[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-environmental-permit-nl-2023":3},{"detail":4,"years":121},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":29,"page":14,"limit":120},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},93,"environmental-permit-nl","Environmental Permit","NL","2026-07-08T16:55:59.522Z",2023,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":17},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":14},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,62,72,81,91,101,110],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"670","ECLI:NL:RBZWB:2023:6790","ecli-nl-rbzwb-2023-6790","",64,"2023-10-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F3681 en 22\u002F5416 WABOA\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 oktober 2023 in de zaken tussen\n \n [naam verzoeker 1] , [naam verzoeker 2] en [naam verzoeker 3] , uit [woonplaats] , verzoekers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg, het college.\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel:\n\n [naam vergunninghouder]uit [woonplaats] (vergunninghouder)\n\n(gemachtigde: mr. C.A.F. Haans).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de woning op het perceel [straatnaam] 4b in [woonplaats] en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.\n\n1.1.. Het college heeft deze omgevingsvergunning met het primaire besluit van 7 juni 2022 verleend.\n\n1.2.. Bij het bestreden besluit van 25 oktober 2022 heeft het college de bezwaren van verzoekers hiertegen ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning onder verbetering van de motivering gehandhaafd.\n\n1.3.. Verzoekers hebben hiertegen op 16 november 2022 beroep ingesteld. Op 12 juli 2023 hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.4.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 19 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker [naam verzoeker 1] , namens het college [naam vertegenwoordiger] en namens vergunninghouder zijn gemachtigde en zijn partner [naam partner] .\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nOordeel van de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers een spoedeisend belang bij hun verzoek om voorlopige voorziening. Ter zitting is namens vergunninghouder bevestigd dat de werkzaamheden zijn begonnen.\n\n2.1.. De voorzieningenrechter verder is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak en doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nHet bouwplan\n\n3. Het bouwplan van vergunninghouder bestaat uit het verwijderen van de kapconstructie (zadeldak) van de vrijstaande woning en het realiseren van een verdieping met een plat dak. Verder wordt de bestaande schuur op het voorerf verwijderd en in plaats daarvan wordt een garage\u002Fberging gebouwd aan de linker voorzijde van de woning. Aan de achterkant wordt de bestaande serre afgebroken en vervangen door een iets grotere aanbouw.\n\nHet bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’\n\n3. Het perceel ligt in het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ en heeft daarin deels de bestemming ‘Wonen’ en deels de bestemming ‘Tuin’.\n\nHet college heeft vastgesteld dat het bouwplan van vergunninghouder op twee punten in strijd is met het bestemmingsplan:\n\nhet platte dak van de nieuwe verdieping heeft een (goot)hoogte van circa 6,1 meter, terwijl hoofdgebouwen een goothoogte mogen hebben van maximaal 4 meter; en\n\nde aanbouw aan de voorzijde van de woning bevindt zich op gronden met de bestemming ‘Tuin’, terwijl op deze gronden slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd mogen worden.\n\nAfwijken van het bestemmingsplan\n\n4. Het college heeft op deze twee punten omgevingsvergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 4, eerste en negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\n4.1.. Verzoekers voeren aan dat de aanbouw aan de voorzijde niet gebaseerd kan worden op artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor, omdat het bebouwde oppervlakte en het bouwvolume worden vergroot. Zij hebben ook geen andere grondslag kunnen vinden op grond waarvan de aanbouw aan de voorzijde vergund zou kunnen worden. Verzoekers stellen dat zij ook geen grondslag hebben kunnen vinden voor de overschrijding van de goothoogte. Het gaat volgens hen dus om cumulatieve (aanbouw aan de voorzijde én goothoogte) strijdigheid met het bestemmingsplan waarvoor geen grondslag is.\n\n4.2.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.\n\nIn artikel 4 van bijlage II bij het Bor heeft de wetgever categorieën van gevallen aangewezen waarin een omgevingsvergunning in afwijking van een bestemmingsplan kan worden verleend. Met het eerste lid is dat mogelijk gemaakt voor een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan. Onder bijbehorend bouwwerk wordt hierbij ook verstaan: een uitbreiding van het hoofdgebouw. Met het negende lid is dat mogelijk gemaakt voor het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten.\n\nVolgens vaste rechtspraakvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, mogen artikel 4, eerste en negende lid, van het Bor met elkaar gecombineerd worden. De uitbreiding van het hoofdgebouw is een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het eerste lid. De bebouwde oppervlakte of het bouwvolume mag op grond van het negende lid niet worden vergroot, maar daar ziet nu juist de afwijking met het eerste lid op. En deze maakt ook de goothoogte van 6,1 meter mogelijk.\n\nDit betekent dat het college bevoegd is om op deze grondslag omgevingsvergunning te verlenen voor de afwijkingen van het bestemmingsplan.\n\nGoede ruimtelijke ordening\n\n5. Als een aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan kan de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo slechts worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.\n\n5.1.. \n\nBij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, komt het college beleidsruimte toe en moet het de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.\n\nDe bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.5.2.. In het primaire besluit heeft het college overwogen dat het afwijken geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, en dat het geen onevenredige afbreuk doet aan het straat en bebouwingsbeeld. Het college is daarom van mening dat realisatie van het bouwplan ruimtelijk gezien aanvaardbaar is.\n\n5.3.. In bezwaar hebben verzoekers gewezen op artikel 2.2 van de ‘Beleidsregels afwijken van het bestemmingsplan’ van het college van 17 mei 2011 (hierna: de beleidsregels). Daarin staat:\n\n“2.2. Bijbehorend bouwwerk voor de voorgevel van de woning binnen de bebouwde kom\n\nIn de regel wordt medewerking verleend aan bouwplannen die gerealiseerd worden voor de voorgevelrooilijn zoals aangeduid in het vigerende bestemmingsplan, mits de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer bedraagt dan 6 m² en de goot (-of boeibord)hoogte niet meer dan 3 meter bedraagt. Afwijking van de regels van het bestemmingsplan mag niet tot gevolg hebben dat het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid onevenredig worden aangetast.”\n\nAan deze bepaling van de beleidsregels wordt niet voldaan, omdat de aanbouw aan de voorzijde meer bedraagt dan 6 m².\n\n5.4.. Op advies van de bezwaarschriftencommissie heeft het college de ruimtelijke motivering in het bestreden besluit aangevuld. Het college stelt dat op grond van artikel 12 van de beleidsregels gemotiveerd afwijken in bijzondere gevallen mogelijk is, indien toepassing ervan in een specifieke situatie onredelijk zou zijn. In dit geval wordt het bouwplan uitgevoerd op een groot perceel, ligt de betreffende woning ver naar achteren en wordt een voor de woning gelegen bijgebouw (de schuur van circa 70 m2) verwijderd. Dit maakt dat deze uitbreiding van het hoofdgebouw voor de voorgevelrooilijn in deze specifieke situatie aanvaardbaar wordt geacht. De hoofdmassa van de woning blijft op dezelfde plek. De grotere duurzame moderne woning past bij de moderne bebouwing van [naam bestemmingsplan] bedrijventerrein en de dierenartsenpraktijk.\n\n5.5.. De voorzieningenrechter kan het college in deze motivering volgen. Daar staan tegenover de belangen van verzoekers. Ter zitting is komen vast te staan dat verzoekers [naam verzoeker 2] ( [straatnaam] 8) en [naam verzoeker 3] ( [straatnaam] 6) geen zicht hebben op de woning van vergunninghouder, omdat tussen [straatnaam] 4b en hun percelen een loods staat, die hen het zicht op het bouwplan ontneemt. Ter zitting is aangegeven dat zij vrezen voor een waardedaling van hun woning als gevolg van het bouwplan van vergunninghouder, maar de voorzieningenrechter ziet niet in waarom de waarde van hun woningen zou dalen als het uitzicht ongewijzigd is. Verzoeker [naam verzoeker 1] ( [straatnaam] 4) heeft wel direct zicht op het bouwplan. Voor wat betreft zijn belang moet echter worden vastgesteld dat de aanbouw aan de voorkant van de woning [straatnaam] 4b op een grotere afstand van de perceelsgrens met zijn perceel komt dan de oude schuur, dat deze wordt uitgevoerd met een houten wand en dat er een groene haag zal worden teruggeplaatst. Gelet daarop kan niet worden staande gehouden dat verzoeker [naam verzoeker 1] onevenredig in zijn belangen wordt geschaad omdat het college medewerking wil verlenen aan het bouwplan van vergunninghouder.\n\nAdvies WARK\n\n6. Verzoekers voeren aan dat zij pas op de hoorzitting van 8 september 2022 op de hoogte werden gebracht van het advies van het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (het WARK) van 12 augustus 2021. Zij vinden dat dit advies niet ten grondslag kan worden gelegd aan de pas op 13 april 2022 aangevraagde en op 7 juni 2022 verleende omgevingsvergunning. Dit advies had op grond van artikel 9.8, tweede lid, van de Bouwverordening van de gemeente Middelburg bij de aanvraag om omgevingsvergunning moeten worden gevoegd. Volgens verzoekers heeft het WARK zijn bevoegdheid overschreden door zich niet te beperken tot het geven van algemene informatie in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 7 van de ‘Verordening regelende de samenstelling, werkwijze en bevoegdheden van het WARK’. Bovendien staat in het advies ten onrechte dat ervan uitgegaan wordt dat het bestaande groen zo goed als volledig intact blijft. Daarvan is, gelet op de uitbreiding van het bebouwde oppervlak, geen sprake.\n\n6.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat het zich wel mocht baseren op het advies van het WARK van 12 augustus 2021. Door het WARK worden bouwplannen beoordeeld op basis van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Middelburg van 2016. Deze nota is niet veranderd en ook het bouwplan is ongewijzigd, waardoor niet wordt ingezien dat het advies gedateerd zou zijn. Het WARK zou met andere woorden het ongewijzigde bouwplan nu dan ook niet anders beoordelen.\n\n6.2.. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.\n\n6.3.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich op het advies van het WARK mocht baseren. Nu de nota en het bouwplan niet gewijzigd zijn ten opzichte van de beoordeling op 12 augustus 2021, is er onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit advies nu niet meer zou gelden. Verzoekers hebben geen tegenrapport ingediend van een ander deskundig te achten persoon of instantie. Dat verzoekers het bouwplan te ingrijpend en niet mooi vinden, is een subjectief standpunt dat onvoldoende is om aan het advies van het WARK te twijfelen. Het WARK vindt het bouwplan van vergunninghouder een aanzienlijke verbetering van de bestaande beeldkwaliteit. Zij gaan ervan uit, en dringen erop aan, dat het bestaande groen zo goed als volledig intact blijft, maar stellen dit niet als vereiste voor haar goedkeuring.\n\nOverleg\n\n7. Verzoekers geven aan dat zij betreuren dat er voor de aanvraag om een omgevingsvergunning geen overleg heeft plaatsgevonden tussen hen en vergunninghouder en\u002Fof de gemeente. Zij werden pas geconfronteerd met de plannen door de officiële publicatie van de omgevingsvergunning op 15 juni 2022, terwijl het WARK kennelijk al op 12 augustus 2021 op de hoogte was van de plannen.\n\n7.1.. Het college stelt dat het uiteraard raadzaam is dat omwonenden rechtsreeks door de initiatiefnemer over bouwplannen (vooraf) geïnformeerd worden. Dit is echter geen wettelijke verplichting. De gemeente publiceert bouwaanvragen. Dit geeft voor omwonenden de gelegenheid om hierover contact op te nemen met de initiatiefnemer.\n\n7.2.. De voorzieningenrechter overweegt op dit punt dat de huidige regelgeving voor het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van een bestemmingsplan, als hier aan de orde, geen verplichting tot participatie of het verkrijgen van voldoende draagvlak bevat.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Nu de beroepsgronden niet slagen, zal het beroep ongegrond worden verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Dit betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.\n\n8.1. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 3 oktober 2023 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Met toepassing van artikel 8:86 van de Awb.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:819.\n\n ABRvS 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3465.\n\n ABRvS 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2635.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:6790","2023-10-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:42.314Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1319","ECLI:NL:RBZWB:2023:6276","ecli-nl-rbzwb-2023-6276","2023-08-31T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 23\u002F1919 WABO\n\nuitspraak van 31 augustus 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] en [eiseres] , te [plaats] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats], verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 6 februari 2023, verzonden 23 februari 2023 (bestreden besluit) inzake de aan [vergunninghouder] verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakopbouw op de bestaande garage met carport op het perceel [adres 1] te [plaats] .\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 19 juni 2023. [eiser] is in persoon verschenen. [eiseres] is niet verschenen.\n\nHet college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Gielen en [naam] . [vergunninghouder] heeft zich niet als derde belanghebbende aangemeld.\n\nDe rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.\n\nOverwegingen\n\n1. Op 12 april 2022 heeft [vergunninghouder] omgevingsvergunning gevraagd voor het realiseren van een dakopbouw op de bestaande garage met carport op het perceel [adres 1] te [plaats] .\n\nOp 18 mei 2022 heeft de gemeentelijke Welstandscommissie geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand.\n\nOp een daartoe strekkend verzoek van het college heeft vergunninghouder een verslag van de omgevingsdialoog overgelegd. Deze dialoog was nodig omdat de dakopbouw een goothoogte heeft van 5,50 meter, die daarmee 2,50 meter hoger is dan op grond van het bestemmingsplan is toegelaten.\n\nBij het primaire besluit van 16 juni 2022 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Het college heeft omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen “het bouwen van een bouwwerk” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en voor de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Ten behoeve van deze laatste activiteit heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, eerste lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) voor een goothoogte van 5,50 meter.\n\nTegen dit besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend. Zij wonen op het perceel [adres 2] en hun achtertuin grenst aan de achtertuin van [adres 1] . Door de dakopbouw hebben zij minder zicht op de bomen die achter de dakopbouw staan.\n\nBij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.\n\n2. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat zij zich niet kunnen vinden in het positieve welstandsadvies. Naar hun mening is de Welstandscommissie onvoldoende duidelijk over de gebruikte welstandscriteria en is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van omwonenden en de impact van het bouwplan op hun woon- en leefklimaat. Het college heeft het advies overgenomen zonder motivering. Dit is in strijd met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Voorts hebben eisers er op gewezen dat vergunninghouder de omgevingsdialoog niet op de juiste manier heeft uitgevoerd. Zij zijn namelijk niet betrokken in die dialoog en daarom is hun belang niet meegenomen in de besluitvorming. Daarnaast hebben eisers, met een beroep op Europeesrechtelijke verdragsbepalingen, betoogd dat hun uitzicht onrechtmatig beperkt wordt door de dakopbouw en dat daardoor de waarde van hun woning vermoedelijk zal dalen. In dit verband hebben zij zich op het standpunt gesteld dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieve bouwmogelijkheden die minder nadelig zijn voor hun woon- en leefklimaat. Ten slotte hebben eisers aangevoerd dat zij vermoeden dat niet alle bijlagen in de bezwaarfase ter inzage hebben gelegen.\n\n3.1. Volgens eisers kregen zij de stukken in de bezwaarfase te laat aangeleverd. Ter zitting heeft het college aangegeven dat in de bezwaarfase, met het oog op de hoorzitting, alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage hebben gelegen en dat eisers daarvan op de hoogte zijn gesteld. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat hij niet in zijn belangen is geschaad door de late toezending van de stukken. Voorts is ter zitting vastgesteld dat eisers in beroep over dezelfde stukken beschikken als de rechtbank.\n\nDit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de grief van eisers dat zij vermoeden dat niet alle bijlagen in de bezwaarfase ter inzage hebben gelegen en dat zij stukken te laat kregen aangeleverd, niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.\n\n3.2. Blijkens het advies van de Bezwaarschriftencommissie heeft het college op 31 januari 2017 een beleidsregel vastgesteld met de strekking dat ter onderbouwing van een aanvraag waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan een verslag van een omgevingsdialoog wordt overgelegd. De bedoeling daarvan is om voor het bouwplan een breder draagvlak in de buurt te krijgen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat vergunninghouder het bouwplan alleen heeft voorgelegd aan de bewoners van de Glennstraat die zicht kunnen hebben op de dakopbouw. Hij heeft verzuimd om ook eisers als achterburen te consulteren. Volgens eisers is hen nu de mogelijkheid onthouden om aanpassing van het bouwplan te bewerkstelligen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers door dit verzuim niet in hun belangen geschaad omdat zij daarna in bezwaar en nu in beroep bij de rechtbank alsnog hun visie op (de omvang van) het bouwplan kunnen geven.\n\nDe rechtbank oordeelt dat deze grief van eisers niet kan slagen.\n\n3.3. De gemeentelijke Welstandscommissie heeft getoetst aan de Nota Ruimtelijke Kwaliteit [plaats] (hierna: de Nota). Naar aanleiding van het bezwaarschrift van eisers heeft de Welstandscommissie in een notitie van 5 oktober 2022 nog eens expliciet uitgelegd op welke wijze zij tot het positieve welstandsadvies is gekomen. Aangegeven is aan welke criteria getoetst is en in welk hoofdstuk en op welke bladzijde van de Nota dit terug te vinden is. Eisers zijn het niet eens met de desbetreffende regels van de Nota en met het welstandsoordeel, maar nu de Welstandscommissie het bouwplan op de juiste wijze heeft getoetst aan de Nota kan de andersluidende visie van eisers niet tot de conclusie leiden dat het bouwplan negatief beoordeeld had moeten worden. Deze grief van eisers kan evenmin slagen. Verder mocht het college het advies van de Welstandscommissie overnemen. Dit is niet in strijd met de door eisers aangevoerde beginselen. Zoals hiervoor is vermeld, is het advies nader toegelicht. Daarnaast hebben eiseres zelf geen advies van een andere deskundige overgelegd of nadere aanknopingspunten aangevoerd, waardoor er twijfel zou kunnen bestaan over de deskundigheid van de Welstandscommissie of het overnemen van het advies.\n\n4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Woongebieden en bedrijventerreinen, [plaats] ” rust op het perceel [adres 1] de bestemming “Wonen” met de aanduiding “specifieke bouwaanduiding 1” en maatvoering “maximum bouwhoogte: 9 m; maximum goothoogte: 6 m”.\n\n4.1. \n\nHet bouwplan is voor een deel geprojecteerd op gronden met de aanduiding “specifieke bouwaanduiding 1” en voor een deel op gronden zonder deze aanduiding. Op dit deel mogen ingevolge artikel 13.2.1 van de planregels aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd met een bouwhoogte van 5,5 m en een goothoogte van 3 m.\n\nHet bouwplan heeft deels schuine dakvlakken en voor het overige een plat dakvlak op de bouwhoogte, waardoor ook de goothoogte op 5,5 m komt. Voor het deel van het platte dak dat buiten de aanduiding “specifieke bouwaanduiding 1” is geprojecteerd is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan omdat daar een maximale goothoogte van 3 m geldt.\n\n4.2. Deze afwijking van het bestemmingsplan heeft het college vergund met toepassing van de zogeheten kruimelregeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor.\n\n4.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid toepassing kunnen geven aan deze afwijkingsmogelijkheid. De “specifieke bouwaanduiding 1” op de plankaart heeft een uitstulping die grenst aan de [straatnaam] . Daardoor is het op grond van het bestemmingsplan zonder meer toegestaan om op die uitstulping de woning [adres 1] uit te breiden met een bouwhoogte van 9 m. Dat betekent dat eisers geconfronteerd hadden kunnen worden met een dakopbouw met een bouwhoogte van 9 m, waardoor hun zicht op de bomen nog veel verder beperkt had kunnen worden zonder dat het college een belangenafweging had moeten maken. Die maximale bouwmogelijkheid op grond van het bestemmingsplan maakt dat het college doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van vergunninghouder bij realisatie van het bouwplan boven het belang van eisers bij het niet beperken van hun uitzicht op de bomen achter de dakopbouw. Daarbij wijst de rechtbank op onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:708, waarin is geoordeeld dat - anders dan eisers stellen - er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. De woning van eisers is gelegen in een stedelijke omgeving zodat enig verlies van uitzicht door het bouwplan niet volledig is uit te sluiten. Het zoeken naar een alternatieve dakopbouw is dan ook niet zinvol en in een dergelijke situatie is het college gehouden om te beslissen op de aanvraag zoals die door vergunninghouder is ingediend. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eventuele waardevermindering geen doorslaggevend gewicht in de schaal kon leggen.\n\n4.4. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van eisers, voor zover gericht tegen de afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een hogere goothoogte, ongegrond verklaard dient te worden.\n\n5.1. Omdat de beroepsgronden van eisers mede gericht zijn tegen de bouwhoogte van het bouwplan, kan de rechtbank er niet omheen dat omgevingsvergunning is gevraagd en verleend voor het realiseren van een dakopbouw op de bestaande garage met carport terwijl de carport niet bestaand is. Ter zitting heeft het college erkend dat de carport vergund is door de onjuiste vermelding in de aanvraag en de onjuiste bouwtekeningen waarop de carport al is ingetekend in de bestaande situatie, waarop in de nieuwe situatie de dakopbouw wordt geplaatst.\n\n5.2. Omdat het college de carport vergund heeft zonder dat dit bouwwerk is aangevraagd zal de rechtbank het beroep van eisers op dit punt gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de activiteit “bouwen”. Omdat vergunninghouder zijn bouwaanvraag moet corrigeren en de bouwtekeningen zodanig moet aanpassen dat ook omgevingsvergunning gevraagd wordt voor de carport, zal de rechtbank ook het bezwaar van eisers gegrond verklaren voor zover dit gericht was tegen de bouwhoogte en het primaire besluit herroepen voor zover daarbij omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit “bouwen”.\n\n5.3. Dit betekent dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft en dat de omgevingsvergunning van 16 juni 2022 in stand blijft voor zover deze betrekking heeft op de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan”. Voorts betekent deze uitspraak dat als vergunninghouder zijn bouwaanvraag zodanig aanpast dat ook omgevingsvergunning gevraagd wordt voor het bouwen van de carport, hiervoor geen afwijking van het bestemmingsplan meer vereist is. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo staat niet aan splitsing van de beide activiteiten in de weg.\n\n5.4. Vanwege de gedeeltelijke gegrond verklaring zal de rechtbank het college opdragen het betaalde griffierecht aan eisers te vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de bouwhoogte van de dakopbouw en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;\n\nverklaart de bezwaren van eisers gegrond voor zover gericht tegen de bouwhoogte en herroept het primaire besluit voor zover daarbij omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit “bouwen”;\n\nverklaart het beroep van eiseres voor het overige ongegrond;\n\ndraagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,-- aan eisers te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 31 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.\n\nP.H.M. Verdonschot, griffier A.G.J.M. de Weert, rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:6276","2023-09-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.798Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"580","ECLI:NL:RBOBR:2023:3260","ecli-nl-rbobr-2023-3260",72,"2023-07-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SHE 22\u002F2751 en SHE 22\u002F2730\n uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2023 in de zaken tussen\n Brabant Luchtvaart Beheer B.V. h.o.d.n. Kempen Airport, uit Budel, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Schnitker),\n\nen\n\n [eisers], uit [woonplaats] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck, het college\n\n(gemachtigden: mr. A.W.R. Verbruggen, D. Kara en M.B.E.J. Kösters).\n\nAls derde-partijen nemen aan de zaken deel: de raad van de gemeente Cranendonck,[naam] B.V.en[naam] B.V., beide uit [vestigingsplaats] , (gemachtigde: mr. S.L. Kombrink).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres en eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor een zonnepark, genaamd Nyrstar II, gelegen in een gebied tussen de Fabrieksstraat en de Hoofdstraat in Budel-Dorplein, gemeente Cranendonck.\n\n2. Het college heeft deze omgevingsvergunning met het besluit van 5 oktober 2022 verleend.\n\n3. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. [naam] B.V. ( [naam] ) heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\n4. De rechtbank heeft de beroepen op 24 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam] , de gemachtigden van het college, en de gemachtigde van [naam] en [naam] B.V., vergezeld door [naam] , [naam] , [naam] en [naam] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunning voor de realisatie van het zonnepark. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres en eisers.\n\n6. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eisers gegrond is en het beroep van eiseres ongegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n7. De voor de beoordeling van de beroepen van belang zijnde regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nFeiten\n\n8. [naam] en [naam] B.V (derde-partijen) willen een zonnepark realiseren, genaamd Nyrstar II, op het industrieterrein Nyrstar te Budel-Dorplein, op de percelen kadastraal bekend gemeente Budel, sectie G, nummers [nummers] . Het zonnepark is voorzien op het (braakliggend) terrein van een zinkfabriek en wordt omgeven door natuurgebied de Loozerheide aan de oostzijde, de Zuid-Willemsvaart aan de zuidzijde en aan de noordzijde door een spoorlijn. Het zonnepark heeft, inclusief de landschappelijke inpassing, een omvang van ongeveer 41 hectare, waarvan ongeveer 23 hectare zal worden gebruikt voor het plaatsen van zonnepanelen. Het zonnepark zal ongeveer 58 megawattpiek aan duurzame energie opwekken en ligt in de directe nabijheid van een al aanwezig zonnepark.\n\n9. Eisers wonen allen in het dorp Budel-Dorplein op een afstand van meer dan één kilometer van het zonnepark. Eiseres exploiteert luchthaven Budel, ook wel Kempen Airport genoemd, en richt zich met name op de kleine zakelijke luchtvaart die gebruik maakt van een verharde landingsbaan. Het vliegveld beschikt daarnaast over een grasbaan voor Micro Light Aircrafts (MLA’s), die gelegen is tussen de verharde hoofdbaan en de Loozerheide.\n\n10. Ter plaatse van de percelen waarop het zonnepark is voorzien geldt op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Industrieterrein Dorplein” de bestemming “Bedrijventerrein 1a”. Op grond van dit plan zijn aan een deel van het perceel de aanduidingen “ondergrondse leiding” en “invliegfunnel vliegveld Budel” toegekend. Daarnaast geldt voor een gedeelte van het plangebied het bestemmingsplan “Zonering Luchthaven Budel”. Op grond van dit plan heeft een gedeelte van het plangebied de gebiedsaanduidingen “geluidzone – luchthaven Budel 3”, “luchtvaartverkeerzone – 1”, “luchtvaartverkeerzone - 2”, “luchtvaartverkeerzone – 3” en “veiligheidszone – externe veiligheid luchthaven Budel 2”. Het college heeft de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan “Industrieterrein Dorplein” verleend, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). De omgevingsvergunning heeft een geldigheidsduur van 25 jaar. Ten behoeve van het project heeft de raad van de gemeente Cranendonck op 27 september 2022 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven als bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo.\n\n11. Op deze zaak is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (de Chw) van toepassing, omdat het project ziet op de aanleg van een productie-installatie ten behoeve van hernieuwbare elektriciteit met behulp van zonne-energie, zoals bedoeld in categorie 1.1 van bijlage I bij de Chw.Beroepsgronden\n\nIngetrokken\n\n12. Ter zitting heeft eiseres haar beroepsgrond over de strijd van het bestreden besluit met artikel 20 van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen ingetrokken.\n\nVrees voor veiligheid en geluidoverlast\n\n13. Eiseres stelt dat MLA’s nu vliegen over het perceel waarop het zonnepark zal worden aangelegd. Zij vreest dat er een gevaarlijke situatie kan ontstaan voor de inzittenden van MLA’s, als zij over het zonnepark vliegen op het moment dat er een motorstoring optreedt. Er wordt ter hoogte van het zonnepark namelijk nog op lage hoogte gevlogen, waardoor het voor een MLA-vlieger, die bij een eventuele motorstoring alleen nog rechtuit kan landen, niet mogelijk is om op tijd een open gebied te vinden waar een noodlanding kan worden uitgevoerd. Eiseres en ook eisers vrezen daarom dat piloten na realisatie van het zonnepark uit veiligheidsoogpunt een andere vliegroute zullen kiezen en dan dichter bij Dorplein zullen gaan vliegen. Dat blijkt volgens eiseres ook uit het onderzoek ‘MLA circuit versus Metalot (DIC) en zonnepanelen’ van To70 van juli 2019, welk onderzoek door het college ten onrechte niet is betrokken bij zijn besluitvorming. Omdat de plannen omtrent het zonnepark na het uitbrengen van het rapport van Adecs Airinfra Consultants (Adecs) in 2021 zijn aangepast, stelt eiseres dat het college zijn besluit daarop niet heeft mogen baseren. Dat het college de veiligheid van de luchtvaart niet heeft betrokken bij zijn besluit, blijkt volgens eiseres ook uit het feit dat bij het opstellen van het inpassingsplan op geen enkele wijze met haar overleg is gevoerd. Een andere vliegroute heeft volgens eisers voor hen tot gevolg dat de geluidbelasting op hun woningen zal toenemen. Die geluidbelasting is al hoog vanwege een nabijgelegen NAVO-vliegbasis, de zinkfabriek en vrachtverkeer over de Hoofdstraat. Eiseres stelt dat er hierdoor een hogere geluidbelasting kan optreden op de handhavingspunten HH1 en HH2. Overschrijding van de geluidgrenswaarden kan nadelige gevolgen hebben voor het toegestane gebruik van de luchthaven.\n\n14. Het college betwist niet (langer) dat het zonnepark, wat het MLA-vliegverkeer betreft, voor een klein deel onder het MLA-vliegcircuit ligt en deels onder exit 21. Er zijn geen specifieke regels voor MLA-vliegverkeer, aldus het college. De uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt bij de vlieger zelf. MLA-vliegtuigen staan er volgens het college om bekend dat zij een korte landings- en startmogelijkheid hebben zonder grote eisen aan infrastructuur. Een goed weiland zou volgens het college voldoende moeten zijn. Daar is rondom het zonnepark ook sprake van. De omgeving van Nystar bestaat veelal uit bebossing en treinrails. Het is niet realistisch om met een noodlanding rekening te moeten houden. Bovendien is nood- of voorzorglanden in een zonnepanelenveld in principe niet anders dan op een andere locatie met obstakels in de vorm van bebouwing. Daarbij wijst het college erop dat op grond van het geldende bestemmingsplan ter plaatse bebouwing is toegelaten met een hogere bouwhoogte dan de zonnepanelen, die een hoogte hebben van 2 meter. Dit maakt volgens het college de overlevingskansen groter bij een goed uitgevoerde noodlanding dan wanneer hogere bouwwerken zouden zijn gerealiseerd. Het college heeft verder naar voren gebracht dat er, op grond van het bestemmingsplan “Zonering luchthaven Budel”, veiligheidszones zijn aangewezen. Met de realisatie van het zonneveld worden deze zones vrijgehouden. Bovendien is door Adecs nader onderzocht of er mogelijke effecten kunnen optreden. De conclusie van dit onderzoek is dat de realisatie van het zonneveld niet leidt tot aanpassing van vliegroutes. Wat de wijziging van de geluidbelasting op de handhavingspunten HH1 en HH2 betreft, heeft het college gesteld dat deze handhavingspunten op respectievelijk 1,8 km en 1,35 km van het punt liggen waar MLA-vliegers zouden moeten uitwijken. MLA-vliegers hebben in een dergelijk geval alle ruimte om weer terug op de aangewezen routes te komen. Volgens het college dienen MLA-vliegers zich in beginsel echter te allen tijde te houden aan de voorgeschreven vliegroutes, zodat uitwijken naar HH1 en HH2 voor MLA-vliegverkeer in de eerste plaats geen optie is en ook niet noodzakelijk is. Daarnaast is voor het uitwijken voorafgaande toestemming van de verkeersleiding nodig. Verder kan het MLA-vliegverkeer er in de praktijk mogelijk voor kiezen om het zonnepark te mijden en iets noordelijker en daarmee verder van de bebouwing en de omwonenden te vliegen. Dit zal geen extra geluidhinder in de omgeving veroorzaken. Het college stelt dat het zich, ondanks dat de plannen rondom het zonnepark na het uitbrengen van het rapport van Adecs op 14 september 2021 zijn aangepast, in die zin dat het zonnepark nu uit één groot geheel zal bestaan in plaats van uit twee delen, nog steeds op de bevindingen in dit rapport kan beroepen, omdat deze aanpassingen geen gevolg hebben voor de door het MLA-vliegverkeer gehanteerde route. Ten aanzien van het landschappelijk inpassingsplan van Eelerwoude heeft het college gesteld dat er geen wettelijke plicht bestaat om hierover overleg te voeren alvorens het bestreden besluit te nemen. Bovendien maken de vliegroutes van onder andere het MLA-vliegverkeer geen onderdeel uit van het landschappelijk inpassingsplan. Bij een dergelijk plan is het doel om het zonnepark vanuit zichtlijnen op de beste manier op te laten gaan in het landschap door middel van bijvoorbeeld grondwallen, struweel, bosschage, hagen, groenstroken, bosranden en groenwallen. Wat de vliegroutes betreft dient het college wettelijk gezien alleen rekening te houden met specifieke veiligheidszones of obstakelvrije zones. Hierin valt het plangebied niet. 15. De rechtbank stelt vast dat de MLA-vliegtuigen na het opstijgen op grasbaan 21 van het vliegveld een bepaald circuit volgen over het Nystar industrieterrein. Dit heeft te maken met de AIP (Aeronautical Information Publication), op grond waarvan er in principe vaste vliegroutes binnen een circuitgebied gelden waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Vast staat dat de MLA-vliegtuigen ook na realisatie van het zonnepark op zich gebruik kunnen blijven maken van het huidige vliegcircuit. Door de aanleg van het zonnepark ontstaat er namelijk geen situatie die met de luchtvaartregelgeving in strijd is. Ter beoordeling ligt dan ook alleen voor of het verlenen van een omgevingsvergunning voor het zonnepark in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, uit een oogpunt van veiligheid voor inzittenden van MLA’s en eisers en geluidhinder ter plaatse van onder meer de woningen van eisers. In dat kader is van belang of MLA’s gebruik zullen blijven maken van het huidige vliegcircuit als het zonnepark is gerealiseerd of hierom het zonnepark zullen gaan mijden, ook al zijn zij in principe gebonden aan de vaste route. Hoewel in het rapport van To70 van juli 2019 op basis van een enquête onder dertien vliegers die regelmatig vanaf Kempen Airport vliegen is geconcludeerd dat vliegers na realisatie van het zonnepark anders zullen gaan vliegen, is dit een inschatting op basis van een nog niet bestaande situatie. Niet met zekerheid kan worden gesteld dat dit ook zal gaan gebeuren, maar het kan ook niet worden uitgesloten. Hoewel de rechtbank er ter zitting niet van overtuigd is geraakt dat er in de directe omgeving van het zonnepark geen enkele veilige noodlanding meer mogelijk is, is wel aannemelijk geworden dat na realisatie van het zonnepark het in elk geval moeilijker zal zijn om een locatie zonder bouwwerken of andere belemmeringen te vinden voor een noodlanding. Voor zover eiseres vreest dat een noodlanding in het zonnepark zou leiden tot de dood van de inzittenden vanwege het feit dat zonnepanelen onder spanning staan, heeft vergunninghoudster zich op het standpunt gesteld dat deze vrees ongegrond is. Het zonnepark bevat meerdere veiligheidssystemen in de vorm van aardlekbeveiliging en zekeringen. Bij een defect van de zonnepanelen die tot een aardfout leiden zullen de beveiligingen van de omvormers geactiveerd worden, waardoor deze automatisch uitschakelen. Niet aannemelijk is geworden dat dit standpunt onjuist is. Hoewel vliegers van een MLA, gelet op wat hiervoor is overwogen, door de realisatie van het zonnepark mogelijkerwijs een gevoel van onveiligheid kunnen ervaren en hierom het zonnepark zullen mijden en een noodlanding in een zonnepark niet zonder risico is, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding voor het oordeel dat het college hierom geen omgevingsvergunning voor het zonnepark heeft kunnen verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college veel belang kunnen hechten aan het feit dat het zonnepark voorziet in een grote lokale en regionale behoefte aan duurzame energie. Ook heeft het college in redelijkheid kunnen stellen dat de locatie geschikt is omdat het zonnepark is voorzien op een nu braakliggend, tot “Bedrijventerrein” bestemd perceel in de directe nabijheid van een al bestaand zonneveld en slechts een gering aantal bewoners hierop zicht zal hebben. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat op grond van het geldende bestemmingsplan, dus zonder afwijking van het bestemmingsplan, hogere bouwwerken op het perceel zijn toegelaten dan de voorziene zonnepanelen. Dat het bestemmingsplan volgens eisers gedateerd is, leidt, wat daarvan ook zij, niet tot een ander oordeel. Verder heeft de rechtbank bij haar oordeel met betrekking tot de veiligheid in aanmerking genomen dat ter zitting onbetwist is gesteld dat er in de afgelopen 30 jaar twee à drie noodlandingen zijn geweest met MLA’s in de nabije omgeving van het vliegveld. Er komen dus noodlandingen voor, maar de frequentie is tot op heden laag. Over het landschappelijk inpassingsplan heeft het college terecht gesteld dat het niet gehouden was om met eiseres hierover overleg te voeren alvorens het bestreden besluit te nemen. 16.Ten aanzien van de vrees voor een toename van de geluidbelasting op de door eiseres genoemde handhavingspunten HH1 en HH2 als bedoeld in artikel 6 van de Verordening luchthavenbesluit luchthaven Budel Noord-Brabant en op de woningen van onder andere eisers overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel door eiseres ter zitting is gesteld dat de aanname in het rapport van Adecs dat de MLA’s mogelijkerwijs iets noordelijker zullen gaan vliegen om het zonnepark te mijden feitelijk niet mogelijk is, is de rechtbank er niet van overtuigd geraakt, gelet op de ligging van deze punten, dat het vermijden van het zonnepark door MLA-vliegers per definitie betekent dat zij dan zo dicht bij de handhavingspunten HH1 en HH2 zullen gaan vliegen dat hierdoor de daar geldende geluidgrenswaarden zullen worden overschreden. Ook is onvoldoende onderbouwd dat vliegers dan zo dicht de dorpskern Budel-Dorplein zullen naderen dat het woon- en leefklimaat van eisers of andere inwoners van het dorp hierdoor onaanvaardbaar zal worden aangetast. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat niet zomaar van het MLA-circuitgebied mag worden afgeweken. Verder hebben derde-partijen ter zitting onbetwist gesteld dat als er iets meer richting het zuiden wordt gevlogen (om het park heen), de afstand tot het dorp nog steeds ongeveer 1 kilometer bedraagt. Al met al is de rechtbank van oordeel dat het college in de vrees voor afname van de veiligheid van MLA-vliegers en van eisers en de vrees voor toename van de geluidbelasting op de woningen van inwoners van het dorp Budel-Dorplein geen aanleiding heeft behoeven te zien om de omgevingsvergunning te weigeren. Dit betoog faalt. Geen draagvlak\n\n17. Eiseres en eisers stellen dat er bij grote ruimtelijke ontwikkelingen, zoals het zonnepark, een breed maatschappelijk draagvlak voor het zonnepark moet worden gecreëerd alvorens tot besluitvorming wordt overgegaan. Dat is hier niet gebeurd.\n\n18. In paragraaf 5.3.1 van de Visie Zonneparken Cranendonck 2019-2024 staat dat de initiatiefnemer van een zonnepark de omgeving en andere belanghebbenden bij de plannen moet betrekken. De initiatiefnemer moet bij de aanvraag van een zonnepark aantonen welke inspanningen door de initiatiefnemer en omgeving en belanghebbenden zijn gepleegd om de eventuele aantasting van de aantoonbaar aanwezige belangen tot een acceptabel niveau te beperken. Initiatiefnemer zoekt met omgeving en belanghebbenden naar mogelijkheden ter compensatie van de overlast die zij mogelijk gaan ondervinden van een zonnepark (mitigerende maatregelen). Dat kan mogelijk in natura (aanpassing van het initiatief voor wat betreft afstanden en\u002F of opstelling, creëren van overgangszone) of financieel (bijvoorbeeld laten meedelen in opbrengst of korting op stroomprijs). Hierover dient een afspraak te worden vastgelegd die door de gemeente kan worden meegewogen bij de definitieve vergunningverlening.\n\n19. Uit de aanvraag blijkt dat er door derde-partijen meerdere informatiebijeenkomsten voor de inwoners van Cranendonck zijn georganiseerd. Ook is een website in het leven geroepen waarop informatie te vinden is over het project. Verder zijn er keukentafelgesprekken gehouden met omwonenden en zijn er gesprekken geweest met eiseres. Naar aanleiding van deze bijeenkomsten en gesprekken hebben er aanpassingen plaatsgevonden aan het project. Voor omwonenden is het mogelijk om 50% korting te krijgen op hun eigen zonnepanelen. Ook doen derde-partijen eenmalig een bedrag van € 100.000,00 en ook jaarlijks een donatie in het omgevingsfonds dat door de gemeente wordt beheerd en waarvan een substantieel deel in de vorm van leefbaarheidsinitiatieven, waaronder het verduurzamen van woningen en het toevoegen van groen, terugvloeit naar de inwoners van Budel-Dorplein. Ten behoeve van eiseres hebben derde-partijen onderzoek laten verrichten naar de gevolgen van de aanleg van het zonnepark in relatie tot het aan- en uitvliegen naar Kempen Airport. Dit onderzoek is neergelegd in het rapport van Adecs. Daarmee hebben derde-partijen naar het oordeel van de rechtbank de omgeving, eiseres en andere belanghebbenden voldoende bij hun plannen betrokken zoals bedoeld in paragraaf 5.3.1 van de Visie Zonneparken Cranendonck 2019-2024. Van overige eisen op grond van gemeentelijke beleid met betrekking tot het creëren van maatschappelijk draagvlak is de rechtbank niet gebleken. Voor zover eiseres ter zitting heeft gesteld dat het college met haar een dialoog had moeten aangaan alvorens het bestreden besluit te kunnen nemen, heeft het college terecht gesteld dat het daartoe niet verplicht was op grond van enig wettelijk voorschrift. Wat eisers en eiseres hierover hebben aangevoerd kan dan ook geen aanleiding geven voor de conclusie dat het besluit op dit punt onrechtmatig is. Dit betoog slaagt niet.\n\nInterim omgevingsverordening20. Eisers stellen dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3.41 van de geldende provinciale Interim omgevingsverordening (IOV). In dat kader brengen zij naar voren dat een integraal en actueel onderzoek naar alle vormen van duurzame energie voor de gemeente Cranendonck niet beschikbaar is en dat er evenmin onderzoek beschikbaar is waaruit blijkt dat binnen Cranendonck in onvoldoende mate kan worden voorzien in duurzame energie binnen stedelijk gebied, waartoe het projectgebied niet behoort. De vergunningaanvraag is volgens hen ten onrechte getoetst aan de IOV die gold tot 15 april 2022.\n\n21. Het college heeft erkend dat de aanvraag is getoetst aan een IOV die op dat moment niet meer van kracht was. Het college heeft echter terecht gesteld dat artikel 3.41 van de IOV dat gold tot 15 april 2022 niet wezenlijk verschilt van dat artikel in de IOV die gold met ingang van 15 april 2022. De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag in het bestreden besluit terecht heeft getoetst aan artikel 3.41 van de IOV, omdat het projectgebied in de IOV is weergegeven als ‘Landelijk gebied – gemengd landelijk gebied’. De rechtbank stelt vast dat de mogelijkheden voor zonne-energie zijn onderzocht in de Visie Zonneparken Cranendonck 2019-2024 (Visie Zonneparken), waarin rekening is gehouden met (on-)mogelijkheden van andere energiebronnen. Uit deze visie volgt dat de mogelijkheden voor energieopwekking in stedelijk gebied te beperkt zijn om aan de doelen voor duurzame energie te voldoen en dat er opwekking in landelijk gebied noodzakelijk is. In de gemeentelijke visie wordt gerefereerd aan het rapport \"Energie en ruimte Zuidoost Brabant -Uitsplitsing naar gemeenten\" (Posad (2017). Daarin zijn scenario's onderzocht over de energievraag in Zuid-Oost Brabant en de wijze waarop daarin kan worden voorzien. Het rapport is een aanvulling op het rapport \"Energiestrategie Zuidoost Brabant\" - Energie & Ruimte voor de regionale energiestrategie Regio Zuidoost Brabant (Posad, april 2017). Er is in Cranendonck gekozen voor een maximaal scenario voor duurzaam opwekpotentieel. Het maximale scenario gaat uit van een combinatie van windmolens, zonnepanelen op dak, zonneparken en biomassavergisters. Dit scenario is niet voldoende om de landelijke doelstelling 'nagenoeg energieneutraal in 2050' te halen. Daarvoor moet meer duurzame energie worden opgewekt: 923 TeraJoule meer dan in het maximale scenario is voorzien. Volgens de gemeentelijke visie zouden zonneparken in gemengd landelijk gebied in (een deel van) deze nog extra benodigde duurzame opwekcapaciteit kunnen voorzien, evenals extra windmolens, benutting van geothermie\u002Frestwarmte en extra biomassavergisters. Uit het onderzoek van Posad komt naar voren dat andere hernieuwbare bronnen als windmolens en biovergisters niet in de volledige vraag kunnen voorzien. Ook zijn er niet voldoende beschikbare en geschikte daklocaties of andere binnenstedelijke locaties om voldoende zonne-energie op te wekken. De stelling van eisers dat deze visie louter een politiek stuk is, niet als een toereikend onderzoek kan worden beschouwd als bedoeld in artikel 3.41 van de IOV en achterhaald is, is onvoldoende onderbouwd. Omdat uit het onderzoek naar voren komt dat niet volledig in de behoefte aan duurzame energie in 2050 kan worden voorzien door alleen de inzet van andere duurzame energiebronnen dan zonne-energie, is daarmee de in artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV genoemde noodzaak gegeven. Dit betoog slaagt niet.\n\nMaximum areaal bereikt\n\n22. Eisers voeren ook aan dat realisatie van het zonnepark in strijd is met de Visie Zonneparken, omdat hierin een maximum is vastgesteld van 83 hectare netto voor zonneparken in het buitengebied van Cranendonck en dit maximum met dit project wordt overschreden.\n\n23. Het college heeft hierover gesteld dat het zonnepark is uitgezonderd van de Visie Zonneparken. Daarbij is gewezen op het feit dat het project is voorzien op gronden waar het bestemmingsplan “Industrieterrein Dorplein” geldt. Het industrieterrein behoort daardoor tot het stedelijk gebied, zodat de aanleg van het zonnepark niet meetelt in de hectares uit de Visie Zonneparken.\n\n24. In paragraaf 4.2.1 van de Visie Zonneparken is gesteld dat Nyrstar een bedrijventerrein is dat valt binnen het bestaand stedelijk gebied. Derhalve is het in dit gebied toegestaan, zo staat vermeld, om een stedelijke ontwikkeling – zoals een zonnepark – te realiseren als dat via een ruimtelijke procedure is geregeld. Gelet hierop heeft het college terecht gesteld dat het bestreden besluit in zoverre niet in strijd is met de Visie Zonneparken. Dat de projectlocatie in het provinciale beleid wordt aangeduid als ‘Landelijk gebied – gemengd landelijk gebied’ betekent niet dat deze locatie in het gemeentelijk beleid ook als buitengebied moet worden aangemerkt. Dit betoog faalt.\n\nBestemmingsplan\n\n25. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend, omdat het zonnepark niet past binnen het geldende bestemmingsplan. Ten onrechte is in de ruimtelijke onderbouwing verwezen naar een bestemmingsplan dat in 2017 is vernietigd.\n\n26. Niet in geschil is tussen partijen dat een zonnepark op grond van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan op de voorziene locatie. Dat betekent echter niet dat het college de gevraagde omgevingsvergunning hierom niet heeft kunnen verlenen. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo geeft immers aan het college de bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen als aan de hierin genoemde voorwaarden wordt voldaan. In het bestreden besluit is gesteld dat derde-partijen in de ruimtelijke onderbouwing hebben aangegeven waarom hun initiatief voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en wenselijk is op die locatie. Daarbij hebben derde-partijen zich gebaseerd op een vergelijkbaar plan op deze locatie, waarvoor bij de gemeente draagvlak bestond en waarbij de gemeente zich destijds kon vinden in de bijbehorende motivatie. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college de ruimtelijke onderbouwing hierom niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Dit betoog slaagt niet.\n\nBodemreflectie\n\n27. Eisers brengen verder naar voren dat de effecten van het terugkaatsen van geluid van allerlei geluidbronnen door de zonnepanelen ten onrechte niet is meegenomen bij de besluitvorming over het zonnepark.\n\n28. Het college heeft hierover overwogen dat de dichtstbijzijnde woning op een veelvoud ligt van de richtafstand van 30 meter voor een elektriciteitsinstallatie. Bovendien ligt er een industrieel complex tussen het zonnepark en de woningen in. Enige geluidreflectie vanuit het zonnepark zal volgens het college niet significant bijdragen aan het reeds aanwezige omgevingsgeluid, mede vanwege de afgelegen ligging van de panelen. Derde-partijen hebben nog aanvullend gesteld dat gelet op de hoek van 15 graden waarin de zonnepanelen worden geplaatst, directe reflectie van geluid niet mogelijk is en zelfs kan leiden tot een afname van het geluid. Daarbij is gewezen op een geluidstudie door TNO met betrekking tot zonnepanelen.\n\n29. Gelet op hetgeen het college en derde-partijen naar voren hebben gebracht, is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat, zo er al sprake mocht zijn van enige geluidreflectie vanwege de zonnepanelen, deze zodanig zal zijn dat het college hierom de gevraagde omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen. Dit betoog faalt.\n\nCoalitieakkoord\n\n30. Eisers stellen ook dat het bestreden besluit in strijd is met landelijk beleid. In het coalitieakkoord, dat ten grondslag ligt aan het kabinet Rutte IV, is afgesproken dat er vooral wordt ingezet op grootschalige installatie van zonnepanelen op daken. Zonnepanelen op land worden alleen toegestaan als multifunctioneel gebruik van dat land mogelijk is, bijvoorbeeld op rijksgronden. Het zonnepark is echter niet voorzien op rijksgronden.\n\n31. De rechtbank is van oordeel dat het coalitieakkoord geen toetsingskader voor het college vormt bij de beoordeling van de aanvraag voor de realisatie van een zonnepark, zodat het college hieraan niet is gebonden. Reeds hierom ziet de rechtbank in deze beroepsgrond geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Dit betoog slaagt niet.\n\nStikstofdepositie\n\n32. Eisers en eiseres stellen dat tijdens de bouwfase van het zonnepark sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie op het nabijgelegen en kwetsbare Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven. Ten onrechte is hiernaar geen onderzoek verricht voordat het bestreden besluit werd genomen.\n\n33. Het college en derde-partijen hebben hierover gesteld dat het relativiteitsvereiste zich verzet tegen de inhoudelijke behandeling van deze beroepsgronden.\n\n34. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept (het relativiteitsvereiste).\n\n35. De bepalingen in de Wet natuurbescherming (de Wnb) over de beoordeling van plannen, projecten of andere handelingen, die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Indien een natuurlijke persoon zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, beroept hij zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. De individuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen echter zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Het perceel van eiser [naam] ligt het dichtst bij het hiervoor genoemde Natura 2000-gebied en wel op een afstand van ongeveer 103 meter. Ter zitting heeft hij gesteld vanaf de zolderverdieping van zijn woning zicht te hebben op het natuurgebied. Het Natura 2000-gebied maakt gelet op de afstand en het (zij het beperkte) zicht daarmee onderdeel uit van zijn woon- en leefomgeving, zodat in dit geval verwevenheid bestaat tussen het individuele belang van eiser [naam] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om deze beroepsgrond inhoudelijk te behandelen. Wanneer aan één van de eisers namens wie een beroepschrift is ingediend, het relativiteitsvereiste niet kan worden tegengeworpen, bestaat geen aanleiding om dit ook na te gaan voor de overige eisers namens wie dat beroepschrift is ingediend. 36. Naar het oordeel van de rechtbank strekken de betrokken normen van de Wnb voor de natuur- en landschapsbescherming echter kennelijk niet tot bescherming van de bedrijfseconomische belangen van eiseres waarvoor zij in deze procedure opkomt, zodat haar betoog niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.\n\n37. Vast staat dat er voor het nemen van het bestreden besluit geen onderzoek is verricht naar de stikstofdepositie in de bouwfase omdat met ingang van 1 juli 2021 artikel 2.9a van de Wnb en artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming in werking waren getreden, waarin de zogenoemde partiële bouwvrijstelling was geregeld. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 november 2022is echter geoordeeld dat deze bouwvrijstelling niet had mogen worden toegepast. Gelet hierop had het onderzoek naar stikstofdepositie in de bouwfase voor het nemen van het bestreden besluit moeten zijn verricht. Dat pas na de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022 bekend was dat de partiele bouwvrijstelling niet had mogen worden toegepast leidt niet tot een ander oordeel. Dit betoog slaagt. 38. De rechtbank stelt vast dat het college na het nemen van het bestreden besluit alsnog onderzoek heeft laten verrichten naar de stikstofdepositie in de bouwfase. Uit het daarover uitgebrachte rapport van Eelerwoude van 3 februari 2023 volgt dat in de bouwfase geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied vanwege het feit dat er elektrisch wordt gebouwd. De conclusie in het rapport dat er geen sprake zal zijn van een depositie boven de 0,00 mol\u002Fha\u002Fjaar hebben eisers niet betwist. Nu uit het rapport volgt dat het project in de bouwfase evenmin als in de gebruiksfase gevolgen zal hebben voor het Natura 2000-gebied, is het standpunt van het college in het bestreden besluit dat voor het zonnepark geen passende beoordeling behoefde te worden gemaakt ook achteraf bezien juist. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.Conclusie en gevolgen\n\n39. Het beroep van eisers is gegrond en dat van eiseres ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat derde-partijen op grond van de verleende omgevingsvergunning een zonnepark aan de Fabrieksstraat mogen aanleggen en in gebruik mogen nemen. Omdat het beroep van eisers gegrond is, krijgen zij het door hen betaalde griffierecht terug. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat het beroep van eiseres ongegrond is, krijgt zij daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank: - verklaart het beroep van eiseres ongegrond; - verklaart het beroep van eisers gegrond; - vernietigt het besluit van 5 oktober 2022; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,00 aan eisers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. D.J. Hutten, leden, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2023.\n\nde griffier is verhinderd te tekenen\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nAls u het niet met deze uitspraak eens bent, kunt u een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin u uitlegt waarom u het niet met de uitspraak eens bent. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Deze datum staat hierboven.\n\nOp het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.\n\nBIJLAGE\n\nInterim-omgevingsverordening provincie Noord-Brabant\n\nArtikel 3.41 Zonneparken in Landelijk gebied (tekst van voor 15 april 2022)\n\nLid 1\n\nBinnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als:\n\na. uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is;\n\nb. de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit;\n\nc. de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving;\n\nd. e ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;\n\ne. de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.\n\nLid 2\n\nDe maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:\n\na. de mate van meervoudig ruimtegebruik;\n\nb. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken;\n\nc. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen.\n\nLid 3\n\nEr kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:\n\na. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;\n\nb. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd;\n\nc. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.\n\nArtikel 3.41 Zonneparken in Landelijk gebied (tekst met ingang van 15 april 2022)\n\nLid 1\n\nBinnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als:\n\na. uit onderzoek blijkt dat de aanleg van het zonnepark noodzakelijk is omdat in onvoldoende mate voorzien kan worden in de behoefte voor duurzame energie:\n\n1. door de ontwikkeling van andere vormen van duurzame energie;\n\n2. binnen Stedelijk gebied;\n\n3. door meervoudig ruimtegebruik in Landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen; en\n\n4. op gronden aansluitend op Stedelijk gebied.\n\nde nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit;\n\nde ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving;\n\nde ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;\n\nde ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.\n\nLid 2\n\nDe maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:\n\na. de mate van meervoudig ruimtegebruik;\n\nb. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken;\n\nc. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen.\n\nLid 3\n\nEr kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:\n\na. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;\n\nb. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd;\n\nc. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2065.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:3159.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:3260","2023-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.874Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":51,"updatedAt":80},"567","ECLI:NL:RBOBR:2023:3092","ecli-nl-rbobr-2023-3092","2023-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 22\u002F33\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2023 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , [eiseres]\n\n(gemachtigden: mr. D.S.P. Roelands-Fransen en mr. J. Zweers),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven\n\n(gemachtigde: mr. M.L.M. Lammerschop).\n\nInleiding\n\n1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiseres] tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van reclameobjecten aan de [adres] in [plaats] .\n\n1.2. Het college heeft de aanvraag voor de vergunning met het besluit van 15 juni 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 november 2021 op het bezwaar van [eiseres] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van [eiseres] en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2.1. De rechtbank beoordeelt of het college de weigering van een omgevingsvergunning voor reclameobjecten in stand heeft kunnen gelaten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres] .\n\n2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n3. De rechtbank gaat uit van het volgende.\n\n [eiseres] huurt het pand aan de [adres] te [plaats] (het perceel) en gebruikt dit sinds 1 april 2021 voor bedrijfsactiviteiten.\n\nOp deze locatie heeft bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007” betrekking (het bestemmingsplan 2007). Dit bestemmingsplan gold ten tijde van het bestreden besluit. Op 4 april 2022 is bestemmingsplan “Kapelbeemd – GDC – Zuid 2021” vastgesteld (het bestemmingsplan 2021). Het bestemmingsplan 2021 is na het bestreden besluit in werking getreden.\n\nIn het bestemmingsplan 2007 rust op het perceel de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden I’. Artikel 3 van dit bestemmingsplan bepaalt dat het perceel bestemd is voor bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 zoals genoemd in de \"lijst van Bedrijfsactiviteiten.\"Niet in geschil is dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] op deze locatie onder een lagere milieucategorie vallen dan daar is voorgeschreven.\n\nTussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] in strijd zijn met artikel 3 van het bestemmingsplan 2007. Het college wenst geen strijdig gebruik toe te staan voor het door [eiseres] aangevraagde gebruik en heeft de aanvraag daarom afgewezen.\n\nHad het college artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 buiten toepassing moeten laten?\n\n4.1. \n [eiseres] stelt dat het college artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 bij de beoordeling van de aanvraag buiten toepassing had moeten laten. Daartoe voert [eiseres] als eerste aan dat deze planregel evident in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro). Verder vindt [eiseres] de planregel evident in strijd met de Richtlijn 2016\u002F123\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (de Dienstenrichtlijn).\n\n4.2. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van evidente strijd met hogere regelgeving. Naast dat het college betwist dat er enige strijd is met de genoemde rechtsnormen, betoogt het college dat er in elk geval geen sprake kan zijn van evidente strijd. Dit zou namelijk betekenen dat de rechtbank zonder nader onderzoek moet kunnen vaststellen dat een dergelijke strijd zich voordoet. Volgens het college is dit niet het geval en hoeft hij artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 daarom niet buiten toepassing te laten.\n\n4.3. Volgens een vaste lijn in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), strekt de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening van een omgevingsvergunning de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen, niet zover dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. Als in een procedure over een vergunning wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, de algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten indien die strijd evident is. Bij strijd met hogere regelgeving is voor evidentie onder meer vereist dat die regeling zo concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent.De rechtbank dient dan zonder nader onderzoek in te stellen te kunnen vaststellen dat een planregel in strijd is met een hogere rechtsnorm.\n\n5.1. Ten aanzien van evidente strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro stelt [eiseres] , samengevat, dat de planregel niet noodzakelijk is ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, althans dat een dergelijke noodzaak niet afdoende in het bestemmingsplan is onderbouwd. Het is volgens [eiseres] niet begrijpelijk waarom een goede ruimtelijke ordening zich verzet tegen het vestigen van bedrijven met een minder zware milieucategorie op het betreffende perceel.\n\n5.2. Het college voert aan dat een zonering op het bedrijventerrein, zoals volgt uit het bestemmingsplan 2007 en de toepasselijke planregels, wel degelijk bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening. Dit maakt een efficiënt ruimtegebruik mogelijk en zorgt voor de nodige afstand tussen bedrijven in zwaardere milieucategorieën enerzijds en woningen en andere gevoelige bebouwing anderzijds. Door percelen alleen te laten gebruiken door bedrijven uit categorie 3 en 4 wordt geborgd dat voor deze bedrijven voldoende vestigingsmogelijkheden beschikbaar blijven.\n\n5.3. De rechtbank komt tot het oordeel dat artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 niet evident in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Uit dit artikel 3, in samenhang gelezen met paragraaf 3.2 Bedrijvigheiduit de toelichting op het bestemmingsplan, valt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk af te leiden wat de ratio achter de beperking in de planregel is en hoe de gemeente Eindhoven daarmee een goede ruimtelijke ordening nastreeft. Voor de stelling dat deze planregel niet, of kenbaar ontoereikend, is gemotiveerd, ziet de rechtbank geen grond. Hierdoor kan geen sprake zijn van evidente strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro en zal de rechtbank de overige argumenten hierover onbesproken laten.\n\n6.1. \n [eiseres] stelt dat sprake is van evidente strijd met de Dienstenrichtlijn. Volgens [eiseres] is geheel niet gemotiveerd waarom artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 voldoet aan de vereisten in artikel 15, derde lid van de Dienstenrichtlijn, in het bijzonder het vereiste van noodzakelijkheid en evenredigheid.\n\n6.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 februari 2020,ligt het in een gerechtelijke procedure als deze op de weg van degene die een beroep doet op de Dienstenrichtlijn om te beargumenteren dat sprake is van een eis die een beperking oplevert. Het ligt op de weg van het college om bij de beslissing over het verlenen van een omgevingsvergunning te onderbouwen dat die eis in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn. Het is dus aan het college om te onderbouwen waarom de in het plan neergelegde beperkingen gerechtvaardigd zijn in het licht van de daaraan in de Dienstenrichtlijn gestelde eisen. Daarbij kan het college verwijzen naar de toelichting bij een bestemmingsplan, maar kan het ook, als een dergelijke toelichting ontbreekt, een nadere onderbouwing geven voor de in de planregels opgenomen beperking.\n\n6.3. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat artikel 3 van het bestemmingsplan 2007, vanwege de beperking die daaruit voor [eiseres] voortvloeit, heeft te gelden als een eis in de zin van de Dienstrichtlijn, is de rechtbank van oordeel dat het college de beperkende planregel wel heeft toegelicht en de beperking heeft gemotiveerd in de toelichting op het bestemmingsplan. Het college heeft in het bestreden besluit en tijdens de beroepsprocedure nog een nadere toelichting gegeven. Het college is daarbij ook ingegaan op de noodzakelijkheid en evenredigheid van de beperkende planregel.6.4. Wat betreft de voorwaarde van noodzakelijkheid gaat het om de vraag of de eis gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Uit artikel 4, aanhef en onder 8, van de Dienstenrichtlijn volgt dat hiervan sprake kan zijn als een eis wordt gesteld met het oog op de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu. Uit overweging 40 van de preambule blijkt dat hier ook stedelijke en rurale ruimtelijke ordening onder valt.De toelichting van het college is al samengevat onder 5.2 weergegeven en naar het oordeel van de rechtbank volstaat deze toelichting om de noodzakelijkheid van de beperking te rechtvaardigen.\n\n6.5. Wat betreft de voorwaarde van evenredigheid gaat het erom dat de eis niet verder mag gaan dan nodig is om het nagestreefde doel te bereiken en dat het doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt. Het college streeft een bepaalde verdeling van bedrijven over een bedrijventerrein na. Dit is vastgelegd in het bestemmingsplan door met zones gebaseerd op milieucategorieën te werken. De rechtbank ziet niet waarom deze zonering verder zou gaan dan hier nodig is, of hoe de gewenste verdeling met minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.\n\n6.6. Gelet op voorgaande overwegingen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de beperking dat bedrijven zich op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht slechts op percelen mogen vestigen met de juiste milieucategorie, ook om vestigingsmogelijkheden voor bedrijven in een zwaardere milieucategorie te behouden, evident niet gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Dat betekent dat alleen al daarom geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze planregeling evident in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHad het college de omgevingsvergunning moeten verlenen omdat er geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening?\n\n7.1. \n [eiseres] stelt dat zijn bedrijfsactiviteiten op deze locatie niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. [eiseres] meent dat, anders dan wat het college hierover stelt, uit de Bedrijventerreinnota Eindhoven, Brainport, november 2015 (de Bedrijventerreinnota) volgt dat de activiteiten van [eiseres] wel goed passen op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht. Volgens [eiseres] volgt uit de typering als modern gemengd bedrijventerreinen het gegeven dat er op deze locatie ruimte is voorverkleuring(een toename van andere -stedelijke- functies) dat het college niet afdoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarom heeft het college de omgevingsvergunning niet mogen weigeren.\n\n7.2. Het college betoogt dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] wel degelijk in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Volgens het college is het van belang om ruimte beschikbaar te houden voor bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 en zou een vergunningverlening aan [eiseres] hier afbreuk aan doen. Daarnaast handhaaft het college het standpunt dat het toestaan van [eiseres] op deze locatie voor beperkingen kan zorgen ten aanzien van andere bedrijven die wel tot een zwaardere milieucategorie behoren. Tot slot weerspreekt het college dat uit de Bedrijventerreinnota volgt dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] wel goed passen op Kapelbeemd Acht.\n\n7.3. Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.\n\n7.4. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de mogelijkheid tot een buitenplanse afwijking op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, derde, vierde en negende lid van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Ten eerste acht de rechtbank het beleid van het college gericht op zonering binnen het bedrijventerrein Kapelbeemd Acht niet onredelijk. Het college mag belang hechten aan een efficiënte indeling van het bedrijventerrein, waarbij zowel aandacht is voor afstand tot gevoelige objecten als voor voldoende ruimte voor bedrijven uit milieucategorieën 3 en 4. De rechtbank kan hierbij volgen dat aan het belang van de aanvraag van [eiseres] minder gewicht wordt toegekend. Anders dan [eiseres] ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het standpunt dat dit beleid niet overeenkomt met het gestelde in de Bedrijventerreinnota. Zo volgt uit de classificatie modern gemengden de mogelijkheden totverkleuringniet dat de gehanteerde zonering niet in redelijkheid kan worden nagestreefd. Uit de passages over zware bedrijvigheid en conserverend beleidvolgt volgens de rechtbank niet dat er geen mogelijkheden zijn voor nieuwe bedrijven uit milieucategorieën 3 en 4 om zich te vestigen op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht. Er wordt juist met nadruk aandacht gevraagd voor dergelijke bedrijven en het college wordt opgeroepen hier actief beleid op te voeren. De rechtbank ziet in de Bedrijventerreinnota daarom eerder een onderschrijving van het beleid van het college op bedrijventerrein Kapelbeemd Acht, dan van strijd hiermee. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7.5. \n [eiseres] voert in dit kader verder aan dat het college het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 ten onrechte als toetsingskader heeft gebruikt voor de goede ruimtelijke ordening. De rechtbank kan het verweer van het college op dit punt volgen dat het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 niet als toetsingskader is gehanteerd maar is meegenomen bij de belangenafweging over een goede ruimtelijke ordening en het eventueel toestaan van verkleuring. De rechtbank is van oordeel dat het college dit in redelijkheid op deze wijze heeft mogen meewegen, omdat het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 een indicatie geeft welke plannen de gemeente in de nabije toekomst met het bedrijventerrein heeft. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7.6. Ter zitting bleken [eiseres] en het college van opvatting te verschillen tot welke milieucategorie de drukkerij behoorde die voorheen op het perceel gevestigd was. Naar het oordeel van de rechtbank kan de uitkomst hiervan niet tot een ander resultaat leiden. De kwestie heeft namelijk geen relevante invloed op de vraag of hier sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. [eiseres] krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.S. Badri, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet ruimtelijke ordening\n\nArtikel 3.1\n\n1. De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer\n\nBestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied.\n\n[…]\n\nBestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007”\n\nArtikel 3 Bedrijfsdoeleinden I\n\n3.1. Bestemmingsomschrijving\n\nDe op de plankaart voor bedrijfsdoeleinden I aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 zoals genoemd in de \"lijst van\n\nbedrijfsactiviteiten\" met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen en met\n\ninbegrip van risicovolle inrichtingen, uitsluitend voorzover bestaand;\n\nb. bedrijven behorende tot de categorieën 1, 2 en 5, uitsluitend voorzover bestaand;\n\nc. kantooractiviteiten voorzover ondergeschikt aan de bedrijven vermeld onder a en b;\n\nd. productiegebonden detailhandel deel uitmakende van bedrijven vermeld onder a en b,, met uitzondering van detailhandel in voedings – en genotmiddelen;\n\nmet de daarbijbehorende:\n\ne. tuinen, erven en terreinen;\n\nf. parkeervoorzieningen;\n\ng. groenvoorzieningen;\n\nh. wegen, straten en paden;\n\ni. water;\n\nj. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;\n\nk. voorzieningen van openbaar nut.\n\n[…]\n\n3.4. Gebruiksvoorschriften\n\n3.4.1.. \n\nGebruiksverbod\n\nHet is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming.3.4.2.. \n\nStrijdig gebruik\n\nTot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals vermeld in lid 3.4.1 wordt in ieder geval gerekend:\n\na. het gebruik van bedrijfsgebouwen voor bewoning;\n\nb. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan\n\nvermeld in lid 3.1 sub d;\n\nc. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.3.4.3.. \n\nVrijstellingsbevoegdheid\n\nBurgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 3.4.1, en:\n\na. tevens bedrijven toestaan, die niet voorkomen in de \"lijst van bedrijfsactiviteiten\" of op\n\ngrond van deze lijst jo. deze voorschriften niet zijn toegestaan doch die naar de aard en de\n\ninvloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in \"lijst van\n\nbedrijfsactiviteiten\" onder de categorieën 3 en 4;\n\nb. risicovolle inrichtingen toestaan, mits de PR10 contour van die inrichting valt binnen\n\nde eigen perceelsgrens.3.4.4.. \n\nVrijstelling voor meest doelmatig gebruik\n\nBurgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 3.4.1 indien strikte\n\ntoepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke\n\nbeperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.\n\n3.5. Procedurebepaling\n\nBij het nemen van een beslissing omtrent vrijstelling als vermeld in lid 3.4.3 nemen burgemeester en wethouders de volgende regels in acht:\n\na. het ontwerp-besluit ligt, met bijbehorende stukken, gedurende twee weken ter inzage;\n\nb. van de ter inzage legging wordt tevoren in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen,\n\nof op een andere geschikte wijze kennisgegeven;\n\nc. de kennisgeving houdt mededeling in van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen;\n\nd. gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij het college van\n\nburgemeester en wethouders zienswijzen indienen tegen het ontwerp-besluit.\n\n3.6. Strafbepaling\n\nOvertreding van het bepaalde in lid 3.4.1 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2 van de Wet op de economische delicten.\n\nToelichting op bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007”\n\nBestemming “Bedrijfsdoeleinden I ” (artikel 3)\n\nDeze bestemming is toegekend aan de gronden in het plangebied waar bedrijven zijn toegestaan in de milieucategorie 3 en 4 als bedoeld in de bij deze voorschriften behorende “Lijst van bedrijfsactiviteiten”. Deze lijst is gebaseerd op de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Bedrijven in de overige categorieën zijn alleen toegestaan voorzover het gaat om bestaande bedrijven. Er kan vrijstelling worden verleend ten behoeve van bedrijven die niet voorkomen op de “Lijst van bedrijfsactiviteiten” doch die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die wel zijn genoemd. Bedrijven die ingevolge de Wet geluidhinder geluidszoneringsplichtig zijn, zijn uitgesloten. Ten aanzien van risicovolle bedrijven geldt dat bestaande risicovolle bedrijven zijn toegestaan, nieuwe risicovolle bedrijven zijn middels vrijstelling toegelaten.\n\n Zie bijvoorbeeld de Afdeling, 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2440.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:520\n\n Zie bijvoorbeeld de Afdeling, 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1020, onder 11.6.\n\n p. 28, p. 36 en p. 44-45 van de Bedrijventerreinnota.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:3092","2023-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.080Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":85,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":89,"parsedAt":51,"updatedAt":90},"539","ECLI:NL:RBMNE:2023:2552","ecli-nl-rbmne-2023-2552",63,"2023-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F3971\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2023 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. B. Eising)\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [A] h.o.d.n. [derde-partij]\n\n(gemachtigde: mr. S.H. van den Ende).\n\nPartijen worden hierna aangeduid als: de [eiseres] , het college en [derde-partij] .\n\nInleiding\n\n1. Deze zaak gaat over de afwijzing van het verzoek van de [eiseres] om handhavend op te treden tegen de vergunningvoorwaarden bij de omgevingsvergunning die aan [derde-partij] is verleend.\n\n2. De [eiseres] is gevestigd op het perceel [adres 1] in [vestigingsplaats] . [derde-partij] exploiteert in het pand op het perceel [adres 2] het [derde-partij] . In 2015 is aan [derde-partij] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een sporthal en fysiotherapiepraktijk en het realiseren van een bovenwoning met dakterras op dit perceel. De [eiseres] is opgekomen tegen de omgevingsvergunning omdat zij zorgen heeft over de parkeersituatie. De twee percelen hebben allebei een onbebouwd gedeelte. Op het onbebouwde deel van het perceel van de [eiseres] wordt geparkeerd door medewerkers en patiënten. Dit deel van het perceel grens aan het onbebouwde deel van het perceel van [derde-partij] , dat ook voor parkeren wordt gebruikt. Dat betekent dat zowel op het perceel van de [eiseres] als op het perceel van [derde-partij] parkeerplaatsen zijn. Om die parkeerplaatsen (aan beide kanten) te bereiken moet een auto over de middenstrook rijden. In het midden van die middenstrook bevindt zich de perceelsgrens. Het college heeft aan de omgevingsvergunning twee voorwaarden verbonden met betrekking tot het parkeren. Met de uitspraak van 30 maart 2020 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van de [eiseres] tegen deze omgevingsvergunning.\n\n3. De [eiseres] heeft het college op 8 september 2020 verzocht om handhavend op te treden tegen [derde-partij] vanwege overtreding van de vergunningvoorwaarden. Het college heeft dit verzoek beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een overtreding van de vergunningvoorwaarden. De afwijzing van het handhavingsverzoek is met de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2021 in stand gebleven. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van de [eiseres] tegen deze beslissing op bezwaar (hierna: het bestreden besluit).\n\n4. Voordat de rechtbank het beroep inhoudelijk zal beoordelen, zal zij het procesverloop in beroep schetsen, wat uitgebreider ingaan op de voorgeschiedenis en de vorige uitspraak van de rechtbank.\n\nProcesverloop in beroep\n\n5. De [eiseres] heeft op 21 september 2021 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2021 en op 1 november 2021 de gronden ingediend. [derde-partij] heeft een korte schriftelijke reactie gegeven op het beroepschrift. De [eiseres] heeft nog een nader stuk met daarbij opnames van een rijproef toegestuurd.\n\n6. De rechtbank heeft het beroep op 22 november 2022 op zitting behandeld. Namens de [eiseres] zijn [B] en [C] verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. T.A.M. van Oosterhout. De gemachtigde van het college is verschenen. Namens [derde-partij] heeft [A] deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door mr. S.H. van den Ende.\n\n7. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of hun conflict door middel van mediaton kan worden opgelost. Er heeft een verkennend gesprek met een mediator plaatsgevonden, maar de mediator heeft daaruit geconcludeerd dat een mediationgesprek onvoldoende perspectief biedt om tot een gezamenlijke oplossing te komen. De mediator heeft opgemerkt dat wellicht een gesprek met de gemeente nog openingen kan bieden. [derde-partij] heeft aan de [eiseres] kenbaar gemaakt dit niet op voorhand af te wijzen, maar hier pas voor open te staan nadat uitspraak is gedaan op dit beroep.\n\n8. Met toestemming van partijen is geen nadere zitting gehouden. De rechtbank heeft het onderzoek op 20 april 2023 gesloten.\n\nEerdere procedures\n\n9. Partijen zijn al lang in conflict met elkaar over de parkeersituatie op de percelen. Het is begonnen in 2015 toen aan [derde-partij] een omgevingsvergunning is verleend voor het verbouwen van een sporthal en fysiotherapiepraktijk en het realiseren van een bovenwoning met dakterras op het perceel [adres 2] . Voor die tijd was dit perceel niet in gebruik waardoor de beschikbare ruimte ook gebruikt kon worden door de [eiseres] . Tegen de verleende omgevingsvergunning heeft de [eiseres] bezwaar en beroep ingesteld. Met de uitspraak van 6 maart 2018 vernietigde deze rechtbank de beslissing op bezwaar, waarmee de omgevingsvergunning in stand was gebleven, en kreeg het college de opdracht opnieuw op het bezwaar te beslissen.\n\n10. Met een nieuwe beslissing op bezwaar handhaafde het college de omgevingsvergunning, onder aanvulling van de motivering en met toevoeging van twee aanvullende voorwaarden. Het daartegen ingediende beroep van de [eiseres] is met de uitspraak van 6 maart 2020 gegrond verklaard, omdat deze rechtbank vond dat een deel van voorwaarde 2 vaag was geformuleerd en daardoor rechtsonzeker was. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en voorwaarde 2 gelet op het belang dat het college voor ogen stond bij het opleggen van deze voorwaarde gewijzigd vastgesteld. Voorwaarde 1 is ongewijzigd in stand gebleven. Verder oordeelde de rechtbank dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of het college het handhavingsverzoek van de [eiseres] terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van de [eiseres] . De rechtbank zal eerst de formele beroepsgrond beoordelen en daarna de inhoudelijke beroepsgronden.\n\nHeeft het college op alle bezwaargronden beslist?\n\n12. De [eiseres] voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat het college niet op alle bezwaargronden is ingegaan. Zo is het college niet ingegaan op de bezwaargrond dat het handhavingsverzoek niet alleen zag op een overtreding van de vergunningvoorschriften, maar ook een overtreding van het bestemmingsplan. Ook is het college niet ingegaan de bevindingen van de rijproef dat de middenstrook tussen de parkeerplaatsen op beide percelen vrij moet worden gehouden en de paaltjes en belijning dus strak tegen de parkeervakken geplaatst moeten worden om zonder problemen te kunnen in- en uitparkeren.\n\n13. De rechtbank stelt vast dat de bezwaren in het bestreden besluit samengevat staan weergegeven. Bij de beoordeling staat vermeld dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat het plaatsen van paaltjes bij de parkeerplaatsen door [derde-partij] tot gevolg heeft dat de [eiseres] niet overeenkomstig de in het bestemmingsplan opgenomen (maatschappelijke) bestemming kan worden gebruikt. Omdat op deze bezwaargrond is ingegaan, bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dat verder niet op alle bezwaren afzonderlijk is ingegaan, geeft de rechtbank ook geen reden om te oordelen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de heroverweging zijn betrokken.\n\nHandhavingsverzoek\n\n14. De [eiseres] heeft verzocht om handhavend op te treden tegen het overtreding van de vergunningvoorwaarde 1, omdat [derde-partij] belemmert dat de parkeerplaatsen van de [eiseres] goed bereikbaar zijn en gebruikt kunnen worden. [derde-partij] heeft paaltjes geplaatst voor de parkeerplaatsen op zijn perceel, terwijl volgens de [eiseres] de middenstrook volledig vrij moet blijven. Ook vindt de [eiseres] dat het college erop moet toezien dat zij op juiste wijze invulling kan geven aan de bestemming die op het perceel rust.\n\nVergunningvoorwaarden\n\n15. Vergunningvoorwaarde 1 bepaalt dat vergunninghouder verplicht is om de negen parkeerplaatsen die zijn vereist om aan de parkeerbehoefte te voldoen, uiterlijk binnen drie maanden na dagtekening van dit besluit te hebben gerealiseerd. Tevens is hij verplicht om de negen parkeerplaatsen vervolgens beschikbaar, bruikbaar en bereikbaar te houden ten behoeve van het gebruik van het pand aan de [adres 2] . Het is vergunninghouder toegestaan om deze parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar te houden met behulp van een verwijderbare ketting of opklapbaar hekje per parkeerplek met inachtneming van het in voorwaarde 2 gestelde.\n\n16. Vergunningvoorwaarde 2, zoals door de rechtbank vastgesteld, luidt als volgt: Het plaatsen van een hekwerk of andersoortige erfafscheiding door [derde-partij] op de perceelsgrens wordt niet toegestaan.\n\nMiddenstrook\n\n17. De [eiseres] betoogt dat [derde-partij] de vergunningvoorwaarden heeft overtreden. Door het plaatsen van paaltjes en het aanbrengen van belijning zijn hun eigen parkeerplaatsen praktisch onbereikbaar en ontoegankelijk. De [eiseres] wijst erop dat de middenstrook tussen de parkeerplaatsen op beide percelen vrij moet worden gehouden om zonder problemen te kunnen in- en uitparkeren. Dit blijkt klip en klaar uit de rijproef die heeft plaatsgevonden. Volgens de [eiseres] heeft de rechtbank in de vorige procedure de uitdrukkelijke aanwijzing gegeven dat het vrijhouden van de middenstrook de enige oplossing is van het conflict. Het college is hiervan ook op de hoogte.\n\n18. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft een inspecteur van het college in september 2020 twee controles op het perceel uitgevoerd. Daarbij zijn foto’s gemaakt van de situatie ter plaatse. Op de foto’s is te zien dat een erfafscheiding is geplaatst die bestaat uit losstaande paaltjes die door middel van een koord met elkaar verbonden zijn. Het college is van mening dat deze erfafscheiding, die niet op de perceelsgrens is geplaatst, niet in strijd is met de vergunningvoorschriften. In vergunningvoorwaarde 2 is geen specifieke afstand opgenomen waarbinnen het [derde-partij] niet is toegestaan de erfafscheiding te plaatsen.\n\n19. Het college heeft alleen bij een overtreding van een wettelijk voorschrift de bevoegdheid om handhavend op te treden. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het niet volledig vrijhouden van de middenstrook tussen de haakse parkeerplaatsen op beide percelen strijd oplevert met de vergunningvoorwaarden. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Daartoe overweegt zij dat in de vergunningvoorwaarden niet expliciet is bepaald dat de middenstrook volledig vrij gehouden moet worden. Dat volgens de [eiseres] in de vorige procedure door de rechtbank het advies is gegeven om de middenstrook vrij te houden, laat onverlet dat bij de vraag of sprake is van een overtreding gekeken moet worden naar de vergunningvoorwaarden. De [eiseres] is niet in hoger beroep gegaan tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank, waardoor de omgevingsvergunning met de voorwaarde 1 en de (gewijzigde) voorwaarde 2 in rechte is vast komen te staan en als uitgangspunt geldt in deze handhavingszaak. De inhoud van de vergunningvoorwaarden kan niet meer in deze procedure aan de orde gesteld worden.\n\n20. Op grond van vergunningvoorwaarde 1 mag [derde-partij] de parkeerplaatsen op het eigen perceel beschikbaar houden met behulp van een verwijderbare ketting als voorwaarde 2 in acht wordt genomen. De vergunningvoorwaarden 1 en 2 moeten in samenhang gelezen worden. Vergunningvoorwaarde 2 staat het niet toe dat een erfafscheiding op de perceelsgrens wordt geplaatst. In het bestreden besluit is uiteengezet dat [derde-partij] de paaltjes niet op de perceelsgrens heeft geplaatst, maar op enige afstand. De [eiseres] heeft gesteld dat belijning niet overeenkomst met de perceelsgrens, maar dat deze grens vóór de belijning ligt. Op basis hiervan kan vastgesteld worden dat de paaltjes met koorden niet op de perceelsgrens staan. Verder is van belang dat de paaltjes geen permanent karakter hebben en eenvoudig te verplaatsen zijn. Op basis van de dossierstukken en wat op zitting is besproken kan de rechtbank niet vaststellen dat met het plaatsen van de paaltjes sprake is van een overtreding van de vergunningvoorwaarden. Het beschikbaar, bruikbaar en bereikbaar houden van parkeerplaatsen, zoals in voorwaarde 1 staat, heeft betrekking op de parkeerplaatsen van [derde-partij] . De handelwijze van [derde-partij] maakt niet dat hier niet aan voldaan wordt. De rechtbank ziet ook het belang van een goede bereikbaarheid van de parkeerplaatsen van de [eiseres] , maar dat kan geen reden zijn om te oordelen dat [derde-partij] de vergunningvoorwaarden heeft overtreden.\n\nReclamebord\n\n21. De [eiseres] brengt ook naar voren dat het bij de toegang van de inrit geplaatste reclamebord een onnodige belemmering vormt. Het reclamebord staat op het perceel van [derde-partij] . De rechtbank is het met het college eens dat dit bord niet tot gevolg heeft dat de parkeerplaatsen van [derde-partij] niet beschikbaar, bruikbaar en bereikbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank levert het reclamebord geen strijd met de vergunningvoorwaarden op.\n\nBestemmingsplan\n\n22. Volgens de [eiseres] wordt een inbreuk gemaakt op het bestemmingsplan. Omdat [derde-partij] het goed in-en uitrijden belemmert komt de spoedeisende zorg in gevaar.\n\n23. Het perceel van de [eiseres] heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemming “Maatschappelijk”. Op deze bestemming en de bestemming “Sport” zoals dat op het perceel van [derde-partij] geldt, zijn ook parkeervoorzieningen toegestaan. Dat de huidige parkeersituatie door de [eiseres] als een probleem wordt ervaren, betekent niet dat dat perceel niet meer voor de maatschappelijke bestemming gebruikt kan worden. Van een overtreding van het bestemmingsplan door [derde-partij] is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.\n\nAlternatieven\n\n24. De [eiseres] wijst erop dat er alternatieven voorhanden zijn waardoor alle parkeerplaatsen toegankelijk zijn, zoals het plaatsen van beugels of boorden voor de parkeerplaatsen van [derde-partij] . De rechtbank overweegt dat dit geen rol kan spelen bij de vraag die in deze zaak ter beoordeling voorligt. Dat laat onverlet dat een aanpassing van de huidige parkeersituatie een oplossing kan bieden voor de door de [eiseres] ervaren problemen. De rechtbank merkt in dit verband op dat zowel de [eiseres] als [derde-partij] kunnen onderzoeken wat zij zelf kunnen doen om tot een oplossing te komen. Zij zijn immers als eigenaren van de percelen gelijkwaardige partijen van elkaar.\n\nCollege is niet vooringenomen\n\n25. De [eiseres] meent dat het college vooringenomen is geweest, omdat bij de besluitvorming geen rekening is gehouden met de belangen van de [eiseres] . De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat het college vooringenomen is geweest is bij de beoordeling van het handhavingsverzoek. Naar aanleiding van dit verzoek hebben controles plaatsgevonden en op basis daarvan is het handhavingsverzoek beoordeeld. De besluitvorming geeft ook geen blijk van vooringenomenheid.\n\nConclusie en gevolgen\n\n26. De conclusie van de rechtbank is dat het college terecht heeft geconstateerd dat geen sprake is van een overtreding en dat hij daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden. Het handhavingsverzoek is terecht afgewezen.\n\n27. Het beroep is ongegrond. De [eiseres] krijgt geen gelijk. Dit betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft.\n\n28. De [eiseres] krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2020:1260.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2018:900.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:2552","2023-05-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.774Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":43,"courtId":95,"decisionDate":96,"fullText":97,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":99,"parsedAt":51,"updatedAt":100},"622","ECLI:NL:RBNNE:2023:1529","ecli-nl-rbnne-2023-1529",65,"2023-04-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nlocatie Groningen\n\nzaaknummers: LEE 21\u002F2044 en 22\u002F1347\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 13 april 2023 in de zaken tussen\n\n [eiser], te [plaats], eiser,\n\n(gemachtigde: mr. R.J. Skala),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. J.P. Ketelaar).\n\nAls derde-partijheeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [plaats], vergunninghouder,\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim).\n\nProcesverloop\n\nInzake LEE 21\u002F2044\n\nBij besluit van 26 november 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats].\n\nBij besluit van 19 mei 2021 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit I van 26 november 2019 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nTegen het bestreden besluit I heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 21\u002F2044.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\nBij besluit van 21 juli 2021 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\nTegen het primaire besluit II heeft eiser bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 21\u002F2523. Bij uitspraak van 13 september 2021 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.\n\nBij besluit van 7 maart 2022 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de bij het primaire besluit II verleende omgevingsvergunning gewijzigd, in die zin dat de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”.\n\nTegen het bestreden besluit II heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer 22\u002F1347.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 7 maart 2023. Tijdens deze zitting zijn tevens de zaken met procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 22\u002F1427 behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. R.R. Top-van Houdt en J. Hortensius. Vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.\n\nVoor het doen van uitspraak zijn de zaken met de procedurenummers LEE 21\u002F2044 en 22\u002F1347 gesplitst van de zaken met de procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 22\u002F1427.\n\nFeiten en omstandigheden\n\n1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.\n\nInzake LEE 21\u002F2044\n\n1.1. In 2018 is door de raad van de voormalige gemeente Haren een voorbereidingsbesluit vastgesteld om het beoogde recreatieterrein achter de bestaande recreatiewoningen aan de zuid-oostzijde van het Paterswoldsemeer toe te voegen aan het bestemmingsplan EHS. In dit voorbereidingsbesluit is ook vastgelegd dat aan enkele bewoners van de Meerweg destijds is toegezegd dat de door hen gewenste vaarverbinding zou worden gefaciliteerd. Voorafgaand aan dit voorbereidingsbesluit hebben diverse procesafspraken plaatsgevonden op het gemeentehuis met de afdeling ontwikkeling, bewoners van de Meerweg en leden van recreatiewoningen “Ol Veen” en het Meerschap Paterswolde. Deze vaarverbinding is vervolgens in nauw overleg met de provincie Groningen tot stand gekomen, gelet op het aanwezige NNN-gebied.\n\nTevens is overleg gevoerd met de eigenaar van het adres Meerweg 205, die in het bezit is van een vergunning voor een alternatieve vaarverbinding van zijn perceel aan de Meerweg naar het Paterswoldsemeer. Dit overleg (met als doel om te komen tot een gemeenschappelijke vaarverbinding) heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid zodat een besluit moest worden genomen omtrent het verlenen van de vergunning voor de gevraagde vaarverbinding.\n\n1.2. Vergunninghouder heeft op 9 juni 2020 een aanvraag om omgevingsvergunning (eerste fase) bij verweerder ingediend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te Haren. Deze aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de navolgende activiteit:\n\n- het uitvoeren van een werk of werkzaamheden.\n\n1.3. Bij primair besluit I van 26 november 2019 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats].\n\n1.4. De commissie heeft verweerder bij brief van 22 april 2021 geadviseerd om de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren en het primaire besluit I van 26 november 2020 onder een aanvullende motivering te handhaven.\n\n1.5. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit I de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit I van 26 november 2020 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\n1.6. Vergunninghouder heeft op 21 december 2020 een aanvraag om omgevingsvergunning bij verweerder ingediend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te Haren (Gn.) in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\n1.7. Bij primair besluit II van 21 juli 2021 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\n1.8. De commissie heeft verweerder bij brief van 15 februari 2022 geadviseerd om de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren en het primaire besluit II gewijzigd in stand te laten onder aanvulling van de motivering en het opnemen van voorschriften. Verder heeft de commissie in voormelde brief aan verweerder geadviseerd om de omgevingsvergunning te verlenen onder afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”.\n\n1.9. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit II de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de bij het primaire besluit II verleende omgevingsvergunning gewijzigd, in die zin dat de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer” met toepassing van artikel 4, derde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\nToepasselijke regelgeving\n\n2. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.\n\nOverwegingenInzake LEE 21\u002F2044\n\nHet geschil\n\n3. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht en op juiste gronden een omgevingsvergunning heeft verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\nTen aanzien van de goede procesorde\n\n4. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser naar voren gebracht dat de door de gemachtigde van eiseres in procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 21\u002F1427 naar voren gebrachte gronden als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat eiseres in die procedures geen procesbelang meer heeft.\n\n4.1.. Verweerder en vergunninghouder hebben naar aanleiding daarvan ter zitting gesteld dat dit in strijd komt met de beginselen van een goede procesorde.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank komt het verzoek van de gemachtigde van eiser eerst ter zitting om de gronden van eiseres van overeenkomstige toepassing te verklaren zonder een nadere toelichting en zonder te specificeren om welke gronden het gaat in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Dit brengt met zich dat de rechtbank het verzoek van de gemachtigde van eiser afwijst en de gestelde van overeenkomstige toepassing zijnde gronden van beroep buiten beschouwing zal laten.\n\nTen aanzien van de relativiteit\n\n5. Eiser betoogt dat er onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen. In dit verband wijst eiser erop dat de te graven vaarverbinding de zonneweide en het strandje grenzend aan het Paterswoldsemeer zal doorsnijden en dat hierdoor de recreatieve capaciteit voor dagrecreanten voor een groot deel (30%) zal worden ingeperkt.\n\n5.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiser gestelde schending van het belang van de dagrecreanten niet een belang is dat in deze beroepsprocedure aan de rechtbank ter toetsing kan worden voorgelegd, aangezien het hier niet gaat om een persoonlijk belang van eiser. In dit verband wijst verweerder erop dat uit artikel 8.69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat eiser in deze procedure uitsluitend kan opkomen voor zijn eigen belangen en niet ook voor de belangen van anderen.\n\n5.2.. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009\u002F10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van eiser.\n\n5.3.. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de norm waarop eiser zijn gestelde schending van de belangen van de dagrecreanten baseert, niet geschreven is ter bescherming van zijn persoonlijke belangen. Omdat de beroepsgrond van eiser gezien het relativiteitsvereiste in zoverre niet tot vernietiging van het bestreden besluit I kan leiden, ziet de rechtbank af van een inhoudelijke bespreking daarvan (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:900).\n\nTen aanzien van een alternatief\n\n6. Eiser stelt voor om het oost-west gedeelte van de vaarweg iets meer richting het zuiden aan te leggen.\n\n6.1.. \n\nVerweerder stelt zich op het standpunt dat met dit door eiser voorgestelde alternatieve tracé niet hetzelfde resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder\n\nbezwaren. In dit verband wijst verweerder erop dat in dit alternatief het oost-west gedeelte van de vaarweg ongeveer 20 meter zuidelijker zou komen te liggen, ongeveer ter hoogte van de huidige sloot op het perceel van de eigenaar van Meerweg 205.\n\n6.2.. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat verweerder beslist op de aanvraag om omgevingsvergunning, zoals die is ingediend. Indien een plan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (vgl. AbRvS, 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2510).\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een alternatief waarbij een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het door eiser naar voren gebrachte alternatief door verweerder is beoordeeld en vergeleken met de aangevraagde variant. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat het door eiser naar voren gebrachte alternatief als nadeel heeft dat een groot deel van de zonneweide en het strandje aan het Paterswoldsemeer doorkruist worden door dit alternatieve tracé en dat dit voor het Meerschap Paterswolde als eigenaar van de grond reden was om hieraan geen medewerking te verlenen. Hieruit volgt dat met het door eiser naar voren gebrachte alternatief niet een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt. Deze grond van eiser slaagt niet.\n\nTen aanzien van de aanlegvergunning voor het pad\n\n7. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen aanlegvergunning voor het pad heeft verleend voor zover dit zich ten zuiden van de vaarweg bevindt. In dit verband wijst eiser erop dat dit pad naar zijn mening aanlegvergunningplichtig is omdat het aanbrengen van oppervlakteverhardingen aanlegvergunningplichtig is.\n\n7.1.. \n\nVerweerder stelt zich op het standpunt dat uitsluitend een aanlegvergunning is vereist voor het pad voor zover dat is gelegen in de bestemming “Agrarisch met\n\nwaarden” van de beheersverordening Paterswoldsemeer (dat is het deel van het pad dat\n\nis gelegen ten westen van de vaarweg, daar waar de vaarweg van zuid naar noord\n\nloopt). Daar waar het pad ten zuiden van de vaarweg ligt, geldt volgens verweerder voor het meest westelijke deel daarvan de bestemming “Recreatie-Dagrecreatie” uit de beheersverordening Paterswoldsemeer. Deze bestemming kent in de visie van verweerder geen aanlegvergunningstelsel. Voor het overige deel van het pad zuidelijk van de vaarweg, geldt volgens verweerder de bestemming “Natuur” uit het bestemmingsplan EHS. Naar de mening van verweerder valt de aanleg van het pad niet onder de in artikel 3.4 van dit bestemmingsplan genoemde vergunningplichtige activiteiten. In dit verband wijst verweerder erop dat artikel 3.4 onder a, sub 4, van de planregels van dit bestemmingsplan weliswaar bepaalt dat een aanlegvergunning vereist is voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, maar dat uit de aanvraag blijkt dat er sprake is van een onverhard pad, zodat op grond van deze bepaling geen aanlegvergunningplicht geldt.\n\n7.3.. Artikel 3 van het bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein Zuidoostzijde Paterswoldsemeer” luidt als volgt:\n\n1. De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. het behoud, het herstel en\u002Fof de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, in het bijzonder gericht op ontwikkeling en instandhouding van een robuuste ecologische verbindingszone (EHS);\n\nb. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nc. recreatief medegebruik en extensief agrarisch medegebruik.\n\n(…)\n\n4.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, te doen en te laten uitvoeren:\n\n1. het egaliseren en ophogen van gronden anders dan ten behoeve van de ontwikkeling van natuur of in verband met de waterhuishouding.\n\n7.4.. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad. Verder wordt vastgesteld dat verweerder uit deze aanvraag om omgevingsvergunning heeft afgeleid dat er geen sprake is van aanlegvergunningplichtige activiteiten op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer” omdat het een onverhard pad betreft. De rechtbank volgt verweerder niet in deze stelling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er bij de aanleg van het bijbehorende pad geen sprake is van het egaliseren van gronden, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van voormeld bestemmingsplan. Hieruit volgt dat eiser terecht betoogt dat er sprake is van een aanlegvergunningplicht voor het bijbehorende pad ten zuiden van de aan te leggen vaarverbinding. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit in strijd komt met artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van voormeld bestemmingsplan. Deze grond van eiser slaagt.\n\nTen aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen\n\n8. Eiser betoogt dat het verlenen van de aanlegvergunning voor de voorgenomen vaarwegverbinding voor een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel zorgt. In dit verband wijst eiser erop dat het realiseren van de vaarwegverbinding ertoe bijdraagt dat de toegang tot zijn perceel wordt weggenomen. Bovendien meent eiser dat ook de toegang tot het perceel van hulpdiensten, zoals de brandweer en\u002Fof een ambulance, niet langer mogelijk wordt door het aanleggen van de vaarwegverbinding. Dit wordt ook bemoeilijkt door hier een voorgenomen brug over te plaatsen). Verweerder alsmede de vergunninghouder hebben te kennen gegeven dat de toegang tot het perceel van eiser kan worden hersteld, door hiervoor naderhand dus een brug aan te leggen. Het zou hierbij gaan om een ophaalbrug die door de vergunninghouder zelf zal worden beheerd, aldus eiser. In de visie van eiser is dit niet wenselijk, omdat hij voor de toegang tot het perceel daardoor afhankelijk wordt van derden. Ook zet hij vraagtekens bij de veiligheid van het beheer en onderhoud van een dergelijke constructie door een partij die daarin vrijwel geen enkele deskundigheid heeft. Verder is het volgens eiser nog maar de vraag of de eerdergenoemde hulpdiensten nog bij het perceel kunnen komen wanneer beheer en het onderhoud van de brug in beheer wordt gebracht bij de initiatiefnemer zelf. Naar de mening van eiser heeft verweerder in het bestreden besluit op dit punt geen enkele reactie naar voren gebracht, hetgeen in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur. Meer specifiek wijst eiser op het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.\n\n8.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanleg van de vaarwegverbinding een beperkte ruimtelijke uitstraling heeft en dat er geen sprake is van een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van eiser. In dit verband wijst verweerder erop dat uit de feitelijke situatie naar voren komt dat de relatief smalle, deels onverharde, toegangsweg niet bedoeld en geschikt is voor grote en zware voertuigen. Ook uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen blijkt dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor het gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers, aldus verweerder. Volgens verweerder gebeurt het gebruik van de weg door grote en zware vrachtvoertuigen wel incidenteel, maar is dit alleen mogelijk met behulp van rijplaten. Verder wijst verweerder erop dat gezien het beperkte privégebruik door vier huishoudens van de aan te leggen vaarweg de brug in het vaarseizoen hooguit een aantal malen per dag gedurende korte tijd (enkele minuten) geopend zal zijn. In de visie van verweerder kan niet worden uitgesloten dat de eigenaren\u002Fgebruikers van deze recreatiewoningen tijdens het vaarseizoen met enige regelmaat gedurende korte tijd zullen moeten wachten voor een geopende brug, maar deze omstandigheid brengt niet met zich dat de belangen van eiser hierdoor onevenredig worden geschaad. Hoewel de vrees voor een defect aan de brug terecht is, is verweerder van mening dat de kans klein is dat er een defect zal optreden, waar eiser mogelijk last van zal hebben. In dit verband wijst verweerder erop dat een defect waardoor eiser mogelijk zal worden geraakt, zich alleen zal voordoen als dit defect optreedt bij een geopende brug, want een defect dat optreedt bij een gesloten brug raakt alleen vergunninghouder en de andere gebruikers van de vaarweg, aangezien de brug in dat geval niet meer omhoog gebracht kan worden. Aangezien de brug in het vaarseizoen slechts korte tijd per dag geopend zal zijn, zal ook de kans op een eiser benadelend defect klein zijn. Voor het geval een dergelijk defect onverhoopt toch optreedt, dan kan de brug handmatig met een lier in de uitgangspositie worden teruggebracht, aldus verweerder. In dit kader acht verweerder van belang dat door de fabrikant van de brug is bevestigd dat er een dergelijke veiligheidsvoorziening zal worden aangebracht bij de aanleg van de brug en dit is als voorschrift aan de vergunning verbonden.\n\n8.2.. Daarnaast wijst verweerder erop dat de brug toegankelijk is voor ambulances. Ten aanzien van de bereikbaarheid van de recreatiewoningen voor de brandweer is het volgens verweerder opmerkelijk dat eiser stelt dat de bereikbaarheid voor de brandweer zal verslechteren door de aanleg van de brug en de vaarweg en daarbij geheel voorbij gaat aan het feit dat uit de bevindingen van de brandweer is gebleken dat er juist in de huidige situatie een zeer grote kans is dat de brandweer de recreatiewoningen niet (tijdig) kan bereiken met blusmateriaal. In dit verband wijst verweerder erop dat door de brandweer, die de situatie ter plekke in ogenschouw heeft genomen, is geconstateerd dat het onzeker is of een (zware met water gevulde) blusauto de recreatiewoningen zal kunnen bereiken over de deels onverharde toegangsweg. Bovendien is er volgens verweerder in de huidige situatie in de nabijheid geen mogelijkheid om bluswater in te nemen, omdat het Paterswoldsemeer vanaf de toegangsweg niet goed bereikbaar is voor een blusauto en de dichtstbijzijnde brandkraan 170 meter is verwijderd van de plek waar de brug wordt aangelegd. In de visie van verweerder blijkt dit uit het advies van de Veligheidsregio. Verder wijst verweerder erop dat de Veiligheidsregio positief heeft geadviseerd over de aanleg van een brug, onder de voorwaarde dat er een opstelplaats voor de brandweer wordt gerealiseerd, die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen. Daarbij acht verweerder van belang dat vergunninghouder heeft verklaard een dergelijke waterwin- en opstelplaats aan te zullen leggen en in het bestreden besluit I is dit als voorschrift verbonden aan de vergunning.\n\n8.3.. Wat betreft de belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zal de rechtbank het project in zijn geheel bezien met inbegrip van de rol van de aanleg van de brug daarin. De rechtbank overweegt dat in de met betrekking tot deze omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te maken belangenafweging daarbij uitsluitend de gevolgen van de afwijkingen van het bestemmingsplan dienen te worden meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de belangen van vergunninghouder zwaarder dienen te wegen dan de belangen van eiser voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door verweerder niet inzichtelijk en duidelijk is gemaakt hoe vaak per dag door vergunninghouder en de overige eigenaren van de vier woningen aan de Meerweg gebruik gemaakt zal worden van de aan te leggen brug, terwijl eiser voor wat betreft de bereikbaarheid en de toegankelijkheid van zijn perceel afhankelijk zal worden van de brugbediening door derden, waaronder vergunninghouder. Nu verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe vaak gebruik gemaakt zal worden van de aan te leggen brug, is het bestreden besluit voor wat betreft de belangenafweging in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb tot stand gekomen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit voor wat betreft de belangenafweging op een ondeugdelijke motivering berust hetgeen strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb oplevert. Dit betekent dat deze grond van eiser slaagt. Ook om die reden is het beroep van eiser gegrond.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\nHet geschil\n\n9. Tussen partijen is in geschil of verweerder een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de [adres] in [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\nTen aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen\n\n10. Aan het bestreden besluit II heeft verweerder ten grondslag gelegd dat zware en grote vrachtvoertuigen weliswaar geen gebruik kunnen maken van de brug, maar dat met de toegestane belastbaarheid van de brug van 5.100 kg de recreatiewoningen voldoende toegankelijk zijn. Met deze belastbaarheid kunnen de meest gangbare voertuigen - waaronder personenauto’s, (grote) bestelauto’s en kleine vrachtauto’s - de recreatiewoningen bereiken. Ook is gebleken dat de brug toegankelijk is voor ambulances. Verder blijkt uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers. Daarbij is in aanmerking genomen dat de toegangsweg waarin de brug zal worden aangebracht, geen openbare weg is die normale verkeersstromen moet verwerken, maar een niet-openbare weg die slechts zeven recreatiewoningen ontsluit. Bovendien betreft het een relatief smalle, niet geasfalteerde weg die niet bedoeld en geschikt is voor grote en zware voertuigen. Verder is daarbij in aanmerking genomen dat de belangen van eisers niet onevenredig worden geschaad. Er is geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is in overweging genomen dat de brug alleen in het vaarseizoen zal worden gebruikt en alleen door bewoners van de vier woningen aan de Meerweg. Door dit niet-openbare gebruik zal de brug (alleen tijdens het vaarseizoen) enkele malen per dag gedurende enkele minuten geopend zijn. Van een onaanvaardbare belemmering van de toegankelijkheid van de recreatiewoning van eiser is geen sprake.\n\n10.1.. \n\nEiser betoogt dat het gestelde geringe gebruik van de vaarweg en de daarin gelegen brug uitgaat van de veronderstelling dat er slechts één schip per woning zal zijn. Dat is in tegenspraak met het aantal feitelijk aanwezige aantal personen dat in staat zal zijn met een\n\nschip gebruik te maken van de vaarweg, aldus eiser. Dat zullen minimaal twee volwassenen zijn met een aantal kinderen. Dat impliceert volgens eiser tenminste twee schepen per woning. Dat aantal zal snel toenemen als de kinderen de leeftijd van acht jaren hebben bereikt en ieder kind zijn eigen zeilboot(je) zal varen. Thans uitgaan van drie schepen per woning, acht eiser een reële optie en impliceert reeds een gemiddeld openstaan van de brug\n\nvan tenminste 60 minuten per dag. Daarmede wordt de gestelde beperkte hinder voor eiser en de andere eigenaren van de recreatiewoningen tot een aanmerkelijke niet meegewogen hinder. Daarbij moet in de visie van eiser ook bezien worden wat de gemiddelde openingstijd zal zijn voor het passeren van een schip. Eiser is van mening dat voor iedere keer openen van de brug voor het landverkeer een vertraging ontstaat van tien minuten. Eiser berekent dan\n\nmaximaal 24 x openen gedurende 10 minuten, zijnde een stremming van vier uur per dag. Daarenboven zijn de scheepsbewegingen volgens eiser niet beperkt tot een vaarseizoen,\n\nmaar vinden die gedurende het hele jaar plaats. Alleen bij ijsgang zal het gebruik van de\n\nvaarweg en de brug niet mogelijk zijn. In de visie van eiser schetst verweerder een onjuist beeld, waaruit niet de conclusies kunnen worden getrokken, die verweerder trekt. Het openen van de brug zal voor eiser en de overige eigenaren van de recreatiewoningen aanmerkelijke hinder veroorzaken. Die hinder zal slechts toenemen bij de groei van het aantal schepen per woning en in het geval van niet voorziene calamiteiten ten gevolge van incidenten.\n\n10.2.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat zware en grote vrachtvoertuigen weliswaar geen gebruik kunnen maken van de brug, maar dat met de toegestane belastbaarheid van de brug van 5.100 kg de recreatiewoningen voldoende toegankelijk zijn. Ook uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen blijkt dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor het gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers, aldus verweerder. Volgens verweerder gebeurt het gebruik van de weg door grote en zware vrachtvoertuigen wel incidenteel, maar is dit alleen mogelijk met behulp van rijplaten. Verder wijst verweerder erop dat gezien het beperkte privégebruik door vier huishoudens van de aan te leggen vaarweg de brug in het vaarseizoen hooguit een aantal malen per dag gedurende korte tijd (enkele minuten) geopend zal zijn. In de visie van verweerder kan niet worden uitgesloten dat de eigenaren\u002Fgebruikers van deze recreatiewoningen tijdens het vaarseizoen met enige regelmaat gedurende korte tijd zullen moeten wachten voor een geopende brug, maar deze omstandigheid brengt niet met zich dat de belangen van eiser hierdoor onevenredig worden geschaad. Hoewel de vrees voor een defect aan de brug terecht is, is verweerder van mening dat de kans klein is dat er een defect zal optreden, waar eiser mogelijk last van zal hebben. In dit verband wijst verweerder erop dat een defect waardoor eiser mogelijk zal worden geraakt, zich alleen zal voordoen als dit defect optreedt bij een geopende brug, want een defect dat optreedt bij een gesloten brug raakt alleen vergunninghouder en de andere gebruikers van de vaarweg, aangezien de brug in dat geval niet meer omhoog gebracht kan worden. Aangezien de brug in het vaarseizoen slechts korte tijd per dag geopend zal zijn, zal ook de kans op een eiser benadelend defect klein zijn. Voor het geval een dergelijk defect onverhoopt toch optreedt, dan kan de brug handmatig met een lier in de uitgangspositie worden teruggebracht, aldus verweerder. In dit kader acht verweerder van belang dat door de fabrikant van de brug is bevestigd dat er een dergelijke veiligheidsvoorziening zal worden aangebracht bij de aanleg van de brug en dit is als voorschrift aan de vergunning verbonden. Daarnaast wijst verweerder erop dat de brug toegankelijk is voor ambulances.\n\n10.3.. Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen (vgl. AbRvS, 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2493).\n\n10.4.. De rechtbank ziet geen grond om tot een ander oordeel te komen dan is verwoord in rechtsoverweging 8.3. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat het bestreden besluit II voor wat betreft de belangenafweging in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb tot stand is gekomen. Deze grond van eiser slaagt.\n\nTen aanzien van het Bouwbesluit\n\n11. Eiser betoogt dat in de huidige situatie de voorziene waterwin- en opstelplaats voor de brandweer niet bereikbaar is voor een brandweerauto. Volgens eiser is de weg in een dermate slechte toestand dat zonder herstel van de weg op kosten van de verantwoordelijken voor die abominabele toestand, waarin niet is voorzien in de verleende vergunning, de\n\nzogenaamde gelijkwaardige oplossing illusoir is. Naar de mening van eiser is de geboden oplossing niet gelijkwaardig, zoals in artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 is aangegeven. In dit verband wijst eiser erop dat in de voorheen geldende situatie de hulpverleningsvoertuigen tot op enkele meters van het object konden komen. Na realisering van de vergunde ophaalbrug moet in de visie van eiser altijd nog maximaal 160 tot 180 meter met slangen overbrugd worden. Dat is volgens eiser niet aan te merken als gelijkwaardig.\n\n11.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de bereikbaarheid van de recreatiewoningen voor de brandweer is het opmerkelijk is dat eiser stelt dat de bereikbaarheid voor de brandweer zal verslechteren door de aanleg van de brug en de vaarweg. Eiser gaat daarbij geheel voorbij aan het feit dat uit de bevindingen van de brandweer is gebleken dat er juist in de huidige situatie een zeer grote kans is dat de brandweer de recreatiewoningen niet (tijdig) kan bereiken met blusmateriaal. In dit verband wijst verweerder erop dat door de brandweer, die de situatie ter plekke in ogenschouw heeft genomen, is geconstateerd dat het onzeker is of een (zware met water gevulde) blusauto de recreatiewoningen zal kunnen bereiken over de deels onverharde toegangsweg. Bovendien is er volgens verweerder in de huidige situatie in de nabijheid geen mogelijkheid om bluswater in te nemen, omdat het Paterswoldsemeer vanaf de toegangsweg niet goed bereikbaar is voor een blusauto en de dichtstbijzijnde brandkraan 170 meter is verwijderd van de plek waar de brug wordt aangelegd. In de visie van verweerder blijkt dit uit het advies van de Veiligheidsregio. Verder wijst verweerder erop dat de Veiligheidsregio positief heeft geadviseerd over de aanleg van een brug, onder de voorwaarde dat er een opstelplaats voor de brandweer wordt gerealiseerd, die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen. Daarbij acht verweerder van belang dat vergunninghouder heeft verklaard een dergelijke waterwin- en opstelplaats aan te zullen leggen en in het bestreden besluit I is dit als voorschrift verbonden aan de vergunning. Naar de mening van verweerder is er geen sprake van strijd met het Bouwbesluit 2012.\n\n11.3.. Ingevolge artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 behoeft aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 (https:\u002F\u002Frijksoverheid.bouwbesluit.com\u002FInhoud\u002Fdocs\u002Fwet\u002Fbb2012\u002Fhfd1?lmcode=pyioim) gesteld voorschrift niet te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften.\n\n11.3.. Aan de hand van de gedingstukken gaat de rechtbank er vanuit dat de recreatiewoning van eiser met personenauto’s en een ambulance bereikbaar zal zijn na de aanleg van de brug. Die bereikbaarheid zal niet afwijken van de capaciteit van de huidige, niet openbare, toegangsweg tot hun recreatiewoningen. Verder blijkt uit een daartoe strekkend advies van de Veiligheidsrisico dat er na realisatie van het project voor wat betreft de blusmogelijkheden sprake zal zijn van een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Dit advies heeft verweerder aan het bestreden besluit II ten grondslag gelegd. Met betrekking tot dit advies heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012. De rechtbank stelt in dit verband vast dat eiser geen contra-expertise van een deskundige op het gebied van waterwin- en opstelplaatsen voor de brandweer heeft overgelegd.\n\n11.4.. Vervolgens is de vraag of eiser erin geslaagd is om aannemelijk te maken dat er sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van voormeld advies van de Veiligheidsregio. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Hoewel aan eiser dient te worden toegegeven dat er sprake is van kritische opmerkingen in voormeld advies, blijkt uit de conclusie dat er met het realiseren van een opstelplaats voor de brandweer die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen sprake is van een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Geen grond bestaat voor het oordeel dat voormelde conclusie niet volgt uit de bevindingen van het advies van de Veiligheidsregio. Het enkel plaatsen van kritische kanttekeningen door eiser leidt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet tot de conclusie dat het advies van de Veiligheidsregio onzorgvuldig is dan wel inhoudelijk niet concludent is (vgl. AbRvS, 11 januari 2012, ECLI:NL:RVS: 2012:BV0578). Dit brengt met zich dat verweerder het advies van de Veiligheidsregio aan het bestreden besluit II ten grondslag heeft mogen leggen. Deze grond van eiser slaagt niet.\n\nConclusie\n\nZaaknummer LEE 21\u002F2044\n\n12. Gelet op de rechtsoverwegingen 7.4. en 8.3. is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (deels) in stand blijven, maar volstaat met de opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.\n\n12.1.. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiser te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 1.674,- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.\n\nZaaknummer 22\u002F1346\n\n13. Gelet op rechtsoverweging 10.4 is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit II voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (deels) in stand blijven, maar volstaat met de opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.\n\n13.1.. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiser te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 837,- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.\n\n13.2.. Ten aanzien van de vergoeding van verletkosten waarom eiser verzoekt, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft verzocht om vergoeding van verletkosten, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Bpb, tot een bedrag van in totaal € 200,-. Als verletkosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking de kosten van tijdsverzuim als gevolg van het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis (Nota van Toelichting, Stb. 1993, 763). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele vermelding van een bedrag van in totaal € 200,- aan verletkosten de hoogte van zijn verletkosten onvoldoende met gegevens of bescheiden gestaafd. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de verletkosten van eisers op een forfaitair bedrag vast te stellen (vgl. AbRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9511). De rechtbank stelt de verletkosten derhalve vast tegen het minimumtarief van € 7,- per uur voor in totaal drie uren in verband met het bijwonen van de zitting op 7 maart 2023. Verder heeft eiser verzocht om vergoeding van de kosten van verschotten, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van het Bbp tot een bedrag van in totaal € 100,-. Naar het oordeel van de rechtbank komen de door eiser opgevoerde kosten van verschotten ingevolge het Bbp niet voor vergoeding in aanmerking nu de daarvoor benodigde specificatie ontbreekt.\n\n13.3.. Hieruit volgt dat het totaal van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiser door de rechtbank worden vastgesteld op € 2.532,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen van eiser gegrond en vernietigt de bestreden besluiten I en II van verweerder;\n\nbepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eiser in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten in zaaknummer 21\u002F2044 tot een bedrag van € 1.674,-;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eiser in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten in zaaknummer 22\u002F1347 tot een bedrag van € 2.532,-;\n\nbepaalt dat verweerder de door eiser betaalde griffierechten van in totaal € 365,- aan hem dient te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op\n\n13 april 2013.\n\ngriffier rechter\n\nRechtsmiddel\n\nTegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.\n\nAfschrift verzonden op:\n\nBijlage\n\nWet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)\n\nArtikel 2.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:\n\na. het bouwen van een bouwwerk,\n\nb. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan of beheersverordening, (…) is bepaald.\n\nc. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan of beheersverordening.\n\nArtikel 2.10\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:\n\n(…)\n\nc. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening (…)\n\n(…)\n\n2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.\n\nArtikel 2.12\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:\n\na. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:\n\n(…)\n\n2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (…).\n\nArtikel 3.3\n\n1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, houdt het bevoegd gezag, in afwijking van artikel 3.9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:18&g=2023-02-15&z=2023-02-15), de beslissing aan, indien er geen grond is de vergunning te weigeren maar voor het gebied waarin de activiteit zal worden verricht vóór de dag van ontvangst van de aanvraag:\n\n(…)\n\nb. een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd.\n\n(…)\n\n3. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen, indien de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.\n\nBesluit omgevingsrecht\n\nBijlage II\n\nArtikel 4\n\nVoor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:\n\n3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:\n\na. niet hoger dan 10 m, en\n\nb. de oppervlakte niet meer dan 50 m².\n\nBeheersverordening “Paterswoldsemeer”\n\nArtikel 1nn Landschappelijke waarden\n\nIn de regels van de beheersverordening wordt onder landschappelijke waarden verstaan: de aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied.\n\nArtikel 5 Agrarisch met waarden\n\n1. De voor Agrarisch met waarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. de uitoefening van het agrarisch bedrijf;\n\nb. het behoud, herstel en\u002Fof ontwikkeling van de landschappelijke en natuurweten-schappelijke waarden van de gronden. Deze gronden kenmerken zich met name vanwege de openheid in de richting van het meer en de aanwezigheid van weide-vogels. In vochtige weilanden komt pitrus en in de sloten onder meer kranswieren en fonteinkruiden voor. De oeverzones, die voorzien zijn van riet, wilgenbosjes en\u002Fof\n\nandere oevervegetatie, bieden broedgelegenheid voor water- en moerasvogels, zoals fuut, meerkoet en kleine karekiet;\n\nc. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nd. recreatief medegebruik;\n\nmet de daarbij behorende:\n\ne. voet-, fiets- en ruiterpaden;\n\nf. openbare nutsvoorzieningen;\n\ng. water.\n\n(…)\n\n5.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:\n\n1. het graven, verdiepen, uitbaggeren, dempen of verbreden van sloten, vaarten en naar de aard daarmee gelijk te stellen waterlopen;\n\n2. - 4. (…);\n\n5. het aanbrengen of aanleggen van oppervlakteverhardingen, paden en\u002Fof parkeer-voorzieningen.\n\n5.c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits:\n\n1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en de natuurlijke waarden;\n\n2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.\n\nArtikel 12 Recreatie - Dagrecreatie\n\n1. De voor Recreatie – Dagrecreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. dag- en watersportrecreatie;\n\nmet daaraan ondergeschikte:\n\nb. - f. (…);\n\ng. wegen en paden;\n\nh. parkeervoorzieningen;\n\ni. groenvoorzieningen;\n\nj. - m. (…);\n\nn. water.\n\nHet bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”\n\nArtikel 1aa Recreatief medegebruik\n\nIn de planregels van het bestemmingsplan wordt onder recreatief medegebruik verstaan: die vormen van recreatie die plaats hebben in een gebied met een niet-recreatieve hoofdfunctie waarbij het recreatieve medegebruik ondergeschikt is aan de hoofdfunctie en het hoofgebruik van de bestemming.\n\nArtikel 3 Natuur\n\n1. De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. het behoud, het herstel en\u002Fof de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, in het bijzonder gericht op ontwikkeling en instandhouding van een robuuste ecologische verbindingszone (EHS);\n\nb. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nc. recreatief medegebruik en extensief agrarisch medegebruik.\n\n(…)\n\n4.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, te doen en te laten uitvoeren:\n\n1. het egaliseren en ophogen van gronden anders dan ten behoeve van de ontwikkeling van natuur of in verband met de waterhuishouding.\n\n(…)\n\n4.c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits:\n\n1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, de natuurlijke en de geomorfologische waarden;\n\n2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.\n\nHet ontwerpbestemmingsplan “Veegplan 2019”\n\nArtikel 9 Verblijfsrecreatie uit te werken\n\nDe bestemming Verblijfsrecreatie-uit te werken wordt gewijzigd in de bestemming Natuur zoals aangegeven op de verbeelding. Deze bestemming Natuur blijft ongewijzigd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2023:1529","2023-04-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.721Z",{"id":102,"ecli":103,"slug":104,"caseNumber":43,"courtId":85,"decisionDate":105,"fullText":106,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":108,"parsedAt":51,"updatedAt":109},"1316","ECLI:NL:RBMNE:2023:1249","ecli-nl-rbmne-2023-1249","2023-03-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 22\u002F4218\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2023 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren\n\n(gemachtigde: A. Debie).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats]\n\nInleiding\n\nEiser woont aan de [adres 1] in [woonplaats] . Derde-partij woont naast eiser op het perceel aan de [adres 2] in [woonplaats] . Op 15 december 2017 is aan de vorige eigenaar van het perceel aan de [adres 2] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning met een toegangsbrug. Vervolgens is op 22 april 2020 een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een tijdelijke woning op de [adres 2] .\n\nDerde-partij heeft een nieuwe aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning omdat hij zijn woning op een andere manier wil bouwen dan is toegestaan in de omgevingsvergunning van 15 december 2017. Het college heeft in het besluit van 18 februari 2022 (het primaire besluit) de omgevingsvergunning verleend aan derde-partij voor de bouw van een woning aan de [adres 2] (de planlocatie).\n\nOp 9 mei 2022 heeft het college, na verzoek daartoe van derde-partij, de omgevingsvergunning van 15 december 2017 gedeeltelijk ingetrokken. De gedeeltelijke intrekking ziet op de bouw van de woning.\n\nHet bezwaar van eiser tegen het primaire besluit is ongegrond verklaard in het besluit van 18 juli 2022 (het bestreden besluit). Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft beroep ingesteld.\n\nHet college heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld op de zitting van 13 februari 2023. Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook derde-partij is verschenen. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en medegedeeld dat er binnen zes weken uitspraak wordt gedaan.\n\nNadat de rechtbank het onderzoek op de zitting heeft gesloten, heeft het college nadere stukken naar de rechtbank toegestuurd. Omdat de stukken zijn toegestuurd nadat het onderzoek is gesloten, heeft de rechtbank deze stukken niet betrokken bij het onderzoek.Beoordeling door de rechtbank\n\nHet bestreden besluit\n\nVolgens het college is het bouwplan in overeenstemming met de regels uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Ook is het bouwplan in overeenstemming met de redelijke eisen van welstand, het Bouwbesluit 2012 en de bouwverordening. Dat betekent dat er geen weigeringsgronden zijn zoals bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In dat geval heeft het college geen andere keuze dan de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Uit de bezwaargronden van eiser volgt volgens het college niet dat er wel een weigeringsgrond is. De verleende omgevingsvergunning blijft daarom in stand en de bezwaren van eiser worden door het college ongegrond verklaard.\n\nHet geschil\n\nEiser is het niet met het college eens dat er geen weigeringsgronden zijn. Volgens eiser wordt door het bouwplan het maximale bebouwingsoppervlakte van het bestemmingsplan overschreden. Het college is uitgegaan van bebouwingsoppervlakte van maximaal 230 m², terwijl dit volgens eiser maximaal 190 m² is. Verder is eiser van mening dat bij de berekening van het maximale bebouwingsoppervlakte het college ten onrechte de inrit niet heeft meegerekend, nu met de aanleg van de inrit er ook een bouwwerk zal worden gerealiseerd.\n\nOok stelt eiser zich op het standpunt dat met de bouw van de woning een tweede woning wordt toegestaan terwijl volgens het bestemmingsplan maar één woning is toegestaan aan de [adres 2] . Eiser vreest dat er hierdoor twee woningen blijven bestaan en dat vindt eiser onwenselijk. Tot slot heeft het college volgens eiser verzuimd om na te gaan of de bouw van de woning mogelijk is binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens eiser staat het bestemmingsplan een woning binnen dat gebied niet toe.\n\nHet planologische kader\n\n4. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘ [locatie] 2013’ (hierna: het bestemmingsplan). Op grond van dit bestemmingsplan geldt de enkelbestemming ‘Wonen’, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied 1’.\n\n5. De rechtbank zal hierna aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordelen of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met de regels uit het bestemmingsplan.\n\nWat is het maximale bebouwingsoppervlakte?\n\n6. Volgens eiser is de afstand tussen de te bouwen woning en de zijdelingse perceelsgrenzen minder dan tien meter. Bij een afstand van minder dan tien meter tussen de te bouwen woning en de zijdelingse perceelsgrenzen is het maximale bebouwingsoppervlakte volgens het bestemmingsplan 190 m² en niet de 230 m² waar het college vanuit is gegaan. Dat betekent volgens eiser dat de te bouwen woning te groot is.\n\n7. De rechtbank volgt eiser niet. In artikel 19.2.1, lid a, onder 2, van de planregels staat dat de maximale bebouwingsoppervlakte 230 m² is als de afstand van het hoofdgebouw tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen groter is dan 10 meter. Daarbij is het volgens dat artikel niet van belang of er al bouwwerken aanwezig zijn in die strook van tien meter tussen de te bouwen woning en een van de zijdelingse perceelsgrenzen. De rechtbank merkt daarbij op dat uit dit artikel voldoende duidelijk wordt wat qua bebouwing is toegestaan. De toelichting op het huidige of voorgaande bestemmingsplan is dan niet relevant voor de uitleg van artikel 19.2.1, lid, onder 2. Uit de bouwtekeningen die bij de aanvraag zijn ingediend blijkt dat de afstand van het hoofdgebouw tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 24.42 meter is. Dat is meer dan 10 meter. Dat betekent dat het college terecht heeft geconcludeerd dat het maximale bebouwingsoppervlakte 230 m² is en niet 190 m². De beroepsgrond slaagt niet.\n\nDe inrit\n\n8. Eiser vindt dat het college bij de berekening van het maximale bebouwingsoppervlakte de oppervlakte van de inrit ook had moeten betrekken. Aan weerszijden van de inrit wordt een muur gebouwd. Door deze muren aan weerzijden van de inrit wordt het maximale bebouwingsoppervlakte overschreden, aldus eiser.\n\n9. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 19.2.1, lid a, de totale bebouwingsoppervlakte niet meer mag bedragen dan 30% van het bouwperceel. Aan de voorzijde van de woning wil derde-partij een oprit realiseren met aan weerzijden een muur. Het college heeft toegelicht dat deze muren van de oprit niet betrokken hoeven te worden bij de berekening van het maximum bebouwingsoppervlakte en heeft daarbij verwezen naar artikel 27.1, van de planregels. Artikel 27.1 luidt: Een in de planregels aangegeven percentage geeft aan hoeveel van het desbetreffende bouwperceel ten hoogste mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen.\n\n10. De rechtbank vindt dat het college terecht de oppervlakte van de inrit niet heeft betrokken bij de berekening van het totale bebouwingsoppervlakte. Uit artikel 27.1, volgt dat uitsluitend gebouwen of overkappingen betrokken mogen worden bij de berekening van het maximale bebouwingsoppervlakte. Volgens artikel 1.51 van het bestemmingsplan is een gebouw elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijke met wanden omsloten ruimte vormt. Het is niet in geschil dat de inrit met bijbehorende muren geen gebouw of overkapping is nu de inrit niet overdekt is. Dat betekent dat het college terecht de inrit met bijbehorende muren niet heeft meegenomen in de berekening van het totale bebouwingsoppervlakte. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nTweede woning\n\n11. Eiser voert aan dat op grond van het bestemmingsplan één woning is toegestaan op de planlocatie en dat met de omgevingsvergunning van 22 april 2020 al een (tijdelijke) woning toegestaan is. Met het primaire besluit wordt een tweede woning toegestaan en dat is in strijd met het bestemmingsplan. Het college is in het bestreden besluit volgens eiser ten onrechte bij het standpunt gebleven dat voor de bouw van de tweede woning geen omgevingsvergunning nodig is voor de activiteit handelen in strijd met het bestemmingsplan.Eiser vreest dat er permanent twee woningen worden toegestaan aan de [adres 2] .\n\n12. De rechtbank stelt vast dat op 22 april 2020 een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een tijdelijke woning. Deze tijdelijke woning dient als woning tijdens de bouwfase van de nieuwe woning die is vergund in het primaire besluit. De rechtbank is het met eiser eens dat met het verlenen van het primaire besluit er een tweede woning toegestaan wordt binnen het bestemmingsvlak op de planlocatie. Op hetzelfde moment zijn er dus twee woningen toegestaan, de tijdelijke woning en de nieuwe woning. Dat is in strijd met artikel 19.2.2, lid a, van het bestemmingsplan, nu volgens dat artikel slechts één woning per bestemmingsvlak is toegestaan. In het primaire besluit heeft het college uitsluitend een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen en niet ook voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Dat had het college wel moeten doen. De beroepsgrond slaagt.\n\n13. De rechtbank zal in de conclusie nader ingaan op de gevolgen voor het bestreden besluit.\n\nIs het bouwplan in strijd met de aanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’?\n\n14. Volgens artikel 28.1, lid a, van de planregels zijn bouwwerken binnen de gebiedsaanduiding 'milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ alleen toegestaan als deze bouwwerken ten behoeve van het grondwaterbeschermingsgebied zijn. Volgens artikel 28.1, onder b, van de planregels kan het college bij omgevingsvergunning afwijken van onder a.\n\n15. De rechtbank stelt vast dat de bouw van de woning in strijd is met artikel 28.1, onder a, omdat de woning geen bouwwerk is ten behoeve van het grondwaterbeschermingsgebied. Dat betekent dat eiser voor de bouw van zijn woning ook een omgevingsvergunning nodig heeft voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Die activiteit is ook niet vergund in het primaire besluit voor het bouwen van de woning in strijd met artikel 28.1, onder a, van het bestemmingsplan. Dat levert een gebrek op in de besluitvorming.\n\n16. Het bestemmingsplan biedt het college de mogelijkheid om via artikel 28.1, onder b, een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van de woning in strijd met artikel 28.1, onder a. Voorwaarden voor het verlenen van die omgevingsvergunning zijn dat het belang van het grondwaterbeschermingsgebied niet onevenredig wordt geschaad en dat eerst advies is ingewonnen bij de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied. Het college heeft een dergelijk advies niet overgelegd in de procedure bij de rechtbank. Het college verwijst in het bestreden besluit en op de zitting bij de rechtbank naar een advies van 25 november 2020. Dit advies is niet als stuk toegevoegd aan het bestreden besluit. Het college heeft het advies van 25 november 2020 ook niet overgelegd in de procedure bij de rechtbank. Het is daarom voor de rechtbank onduidelijk wat er in het advies staat en van wie dit advies afkomstig is. De rechtbank kan niet beoordelen of uit het gestelde advies van 25 november 2020 blijkt dat de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied vindt dat het belang van het grondwaterbeschermingsgebied niet onevenredig wordt geschaad. De beroepsgrond slaagt.\n\n17. Ook voor dit gebrek zal de rechtbank in de conclusie nader ingaan op de gevolgen voor het bestreden besluit.\n\nConclusie\n\n18. Het beroep is gegrond. Het college heeft – gelet op de rechtsoverwegingen 12 en 15 – ten onrechte geconcludeerd dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan.\n\n19. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank geeft het college hiervoor acht weken de tijd.\n\n20. In de nieuwe beslissing op bezwaar moet het college onderzoeken of hij voor de bouw van de tweede woning en de bouw van de woning binnen het grondwaterbeschermingsgebied wil meewerken aan een omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.\n\n21. Volgens artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo kan het college die omgevingsvergunning alleen verlenen als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college moet daarom in de nieuwe beslissing op bezwaar ingaan op de vraag of het (tijdelijk) toestaan van een tweede woning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook moet het college in de nieuwe beslissing op bezwaar motiveren – na eerst advies te hebben ingewonnen bij de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied – of het belang van het grondwaterbeschermingsgebied onevenredig wordt geschaad met de bouw van de nieuwe woning.\n\n22. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 15 juli 2022;\n\n- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E.G. van Heukelom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2023.\n\n(De rechter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen)\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:1249","2023-03-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.603Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":43,"courtId":114,"decisionDate":115,"fullText":116,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":117,"sourceTimestamp":118,"parsedAt":51,"updatedAt":119},"506","ECLI:NL:RBDHA:2023:3440","ecli-nl-rbdha-2023-3440",58,"2023-02-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 21\u002F5545, SGR 21\u002F5945, SGR 21\u002F5946, SGR 21\u002F5947, SGR 21\u002F5948, SGR 21\u002F5949 en SGR 21\u002F5993uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2023 in de zaken tussen\n\n [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] ,uit [woonplaats 1] , eisers I\n\n(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),\n\n [eiser 7] en [eiser 8] , uit [woonplaats 1] , eisers II\n\n(gemachtigde: mr. J. Zwiers),\n\nDhr. [eiser 9] en mevr. [eiseres 1] , uit [woonplaats 1] , eisers III\n\n(gemachtigde: mr. J. Zwiers),\n\n [eiser 10] en [eiser 11] , uit [woonplaats 1] , eisers IV\n\n(gemachtigde: mr. T. de Beet),\n\nDhr. [eiser 12] en mevr. [eiseres 2] , uit [woonplaats 1] , eisers V\n\n(gemachtigde: mr. G.J. Hingstman),\n\n [eiser 13] en [eiser 14] , uit [woonplaats 1] , eisers VI\n\n(gemachtigde: mr. G.J. Hingstman),\n\n [eiser 15] , uit [woonplaats 2] , eiser VII\n\n(gemachtigde: mr. J. Zwiers),\n\ngezamenlijk aangeduid als eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E.C.M. Schippers).\n\nAls derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de provincie Zuid-Holland(vergunninghoudster), te Den Haag\n\n(gemachtigde: mr. E.C.M. Schippers).\n\nInleiding\n\n1. Deze zaak gaat over de omgevingsvergunning die door verweerder aan vergunninghoudster is verleend voor het aanpassen van de N211. De N211 wordt aangepast om de bereikbaarheid van de zuidzijde van de Haagse regio en de gemeente Westland met haar agro-logistieke bedrijventerreinen te verbeteren. Het projectgebied loopt vanaf de rijksweg A4 tot voorbij de kruising N211 – N222\u002FWateringveldseweg. Er zijn onderzoeken verricht naar diverse varianten voor het aanpassen van de N211. Er is gekozen voor de Wippoldervariant.\n\n2. Deze uitspraak is het vervolg op de tussenuitspraak van 11 juli 2022. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak het geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen. Voor de besluitvorming die heeft plaatsgevonden en het procesverloop tot aan de zitting van 12 april 2022, verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.\n\n3. Verweerder heeft gebruik gemaakt van de door de rechtbank geboden herstelmogelijkheid en heeft op 3 oktober 2022 een aanvullende motivering ingediend.\n\n4. Eisers V en VI hebben op 4 november 2022 gereageerd op de aanvullende motivering. Eisers I, II, III en VII hebben op 7 november 2022 een reactie ingediend en ten slotte hebben eisers IV op 8 november 2022 gereageerd.\n\n5. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).\n\n7. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar het provinciale toetsingskader ter motivering van het standpunt dat een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. Verweerder had bevestigd dat dit provinciale toetsingskader niet is neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder had evenmin gemotiveerd waarom in dit concrete geval een waarde van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtbank is daarom tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en dit in zoverre moet worden vernietigd. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Dat kan door een nadere motivering te geven op basis waarvan verweerder een waarde van 60 dB gecumuleerde geluidbelasting aanvaardbaar acht.\n\nDe nadere motivering\n\n8. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder nader gemotiveerd om welke redenen een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2015 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2015:1988) motiveert verweerder dat het provinciale toetsingskader en de gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB zijn ontleend aan de Wet geluidhinder en het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. In artikel 83 in samenhang artikel 100a van de Wet geluidhinder is neergelegd dat de maximaal te verlenen hogere waarde voor wegverkeer 58 dB bedraagt. Om de gecumuleerde geluidbelasting met deze maximale waarde te kunnen vergelijken moet rekening worden gehouden met de aftrek van 2 dB, als bedoeld in artikel 110g Wet Geluidhinder in samenhang bezien met artikel 3.4 van het Reken en meetvoorschrift geluid 2012. Dat komt volgens verweerder neer op een maximale waarde van 60 dB. Deze maximale waarde van 60 dB wordt dus in de Wet geluidhinder aanvaardbaar geacht voor de geluidbelasting van één enkele weg. Het provinciale toetsingskader past de waarde van 60 dB cumulatief toe, voor alle relevante wegen in het gebied. Daarmee is het provinciale toetsingskader strenger dan de Wet geluidhinder. Om die reden vindt verweerder het hanteren van een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar. Naast deze motivering waarom 60 dB in zijn algemeenheid een aanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting is, heeft verweerder eveneens onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2022 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2022:2754) te kennen gegeven dat een maximale gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB door de Afdeling niet onredelijk wordt bevonden voor dit specifieke gebied.\n\nReactie eisers\n\n9. Eisers hebben in reactie op de herstelpoging van verweerder een notitie ingebracht van de Nederlandse Stichting Geluidhinder (NSG) van 3 november 2022, opgesteld door E. Roelofsen (de notitie). In de notitie staat – voor zover hier relevant – dat verweerder ten onrechte heeft verwezen naar de Wet Geluidhinder nu ten tijde van de totstandkoming van deze wet minder inzicht bestond in de effecten op de gezondheid vanwege geluid. Uit het rapport “Environmental noise guidelines for the European Region” van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit 2018 (het WHO-rapport) en het rapport “Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid” van het RIVM (het RIVM-rapport) uit 2020 staat dat al bij 53 dB geluid vanwege wegverkeer sprake is van 10% ernstige geluidhinder. Juist omdat het gebied wat betreft geluid al overbelast is, ligt het op de weg van verweerder om het geluid niet toe te laten nemen.\n\n9.1.. Eisers I wijzen er in aanvulling op de notitie op dat artikel 8 van het Europees Verdrag van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt geschonden. Voorts verwijzen eisers I naar artikelen 191 tot en met 193 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Op basis van dit verdrag is het Zero Pollution Action Plan (het actieplan) opgesteld waarin staat dat chronische hinder door verkeerslawaai met 30% verminderd moet worden in 2030. Eisers I stellen dat deze bepalingen van het VWEU en het actieplan bindende voorschriften zijn die als gevolg van de vergunningverlening worden geschonden. Verder wordt ten onrechte rekening gehouden met de aftrek van 2 dB. Deze aftrek is gebaseerd op de veronderstelde vermindering van de geluidbelasting in de toekomst.\n\n9.2.. Eisers IV brengen naast de notitie naar voren dat het argument dat de verbreding van de N211 van groot economisch belang is, geen rechtvaardiging kan zijn om te gaan bezuinigen op maatregelen om geluidsoverlast tegen te gaan. Verweerder gaat eraan voorbij dat in dit concrete geval voor eisers IV geen geluidsluwe zone aan ten minste één zijde van hun woning overblijft, terwijl in de rechtspraak van de Afdeling geaccepteerd is dat dit meegenomen dient te worden in een afweging omtrent een concreet geval.\n\nHet oordeel van de rechtbank over de aanvullende motivering\n\n10. De rechtbank overweegt dat verweerder in overeenstemming met de opdracht in de tussenuitspraak aan de hand van de Wet geluidhinder en het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 heeft gemotiveerd waarom een geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee het geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een gecumuleerde geluidbelasting van 60 dB aanvaardbaar is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\n10.1.. Het in de notitie ingenomen standpunt dat de Wet Geluidhinder zich naar huidige maatstaven niet verdraagt met het WHO-rapport en RIVM-rapport leidt niet tot de conclusie dat verweerder om die reden niet heeft kunnen refereren aan de Wet Geluidhinder. Onder verwijzing naar overweging 35.1 van de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2020:3147), overweegt de rechtbank dat de aanbevelingen van de WHO algemeen van aard zijn en dat gelet daarop het daarin aanbevolen maximum van 53 dB Lden geen dwingende status heeft. Dit geldt ook voor de aanbevelingen neergelegd in het RIVM-rapport (zie hiervoor de uitspraak van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3917). Er is daarom geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de door de WHO of het RIVM aanbevolen maximale geluidsbelasting had moeten hanteren. Voorts gaat de rechtbank niet mee in de redenering die in de notitie is neergelegd, dat vanwege de reeds bestaande geluidhinder een maximumwaarde van 60 dB niet aanvaardbaar is. Daartoe verwijst de rechtbank met verweerder naar de in 8 genoemde uitspraak van 21 september 2022 waarin de Afdeling een maximale geluidbelasting van 60 dB voor dit gebied aanvaardbaar heeft geacht. De notitie van de NSG leidt gelet op het voorgaande niet tot de conclusie dat een gecumuleerd geluidsniveau van 60 dB onaanvaardbaar moet worden geacht.\n\n10.2.. \n\nHet betoog van eisers I dat sprake is van een schending van artikel 8 EVRM treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de mens (het EHRM) kent het EVRM geen uitdrukkelijk recht toe op een schone en stille omgeving. Toch kan artikel 8 in het geding zijn indien de overlast zo is dat die de betrokkene in ernstige mate in zijn gezondheid treft of hem belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven. De rechtbank verwijst naar het arrest van het EHRM van 13 juli 2017, Jugheli tegen Georgië, ECLI:CE:ECHR:2017:0713JUD003834205, punt 62 en de daar aangehaalde rechtspraak.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zich hinder voordoet die hen in ernstige mate in hun gezondheid treft of hen belet in hun woongenot en privé- of gezinsleven. De verwijzing naar het WHO-rapport en het RIVM-rapport is hiervoor onvoldoende. In deze rapporten gaat het immers enkel om aanbevelingen, zoals onder 10.1 is vastgesteld. Hun betoog dat een geluidsniveau van 60 dB strijd oplevert met de artikelen 191 tot en met 193 van het VWEU treft evenmin doel. Daartoe overweegt de rechtbank dat aan deze bepalingen geen rechtstreekse werking toekomt vanwege de algemeen omschreven doelstellingen in de artikelen 191, 192 en 193 het VWEU en omdat deze bepalingen zich richten tot de lidstaten en de Unie. Het betoog dat in het actieplan de algemeen geschreven doelstelling is neergelegd dat chronische hinder door verkeerslawaai met 30% verminderd moet worden in 2030 betreft eveneens een algemeen omschreven doelstelling en leidt niet tot de conclusie dat een geluidsniveau van 60 dB als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. Tot slot gaat de rechtbank niet mee in de stelling dat verweerder de aftrek van 2 dB als bedoeld in artikel 110g Wet Geluidhinder in samenhang bezien met artikel 3.4 van het Reken en meetvoorschrift geluid 2012 buiten toepassing had moeten laten. Dat er een onzekerheid is gelegen in veronderstelling dat in de toekomst de geluidbelasting zal verminderen, betekent niet dat daarom de Wet Geluidhinder buiten toepassing moet worden gelaten.\n\n10.3.. De gronden die eisers IV hebben ingebracht – naast de notitie - zullen verder onbesproken blijven. Daartoe overweegt de rechtbank dat het geding zoals dat na de tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn ingediend ten tijde van de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2013:CA2877). De gronden van eisers IV hebben geen betrekking op de vraag of een maximale geluidsbelasting van 60 dB aanvaardbaar is, maar gaan over de te nemen maatregelen en de vraag of het niet hebben van een geluidsluwe zone aan een zijde van de woning al dan niet van invloed is op de vast te stellen maximale geluidswaarde.\n\nConclusie\n\n11. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Omdat verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.\n\n12. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.\n\n13. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus). De waarde per punt bedraagt € 837,- en de wegingsfactor is 1, waardoor € 2.092,50 wordt toegekend. Voor zover rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband voor meerdere zaken, merkt de rechtbank dit aan als één zaak op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\nbepaalt dat verweerder het door eisers I, II, III, IV, V, VI en VII betaalde griffierecht van € 181,- aan hen vergoedt;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers I tot een bedrag van € 2.092,50;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers II, III en VII tot een bedrag van € 2.092,50, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers IV tot een bedrag van € 2.092,50;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers V en VI tot een bedrag van € 2.092,50; met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzitter, mr. J. Schaaf en\n\nmr. M. Tjepkema, leden, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2023.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:3440","2023-03-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.917Z",20,[122,123,124,11,125],2026,2025,2024,2022]