[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-energy-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":148},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":37,"page":14,"limit":147},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},38,"energy-law-nl","Energy Law","NL","2026-07-08T16:53:25.981Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":25},6,{"month":27,"count":19},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,60,67,77,84,94,103,110,117,127,137],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1232","ECLI:NL:CBB:2026:318","ecli-nl-cbb-2026-318","",58,"2026-07-07T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F118\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam] B.V., te [woonplaats] (vennootschap)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 2 november 2023 (verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de vennootschap voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) ingewilligd, en een tegemoetkoming van maximaal € 12.767,65 verleend.\n\nMet het besluit van 30 mei 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming van de vennootschap vastgesteld op € 18,06 en het te veel betaalde voorschot van € 4.450,62 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 2 januari 2025 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De vennootschap heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de vennootschap mocht vaststellen op € 18,06 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. In het verleningsbesluit heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de vennootschap, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de vennootschap\n\n3 De vennootschap is het er niet mee eens dat de minister vrijwel het hele voorschot van haar heeft teruggevorderd. Zij stelt dat de aanvraag door een tussenpersoon is gedaan en dat de vennootschap geen financieel voordeel heeft gehad omdat de voorschotten niet door haar zijn gehouden of gebruikt. Bovendien zijn haar energiekosten niet gedaald en is zij hoge energiekosten blijven betalen, ondanks de omstandigheid dat de onderneming niet volledig operationeel was vanwege ernstige gezondheidsproblemen van de directeur-eigenaar. De directeur-eigenaar van de vennootschap is lange tijd niet in staat geweest om actief te zijn binnen het bedrijf en heeft op 9 januari 2025 een hartoperatie ondergaan. Hierdoor is het niet mogelijk voor de vennootschap om het ontvangen voorschot volledig terug te betalen.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de vennootschap financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft de vennootschap al in het verleningsbesluit gewezen op de mogelijkheid dat het subsidiebedrag lager kan uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. Dat de vennootschap voor het indienen van de aanvraag een derde heeft ingeschakeld is geen bijzondere omstandigheid op basis waarvan zou moeten worden afgeweken van de bepalingen uit de TEK. De vennootschap heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van de onderneming in gevaar is of dat de vennootschap het met de minister overeengekomen bedrag niet zou kunnen terugbetalen. Dat de directeur-eigenaar van de vennootschap op leeftijd is en gezondheidsproblemen heeft, maakt ook niet dat de terugvordering van het onverschuldigd betaalde voorschot onevenwichtig is. Bovendien heeft de minister de mogelijkheid geboden om ruime terugbetalingsregelingen te treffen en is zij altijd in contact gebleven met de aanvragers over de ontwikkelingen.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit het verweerschrift blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd in het verleningsbesluit. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister ook bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de vennootschap, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In het verleningsbesluit van de vennootschap is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Het subsidiebedrag dat u maximaal kunt krijgen bedraagt € 12.767,65. Als uw\n\nsubsidiabele kosten hoger zijn dan € 160.000, dan is uw subsidiebedrag\n\nbegrensd op € 160.000.\n\nU ontvangt een voorschot van 35% van de subsidie vóór begrenzing op het\n\nmaximale subsidiebedrag van € 160.000. Het voorschot zelf is ook begrensd\n\nop € 160.000.\n\nHet definitieve subsidiebedrag kan lager uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel worden begin 2024 bekendgemaakt.”\n\nHet verleningsbesluit bevat vervolgens de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat het verleningsbesluit een besluit is, als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023 zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling wat het bedrag betreft lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 18,06. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. Het College vat het beroep van de vennootschap op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het College merkt voor de volledigheid op dat het College de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De vennootschap heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De vennootschap heeft aangevoerd dat de vastgestelde tegemoetkoming veel lager is dan de door haar werkelijk gemaakte kosten, en dat zij daarom onvoldoende wordt gecompenseerd voor de in 2022 enorm gestegen energieprijzen. Het College stelt allereerst vast dat het standpunt van de vennootschap uitgaat van een onjuiste lezing van de TEK, alleen al omdat die regeling niet is bedoeld om werkelijk gemaakte kosten (volledig of voor de helft) te vergoeden. De kosten die voor tegemoetkoming in aanmerking komen, worden bepaald op basis van modelprijzen voor 2023 (en niet op basis van werkelijk betaalde prijzen in 2022) en vervolgens wordt 50 procent van die subsidiabele kosten vergoed. Dat is, zoals het College onder 6.2 al heeft geoordeeld, in het geval van de vennootschap ook gebeurd.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de vennootschapen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de vennootschap dat bedrag niet nodig heeft gehad om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen voor zover die binnen het kader van de Regeling vallen. Dat de energiekosten van de vennootschap hoog bleven door het in 2021 afgesloten vaste energiecontract en de onderneming van de vennootschap grotendeels niet operationeel was vanwege gezondheidsproblemen van de directeur-eigenaar is geen omstandigheid die de terugvordering onevenwichtig maakt. De vennootschap heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar vennootschap in gevaar is. Ook is niet gebleken dat de voorschotten niet door de vennootschap zijn gehouden of gebruikt, zodat ook dit geen bijzondere omstandigheid oplevert die de minister zou noodzaken af te wijken van de bepalingen uit de TEK. De keuze om een intermediair in te schakelen voor het indienen van de aanvraag is een ondernemerskeuze van de vennootschap en behoort tot haar risicosfeer. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nConclusie\n\n8 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\n9 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de vennootschap betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-vennootschap zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-vennootschap of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:318","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:11.301Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":59},"1235","ECLI:NL:CBB:2026:316","ecli-nl-cbb-2026-316","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F56\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1] B.V., te [woonplaats] (vennootschap)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 30 november 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de vennootschap voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) afgewezen.\n\nMet het besluit van 23 april 2024 heeft de minister het bezwaar van de vennootschap tegen het afwijzingsbesluit gegrond verklaard en een tegemoetkoming van maximaal € 236.514,58 verleend.\n\nMet het besluit van 10 mei 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming subsidie van de vennootschap vastgesteld op € 3.042,48 en het te veel betaalde voorschot van € 78.407,63 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 10 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens de vennootschap en de gemachtigde van de minister.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De vennootschap heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de vennootschap mocht vaststellen op € 3.042,48 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. Bij de verlening heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de vennootschap, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de vennootschap\n\n3 De vennootschap is het er niet mee eens dat de hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van modelprijzen over 2023. Die modelprijs sluit niet aan bij de werkelijke energiekosten van de vennootschap en dat levert strijd op met het evenredigheidsbeginsel. Vanwege haar variabele energiecontract vielen haar energiekosten veel hoger uit dan de modelprijzen. Ook zijn haar administratieve lasten vanwege de procedure over de tegemoetkoming enorm opgelopen, tot wel €15.450,-. Bovendien leidt de toepassing van modelprijzen tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat dit ondernemingen met vaste energiecontracten bevoordeelt ten opzichte van ondernemingen met variabele energiecontracten. De gehanteerde modelprijzen zijn gebaseerd op gemiddelde prijzen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) die voornamelijk betrekking hebben op vaste contracten en consumentenprijzen. Hiermee wordt de situatie van zakelijke energiecontracten en de specifieke omstandigheden van de vennootschap genegeerd, zodat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel en het verbod van willekeur. Verder heeft de minister de subsidiabele periode ten onrechte laten ingaan op 1 november 2022 omdat de energieprijzen in september en oktober 2022 juist het hoogst waren. Hierdoor wordt de effectiviteit van de regeling beperkt, omdat ondernemingen zoals zij een piek in verbruik en kosten hebben ervaren in de maanden voor 1 november 2022.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de vennootschap financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is daarom geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Er is ook geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De vaststelling volgt uit de berekeningsmethodiek van de TEK en de vennootschap heeft geen concrete gelijke gevallen genoemd. Omdat de minister de TEK juist heeft toegepast en de berekeningsmethode van de TEK op zichzelf niet onevenredig is, is er ook geen sprake van een gebrekkige motivering of willekeur.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd bij de verlening. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de vennootschap, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In de verlening in de beslissing op bezwaar van 23 april 2024 is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Op grond van de berekening is het maximaal berekende verleningsbedrag\n\n€ 236.514,58. Hiervan ontvangt u een voorschot van 35%.”\n\nIn deze beslissing staat daarnaast de volgende passage:\n\n“De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel zijn\n\ninmiddels bekend. Het definitieve subsidiebedrag valt voor u lager uit. Ik heb u\n\ntijdens het telefoongesprek van 14 maart 2024 hierover geïnformeerd.”\n\nDeze beslissing bevat de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat deze beslissing een besluit is als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023 zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling wat het bedrag betreft lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 3.042,48. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. De vennootschap heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel door te stellen dat de vaststelling en de daaraan gekoppelde terugvordering ervoor zorgt dat de vennootschap onvoldoende wordt gecompenseerd door de hoge energieprijzen. Ook het standpunt dat het rekenen met modelprijzen voor het jaar 2023 tot onredelijke uitkomsten leidt, omdat de werkelijk betaalde prijzen voor energie (veel) hoger lagen en dat de ingangsdatum van de subsidiabele periode ten onrechte op 1 november 2022 is bepaald, beschouwt het College als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het College merkt voor de volledigheid op dat het College de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De vennootschap heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken. De TEK biedt geen ruimte om voor ondernemers met variabele contracten af te wijken van de modelprijen voor 2023.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De vennootschap heeft aangevoerd dat de vastgestelde tegemoetkoming veel lager is dan de door haar werkelijk gemaakte kosten, en dat zij daarom onvoldoende wordt gecompenseerd voor de in 2022, met name in september en oktober 2022, enorm gestegen energieprijzen. Zij had in de relevante periode ook vanwege haar variabele energiecontract aanzienlijk hogere energiekosten dan de modelprijzen, die voornamelijk betrekking hebben op vaste contracten en consumentenprijzen. Het College stelt allereerst vast dat het standpunt van de vennootschap uitgaat van een onjuiste lezing van de TEK, alleen al omdat die regeling niet is bedoeld om werkelijk gemaakte kosten (volledig of voor de helft) te vergoeden. De kosten die voor tegemoetkoming in aanmerking komen, worden bepaald op basis van modelprijzen voor 2023 (en niet op basis van werkelijk betaalde prijzen in 2022) en vervolgens wordt 50 procent van die subsidiabele kosten vergoed. Dat is, zoals het College onder 6.2 al heeft geoordeeld, in het geval van de vennootschap ook gebeurd. De keuze voor een variabel energiecontract is een ondernemerskeuze van de vennootschap en behoort tot haar risicosfeer. Bovendien is het geen bijzondere omstandigheid waarmee de vennootschap zich voldoende onderscheidt van andere vennootschapen die te maken hebben gekregen met een lagere vaststelling. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat de modelprijs voor 2023 voor alle ondernemers is toegepast en de vennootschap heeft geen concrete gelijke gevallen genoemd, zodat geen sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen en het beroep op het gelijkheidsbeginsel ook niet kan slagen.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de vennootschapen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de vennootschap dat bedrag niet nodig heeft gehad om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen voor zover die binnen het kader van de Regeling vallen. De vennootschap heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar vennootschap in gevaar is en niet is gebleken dat zij niet kan voldoen aan de met de minister overeengekomen terugbetalingsregeling van de terugvordering. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\n8 Uit het voorgaande (onder 5-7) blijkt dat de minister de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld en dat de vaststelling en daaraan gekoppelde terugvordering niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of gelijkheidsbeginsel. De minister heeft zijn besluitvorming ook voldoende gemotiveerd, zodat verder geen sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel of verbod van willekeur.\n\nConclusie\n\n9 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.\n\n10 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de vennootschap betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-vennootschap zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-vennootschap of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:316","2026-07-13T00:29:11.426Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":64,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":66},"1230","ECLI:NL:CBB:2026:319","ecli-nl-cbb-2026-319","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F30\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1], handelend onder de naam [naam 2], te [woonplaats] (onderneming)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 20 april 2023 (verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) ingewilligd, en een voorschot verleend van € 7.318,44.\n\nMet het besluit van 2 september 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming van de onderneming vastgesteld op € 414,54 en het te veel betaalde voorschot van € 6.903,90 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 2 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de onderneming gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De onderneming heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de onderneming mocht vaststellen op € 414,54 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. In het verleningsbesluit heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de onderneming, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de onderneming\n\n3 De onderneming is het er niet mee eens dat de minister vrijwel het hele voorschot van haar heeft teruggevorderd. Hierdoor komt de onderneming in ernstige financiële problemen. Zij doet ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. De onderneming voert aan dat zij erop mocht vertrouwen dat de subsidie zou worden vastgesteld op een bedrag, gelijk aan het aan haar toegekende voorschot van € 7.318,44. Zij heeft haar bedrijfsvoering en financiële planning daarop afgestemd. Ook voert zij aan dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden, omdat de plotselinge terugvordering grote consequenties heeft voor de onderneming en deze onder grote druk zet. Daarnaast voert zij aan dat er sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad doordat de minister de tegemoetkoming onjuist en misleidend heeft berekend, zodat ondernemers onverwacht grote bedragen moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de onderneming financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. De minister heeft de onderneming al in het verleningsbesluit gewezen op de mogelijkheid dat de tegemoetkoming lager kan uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. Ook heeft de minister geen toezegging of andere uitlating gedaan of gedraging verricht op basis waarvan de onderneming mocht aannemen dat haar tegemoetkoming zou worden vastgesteld op het verleende voorschot of meer. Tot slot is er geen sprake van een onrechtmatige overheidsdaad, omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd in het verleningsbesluit. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de onderneming, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In het verleningsbesluit van de onderneming is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Het subsidiebedrag dat u maximaal kunt krijgen bedraagt € 20.909,82. Hiervan ontvangt u een voorschot van 35%.”\n\nIn het verleningsbesluit staat daarnaast de volgende passage:\n\n“Het definitieve subsidiebedrag kan lager uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel worden begin 2024 bekendgemaakt.”\n\nHet verleningsbesluit bevat vervolgens de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat het verleningsbesluit een besluit is, als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023, zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 414,54. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. De onderneming heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel door te stellen dat de vaststelling en de daaraan gekoppelde terugvordering ervoor zorgt dat de onderneming onvoldoende wordt gecompenseerd voor de hoge energieprijzen. Het College merkt voor de volledigheid op dat het de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De onderneming heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De onderneming heeft aangevoerd dat de plotselinge terugvordering ernstige financiële consequenties heeft en de onderneming onder grote druk zet. Het College oordeelt dat zij deze omstandigheden alleen heeft gesteld en niet met stukken heeft onderbouwd.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de ondernemingen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de onderneming dat bedrag niet nodig heeft gehad waar het voor bedoeld was, namelijk om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen. De onderneming heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar is en niet is gebleken dat zij niet kan voldoen aan de met de minister overeengekomen betalingsregeling. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nBeroep op het vertrouwensbeginsel\n\n8 Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet de onderneming in ieder geval aannemelijk maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de onderneming in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Daar is in dit geval geen sprake van. Het College volgt de minister in zijn standpunt dat geen toezegging of andere uitlating is gedaan of gedraging is verricht op basis waarvan de onderneming mocht aannemen dat haar subsidie zou worden vastgesteld op het verleende voorschot of meer. De minister heeft er terecht op gewezen dat in het verleningsbesluit staat vermeld dat het subsidiebedrag lager kan uitvallen door de ontwikkeling van de energieprijzen.\n\n9 Uit het voorgaande (onder 5-8) volgt dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit en dus ook niet van een onrechtmatige overheidsdaad. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen nadere bespreking.\n\nConclusie\n\n10 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.\n\n11 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de onderneming betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-onderneming zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-onderneming of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:319","2026-07-13T00:29:11.197Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":43,"courtId":71,"decisionDate":72,"fullText":73,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":51,"updatedAt":76},"1514","ECLI:NL:RBNNE:2026:2614","ecli-nl-rbnne-2026-2614",65,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F555\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nhet Dagelijks Bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, verweerder\n\n(gemachtigde: Y. Snijder en S. Smit).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit om de subsidieaanvraag van eiser af te wijzen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die in deze uitspraak van belang zijn.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 22 februari 2024 heeft eiser een subsidie aangevraagd op grond van de Subsidieregeling verduurzaming, onderhoud en verbetering gebouwen aardbevingsgebied Groningen (de Regeling). Het gebouw betreft de woning van eiser.\n\n2.1.. Met het primaire besluit van 14 mei 204 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het gebouw niet is gelegen in een van de bij Regeling aangewezen postcodegebieden.Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt door eiser.\n\n2.2.. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het primaire besluit gebleven.\n\n2.3.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIs het bestreden besluit in strijd met algemeen beginselen van behoorlijk bestuur?3.1.. Eiser voert aan dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur door verweerder. Zo is bij het invoeren van de Regeling niet gekeken naar het mogelijke effect voor inwoners met schade buiten het vastgestelde postcodegebied. Dat verweerder de uitvoeringsopdracht van het ministerie desondanks heeft aanvaard, is volgens eiser onzorgvuldig. Dit geldt ook voor de gegevens die ten grondslag liggen aan het besluit. Deze zijn inmiddels zes jaar oud en aan verandering onderhevig. Verweerder had daarmee rekening moeten houden.\n\n3.2.. Verder is er volgens eiser sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Op grond van de Regeling kent verweerder namelijk subsidie toe aan mensen die helemaal geen aardbevingsschade hebben. En tegelijkertijd zijn er mensen die op grond van de Regeling geen subsidie krijgen toegekend, terwijl zij wel aardbevingsschade hebben.\n\n3.3.. In het verlengde hiervan voert eiser aan dat er bij hem ook aardbevingsschade is vastgesteld. Verweerder had vanwege deze omstandigheid van de Regeling af kunnen wijken. Nu dat niet is gebeurd, is volgens eiser het bestreden besluit niet evenredig en in strijd met rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).\n\n4.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij de beoordeling is gebleken dat de subsidieaanvraag van eiser niet voldoet aan de voorwaarden die de Regeling stelt. Daarbij heeft verweerder geen beleidsvrijheid om andere postcodes op te nemen in het postcodegebied dan die in de Regeling zijn vastgesteld. Verweerder is als uitvoeringsorgaan namelijk gehouden aan de opdracht die hij heeft gekregen.\n\n4.2.. Met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel merkt verweerder op dat uit rechtspraak volgt dat het alleen nog gaat over de evenwichtigheid van het besluit. De wetgever heeft gekozen voor een regeling op basis van postcodegebieden. Dat deze keuze voor eiser onredelijk bezwarend uitpakt, heeft hij volgens verweerder onvoldoende aangetoond. In dat licht bezien is het besluit dat eiser ondanks de aardbevingsschade niet in aanmerking komt voor de subsidie op grond van deze Regeling, niet onevenwichtig.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser niet kan slagen. Zij overweegt daartoe als volgt. Op grond van de Regeling kan een eigenaar van een gebouw alleen subsidie worden verstrekt als dat gebouw in een van de postcodegebieden ligt die in de Regeling genoemd zijn. Het staat vast dat eisers woning niet is gelegen in een van de aangewezen postcodegebieden.\n\n5.1.. Verweerder is als uitvoeringsinstantie gebonden aan de bepalingen in de Regeling en de regels van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat als zijn opdrachtgever. Er is geen sprake van onzorgvuldig handelen door verweerder. Verweerder heeft immers niet de bevoegdheid om af te wijken van de Regeling.\n\n5.2.. Verder kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen slagen, als gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Daarvan is in het betoog van eiser geen sprake.\n\n5.3.. \n\nUit de door eiser aangehaalde uitspraak van het CBb volgt dat het bij toetsing van een gebonden besluit aan het evenredigheidsbeginsel “onder de streep” alleen nog gaat over de evenwichtigheid van het besluit. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is.\n\nDe Regeling geldt voor iedereen en door de keuze van de regelgever vallen eigenaren van woningen buiten de genoemde postcodegebieden buiten de boot. In zoverre is de situatie van eiser niet uitzonderlijk of onevenwichtig. Het feit dat in de woning van eiser aardbevingsschade is geconstateerd, maakt ook niet dat sprake is van onevenwichtigheid.\n\n5.4.. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen reden om aan te nemen dat sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur door verweerder. De rechtbank onderschrijft de motivering die verweerder heeft gegeven in het verweerschrift. Dat eiser op grond van de Regeling niet in aanmerking komt voor subsidie is ongetwijfeld een teleurstelling voor hem. Maar het staat eiser vrij om te onderzoeken of hij op grond van nieuwere, andere regelingen wel in aanmerking kan komen voor subsidie.\n\n5.5.. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat zij niet zal ingaan op eisers opmerkingen over de handelwijze van verweerder. Daarvoor staan namelijk andere procedures open.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van\n\nK.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 4:23\n\n1. Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.\n\n(…)\n\nSubsidieregeling verduurzaming, onderhoud en verbetering gebouwen aardbevingsgebied Groningen\n\nArtikel 2a\n\n1. In afwijking van artikel 2 verstrekt de minister op aanvraag subsidie voor de kosten van een verduurzamingsmaatregel, voor onderhoud of voor verbetering aan de eigenaar van een gebouw gelegen in de postcodegebieden in de gemeenten, genoemd in het tweede lid, voor zover dat gebouw:\n\na.bestemd of mede bestemd is voor bewoning;\n\nb.op of voor 6 november 2020 geen deel uitmaakt van het versterkingsprogramma;\n\nc.is gebouwd en opgeleverd vóór 1 januari 2016, en\n\nd.niet in eigendom is van een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet.\n\n2 De eigenaar of eigenaren van een gebouw binnen de gemeente:\n\na.Aa en Hunze met postcode 9656 kunnen een aanvraag doen van 6 juli 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nb.Eemsdelta met postcodes 9901 tot en met 9909, 9911 tot en met 9915, 9917 tot en met 9919 en 9921 kunnen een aanvraag doen van 13 juli 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nc.Eemsdelta met postcodes 9922 tot en met 9924, 9931 tot en met 9934, 9936, 9937, 9945 tot en met 9949, 9987 en 9991 tot en met 9994 kunnen een aanvraag doen van 20 juli 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nd.Groningen met postcodes 9613, 9614, 9622, 9723 en 9731 tot en met 9735 kunnen een aanvraag doen van 27 juli 2022 tot en met 31 december 2025;\n\ne.Groningen met postcodes 9736 tot en met 9738, 9746, 9747 en 9791 tot en met 9798 kunnen een aanvraag doen van 3 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nf.Het Hogeland met postcodes 9771, 9773, 9774, 9781, 9784, 9785, 9925, 9951, 9953 tot en met 9957, 9959, 9961 tot en met 9969, 9973, 9975, 9977 tot en met 9979, 9981 tot en met 9986, 9988, 9989 en 9995 tot en met 9999 kunnen een aanvraag doen van 10 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\ng.Midden-Groningen met postcodes 9601 tot en met 9603, en 9605 tot en met 9609 kunnen een aanvraag doen vanaf: 17 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nh.Midden-Groningen met postcodes 9611, 9615 tot en met 9619, 9621, 9623 tot en met 9629, 9632, 9633, 9635, 9636, 9649 en 9939 kunnen een aanvraag doen van 24 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\ni.Oldambt met postcodes 9679, 9681, 9682, 9942 tot en met 9944 kunnen een aanvraag doen va: 31 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nj.Westerkwartier met postcodes 9833, 9884, 9886, 9891 tot en met 9893 kunnen een aanvraag doen van 7 september 2022 tot en met 31 december 2025.\n\n(…)\n\n Zie artikel 2a, aanhef en tweede lid van de Regeling.\n\n Te raadplegen onder vindplaats ECLI:NL:CBB:2024:190 en\u002Fof ECLI:NL:CBB:2024:191.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2614","2026-07-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:24.897Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":72,"fullText":81,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":51,"updatedAt":83},"1217","ECLI:NL:RBDHA:2026:17345","ecli-nl-rbdha-2026-17345","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 25\u002F4253\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. A.M.C. Marius - van Eeghen),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Den Haag\n\n(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).\n\nAls derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] B.V.en[derde-partij 2] B.V., beiden gevestigd te [plaats] (belanghebbenden),\n\n(gemachtigde: mr. J.C.W. van Eekeren)\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om tegemoetkoming in planschade. Eisers zijn het niet eens met die afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wordt vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat eisers geen tegemoetkoming in planschade krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n2. Eisers wonen in een appartementencomplex, op het adres [adres 1] . Zij hebben op 14 juli 2020 een aanvraag ingediend om tegemoetkoming in planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro. Zij stellen schade te ondervinden in de vorm van waardevermindering van hun woning door wijziging van het planologisch regime. Het planologisch regime is gewijzigd door het besluit van 23 april 2023 waarin het college in afwijking van de beheersverordening Vlietzone een omgevingsvergunning heeft verleend voor het realiseren van een windturbine op het terrein [adres 2] (de omgevingsvergunning). Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 december 2015is deze omgevingsvergunning onherroepelijk geworden. De windturbine waarvoor de omgevingsvergunning is verleend staat op circa 600 meter afstand van de zuidoostgevel van het gebouw waarvan de woning van eisers deel uitmaakt.\n\n2.1.. Het college heeft Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) opdracht gegeven om een advies uit te brengen met betrekking tot de aanvraag van eisers.\n\n2.2.. Voorafgaand aan het door SAOZ uitbrengen van een concept-advies hebben belanghebbenden Langhout & Wiarda (Langhout) gevraagd een deskundigenadvies te geven over de aanvraag om tegemoetkoming in planschade. Langhout heeft dat advies in de brief van 8 juni 2021 gegeven. Langhout adviseert daarin de aanvraag van eisers om tegemoetkoming in planschade af te wijzen.\n\n2.3.. SAOZ heeft op 2 maart 2022 een conceptadvies uitgebracht. In dat conceptadvies heeft SAOZ geadviseerd geen tegemoetkoming in planschade toe te kennen. SAOZ komt tot de conclusie dat de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning ten aanzien van eisers heeft geleid tot een planologisch nadeliger positie. Er is slechts sprake van een zeer beperkte invloed op het uitzicht en de omgevingskarakteristiek. Daaruit is in beginsel voor tegemoetkoming vatbare schade in de vorm van waardevermindering van de woning voortgevloeid. De waardevermindering van de woning is getaxeerd op € 3.000,-. Daarvan moet het normaal maatschappelijk risico worden afgetrokken. Dat is in dit geval een aftrek van 4% en dus een bedrag van € 7.600,-. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op het bedrag van € 3.000,-, wat leidt tot een tegemoetkoming van nihil.\n\n2.4.. Eisers en belanghebbenden hebben op het conceptadvies van SAOZ gereageerd.\n\n2.5.. Belanghebbenden hebben in de bezwaarfase een nader deskundigenadvies van Langhout van 31 maart 2022 ingebracht. Daarin sluit Langhout zich aan bij de conclusie van SAOZ dat de tegemoetkoming in planschade nihil is.\n\n2.6.. Op 28 mei 2022 heeft SAOZ een definitief planschadeadvies uitgebracht, waarin zij haar advies handhaaft.\n\n2.7.. Het college heeft in het besluit van 29 september 2022 het advies van SAOZ overgenomen en de aanvraag om tegemoetkoming in planschade afgewezen. In het bestreden besluit is dit besluit gehandhaafd.\n\n2.8.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.9.. Eisers hebben e-mails van 20 augustus 2025 en van 19 december 2025 ingediend met opmerkingen van een door hen ingeschakelde deskundige, ir. J.F.C. Kupers.\n\n2.10.. Belanghebbenden hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.11.. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, namens het college mr. M.W. van Amerongen, bijgestaan door mr. D.S. Krijgsman, en namens belanghebbenden hun gemachtigde en [naam] .\n\n2.12.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen inzicht te geven in de gemaakte berekening van de geluidsbelasting op de gevel van het appartementencomplex van eisers op 30 meter hoogte en een nieuwe berekening te overleggen van de geluidsbelasting op de gevel van het appartementencomplex van eisers, uitgaande van de beoordelingshoogtes van 22 en 24 meter. Daarbij dient het college aan te geven met welk akoestisch model deze berekeningen zijn gemaakt (hetzelfde model dat Pondera heeft gebruikt of een ander model) en welke relevante invoergegevens voor die berekening zijn gebruikt.\n\n2.13.. Met de e-mail van 12 februari 2026 hebben belanghebbenden een notitie van Haskoning van 2 februari 2026 ingediend.\n\n2.14.. In de e-mail van 13 februari 2026 heeft het college een reactie ingediend.\n\n2.15.. In de brief van 26 februari 2026 hebben eisers gereageerd op de reacties van het college en belanghebbenden.\n\n2.16.. Nadat geen van de partijen desgevraagd hebben verklaard gebruik te willen maken van hun recht op een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOvergangsrecht\n\n3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels voor overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Dit betekent dat in dit geval de Wro nog van toepassing is.\n\nHet juridisch kader\n\n4. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade moet worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Alleen als realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden, moet worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden.\n\n4.1.. Daarbij geldt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.\n\n4.2.. SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. Het college mag dan ook in beginsel uitgaan van het door SAOZ uitgebrachte advies als dat advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de in dat advies gevolgde redenering begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. De rechtbank zal dit beoordelen aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.\n\nUitzicht\n\n5. Eisers voeren aan dat ten onrechte wordt geconcludeerd dat ten aanzien van het uitzicht sprake is van een zeer beperkte invloed van de aanwezigheid van de turbine. Er is sprake van aanzienlijke visuele hinder. De zichtbaarheid van de windturbine vanaf het balkon is een storende factor, zeker tijdens een gesprek.\n\n5.1.. SAOZ heeft geconstateerd – en eisers hebben dit niet betwist – dat vanuit hun woonkamer nauwelijks zicht is op de windturbine. Aan de orde is dan ook slechts het zicht op de windturbine vanaf het balkon van de woning van eisers. Dat het uitzicht vanaf het balkon door de aanwezigheid van de windturbine wordt beperkt, wordt door SAOZ onderkend. SAOZ heeft in haar advies wel vermeld dat het zicht op de windturbine vanaf het balkon slechts vanuit een heel schuine kijkhoek wordt beperkt en ook dat er een ruime afstand is tussen de woning van eisers en de windturbine. SAOZ – en in navolging daarvan het college – heeft dit planologisch nadeel dan ook als zeer beperkt aangemerkt en geconcludeerd dat het uitzicht niet zozeer in kwantitatieve maar voornamelijk in kwalitatieve zin is beperkt.\n\n5.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van de schadefactor uitzicht sprake is van een planologisch nadeel. Enkel is in geschil hoe zwaar dit planologisch nadeel moet worden aangemerkt, waarbij SAOZ – en in navolging daarvan het college – dit nadeel als veel minder zwaar aanmerkt dan eisers.\n\n5.3.. Naar het oordeel van de rechtbank mag het college afgaan op het advies van SAOZ. Eisers hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat het nadeel als veel zwaarder moet worden aangemerkt niet een tegenonderzoek van een deskundige overgelegd. Er is dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van SAOZ op dit punt. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nGeluidhinder\n\n6. Voorafgaand aan het uitbrengen van het concept-advies van SAOZ heeft Langhout op verzoek van belanghebbenden in haar advies het volgende vermeld. Pondera heeft in haar geluidsonderzoek wel de woning Park Vronesteyn 28 betrokken maar niet de woning van eisers. Gelet op de gemeten geluidsbelasting bij die woning moet voor juist worden gehouden, dat vanwege de hogere ligging van het appartement van eisers de geluidsbelasting vergelijkbaar is aan die van Park Vronesteyn 28, maar in ieder geval niet van dien aard is dat planologisch nadeel is opgetreden ten opzichte van de voorheen bestaande en maximaal ingevulde planologische omgeving. Tussen de windturbine en de woning van eisers bevindt zich een groot bedrijventerrein, waarbinnen bedrijven tot en met milieucategorie 4 zijn toegestaan, en ook wegen, waaronder de A4 en spoorwegen en een spoorwegemplacement. Uitgaande van een maximale invulling van deze voor het geluid relevante bestemmingen wordt al uitgegaan van een hoge geluidsbelasting ten aanzien van de woning van eisers. Indien de gemeten geluidswaarden worden gecumuleerd, treedt als gevolg daarvan in de dagperiode een toename op van circa 0,6 dB en in de nachtperiode een toename van 1 dB. Deze toenames zijn niet waarneembaar, aangezien eerst bij een verschil van tenminste 5 dB sprake is van een duidelijk waarneembaar verschil en dus sprake is van nadeel. Verder blijkt uit vaste rechtspraak dat piekgeluiden bij windturbines bij de planologische vergelijking buiten beschouwing dienen te blijven. Ten tijde van de opname op 3 juni 2021 na de ochtendspits was de windturbine niet hoorbaar. Het referentieniveau van het omgevingsgeluid werd volledig bepaald door auto- en treinverkeer, aldus Langhout.\n\n6.1.. SAOZ heeft er in haar advies ten aanzien van geluid op gewezen dat bij verzoeken om tegemoetkoming in planschade rekening moet worden gehouden met de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) op het gebied van geluidhinder. Op grond van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit dient de geluidhinder van een windturbine te voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen. Klachten van omwonenden over feitelijke geluidoverlast kunnen in dit kader niet in de beoordeling worden meegenomen. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat tussen de woning van eisers en de windturbine een gebied met een bedrijfsbestemming is gelegen die intensieve gebruiksmogelijkheden biedt. Door Pondera is een akoestisch onderzoek gedaan. Dat onderzoek, dat andere huisnummers in het appartementencomplex betreft, is van 21 augustus 2012. In het rapport naar aanleiding van het onderzoek wordt geconcludeerd dat bij alle toetspunten de geluidnormen niet worden overschreden. SAOZ heeft geconstateerd dat in het onderzoek van Pondera geen aandacht is besteed aan de geluidbelasting op het hoger gelegen appartement van eisers. SAOZ heeft daarom aan de gemeente om een aanvulling op dat onderdeel gevraagd. De gemeente heeft die aanvulling gevraagd aan een deskundige, namelijk de Omgevingsdienst Haaglanden. Op 12 november 2021 heeft SAOZ van de Omgevingsdienst Haaglanden die aanvulling ontvangen. Daaruit blijkt dat de gevraagde locatie in het rekenmodel is ingevoerd, en dat daaruit volgt dat de berekende waarde van Park Vronesteyn 28 op 5 meter hoogte overeenkomt met de berekende waarde bij de woning van eisers op 30 meter hoogte. SAOZ concludeert dat de geluidbelasting van de windturbine gedurende de dag-, avond- en nachtperiode beduidend lager is dan de uit het Activiteitenbesluit voortvloeiende toegestane geluidbelasting van het tussengelegen bedrijventerrein en dat de cumulatieve geluidbelasting met maximaal 2,5 dB in de nachtperiode is toegenomen. Eerst bij toename van 5 dB is sprake van een duidelijk waarneembaar verschil, zodat er in planologisch opzicht geen sprake is van een relevante waarneembare toename van geluidhinder.\n\n6.2.. Eisers zijn het niet eens met hetgeen SAOZ ten aanzien van de geluidhinder opmerkt. Volgens hen moet worden uitgegaan van feitelijk nadeel. De windturbine zorgt voor geluidhinder, vooral in de nacht, omdat er dan geen andere geluiden zijn. Vanwege de geluidhinder van de windturbine moeten eisers in de slaapkamer met gesloten ramen slapen en hebben zij daarom airconditioning aangelegd. De kosten van aanschaf, onderhoud en elektriciteit van de airconditioning zijn onderdeel van de geleden schade. SAOZ heeft daarover niets opgemerkt. Verder vermeldt het SAOZ-advies dat de geluidbelasting door de windturbine bij de huizen op nummer 30 en 24a gelijk is aan die bij de woning van eisers, die zich op de 7e en 8e etage bevindt. Doordat de woning van eisers hoger ligt dan die woningen, wordt het geluid niet verminderd door bouwwerken en bomen en struiken. Er is nooit onderzoek gedaan naar de geluidbelasting ter hoogte van het appartement van eisers. SAOZ had moeten toelichten waarom de rekenresultaten in de tabel van Pondera op pagina 15 van het advies hetzelfde zijn als de resultaten op pagina 16. SAOZ concludeert ten onrechte dat er geen sprake is van een relevante waarneembare toename van geluid. Volgens SAOZ blijkt uit rechtspraak van de Afdeling dat een toename van geluid met maximaal 5 dB aanvaardbaar is, maar die regel moet binnen de context van de in die rechtspraak aan de orde zijnde casus worden gezien, aldus eisers.\n\n6.3.. Eisers hebben een e-mail van 20 augustus 2025 overgelegd van een door hen ingeschakelde deskundige, ir. J.F.C. Kupers (Kupers). Daarin vermeldt Kupers dat bij flats bij een dergelijke geluidmeting een beoordelingspunt van 1,5 meter boven de vloer van de betreffende woning moet worden aangehouden. Verder is onduidelijk of in het rapport van Pondera en in de aanvullende berekening is uitgegaan van de maximale planologische invulling van het bestemmingsplan. Ten slotte constateert de Adviescommissie bezwaarschriften dat de cumulatieve geluidbelasting met 2,5 dB(A) toeneemt. Dat is fysisch bijna een verdubbeling en dat is voor het menselijk oor waarneembaar. Deze toename betreft een jaargemiddelde over alle windrichtingen. Volgens Kupers is de geluidsbelasting bij wind van de windturbine in de richting van de woning doorgaans 5 tot 10 dB(A) hoger dan het jaargemiddelde.\n\n6.4.. Verder hebben eisers een e-mail van 19 december 2025 toegestuurd, waarin Kupers toelicht welke effecten een rol kunnen spelen bij een geluidberekening en dat in rekenmodellen wordt uitgegaan van een gestandaardiseerde overdracht van geluid. Die effecten zijn (1) gebouwen, die op lagere hoogte geluid kunnen afschermen maar op grotere hoogte niet (2) geluidsdemping door vegetatie, (3) windeffecten, (4) temperatuuropbouw in de luchtlagen en (5) bodemreflectie van geluid. In de rekenmodellen wordt rekening gehouden met de effecten (1), (2) en (5). Met de variabele effecten (3) en (4) wordt geen rekening gehouden. Verder merkt Kupers op dat Lden een jaargemiddelde maat is, waarbij met de effecten (1), (2) en (3) rekening wordt gehouden, en waarbij een standaard weerprofiel gehanteerd wordt. Windturbines produceren echter onder meer laagfrequent geluid. De impact daarvan op de geluidbelasting kan bij (3) en (4) groot zijn. Lden-normen zijn daarvoor volgens Kupers niet bruikbaar.\n\n6.5.. Ten aanzien van de e-mails van Kupers overweegt de rechtbank dat daarin alleen algemene opmerkingen worden gemaakt. Kupers heeft niet zelf een tegenonderzoek verricht en een rapport daarvan ingediend, zodat er in beginsel geen aanleiding is om ten aanzien van het geluid het rapport van SAOZ en de na schorsing van het onderzoek ter zitting ingediende nadere berekening niet te volgen. Eisers hebben weliswaar gesteld dat de rechtbank een onafhankelijke deskundige onderzoek moet laten verrichten, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. Indien eisers het niet eens zijn met het advies van de SAOZ en het onderzoek van Pondera dat daarin is betrokken, hadden eisers zelf een deskundige onderzoek kunnen laten doen. Dat eisers dat hebben nagelaten is voor hun eigen rekening en risico.\n\n6.6.. Wel is de rechtbank van oordeel dat uit het advies van SAOZ niet blijkt van inzicht in de berekening die is gemaakt ten aanzien van de geluidsbelasting op de gevel van het appartementengebouw op 30 meter hoogte en dat ten onrechte niet is gerekend met de beoordelingshoogtes voor de woon- en slaapkamer van eisers op (afgerond) 22 respectievelijk 24 meter. Ook blijkt daaruit niet met welk akoestisch model de berekeningen zijn gemaakt en welke relevante invoergegevens voor die berekening zijn gemaakt. Gelet daarop kleeft een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient wegens dat motiveringsgebrek te worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\n6.7.. \n\nNa schorsing van het onderzoek ter zitting hebben het college en belanghebbenden het akoestisch rapport van Pondera van 1 december 2015 en een notitie met een nadere geluidberekening van Haskoning ingediend. In die laatste notitie is het volgende geconcludeerd:\n\n“De geluidbelasting ter plaatse van het flatgebouw waar [adres 1] zich bevindt is berekend op meerder[e] beoordelingshoogtes, waaronder +22, +24 en +30 m t.o.v. het maaiveld. De geluidbelasting bedraagt maximaal 34 dB Lnight en 41 dB Lden. Dat is minstens 6 dB lager dan de normstelling die geldt voor de windturbine op het terrein van CEVA\u002FProDelta van 41 dB Lnight en 47 dB Lden.\n\nHet verschil tussen de geluidbelasting op +5 meter en +30 meter bedraagt 0,35 dB. Een verschil van minder dan 1 dB is niet of nauwelijks hoorbaar. Door de afronding is er echter wel een verschil in de berekende waarde in hele dB’s. Dit verschil wordt niet toegeschreven aan minder afscherming door begroeiing of bebouwing, deze is immers vanuit worst-case uitgangspunten niet opgenomen in het oorspronkelijke rekenmodel, maar aan een kortere afstand tussen bron en ontvanger. De kortere afstand tussen bron en ontvanger (een toetspunt op 22 m hoogte is dichterbij de bron op 94 m hoogte dan een toetspunt op 5 m hoogte) zorgt ervoor dat het geluid een kortere afstand hoeft te overbruggen en leidt daarmee tot een beperkt hogere geluidbelasting.”\n\n6.8.. De omgevingsdienst voegt hieraan in opdracht van het college toe dat uit de invoergegevens van het rekenmodel blijkt dat in een worst-case scenario bij een maximale waarde van een windturbine de cumulatieve geluidbelasting nooit met meer dan 2 dB toeneemt. De conclusie in het rapport van SAOZ dat in planologisch opzicht geen sprake is van een relevante waarneembare toename van de geluidhinder wordt daarmee volgens het college bevestigd.\n\n6.9.. Eisers voeren in reactie op deze geluidsberekeningen aan dat nog niet duidelijk is in hoeverre is voldaan aan de vraagpunten in het proces-verbaal van schorsing. Volgens eisers heeft Haskoning ten onrechte geen rekening gehouden met wat door Kupers is opgemerkt over de maximale planologische invulling, de windrichting, afscherming van geluid bij laagbouw en vegetatie en bouwwerken tot 15 meter hoog, windeffecten, temperatuuropbouw, luchtlagen, bodemreflectie en dergelijke. Ook is geen aandacht besteed aan de feitelijke hinder die eisers ondervinden van het laagfrequente pulsgeluid van de bladen van de windturbine. Met de bestaande normen voor het pulsgeluid is geen rekening gehouden. Lden waarden, zoals in dit rekenmodel zijn gebruikt en zijn gepresenteerd in het SAOZ-advies, zijn niet bruikbaar.\n\n6.10.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de indiening van de aanvullende berekeningen het motiveringsgebrek in het bestreden besluit voor wat betreft het aspect geluid hersteld. In reactie op wat eisers over de aanvullende berekeningen naar voren heeft gebracht, overweegt de rechtbank als volgt.\n\n6.11.. Zoals onder het juridisch kader al is overwogen, is in het kader van een planschadeverzoek niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daarvan heeft plaatsgevonden. Het betoog van eisers dat het gaat om de feitelijke toename van de geluidhinder kan dan ook niet slagen.\n\n6.12.. Verder overweegt de rechtbank dat het college op grond van vaste rechtspraak bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een windpark mag aansluiten bij de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer neergelegde geluidnormen.Het betoog van eisers biedt geen grond om daarover in het kader van een verzoek om een tegemoetkoming in planschade anders te oordelen. SAOZ sluit dan ook terecht aan bij die normen. Daarnaast gelden voor de zogenoemde piekgeluiden van windturbines geen normen, dus die hoefden niet beoordeeld te worden.6.13.. Verder overweegt de rechtbank dat uit de nieuwe berekening blijkt dat de gemeten geluidsbelastingen van 34 dB Lnight en 41 Lden voldoen aan de normen in het Activiteitenbesluit van 41 dB Lnight en 47 dB Lden. Lden is een 24 uurs norm die ook jaargemiddeld geldt. In de rechtspraak is geaccepteerd dat bij geluidoverlast in relatie tot planschade wordt uitgegaan van gemiddelden.Voor zover eisers betogen dat Lden-waarden niet bruikbaar zijn omdat niet moet worden uitgegaan van een jaargemiddelde, slaagt dat betoog dan ook niet. Omdat uitgegaan mag worden van een jaargemiddelde geluidsbelasting, hoeft naar het oordeel van de rechtbank in de berekening geen rekening te worden gehouden met specifieke windeffecten of de temperatuuropbouw in de luchtlagen. Met de afschermende werking van gebouwen, de geluidsdemping door vegetatie en de bodemreflectie wordt, zoals Kupers zelf al opmerkt, in het rekenmodel rekening gehouden. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze aspecten op een onjuiste manier zijn gemodelleerd.6.14.. Berekend is dat de cumulatieve geluidbelasting nooit met meer dan 2 dB toeneemt. Uit vaste rechtspraak volgt dat eerst een toename van 5 dB goed waarneembaar is en dat in dat geval pas sprake is van relevant planologisch nadeel.Dit geldt in het algemeen en is niet per casus verschillend. In dit geval is de toename nooit meer dan 2 dB, en dus ruimschoots minder dan 5 dB. Er is dan ook terecht geconcludeerd dat ten aanzien van het aspect geluid geen sprake is van relevant planologisch nadeel. De stelling dat de gemeten toename ook al waarneembaar is, ook al is het geen toename van 5 dB, kan gelet op het voorgaande niet slagen. Daarbij betrekt de rechtbank dat het gaat om de toename van de cumulatieve geluidsbelasting ten opzichte van de maximale planologische mogelijkheden, niet ten opzichte van de feitelijke situatie vóór plaatsing van de windturbine.\n\n6.15.. Ten aanzien van het repeterend geluid van de wieken overweegt de rechtbank dat de omgevingsdienst in opdracht van het college inzicht heeft gegeven in de berekening van de cumulatieve geluidsbelasting. Die berekening is uitgevoerd conform de methode beschreven in hoofdstuk 4 van het Reken- en meetvoorschrift windturbines.Die methode berekent de gecumuleerde geluidsbelasting rekening houdend met de verschillen in dosis-effectrelaties van de verschillende geluidsbronnen, waarbij voor het geluid van windturbines geldt dat dit geluid, bij gelijke geluidbelasting, hinderlijker is dan industrie- en wegverkeersgeluid. Om de grotere hinderlijkheid van windturbinegeluid uit te drukken, is berekend welke geluidbelasting vanwege industrie en wegverkeer evenveel hinder veroorzaakt als de geluidbelasting vanwege de windturbine. Om de totale geluidhinder in de situatie na de planologische wijziging te bepalen is dus de berekende geluidbelasting van de windturbine verhoogd. Uit het voorgaande volgt dat in de berekende geluidbelasting ter plaatse van de woning van eisers tevens het specifieke karakter en de mate van hinderlijkheid van het geluid van windturbines is verdisconteerd.Het betoog van eisers ten aanzien van het pulsgeluid van de windturbine slaagt dan ook niet.\n\n6.16.. Voor zover eisers stellen dat onduidelijk is of in het onderzoek rekening is gehouden met de maximale planologische invulling, slaagt dat betoog niet. Op p. 30 van het advies van SAOZ is overwogen dat de geluidbelasting van de windturbine gedurende de dag-, avond- en nachtperiode beduidend lager is dan de in het Activiteitenbesluit toegestane geluidbelasting van het tussengelegen bedrijventerrein. Daaruit blijkt dat wel degelijk rekening is gehouden met de maximale planologische invulling van de omgeving.\n\n6.17.. De rechtbank concludeert, gelet op het bovenstaande, dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat het geluid van de windturbine niet leidt tot relevant planologisch nadeel. Het motiveringsgebrek in het bestreden besluit is hersteld met de nadere berekeningen die door het college en belanghebbende zijn overgelegd. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of de kosten van de door eisers aangelegde airconditioning moeten worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van het nadeel.\n\nGezondheid\n\n7. Eisers voeren aan dat de Adviescommissie bezwaarschriften ten onrechte de gezondheidsaspecten in het midden laat omdat die niet zijn komen vast te staan voor eisers. Dat windturbines nadelig zijn voor de gezondheid van mensen staat inmiddels wel vast. Hierover zijn veel onderzoeken bekend, onder meer van het RIVM en de Gezondheidsraad. Aan die onderzoeken mag volgens eisers niet voorbij gegaan worden.\n\n7.1.. De rechtbank overweegt dat in vaste rechtspraak van de Afdeling is overwogen dat alleen de ten tijde van de inwerkingtreding van de desbetreffende planologische maatregel objectief te verwachten gevolgen van het nieuwe planologische regime van belang zijn.Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol. In de planologische vergelijking wordt slechts rekening gehouden met zorgen over gezondheidsrisico’s als gevolg van een planologische maatregel, indien voor die zorgen aanwijzingen zijn te vinden in wetenschappelijke informatie die op de peildatum beschikbaar was.\n\n7.2.. Eisers hebben de door hen gestelde nadelige invloed van windturbines op hun gezondheid niet aangetoond door het overleggen van onderzoeken door deskundigen waaruit dit blijkt. De enkele stelling dat er onderzoeken zijn waaruit dit blijkt is niet voldoende. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nTaxatie\n\n8. Eisers voeren aan dat hun appartement voor de mutatie in goede staat verkeerde en dat de taxatie op een waarde van € 190.000,- op de peildatum dan ook te laag is. Ook ligt het balkon op de 8e etage en is het onjuist om maisonnettes als één etage aan te merken. Volgens de NVM neemt de waarde van een appartement toe indien het op een hogere etage ligt. Verder achten eisers de drie door taxateur Punt gehanteerde referentie-objecten niet vergelijkbaar. [adres 3] is niet vergelijkbaar, omdat deze een veel eenvoudiger keuken en badkamer heeft. Verder is de waardedaling na mutatie van € 3.000,- niet onderbouwd. Volgens eisers is de waardedaling eerder circa € 25.000,-, wat ertoe leidt dat wel een tegemoetkoming in planschade moet worden toegekend.\n\n8.1.. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat, wanneer het betoog ziet op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur, de juistheid van het taxatierapport in beginsel slechts met vrucht kan worden bestreden met een onderbouwd tegenrapport van een onafhankelijke taxateur, waaruit blijkt dat het taxatierapport onjuist is. Voorbeelden van betogen die zien op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur, zijn betogen die er toe strekken dat in aanmerking genomen vergelijkingstransacties niet representatief zijn, dat andere vergelijkingstransacties ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten of dat ten onrechte al dan niet is gecorrigeerd vanwege gewijzigde economische omstandigheden. Onvoldoende is een - niet met een tegenrapport onderbouwd - betoog van de betrokkene of diens gemachtigde dat ziet op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur. De betrokkene zelf, of diens gemachtigde in zijn hoedanigheid van gemachtigde, kunnen immers niet als onafhankelijke taxateur worden aangemerkt.\n\n8.2.. Hetgeen eisers naar voren hebben gebracht ziet op aspecten die de specifieke deskundigheid van een taxateur betreffen. Zij hebben die stellingen niet onderbouwd met een tegenrapport van een onafhankelijke taxateur. Gelet daarop is er geen aanleiding om te twijfelen aan het rapport van de taxateur. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het bestreden besluit berust ten aanzien van het aspect geluid niet op een draagkrachtige motivering. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien het college met de aanvullende reactie het motiveringsgebrek in het bestreden besluit heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Dat betekent dat eisers geen tegemoetkoming in planschade krijgen.\n\n9.1.. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Toegekend wordt een bedrag van € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na schorsing van het onderzoek ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\n- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden;\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2015:3693\n\n Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690.\n\n Zie de in voetnoot 2 vermelde overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3713.\n\n Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:423.\n\n Bijlage 4 bij de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.\n\n Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:437.\n\n Zie bijvoorbeeld de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025.\n\n Zie de overzichtsuitspraak van 6 augustus 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17345","2026-07-13T00:29:10.542Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":43,"courtId":88,"decisionDate":89,"fullText":90,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":92,"parsedAt":51,"updatedAt":93},"1161","ECLI:NL:RBGEL:2026:5165","ecli-nl-rbgel-2026-5165",68,"2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F466488 \u002F KZ ZA 26-57\n\nVonnis in kort geding van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTORT DOONWEG B.V.,\n\nte Eerbeek, gemeente Brummen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: SDW,\n\nadvocaat: mr. E.P.C. Duinkerke,\n\ntegen\n\nZONNEPARK EERBEEK B.V.,\n\nte Eerbeek, gemeente Brummen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: ZE,\n\nadvocaat: mr. M.J.M. Derks.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 25\n\n- de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 12\n\n- de aanvullende producties 13 tot en met 15 - de mondelinge behandeling van 26 mei 2026 - de pleitnota van SDW - de pleitnota van ZE.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. SDW is eigenaar van de voormalige vuilstortplaats aan de Doonweg te Eerbeek. ZE is de oprichter en exploitant van het zonnepark dat gelegen is op het topvlak van het perceel.\n\n2.2.. Voordat ZE het zonnepark heeft opgericht is onderzoek gedaan naar het verschil in opbrengst tussen zonnefolie en reguliere zonnepanelen. Op basis van onderzoeksresultaten is in 2018 vastgesteld dat het aanbrengen van zonnefolie niet haalbaar wordt geacht en dat de realisatie van het zonnepark met reguliere zonnepanelen op een stabilisatielaag van staalslakken wel haalbaar is. Advies- en ingenieursbureau [adviesbureau 1] (hierna: [adviesbureau 1] ) heeft hierover geadviseerd. Vervolgens heeft [adviesbureau 1] een plan van aanpak opgesteld voor het aanbrengen van een tijdelijke bovenafdichting bestaande uit een stabilisatielaag van staalslakken waarop het zonnepark werd voorzien. Staalslakken zijn een steenachtig restproduct uit de staalindustrie.\n\n2.3.. Partijen hebben een erfpachtovereenkomst gesloten op 16 maart 2018.\n\n2.4.. In 2020 is de staalslakkenlaag aangebracht. In voornoemde erfpachtovereenkomst is bepaald dat het recht van erfpacht, wat het gebruik betreft, is beperkt tot de tijdelijke afdeklaag van staalslakken en het daarop aangebrachte zonnepark.\n\n2.5.. Op 12 maart 2020 is de notariële akte gepasseerd waarmee ZE de rechten van erfpacht, opstal en erfdienstbaarheid verkreeg ten behoeve van de realisatie en exploitatie van het zonnepark (hierna: Akte van erfpacht). In de Akte van erfpacht zijn grotendeels de afspraken uit de erfpachtovereenkomst opgenomen en daarnaast zijn nieuwe afspraken vastgelegd. In de Akte van erfpacht staan onder andere de volgende bepalingen:\n\n“1.3. De Eigenaar zal voor eigen rekening en risico uiterlijk opéén mei tweeduizend twintigde voor realisatie van het Zonneveld benodigde tijdelijke afdeklaag van staalslakken aangebracht hebben en de Erfpachtzaak de overige werkzaamheden hebben verricht die zorgen dat de Erfpachtzaak geschikt is als draagconstructie van het Zonneveld, een en ander conform de Werkomschrijving.\n\n(…)\n\nArtikel 5. Bodemverontreiniging\n\n5.1. Aangezien de Erfpachter de grondlagen onder de afdeklaag niet zal en niet mag gebruiken is de bodemgesteldheid hiervan voor de vestiging van het Recht van erfpacht van ondergeschikt belang. In dit kader verklaart de Erfpachter evenwel ermee bekend te zijn dat de Erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is, die nog niet gesloten is verklaard als bedoeld in artikel 8:47 derde lid Wet milieubeheer en waarop een tijdelijke afdeklaag is aangebracht. Erfpachter accepteert hierbij uitdrukkelijk de specifieke fysieke en milieutechnische gevolgen, kenmerken, beperkingen en eigenschappen van de Erfpachtzaak en accepteert tevens dat hij een perceel in gebruik neemt dat vanwege de specifieke fysieke kenmerken van deze locatie en de wettelijke bepalingen daaromtrent, onderhevig is, of kan worden, aan bepaalde wetgeving en\u002Fof publiekrechtelijke besluitvorming.\n\n(…)\n\n5.3. \n\nOp de Erfpachtzaak is een tijdelijke afdeklaag aanwezig zoals bedoeld in de Werkomschrijving.Voor het geval Eigenaar van overheidswege (door een wetswijziging, door regelgeving en\u002Fof een al dan niet op bestaande regelgeving gebaseerd onherroepelijk besluit van het bevoegd gezag) verplicht wordt om gedurende de duur van het Recht van erfpacht over te gaan tot het aanbrengen van een definitieve afdeklaag, geldt het volgende:\n\n(…)\n\nh. Erfpachter draagt voor iedere fase van de werkzaamheden steeds tijdig zorg voor de tijdelijke verwijdering van de zonnepanelen, de onderstellen en de ballast (een en ander conform het daartoe in het goedgekeurde Plan bepaalde).”\n\nArtikelen 5.1 en 5.2 waren reeds opgenomen in de overeenkomst van erfpacht, artikel 5.3 bevat nieuwe afspraken die alleen in de Akte van erfpacht zijn vastgelegd.\n\n2.6.. Vanaf medio 2021 zijn er berichten in de media verschenen over mogelijk negatieve effecten door het gebruik van staalslakken voor mens en milieu in het algemeen en specifiek ten aanzien van de staalslakken die zijn gebruikt bij de tijdelijke afdeklaag op de vuilstortplaats van SDW die door ZE wordt gebruikt.\n\n2.7.. SDW heeft vervolgens een milieuonderzoek laten uitvoeren door ingenieursbureau Arcadis Nederland B.V. (hierna: Arcadis). In opdracht van de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (hierna: ODRN) is een contra-expertise uitgevoerd door [adviesbureau 2] . [adviesbureau 2] adviseert om zo spoedig als technisch mogelijk een definitieve bovenafdichting aan te brengen.\n\n2.8.. Op 6 juni 2022 heeft Arcadis een plan van aanpak voor het afdekken van de laag staalslakken opgesteld. In dit plan van aanpak worden twee alternatieven tegenover elkaar afgewogen. Het eerste alternatief waarbij de toplaag tijdelijk werd afgedicht. De zonnepanelen kunnen in dat geval blijven staan en er wordt pas een definitieve bovenafdichting geplaatst als het zonnepark wordt ontmanteld in 2043. Het tweede alternatief betreft het direct aanbrengen van een definitieve bovenafdichting. In dat geval dient het zonnepark tijdelijk verwijderd te worden. Arcadis adviseert om te kiezen voor het direct aanbrengen van een definitieve bovenafdichting.\n\n2.9.. Bij brief van 29 augustus 2024 aan SDW bericht de omgevingsdienst Regio Arnhem (hierna: ODRA) dat zij het volgende van SDW verwachten:\n\n“\n\n7. Dichte eindafwerking.\n\nDe stortplaats moet worden afgewerkt met een dichte eindafwerking.\n\n(…)\n\nU heeft hierop scenario’s beschreven voor het aanbrengen van de eindafwerking. In de notitie “Afweging keuze voor een oplossing van de milieuproblemen van stort Doonweg”, SDW d.d. 15 april 2024 ziet u drie mogelijke scenario’s:\n\nVerbeteren van de situatie door dusdanig verleggen van de ringweg en ringsloot dat het percolaat uit de staalslakken effectief wordt opgevangen en afgevoerd naar de waterzuivering in combinatie met vergroten van de capaciteit om het water te bufferen, zodat er geen risico meer is op overstroming (fase 1).\n\nAanbrengen van de definitieve bovenafdichting. Hierbij ontstaat een situatie waarin een waterdichte afdichting over de staalslakken wordt aangebracht met daarop een laag van één meter grond. Het is deze laag grond infiltrerende regenwater komt aan de teen van de stort als schoon water naar buiten en kan vervolgens in de ringsloot en infiltratievijver geïnfiltreerd worden (fase 2).\n\n(…)\n\nNa weging van voor- en nadelen kiest u ervoor het aanbrengen van een definitieve bovenafdichting uit te stellen tot een nader te bepalen moment – dit moment is niet later dan 1 januari 2047.\n\n(…)\n\nNaar ons oordeel is er een noodzaak tot het spoedig aanbrengen van een dichte eindafwerking.\n\n(…)\n\nDoor de aanleg van de eindafwerking uit te stellen tot een nader te bepalen moment – dit moment is niet later dan 1 januari 2047 gaat u voorbij aan de u toekomende zorgplicht als bedoeld in artikel 2.11 Bal.\n\nNaar ons standpunt handelt u slechts in lijn met de in artikel 2.11 Bal neergelegde specifieke zorgplicht wanneer u uitvoering geeft aan scenario 3, waarbij in 2024 fase 1 wordt uitgevoerd en aansluitend fase 2a in 2025. Fase 2b kan in dat gevolg volgen in 2026, tenzij u aan de hand van de resultaten van technisch onderzoek aantoont dat uitvoering van fase 2b technisch niet mogelijk is.\n\n(…)\n\nGelet op het bovenstaande verzoeken wij u een afdichtingsplan op te stellen zoals bedoeld in en overeenkomstig voorschrift 7.3.3 vergunning 1996.”\n\n2.10.. Op 3 maart 2025 is een goedkeuringsbesluit genomen door de ODRN en ODRA met betrekking tot het door SDW ingediende Plan van Aanleg en Bestek. Het plan van aanleg betreft het aanbrengen van een definitieve bovenafdichting. Het aanbrengen is verdeeld in twee fasen: Aanlegfase 1 (afdekken talud) en Aanlegfase 2 (afdekken topvlak). Voor aanlegfase 1 hoeft het zonnepark niet verwijderd te worden. Aanlegfase 1 is inmiddels uitgevoerd. Partijen twisten over de vraag of de werkzaamheden ook (deugdelijk) zijn afgerond.\n\n2.11.. Omwonenden hebben bezwaar gemaakt tegen het goedkeuringsbesluit. Na beslissing op bezwaar van 29 augustus 2025 is op 27 oktober 2025 een herstelbesluit genomen waarin is bepaald dat fase 1 uiterlijk in 2025 moet zijn afgerond en fase 2 in 2027 moet starten en uiterlijk 30 juli 2028 moet zijn uitgevoerd. Tegen het herstelbesluit is eveneens bezwaar gemaakt door omwonenden omdat zij wensen dat de werkzaamheden eerder worden uitgevoerd.\n\n2.12.. Partijen hebben regelmatig overleg gehad met betrekking tot de problematiek rondom de staalslakken. Daarbij is gesproken over de vraag wie de kosten voor het verwijderen van het zonnepark ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden in fase 2 moet dragen. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. SDW vordert dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. Primair: ZE gebiedt haar verbintenis uit hoofde van artikel 5.3 sub h Akte van Erfpacht tot het tijdig verwijderen van het Zonnepark na te komen en daartoe tijdig alle noodzakelijke (rechts)handelingen te verrichten, waaronder in ieder geval begrepen:\n\na. het binnen vijf (5) werkdagen na het in dezen te wijzen vonnis, doch uiterlijk op 1 juli 2026, op eigen naam aanvragen van offertes bij een of meer door ZE geschikt geachte aannemers ten behoeve van de tijdige verwijdering van het Zonnepark, met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom van de dagvaarding;\n\nb. het uiterlijk op 1 april 2027 verstrekken van een definitieve opdracht aan een of meer van de desbetreffende aannemers tot tijdige verwijdering van het Zonnepark, met inachtneming van de uiterste data zoals vermeld in randnummer 47, derde en vierde kolom van de dagvaarding, en bestekposten 120104, 1607 en 160701 uit het Bestek;\n\nc. het onmiddellijk, althans binnen één (1) werkdag na de relevante data van de correspondentie zoals omschreven onder sub a onderscheidenlijk sub b, verstrekken van (i) kopieën aan SDW en TerrAdvies van de schriftelijke correspondentie tussen ZE en de desbetreffende aannemers op de bij ZE bekende e-mailadressen en (ii) indien en voor zover de correspondentie tussen ZE en de desbetreffende aannemers mondeling plaatsvindt, een schriftelijke verslaglegging aan SDW en TerrAdvies van hetgeen is besproken op de bij ZE bekende e-mailadressen;\n\nd. het tijdig (doen) verwijderen van het Zonnepark, met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom;\n\nII. met bepaling dat ZE, indien zij nalaat om tijdig aan het gevorderde zoals beschreven in sub a, sub b en\u002Fof sub c te voldoen, per overtreding een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 200.000,00;\n\nIII. met bepaling dat ZE, indien zij nalaat om tijdig aan het gevorderde zoals beschreven in sub d te voldoen, een dwangsom verbeurt van € 25.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 1.500.000,00;\n\nSubsidiair:\n\nIV. SDW machtigt om na betekening van dit vonnis het Zonnepark te (doen) verwijderen met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom;\n\nV. ZE veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding ter grootte van € 1.564.016,00 althans ter grootte van € 671.181,00 althans ter grootte van € 622.131,00 althans ter grootte van € 220.000,00, te betalen binnen twee (2) werkdagen na dit vonnis;\n\n3.2.. ZE voert verweer. ZE concludeert tot niet-ontvankelijkheid van SDW, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van SDW, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van SDW in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat SDW daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSDW heeft voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen\n\n4.2.. SDW stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de vordering omdat zij door het bevoegde gezag (ODRA en ODRN) wordt verplicht om uiterlijk 30 juni 2028 fase II uitgevoerd te hebben. Hiervoor is het nodig dat fase II uiterlijk 23 juni 2027 start. Het zonnepark moet dan zijn verwijderd. Het aanneemtraject voor de verwijdering van de zonnepanelen kan wel een jaar duren.\n\n4.3.. ZE betwist dat SDW een spoedeisend belang heeft. Volgens ZE komt er door uitvoering van fase 1 geen percolaat meer in het grondwater. SDW kiest zelf voor definitieve afdichting van de bovenlaag. SDW heeft daarvoor een plan ingediend en voor dat plan is het goedkeuringsbesluit genomen waarin de termijnen zijn opgenomen. SDW had ook voor een andere oplossing kunnen kiezen.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van voldoende spoedeisend belang. Uit de brief van ODRA van 29 augustus 2024 blijkt dat het aanbrengen van de definitieve afdichtingslaag zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden en dat niet kan worden volstaan met alleen het uitvoeren van fase 1. SDW heeft hiervoor in overleg met de ODRA een plan van aanpak en een bestek opgesteld en deze zijn goedgekeurd in het goedkeuringsbesluit. Vervolgens is SDW -bij een herstelbesluit- door de ODRA verplicht om fase II uiterlijk 30 juni 2028 uit te voeren. Volgens SDW hebben omwonenden bezwaar gemaakt tegen dit besluit omdat zij de termijn voor uitvoering van fase II te lang vinden.\n\n4.5.. Hieruit blijk dat zowel de ODRA als de omwonenden verwachten dat zo spoedig mogelijk een definitieve afdichtingslaag wordt aangebracht. Het aanbrengen van de definitieve afdichtingslaag is door SDW al vergaand voorbereid. De voorbereiding is een complex proces. SDW heeft verschillende samenhangende vergunningen aan moeten vragen, plannen moeten maken met deskundigen en het bevoegd gezag en er spelen belangrijke belangen van omstanders en het milieu. Van SDW kan niet verwacht worden, als dat al juridisch mogelijk zou zijn, dat zij dit plan weer intrekt om een bodemprocedure tegen ZE te gaan voeren. De vraag in hoeverre SDW ook een minder vergaande oplossing had kunnen aanbieden waarbij het zonnepark niet verwijderd had hoeven worden, doet verder niet af aan het spoedeisend belang dat SDW heeft op basis van het plan dat zij wel heeft ingediend.\n\nHet is onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een situatie zoals door partijen bedoeld in artikel 5.3 onder h van de Akte van erfpacht\n\n4.6.. SDW stelt dat ZE uit hoofde van (primair) wanprestatie, (subsidiair) zaakwaarneming, (meer subsidiair) ongerechtvaardigde verrijking dan wel (uiterst subsidiair) onrechtmatige daad gehouden is om de zonnepanelen op eigen kosten te verwijderen. Ter onderbouwing van elk van deze rechtsgronden wordt door SDW als uitgangspunt genomen dat ZE op grond van artikel 5.3 sub h van de Akte van erfpacht contractueel verplicht is om de zonnepanelen te verwijderen. Als van dit uitgangspunt geen sprake is, vervalt de door SDW aangevoerde toepasselijkheid van elk van de rechtsgronden. Er wordt daarom eerst ingegaan op de vraag of voldoende aannemelijk is dat ZE op grond van artikel 5.3 sub h van de Akte van erfpacht gehouden is om de zonnepanelen op eigen kosten te verwijderen.\n\n4.7.. Partijen twisten over de vraag of SDW van overheidswege verplicht wordt om een definitieve afdeklaag aan te brengen. Volgens ZE heeft SDW gekozen voor het plaatsen van een definitieve afdeklaag. SDW had ook kunnen volstaan met het door Arcadis aangedragen alternatief waarbij zonnepanelen niet tijdelijk verwijderd hoeven te worden. In dat alternatief wordt een folielaag aangebracht onder de zonnepanelen en hoeven de zonnepanelen alleen opgetild te worden. Omdat SDW heeft gekozen voor een definitieve afdeklaag als oplossing, wordt zij nu verplicht om die definitieve afdeklaag aan te brengen. Die verplichting was er niet vooraf van overheidswege, aldus ZE. Volgens SDW hebben meerdere deskundigen, waaronder Arcadis zelf, geadviseerd om zo spoedig mogelijk een definitieve afdeklaag aan te brengen. Het aanbrengen van een folielaag brengt teveel risico’s met zich en is geen duurzame oplossing. SDW heeft getracht het aanbrengen van een definitieve afdeklaag uit te stellen, maar volgens de ODRA handelt SDW in strijd met de zorgplicht beschreven in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als zij niet op korte termijn de definitieve afdeklaag aanbrengt. SDW diende daarvoor een plan te maken en dat heeft zij gedaan. Dat plan is vervolgens door het goedkeuringsbesluit en herstelbesluit goedgekeurd en van een nakomingstermijn voorzien.\n\n4.8.. Niet ter discussie staat dat SDW gehouden is om te voorkomen dat het percolaat weglekt naar de bodem en\u002Fof zich op een andere manier verspreidt. Beantwoording van de vraag in hoeverre sprake is van een verplichting van overheidswege om dit te bewerkstelligen door een definitieve afdichtlaag kan echter in het midden blijven. Ook als daarvan sprake is, is onvoldoende aannemelijk dat artikel 5.3 van de Akte van erfpacht op deze situatie van toepassing is. Hieronder wordt dit nader toegelicht.\n\n4.9.. In artikel 5.1 van de Akte van erfpacht is opgenomen dat ZE ermee bekend is dat de erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is, die nog niet gesloten is verklaard en waarop een tijdelijke afdeklaag is aangebracht. Verder staat er dat ZE uitdrukkelijk de specifieke eigenschappen etc. van de erfpachtzaak accepteert en dat ZE accepteert dat zij een perceel in gebruik neemt dat vanwege de specifieke kenmerken van de locatie en de wettelijke bepalingen daaromtrent, onderhevig is, of kan worden, aan bepaalde wetgeving en\u002Fof publieke besluitvorming. Hieruit blijkt dat partijen de risico’s van het gebruik van een vuilstortplaats hebben willen regelen ten aanzien van de specifieke kenmerken van een vuilstortplaats.Niet blijkt dat door partijen was voorzien dat de slakkenlaag mogelijk problemen zou opleveren. Het enkele feit dat sec gezien de staalslakkenlaag de erfpachtzaak is, zoals SDW stelt, doet daar niet aan af. Uit onder andere de tekst ‘In dit kader verklaart de Erfpacht evenwel ermee bekend te zijn dat de Erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is.’ en ‘Op de Erfpachtzaak is een tijdelijke afdeklaag aanwezig’ blijkt dat in ieder geval in artikel 5 van de Akte van erfpacht met erfpachtzaak de vuilstortplaats wordt bedoeld.\n\n4.10.. De gestelde verplichting van SDW om de vuilstortplaats definitief af te dichten, vloeit niet voort uit de specifieke kenmerken van een vuilstortplaats, maar uit fouten gemaakt bij het aanleggen van de staalslakkenlaag. Enkel SDW heeft opdracht gegeven aan [adviesbureau 1] om een plan te maken. Het was de keuze van SDW om een tijdelijke afdeklaag aan te brengen (in tegenstelling tot een definitieve afdeklaag) en om daarvoor staalslakken te gebruiken. Vervolgens is de tijdelijke afdeklaag in opdracht van SDW aangelegd. ZE was hierbij niet betrokken. Ten slotte is het SDW die de verplichting op zich heeft genomen om voor eigen rekening en risico de afdeklaag aan te brengen (zie artikel 11 van de erfpachtovereenkomst en artikel 2.1 van de Akte van erfpacht). Uit artikel 5.3 van de Akte van erfpacht blijkt niet dat partijen de risico’s met betrekking tot de door SDW aangelegde staalslakkenlaag hebben willen verdelen. Uit de erfpachtovereenkomst en de Akte van erfpacht blijkt juist het tegendeel. Het feit dat overleg is geweest met ZE over het aanbrengen van de staalslakkenlaag doet daar niet aan af. De laag werd ten behoeve van het gebruik door ZE aangelegd, reden waarom ZE bij het proces wordt betrokken. Dat maakt niet dat ZE daarom mede de risico’s draagt voor gebreken bij de aanleg.\n\n4.11.. Voorgaande in acht genomen is zonder nader feitenonderzoek, waarvoor in kort geding geen plaats is, onvoldoende aannemelijk dat ZE contractueel verplicht is om op eigen kosten de zonnepanelen te verwijderen. De vorderingen van SDW worden daarom afgewezen.\n\n4.12.. SDW is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ZE worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n10.487,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n11.853,00\n\n4.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van SDW af,\n\n5.2.. veroordeelt SDW in de proceskosten van € 11.853,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SDW niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt SDW tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5165","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.469Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":98,"fullText":99,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":51,"updatedAt":102},"956","ECLI:NL:CBB:2026:305","ecli-nl-cbb-2026-305","2026-06-15T00:00:00.000Z","proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F238\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026\n Voorzitter: mr. A. van Gijzen\n\nGriffier: R. Hosseinollahi\n\nPartijen\n\n [naam 1] , te [woonplaats]\n\nen\n\nde minister van Klimaat en Groene Groei, vertegenwoordigd door mr. M.J. Schulte\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart het beroep ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. Een van de voorwaarden voor het verkrijgen en behouden van de investeringssubsidie voor een warmtepomp is dat de installatie moet worden gedaan door een bouwinstallatiebedrijf.Niet in geschil is dat [naam 2] geen bouwinstallatiebedrijf is als bedoeld in de subsidieregeling. [naam 1] heeft een bon van € 85,- overgelegd van [naam 3] – wel een bouwinstallatiebedrijf – voor controle van de installatie, maar dat wil niet zeggen dat de installatie is gedaan door [naam 3] . Het achteraf controleren van de installatie van de warmtepompen omvat namelijk niet de hele installatie. Dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarde van installatie door een bouwinstallatiebedrijf. De minister was daarom bevoegd om de subsidie vast te stellen op nihil.\n\n2 De minister mocht ook van die bevoegdheid gebruik maken. De vaststelling op nihil is een geschikt en noodzakelijk middel om een ten onrechte verleende subsidie terug te krijgen. [naam 1] heeft aangevoerd dat na de controle is gebleken dat de warmtepompen veilig zijn geïnstalleerd, maar dat leidt niet tot een andere conclusie. De voorwaarde van installatie door een bouwinstallatiebedrijf is gesteld zodat uitsluitend deskundige en vakbekwame bedrijven de installatie uitvoeren. Op die manier wordt ook beoogd dat de warmtepompen al vanaf het moment van de installatie veilig zijn. Dat [naam 1] nadeel heeft van de vaststelling op nihil maakt het besluit niet onevenwichtig.\n\n3 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nw.g. A. van Gijzen w.g. R. Hosseinollahi\n\n Artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:305","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:56.513Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":98,"fullText":107,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":51,"updatedAt":109},"957","ECLI:NL:CBB:2026:306","ecli-nl-cbb-2026-306","proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F607\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026\n Voorzitter: mr. A. van Gijzen\n\nGriffier: R. Hosseinollahi\n\nPartijen\n\n [naam] , te [woonplaats]\n\nen\n\nde minister van Klimaat en Groene Groei, vertegenwoordigd door mr. M.J. Schulte\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart het beroep ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. Het College ziet geen aanleiding om aan de eerste verstrekte informatie bij de subsidieaanvraag van 31 december 2024 te twijfelen. Bij die aanvraag heeft [naam] als aankoopdatum van de warmtepomp 20 december 2024 vermeld en een factuur aangeleverd met de datum 20 december 2024. Aan de daarna ingediende factuur uit 2025 kan niet de door [naam] gewenste waarde worden gehecht. Omdat de aankoop van de warmtepomp aan de aanvraag voorafging, is niet voldaan aan een van de voorwaarden voor de subsidie.De minister was daarom gehouden de subsidieaanvraag af te wijzen.\n\n2 Het gaat hier om het vereiste van het stimulerend effect, waaraan alleen is voldaan als de subsidieaanvraag voorafgaat aan de aankoop van de warmtepomp. Het Europese staatssteunkader biedt geen ruimte om hiervan af te wijken. Dit staatssteunkader kan namelijk niet opzij worden gezet door het nationaalrechtelijke evenredigheidsbeginsel.\n\n3 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nw.g. A. van Gijzen w.g. R. Hosseinollahi\n\n Artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies.\n\n Zie de uitspraak van het College van 14 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:553, onder 6.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:306","2026-07-13T00:28:56.543Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":98,"fullText":114,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":51,"updatedAt":116},"958","ECLI:NL:CBB:2026:307","ecli-nl-cbb-2026-307","proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F402\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026\n Voorzitter: mr. A. van Gijzen\n\nGriffier: R. Hosseinollahi\n\nPartijen\n\n [naam 1], te [vestigingsplaats] (onderneming), waarvoor is verschenen [naam 2]\n\nen\n\nde minister van Klimaat en Groene Groei, vertegenwoordigd door mr. M.J. Schulte\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart het beroep ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. De onderneming heeft bij de subsidieaanvraag onjuiste informatie verstrekt. De aankoop van de warmtepomp ging namelijk vooraf aan de aanvraag. Als de onderneming wel de juiste informatie had verstrekt, dan had de minister geen subsidie verleend. De minister was daarom bevoegd om de subsidie op nihil vast te stellen.\n\n2 De onderneming heeft naar voren gebracht dat de minister geen gebruik mocht maken van die bevoegdheid, maar dat gaat hier niet op. Er bestaat geen recht op subsidie als niet is voldaan aan het vereiste van het stimulerend effect.Het gaat hier om een dwingende bepaling van het Europese staatssteunkader. Als de onderneming anders had gehandeld en de aankoop van de warmtepomp na de subsidieaanvraag had gedaan, had zij wel aanspraak op de subsidie kunnen maken. Er is geen sprake van een onevenwichtig besluit.\n\n3 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nw.g. A. van Gijzen w.g. R. Hosseinollahi\n\n Artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:307","2026-07-13T00:28:56.572Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":43,"courtId":121,"decisionDate":122,"fullText":123,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":124,"sourceTimestamp":125,"parsedAt":51,"updatedAt":126},"1523","ECLI:NL:RBZWB:2026:5042","ecli-nl-rbzwb-2026-5042",64,"2026-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Breda\n\nZaaknummer: 11507917 \\ CV EXPL 25-349\n\nVonnis van 20 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ONE SOLAR XV B.V.,\n\nstatutair gevestigd te Eindhoven,\n\neisende partij, verwerende partij tegen de tegenvordering,\n\nhierna te noemen: One Solar,\n\ngemachtigde: mr. G.D. Bosman,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 1] V.O.F., , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[gedaagde 2] B.V., 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[gedaagde 3] B.V.,\n\nallen gevestigd te [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\neisende partijen met een tegenvordering,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden] en afzonderlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] bv en [gedaagde 3] ,\n\ngemachtigde: mr. L.H.H. Verhoeven.\n\n1. De zaak in het kort\n\nPartijen zijn in het tussenvonnis van 18 maart 2026 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter om terug te komen op de eerdere beslissing dat wettelijke opslagen schade zijn voor One Solar. Naar aanleiding van de aktes van partijen komt de kantonrechter terug op die eerdere eindbeslissing. De kantonrechter benoemt een deskundige om de hoogte van de schade – die bestaat uit het kale leveringstarief van de verbruikte zonne-energie – vast te stellen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 maart 2026 en de daarin genoemde processtukken;\n\n- de akte na tussenvonnis van One Solar;\n\n- de akte na tussenvonnis van [gedaagden] met productie 15.\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De verdere beoordeling\n\nTerugkomen op eerdere eindbeslissing\n\n3.1.. In het tussenvonnis van 18 maart 2026 heeft de kantonrechter onder 3.8 overwogen dat zij aanleiding ziet om het oordeel over de omvang van de schadevergoeding uit ongerechtvaardigde verrijking te heroverwegen. Dit omdat de verarming van One Solar bij het niet hoeven afdragen van wettelijke opslagen alleen lijkt te bestaan uit het kale tarief dat [gedaagden] aan [zonne-energiebedrijf] verschuldigd is. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten bij aktes.\n\n3.2.. One Solar stelt in haar akte dat het eerdere oordeel over de omvang van de schadevergoeding uit ongerechtvaardigde verrijking niet berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Het feit dat zij de wettelijke opslagen niet hoeft af te dragen, maakt volgens One Solar niet dat haar verarming lager\u002Fminder is. One Solar stelt dat zij met afnemers afspreekt dat die wettelijke opslagen aan haar betalen en dat dat haar verdienmodel is om investeringen in het zonnepanelensysteem terug te verdienen. One Solar stelt dat als de opslagen niet tot haar verarming horen het resultaat dan is dat [gedaagden] de elektriciteit verbruikt tegen een lager tarief dan zij verschuldigd zou zijn aan de eigen energiemaatschappij.\n\n3.3.. \n [gedaagden] voert bij akte aan dat er wel aanleiding is om het oordeel over de omvang van schadevergoeding uit ongerechtvaardigde verrijking te heroverwegen. [gedaagden] voert aan dat One Solar niet is verarmd door de wettelijke opslagen omdat zij die niet hoeft af te dragen en daarmee niet is verarmd. Als alle opgewekte zonne-energie aan het net wordt terug geleverd, zoals de bedoeling was, dan betaalt de energieleverancier voor de zonne-energie slechts een vergoeding gelijk aan het kale tarief. [gedaagden] legt als productie 15 een usb stick over waarop kale leveringstarieven van [zonne-energiebedrijf] zouden staan.\n\n3.4.. \n\nDe kantonrechter ziet aanleiding om terug te komen op de bindende eindbeslissing in 5.10 van het tussenvonnis van 2 juli 2025. In dat tussenvonnis is namelijk onjuist en onvoldoende meegewogen dat One Solar geen wettelijke opslagen dient af te dragen. Het kan zijn dat One Solar met afnemers afspreekt dat die de verbruikte zonne-energie aan haar afrekenen met betaling van de wettelijke opslagen en dat haar verdienmodel is. Maar zoals onder 5.4 van het tussenvonnis van 2 juli 2025 is overwogen, is een afspraak tot afname van zonne-energie niet gemaakt tussen partijen. De door One Solar beweerde winst die zij derft door niet betaalde opslagen aan haar, beschouwt de kantonrechter hier daarom niet als schade. Als verarming van One Solar en dus als schade van One Solar wordt enkel uitgegaan van het misgelopen kale tarief van verbruikte energie. De schadevergoeding die [gedaagden] verschuldigd is, gaat niet verder dan de voornoemde verarming. Dat is ook redelijk omdat zoals onder 5.10 van het tussenvonnis van 2 juli 2025 is overwogen feitelijk sprake is van een verrijking die haar is opgedrongen, maar het is onredelijk dat [gedaagden] daarvoor niets hoeft te betalen. De kantonrechter acht het redelijk dat [gedaagden] voor de verbruikte zonne-energie het door [zonne-energiebedrijf] op het moment van verbruik gehanteerde kale leveringstarief betaalt.\n\nDeskundigenbericht\n\n3.5.. Partijen hebben in hun aktes aangegeven dat zij zich kunnen vinden in de voorgestelde deskundige. Partijen hebben wel opmerkingen en aanvullingen over de vragen.\n\n3.6.. One Solar stelt voor om de deskundige een separate berekening te laten maken van de wettelijke opslagen. Daarvoor ziet de kantonrechter geen aanleiding omdat hiervoor is teruggekomen op de bindende eindbeslissing over de schade en opnieuw is beslist dat wettelijke opslagen geen schade zijn van One Solar.\n\n3.7.. \n\n [gedaagden] stelt voor om vraag 1 aan te vullen waardoor vraag 1 komt te luiden:\n\n“Kunt u de door [gedaagden] verbruikte zonne-energie over de jaren 2020, 2021 en 2022 berekenen op basis van het door [zonne-energiebedrijf]op het moment van verbruik gehanteerde leveringstarief,exclusief wettelijke opslagen? Wilt u bij de berekening zoveel mogelijk de overeenkomst en facturen van [zonne-energiebedrijf] ,de door haar gehanteerde prijzen, alsmede de meetgegevens uit [adviesbureau] betrekken? Wilt u de berekening motiveren?”\n\n3.8.. De kantonrechter zal deze toevoegingen overnemen omdat daarmee duidelijk wordt dat het gaat om het kale leveringstarief van [zonne-energiebedrijf] zoals die gold op het moment dat de zonne-energie is verbruikt. Voor wat betreft de tarieven van [zonne-energiebedrijf] destijds wordt de deskundige verzocht om die op te vragen bij [zonne-energiebedrijf] .\n\n3.9.. De kantonrechter zal een deskundigenbericht bevelen en de heer ing. [persoon] NIVRE-re van Sincere Invest BV als deskundige benoemen en de vragen voorleggen zoals in de beslissing is vermeld.\n\n3.10.. De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van € 4.729,89 (inclusief btw). Partijen hebben in hun aktes aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de begroting van het voorschot. De kantonrechter zal het voorschot vaststellen op een bedrag van € 4.729,89 (inclusief btw). In de vorige beslissing is al aangekondigd en toegelicht door welke partij het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald.\n\n3.11.. De kantonrechter wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De kantonrechter zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de kantonrechter daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.\n\n3.12.. Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.\n\n3.13.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:\n\nKunt u de door [gedaagden] verbruikte zonne-energie over de jaren 2020, 2021 en 2022 berekenen op basis van het door [zonne-energiebedrijf] op het moment van verbruik gehanteerde kale leveringstarief, exclusief wettelijke opslagen? Wilt u bij de berekening zoveel mogelijk de overeenkomst en facturen van [zonne-energiebedrijf] , de door haar gehanteerde prijzen, alsmede de meetgegevens uit [adviesbureau] betrekken? Wilt u de berekening motiveren?\n\nZijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de kantonrechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?4.2.. \n\nbenoemt tot deskundige:\n\nde heer ing. [persoon] NIVRE-re van Sincere Invest BV, Kalslagerring 4, 2151 TS Nieuw-Vennep.\n\n4.3.. bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,\n\nhet voorschot\n\n4.4.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 4.729,89 (inclusief btw),\n\n4.5.. bepaalt dat One Solar het voorschot moet overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,\n\n4.6.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,\n\nhet onderzoek\n\n4.7.. bepaalt dat One Solar het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,\n\n4.8.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen,\n\n4.9.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),\n\n- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,\n\n- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,\n\n- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en\u002Fof gedane verzoeken,\n\n4.10.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,\n\nhet schriftelijk rapport\n\n4.11.. draagt de deskundige op om uiterlijk vier maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,\n\n4.12.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,\n\n- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,\n\n4.13.. bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,\n\noverige bepalingen\n\n4.14.. bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van woensdag 28 oktober 2026,\n\n4.15.. draagt de griffier op om de zaak op een eerdere rol te plaatsen:\n\n- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken,\n\nof\n\n- na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van One Solar op een termijn van vier weken,\n\n4.16.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5042","2026-06-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.312Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":43,"courtId":131,"decisionDate":132,"fullText":133,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":135,"parsedAt":51,"updatedAt":136},"1017","ECLI:NL:RBNHO:2026:3806","ecli-nl-rbnho-2026-3806",73,"2026-04-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummers: 12107695 \\ KG EXPL 26-25 en 12133212 \\ KG EXPL 26-43\n\nVonnis in kort geding van 10 april 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting\n\nSTICHTING WOONWAARD NOORD-KENNEMERLAND,\n\ngevestigd in Alkmaar ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Woonwaard,\n\ngemachtigden: mr. K. Straathof, mr. M.J. Dekker en mr. K. Hollenberg,\n\nin de zaak- rolnummer 12107695 \\ KG EXPL 26-25 tegen:\n\n1. [gedaagde 1 (26-25)] ,\n\n2. [gedaagde 2 (26-25)],\n\nbeiden wonende in [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden (26-25)] ,\n\ngemachtigde: mr. N. Weel.\n\nen in de zaak- rolnummer 12133212 \\ KG EXPL 26-43 tegen:\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2],\n\n3. [gedaagde 3],\n\n4. [gedaagde 4],\n\n5. de besloten vennootschap VAN AMERONGEN BEWINDVOERING B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van[naam 1],\n\nniet verschenen,\n\n6. [gedaagde 6],\n\n7. [gedaagde 7]en[gedaagde 7],\n\n8. [gedaagde 8],\n\n9. [gedaagde 9],\n\n10. [gedaagde 10]en [gedaagde 10],\n\n11. [gedaagde 11],\n\n12. [gedaagde 12],\n\n13. [gedaagde 13]en [gedaagde 13],\n\n14. [gedaagde 14],\n\n15. [gedaagde 15]en[gedaagde 15],\n\n16. [gedaagde 16],\n\n17. [gedaagde 17]\n\n18. [gedaagde 18],\n\n19. [gedaagde 19],\n\n20. [gedaagde 20],\n\n21. [gedaagde 21] ,\n\n22. [gedaagde 22],\n\n23. de besloten vennootschap BERGEN BEWIND B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van[naam 2],\n\n24. [gedaagde 24],\n\n25. [gedaagde 25],\n\n26. [gedaagde 26],\n\n27. [gedaagde 27],\n\nniet verschenen,\n\n28. [gedaagde 28],\n\nniet verschenen,\n\n29. [gedaagde 29],\n\nniet verschenen,\n\n30. [gedaagde 30],\n\nniet verschenen,\n\n31. [gedaagde 31],\n\nniet verschenen,\n\n32. [gedaagde 32],\n\nallen wonende\u002Fgevestigd in [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: de bewoners,\n\nprocederend in persoon, dan wel procederend in persoon vertegenwoordigd door [gedaagde 1] .\n\nTen behoeve van de leesbaarheid worden de zaken in de rest van het vonnis als volgt aangehaald: de zaak met zaak- \u002F rolnummer 12107695 \\ KG EXPL 26-25 als 26-25 en de zaak met zaak- \u002F rolnummer 12133212 \\ KG EXPL 26-43 als de zaak 26-43.\n\nGedaagden zullen hierna zowel in de zaak 26-25 als in de zaak 26-43 gezamenlijk de bewoners genoemd worden.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak wil een verhuurder (Woonwaard) met het oog op verduurzaming de woningen in een wooncomplex in [plaats] aansluiten op het warmtenet. Een deel van de bewoners van het wooncomplex wil daaraan niet meewerken. Daarom vordert de verhuurder in kort geding medewerking van deze bewoners aan de werkzaamheden die volgens de verhuurder dringend zijn. De kantonrechter wijst de vordering van de verhuurder toe. De kantonrechter oordeelt dat de werkzaamheden noodzakelijk zijn en niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld (de verhuurder moet nu verduurzamen), dat de verhuurder bij de uitvoering van deze werkzaamheden een spoedeisend en zwaarwegend belang heeft en dat dit belang prevaleert boven de belangen van de bewoners.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het dossier in de zaak 26-25 bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 11 maart 2026 met producties 1 tot en met 20,\n\nde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10,\n\nde aanvullende producties 21 tot en met 29 van de zijde van Woonwaard,\n\nde aanvullende producties 30 tot en met 32 van de zijde van Woonwaard.\n\n1.2.. Het dossier in de zaak 26-43 bestaat uit de volgende processtukken:\n\n- de dagvaarding van 23 maart 2026 met producties 1 tot en 24,\n\n- de overgelegde producties 1 tot en met 15 van de zijde van de bewoners, - de conclusie van antwoord, versie 28 maart 2026, met productie 16,\n\n- de aanvullende producties 25 tot en met 27 van de zijde van Woonwaard, - de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagden.1.3.. De gelijktijdige mondelinge behandeling van beide zaken heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. De gemachtigden van Woonwaard, [gedaagden (26-25)] en [gedaagde 1] namens de bewoners hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier.\n\n1.4.. In zaak 26-43 heeft Woonwaard haar vordering ten aanzien van gedaagden, [gedaagde 27] (gedaagde sub 27), [gedaagde 30] (gedaagde sub 30) en [gedaagde 31] (gedaagde sub 31) ingetrokken.\n\n1.5.. Partijen hebben op vragen van de kantonrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling is [gedaagde 1] met instemming van partijen nog drie dagen de tijd gegeven om een machtiging van de bewindvoerders van [naam 1] (gedaagde sub 5) en [naam 2] (gedaagde sub 23) in de zaak 26-43 te overleggen. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] een machtiging van de bewindvoerder van [naam 2] in de zaak 26-43 overgelegd. Tegen de niet verschenen gedaagden is verstek verleend.\n\n1.6.. Tot slot is vonnis in de zaken 26-25 en 26-43 bepaald op 14 april 2026, of zoveel eerder als mogelijk.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Woonwaard is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet. Zij is werkzaam op het gebied van volkshuisvesting en is eigenaar van ongeveer 17.000 woningen.\n\n2.2.. De bewoners zijn allen huurders van woningen die onderdeel uitmaken van het [complex] in [plaats] (hierna: [complex] of het wooncomplex). [complex] bestaat uit totaal 93 appartementen en 13 bedrijfsruimten en is gelegen in de [buurt] in de [wijk] .\n\n2.3.. Op alle afzonderlijke huurovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte van Woonwaard van toepassing verklaard.\n\n2.4.. Woonwaard wil haar woningen in (onder meer) [complex] verduurzamen. Hiervoor moeten werkzaamheden worden uitgevoerd. Het gaat om de aansluiting van de woningen op het warmtenet van HVC, waarvoor de cv-ketels en gasmeters uit de woningen worden weggehaald en een warmte-unit wordt geplaatst en aangesloten op het warmtenet.\n\n2.5.. Voor deze werkzaamheden ontvangt Woonwaard een subsidie van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) in het kader van de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (hierna: SAH). De subsidie bedraagt € 3.922,50 per woning en verkrijgt Woonwaard alleen als de werkzaamheden vóór 1 mei 2026 zijn uitgevoerd.\n\n2.6.. In verband met de voorgenomen aansluiting heeft Woonwaard op 12 april 2024 alle bewoners uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst op 30 april 2024 over aansluiting op het warmtenet. De bijeenkomst heeft op 30 april 2024 plaatsgevonden.\n\n2.7.. Naar aanleiding van deze bijeenkomst heeft Woonwaard een nieuwsbrief aan alle bewoners gestuurd. In januari 2025 heeft Woonwaard vervolgens een informatiebrochure naar alle bewoners gestuurd waarin de praktische en financiële consequenties voor de bewoners uiteen zijn gezet.\n\n2.8.. Op 8 april 2025 heeft Woonwaard het definitieve besluit genomen om alle woningen van [complex] aan te sluiten op het warmtenet. Dit is bij brief van 9 april 2025 aan alle bewoners medegedeeld. Ook is in deze brief uitleg gegeven over het warmtenet en de te maken stappen voor aansluiting daartoe, waaronder een huisbezoek.\n\n2.9.. Woonwaard heeft daarnaast op 11 april 2025 een flyer over het huisbezoek op verschillende plekken in het wooncomplex opgehangen.\n\n2.10.. \n\nWoonwaard heeft op 11 juli 2025 vervolgens aangekondigd dat zij vanaf\n\n18 augustus 2025 zou beginnen met de voorbereidende werkzaamheden in het complex. Hierin is ook aangekondigd dat zij verwacht in het eerste kwartaal 2026 te kunnen starten met de werkzaamheden in de woning.\n\n2.11.. In oktober 2025 zijn de bewoners per brief ingelicht over huisbezoeken aan het gehuurde. Deze huisbezoeken hebben in november 2025 plaatsgevonden.\n\n2.12.. De SAH is per 1 januari 2026 vervallen.\n\n2.13.. In januari 2026 heeft Woonwaard per adres aangekondigd wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd.\n\n2.14.. De bewoners hebben aangegeven niet te willen meewerken aan de uitvoering van de werkzaamheden door en namens Woonwaard. Onder andere bij brief van 12 en 18 februari 2026 zijn de bewoners gesommeerd vrijwillig mee te werken aan de uitvoering van de werkzaamheden. Daaraan hebben zij geen gehoor gegeven.\n\n2.15.. Tot op heden is ongeveer twee derde van de woningen in het wooncomplex aangesloten op het warmtenet. De woningen van de bewoners zijn tot op heden niet op het warmtenet aangesloten.\n\n3. Het geschil\n\nin de zaak 26-25 en in de zaak 26-43:\n\n3.1.. Woonwaard vordert op grond van artikel 7: [nummer 21] Burgerlijk Wetboek (BW) medewerking van de bewoners aan de aansluiting op het warmtenet, waartoe volgens Woonwaard de volgende (dringende) werkzaamheden moeten worden verricht: het weghalen van de cv-ketel, het plaatsen van de warmte-unit, het aansluiten van de warmte-unit op het verwarmingssysteem in de woning, het vervangen van de radiator in de keuken en woonkamer, het vervangen van de radiatorknoppen in alle ruimtes, het aanbrengen van roosters in de vensterbanken (indien nodig), het maken van een perilex stopcontact en een extra groep in de meterkast (als dit nog niet is gebeurd), het weghalen van de gasmeter (door Liander) en het maken van planken in de stookruimte (als de bewoners daarvoor gekozen hebben). Woonwaard vordert daarom van de kantonrechter – enigszins samengevat – bij wijze van voorlopige voorziening:\n\nI. (hoofdelijke) veroordeling van elk van de individuele bewoners om binnen één dag na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de dringende werkzaamheden in en aan de woning inclusief aanhorigheden die de bewoners van Woonwaard huren, alsmede die werkzaamheden die ter beoordeling van Woonwaard voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden en tijdens de werkzaamheden nodig blijken te zijn, door alle werkzaamheden te gehengen en te gedogen en door aan Woonwaard en de door Woonwaard ingeschakelde aannemer en allen die in haar opdracht werkzaamheden dienen te verrichten op eerste verzoek toegang te verschaffen tot hun huurwoning om de werkzaamheden uit te voeren, telkens opnieuw en voor zolang de werkzaamheden nog niet zijn afgerond, een en ander op straffe van een dwangsom;\n\nII. veroordeling van elk van de individuele bewoners om voor de duur van de werkzaamheden de woning te ontruimen en ontruimd te houden, en de woning in die periode onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woonwaard te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nIII. de bewoners hoofdelijk, in zowel zaak 26-25 als zaak 26-43, te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, en te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. De bewoners voeren hiertegen gemotiveerd verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Woonwaard in de proceskosten. Voor zover enige voorziening wordt overwogen verzoeken zij:\n\nin de zaak 26-25\n\nI. de aanleg van het warmtenet in de woning van [gedaagden (26-25)] voor (on)bepaalde duur op te schorten;\n\nVoor zover de rechtbank van oordeel is dat de werkzaamheden aan het warmtenet doorgang dient te vinden:\n\nII. te bepalen dat [gedaagden (26-25)] niet meer zullen betalen dan hun huidige energielasten, althans dat eventuele meerkosten volledig door Woonwaard wordt gecompenseerd;\n\nIII. te bepalen dat voorafgaand aan de werkzaamheden voor de aanleg van het warmtenet de gebreken aan de woning worden vastgesteld en hersteld;\n\nIV. de veroordeling te beperken tot concreet omschreven werkzaamheden;\n\nV. geen dwangsom vast te stellen;\n\nVI. de vordering tot tijdelijke ontruiming van de woning en afgifte van sleutels af te wijzen;\n\nVII. te bepalen dat de werkzaamheden dienen aan te vangen vanaf 10:00 uur.\n\nin de zaak 26-43\n\nI. te bepalen dat de voorgenomen werkzaamhedenworden opgeschort totdat in een bodemprocedure duidelijkheid bestaat dan wel rechtsgeldige instemming is verkregen, zodat de bewoners hun rechten kunnen uitoefenen en eventuele schade of beperkingen kunnen worden voorkomen;\n\nII. te bepalen dat de bewoners niet gehouden zijn de woning tijdelijk te ontruimen of sleutels af te geven, en dat werkzaamheden dienen plaats te vinden terwijl de bewoners in de woning verblijven en zelf toegang verlenen, om de redelijkheid en veiligheid te waarborgen tijdens de uitvoering;\n\nIII. te bepalen dat, ook indien sprake zou zijn van dringende werkzaamheden, Woonwaard gehouden blijft om werkzaamheden in de woning, inclusief de meterkast die zich in de algemene ruimte bevindt, maar exclusief gekoppeld is aan de individuele woning, tijdig en schriftelijk aan te kondigen met een redelijke termijn, zodat de bewoners voorafgaand aan de uitvoering hun positie kunnen bepalen;\n\nIV. te bepalen dat Woonwaard zonder voorafgaande schriftelijke aankondiging van minimaal vijf werkdagen en zonder toestemming van gedaagden geen toegang verkrijgt tot de woning, waaronder de meterkast, behoudens aantoonbare acute calamiteiten, ter waarborging van naleving en bescherming van de belangen van de bewoners;\n\nV. te bepalen dat Woonwaard een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per overtreding voor iedere keer dat zonder voorafgaande aankondiging en zonder toestemming werkzaamheden in de woning, inclusief de meterkast, worden verricht; alsmede te bepalen dat Woonwaard een dwangsom verbeurt van € 150,00 per dag (of gedeelte daarvan) voor iedere dag dat de bewoners, in strijd met het vonnis, afgesloten zijn of worden gehouden van essentiële voorzieningen, waaronder gas, verwarming en warm water, dan wel dat de cv-installatie is verwijderd, buiten werking is gesteld of niet functioneert, met een maximum van € 10.000 per woning, een en ander na betekening van het vonnis, althans naar de kantonrechter begrijpt een in goede justitie te bepalen dwangsom.3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De aard van een kort geding brengt mee dat toewijzing van de gevorderde voorziening, die in de kern neerkomt om het verlenen van medewerking aan de aansluiting op het warmtenet, afhankelijk is van een belangenafweging. Mede gelet op wat partijen over en weer hebben aangevoerd, neemt de kantonrechter bij deze belangenafweging in elk geval het voorlopig oordeel over de aard en kwalificatie van de werkzaamheden, de spoedeisendheid bij de gevraagde voorziening, het ingrijpende en onomkeerbare karakter van de voorziening en de wederzijdse belangen in aanmerking. Daarbij merkt de kantonrechter op dat zij geen uitspraak doet over de vraag of de aansluiting op het warmtenet al dan niet wenselijk is. Zij beslist alleen of, met inachtneming van het hiervoor genoemd kader, over de vraag of het Woonwaard moet worden toegestaan de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet in de woningen van de betrokken bewonersin [complex] uit te voeren. Die vraag beantwoordt zij bevestigend. Dat wordt hierna uitgelegd.\n\nde zaken lenen zich voor kort geding\n\n4.2.. De bewoners stellen zich in de eerste plaats op het standpunt dat deze zaken zich niet lenen voor een beoordeling in kort geding, omdat de gevraagde voorziening een definitief en onomkeerbaar karakter heeft. Na verwijdering van de cv-installatie en de gasaansluiting is terugkeer naar de oude situatie feitelijk uitgesloten. Bovendien bestaat er tussen partijen een fundamenteel verschil van mening over onder meer de kwalificatie van de werkzaamheden en de gevolgen van de aansluiting op het warmtenet voor de bewoners.\n\n4.3.. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Dat toewijzing van de gevraagde voorziening leidt tot feitelijke gevolgen die niet of alleen met veel moeite of tegen hoge kosten ongedaan kunnen worden gemaakt, maakt op zichzelf genomen niet dat deze zaken op voorhand ongeschikt moeten worden geacht voor een beoordeling en beslissing in kort geding. Wel is dit een element dat, zoals hierboven al weergegeven, een rol speelt in de afweging bij de vraag of de gevraagde voorziening toewijsbaar is. Het belangrijkste punt van discussie tussen partijen betreft in de kern een juridische vraag, namelijk de vraag of sprake is van dringende werkzaamheden. Daarbij speelt in de zaak van [gedaagden (26-25)] de bijkomende vraag of de beoogde werkzaamheden moeten worden aangemerkt als renovatiewerkzaamheden. Deze juridische vraag kan worden beantwoord in kort geding en partijen hebben daarover ook, zowel in hun schriftelijke stukken voorafgaand aan de mondelinge behandeling als op de mondelinge behandeling, een standpunt kunnen innemen. Op deze standpunten baseert de kantonrechter de beslissing. Daarbij beschikt de kantonrechter met alle stukken die partijen hebben verstrekt ook overigens over voldoende informatie om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen.\n\ner is sprake van dringende werkzaamheden en niet van renovatie\n\n4.4.. In de wet is bepaald dat de huurder gelegenheid moet geven om dringende werkzaamheden aan de woning uit te voeren.Een huurder moet deze werkzaamheden dus gedogen. Dringende werkzaamheden zijn werkzaamheden die niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Het nadeel kan bestaan uit schade, maar bijvoorbeeld ook uit extra kosten. De huurder moet ook renovatiewerkzaamheden aan de woning gedogen, als de verhuurder daartoe een redelijk renovatievoorstel heeft gedaan aan de huurder.Van renovatie is (onder meer) sprake bij gedeeltelijke vernieuwing van de woning door veranderingen of toevoegingen aan te brengen waardoor het woongenot objectief gezien toeneemt.\n\n4.5.. Namens [gedaagden (26-25)] is betoogd dat de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet moeten worden aangemerkt als renovatiewerkzaamheden, omdat deze diep ingrijpen op de woning, de installatie, het gebruik en het comfortregime. Daarbij wijzen de bewoners er op dat ook Woonwaard zelf uitgaat van de voordelen van verduurzaming, zoals comfort en toekomstbestendigheid en bijvoorbeeld een beter energielabel. Volgens Woonwaard kwalificeren de werkzaamheden uitdrukkelijk niet als renovatie, omdat deze niet zijn gericht op toename van het woongenot. De aansluiting op het warmtenet leidt daar volgens Woonwaard niet toe. Het gaat simpelweg om het vervangen van het ene verwarmingssysteem door het andere verwarmingssysteem, zonder dat daaraan noemenswaardige voor- of nadelen kleven voor een huurder, waartoe Woonwaard onder meer verwijst naar de rapporten van de door haar ingeschakelde deskundige [technisch adviesbureau] .Er worden volgens Woonwaard geen andere werkzaamheden uitgevoerd dan het aansluiten van de woningen op het warmtenet en, zo nodig, het vervangen van radiatoren en de woningen hebben al een goed energielabel, variërend van (in een paar gevallen) B tot A++. Bijkomende werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld isolatiewerkzaamheden, zijn niet nodig en worden dus niet verricht.\n\n4.6.. Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt dat werkzaamheden die zijn gericht op toename van het woongenot kwalificeren als renovatiewerkzaamheden. In dat geval gelden andere regels dan voor het verrichten van (alleen) dringende werkzaamheden. Een verhuurder moet in zo’n geval immers een redelijk voorstel doen en mag er daarbij bovendien voor kiezen om de huur te verhogen. Niet iedere werkzaamheid die mede leidt tot een toename van woongenot moet echter worden gekwalificeerd als renovatie. Ook het uitvoeren van enkel dringende werkzaamheden kan immers mede tot gevolg hebben dat sprake is van toegenomen woongenot, zonder dat de werkzaamheden daar primair op zijn gericht. Daarbij valt te denken aan de situatie van dringende reparaties of preventief onderhoud. De wet beperkt het begrip dringende werkzaamheden niet tot deze situaties. Ook bijvoorbeeld het uitvoeren van energiebesparende maatregelen, zoals hier aan de orde is, kan onder dat begrip worden gebracht. De aansluiting op het warmtenet die in dit geval plaatsvindt moet worden gezien als een noodzakelijke maatregel die primair is gericht op het voldoen aan de duurzaamheidsdoelstellingen en -verplichtingen van Woonwaard en het nakomen van de door Woonwaard daarover gemaakte afspraken, en niet als een maatregel die primair is gericht op het vermeerderen van het wooncomfort van de bewoners.Om die reden is in dit geval sprake van dringende werkzaamheden in de zin van de wet. Hoewel niet uitgesloten is dat de werkzaamheden ook hier een toegenomen wooncomfort tot gevolg zullen hebben (hoewel de bewoners daaraan twijfelen), leidt dat dus niet tot de conclusie dat sprake is van renovatie. Van bijkomende werkzaamheden die objectief gezien wel zijn gericht op het vermeerderen van het woongenot, zoals bijvoorbeeld isolatiewerkzaamheden, is geen sprake, zoals Woonwaard heeft toegelicht.\n\n4.7.. Hoewel sprake is van een voorlopig oordeel in kort geding, realiseert de kantonrechter zich dat dit een oordeel is dat voor bewoners ingrijpende gevolgen kan hebben en dat zij zich daardoor geconfronteerd kunnen zien met een warmtevoorziening waar zij grote zorgen over hebben. De kantonrechter hecht er echter aan op te merken dat alleen een oordeel wordt gegeven over de aard van de werkzaamheden in deze specifieke zaak. In elk geval waarin een verhuurder verduurzamingsmaatregelen wil treffen en daartoe wil overgaan op bijvoorbeeld aansluiting op het warmtenet, zal steeds moeten worden nagegaan of inderdaad sprake is van (alleen) dringende werkzaamheden in de zin van de wet, en niet (ook) renovatie. Het oordeel in deze zaak betekent dus niet dat per definitie ieder ander geval ook kwalificeert als het verrichten van dringende werkzaamheden, zeker niet als de werkzaamheden in die andere gevallen niet primair zijn gericht op verduurzaming en deze werkzaamheden worden uitgevoerd samen met andere werkzaamheden gericht op vermeerdering van het woongenot. Ook staat het iedere verhuurder vrij om, ook als alleen sprake zou zijn van dringende werkzaamheden, desondanks te kiezen voor de weg van het redelijk renovatievoorstel om de acceptatie onder de betrokken bewoners te vergroten.\n\n4.8.. Omdat in dit geval sprake is van dringende werkzaamheden en niet van renovatiewerkzaamheden, wordt aan de vraag of aan de bewoners een redelijk voorstel is gedaan niet toegekomen.\n\nde werkzaamheden zijn noodzakelijk en kunnen niet zonder nadeel worden uitgesteld\n\n4.9.. Woonwaard heeft de noodzaak tot het verrichten van de dringende werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet goed uitgelegd. Verduurzaming is voor Woonwaard geen keuze, maar zij is daartoe daadwerkelijk gehouden. Niet alleen op basis van het Klimaatakkoord uit 2019, maar ook op basis van haar eigen Duurzaamheidsbeleid 2026-2030,de [plaats] Warmtevisie en de bindende prestatieafspraken die zij op grond van de Woningwet als toegelaten instelling verplicht is te maken met de gemeente. Om aan de landelijke doelen te voldoen moeten in 2050 alle woningen in [plaats] volledig aardgasvrij zijn en daarvoor moeten de gemeente en de corporaties, in samenwerking met de andere betrokken partijen, een strakke planning en gemeentelijke (sub)doelstellingen hanteren. Daarbij staat vast dat op korte termijn de wijken [buurt] en [wijk] helemaal aardgasvrij moeten zijn.Er is voor Woonwaard geen ruimte om te onderhandelen of om andere keuzes te maken, zelfs als zij dat zou willen. Die ruimte heeft zij ook niet bij de totstandkoming van de nieuwe prestatieafspraken (op grond van de Woningwet) met de gemeente voor de periode 2026-2030. Bepalend voor deze afspraken zijn immers, naast de landelijke doelstellingen uit het Klimaatakkoord, onder meer de Woonvisie [plaats] 2040 en de [plaats] Warmtevisie 2025, waarin het uitgangspunt van 1.600 bestaande woningen per jaar aardgasvrij maken onverkort is gehandhaafden waarin [wijk] en [buurt] als eerste en belangrijkste startbuurt zijn aangewezen. Tegen deze achtergrond is de aansluiting van [complex] op het warmtenet dan ook noodzakelijk en onvermijdelijk. Daarbij geldt dat aan Woonwaard als eigenaar van de woningen in beginsel de vrijheid toekomt om een keuze te maken tussen de verschillende verduurzamingsmaatregelen, en dus te kiezen welk systeem van warmtevoorziening zij het meest geschikt acht. In dat kader is van belang dat zij als toegelaten instelling zorgvuldig en verantwoord moet omgaan met gemeenschapsgeld en dus financiële overwegingen daarin een belangrijke rol mag laten spelen.Van belang is verder dat inmiddels ongeveer 80% van de hele wijk aardgasvrij is en dat ongeveer 66% van de woningen in het wooncomplex van de bewoners is aangesloten op het warmtenet. Om haar doelstellingen te halen moet Woonwaard daarom ook de overige bewoners in het complex, degenen waar het in deze zaken om gaat, op het warmtenet kunnen aansluiten.\n\n4.10.. Naast een goede uitleg over de noodzaak van de werkzaamheden heeft Woonwaard ook voldoende aannemelijk gemaakt en onderbouwd dat de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat dit nadeel in de eerste plaats is gelegen in het niet behalen van de klimaatdoelstellingen en de verplichtingen die in dat kader op Woonwaard rusten. Daarnaast is echter ook sprake van aanzienlijk financieel en organisatorisch nadeel. In het geval van dringende werkzaamheden moet onder nadeel ook worden begrepen het mislopen van subsidie, extra kosten of het mislopen van voordeel door werkzaamheden projectmatig uit te voeren. Dat is hier aan de orde. Woonwaard heeft subsidie aangevraagd en aan haar is ook subsidie verleend voor de aansluiting van de woningen op het warmtenet op basis van op grond van de – inmiddels vervallen – SAH. Deze subsidie is verleend voor in totaal 594 woningen voor een totaalbedrag van € 2.329.965,00, dus € 3.922,50 per woning. Daarbij is de helft van het subsidiebedrag bij wijze van voorschot uitgekeerd en zal de andere helft worden uitgekeerd als is voldaan aan de voorwaarde dat de woningen volledig aardgasvrij zijn. Woonwaard heeft geen ruimte om de aansluiting op het warmtenet (verder) uit te stellen, de aansluiting op het warmtenet van deze bewoners achterwege te laten dan wel te kiezen voor een ander verwarmingssysteem. De subsidie betreft immers nadrukkelijk de aansluiting op het warmtenet en is verleend voor specifieke adressen (waaronder de woningen van de bewoners in deze zaken). Toegelicht is dat inmiddels op alle adressen waarvoor subsidie is verleend de aansluiting op het warmtenet is uitgevoerd, behalve bij deze bewoners. Woonwaard is op grond van de subsidiebeschikking bovendien verplicht de aansluiting op het warmtenet te realiseren binnen vijf jaar na de aanvraagdatum van 1 mei 2020, met een verlengingsmogelijkheid van een jaar. Deze (verlengde) periode is inmiddels bijna verstreken. Kortom, als Woonwaard de aansluiting op het warmtenet van de bewoners niet vóór 1 mei 2026 realiseert, loopt zij een reëel risico de daarvoor verleende subsidie mis te lopen, wat alleen daarom al leidt tot veel hogere kosten. Op de mondelinge behandeling is daarover namens de bewoners nog gesteld dat als Woonwaard deze subsidie misloopt zij mogelijk aanspraak zou kunnen maken op een andere subsidie, gelet op de toezeggingen van het nieuwe kabinet. Dit betreft echter niet meer dan een enkele toezegging. Van Woonwaard kan, gelet op haar doelstellingen en verplichtingen op korte en op langere termijn op het gebied van verduurzaming, niet worden gevergd de huidige toegekende subsidieaanspraak te laten lopen en af te wachten of zij misschien op basis van een eventuele nieuwe regeling in de toekomst opnieuw aanspraak zou kunnen maken op subsidie, met alle onzekere gevolgen van dien.\n\n4.11.. Naast het mislopen van subsidie heeft het niet aansluiten van deze bewoners bovendien ook andere nadelige gevolgen. Het projectmatig en in een aaneengesloten stroom aansluiten van de bewoners van het wooncomplex op het warmtenet is dan immers niet meer mogelijk, wat onder meer leidt tot hogere kosten voor de aannemer. Deze kosten zijn begroot op een bedrag van ongeveer € 1.800,00 per bewoner,zodat het niet (tijdig) aansluiten op het warmtenet per woning in totaal ongeveer € 5.700,00 kost. Daarbij is, zoals Woonwaard op de mondelinge behandeling heeft toegelicht, nog geen rekening gehouden met eventuele extra personeelskosten van Woonwaard en schade door huurderving. Dat is, anders dan namens de bewoners is betoogd, een concreet en aannemelijk nadeel dat in een geval als dit zwaar weegt. Woonwaard is immers niet zomaar een bedrijf dat een ondernemersrisico loopt, maar is een toegelaten instelling die maatschappelijk verantwoord met gemeenschapsgeld moet omgaan. Tot slot heeft Woonwaard ook een rol mogen laten spelen dat de levensduur van de cv-installaties van de bewoners ergens in de komende jaren mogelijk tot een einde komt, gelet op de gemiddelde levensduur van dergelijke installaties, ook al doen zich nu nog geen technische problemen of defecten voor. Van Woonwaard kan niet worden verwacht dat zij de werkzaamheden uitstelt tot dat de levensduur van de cv-installaties daadwerkelijk zijn verstreken of dat zij tegen die tijd nieuwe cv-ketels ophangt. Dat verdraagt zich niet met klimaatdoelstellingen en de op haar rustende verduurzamingsverplichtingen.\n\n4.12.. De bewoners hebben terecht de vraag aan de orde gesteld of Woonwaard zichzelf niet in deze situatie heeft gebracht met de door haar gekozen aanpak van de verduurzamingsmaatregelen, waarbij zij onder meer wijzen op het in een vroegtijdig stadium aanvragen van subsidie voor een groot aantal woningen. Deze vraag is ook op de mondelinge behandeling aan de orde gekomen en Woonwaard heeft daarop een overtuigende toelichting gegeven. Het Klimaatakkoord uit 2019, met de daarin neergelegde klimaatdoelstelling, en de daaruit voortvloeiende subsidieregeling waren voor alle partijen, en dus ook voor Woonwaard, op het moment van het aanvragen van de subsidie een relatief nieuw en onbekend fenomeen. Duidelijk was al wel dat er verduurzaming op grote schaal moest plaatsvinden en Woonwaard wilde niet het risico lopen dat de regeling zou vervallen, waardoor zij subsidie zou mislopen. Daarom heeft zij de keuze gemaakt om de subsidie voor 594 woningen tegelijk aan te vragen. Op dat moment kon zij redelijkerwijs niet voorzien dat de ruime subsidietermijn van vijf jaar niet zou worden gehaald. Niet voorzienbaar was dat de feitelijke uitvoering vanwege maatschappelijke en organisatorische ontwikkelingen (waaronder ook het gezamenlijk optrekken met de gemeente, HVC, Liander en aannemer Hemubo) zoveel meer tijd in beslag zou nemen dan verwacht.\n\n4.13.. Ook heeft Woonwaard toegelicht dat zij er inderdaad al in juni 2024 door het indienen van een petitie van op de hoogte was dat niet alle bewoners van het wooncomplex achter de aansluiting op het warmtenet stonden, maar dat zij er niettemin voor heeft gekozen om pas in een laat stadium, kort voor het verstrijken van de verlengde subsidietermijn, een juridische procedure te beginnen. Procederen tegen haar huurders is voor Woonwaard een allerlaatste stap en het uiterste middel. Gezien haar rol en positie als sociale verhuurder is haar handelen er vooral op gericht om tot een onderlinge oplossing en draagvlak te komen door de bewoners waar mogelijk te informeren en het gesprek aan te gaan. Daarin is Woonwaard ook voor een groot deel geslaagd, omdat aanvankelijk ongeveer 94% van de bewoners van dit wooncomplex bezwaren had tegen de aansluiting op het warmtenet en daar nu nog slechts ongeveer 30% van over is. Inmiddels resteert ten aanzien van deze laatste groep bewoners alleen nog de juridische weg, hoewel op de mondelinge behandeling ook gebleken is dat de vordering ten aanzien van drie bewoners is ingetrokken, omdat zij in weerwil van hun aanvankelijke bezwaren alsnog wilden instemmen met de aansluiting op het warmtenet. Gezien deze toelichting is de keuze van Woonwaard om zo lang mogelijk te wachten met procederen een begrijpelijke en de kantonrechter volgt dan ook niet het standpunt dat Woonwaard de bewoners eerder in rechte had moeten betrekken om het werk uitgevoerd te krijgen en zichzelf dus in deze positie heeft gebracht.\n\ntussenconclusie: Woonwaard heeft een zwaarwegend en spoedeisend belang\n\n4.14.. Dat sprake is van dringende werkzaamheden maakt dat de bewoners gehouden zijn de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet te gedogen en daaraan hun medewerking te verlenen. De dringende aard van de werkzaamheden maakt ook dat Woonwaard daarbij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft.\n\nhet belang van Woonwaard prevaleert boven de belangen van de bewoners\n\n4.15.. Tegenover het belang van Woonwaard moeten de belangen van de bewoners worden afgewogen.\n\n4.16.. Duidelijk is dat er bij de bewoners onrust en zorgen bestaan over de aansluiting op het warmtenet en dat in algemene zin binnen de [gemeente] de ontwikkelingen rond het warmtenet eveneens een onderwerp van zorg en gesprek zijn. Dat blijkt ook uit het feit dat de gemeenteraad op 2 maart 2026 een motie heeft aangenomen die er kort gezegd toe strekt met HVC en Woonwaard in gesprek te gaan om bewoners die in financiële problemen zijn gekomen te compenseren of ondersteunen en problemen met het warmtenet op te lossen, en uit het feit dat ook de woonbond zich kritisch heeft uitgelaten over de voorgenomen aansluiting op het warmtenet, zoals de bewoners hebben aangevoerd. Dat staat echter, gezien het belang van Woonwaard daarbij, niet in de weg aan aansluiting van dit specifieke wooncomplex op het warmtenet. In juridisch opzicht bestaat daarvoor onvoldoende grond.\n\n4.17.. \n\nAnders dan de bewoners betogen, heeft Woonwaard de geschiktheid van dit –\n\nrelatief jonge (2002) en goed geïsoleerde – wooncomplex voor de aansluiting op het warmtenet met de rapporten van [technisch adviesbureau] voldoende toegelicht en onderzocht. Op basis van een warmtetransmissieberekening is vastgesteld hoeveel vermogen er nodig is om de woningen warm te krijgen en of het nodig is om de capaciteit van het afgiftesysteem (de radiatoren) te verhogen, waarbij vervolgens per woning de capaciteit van de radiatoren is gecontroleerd. Dit onderzoek is later – vanwege de zorgen van de bewoners – aangevuld met een controle ter plaatse (in ieder geval drie woningen, waarvan één op de begane grond boven de parkeergarage, één op de vijfde verdieping en één verdeeld over twee verdiepingen) om na te gaan of de uitgangspunten uit de berekening overeenkomen met de werkelijkheid. Op basis hiervan is geconcludeerd dat het wooncomplex in bouwkundig opzicht geschikt is voor de aansluiting op het warmtenet. Er zijn geen situaties geconstateerd die tot grote verliezen en hoge energieverbruiken zullen leiden. Wel is er een aantal aanbevelingen gedaan om een goede werking van het warmtenet te bevorderen,maar deze maken niet dat op voorhand moet worden aangenomen dat de installatie niet goed zal functioneren.\n\n4.18.. Er is geen reden voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de door Woonwaard ingeschakelde deskundige. De bewoners hebben daar niet een onderzoek van een eigen deskundige tegenover gesteld. Zij hebben er op gewezen dat het onderzoek is gebaseerd op een 3D-model met uitgangspunten uit 2002, maar daaruit volgt, anders dan zij menen, niet dat het onderzoek niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Het wooncomplex zelf is en wordt immers niet aangepast (er is energetisch dus niets gewijzigd), zodat op zichzelf genomen van de definitieve bouwtekeningen en situatie uit 2002 mocht worden uitgegaan, zoals ook volgt uit de rapporten van de deskundige. Bovendien heeft de deskundige daarmee niet volstaan, omdat, zoals hiervoor al vermeld, daarnaast in een aantal woningen feitelijk is nagegaan of de gehanteerde uitgangspunten nog steeds van toepassing zijn. Daarmee voldoet het onderzoek aan wat daarvan mag worden verwacht, waarbij ook van belang is de stelling van Woonwaard dat er iedere drie of vier jaar een visuele inspectie van het complex plaatsvindt en dat uit het meest recente rapport van 2025 blijkt dat de conditie van de gevels en kozijnen als uitstekend is aangemerkt.\n\n4.19.. Tot het verrichten van een woningspecifiek onderzoekkan Woonwaard niet worden gehouden. De stelling dat er in een deel van de woningen sprake zou zijn van gebreken, zoals bijvoorbeeld tocht bij ramen of deuren of spouwmuurproblematiek, die van invloed zouden kunnen zijn op het functioneren van het warmtenet (en daarmee ook de hoogte van verbruikskosten) leidt daar niet toe. Los van het feit dat bij Woonwaard maar drie woningen uit het complex bekend zijn waar sprake is van gebreken, waar zij bezig is deze te verhelpen, geldt, zoals Woonwaard terecht stelt, hiervoor de reguliere gebrekenregeling.Op grond van die regeling zijn bewoners gehouden eventuele gebreken bij Woonwaard te melden (dat geldt ook voor eventuele storingen in de werking van het warmtenet als zodanig) en Woonwaard als verhuurder is vervolgens op haar beurt gehouden deze binnen redelijke termijn te (laten) verhelpen, bij gebreke waarvan de huurders aanspraak kunnen maken op huurvermindering of vergoeding van schade. De aanwezigheid van eventuele gebreken staat dan ook los van de voorgenomen aansluiting op het warmtenet en heeft geen invloed op het algemene uitgangspunt dat het wooncomplex daarvoor in bouwkundig opzicht geschikt is. Bovendien moet worden aangenomen dat eventuele bouwkundige gebreken ook nu al invloed zullen hebben op de huidige warmtelevering door gas. Er is in dit verband niet gebleken van een relevant verschil tussen verwarming door gas dan wel door het warmtenet. Dat geldt evenzeer voor het verschil in ligging van de verschillende appartementen (waaronder begrepen de invloed van zon, wind, specifieke isolatie en aanwezigheid van bijvoorbeeld boven- en onderburen), waarop de bewoners hebben gewezen. Er is geen reden om aan te nemen dat een verschil in ligging in het complex bij het warmtenet tot wezenlijk andere gevolgen zal leiden dan bij verwarming door de huidige cv-installatie. De kantonrechter kan Woonwaard dan ook volgen in de conclusie dat als verwarmen met gas lukt, aangenomen moet worden dat dit ook lukt met het warmtenet.\n\n4.20.. De onzekerheid van de bewoners over de financiële gevolgen van de aansluiting op het warmtenet kan niet volledig worden weggenomen, maar dat behoort ook niet tot de taak en verantwoordelijkheid van Woonwaard. Sommige prijsontwikkelingen zijn immers mede afhankelijk van omstandigheden die buiten de invloedssfeer van Woonwaard liggen, zoals bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen (waaronder ontwikkelingen op de energiemarkt door de situatie in de wereld en de ontwikkeling van het Consumentenprijsindex (CPI)). Dit geldt bovendien ook in geval van warmtelevering door middel van gas. Ook daar kan sprake zijn van prijsstijgingen buiten toedoen van Woonwaard. Niet aannemelijk is geworden dat het warmtenet per definitie een duurdere warmtevoorziening is dan gasen dat de aansluiting van de bewoners op het warmtenet daadwerkelijk tot een substantiële verhoging voor warmtekosten zal leiden. Naast de bescherming die de Warmtewet (via het Niet-Meer-Dan-Anders-principe)en de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) (via de jaarlijkse vaststelling van maximale tarieven) al bieden, heeft Woonwaard zich in voldoende mate ingespannen om aan de bewoners tegemoet te komen door de aansluiting op het warmtenet zoveel mogelijk met (financiële) waarborgen te omkleden. Zo heeft Woonwaard zich door middel van een afzonderlijke overeenkomst met HVC verbonden een deel van het vast recht van de bewoners voor haar rekening te nemen (een vast bedrag van € 263,75 exclusief btw per jaar). Dit zal Woonwaard doen zolang de huurovereenkomst met de huidige bewoners voortduurt. Daarnaast hanteert HVC een lager verbruikstarief dan volgens de ACM is toegestaan en wordt bovendien een korting van 5% gegeven aan huurders van Woonwaard die worden aangesloten op het warmtenet, dus ook aan deze bewoners. Los daarvan compenseert Woonwaard in individuele gevallen nog extra, waaronder in het geval van [gedaagden (26-25)] vanwege lagere netbeheerkosten. Hieruit volgt dat Woonwaard zich rekenschap heeft gegeven van mogelijke nadelige financiële gevolgen en heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht om deze gevolgen te voorkomen. Een garantie dat de kosten van warmte helemaal gelijk blijven kan en hoeft zij niet te geven.\n\n4.21.. In het geval van [gedaagden (26-25)] blijkt verder uit de overgelegde proefberekening niet dat er sprake zal zijn van een substantiële verhoging van de warmtekosten. Daaruit moet juist worden opgemaakt dat de kosten min of meer gelijk zullen blijven, nu er in die berekening geen rekening mee is gehouden dat Woonwaard een bedrag van € 263,75 exclusief btw aan vastrecht voor haar rekening neemt. Namens de andere bewoners is naar voren gebracht dat hun zorg niet zozeer de kosten van het warmtenet als zodanig betreft, maar dat het hen gaat om de vrees voor hogere kosten vanwege de aanwezigheid van gebreken. Daarover is hierboven echter al overwogen dat eventuele gebreken los staan van de noodzakelijk geachte dringende werkzaamheden en dat daarvoor de reguliere gebrekenregeling geldt. Het ligt dus op de weg van bewoners om melding te doen van aanwezige gebreken en indien dit niet tot het gewenste resultaat leidt, kunnen zij zich wenden tot de huurcommissie of de rechter. Dat er bij de aansluiting op het warmtenet geen vrije keuze meer bestaat tussen energieleveranciers, zoals de bewoners ook naar voren hebben gebracht, is nu eenmaal het gevolg van deze vorm van warmtelevering en om de onwenselijke gevolgen daarvan te voorkomen is voorzien in regulering en aanvullende maatregelen op de hiervoor omschreven wijze.4.22.. Tot slot vinden de bezwaren van de bewoners mede hun grondslag in de door hen ervaren gebrekkige informatievoorziening door Woonwaard en het gebrek aan serieuze aandacht voor hun bezwaren en omstandigheden. De kantonrechter heeft echter moeten vaststellen dat zich in het dossier veel concrete informatie bevindt over onder meer de werking van het warmtenet, de financiële gevolgen en de aard, omvang en duur van de werkzaamheden. Deze informatie is in de periode vanaf april 2024 tot en met maart 2026 ook aan de bewoners beschikbaar gesteld. Ook in deze procedure en op de mondelinge behandeling is Woonwaard niet terughoudend geweest in het verstrekken van informatie en heeft zij benadrukt open te staan voor het gesprek. Gelet hierop kan de stelling dat de bewoners niet adequaat zijn geïnformeerd niet zonder meer worden gevolgd, waarbij ook van belang is dat Woonwaard als verhuurder niet gehouden is om een gedetailleerd antwoord te geven op alle vragen die worden gesteld, en er op de bewoners als huurders op hun beurt ook verplichtingen rusten. Dat er bewoners zijn die zich niet serieus genomen hebben gevoeld en het gesprek met Woonwaard zo hebben ervaren dat zij onder druk werden gezet, is – ook volgens Woonwaard zelf – betreurenswaardig en dat kan ook niet de bedoeling zijn geweest. In de juridische beoordeling kan dat echter verder geen rol spelen.\n\nconclusie: de gevorderde medewerking aan de aansluiting op het warmtenet wordt toegewezen\n\n4.23.. De conclusie is dat de gevorderde medewerking aan de aansluiting op het warmtenet, ofschoon ingrijpend en moeilijk ongedaan te maken, in dit kort geding toewijsbaar is. Het spoedeisende en zwaarwegende belang van Woonwaard prevaleert boven de belangen van de bewoners en gelet op de dringende aard van de werkzaamheden kan van Woonwaard niet worden gevraagd dat zij een bodemprocedure aanhangig maakt. Dat de bewoners hun medewerking moeten verlenen, betekent dat zij de werkzaamheden moeten gehengen en gedogen en dat zij op eerste verzoek toegang moeten verschaffen aan Woonwaard en degenen die de werkzaamheden uitvoeren. Dit verschaffen van toegang kan door thuis te blijven, een buur te vragen de deur te openen of een sleutel af te geven aan Woonwaard.\n\n4.24.. De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, ondanks de toezegging van [gedaagden (26-25)] dat bij een toewijzend vonnis medewerking zal worden verleend. Gelet op de korte termijn waarbinnen de werkzaamheden moeten worden verricht en de hoeveelheid bewoners die in deze procedure betrokken zijn, is begrijpelijk dat Woonwaard een dwangsom noodzakelijk acht als stok achter de deur om vertraging te voorkomen. Daarbij hoeven de bewoners indien zij hun toezegging dat zij mee zullen werken gestand doen, zich geen zorgen te maken over het verbeuren van een dwangsom. De dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 500,- per dag of dagdeel dat de bewoners in gebreke blijven de veroordeling na te komen, met een maximum van € 7.500,-.\n\nde overige vorderingen van Woonwaard worden ook toegewezen\n\n4.25.. Naast medewerking door het gehengen en gedogen van de werkzaamheden en het verlenen van toegang vordert Woonwaard ook de tijdelijke ontruiming van de woningen (voor de duur van de werkzaamheden) onder afgifte van de sleutels. De bewoners verzetten zich hiertegen en wensen in hun woning te kunnen blijven tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Hoewel de werkzaamheden in beginsel kunnen uitgevoerd, terwijl de bewoners in hun woning verblijven en het begrijpelijk is dat zij dat willen, heeft Woonwaard toch een belang bij de gevorderde tijdelijke ontruiming, namelijk in de situatie waarin bewoners toch niet volledig meewerken en gedwongen toegang en het tijdelijk vertrek uit de woning onverhoopt toch nodig blijkt. Voorstelbaar is dat een veroordeling tot tijdelijke ontruiming onder afgifte van de sleutels voor de bewoners als een ingrijpende maatregel voelt, maar dit is op zichzelf genomen een gebruikelijke maatregel bij het verrichten van werkzaamheden door een verhuurder, waarvan alleen gebruik wordt gemaakt als het niet anders kan en die beperkt is tot de duur van de werkzaamheden. Ook hier zal een gematigde dwangsom van € 500,- met een maximum van € 7.500,- worden vastgesteld.\n\nde overige vorderingen en verzoeken van de bewoners worden afgewezen\n\n4.26.. Bij deze uitkomst is er geen grond om de vordering van de bewoners tot het opschorten van de werkzaamheden (in beide zaken) toe te wijzen.\n\n4.27.. In de zaak 26-25 heeft [gedaagden (26-25)] verder verzocht om te bepalen dat er niet meer hoeft te worden betaald dan de huidige energielasten dan wel dat volledige compensatie van de meerkosten moet plaatsvinden. Uit wat hiervoor onder 4.20 is overwogen blijkt dat dat verzoek, voor zover dat zich al leent voor toewijzing in kort geding, moet worden afgewezen.\n\n4.28.. In die zaak is verder nog gevraagd om Woonwaard te veroordelen tot het beoordelen van de gebreken aan de woning en deze te herstellen. Ook die vordering wordt afgewezen: het is aan [gedaagden (26-25)] om van gebreken melding te doen bij Woonwaard en haar te verzoeken deze binnen een redelijke termijn op te lossen. De inhoudelijke beoordeling van eventuele gebreken valt buiten het bestek van deze procedure.\n\n4.29.. Aan het verzoek om de medewerking te beperken tot concreet omschreven werkzaamheden, wordt reeds door Woonwaard zelf voldaan doordat zij die werkzaamheden bij haar vordering al concreet heeft omschreven. Daarbij kan echter niet worden uitgesloten dat er voorafgaand of tijdens de uitvoering van de werkzaamheden meer of ook andere werkzaamheden nodig blijken te zijn om te komen tot een aansluiting op het warmtenet. Ook aan die werkzaamheden zal medewerking moeten worden verleend.\n\n4.30.. Ook het verzoek van [gedaagden (26-25)] om te bepalen dat de werkzaamheden aanvangen vanaf 10.00 uur in plaats van vanaf 7.30 uur komt niet voor toewijzing in aanmerking. Dat zou immers betekenen dat bij een werkdag tot ongeveer 16.00 uur, er veel minder tijd beschikbaar is voor het uitvoeren van de werkzaamheden in deze woning. Dat kan van Woonwaard redelijkerwijs niet worden gevergd. Daarbij komt dat Woonwaard heeft toegezegd met de persoonlijke situatie van [gedaagden (26-25)] rekening te zullen houden bij de planning van de werkzaamheden en waar mogelijk later dan om 7.30 uur te zullen beginnen.\n\n4.31.. In de zaak 26-43 hebben de bewoners tot slot nog verzocht te bepalen dat Woonwaard tijdig en schriftelijk de uitvoering van het werk moet aankondigen met een redelijke termijn, zodat de bewoners voorafgaand aan de uitvoering hun positie kunnen bepalen. Ook dat zal worden afgewezen. De uitvoering van de werkzaamheden is immers al aangekondigd en Woonwaard heeft toegezegd binnen een termijn van drie dagen na de mondelinge behandeling een gewijzigde planning aan alle bewoners te doen toekomen. Daarmee weten de bewoners wanneer hun woning aan de beurt is en dus ook waar zij aan toe zijn.\n\nde proceskosten\n\n4.32.. De bewoners zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten betalen).\n\n4.33.. De proceskosten van Woonwaard worden in de zaak 26-25 begroot op:\n\nkosten van de dagvaarding € [nummer 10] ,09\n\ngriffierecht € 139,00\n\nsalaris gemachtigde (tarief € 1. [nummer 10] ,00) € 1. [nummer 10] ,00\n\nnakosten € 144,00 +(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal: € 1.591,09\n\n4.34.. De proceskosten van Woonwaard worden in de zaak 26-43 begroot op:\n\nkosten van de dagvaarding € 185,32\n\ngriffierecht € 139,00\n\nsalaris gemachtigde (tarief € 1. [nummer 10] ,00) € 1. [nummer 10] ,00\n\nnakosten € 144,00 +(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal: € 1.622,32\n\n4.35.. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hieronder vermeld.\n\nhoofdelijkheid\n\n4.36.. \n\nDe veroordeling wordt, zoals gevraagd in de gevallen waar sprake is van meerdere gedaagden per adres en waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd, hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere gedaagde kan worden gedwongen tot medewerking aan het uitvoeren van de werkzaamheden voor zover het zijn of haar gehuurde betreft en ook dat iedere gedaagde kan worden gedwongen tot ontruiming. Verder wordt de hoofdelijkheid eveneens uitgesproken ten aanzien van de proceskosten. Dat betekent dat iedere gedaagde ten aanzien van de proceskosten kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\nuitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.37.. Dit vonnis wordt, zoals gevorderd in de zaak 26-25 en 26-43, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat hiertegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin de zaak 26-25\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] hoofdelijk, om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis, hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de werkzaamheden zoals vermeld onder 3.1 in hun woning inclusief aanhorigheden te ( [postcode] ) [plaats] aan [adres] , alsmede die werkzaamheden die ter beoordeling van Woonwaard voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden en tijdens de werkzaamheden nodig blijken te zijn, door alle werkzaamheden te gehengen en te gedogen en door aan Woonwaard en de door Woonwaard ingeschakelde aannemer en allen die in haar opdracht werkzaamheden dienen te verrichten op eerste verzoek toegang te verschaffen tot hun huurwoning om de dringende werkzaamheden uit te voeren, telkens opnieuw en voor zolang de werkzaamheden nog niet zijn afgerond, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat zij in gebreke blijven om deze veroordeling ten aanzien van hun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.2.. veroordeelt [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] hoofdelijk om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis, de woning inclusief aanhorigheden te ( [postcode] ) [plaats] aan [adres] tijdelijk, voor de duur van de werkzaamheden als genoemd onder 5.1, te ontruimen en ontruimd te houden, met alle zich daarin van hen, de hunnen en derden aanwezige personen en zaken, en de woning in die periode onder afgifte van de sleutels aan Woonwaard ter vrije beschikking te stellen van Woonwaard, teneinde Woonwaard in de gelegenheid te stellen om de werkzaamheden als genoemd onder 5.1 uit te (doen laten) voeren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] in gebreke blijven om deze veroordeling ten aanzien van hun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.3.. \n\nveroordeelt [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.591,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen de kosten van betekening indien [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin de zaak 26-43\n\nten aanzien van de woningen gelegen aan de [buurt] met de huisnummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] , [nummer 10] , [nummer 11] , [nummer 12] [nummer 13] , [nummer 14] , [nummer 15] , [nummer 16] , [nummer 17] , [nummer 18] , [nummer 19] , [nummer 20] , [nummer 21] , [nummer 22] , [nummer 23] , [nummer 24] , [nummer 25] , [nummer 26] , [nummer 27] , en de woningen die gedaagde sub 20 ( [gedaagde 20] ) en sub 29 ( [gedaagde 29] ) van Woonwaard huren:5.4.. veroordeelt iedere bewoner afzonderlijk, en hoofdelijk in geval zij gezamenlijk huurder zijn, om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis, hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de werkzaamheden zoals vermeld onder 3.1 in de woning die hij\u002Fzij van Woonwaard huurt\u002Fhuren, alsmede die werkzaamheden die ter beoordeling van Woonwaard voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden en tijdens de werkzaamheden nodig blijken te zijn, door alle werkzaamheden te gehengen en te gedogen en door aan Woonwaard en de door Woonwaard ingeschakelde aannemer en allen die in haar opdracht werkzaamheden dienen te verrichten op eerste verzoek toegang te verschaffen tot hun huurwoning om de dringende werkzaamheden uit te voeren, telkens opnieuw en voor zolang de werkzaamheden nog niet zijn afgerond, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat hij\u002Fzij in gebreke blijft\u002Fblijven om deze veroordeling ten aanzien van zijn\u002Fhaar\u002Fhun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.5.. veroordeelt iedere bewoner afzonderlijk, en hoofdelijk in geval zij gezamenlijk huurder\u002Fbewoner zijn, om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis zijn\u002Fhaar\u002Fhun woning die zij van Woonwaard huurt\u002Fhuren tijdelijk, voor de duur van de werkzaamheden als genoemd onder 5.4, te ontruimen en ontruimd te houden, met alle zich daarin van hen, de hunnen en derden aanwezige personen en zaken, en de woning in die periode onder afgifte van de sleutels aan Woonwaard ter vrije beschikking te stellen van Woonwaard, teneinde Woonwaard in de gelegenheid te stellen om de werkzaamheden als genoemd onder 5.4 uit te (doen laten) voeren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat de betreffende bewoner(s) in gebreke blijft\u002Fblijven om deze veroordeling ten aanzien van zijn\u002Fhaar\u002Fhun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.6.. veroordeelt de bewoners hoofdelijk in de proceskosten van € 1.622,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen de kosten van betekening indien de bewoners niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin de zaak 26-25 en in de zaak 26-43\n\n5.7.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.\n\n waaronder het verwijderen van cv-installaties, het loskoppelen van gasaansluitingen en de aansluiting op het warmtenet.\n\n Van de in totaal 93 appartementen betreft deze zaak 30 appartementen.\n\n Artikel 7:220 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 7:220 lid 2 BW.\n\n Rapportages van 8 december 2025 en 9 januari 2026, onder meer onder 3.0: “De stadsverwarming moet worden gezien als de nieuwe cv-ketel, maar dan gevoed vanuit het warmtenet van HVC in plaats van de gasleiding van Liander. Omdat het gebouw zelf niet wordt aangepast zal de energiebehoefte in de woningen niet veranderen.”.\n\n Vgl. ECLI:NL:RBNHO:2024:11673.\n\n Tot 2030 moet ongeveer 50% en 4000 woningen aangesloten zijn op het warmtenet van HVC.\n\n Wijkuitvoeringsplan [plaats] [wijk] en [buurt] .\n\n Aanvankelijk werd deze subdoelstelling niet gehaald. Inmiddels worden gemiddeld 1.660 woningen per jaar van het gas gehaald.\n\n Volgens het Wijkuitvoeringsplan is aansluiting op een warmtenet de goedkoopste aardgasvrije optie, waarbij ook de belasting van het elektriciteitsnet minder is dan bij een warmtepomp.\n\n Besluit minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (RVO) van 4 augustus 2020.\n\n De totale kosten voor aansluiting op het warmtenet per woning bedragen op dit moment ongeveer € 11.182,29 exclusief btw.\n\n Vgl. emailbericht Hemubo van 25 februari 2026 waarin de kosten per woning worden begroot op € 1.769,78 per woning.\n\n Zoals het aanbrengen van roosters of sleuven in de vensterbanken en een aanvullende isolatie met PUR isolatieschuim in het plafond van de parkeergarage.\n\n Dat wil zeggen een onderzoek per afzonderlijke woning.\n\n In artikel 7:204 BW en verder.\n\n Volgens het Nationaal Programma Landelijke Warmtetransitie zal de verwachte kostenstijging voor warmtenetten in de toekomst lager zijn dan de kosten voor gas of een warmtepomp.\n\n In de toekomst te vervangen door de Wet collectieve warmte.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3806","2026-04-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:59.317Z",{"id":138,"ecli":139,"slug":140,"caseNumber":43,"courtId":141,"decisionDate":142,"fullText":143,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":144,"sourceTimestamp":145,"parsedAt":51,"updatedAt":146},"1782","ECLI:NL:RBROT:2026:4563","ecli-nl-rbrot-2026-4563",61,"2026-04-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ROT 24\u002F10183 en ROT 24\u002F10245\n uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2026 in de zaken tussenROT 24\u002F10183\n\n [ eiser 1] , [eiser 1A] , [eiser 1B] , [eiser 1C] , [eiser 1D] , [eiser 1E] , [eiser 1F] en [eiser 1G], uit [plaats 1] , eisers 1\n\n(gemachtigde: mr. J. van Groningen),\n\nROT 24\u002F10245\n\n [eiser 2] en [eiser 2A] ( [bedrijf 2] ), eisers 2,\n\n(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),\n\ntezamen aangeduid als: eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht, het college\n\n(gemachtigde: mr. H. Dierkx),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, gedeputeerde staten,\n\n(gemachtigde: mr. K. Giezeman).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghoudster] . uit [plaats 2] (vergunninghoudster)\n\n(gemachtigde: mr. J. van Eekeren).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor een zonnepark voor de duur van 25 jaar nabij het rangeerterrein Kijfhoek in Zwijndrecht. Gedeputeerde staten hebben hiervoor ontheffing verleend van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Zij betwisten de door gedeputeerde staten verleende ontheffing. Ook betogen zij dat er ten onrechte niet aan de zonneladder is getoetst. Verder betogen zij dat het project niet voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, en hun woon- en leefklimaat onvoldoende is meegewogen. Eisers vinden ook dat het college niet heeft voldaan aan de plicht tot participatie. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.Dit betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 3 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft het college de omgevingsvergunning zoals beschreven onder 1 verleend.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.2.2.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.2.3.. Eisers hebben op 14 januari 2026 een aanvullend beroepschrift ingediend met bijlagen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eisers 1, [eiser 1C] en [eiser 1F] en hun gemachtigde, eisers 2 en hun gemachtigde, de gemachtigde van het college, de gemachtigde van gedeputeerde staten en de gemachtigde van vergunninghoudster.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Vergunninghoudster is een samenwerking tussen Eneco, Novar en Drechtse Energie en wil een zonnepark realiseren ten noorden van het rangeerterrein de Kijfhoek. Het project heeft betrekking op de volgende kadastrale percelen, gemeente Zwijndrecht, sectie [sectienaam 1] , nummers [perceenummer] , [perceelnummer 1] [perceelnummer 2] [perceelnummer 3] , [perceelnummer 4] , [perceelnummer 5] , [perceelnummer 6] , [perceelnummer 7] , [perceelnummer 8] , [perceelnummer 9] , [perceelnummer 10] , [perceelnummer 11] , [perceelnummer 12] , [perceelnummer 13] en gemeente Heerjansdam, sectie [sectienaam 2] , nummers [perceelnummer 14] (gedeeltelijk), [perceelnummer 15] , [perceelnummer 16] en [perceelnummer 17] (de percelen). Het zonnepark heeft een totale oppervlakte van ongeveer 43 hectare. Binnen het hekwerk van het zonnepark (33 hectare) wordt 20,1 hectare aan zonnepanelen geplaatst.\n\n3.1.. De locatie van het zonnepark is opgenomen in de Regionale Energiestrategie Drechtsteden (RES 1.0), die is vastgesteld door meerdere bestuursorganen, waaronder de gemeenteraad van Zwijndrecht (de raad) en provinciale staten van Zuid-Holland. Dit beleidsdocument vloeit weer voort uit het Nederlandse Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord staat hoe Nederland de afspraken uit de klimaatovereenkomst van Parijs nationaal uit gaat werken. Eén van de afspraken in het Klimaatakkoord is dat Nederland wordt opgedeeld in 30 regio’s. Alle regio’s hebben de taak om te onderzoeken hoe en waar ze het best duurzame elektriciteit op land (zon en wind) kunnen opwekken, welke warmtebronnen ze kunnen gebruiken om aardgas te vervangen en wat er nodig is om deze duurzame energie te kunnen opslaan en transporteren. Drechtsteden is één van de 30 energieregio’s.\n\n3.2.. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van de percelen geldt het Omgevingsplan gemeente Zwijndrecht (het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.Op de percelen was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Buitengebied” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De percelen hebben voor zover relevant de enkelbestemming “Agrarisch” (artikel 3 van de planregels).\n\n3.3.. Op de percelen is tevens de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) van toepassing. De percelen zijn aangewezen als “Groene Buffer” (beschermingscategorie 2).\n\n3.4.. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsplanactiviteit, bestaande uit een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, bouwactiviteit en uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid.\n\n3.5.. De omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. De raad heeft een positief bindend advies afgegeven. Gedeputeerde staten hebben ontheffing verleend van de ZHOV.\n\nToetsingskader\n\n4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nOntvankelijkheid4.1.. Vergunninghoudster heeft gesteld dat eisers niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, zonder dit standpunt te onderbouwen. De rechtbank ziet geen aanleiding vergunninghoudster hierin te volgen, zodat eisers in hun beroepen worden ontvangen.\n\nGoede procesorde\n\n5. Het college heeft de rechtbank verzocht om het aanvullende beroep van eisers 2 buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.\n\n5.1.. Gelet op de beperkte omvang van het aanvullend beroepschrift, waarbij enkele gronden aan het beroepschrift van 14 november 2024 zijn toegevoegd, en de inhoudelijke reacties die partijen op de zitting hebben kunnen geven, heeft de rechtbank, zoals reeds op de zitting beslist, geen aanleiding gezien om het aanvullend beroepschrift buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.\n\nGroene Buffer\n\n6. Eisers 1 betogen dat de verlening van een ontheffing door gedeputeerde staten niet betekent dat de ontheffing rechtmatig is verleend. Het college heeft bij gebruikmaking van de ontheffing een eigen verantwoordelijkheid. Het college moet beoordelen of de ontheffing rechtmatig is verleend. Volgens eisers 1 hadden gedeputeerde staten de ontheffing niet mogen verlenen en raakt dit de omgevingsvergunning.\n\n6.1.. Op grond van artikel 8.0b, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de regels van de ZHOV die zien op omgevingsplannen van toepassing.In dit geval is het project in strijd met artikel 7.43b, tweede lid, en artikel 7.43k van de ZHOV. Op verzoek van het college hebben gedeputeerde staten een ontheffing verleend.Op grond van artikel 16.85, eerste lid, van de Ow wordt voor de mogelijkheid van beroep een besluit tot het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 2.32 van de Ow geacht deel uit te maken van het besluit waarover de regel waarvan ontheffing is verzocht, is gesteld.\n\n6.2.. Geen rechtsregel schrijft voor dat het college moet motiveren waarom hij gebruikmaakt van een door hem aangevraagde provinciale ontheffing. Wel kan de rechtmatigheid van de verleende ontheffing in het kader van de procedure over de omgevingsvergunning worden getoetst. Eisers (hebben) kunnen reageren op de ontheffing via de zienswijze- en beroepsprocedure. Gedeputeerde staten gaan op grond van artikel 7.82 van de ZHOV over de (motivering van de) verleende ontheffing. Het college heeft hierin geen eigen bevoegdheid.\n\n6.3.. Eisers kunnen zich niet vinden in de motivering van de verleende ontheffing. Eisers 2 voeren daartoe aan dat het gaat om een grootschalige transformatie en dat dit het karakter van de “Groene Buffer” aantast. Eisers 1 voeren aan dat de ontwikkeling van het zonnepark niet aansluit bij de kwaliteiten die horen bij de “Groene Buffer”. De biodiversiteit onder de zonnepanelen mag niet afnemen, maar doet dit wel. In ieder geval ontbreekt een gemotiveerde onderbouwing van dat standpunt. Er wordt juist een grote inbreuk gemaakt op de omgevingskwaliteit en in plaats van groen komt er 20 hectare aan zonnepanelen te liggen. Het open laten van 21 hectare en ecologisch inrichten maakt het zonnepark nog niet passend. Zonder zonnepanelen zou de “Groene Buffer” meer gediend zijn. Het ecologisch inrichten houdt ook slechts in dat er struweel wordt gerealiseerd en wordt voorzien in de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Daarvoor wordt 20 hectare open grond ingeleverd. Daarnaast is nu al sprake van natuurvriendelijke oevers. Wel degelijk bevat het bestaande gebied de kwaliteiten die horen bij het karakter van een “Groene Buffer”. Dat het zonnepark juist (contrast)kwaliteiten toevoegt aan het gebied achten eisers onbegrijpelijk. Gedeputeerde staten laten ook na dit van een nadere onderbouwing te voorzien.\n\n6.4.. Tussen partijen is niet in geschil dat het project een grootschalige ontwikkeling is in gebiedstype “beschermingsniveau 2, Groene Buffer”. Verder is niet in geschil dat een zonnepark van deze omvang, verspreid over drie deelgebieden aan de Langeweg niet past binnen de bestaande gebiedsidentiteit van het gebied en daarom wordt beschouwd als “transformeren”. Grootschalige ontwikkeling en transformeren zijn in strijd met respectievelijk artikel 7.43b, tweede lid, en artikel 7.43k van de ZHOV.\n\n6.5.. Voorop staat dat, gelet op artikel 7.82 van de ZHOV, gedeputeerde staten ontheffing kunnen verlenen van afdeling 7.3, waar onder meer de artikelen 7.43b en 7.43k van de ZHOV onder vallen. Dat betekent dat een grootschalige ontwikkeling die het gebied transformeert, in dit geval een zonnepark, mogelijk gemaakt kan worden in de “Groene Buffer”. Een ontheffing moet wel goed worden gemotiveerd. De rechtbank oordeelt op basis van de stukken en het verhandelde op zitting dat gedeputeerde staten het besluit tot ontheffing voldoende hebben gemotiveerd. Daartoe wordt het volgende overwogen. Gedeputeerde staten hebben toegelicht dat het project aansluit bij de kwaliteiten die horen bij de “Groene Buffer”. Dat sprake is van een grootschalige ontwikkeling en transformeren staat hier niet aan in de weg. Gedeputeerde staten hebben ter onderbouwing van hun standpunt het navolgende aangevoerd. Het gebied heeft in de bestaande situatie beperkt de kwaliteiten die horen bij het karakter van een “Groene Buffer”, vanwege het intensieve agrarische gebruik en gebrek aan natuur- en recreatiewaarden. Door de realisatie van brede natuurzones, groenblauwe structuren en de aanzet van het kavelpatroon voegt het project (contrast)kwaliteiten toe aan het gebied die passen bij een “Groene Buffer”. Het belang achter het verbod op transformeren en grootschalige ontwikkelingen in de “Groene Buffer”, namelijk de bescherming van de functie van het gebied als stedelijke tegenhanger, wordt daarom niet geschaad. Verder achten gedeputeerde staten van belang dat er sprake is van een omgevingsfonds, waarmee ruimte wordt geboden aan projecten\u002Finitiatieven van bijvoorbeeld natuurverenigingen of andere organisaties op het gebied van energiebesparing, duurzame energie of verbetering van de leefbaarheid, om zodoende de recreatieve, landschappelijke of natuurwaarde van de “Groene Buffer” te verbeteren. Dit is conform het PARK-advies “Advies over zonnevelden Kijfhoek” van 31 oktober 2023 en de H+N+S-studie naar de inrichting van het gebied Kijfhoek. Ook hechten gedeputeerde staten belang aan het feit dat provinciale staten de RES 1.0 hebben vastgesteld, waarin de locatie Kijfhoek is aangewezen als uitwerkingsgebied voor de opwekking van grootschalige zonne-energie. Met de omgevingsvergunning wordt invulling gegeven aan de taak van nationale reductiedoelstellingen om globale klimaatverandering tegen te gaan. Hier zijn nationale en internationale belangen bij betrokken. Strikte toepassing van de artikelen 7.43b, tweede lid, en 7.43k van de ZHOV zouden deze taak onevenredig belemmeren, waardoor voldoende grond bestaat om ontheffing te verlenen voor deze artikelen op basis van artikel 7.82 van de ZHOV in samenhang met artikel 2.32, vijfde lid, van de Ow. In wat eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de motivering van gedeputeerde staten te twijfelen. 6.6. Het college kon dan ook de ontheffing mede aan de verleende omgevingsvergunning ten grondslag leggen.\n\nRES 1.0a en de zonneladder\n\n7. Eisers betogen dat de zonneladder, zoals weergegeven in de Kamerbrief van 26 oktober 2023 (Kamerstukken II2023\u002F24, 32813, nr. 1310), van toepassing is. Er ontbreekt echter een rapport van onderzoek naar treden 1, 2 en 3 van de zonneladder. Trede 1 houdt in dat er eerst gekeken moet worden naar mogelijkheden voor panelen op daken en gevels. Treden 2 en 3 houden in dat er daarna gekeken moet worden naar gronden binnen en buiten bestaand bebouwd gebied. Het plaatsen van zonnepanelen op landbouw- en natuurgronden komt pas aan de orde als de voorgaande treden niet voldoende mogelijkheden bieden. Er is geen sprake van een combinatie van een substantiële agrarische functie met een zonnepark. De agrarische functie van het gebied komt zelfs in het geheel te vervallen. Daarnaast is geen sprake van bestuurlijk bindende afspraken die in transitie zijn, zoals bijvoorbeeld gronden die in de toekomst een andere bestemming krijgen, zoals een woon-werk-bestemming, recreatie of overgang naar natuur of gronden die minder geschikt worden voor een landbouwfunctie door verzilting, vernatting of bodemdaling. Dit alles maakt volgens eisers dat de gekozen locatie niet voldoet aan de eisen die aan de vestiging van een zonnepark (moeten) worden gesteld. Voorts draagt de aanleg van het zonnepark niet betekenisvol bij aan de vermindering van de netcongestie en zorgt deze ook niet voor vergroting van een efficiënter netwerkgebruik (netneutraal). Het zonnepark vergroot de netcongestie juist. Ten tijde van de Kamerbrief was het project, anders dan het college stelt, niet in een vergevorderd stadium.\n\n7.1.. De rechtbank stelt vast dat in de ZHOV geen zonneladder, zoals eisers hebben omschreven, is opgenomen. Wel geeft artikel 7.76a van de ZHOV regels indien sprake is van een zonneveld buiten bestaand stads- en dorpsgezicht, zoals hier aan de orde is. Met de RES 1.0 is de locatie Kijfhoek aangewezen als uitwerkingsgebied voor de opwekking van grootschalige zonne-energie. In de RES is getoetst aan een vorm van zonneladder. Daarmee wordt voldaan aan artikel 7.76a, derde lid, van de ZHOV. Dat de door eisers aangehaalde Kamerbrief van 26 oktober 2023 de zonneladder heeft aangescherpt, maakt, wat daar verder van zij, gelet op voorgaande niet dat het college hier aan had moeten toetsen.\n\nEvenwichtige toedeling van functies aan locaties\n\n8. Eisers betogen dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan en het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Daartoe hebben eisers een aantal deelonderwerpen aangevoerd.\n\n8.1.. In de navolgende overwegingen wordt per deelonderwerp uitgewerkt of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.\n\n8.2.. Daarbij geldt het volgende toetsingskader. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de gronden van eisers of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.\n\nLandschappelijke kwaliteit en inpassing\n\n9. Eisers voeren aan dat het bouwplan zorgt voor een aantasting van het nu groene open gebied. Eisers 2 vinden dat onvoldoende rekening is gehouden met hun woonboerderij die als gemeentelijk monument is aangewezen. Eisers 1 vinden dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er wordt afgeweken van het vigerend planologisch regime, waar het kleinschalige karakter van het buitengebied moet worden behouden en het landschap zo open mogelijk moet blijven. Eisers 1 menen hier rechten aan te kunnen ontlenen. Verder vinden zij dat met de rapporten die aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag liggen nog niet is gezegd dat het bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar is. Ook de onderbouwing in bijlage C, onder 2.c van het bestreden besluit, is onvoldoende. Dat het financiële risico is afgedekt met een anterieure overeenkomst kan geen motivering zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volgens eisers is het project geen kwaliteitsimpuls voor het gebied. De zonnepanelen zijn 2.20 meter hoog en passen niet in het agrarisch buitengebied, waar kassen, kleine bedrijfjes en woningen staan. De lintbebouwing met open zicht wordt teniet gedaan. Dit zal de landschappelijke kwaliteit en de ecologische waarden van het gebied aantasten. De focus ligt enkel op energietransitie en niet op omgevingskwaliteit. Eisers vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.\n\n9.1.. De rechtbank oordeelt allereerst dat het betoog van het college dat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het relativiteitsvereiste) in de weg staat aan een succesvol beroep van eisers op de aantasting van de landschappelijke kwaliteit door het project, niet slaagt. De rechtbank ziet niet in waarom eisers zich in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet op de landschappelijke kwaliteit van het project kunnen beroepen (zie ook de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, rechtsoverweging 10.2). Eisers wonen aan de Langeweg in de nabijheid van het project en de landschappelijke kwaliteit van het project raakt aan hun belangen.\n\n9.2.. Voorop staat dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat eisers 1 stellen rechten te kunnen ontlenen aan het bestaande omgevingsplan betekent niet dat het college niet mag afwijken van het omgevingsplan. Het college moet wel beoordelen of het project voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiertoe ligt aan het bestreden besluit een ruimtelijke onderbouwing met bijlagen ten grondslag. Anders dan eisers veronderstellen kan de ruimtelijke onderbouwing en alle bijlagen als motivering dienen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat is hier ook het geval zoals blijkt uit het bestreden besluit, maar ook uit de zienswijzenota waarin het college verwijst naar de ruimtelijke onderbouwing en de bijlagen. Dat het college in het bestreden besluit een opmerking heeft gemaakt over de anterieure overeenkomst doet daar verder niet aan af. Het college stelt op basis van de ruimtelijke onderbouwing en de bijlagen dat de landschappelijke kwaliteit en ecologische waarden met het project toenemen. In paragraaf 2.3.2 van de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan, dat als bijlage 7 bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. In paragraaf 2.3.3 van de ruimtelijke onderbouwing is toegelicht dat met het project de watergangen langs de Langeweg en langs de randen van de zonnevelden worden voorzien van natuurvriendelijke oevers. Verder worden er inheemse struwelen aangeplant. Bij het west- en oostveld worden grondwallen gerealiseerd van 1,80 meter boven het maaiveld wat in hoogte gelijk ligt aan de eerste paar rijen van zonnepanelen. Boven op de grondwal komt kruidenrijk gras te staan. Hiermee worden westelijke en oostelijke velden grotendeels aan het zicht ontnomen, en is het aanzicht vanaf de Langeweg een groene grondwal, met daarvoor een natuurvriendelijke watergang. De woonboerderij van eisers 2, die als gemeentelijk monument is aangewezen, ligt op enige afstand van het zonnepark en de landschappelijke inpassing maakt dat het zonnepark grotendeels aan het zicht is onttrokken. Tot slot wordt er een natuurakker en ecologisch gebied gerealiseerd. Dat eisers een andere mening hebben over de ruimtelijke inpasbaarheid van het project en de kwaliteit daarvan betekent niet dat het college goedkeuring aan het project had moeten onthouden. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nZicht op het zonnepark\n\n10. Eisers 1 betogen dat hun uitzicht wordt aangetast. Met het project kijken zij uit op een aarden wal en zonnepanelen in plaats van een open agrarisch veld. Verder geldt specifiek voor het perceel van eiser [eiser 1C] dat de afstand van 250 meter tot het project, zoals gewaarborgd in de RES 1.0, niet wordt nagekomen. Met de RES 1.0a is de afstand van 250 meter van de zonnepanelen tot de achtergevel van woningen kleiner geworden en de afstand van 250 meter van de zonnepanelen tot de zijkant van woningen is komen te vervallen. Het zonnepark komt te dicht op het perceel van [eiser 1C] te staan. Er is dus geen sprake van een goede ruimtelijke inpassing. De openheid wordt blijvend aangetast en de afstand van 250 meter zou behouden moeten blijven.\n\n10.1.. De rechtbank acht het aannemelijk dat het uitzicht van eisers als gevolg van het te realiseren zonnepark in enige mate verandert en zal worden beperkt. Deze effecten zijn echter niet van dien aard dat het college daar gelet op het belang van het zonnepark doorslaggevende betekenis aan had moeten toekennen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het project landschappelijk wordt ingepast waarvan de uitvoering is geborgd in de vergunningvoorschriften. Met de grondwallen en het struweel wordt het zicht op de zonnepanelen ontnomen. Er is geen aarden wal aan de zijkant gekomen om zo het open zicht te behouden richting het rangeerterrein. Verder is van belang dat er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Voor wat betreft het uitzicht van [eiser 1C] overweegt de rechtbank als volgt. In de RES 1.0 staat dat direct achter de woningen aan de Langeweg minimaal een afstand van 250 meter vrij zicht over de polder moet blijven. Anders dan eisers 1 veronderstellen leidt de rechtbank uit de RES 1.0 niet af dat deze afstand ook tot de zijkant van de woningen geldt. Dat achter de woningen een afstand van 250 meter vrij zicht over de polder in acht dient te worden genomen, betekent niet dat het college met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hiervan niet kan afwijken. Het college heeft daarbij de landschappelijke inpassing van het zonnepark mogen betrekken. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nPrivacy\n\n11. Eisers 2 betogen dat hun privacy wordt aangetast, omdat er beweegbare camera’s op acht meter hoge palen worden geplaatst. Eisers willen een zorgboerderij beginnen en het project zal de privacy aantasten.\n\n11.1.. Dit betoog slaagt niet. Uit de stukken en het verhandelde op zitting blijkt dat de aanwezigheid van camera’s noodzakelijk is om het zonnepark te kunnen bewaken, te voldoen aan de voorwaarden van verzekeraars en om (samen met het hek rondom het park) preventief te werken tegen criminaliteit en vandalisme. Gezien het doel van de camera's, zullen deze volgens vergunninghoudster alleen gericht zijn op het terrein van het zonnepark en niet op de gronden van eisers 2. Verder zal, zoals door de vergunninghoudster op zitting is toegelicht, worden voldaan aan alle regels die voortvloeien uit de privacywetgeving, die onder andere het maken van beelden van percelen van derden verbiedt. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de privacy van eisers 2 niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Het college hoefde hier dan ook geen beletsel voor het verlenen van de omgevingsvergunning in te zien en was evenmin gehouden nadere voorschriften te stellen.\n\nAkoestisch effect zonnepark\n\n12. Eisers 2 betogen dat zij geluidsoverlast zullen ondervinden van het project, omdat de zonnepanelen een akoestisch effect hebben op het geluid afkomstig van het rangeerterrein. Verder dragen de transformatoren bij aan het al bestaande geluid afkomstig van het rangeerterrein.\n\n12.1.. De rechtbank stelt vast dat het akoestisch effect van het zonnepark en de transformatoren bij het bestreden besluit is betrokken. Met het rapport “akoestisch onderzoek mogelijke effecten geluidreflectie zonnepark Kijfhoek” van 16 november 2023, dat als bijlage 10 bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, is onderzoek gedaan naar het akoestisch effect van het zonnepark op de woningen aan de Langeweg. Worst-case is uitgegaan van huidig absorberend naar volledig reflecterend geluid door het zonnepark. Vanwege het resultaat in de worst-case benadering en een mogelijke toename van geluid die kleiner is dan 1,3 dB, is geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmering is.\n\n12.2.. Ook het geluid dat afkomstig is van de transformatoren is bij het bestreden besluit betrokken. Onder paragraaf 4.10 van de ruimtelijke onderbouwing staat dat de transformatorstations geluid veroorzaken. Er worden elf transformatorstations gebouwd. Gelet op de afstand tot de nabijgelegen woningen en het gegeven dat de transformator alleen actief is als er zon is, is het volgens de onderzoekers onaannemelijk dat de transformatorstations geluidsoverlast zullen veroorzaken.\n\n12.3.. In wat eisers 2 aanvoeren ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het onderzoeksrapport heeft kunnen baseren voor zijn standpunt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij is ook van belang dat eisers 2 voor het aspect geluid geen tegenonderzoek hebben ingebracht.\n\nElektromagnetische straling\n\n13. Eisers 2 betogen dat zij bloot zullen worden gesteld aan elektromagnetische straling. De boomgaard dient te worden aangemerkt als een gevoelige locatie die direct naast het zonnepark ligt, omdat eisers 2 zich daar minimaal acht uur per dag bevinden.\n\n13.1.. Onder paragraaf 4.8 van de ruimtelijke onderbouwing is de elektromagnetische straling van de omvormers en transformatoren beschouwd. Voor elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgsprincipe, waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (uT). Dit voorzorgsprincipe wordt ook gehanteerd bij een zonnepark, door de afstand van een zonnepark tot gevoelige functies zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij gevoelige bestemmingen niet boven die advieswaarde uitkomt. Uit het RIVM-Rapport “Verkenning van extreem laagfrequente magnetische velden bij verschillende bronnen” (RIVM-rapport 609300011\u002F2009) blijkt dat de magnetische veldsterkte van een transformatorstation 0,4 micro Tesla is op zeven meter afstand. Verder blijkt dat de magnetische veldsterkte sterk afneemt naarmate de afstand tot het transformatorstation toeneemt. De kortste afstand tussen de boomgaard en het transformatorstation is ca. 230 meter. De kortste afstand tussen de woning en het transformatorstation is ca. 390 meter. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college heeft mogen aannemen dat elektromagnetische straling van het zonnepark geen gezondheidsrisico vormt voor omwonenden.\n\nBrandveiligheid\n\n14. Eisers 2 voeren aan dat het project niet veilig is. Het ligt in de buurt van een rangeerterrein en de natuur is verwilderd. Er is dus volgens eisers een verhoogd risico op brand. Het college heeft ten onrechte enkel verwezen naar een advies van de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid.\n\n14.1.. In paragraaf 4.13 van de ruimtelijke onderbouwing is de omgevingsveiligheid, waaronder de brandveiligheid, beschouwd. Hieruit blijkt dat voor brandgevaar bij de omvormers bij het zonnepark een noodschakelaar zal worden geplaatst, waarmee de spanning van het zonnepark gehaald kan worden. Naast de toegangspoorten zullen opstelplaatsen worden gerealiseerd. Er wordt een veiligheidsprotocol voor de veiligheidsdiensten opgesteld. Tevens wordt ervoor gezorgd dat bij calamiteiten de brandweer toegang heeft tot het park. De percelen zijn bereikbaar via de Langeweg, de Groene Steeg en de Munnikensteeg. Bij de inrichting van het zonnepark is rekening gehouden met onderhoudspaden. Via deze onderhoudspaden kunnen de transformatoren bereikt worden bij brand en andere calamiteiten. Met de Veiligheidsregio Zuid Holland is overleg geweest over het plan. Hieruit is gebleken dat de paden in het park minimaal 3,25 meter breed moeten zijn en geschikt voor blusvoertuigen met een gewicht van 11 ton. De entreeweg naar het parkdeel moet worden voorzien van passeerstroken of een minimale breedte hebben van 4,5 meter. Verder moet het park bereikbaar zijn van twee kanten. In het park moet elke plek op circa 80 meter bereikbaar zijn van een blusvoorziening (via een sloot met minimale diepte van één meter, brandput, via koppeling bestaande brandkraan-ringleiding of via een zelf aangelegd pompsysteem (per veld, capaciteit 90 m3) dat aansluit op de ringleiding). Het advies van de veiligheidsregio is overgenomen in het inrichtingsplan. Doordat de hoofdwatergang van het waterschap voldoende watercapaciteit heeft om te blussen, worden alle overige sloten ook verbreed en verdiept (tot ca. 1 meter) rondom het projectgebied. Ook worden blusputten aan het plan toegevoegd. Op deze manier is voor elk zonnepaneel bluswater bereikbaar binnen een straal van circa 80 meter.\n\n14.2.. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college in de brandveiligheid geen aanleiding heeft hoeven te zien om goedkeuring aan het project te onthouden.\n\nNetcongestie\n\n15. Eisers 1 betogen dat het bouwplan niet uitvoerbaar is, omdat er sprake is van netcongestie en een overbelast netwerk.\n\n15.1.. De rechtbank oordeelt ten eerste dat het betoog van het college dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een succesvol beroep van eisers op de uitvoerbaarheid van het projectplan, voor zover dat ziet op netcongestie, niet slaagt. De rechtbank ziet niet in waarom eisers 1 zich in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet op mogelijke netcongestie van het project zouden kunnen beroepen (zie ook de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, overweging 10.2). Netcongestie kan eisers 1 raken in de gebruiksmogelijkheden van hun eigen perceel. Verder geldt dat ook voorkomen moet worden dat eisers worden geconfronteerd met de nadelige ruimtelijke gevolgen van een bestemming die niet uitvoerbaar is. Dat betekent dat het beroep op artikel 8:69a van de Awb niet slaagt.\n\n15.2.. De rechtbank stelt vast dat de uitvoerbaarheidstoets, zoals voorheen opgenomen in artikel 3.1.6, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening, niet is teruggekomen in de Ow (Stb, 2018, 290, p. 105-106). Dit neemt niet weg dat het in strijd kan worden geacht met een evenwichtige functietoedeling als er functies zouden worden toegedeeld waarvan op voorhand aannemelijk is dat deze op de desbetreffende locatie nooit kunnen worden verwezenlijkt. Uit de toelichting op het Omgevingsbesluit (Stb, 2018, 290, p. 105-106) begrijpt de rechtbank dat de oude rechtspraak nog steeds van toepassing is. In het kader van een procedure tegen een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik kan een betoog over de uitvoerbaarheid van het project alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien, en voor zover, het aangevoerde leidt tot de conclusie dat het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het project niet kan worden uitgevoerd. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:354.\n\n15.3.. Uit de stukken en het verhandelde op zitting blijkt dat netcongestie niet aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat. Stedin is betrokken geweest bij de totstandkoming van de RES en heeft geconcludeerd dat er voldoende ruimte is op het netwerk voor het zonnepark. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen.\n\nPFAS en water- en grondmonster\n\n16. Eisers 2 betogen dat de aanwezigheid van poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) in de grond en het water aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat. Er is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van PFAS. Ook stellen zij dat door de zonnepanelen PFAS in de grond komt.\n\n16.1.. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van PFAS niet aan de uitvoerbaarheid van het zonnepark in de weg kan staan omdat een zonnepark geen bodemgevoelig gebouw of locatie is. Bovendien volgt uit het bestreden besluit onder D en onder 7 dat de gemeten concentraties perfluoroctaanzuur (PFOA) en perfluoroctaansulfanaat (PFOS) op de percelen ruim onder de humane risicogrenzen liggen. De rechtbank ziet in wat eisers 2 hebben aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan wat het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Over de stelling van eisers 2 dat PFAS in de grond kan komen via de zonnepanelen overweegt de rechtbank dat deze stelling niet nader is onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk is geworden dat door (slijtage van) de zonnepanelen te hoge concentraties PFAS in de bodem zullen komen. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan vanwege PFAS niet uitvoerbaar is.\n\nFlora- en fauna\n\n17. Eisers 2 betogen dat bij de QuickScan een buizerdnest over het hoofd is gezien. Het nest moet jaarrond beschermd blijven. De kans is volgens eisers 2 groot dat er nog meer beschermde diersoorten zitten. Het college heeft hier ten onrechte niet op gereageerd. Een onderzoek van 20 tot 30 minuten is onvoldoende om te beoordelen of er beschermde diersoorten aanwezig zijn. De dieren die gespot zijn, zullen hun toevlucht nemen tot de boomgaard.\n\n17.1.. De rechtbank stelt voorop dat het college in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet motiveren waarom de flora- en fauna-activiteit niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat. Anders dan eisers 2 veronderstellen is het in dat kader niet noodzakelijk om uitvoerig onderzoek te doen naar soorten. Een QuickScan en een eventueel vervolgonderzoek is daarvoor voldoende.\n\n17.2.. Aan het bestreden besluit liggen, opgenomen als bijlage 6 en 7 bij de ruimtelijke onderbouwing, een QuickScan “flora en fauna zonnepark Zwijndrechtse Waard” van 23 maart 2024 en een vervolgonderzoek naar de grote modderkruiper, platte schijfhoren en kleine wolfsmelk van 14 november 2023 ten grondslag. Op 7 augustus 2023 is tussen 12.00 uur en 16.00 uur onderzoek uitgevoerd. Uit de QuickScan is gebleken dat niet uitgesloten is dat er nesten van vogels, als de buizerd, sperwer of ransuil aanwezig zijn in een rij populieren. De werkzaamheden vinden echter meer dan 200 meter van deze bomenrij plaats. Deze bomenrij zal behouden blijven en verder zal er op voldoende afstand gewerkt worden waardoor een negatief effect redelijkerwijs valt uit te sluiten. Als gevolg van de QuickScan is een vervolgonderzoek gedaan naar de grote modderkruiper, platte schijfhoren en kleine wolfsmelk. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 12 en 24 oktober 2023 tussen omstreeks 10.00 uur en 15.30 uur. Daaruit blijkt dat geen van deze soorten zijn aangetroffen tijdens de veldbezoeken. Met de QuickScan en het vervolgonderzoek heeft het college naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat geen sprake is van een flora-en fauna-activiteit die aan de (uitvoerbaarheid van de) gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat.\n\nAlternatieve locaties\n\n18. Eisers 1 betogen dat niet is gekeken naar alternatieve locaties. Uit het onderzoeksrapport van Royal Haskoning DHV, dat is opgesteld voor de RES 1.0, blijkt dat de Kijfhoek beperkt geschikt is.\n\n18.1.. Het college moet beslissen op de aanvraag zoals deze voorligt. Op grond van vaste rechtspraak geldt dat als een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingt, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1299.\n\n18.2.. De rechtbank stelt vast dat met de RES 1.0 is gekeken naar geschikte locaties waar energie kan worden opgewekt. Uit de RES 1.0 blijkt dat de Kijfhoek een geschikte locatie is. Dat uit het onderzoeksrapport van Royal Haskoning DHV een andere conclusie zou volgen, doet daar niet aan af. Eisers 1 hebben geen alternatieve locaties aangedragen. De rechtbank is van oordeel dat het college de gekozen locatie als passend binnen het beleid heeft mogen achten.\n\nTijdelijk duur\n\n19. Eisers 2 betogen dat de duur van het project niet in redelijke verhouding staat tot de aantasting van het gebied. Door het project verlanden sloten, slibben drainagebuizen dicht, groeit onkruid, komt PFAS in de bodem en in het grondwater en kunnen knaagdieren een plaag vormen. De panelen, kabels, transformatoren, palen met camera’s en inkoopstations moeten na 25 jaar worden verwijderd. Kostbare landbouwgrond en de groene bufferzone gaan zo verloren.\n\n19.1.. Het college heeft gesteld dat de beoogde gebruiksduur van het zonnepark (25 jaar) een substantiële periode is die niet met zich brengt dat de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd. De levensduur van een zonnepark is 25 tot 30 jaar. Na 25 jaar moet weer worden bezien of het zonnepark kan worden doorgezet of dat er andere technieken voorhanden zijn die duurzame energie kunnen opwekken. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid tot een tijdelijke duur van 25 jaar heeft kunnen beslissen.\n\nConclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties\n\n20. Gelet op wat er onder 8 tot en met 19.1 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.\n\nParticipatie en inspraak\n\n21. Eisers betogen dat er onvoldoende aan participatie is gedaan. De eigenaren van de woningen in de gemeente Hendrik Ido Ambacht zijn niet bij de keukentafelgesprekken betrokken. Ook de bewoners van de woningen in Zwijndrecht zijn onvoldoende geïnformeerd. Eisers voeren aan dat niet is voldaan aan het Klimaatakkoord waarin staat dat moet worden gestreefd naar 50% participatie van omwonenden en dat kan worden gerekend op voldoende draagvlak. Verder betogen eisers 1 dat niet is voldaan aan het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, Aarhus, van 25 juni 1998 (Verdrag van Aarhus).\n\n21.1.. Onder de Ow dient bij de aanvraag om een omgevingsvergunning te worden aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken (artikel 16.55, zesde lid, van de Ow in samenhang met artikel 7.4, eerste lid, van de Omgevingsregeling). Dit betekent niet dat er een verplichting tot participatie is. Op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Ow, kan de gemeenteraad echter gevallen van activiteiten aanwijzen waarin participatie van en overleg met derden verplicht is, voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvoor het college bevoegd gezag is, kan worden ingediend.\n\n21.2.. Op grond van artikel 1 van de “Lijst van bindende adviezen op basis van de Omgevingswet tevens lijst van voorafgaande verplichte participatie” van de gemeente Zwijndrecht geldt verplichte participatie bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dit is tussen partijen niet in geschil. De wijze waarop of met wie die participatie moet plaatsvinden, staat niet in deze lijst. Dit betekent dat elke vorm van participatie voldoende is. Anders dan eisers 2 veronderstellen blijkt uit het Klimaatakkoord niet dat er gestreefd moet worden naar 50% participatie. Aan het bestreden besluit ligt een participatieverslag “Verslaglegging participatie Zonnepark Kijfhoek te Zwijndrecht” ten grondslag. Hieruit en uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat er een participatieproces heeft plaatsgevonden. Vergunninghoudster heeft met bijlage 3 bij haar reactie op de beroepen een kaart toegevoegd met een cirkel van 400 meter rondom het uitwerkingsgebied. Alle adressen, waaronder die van alle eisers, binnen deze cirkel hebben per post de uitnodigingen ontvangen voor de bijeenkomsten die door vergunninghoudster zijn georganiseerd (vier in totaal). Voor de eerste bijeenkomst is bij al deze adressen ook een flyer in de brievenbus gedaan of is deze flyer persoonlijk overhandigd. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat het college goedkeuring aan het project had moeten onthouden. Naar het oordeel van de rechtbank is op de juiste wijze aan de verplichte participatie voldaan.\n\n21.3.. Het betoog van eisers 1 dat niet voldaan is aan het Verdrag van Aarhus slaagt evenmin. Op grond van artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus voorziet elke Partij in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is tot stand gekomen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze procedure begint met een aanvraag van een initiatiefnemer en de terinzagelegging van een ontwerpbesluit, waarover door eenieder zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, is inspraak over een ontwerpbesluit vroegtijdige inspraak op een moment dat alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.\n\nBijlagen ontbreken bij het ontwerp\n\n22. Het betoog van eisers 2 dat in strijd met de zorgvuldigheid de bijlagen bij het ontwerpplan niet digitaal raadpleegbaar waren, slaagt niet. Wat daar verder van zij, uit de bekendmaking blijkt dat de stukken ook op het gemeentehuis in te zien waren. Op die manier hadden eisers 2 kennis kunnen nemen van de bijlagen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\nTwee ruimtelijke rapporten en de rechtszekerheid\n\n23. Het betoog van eisers 1 dat het bestaan van twee ruimtelijke onderbouwingen van 18 april 2024 en 26 september 2024 in strijd is met de rechtszekerheid, nu niet duidelijk is welk rapport maatgevend is voor de motivering, slaagt niet. Het college heeft toegelicht dat de ruimtelijke onderbouwing na de ingediende zienswijzen beperkt is aangepast. Hierdoor is niemand benadeeld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat dit in strijd is met de rechtszekerheid.\n\nBetrokkenheid waterschap\n\n24. De stelling van eisers 2 dat het Waterschap Hollandse Delta niet op de hoogte was van het project mist feitelijke grondslag. Het college heeft aangegeven dat het waterschap al in een vroeg stadium is betrokken. Ook zijn er omgevingsvergunningen verleend voor de wateractiviteit. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen.\n\nKabels en leidingen\n\n25. Het betoog van eisers 2 over de vraag of en waar de kabels en leidingen en een fietspad worden aangelegd, valt buiten de omvang van het geding, omdat deze onderwerpen niet tot de omgevingsvergunning behoren. Dat betekent dat deze beroepsgrond niet wordt beoordeeld.\n\nEisers 2 bedrijfsplan\n\n26. Eisers 2 vinden dat er met twee maten wordt gemeten, omdat hun bouwplan voor een zorgboerderij is afgewezen, omdat het in het agrarisch buitengebied ligt, terwijl het zonnepark wel wordt toegestaan.\n\n26.1.. Het college heeft in de zienswijzenota aangegeven dat het bouwplan van eisers 2 op zijn eigen merites zonder enige vorm van willekeur is bezien en niet als passend is beoordeeld. Eisers hebben niet weersproken dat het gaat om plannen die ruimtelijk gezien wezenlijk van elkaar verschillen. Aldus gaat het niet om vergelijkbare gevallen, zodat het college bij het bestreden besluit terecht geen rekening heeft gehouden met het afgewezen bouwplan van eisers.\n\nConclusie en gevolgen\n\n27. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, voorzitter, en mr. T.M.J. Smits en mr. J.G. Bos, leden, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 3:2\n\nBij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.\n\nArtikel 3:4\n\nHet bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.\n\nDe voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.\n\nArtikel 3:46\n\nEen besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.\n\nArtikel 8:69a\n\nDe bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.\n\nOmgevingswet\n\nArtikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\na. een omgevingsplanactiviteit,\n\n[…],\n\ntenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.\n\nArtikel 2.22 (grondslag algemene instructieregels provincie)\n\nBij omgevingsverordening kunnen, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, regels worden gesteld over de uitoefening van taken of bevoegdheden door bestuursorganen om te voldoen aan bij omgevingsverordening vastgestelde omgevingswaarden of voor het bereiken van andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving.\n\nArtikel 2.32 (ontheffing instructieregels)\n\n1. Bij een regel op grond van artikel 2.22 kan worden bepaald dat gedeputeerde staten, op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente of waterschap, ontheffing kunnen verlenen van die regel.\n\n[…].\n\n5. Een ontheffing wordt alleen verleend als de uitoefening van de taak of bevoegdheid waarvoor ontheffing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing is gevraagd.\n\n6. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. In de ontheffing kan worden bepaald dat deze geldt voor een daarbij gestelde termijn.\n\nArtikel 16.85 (bundeling beroep)\n\nVoor de mogelijkheid van beroep wordt een besluit tot het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 2.32 geacht deel uit te maken van het besluit waarover de regel waarvan ontheffing is verzocht, is gesteld.\n\nVoor de mogelijkheid van beroep wordt:\n\neen instructie, gegeven op grond van artikel 2.33 of 2.34, en\n\neen besluit over instemming op grond van artikel 16.16,\n\ngeacht deel uit te maken van het besluit waarop dat besluit betrekking heeft.\n\nBesluit kwaliteit leefomgeving\n\nArtikel 8.0a. (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)\n\nVoor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.\n\nVoor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.\n\nArtikel 8.0b. (doorwerking instructieregels, instructies, voorbereidingsbesluiten en projectbesluiten – buitenplanse omgevingsplanactiviteit, niet van provinciaal of nationaal belang)\n\n1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing:\n\nde regels van hoofdstuk 5;\n\nop grond van artikel 2.22 van de wet gestelde regels over omgevingsplannen; en\n\n[…].\n\n2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als:\n\nde omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie als bedoeld in het eerste lid;\n\n[…]; of\n\n[…].\n\n[…]..\n\nZuid-Hollandse Omgevingsverordening\n\nin werking tot 1 januari 2025 vanaf 24 juli 2024\n\nArtikel 7.41b (toepassingsbereik)\n\nDeze paragraaf is van toepassing op nieuwe ruimtelijk ontwikkelingen.\n\nArtikel 7.42 (aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden met beschermingscategorieën)\n\n[…].\n\nGebieden met beschermingscategorie 2 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.\n\n[…].\n\n5. Het gebied met beschermingscategorie 2, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit de gebiedstypen belangrijk weidevogelgebied, groene buffer en recreatiegebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.\n\n[…].\n\nArtikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling)\n\nVoor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:\n\n[…];\n\n[…];\n\ntransformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.\n\nArtikel 7.43b (aanvaardbaarheid soort ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie)\n\n[…].\n\nEen omgevingsplanplan voor een locatie met beschermingscategorie 2 als bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43i, 7.43j of 7.43k.\n\n[…].\n\nArtikel 7.43k (gebiedstype: beschermingscategorie 2 groene buffers)\n\nEen omgevingsplan voor locaties binnen groene buffers als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord.\n\nIn de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:\n\nde functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek;\n\nde identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving;\n\nde bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling;\n\ne recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied;\n\nde natuurwaarde van het gebied;\n\nhet agrarische karakter van het gebied in de nabijheid van de stedelijke omgeving.\n\nArtikel 7.76a (zonnevelden)\n\nDit artikel is van toepassing op een nieuw zonneveld met een oppervlakte van meer dan 500 m2 buiten bestaand stads- en dorpsgebied.\n\nVoor zover een omgevingsplan van toepassing is op een nieuw zonneveld, laat het omgevingsplan dit alleen toe op de volgende locaties:\n\nagrarische bouwpercelen;\n\nlocaties met een functie verkeersinfrastructuur of een locatie ten dienste daarvan;\n\nslibdepots, waterbassins, spaarbekkens, bergingsgebieden en voormalige stortplaatsen;\n\nglastuinbouwgebied mits er sprake is van meervoudig ruimtegebruik en aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied;\n\nen locatie waar een stedelijke functie is toegedeeld, maar waar die functie nog niet is gerealiseerd;\n\neen windpark.\n\n3. In afwijking van het tweede lid kan een omgevingsplan in zoekgebieden voor zon uit Regionale Energie Strategieën die door provinciale staten zijn vastgesteld zonnevelden toelaten mits het zoekgebied verder is uitgewerkt en regionaal is afgestemd.\n\n4. Het omgevingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid, bevat, in aanvulling op paragraaf 7.3.7, een motivering over:\n\n5. de bijdrage die wordt geleverd aan het behouden en versterken van de biodiversiteit en een zorgvuldige landschappelijke inpassing;\n\n6. het combineren met andere relevante opgaven.\n\n7. Een omgevingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid, verzekert:\n\n8. de realisatie en de instandhouding van inrichtingsmaatregelen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing en het behouden en versterken van de biodiversiteit;\n\n9. dat het zonneveld en de bijbehorende andere bouwwerken na afloop van de opwekking van energie worden gesloopt.\n\nArtikel 7.82 (ontheffingsbevoegdheid gedeputeerde staten)\n\nGedeputeerde staten kunnen op verzoek ontheffing verlenen van de regels in afdeling 7.3.\n\nTijdelijk deel van het omgevingsplan: het bestemmingsplan Buitengebied\n\nArtikel 3 Agrarisch3.1. \n\nBestemmingsomschrijving\n\nDe voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. het uitoefenen van een agrarisch bedrijf zoals genoemd in lid 1.9 onder a en b;\n\n[…].\n\n Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Artikel 7.42, tweede lid en vijfde lid, van de ZHOV.\n\n Artikel 2.22 van de Ow.\n\n Artikel 2.32, eerste lid, van de Ow in samenhang met artikel 7.82 van de ZHOV.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4563","2026-04-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.544Z",20,[11,149,150,151,152],2024,2023,2022,2021]