door de algemene vergadering. De algemene vergadering kan het vertrouwen in de raad van commissarissen opzeggen, wat het ontslag van de commissarissen tot gevolg heeft, artikel 2:271a lid 1 en 3 BW en artikel 24.1 en 24.3 van de statuten van [geïntimeerde] .\n\n3.17.. Op grond van artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. Vernietiging kan onder meer worden gevorderd door iemand met een redelijk belang bij naleving van de geschonden verplichting. Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie betrokken zijn, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.\n\n3.18.. Artikel 2:250 lid 2 BW bepaalt dat de commissarissen van een besloten vennootschap zich bij hun taakvervulling moeten richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Lid 5 van dat artikel bepaalt dat een commissaris niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming als hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap Als de raad van commissarissen daardoor geen besluit kan nemen, moet dat genomen worden door de algemene vergadering. De statuten van [geïntimeerde] bevatten in artikel 26.6, voor zover hier relevant, eenzelfde regeling. Schending van de regels inzake tegenstrijdig belang leidt tot vernietigbaarheid van het besluit op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a.\n\n3.19.. Op grond van artikel 2:227 lid 7 BW hebben bestuurders als zodanig een raadgevende stem in de algemene vergadering. Dat geldt ook indien het ontslag van de bestuurder op de agenda staat en ook in een algemene vergadering waar het gaat over een voorgenomen ontslag waarover de raad van commissarissen bevoegd is te besluiten (na het horen van de algemene vergadering). Indien de bestuurder niet in de gelegenheid wordt gesteld zijn raadgevende stem uit te oefenen, is het besluit vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Uit de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 BW vloeit voort dat een bestuurder in de gelegenheid wordt gesteld zich te verdedigen tegen zijn voorgenomen ontslag, tegenover het tot ontslag bevoegde orgaan. Dit wordt wel aangeduid als het hoorrecht. Schending van het hoorrecht leidt tot vernietigbaarheid van het besluit op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW.\n\n3.20.. Artikel 30 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) bepaalt dat de ondernemingsraad in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over een voorgenomen besluit tot ontslag van een bestuurder, op zo’n moment dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.\n\nTegenstrijdig belang van de commissarissen?\n\n3.21.. \n [de bestuurder] heeft aangevoerd dat alle commissarissen een tegenstrijdig belang hadden bij het besluit hem te ontslaan als bestuurder van [geïntimeerde] . Daarom was het niet aan de raad van commissarissen om hem te ontslaan, maar op grond van artikel 2:250 lid 5 aan de algemene vergadering. Omdat het besluit door het verkeerde orgaan is genomen is dat nietig op grond van artikel 2:14 BW althans vernietigbaar vanwege een totstandkomingsgebrek als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Het tegenstrijdig belang van de commissarissen was volgens [de bestuurder] gelegen in het streven hun positie te behouden, in een situatie waarin die positie onder druk stond, ook ter voorkoming van gezichtsverlies. [de bestuurder] heeft aangevoerd dat een onderzoek naar de raad van commissarissen dreigde, dat de leden van [naam1] zich gesteld zagen voor de keuze “of de RvC eruit, of [de bestuurder] eruit”, en de commissarissen vreesden te worden weggestuurd door het opzeggen van vertrouwen door de aandeelhoudersvergadering. Bij wijze van vlucht naar voren zouden zij toen [de bestuurder] en zijn medebestuurder hebben willen ontslaan om hun eigen positie veilig te stellen. [de bestuurder] heeft verder aangevoerd dat de commissarissen uiteindelijk collectief zijn afgetreden en dat de notulen van een overleg tussen het bestuur en de raad van commissarissen van 29 november 2023 zijn gemanipuleerd om hem in een kwaad daglicht te stellen.\n\n3.22.. Dit betoog slaagt niet. De feiten en omstandigheden die [de bestuurder] heeft gesteld ter onderbouwing van zijn betoog dat de commissarissen een tegenstrijdig belang hadden, heeft hij in het licht van het verweer van [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd. Van een tegenstrijdig belang is onvoldoende gebleken. Dat de positie van de commissarissen werkelijk bedreigd werd, is niet komen vast te staan. Weliswaar heeft een van de leden (een oud-bestuurder) het opzeggen van het vertrouwen in de raad van commissarissen op de agenda van de ledenvergadering van [naam1] van 1 februari 2024 laten plaatsen, maar uit de hiervoor in 3.11 aangehaalde notulen volgt dat er voor een onderzoek naar het functioneren van de raad van commissarissen al geen meerderheid was, laat staan voor het opzeggen van vertrouwen. [de bestuurder] , die bij de ledenvergadering aanwezig was, heeft aangevoerd dat de notulen niet aan hem zijn voorgelegd, maar niet dat deze niet zouden kloppen. Het ontslagbesluit viel een week later, terwijl in de aanloop daarnaartoe dus niet bleek dat de commissarissen veel te vrezen hadden. Dat blijkt ook uit de gang van zaken op 8 februari 2024. Tijdens de algemene vergadering hebben [naam2] en [naam1] geen steun uitgesproken voor [de bestuurder] (en zijn medebestuurder) maar aan de raad van commissarissen gelaten of hij moest worden ontslagen. Uit de notulen van de algemene vergadering blijkt niet dat [naam1] partij kiest voor [de bestuurder] of tegen de raad van commissarissen of dat de positie van de commissarissen anderszins onder druk stond. Ook uit een e-mail van de voorzitter van de ondernemingsraad aan de commissarissen van 8 december 2023 blijkt niet dat de raad van commissarissen onder vuur ligt; de ondernemingsraad zoekt in die brief juist steun van de raad van commissarissen tegen het bestuur. Dat er een nadere ledenvergadering zou komen waarop het functioneren van de raad van commissarissen weer aan de orde kon komen, is tegen deze achtergrond onvoldoende voor een ander oordeel; overigens is op die nadere ledenvergadering, van 26 februari 2024, blijkens de notulen daarvan, ook niet tot een onderzoek besloten. Dat de commissarissen eind 2024 uiteindelijk zijn afgetreden, leidt evenmin tot de conclusie dat zij ten tijde van het ontslag van [de bestuurder] zozeer onder druk stonden dat sprake was van zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden getwijfeld of zij zich bij hun handelen uitsluitend hebben laten leiden door het vennootschappelijk belang. De notulen van het overleg tussen bestuur en raad van commissarissen van 23 november 2023, gemanipuleerd of niet, zijn voor het oordeel van het hof niet van belang en kunnen verder buiten beschouwing blijven.\n\n3.23.. Omdat geen tegenstrijdig belang is gebleken, was de raad van commissarissen bevoegd om over het ontslag te besluiten en is geen sprake van een totstandkomingsgebrek.\n\nRaadgevende stem en hoorrecht\n\n3.24.. \n [de bestuurder] heeft betoogd dat zijn hoorrecht (tegenover de raad van commissarissen) en zijn raadgevende stem (in de algemene vergadering die voor het ontslag werd geraadpleegd door de raad van commissarissen) zijn geschonden, omdat het besluit van de raad van commissarissen al vaststond. Hij heeft daarbij gewezen op uitlatingen van of namens de commissarissen waar dat uit zou blijken en verder op het feit dat de raad van commissarissen al voor de vergadering waarvoor zijn ontslagbesluit was geagendeerd voorbereidingen trof voor de aanstelling van nieuwe bestuurders. Verder zou [de bestuurder] niet alle vergaderstukken voor de vergaderingen hebben gekregen, waarbij hij wijst op een schriftelijke reactie van [naam2] aan de raad van commissarissen en een brief van de voorzitter van de raad van commissarissen aan [naam2] .\n\n3.25.. Dit betoog slaagt niet; de omstandigheden die [de bestuurder] aanvoert, leiden niet tot de conclusie dat zijn hoorrecht en raadgevende stem zijn geschonden; die gestelde schending is daarmee onvoldoende onderbouwd. Voorop staat dat het hoorrecht en de raadgevende stem aan de orde zijn bij een voorgenomenontslagbesluit. Daarbij ligt het niet voor de hand dat de raad van commissarissen lichtvaardig tot zo’n voornemen komt, zodat minst genomen de gedachte moet leven dat het beter is zonder de bestuurder verder te gaan. Desalniettemin moeten de uitoefening van de raadgevende stem en het hoorrecht (nog) van invloed kunnen zijn op de daadwerkelijke totstandkoming van het besluit. Daarbij tekent het hof aan dat de raadgevende stem bedoeld is om het belang van de vennootschap te dienen; niet het eigen belang van de bestuurder. [de bestuurder] noemt in zijn memorie van grieven vijf specifieke uitlatingen waaruit zou blijken dat het besluit van de raad van commissarissen al vaststond. Het hof gaat daar niet in mee. Een deel van de uitlatingen (uit productie 22 en productie 26 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft geen betrekking op het ontslagbesluit maar op het besluit om [de bestuurder] als bestuurder te schorsen, dat voorafging aan de beraadslagingen waaruit uiteindelijk het ontslagbesluit is gevolgd. Voor het overige volgt uit de uitlatingen weliswaar dat de raad van commissarissen overtuigd was van zijn voornemen [de bestuurder] te ontslaan en de gedachte dat (de verschillende stakeholders in de onderneming meenden dat) [geïntimeerde] beter af was zonder [de bestuurder] in het bestuur, maar dat is (gelezen in de context en de overige inhoud van de producties 19, 24 en 25) onvoldoende om aan te nemen dat het besluit al vast stond en de commissarissen niet meer open stonden voor beïnvloeding van hun standpunt door [de bestuurder] (en door de aandeelhouders). De vergaderingen waren in dat opzicht ook geen wassen neus. [de bestuurder] heeft in de algemene vergadering ruim gelegenheid gekregen en genomen om zijn positie toe te lichten, ook via zijn advocaat (wiens spreekaantekeningen twaalf bladzijden beslaan). Na een schorsing hebben de commissarissen en de aandeelhouders gelegenheid gekregen op [de bestuurder] te reageren; ook [de bestuurder] heeft aan de discussie daarna deelgenomen. Dat de aandeelhouders en commissarissen niet uitvoerig(er) hebben gereageerd en niet overtuigd zijn geraakt door zijn weerwoord maakt niet dat [de bestuurder] ’ rechten zijn geschonden. De algemene vergadering leverde de raad van commissarissen in ieder geval de informatie op dat de aandeelhouders, naar aanleiding van [de bestuurder] ’ weerwoord, zich niet tegen het voorgenomen besluit keerden. Dat de vergadering van de raad van commissarissen slechts kort duurde, maakt evenmin dat [de bestuurder] ’ rechten geschonden zijn; ook in die vergadering is hij gehoord en overigens waren de commissarissen aanwezig bij de algemene vergadering van aandeelhouders toen [de bestuurder] met zijn advocaat daar zijn standpunt uiteenzette. Verder is van belang dat de uitlatingen waar [de bestuurder] zich op beroept, steeds uitlatingen aan hem of zijn advocaat zijn. Niet gebleken is dat dergelijke uitlatingen ook aan werknemers of anderen in de organisatie (dan de aandeelhouders), zijn gedaan, waardoor mogelijk zou kunnen worden aangenomen dat de raad van commissarissen zich in een positie had gemanoeuvreerd waaruit hij niet terug kon. [de bestuurder] heeft dit wel gesteld, maar de citaten die volgens [de bestuurder] in de organisatie zijn gecommuniceerd stemmen woord voor woord overeen met de correspondentie aan [de bestuurder] en zijn advocaat, terwijl bij die citaten geen bron vermeld staat en niet van verzending aan anderen is gebleken. Dat ook buiten de organisatie uitlatingen zijn gedaan heeft [de bestuurder] niet gesteld.\n\n3.26.. Dat de raad van commissarissen in de weken voorafgaand aan het ontslagbesluit de benoeming van nieuwe bestuurders voorbereidde, maakt niet dat het besluit al vaststond. Omdat het ontslag van beide bestuurders was voorgenomen, moest de raad van commissarissen maatregelen treffen voor het geval het voorgenomen besluit daadwerkelijk zou worden genomen; anders zou [geïntimeerde] zonder bestuur komen te zitten.\n\n3.27.. \n [geïntimeerde] heeft betwist dat vergaderstukken niet met [de bestuurder] gedeeld zijn. [de bestuurder] heeft niet nader toegelicht dat het bij de brief aan [naam2] (die volgens [geïntimeerde] dezelfde inhoud heeft als de brief die aan [de bestuurder] is gestuurd met de onderbouwing van het voorgenomen ontslag) en de reactie van [naam2] om vergaderstukken ging waarvan hij kennis had mogen nemen. Dat voorafgaand aan een vergadering tussen twee deelnemers wordt gecorrespondeerd, maakt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat alle vergadergerechtigden van die correspondentie kennis moeten kunnen nemen. Dat [de bestuurder] ’ rechten hiermee geschonden zijn, is aldus onvoldoende komen vast te staan.\n\n3.28.. Voor zover [de bestuurder] ook in hoger beroep nog aanvoert dat hij onvoldoende tijd had om zich voor te bereiden omdat hij, nadat hij al op 19 december 2023 was uitgenodigd voor de op 8 februari 2024 te houden vergaderingen over het voorgenomen ontslagbesluit, pas op 29 januari 2024 de gronden van het ontslag te horen kreeg, slaagt dit betoog niet. Het hof neemt het oordeel van de rechtbank ter zake over en maakt dit tot het zijne: het tijdsverloop is ongelukkig maar de gronden zijn voldoende ruim voor de vergaderingen aangevoerd. [de bestuurder] heeft onvoldoende concreet gemaakt dat hij daardoor is belemmerd in de mogelijkheden om verweer tegen het voorgenomen besluit te voeren. Daarbij weegt mee dat in de tussentijd enig overleg tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] is geweest over een minnelijke regeling waarbij gekeken is naar andere managementfuncties voor [de bestuurder] binnen [geïntimeerde] .\n\nStrijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW en strijd met het belang van de onderneming\n\n3.29.. \n [de bestuurder] stelt dat het besluit waarmee hij is ontslagen vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW omdat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die [geïntimeerde] en de raad van commissarissen jegens hem als bestuurder moesten betrachten. Hij heeft daarbij gewezen op een gebrekkige onderbouwing van het besluit (met volgens [de bestuurder] leugenachtige verklaringen over een gebrek aan steun voor hem binnen de organisatie en kritiek op hem die niet eerder was geuit, die tegenstrijdig was en in strijd met eerdere positieve beoordelingen) terwijl die onderbouwing ook nog te laat kwam zowel voor hem als voor de aandeelhouders en de leden van [naam1] , op het niet delen van vergaderstukken, op trage verslaglegging achteraf en op schending van het adviesrecht van de ondernemingsraad.\n\n3.30.. Het betoog van [de bestuurder] slaagt niet. Voorop staat dat de raad van commissarissen beleidsvrijheid heeft en dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of de raad van commissarissen bij het nemen van het besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid heeft betracht.Daarbij komt dat de gronden voor het ontslag als bestuurder wel kunnen meewegen bij de eventuele arbeidsrechtelijke consequenties van dat ontslag – indien sprake is van een arbeidsovereenkomst – maar niet bij de vraag of het besluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b.\n\n3.31.. Voor zover tegen deze achtergrond al plaats is voor een beoordeling van de redelijkheid van de onderbouwing van het ontslagbesluit door de raad van commissarissen, heeft [de bestuurder] onvoldoende toegelicht dat die onderbouwing te mager is of niet deugt. Niet is gebleken dat [de bestuurder] voldoende steun kreeg binnen de organisatie. Hij beroept zich op steun van de leden van [naam1] , die volgens hem niet eens wisten van het voorgenomen ontslag. Dat voorgenomen ontslag is echter uitvoerig besproken op de ledenvergadering van 1 februari 2024. Tijdens die vergadering zijn door [naam1] -leden verwijten gemaakt aan zowel bestuur als raad van commissarissen maar was er geen steun voor een onderzoek naar de raad van commissarissen, laat staan voor het opzeggen van vertrouwen, terwijl diverse leden een beroep op [de bestuurder] deden om het ontslag te aanvaarden en een nieuwe rol binnen de organisatie op zich te nemen. Ook van steun van de ondernemingsraad voor [de bestuurder] is niet gebleken. Integendeel, in de email van 8 december 2023 spreekt de ondernemingsraad uit dat iedere vorm waarin [de bestuurder] (en zijn medebestuurder) nog in functie is (zijn), geen optie meer is. Dat de ontslaggronden pas laat aan [de bestuurder] zijn medegedeeld is hiervoor in 3.28 behandeld en maakt het besluit om diezelfde redenen niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dat ook de aandeelhouders en de leden van [naam1] pas laat werden geïnformeerd maakt het besluit niet onredelijk, ook gelet op de poging van de raad van commissarissen om met [de bestuurder] een andere oplossing (een andere functie binnen [geïntimeerde] ) te vinden. Voor zover [de bestuurder] ook in dit verband een beroep doet op het ontbreken van vergaderstukken en de schending van het adviesrecht van de ondernemingsraad wijst het hof naar 3.27 respectievelijk 3.37. Ook dit levert geen strijd met de redelijkheid en billijkheid op. Dat het verslag van de vergadering(en) pas laat beschikbaar kwam is vervelend maar maakt het besluit niet vernietigbaar; niet gebleken is overigens dat [de bestuurder] daarover heeft geklaagd of erdoor is geschaad. Bij de beoordeling van de vraag of het besluit in strijd is met de jegens [de bestuurder] in acht te nemen redelijkheid en billijkheid weegt verder mee dat, hoewel [de bestuurder] zonder meer belang had bij het behoud van zijn positie als bestuurder, niet is gebleken dat het ontslag voor hem directe financiële gevolgen had. Zijn financiële positie werd immers geregeld door de overeenkomst van opdracht (wat het hof hieronder in 3.49 en verder uitwerkt), die niet door het ontslag als bestuurder werd geraakt.\n\n3.32.. \n [de bestuurder] heeft verder aangevoerd dat het ontslagbesluit in strijd was met het belang van de vennootschap en haar onderneming dat de raad van commissarissen op grond van artikel 2:250 lid 2 BW moet behartigen en dat het besluit daarom ongeldig is.\n\n3.33.. Dit argument van [de bestuurder] slaagt niet. Ook al zou het besluit van de raad van commissarissen niet in het belang van de onderneming zijn, dan levert dat nog geen strijd met de wet op in de zin van artikel 2:14 BW. Verder is geen sprake van (strijd met) een regel die de totstandkoming van besluiten betreft als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Voor zover [de bestuurder] bedoelt dat het besluit om deze reden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (in de zin van artikel 2:15 lid 1 sub b BW) – daarbij kan het belang van de vennootschap een rol spelen – slaagt het evenmin. Dat het besluit van de raad van commissarissen niet in het belang van de onderneming is, is onvoldoende toegelicht, ook als het wordt bezien in samenhang met hetgeen hiervoor over beweerde schending van de redelijkheid en billijkheid is overwogen. Ook daarom kan een beroep op de ongeldigheid van het besluit niet slagen.\n\n3.34.. Het betoog van [de bestuurder] richt zich op het functioneren van de raad van commissarissen in de periode van medio 2023 tot aan hun aftreden eind 2024. [de bestuurder] meent dat de raad van commissarissen zich op de stoel van het bestuur heeft geplaatst, allerlei maatregelen in strijd met de wet en statuten nam en niet in het belang van de onderneming heeft gehandeld. Dat speelt onder meer bij het ontslag van eerdere bestuurders, bij de aanstelling van een interimbestuurder en bij het schorsen en ontslaan van [de bestuurder] en zijn medebestuurder. Dat ontslag leverde een continuïteitsrisico op omdat opvolging niet adequaat was geregeld en onervaren opvolgend bestuurders zijn benoemd, juist degenen die in het [naam1] -bestuur zaten en [de bestuurder] ’ ontslag steunden. Verder werd de toezegging dat een governance-onderzoek zou plaatsvinden na [de bestuurder] ’ ontslag niet nagekomen, terwijl de onderneming verlies bleef lijden.\n\n3.35.. Een en ander maakt niet dat het besluit in strijd was met het belang van [geïntimeerde] en haar onderneming. Het is duidelijk dat [geïntimeerde] in zwaar weer verkeerde, verlies leed en gebukt ging onder verschillen van inzicht over hoe het tij gekeerd moest worden. De raad van commissarissen wijst naar het bestuur en [de bestuurder] wijst terug. De leden van [naam1] uitten in de ledenvergadering van 1 februari 2024 kritiek op zowel het bestuur als de raad van commissarissen maar steunden niet in meerderheid een onderzoek naar de laatste. Wie voor de gang van zaken verantwoordelijk is en wie het bij het rechte eind heeft wat betreft de te treffen maatregelen, kan hier echter in het midden blijven; het beleid van de onderneming ligt hier niet ter toetsing voor. In deze procedure gaat het enkel om het ontslagbesluit. Waarom dit specifieke besluit in strijd is met het belang van de onderneming (zozeer dat het ook in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en daarom vernietigbaar), heeft [de bestuurder] onvoldoende toegelicht. Dat juist of alleen hij [geïntimeerde] uit het slop kon trekken is niet gesteld of gebleken. Dat de opvolging niet goed geregeld was, is evenmin voldoende onderbouwd. Dat zijn opvolgers, ook leden van [naam1] , geen bestuurservaring zouden hebben, is daarvoor onvoldoende. Dat zij eerder lid waren van het [naam1] -bestuur maakt niet dat het besluit in strijd was met het belang van [geïntimeerde] of haar onderneming. Dat het ontslag van [de bestuurder] niet tot een verbetering van de resultaten heeft geleid, evenmin.\n\nAdviesrecht van de ondernemingsraad\n\n3.36.. \n [de bestuurder] heeft aangevoerd dat de ondernemingsraad niet tijdig om advies is gevraagd over het voorgenomen besluit tot ontslag. Het advies werd pas gevraagd toen dat niet meer van invloed kon zijn omdat het besluit al vaststond. Dat maakt het besluit volgens hem in strijd met de wettelijke bepalingen die de totstandkoming van besluiten regelen (in de zin van artikel 2:15 lid 1 sub a BW) en in strijd met de redelijkheid en billijkheid (in de zin van artikel 2:15 lid 1 sub b BW) die [geïntimeerde] jegens de ondernemingsraad in acht moeten nemen.\n\n3.37.. Dit betoog slaagt niet. Dat het besluit van de raad van commissarissen niet slechts voorgenomen was maar reeds genomen zou zijn, is niet komen vast te staan, zie 3.25 en 3.26 hiervoor. Daarbij komt dat niet is gebleken dat de ondernemingsraad zelf heeft geklaagd over een te late adviesaanvraag, terwijl dit toch in de eerste plaats op zijn weg ligt. Dat de ondernemingsraad zich kon vinden in het voorgenomen ontslag was overigens geen verrassing gelet op zijn “brandbrief” van 14 november 2023 aan directie en raad van commissarissen (over openlijke onvrede en gebrek aan vertrouwen in de directie) en gelet op de hiervoor genoemde e-mail van diens voorzitter aan de commissarissen van 8 december 2023. Los daarvan is artikel 30 WOR geen wettelijke bepaling over de totstandkoming van besluiten in de zin van artikel 2:15 lid 1 sub a BW, zodat schending daarvan niet leidt tot vernietigbaarheid van het ontslagbesluit. Daarbij komt dat een eventuele actie tegen schending van het adviesrecht aan de ondernemingsraad toekomt en niet aan [de bestuurder] als (gewezen) bestuurder.\n\nTussenconclusie geldigheid van het ontslagbesluit\n\n3.38.. \n [de bestuurder] ’ betoog dat het ontslagbesluit nietig of vernietigbaar is, slaagt niet. Het besluit blijft in stand. Een terugkeer van [de bestuurder] als statutair bestuurder heeft verder geen grondslag.\n\n3.39.. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen; [de bestuurder] heeft geen voldoende specifiek bewijs aangeboden en geen bewijs aangeboden van feiten of omstandigheden die, als zij zouden komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden leiden.\n\nKwalificeert de rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] als arbeidsovereenkomst?\n\n3.40.. \n [de bestuurder] heeft zich op het standpunt gesteld dat er tussen hem en [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst bestaat. Met een rechtsgeldig besluit tot ontslag als bestuurder van een vennootschap eindigt ook een arbeidsovereenkomst tussen een werknemer-bestuurder en de vennootschap. Op grond van artikel 7:682 lid 3 BW kan een werknemer (los van het vennootschapsrechtelijke ontslag) ook het arbeidsrechtelijke ontslag aan de rechter voorleggen. [de bestuurder] heeft tijdig bij de kantonrechter een voorwaardelijk verzoek ingediend om toekenning van een billijke vergoeding. Naar zijn mening is er sprake van een arbeidsovereenkomst en is het einde daarvan het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] , zodat hij aanspraak maakt op een billijke vergoeding. Die verzoekschriftenprocedure bij de kantonrechter is aangehouden tot in deze procedure een oordeel is gegeven over de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] .\n\nJuridisch kader\n\n3.41.. Een arbeidsovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Dat staat in artikel 7:610 lid 1 BW. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg van de overeenkomst worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.\n\n3.42.. Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder meer zijn: (i) de aard en duur van de werkzaamheden, (ii) de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, (iii) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, (iv) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, (v) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, (vi) de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, (vii) de hoogte van deze beloningen, en (viii) de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn (ix) of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.Er is geen sprake van een rangorde van de verschillende genoemde omstandigheden.\n\nOvereengekomen rechten en verplichtingen\n\n3.43.. De overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] (en [de management-BV] ) is aangegaan op 16 mei 2019. Vóór de herstructurering van dat moment was er een overeenkomst, ook aangeduid als overeenkomst van opdracht, met een andere vennootschap in de groep. Per 1 februari 2022 werd [de bestuurder] die op basis van de overeenkomst van opdracht al werkzaam was in de onderneming van [geïntimeerde] , ook benoemd tot bestuurder. Ook voor het geval het ontslag als bestuurder van 8 februari 2024 geldig is, zijn partijen het erover eens dat (uit hun afspraken voortvloeit dat) de overeenkomst van 16 mei 2019 na het ontslag als bestuurder is blijven bestaan, totdat deze door opzegging is geëindigd op 2 juli 2025.\n\n3.44.. De overeenkomst van opdracht is aangegaan tussen [geïntimeerde] , [de management-BV] en [de bestuurder] . Tegen deze achtergrond gaat het erom welke rechten en verplichtingen golden tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] .\n\n3.45.. Op grond van de overeenkomst ondersteunde [de management-BV] [geïntimeerde] waarbij [de bestuurder] de werkzaamheden feitelijk uitvoerde. Het ging daarbij om een 100% omvang, [de bestuurder] moest 231 dagen per jaar werken, ofwel 40 uur per week met 35 vakantiedagen. Uit het reglement volgt dat [de bestuurder] de werkzaamheden zelf moest uitvoeren en zich niet kon laten vervangen (anders dan met toestemming van [geïntimeerde] ).\n\n3.46.. \n [geïntimeerde] betaalde [de management-BV] maandelijks een vergoeding. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [de bestuurder] toegelicht dat [de management-BV] een deel van die vergoeding aan hem doorbetaalde als salaris of dividend en dat een deel in [de management-BV] bleef met het oog op [de bestuurder] ’ pensioen. Daarnaast had [de bestuurder] indirect, via het lidmaatschap van [naam1] en de certificaten in [naam2] , recht op een aandeel in de gemaakte winst.\n\n3.47.. \n [de bestuurder] legde verantwoording af aan de raad van commissarissen, die functioneringsgesprekken met hem voerde. De overeenkomst voorzag in een meldplicht bij al dan niet gehonoreerde nevenwerkzaamheden en bevatte een non-concurrentiebeding en een relatiebeding (zodat [de bestuurder] , net als [de management-BV] , niet voor andere opdrachtgevers kon werken) alsook een non-wervingsbeding. [de management-BV] moest zorgen dat [de bestuurder] in een passende zakelijke auto reed en kreeg daarvoor een autokostenvergoeding. [de management-BV] en [de bestuurder] waren verder onbeperkt gebonden aan het reglement dat als bijlage bij de overeenkomst van opdracht was gevoegd. Bij ziekte bestond op grond daarvan recht op doorbetaling door [geïntimeerde] voor één jaar; [geïntimeerde] heeft op haar kosten een arbeidsongeschiktheidsverzekering ten behoeve van alle [naam1] -leden gesloten voor een periode daarna. Ook kende het reglement een overlijdensuitkering voor [de management-BV] , ingeval van overlijden van [de bestuurder] . Het opnemen van vakantiedagen werd bijgehouden in een digitaal systeem.\n\nKwalificatie\n\n3.48.. Het hof ziet aanleiding eerst in te gaan op het gezichtspunt onder (v): de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen. Hierbij is van belang dat [geïntimeerde] het product is van de fusie van verschillende zelfstandige deurwaarderskantoren, [de bestuurder] mede-eigenaar was van één van deze fuserende kantoren en dit fusieproduct, na herstructurering, uiteindelijk de vorm heeft gekregen van een coöperatie ( [naam1] ) die de aandelen houdt in een B.V. ( [geïntimeerde] ). [de bestuurder] had (via [de management-BV] ) samen met de uiteindelijke belanghebbenden bij de andere leden van [naam1] indirect de zeggenschap over de onderneming van [geïntimeerde] en die onderneming werd gedreven voor hun rekening (en die van de certificaathouders in [naam2] zolang deze (via [naam2] ) winstrecht hadden). Op die manier waren zij de ondernemers achter [geïntimeerde] . De leden van [naam1] , waaronder [de bestuurder] via [de management-BV] , hebben afspraken gemaakt in de ledenovereenkomst. Als bijlage daarbij hebben zij gezamenlijk een overeenkomst van opdracht, met daarbij een reglement, vastgesteld die de rechten en verplichtingen bepaalt tussen [geïntimeerde] , de leden van [naam1] als opdrachtnemers en de uiteindelijk belanghebbenden van de leden als ingezette personen. Daartoe behoren ook de (arbeids-) voorwaarden waaronder de leden en de ingezette personen hun werkzaamheden voor [geïntimeerde] verrichten, onder meer over vakantiedagen, doorbetaling bij ziekte, arbeidsongeschiktheidsverzekering en autokosten. Daaruit volgt dat de rechten en verplichtingen tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] zijn bepaald door de leden van [naam1] waaronder [de bestuurder] (via [de management-BV] ) zelf. [de bestuurder] is een overeenkomst van opdracht aangeboden omdathij lid werd van [naam1] .\n\n3.49.. Gezichtspunt (vi) betreft de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd. Over de wijze waarop de beloning werd bepaald heeft [de bestuurder] in de dagvaarding betoogd dat deze volgde uit de staffel die [geïntimeerde] hanteert voor de diverse functies van de leden van [naam1] ; daarmee lichtte [de bestuurder] toe dat [geïntimeerde] het loon bepaalde en hij daarover niet kon onderhandelen zoals een opdrachtnemer dat kan. Bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank en in de memorie van grieven heeft hij echter betoogd dat de staffel niet meer in gebruik was en dat over het loon werd onderhandeld tussen hem en [geïntimeerde] . Bij een verandering van functie werd gesproken over de bijbehorende beloning. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij niet de hoogte van de beloning bepaalde, maar dat de leden van [naam1] , waaronder [de bestuurder] (via [de management-BV] ), zelf de beloning hadden bepaald in de vorm van een staffel die afhing van de functie die (de uiteindelijk belanghebbende achter) het lid op enig moment binnen [geïntimeerde] vervulde. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat die staffel (met geïndexeerde bedragen) nog steeds wordt gebruikt, ook al zijn sommige functieomschrijvingen niet meer in gebruik. De staffel is ook nog herkenbaar in de beloningen die aan de leden worden betaald, wat [geïntimeerde] (ook bij de mondelinge behandeling in hoger beroep) heeft toegelicht aan de hand van een overzicht van beloningen uit september 2023. Aan de hand van een agenda en een verslag van een vergadering in 2020 tussen het bestuur van [geïntimeerde] en [naam1] heeft [geïntimeerde] verder toegelicht dat toen is bevestigd dat de zeggenschap over de beloning bij [naam1] ligt. Bij die stand van zaken heeft [de bestuurder] onvoldoende toegelicht dat zijn (maandelijkse) beloning niet door (de leden van) [naam1] maar door [geïntimeerde] in overleg met hem werd vastgesteld. Van onderhandelingen tussen hem en [geïntimeerde] over de hoogte van de beloning is niet gebleken. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [de bestuurder] aangevoerd dat een ander lid een afwijkend hogere vergoeding uitonderhandelde met [geïntimeerde] , maar ook die stelling is niet (voldoende) onderbouwd. Daarmee komt vast te staan dat ook de beloning indirect werd bepaald door [de bestuurder] zelf, samen met de andere leden van [naam1] .\n\n3.50.. Naast de maandelijkse vergoeding bestond de beloning van [de bestuurder] uit zijn (indirecte) gerechtigdheid tot de winst die [geïntimeerde] maakte (of kon maken), via [de management-BV] ’s lidmaatschap van [naam1] en de certificaten in [naam2] .\n\n3.51.. Over de wijze van uitkering staat vast dat [geïntimeerde] aan [de management-BV] een managementvergoeding betaalde, die werd verhoogd met btw. [de management-BV] betaalde een deel daarvan door; een deel werd in [de management-BV] gereserveerd voor pensioen. [de bestuurder] heeft toegelicht dat [de management-BV] de maandelijkse vergoeding niet zelf aan [geïntimeerde] factureerde, maar dat [geïntimeerde] elke maand voor alle leden van [naam1] een factuur opstelde, die factuur bij zichzelf indiende en vervolgens uitbetaalde, zonder dat daar een handeling van [de bestuurder] (of [de management-BV] ) aan te pas kwam. Volgens [de bestuurder] was daarmee in wezen sprake van loonstrookjes, terwijl [geïntimeerde] heeft betoogd dat dit een service was die [geïntimeerde] voor de leden van [naam1] verrichtte. Wat van deze etikettering ook zij, het hof constateert dat over de wijze waarop de vergoeding werd uitgekeerd (een bedrag verhoogd met btw, zonder inhouding van loonbelasting, waarna een deel binnen [de management-BV] werd gereserveerd als pensioenvoorziening) tussen partijen op zichzelf geen discussie bestaat.\n\n3.52.. Gezichtspunt (viii) betreft de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Zoals hierboven genoemd had [de bestuurder] indirect aanspraak op eventueel in [geïntimeerde] gemaakte winst. Verder liep hij (via [de management-BV] ) gelet op het bepaalde in artikel 5.2 en 5.4 van de ledenovereenkomst risico op zijn aan [naam1] betaalde ledenbijdrage, waarmee hij zich als het ware moest inkopen. Daarnaast volgt uit artikel 5.6 van de ledenovereenkomst dat wanneer de solvabiliteit van [geïntimeerde] versterkt moet worden, de leden van [naam1] verplicht kunnen worden om een aanvullende ledenbijdrage te storten. [geïntimeerde] kan het te storten bedrag op grond van artikel 5.8 van de ledenovereenkomst verrekenen met de maandelijkse vergoeding. Dit was geen theoretisch risico; tussen partijen staat vast dat de leden hebben moeten bijstorten om een lening te helpen aflossen die was aangetrokken om een schikking met een voormalig mede-eigenaar te financieren.\n\n3.53.. Gezichtspunt (ii) gaat over de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald. [de bestuurder] heeft, ter onderbouwing van zijn stelling dat hij zijn werkzaamheden onder gezag van [geïntimeerde] verrichtte, erop gewezen dat hij zich moest houden aan de binnen [geïntimeerde] geldende protocollen en reglementen. Die regels waren echter door de leden van [naam1] , waaronder indirect [de bestuurder] zelf, opgesteld of vloeiden voort uit de door [naam1] opgestelde voorwaarden. Het directiereglement, van belang voor de periode dat [de bestuurder] bestuurder was, was door het bestuur vastgesteld, maar behoefde goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders (met [naam1] als enig stemgerechtigd aandeelhouder). Daarbij is niet gebleken dat die protocollen en reglementen alleen golden voor werknemers en niet (ook) voor opdrachtnemers die binnen [geïntimeerde] werkten. Sterker nog: [de bestuurder] verwijst bijvoorbeeld naar de [geïntimeerde] Geschenkenregeling en de [geïntimeerde] Incidentenregeling als voorbeelden die (mede) duiden op een gezagsverhouding. Uit die regelingen blijkt echter dat zij van toepassing zijn op zowel werknemers als op participanten als op alle overige medewerkers die namens [geïntimeerde] optreden. De binding aan deze regelingen duidt daarom niet noodzakelijkerwijs op een gezagsverhouding. Voor de periode dat [de bestuurder] bestuurder was, is nog van belang dat het toezicht van de raad van commissarissen waaronder [de bestuurder] stond, en het feit dat de raad van commissarissen geregeld met hem sprak, niet duiden op een gezagsverhouding waarbij [geïntimeerde] de werkzaamheden bepaalde. Dat past immers (ook) bij de vennootschapsrechtelijke verhoudingen. Ook als de raad van commissarissen dicht op het bestuur zou hebben gezeten, maakt dat nog niet dat de bestuurder in een gezagsrelatie tot de raad van commissarissen staat, ook gelet op de beleidsvrijheid die de raad van commissarissen toekomt bij de invulling van zijn taken. Daarbij komt dat de raad van commissarissen [de bestuurder] wel als bestuurder kon ontslaan, maar niet bevoegd was om de overeenkomst van opdracht te beëindigen, terwijl de leden van [naam1] , de aandeelhouder met stemrecht in [geïntimeerde] , het vertrouwen in de raad van commissarissen konden opzeggen, wat diens ontslag tot gevolg heeft. [naam1] was verder, op grond van artikel 7.3 van de ledenovereenkomst, bevoegd om financiële gevolgen te verbinden aan de schending door [de bestuurder] van de overeenkomst van opdracht. Ook bepaalde [naam1] in de ledenovereenkomst (artikel 9) de gevolgen van de beëindiging van de overeenkomst van opdracht. Deze gecompliceerde machtsverhoudingen, waarbij de contractuele bevoegdheden met name bij [naam1] liggen, passen niet bij een gezagsrelatie tussen werkgever en werknemer. [de bestuurder] heeft verder aangevoerd dat hij goedkeuring van (de algemeen directeur binnen) [geïntimeerde] nodig had voor het opnemen van vakantiedagen, maar dat is in het licht van het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd. [de bestuurder] heeft een foto van het inlogscherm van de vakantiedagenadministratie overgelegd, met daarop de button ‘Verlof aanvragen’. Maar tegenover de betwisting van [geïntimeerde] dat vakantiedagen werden geregistreerd zodat de leden van [naam1] onderling konden controleren of elk van hen het afgesproken aantal werkdagen per jaar maakte, heeft [de bestuurder] niets meer ingebracht, zoals een verklaring van de algemeen directeur hierover of een voorbeeld dat hem vakantie ook daadwerkelijk is geweigerd.\n\n3.54.. De voorgaande vier gezichtspunten wijzen er sterk op dat tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Uit de genoemde omstandigheden volgt dat [de bestuurder] mede-ondernemer was via [geïntimeerde] en samen met zijn mede-ondernemers bepaalde onder welke voorwaarden zij hun werkzaamheden voor de gezamenlijke onderneming verrichtten en welke beloning zij daarvoor kregen. Zijn beloning als geheel, inclusief het risico bij verliezen in de onderneming van [geïntimeerde] , duiden ook op ondernemerschap. Van een gezagsrelatie tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] is geen sprake, ook al is dat bij een bestuurder van een vennootschap mogelijk minder zwaarwegend.Van belang is dat de regels van [geïntimeerde] waar [de bestuurder] zich aan moest houden, (uiteindelijk) door de leden van [naam1] waren bepaald.\n\n3.55.. De overige gezichtspunten zijn in dit geval onvoldoende richtinggevend voor de ene of de andere uitkomst en leiden in ieder geval niet tot een andere conclusie. Wat betreft gezichtspunt (i), de aard en duur van de werkzaamheden, geldt dat de leidinggevende aard van [de bestuurder] ’ werkzaamheden en de onbepaalde tijd ervan op zichzelf passen bij een arbeidsovereenkomst. Deze passen echter evenzeer bij een bestendige vorm van mede-ondernemerschap zoals bij [naam1] en haar leden, waarbij een van de leden gedurende enige tijd deel uitmaakt van het bestuur van de onderneming. Voor gezichtspunt (iii), de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, is van belang dat [de bestuurder] en zijn werkzaamheden waren ingebed in de organisatie en bedrijfsvoering van [geïntimeerde] . Dat kan duiden op een arbeidsovereenkomst, maar past evenzeer bij een bestendige vorm van mede-ondernemerschap waarin de leden van [naam1] hebben bepaald op welke manier zij met elkaar samenwerken. Bij gezichtspunt (iv), het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat de overeenkomst is aangegaan met het oog op de persoon van [de bestuurder] , wat kan passen bij zowel een arbeidsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht. Van belang is dat uit het reglement bij de overeenkomst van opdracht volgt dat [de bestuurder] zich niet zomaar kon laten vervangen. Dat kan duiden op een arbeidsovereenkomst, maar past ook bij onderlinge afspraken tussen ondernemers om samen te werken, waarbij ook nog meeweegt dat het gaat om een deurwaarderskantoor waarbij de specifieke hoedanigheid van deurwaarder van belang was. Er is bovendien geen gebruik gemaakt van de vervangingsmogelijkheid, noch is vervanging ooit besproken zodat dit beding geen daadwerkelijke betekenis heeft (gehad). Wat betreft gezichtspunt (vii), de hoogte van de beloning, is relevant dat de managementvergoeding van [de management-BV] ten tijde van de functie van [de bestuurder] als bestuurder € 19.921,75 exclusief btw per maand bedroeg (en blijkens de overeenkomst van opdracht in de periode voordat hij bestuurder was € 13.940,67). [de bestuurder] heeft toegelicht dat dit bedrag niet aansluit bij vergoedingen voor echte zelfstandigen en erop gewezen dat zijn vergoeding veel lager was dan wat verschillende interim-bestuurders van [geïntimeerde] maandelijks als vergoeding als opdrachtnemer kregen. Daar staat tegenover dat die bestuurders geen lid waren maar daadwerkelijk “interimmer”, terwijl [de bestuurder] een vaste functie had, waarvan de vergoeding volgde uit de door de leden van [naam1] bepaalde staffel en hij daarnaast nog gerechtigd was tot een winstdeel. Gezichtspunt (ix) betreft de vraag of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. In dit geval werd het ondernemerschap van [de bestuurder] , met dat van zijn mede-leden van [naam1] , uitgeoefend in hun gezamenlijke onderneming [geïntimeerde] . Daarom is voor [de bestuurder] ’ ondernemerschap niet van belang of hij (met [de management-BV] ) behalve voor [geïntimeerde] nog voor andere opdrachtgevers werkte. [geïntimeerde] werkt voor verschillende opdrachtgevers. [geïntimeerde] heeft gewezen op de fiscale behandeling van [de bestuurder] als ondernemer en op het opbouwen van een eigen pensioenvoorziening in [de management-BV] , wat eerder wijst op ondernemerschap dan op werknemerschap. In [geïntimeerde] vindt, uiteindelijk voor rekening van [de bestuurder] en de leden van [naam1] , acquisitie en marketing plaats, waarvan [de bestuurder] via de bedrijfsresultaten van [geïntimeerde] profiteerde.\n\nTussenconclusie kwalificatie rechtsverhouding [geïntimeerde] en [de bestuurder]\n\n3.56.. De rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] was geen arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW.\n\n3.57.. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen; [de bestuurder] heeft geen voldoende specifiek bewijs aangeboden en geen bewijs aangeboden van feiten of omstandigheden die, als zij zouden komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden leiden.\n\nDe conclusie\n\n3.58.. Het hoger beroep slaagt niet, zodat er ook geen redenen zijn anders te oordelen over de proceskostenveroordeling van [de bestuurder] in eerste aanleg. Omdat [de bestuurder] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de bestuurder] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.\n\n3.59.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1.. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 februari 2025;\n\n4.2.. \n\nveroordeelt [de bestuurder] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :\n\n€ 827 aan griffierecht\n\n€ 2.580 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);\n\n4.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.4.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, G.A. Diebels en Th. Veling, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:1655.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, rov. 3.4.3.\n\n HR 26 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4887, HR 10 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1657, rov. 3.5.2.\n\n Hof Arnhem 18 augustus 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BK8820, rov. 4.20.\n\n HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, rov. 3.2.3, 3.2.4 (Deliveroo).\n\n HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, rov. 3.2.5 (Deliveroo) en HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319, rov. 3.1 (Uber).\n\n HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319, rov. 3.3 (Uber).\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4294, rov. 3.43.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3978","2026-07-13T00:29:32.074Z",{"id":149,"ecli":150,"slug":151,"caseNumber":44,"courtId":143,"decisionDate":152,"fullText":153,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":154,"sourceTimestamp":152,"parsedAt":52,"updatedAt":155},"1108","ECLI:NL:GHARL:2026:3919","ecli-nl-gharl-2026-3919","2026-06-15T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem , afdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.362.084\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 11573047)\n\nbeschikking van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nStichting IrisZorg (IrisZorg),\n\ndie is gevestigd in Arnhem ,\n\nadvocaat: mr. C.M. Hermesdorf,\n\nen\n\n [verweerster] ( [de werkneemster] ),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. F.A.J.M. Peeters.\n\nHet verloop van de procedure in hoger beroep1.1. IrisZorg heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem , op 28 augustus 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met bijlagen (producties), op de griffie binnengekomen op 27 november 2025\n\nhet verweerschrift met producties\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 15 april 2026 is gehouden.1.2. \n\nPartijen hebben het hof om een uitspraak verzocht die is bepaald op vandaag.\n\nDe kern van de zaak\n\n2.1. IrisZorg heeft [de werkneemster] op 31 januari 2025 tijdens ziekte op staande voet ontslagen vanwege het verrichten van nevenwerkzaamheden zonder toestemming. [de werkneemster] vindt dat onterecht en wil graag terug in dienst. IrisZorg wil dat niet en heeft voorwaardelijk om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht.\n\n2.2. De kantonrechter heeft op verzoek van [de werkneemster] het ontslag op staande voet vernietigd omdat er geen dringende reden was voor dat ontslag. Het in reactie daarop ingediende voorwaardelijke verzoek van IrisZorg tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, dat gelijktijdig is behandeld, is door de kantonrechter afgewezen. De arbeidsovereenkomst is dus niet geëindigd. Het hoger beroep van IrisZorg richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet onterecht is en dat er geen reden is om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.\n\nHet oordeel van het hof\n\n3.1. Het hof oordeelt dat het ontslag op staande voet van 31 januari 2025 wel geldig was. Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op de datum van deze beschikking, voor zover de arbeidsovereenkomst op dat moment (nog) bestaat. Het hof licht hieronder toe hoe het tot dit oordeel is gekomen. Wat is er gebeurd?3.2. De kantonrechter heeft in zijn beschikking onder 2.1 tot en met 2.16 de relevante feiten vastgesteld. Het hof neemt die over en geeft die hieronder verkort weer, aangevuld met in hoger beroep nieuw gebleken feiten.3.3. IrisZorg is een organisatie in de verslavingszorg. [de werkneemster] is daar op 24 augustus 2019 in dienst getreden in de functie van Toezichthouder voor laatstelijk 24 uur per week. [de werkneemster] werkte uitsluitend in nachtdiensten. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de werknemer de werkgever vooraf toestemming vraagt om tijdens het dienstverband een nevenfunctie uit te oefenen.3.4. Op 16 januari 2023 heeft [de werkneemster] zich ziekgemeld na een incident op het werk. Op 24 april 2024 heeft [de werkneemster] onder meer [de leidinggevende] laten weten dat zij weer in staat was om te gaan werken en dat zij wil solliciteren naar een zorgfunctie voor 8 uur naast haar huidige functie. [de leidinggevende] heeft vervolgens de bedrijfsarts geïnformeerd over een gesprek dat hij op 22 mei 2024 met [de werkneemster] had. [de leidinggevende] citeert uit het gespreksverslag dat [de werkneemster] graag weer aan het werk wilde en dat de bedrijfsarts moest beoordelen of dat kon en of dat dan overdag of in de nacht was. Verder heeft [de werkneemster] in het gesprek aangegeven dat ze gestart is met werken in de nacht bij een andere werkgever, maar dat ze ‘nu nog niet’ wilde zeggen bij welke werkgever.\n\n3.5. Uit een second opinion van een externe bedrijfsarts van 13 augustus 2024 (aangevraagd door [de werkneemster] en gedeeld met de eigen bedrijfsarts) blijkt dat er geen beperkingen meer aan de orde zijn voor eigen werkzaamheden. [de werkneemster] wordt medisch gezien belastbaar geacht voor eigen werk. Op advies van de eigen bedrijfsarts is in september 2024 gestart met re-integratie in de eigen werkzaamheden, waaronder ook één keer in de nacht.\n\n3.6. Op 8 oktober 2024 heeft [de werkneemster] zich opnieuw ziekgemeld, ditmaal in verband met zwangerschapsgerelateerde klachten. Op 9 oktober 2024 vindt een gesprek plaats tussen [de manager bedrijfsvoering] , [de werkneemster] en een HR-medewerker. [de manager bedrijfsvoering] heeft daarvan een verslag opgemaakt dat hij ook aan [de werkneemster] heeft toegezonden. In dat gespreksverslag staat dat [de werkneemster] heeft verklaard tijdens verzuim gedurende enkele maanden bij een andere zorginstelling aan het werk geweest te zijn voor circa 8-12 uur per week. Daarvan zouden [de leidinggevende] en HR op de hoogte zijn geweest. IrisZorg heeft haar er in het gesprek op gewezen dat zij verplicht was hier melding van te maken, zeker tijdens verzuim. Er was bij [de leidinggevende] en HR maar beperkt informatie aanwezig en niet bekend was welke zorginstelling en ook niet welke periode het betrof. [de werkneemster] heeft die informatie in het gesprek niet alsnog verstrekt en zou dat later met de bedrijfsarts delen, aldus het gespreksverslag. [de werkneemster] heeft toen niet op het gespreksverslag gereageerd.\n\n3.7. In de WIA-aanvraag van 30 oktober 2024 die [de werkneemster] indient, is vermeld dat zij van januari 2020 tot en met januari 2023 ook een tijdelijk contract als zorgmedewerker in opleiding heeft gehad bij een andere werkgever ( [naam1] ). [de werkneemster] heeft bij de vraag in de WIA-aanvraag waarom zij het oneens is met de re-integratiedocumenten ingevuld dat zij al vier maanden niet aan het werk mocht, zij daarom met UWV heeft gebeld voor advies en dat zij aan het werk mocht. Het UWV zou dat goed hebben gevonden als zij het maar bij IrisZorg zou melden en toestemming zou krijgen, waarop [de werkneemster] in de aanvraag schrijft: ‘Dat heb ik gekregen’en ‘Sinds ik bij IrisZorg mocht reïntegreren ben ik daar gestopt’.\n\n3.8. Uit een verslag van een gesprek van 23 januari 2025 tussen [de werkneemster] en IrisZorg volgt dat IrisZorg heeft verteld dat, naar aanleiding van een bericht van het UWV over het dagloon van [de werkneemster] , onderzoek is gedaan. Daaruit is naar voren gekomen dat [de werkneemster] tijdens arbeidsongeschiktheid bij [naam2] van 27 mei 2024 tot en met 26 december 2024 een dienstverband heeft gehad voor 40 uur per week. Volgens [de werkneemster] waren alle nevendienstverbanden bij IrisZorg bekend en dateren ze van voor 2019; zij zegt dat zij dat per mail aan IrisZorg heeft bevestigd. [de werkneemster] heeft verder o.a. bevestigd dat zij naast IrisZorg ook bij [naam2] werkt en dat zij in totaal veel meer werkt dan 40 uur per week, ook tijdens verzuim. Ook staat in het verslag dat zij heeft verklaard bij [naam2] meer dan 40 uur per week te werken. IrisZorg heeft [de werkneemster] de gelegenheid geboden, ondanks dat IrisZorg de gestelde e-mailbevestiging van de nevenwerkzaamheden niet kende, om bewijs aan te leveren dat IrisZorg volledig op de hoogte was van deze nevenwerkzaamheden en de omvang daarvan. Ook op dit gespreksverslag heeft [de werkneemster] toen niet gereageerd.3.9. \n [de werkneemster] heeft geen bewijsstukken aangeleverd en na nader onderzoek heeft IrisZorg op 31 januari 2025 ontslag op staande voet gegeven. Daaraan zijn (tezamen en in onderling verband maar ook afzonderlijk) vier gedragingen ten grondslag gelegd: (i) het in strijd met de arbeidsovereenkomst en gedragscode niet vooraf vragen van toestemming voor het dienstverband bij [naam2] , (ii) het niet volledig verstrekken van informatie over de aard van het werk, de werktijden en de duur van de werkzaamheden, (iii) het in strijd met de waarheid verklaren op 9 oktober 2024 en in de WIA-aanvraag en (iv) het handelen in strijd met Poortwachterverplichtingen door de bedrijfsarts niet te informeren over de nevenwerkzaamheden.\n\n3.10. Het UWV heeft op 27 februari 2025 de WIA-aanvraag van [de werkneemster] afgewezen omdat zij per 13 augustus 2024 volledig hersteld was. Het bezwaar van IrisZorg tegen deze beslissing is ongegrond verklaard, waarin IrisZorg heeft berust.\n\n3.11. Met de beslissingen van de kantonrechter van 28 augustus 2025 is de arbeidsovereenkomst blijven bestaan. [de werkneemster] is onverminderd arbeidsongeschikt gebleven. Op 9 april 2026 heeft IrisZorg [de werkneemster] opnieuw op staande voet ontslagen. Aanleiding daarvoor zijn (nachtelijke) observaties van handelingen van [de werkneemster] die door IrisZorg zijn gekwalificeerd als het ongeoorloofd verrichten van nevenwerkzaamheden.\n\nTerecht ontslag op staande voet3.12. Naar het oordeel van het hof had IrisZorg op 31 januari 2025 een dringende reden voor het geven van een ontslag op staande voet. Dat ontslag op staande voet is onverwijld gegeven en de reden daarvoor is ook onverwijld meegedeeld. Daarvoor is het volgende van belang.\n\nwel een dringende reden3.13. IrisZorg heeft aangevoerd dat zij een dringende reden had op 31 januari 2025. [de werkneemster] heeft geen openheid van zaken gegeven en er zelfs over gelogen voor welke werkgever zij nevenwerkzaamheden verrichtte en uit hoeveel uren dat nevenwerk bestond. Zij heeft meermalen de gelegenheid daarvoor gehad, maar is (stelselmatig) niet transparant geweest, zonder steekhoudende verklaring daarvoor. Nevenwerkzaamheden zijn binnen IrisZorg niet ongebruikelijk maar dat is anders als a) de werknemer al arbeidsongeschikt is bij de start van het tweede dienstverband en b) de nevenwerkzaamheden zodanig omvangrijk zijn (40 uur) dat dit ingewikkeld of zelfs onmogelijk te combineren is met een dienstverband bij IrisZorg van 24 uur met onregelmatige diensten. De focus moet liggen op re-integratie: [de werkneemster] geeft aan graag weer te willen werken bij IrisZorg maar dat strookt niet met het tegelijkertijd aanvaarden van een tweede dienstverband elders voor 40 uur per week. Ten onrechte is verder bij IrisZorg een plicht gelegd om [de werkneemster] te bewegen tot openheid, want [de werkneemster] heeft daarin ook een eigen verantwoordelijkheid. Na de mededeling van [de werkneemster] op 22 mei 2024 was er voor IrisZorg geen reden om te twijfelen over de omvang van het tweede dienstverband, dus was er evenmin aanleiding om navraag te doen. Op 9 oktober 2024 is ten onrechte door [de werkneemster] gezegd dat het om 8-12 uur per week ging en in de WIA-aanvraag van 30 oktober 2024 gaf zij ten onrechte aan maar voor één werkgever te werken, aldus IrisZorg.\n\n3.14. \n\n [de werkneemster] heeft zich erop beroepen dat zij haar leidinggevende [de leidinggevende] op 22 mei 2024 heeft geïnformeerd over haar voornemen om eind mei 2024 bij een andere werkgever aan de slag te gaan. Naar aanleiding daarvan heeft IrisZorg niets gedaan. Ook heeft [de werkneemster] de bedrijfsarts geïnformeerd over haar nevenwerkzaamheden. [de werkneemster] heeft bevestigd tussen 27 mei 2024 en 26 december 2024 in dienst te zijn geweest bij [naam2] op de [locatie] in [plaats1] , waar zij tot haar uitval door ziekte op 8 oktober 2024 werkzaamheden heeft verricht. Tijdens het gesprek op 9 oktober 2024 heeft [de werkneemster] verteld dat haar nevenwerkgever [naam2] was, maar zij betwist te hebben gezegd dat zij daar slechts 8-12 uur werkte. De gespreksverslagen geven de gesprekken niet juist weer. Ook betwist [de werkneemster] dat zij de WIA-aanvraag onjuist heeft ingevuld: ten tijde van die aanvraag was zij weer uitgevallen en verrichtte ze geen werkzaamheden voor [naam2] . Vanaf 13 augustus 2024 is [de werkneemster] weer arbeidsgeschikt verklaard, dus heeft zij haar re-integratie niet belemmerd. Bovendien zijn het oordeel van de second opinion-arts en de afwijzing van de WIA-aanvraag door het UWV een bevestiging dat [de werkneemster] al geruime tijd arbeidsgeschikt was. Ter zitting heeft [de werkneemster] daaraan toegevoegd dat omdat IrisZorg haar ondanks herstel niet aan de slag wilde laten, zij zich wilde ‘bewijzen’ in het andere dienstverband. Tenslotte heeft [de werkneemster] gewezen op de zwaarwegende persoonlijke omstandigheid dat zij zwanger was ten tijde van het gegeven ontslag op staande voet. Bovendien is het ontslag op staande voet disproportioneel, aldus [de werkneemster] .\n\n- nevenwerkzaamhedenbeding geldig3.15. \n\nHet hof stelt voorop dat partijen bij de kantonrechter hebben gediscussieerd over de rechtsgeldigheid van het nevenwerkzaamhedenbeding in de arbeidsovereenkomst. Daarover heeft de kantonrechter geen expliciet oordeel gegeven, maar in de beschikking ligt besloten dat van de rechtsgeldigheid daarvan is uitgegaan. Er is door IrisZorg geen bezwaar gericht tegen de (impliciete) beslissing op dit onderdeel van het partijdebat, zodat het hof uit zal gaan van de rechtsgeldigheid. Dat is overigens ook juist. Artikel 7:653a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt (kort gezegd) namelijk dat een beding nietig is als het de werknemer verbiedt voor anderen te werken buiten de werktijden bij de eigen werkgever, tenzij het beding kan worden gerechtvaardigd op grond van een objectieve reden. In het nevenwerkzaamhedenbeding van [de werkneemster] staat geen expliciet verbod op nevenwerkzaamheden, maar is een verplichting opgenomen om vooraf toestemming te vragen om nevenwerkzaamheden te gaan verrichten. Ook zo’n beding valt onder de werkingssfeer van artikel 7:653a BW. IrisZorg kan toestemming alleen weigeren als daar een objectieve reden voor bestaat. Een beding waarvoor geen objectieve rechtvaardiging gegeven is of gegeven kan worden is nietig.In dit geval heeft IrisZorg erop gewezen dat met de nevenwerkzaamheden zoals [de werkneemster] die verrichtte de normen van de Arbeidstijdenwet zijn overtreden, wat een objectieve rechtvaardiging vormt om toestemming (als die gevraagd zou zijn) te mogen weigeren. Het nevenwerkzaamhedenbeding is dus geldig.\n\n- verschillende terechte verwijten3.16. Voor de beoordeling van de verschillende gedragingen die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd zijn mede de gespreksverslagen van belang. Vast staat dat pas in hoger beroep en alleen in het algemeen de juistheid van de (citaten uit de) gespreksverslagen van het gesprek van 22 mei 2024 en van 9 oktober 2024 wordt betwist. [de werkneemster] heeft niet betwist dat zij de gespreksverslagen destijds heeft ontvangen. Zij heeft na ontvangst daarvan daar niet op gereageerd noch heeft zij eventuele onjuistheden laten corrigeren. Omdat zij ook nu niet concreet maakt waarom die gespreksverslagen onjuist zijn (terwijl zij naar eigen zeggen in elk geval op 22 mei 2024 arbeidsgeschikt was zodat een psychische belemmering niet aannemelijk is) passeert het hof de stelling van onjuistheid van de gespreksverslagen. De enige toegespitste betwisting (ook al bij de kantonrechter), namelijk dat [de werkneemster] op 9 oktober 2024 niet heeft gezegd dat het dienstverband bij [naam2] maar voor 8-12 uur is, acht het hof onvoldoende gelet op de e-mail van [de werkneemster] van 24 april 2024 aan IrisZorg waarin ze het heeft over in mei ‘solliciteren naar een zorg functie voor 8 uur naast mijn huidige’en het uitblijven van enige reactie toentertijd op het verslag van het gesprek van 9 oktober 2024.\n\n3.17. Het hof oordeelt vervolgens dat verschillende verwijten die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd terecht zijn. Omdat het nevenwerkzaamhedenbeding geldig is, had [de werkneemster] vooraf aan IrisZorg toestemming moeten vragen voor het mogen gaan verrichten van nevenwerkzaamheden bij [naam2] . Dat zij dat niet heeft gedaan, heeft [de werkneemster] niet betwist. Op 22 mei 2024 heeft zij blijkens het gespreksverslag (zie 3.4) gemeld dat zij is gestart met het werken bij een andere werkgever. Dat is niet vooraf en dat is niet het vragen om toestemming. Als haar mededeling betrekking had op haar dienstverband bij [naam2] , dan is weliswaar de startdatum bij [naam2] 27 mei 2024, maar [de werkneemster] heeft in eerste aanleg aangegeven al een aantal weken daaraan voorafgaand scholing bij [naam2] te hebben gevolgd. Ook om die reden is niet vooraf om toestemming gevraagd. Op 9 oktober 2024 heeft [de werkneemster] verklaard gedurende enkele maanden bij een andere zorginstelling aan het werk geweest te zijn voor circa 8-12 uur per week (zie 3.6). Ook dat is niet vooraf en niet het vragen om toestemming. IrisZorg heeft erkend dat het niet ongebruikelijk was dat werknemers nevenwerkzaamheden verrichtten, maar door [de werkneemster] is niet concreet en onderbouwd gesteld dat dat werd goedgevonden zonder voorafgaande toestemming, wat ook niet is gebleken. Haar nevenwerkzaamheden bij [naam1] zijn bijvoorbeeld ook met toestemming verricht.\n\n3.18. Ook het tweede verwijt, namelijk het niet transparant zijn is terecht. [de werkneemster] heeft geen volledige informatie verstrekt over waar ze werkte, de aard van het werk, de werktijden en de duur van de werkzaamheden. Dat heeft zij niet uit zichzelf gedaan in de gesprekken op 22 mei 2024 en 9 oktober 2024 terwijl dit wel op haar weg lag. Omdat zij al nevenwerkzaamheden verrichtte zonder toestemming vooraf had zij op zijn minst openheid van zaken moeten geven toen zij het nevenwerk ter sprake bracht. [de werkneemster] heeft zich er nog op beroepen dat IrisZorg wist van de nevenwerkzaamheden en die zonder verder protest goed heeft gevonden. Het is juist dat op 22 mei 2024 door [de werkneemster] is gezegd dat het om nevenwerkzaamheden ging bij een zorginstelling in de nacht, maar zoals IrisZorg ter zitting heeft toegelicht was niet bekend welke zorginstelling dat was en voor hoeveel uur zij werkte. [de werkneemster] heeft op geen enkel moment duidelijk gemaakt dat de werkzaamheden 40 uur in de week bedroegen en dat had ze wel moeten doen. Bovendien bleek tijdens de zitting bij het hof dat het bij [naam2] om werkzaamheden overdag ging en niet in de nacht, en dat zij werkte op de [locatie] in [plaats1] en niet bij een zorginstelling. IrisZorg heeft bij het hof uitgelegd dat als zij had geweten dat de omvang 40 uur was, zij geen toestemming voor de nevenwerkzaamheden zou hebben gegeven, onder meer gelet op de maximale arbeidstijden, minimale rusttijden en regels rond nachtwerk uit de Arbeidstijdenwet. Dat had ook voor [de werkneemster] zonder meer duidelijk moeten zijn.3.19. Verder neemt het hof over dat [de werkneemster] niet eerlijk is geweest in het gesprek op 9 oktober 2024. Uit het gespreksverslag blijkt dat zij toen 8-12 uur per week heeft genoemd, wat aansluit bij haar e-mail van 24 april 2024 waarin [de werkneemster] het in mei solliciteren op een functie voor 8 uur per week noemt. Op 9 oktober 2024 was [de werkneemster] echter al maanden voor 40 uur per week bij [naam2] aan het werk geweest, zodat zij met haar mededeling in het gesprek een verkeerd beeld bij IrisZorg heeft geschetst. Ter zitting heeft [de werkneemster] niet aannemelijk kunnen maken dat zij niet 40 uur per week heeft gewerkt. Zij heeft genoemd dat zij in het begin elke paar dagen vooral toetsen moest maken, dat zij geen 40 uur hoefde te werken maar dat zij wel een fulltime salaris kreeg. Dat heeft zij verder niet concreet onderbouwd en past, naar het oordeel van het hof, eerder bij haar opmerking dat zij voor de start van het dienstverband eerst scholing kreeg.\n\n3.20. Ook is [de werkneemster] niet eerlijk geweest in de WIA-aanvraag. Zij heeft geschreven dat zij toestemming had voor het verrichten van nevenwerkzaamheden terwijl dat niet zo was. Bovendien is onjuist wat [de werkneemster] schreef namelijk dat toen zij startte met de re-integratie (september 2024), zij zou zijn gestopt (zie 3.7). [de werkneemster] was namelijk nog gewoon voor 40 uur per week in dienst bij [naam2] terwijl zij toen (september 2024) naar eigen zeggen ook niet arbeidsongeschikt was. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [de werkneemster] tijdens de mondelinge behandeling dat IrisZorg de WIA-aanvraag voor haar zou hebben ingevuld. Vast staat dat zij dat samen met iemand van HR van IrisZorg heeft gedaan, waarbij [de werkneemster] echter de verantwoordelijkheid voor de juistheid droeg, terwijl niet is gebleken dat zij op dat moment last had van zodanige medische belemmeringen dat zij dat invullen niet volledig en naar waarheid zou kunnen.\n\n3.21. \n [de werkneemster] heeft haar stelling dat zij de bedrijfsarts heeft geïnformeerd over haar nevenwerkzaamheden bij [naam2] niet concreet gemaakt, bijvoorbeeld wat ze heeft verteld en wanneer zij dat met de bedrijfsarts heeft gedeeld. Uit de verslagen van de bedrijfsarts van april, mei, september en oktober 2024 blijkt niet dat de bedrijfsarts op de hoogte was van de nevenwerkzaamheden (of de daaraan voorafgaande scholing), de aard daarvan of de omvang. Andere aanwijzingen dat de bedrijfsarts door [de werkneemster] is geïnformeerd zijn er ook niet. Het hof passeert daarom die stelling.\n\n3.22. \n\nDoordat niet vaststaat dat [de werkneemster] de primaire bedrijfsarts heeft geïnformeerd over de aard van het nevenwerk bij [naam2] , de plaats, de omvang en de periode (27 mei tot 8 oktober 2024) daarvan, is niet uit te sluiten dat de bedrijfsarts in mei of september 2024 de actuele belastbaarheid van [de werkneemster] niet goed heeft kunnen beoordelen. Zo schrijft de bedrijfsarts bijvoorbeeld op 24 mei 2024 dat het doel van de re-integratie terugkeer is in passend werk, dat in de komende tijd mogelijkheden zullen zijn bijvoorbeeld voor 2 x 2u en dat zij, met de informatie die zij toen had, geen goed oordeel kon geven over de mogelijkheden, de beperkingen en de prognose ervan. [de werkneemster] heeft er terecht op gewezen dat zij op 13 augustus 2024 door de second opinion-arts arbeidsgeschikt is bevonden. Niettemin vereisen de Poortwachterverplichtingen dat zij al in mei 2024 de bedrijfsarts had moeten informeren. Als de bedrijfsarts toen had geweten van nevenwerkzaamheden voor 40 uur in de week was misschien de re-integratie anders vormgegeven of was het tot een hersteldverklaring door de bedrijfsarts gekomen. Dat klemt des te meer omdat de second opinion-arts blijkens diens oordeel wel was geïnformeerd over nevenwerkzaamheden en hij [de werkneemster] , mede op basis daarvan, arbeidsgeschikt verklaarde. Dat de bedrijfsarts daarna de second opinion niet met [de werkneemster] heeft besproken maakt een en ander niet anders.\n\n- weging van de omstandigheden3.23. \n [de werkneemster] heeft nog gewezen op een aantal bijzondere omstandigheden die het hof meeweegt. Dat [de werkneemster] op 31 januari 2025 zwanger was is hier geen bijzondere omstandigheid die aan het geven van het ontslag op staande voet in de weg staat. Zwangerschap levert bij een ontslag op staande voet geen opzegverbod op en bovendien heeft die zwangerschap op geen enkele manier een rol gespeeld als grond voor het ontslag op staande voet. Dat [de werkneemster] haar arbeidsgeschiktheid wilde bewijzen in een ander dienstverband, vanwege de weigering van (de bedrijfsarts van) IrisZorg haar hersteld te verklaren, acht het hof geen rechtvaardiging voor haar handelen. Los nog van het feit dat het om werken overdag gedurende 40 uur in ander werk gaat, de weg om het oordeel over arbeidsgeschiktheid of niet te laten toetsen is het aanvragen van een deskundigenoordeel bij het UWV, en niet het verrichten van nevenwerkzaamheden. Ten slotte neemt het hof niet over dat het hier om een disproportionele maatregel gaat. Dat een lichtere maatregel mogelijk is maakt nog niet dat een werkgever daarvoor hoeft te kiezen als hij van mening is dat er sprake is van daden, eigenschappen of gedragingen van een werknemer die ten gevolge hebben dat redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij komt dat als het alleen om overtreding van de re-integratievoorschriften zou gaan een loonmaategel weliswaar eerder is aangewezen, maar hier gaat het om een samenstel van (ook) andere redenen.3.24. Op grond van het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien (het niet vooraf vragen van toestemming hoewel daartoe verplicht, het niet transparant zijn op verschillende momenten terwijl dat wel had gemoeten, het niet informeren van de bedrijfsarts waardoor re-integratiemogelijkheden niet goed konden worden ingeschat) oordeelt het hof dat op 31 januari 2025 sprake was van een dringende reden voor IrisZorg voor het geven van een ontslag op staande voet. Het bezwaar van IrisZorg tegen de beschikking van de kantonrechter op dit punt slaagt dus.\n\nonverwijld ontslag3.25. In eerste aanleg heeft [de werkneemster] aangevoerd dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is opgezegd en de dringende reden niet onverwijld is meegedeeld, terwijl de wet dat wel vereist (artikel 7:677 lid 1 BW). IrisZorg heeft dat betwist: het ontslag is volgens haar onmiddellijk gegeven nadat IrisZorg de ernst en omvang van de gedragingen volledig heeft kunnen vaststellen en [de werkneemster] voldoende in de gelegenheid heeft gesteld voor hoor en wederhoor.\n\n3.26. Naar het oordeel van het hof is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven en is de dringende reden onverwijld meegedeeld. Uit het gespreksverslag van 23 januari 2025 en de ontslag op staande voet-brief van 31 januari 2025 blijkt duidelijk dat IrisZorg vooral ook het aantal uur dat [de werkneemster] in haar nevenfunctie werkte van belang vond. De omvang van de nevenfunctie bleek pas in januari 2025 en daarop heeft IrisZorg [de werkneemster] gehoord en haar een redelijke termijn van één week gegeven om haar verweer op dat punt te onderbouwen. Toen die onderbouwing uitbleef en (onbetwist) na nader onderzoek heeft IrisZorg onverwijld op 31 januari 2025 ontslag op staande voet gegeven waarbij de dringende reden ook onverwijld is meegedeeld. conclusie3.27. Omdat er een dringende reden bestaat en het ontslag ook onverwijld is gegeven en de dringende reden onverwijld is meegedeeld, was er op 31 januari 2025 sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft in zijn beschikking dus ten onrechte het ontslag op staande voet vernietigd.\n\nRechtsgevolg onterechte vernietiging ontslag op staande voet3.28. \n\nIn artikel 7:683 lid 6 BW staat (kort gezegd) dat als het hof oordeelt dat de kantonrechter ten onrechte het ontslag op staande voet heeft vernietigd, het hof bepaalt op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat in hoger beroep geen einde van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht is toegestaan. In de toelichting op artikel 7:683 BW is opgemerkt:\n\n“Alle geschillen op grond van de arbeidsrechtelijke verhouding tussen werknemer en werkgever kunnen aan de kantonrechter in eerste aanleg worden voorgelegd. Tegen diens beslissing staan hoger beroep en cassatieberoep open, waarbij de normale regels van het civiele procesrecht van toepassing zijn voorzover in artikel 7:683 BW niet in een aantal bijzondere aspecten van hoger beroep en cassatieberoep wordt voorzien.\n\n(…)\n\nIn het geval bedoeld in het vijfde lid, bepaalt de rechter op welk toekomstig tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt - een ontbinding met terugwerkende kracht is niet toegestaan -, waarbij het hem vrijstaat een billijke (additionele) vergoeding aan de werknemer toe te kennen. In de gevallen bedoeld in het zesde lid bepaalt de rechter in hoger beroep of cassatie op welk toekomstig tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Daarbij is het de appel- of cassatierechter niet toegestaan om een beschikking van de kantonrechter houdende een vernietiging van de opzegging te vernietigen, omdat de opzegging zelf dan zou herleven, hetgeen per saldo zou neerkomen op een (door het nieuwe stelsel niet beoogde) einddatum in het verleden.”3.29. Het hof moet het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt dus bepalen op de datum van deze beschikking of daarna. Doordat IrisZorg [de werkneemster] echter voor een tweede keer op staande voet heeft ontslagen, op 9 april 2026, is de arbeidsovereenkomst tussen hen al geëindigd. Op dit moment bestaat tussen partijen dus geen arbeidsovereenkomst waarvan het hof de einddatum kan bepalen. [de werkneemster] heeft op de mondelinge behandeling van het hof aangekondigd ook vernietiging van dat ontslag op staande voet te verzoeken bij de kantonrechter. Dit maakt dat IrisZorg belang heeft bij een voorwaardelijk einde van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:683 lid 6 BW.\n\n3.30. Ter zitting is aan partijen gevraagd welke invloed het tweede ontslag op staande voet heeft op de verzoeken in deze procedure. IrisZorg heeft toegelicht dat haar verzoeken in hoger beroep als voorwaardelijk moeten worden gezien. Haar primaire verzoek om de beslissing van de kantonrechter over het ontslag op staande voet te vernietigen wordt gedaan onder de voorwaarde dat het tweede ontslag op staande voet geen stand houdt. Als het hof dat standpunt niet zou honoreren dan verzoekt IrisZorg (subsidiair) om aanhouding van de zaak totdat is beslist over de rechtsgeldigheid van het tweede ontslag op staande voet. [de werkneemster] heeft aangegeven dat de subsidiaire variant een lange weg is, terwijl zij wil herstellen en rust wil.3.31. De vraag rijst of een voorwaardelijk einde van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:683 lid 6 BW binnen het systeem van de wet mogelijk is. Het hof meent van wel. Deze situatie wijkt af van de Mediantzaak waarin de Hoge Raad (HR) prejudiciële vragen heeft beantwoord.In die kwestie was de werknemer op staande voet ontslagen. De werknemer verzocht bij de kantonrechter om vernietiging van het ontslag op staande voet, waarna de werkgever zelfstandig een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst indiende. Daarbij is voorwaardelijke ontbinding verzocht ‘te weten voor zover de arbeidsovereenkomst in hoger beroep wordt hersteld’. De werknemer heeft in dat zelfstandig verzoek een tegenverzoek ingediend gericht op toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter heeft in die zaak het vernietigingsverzoek en het voorwaardelijk ontbindingsverzoek met tegenverzoek gesplitst. In het vernietigingsverzoek is een bewijsopdracht gegeven, in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek met tegenverzoek zijn prejudiciële vragen gesteld. Voor zover hier relevant heeft de kantonrechter aan de HR gevraagd of een werkgever in zijn verzoek tot voorwaardelijke ontbinding kan worden ontvangen indien de werknemer een verzoek tot vernietiging van het gegeven ontslag op staande voet heeft ingediend en op dat verzoek nog niet is beslist (bijvoorbeeld omdat een bewijsopdracht is gegeven), en of bij de beantwoording van die vraag onderscheid gemaakt dient te worden naar gelang de formulering van de voorwaarde, te weten: (a) de voorwaarde ‘dat de arbeidsovereenkomst in hoger beroep wordt hersteld’ en (b) de voorwaarde ‘indien en voor zover het verzoek van de werknemer tot vernietiging van de opzegging (het gegeven ontslag op staande voet) wordt afgewezen’?\n\n3.32. De HR heeft geantwoord dat een werkgever onder het huidige ontslagrecht nog steeds de mogelijkheid heeft een verzoek te doen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd, maar dat de voorwaarde die aan het verzoek kan worden verbonden evenwel beperkt is. De HR overweegt in rechtsoverwegingen (rov.) 3.6.1-3.6.2 dat, in het licht van de doelstellingen van de Wet werk en zekerheid (namelijk vereenvoudiging en bevordering van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid) en wat in de parlementaire geschiedenis is opgemerkt bij artikel 7:686a lid 3 BW, uitgangspunt moet zijn dat geschilpunten omtrent een ontslag op staande voet en ontbinding van de arbeidsovereenkomst die geheel of overwegend betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex maar onderwerp zijn van verschillende zaken die gelijktijdig aanhangig zijn, verknocht zijn (artikel 285 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv).\n\n3.33. Vervolgens overweegt de HR in rov. 3.12.1-3.13.2 specifiek voor de situatie dat de rechter in hoger beroep moet oordelen over (kort gezegd) a) de situatie dat het verzoek van de werkgever om ontbinding ten onrechte is toegewezen of het verzoek van de werknemer om vernietiging van het ontslag op staande voet ten onrechte is afgewezen (artikel 7:683 lid 3 BW) of b) de situatie dat het verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is afgewezen (artikel 7:683 lid 5 BW). Uit die overwegingen volgt dat in die gevallen de rechter in hoger beroep de bevoegdheid om (de werkgever te veroordelen) de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen in volle omvang moet kunnen uitoefenen met inachtneming van alle ten tijde van zijn beslissing relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee is onverenigbaar dat de kantonrechter desverlangd de voorwaardelijk verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst (ook) zou uitspreken voor het geval de rechter in hoger beroep, anders dan de kantonrechter, het op staande voet gegeven ontslag (in de woorden van het hof) onterecht zou vinden.Een verzoek tot ontbinding onder een zodanige voorwaarde, moet dus in zoverre door de kantonrechter worden afgewezen. Gelet op het systeem van het huidige recht kan in dit verband slechts als voorwaarde worden gesteld dat het op staande voet gegeven ontslag door de rechter van dezelfde aanleg wordt vernietigd, voor welk geval de rechter die tot dat oordeel komt, kan worden verzocht de overeenkomst te ontbinden.\n\n3.34. In deze zaak is er geen sprake van een situatie van artikel 7:683 lid 3 of lid 5 BW maar van een situatie van artikel 7:683 lid 6 BW. Hiervoor is al geoordeeld dat het verzoek van de werknemer om vernietiging van het ontslag op staande voet ten onrechte is toegewezen. Daarmee wordt in hoger beroep niet meer toegekomen aan het voorwaardelijke verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. IrisZorg heeft als voorwaarde voor de behandeling van het ontbindingsverzoek in eerste aanleg genoemd: ‘indien en voor zover het ontslag op staande voet is vernietigd’ en heeft dat in hoger beroep gehandhaafd. Omdat de voorwaarde voor dat verzoek niet in vervulling is gegaan wordt ook geen oordeel gegeven of het voorwaardelijk ontbindingsverzoek door de kantonrechter ten onrechte is afgewezen.3.35. In deze situatie is een nieuwe omstandigheid het tweede ontslag op staande voet. Dat tweede ontslag op staande voet ligt niet ter beoordeling bij het hof voor, net zo min als de door IrisZorg aangevoerde omstandigheden van na de beschikking van de kantonrechter die (ex nunc) mogelijk relevant zouden zijn geweest voor de beoordeling van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek. Hiervoor is immers overwogen dat, omdat aan de voorwaarde niet is voldaan, ook geen oordeel wordt gegeven over het voorwaardelijk ontbindingsverzoek.3.36. Een rechter kan een voorwaardelijke eindbeslissing nemen. In dit geval zal het hof het einde van de arbeidsovereenkomst bepalen op de datum van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst (nog) bestaat. De voorwaarde hangt samen met het tweede ontslag op staande voet dat mede is gebaseerd op een ander feitencomplex en waarover partijen kunnen procederen bij de kantonrechter en het hof. Dat wordt niet doorkruist met een voorwaardelijke eindbeslissing van dit hof ten aanzien van het eerste ontslag op staande voet. Er kunnen zich dan verschillende situaties voordoen:\n\n- Dient [de werkneemster] niet tijdig een vernietigingsverzoek in met betrekking tot het tweede ontslag op staande voet dan bestaat de arbeidsovereenkomst niet meer en staat daarmee het einde van de arbeidsovereenkomst per 9 april 2026 vast.\n\nDient [de werkneemster] wel zo’n verzoek in en zal uit een onherroepelijke beslissing op dat verzoek blijken, hetzij dat het tweede ontslag op staande voet wordt vernietigd, hetzij (in een nieuw hoger beroep) dat de kantonrechter ten onrechte het ontslag op staande voet niet heeft vernietigd, dan bestaat de arbeidsovereenkomst nog. In dat geval zal de arbeidsovereenkomst eindigen op de datum van deze beschikking.\n\nAls [de werkneemster] tijdig een vernietigingsverzoek indient en uit een onherroepelijke beslissing blijkt dat het tweede ontslag op staande voet niet wordt vernietigd, bestaat de arbeidsovereenkomst niet meer op de datum van deze beschikking en eindigt de arbeidsovereenkomst per 9 april 2026.\n\nBlijkt bij onherroepelijke beslissing (bij een nieuw hoger beroep) dat het tweede ontslag op staande voet ten onrechte door de kantonrechter is vernietigd, dan bestaat de arbeidsovereenkomst nog en eindigt de arbeidsovereenkomst op de datum van deze beschikking.\n\nLoonaanspraak bij onterecht vernietigd ontslag op staande voet3.37. \n\n Het hof neemt aan dat in het beroepschrift in de formulering van de precieze verzoeken van IrisZorg in hoger beroep (het petitum) woorden zijn weggevallen. Nu staat er:\n\n‘Te verklaren voor recht dat IrisZorg over de periode gelegen tussen 31 januari 2025 en de door uw Gerechtshof vast te stellen datum waarop de tussen IrisZorg en [de werkneemster] bestaande arbeidsovereenkomst zal eindigen en aan [de werkneemster] geen loon is verschuldigd;’\n\nDit verzoek wordt zo uitgelegd dat IrisZorg het hof verzoekt een datum vast te stellen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt alsook te verklaren voor recht dat IrisZorg tussen 31 januari 2025 en de door het hof vastgestelde datum van het einde van de arbeidsovereenkomst aan [de werkneemster] geen loon verschuldigd is.\n\n3.38. De HR heeft het recht op loon beoordeeld in de situatie dat de kantonrechter het verzoek van de werknemer tot vernietiging van het ontslag op staande voet toewijst maar het hof oordeelt dat dat verzoek ten onrechte is toegewezen.Die situatie is hier aan de orde. De HR heeft geoordeeld dat de aanspraak op loon moet worden bepaald aan de hand van artikel 7:627 BW (oud, kort gezegd: geen werk, geen loon) en artikel 7:628 lid 1 BW (oud, kort gezegd: geen werk, toch loon, als de oorzaak van het niet werken in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen). Bij de beoordeling van die aanspraak moeten twee periodes worden onderscheiden, te weten periode 1 (tussen het ontslag op staande voet en de beslissing van de kantonrechter waarbij de opzegging wordt vernietigd) en periode 2 (tussen de beslissing van de kantonrechter en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in hoger beroep). Voor beide periodes, zij het op andere gronden, heeft de HR bepaald dat de oorzaak van het niet werken in redelijkheid niet voor rekening van de werkgever behoort te komen. Daarbij biedt de maatstaf van artikel 7:628 lid 1 BW (oud) ruimte voor het oordeel dat de uitspraak van de kantonrechter in de gegeven omstandigheden geheel of gedeeltelijk (wel) voor risico van de werkgever komt.\n\n3.39. In het huidig recht zijn de artikelen 7:627 en 628 lid 1 BW (oud) vervangen door artikel 7:628 lid 1 BW. Daarin is opgenomen dat de werkgever verplicht is het naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Met deze wijziging is geen inhoudelijke verandering van de risicoverdeling tussen werkgever en werknemer en van de rechtspraak van de HR daarover beoogd. Het is wel aan de werkgever om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat bij de werknemer de bereidheid ontbrak de bedongen arbeid te verrichten, alsmede dat het niet (kunnen) verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer komt.IrisZorg heeft echter niet gesteld dat of op grond waarvan bij [de werkneemster] de bereidheid om te werken ontbrak, noch dat of op grond waarvan het niet verrichten van arbeid in redelijkheid voor rekening van [de werkneemster] komt. De verzochte verklaring voor recht kan dus niet op deze grond worden afgegeven.\n\n3.40. \n\nDe HR heeft in de Wilco-beschikking ook gewezen op de mogelijkheid om in deze situatie een beroep te doen op matiging van het verschuldigde loon met overeenkomstige toepassing van artikel 7:680a BW dan wel een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Omdat IrisZorg daarop geen beroep heeft gedaan laat staan daarvoor relevante feiten en omstandigheden heeft gesteld kan het verzoek van IrisZorg ook niet op een van die gronden worden toegewezen.\n\nConclusie\n\n3.41. Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep van IrisZorg grotendeels slaagt, zodat [de werkneemster] in de proceskosten in hoger beroep zal worden veroordeeld. Ook zal [de werkneemster] worden veroordeeld in de kosten van IrisZorg van de procedure bij de kantonrechter, conform de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz.3.42. Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen omdat geen zodanig concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken dat die tot een ander oordeel zouden leiden als ze zouden worden bewezen.De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1. vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 28 augustus 2025 en opnieuw rechtdoende:\n\n4.2. bepaalt dat de arbeidsovereenkomst tussen IrisZorg en [de werkneemster] eindigt op de datum van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst (nog) bestaat;\n\n4.3. \n\nveroordeelt [de werkneemster] tot betaling van de volgende proceskosten van IrisZorg tot aan de uitspraak van de kantonrechter:\n\n€ 814 aan salaris van de advocaat van IrisZorg\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van IrisZorg in hoger beroep:\n\n€ 827 aan griffierecht\n\n€ 2.580 aan salaris van de advocaat van IrisZorg (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);4.4. bepaalt dat deze proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;\n\n4.5. verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gewezen door mrs. M.J.P. Heijmans, G.A. Diebels en F.G. Laagland, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. G.A. Diebels en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.\n\n Rechtbank Gelderland 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7172\n\nKamerstukken II2021-2022, 35 962, nr. 3 (MvT), p. 4 en 14.\n\n Productie 13 bij het aanvullend verweerschrift bij de kantonrechter.\n\n Artikel 32 lid 3 aanhef en onder c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.\n\nKamerstukken II2013-2014, 33 818, nr. 3 (MvT), p. 119-120.\n\n HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998 (Mediant-beschikking).\n\n Naar later door de HR is aangevuld in ECLI:NL:HR:2017:571 (Vlisco-beschikking).\n\n HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1209 (Wilco-beschikking), rov. 3.5.1. e.v. situatie (b).\n\nKamerstukken II2013-2014 33 818, nr. 3 (MvT), p. 87-88; HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:823, rov 3.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3919","2026-07-13T00:29:04.459Z",{"id":157,"ecli":158,"slug":159,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":160,"fullText":161,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":162,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":52,"updatedAt":164},"675","ECLI:NL:RBROT:2026:6745","ecli-nl-rbrot-2026-6745","2026-06-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 12125346 VZ VERZ 26-774\n\ndatum uitspraak: 12 juni 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [voormalig werknemer],\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\nverzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,\n\ngemachtigde: mr. P. Wolbers,\n\ntegen\n\nLidl Nederland GmbH,vennootschap naar Duits recht,\n\nvestigingsplaats: Huizen,\n\nverweerster, verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,\n\ngemachtigde: mr. A. van Kerkhof.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van [voormalig werknemer] , met bijlagen;\n\nhet verweerschrift van Lidl met (voorwaardelijk) tegenverzoek, met bijlagen;\n\nde pleitaantekeningen van [voormalig werknemer] .\n\n1.2.. Op 1 juni 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de partijen en hun gemachtigden besproken op de rechtbank in Dordrecht.\n\n2. De beoordeling\n\nSamenvatting en conclusie\n\n2.1.. \n [voormalig werknemer] werkte sinds 1 september 2008 bij Lidl. Hij is op 5 januari 2026 op staande voet ontslagen. Heel kort samengevat omdat Lidl hem beschuldigt van fraude met de urenregistratie van het personeel. Hij was toen supermarktmanager van een filiaal in Rotterdam. [voormalig werknemer] legt zich bij het ontslag neer, maar vraagt om een billijke vergoeding, een transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding, achterstallig loon en een rectificatie. Lidl vindt dat het verzoek moet worden afgewezen en vraagt zelf om een gefixeerde schadevergoeding. [voormalig werknemer] krijgt gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.\n\n [voormalig werknemer] heeft recht op een billijke vergoeding\n\n2.2.. \n [voormalig werknemer] heeft recht op een billijke vergoeding.Dat is omdat [voormalig werknemer] niet akkoord is gegaan met de opzegging en er niet is voldaan aan alle voorwaarden voor een ontslag op staande voet.Er is namelijk geen dringende reden voor een ontslag op staande voet. Met een dringende reden wordt bedoeld één of meer eigenschappen en\u002Fof gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband.Of er een dringende reden is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden. Hierna wordt uitgelegd waarom hier geen sprake is van een dringende reden.\n\nGeen dringende reden\n\n2.3.. Het grootste verwijt dat Lidl [voormalig werknemer] maakt is dat hij heeft gefraudeerd met de urenregistratie van zijn personeel. Hierdoor zou zowel het personeel als Lidl schade hebben geleden en kon Lidl naar eigen zeggen niet met [voormalig werknemer] verder. Ten eerste oordeelt de kantonrechter dat niet vast is komen te staan dat [voormalig werknemer] heeft gefraudeerd. Als [voormalig werknemer] zou hebben gedaan waarvan Lidl hem beschuldigt, is bovendien niet gebleken dat werknemers of Lidl daardoor schade hebben geleden. Ten slotte geldt dat [voormalig werknemer] al meer dan zeventien jaar naar tevredenheid werkte bij Lidl. Dan ligt een (stevige) waarschuwing in dit geval meer voor de hand. Een ontslag op staande voet is echt het allerlaatste redmiddel. Voor de duidelijkheid: in deze procedure is niet komen vast te staan dat [voormalig werknemer] heeft gedaan waarvan Lidl hem beschuldigt. Het is alleen niet nodig om daarvoor een bewijsopdracht te geven, omdat ook als het wel vast zou komen te staan, er naar het oordeel van de kantonrechter gelet op alle omstandigheden geen sprake is van een dringende reden.\n\nWaarvan beschuldigt Lidl [voormalig werknemer] ?\n\n2.4.. Volgens Lidl heeft [voormalig werknemer] uren van personeel uit het systeem verwijderd, terwijl die wel waren gewerkt en er geen reden was om die uren te verwijderen. De uren zouden volgens Lidl ‘op zwart’ hebben gestaan. Dat betekent dat de uren werden geaccepteerd door het systeem. [voormalig werknemer] erkent dat hij wel eens uren van medewerkers uit het systeem verwijderde, maar volgens hem was dat omdat die uren ‘op rood’ stonden. Dat betekent dat er iets mis mee was, bijvoorbeeld geen begin- of eindtijd of geen pauze, waardoor de uren niet werden geaccepteerd in het systeem of dat de uren om een andere reden rood kleurde, bijvoorbeeld een systeemfout. Het is in deze procedure niet komen vast te staan of [voormalig werknemer] ‘zwarte’ of ‘rode’ uren heeft verwijderd. Lidl voert weliswaar aan dat zij daar onderzoek naar heeft gedaan en dat zij daarmee hebben weerlegd dat sprake was van ‘rode’ uren, maar daarmee miskent zij ten eerste dat Lidl de partij is die moet aantonen dat sprake was van het verwijderen van ‘zwarte’ uren. Dat is iets anders dan weerleggen dat sprake is van ‘rode’ uren. Bovendien is het onderzoek dat door Lidl is gedaan zeer summier en (daarom) niet sluitend. Dat een andere manager op een bepaald moment geen ‘rode’ uren ziet, betekent niet dat de uitleg van [voormalig werknemer] niet kan kloppen. Zo is er bijvoorbeeld niet getest op het account van [voormalig werknemer] . [voormalig werknemer] is überhaupt niet betrokken bij het onderzoek. Maar hoe dit ook zit, ook als [voormalig werknemer] ‘zwarte’ uren zou hebben verwijderd, levert dit onder de omstandigheden die hierna worden besproken geen dringende reden op.2.5.. \n [voormalig werknemer] heeft zich altijd transparant opgesteld. De urenoverzichten werden in beginsel wekelijks in de kantine van het filiaal opgehangen. Het personeel kon dus zien welke uren er waren geregistreerd. [voormalig werknemer] verklaart dat als er iemand naar hem toe kwam om te zeggen dat zijn of haar urenregistratie niet klopte, hij dit door het invullen van een PZE-correctieformulier herstelde. Dit is ook de werkwijze die volgens Lidl moet worden gevolgd, maar zij verwijt [voormalig werknemer] dat hij dit niet deed. In de ontslagbrief schrijft Lidl echter zelf over een hulpkracht waarbij [voormalig werknemer] dit wel meerdere keren heeft gedaan. Kennelijk bedoelt Lidl dat [voormalig werknemer] dit niet altijd direct zelf heeft gedaan nadat er uren zijn verwijderd en dat wel had moeten doen.\n\n2.6.. \n\nLidl vindt dat een juiste urenregistratie de verantwoordelijkheid is van de supermarktmanager; [voormalig werknemer] dus. Daarom had [voormalig werknemer] volgens Lidl altijd zelf na het verwijderen van uren een PZE-correctieformulier moeten invullen. De kantonrechter is het met Lidl eens dat een juiste urenregistratie de verantwoordelijkheid is van de Supermarktmanager. De kantonrechter ziet alleen niet in waarom de manier waarop [voormalig werknemer] leiding gaf aan zijn filiaal dit niet voldoende waarborgde. Hij heeft van Lidl ook nooit gehoord dat hij iets verkeerd deed. Volgens Lidl is dat omdat zij niet wist van de werkwijze van [voormalig werknemer] . Dat zou betekenen dat het door Lidl niet wordt gesignaleerd als een supermarktmanager meer dan vijftien keer in drie maanden tijd uren verwijdert. Volgens Lidl is het onbegrijpelijk dat [voormalig werknemer] dit niet aan haar heeft gemeld. De kantonrechter redeneert andersom: dit betekent kennelijk dat dit kan gebeuren zonder dat er alarmbellen afgaan bij Lidl. Dat betekent dat Lidl haar eigen organisatie niet met voldoende waarborg voor de juistheid van urenregistratie heeft ingericht. Dat kan niet tegen [voormalig werknemer] worden gebruikt.\n\nZeker niet, omdat bovendien uit appverkeer tussen [voormalig werknemer] en zijn regiomanager blijkt dat de regiomanager akkoord is met het doorgeven van alle codes van en door [voormalig werknemer] aan een invalmanager. Daarnaast komt het de kantonrechter ondoenlijk voor om van al je hulpkrachten aan het einde van de dag precies te weten hoe laat ze op die dag zijn begonnen, geëindigd en hoe lang ze pauze hebben gehad. Op het moment dat de uren werden verwijderd, was het personeel zelf meestal al vertrokken uit het filiaal. Niet altijd werkten dezelfde (hulp)krachten de volgende dag en [voormalig werknemer] was ook wel eens een dag vrij of druk. Dat [voormalig werknemer] die check en het initiatief tot correctie bij het personeel liet liggen, acht de kantonrechter onder deze omstandigheden niet in strijd met zijn verantwoordelijkheden. Uit de stukken blijkt niet dat personeel aan [voormalig werknemer] heeft gevraagd om uren te corrigeren en hij dat niet heeft gedaan. Daarom moet ervan uit worden gegaan dat [voormalig werknemer] op het verzoek van personeel altijd hun uren heeft gecorrigeerd en deugdelijk zorg heeft gedragen voor een juiste urenregistratie en dus uitbetaling.\n\n2.7.. Lidl wijst erop dat niet alle verwijderde uren door [voormalig werknemer] zijn gecorrigeerd en dat daardoor een belletje bij hem hadden moeten gaan rinkelen dat er iets niet goed ging. [voormalig werknemer] verklaart echter dat niet alleen hij, maar alle managers van het filiaal een PZE-correctieformulier konden indienen. Lidl erkent dat dit een gedeelde taak is van het hele filiaalmanagementteam, maar benoemt dat de meeste supermarktmanagers daar graag zelf de verantwoordelijkheid voor houden. Bij [voormalig werknemer] was dit dus niet het geval en hoefde dat ook niet zo te zijn. Dat betekent dat zijn collega filiaalmanagers ook correcties konden en mochten aanmaken. Uit de verklaringen van die managers blijkt ook niet dat zij dit niet deden. Daarom hoefde [voormalig werknemer] er niet vanuit te gaan dat personeelsleden te weinig betaald kregen. Dat neemt niet weg dat hij dit proces en de samenwerking met zijn collega managers beter had kunnen inrichten om te voorkomen dat dit toch kon gebeuren, maar dat levert geen dringende reden op.\n\n2.8.. Dat de PZE-correctieformulieren van het afgelopen jaar niet meer in de kluis in het filiaal lagen terwijl dat volgens de regels wel verplicht was, maakt dit niet anders. [voormalig werknemer] erkent dat hij de formulieren niet lang genoeg heeft bewaard, maar heeft weggegooid zodra de correctie was verwerkt in het systeem. Hierdoor is niemand in enig belang geschaad. Lidl heeft niet aangevoerd met welk (ander) doel de formulieren een jaar bewaard moesten worden.\n\n2.9.. \n [voormalig werknemer] erkent dat hij in december een opleidingsdag van de assistent supermarktmanager per ongeluk heeft verwijderd, omdat hij was vergeten dat die collega die dag een opleiding had. Wel wist hij dat die collega die dag niet had gewerkt. Wat dus ook klopte. De kantonrechter schaart dit onder de uitdrukking ‘waar gewerkt wordt worden fouten gemaakt.’\n\n2.10.. Enige vorm van kwade opzet om te manipuleren ziet de kantonrechter niet. Lidl noemt als mogelijk motief de ‘stuksprestatie’, maar het verwijderen van enkele werkdagen per maand van personeel heeft daar zo’n kleine invloed op dat de kantonrechter dit niet overtuigend vindt.\n\n2.11.. Lidl geeft aan dat personeel is benadeeld en dat zij zelf schade heeft geleden. Dat staat allebei niet vast en is ook niet aannemelijk. Personeel kon en kan nog steeds door het laten invullen van een PZE-correctieformulier aanspraak maken op uitbetaling van de daadwerkelijk gewerkte uren. Als het personeel dat doet en Lidl de daadwerkelijk gemaakte uren alsnog betaalt, valt ook niet in te zien dat Lidl daardoor schade lijdt. Immers, er wordt dan weliswaar later betaald, maar niet meer uren dan dat terecht zijn geregistreerd.\n\n2.12.. Last but not least werkte [voormalig werknemer] al meer dan 17 jaar bij Lidl. In die jaren is hij manager geweest in verschillende filialen. Hij heeft altijd goed gefunctioneerd. Een enkel(e) ontwikkelpunt(en) in een functioneringsverslag maakt dat beeld niet anders. Lidl is veel te voortvarend te werk gegaan door zo’n medewerker in de gegeven situatie op staande voet te ontslaan. Lidl had allerlei minder vergaande maatregelen kunnen nemen die naar het oordeel van de kantonrechter passender waren geweest. Zoals een waarschuwing geven samen met het doornemen van de procedures, bespreken van (eventuele) afwijkende praktijkgewoontes en de onwenselijkheid daarvan, met eventueel een opfriscursus en\u002Fof begeleiding.\n\n2.13.. Verder verwijt Lidl [voormalig werknemer] dat hij een medewerker uit dienst heeft gemeld, zonder dat daarvoor een geldige reden was, en terwijl deze medewerker zich ziek had gemeld. Niet alleen geldt dat Lidl zelf aanvoert dat [voormalig werknemer] deze medewerker niet daadwerkelijk uit dienst heeft gemeld, zodat dit daarom al geen dringende reden kan zijn. Ook geldt dat als [voormalig werknemer] dit wel zou hebben gedaan, een ontslag op staande voet – onder de hiervoor besproken omstandigheden – veel te doortastend zou zijn geweest.\n\n2.14.. Omdat het ontslag hierdoor al niet geldig is, hoeft niet meer te worden beoordeeld of aan de andere voorwaarden voor een ontslag op staande voet is voldaan.\n\nLidl moet een billijke vergoeding betalen van € 100.000,-\n\n2.15.. De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij kan in aanmerking worden genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt weggedacht. Ook mag rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De kantonrechter vindt in dit geval een billijke vergoeding van € 100.000,- bruto passend. Lidl wordt veroordeeld om dit bedrag binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak aan [voormalig werknemer] te betalen. De rente wordt toegewezen vanaf veertien dagen na deze uitspraak. Hierna worden de omstandigheden besproken die de kantonrechter heeft betrokken bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding.2.16.. \n\n [voormalig werknemer] werkte al 17 jaar bij Lidl. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [voormalig werknemer] Lidl wilde verlaten. Gelet op het oordeel van de kantonrechter is het ook niet aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn op verzoek van Lidl ontbonden mocht worden. [voormalig werknemer] heeft weliswaar heel snel een nieuwe, vergelijkbare baan gevonden, maar niet is betwist dat dat tegen een aanzienlijk lager loon is. Het zal even duren voordat [voormalig werknemer] bij zijn nieuwe werkgever ook weer is opgeklommen richting het mooie salaris dat hij bij Lidl verdiende. Lidl heeft de berekeningen van [voormalig werknemer] over hierover niet betwist. De billijke vergoeding is echter niet bedoeld als een soort verzekering. En bovendien kan niemand in de toekomst kijken. Rekening houdend met alles dat vast staat, maar ook met alle onzekerheden, acht de kantonrechter het redelijk dat [voormalig werknemer] de komende drie jaar door Lidl wordt gecompenseerd voor zijn verlies aan inkomen. Met de berg aan werkervaring die [voormalig werknemer] bij Lidl heeft opgedaan, acht de kantonrechter hem in staat om in die periode ook bij zijn nieuwe werkgever te zijn gegroeid naar een loon dat in de buurt komt van wat hij bij Lidl verdiende.\n\nLidl moet een transitievergoeding betalen\n\n2.17.. \n\n [voormalig werknemer] heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en het eindigen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [voormalig werknemer] (artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW).\n\nDaarbij wordt uitgegaan van een bruto maandloon van € 6.390,25 inclusief meeruren, vakantietoeslag en toeslagen, omdat Lidl de juistheid hiervan niet heeft betwist. [voormalig werknemer] berust in het ontslag op staande voet, dus de einddatum van de arbeidsovereenkomst is 5 januari 2026. Op basis van dit loon en de duur van de arbeidsovereenkomst is de hoogte van de vergoeding € 36.950,62 bruto. Dit bedrag moet Lidl betalen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.\n\nLidl moet een gefixeerde schadevergoeding betalen\n\n2.18.. Lidl moet een vergoeding voor onregelmatige opzegging aan [voormalig werknemer] betalen. Lidl heeft namelijk de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd zonder rekening te houden met een opzegtermijn (artikel 7:672 lid 11 BW). Die vergoeding is – kort gezegd – gelijk aan het loon dat [voormalig werknemer] zou hebben gekregen als Lidl bij de opzegging wel rekening zou hebben gehouden met de opzegtermijn. [voormalig werknemer] was 17 jaar in dienst. Daarom geldt een opzegtermijn van vier maand(en). De arbeidsovereenkomst had dus niet eerder dan per 1 juni 2026 kunnen worden beëindigd. De partijen zijn het er op de zitting over eens dat hierbij een vergoeding van € 30.928,81 past. Dit bedrag moet Lidl betalen. De wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.\n\n [voormalig werknemer] hoeft geen gefixeerde schadevergoeding te betalen\n\n2.19.. Lidl heeft geen recht op een gefixeerde schadevergoeding, omdat het ontslag niet geldig is.\n\nLidl moet een rectificatie sturen\n\n2.20.. Rayonmanager [rayonmanager] van Lidl heeft op 5 januari 2026 in een appgroep een bericht gestuurd dat als volgt begint:\n\nGoedemiddag allemaal,\n\nVia dit bericht informeer ik jullie over een personele wijziging binnen het filiaal. [voormalig werknemer]\n\nis vandaag per direct uit dienst gegaan. Dit besluit is genomen naar aanleiding\n\nvan geconstateerde fraude en was, hoe vervelend ook, noodzakelijk.\n\nGelet op wat in deze uitspraak is geoordeeld, klopt dit bericht niet. [voormalig werknemer] heeft er belang bij dat in dezelfde appgroep een nieuw bericht wordt gestuurd door Lild. Lidl wordt veroordeeld om dat binnen zeven dagen na de datum van deze uitspraak te doen. Lidl moet een kopie van het bericht aan de gemachtigde van [voormalig werknemer] sturen. De inhoud van het bericht moet zijn:\n\nGoedemiddag allemaal,\n\nOp 5 januari 2026 hebben jullie een bericht gekregen van [rayonmanager] (rayonmanager). Daarin informeerde hij jullie over een personele wijziging binnen het filiaal, namelijk dat [voormalig werknemer] ( [voormalig werknemer] ) per direct uit dienst is gegaan. Ik stuur jullie dit bericht in opdracht van de kantonrechter. Om aan jullie te laten weten dat [voormalig werknemer] niet zelf uit dienst is gegaan, maar is ontslagen. Hij is het niet met zijn ontslag eens, maar hij ‘berust’ er wel in. In de app van 5 januari stond ook dat er fraude was geconstateerd. Ik laat jullie hierbij weten dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat er sprake is geweest van fraude. Dit verandert niets aan de situatie. [voormalig werknemer] werkt inmiddels bij een andere supermarkt.\n\nMet vriendelijke groet,\n\n*naam verzender*\n\nVoor iedere dag dat Lidl hiermee te laat is, moet zij € 1.000,- aan [voormalig werknemer] betalen, met een maximum van € 30.000,-.2.21.. \n\nLidl had binnen een maand na het einde van het dienstverband al het loon en wat daarbij hoort aan [voormalig werknemer] moeten betalen.Dat heeft zij niet gedaan.\n\nLidl heeft de ADV-uren van € 7.417,03 netto pas op 26 mei 2026 aan [voormalig werknemer] betaald. Daarom moet Lidl daarover tot die datum wettelijke verhoging betalen berekend vanaf 5 februari 2026.De kantonrechter matigt de wettelijke verhoging tot een bedrag van € 1.000,-. Lidl wordt veroordeeld om dit bedrag te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak.\n\nOmdat Lidl het loon niet op tijd heeft betaald, moet zij ook de wettelijke rente over het loon betalen vanaf de eerste dag na de maand die zij niet op tijd heeft betaald. De rente over de verhoging wordt toegewezen vanaf veertien dagen na deze uitspraak. \n\nLidl betwist niet dat zij nog € 40,40 bruto aan vakantietoeslag moet betalen. Daartoe wordt zij veroordeeld, met rente en verhoging van 10%.\n\n [voormalig werknemer] heeft niet duidelijk gemaakt dat hij verder nog salaris had moeten krijgen.\n\nLidl moet de proceskosten betalen\n\n2.22.. De proceskosten komen voor rekening van Lidl, omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die Lidl aan [voormalig werknemer] moet betalen op € 753,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.762,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.\n\nDeze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.23.. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [voormalig werknemer] dat heeft gevraagd en Lidl daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt.Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt Lidl om aan [voormalig werknemer] een billijke vergoeding van € 100.000,- bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf veertien dagen na de datum van deze uitspraak tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.2.. veroordeelt Lidl om aan [voormalig werknemer] de transitievergoeding van € 36.950,62 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.3.. veroordeelt Lidl om aan [voormalig werknemer] een gefixeerde schadevergoeding van € 30.928,81 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 5 januari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.4.. veroordeelt Lidl om binnen zeven dagen na de datum van deze uitspraak in dezelfde appgroep als waarin de rayonmanager op 5 januari 2026 het bericht over de personele wijziging heeft gestuurd dit bericht, met een kopie aan de gemachtigde van [voormalig werknemer] , te sturen:\n\nGoedemiddag allemaal,\n\nOp 5 januari 2026 hebben jullie een bericht gekregen van [rayonmanager] (rayonmanager). Daarin informeerde hij jullie over een personele wijziging binnen het filiaal, namelijk dat [voormalig werknemer] ( [voormalig werknemer] ) per direct uit dienst is gegaan. Ik stuur jullie dit bericht in opdracht van de kantonrechter. Om aan jullie te laten weten dat [voormalig werknemer] niet zelf uit dienst is gegaan, maar is ontslagen. Hij is het niet met zijn ontslag eens, maar hij ‘berust’ er wel in. In de app van 5 januari stond ook dat er fraude was geconstateerd. Ik laat jullie hierbij weten dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat er sprake is geweest van fraude. Dit verandert niets aan de situatie. [voormalig werknemer] werk inmiddels bij een andere supermarkt.\n\nMet vriendelijke groet,\n\n*naam verzender*\n\nen bepaalt dat Lidl voor iedere dag dat zij hiermee te laat is € 1.000,- aan [voormalig werknemer] moet betalen, met een maximum van € 30.000,-;\n\n3.5.. veroordeelt Lidl om aan [voormalig werknemer] te betalen de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het bruto equivalent van € 7.417,03 vanaf 5 februari 2026 tot 26 mei 2026 en de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW vastgesteld op een bedrag van € 1.000,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 daarover vanaf veertien dagen na de datum van deze uitspraak tot de dag dat dit bedrag volledig is betaald;\n\n3.6.. veroordeelt Lidl om aan [voormalig werknemer] te betalen € 40,40 bruto aan vakantietoeslag, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 5 februari 2026 tot de dag dat volledig is betaald en met de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW van 10% met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf veertien dagen na de datum van deze uitspraak tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.7.. veroordeelt Lidl in de proceskosten, die aan de kant van [voormalig werknemer] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.762,-;\n\n3.8.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.9.. wijst al het andere af.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.\n\n703\n\n Artikel 7:681 lid 1 onder a en artikel 7:671 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 7:678 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Het gewerkte aantal uren in relatie tot de omzet van een filiaal.\n\nHoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow).\n\n Artikel 7:686a lid 1 tweede zin van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 7:686a lid 1 eerste zin van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 7:677 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 7:623 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 6:119 en artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n De rente is namelijk pas verschuldigd vanaf het moment van verzuim volgens artikel 6:119 BW.\n\n Artikel 288 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6745","2026-06-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:42.613Z",{"id":166,"ecli":167,"slug":168,"caseNumber":44,"courtId":169,"decisionDate":163,"fullText":170,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":171,"sourceTimestamp":172,"parsedAt":52,"updatedAt":173},"1149","ECLI:NL:RBMNE:2026:3723","ecli-nl-rbmne-2026-3723",79,"RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12127784 \\ ME VERZ 26-34 BW 31650\n\nBeschikking van 11 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\ngemachtigde: mr. B.N. Vlasman,\n\ntegen\n\n [verweerder] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigden: mrs. F.B. Mahabali en J.B.M. Swart.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:\n\n- het verzoekschrift van 12 maart 2026 met 8 producties,\n\n- het verweerschrift van 8 mei 2026 met 4 producties.\n\n1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Lelystad. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Vlasman. Namens [verweerder] is mevrouw [A] (Operationeel Directeur Schoonmaak) verschenen, bijgestaan door mr. Mahabali en mr. Swart. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. Beide gemachtigden hebben de standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd.\n\n1.3. Tijdens de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk op 16 juni 2026 uitspraak zal worden gedaan.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n\n [verzoekster] is vanaf 20 augustus 2025 als schoonmaakster in dienst bij [verweerder] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. [verweerder] zegt dat [verzoekster] slapend is aangetroffen op de locatie van de opdrachtgever [bedrijf] waar zij haar schoonmaakwerkzaamheden moest verrichten. [verweerder] heeft [verzoekster] daarom op staande voet ontslagen. [verzoekster] ontkent dat zij geslapen heeft tijdens werktijd bij [bedrijf] . In deze procedure vraagt [verzoekster] om toekenning van een transitievergoeding, billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.\n\nDe kantonrechter kan nu nog niet beslissen en draagt [verweerder] op te bewijzen dat [verzoekster] tijdens werktijd bij [bedrijf] slapend is aangetroffen en dat dit niet (veel) eerder dan 5 januari 2026 bekend was bij [verweerder] .\n\n3. De beoordeling\n\n3.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. [verzoekster] berust in het ontslag en maakt aanspraak op een transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding.\n\nHet toetsingskader3.2. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet de werkgever onverwijld hebben opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.\n\n3.3. De door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden fixeert de omvang van het debat tussen partijen, omdat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werknemer moet zich namelijk na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. De werkgever die een werknemer heeft ontslagen, moet dus in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, stellen en zo nodig bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden.\n\nDe meegedeelde reden voor het ontslag op staande voet is onverwijld meegedeeld3.4. \n\nPer e-mail van 5 januari 2026 heeft [verweerder] [verzoekster] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief benoemt [verweerder] als dringende reden voor het ontslag op staande voet dat zij van haar opdrachtgever [bedrijf] heeft vernomen dat [verzoekster] tijdens werktijd slapend op de werklocatie is aangetroffen samen met een collega.\n\n [verzoekster] zegt dat [verweerder] hiermee niet heeft voldaan aan de mededelingseis, omdat i) in de e-mail niets wordt gezegd over de dag en het tijdstip waarop [verzoekster] slapend is aangetroffen, ii) er geen namen worden genoemd van de betrokken personen en iii) er ook niets wordt gezegd over de locatie waar [verzoekster] is aangetroffen.\n\n [verweerder] wijst er terecht op dat dit ook niet vereist is. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt namelijk dat de mededeling zodanig moet zijn dat de werknemer in staat is om zijn standpunt met betrekking tot het ontslag te bepalen.De ontslagreden (slapen tijdens werktijd op de werkvloer) biedt voldoende duidelijkheid aan [verzoekster] om zich tegen te verweren, omdat de verweten gedraging wordt genoemd. [verzoekster] heeft zich daar ook meteen tegen verweerd door het standpunt in te nemen dat zij niet geslapen heeft op de werkvloer. De reden van het ontslag op staande voet is meteen in de e-mail van 5 januari 2026 meegedeeld, zodat de mededeling ook onverwijld is gedaan.\n\n [verweerder] wordt toegelaten tot bewijslevering dat zij onverwijld tot ontslag is overgegaan3.5. Een ontslag op staande voet is pas rechtsgeldig als het onverwijld is gegeven. De “onverwijldheidsklok” begint te tikken wanneer een vermoeden van een dringende reden ontstaat. Voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden van dat ontslag daadwerkelijk ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Sprake moet zijn van een geïndividualiseerd en geconcretiseerd vermoeden, dat wil zeggen een redelijke mate van duidelijkheid over welke werknemer het betreft en de feitelijke grondslag die het bestaan van een dringende reden voor ontslag van die werknemer redelijkerwijs aannemelijk maakt. Vanaf dat moment heeft de partij die een opzegging wegens een dringende reden overweegt, enig respijt voordat daadwerkelijk tot ontslag kan worden overgegaan.3.6. \n\n [verzoekster] zegt dat [verweerder] niet onverwijld heeft opgezegd, omdat zij pas op 5 januari 2026 tot ontslag op staande voet is overgegaan, terwijl op 16 december 2025 al zou zijn geconstateerd dat [verzoekster] lag te slapen tijdens werktijd.\n\nHet is juist dat er veel tijd is verstreken tussen 16 december 2025 en de datum van het ontslag op staande voet. Het gaat er echter om wanneer degene die bevoegd is tot ontslag over te gaan bekend is geworden met de dringende reden, zoals hierboven is overwogen. [verweerder] zegt dat de manager bij [bedrijf] door de vakantieperiode pas op 5 januari 2026 de dringende reden heeft gemeld bij [verweerder] . De tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] is dus pas op 5 januari 2026 bekend geworden met de dringende reden. Volgens [verweerder] heeft zij onverwijld opgezegd door diezelfde dag [verzoekster] op staande voet te ontslaan.\n\n [verweerder] heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij pas op 5 januari 2026 bekend is geworden met de dringende reden.\n\n [verzoekster] wijst er ook op dat [verweerder] al eerder bekend moet zijn geweest met de vermeende dringende reden, omdat haar collega met wie zij slapend op de werkvloer zou zijn aangetroffen, al is ontslagen in de periode van 20-24 december 2025. [verweerder] zegt dat dit niet klopt en dat ook die bewuste collega is ontslagen op 5 januari 2026 en niet al in december 2025. Ook die stelling heeft [verweerder] niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat [verzoekster] in de periode tussen 16 december 2025 en 5 januari 2026 nog meerdere diensten heeft gewerkt op de werkvloer van [bedrijf] .\n\nOp basis van bovenstaande kan nog niet worden beoordeeld of het klopt dat de tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] pas op 5 januari 2026 bekend is geworden met de vermeende dringende reden.\n\n3.7. \n [verweerder] zal worden toegelaten tot het leveren van bewijs voor haar stelling dat de tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] niet (veel) eerder dan op 5 januari 2026 bekend is geworden met de vermeende dringende reden. Als dat komt vast te staan, dan is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven. Als [verweerder] dit niet kan bewijzen, is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven en komen de door [verzoekster] gevorderde vergoedingen, in beginsel voor toewijzing in aanmerking, waarbij vervolgens de hoogte van de vergoedingen moet worden bepaald.\n\n [verweerder] wordt ook toegelaten tot bewijslevering van de dringende reden3.8. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever.\n\n3.9. \n\nVoor de beoordeling van de dringende reden is de in de ontslagbrief omschreven reden in beginsel maatgevend. Dit betekent dat [verweerder] moet bewijzen dat [verzoekster] op de werkvloer bij [bedrijf] tijdens werktijd, samen met een collega, slapend is aangetroffen. [verweerder] heeft de dringende reden in deze procedure verder geconcretiseerd en gezegd dat [verzoekster] op 16 december 2025 tussen 18:00 en 19:00 uur, samen met een collega, slapend in een slaapzak is aangetroffen in een vergaderwagonnetje in de kantine van [bedrijf] .\n\nAlle overige verwijten die [verweerder] achteraf nog heeft toegevoegd (over disfunctioneren, het aanspreken daarop en de structurele klachten daarover) blijven buiten beschouwing, omdat die redenen niet aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd.\n\n3.10. \n\n [verzoekster] zegt dat het niet klopt dat zij tijdens werktijd heeft geslapen en dat zij gewoon haar werkzaamheden heeft verricht op 16 december 2025. [verzoekster] wijst er op dat [verweerder] zich alleen heeft gebaseerd op een verklaring van een manager van [bedrijf] die van een andere werknemer heeft gehoord dat hij tijdens een avondmeeting op kantoor [verzoekster] en haar collega slapend heeft aangetroffen.\n\nPas tijdens de zitting heeft [verweerder] voor het eerst de naam van die bewuste werknemer kenbaar gemaakt en heeft zij uitgelegd dat zij geen verklaring heeft gevraagd hierover van [bedrijf] , omdat zij haar als opdrachtgever hier niet mee wilde belasten en dat deze werknemer anoniem wilde blijven.\n\nAan de enkele verklaring die [verweerder] in deze procedure heeft overgelegd van de manager van [bedrijf] kan geen (doorslaggevende) waarde worden toegekend, omdat dit geen verklaring uit de eerste hand betreft van degene die dit heeft geconstateerd. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [verzoekster] slapend is aangetroffen tijdens werktijd. De kantonrechter kan dus ook nog niet beoordelen of sprake is geweest van een dringende reden.\n\n3.11. \n\nOmdat de stelplicht en de bewijslast van de aanwezigheid van een geldige dringende reden rusten op [verweerder] als werkgever en zij (getuigen)bewijs heeft aangeboden, zal [verweerder] worden toegelaten tot het leveren van bewijs. [verweerder] wordt opgedragen te bewijzen dat [verzoekster] tijdens werktijd op de werklocatie van [bedrijf] slapend is aangetroffen.\n\nAls [verweerder] niet slaagt in het opgedragen bewijs, dan zal dat tot de conclusie leiden dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven. De opzegging is dan in strijd met artikel 7:671 BW en dat brengt met zich mee dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. In dat geval heeft [verzoekster] in beginsel recht op de door haar gevorderde vergoedingen, waarvan de hoogte nog zal worden bepaald. Als [verweerder] slaagt in het opgedragen bewijs, moet worden beoordeeld of sprake is van een dringende reden. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.\n\n3.12. Indien [verweerder] het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, moet zij deze stukken afzonderlijk in het geding brengen. Indien [verweerder] het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, moet zij dit vermelden en de verhinderdataop geven vanalle partijen en van de op te roepen getuigen. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen. Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.\n\n3.13. De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige 30 minuten zal duren. Als [verweerder] verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.\n\nDat [verzoekster] niet is gehoord betekent niet dat geen sprake kan zijn van een dringende reden3.14. \n [verzoekster] wijst er ook nog op dat [verweerder] heeft nagelaten haar te horen. Hoewel de kantonrechter het met [verzoekster] eens is dat het niet zo zorgvuldig is dat [verweerder] alleen is afgegaan op de verklaring van [bedrijf] , brengt dat op zichzelf nog niet met zich mee dat daarom geen sprake zou kunnen zijn van een dringende reden en een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Dit handelen of nalaten van [verweerder] kan wel een relevante omstandigheid zijn als wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is geweest en bij het bepalen van de hoogte van de vergoedingen.\n\n [verweerder] moet een correcte eindafrekening verstrekken en betalen3.15. \n [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar verzoeken vermeerderd. Zij vraagt om het opmaken en uitbetalen van de eindafrekening van het dienstverband, onder verstrekking van een deugdelijke specificatie. [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de eindafrekening, waaronder het loon over januari 2026, nog niet is betaald. [verweerder] is daar wel toe verplicht, zodat dit verzoek zal worden toegewezen.\n\nAanhouden beslissing3.16. Ten aanzien van alle verzoeken van [verzoekster] geldt dat iedere beslissing, uit proceseconomisch oogpunt, wordt aangehouden in afwachting van de bewijslevering.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1. draagt [verweerder] op te bewijzen dat de tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] niet (veel) eerder dan 5 januari 2026 bekend is geworden met het vermoeden van de dringende reden,\n\n4.2. draagt [verweerder] op te bewijzen dat [verzoekster] tijdens werktijd op de werklocatie van [bedrijf] slapend is aangetroffen,\n\n4.3. bepaalt dat, indien [verweerder] bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij uiterlijk op 9 juli 2026, bij nader verweerschrift,: - de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven; - moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) gemachtigden en de getuigen in de vier maanden nadien verhinderd zijn; zij dient bij die opgave ten minste twintig dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;4.4. bepaalt dat: - voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend; - indien geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is; - het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;4.5. bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;\n\n4.6. bepaalt dat, indien [verweerder] (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken vóór of uiterlijk op 9 juli 2026bij nader verweerschrift in het geding moet brengen;\n\n4.7. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.R. van der Vos en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.\n\nHoge Raad, 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3723","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:06.817Z",{"id":175,"ecli":176,"slug":177,"caseNumber":44,"courtId":178,"decisionDate":163,"fullText":179,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":180,"sourceTimestamp":181,"parsedAt":52,"updatedAt":182},"1248","ECLI:NL:RBLIM:2026:5188","ecli-nl-rblim-2026-5188",74,"RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12136542 \\ AZ VERZ 26-43\n\nBeschikking van 11 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\ngemachtigde: mr. N. Soro,\n\ntegen\n\n [werkgever] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\nprocederend in persoon.\n\nPartijen worden hierna aangeduid als [werknemer] en [werkgever] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van [werknemer] en het schrijven van [werkgever] dat ontvangen is per e-mail op 20 mei 2026 en dat de kantonrechter heeft opgevat als verweerschrift.\n\n1.2.. Op 21 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. [werkgever] heeft zich per e-mail van 20 mei 2026 hiervoor afgemeld en is niet ter zitting verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen [werknemer] ter toelichting op zijn standpunten ter zitting naar voren heeft gebracht.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] , geboren [datum] 1968, is op 4 november 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij [werkgever] , in de functie van “Sloper I”, met een loon van € 3.158,27 bruto per maand, exclusief emolumenten. De arbeidsovereenkomst is aanvankelijk aangegaan voor de duur van twaalf maanden en vervolgens op 4 november 2025 verlengd voor nog eens twaalf maanden. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Bouw en Infra van toepassing verklaard.\n\n2.2.. Naast de werkzaamheden die [werknemer] in loondienst voor [werkgever] verrichtte, had hij een eenmanszaak als glazenwasser. Eind 2024 heeft [werknemer] in zijn privésituatie blijvend letsel aan zijn knie opgelopen waardoor hij genoodzaakt was de eenmanszaak stop te zetten. Door het wegvallen van dit inkomen kon [werknemer] de lease van de rolstoelbus voor zijn (stief)dochter, die beperkingen heeft, niet meer betalen.\n\n2.3.. Medio 2025 heeft [werknemer] zijn nijpende financiële situatie met de heer [leidinggevende], leidinggevende bij [werkgever] , besproken en verzocht om een lening dan wel voorschot op zijn loon. [werkgever] heeft daar negatief op gereageerd. De rolstoelbus is vervolgens openbaar geveild maar bracht aanzienlijk minder op dan de koopsom waardoor voor [werknemer] een schuld ontstond, waarvoor hij een betalingsregeling heeft kunnen treffen.\n\n2.4.. \n\nOp 12 januari 2026 is [werknemer] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van 12 januari 2026 heeft [werkgever] vermeld:\n\n“(…) Ondanks eerdere waarschuwingen merken wij onvoldoende verbetering in uw functioneren en werkhouding. Er blijven meldingen en klachten binnenkomen over uw werktempo, het correct registreren van uw uren, uw houding en motivatie. Uw leidinggevenden hebben herhaaldelijk zorgen geuit over uw bijdrage aan het team en de uitvoering van uw taken. Gezien het herhaaldelijke gebrek aan verbetering zijn wij genoodzaakt uw dienstverband te beëindigen. (…)”\n\n2.5.. Door het wegvallen van zijn inkomen bij [werkgever] is [werknemer] nog verder in de financiële problemen geraakt. Er is een achterstand ontstaan in de betaling van de betalingsregeling inzake de rolstoelbus. Ook is er een huurachterstand ontstaan met betrekking tot de door [werknemer] gehuurde rolstoelvriendelijke woning. [werknemer] leasede tevens een camper maar ook aan die betalingsverplichting kon hij niet meer voldoen.\n\n2.6.. Sinds medio maart 2026 werkt [werknemer] via een uitzendbureau.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [werknemer] berust in de opzegging van de arbeidsovereenkomst en verzoekt de kantonrechter om hem een billijke vergoeding toe te kennen en om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [werknemer] voert aan dat de redenen die [werkgever] voor het ontslag op staande voet heeft gegeven voornamelijk zien op disfunctioneren en dat levert geen dringende reden in de zin van de wet op. Bovendien betwist [werknemer] de verwijten die hem worden gemaakt ten aanzien van zijn functioneren. Hij heeft voorafgaand aan het ontslag op staande voet nooit een officiële waarschuwing van [werkgever] ontvangen en [werkgever] heeft aan hem ook nooit een concreet en reëel verbetertraject aangeboden. Op 4 november 2025 is zijn arbeidsovereenkomst nog voor een jaar verlengd. Dat zou niet gebeurd zijn als hij niet goed functioneerde, aldus [werknemer] .\n\n3.2.. \n [werkgever] voert verweer en stelt dat de verzoeken van [werknemer] moeten worden afgewezen. [werkgever] voert – samengevat – aan dat sprake is van structureel en verwijtbaar disfunctioneren, het niet opvolgen van redelijke instructies van de werkgever en het uitblijven van verbetering ondanks herhaalde waarschuwingen en geboden ondersteuning en dat dit dringende redenen zijn die het ontslag op staande voet rechtvaardigen. [werkgever] voert tevens aan dat zij meerdere voorstellen heeft gedaan om [werknemer] in staat te stellen zijn functioneren te verbeteren maar [werknemer] heeft expliciet aangegeven hier geen gebruik van te willen maken, aldus [werkgever] .\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of [werknemer] aanspraak kan maken op de door hem verzochte billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding. Voor het antwoord op die vraag is bepalend of het door [werkgever] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is of niet.\n\nToetsingskader\n\n4.2.. Een ontslag op staande voet is een uiterste maatregel die, gelet op de verstrekkende gevolgen, slechts gegeven mag worden als sprake is van een dringende reden. Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is een partij in dat geval bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen vanwege die dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Onder een dringende reden moet worden verstaan zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben.\n\nDringende reden\n\n4.3.. Voor de beoordeling van de vraag of een dringende reden aanwezig is, zijn de aan [werknemer] meegedeelde redenen, die staan vermeld in de ontslagbrief van 12 januari 2026, maatgevend. De door [werkgever] genoemde redenen komen erop neer dat [werkgever] niet tevreden was over de manier waarop [werknemer] zijn functie vervulde. Hoe [werknemer] precies zijn functie vervulde en wat daaraan niet deugde, is niet duidelijk geworden aangezien de ontslagbrief uitblinkt in vaagheid op dat punt. Het niet voldoende functioneren of disfunctioneren is daarbij op zichzelf niet voldoende voor een dringende reden voor ontslag op staande voet, nog daargelaten dat [werknemer] betwist dat hij niet goed functioneerde en dat hij stelt dat hij de door [werkgever] overgelegde waarschuwingen met betrekking tot zijn functioneren – die ook vaag zijn en geen concrete verwijten bevatten – nooit heeft ontvangen. Waarom op 12 januari 2026 ineens de maat vol was voor [werkgever] en overgegaan moest worden tot een ontslag op staande voet, heeft zij niet nader toegelicht. Het door [werkgever] geschetste beeld van een disfunctionerende werknemer kwalificeert naar het oordeel van de kantonrechter in elk geval niet als een zodanige daad, eigenschap of gedraging van [werknemer] , dat van [werkgever] redelijkerwijze niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zoals bepaald is in de wet. Het had op de weg van [werkgever] gelegen, nu zij van mening was dat het functioneren van [werknemer] ondermaats was, om dat concreet te onderbouwen en vervolgens de daarvoor geëigende paden te bewandelen. De wetvereist in een dergelijk geval van een werkgever dat hij de werknemer een serieuze en reële gelegenheid tot verbetering biedt, zoals een concreet verbeterplan dat tussentijds wordt geëvalueerd, en dat de werkgever duidelijk maakt dat bij gebreke van verbetering ontslag zal volgen.\n\n4.4.. De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de door [werkgever] aangedragen feiten en omstandigheden geen dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Het ontslag op staande voet is dan ook niet rechtsgeldig gegeven.\n\nGefixeerde schadevergoeding\n\n4.5.. Doordat [werknemer] berust in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 12 januari 2026 is de arbeidsovereenkomst beëindigd zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn. Op grond van artikel 7:672 lid 11 BW is [werkgever] daarvoor een vergoeding verschuldigd aan [werknemer] die gelijk is aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.\n\n4.6.. Uit artikel 1.2 van de arbeidsovereenkomst volgt dat bij opzegging de wettelijke opzegtermijn geldt. In de arbeidsovereenkomst is verder bepaald dat opzegging niet hoeft te gebeuren tegen het einde van de kalendermaand. Rekening houdende met een maand opzegtermijn zou de arbeidsovereenkomst, bij een opzegging op 12 januari 2026, dus eindigen op donderdag 12 februari 2026. Artikel 1.6.3 van de toepasselijke cao (versie 2025-2027) schrijft echter voor dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van een bouwplaatswerknemer, zoals [werknemer] , dient te gebeuren tegen het einde van een kalenderweek en dat de feitelijke beëindiging plaatsvindt op een maandag. Hiermee rekening houdende, concludeert de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst van [werknemer] bij een regelmatige opzegging op 12 januari 2026 geëindigd zou zijn op maandag 16 februari 2026.\n\n4.7.. \n [werknemer] heeft – onweersproken – gesteld dat hij maandelijks structureel overwerk verrichtte en gemiddeld een bedrag van € 433,60 bruto per maand aan overwerkvergoeding ontving, hetgeen hij heeft onderbouwd door de overgelegde loonstroken. De kantonrechter zal daarom uitgaan van een gemiddeld brutoloon van € 3.591,87 exclusief vakantietoeslag.\n\n4.8.. Over de maand januari 2026 heeft [werkgever] een bedrag van € 1.622,18 aan [werknemer] voldaan zodat voor die maand nog een bedrag van € 1.969,69 bruto door [werkgever] resteert te betalen. In de periode van 1 tot en met 16 februari 2026 was er sprake van elf van de twintig werkdagen in die maand zodat over die periode € 1.975,53 brutoloon verschuldigd was, namelijk 11\u002F20e deel van het maandloon inclusief overwerkvergoeding. Vermeerderd met de vakantietoeslag van 8% bedraagt de totale gefixeerde schadevergoeding € 4.260,84 bruto.\n\n4.9.. De wettelijke rente over dit bedrag zal op grond van artikel 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 12 januari 2026.\n\nTransitievergoeding\n\n4.10.. Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is.\n\n4.11.. De kantonrechter dient ambtshalve de hoogte van de transitievergoeding vast te stellen.Bij de berekening daarvan moet hier worden uitgegaan van een fictieve einddatum van 16 februari 2026, omdat het gaat om de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Verder wordt ook in deze berekening uitgegaan van een gemiddelde maandelijkse overwerkvergoeding van € 433,60 bruto zoals onweersproken gesteld door [werknemer] . Ten slotte wordt in de berekening 8% vakantietoeslag over het loon en de overwerkvergoeding meegenomen. Uitgaande van deze gegevens bedraagt de transitievergoeding € 1.662,40 bruto. [werkgever] zal veroordeeld worden tot betaling van dit bedrag.\n\n4.12.. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 12 februari 2026.\n\nBillijke vergoeding\n\n4.13.. Artikel 7:681 lid 1 onder a BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Daarvan is hier sprake omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.\n\n4.14.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding heeft de Hoge Raadeen aantal uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. Daarbij kan de kantonrechter de vraag in aanmerking nemen of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen, en op welke termijn dit dan had kunnen gebeuren en vermoedelijk zou zijn gebeurd.\n\n4.15.. Uitgangspunt bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding is in de eerste plaats de inkomensschade die [werknemer] leidt als gevolg van het ontslag op staande voet, omdat die schade een gevolg is van het ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] en daaraan toegerekend kan worden.\n\n4.16.. \n [werkgever] heeft aangevoerd dat zij niet tevreden was over het functioneren van [werknemer] . Een ontslag op die grond verlangt echter eerst het aanbieden van een verbetertraject. In het geval [werkgever] aan [werknemer] een verbetertraject had aangeboden, had het voor de hand gelegen dat dit traject een aantal maanden in beslag zou hebben genomen. Mogelijk had [werknemer] daarmee zijn baan kunnen behouden en zo niet, dan had ook het aanvragen van een ontslag op die grond nog behoorlijk wat tijd in beslag kunnen nemen. Nu heeft [werknemer] plots een nieuwe baan moeten zoeken. Weliswaar heeft hij sinds medio maart 2026 een nieuwe baan gevonden maar dat is werk via een uitzendbureau en dus vrij onzeker, terwijl hij, bij het voortduren van zijn dienstverband bij [werkgever] , mogelijk had kunnen rekenen op een stabiel inkomen tot 4 november 2026. Ter zitting heeft [werknemer] nog toegelicht dat hij meer dan zestig sollicitaties heeft moeten versturen voordat hij deze baan heeft kunnen vinden en dat zijn positie op de arbeidsmarkt dus niet erg rooskleurig is. Verder speelt bij de begroting van de billijke vergoeding een rol dat [werkgever] op oneigenlijke wijze een traject van disfunctioneren uit de weg is gegaan, door op onhoudbare grond een ontslag op staande voet te geven. Daarbij wordt ook rekening gehouden met het gegeven dat [werknemer] zijn nijpende financiële positie en privésituatie bij [werkgever] heeft aangekaart en dat [werkgever] desondanks, op een ongeldige grond, naar het uiterste middel van het ontslag op staande voet heeft gegrepen.\n\n4.17.. Bij het bepalen van de billijke vergoeding wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat [werknemer] de gefixeerde (schade)vergoeding toegewezen krijgt, zijnde het loon over de opzegtermijn van iets meer dan een maand. Dat is immers een gestandaardiseerde vergoeding voor het gemiste inkomsten over de duur van de opzegtermijn en komt in mindering op de factor inkomensschade als onderdeel van de billijke vergoeding.\n\n4.18.. Gelet op al het voorgaande acht de kantonrechter het redelijk om aan [werknemer] een billijke vergoeding toe te kennen van € 23.275,32 bruto, gelijk aan het brutoloon over zes maanden, vermeerderd met de gemiddelde maandelijkse overwerkvergoeding en 8 % vakantietoeslag.\n\n4.19.. \n [werkgever] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 23.275,32 bruto. De verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking. De vergoeding is immers opeisbaar geworden vanaf de datum van deze beschikking. [werkgever] krijgt veertien dagen om het bedrag te betalen. Na het verstrijken van deze termijn is sprake van verzuim en is [werkgever] wettelijke rente verschuldigd.\n\nProceskosten\n\n4.20.. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.762,00 (€ 753,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.21.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 4.260,84 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 1.662,40 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 23.275,32 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling,\n\n5.4.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.5.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.\n\n Artikel 7:678 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 1 sub d BW.\n\n Artikel 7:673 lid 1 BW.\n\n ECLI:NL:HR:2025:365.\n\n ECLI:NL:HR:2020:1286.\n\n Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.\n\n ECLI:NL:HR:2017:1187.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5188","2026-05-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:12.055Z",{"id":184,"ecli":185,"slug":186,"caseNumber":44,"courtId":143,"decisionDate":187,"fullText":188,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":189,"sourceTimestamp":187,"parsedAt":52,"updatedAt":190},"1145","ECLI:NL:GHARL:2026:3679","ecli-nl-gharl-2026-3679","2026-06-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.679\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 11671308\n\nbeschikking van 8 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nAlfa Laval Nijmegen B.V.\n\ndie is gevestigd in Nijmegen\n\nhierna: ALN\n\nadvocaat: mrs. S.A. Poelman en C. Jacobs\n\nen\n\n [verweerder]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna: [verweerder]\n\nadvocaat: mr. R.K.A. Kop\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. ALN heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, op 24 juli 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift\n\nhet verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel appel\n\nhet verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel appel\n\n1.2.. Op 29 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd beschikking te geven.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of een redelijke grond voor ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst aanwezig is.\n\n2.2.. ALN heeft bij de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege bedrijfseconomische redenen (artikel 7:699 lid 3 sub a BW, a-grond), subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:699 lid 3 sub g BW, g-grond).\n\n2.3.. \n [verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan. Omdat hij van mening is dat ALN bij de reorganisatie en het voorgenomen ontslag ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft hij de kantonrechter (ook) verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst en daarbij te bepalen dat hem een billijke vergoeding wordt toegekend wegens het onterechte ontslag. Verder maakt hij aanspraak op de transitievergoeding, betaling van nakoming van de vergoedingen uit het Sociaal Plan, vergoeding van de juridische kosten, een opzegtermijn van drie maanden, vergoeding voor pensioenschade en opheffing van het concurrentie- en relatiebeding.\n\n2.4.. De kantonrechter heeft het verzoek van ALN tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de a-grond afgewezen. Volgens de kantonrechter heeft ALN voldoende aangetoond dat zij op grond van bedrijfseconomische redenen genoodzaakt was haar organisatie doelmatiger in te richten, met als gevolg dat arbeidsplaatsen kwamen te vervallen. Maar ALN heeft onvoldoende onderbouwd dat de arbeidsplaats van [verweerder] als gevolg van de reorganisatie moest komen te vervallen, nu zij niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij het afspiegelingsbeginsel heeft toegepast. Ook het subsidiaire verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond is afgewezen omdat volgens de kantonrechter geen sprake is van een ernstige en duurzame verstoorde arbeidsrelatie, waarvan geen herstel mogelijk is. ALN heeft te weinig gedaan om tot een oplossing van de (volgens haar) verstoorde arbeidsverhouding te komen.\n\n2.5.. \n\nHet tegenverzoek van [verweerder] is toegewezen op grond van artikel 7:671c BW. In zo’n geval is de werkgever\u002FALN de transitievergoeding alleen verschuldigd als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Voor de toekenning van een billijke vergoeding geldt hetzelfde. De kantonrechter is van oordeel dat ALN niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding of een billijke vergoeding.\n\nDe overige tegenverzoeken zijn afgewezen, behalve het verzoek met betrekking tot het concurrentie- en relatiebeding. De kantonrechter heeft zijn oordeel over de pensioenschade aangehouden, omdat [verweerder] had verzocht de gelegenheid te krijgen zijn verzoek in te trekken als aan de ontbinding geen billijke vergoeding zou worden verbonden. [verweerder] heeft zijn tegenverzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingetrokken, zodat de arbeidsovereenkomst in stand is gebleven en eventueel geleden pensioenschade niet meer aan de orde is gekomen.\n\n2.6.. De bedoeling van het principaal hoger beroep van ALN is dat het afgewezen verzoek alsnog wordt toegewezen en dat het hof een tijdstip bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (mocht de arbeidsovereenkomst worden ontbonden) van [verweerder] heeft betrekking op de vergoedingen waar hij ook in zijn tegenverzoek bij de kantonrechter om had verzocht (zie 2.3.). Bovendien heeft hij verzoeken gedaan die betrekking hebben op loonsverhoging en verlofdagen.\n\n2.7.. Het hof zal bepalen dat het principaal hoger beroep van ALN slaagt en het incidenteel hoger beroep van [verweerder] faalt. Het vonnis van de kantonrechter blijft dus niet in stand. De arbeidsovereenkomst eindigt per 1 augustus 2026. De grond voor die beëindiging is het vervallen van de arbeidsplaats vanwege bedrijfseconomische redenen (de a-grond). De verzoeken van [verweerder] zullen worden afgewezen. Het hof licht hieronder toe hoe het tot deze uitkomst komt.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nachtergrond van het geschil\n\n3.1.. ALN maakt onderdeel uit van de wereldwijde Alfa Laval groep. ALN legt zich toe op de ontwikkeling, verkoop en productie van inert gas systems (IGS) en exhaust gas systems (EGS) voor toepassingen in de maritieme sector. De activiteiten van ALN behoren binnen de Alfa Laval groep tot de Business Unit Heat & Gas Systems (BU HGS), onderdeel van de binnen de groep te onderscheiden Divisie Marine Business. ALN dient daarbij ook als servicelocatie ten behoeve van de BU HGS.\n\n3.2.. Op 17 november 2014 is [verweerder] bij ALN in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van Senior Process System Engineer tegen een maandsalaris van € 6.042,28 bruto.\n\n3.3.. Op 12 september 2024 is door ALN (in de persoon van Managing Director [naam1] ) een adviesaanvraag voor een reorganisatie ingediend bij de Ondernemingsraad. Daarin staat het voornemen om de aan IGS gerelateerde activiteiten geheel te staken en de aan EGS gerelateerde activiteiten vanuit de onderneming in Denemarken (Aalborg) en China (Qingdao) te verrichten. ALN zou dan enkel nog als servicelocatie ten behoeve van de BU HGS blijven voortbestaan, waardoor ruim 50 arbeidsplaatsen binnen ALN vervallen.\n\n3.4.. Op 26 september 2024 heeft ALN een melding in de zin van de Wet melding collectief ontslag gedaan. De Ondernemingsraad heeft op 30 oktober 2024 een positief advies uitgebracht en heeft het Sociaal Plan ondertekend.\n\n3.6.. Op 28 oktober 2024 heeft ALN voor 51 boventallige werknemers, onder wie [verweerder] , een voorlopige ontslagaanvraag (formulier A) ingediend bij het UWV. Op 29 oktober 2024 zijn individuele gesprekken gevoerd met alle werknemers van wie de arbeidsplaats zou komen te vervallen.\n\n3.7.. \n [verweerder] heeft op 31 oktober 2024 verder gesproken met [naam2] (Manager System Development) en [naam3] (HR Business Partner). In dat gesprek zijn de gevolgen van de reorganisatie, waaronder herplaatsing, aan bod gekomen en heeft [verweerder] nog specifieke vragen gesteld, die de advocaat van ALN per mail van 6 november 2024 heeft beantwoord. Ook heeft de afdeling HR van ALN op die datum per e-mail drie vacatures gestuurd aan alle medewerkers die door de reorganisatie hun functie zouden verliezen. [verweerder] heeft over deze vacatures vragen aan ALN gesteld, waarna een gesprek met HR van ALN heeft plaatsgevonden.\n\n3.8.. Op 14 november 2024 vond een gesprek plaats tussen de recruiter van ALN, [naam4] en [verweerder] , naar aanleiding van een door [verweerder] getoonde interesse in de vacante functie van Process Engineer (Service). Na afloop van het gesprek heeft [verweerder] [naam4] per e-mail laten weten dat hij over de functie zal nadenken en in dat verband gevraagd of de nieuwe functie onder zijn bestaande contract wordt voortgezet of dat er opnieuw over salaris en arbeidsvoorwaarden moet worden onderhandeld.\n\n3.9.. \n [naam5] (HR Business Partner ALN) heeft [verweerder] op 18 november 2024 aanvullende informatie over de functie van Process Engineer (Service) verstrekt en aangegeven dat de werkzaamheden minder complex zouden zijn dan de (vervallen) functie van [verweerder] en de functie daardoor ook lager was ingeschaald en dat de inschaling de komende jaren niet zou worden verhoogd. Op 20 en 21 november 2024 hebben [naam5] en [verweerder] hierover via Teams gesproken. [verweerder] gaf aan door de verandering in het operationele takenpakket en het lagere salaris te twijfelen of hij wel formeel zou gaan solliciteren. [verweerder] heeft uiteindelijk niet (meer) gesolliciteerd.\n\n3.10.. \n\nDe organisatiewijzigingen binnen ALN zijn per 1 december 2024 geëffectueerd.\n\nDaarbij is boventallige werknemers gevraagd om nog enige tijd werkzaamheden te blijven verrichten.\n\n3.11.. Op 12 december 2024 heeft [naam5] via de advocaat van [verweerder] een nieuwe vacature voor de functie van Development Engineer binnen de afdeling Service Technology & Warranty onder de aandacht gebracht. [verweerder] heeft niet op deze vacature gereageerd.\n\n3.12.. Het UWV heeft op 7 februari 2025 op de ontslagaanvraag beslist. Volgens het UWV heeft ALN aannemelijk gemaakt dat sprake is van bedrijfseconomische redenen om arbeidsplaatsen te laten vervallen, maar zij heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat daarmee specifiek de arbeidsplaats van [verweerder] komt te vervallen. Door deze onduidelijkheid heeft het UWV niet kunnen vaststellen of het afspiegelingsbeginsel – en daarmee de ontslagvolgorde – juist is toegepast bij de voordracht van het ontslag. Het UWV heeft ook de herplaatsingsinspanningen van ALN onvoldoende geacht. Van een redelijke grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst is volgens UWV geen sprake en het UWV heeft dan ook de toestemming om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op te zeggen geweigerd.\n\n3.13.. \n [naam5] heeft vervolgens in een e-mail van 14 maart 2025 [verweerder] voor een herplaatsingsgesprek op 17 maart 2025 uitgenodigd. Zij heeft als bijlage bij dit e-mailbericht een overzicht van alle (circa 392) vacatures binnen de groep van Alfa Laval gevoegd. Ook heeft zij nog de vacatureteksten van vier binnen deze groep openstaande vacatures gevoegd, omdat zij meende dat deze gelet op de huidige rol van [verweerder] passend waren. [naam5] heeft [verweerder] verzocht om alvast na te denken over zijn herplaatsingsvoorkeuren, zoals een acceptabel salarisniveau en de landen waar naartoe hij bereid zou zijn te verhuizen.\n\n3.14.. \n [verweerder] heeft in zijn e-mailbericht van 20 maart 2025 aan [naam5] (met cc aan [naam1] ) gereageerd op de ontvangen notulen van dit gesprek. Hij heeft niet, zoals ALN hem had verzocht, de gehele lijst van 392 vacatures van de internationale Alfa Laval organisatie doorgenomen omdat herplaatsing volgens hem de verantwoordelijkheid van de werkgever is en hij zijn eigen functie wil behouden wat dus niet met elkaar te rijmen is. Verder heeft hij laten weten geen interesse te hebben in de vier door ALN aangedragen functies, omdat het om typisch mechanical engineer functies gaat en hij geen diepgaande kennis van mechanische constructies heeft. Dit nog los van het feit dat dit functies in het buitenland zijn terwijl hij heeft besloten geen buitenlandse functies te accepteren, aldus [verweerder] .\n\n3.15.. \n [naam5] heeft in reactie hierop in haar e-mail van 25 maart 2025 [verweerder] nog gewezen op twee andere vacatures, die van Technical Specialist Marine (Breda) en Global Technical Specialist (Service) (Nijmegen). [verweerder] laat dezelfde dag weten onvoldoende interesse te hebben; hij geeft de voorkeur aan het behoud van zijn eigen functie.\n\n3.16.. Op 7 april 2025 is bij de rechtbank Gelderland het verzoek van ALN tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst binnengekomen. Bij beschikking van 24 juli 2025 heeft de kantonrechter in die rechtbank het verzoek afgewezen. Het verzoek tot ontbinding namens [verweerder] heeft de kantonrechter toegewezen, maar is door [verweerder] op 29 juli 2025 ingetrokken.\n\n3.17.. Op 17 april 2025 is [verweerder] verzocht zijn nog resterende taken, in overleg met [naam2] , af te ronden en over te dragen, waarna hij per 28 april 2025 zou worden vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.\n\n3.18. Op 21 augustus 2025 vindt een gesprek plaats tussen [verweerder] , [naam5] en [naam1] , waarin [verweerder] heeft verteld over ingrijpende gebeurtenissen in zijn privéleven. Ook heeft hij aangegeven dat de hele procedure rond de reorganisatie hem zwaar viel en hij spanningsklachten ervaarde. In dit gesprek heeft ALN de opties na de uitspraak van de kantonrechter met [verweerder] gedeeld (functie van ‘Process Engineer Service’, een vaststellingsovereenkomst, hoger beroep tegen uitspraak kantonrechter) en is over mediation gesproken. Over wat hierna is afgesproken verschillen partijen van mening. Volgens [verweerder] was het de bedoeling dat hij op 26 augustus 2025 weer op het werk zou verschijnen, maar [naam1] verkeerde in de veronderstelling dat hij had gezegd dat ALN en [verweerder] pas weer op 29 augustus 2025 verder zouden praten. Toen [verweerder] op 26 augustus 2025 verscheen is hem verzocht weer naar huis te gaan.\n\n3.19.. In een e-mail van 25 augustus 2025 van [naam5] aan [verweerder] heeft [naam5] , hoewel zij uit het gesprek van 21 augustus 2025 had begrepen dat [verweerder] geen belangstelling had voor de functie van Process Engineer Service, [verweerder] op zijn verzoek toch een functieomschrijving van deze vacante functie gestuurd. Verder schrijft [naam5] dat ALN nog heeft bezien of er alternatieve mogelijkheden voor herplaatsing voor [verweerder] zijn, maar dat die mogelijkheden ontbreken.\n\n3.20.. Als reactie hierop heeft [verweerder] in zijn e-mailbericht van 29 augustus 2025 aan [naam5] laten weten dat hij geen interesse heeft in deze ‘aanzienlijk lager ingeschaalde, niet passende functie’ (een operationele functie die te veel van zijn huidige functie afwijkt). Hij blijft beschikbaar voor zijn eigen functie van Senior Process System Engineer en is bereid die werkzaamheden met volle inzet weer op te pakken.\n\n3.21.. Tijdens het (vervolg)gesprek op 29 augustus 2025 hebben partijen overleg gevoerd over de in rov. 3.18. genoemde voorstellen van ALN. In dit gesprek tracht [verweerder] duidelijk te maken dat hij een functiewijziging niet zal accepteren als die niet passend is, maar dat hij wel bereid is gewijzigde werkzaamheden uit te voeren. [verweerder] heeft zijn bereidheid voor een mediation uitgesproken.\n\n3.22.. \n [verweerder] heeft zich per 8 september 2025 ziekgemeld.\n\n3.23.. In de weken nadien zijn partijen het eens geworden over het inzetten van mediation. De mediation heeft echter niet tot een oplossing tussen partijen geleid.\n\nbeoordeling\n\n3.24.. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is (artikel 7:669 lid 3 BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). ALN heeft aan haar verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] als gezegd primair bedrijfseconomische redenen ten grondslag gelegd (a-grond), subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair de combinatiegrond (i-grond).\n\nde beoordeling van de a-grond\n\n3.25.. ALN beroept zich primair op ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] vanwege bedrijfseconomische redenen. De kantonrechter heeft in rov. 4.8 van zijn bestreden vonnis geoordeeld dat, gelet op de ondernemingsvrijheid die ALN toekomt, ALN voldoende heeft toegelicht en onderbouwd hoe zij tot de uitgevoerde organisatiewijziging heeft kunnen komen. Ook zonder een verlieslatende situatie, die hier volgens de kantonrechter wel aan de orde is, mag een werkgever besluiten haar organisatie doelmatiger in te richten, met als gevolg dat arbeidsplaatsen komen te vervallen, aldus de kantonrechter. Tegen dit oordeel zijn geen (principale\u002Fincidentele) grieven gericht, zodat vaststaat dat ALN op bedrijfseconomische redenen tot reorganisatie van de in rov. 3.3. van dit arrest genoemde onderdelen van ALN mocht overgaan. ALN is in hoger beroep wel opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat ALN onvoldoende heeft onderbouwd dat de arbeidsplaats van [verweerder] is komen te vervallen (rov. 4.14). ALN heeft volgens de kantonrechter niet alleen onvoldoende onderbouwd toegelicht waarom deze arbeidsplaats op grond van het afspiegelingsbeginsel moet komen te vervallen, maar ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen voor de afspiegeling zijn wanneer bijvoorbeeld collega [naam6] buiten de categorie uitwisselbare functies zou vallen, zoals [verweerder] heeft bepleit.\n\n3.26.. Het hof is van oordeel dat ALN in hoger beroep voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het afspiegelingsbeginsel op grond van de artikelen 11 en 13 van de Ontslagregeling correct is nageleefd en dat als gevolg van de reorganisatie binnen de door haar vastgestelde categorie uitwisselbare functies 'Process Engineer (Research & Development)' drie van de vijf arbeidsplaatsen komen te vervallen. Functies zijn uitwisselbaar als die (i) vergelijkbaar zijn wat betreft de inhoud en de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties en (ii) gelijkwaardig zijn wat betreft het niveau en de beloning. Gezien de toelichting van ALN op de te vervallen functies samen met productie 1 van het beroepschrift en in combinatie met de overgelegde functieomschrijving voor een Senior System Engineer, heeft ALN de samenstelling van de categorie uitwisselbare functies ( [naam7] , [verweerder] , [naam6] , [naam8] en [naam9] ) voldoende onderbouwd. Daaruit volgt dat de arbeidsplaatsen van [naam7] , [verweerder] en [naam8] vervallen en de arbeidsplaatsen van [naam9] en [naam6] behouden blijven. Volgens [verweerder] hadden [naam6] (gelet op zijn mechanische aandachtsgebied) en [naam8] (gelet op zijn detachering) niet in de categorie uitwisselbare functies mogen worden opgenomen en [naam10] juist wel (verrichtte zelfde type werkzaamheden). ALN heeft haar keuze echter voldoende inzichtelijk toegelicht. [naam6] verrichtte als (Mechanical) Process Engineer werkzaamheden op het senior niveau met een gelijke beloning als de andere vier collega’s uit hetzelfde team onder leiding van [naam2] . Hoewel [naam6] over sterke capaciteiten beschikt die ALN aanduidt als ‘mechanical’, is hij net als zijn collega’s ook werkzaam aan de ‘process’-kant. Voor het hof is het goed te volgen dat ALN [naam6] binnen de Service afdeling in Nijmegen wilde behouden, gelet op zijn ‘mechanical’ inbreng wat als meerwaarde wordt beschouwd voor ALN als service-onderdeel van het concern. [naam8] was weliswaar gedetacheerd bij Alfa Laval Rotterdam B.V., maar zou terugkomen, wat bij gebrek aan budget ook is gebeurd. [naam10] is niet in de lijst opgenomen omdat hij binnen ALN weliswaar eenzelfde type werkzaamheden verrichtte als [naam7] , [verweerder] , [naam6] en [naam9] , maar dat deed hij op junior niveau en tegen een lager salaris, onder leiding van [naam9] . De uitwisselbare functies met [verweerder] zijn functies op senior niveau, zodat de keuze van ALN om [naam10] niet in deze categorie op te nemen goed te volgen is.\n\n3.27.. \n\n [verweerder] meent dat er nog meer haken en ogen aan het door ALN toegepaste afspiegelingsbeginsel zitten. ALN had de inzet van [naam11] als extern ingehuurde process engineer eerst moeten beëindigen alvorens het dienstverband met vaste werknemers ter discussie werd gesteld. ALN heeft daartegen onvoldoende weersproken ingebracht dat [naam11] een door haar ingehuurde uitzendkracht is, die tot augustus 2025 op een junior niveau en tegen veel lagere kosten – het hof begrijpt: op een lager salarisniveau – taken verrichtte, bovendien niet voor ALN maar voor de afdeling Air Lubrication en daarmee ten behoeve van een andere business unit, die buiten de reorganisatie valt.\n\nDe functies van [naam12] en [naam13] zijn volgens [verweerder] uitwisselbaar met zijn functie. ALN heeft voldoende toegelicht waarom dat in haar ogen niet zo is. [naam12] en [naam13] waren werkzaam op de afdeling Service en niet (zoals [verweerder] en de andere vier collega’s uit de lijst van ALN) op de afdeling Research & Development. Het is de keuze van de ondernemer (ALN) om deze functies onderdeel uit te laten maken van de afdeling Service.\n\nVolgens [verweerder] had [naam14] in de categorie uitwisselbare functies opgenomen moeten worden. Hij werkte net als [naam8] (die wel is opgenomen) vanuit de vestiging in Rotterdam als Process Engineer voor Air Lubrication.\n\nALN heeft in de procedure bij het UWV voldoende toegelicht dat werknemers van Alfa Laval Rotterdam die bij ALN op de payroll staan, maar buiten deze administratieve payrolldienstverlening geen binding hebben met ALN en géén arbeidsplaats binnen ALN hebben (anders dan [naam8] ), buiten de afspiegeling van ALN zijn gehouden. [naam14] is hier één van.\n\n3.28.. \n [verweerder] heeft nog naar voren gebracht dat ALN geen rekening heeft gehouden met paragraaf 1.3.2 van de uitvoeringsregels van het UWV, die voorschrijft dat in internationale situaties de werkgever de noodzaak tot het vervallen van arbeidsplaatsen moet onderbouwen. Volgens [verweerder] was dit nodig omdat de internationale afdeling System Development, waartoe hij behoort, juist opgericht was om uitwisselbaarheid van werknemers te creëren tussen Aalborg en Nijmegen.\n\n3.29.. \n\nHet hof gaat hier niet in mee. Net als de kantonrechter is het hof van oordeel dat ALN een zelfstandige, nationale, bedrijfsvestiging is binnen de groep van Alfa Laval.\n\nDe werknemers die voor Alfa Laval Aalborg werkzaam zijn, zijn bij deze onderneming in dienst. Op een buitenlandse vestiging zoals die in Aalborg is het Nederlands\n\nrecht niet van toepassing. Tegen deze overweging van de kantonrechter is bovendien niet door [verweerder] gegriefd.\n\n3.30.. \n\nHet hof is verder van oordeel dat de situatie niet anders wordt als bijvoorbeeld [naam6] (als hem bijvoorbeeld een unieke functie zou zijn toebedeeld) uit de categorie uitwisselbare functies Process Engineer (Research & Development) zou vallen, zoals [verweerder] heeft betoogd met verwijzing naar een eigen afspiegelingsberekening.\n\nVolgens ALN zou [naam6] zonder meer in de nieuwe organisatie terugkeren omdat zijn ‘mechanical’ expertise voor de nieuwe serviceafdeling van groot belang is. Binnen de categorie uitwisselbare functies Process Engineer (Research & Development) zou in dat geval sprake zijn van vier arbeidsplaatsen, waarvan dan binnen ALN één arbeidsplaats zou\n\nresteren. Omdat [naam6] dan beschikbaar blijft, hoeven er niet twee arbeidsplaatsen voor als process engineers over te blijven binnen Research & Development. Binnen die categorie zouden dus alsnog drie arbeidsplaatsen komen te vervallen. ALN heeft dit voldoende inzichtelijk gemaakt met een bijbehorende afspiegelingsberekening die zij als productie 10 bij haar beroepschrift heeft overgelegd. Daaruit blijkt volgens het hof afdoende dat ook in het geval [naam6] uit de categorie uitwisselbare functies wordt gehaald, de arbeidsplaatsen van [naam9] en [naam6] overblijven en de arbeidsplaatsen van [verweerder] , [naam8] en [naam7] komen te vervallen.\n\n3.31.. Uit het voorgaande volgt dat een redelijke ontslaggrond (de a-grond) aanwezig is. Vervolgens moet voor een geslaagd beroep op ontbinding beoordeeld worden of ALN voldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht.\n\nherplaatsing\n\n3.32.. \n\n [verweerder] stelt zich op het standpunt dat ALN tot 17 maart 2025 geen enkele herplaatsingsinspanning heeft verricht en de verantwoordelijkheid voor herplaatsing bij [verweerder] heeft neergelegd. Daarnaast zijn hem diverse passende vacatures niet aangeboden. [verweerder] noemt in dat verband (i) de vacature voor Senior Development Engineer die ontstond na het vertrek van [naam13] , (ii) de vacature voor Senior System Engineer in Aalborg (zijn feitelijke functie), die doelbewust buiten de officiële kanalen is gehouden, (iii) de functies van [naam15] en [naam16] , die beiden Senior Development Engineer zijn en vanuit Aalborg werken en (iv) de functie van [naam17] (Senior Development Engineer, Rotterdam).\n\n [verweerder] acht het verder onbegrijpelijk dat hem nooit de mogelijkheid is geboden zijn eigen functie, die naar de vestiging in Aalborg is verplaatst, vanuit Nijmegen of Aalborg voort te zetten.\n\n3.33.. Bij de beoordeling van de vraag of ALN heeft voldaan aan het herplaatsingsvereiste stelt het hof het volgende voorop. Volgens artikel 7:669 lid 1 BW is opzegging van de arbeidsovereenkomst, ook indien daarvoor een redelijke grond bestaat, slechts toegestaan indien herplaatsing binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Van de werkgever wordt een actieve, op de persoon van de werknemer gerichte benadering gevergd, die inhoudt dat hij de werknemer actief begeleidt, initiërend te werk gaat en eventuele belemmeringen voor nieuwe functies wegneemt. Het ligt op de weg van de werkgever om te stellen – en zo nodig te bewijzen – dat hij heeft gedaan wat mogelijk was en wat in de rede lag om de werknemer te herplaatsen. Ten minste zal een op de persoon van de werknemer gerichte poging tot herplaatsing moeten worden gesteld. Gezien artikel 9 lid 2 van de Ontslagregeling moeten, indien een onderneming tot een concern behoort, bij de beoordeling of een passende functie beschikbaar is, mede arbeidsplaatsen in andere tot het concern behorende ondernemingen worden betrokken. Van een passende functie is sprake wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer (artikel 9 lid 3 Ontslagregeling). Toegespitst op de situatie van [verweerder] betekent het voorgaande dat ALN onderbouwd dient te stellen dat zij heeft gedaan wat mogelijk was en wat in de rede lag om [verweerder] te herplaatsen op een passende functie.\n\n3.34.. Het hof oordeelt dat ALN dit voldoende heeft gedaan. Uit rov. 3.7. blijkt dat herplaatsing al eind oktober 2024 aan de orde is gesteld. Begin november 2024 heeft ALN drie vacatures aan alle medewerkers van ALN die bij de reorganisatie waren betrokken gestuurd. Op 14 november 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de recruiter [naam4] en [verweerder] over de vacante functie van Process Engineer (Service). Nadat [verweerder] aanvullende informatie over deze functie van [naam5] had ontvangen en in vervolg daarop enkele dagen later met haar over de vacature\u002Ffunctie heeft gesproken, heeft [verweerder] , gelet op het takenpakket en het lagere salaris, besloten niet op deze functie te solliciteren. Op de functie van Development Engineer binnen de afdeling Service Technology & Warranty, die [naam5] op 12 december 2024 onder de aandacht van de advocaat van [verweerder] heeft gebracht, heeft [verweerder] evenmin gereageerd. Dit bleek achteraf de functie te zijn van [naam13] . [verweerder] heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gezegd, dat hij in de veronderstelling verkeerde dat dit niet dezelfde functie was, gelet op een ander\u002Flager salarisniveau en vakgebied. Vaststaat dat [verweerder] al in het gesprek eind oktober 2024 met [naam1] en [naam5] heeft gezegd dat de functie van [naam13] hem wel wat leek. Ook [naam1] leek deze mening toegedaan omdat hij deze functie specifiek onder de aandacht van [verweerder] , [naam10] en [naam8] heeft laten brengen, zoals hij tijdens de zitting desgevraagd heeft toegelicht. Onder deze omstandigheden had van ALN een meer proactieve houding mogen worden verwacht, waarbij zij de advocaat van [verweerder] met meer nadruk op de vacante vacature had moeten wijzen nu [verweerder] eerder had aangegeven dat hij oren naar deze functie had. Anderzijds had van [verweerder] ook verwacht mogen worden dat hij met [naam5] contact had opgenomen over de inhoud van deze functie. In plaats daarvan heeft hij zelf de conclusie getrokken dat deze functie niets voor hem was.\n\n3.35.. Op 17 maart 2025 (nadat de UWV-procedure was afgerond) zijn partijen weer met elkaar om de tafel gaan zitten. In dat gesprek is aan [verweerder] gevraagd na te denken over een acceptabel salarisniveau en de landen waar naartoe hij bereid zou zijn om voor de vervulling van zijn werkzaamheden te verhuizen. Volgens ALN heeft [verweerder] daarop geantwoord dat hij minimaal een gelijkwaardig salaris als zijn huidige salaris wil en dat verhuizen veel impact heeft en ook aan werk voor zijn vrouw moet worden gedacht. [verweerder] heeft dit onvoldoende weersproken. Voorafgaand aan het gesprek heeft ALN [verweerder] een lijst gestuurd met 392 openstaande vacatures, met de vraag of hij wilde onderzoeken op welke vacature hij zou willen reflecteren. Naar aanleiding van het antwoord van [verweerder] op de vraag naar zijn voorkeuren, heeft ALN de vacaturelijst nogmaals doorgenomen en [verweerder] geattendeerd op de daarop voorkomende functies van Technical Specialist Marine (Breda) en Global Technical Specialist (Service) (Nijmegen) als mogelijk passende functies en hem de vacatureteksten toegestuurd.\n\n3.36.. Zoals hiervoor (3.20) vermeld is op 21 augustus 2025 nog een andere vacante, mogelijk passende functie aangedragen, waarin [verweerder] geen interesse had.\n\n3.37.. \n\nTijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [verweerder] naar voren gebracht dat hij voor de functie die [naam18] nu in Aalborg vervult in aanmerking had kunnen komen, omdat dit nu juist zijn eigen functie was (system engineer). Daarvoor is hij echter niet uitgenodigd. Desgevraagd heeft ALN bevestigd dat deze functie [verweerder] niet is aangeboden omdat [verweerder] had gezegd dat hij niet naar het buitenland wilde verhuizen. Ook heeft [naam1] bevestigd dat deze functie niet bij de lijst van 392 vacatures zat die in maart 2025 aan [verweerder] is gestuurd. Volgens [naam1] is dat niet bewust gedaan. [verweerder] heeft aangevoerd dat hij deze functie goed vanuit Nederland had kunnen vervullen. Maar feit is nu eenmaal dat ALN heeft besloten dat deze functie vanuit Aalborg zou worden vervuld omdat zij de desbetreffende afdeling naar Aalborg had overgebracht. Bovendien kan [verweerder] de door ALN genoemde reden waarom zij hem niet op deze functie heeft geattendeerd niet plaatsen, omdat ALN hem wel vier andere vacante functies in het buitenland heeft toegestuurd. Het ging om twee functies in Denemarken en twee in China. Die waren overigens volgens hem niet passend omdat het mechanical engineer functies betroffen die buiten de business unit vielen (een ander vakgebied) waarin hij werkzaam is. Wat de beweegredenen van ALN op dat moment ook waren, als onweersproken staat vast dat [verweerder] heeft uitgesproken dat hij om persoonlijke redenen niet naar het buitenland wilde verhuizen.\n\nALN is tijdens de zitting ook nog ingegaan op de functies die [verweerder] hiervoor (zie 3.32) onder (iii) en (iv) heeft genoemd. ALN heeft de functies van [naam15] en [naam16] niet passend geacht omdat die vanuit het kenniscentrum in Aalborg worden verricht en [verweerder] te kennen heeft gegeven niet naar het buitenland te willen verhuizen. [naam17] vervult bij Alfa Laval Rotterdam een specialistische rol in ‘Air Lubrication’ en zij beschikt over een PhD van de TU Delft. [verweerder] heeft deze kennis en kunde niet, zodat ook deze functie niet passend is.\n\n3.38.. Van ALN kan naar het oordeel van het hof, gelet op de hiervoor uiteengezette pogingen die zij heeft ondernomen om [verweerder] te herplaatsen, niet gezegd worden dat zij geen inspanningen op dat vlak heeft verricht. Die inspanningen acht het hof voldoende om tot het oordeel te komen dat ALN aan haar inspanningsverplichting om [verweerder] te herplaatsen heeft voldaan. ALN had weliswaar pro-actiever kunnen handelen bij de functie van [naam13] die zij aan de advocaat van [verweerder] had gestuurd, en niet duidelijk is geworden waarom de functie van [naam18] [verweerder] niet is aangeboden terwijl zij andere functies in het buitenland wel onder zijn aandacht bracht, maar daartegenover staat dat ALN zich in diverse langdurige gesprekken serieus de moeite heeft getroost [verweerder] te herplaatsen. Dat dit uiteindelijk niet is gelukt, heeft ook te maken met het feit dat [verweerder] niet open stond voor een functie die in het buitenland moest worden vervuld en die qua salaris niet minstens gelijk stond aan zijn huidige salaris en niet dezelfde complexiteit had. Bij het hof is het beeld ontstaan dat [verweerder] zich niet bereid heeft getoond om te opteren voor een andere functie dan die hij bekleedde, tenzij onder minstens vergelijkbare voorwaarden qua salaris en functie-inhoud. Dat is echter een verdergaande eis dan dat de functie aansluit bij zijn opleiding, ervaring en capaciteiten. Bovendien heeft [verweerder] diverse malen aangegeven een functie in het buitenland niet te ambiëren, omdat de sociale en financiële gevolgen te groot zijn. Indachtig deze voorkeuren heeft ALN serieus gezocht naar mogelijkheden en heeft zij op de persoon van [verweerder] gerichte pogingen gedaan om hem te herplaatsen.\n\neinde van de arbeidsovereenkomst\n\n3.39.. \n\nHet voorgaande leidt er toe dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op de a-grond. Aan de beoordeling van de subsidiair aangevoerde ontslaggronden (de g-grond en de i-grond) komt het hof daarom niet meer toe.\n\nGelet op de gehele gang van zaken rondom het einde van de arbeidsovereenkomst, ziet het hof aanleiding om de arbeidsovereenkomst niet direct te laten eindigen en de einddatum te bepalen op 1 augustus 2026. Nu [verweerder] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft hij recht op de wettelijke transitievergoeding. Het hof zal deze vergoeding toewijzen, maar kan de hoogte ervan niet berekenen omdat het hof niet over de benodigde gegevens beschikt voor de loonberekening. ALN zal [verweerder] niet houden aan de in de arbeidsovereenkomst neergelegde concurrentie en- relatiebedingen, zoals zij ook in hoger beroep heeft bevestigd. Het hof leest het dictum van het vonnis van de kantonrechter in samenhang met de overwegingen en constateert dan dat waar de kantonrechter spreekt over belemmerende bedingen, met name het relatie- en concurrentiebeding bedoeld worden en niet (bijvoorbeeld) het geheimhoudingsbeding. Daar blijft [verweerder] dus aan gebonden. In die zin is grief 7 overbodig.\n\nde verzoeken van [verweerder]\n\ngeen billijke vergoeding\n\n3.40.. Volgens [verweerder] heeft hij recht op een billijke vergoeding omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van ALN. [verweerder] maakt ALN in dat verband een aantal verwijten. Hij verwijt ALN in het proces van de reorganisatie halsstarrig en tegen beter weten te blijven volharden in het ontslag van [verweerder] , terwijl hij meer dan eens heeft aangetoond dat er geen reden was voor ontslag. ALN heeft hem steeds meer onder druk gezet en heeft hem ten onrechte op non-actief gesteld. Hij heeft niet om zijn ontslag gevraagd, wilde dat ook helemaal niet krijgen en was al helemaal niet uit op een verstoorde arbeidsrelatie wat ALN hem nu voor zijn voeten werpt. Het kan volgens [verweerder] niet zo zijn dat ALN geen bedrijfseconomische reden heeft om hem te ontslaan, maar wel weg komt met een ontbinding zonder billijke vergoeding. Verder voert [verweerder] aan dat was afgesproken dat hij zijn werkzaamheden op 26 augustus 2025 zou hervatten, maar dat hij op die dag door [naam1] op een uiterst onplezierige en onterechte wijze naar huis is gestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft (de advocaat van) [verweerder] ook nog naar voren gebracht dat ALN onvoldoende re-integratieactiviteiten heeft gepleegd.\n\n3.41.. Het hof volgt [verweerder] niet in zijn betoog. Gelet op wat hiervoor is overwogen, blijkt dat het hof de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de a-grond gerechtvaardigd acht. ALN heeft in redelijkheid kunnen besluiten tot de reorganisatie die zij heeft doorgevoerd en zij heeft in hoger beroep voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij het afspiegelingsbeginsel juist heeft toegepast. Het hof begrijpt dat het voor [verweerder] een bittere pil is dat na een lang dienstverband zijn functie is weggeorganiseerd en dat hij erg teleurgesteld is dat ALN nu ook een ontslag wegens een verstoorde verhouding in stelling brengt, maar dat betekent niet dat ALN hierin een ernstig verwijt, dat tot toekenning van een billijke vergoeding moet leiden, kan worden gemaakt. Het is het hof niet gebleken dat ALN de a-grond heeft geënsceneerd en\u002Fof een valse grond voor ontslag heeft aangewend met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren. De maatstaf voor ernstig verwijtbaar handelen ligt echt veel hoger dan in de onderhavige situatie aan de orde is. Van moedwillig in strijd met de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst handelen of nalaten is naar het oordeel van het hof geen sprake. Dat geldt ook voor de non-actiefstelling op 17 april 2025 zoals [verweerder] dat noemt. Dat is niet direct juist, omdat hij per 28 april 2025 is vrijgesteld van werk met behoud van salaris, wat niet ongebruikelijk is bij een reorganisatie. In het gesprek van 21 augustus 2025 hebben partijen overlegd wanneer [verweerder] weer op het werk zou verschijnen. Daarover is blijkbaar een misverstand ontstaan (26 of 29 augustus 2025). Het hof begrijpt dat het voor [verweerder] onprettig is geweest dat (en hoe) hij op 26 augustus 2025 door [naam1] weer naar huis is gestuurd, maar ook dit wegsturen kan niet als ernstig verwijtbaar handelen van ALN worden gekwalificeerd. Het verwijt van [verweerder] dat ALN niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan, is onvoldoende onderbouwd zodat het hof daar aan voorbij gaat. Voor een billijke vergoeding is al met al geen plaats.\n\ngeen vergoeding pensioenschade\n\n3.42.. \n\n [verweerder] verzoekt om vergoeding van zijn pensioenschade van\n\n€ 163.941 als onderdeel van de billijke vergoeding maar ook op grond van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW). Bovendien levert het beëindigen van zijn dienstverband (vooral als oudere werknemer) en hem laten zitten met pensioenschade strijd op met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW). De schade bestaat uit een bedrag van\n\n€ 103.842 ten gevolge van gemiste premie-inleg door overgang naar de flat rate pensioenopbouw, vermeerderd met € 12.036 ten gevolge van een vrijwel zeker hogere eigen bijdrage bij een toekomstige werkgever, vermeerderd met € 16.718 gemiste premie inleg ten gevolge van een te verwachten langere periode van ziekte\u002Fwerkloosheid, vermeerderd met\n\n€ 31.346 ter compensatie van het fiscale nadeel dat een werknemer heeft bij eenmalige compensatie van deze schadebedragen tegen het hoogste belastingtarief.\n\n3.43.. Zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van ALN met ontbinding tot gevolg. ALN heeft evenmin in het kader van de ontslagaanvraag als niet goed werkgever gehandeld. Ook overigens heeft [verweerder] te weinig gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat er sprake is van onrechtmatig handelen dan wel dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat pensioenschade moet worden vergoed. Het staat weliswaar vast dat de ontslagaanvraag door het UWV is afgewezen en dat de kantonrechter geen ontbinding op de a-grond heeft uitgesproken (vanwege het niet inzichtelijk maken van het afspiegelingsbeginsel), maar dat brengt niet mee dat sprake is van een van deze grondslagen. Als gezegd oordeelt het hof ook anders over de ontbinding dan het UWV en de kantonrechter. Het enkele feit dat de arbeidsovereenkomst ontbonden wordt vanwege bedrijfseconomische redenen vormt op zichzelf onvoldoende grond voor vergoeding van pensioenschade. Omdat een grondslag voor de toekenning voor pensioenschade ontbreekt, zal dit verzoek worden afgewezen.\n\ngeen salarisverhoging\n\n3.44.. \n [verweerder] verzoekt ook om een verhoging van zijn salaris met 3%. Hij heeft per 1 januari 2025 slechts een verhoging van 1% gekregen en per 1 januari 2026 helemaal geen salarisverhoging. Die verhoging van 3% hebben zijn collega’s die niet in de reorganisatie waren betrokken, wel gekregen. [verweerder] heeft recht op een gelijke behandeling ten opzichte van zijn collega’s en dat recht wordt hem nu (reeds twee opvolgende jaren) onthouden. Het hof ziet dat anders. ALN heeft gemotiveerd onderbouwd waarom zij boventallige werknemers in 2025 niet geheel heeft willen uitsluiten, maar het voor salarisverhogingen beschikbare budget wel hoofdzakelijk heeft willen aanwenden voor de (niet boventallige) werknemers die geacht werden naar de toekomst toe voor ALN werkzaam te blijven. De keuze om boventallige werknemers per 1 januari 2025 een salarisverhoging van 1% te geven mocht ALN volgens het hof maken. Het gaat hier niet om gelijke gevallen en bovendien heeft ALN volgens het hof geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt. Anders dan [verweerder] stelt, heeft hij volgens ALN per 1 januari 2026 wél een salarisverhoging van 1% gekregen en dat is onweersproken gebleven.\n\nsociaal plan\n\n3.45.. \n [verweerder] wenst ook de outplacementvergoeding uit het Sociaal Plan en een retentiebonus over de door hem in 2025 gewerkte maanden te ontvangen. Dit verzoek zal worden afgewezen omdat ALN deze voorzieningen in het Sociaal Plan alleen toezegt aan boventallige werknemers met wie een vaststellingsovereenkomst is gesloten om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen. [verweerder] heeft geen vaststellingsovereenkomst willen sluiten. [verweerder] heeft daarmee geen aanspraak op de outplacementvergoeding en evenmin op de retentiebonus.\n\ngeen vergoeding werkelijke advocaatkosten\n\n3.46.. Omdat [verweerder] zowel in het principaal als in het incidenteel appel in het ongelijk zal worden gesteld, heeft hij geen recht op vergoeding van zijn kosten. Volgens [verweerder] heeft hij ook bij verlies recht op vergoeding van (daadwerkelijke) advocaatkosten. Het hof ziet daarvoor geen grond nu ALN in het gelijk zal worden gesteld.\n\nvervallen van verlofdagen\n\n3.47.. \n [verweerder] wenst ten slotte een verklaring voor recht dat zijn wettelijke vakantiedagen over 2025 per 1 juli 2026 niet komen te vervallen. Omdat hij aan zijn verdediging in de juridische procedures heeft moeten werken heeft hij geen verlof kunnen opnemen. Het hof vindt dit een onvoldoende reden en zal de verklaring voor recht niet uitspreken. Het is de eigen keuze van [verweerder] geweest om geen vakantie op te nemen. Het hof wil zeker geloven dat [verweerder] veel tijd en werk heeft besteed aan zijn verdediging, maar het is uiteindelijk zijn eigen keuze geweest om geen vakantiedagen op te nemen.\n\nslotsom en proceskosten\n\n3.48.. Het principaal hoger beroep van ALN slaagt. Het incidenteel hoger beroep van [verweerder] faalt. [verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. Onder de kosten van het hoger beroep vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van deze uitspraak. Ook is ALN door de kantonrechter ten onrechte in de kosten veroordeeld en moet [verweerder] die terugbetalen.\n\n3.49.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen, voor zover dit hierna in onderdeel 4 (het dictum) is vermeld, ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing in het principaal en in het incidenteel hoger beroep\n\nHet hof:\n\nin het principaal hoger beroep\n\n4.1.. bepaalt het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 augustus 2026;\n\n4.2.. veroordeelt ALN tot betaling van de wettelijke transitievergoeding aan [verweerder] ;\n\n4.3.. veroordeelt [verweerder] tot terugbetaling van hetgeen ALN hem ter uitvoering van de betreden beschikking heeft betaald;\n\n4.4.. veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van ALN bepaald op € 2.580,- voor salaris van de advocaat van ALN (2 punten x tarief II).\n\nin het incidenteel hoger beroep\n\n4.5.. verwerpt het beroep van [verweerder] ;\n\n4.6.. veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van ALN bepaald op € 1.290,- voor salaris van de advocaat van ALN (1 punt x tarief II).\n\nin het principaal en in het incidenteel hoger beroep\n\n4.7.. verklaart de proceskostenveroordeling in het principaal hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.8.. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n4.9.. wijst af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. A.A. van Rossum, R. Verkijk en R.J.A. Dil en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3679","2026-07-13T00:29:06.511Z",{"id":192,"ecli":193,"slug":194,"caseNumber":44,"courtId":195,"decisionDate":196,"fullText":197,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":198,"sourceTimestamp":111,"parsedAt":52,"updatedAt":199},"1148","ECLI:NL:RBDHA:2026:16646","ecli-nl-rbdha-2026-16646",58,"2026-06-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nEiV\u002Fcd\n\nRep.nr.: 11997250 RP VERZ 25-51003\n\n4 juni 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter in de zaak van:\n\nde besloten vennootschap,\n\nGamepoint B.V., gevestigd te Den Haag, verzoekster,\n\nhierna: Gamepoint, gemachtigde: mr. A.A.M. Zeeman,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats] , verweerder,\n\nhierna: [verweerder] , gemachtigden: mrs. J.T.P. Koenis en A.B. Abeln.1. Procedure\n\n1.1.. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:\n\nhet verzoekschrift van 2 december 2025 met producties 1 t\u002Fm 17;\n\nhet verweerschrift tevens tegenverzoek met producties 1 t\u002Fm 22;\n\nde akte van Gamepoint van 2 april 2026 met aanvullende producties 18 t\u002Fm 22;\n\nde akte van [verweerder] van 7 april 2026 met aanvullende producties 23 t\u002Fm 26;\n\nde e-mail van [verweerder] van 7 april 2026 met aanvullende productie 27;\n\nde pleitaantekeningen van Gamepoint;\n\nde pleitaantekeningen van [verweerder] .\n\n1.2.. Op 8 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Gamepoint zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen. [verweerder] is verschenen. Partijen zijn bijgestaan door hun gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting naar voren is gebracht.\n\n1.3.. Vervolgens is de datum van de beschikking bepaald op vandaag.2. Feiten\n\n2.1.. Gamepoint exploiteert een onderneming in de ontwikkeling van online games en gamenetwerken.\n\n2.2.. \n [verweerder] is sinds [datum] 2018 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Gamepoint in dienst, aanvankelijk in de functie van [functienaam 1] . [verweerder] is van oorsprong [nationaliteit] en is voor zijn werk bij Gamepoint naar Nederland gekomen.\n\n2.3.. Vanaf september 2021 was [verweerder] naast zijn functie als [functienaam 1] ook [functienaam 2] voor het spel [spel]. Het salaris van [verweerder] is vanaf toen met ongeveer 10% verhoogd naar een bedrag van € 7.150,- bruto per maand bij een arbeidsduur van 40 uur per week.\n\n2.4.. Gamepoint heeft de ontwikkeling van [spel] op enig moment stopgezet. Per juni 2023 kon [verweerder] daarnaast geen aanspraak meer maken op het belastingvoordeel voor expats in Nederland (de zogeheten ‘30%-regeling’). Tussen partijen is gesproken over het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (VSO) ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Gamepoint heeft op 3 juli 2023 een concept-VSO aan [verweerder] voorgelegd.\n\n2.5.. \n [verweerder] heeft zich op 4 juli 2023, een dag na het gesprek over de concept-VSO, ziekgemeld.\n\n2.6.. \n\nGamepoint en [verweerder] hebben op advies van de bedrijfsarts mediation geprobeerd. Het mediationtraject is op 11 maart 2024 succesvol afgerond met een overeenkomst, waarin – voor zover relevant – door partijen is afgesproken:\n\n“1. Partijen stellen samen vast door ondertekening van de onderhavige overeenkomst dat het geschil tussen partijen, waarvoor mediation op 20 december 2023 ingezet is geweest, opgelost is dan wel als opgelost beschouwd dient te worden.”\n\n2.7.. \n [verweerder] heeft vervolgens op 27 maart 2024 een gesprek gehad met de bedrijfsarts. Het verslag van de bedrijfsarts vermeldt:\n\n“Betrokkene geeft aan dat het mediationtraject is afgerond. Het resultant van het mediation traject is dat betrokkene wegens een reorganisatie niet langer kan terugkeren naar zijn oorspronkelijk werk. Volgens werknemer is het conflict gelukkig wel uit de lucht. Hij begrijpt dat hij niet langer kan terugkeren in zijn oorspronkelijk baan, maar wenst wel binnen spoor 1 te re-integreren omdat dat wel voor hem bekend werk is tot hij voldoende is hersteld om elders te solliciteren.”\n\n2.8.. \n [verweerder] is op 16 april 2024 begonnen met zijn re-integratietraject. Op 17 april 2024, de tweede dag van de re-integratie, heeft een incident plaatsgevonden tussen [verweerder] en een HR-medewerkster van Gamepoint. Gamepoint heeft naar aanleiding hiervan op 25 april 2024 een schriftelijke waarschuwing gegeven aan [verweerder] voor het (kort gezegd) schreeuwen en verbaal agressief bejegenen van de HR-medewerkster.\n\n2.9.. Op 8 mei 2024 heeft [verweerder] aan Gamepoint bericht dat hij vanuit huis zal werken totdat Gamepoint de adviezen van de bedrijfsarts implementeert. In de daaropvolgende e-mailwisseling heeft Gamepoint aan [verweerder] laten weten dat de bedrijfsarts niet heeft geadviseerd om hem vanuit huis te laten werken en dat hij daarom uiterlijk 15 mei 2024 terug op kantoor wordt verwacht. Nadat [verweerder] die dag opnieuw niet op kantoor was verschenen, heeft Gamepoint hem een schriftelijke waarschuwing gegeven onder aanzegging dat het loon zou worden stopgezet als hij niet uiterlijk 22 mei 2024 alsnog op het werk zou verschijnen. Gamepoint heeft deze loonstop feitelijk niet uitgevoerd.\n\n2.10.. \n [verweerder] heeft op 5 juni 2024 een afspraak gehad met de bedrijfsarts. In het gespreksverslag schrijft de bedrijfsarts:\n\n“Het is duidelijk geworden dat de werkgerelateerde factoren binnen spoor 1 een negatieve invloed hebben op de gezondheid van betrokkene, waardoor verdere re-integratie in dit spoor medisch niet langer verantwoord is. Elders zal betrokkene snel kunnen re-integreren, echter binnen spoor 1 heeft betrokkene steeds weer een terugval in de medische aandoening.\n\nOm de reden dat spoor 1 ziekmakend is adviseer ik een overgang naar spoor 2 voor de re-integratie van betrokkene. Dit advies is gebaseerd op de noodzaak om een medisch verantwoorde en succesvolle re-integratie mogelijk te maken.”\n\n2.11.. In het gespreksverslag van de opvolgende afspraak van 17 juli 2024 vermeldt de bedrijfsarts:\n\n“Re-integratie advies\n\nOpstarten en vervolgen 2e spoor, ook al kan formeel eerste spoor nooit helemaal afgesloten worden tenzij daar medische gronden voor zijn. Betrokkene erkent en herkent ook wel dat terugkeer op eerste spoor niet de gezondheid zal bevorderen, eerder zal schade. Derhalve is het beste advies in deze om 2e spoor te laten prevaleren.”\n\n2.12.. Het verslag van de bedrijfsarts van de afspraak van 4 juni 2025 vermeldt vervolgens:\n\n“Stand van zaken \u002F advies\n\nBetrokkene maakte over laatste weken een goede en stabiele verdere vooruitgang door. Er zijn op dit moment feitelijk geen beperkingen meer aan te nemen. Het is goed te zien dat betrokkene vanuit een voor hem zeer moeilijke situatie weer de veerkracht heeft ontwikkeld en herstel heeft bewerkstelligd met inzet van gerichte ondersteuning. De WIA aanvraag loopt reeds evenals het 2e spoor.\n\nBetrokkene is hersteld te achten voor eigen werk.\n\nFunctionele mogelijkheden en beperkingen\n\nGeen\n\nRe-integratie advies\n\nFeitelijk kan betrokkene hersteld geacht en gemeld worden voor eigen, bedongen arbeid. Wel onder voorwaarde dat dit niet bij eigen werkgever zal kunnen worden gerealiseerd. Immers reeds eerder werd gemeld : Inzet in eigen werk bij eigen werkgever wordt hierbij, op preventieve gronden, afgeraden. Het zal naar alle waarschijnlijkheid ziekte weer doen ontstaan of toenemen.\n\nDit advies blijft van kracht.\n\nMen zal derhalve onderling nu verder moeten gaan afstemmen hoe hier mee om te gaan. Naar werd begrepen hebben beide partijen hierbij gerichte hulp en expertise aangesloten.\n\nPrognose met betrekking tot volledig herstel eigen werk\n\nBetrokkene is volledig belastbaar voor eigen werk, maar volledige terugkeer zal elders moeten plaatsvinden ter preventie van terugval en toename beperkingen\u002Fziekte.”\n\n2.13.. \n [verweerder] heeft, naar aanleiding van het laatste advies van de bedrijfsarts, op 9 juni 2025 het volgende bericht aan Gamepoint:\n\n“My case worker (…) delivered the company doctor report on 07-06-2025. I have now recovered and I’m ready to return to work.”\n\nGamepoint heeft hierop de volgende dag aan [verweerder] geantwoord:\n\n“Op dit moment zijn we intern in overleg over de juiste vervolgstappen op basis van het advies van de bedrijfsarts en jouw situatie, gezien werkhervatting bij eigen werkgever wordt afgeraden. Zodra we hierover duidelijkheid hebben, nemen we contact met je op om dit samen verder te bespreken.”\n\n2.14.. Gamepoint heeft op 10 juli 2025 bij het UWV een ontslagaanvraag ingediend om [verweerder] te mogen ontslaan wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.\n\n2.15.. Gamepoint heeft voor de onderbouwing van haar ontslagaanvraag bij het UWV de volgende vragen aan de bedrijfsarts gesteld:\n\n“Hartelijk dank voor uw eerder afgegeven 26-weken verklaring waarin u aangeeft dat de heer [verweerder] medisch hersteld is voor het eigen werk.\n\nIn eerdere contacten en medische adviezen heeft u echter ook geadviseerd dat hervatting van werkzaamheden binnen onze organisatieniet wenselijk is, vanwege een reëel risico op terugval in het verzuim. Deze overweging is cruciaal in het kader van onze voorgenomen ontslagaanvraag bij het UWV op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid. Wij verzoeken u vriendelijk, met het oog op deze procedure, om uw verklaring aan te vullen of te verduidelijken op de volgende punten:\n\nKunt u bevestigen dat – ondanks medische herstel melding – hervatting van werkzaamhedenbinnen onze organisatie volgens uw inschatting leidt tot een aanzienlijk kans op terugval?\n\nBent u bereid dit risico op terugval expliciet op te nemen in een aangepaste 26-wekenverklaring, zodat voor het UWV duidelijk is dat duurzaam inzetbaar zijn bijons niet realistisch is binnen 26 weken?\n\n(…)”\n\nDe bedrijfsarts heeft op 6 augustus 2025 als volgt geantwoord:\n\n“Als eerder aangegeven is het opstellen van een 26 weken verklaring waarbij de wachttijd niet is volgemaakt en er een hersteldverklaring reeds daarvoor aan de orde was, niet aan de orde. U refereert aan mijn eerdere adviezen waarin ik aangaf dat een terugkeer in het eigen werk bij de eigen werkgever niet wenselijk was en hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot een terugval in medische problematiek en verzuim. Dit destijds gegeven advies is nog steeds actueel en zal ook de komende 26 weken (en daarna) niet veranderen. Een duurzame werkhervatting binnen uw organisatie is derhalve niet wenselijk en niet realistisch.\n\nBovenstaande kunt u, wat mij betreft, gebruiken als de door u gevraagde verklaring.”\n\n2.16.. Het UWV heeft de ontslagaanvraag bij besluit van 2 oktober 2025 afgewezen, omdat (samengevat) de bedrijfsarts [verweerder] volledig belastbaar acht voor eigen werk en het opstellen van een 26-wekenverklaring door de bedrijfsarts is geweigerd omdat reeds een hersteldverklaring is afgegeven vier weken vóór het einde van de wachttijd voor de WIA.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Gamepoint verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten, op de grond dat sprake is van (primair tot meest subsidiair):\n\nziekte of gebreken waardoor [verweerder] niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten, terwijl aannemelijk is dat binnen 26 weken geen herstel zal plaatsvinden (b-grond);\n\neen verstoorde arbeidsverhouding (g-grond);\n\nandere omstandigheden zodanig dat het voort laten duren van de arbeidsovereenkomst van Gamepoint niet kan worden gevergd (h-grond);\n\neen combinatie van gronden (i-grond).\n\n3.2.. \n [verweerder] berust in ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar verzoekt de kantonrechter om bij de ontbinding, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nde einddatum van het dienstverband te bepalen rekening houdend met de opzegtermijn, zonder aftrek van de proceduretijd;\n\nGamepoint te veroordelen tot een transitievergoeding van € 20.585,40 bruto en een billijke vergoeding van € 225.000,- bruto;\n\nGamepoint te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over voornoemde vergoedingen vanaf de datum van opeisbaarheid;\n\nGamepoint te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten van [verweerder] van € 27.891,72 (exclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking;\n\nvoor recht te verklaren dat Gamepoint geen rechten kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding;\n\nen als voorwaardelijk tegenverzoek voor het geval Gamepoint haar verzoek tot ontbinding intrekt:\n\n6. de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671c lid 1 BW, onder toekenning van al het voorgaande.\n\n3.3.. Op de standpunten van partijen wordt in de beoordeling – voor zover relevant – ingegaan.\n\n4. Beoordeling\n\n4.1.. De kantonrechter stelt vast dat partijen het met elkaar eens zijn dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, in ieder geval omdat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Aangezien de juridische gevolgen van een ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding dezelfde zijn als die van een ontbinding op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid, kan in het midden worden gelaten of de ontbinding daarnaast zou slagen op de primair door Gamepoint aangevoerde b-grond.\n\n4.2.. Partijen twisten wel over de vraag per welke datum de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden en welke vergoedingen daarbij aan [verweerder] moeten worden toegekend. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Gamepoint, zodat de einddatum volgens hem moet worden bepaald zonder aftrek van de proceduretijd en hij naast de transitievergoeding ook aanspraak maakt op een billijke vergoeding en een werkelijke proceskostenvergoeding. Het ernstig verwijtbaar handelen is er volgens [verweerder] (samengevat) in gelegen dat Gamepoint:\n\nop 3 juli 2023 zonder aanleiding en op dwingende wijze heeft aangestuurd op beëindiging van het dienstverband;\n\ntegenstrijdige verklaringen heeft gegeven over de noodzaak van de beëindiging, waaronder door ten onrechte voor te houden dat de functie van [verweerder] is komen te vervallen;\n\ndoor de bedrijfsarts geadviseerde mediation heeft afgehouden;\n\ne re-integratieverplichtingen heeft geschonden door [verweerder] niet te re-integreren in zijn eigen functie;\n\nonzorgvuldig is omgegaan met medische gegevens van [verweerder] ;\n\nde herstelmelding van [verweerder] heeft geweigerd en de reguliere salarisbetaling van [verweerder] niet heeft hervat;\n\neen ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV op grond van langdurige ziekte, terwijl zij moest begrijpen dat dit geen kans van slagen had.\n\nHet vervallen van de functie\n\n4.3.. De kantonrechter overweegt als volgt ten aanzien van de hiervoor onder a en b genoemde gronden. In de overeenkomst die ter afronding van de mediation op 11 maart 2024 door partijen is gesloten, heeft [verweerder] erkend dat het conflict dat tot dan toe tussen hem en Gamepoint was ontstaan is opgelost. [verweerder] betwist dat tijdens de mediation is gesproken over het vervallen van zijn functie. Uit het verslag van de bedrijfsarts van 27 maart 2024 blijkt echter dat [verweerder] zelf aan de bedrijfsarts heeft verteld dat de mediation is afgerond met de conclusie dat hij vanwege een reorganisatie niet meer kan terugkeren naar zijn functie bij Gamepoint, dat hij dit begrijpt en dat hij tijdelijk in het eerste spoor zou re-integreren met het doel om zich klaar te maken voor een sollicitatie elders. Hieruit blijkt onmiskenbaar dat het vervallen van de functie van [verweerder] tijdens de mediation onderwerp van gesprek is geweest en dat partijen hun conflict daaromtrent hebben opgelost. Nu [verweerder] het vervallen van zijn functie dus zelf heeft erkend, acht de kantonrechter het niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint met [verweerder] het gesprek is aangegaan over het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst middels een vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter ziet in de stukken ook geen aanknopingspunt om te geloven dat Gamepoint [verweerder] daarbij op een onnodig dwingende wijze zou hebben benaderd.\n\nHet starten van mediation\n\n4.4.. Verder blijkt uit de stukken ook niet dat Gamepoint het opstarten van het mediationtraject op ontoelaatbare wijze zou hebben afgehouden, zoals [verweerder] stelt. De bedrijfsarts heeft op 30 augustus 2023 voor het eerst mediation geadviseerd. Volgens [verweerder] heeft Gamepoint naar aanleiding van dat advies opnieuw aan hem voorgesteld om de arbeidsovereenkomst te eindigen met een vaststellingsovereenkomst, in plaats van dat zij meteen is overgegaan tot het inschakelen van een mediator. De kantonrechter acht het opnieuw voorstellen van een VSO door Gamepoint niet ernstig verwijtbaar, ook niet onder de omstandigheid dat reeds mediation was geadviseerd door de bedrijfsarts. De insteek van mediation kan tenslotte juist zijn dat partijen de gelegenheid krijgen om met elkaar te spreken over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden kan eindigen. Daarnaast blijkt uit de eigen stellingen van [verweerder] dat hij na het opnieuw voorstellen van een VSO door Gamepoint tot december 2023 zelf niet in staat was om te beginnen met mediation. Toen hij daartoe weer wel in staat was, is de mediation in februari 2024 aangevangen. De kantonrechter acht dit geen buitensporig lang tijdsbestek.\n\nDe re-integratieverplichtingen\n\n4.5.. \n [verweerder] verwijt verder aan Gamepoint dat zij haar re-integratieverplichtingen zou hebben geschonden, doordat zij [verweerder] niet heeft laten re-integreren in zijn eigen functie. Uit het verslag van de bedrijfsarts van 27 maart 2024 blijkt echter, zoals gezegd, dat [verweerder] heeft erkend dat hij niet terug kan keren naar zijn eerdere functie bij Gamepoint. Uit het re-integratieadvies van de bedrijfsarts volgt dat daarom is gekozen voor een tijdelijke re-integratie in het zogeheten 1e spoor bij Gamepoint, totdat [verweerder] een functie elders zou hebben gevonden. De re-integratie van [verweerder] was van meet af aan dus nadrukkelijk nietgericht op een terugkeer in zijn eigen functie. Vervolgens heeft de bedrijfsarts in zijn gespreksverslag van 17 juli 2024 – iets meer dan drie maanden nadat het re-integratietraject was begonnen – geschreven dat [verweerder] op dat moment zelf inzag dat het zijn gezondheid zou schaden om verder bij Gamepoint te re-integreren. Dit is ook in lijn met de daaropvolgende adviezen van de bedrijfsarts, waarin steeds terugkomt dat het niet goed zou zijn voor de gezondheid van [verweerder] om weer bij Gamepoint aan de slag te gaan. In het licht van deze omstandigheden valt Gamepoint niet ernstig te verwijten dat zij [verweerder] niet heeft laten re-integreren in zijn eigen functie.\n\n4.6.. \n [verweerder] heeft verder een aantal andere stellingen aangevoerd waaruit volgens hem volgt dat de re-integratieverplichtingen door Gamepoint zijn geschonden. Hij stelt (kort gezegd) dat Gamepoint hem tijdens de re-integratie zou hebben geprobeerd weg te pesten, onder andere door hem zijn gebruikelijke werkplek af te nemen en hem een laptop te geven met maar zeer beperkte toegang tot de systemen van Gamepoint en een e-mailadres waarmee hij slechts één collega kon e-mailen. Ook meent [verweerder] dat Gamepoint hem ten onrechte een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven voor thuiswerken. Gamepoint brengt hier tegenin dat de gebruikelijke werkplek van [verweerder] was komen te vervallen als gevolg van een herindeling van het gebouw, waardoor het persoonlijke kantoor van [verweerder] was gewijzigd in een garderobe. De beperkte toegang van [verweerder] tot de systemen laat zich volgens Gamepoint verklaren door het feit dat hij re-integratiewerkzaamheden verrichtte in een andere functie dan hij eerder bekleedde, waarvoor niet noodzakelijk was dat hij vergaande toegang zou hebben tot bedrijfsgevoelige informatie van Gamepoint. Gamepoint betwist dat [verweerder] met zijn e-mailadres slechts één contactpersoon kon e-mailen. Tot slot stelt Gamepoint zich op het standpunt dat thuiswerken gelet op de re-integratiewerkzaamheden die [verweerder] moest uitvoeren niet mogelijk was en dat zij hem daarom terecht heeft gesommeerd terug naar kantoor te komen.\n\n4.7.. De kantonrechter overweegt dat – in het licht van de gemotiveerde betwisting door Gamepoint – het op de weg van [verweerder] had gelegen om nader te onderbouwen dat Gamepoint haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden door hem onnodig beperkende maatregelen op te leggen tijdens zijn re-integratie. [verweerder] is in die onderbouwing niet geslaagd. Zo heeft hij geen deskundigenoordeel van het UWV overgelegd waaruit de schending van de re-integratieverplichtingen kan blijken. [verweerder] heeft verwezen naar het advies van de bedrijfsarts van 5 juni 2024, waarin de bedrijfsarts schrijft dat de re-integratie in het 1e spoor voor [verweerder] ‘ziekmakend’ is. Dit advies van de bedrijfsarts heeft echter niet dezelfde waarde als een deskundigenoordeel van het UWV, omdat dit advies is opgesteld enkel op basis van de verklaringen van [verweerder] en niet die van Gamepoint. De kantonrechter kan bij gebrek aan verdere onderbouwing daarom niet vaststellen dat Gamepoint haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden. Ook kan de kantonrechter daardoor niet vaststellen of het binnen de kaders van de re-integratie voor [verweerder] mogelijk was om thuis te werken. Daarom is niet komen vast te staan dat Gamepoint ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door hem daarvoor een schriftelijke waarschuwing te geven.\n\nDe omgang met medische gegevens\n\n4.8.. \n [verweerder] verwijt Gamepoint daarnaast dat zij onzorgvuldig zou zijn omgegaan met zijn medische gegevens. De kantonrechter begrijpt dat [verweerder] hiermee doelt op het incident dat zich op 17 april 2024 heeft voorgedaan tussen hem en een HR-medewerkster van Gamepoint. Volgens [verweerder] heeft de medewerkster zijn medische gegevens ter sprake gebracht, terwijl voor hem op dat moment niet kenbaar was dat zij HR-werkzaamheden uitvoerde en over die gegevens mocht beschikken. Volgens [verweerder] verklaart dit zijn reactie jegens de medewerkster. De kantonrechter overweegt dat, wat hier ook van zij, [verweerder] niet heeft weersproken dat de medewerkster die hem aansprak feitelijk wel belast was met HR-taken en dat zij daarom over de betreffende medische gegevens mocht beschikken. Daarin kan het gestelde onzorgvuldig handelen van Gamepoint dus niet zijn gelegen. Het enkele feit dat de medewerkster zich niet voorafgaand aan haar gesprek met [verweerder] als HR-medewerkster voor hem heeft geïdentificeerd, levert ook geen ernstig verwijt aan Gamepoint op.\n\n4.9.. \n [verweerder] stelt verder dat de HR-medewerkster de medische gegevens ter sprake bracht in het bijzijn van meerdere collega’s van [verweerder] , terwijl zij moest begrijpen dat het privacygevoelige informatie betrof. Gamepoint betwist dat er collega’s bij het gesprek aanwezig waren. In het midden gelaten of en zo ja, hoeveel collega’s van het gesprek getuige zijn geweest, staat vast dat [verweerder] de HR-medewerkster direct heeft gesommeerd om niet over zijn medische situatie te spreken, waarna het gesprek onmiddellijk is geëindigd. In het licht daarvan is het enkele feit dat de HR-medewerkster eenmalig medische gegevens van [verweerder] ter sprake heeft gebracht terwijl collega’s dit mogelijk konden horen – voor zover dat al zo is – hoogstens verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar aan Gamepoint.\n\n4.10.. Verder is in deze procedure gebleken dat partijen ieder hun eigen kijk hebben op de manier waarop het gesprek tussen [verweerder] en de HR-medewerkster exact is verlopen. [verweerder] betwist dat hij de HR-medewerkster intimiderend of agressief heeft bejegend, maar partijen zijn het er in ieder geval over eens dat het een onprettig gesprek was. Tegen die achtergrond acht de kantonrechter niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint [verweerder] na afloop een schriftelijke waarschuwing heeft gestuurd voor zijn bejegening van de HR-medewerkster, daargelaten of die waarschuwing in zijn geheel terecht was.\n\nHet weigeren van de herstelmelding\n\n4.11.. \n [verweerder] verwijt Gamepoint tot slot dat zij zijn herstelmelding van 9 juni 2025 niet heeft geaccepteerd, zij per die datum niet is overgegaan tot betaling van 100% van het salaris en zij een bij voorbaat kansloze ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV. De kantonrechter merkt ten aanzien van de salarisbetalingen allereerst op dat uit de stellingen van [verweerder] blijkt dat het restant van het salaris na aanmaning door de advocaat van [verweerder] alsnog door Gamepoint is betaald, zij het onder protest. Geen van beide partijen heeft in deze procedure een verzoek ingesteld omtrent deze betalingen. De kantonrechter kan daarom in zoverre in het midden laten of Gamepoint verplicht was om vanaf 9 juni 2025 over te gaan tot betaling van 100% van het salaris. De kantonrechter hoeft slechts te beoordelen of het Gamepoint ernstig kan worden verweten dat zij ondanks de herstelmelding aanvankelijk het salaris bij ziekte is blijven betalen en [verweerder] niet heeft toegelaten tot het werk. De kantonrechter is van oordeel dat dit – onder de bijzondere omstandigheden van het geval – niet ernstig aan Gamepoint kan worden verweten en overweegt daartoe als volgt.\n\n4.12.. Zoals reeds hiervoor aangehaald, blijkt uit het advies van de bedrijfsarts van 27 maart 2024 dat vanaf het begin van de re-integratie duidelijk was dat [verweerder] niet naar zijn eerdere functie bij Gamepoint zou terugkeren en dat de re-integratie erop gericht was hem in staat te stellen een geschikte functie elders te vinden. In het advies van de bedrijfsarts van 5 juni 2024 – en ieder van de daaropvolgende adviezen – is daar door de bedrijfsarts aan toegevoegd dat het zelfs schadelijk zou zijn voor de gezondheid van [verweerder] om terug te keren naar Gamepoint.\n\n4.13.. In het advies van 4 juni 2025 schrijft de bedrijfsarts vervolgens: “Feitelijk kan betrokkene hersteld geacht en gemeld worden voor eigen, bedongen arbeid. Wel onder voorwaarde dat dit niet bij eigen werkgever zal kunnen worden gerealiseerd. Immers reeds eerder werd gemeld : Inzet in eigen werk bij eigen werkgever wordt hierbij, op preventieve gronden, afgeraden. Het zal naar alle waarschijnlijkheid ziekte weer doen ontstaan of toenemen.” De kantonrechter kan niet anders dan concluderen dat dit advies van de bedrijfsarts berust op een interne tegenstrijdigheid. Deeigen, bedongen arbeidvan [verweerder] is immers de arbeid die hij bij Gamepoint zou moeten verrichten en dat is nu juist de arbeid waarvan de bedrijfsarts tegelijkertijd (en bij herhaling) vaststelt dat [verweerder] deze niet kan verrichten, omdat dit schadelijk is voor zijn gezondheid. Op basis van de overige inhoud van het advies van 4 juni 2025 en de voorafgaande adviezen van de bedrijfsarts ligt dan ook veeleer de conclusie voor de hand dat [verweerder] – kennelijk op medische gronden –nietin staat werd geacht tot het verrichten van zijn eigen bedongen arbeid bij Gamepoint. Op navraag van Gamepoint heeft de bedrijfsarts dit in de e-mail van 6 augustus 2025 ook met zoveel woorden bevestigd. Daarin schrijft de bedrijfsarts dat het advies dat “een terugkeer in het eigen werk bij de eigen werkgever niet wenselijk was en hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot een terugval in medische problematiek en verzuim”nog steeds geldt en de komende 26 weken en daarna niet zal veranderen, zodat een duurzame werkhervatting binnen Gamepoint niet wenselijk of realistisch is.\n\n4.14.. Gelet op deze ongerijmdheid in het advies van de bedrijfsarts van 4 juni 2025, acht de kantonrechter het niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint de daarop volgende herstelmelding van [verweerder] niet heeft aanvaard en zich op het standpunt is blijven stellen dat hij zijn werk bij Gamepoint niet kon hervatten. Gamepoint heeft zich naar aanleiding van de adviezen van de bedrijfsarts begrijpelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het medisch onverantwoord zou zijn om [verweerder] tot het werk toe te laten. In dat licht acht de kantonrechter het ook niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint de salarisbetalingen niet onmiddellijk heeft hersteld tot 100%, aangezien zij zich ook begrijpelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat dus nog altijd sprake was van arbeidsongeschiktheid bij [verweerder] .\n\n4.15.. Ten overvloede kan aan het voorgaande worden toegevoegd dat [verweerder] , zoals reeds toegelicht, eerder heeft erkend dat zijn functie bij Gamepoint is komen te vervallen. Voor beide partijen was dus duidelijk dat van een terugkeer naar de eigen bedongen arbeid hoe dan ook geen sprake kon zijn. Ook in dat licht acht de kantonrechter goed te begrijpen dat Gamepoint niet wist welke gevolgen zij aan de herstelmelding van [verweerder] kon of moest verbinden.\n\n4.16.. Tot slot is onder de genoemde omstandigheden niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint een ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid. Het is geenszins gebleken dat die ontslagaanvraag bij voorbaat kansloos was, gelet op het feit dat de bedrijfsarts in de e-mail van 6 augustus 2025 heeft bevestigd dat het risico op een terugval in medische problematiek de komende 26 weken en daarna zou blijven bestaan en duurzame werkhervatting bij Gamepoint daarom – kennelijk op medische gronden – onwenselijk en onrealistisch werd geacht.\n\nDe ontbinding en de gevolgen daarvan\n\n4.17.. De conclusie van de voorgaande overwegingen is dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, zonder dat dit ernstig aan een van de partijen is te wijten. De einddatum van het dienstverband moet daarom worden vastgesteld met inachtneming van de opzegtermijn en onder aftrek van de procedure tijd (artikel 7:671b lid 9 sub a BW). In artikel 22 van de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat als opzegtermijn de wettelijke opzegtermijn geldt. In dit geval is dat twee maanden, omdat het dienstverband langer dan vijf maar korter dan 10 jaar heeft geduurd (artikel 7:672 lid 2 sub b BW). Het ontbindingsverzoek is ontvangen op 2 december 2025 en deze beschikking wordt uitgesproken op 4 juni 2026. Na aftrek van de proceduretijd dient echter een termijn van minstens één maand te resteren. Zodoende wordt de einddatum 4 juli 2026.\n\n4.18.. Gamepoint is geen billijke vergoeding verschuldigd, omdat zij niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Wel is zij aan [verweerder] een transitievergoeding verschuldigd. Partijen zijn in hun berekeningen van de transitievergoeding beide uitgegaan van een andere einddatum van het dienstverband dan hiervoor genoemd. Uitgaande van een datum indiensttreding van [datum] 2018, een bruto maandsalaris van € 7.722,- (inclusief vakantiegeld) en een einddatum van 4 juli 2026, bedraagt de transitievergoeding € 20.806,50 bruto (artikel 7:673 lid 2 BW).Dat bedrag wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, in dit geval 4 augustus 2026 (artikel 7:686a lid 1 BW).\n\n4.19.. Het verzoek om [verweerder] te ontheffen uit zijn verplichtingen uit het relatie- en concurrentiebeding wordt afgewezen. Nu het einde van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Gamepoint, bestaat geen grond voor toewijzing van dat verzoek.\n\nDe proceskosten\n\n4.20.. De uitkomst van deze procedure is dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, terwijl geen van beide partijen daarvan een ernstig verwijt valt te maken. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. In dat oordeel ligt besloten dat het verzoek van [verweerder] tot een werkelijke proceskostenveroordeling wordt afgewezen.\n\n5. Beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 4 juli 2026;\n\n5.2.. veroordeelt Gamepoint om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 20.806,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 augustus 2026 tot de dag dat alles is betaald;\n\n5.3.. compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;\n\n5.4.. verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. A.J. Japenga en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2026.\n\n Het dienstverband heeft 8 jaren en 1 maand geduurd.\n\n1\u002F3 x € 7.722,- bruto x 8 jaren = € 20.592,- bruto;\n\n1 maand x ((1\u002F3 x € 7.722,- bruto) \u002F 12) = € 214,50 bruto;\n\n€ 20.592,- + € 214,50 = € 20.806,50 bruto.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16646","2026-07-13T00:29:06.758Z",{"id":201,"ecli":202,"slug":203,"caseNumber":44,"courtId":204,"decisionDate":205,"fullText":206,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":207,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":52,"updatedAt":208},"721","ECLI:NL:RBNNE:2026:2530","ecli-nl-rbnne-2026-2530",65,"2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Groningen\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12098049 \\ AR VERZ 26-12\n\nBeschikking van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING ONAFHANKELIJK BEWONERSSTEUNPUNT MIJNBOUWSCHADE,\n\nte Loppersum,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: Stut en Steun,\n\ngemachtigde: mr. E.W. Kingma,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. I.R. van der Rest.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties;\n\n- de aanvullende producties van de zijde van Stut en Steun;\n\n- de aanvullende productie van de zijde van Stut en Steun;\n\n- de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waar namens Stut en Steun zijn verschenen [externe HR-adviseur] en [leidinggevende] , bijgestaan door mr. E.W. Kingma. [verweerder] is verschenen tezamen met zijn partner, bijgestaan door mr. I.R. van der Rest.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Stut en Steun is een stichting die hulp en ondersteuning biedt aan iedereen die schadelijke gevolgen ondervindt van mijnbouwactiviteiten in de provincie Groningen.\n\n2.2.. \n [verweerder] is sinds 15 februari 2021 in dienst bij Stut en Steun in de functie van Steunpuntmedewerker.\n\n2.3.. \n [verweerder] heeft zich op 8 mei 2024 ziekgemeld. Na de ziekmelding was hij eerst enkele weken niet bereikbaar. Vervolgens vond op 24 mei 2024 een gesprek plaats waarbij [verweerder] , mevrouw [directeur] (directeur) en de heer [externe HR-adviseur] (externe HR-adviseur) aanwezig waren. [verweerder] heeft in dat gesprek aangegeven dat hij sinds zijn ziekmelding op verschillende momenten apathisch en niet bereikbaar is geweest.\n\n2.4.. Op 26 juni 2024 heeft er een gesprek met de bedrijfsarts plaatsgevonden waarna de bedrijfsarts heeft aangegeven dat [verweerder] twee uren per dag op de reguliere werkdagen kon werken. Vervolgens is [verweerder] in juli 2024 verschillende keren niet op zijn werk verschenen, [verweerder] heeft zich een keer niet afgemeld en twee keer via een WhatsApp-bericht afgemeld. Stut en Steun heeft [verweerder] op 25 juli 2024 bij brief gewaarschuwd voor eventuele arbeidsrechtelijke sancties indien [verweerder] zich opnieuw niet telefonisch zou afmelden zoals in de verzuimregels is voorgeschreven.\n\n2.5.. Op 10 oktober 2024 heeft Stut en Steun de loonbetaling opgeschort toen [verweerder] niet verscheen bij een afspraak bij de maatschappelijk werker van ArboNed. De loonbetaling is nadien hervat nadat [verweerder] bij een afspraak bij de maatschappelijk werker is verschenen.\n\n2.6.. In januari 2025 en februari 2025 heeft [verweerder] verschillende gesprekken met de maatschappelijk werker van ArboNed en de bedrijfsarts afgezegd, dan wel is hij niet verschenen. Stut en Steun heeft bij brief van 13 februari 2025 gewaarschuwd voor arbeidsrechtelijke sancties indien [verweerder] de afspraken in het kader van de re-integratie niet nakomt.\n\n2.7.. In april 2025 heeft [verweerder] twee afspraken met de heer [leidinggevende] (zijn leidinggevende) afgezegd. Op 29 april 2025 stond een arbeidsdeskundig onderzoek gepland waarbij [verweerder] niet is verschenen. [verweerder] heeft van tevoren aan de heer [leidinggevende] gemeld dat hij zich had verslapen en zich niet goed voelde. In mei 2015 is [verweerder] drie ochtenden per week op arbeidstherapeutische basis werkzaam. Vanaf 19 mei 2025 is het tweede spoor ingezet.\n\n2.8.. Op 12 juni 2025 heeft [verweerder] aan de heer [leidinggevende] gemeld dat hij ziek was en is hij enkele dagen niet op kantoor verschenen. Ook het kennismakingsgesprek met de begeleider van het tweede spoor van Amplooi is afgezegd door de heer [leidinggevende] omdat [verweerder] had aangegeven dat hij zich niet goed voelde.\n\n2.9.. Bij het gesprek dat op 17 juni 2025 opnieuw gepland was met de begeleider van het tweede spoor is [verweerder] niet verschenen. [verweerder] gaf richting de heer [leidinggevende] aan dat hij zich had verslapen. Stut en Steun heeft nadien bij brief van 17 juni 2025 aan [verweerder] aangegeven dat de loonbetaling werd opgeschort en dat de loonbetaling pas zou worden hervat zodra het kennismakingsgesprek met de begeleider van het tweede spoor zou hebben plaatsgevonden, welke op 18 juni 2025 heeft plaatsgevonden.\n\n2.10.. In juli en augustus 2025 heeft [verweerder] zich verschillende keren afgemeld voor werk. Nadien was [verweerder] op 2 september 2025 te laat voor werk en is hij op 4 september 2025 thuis gaan werken terwijl dit niet was afgestemd. Op 10 september 2025 stond er een evaluatiegesprek met de heer [leidinggevende] en de heer [externe HR-adviseur] gepland waarbij [verweerder] niet is verschenen. Stut en Steun heeft per die dag een loonstop toegepast en [verweerder] daarover aangeschreven.\n\n2.11.. Nadien is [verweerder] bij sommige gesprekken wel aanwezig geweest (bijvoorbeeld met de bedrijfsarts), maar is hij niet verschenen bij een gesprek met de begeleider van het tweede spoor, een door haar gepland driegesprek met [verweerder] en de heer [leidinggevende] en heeft hij geen contact met haar opgenomen terwijl daar wel om is verzocht. Verder is hij op enkele (onaangekondigde) bezoeken na niet meer op het werk verschenen.\n\n2.12.. In februari 2026 heeft [verweerder] tijdens een gesprek met de heer [leidinggevende] en de heer [externe HR-adviseur] aangegeven dat hij een verslaving had. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij het er verder niet over wilde hebben.\n\n2.13.. Stut en Steun heeft een deskundigenonderzoek aangevraagd over de re-integratie inspanningen van [verweerder] . In het arbeidsdeskundig rapport van 30 april 2026 staat onder meer het volgende vermeld:\n\n“Werknemer gaf in het gesprek wat ik met hem had op 23 april 2026 aan dat hij, omdat het niet goed met hem ging, niet in staat was om te reageren op werkgever, bedrijfsarts en re-integratiebedrijf. Ook was hij niet in staat om activiteiten te ondernemen in het kader van de re-integratie. Ik heb daarom de vraag voorgelegd aan de arts of de oorzaak van het niet nakomen van afspraken met het re integratiebedrijf, de bedrijfsarts en de werkgever gelegen is in ziekte of gebrek. Uit onderzoek van de arts blijkt op 29 april 2026 dat de arts, mevrouw [arts] , op basis van de beschikbare informatie niet vast kan stellen dat er bij cliënt sprake is van een zodanig ernstige ziekte dat hij niet in staat was om afspraken na te komen met het re-integratiebedrijf, de bedrijfsarts en de werkgever. (…)\n\nVan de werknemer wordt verwacht dat hij meewerkt aan de re-integratie en zich houdt aan afspraken en voorschriften als dit redelijkerwijs van hem kan worden verwacht. Naar mijn mening heeft werknemer zich niet gehouden aan redelijke voorschriften van werkgever of van deskundigen die hem begeleiden zoals bedrijfsarts of re-integratiebegeleider omdat hij zich niet aan afspraken hield om contact te hebben met werkgever, bedrijfsarts en re-integratiebegeleider en activiteiten te ondernemen in het kader van de re-integratie. De arts kan op basis van de beschikbare informatie niet vaststellen dat er bij werknemer medische redenen zijn om aan te nemen dat werknemer niet mee kon werken aan de re-integratie en zich niet aan afspraken en voorschriften van werkgever en deskundigen die hem begeleiden zoals bedrijfsarts en re-integratiebegeleider van het re-integratiebedrijf kon houden. Daarom kon medewerking aan re-integratie en het houden aan afspraken en voorschriften redelijkerwijs van werknemer worden verwacht. Ik vind daarom dat de re-integratie inspanningen van de werknemer onvoldoende zijn.”\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Stut en Steun verzoekt om de tussen haar en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op de kortst mogelijke termijn ex artikel 7:671b BW, zonder toekenning van een transitievergoeding ex artikel 7:673 lid 7 sub c BW of enige andere vergoeding, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure.\n\n3.2.. Stut en Steun heeft primair aan het verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] en dat daarnaast sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding maar dat de kantonrechter deze grondslag als subsidiaire grondslag dient te behandelen en (meer) subsidiair dat sprake is van een combinatie van gronden.\n\n3.3.. \n [verweerder] verweert zich tegen het verzoek.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is zoals bepaald in artikel 7:669 lid 1 en lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). Verder dient te worden nagegaan of sprake is van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of een vergelijkbaar opzegverbod.\n\n4.2.. Het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst is door Stut en Steun in de eerste plaats gegrond op verwijtbaar handelen of nalaten (artikel 7:669 lid 3 sub e BW) in verband met het zonder deugdelijke grond door [verweerder] niet nakomen van zijn re-integratieverplichtingen.\n\n4.3.. In artikel 7:671b lid 5 BW is bepaald dat een dergelijk verzoek wordt afgewezen indien de werkgever de werknemer niet eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van de verplichtingen of zij de loonbetaling niet heeft gestaakt. Verder dient er een verklaring zoals bedoeld in artikel 7:629a BW te worden overgelegd tenzij dit in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd. Niet ter discussie staat dat Stut en Steun [verweerder] heeft gemaand om te voldoen aan de re-integratieverplichtingen en dat zij een loonstop heeft toegepast. Ook heeft zij een deskundigenoordeel van het UWV als bedoeld in artikel 7:629a BW in het geding gebracht. Aan deze formaliteiten is dan ook voldaan.\n\n4.4.. In beginsel geldt tijdens ziekte een opzegverbod (artikel 7:670 BW). In artikel 7:670a lid 1 BW is echter bepaald dat dit opzegverbod niet van toepassing is indien de werknemer zonder deugdelijke grond de verplichtingen als bedoeld in artikel 7:660a BW weigert na te komen en de werkgever de werknemer schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van deze verplichtingen of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt.\n\n4.5.. Niet ter discussie staat dat [verweerder] de verplichtingen als bedoeld in artikel 7:660a BW niet is nagekomen, dat – zoals reeds overwogen – Stut en Steun hem heeft aangemaand om de verplichtingen na te komen en dat zij de loonbetaling heeft gestaakt. Thans dient beoordeeld te worden of [verweerder] ‘zonder deugdelijke grond’ de verplichtingen niet is nagekomen, in welk geval het opzegverbod niet van toepassing is. Ook dient beoordeeld te worden of sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerder] . [verweerder] betwist dat daarvan sprake is. De kantonrechter zal daar eerst op ingaan.\n\n4.6.. \n [verweerder] is de verplichtingen als bedoeld in artikel 7:660a BW niet nagekomen doordat hij niet is verschenen op afspraken van de werkgever, bedrijfsarts, begeleider van het tweede spoor en maatschappelijk werker en hij meerdere keren niet is verschenen op het werk. Onder het kopje ‘De feiten’ heeft de kantonrechter een samenvatting gegeven van de momenten waarop [verweerder] zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen. Dit handelen en nalaten van [verweerder] levert naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel verwijtbaar handelen en\u002Fof nalaten op in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW. [verweerder] heeft echter aangevoerd dat hij kampt met een drugsverslaving en dat hij daardoor niet in staat is geweest om die gesprekken bij te wonen en te werken. Volgens [verweerder] is er daarom geen sprake van verwijtbaar handelen en\u002Fof nalaten.\n\n4.7.. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] , mede gelet op de toelichting van zijn partner, voldoende heeft onderbouwd dat hij kampt met een drugsverslaving. [verweerder] heeft evenwel onvoldoende onderbouwd dat hij door deze verslaving niet in staat was om naar gesprekken te komen en om te werken. Hij heeft ook geen (medische) stukken of verklaringen overgelegd waaruit de ernst en duur van de verslaving en de belemmeringen zouden blijken. De arbeidsdeskundige heeft in het arbeidsdeskundig rapport ook vermeld dat de arts geen medische redenen zag om aan te nemen dat [verweerder] niet kon meewerken aan de re-integratie en de arbeidsdeskundige heeft ook geconcludeerd dat de re-integratie inspanningen onvoldoende waren. Hoewel [verweerder] niet aan de arts of de arbeidsdeskundige heeft aangegeven dat hij kampt met een drugsverslaving, is de kantonrechter van oordeel dat aan dit rapport wel gewicht kan worden toegekend, mede gezien er geen (medische) stukken zijn overgelegd die het rapport tegenspreken. De kantonrechter is gelet daarop van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat [verweerder] geen of minder verwijt treft ter zake van het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen.\n\n4.8.. Door [verweerder] is nog aangevoerd dat Stut en Steun te weinig actie heeft ondernomen nadat [verweerder] in februari 2026 had gemeld dat hij kampte met een verslaving. Zo heeft Stut en Steun volgens haar onder meer nagelaten om die informatie te delen met de bedrijfsarts. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [verweerder] van mening is dat Stut en Steun ook een verwijt kan worden gemaakt van de gang van zaken en dat dit ook moet worden betrokken in de beoordeling of sprake is van zodanig verwijtbaar handelen dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Door Stut en Steun is evenwel onweersproken gesteld dat [verweerder] geen nadere toelichting wilde geven nadat hij had aangegeven dat hij kampte met een verslaving. Voor Stut en Steun was het dan ook onduidelijk welke verslaving het betrof en wat de ernst van deze verslaving was. De kantonrechter is van oordeel dat van Stut en Steun niet kon worden verwacht dat zij iets met deze beperkte informatie deed, zoals het delen daarvan met de bedrijfsarts. Van [verweerder] had juist mogen worden verwacht dat hij deze informatie zou delen met onder andere de bedrijfsarts. Stut en Steun heeft zich naar het oordeel van de kantonrechter ook twee jaar lang ingezet voor de re-integratie van [verweerder] , onder meer door (bovenop het inschakelen van een bedrijfsarts en een begeleider van het tweede spoor) veel gesprekken te voeren met [verweerder] , tijdig actie te ondernemen en maatschappelijk werk in te zetten.\n\n4.9.. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de ernst van het verwijtbaar handelen en\u002Fof nalaten door [verweerder] en de door de werkgever verrichte inspanningen, van Stut en Steun niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst nog te laten voortduren.\n\n4.10.. Verder is de kantonrechter van oordeel dat niet is gebleken van een ‘deugdelijke grond’ voor het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen, aangezien niet is gebleken dat [verweerder] daartoe niet in staat was. Daarmee is het opzegverbod niet van toepassing.\n\n4.11.. Herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn ligt gelet op al het voorgaande niet in de rede.\n\n4.12.. De kantonrechter overweegt bovendien dat van een doorkruising van het wettelijke systeem wanneer de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden terwijl er ook om toestemming van het UWV kan worden gevraagd voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst, zoals door [verweerder] is aangevoerd, geen sprake is. De wetgever heeft juist voor de situatie dat de werknemer zijn re-integratieverplichtingen niet nakomt de mogelijkheid gecreëerd om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Dat er (inmiddels) ook toestemming aan het UWV zou kunnen worden gevraagd voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst, laat deze mogelijkheid onverlet.\n\n4.13.. Volgens Stut en Steun kan het handelen en nalaten van [verweerder] aangemerkt worden als ernstig verwijtbaar handelen. Daar gaat de kantonrechter in mee. De lat om het handelen of nalaten als ernstig te bestempelen ligt hoog maar de kantonrechter vindt steun voor dit oordeel in de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid waar het niet naleven van de re-integratieverplichtingen zonder gegronde reden als voorbeeld van ernstig verwijtbaar handelen wordt genoemd.\n\n4.14.. Dit betekent dat op grond van artikel 7:671b lid 9, aanhef en onder b BW de kantonrechter zal bepalen dat de arbeidsovereenkomst op 1 juli 2026 eindigt.\n\n4.15.. Stut en Steun heeft de kantonrechter verder verzocht om te bepalen dat [verweerder] geen transitievergoeding toekomt op grond van artikel 7:673 lid 7, aanhef en onder c BW. De kantonrechter is echter van oordeel dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter is uit het gesprek met [verweerder] en zijn voorkomen ter zitting gebleken dat [verweerder] zich in een moeilijke positie bevindt. Door het niet toekennen van de transitievergoeding wordt hij te zwaar benadeeld, terwijl hij voorafgaand aan zijn ziekte en het re-integratietraject ook drie jaar werkzaam is geweest bij Stut en Steun. De transitievergoeding is dus verschuldigd conform het bepaalde in artikel 7:673 BW. Aangezien er niet is verzocht om toekenning van een transitievergoeding, zal de kantonrechter dit niet kunnen toewijzen.\n\n4.16.. De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van Stut en Steun worden begroot op € 1.148,00 (€ 139,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2026;\n\n5.2.. veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.148,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n5.3.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Boerlage-van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\n52952","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2530","2026-07-13T00:28:44.755Z",{"id":210,"ecli":211,"slug":212,"caseNumber":44,"courtId":143,"decisionDate":213,"fullText":214,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":215,"sourceTimestamp":213,"parsedAt":52,"updatedAt":216},"1045","ECLI:NL:GHARL:2026:3462","ecli-nl-gharl-2026-3462","2026-06-01T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.601\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn 11689496\n\nbeschikking van 1 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna: [verzoeker]\n\nadvocaat: mr. F.B.A.M. van Oss\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V.\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats]\n\nhierna: [geïntimeerde]\n\nadvocaat: mr. A. Hofman\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. \n [verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, op 14 oktober 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift\n\nhet verweerschrift tevens incidenteel appel\n\nhet verweerschrift in het incidenteel appel\n\n1.2.. Op 24 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd beschikking te geven.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of [verzoeker] op goede gronden op staande voet is ontslagen. Mocht dit niet zo zijn, dan rijst de vraag of een redelijke grond voor ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst aanwezig is.\n\n2.2.. \n [geïntimeerde] heeft [verzoeker] op staande voet ontslagen. [verzoeker] is hiertegen opgekomen en heeft de kantonrechter verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen. Bovendien heeft hij verzocht [geïntimeerde] te veroordelen om hem (i) de overeengekomen werkzaamheden weer te laten verrichten, (ii) zijn loon door te betalen, (iii) zijn leaseauto terug te geven en (iv) € 450 per week te betalen over de periode vanaf 24 maart 2024 tot het moment waarop hij weer over zijn leaseauto kan beschikken. [verzoeker] heeft in een later stadium zijn verzoek vermeerderd, in die zin dat hij nu (v) € 9.000,- in plaats van € 3.000 bruto per maand vermeerderd met vakantietoeslag aan loon wenst en (vi) een veroordeling van [geïntimeerde] om hem € 1.251,24 te betalen voor kosten (abonnement BMW) die hij voor zijn leaseauto heeft gemaakt.\n\n2.3.. \n [geïntimeerde] heeft een tegenverzoek gedaan voor het geval het verzoek van [verzoeker] zal worden toegewezen. Zij heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden vanwege primair verwijtbaar handelen (artikel 7:699 lid 3 sub e BW, hierna de e-grond) en subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:699 lid 3 sub g BW, hierna de g-grond). Verder heeft zij de kantonrechter verzocht te bepalen dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding en hem te veroordelen tot betaling van in hoofdsom € 2.682,33 vanwege onverschuldigde betaling in verband met inhouding fiscale bijtelling met betrekking tot de leaseauto van [verzoeker] .\n\n2.4.. De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet toegewezen en het ontslag op staande voet vernietigd. Het tegenverzoek van [geïntimeerde] is toegewezen op de e-grond. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst met ingang van 10 oktober 2025 ontbonden. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat [verzoeker] geen recht heeft op de transitievergoeding, omdat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Hij heeft evenmin recht op een billijke vergoeding omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] . De vordering van [geïntimeerde] vanwege onverschuldigde betaling in verband met inhouding fiscale bijtelling met betrekking tot de leaseauto van [verzoeker] is toegewezen. Omdat de arbeidsovereenkomst per 10 oktober 2025 is ontbonden, is het verzoek van [verzoeker] om te worden toegelaten tot zijn overeengekomen werkzaamheden afgewezen. Dat geldt ook voor de vordering tot vergoeding van het hiervoor vermelde bedrag van € 450 per week en de kosten voor het abonnement voor zijn BMW. De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] met betrekking tot de loonsverhoging (€ 9.000,- in plaats van € 3.000,- bruto) afgewezen. [geïntimeerde] is veroordeeld om € 3.000,- bruto aan loon, vermeerderd met de vakantietoeslag aan [verzoeker] te betalen voor de periode van 1 maart 2025 tot 10 oktober 2025.\n\n2.5.. \n\nIn (principaal) hoger beroep wenst [verzoeker] in de kern primair de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van tafel te krijgen en herstel van het dienstverband en subsidiair [geïntimeerde] te veroordelen hem een billijke vergoeding te betalen van\n\n€ 582.000 en de transitievergoeding waarbij moet worden uitgegaan van een bruto maandloon van € 9.000.\n\n2.6.. Het hoger beroep van [geïntimeerde] (het incidenteel hoger beroep) heeft betrekking op de vernietiging van het ontslag op staande voet. Volgens [geïntimeerde] is het ontslag op staande voet wel terecht gegeven omdat het afsluiten van een leasecontract door [verzoeker] op naam van [geïntimeerde] een dringende reden voor dit ontslag oplevert. Zij verzoekt dan ook alle aanspraken van [verzoeker] alsnog af te wijzen.\n\n2.7.. Het hof zal bepalen dat zowel het principaal hoger beroep van [verzoeker] als het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] faalt. De beschikking van de kantonrechter blijft dus in stand. [verzoeker] zal worden veroordeeld in de proceskosten van het principaal hoger beroep en [geïntimeerde] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, in beide gevallen volgens het liquidatietarief. Het hof licht hieronder toe hoe het tot deze uitkomst komt.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nachtergrond van het geschil\n\n3.1.. \n\n [verzoeker] , geboren in 1961, is op 1 juni 2024 in dienst van [geïntimeerde]\n\n getreden voor 32 uur per week, in de functie van [functienaam] tegen een salaris van € 3.000 bruto per maand. Voor zover in hoger beroep van belang is in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst het volgende opgenomen:\n\n‘Artikel 1: Inleidende bepalingen\n\n(…)\n\nDe werknemer maakt gebruik van zijn eigen voertuig en ontvangt van werkgever een kaart om zijn voertuig op te laden, voor uitsluitend voor kilometers gereden voor werkgever.\n\nArtikel 2: Duur van de overeenkomst\n\nDeze arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd ingaande 01-06-2024\n\nDeze overeenkomst is voor beide partijen opzegbaar na l jaar met een opzegtermijn van 3 maanden en na deze periode kan een verlenging worden aangeboden voor een dan te bepalen looptijd.\n\nWerknemer heeft nevenwerkzaamheden, werkgever is hiervan op de hoogte en gaat hier mee\n\nakkoord. Tevens heeft werknemer werkgever op de hoogte gebracht dat werknemer in aanraking is geweest met Justitie in verband met het niet opgeven van inkomsten uit het buitenland (…).’\n\n3.2.. \n\nOp 11 maart 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van [geïntimeerde] van dezelfde datum is het volgende vermeld:\n\n‘Hierbij beëindigen wij de arbeidsovereenkomst per direct.\n\nReden is dat u in opspraak bent geraakt in meerdere zaken over oplichting en fraude zonder dat u ons daar over informeerde (…).\n\nDe in opspraak geraakte zaak in [plaats1] richt ons directe schade aan in onze bedrijfsvoering.\n\nDaarnaast is meerdere malen door afdeling HR gevraagd en gemaild naar uw ID gegevens. U heeft deze tot op heden niet verstrekt, het blijkt dat de naam op de loonstrook niet overeenkomt met de persoon waar u zich voor uitgeeft (…)\n\nOp uw verzoek heeft u in december 2024 een auto aangeschaft. Een BMW (...), waar u destijds heeft aangegeven de aanbetaling niet te kunnen voldoen, waarmee uw werkgever hiervoor akkoord heeft gegeven en deze heeft betaald en dat na aanbetaling vanwege de bijtelling en conform arbeidsovereenkomst de lease na uw onderneming overgaat [naam1] B.V. Dit is tot op heden niet gebeurd. In de arbeidsovereenkomst staat duidelijk dat er geen auto van de zaak beschikbaar is gesteld (…).\n\nDaarnaast heeft [naam2] B.V. aangegeven dal u als vertegenwoordiger tekenbevoegd zou zijn namens [naam7] B. K Zie teken document mail adres (...), hiervan was de heer [naam3] niet op de hoogte (bijlage E)’.beoordeling\n\nhet ontslag op staande voet is niet onverwijld gegeven\n\n3.3.. Ten aanzien van het ontslag op staande voet ligt in hoger beroep nog enkel de vraag voor of het afsluiten van het financieringscontract\u002Fleasecontract ten behoeve van een auto (BMW) voor [verzoeker] op naam van [naam7] B.V. een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert.\n\n3.4.. \n [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat zij bereid was de verschuldigde btw\u002Faanbetaling voor een door [verzoeker] aan te kopen auto voor te financieren. Zij heeft echter nooit toestemming gegeven voor het op naamvan [naam7] B.V. afsluiten van een financieringscontract\u002Fleasecontract voor het resterende aankoopbedrag. [verzoeker] heeft die toestemming ook nergens uit kunnen afleiden. Het zonder medeweten en instemming van [geïntimeerde] ondertekenen van vermeld contract voor eigen persoonlijk belang betreft een zodanige ernstige schending van het vertrouwen dat [geïntimeerde] in [verzoeker] mocht stellen, dat dit volgens [geïntimeerde] een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert.\n\n3.5.. Het hof oordeelt als volgt. Uitgangspunt is dat de werkgever die een werknemer op staande voet wil ontslaan, de arbeidsovereenkomst onverwijld zal moeten opzeggen zodra hij op de hoogte is van een dringende reden tot ontslag. Als er een vermoeden is van een dringende reden, dient het voorafgaande onderzoek en het inwinnen van advies voortvarend te gebeuren.\n\n3.6.. Of partijen, in afwijking van de arbeidsovereenkomst, zijn overeengekomen dat [verzoeker] een leaseauto zou krijgen en dat het leasecontract met (impliciete) instemming van [geïntimeerde] is afgesloten (wat [verzoeker] stelt en [geïntimeerde] betwist), kan in het midden blijven. Uit de processtukken en uit hetgeen op de mondelinge behandeling bij het hof naar voren is gekomen, blijkt immers dat al in januari 2025 bij [naam4] bekend was dat [verzoeker] een leasecontract op naam van [naam7] B.V. had afgesloten. Tijdens de mondelinge behandeling antwoordde [naam4] immers desgevraagd dat op 16 januari 2025 de eerste afschrijving van de leaseovereenkomst binnen kwam, waarna partijen om de tafel zijn gaan zitten. Aan het einde van de zitting heeft [naam4] nogmaals benadrukt dat deze kwestie pas in januari 2025 aan het licht kwam. Dat strookt met zijn reactie op de geluidsopname van [verzoeker] (transcript ‘Geluidsopname 22 januari [naam5] ’) waarin [naam4] zegt dat er een conflict was tussen [naam3] ( [naam3] , toevoeging hof) over de BMW en over een factuur inzake commissies. [naam4] trad op als adviseur voor [geïntimeerde] en onderhield de contacten met [verzoeker] zodat bekendheid bij [naam4] toegerekend kan worden aan [geïntimeerde] . Pas op 11 maart 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen, terwijl [geïntimeerde] dus al in januari 2025 op de hoogte was van de reden die zij aan het ontslag op staande voet ten grondslag legt. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat zij in die tussenliggende periode nog nader onderzoek naar dit verwijt moest doen en zo ja, waarom dat zo lang moest duren, zodat zij te lang heeft gewacht met het geven van het ontslag. De conclusie is dan ook dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven en om die reden geen stand kan houden.\n\nde beoordeling van de e-grond\n\n3.7.. \n\nEen arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond\n\nvoor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is (artikel 7:669 lid 3 BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). [geïntimeerde] heeft aan haar verzoek primair ten grondslag gelegd dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld (e-grond). Subsidiair heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond).\n\n3.8.. \n [geïntimeerde] heeft aan haar verzoek tot ontbinding op basis van de e-grond ten grondslag gelegd dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling bij de uitoefening van zijn taken als werknemer van [geïntimeerde] . [verzoeker] heeft met zijn vennootschap [naam1] een overeenkomst gesloten met [naam8] B.V. (de groep waartoe bakkerijketen [naam6] behoorde, hierna [naam8] ) waarbij [naam1] een provisie van € 80.000,00 zou ontvangen als deze bakkerijketen door [geïntimeerde] zou worden overgenomen. In de overeenkomst tussen (de vennootschap van) [verzoeker] en [naam8] van november 2024 is opgenomen dat deze provisie zou vervallen als de deal met [geïntimeerde] niet doorgaat. [verzoeker] streefde bij de overname van bakkerijketen [naam6] door [geïntimeerde] dus een persoonlijk winstbejag na en heeft daarbij de belangen van [geïntimeerde] ondergeschikt gemaakt, aldus [geïntimeerde] . Daarnaast heeft [verzoeker] verwijtbaar gehandeld omdat hij ook voor [naam9] werkte en van [naam9] een fee ontving voor de producten die door [naam9] aan [geïntimeerde] werden verkocht, terwijl het in het belang van [geïntimeerde] was dat [verzoeker] zo goedkoop mogelijk bij [naam9] inkocht. Ten slotte heeft [verzoeker] bij de deal met betrekking tot de aankoop van de voorheen geleaste thermische ovens van bakkerij [naam6] niet transparant en daarmee verwijtbaar gehandeld.\n\n3.9.. \n\n [verzoeker] heeft erkend dat hij via zijn vennootschap [naam1] een overeenkomst heeft gesloten met [naam8] om te bemiddelen bij de verkoop van de tot de [naam8] groep behorende bakkerijketen [naam6] aan een derde partij tegen een provisie van\n\n€ 80.000. Hij heeft niet betwist dat deze overeenkomst is opgesteld met het oog op een door [geïntimeerde] te verrichten overname. [verzoeker] meent echter dat dit commercieel zo gaat en dat [geïntimeerde] van deze afspraak met [naam8] had kunnen weten, omdat [verzoeker] een prijslijst aan [geïntimeerde] heeft toegestuurd waaruit duidelijk blijkt dat [verzoeker] aan twee kanten commissie rekent. In deze prijslijst staat namelijk:\n\n‘Bemiddeling tot stand komen levering derden\u002Fbetaling door zowel leverancier als wederverkoper (detailhandel)’. Verder meent hij dat [geïntimeerde] wist van zijn nevenwerkzaamheden en het dienen van twee heren. Dat laatste maakt volgens [verzoeker] niet zonder meer dat sprake is van belangenverstrengeling.\n\n3.10.. \n\nHet hof is van oordeel dat [verzoeker] zich aan ontoelaatbare belangenverstrengeling heeft schuldig gemaakt bij het bedingen van een provisie (van\n\n€ 80.000) bij [naam8] als de verkoop van bakkerij [naam6] aan [geïntimeerde] zou doorgaan. [geïntimeerde] was er, gelet op de inhoud van de arbeidsovereenkomst, van op de hoogte dat [verzoeker] (via zijn bv’s) nevenwerkzaamheden verrichtte, maar dat is iets heel anders dan het bemiddelen bij een verkoop waarbij [verzoeker] óók optrad als bemiddelaar voor de verkopende partij en op deze wijze met ‘twee petten op’ handelde. Daarmee had [verzoeker] een eigen belang bij het tot stand komen van de overeenkomst, wat op gespannen voet staat met het door [verzoeker] te dienen belang van [geïntimeerde] bij wie hij in dienst was. [geïntimeerde] mocht er op vertrouwen dat bij deze bemiddelingspogingen alleen haarbelang vooropstond, wat uiteindelijk niet het geval bleek te zijn. Dat zij daarbij mogelijk geen schade heeft geleden, zoals [verzoeker] heeft aangevoerd, doet daar niet aan af. Van belang is dat [verzoeker] door dit handelen het vertrouwen van [geïntimeerde] ernstig heeft beschaamd. Uit het transcript van het gesprek van 22 januari 2025 tussen [naam4] en [verzoeker] blijkt dat [verzoeker] ook wel wist dat zijn handelen ontoelaatbaar was voor [geïntimeerde] . In dat gesprek heeft [naam4] immers expliciet tegen [verzoeker] gezegd dat hij van ‘twee kantjes’ wil eten en dat hij niet ‘twee heren kan dienen’.\n\n3.11.. \n [verzoeker] meent, zoals gezegd, dat het [geïntimeerde] duidelijk was dat hij aan twee kanten commissie rekent. Het hof ziet dat anders. Uit niets blijkt dat partijen hebben afgesproken dat [verzoeker] bij dergelijke bemiddelingen van beide partijen een beloning zou ontvangen. Anders dan [verzoeker] aanvoert, blijkt dat niet uit de prijslijst die hij per e-mail van 28 augustus 2024 als onderdeel van zijn voorstel voor het afsluiten van een hernieuwde overeenkomst aan [geïntimeerde] heeft gestuurd. Ten eerste is deze e-mail gestuurd in een geheel andere context. Het e-mailbericht bevat een voorstel voor een hernieuwde arbeidsovereenkomst als reactie op de mededeling van [geïntimeerde] over de niet wenselijke situatie van het naast elkaar bestaan van twee andersoortige overeenkomsten, wat mogelijk was op grond van de bestaande arbeidsovereenkomst. [verzoeker] mocht er dan ook niet op vertrouwen dat [geïntimeerde] uit deze e-mail met verwijzing naar een prijslijst begreep dat [verzoeker] provisie van twee kanten kreeg. Ten tweede is het bij een voorstel gebleven en niet is gebleken dat [verzoeker] dit voorstel heeft geaccepteerd. Ten derde, ook al zou [verzoeker] een beroep mogen doen op de prijslijst, dan nog kan hieruit niet afgeleid worden dat [verzoeker] bij het tot stand komen van een overeenkomst\u002Fdeal van beide partijencommissie zou ontvangen. Dat leest het hof niet in de prijslijst, die overigens niet uitblinkt in duidelijkheid. Onder het kopje ‘Bemiddeling tot stand komen levering derden\u002Fbetaling door zowel leverancier als wederverkoper (detailhandel)’, gaat het veeleer om provisie die [verzoeker]van[geïntimeerde] ontvangt over bijvoorbeeld levering van zuivel\u002Fbrood\u002Fgebak (€ 0,10 per artikel) of bij bemiddeling verkoop exploitatie (5% van de verkoop) ennietover provisie die [verzoeker] van de wederpartij ontvangt.\n\n3.12.. Uit het voorgaande volgt dat een redelijke ontslaggrond aanwezig is. Het ‘dienen van twee heren’ kwalificeert het hof als een ontoelaatbare belangenverstrengeling, waardoor [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld, zodanig dat van [geïntimeerde] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De twee andere door [geïntimeerde] aangevoerde verwijtbare handelingen behoeven geen bespreking meer. Herplaatsing van [verzoeker] ligt niet in de rede, omdat de arbeidsovereenkomst is ontbonden op de e-grond (artikel 7:699 lid 1 BW).\n\nfiscale bijtelling\u002F afgedragen loonheffing\n\n3.13.. Over de periode december 2024 tot en met februari 2025 heeft [verzoeker] een auto van de zaak genoten. [verzoeker] meent dat de kantonrechter hem ten onrechte heeft veroordeeld een bedrag van € 2.682,33 aan [geïntimeerde] te betalen, vanwege door [geïntimeerde] afgedragen loonheffing met betrekking tot de met de auto verband houdende bijtelling. Volgens [verzoeker] heeft hij inzichtelijk gemaakt dat het privégebruik van de leaseauto onder de 500 km per jaar is gebleven en van een fiscale bijtelling is dan geen sprake. Het betoog van [verzoeker] faalt. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat de door [verzoeker] zelf bijgehouden kilometerregistratie niet overeenkomt met de digitale rittenregistratie van de leaseauto, in die zin dat op aanzienlijk meer data door [verzoeker] privéritten zijn afgelegd dan door hem opgegeven. Hiervoor heeft zij verwezen naar de ‘Rapportage Ritregistratie met dagtotalen’. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft [verzoeker] onvoldoende aangevoerd (ook niet op de mondelinge behandeling) om ervan uit te gaan dat er geen bijtelling zou moeten plaatsvinden.\n\ngeen billijke vergoeding\n\n3.14.. \n\nVolgens [verzoeker] heeft hij recht op een billijke vergoeding omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is immers zonder voorafgaand gesprek of waarschuwing overgegaan tot het zwaarste middel, het ontslag op staande voet, terwijl daar geen reden voor was. Deze handelwijze heeft de arbeidsverhouding zwaar onder druk gezet.\n\nHet hof volgt [verzoeker] niet in zijn betoog. [geïntimeerde] heeft namelijk aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst andere feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd dan aan het ontslag op staande voet. Uit wat hiervoor in 3.7. e.v. is overwogen, volgt dat het hof de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond gerechtvaardigd acht. Dat heeft niets te maken met een ten onrechte gegeven ontslag op staande voet. Als hierdoor de arbeidsverhoudingen al zijn verstoord, zoals [verzoeker] betoogt, dan zou dat mogelijk een rol kunnen spelen bij de ontbinding op de g-grond, maar niet bij de ontbinding op de e-grond vanwege verwijtbaar handelen van [verzoeker] waarvan hier sprake is. Voor een billijke vergoeding op grond van artikel 7: 671b BW lid 9 onder c is daarom geen plaats.\n\ngeen transitievergoeding\n\n3.15.. Het hof vindt de handelwijze van [verzoeker] waarbij hij bij de deal rondom bakkerij [naam6] ‘twee heren’ heeft gediend niet alleen verwijtbaar maar ook ernstig verwijtbaar. Het gedrag van [verzoeker] heeft ernstig afbreuk gedaan aan het vertrouwen dat [geïntimeerde] in [verzoeker] als commercieel medewerker\u002Fmanager mocht hebben. [geïntimeerde] moet er immers van op aan kunnen dat [verzoeker] in de uitoefening van zijn functie volledig in haar belang handelt en niet daarnaast uit is op eigenbelang. Dat betekent dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding (artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW)..\n\ngeen vergoeding vervangende huurauto en abonnement BMW\n\n3.16.. \n [verzoeker] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hij onder dwang de leaseauto heeft moeten inleveren. Omdat hij van de ene op de andere dag geen beschikking meer over een auto had, heeft hij kosten voor de huur van een vervangende auto moeten maken. Die kosten komen neer op een bedrag van € 450 per week (totaal € 1.800), exclusief btw. Hij verwijst hiervoor naar een factuur van 20 april 2025.\n\n3.17.. \n\nHet hof gaat hier niet in mee. [geïntimeerde] heeft naar aanleiding van deze factuur gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens [geïntimeerde] is de factuur afkomstig van ‘ [naam10] ’, maar de naam\u002Fadres\u002Fwoonplaats van deze afzender ontbreken, evenals het KvK-nummer. Daarnaast heeft [verzoeker] niet aangetoond dat hij deze factuur heeft betaald, nu de factuur is gericht aan [naam1] . Gelet op deze betwisting heeft [verzoeker] niet voldoende onderbouwd gesteld dat hij kosten van € 450 exclusief btw per week voor de huurauto heeft gemaakt. Bovendien heeft [verzoeker] , in het kader van zijn schadebeperkingsplicht, niet inzichtelijk gemaakt dat hij voor privéritten deze huurauto nodig had en geen gebruik van een ander vervoermiddel (bijvoorbeeld een taxi voor de ritten naar het ziekenhuis met zijn echtgenote) kon maken.\n\nDatzelfde geldt voor de kosten van het abonnement dat [verzoeker] voor zijn BMW heeft aangeschaft. Niet alleen blijkt uit de door [verzoeker] overgelegde factuur van dit abonnement dat het abonnement door zijn vennootschap [naam1] is afgesloten (en de hiermee gepaard gaande kosten door BMW kennelijk bij [naam1] in rekening zijn gebracht) maar in ieder geval is gesteld noch gebleken dat [verzoeker] met toestemming van [geïntimeerde] dit abonnement heeft afgesloten. De kosten ervan blijven dus voor rekening van [verzoeker] .\n\nloon € 3.000\n\n3.18.. \n\n [verzoeker] meent dat hij met ingang van 1 februari 2025 recht heeft op loon van € 9.000 per maand omdat dit met [naam4] is afgesproken. Ter onderbouwing hiervan heeft hij verwezen naar gevoerde e-mailcorrespondentie in januari 2025 tussen hem en [naam4] . [verzoeker] heeft in de tekst van een e-mail van 29 januari 2025 van [naam4] opmerkingen gemaakt. In deze e-mail is het volgende te lezen (waarbij de onderstreepte tekst door [verzoeker] (‘ [verzoeker] ’) is geschreven):\n\n‘Dag [verzoeker] ,\n\nAfgelopen woensdag hebben we overleg gehad inzake de winkels [naam6] die overgenomen zijn waar een afspraak is gemaakt van 5%, maar de termijn was mijn onduidelijk (…).\n\nAls aangesteld commissaris per l november 2024 is mij niet helemaal duidelijk wat de afspraken zijn met jou bedrijf en [naam7] inzake deal [naam6] en andere zaken. de afspraken met [naam7] zijn in 4 overeenkomsten vastgelegd en hebben we beide met ons volle verstand getekend (…)\n\nDaar mijn salaris hoog was, is het opgedeeld:\n\n1 de eerste overeenkomst staan dus de taken in.\n\n2 De bestaande provisie overeenkomst die voordat ik werd aangenomen 3% was is naar 5% gegaan en is ook zo uitbetaald 1e helft 2024 (provisie was voor omzet wat ik binnen zou halen. (...)\n\n3 een arbeidsovereenkomst met een bruto salaris van €3.000,- volgens de cao 32 uur in de week. januari is cao verhoging door gevoerd, dus salaris is iets hoger\n\n4 een overeenkomst met [naam1] B.V. van € 2.100,- excl per maand\n\nOm dit tot een werkbare oplossing te krijgen en tot afronding van de doorstart [naam6] , is denk goed dit project, project matig vast te stellen hoe de commissie wordt vastgesteld en uitgekeerd over de periode de komende 60 maanden (…)\n\nMijn voorstel is [naam6] winkels:\n\nVanaf 1 februari 2025 tot 1 februari 2030 wordt op basis van bovenstaand een maandelijks voorschot wordt € 9000,- euro ex btw betaald, en na 12 maanden door onafhankelijke accountant (…) vastgesteld welke omzet en winst is gedraaid op bovengenoemde locaties door [naam3] ( [naam3] , toevoeging hof) geleverd (…)\n\nCommissie overeenkomst vast € 2100,-:\n\nOok is mij niet duidelijk waarvoor en om problemen te voorkomen, is wel zaak dat hier een goede overeenkomst vast te stellen voor welke werkzaamheden en verwachtingen\n\nhier is mijns inziens geen onduidelijkheid over, zie de door ons beide getekende overeenkomsten.\n\n3.19.. \n\nVolgens [geïntimeerde] was de strekking van de e-mail van [naam4] niet om [verzoeker] een onvoorwaardelijk voorstel te doen, maar om ontstane plooien glad te strijken en te bezien of de samenwerking voor de toekomst op meer gestructureerde basis kon plaatsvinden. Die plooien waren ontstaan doordat [verzoeker] via zijn vennootschap [naam1] een provisiefactuur van bijna € 48.000 aan [naam7] had gestuurd vanwege werkzaamheden in verband met de overname [naam6] door [geïntimeerde] .\n\nMaar ook als hetgeen in deze mail staat als een (bindende) afspraak zou moeten worden aangemerkt, dan nog heeft het door [naam4] genoemde voorschot van € 9.000 per maand geen betrekking op het salaris van [verzoeker] uit hoofde van zijn dienstverband, maar op een voorschot op provisie op grond van overeenkomsten die [verzoeker] via zijn vennootschap(pen) met [geïntimeerde] heeft gesloten. Dit blijkt niet alleen uit het feit dat deze e-mail is gestuurd naar aanleiding van een bespreking die had plaatsgevonden na het sturen van genoemde provisiefactuur, maar ook wordt in het e-mailbericht melding gemaakt van ‘overeenkomsten tussen jou bedrijf en [naam7] ’. Bovendien is het maandelijkse voorschot van € 9.000 als een bedrag exclusief btw vermeld wat niet gebruikelijk is bij arbeidsloon.\n\nDit betekent dat voor het loon dat [geïntimeerde] nog aan [verzoeker] verschuldigd is, moet worden uitgegaan van het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen bedrag van € 3.000.\n\nslotsom en proceskosten\n\n3.20.. Het principaal hoger beroep van [verzoeker] slaagt niet. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt evenmin. [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal hoger beroep worden veroordeeld. [verzoeker] is het niet eens met de compensatie van de proceskosten in het verzoek in eerste aanleg omdat het ontslag op staande voet geen stand heeft gehouden. Dit ziet het hof anders. Weliswaar is het ontslag op staande voet vernietigd, maar vervolgens is de arbeidsovereenkomst ontbonden terwijl [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Op dat punt brengt de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz van de Kring van kantonrechters mee dat de proceskosten voor rekening van de werknemer ( [verzoeker] ) kunnen komen. Ook heeft [verzoeker] op het punt van zijn verhoogde aanspraak op loon ongelijk gekregen. Al met al acht het hof een compensatie van kosten, net als de kantonrechter, redelijk. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld.\n\n3.21.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing in het principaal en in het incidenteel hoger beroep\n\nHet hof:\n\nin het principaal hoger beroep\n\n4.1.. verwerpt het beroep van [verzoeker] ;\n\n4.2.. veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van [geïntimeerde] bepaald op € 851 griffierecht en € 2.580,- voor salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 punten x tarief II);\n\nin het incidenteel hoger beroep\n\n4.3.. verwerpt het beroep van [geïntimeerde] ;\n\n4.4.. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van [verzoeker] bepaald op € 1.290,- voor salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 punt x tarief II);\n\nin het principaal en in het incidenteel hoger beroep\n\n4.5.. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. A.A. van Rossum, M.E.L. Fikkers en A. Elgersma en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3462","2026-07-13T00:29:01.020Z",32,[11,219],2025]