[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-energy-infrastructure-nl-2026":3},{"detail":4,"years":64},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":63},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},53,"energy-infrastructure-nl","Energy Infrastructure","NL","2026-07-08T16:54:05.442Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1672","ECLI:NL:RBGEL:2026:3358","ecli-nl-rbgel-2026-3358","",60,"2026-04-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F464715 \u002F KG ZA 26-106\n\nVonnis in kort geding van 29 april 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nGOODMAN NETHERLANDS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Goodman,\n\nadvocaten: mrs. M. de Wit en D.J. Kamp,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nTENNET TSO B.V.,\n\ngevestigd te Arnhem,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: TenneT,\n\nadvocaten: mrs. W. Knibbeler en A.R.L. Gerritsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 44 van Goodman - de producties 1 tot en met 6 van de zijde van TenneT\n\n- de aanvullende productie 7 van de zijde van TenneT - de mondelinge behandeling van 8 april 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van Goodman - de pleitnota van TenneT.\n\n1.2.. Hierna is vonnis bepaald op heden.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Goodman heeft op 21 juni 2021 bij TenneT een aanvraag ingediend voor een aansluiting op het hoogspanningsnet met een transportvermogen van 110 MVA. Aan de hand daarvan heeft Tennet in een zogeheten quick-scan de mogelijkheden voor een dergelijke aansluiting onderzocht. TenneT heeft Goodman op 30 augustus 2021 laten weten dat op dat moment geen 110, maar maximaal 80 MVA beschikbaar was.\n\n2.2.. Op 10 januari 2023 heeft Goodman vervolgens een nieuwe aanvraag bij TenneT ingediend voor aansluiting op het hoogspanningsnet met een gewenst transportvermogen van 70 MVA, waarover zij in het vierde kwartaal van 2029 zou willen kunnen beschikken. Naar aanleiding van die aanvraag heeft TenneT op 11 januari 2023 een offerte uitgebracht. TenneT heeft desgevraagd op 12 januari 2023 aan Goodman bevestigd dat de 70 MVA tot nader order voor haar is geblokt. Bij brief van 14 februari 2023 heeft TenneT aan Goodman verder nog bericht dat ‘deze aansluiting in de project portfolio is opgenomen (…)’ en dat ‘er voldoende transportcapaciteit beschikbaar is om Goodman van de gevraagde transportcapaciteit te voorzien.’.\n\n2.3.. \n\nGoodman heeft de offerte van 11 januari 2023 op 3 maart 2023 ondertekend retour gestuurd naar TenneT, waarna zij op 19 april 2023 de eerste vereiste betaling van\n\n€ 151.237,90 inclusief btw aan TenneT heeft verricht.\n\n2.4.. \n\nOp 26 mei 2023 heeft Goodman van TenneT de zogenaamde ‘Voorloopopdracht DO – Velden – Waarderpolder 150kV A-100342’ ontvangen. Dit document vermeldt dat de Voorloopopdracht nodig is om te komen tot een definitieve offerte voor de realisatie van de door Goodman gewenste aansluiting en dat deze opdracht vooraf gaat aan het sluiten van een realisatieovereenkomst (REA). De Voorloopopdracht vermeldt verder:\n\n‘(…)\n\nWellicht ten overvloede wijzen wij u erop dat deze Voorloopopdracht uitsluitend betrekking heeft op de Werkzaamheden en niet leidt tot het ontstaan van een verplichting voor TenneT tot het sluiten van overige overeenkomsten, waaronder begrepen realisatieovereenkomsten en aansluit- en transportovereenkomsten.\n\n(…)’\n\nGoodman heeft TenneT op 28 juni 2023 de (voorloop)opdracht gegeven, door middel van het ondertekend retour sturen van de bijbehorende offerte.\n\n2.5.. \n\nTenneT heeft vervolgens op 14 augustus 2023 het Basisontwerp voor de door Goodman gewenste aansluiting naar Goodman gestuurd, welk ontwerp Goodman op\n\n22 augustus 2023 heeft geaccordeerd. Op 18 oktober 2023 heeft Goodman de tweede vereiste betaling ter hoogte van € 339.035,79 inclusief btw aan TenneT verricht.\n\n2.6.. Eveneens op 18 oktober 2023 heeft TenneT via een publicatie op haar website een algemene vooraankondiging van congestie voor afname in de provincie Noord-Holland gedaan. In de periode daarna is tussen Goodman en TenneT regelmatig contact geweest over de planning van de door Goodman gewenste aansluiting en de daarvoor benodigde REA en Aansluit- en transportovereenkomst (ATO). In 2024 zijn opeenvolgende concepten van deze twee overeenkomsten door beide partijen over en weer van commentaar voorzien.\n\n2.7.. In december 2024 heeft TenneT het Congestieonderzoek Noord-Holland gepubliceerd. Doel van het onderzoek was om vast te stellen of en in welke mate sprake is van congestie in de provincie Noord-Holland en om te bepalen in hoeverre het mogelijk is om congestiemanagement toe te passen in het betreffende congestiegebied.\n\n2.8.. Medio 2025 hebben partijen het (enigszins stilgevallen) aansluittraject weer opgepakt. De planning op dat moment was dat de REA en ATO in september 2025 door Goodman zouden kunnen worden ondertekend.\n\n2.9.. \n\nTijdens een telefoongesprek tussen (vertegenwoordigers van) partijen op\n\n31 oktober 2025 is aan Goodman medegedeeld dat de REA en ATO, anders dan eerder dat jaar was afgesproken, niet meer in 2025 zouden volgen. Op 14 januari 2026 heeft TenneT tijdens een afspraak op het kantoor van Goodman vervolgens laten weten dat de aansluiting van Goodman niet langer binnen het afgesproken tijdpad zal plaatsvinden en dat voorlopig geen REA en ATO met Goodman zullen worden gesloten, vanwege congestie in het aansluitgebied.\n\n2.10.. \n\nBij e-mailbericht van 15 januari 2026 heeft TenneT aan Goodman laten weten dat de netcongestie in Noord-Holland in 2033-2036 zal zijn opgelost. Op deze zelfde datum heeft TenneT een herijking van het Congestieonderzoek Noord-Holland gepubliceerd, dat dit onderschrijft. In aanvulling daarop heeft TenneT bij brief van 28 januari 2026 aan Goodman onder meer het volgende bericht:\n\n‘(…)\n\nBenodigde transportcapaciteit is niet beschikbaar\n\nZoals volgt uit de herijking van het congestieonderzoek van 15 januari 2026 is de situatie in het deelnet Vijfhuizen dusdanig kritiek dat u - op basis van de huidige situatie - waarschijnlijk tot het realiseren van het nieuwe koppelstation A9-Zuid niet over de verzochte transportcapaciteit kunt beschikken. (…) Wanneer de door u benodigde transportcapaciteit precies beschikbaar is, kunnen wij op dit moment helaas niet aangeven. Wij kunnen op dit moment dan ook niet aan uw verzoek voldoen en uw aanvraag zal worden gepauzeerd.\n\n(…)’\n\n2.11.. Goodman kan zich niet in deze beslissing van TenneT vinden en heeft TenneT gesommeerd het aansluittraject met haar voort te zetten. Verdere correspondentie tussen partijen heeft er tot op heden niet toe geleid dat TenneT daartoe is overgegaan.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nGoodman vordert - na vermeerdering van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair\n\nI TenneT te veroordelen om binnen twee weken – althans een in goede justitie te bepalen termijn – na de datum van dit vonnis het aansluittraject met Goodman te hervatten door middel van het toezenden van het Definitief Ontwerp (DO) en de volgende versie van de realisatieovereenkomst (REA) en met Goodman uiterlijk op 1 juni 2026, althans een in goede justitie nader te bepalen redelijke termijn, te komen tot een afronding van het aansluittraject door middel van het sluiten van de REA en de ATO, zodanig dat Goodman haar aansluiting uiterlijk per Q4 2029 in gebruik kan nemen, met de bepaling dat TenneT, voor iedere dag dat zij nalaat aan deze veroordeling te voldoen, een dwangsom verbeurt van € 500.000,00 per dag, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag;\n\nII TenneT te veroordelen haar berichtgeving aan de gemeente Haarlem van\n\n16 februari 2026 terug te nemen door in een e-mail aan dezelfde ambtenaar van de gemeente duidelijk te maken dat zij deze informatie niet met de gemeente had mogen delen en de gemeente daarom te verzoeken, gelet op het vertrouwelijke karakter ervan, deze e-mail als niet verzonden te beschouwen, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag, voor iedere dag dat TenneT nalaat aan vorenbedoelde veroordeling te voldoen;\n\nsubsidiair\n\nIII TenneT te veroordelen om binnen twee weken – althans een in goede justitie te bepalen termijn – na de datum van dit vonnis het aansluittraject met Goodman te hervatten door middel van het toezenden van het Definitief Ontwerp (DO) en de volgende versie van de realisatieovereenkomst (REA) en zich maximaal in te spannen om met Goodman uiterlijk op 1 juni 2026, althans een in goede justitie nader te bepalen redelijke termijn, te komen tot een afronding van het aansluittraject door middel van het sluiten van de REA en de ATO, zodanig dat Goodman haar aansluiting uiterlijk per Q4 2029 in gebruik kan nemen;\n\nIV te bepalen dat TenneT, voor iedere dag dat zij nalaat aan de hiervoor bedoelde veroordeling te voldoen, een dwangsom verbeurt van € 500.000,00 per dag, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag;\n\nprimair en subsidiair\n\nV TenneT te veroordelen tot betaling van de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.2.. TenneT voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.\n\n4. De beoordeling van het geschil\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Goodman daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\n4.2.. Vooropgesteld wordt dat Goodman een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Vaststaat dat Goodman in juni van dit jaar een grondpositie verwerft, waarvoor zij al diverse jaren een aansluiting tracht te realiseren op het elektriciteitsnet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van Goodman niet kan worden gevergd om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten, nu zij behoefte heeft aan duidelijkheid over de mogelijkheden tot die aansluiting. Daarom zullen de vorderingen van Goodman hierna inhoudelijk worden beoordeeld.\n\n4.3.. Goodman vordert in deze procedure in de eerste plaats veroordeling van TenneT tot hervatting van het aansluittraject, op basis waarvan Goodman zal worden aangesloten op (het hoogspanningsnet van) station Waarderpolder en aan haar een transportcapaciteit van 70 MVA ter beschikking zal worden gesteld. Goodman legt aan deze vordering ten grondslag dat zij sinds juni 2021 met TenneT in gesprek is over de realisatie van haar aanvraag. In januari 2023 is een offerte ondertekend, die in augustus 2023 is gevolgd door een zogenaamde Voorloopopdracht. Vanaf dat moment beschouwt Goodman zichzelf als gecontracteerde afnemer. Goodman meent dat de vooraankondiging van congestie, die in oktober 2023 door TenneT is gepubliceerd, geen invloed heeft op haar aansluittraject, omdat haar aanvraag voor transportcapaciteit dateert van (ver) voor die datum. Dat TenneT begin 2026 kenbaar maakte dat sprake is van zodanige netcongestie dat zij voorlopig geen REA en ATO met Goodman kan en zal sluiten, is in strijd met haar wettelijke verplichting als netbeheerder en deze beslissing kan als zodanig dan ook niet in stand blijven, aldus Goodman.\n\n4.4.. TenneT voert verweer en betwist dat Goodman een gecontracteerde afnemer is. Hoewel tussen partijen inderdaad sprake is van een ondertekende offerte en Voorloopopdracht, is tot op heden geen definitieve REA en\u002Fof ATO tot stand gekomen. Zonder deze overeenkomsten kan Goodman geen rechten aan het aanvraagtraject ontlenen die maken dat TenneT -ondanks de aangekondigde netcongestie- verder moet in het aansluittraject met haar. Nu het contracteerproces van TenneT gereguleerd is in de Energiewet, bestaat ook geen civielrechtelijke grond voor toewijzing van de vordering en dient deze te worden afgewezen, aldus TenneT.\n\n4.5.. De bovenstaande standpunten van partijen doen de vraag rijzen of Goodman al dan niet als gecontracteerde afnemer heeft te gelden, op basis waarvan zij (in beginsel) recht heeft op voortzetting van haar aansluittraject. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Tussen partijen staat vast dat het eerste contact tussen partijen medio 2021 is gelegd en dat zij sinds januari 2023 een traject zijn aangevangen om tot realisatie van de door Goodman gewenste aansluiting te komen. Uit de overgelegde correspondentie uit die periode volgt dat TenneT gedurende het traject uitlatingen heeft gedaan over de reservering van de gevraagde transportcapaciteit en de planning voor de uiteindelijke realisatie steeds heeft bijgesteld en actueel hield. Vaststaat echter eveneens dat het tot op heden niet is gekomen tot het sluiten van een REA en een ATO met Goodman. Op grond van de artikelen 7.2 lid 1 en 7.24 lid 2 van de Systeemcode elektriciteit 2026 verkrijgt een aanvrager echter pas recht op aansluiting en transport na ondertekening van een overeenkomst daartoe; de ATO. Op dat moment kan worden gesproken van een gecontracteerde afnemer, die in beginsel andere verwachtingen mag hebben van een netbeheerder zoals TenneT dan een niet-gecontracteerde partij. Van die situatie is in dit geval geen sprake. Aan Goodman kan worden toegegeven dat de communicatie vanuit TenneT in ieder geval tot het najaar van 2025 gericht was op voortzetting (en afronding) van het aansluittraject, maar enkel op basis daarvan mocht Goodman er als professionele partij die op de hoogte is van het huidige energielandschap voorshands geoordeeld niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat haar aanvraag ook daadwerkelijk binnen de door haar gewenste termijn zou worden gerealiseerd. Ook uit de wel tot stand gekomen Voorloopopdracht volgt met zoveel woorden dat op basis daarvan geen verplichting voor TenneT ontstaat tot het sluiten van overige overeenkomsten met Goodman, waaronder een REA en ATO.\n\n4.6.. TenneT heeft op 18 oktober 2023 een vooraankondiging van congestie gedaan in de provincie Noord-Holland en daar was Goodman mee bekend. Tussen partijen is niet in geschil dat uit het gepubliceerde Congestieonderzoek Noord-Holland uit 2023, alsook uit de herijkte versie daarvan van januari dit jaar, volgt dat sprake is van netcongestie in het gewenste aansluitgebied waarvoor de komende jaren geen oplossing voorhanden is. Daarbij komt dat partijen gebonden zijn aan het gereguleerde contracteerproces zoals vastgelegd in de Energiewet. Op grond daarvan heeft TenneT de wettelijke taak de netveiligheid te borgen, zodat op haar onder de huidige omstandigheden voorshands geoordeeld geen verplichting rust het aansluittraject met Goodman voort te zetten, zoals gevorderd. Goodman is op basis van het gereguleerde proces vanwege congestie op de wachtlijst geplaatst en van het afbreken van onderhandelingen is, anders dan Goodman betoogt, dan ook geen sprake. TenneT heeft ter zitting toegelicht dat zodra de mogelijkheid zich voordoet, zij het aansluittraject met Goodman zal hervatten.\n\n4.7.. Bij deze stand van zaken ontbreekt een grondslag voor toewijzing van de vordering van Goodman strekkende tot het voortzetten van het aansluittraject, zowel voor wat betreft het komen tot aan afronding daarvan door middel van het sluiten van een REA en ATO als wat betreft het leveren van de maximale inspanning daartoe. Deze vorderingen zullen dan ook worden afgewezen. Een belangenafweging maakt deze uitkomst niet anders. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de gegeven situatie het belang van TenneT bij een veilig en goed functionerend elektriciteitsnet zwaarder weegt dan het (zuiver financiële) belang van Goodman om de door haar aangevraagde aansluiting op het net binnen de door haar gewenste termijn te hebben gerealiseerd.\n\n4.8.. Nu de hoofdvorderingen zullen worden afgewezen, zullen ook de daarover gevorderde dwangsommen worden afgewezen.\n\n4.9.. \n\nGoodman vordert verder nog veroordeling van TenneT haar berichtgeving aan de gemeente Haarlem van 16 februari 2026 terug te nemen door duidelijk te maken dat zij de daarin vervatte informatie vanwege het vertrouwelijke karakter daarvan niet had mogen delen en de gemeente te verzoeken het bericht als niet verzonden te beschouwen. TenneT betwist op haar beurt dat zij vertrouwelijke informatie heeft gedeeld.\n\nDe voorzieningenrechter constateert dat het e-mailbericht in kwestie is verzonden door een relatiemanager werkzaam bij TenneT, aan een medewerker van de gemeente Haarlem. Het bericht behelst de mededeling dat Goodman zich volgens hem in Haarlem wil vestigen en de vraag of de medewerker van de gemeente toevallig weet of de vergunning daarvoor al is verleend. Deze enkele twee zinnen bevatten geen vertrouwelijke informatie over de bedrijfsvoering van Goodman en geven voorshands geoordeeld evenmin vertrouwelijke informatie prijs die nadelig kan zijn voor de realisatie van de toekomstplannen van Goodman in het aansluitgebied. Voor rectificatie bestaat, anders dan Goodman meent, dan ook geen grond. Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen.\n\n4.10.. Goodman is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van TenneT worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Goodman af,\n\n5.2.. veroordeelt Goodman in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Goodman niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.H.J. Krijnen op\n\n29 april 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3358","2026-04-28T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:32.760Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1778","ECLI:NL:RBMNE:2026:1300","ecli-nl-rbmne-2026-1300",63,"2026-04-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 25\u002F4413en 25\u002F4652\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2026 op het verzoek om bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking van\n Provinciale Staten van Utrecht, uit Utrecht, PS\n\n(gemachtigden: mr. J.J. Hoekstra en mr. N. Haireche).\n\nTegen de onteigeningsbeschikking zijn bedenkingen ingediend door:\n\n [BV] B.V.,uit [vestigingsplaats] , [BV] ;\n\n [Vof] v.o.f., uit [vestigingsplaats] , de Vof\n\n(gemachtigde: mr. C.F. van Helvoirt).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel:\n\nTenneT TSO B.V. uit Arnhem, TenneT\n\n(gemachtigde: mr. J.A.M.A. Sluysmans).\n\nInleiding\n\n1.1.. Langs de A2 in de gemeente Stichtse Vecht ligt het transformatorstation ‘Breukelen-Kortrijk 380-150 Kv’. TenneT wil dit transformatorstation uitbreiden om de transportcapaciteit in de provincies Utrecht, Flevoland en Gelderland te vergroten.\n\n1.2.. Om deze uitbreiding planologisch mogelijk te maken hebben PS op 2 oktober 2024 het provinciaal inpassingsplan ‘Uitbreiding transformatorstation Breukelen-Kortrijk 380-150 kV’ (het PIP) vastgesteld. Het PIP maakt van rechtswege onderdeel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan gemeente Stichtse Vecht (het omgevingsplan). [BV] en de Vof hebben beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), maar zij hebben geen voorlopige voorziening gevraagd. Dit betekent dat het PIP in werking is getreden.\n\n1.3.. Om het transformatorstation te kunnen uitbreiden, heeft TenneT aan PS gevraagd om de volgende drie percelen (de percelen), gelegen in de gemeente Stichtse Vecht, te onteigenen:\n\nperceel [perceelnummer 1] gedeeltelijk, 16.043 m2;\n\nperceel [perceelnummer 2] , gedeeltelijk, 20.975 m2;\n\nperceel [perceelnummer 3] , gedeeltelijk, 26.104 m2.\n\nDe percelen zijn in eigendom van [BV] en in gebruik als grasland. Daarnaast zijn op de percelen diverse zakelijke rechtengevestigd. Op de percelen zijn voor N.V. Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland (WRK) opstalrechten nutsvoorzieningen gevestigd. De overige zakelijk gerechtigden zijn Saranne B.V. en Stedin Netbeheer B.V. (voor alle drie de percelen) en voor perceel [perceelnummer 3] ook KPN B.V., Ziggo Netwerk B.V., Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) en Vitens N.V. (de overige zakelijk gerechtigden).\n\n1.4.. PS hebben op 4 juni 2025 een onteigeningsbeschikking genomen en Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht (GS) belast met de bekendmaking, de mededeling en de terinzagelegging van de onteigeningsbeschikking met bijbehorende stukken en met het indienen van het verzoek tot bekrachtiging bij de rechtbank.\n\n1.5.. GS hebben de rechtbank op 28 juli 2025 – namens PS – verzocht om de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen.\n\n1.6.. \n [BV] en de Vof hebben op 12 augustus 2025 bedenkingen ingediend tegen de onteigeningsbeschikking. PS hebben op 3 oktober 2025 op de bedenkingen gereageerd. TenneT heeft ook op de bedenkingen gereageerd.\n\n1.7.. De rechtbank heeft het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:\n\n- namens PS: [A] , [B] en hun gemachtigden.\n\n- namens [BV] en de Vof: [C] , statutair directeur van [BV] en zijn gemachtigde. Zij werden vergezeld door [D] , adviseur van [makelaar] B.V.\n\n- namens TenneT: [E] , [F] en hun gemachtigde. Zij werden vergezeld door [G] van [onderzoeksbureau] Nederland B.V..1.8.. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank zowel [BV] en de Vof als PS in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie in de procedure te brengen. [BV] en de Vof hebben deze informatie op 10 februari 2026 ingebracht en PS op 6 maart 2026.\n\n1.9.. De rechtbank heeft het onderzoek op 25 maart 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOntvankelijkheid\n\n2. Belanghebbenden kunnen bij de rechtbank bedenkingen inbrengen tegen de onteigeningsbeschikking. Dat staat in artikel 16.97, eerste lid, van de Omgevingswet (Ow). In dat artikel worden verschillende belanghebbenden expliciet genoemd, zoals eigenaren, opstallers, pachters en rechthebbenden op rechten van gebruik. [BV] is eigenaresse van de percelen en kan daarom worden aangemerkt als belanghebbende. De bedenkingen zijn echter ook ingebracht namens de Vof. Volgens PS kan de Vof niet als belanghebbende in de zin van artikel 16.97 Ow worden aangemerkt. De Vof is geen eigenaar van en heeft geen rechten op de gronden die moeten worden verworven.2.1.. De rechtbank is het hier niet mee eens. De rechtbank stelt voorop dat de opsomming van belanghebbenden in de Ow niet limitatief is: het gaat om een opsomming van wie ‘in ieder geval’ belanghebbenden zijn en een zienswijze kan indienen. Een belanghebbende bij een besluit is diegene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken en als het gaat om rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.Het standpunt van PS dat alleen degenen die in artikel 16.97, eerste lid, van de Ow worden genoemd bedenkingen kunnen indienen, is onjuist.\n\n2.2.. De rechtbank is van oordeel dat de Vof wel een belanghebbende is die wordt genoemd in artikel 16.97, eerste lid, van de Ow, omdat zij een gebruiksrecht heeft.Op de zitting heeft de statutair directeur van [BV] verklaard dat [BV] slechts eigenaar is van de percelen, maar niet het melkveebedrijf exploiteert. [BV] is vennoot in de Vof en heeft de percelen ingebracht in de Vof. De Vof exploiteert het melkveebedrijf. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen en dit sluit ook aan bij het uittreksel uit de Kamer van Koophandel dat de Vof heeft ingebracht. Daarin staat dat de activiteiten van de Vof onder andere bestaan uit het houden van melkvee. Hiermee is voldoende aannemelijk dat de Vof een gebruiksrecht ten aanzien van de percelen heeft en dus belanghebbende bij de onteigeningsbeschikking is. De bedenkingen van de Vof zijn daarmee ontvankelijk.\n\nHet toetsingskader\n\n3. De rechtbank beoordeelt het verzoek om bekrachtiging aan de hand van de wettelijk voorgeschreven ambtshalve basistoets en de door belanghebbenden ingebrachte bedenking.\n\n3.1.. De ambtshalve basistoets bestaat uit de volgende vier onderdelen:\n\nIs de onteigeningsbeschikking volgens de wettelijke vormvoorschriften voorbereid?\n\nIs de onteigeningsbeschikking gegeven in het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving (het onteigeningsbelang)?\n\nIs de onteigeningsbeschikking noodzakelijk (de noodzaak)?\n\nIs de onteigening urgent (de urgentie)?\n\n3.2.. De rechtbank zal in deze uitspraak achtereenvolgens ingaan op voornoemde vier onderdelen van de basistoets en daarbij aanvullend de bedenkingen bespreken.\n\nDe wettelijke vormvoorschriften\n\n4. Met de wettelijke vormvoorschriften wordt bedoeld de voorschriften die zien op de procedure van totstandkoming van de onteigeningsbeschikking. Op de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.In deze afdeling zijn onder meer regels opgenomen over de terinzagelegging en kennisgeving van het ontwerpbesluit.\n\n4.1.. De rechtbank stelt vast dat PS een ontwerpbeschikking met de bijbehorende stukken zes weken ter inzage hebben gelegd bij Het Huis voor de Provincie Utrecht en het gemeentehuis van de gemeente Stichtse Vecht. Van deze terinzagelegging hebben PS kennisgeving gedaan in het Provinciaal blad. Voor [BV] en WRK was ook het logboek in te zien. PS hebben ook kennisgeving gedaan van de definitieve onteigeningsbeschikking in het Provinciaal blad en deze is met de daarbij behorende stukken op de voorgeschreven wijzeter inzage gelegd.\n\n4.2.. De ontwerp- en vastgestelde onteigeningsbeschikking moeten als de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt toegepast niet alleen ter inzage worden gelegd, PS moeten de ontwerp onteigeningsbeschikking voorafgaand aan de terinzagelegging en vervolgens de vastgestelde onteigeningsbeschikking ook toezenden aan de belanghebbenden aan wie de beschikking is gericht.Onder de belanghebbenden tot wie de beschikking is gericht, moeten in elk geval worden verstaan eigenaren, rechthebbenden, gebruikers en andere persoonlijk gerechtigden van percelen waarop het desbetreffende besluit betrekking heeft.\n\n4.3.. De rechtbank stelt vast dat PS met brieven van 20 februari 2025 de ontwerp onteigeningsbeschikking hebben toegestuurd aan [BV] en WRK. [BV] en de Vof hebben een zienswijze ingediend tegen de ontwerpbeschikking. Hoe PS deze zienwijze bij het nemen van de definitieve onteigeningsbeschikking hebben betrokken, staat in de ‘Zienswijzennota inzake de ontwerp onteigeningsbeschikking tot aanwijzing van onroerende zaken te onteigening in de gemeente Stichtse Vecht die nodig zijn voor onteigeningsplan ‘Uitbreiding transformatorstation Breukelen-Kortrijk 380-150 kV’’. PS hebben ook de vastgestelde onteigeningsbeschikking aan [BV] en WRK toegezonden.\n\n4.4.. De ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking zijn niet aan de Vof gestuurd. Dat had wel gemoeten want, zoals overwogen, is de Vof gebruiker van de percelen die worden onteigend. Daarmee staat vast dat de Vof een belanghebbende is tot wie de onteigeningsbeschikking is gericht. Omdat de beschikkingen wel naar [BV] zijn gestuurd en [BV] vennoot is van de Vof, is de rechtbank van oordeel dat PS dit gelet op de vennootschapsstructuur achterwege hebben kunnen laten.\n\n4.5.. De ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking zijn ook niet aan de overige zakelijk gerechtigden gestuurd. Wel zijn KPN, Ziggo, HDSR en Vitens door TenneT per brief in november 2024 geïnformeerd over de onteigening. In deze brieven staat dat de opstalrechten van de betreffende zakelijk gerechtigde niet rusten op de benodigde perceelsgedeelten en dat daardoor een mogelijke onteigening hiervan geen gevolgen voor deze zakelijke rechten heeft. De rechtbank heeft de positie van de overige zakelijk gerechtigden op de zitting besproken. Zowel PS als TenneT hebben op de zitting aangegeven dat de overige zakelijk gerechtigden niet worden geraakt door de onteigening. Daarom is ervoor gekozen om hen alleen te informeren over de onteigening.\n\n4.6.. De rechtbank heeft PS na de zitting in de gelegenheid gesteld om dit standpunt nader toe te lichten. In de reactie van 6 maart 2026 hebben PS dit gedaan en inzichtelijk gemaakt waar de overige zakelijke rechten ten opzichte van de te onteigenen gedeelten van de percelen zijn gevestigd. PS zijn van mening dat de overige zakelijk gerechtigden niet in hun belangen worden geraakt, nu hun rechten zijn gevestigd buiten de te onteigenen perceelsgedeelten. Zij worden door de eigendomsontneming niet rechtstreeks in hun belangen geraakt in de zin van artikel 1:2 van de Awb.\n\n4.7.. Uit de wetsgeschiedenis bij de invoering van artikel 3:13 Awb volgt dat onder ‘belanghebbenden tot wie de beschikking is gericht’, in elk geval worden verstaan eigenaren, rechthebbenden, gebruikers en andere persoonlijk gerechtigden van percelen waarop het desbetreffende besluit betrekking heeft. De rechtbank ziet geen reden om in het geval van een onteigeningsbeschikking hiervan af te wijken door onderscheid te maken in perceelsgedeelten die wel of niet door de onteigening worden geraakt. De onteigeningsprocedure is bovendien gebaat bij een eenvoudig en helder criterium voor het toesturen van de ontwerpbeschikking en het bekendmaken van de vastgestelde beschikking aan (zakelijk) gerechtigden. Dit voorkomt ook dat de rechtbank in het kader van de basistoets moet beoordelen welke rechten betrekking hebben op een te onteigenen perceelsgedeelte. Dit betekent dat PS de ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking dus aan KPN, Ziggo, HDSR, Vitens en Stedin hadden moeten sturen, zodat zij de gelegenheid hadden gehad om daartegen een zienswijze en bedenkingen in te dienen. Zij hebben immers een recht van opstal ten aanzien van de te onteigenen percelen en zijn daarmee belanghebbenden die een zienswijze en bedenkingen kunnen indienen.Anders dan waar PS in hun reactie van 6 maart 2026 van uitgaan, gaat het hierbij niet om naburige percelen. Daarmee zijn de belangen van KPN, Ziggo, HDSR, Vitens en Stedin rechtstreeks bij de onteigeningsbeschikking betrokken en zijn zij belanghebbenden tot wie de onteigeningsbeschikking is gericht.\n\n4.8.. Voor Saranne ligt dit anders. Uit het overgelegde uittreksel uit de Kamer van Koophandel blijkt dat zij een 100% dochtervennootschap is van TenneT. Hoewel Saranne ook zakelijk gerechtigde is en dus formeel ook de ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking toegestuurd had moeten krijgen, is de rechtbank van oordeel dat PS dit gelet op de vennootschapsstructuur achterwege hebben kunnen laten.\n\n4.9.. Het voorgaande betekent dat de onteigeningsbeschikking niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid. De rechtbank kan aan het gebrek bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking voorbijgaan als het aannemelijk is dat KPN, Ziggo, HDSR, Vitens en Stedin niet zijn benadeeld doordat de ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking niet aan hen zijn toegezonden.Samen met de reactie van 6 maart 2026 hebben PS verklaringen overgelegd van KPN, Ziggo, HDSR, Vitens en Stedin. Uit deze verklaringen volgt dat zij niet als belanghebbenden willen deelnemen aan de procedure. Daarom is het niet aannemelijk dat zij door het niet toesturen van de ontwerp- en vastgestelde onteigeningsbeschikking zijn benadeeld en passeert de rechtbank het gebrek.\n\nHet onteigeningsbelang\n\n5. De onteigeningsbeschikking moet zijn gegeven in het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving. Hiervan is sprake als de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving mogelijk is gemaakt in een vastgesteld omgevingsplan.\n\n5.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een onteigeningsbelang. Zoals vermeld onder 1.3, is de beoogde vorm van ontwikkeling en gebruik van de fysieke leefomgeving – namelijk de uitbreiding van het transformatorstation – mogelijk gemaakt in het omgevingsplan. Met het PIP dat van rechtswege onderdeel uitmaakt van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan zijn hiervoor aan de percelen de bestemmingen ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ ‘Groen’, ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ en ‘Waarde – Archeologie’ toegekend. Dit zijn bestemmingen die de uitbreiding van het transformatorstation mogelijk maken.\n\nDe noodzaak\n\n6. De noodzaak tot onteigening ontbreekt in ieder geval als de onteigenaar geen redelijke poging heeft gedaan tot minnelijke verwerving van de percelen vrij van rechten en lasten. Of als aannemelijk is dat op afzienbare tijd alsnog overeenstemming kan worden bereikt over minnelijke verwerving.Ook ontbreekt de noodzaak als belanghebbenden hebben aangetoond bereid en in staat te zijn om de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving op zich te nemen.Dit is het zogenaamde recht op zelfrealisatie.6.1.. \n [BV] en de Vof hebben geen beroep gedaan op het recht op zelfrealisatie. Zij hebben aangevoerd dat de noodzaak van de voorgenomen onteigening niet is aangetoond, omdat er geen redelijke poging is gedaan tot minnelijke verwerving van de percelen en omdat op het moment van het onteigeningsverzoek van TenneT nog niet vast stond dat een minnelijke regeling niet mogelijk zou zijn. Ook is het onteigeningsverzoek prematuur volgens [BV] en de Vof.\n\nHet onteigeningsverzoek is niet prematuur6.2.. \n [BV] en de Vof hebben er op gewezen dat TenneT voor een volgende uitbreiding van het transformatorstation binnen enkele jaren opnieuw interesse zal hebben in de verwerving van gronden van [BV] . Deze gronden vallen buiten het plangebied van het PIP, maar [BV] en de Vof vinden het redelijk dat TenneT deze gronden nu al verwerft in het kader van deze onteigeningsprocedure. Het betreft een strook grond van 125 meter diepte. Zij vinden de onteigening daarom prematuur.6.3.. De rechtbank is het daar niet mee eens. Het gaat in deze procedure om de gronden die nodig zijn voor de uitbreiding van het transformatorstation zoals het PIP dat mogelijk maakt. Dat is het onteigeningsbelang. De strook grond van 125 meter valt daar niet onder. Het is voorstelbaar dat [BV] en de Vof graag in één keer alle gronden die TenneT nu en in de toekomst nodig heeft, willen verkopen, maar dat is niet relevant voor beantwoording van de vraag of de onteigening van de percelen die binnen het plangebied van het PIP vallen noodzakelijk is.\n\nMinnelijke verwerving\n\n7. De rechtbank oordeelt verder dat er redelijke pogingen zijn gedaan om de percelen minnelijk te verwerven en dat het niet aannemelijk is dat op het moment van het onteigeningsverzoek nog een minnelijke regeling mogelijk was. De rechtbank legt dat hierna uit.\n\n7.1.. Uit het logboek blijkt dat TenneT diverse pogingen heeft ondernomen tot minnelijke verwerving van de percelen. Op 12 september 2024 heeft TenneT aangeboden om de gronden binnen het plangebied te kopen voor € 35,- per m2, wat neerkomt op een bedrag € 2.280.000,-. Dit aanbod heeft TenneT op 24 oktober 2024 herhaald. TenneT heeft toen een bijkomend aanbod gedaan om de gronden binnen het plangebied én de strook van 125 meter te kopen voor € 35 per m2, dat komt neer op een bedrag van € 4.120.000,-. Op 24 maart 2025 heeft [BV] dit aanbod afgewezen, omdat zij vindt dat TenneT de gronden binnen het plangebied en de strook van 125 meter moet kopen voor een prijs van € 60,- per m2. Dat komt neer op een bedrag € 8.915.450,-. TenneT is hier niet mee akkoord gegaan en heeft op 19 mei 2025 aangeboden om alleen de gronden binnen het plangebied te kopen voor € 40,- per m2, wat neerkomt op een bedrag van € 2.760.000,-. Het ging dus om minder grond (het aanbod om ook de strook van 125 meter te kopen is komen te vervallen), maar tegen een hogere prijs per m2. [BV] heeft dit aanbod op 5 juni 2025 afgewezen. In december 2025 heeft TenneT het bod van € 2.760.000,- herhaald, maar dit heeft [BV] vooralsnog niet geaccepteerd.\n\n7.2.. Zoals ook op de zitting besproken, zit het bezwaar voor [BV] en de Vof er vooral in dat PS op 19 maart 2024 een concept koopovereenkomst hebben gestuurd met daarin een aanbod om de gronden binnen het plangebied aan te kopen voor een prijs van € 60,- per m2. Dit aanbod is op 13 mei 2024 ingetrokken omdat TenneT de regie over de aankoop van de gronden van PS heeft overgenomen. [BV] en de Vof vinden dat onredelijk. Zij vinden dat de prijs van € 60,- per m2 het uitgangspunt had moeten blijven bij de onderhandelingen, ook omdat het aanbod alweer was ingetrokken voordat [BV] het kon accepteren.\n\n7.3.. Op de zitting hebben TenneT en PS uitgelegd dat de bieding van PS is gedaan om direct grond te verwerven en een procedure te voorkomen, en dat PS dit aanbod niet in opdracht van TenneT hebben gedaan. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze uitleg te twijfelen. De verplichting om redelijke pogingen te doen om de percelen minnelijk te verwerven rust op de onteigenaar,dus op TenneT. Alleen al daarom kan de omstandigheid dat PS een aanbod hebben gedaan dat vervolgens weer is ingetrokken niet tot de conclusie leiden dat de onteigening niet noodzakelijk is. Maar ook overigens maakt deze gang van zaken niet dat er geen redelijke poging is gedaan om de gronden minnelijk te verwerven. [BV] heeft immers bijna twee maanden de tijd gehad om het bod van PS te accepteren, maar dat heeft zij niet gedaan.7.4.. Uit de stukken blijkt dat het aanbod dat TenneT daarna heeft gedaan voor de gronden binnen het plangebied (een bedrag van € 2.760.000,-) is gebaseerd op een door [onderzoeksbureau] uitgevoerd onderzoek. Aan de hand van twee verschillende taxatiemethoden is een grondprijs voor de percelen bepaald. De rechtbank vindt dit aanbod niet evident onredelijk. De rechtbank wil daarbij nog meegeven dat het antwoord op de vraag wat een realistische, marktconforme grondprijs is, niet ter beoordeling voor ligt in deze procedure. Dat komt aan de orde bij de schadeloosstellingsprocedure.\n\n7.5.. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat aannemelijk is dat de onteigenaar een redelijke poging tot minnelijke verwerving van de percelen heeft gedaan. Gelet op het grote verschil tussen wat TenneT heeft geboden en wat [BV] vraagt voor de percelen, viel ook niet te verwachten dat op afzienbare termijn alsnog overeenstemming kan worden bereikt over de minnelijke verwerving van de percelen. De onteigening is dus noodzakelijk.\n\nDe urgentie\n\n8. De urgentie tot onteigening ontbreekt in ieder geval als niet aannemelijk is dat binnen drie jaar na het inschrijven van de onteigeningsakte een begin wordt gemaakt met de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling.\n\n8.1.. Op de zitting is door PS toegelicht dat de aanbesteding inmiddels is gegund. De werkzaamheden starten zodra de gronden zijn verworven. In het derde kwartaal van dit jaar wordt dan begonnen met het realiseren van de inpassing en de voorbelasting van de gronden waarop gebouwd gaat worden. TenneT heeft op de zitting toegelicht dat daarna de daadwerkelijk werkzaamheden starten. De rechtbank is gelet op deze toelichting van oordeel dat de onteigening urgent is.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De onteigeningsbeschikking is noodzakelijk, de onteigening is urgent en er is een onteigeningsbelang. De onteigeningsbeschikking is niet volgens de wettelijke vormvoorschriften voorbereid, maar de rechtbank passeert dit gebrek.De rechtbank zal het verzoek om de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen daarom toewijzen.\n\nGriffierecht en kosten\n\nGriffierecht\n\n10. Van PS wordt een griffierecht geheven.Dit betreft een griffierecht voor het indienen van het verzoek tot bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking en een griffierecht voor elke ingebrachte bedenking. In deze zaak wordt griffierecht geheven voor een bedrag van € 770,-, een bedrag van € 385,- voor het verzoekschrift en een bedrag van € 385,- voor de bedenkingen van [BV] en de Vof.\n\nKosten [BV] en de Vof\n\n11. De rechtbank zal PS veroordelen in de kosten die [BV] en de Vof redelijkerwijs hebben moeten maken. Het gaat hierbij allereerst om de kosten in verband met de behandeling van het verzoek. Daarnaast gaat het ook om de kosten die belanghebbenden hebben moeten maken in het kader van de minnelijke verwerving en de zienswijze en de behandeling daarvan bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking.Het woord ‘redelijkerwijs’ betekent hier een dubbele redelijkheidstoets. Beoordeeld moet worden of de bijstand redelijkerwijs is ingeroepen en of de kosten daarvan redelijk zijn.11.1.. \n [BV] en de Vof hebben op 1 september 2025 declaraties overgelegd van hun gemachtigde voor de werkzaamheden tot en met 1 september 2025 en op 10 februari 2026 hebben zij declaraties overgelegd voor de werkzaamheden van 1 september 2025 tot en met de zitting. Het betreft een bedrag van in totaal € 21.409,46 inclusief btw voor de kosten van rechtsbijstand. De rechtbank acht het inroepen van de bijstand door de gemachtigde redelijk. Het uurtarief vindt de rechtbank ook redelijk (€ 195,- en vanaf 1 januari 2026 € 225,- voor mr. Akdemir en € 310 tot 1 juli 2025, € 325,- tot 31 december 2025 en vanaf 1 januari 2026 € 335,- voor mr. Helvoirt, beiden exclusief btw). Voor het aantal uren dat de gemachtigde in rekening heeft gebracht geldt het volgende. Bij de facturen zijn overzichten overgelegd van de uitgevoerde werkzaamheden en het uurloon. Van de uitgevoerde werkzaamheden zijn 8,9 uren voor een totaalbedrag van € 2.099,95, gemaakt in het kader van een gedoogplichtbeschikking, de vergunning voor het transformatorstation en de schadeloosheidsprocedure. Deze kosten houden geen verband met deze bekrachtigingsprocedure en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De overige uren komen wel voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft een bedrag van in totaal € 19.309,51 inclusief btw.\n\n11.2.. \n [BV] en de Vof hebben verder bijstand gehad van [makelaar] B.V., adviseur. [BV] en de Vof hebben een overzicht van werkzaamheden van de heer [D] overgelegd voor de werkzaamheden tot en met 1 september 2025. Het betreft een bedrag van in totaal € 93.490,27 inclusief btw. Op 10 februari 2026 is dit overzicht aangevuld met de werkzaamheden van 1 september 2025 tot en met de zitting, dat gaat om een bedrag van € 5.314,19 inclusief btw. Ook deze bijstand is redelijkerwijs ingeroepen en het uurtarief van de heer [D] van € 195,- per uur, verhoogd met 5% kantoorkosten en exclusief btw vindt de rechtbank redelijk. Dat geldt niet voor het aantal uren dat in rekening wordt gebracht. De overzichten beslaan de periode 15 december 2022 tot en met de zitting. De minnelijke overleggen zijn gestart op 28 september 2023. Dit betekent dat werkzaamheden die vóór dit moment zijn uitgevoerd niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast zijn in het overzicht onder de omschrijving ‘kantoor’ uren opgenomen die betrekking hebben op de gedoogplichtbeschikking, de beoordeling van het PIP en de schadeloosstellingsprocedure. Deze uren komen in ieder geval niet voor vergoeding in aanmerking, omdat die geen verband houden met deze bekrachtigingsprocedure. Verder worden onder de omschrijving ‘kantoor’ 70 uren opgevoerd voor het beoordelen van inkomende e-mail, 18 uren voor het boordelen van uitgaande e-mail, 52 uren voor het bijwerken van de administratie en 25 uren voor kadastrale recherche. Zonder nadere specificatie kan de rechtbank niet beoordelen of deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Dat geldt ook voor de werkzaamheden van 1 september 2025 tot en met de zitting: ook daar staan veel ongespecificeerde posten op zoals ‘procedure’, ‘statenbrief’ en ‘overleg’, en een aantal posten die geen verband lijken te houden met deze bekrachtigingsprocedure zoals ‘beschikking schadeloosstellingsprocedure’. Het had wel verwacht mogen worden dat er een voldoende duidelijke specificatie was overgelegd waar alleen de werkzaamheden op staan die verband houden met deze bekrachtigingsprocedure. Zeker gezien de 5% kantoorkosten die in rekening worden gebracht en de verklaring van [D] op zitting dat hij een administratie bijhoudt. Het is op basis van de overzichten onduidelijk welke uren betrekking hebben op de werkzaamheden voor het overleg over de minnelijke verwerving, het naar voren brengen van een zienswijze en de behandeling daarvan bij de voorbereiding van de onteigeningbeschikking en de bekrachtigingsprocedure. Daarom moet de rechtbank een schatting maken van de kosten die belanghebbenden redelijkerwijs hebben moeten maken.\n\n12. Voor de kosten die [BV] en de Vof hebben gemaakt acht de rechtbank een tijdsbesteding van de heer [D] van in totaal 100 uur redelijk. Daarmee komen de kosten van [D] die [BV] en de Vof redelijkerwijs hebben moeten maken neer op een bedrag van € 24.774,75 inclusief btw.\n\n13. Dit betekent dat de rechtbank de gemeenteraad zal veroordelen in de kosten die belanghebbenden hebben gemaakt voor een bedrag van in totaal € 44.084,26, inclusief btw.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het verzoek toe;\n\n- bekrachtigt de onteigeningsbeschikking;\n\n- heft van PS een bedrag van € 770,- aan griffierecht;\n\n- veroordeelt PS tot betaling van € 44.084,26, inclusief btw aan kosten voor [BV] en de Vof.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, en mr. J.A. Spee en mr. A. de Snoo, leden, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDe griffier is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Als bedoeld in artikel 5, derde lid, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht.\n\n Artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Als bedoeld in artikel 16.97, eerste lid, onder e, van de Ow.\n\n Artikel 16.106 van de Omgevingswet (Ow).\n\n Artikel 16.107 van de Ow.\n\n Artikel 16.33b van de Ow.\n\n Artikel 3:44 van de Awb en artikel 16.33d, tweede lid, van de Ow.\n\n Artikel 3:13 en artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.\n\n De rechtbank verwijst hierbij naar de Memorie van Toelichting bij de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb, Kamerstukken II 2003-2004, 29421, nr. 3, p. 14 en 15.\n\n Deze zakelijke gerechtigden worden genoemd in artikel 16.97, eerste lid, onder c, van de Ow en daarmee staat vast dat zij belanghebbenden zijn.\n\n Zie ook de uitspraak ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:720.\n\n Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, dat op grond van artikel 16.113, eerste lid, van de Ow ook van toepassing is in een bekrachtigingsprocedure.\n\n Artikel 11.6, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang met artikel 4.4a van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet.\n\n Artikel 11.7, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Ow.\n\n Artikel 11.7, tweede lid, van de Ow.\n\n Artikel 11.7, eerste lid, van de Ow.\n\n Artikel 11.11 van de Ow.\n\n Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.\n\n Artikel 16.110, eerste lid, van de Ow.\n\n Dit volgt uit de artikelen 16.111 en 16.112 van de Ow.\n\n Kamerstukken II 2018\u002F2019 35133, 3, p. 280 en 281.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1300","2026-04-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.329Z",20,[11,65,66],2024,2023]