[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-family-law-nl-2025":3},{"detail":4,"years":88},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":23,"page":14,"limit":87},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":17},12,[39,52,61,69,79],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"710","ECLI:NL:GHARL:2025:8167","ecli-nl-gharl-2025-8167","",60,"2025-12-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\u002FLeeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.105\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland 444167\n\nbeschikking van 18 december 2025\n\nover de beëindiging van het gezag over [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3]\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster] ,(de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats1] , advocaat: mr. M.G.M. Frerix,\n\ntegen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\ndie is gevestigd in Arnhem.\n\nHet hof heeft ook als belanghebbenden aangemerkt:\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)\n\ndie is gevestigd in Ede,\n\nen\n\nde gezinshuisouders van [minderjarige2] ( [naam1] ), in [plaats1] ,\n\nen\n\nde pleegouders van [minderjarige3] .\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 26 maart 2025, (hierna: de bestreden beschikking) het gezag van de moeder over de kinderen beëindigd en de GI belast met de voogdij.\n\nHet hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit hoe het tot die beslissing is gekomen.\n\n2. De feiten\n\n2.1. De moeder en [naam2] (de vader) hebben een relatie met elkaar gehad en zij hebben samen drie kinderen:\n\n- [minderjarige1] , geboren [in1] 2012;\n\n- [minderjarige2] , geboren [in2] 2016;\n\n- [minderjarige3] , geboren [in3] 2019.\n\n2.2.. De moeder had tot aan de bestreden beschikking als enige het gezag over de kinderen.\n\n2.3. De kinderen staan sinds 18 januari 2021 onder toezicht van de GI.\n\n2.4. De kinderen zijn met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. [minderjarige1] en [minderjarige2] zijn in juli 2022 geplaatst in gezinshuis [naam1] , [minderjarige3] in september 2022 in een pleeggezin op een geheim adres. [minderjarige1] woont sinds maart van dit jaar in een gezinshuis in [naam3] .\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1. De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.\n\n3.2. De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in de bestreden beschikking.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1. De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt (de beslissing vernietigt).\n\n4.2. De raad wil dat de beslissing in stand blijft (de beslissing bekrachtigt).\n\n4.3. De GI wil dat de beslissing in stand blijft.\n\n4.4.. Ook de gezinshuisouders en de pleegouders willen dat de beslissing in stand blijft.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.5. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ingekomen op 19 juni 2025\n\nhet verweerschrift van de raad\n\nhet verweerschrift van de GI\n\nhet e-mailbericht van de GI van 22 augustus 2025\n\nde brief namens de moeder van 19 november 2025.\n\n4.6. \n [minderjarige1] en [minderjarige2] hebben op 17 november 2025 gesproken met een raadsheer van het hof, in het bijzijn van een griffier. Zij hebben verteld wat zij vinden van de beëindiging van het gezag van de moeder.\n\n4.7. De zitting bij het hof was op 21 november 2025. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad\n\ntwee vertegenwoordigers van de GI\n\nde gezinshuismoeder van [minderjarige2]\n\nde pleegouders van [minderjarige3] .\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1. De rechtbank kan, op grond van artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2. Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.\n\nHoe luiden de standpunten?\n\n5.3. \n\nDe moeder kan zich niet verenigen met de beëindiging van haar gezag over de kinderen. Zij stelt dat volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) slechts sprake kan zijn van een beëindiging van het ouderlijk gezag als de voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Dat is hier niet het geval. Bovendien is volgens de moeder de uithuisplaatsing van de kinderen in het vrijwillig kader mogelijk.\n\nDaarnaast wordt volgens de moeder niet voldaan aan het wettelijk criterium van het hiervoor genoemde artikel 1:266 lid 1 BW. Volgens de moeder kan niet worden gesteld dat zij de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is volgens haar nog niet verstreken.\n\nZij kan haar verantwoordelijkheid als gezaghebbende ouder op afstand blijven uitoefenen, waarbij zij meer voor de kinderen kan betekenen. Zij is bereid om aan zichzelf te werken en zij zal een detox-traject aangaan, waardoor er zicht is op verbetering van haar situatie.\n\n5.4. \n\nDe raad voert aan dat de gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk en in het belang van de kinderen is en dat zowel aan het wettelijk criterium als aan de eisen van het EHRM wordt voldaan.\n\n [minderjarige2] en [minderjarige3] verblijven op een perspectiefbiedende plek. Dat betekent dat de kinderen daar tot hun volwassenheid kunnen opgroeien. [minderjarige1] verblijft sinds eind maart 2025 op een andere groep, omdat zijn problematiek te zwaar werd voor het toenmalige gezinshuis. [minderjarige3] is onlangs gestart met traumatherapie. Het perspectief van de kinderen ligt niet bij de moeder. Dat betekent dat de kinderen niet meer bij de moeder zullen opgroeien. Volgens de raad heeft de GI, anders dan de moeder stelt, zich voldoende ingespannen om terugplaatsing van de kinderen bij de moeder te onderzoeken. De moeder heeft tijdens de ondertoezichtstelling onvoldoende stappen gezet om haar leven structureel te veranderen, zodat zij de kinderen een veilige opvoedomgeving zou kunnen bieden.\n\n5.5. Volgens de GI is het gezag van de moeder terecht beëindigd. De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en de moeder is, als gevolg van aanhoudende persoonlijke problematiek, waaronder verslaving en psychische instabiliteit, niet in staat om binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. De kinderen hebben te maken met forse kind-eigen problematiek. Ze komen uit een onveilige opvoedsituatie en hebben langdurige, gespecialiseerde zorg en stabiliteit nodig. Zij vragen om een trauma-sensitieve opvoeding die de moeder hen niet kan bieden.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.6. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd is het volgende gebleken. De kinderen zijn in het verleden in de thuissituatie getuige geweest van zowel fysieke als verbale agressie tussen de moeder en de vader. Beide ouders kampen met verslaving en persoonlijke problematiek. De kinderen zijn daardoor getraumatiseerd. Het is de moeder, die al ruim twaalf jaar verslaafd is, niet gelukt om de kinderen de basale verzorging te bieden. Zij is niet in staat gebleken om de kinderen de voor hen nodige veiligheid, emotionele warmte, stimulatie, regels en grenzen te bieden. De kinderen zijn al drie jaar uit huis geplaatst. De GI heeft de afgelopen jaren de nodige inspanningen verricht om te onderzoeken of de moeder weer in staat was om de kinderen op een voor hen verantwoorde manier bij haar thuis te verzorgen en op te voeden. De moeder heeft zich in die periode diverse keren bereid verklaard om aan zichzelf te werken en hulp te accepteren om haar verslaving te overwinnen. Zij is ook een aantal keren op vrijwillige basis opgenomen geweest, maar het lukt haar steeds niet om een behandeling succesvol te voltooien. De persoonlijke en verslavingsproblematiek blijven op de voorgrond aanwezig. Zij heeft onlangs tegenover de GI verklaard dat zij afgelopen zomer nog speed heeft gebruikt. De moeder komt niet in aanmerking voor een opname, omdat zij niet wil voldoen aan de daarvoor door IrisZorg gestelde voorwaarde om in een beschermd-wonen-plek te verblijven. Zij was de afgelopen jaren vaak gedurende een langere periode niet bereikbaar voor de GI en heeft daardoor veel belangrijke overlegmomenten, waarbij ook beslissingen over de kinderen genomen moesten worden, gemist.\n\n5.7. Het hof is, gelet op alles wat hiervoor is opgeschreven, van oordeel dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd. Het hof stelt voorop dat het heel duidelijk is dat de moeder en de kinderen veel van elkaar houden. Maar ook is duidelijk geworden dat de kinderen niet bij de moeder teruggeplaatst kunnen worden. Het is de moeder de afgelopen jaren, ondanks haar goede voornemens en diverse pogingen, niet gelukt om succesvol aan haar verslavingsproblematiek te werken. De kinderen komen uit een onveilige opvoedsituatie en hebben daardoor forse problematiek opgelopen. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Zij vragen om een trauma-sensitieve opvoeding die de moeder hen nu niet kan bieden. Het is daarom niet de verwachting dat de moeder in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn weer te dragen.\n\n5.8. \n\nDe moeder stelt dat volgens het EHRM slechts sprake kan zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag als blijkt dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor de kinderen, wat volgens haar hier niet het geval is. Het hof is van oordeel dat voortzetting van het gezag van de moeder schadelijk is voor de verdere ontwikkeling van de kinderen. Uit de stukken, tijdens de gesprekken met [minderjarige1] en [minderjarige2] en uit wat de pleegouders van [minderjarige3] vertellen, is gebleken dat het voor de kinderen nog steeds onduidelijk is wat hun toekomstperspectief is. Voor de kinderen is het nodig om te weten dat zij niet meer bij de moeder kunnen wonen. Door de gezagsbeëindiging worden zij niet meer jaarlijks belast met de verlengingsprocedures van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, wat hun de nodige rust zal brengen voor hun verdere ontwikkeling, behandelingen en de hechting bij hun huidige verzorgers\u002Fopvoeders. Dat de moeder geen gezag meer heeft betekent uiteraard niet dat zij uit het leven van de kinderen verdwijnt. [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] willen graag contact met de moeder en het is belangrijk dat dit contact wordt voortgezet.\n\nHet hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 maart 2025.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, K.A.M. van Os-ten Have en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. G.E.M. Bours als griffier, en is op 18 december 2025 in het openbaar uitgesproken.\n\n artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW\n\n Artikel 3 en artikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8167","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:44.226Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"820","ECLI:NL:GHARL:2025:7718","ecli-nl-gharl-2025-7718",70,"2025-12-04T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.351.665\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 195082)\n\nbeschikking van 4 december 2025\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster](de moeder),\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\nverzoekster in het principaal hoger beroep,\n\nverweerster in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. I. Bergsma te Sneek,\n\nen\n\n [verweerder](de vader),\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\nverweerder in het principaal hoger beroep,\n\nverzoeker in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J. Oosterhof te Heerenveen.\n\n1. De procedure in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 25 februari 2025;\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 17 april 2025 met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 23 oktober 2025 met bijlage(n).\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft op 5 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn de partijen met hun advocaten. De advocaat van de moeder heeft ter zitting het woord gevoerd mede aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.\n\n2.3.. Na de mondelinge behandeling heeft het hof nog een journaalbericht met bijlage namens de moeder ontvangen van 9 november 2025. Op 11 november 2025 heeft het hof een journaalbericht namens de vader ontvangen alsmede, in reactie hierop, op diezelfde datum een journaalbericht namens de moeder.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Deze is in 2016 beëindigd.\n\n3.2.. De vader en de moeder zijn de ouders van:\n\n [naam1] ([naam1]), geboren [in] 2005, die meerderjarig is; en\n\n [naam2] ([naam2]), geboren [in] 2011.\n\nDe vader heeft de kinderen erkend. Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over [naam2] .\n\n3.3.. Partijen hebben afspraken gemaakt over de kinderen in een ouderschapsplan, ondertekend [in] 2016. Daarin zijn partijen, voor zover in deze procedure van belang, het volgende overeengekomen.\n\n“Artikel 2- Hoofdverblijfplaats \u002F verhuizing \u002F paspoort\n\nDe kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] hebben hun hoofdverblijfplaats op [adres1] , aldaar staan zij ingeschreven. Dit zal zo blijven behoudens het feit dat het financieel beter uitkomt voor de moeder [verzoekster] om de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] op haar nieuwe nog te bepalen adres in [woonplaats1] in te schrijven.\n\nDe kinderbijslag wordt op dit moment geïnd door de vader [verweerder] , dit zal zo blijven zolang de beide kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] recht hebben op kinderbijslag. Er is in onderling goed overleg afgesproken dat de vader [verweerder] de kinderbijslag int. De vader spaart deze kinderbijslag structureel op een speciaal op naam gestelde spaarrekening van [naam1] en [naam2] [achternaam] . De vader [verweerder] spaart deze bedragen zolang zij kinderbijslag genieten om ervoor te zorgen dat er op later leeftijd van de kinderen er een spaarbedrag ligt ten behoeve van een eventuele studie of ander doel ten behoeve van de ontwikkeling en toekomstbestendigheid van de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] . (…)\n\nArtikel 7- kosten levensonderhoud \u002F kinderalimentatie\n\nDe kosten van de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] betreffende het levensonderhoud zijnde, schoolkosten, sport, schoolreisjes, kleding, uiterlijke verzorging en zorgverzekering komen in zijn geheel ten laste van de vader [verweerder] behoudens het feit dat de vader ontslag zou krijgen of zijn baan kwijtraakt en daardoor financieel dusdanig zou worden geraakt dat deze kosten zullen moeten worden heroverwogen. Indien deze omstandigheid zich zou voordoen, gaan ouders opnieuw om tafel om te kijken hoe bovenstaande kosten op dat moment over beide zouden kunnen worden verdeeld.\n\nAangezien de vader [verweerder] van de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] alle bovenstaande kosten van levensonderhoud voor zijn rekening neemt behoeft er geen en\u002Fof rekening te worden geopend en beheerd en behoeven de ouders daarmee ook niet maandelijks of periodiek overleg te voeren omtrent de verdeling van de kosten. Een verdeling in de kosten van levensonderhoud naar rato van inkomen is dan ook niet aan de orde, hiermee vervalt dan ook een maandelijks betaling in de kosten van levensonderhoud van zowel de vader als de moeder ieders aan elkaar. De kinderalimentatie zal dus worden gedragen door de vader in zijn geheel zonder hiervoor maandelijks verplichtingen over en weer aan te gaan en daarbij te kijken naar ieders inkomen en rato verdeling van deze kosten.\n\nPartijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] wanneer zij bij hen zijn. Vaste lasten van de kinderen worden zoals gezegd gedragen en betaald door de vader.”\n\n3.4.. De partijen zijn in het ouderschapsplan een zorgregeling overeengekomen waarbij de kinderen in een periode van twee weken ongeveer evenveel tijd bij iedere ouder doorbrachten. Deze regeling hebben zij gewijzigd in een verdeling waarbij de kinderen de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader verbleven.\n\n3.5.. \n\nIn 2018 zijn partijen overeengekomen dat de vader een bijdrage zou betalen van\n\n€ 200,- in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam2] en [naam1] . In februari 2023 is dit bedrag verhoogd naar € 250,-. [in] 2023 is [naam1] meerderjarig is geworden. Vanaf oktober 2023 betaalt de vader € 125,- aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam2] .\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. Bij de bestreden beschikking is, voor zover hiervan belang, bepaald dat [naam2] in de BRP wordt ingeschreven op het adres van de moeder en zijn de partijen over en weer niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken tot het wijzigen van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam2] . De uitspraak is onmiddellijk uitvoerbaar verklaard en het anders of meer verzochte is afgewezen.\n\n4.2.. \n\nDe moeder is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank.\n\nDe moeder verzoekt de beschikking te vernietigen en, zo begrijpt het hof, primair:\n\n- de aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam1] en [naam2] per 3 juli 2016 vast te stellen op € 445,- per maand;\n\n- te bepalen dat dit bedrag wordt geïndexeerd tot 1 januari 2025;\n\n- te bepalen dat de vader de achterstand binnen 30 dagen na de beschikking moet voldoen;\n\n- de bijdrage voor [naam2] vanaf 15 september 2023 vast te stellen op € 261,63 per maand.\n\nSubsidiair verzoekt de moeder de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam2] met ingang van 28 november 2023 vast te stellen op € 298,- per maand.\n\nUit het beroepschrift komt naar voren - en namens de moeder is ter zitting bevestigd - dat het hoger beroep uitsluitend bedoeld is ter vaststelling van een gewijzigde bijdrage in de kosten van levensonderhoud en opvoeding van [naam2] .\n\n4.3.. \n\nDe vader voert verweer en is op zijn beurt met één grief zelfstandig in beroep gekomen (incidenteel hoger beroep). De grief ziet op inschrijving van [naam2] in de BRP bij de moeder.\n\nDe vader verzoekt in het hoger beroep van de moeder:\n\n- primair de verzoeken af te wijzen;\n\n- subsidiair de verzoeken van de moeder af te wijzen voor zover zij betrekking hebben op het verleden en te bepalen dat de bedragen die over en weer voldaan zijn, zijn voldaan zonder dat er nog een verrekening tussen partijen dient plaats te vinden;\n\n- voorwaardelijk, voor het geval de alimentatie met terugwerkende kracht wordt gewijzigd, meer subsidiair te bepalen dat de vader een vordering heeft op de moeder vanwege de door hem betaalde verblijfsoverstijgende kosten ten behoeve van de kinderen en deze vordering gelijk te stellen aan de verschuldigde achterstallige alimentatie.\n\nIn incidenteel hoger beroep verzoekt de vader, zo begrijpt het hof, te bepalen dat de beschikking van de rechtbank van 27 november 2024 wordt vernietigd en het verzoek van de moeder dat [naam2] bij haar ingeschreven wordt in de BRP, wordt afgewezen.\n\nEen en ander met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure van het zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep.\n\n4.4.. De moeder voert verweer. Zij vraagt het verzoek in het incidenteel hoger beroep af te wijzen.\n\n4.5.. Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.\n\n5. De overwegingen voor de beslissing\n\nIn principaal hoger beroep\n\n5.1.. Het hof is van oordeel dat de grieven van de moeder ongegrond zijn. Het hof zal daarom de verzoeken van de moeder afwijzen en de beschikking van de rechtbank op dit onderdeel bekrachtigen. Het hof legt deze beslissing hieronder uit.\n\nWettelijk kader\n\n5.2.. Op grond van artikel 1:404 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Artikel 1:247a BW bepaalt dat ouders die samen het gezag uitoefenen over hun kinderen bij het einde van de samenleving een ouderschapsplan moeten maken waarin onder meer afspraken tussen de ouders zijn opgenomen over de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. De contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. De rechter oordeelt over de afspraken tussen de ouders zelfstandig met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over kinderalimentatie zijn overeengekomen.\n\n5.3.. Wijziging of intrekking van die overeenkomst is op grond van artikel 1:401 BW mogelijk als zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1), of als de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5). Met grove miskenning van de wettelijke maatstaven wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen zich op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, maar als gevolg van een onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven, of omdat partijen uitgingen van onjuiste en onvolledige gegevens, tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid. Nadat de rechter bij de beoordeling van een wijzigingsverzoek heeft vastgesteld dat een van de hiervoor vermelde wijzigings- of intrekkingsgronden zich voordoet, geldt dat hij zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.\n\nDe beoordeling\n\nNietigheid op grond van artikel 3:40 jo. 3:59 BW\n\n5.4.. In de eerste plaats is aan de orde of de overeenkomst tussen partijen nietig is in de zin van artikel 3:40 BW, zoals door de moeder is bepleit. Op grond van deze bepaling is een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of openbare orde nietig. Op grond van lid 2 van artikel 3:40 BW is een rechtshandeling nietig indien deze in strijd is met een dwingende rechtsbepaling. Via artikel 3:59 BW is deze bepaling ook van toepassing buiten het vermogensrecht. Uit de toelichting op dit wetsartikel blijkt dat de wetgever met name het oog heeft op het personen- en familierecht.\n\n5.5.. De moeder stelt dat de afspraken tussen partijen over de kinderalimentatie nietig zijn omdat de behoefte van de kinderen niet is vastgesteld en de draagkracht van partijen niet is berekend. De afspraken tussen partijen voldoen daarom niet aan de wettelijke maatstaven, aldus de moeder. De moeder miskent daarmee naar het oordeel van het hof dat het partijen vrij staat om af te wijken van de wettelijke maatstaven zolang dit niet in het nadeel van de kinderen is. Het staat partijen vrij een verdeling van de kosten van de kinderen te maken zonder dat daaraan een behoefte- of draagkrachtberekening ten grondslag ligt. De enige beperking die partijen hebben bij het maken van hun afspraken is dat deze niet in het nadeel van de kinderen mogen zijn. De afspraken moeten ten minsteaan de wettelijke maatstaven voldoen. Er mag dus wel ten gunste van de kinderen worden afgeweken van de wettelijke maatstaven.\n\n5.6.. De moeder heeft niet aangetoond dat partijen ten nadele van de kinderen zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De moeder onderbouwt haar standpunt door te verwijzen naar een draagkrachtberekening op basis van de situatie van partijen in 2016, toen zij uit elkaar gingen. Uit haar berekening zou blijken dat de behoefte van de kinderen tezamen € 954,- bedroeg en de vader aan de moeder een bijdrage in de kosten van de kinderen zou moeten betalen van € 445,-. Het hof begrijpt het standpunt van de moeder aldus dat, omdat deze bijdrage niet is vastgesteld of overeengekomen, de in het ouderschapsplan gemaakte afspraak nietig is. De moeder gaat er in deze gedachtegang echter aan voorbij dat zij van deze bijdrage dan echter alle kosten van de kinderen had moeten voldoen, terwijl partijen hebben afgesproken dat de vader alle verblijfsoverstijgende kosten voor zijn rekening zou nemen en de moeder alleen de verblijfskosten hoefde te betalen voor de dagen dat de kinderen bij haar waren. De vader heeft door middel van bankafschriften aangetoond dat hij de verblijfsoverstijgende kosten voor zijn rekening heeft genomen. De moeder heeft niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze deze afspraak in het nadeel van de kinderen was en dat met deze verdeling van de kosten niet ten minste in de behoefte van de kinderen werd voorzien. De moeder ontving de helft van de kinderbijslag en het volledige kindgebonden budget als aanvulling op haar inkomen om de verblijfskosten van de kinderen te voldoen. De moeder heeft niet aangetoond dat dit onvoldoende was om in de kosten van de kinderen te voorzien, terwijl dit wel op haar weg lag.\n\n5.7.. Daar komt bij dat partijen in 2018 nieuwe afspraken hebben gemaakt en dat de moeder vanaf dat moment € 200,- per maand ontving als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De overige afspraken bleven in stand. Dat wil zeggen dat de vader de verblijfsoverstijgende kosten bleef betalen en de moeder het kindgebonden budget en de helft van de kinderbijslag ontving waarvan zij uitsluitend de verblijfskosten voor de dagen dat de kinderen bij haar waren hoefde te voldoen. Vanaf februari 2023 werd die bijdrage € 250,- voor beide kinderen. Als de afspraken in 2016 niet zouden voldoen aan de wettelijke maatstaven, zijn deze achterhaald door de gewijzigde afspraken. Ook voor deze afspraken geldt dat de moeder niet heeft aangetoond dat deze niet ten minste aan de wettelijke maatstaven voldeden. Zij heeft daar geen berekening aan ten grondslag gelegd.\n\n5.8.. Uit het dossier leidt het hof overigens af dat wel ten minste is voldaan aan de wettelijke maatstaven. De vader heeft gesteld dat de behoefte van [naam2] € 594,- is. De moeder heeft niet betwist dat zij € 498,- kindgebonden budget, € 75,- kinderbijslag en € 125,- kinderalimentatie ontvangt voor [naam2] . Dat is volgens de vader ruim voldoende om de verblijfskosten te voldoen die voor rekening van de moeder komen. De moeder heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vader onvoldoende gesteld en niet aangetoond dat niet ten minste is voldaan aan de wettelijke maatstaven.\n\nNietigheid op grond van artikel 1:400 lid 2 BW\n\n5.9.. Voor zover de moeder heeft betoogd dat de afspraken over de kinderalimentatie nietig zijn omdat in strijd met artikel 1:400 lid 2 BW is afgezien van het verschuldigde levensonderhoud, faalt deze grief. Dat partijen geen kinderalimentatie zijn overeengekomen, betekent niet dat is afgezien van het verschuldigde levensonderhoud. Partijen hebben afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten van de kinderen en over de verdeling van de beschikbare middelen daarvoor. Zij hebben geen afstand gedaan van de wettelijke verplichting tot betaling van levensonderhoud.\n\nWijziging op grond van artikel 1:401 lid 5 BW\n\n5.10.. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de overeenkomst tussen partijen is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven in de zin van artikel 1:401 lid 5 BW. Waar de moeder niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de afspraken tussen partijen niet ten minste voldoen aan de wettelijke maatstaven, heeft zij ook niet aangetoond dat de afspraken zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De moeder heeft tegenover de gemotiveerde stellingen en berekeningen van de vader geen berekeningen overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken.\n\n5.11.. Omdat niet is komen vast te staan dat de afspraken tussen partijen niet ten minste voldoen aan de wettelijke maatstaven en evenmin sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven, komt het hof niet toe aan een zelfstandige berekening van de kinderalimentatie met in achtneming van die wettelijke maatstaven. De moeder heeft ook geen recente financiële gegevens in het geding gebracht waarop een berekening zou kunnen worden gebaseerd.\n\nIn incidenteel hoger beroep\n\n5.12.. Na de mondelinge behandeling heeft de moeder met toestemming van het hof een specificatie van haar WIA-uitkering in het geding gebracht. Naar aanleiding daarvan heeft de vader zijn incidenteel hoger beroep ingetrokken, met uitzondering van zijn verzoek om de moeder te veroordelen in de proceskosten. Het hof zal de vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn incidenteel hoger beroep voor zover dit ziet op de inschrijving van [naam2] in de BRP en een beslissing nemen over de proceskosten.\n\n6. De slotsom\n\nIn het principaal hoger beroep\n\n6.1.. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.\n\nIn het incidenteel hoger beroep\n\n6.2.. Omdat de vader het incidenteel hoger beroep heeft ingetrokken, zal het hof hem niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek in incidenteel hoger beroep over de inschrijving van [naam2] in de BRP.\n\nProceskosten\n\n6.3.. Met betrekking tot het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de proceskosten overweegt het hof dat er onvoldoende gronden zijn om af te wijken van het uitgangspunt in familiezaken dat iedere partij de eigen kosten draagt (compensatie van proceskosten). Het hof bepaalt dan ook dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen een relatie hebben gehad en de procedure het kind van partijen betreft.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:\n\nverklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2024, voor zover het betreft de beslissing dat [naam2] wordt ingeschreven in de BRP bij de moeder;\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;\n\ncompenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Leentjes, mr. J.G. Knot en mr. L. van Dijk, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 4 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689 en HR 19 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:422.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:7718","2026-07-13T00:28:49.685Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":50,"updatedAt":68},"1253","ECLI:NL:GHARL:2025:7447","ecli-nl-gharl-2025-7447","2025-11-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.353.270\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 579910)\n\nbeschikking van 25 november 2025\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats1] ,\n\nverzoekster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. N.J. Hos,\n\nen\n\n [bewindvoerder], handelend onder de naamKeistad Bewind & Mentorschap,\n\ngevestigd te Amersfoort,\n\nverder te noemen: de bewindvoerder,\n\nin hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van:\n\n [verweerder],\n\nwonende in [woonplaats1] ,\n\nverweerder in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. T. de Jong.\n\n1. De procedure in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met producties, ingekomen op 9 april 2025;\n\nhet verweerschrift met producties.\n\n2.2. De mondelinge behandeling heeft op 22 oktober 2025 te Zwolle plaatsgevonden. Aanwezig waren:\n\n- de vrouw en haar advocaat;\n\n- de bewindvoerder en haar advocaat.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nDe man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van\n\n [minderjarige] , geboren [in] 2017.\n\n3.2. De vrouw is belast met het gezag over [minderjarige] en [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw. De man heeft een contactregeling met [minderjarige] .\n\n3.3. De man en de vrouw hebben na hun uiteengaan in 2021 een ouderschapsplan opgesteld en zijn daarin onder meer overeengekomen dat de man een bedrag van € 148,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw zal betalen (verder ook: kinderalimentatie). Deze bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd en bedraagt met ingang van 1 januari 2024 € 165,61 en met ingang van 1 januari 2025 € 176,37 per maand.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank (voor zover in deze zaak bij het hof van belang) op verzoek van de man de kinderalimentatie gewijzigd en met ingang van 5 april 2024 op nihil gesteld. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n4.2. \n\nDe vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie en komt daarom in hoger beroep.\n\nDe vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de kinderalimentatie en het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dat verzoek af te wijzen.\n\n4.3. De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt het hof de vrouw niet te ontvangen in haar hoger beroep, althans haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de kinderalimentatie.\n\n5. De gronden voor de beslissing\n\n5.1. \n\nWijziging van een door de rechter vastgestelde of tussen partijen overeengekomen alimentatie is mogelijk als zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan (artikel 1:401 lid 1 BW).\n\nNiet ter discussie staat dat de man inmiddels geen inkomen uit arbeid meer heeft, zoals wel het geval was toen partijen de afspraak over de kinderalimentatie hebben gemaakt. De man heeft kort na het vaststellen van het ouderschapsplan in 2021 een herseninfarct gehad. Vanwege zijn hersenletsel woont hij nu in een appartement in een verpleeghuis en ontvangt hij een uitkering. De omgangsregeling is ook gewijzigd. [minderjarige] en de man hebben nu wekelijks twee uur contact in het verpleeghuis of bij de vrouw thuis.\n\nDit zijn relevante wijzigingen van omstandigheden naar het oordeel van het hof. Beoordeeld moet worden of deze wijzigingen maken dat de man de overeengekomen kinderalimentatie niet meer kan betalen en de bijdrage daarom moet worden gewijzigd.\n\n5.2. Niet ter discussie staat verder ook dat [minderjarige] behoefte heeft aan de eerder overeengekomen kinderalimentatie.\n\n5.3. \n\nHet hof stelt vast dat de man bij de rechtbank een draagkrachtberekening heeft overgelegd waarin hij rekent met een jaarinkomen over 2024 van € 29.716,- bruto. Dit leidt volgens hem tot een netto besteedbaar inkomen van € 2.254,- per maand.\n\nIn dit hoger beroep heeft de man jaaropgaven 2024 overgelegd en daaruit blijkt dat de WIA-uitkering in 2024 in totaal € 38.880,- bruto bedroeg. Daarnaast heeft hij ook een pensioen ontvangen van € 5.178,- bruto per jaar. Het inkomen van de man in 2024 was dus hoger dan de man aanvankelijk heeft berekend.\n\n5.4. In 2025 is de WIA-uitkering van de man gestegen tot € 3.139,18 bruto per maand. Tezamen met het pensioen leidt dit tot een bruto jaarinkomen van € 45.859,- per jaar. Uit de door de man in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening 2025 volgt dat dit inkomen leidt tot een netto besteedbaar inkomen van € 2.606,- per maand.\n\n5.5. De vrouw stelt dat om de draagkracht van de man te kunnen bepalen, rekening moet worden gehouden met de eigen bijdrage Wlz CAK en de noodzakelijke lasten, zoals de kosten van het bewind en het maximale zak- en kleedgeld van € 361,- per maand. Volgens de vrouw moet rekening worden gehouden met een draagkrachtloos inkomen van € 1.917,- en resteert er een draagkracht bij de man van € 466,- per maand. De draagkracht van de man is volgens de vrouw dan ruim voldoende om de eerder overeengekomen bijdrage te kunnen betalen.\n\n5.6. De bewindvoerder stelt dat de man geen draagkracht heeft. Wanneer rekening wordt gehouden met het forfait noodzakelijke lasten, de bijdrage Wlz CAK, de kosten van het bewind en de kosten voor de advocaat dan kan de man nauwelijks rond komen. De man woont in een appartement en heeft te maken met normale kosten voor een huishouding. Hij heeft bijvoorbeeld zelf een wasmachine en hij heeft eten en drinken in huis voor bezoek. Hij moet vervoer en uitjes zelf betalen en hij heeft dan ook extra begeleiding nodig die door hem zelf moet worden bekostigd. Hij rookt en hij maakt kosten voor cadeautjes.\n\n5.7. \n\nHet hof oordeelt als volgt over de draagkracht van de man.\n\nRekening moet worden gehouden met de eigen bijdrage Wlz CAK. Deze bedraagt inmiddels € 1.276,29 per maand en wordt ingehouden op de WIA-uitkering die de man ontvangt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de zak- en kleedgeldgrens voor een alleenstaande die het CAK hanteert van € 426,03 per maand (eerste half jaar 2025).\n\nIn de eigen bijdrage Wlz CAK en de zak- en kleedgeldgrens is een groot deel van de kosten verwerkt die gewoonlijk moeten worden voldaan vanuit het forfait noodzakelijke lasten. Van het forfait noodzakelijke lasten van € 1.310,- moeten in een situatie waarin personen een zelfstandige huishouding voeren onder meer de kosten van gas, water en licht, eten, kleding en verzekeringen en de overige uitgaven voor levensonderhoud (dus ook sport, cadeaus, uitjes en vakanties en dergelijke) worden betaald. De man hoeft een aanzienlijk deel van deze gebruikelijke kosten niet te maken. Hij hoeft bijvoorbeeld geen maaltijden te bekostigen omdat hij deze krijgt in het verpleeghuis. De man heeft ook geen woonlasten en geen kosten voor gas, water en licht. Dit maakt dat geen rekening moet worden gehouden met het forfait noodzakelijke lasten, want dat leidt tot dubbeltellingen in de lasten van de man.\n\n5.8. \n\nHet hof is van oordeel dat naast de eigen bijdrage Wlz CAK en de zak- en kleedgeldgrens uitsluitend rekening kan worden gehouden met noodzakelijke specifieke lasten (zoals bijvoorbeeld zorgkosten voor zover die het bedrag van de component in de bijstandsnorm overstijgen).\n\nNiet betwist is dat de man de kosten voor de bewindvoering van € 254,50 per maand moet voldoen. Hiermee kan dus rekening worden gehouden.\n\n5.9. Het hof stelt vast dat de bewindvoerder van de man geen totaaloverzicht heeft opgesteld van de kosten waarmee de man maandelijks daadwerkelijk te maken heeft naast de eigen bijdrage Wlz CAK. Voor zover de bewindvoerder al extra kosten heeft opgevoerd zijn deze grotendeels niet nader geconcretiseerd en onderbouwd.\n\nDe kosten voor uitjes, eten en drinken en roken die de bewindvoerder noemt zijn in voornoemde zak- en kleedgeldgrens begrepen en vormen geen extra last. Aan de kinderalimentatie wordt door de wet een hoge prioriteit toegekend. Voor zover de kosten hoger zijn dan de zak- en kleedgeldgrens, dienen ze daarom geen voorrang te krijgen boven de kinderalimentatieverplichting.\n\nDe bewindvoerder heeft de gestelde kosten van extra begeleiding voor de man niet nader onderbouwd. De vrouw betwist deze kosten. Volgens de vrouw heeft de man niet veel uitjes en gaat hij met zijn scootmobiel, waarmee hij ver kan komen, altijd zelfstandig op pad.\n\nDe gestelde advocaatkosten zijn eveneens niet inzichtelijk gemaakt door de bewindvoerder en daarom kan het hof hiermee geen rekening houden.\n\n5.10. \n\nHet vorenstaande tezamen in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de bewindvoerder onvoldoende specifieke gegevens over de uitgaven van de man in het geding heeft gebracht om te kunnen vaststellen dat de man geen draagkracht meer heeft om van zijn inkomsten (in 2025 volgens de man € 2.606,- netto per maand) naast de bijdrage Wlz CAK van € 1.276,29 per maand, zijn zak- en kleedgeld ( € 426,03) en de kosten van de bewindvoerder (€ 254,50 per maand) de eerder overeengekomen kinderalimentatie, die thans € 176,37 per maand bedraagt, te kunnen voldoen.\n\nHet hof neemt daarbij ook in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat de man ter zake de kinderalimentatie tot 1 januari 2025 steeds een bedrag van € 150,- per maand heeft voldaan. De bewindvoerder heeft verklaard dat daardoor geen achterstand in de betaling van de vaste lasten van de man is ontstaan.\n\n5.11. Het hof is daarom van oordeel dat het hoger beroep van de vrouw slaagt. Er is weliswaar sprake van wijzigingen van omstandigheden maar deze leiden er op basis van de informatie die het hof heeft ontvangen van de situatie van de man niet toe dat de eerder overeengekomen kinderalimentatie moet worden verlaagd of op nihil moet worden gesteld. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderalimentatie alsnog afwijzen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 10 januari 2025, en opnieuw beschikkende:\n\nwijst het verzoek van de man om de onderling gemaakt afspraken over de kinderalimentatie te wijzigen en de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten voor verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 5 april 2024 op nihil te stellen, alsnog af;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck,\n\nR. Prakke-Nieuwenhuizen en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door de griffier, en is op 25 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n Zie ook paragraaf 4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm van het Rapport Alimentatienormen januari 2025 Rapport alimentatienormen 2025 (https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FSiteCollectionDocuments\u002Frapport-alimentatienormen-versie-januari-2025.pdf)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:7447","2026-07-13T00:29:12.281Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":43,"courtId":73,"decisionDate":74,"fullText":75,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":50,"updatedAt":78},"1785","ECLI:NL:RBDHA:2025:21478","ecli-nl-rbdha-2025-21478",58,"2025-11-11T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummers: FA RK 24-1213 (echtscheiding) en FA RK 24-4460 (verdeling)\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F661627 (echtscheiding) en C\u002F09\u002F668329 (verdeling)\n\nDatum beschikking: 11 november 2025Echtscheiding met nevenvoorzieningen\n\nBeschikking op het op 16 februari 2024 ingekomen verzoek van:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. F.D. van Damme te Beverwijk.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.W.S. Nijman te Oegstgeest .\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift;\n\nhet F9 formulier van 4 maart 2024 met bijlagen van de man;\n\nhet F9 formulier van 4 maart 2024 met bijlage van de man;\n\n- het formulier “verdelen en verrekenen” van 4 maart 2024 van de man;\n\n- het F9 formulier van 21 maart 2024 met bijlagen van de man;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;\n\n- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;\n\nhet F9 formulier van 31 juli 2024 met bijlagen van de man;\n\nhet F9 formulier van 25 september 2025 met bijlage van de man;\n\nhet F9 formulier van 4 oktober 2025 met bijlagen van de vrouw;\n\nhet F9 formulier van 7 oktober 2025 met bijlagen van de man.\n\nDe minderjarige [minderjarige 1] en de minderjarige [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken maar hebben daar geen gebruik van gemaakt.\n\nOp 7 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat, de vrouw met haar advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nNa de zitting is ontvangen het F9 formulier van 10 oktober 2025 met bijlage van de vrouw.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] .\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats] .\n\n- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw.\n\n- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- Deze rechtbank heeft op 19 april 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:\n\n- dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres] ( [postcode] ), met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- dat de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;\n\n- dat de kinderen voorlopig bij de man zijn:\n\n- in de oneven weken op donderdagmiddag uit school tot en met donderdagavond 18.30 uur en vrijdagmiddag uit school tot en met vrijdagavond 18.30 uur;\n\n- in de even weken op donderdagmiddag uit school tot en met donderdagavond 18.30 uur en van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond 20.00 uur;\n\n- dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 481,- per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot\n\na. echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:\n\nd. vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen:\n\nregulier\n\n- bij de man verblijven in de even weken van zondag 17.00 uur tot en met zondag een week later te 17.00 uur, waarbij de man de kinderen op de zondag van aanvang bij de vrouw ophaalt en de kinderen op de einddag weer bij de vrouw terugbrengt;\n\n- bij de vrouw verblijven in de even weken van zondag 17.00 uur tot en met zondag een week later te 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen op de zondag van aanvang bij de man ophaalt en de kinderen op de einddag weer bij de man terugbrengt;\n\nvakanties\n\nzomervakanties:\n\n- jaarlijks gedurende de eerste drie weken bij de man, ingaande op de laatste schooldag (vrijdag) tot en met zondag drie weken later te 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen de laatste omgangsdag bij de man ophaalt;\n\n- jaarlijks gedurende de laatste drie weken bij de vrouw, ingaande op de 3e zondag van de schoolvakantie te 17.00 uur tot en met zondag drie weken later te 17.00 uur, waarbij de man de kinderen op de laatste omgangsdag bij de vrouw ophaalt;\n\nKerstvakanties:\n\nde even jaren\n\n- gedurende de eerste week bij de man, ingaande op de laatste schooldag (vrijdag) tot en met zondag een week later te 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen op de laatste omgangsdag bij de man ophaalt;\n\n- gedurende de tweede week bij de vrouw, ingaande op de tweede zondag van de schoolvakantie te 17.00 uur tot en met zondag een week later te 17.00 uur waarbij de man de kinderen de laatste omgangsdag bij de vrouw ophaalt;\n\nde oneven jaren\n\n- gedurende de eerste week bij de vrouw, ingaande op de laatste schooldag (vrijdag) tot en met zondag een week later te 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen op de laatste omgangsdag bij de man ophaalt;\n\n- gedurende de tweede week bij de man, ingaande op de tweede zondag van de schoolvakantie te 17.00 uur tot en met zondag een week later te 17.00 uur waarbij de man de kinderen de laatste omgangsdag bij de vrouw ophaalt;\n\noverige vakanties, feestdagen en verjaardagen\n\nGedurende de overige vakanties, feestdagen en verjaardagen verblijven de kinderen bij de ouder waar zij volgens de hierboven omschreven reguliere zorgregeling zijn;\n\nsport [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\nAls [minderjarige 1] en\u002Fof [minderjarige 2] in het weekeinde dat zij volgens de hierboven bedoelde zorgregeling bij de vrouw verblijven een korfbalwedstrijd, training of een andersoortige korfbalactiviteit hebben, zal de vrouw toestaan dat zij die activiteit kunnen bijwonen. Tevens zal de vrouw er zorg voor dragen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar die betreffende activiteit gebracht en van die betreffende activiteit gehaald worden. Dit geldt eveneens ingeval [minderjarige 1] en\u002Fof [minderjarige 2] in de toekomst een andere sport mocht\u002Fmochten gaan beoefenen.\n\nsport [minderjarige 3]\n\nAls [minderjarige 3] in het weekeinde dat hij volgens de hierboven bedoelde zorgregeling bij de vrouw verblijft zwemmen of voetballen heeft, zal de vrouw toestaan dat hij die activiteit kan bijwonen. Tevens zal de vrouw er zorg voor dragen dat [minderjarige 3] naar die betreffende activiteit gebracht en van die betreffende activiteit gehaald wordt. Dit geldt eveneens ingeval [minderjarige 3] in de toekomst een andere sport mocht gaan beoefenen;\n\nf. bepaling dat als peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zal gelden 16 februari 2024;\n\ng. bepaling dat als peildatum voor de waardering van de (bestanddelen van de) ontbonden huwelijksgoederengemeenschap de datum van verdeling (uitspraak) zal gelden;\n\nh. benoeming van [makelaarskantoor] te Leiden als deskundige die de waarde van de onroerende zaak staande en gelegen aan het adres [adres] te [plaats 2] zal taxeren, alsmede bepaling dat de deskundige bij de vaststelling van de waarde rekening houdt met de terugkoopregeling en inzichtelijk maakt op welke wijze de terugkoopregeling is verdisconteerd in de waarde;\n\ni. bepaling dat de kosten van de sub h bedoelde deskundige op basis van 50%-50% door ieder der partijen als eigen schuld zullen worden gedragen;\n\nj. bepaling dat de in sub h bedoelde woning tegen de in sub h bedoelde waarde bindend tussen partijen in de verdeling wordt betrokken, als ook bepaling dat die woning tegen die waarde aan de man wordt toebedeeld, een en ander op voorwaarde dat de vrouw door de hypotheekhouder wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen;\n\nk. veroordeling van de vrouw om binnen drie maanden vanaf de datum van de te dezen af te geven beschikking haar volledige medewerking te verlenen en alle noodzakelijke feitelijke en\u002Fof rechtshandelingen te verrichten ten behoeve van de goederenrechtelijke overdracht van haar onverdeelde aandeel in de in sub h bedoelde woning aan de man, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of dagdeel de vrouw in gebreke blijft aan een daartoe veroordelende beschikking uitvoering te geven.\n\nl. bepaling dat de man – onder de voorwaarde dat hij de financiering daarvoor kan krijgen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen uit de hypothecaire geldleningen bij Aegon Hypotheken BV met nummer [nummer 1] zal kunnen ontslaan – op zich zal nemen en als eigen schuld zal voldoen gerekend vanaf de datum waarop het onverdeelde aandeel van de man de in sub h bedoelde onroerende zaak goederenrechtelijk aan hem zal zijn overgedragen;\n\nm. bepaling dat indien de vrouw als gevolg van de in sub j jo sub l bedoelde verdeling wordt onderbedeeld, de man haar een onderbedelingsvergoeding dient te betalen van 50% van de onderwaarde;\n\nn. bepaling dat indien de vrouw als gevolg van de in sub j jo sub l bedoelde verdeling wordt overbedeeld, zij aan de man een onderbedelingsvergoeding dient te betalen van 50% van de onderwaarde;\n\no. bepaling dat alle notariële, kadastrale en andere kosten die verband houden met de goederenrechtelijke overdracht van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de in sub h bedoelde onroerende zaak aan de man, door ieder van partijen bij gelijke helften (50%-50%) wordt gedragen;\n\np. bepaling dat de rechten en plichten uit de Dela Natura en Levensverzekeringen NV met polisnummer [nummer 2] aan de man worden toebedeeld;\n\nq. bepaling dat:\n\n - de en\u002Fof betaalrekening bij KNAB met nummer [rekeningnummer 1] ;\n\n - de betaalrekening ten name van de man bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 2] ;\n\naan de man worden toebedeeld, als ook bepaling dat de vrouw ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de man aan haar van de helft van de creditsaldi zoals die luiden per 16 februari 2024, althans dat de man ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de vrouw aan hem van de helft van de debetsaldi zoals die luiden per 16 februari 2024;\n\nr. bepaling dat de betaalrekening ten name van de vrouw bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] aan de vrouw wordt toebedeeld, als ook bepaling dat de man ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de vrouw aan hem van de helft van het creditsaldo zoals dat luidt per 16 februari 2024, althans dat de man de helft van het debetsaldo zoals dat luidt per 16 februari 2024 aan de vrouw dient te vergoeden;\n\ns. veroordeling van de vrouw om binnen twee dagen na betekening van de te dezen af te geven beschikking deugdelijk en inzichtelijk dagafschriften aan verzoeker te verstrekken waaruit het saldo van de naar de rechtbank begrijpt in sub r bedoelde bankrekening per 16 februari 2024 blijkt, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat de vrouw aan een daartoe veroordelende beschikking geen uitvoering geeft, zulks met een maximum van € 5.000,-.\n\nt. bepaling dat de cryptoportefeuille bij Bitvavo aan de vrouw wordt toebedeeld, als ook bepaling dat de man ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de vrouw aan hem van de helft van de waarde van deze portefeuille zoals dat per de peildatum luidt;\n\nu. veroordeling van de vrouw om binnen twee dagen na betekening van de te dezen af te geven beschikking een deugdelijk en inzichtelijk afschrift aan de man te verstrekken waaruit de waarde van de naar de rechtbank in sub t bedoelde cryptoportefeuille per de peildatum blijkt, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat de vrouw aan een daartoe veroordelende beschikking geen uitvoering geeft, zulks met een maximum van € 5000,-;\n\nv. bepaling dat de auto van het merk Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] zonder nadere verrekening van de waarde aan de vrouw wordt toebedeeld;\n\nw. bepaling dat de rechten en plichten uit de leaseovereenkomst betreffende de in sub v bedoelde auto aan de vrouw worden toebedeeld;\n\nx. veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van € 391,42 per maand en met ingang van 16 februari 2024 tot aan de datum van de goederenrechtelijke overdracht van de woning aan het adres [adres] te [plaats 2] aan hem, althans aan een derde, een en ander ten titel van haar 50% aandeel in de hypotheekrente en aflossing ter zake van de hypothecaire geldlening bij Aegon Hypotheken BV met nummer [nummer 1] ;\n\nz. bepaling:\n\nprimair:\n\n dat de man en de vrouw ieder 50% van de restantschuld aan mevrouw [naam 2] voor zijn\u002Fhaar rekening zal nemen en ieder het 50% deel als eigen schuld aan mevrouw [naam 2] zal voldoen met vrijwaring van de ander daarvoor;\n\nsubsidiair:\n\n bepaling dat, voor zover de man meer dan de helft van de restantschuld aan mevrouw [naam 2] zal hebben voldaan, de vrouw tot betaling van dat meerdere aan de man, naar de rechtbank begrijpt gehouden is.\n\n- vaststelling van een gebruiksvergoeding overeenkomstig het gestelde in naar de rechtbank begrijpt onderdeel 79 van het verweerschrift op zelfstandig verzoek, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen gebruiksvergoeding, alsook bepaling dat de vrouw die gebruiksvergoeding aan de man dient te voldoen met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk tot aan de datum van goederenrechtelijke overdracht van de woning aan de man, althans aan de vrouw, althans aan de nieuwe eigenaar\u002Feigenaren;\n\n- aanhechting van het ouderschapsplan aan de af te geven beschikking, met de bepaling dat de inhoud daarvan integraal deel uitmaakt van de af te geven beschikking;\n\n- bepaling dat de vrouw wordt veroordeeld om aan de man een bedrag van € 6.187,94 (zijnde 50% van € 12.375,88) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nVoorafgaand aan de zitting heeft de man zijn verzoek sub c. om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen ingetrokken.\n\nOp de zitting heeft de man ingetrokken zijn verzoek sub b. om aan hem het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toe te kennen, zijn verzoek sub e. om vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen kinderalimentatie, en zijn verzoek sub y. tot veroordeling van de vrouw tot betaling van haar aandeel in de maandpremies van de Dela Natura en Levensverzekeringen NV.\n\nDe vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de vrouw, na wijziging, zelfstandig verzocht om:\n\n1. de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:\n\n2. vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n3. vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen:\n\n- in de oneven weken op donderdagmiddag uit school tot en met donderdagavond 19.00 uur en vrijdagmiddag uit school tot en met vrijdagavond 19.00 uur bij de man verblijven en in de naar de rechtbank begrijpt even weken op donderdagmiddag uit school tot en met donderdagavond 19.00 uur en vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond 19.00 uur;\n\n- een deel van de vakantie- en feestdagen bij de man verblijven, waarvan maximaal twee aaneen in de zomervakantie;\n\n- de man de kinderen uit school ophaalt en hen naar de vrouw terugbrengt. Als er geen schooldag is (vakantie- en feestdagen) zal de vrouw de kinderen naar de man brengen en de man de kinderen terugbrengen naar de vrouw;\n\n4. vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 503,- per maand of wel 168,- per maand per kind, met ingang van de datum van de beschikking;\n\n6. vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap conform het voorstel van de vrouw:\n\n a. ten aanzien van de echtelijke koopwoning het zogenaamde spoorboekje hanteren:\n\ni. de vrouw stelt binnen een week na de zitting drie makelaars voor aan de man. De man zal uit die drie een makelaar kiezen die de woning zal gaan taxeren;\n\nii. partijen zullen gezamenlijk aan de gekozen makelaar, uiterlijk drie weken na de zittingsdatum, de opdracht verstrekken om de woning te laten taxeren, waarbij alle omstandigheden, waaronder eventuele bouwplannen in de omgeving van de echtelijke woning, die volgens de taxateur van belang zijn voor de waardering van de woning, worden meegenomen. Bij het bepalen van de waarde wordt rekening gehouden met de subsidie-\u002Fterugkoopregeling als ook hoe dat is verantwoord in de taxatie. Deze taxatie van de makelaar is bindend tussen partijen;\n\niii. de vrouw dient binnen vier maanden na ontbinding van het huwelijk aan te tonen dat zij in staat is de toebedeling van de echtelijke woning tegen de getaxeerde waarde aan haar te financieren door overname van de hypothecaire geldlening en de verpande polis bij Dela en hiervoor de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Indien de vrouw daarin slaagt, zal de vrouw de woning aan haar toebedeeld krijgen, waarbij zij de helft van de overwaarde van de echtelijke woning (de overwaarde is: de taxatiewaarde plus de waarde polis levensverzekering minus de hypothecaire geldlening) aan de man moet voldoen;\n\niv. de kosten in verband met de taxatie en toedeling van de echtelijke woning aan de vrouw dienen door partijen bij helfte te worden gedragen;\n\nv. slaagt de vrouw er niet in om de toebedeling van de woning aan haar te financieren, dan kan de man desgewenst de woning, onder diezelfde voorwaarden, overnemen dan wel zal die, zo de man dat niet kan of niet wil, door partijen te koop worden aangeboden via de makelaar die voormelde taxatie heeft verricht. De aanwijzingen van deze makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning. Alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, zullen eerst van de opbrengst worden voldaan. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde.\n\nb. de kosten van de levering als ook de notariële akte met betrekking tot de woning wordt bij helfte wordt gedragen tussen partijen;\n\nc. de man moet met ingang van 16 februari 2024 voor de helft bijdragen in de aflossingen van de hypotheek bij Aegon ( [nummer 1] ). Die worden later nader berekend.\n\ne. de en\u002Fof rekening bij Knab bank [rekeningnummer 1] (en bijbehorend saldo) wordt aan de man toegedeeld onder verrekening van de saldi op de peildatum en hij dient de helft van dat bedrag aan de vrouw te betalen (credit), dan wel de vrouw dient aan hem de helft te betalen (debet);\n\nf. de rekening van de man bij ING Bank [rekeningnummer 2] (en bijbehorend saldo) wordt aan de man toegedeeld onder verrekening van het saldo op de peildatum en hij dient de helft van dat bedrag aan de vrouw te betalen (credit), dan wel de vrouw dient aan hem de helft te betalen (debet);\n\ng. de man dient een jaaroverzicht 2023 van de\u002Fzijn ING rekening aan de vrouw te verstrekken;\n\nh. de ABN AMRO rekening [rekeningnummer 3] (en bijbehorend saldo) wordt aan de vrouw toegedeeld onder verrekening van het saldo op de peildatum en zij dient de helft van dat bedrag aan de man te betalen (credit), dan wel de man dient aan haar de helft van dat bedrag te betalen (debet);\n\ni. de account en het saldo bij broker Bitvavo op de peildatum wordt aan de vrouw toegedeeld en met veroordeling van de vrouw om de helft van het saldo op 16 februari 2024 aan de man over te maken;\n\nj. de rechten en de plichten uit de leaseovereenkomst met betrekking tot de auto van de zaak worden aan de vrouw toegedeeld;\n\nk. voor recht te verklaren dat de huisraad en inboedel reeds is verdeeld;\n\n7. het meer of anders verzochte af te wijzen;\n\nmet uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw heeft op de zitting ingetrokken haar verzoek sub 5. om vaststelling van een door de man aan haar te betalen partneralimentatie en ook haar verzoek sub 6.d. om te bepalen dat de man moet voor de helft bijdragen in de kosten van de verzekering bij Dela Natura en Levensverzekeringen NV.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntvankelijkheid\n\nDe rechtbank constateert dat geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. Op grond van artikel 815 tweede lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken is geformuleerd, heeft de rechtbank de bevoegdheid beide partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan niet kan worden overgelegd (artikel 815 zesde lid Rv).\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is uit de overgelegde stukken en wat is besproken op de zitting voldoende gebleken dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Daarom zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding kunnen daarom als op de wet gegrond worden toegewezen.\n\nAanhechten ouderschapsplan\n\nHet verzoek van de man om het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten, zal de rechtbank afwijzen omdat er geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd.\n\nHoofdverblijf\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet.\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nReguliere zorgregeling\n\nOp de zitting is gebleken dat de ouders het gedeeltelijk met elkaar eens zijn over de invulling van de reguliere zorgregeling. Deze gedeeltelijke overeenstemming houdt in dat de kinderen bij de man zullen zijn de ene week van donderdag uit school tot vrijdagavond 19.00 uur en de andere week van donderdag uit school tot zondagavond 19.30 uur. Tussen partijen is in geschil gebleven of de kinderen al op woensdag na het eten naar de man kunnen gaan en bij hem blijven overnachten zoals de man wenst of dat op dit punt de regeling zoals die nu loopt gehandhaafd blijft, waar de vrouw voorstander van is.\n\nDe man stelt dat er geen redenen zijn waarom de kinderen niet al op woensdag naar hem toe kunnen komen, zij overnachten op andere momenten ook bij hem en bovendien hebben de kinderen zelf aangegeven een 50-50 regeling te willen.\n\nDe vrouw heeft aangevoerd dat zij, op de extra overnachting van donderdag op vrijdag na, zoveel mogelijk de huidige regeling wil handhaven omdat er nu rust en duidelijkheid is voor de kinderen en het goed met hen gaat. Daarbij speelt voor de vrouw ook mee dat de communicatie tussen haar en de man niet prettig verloopt en de kinderen als zij dat willen vaker van haar naar de man mogen gaan, maar zij dat in de praktijk niet doen. [minderjarige 1] heeft inderdaad aangegeven een 50-50 regeling te willen en deze wens is begrijpelijk in het kader van de loyaliteit die [minderjarige 1] voelt richting haar beide ouders, aldus de vrouw.\n\nDe rechtbank ziet geen redenen om de zorgregeling niet verder uit te breiden met de woensdag. Daarbij komt dat [minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij graag een 50-50 regeling wil. De bezwaren die de vrouw heeft geuit maken het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank zal daarom bepalen dat de kinderen bij de man zullen zijn de ene week van woensdagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de vrouw) tot vrijdagavondavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de man) en de andere week van woensdagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de vrouw) tot zondagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de man). Het meer of anders verzochte ten aanzien van de reguliere zorgregeling zal de rechtbank afwijzen.\n\nVakanties en feestdagen\n\nZomervakantie\n\nOp de zitting hebben de ouders overeenstemming bereikt over de zomervakantie. Deze overeenstemming houdt in dat de kinderen het ene jaar de eerste drie aaneengesloten weken bij de man zullen zijn en laatste drie aaneengesloten weken bij de vrouw en dit het andere jaar andersom zal zijn. De rechtbank zal aldus beslissen.\n\nKerstvakantie\n\nHet verzoek van de man ten aanzien van de Kerstvakantie  in de even jaren zijn de kinderen gedurende de eerste week bij de man en gedurende de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren is dit andersom  zal de rechtbank als niet weersproken toewijzen, nu zij deze regeling in het belang van de kinderen vindt. Over de feestdagen in deze vakantie wordt hieronder beslist.\n\nOverige vakanties en feestdagen\n\nDe man verzoekt om te bepalen dat de kinderen tijdens de overige vakanties en feestdagen bij de ouder verblijven waar zij volgens de reguliere zorgregeling zijn, waarbij de man uitging van een week op week af regeling. De vrouw verzoekt om te bepalen dat de kinderen een deel van de vakanties en feestdagen bij de man zijn. Op de zitting heeft de vrouw te kennen gegeven dat zij de overige vakanties ook om het jaar zou willen verdelen.\n\n- Herfst- en voorjaarsvakantie\n\nGelet op het bovenstaande zal de rechtbank ten aanzien van de herfst- en voorjaarsvakantie bepalen dat de kinderen in de even jaren in de voorjaarsvakantie bij de man zullen zijn en in de herfstvakantie bij de vrouw en in dat dit in de oneven jaren andersom zal zijn.\n\n- Meivakantie\n\nTen aanzien van de meivakantie zal de rechtbank bepalen dat de kinderen in de even jaren gedurende de eerste week bij de man zullen zijn en gedurende de tweede week bij de vrouw, met dien verstande dat dit in de oneven jaren andersom zal zijn.\n\n- Kerstdagen en Oud en Nieuw\n\nOp de zitting is gebleken dat de ouders de afgelopen twee jaren tijdens de Kerstdagen en Oud en Nieuw in overleg aan een regeling uitvoering hebben gegeven waarbij de kinderen het ene jaar Kerstavond en eerste Kerstdag bij de ene ouder verblijven en tweede Kerstdag en Oud en Nieuw bij de andere ouder en het andere jaar andersom. De rechtbank zal aldus beslissen nu zij deze regeling in het belang van de kinderen vindt.\n\n- Overige feestdagen\n\nTen aanzien van de overige feestdagen zal de rechtbank bepalen dat de kinderen bij de ouder verblijven waar zij volgens de reguliere zorgregeling zijn, zoals de man heeft verzocht en waar de vrouw geen verweer tegen heeft gevoerd.\n\nSport\n\nTen aanzien van de sportactiviteiten van de kinderen zal de rechtbank bepalen dat de ouder bij wie de kinderen volgens de reguliere zorgregeling verblijven er zorg voor zal dragen dat de kinderen daaraan kunnen deelnemen.\n\nKinderalimentatie\n\nBij de vaststelling van de alimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.\n\nBehoefte\n\nDe rechtbank zal voor de behoefte van de kinderen uitgaan van de behoefte zoals is berekend in de voorlopige voorzieningenprocedure, te weten € 1.448,- per maand in 2023. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van deze berekening aangezien partijen in de onderhavige procedure geen andere inkomensgegevens hebben overgelegd. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 1.638,- per maand, of wel € 546,- per maand per kind.\n\nDe rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.\n\nDraagkracht vrouw\n\nDe rechtbank zal de (meest recente) draagkrachtberekening van de man als uitgangspunt nemen, nu de vrouw deze berekening, behoudens de inhoudingen die daar nog niet in zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 39.398,- (inclusief 8% vakantietoeslag).\n\nHet kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 50,88 per maand, zoals volgt uit de na de zitting door de vrouw overgelegde pro forma salarisstrook.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 3.719 per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.\n\nOmdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [3.719 – (1.116 + 1.310)] = € 905,- per maand.\n\nDraagkracht man\n\nDe rechtbank zal de (meest recente) draagkrachtberekening van de man als uitgangspunt nemen, nu de vrouw deze berekening, behoudens de opgevoerde advocaatkosten, niet betwist en met dien verstande dat als bruto jaarinkomen een bedrag van € 44.587,- in aanmerking genomen moet worden, zoals volgt uit de door de man overgelegde pro forma loonstrook en ook namens de man op de zitting is bevestigd.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 3.005,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.\n\nDe man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening gehouden moet worden met een aflossing op een schuld van € 200,- per maand. Deze schuld ziet op de advocaatkosten van de man. Het gaat volgens de man om een niet vermijdbare en niet verwijtbare schuld die daarom aangemerkt dient te worden als noodzakelijke last die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting. De vrouw betwist dat rekening gehouden moet worden met de advocaatkosten van de man. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het om vermijdbare kosten gaat en ook dat er voldoende liquide middelen zijn om deze te betalen.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Anders dan de vrouw die met een toevoeging procedeert maakt de man advocaatkosten. Deze kosten en de afbetalingsregeling zijn door de man onderbouwd en er is niet gebleken dat de man over spaargeld beschikt. De rechtbank acht de schuld bij de advocaat onvermijdbaar en niet verwijtbaar en zal daarom rekening houden met deze maandelijkse aflossing.\n\nOmdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. Rekening houdend met een correctie van € 200,- per maand, berekent de rechtbank de draagkracht van de man dan op: 70% x [3.005 – (902 + 1.310 + 200)] = € 415,- per maand.\n\nGezamenlijke draagkracht - tekort\n\nDe draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.320,- per maand (€ 905,- + € 415,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien.\n\nDe rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 318,- per maand.\n\nZorgkorting\n\nDe man maakt aanspraak op zorgkorting. Omdat de man gezien de te bepalen zorgregeling gemiddeld drie dagen per week de zorg zal hebben voor de kinderen, geldt een percentage van 35. De zorgkorting bedraagt dan € 573,- per maand ((35% van € 1.638,-).\n\nOmdat sprake is van een tekort van € 318,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 414,- per maand\n\n(€ 573,- -\u002F- € 159,-),\n\nHet aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan nihil (€ 415,- -\u002F- € 414,-.)\n\nConclusie\n\nGelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om vaststelling van een door de man te betalen kinderalimentatie afwijzen.\n\nVerdeling\n\nPartijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] . Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen partnerschaps- of huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (tekst tot 1 januari 2018) worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Uitgangspunt bij verdeling van deze gemeenschap is een verdeling tussen partijen bij helfte.\n\nPeildatum\n\nAnders dan op zitting besproken is de peildatum voor de bepaling van de omvang van de gemeenschap 16 februari 2024, dit is de datum van indiening van het verzoekschrift. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt de datum waarop de verdeling feitelijk wordt uitgevoerd, tenzij partijen anders overeenkomen of op basis van redelijkheid en billijkheid daarvan dient te worden afgeweken. Dit laatste is niet gesteld of gebleken.\n\nSamenstelling gemeenschap\n\nDoor partijen zijn de volgende vermogensbestanddelen genoemd die mogelijk in de verdeling betrokken dienen te worden:\n\nde echtelijke woning [adres] te [plaats 2] met de daarop rustende hypothecaire geldlening bij Aegon Hypotheken BV met nummer [nummer 1] en de daaraan gekoppelde polis van Levensverzekering bij Dela Natura Levensverzekering met polisnummer [nummer 2] ;\n\nde gezamenlijke en\u002Fof betaalrekening bij KNAB met nummer [rekeningnummer 1] ;\n\nde betaalrekening ten name van de man bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 2] ;\n\nde betaalrekening ten name van de vrouw bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] ;\n\nde cryptoportefeuille bij Bitvavo;\n\nde auto Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] en de rechten en plichten uit de leaseovereenkomst;\n\nschuld uit geldlening bij mevrouw [naam 2] ten bedrage van € 8.485,74\n\nAd 1) Echtelijke woning en hypothecaire geldlening\n\nPartijen willen allebei de echtelijke woning toegedeeld krijgen. De Rechtbank kan dat begrijpen, te meer nu de zorg gelijkwaardig is verdeeld tussen de ouders en ieder dus regelmatig met de kinderen is, terwijl de alternatieven voor de koop van de echtelijke woning in de huidige woningmarkt niet voor het oprapen liggen. De rechtbank zal toch de echtelijk woning in eerste instantie aan de man toedelen. De man heeft aangevoerd dat de vrouw de financiële middelen niet heeft om de woning over te nemen en hij heeft gewezen op het tijdelijke arbeidscontract – voor zeven maanden – en de proeftijd die de vrouw heeft. De vrouw heeft ten aanzien van de financiering van de woning daar niets tegenover gesteld. De rechtbank heeft ook ambtshalve uit het dossier opgemaakt dat de kans dat de vrouw de woning kan kopen, nihil is. Er is een contract voor 7 maanden met een proeftijd, en er is niet gebleken dat er ergens spaargeld aanwezig is. De rechtbank begrijpt dat de vrouw de woning graag wil kopen, maar haar het eerste recht toekennen zou feitelijk neerkomen op een onnodige vertraging in de afhandeling van de verkoop van de woning. Beide partijen hebben baat bij financiële duidelijkheid en financiële zekerheid op een zo kort mogelijke termijn, zodat de rechtbank die vertraging wil voorkomen. Daarom beslist de rechtbank dat de man mag gaan uitzoeken of hij de woning kan overnemen. Als het de man niet lukt om de financiering rond te krijgen, moet de woning worden verkocht aan een derde.\n\nDe rechtbank zal de wijze van verdeling vaststellen volgens het in het dictum vermelde spoorboekje en daarbij het voorstel dat de vrouw heeft gedaan (sub 6 onder a en b van haar zelfstandig verzoek) volgen, met de volgende aanpassingen:\n\nstap i. wordt aangepast in die zin dat de man binnen een week na de zitting drie makelaars voorstelt aan de vrouw. De vrouw zal uit die drie een makelaar kiezen die de woning zal gaan taxeren;\n\nstap ii. wordt aangepast in die zin dat de rechtbank nietopneemt: “Bij het bepalen van de waarde wordt rekening gehouden met de subsidie-\u002Fterugkoopregeling als ook hoe dat is verantwoord in de taxatie”.\n\nIn dit verband overweegt de rechtbank dat op de zitting is besproken dat partijen om de tafel moeten met de woningbouwvereniging in verband met de financiële afhandeling omdat er kennelijk uit de overwaarde nog een deel naar de woningbouwvereniging moet. Partijen moeten met de woningbouwvereniging afstemmen of de toedeling aan de man niet ook wordt gezien als een echte verkoop met een overwaarde;\n\nstap iii. wordt aangepast in die zin dat waar “vrouw” en “haar” staat dit aangepast wordt in “man” en “zijn” en waar “man” en “hem” staat dit wordt aangepast in “vrouw” en “haar;\n\nstap iv wordt aangepast in die zin dat waar “de vrouw” staat dit aangepast wordt in “de man”;\n\nstap v. wordt aangepast in die zin dat waar “vrouw” en “haar” staat dit aangepast wordt in “man” en “zijn en waar “man” en “hem” staat dit wordt aangepast in “vrouw” en “haar” en dat de rechtbank vervolgens in plaats van: “dan kan de vrouw desgewenst de woning, onder diezelfde voorwaarden, overnemen dan wel zal die, zo de vrouw dat niet kan of niet wil, door partijen te koop worden aangeboden” opnemen: “dan zal de woning door partijen aan een derde te koop worden aangeboden”;\n\nOp de zitting is naar voren gekomen dat niet duidelijk is of de polis van Levensverzekering bij Dela Natura Levensverzekering met polisnummer [nummer 2] nog bestaat. De polis zal daarom onder die voorwaarde aan de man worden toegedeeld.\n\nAd 2) tot en met 4) bankrekeningen\n\nPartijen zijn het erover eens dat:\n\n- de gezamenlijke bankrekening bij KNAB met nummer [rekeningnummer 1] moet worden opgeheven voor zover dat nog niet is gedaan waarbij het saldo tussen partijen bij helfte zal worden gedeeld dan wel het tekort door partijen ieder voor de helft zal worden aangezuiverd;\n\nde op naam van de man staande bankrekening bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 2] aan de man zal worden toegedeeld onder de verplichting voor de man om de helft van het saldo op de peildatum aan de vrouw te betalen, dan wel bij een negatief saldo onder de verplichting voor de vrouw om de helft van het tekort per de peildatum aan de man te betalen;\n\nde op naam van de vrouw staande bankrekening bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] aan de vrouw zal worden toegedeeld onder de verplichting voor de vrouw om de helft van het saldo op de peildatum aan de man te betalen, dan wel bij een negatief saldo onder de verplichting voor de man om de helft van het tekort per de peildatum aan de vrouw te betalen.\n\nDe rechtbank ziet verder aanleiding om de vrouw een dwangsom op te leggen voor wat betreft het verstrekken aan de man van een bankafschrift waaruit het saldo van haar bankrekening per 16 februari 2024 blijkt, zoals door de man is verzocht. De rechtbank overweegt hiertoe dat gebleken is dat de vrouw dit nu al heel lang laat liggen. Wel zal de rechtbank de dwangsom pas veertien dagen na de datum van deze beschikking in laten gaan en deze matigen naar € 25,- per dag dat de vrouw hier geen uitvoering aan geeft, met een maximum van € 500,-.\n\nAd 5) de cryptoportefeuille bij Bitvavo;\n\nPartijen zijn het erover eens dat de cryptoportefeuille bij Bitvavo aan de vrouw wordt toegedeeld voor de waarde per 1 januari 2024, zijnde € 169,37, onder de verplichting voor de vrouw om de helft van die waarde, zijnde een bedrag van € 84,69 aan de man te betalen.\n\nAd 6) auto\n\nOp de zitting is gebleken dat de vrouw de leaseauto ingeleverd heeft omdat zij inmiddels een andere baan heeft. Partijen zijn het erover eens dat alle uit de leaseovereenkomst voortkomende opbrengsten aan de vrouw worden toegedeeld onder de verplichting voor de vrouw alle uit de leaseovereenkomst voortkomende verplichtingen voor haar rekening te nemen.\n\nAd 7) schuld aan mevrouw [naam 2]\n\nDe man stelt dat partijen op 23 december 2017 een rentevrije geldlening hebben afgesloten ten bedrage van € 8.485,74 bij zijn moeder en dat hierop nog niet is afgelost. De man onderbouwt dit met een kopie van de overeenkomst, waarbij hij ter zitting een volgens hem origineel document heeft laten zien. De man onderbouwt met een aanvullende schriftelijke verklaring van zijn moeder dat de schuld nog volledig open staat.\n\nVolgens de vrouw is er een schuld maar gaat het om een lager bedrag, was deze aan de moeder en de vader van de man en is er op afgelost. De vrouw betwist de authenticiteit van de overgelegde overeenkomst en de geldigheid van de verklaring van de moeder van de man.\n\nDe rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.\n\nIn de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.\n\nDe man en de vrouw hebben uiteenlopende opvattingen over het bestaan van de gestelde schuld. Voorop staat dat de beoordeling van de vraag of een derde een vordering heeft op de gemeenschap niet past in deze procedure die (mede) strekt tot verdeling in het kader van de echtscheiding. Het is aan de beweerde schuldeiser om (één van) de echtgenoten tot betaling aan te spreken, waarna het aan de aangesproken partij(en) is om de vordering te erkennen of betwisten en daarover zo nodig te procederen. Voor wat betreft de bijdrageplicht in hun onderlinge verhouding gelden de wettelijke uitgangspunten van artikel 1:100 en artikel 6:10 en volgende BW.\n\nInboedel – verklaring voor recht\n\nDe vrouw heeft verzocht om voor recht te verklaren dat de inboedel en huisraad al zijn verdeeld. Op de zitting is gebleken dat de inboedel en huisraad nog niet is verdeeld. De rechtbank zal daarom dit verzoek afwijzen.\n\nGebruiksvergoeding\n\nDe man heeft een gebruiksvergoeding voor de woning ten laste van de vrouw verzocht per de datum van ontbinding van het huwelijk van 1,96% per maand van de helft van de nog vast te stellen overwaarde van de woning conform de zogenoemde “Hof-formule”. De vrouw heeft op de zitting met dit verzoek van de man ingestemd, zodat dit verzoek als niet weersproken kan worden toegewezen.\n\nVordering man ter zake van hypotheekrente echtelijke woning\n\nDe man stelt dat hij de rente en aflossing voor de hypotheek betaalt en dat hij dat zal blijven doen tot de overdracht van de woning aan hem en dat hij daarom over de periode 16 februari 2024 tot aan de dag van de goederenrechtelijke overdracht van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning aan hem, een vordering op haar van heeft van (€ 782,83 \u002F 2 =) € 391,42 per maand. De man onderbouwt zijn stelling met productie 23 waarin de in 2023 betaalde rente en aflossingen staan vermeld ((betaalde rente in 2023 € 5.347,46 + betaalde aflossingen in 2023 € 4.046,54). De vrouw heeft niet betwist dat zij de helft van de hypotheeklasten dient te dragen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man toewijzen en bepalen dat de vrouw over de periode 16 februari 2024 tot en met 16 november 2025 een bedrag van € 8.219,82 (= 21x 391,42) aan de man moet betalen en met ingang van 16 november 2025 maandelijks een bedrag van € 391,42 aan de man moet betalen tot aan de dag van de overdracht van de woning.\n\nRegresvorderingen man\n\nDe man stelt dat hij na de peildatum de volgende gemeenschappelijke schulden heeft voldaan:\n\nCrediteur\n\nBedrag voldaan\n\nDatum van betaling\n\nAard van de schuld\n\n1.\n\n2Divorce\u002FZorgeloosch BV\n\n€ 1.100,-\n\n26-02-2024 en 27-03-2024\n\nScheidingsbemiddeling ouderschapsplan en griffiekosten\n\n2.\n\nBelastingdienst\n\n€ 979,-\n\n07-11-2024\n\nInkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekering 2024\n\n3.\n\nBelastingsamenwerking Gouwe-Rijnland\n\n€ 2.078,-\n\nDiv. 2024-2025\n\nGemeentelijke belastingen en waterschapsbelastingen\n\n4.\n\nGGN Mastering Credit BV\n\n€ 304,97\n\n30-05-2024\n\nVattenfall incasso nutsvoorzieningen\n\n5.\n\nLAVG Gerechtsdeurwaarders BV\n\n€ 1.590,23\n\n10-05-2024\n\nZorg en Zekerheid premieachterstanden\n\n6.\n\n [crediteur]\n\n€ 995,54\n\n05-09-2025\n\nStichting Floreokids vordering\n\n7.\n\nZorg en Zekerheid UA\n\n€ 502,86\n\n10-05-2024\n\nZorgverzekeringpremies en eigen risico\n\n8.\n\nAEGON Nederland NV\n\n€ 4.824,55\n\n12-03-2024 tot en met 03-06-2024\n\nHypotheekrente en aflossing\n\nAd 1) mediation\n\nDe man stelt dat er sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 1.100,- die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen.\n\nDe vrouw stelt dat man de kosten voor het mediationtraject voor zijn rekening heeft genomen en dat dit blijkt uit een Whatsapp bericht van de man aan haar. De rechtbank stelt vast dat de vrouw het Whatsapp bericht niet heeft overgelegd. Nu de man zijn verzoek met facturen heeft onderbouwd en het gangbaar is dat de kosten worden gedeeld, had het op de weg van de vrouw gelegen om te onderbouwen dat de man de volledige rekening zou betalen. Dat heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 550,- aan de man moet betalen.\n\nAd 2) Inkomstenbelasting 2024\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 979,- die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw betwist dat sprake is van een gezamenlijke schuld omdat de betaling ziet op het hele jaar 2024. De rechtbank overweegt dat uit productie 27 van de man blijkt dat het inderdaad om het jaar\u002Ftijdvak 2024 gaat. Omdat de peildatum 16 februari 2024 is, komt een bedrag van € 112,96 (6\u002F52e gedeelte van € 979,-) voor rekening van partijen samen. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 56,48 aan de man moet betalen.\n\nAd 3) Gemeentelijke- en waterschapsbelastingen\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 2.078,73 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw heeft ingestemd met dit verzoek van de man. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 1.039,37 aan de man moet betalen.\n\nAd 4) Vattenfall\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 304,97 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw heeft ingestemd met dit verzoek van de man. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 152,49 aan de man moet betalen.\n\nAd 5) Zorg en Zekerheid premie achterstanden\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 1.590,23 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit in de onderlinge verhouding te verdelen. Volgens de vrouw gaat het om een privéschuld van de man en zijn de kosten hoger geworden omdat de man de premies te laat heeft betaald, wat ook voor zijn rekening dient te komen.\n\nDe rechtbank overweegt dat de man deze schuld, de incassokosten en het tijdvak heeft onderbouwd in productie 30. Deze kosten kunnen om die reden worden aangemerkt als schuld van de gemeenschap. Voor zover de vrouw bedoelt te stellen dat de schuld verknocht is aan de man, had het op haar weg gelegen om dat te onderbouwen en dat heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 795,12 aan de man moet betalen.\n\nAd 6) Floreokids\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 995,54 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw heeft ingestemd met dit verzoek van de man. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 497,77 aan de man moet betalen.\n\nAd 7) Zorgverzekeringpremies en eigen risico\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 502,86 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. Volgens de vrouw gaat het om een schuld van de man van na de peildatum en gaat het hier dus niet om een schuld van de huwelijksgemeenschap. De rechtbank overweegt dat uit de producties 30 en 31 blijkt dat het door de man opgevoerde bedrag uit twee delen bestaat. Het eerste deel bedraagt € 133,86 en dat gaat over drie declaraties van Zorg en Zekerheid. Nergens blijkt uit van wanneer die declaraties zijn. In het kader van de betwisting door de vrouw had het op de weg van de man gelegen om te onderbouwen dat de declaraties betrekking hebben op de periode vóór de peildatum en dat heeft hij niet gedaan. Het tweede deel bedraagt € 369,- en gaat over premies die op 1 april 2024 hadden moeten worden betaald en is van na de peildatum. Er is dus geen sprake van een vordering van de man op de vrouw. De rechtbank wijst het verzoek van de man op dit punt daarom af.\n\nAd 8) Hypotheekrente en aflossing\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 4.824,55  het gaat om hypotheekrente en aflossing in de periode 12 maart 2024 tot en met 3 juni 2024 dan wel 9 september 2024  die hij heeft betaald. De man verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw verweert zich hier tegen. De rechtbank verwijst naar hetgeen hierboven is bepaald ten aanzien van het verzoek van de man onder het kopje “Vordering man ter zake van hypotheekrente echtelijke woning”. Nu de vrouw met ingang van de peildatum moet meebetalen aan de betalingen van de rente en aflossing betreffende de hypotheek, zal de rechtbank het verzoek om de hier vermelde schuld in de onderlinge verhouding te verdelen, afwijzen. Immers zou de vrouw anders in 2024 een aantal maanden dubbele lasten betalen.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de man een regresrecht heeft op de vrouw ten bedrage van in totaal € 3.091,23.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarige kinderen:\n\n [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ;\n\n [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats] ;\n\n [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarige kinderen bij de man zullen zijn:\n\nde ene week van woensdagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de vrouw) tot vrijdagavondavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de man);\n\nde andere week van woensdagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de vrouw) tot zondagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de man);\n\nen dat de volgende regeling voor de vakanties en feestdagen zal gelden:\n\nzomervakantie\n\n- de kinderen zullen het ene jaar de eerste drie aaneengesloten weken bij de man zijn en de laatste drie aaneengesloten weken bij de vrouw en het andere jaar zal dit andersom zijn;Kerstvakantie\n\n- de kinderen zullen in de even jaren gedurende de eerste week bij de man zijn en gedurende de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;herfst- en voorjaarsvakantie\n\n- de kinderen zullen in de even jaren in de voorjaarsvakantie bij de man zijn en in de herfstvakantie bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;meivakantie\n\n- de kinderen zullen in de even jaren gedurende de eerste week bij de man zijn en gedurende de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;Kerstdagen en Oud en Nieuw\n\n- de kinderen zullen het ene jaar Kerstavond en eerste Kerstdag bij de ene ouder verblijven en tweede Kerstdag en Oud en Nieuw bij de andere ouder en het andere jaar andersom;\n\noverige feestdagen\n\n- de kinderen zullen bij de ouder verblijven waar zij volgens de reguliere zorgregeling zijn;\n\nen bepaalt ten aanzien van de sportactiviteiten van de kinderen dat ouder bij wie de kinderen volgens de reguliere zorgregeling verblijven er zorg voor zal dragen dat de kinderen daaraan kunnen deelnemen;\n\n*\n\nstelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:\n\nmet betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te [plaats 2] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij Aegon Hypotheken BV met nummer [nummer 1] en de daaraan nog gekoppelde polis van Levensverzekering bij Dela Natura Levensverzekering met polisnummer [nummer 2] voor zover deze polis nog bestaat:\n\na. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:\n\ni. de man stelt binnen een week na de zitting drie makelaars voor aan de vrouw. De vrouw zal uit die drie een makelaar kiezen die de woning zal gaan taxeren;\n\nii. partijen zullen gezamenlijk aan de gekozen makelaar, uiterlijk drie weken na de zittingsdatum, de opdracht verstrekken om de woning te laten taxeren, waarbij alle omstandigheden, waaronder eventuele bouwplannen in de omgeving van de echtelijke woning, die volgens de taxateur van belang zijn voor de waardering van de woning, worden meegenomen. Deze taxatie van de makelaar is bindend tussen partijen; partijen zullen om de tafel gaan met de woningbouwvereniging in verband met de financiële afhandeling omdat er kennelijk uit de overwaarde nog een deel naar de woningbouwvereniging moet. Partijen zullen met de woningbouwvereniging afstemmen of de toedeling aan de man niet ook wordt gezien als een echte verkoop met een overwaarde;\n\niii. de man dient binnen vier maanden na ontbinding van het huwelijk aan te tonen dat hij in staat is de toebedeling van de echtelijke woning tegen de getaxeerde waarde aan hem te financieren door overname van de hypothecaire geldlening en de verpande polis bij Dela (voor zover deze polis nog bestaat) en hiervoor de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Indien de man daarin slaagt, zal de man de woning aan hem toebedeeld krijgen, waarbij hij de helft van de overwaarde van de echtelijke woning (de overwaarde is: de taxatiewaarde plus de waarde polis levensverzekering (voor zover deze nog bestaat) minus de hypothecaire geldlening) aan de vrouw moet voldoen;\n\niv. de kosten in verband met de taxatie en toedeling van de echtelijke woning aan de man dienen door partijen bij helfte te worden gedragen;\n\nv. slaagt de man er niet in om de toebedeling van de woning aan hem te financieren, dan zal de woning door partijen aan een derde te koop worden aangeboden via de makelaar die voormelde taxatie heeft verricht. De aanwijzingen van deze makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning. Alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, zullen eerst van de opbrengst worden voldaan. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde.\n\n de kosten van de levering als ook de notariële akte met betrekking tot de woning worden bij helfte gedragen tussen partijen;\n\nde gezamenlijke bankrekening bij KNAB met nummer [rekeningnummer 1] zal worden opgeheven voor zover dat nog niet is gedaan, waarbij het saldo tussen partijen bij helfte zal worden gedeeld dan wel het tekort door partijen ieder voor de helft zal worden aangezuiverd;\n\naan de man wordt toegedeeld:\n\n- de op naam van de man staande bankrekening bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 2] onder de verplichting voor de man om de helft van het saldo op de peildatum aan de vrouw te betalen, dan wel bij een negatief saldo onder de verplichting voor de vrouw om de helft van het tekort per de peildatum aan de man te betalen;\n\naan de vrouw worden toegedeeld:\n\nde op naam van de vrouw staande bankrekening bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] onder de verplichting voor de vrouw om de helft van het saldo op de peildatum aan de man te betalen, dan wel bij een negatief saldo onder de verplichting voor de man om de helft van het tekort per de peildatum aan de vrouw te betalen;\n\nde cryptoportefeuille bij Bitvavo voor de waarde per 1 januari 2024, zijnde € 69,37 onder de verplichting voor de vrouw om de helft van die waarde, zijnde een bedrag van € 84,69 aan de man te betalen;\n\nalle uit de leaseovereenkomst betreffende de auto Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] voor de voortkomende opbrengsten, onder de verplichting voor de vrouw alle uit de leaseovereenkomst voortkomende verplichtingen voor haar rekening te nemen;\n\nbepaalt dat de vrouw binnen twee weken na de datum van deze beschikking een bankafschrift waaruit het saldo van haar bankrekening bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] per 16 februari 2024 blijkt aan de man dient te verstrekken, bij gebreke waarvan zij een dwangsom verschuldigd zal zijn van € 25,- per dag dat zij hier geen uitvoering aan geeft, met een maximum van € 500,-;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw, zolang zij in de echtelijke woning verblijft, vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk, een gebruiksvergoeding aan de man voldoet van 1,96% per maand van de helft van de nog vast te stellen overwaarde van de woning conform de zogenoemde “Hof-formule”;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw betreffende de betaling van de rente en de aflossing van de hypotheek over de periode 16 februari 2024 tot en met 16 november 2025 een bedrag van € 8.219,82 (= 21x 391,42) aan de man moet betalen en met ingang van 16 november 2025 maandelijks een bedrag van € 391,42 aan de man moet betalen tot aan de dag van de overdracht van de woning;\n\n*\n\nbepaalt dat de man een regresvordering heeft op de vrouw in totaal ten bedrage van € 3.091,23;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 november 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21478","2025-11-14T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.785Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":83,"fullText":84,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":50,"updatedAt":86},"1255","ECLI:NL:GHARL:2025:6664","ecli-nl-gharl-2025-6664","2025-10-28T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.354.368\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 563217)\n\nbeschikking van 28 oktober 2025\n\ninzake\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr.drs. A.M. Slootweg,\n\nen\n\n [verweerder],\n\nverblijvende in een bij het hof bekend Penitentiair Psychiatrisch Centrum,\n\nverweerder in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. N. Schreurs.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikking(en) van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 januari 2024 en 11 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 11 februari 2025 zal verder ook worden genoemd: de bestreden beschikking.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 mei 2025;\n\n- het verweerschrift.\n\n2.2. De mondelinge behandeling heeft op 29 september 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren de man en de vrouw, beiden bijgestaan door hun advocaat.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Partijen zijn [in] 2009 gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden.\n\n3.2. \n\nDe vrouw heeft op 6 juli 2023 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking (onder meer) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.\n\nHet huwelijk van partijen is op 19 mei 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.\n\n3.3. De peildatum voor de omvang en samenstelling van het te verrekenen vermogen is 6 juli 2023 (datum indiening verzoek tot echtscheiding door de vrouw bij de rechtbank).\n\n3.4. \n\nIn hun huwelijkse voorwaarden zijn partijen in artikel 13 overeengekomen:\n\n“…..\n\nIngeval het huwelijk eindigt door echtscheiding of tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, heeft ieder van de echtgenoten het recht om te vorderen dat er een verrekening van hun vermogens plaatsvindt, zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest, indien de wettelijke gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten had bestaan.\n\nVan deze verrekening wordt uitgezonderd:\n\n…...\n\nf. alle goederen en schulden behorende tot het bedrijfs- of beroepsvermogen van een echtgenoot, alsmede de schulden die zijn aangegaan ter verkrijging van het bedrijfs- of beroepsvermogen;\n\n…..”\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover in deze procedure van belang, de vrouw veroordeeld om de helft van de saldi op de bankrekeningen bij de Bigbank (Estland) met de nummers [rekeningnummer1] , [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] aan de man te betalen.\n\n4.2. \n\nDe vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de bankrekeningen bij de Bigbank en komt daarom in hoger beroep.\n\nDe vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – het verzoek van de man om te bepalen dat zij de helft van de saldi van de bankrekeningen met nummers [rekeningnummer1] , [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] per peildatum aan hem moet betalen alsnog af te wijzen en voor recht te verklaren:\n\nprimairdat de saldi op die bankrekeningen tot het bedrijfsvermogen van de vrouw behoren en buiten de verrekening dienen te blijven en\n\nsubsidiairte bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft jegens de man ter hoogte van de helft van de saldi op die bankrekeningen\n\nen de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.\n\n4.3. De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw in hoger beroep en vraagt het hof om dit af te wijzen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nStandpunt van de vrouw5.1. \n\nDe vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de saldi per peildatum op de Bigbank-bankrekeningen tot het te verrekenen vermogen (aan de zijde van de vrouw) behoren.\n\nDe gelden zijn vanuit haar onderneming op de rekeningen bij de Bigbank gestort en de saldi op de Bigbank-rekeningen behoren nog steeds tot haar bedrijfsvermogen.\n\nDe vader van de man, tevens haar boekhouder, heeft haar destijds geadviseerd om haar bedrijfsvermogen onder te brengen bij de bank in Estland. Zij heeft hieraan uitvoering gegeven en daarbij bleek dat zij alleen rekeningen bij de Bigbank in Estland kon openen op haar eigen naam, en niet op naam van haar onderneming. Dit vormde geen beletsel, omdat het wettelijk is toegestaan bij een onderneming een privérekening zakelijk te gebruiken. Het gaat om deposito’s met een hogere renteopbrengst. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de tenaamstelling van de rekening niet van doorslaggevend belang. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het niet gaat om de tenaamstelling van een rekening maar om de aard van het saldo. De saldi op de Bigbank-rekeningen zijn niet gebruikt, niet in privé en niet voor zakelijke doeleinden.\n\nIn de jaarstukken 2022 worden de saldi op de rekeningen bij de Bigbank (hof: € 25.808 en € 5.400) op de balans vermeld onder het kopje ‘financiële activa’ en het subkopje ‘vastgelegde liquide middelen’. In de belastingaangifte 2022 van de man en de vrouw zijn de Bigbankrekeningen ook opgenoemd en aangemerkt als zakelijke rekeningen. Daarom worden de saldi op de Bigbank-rekeningen niet meegenomen en belast in box 3 (sparen en beleggen) door de belastingdienst.\n\nOp 6 februari 2023 heeft zij nog een extra bedrag van € 18.564 ingelegd op de Bigbankrekeningen. Het saldo op de Bigbank-rekeningen komt dan overeen met de bedragen die op bladzijde 13 van haar belastingaangifte 2023 worden vermeld; de financiële activa bedroegen aan het eind van 2023 € 49.772 (hof: € 25.808 + € 5.400 + € 18.564).\n\nVerder stelt de vrouw dat zij de overwegingen van de rechtbank over het vermogen dat is aangemerkt als fiscale oudedagsreserve (FOR) niet kan volgen. Uit de fiscale balans van de belastingaangifte blijkt dat het om een van bedrag € 32.047 gaat. Dit bedrag is niet vrij opneembaar en te zijner tijd moet hierover belasting worden betaald. De stelling van de man dat zij in totaal € 79.000 uit haar onderneming heeft gehaald is daarom niet juist.\n\nOok brengt de vrouw nog naar voren dat uit artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden blijkt dat het de bedoeling was dat hetgeen zij met haar onderneming aan winst realiseerde voor haar zou blijven. Alleen de bedragen die zij daadwerkelijk opnam als inkomen hoefden bij de verdeling van de kosten van de huishouding tussen partijen in aanmerking te worden genomen.\n\nDe vrouw biedt aan haar stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, zoals bijvoorbeeld een verklaring van haar accountant of boekhouder, of andere bewijsstukken en\u002Fof getuigen, waaronder de accountant en\u002Fof de boekhouder.\n\nStandpunt van de man5.2. \n\nDe man betwist de stellingen van de vrouw. Uitgegaan moet worden van wat partijen met elkaar zijn overeengekomen in hun huwelijkse voorwaarden en wat daarmee hun bedoeling was.\n\nDe vrouw heeft door gelden van de zakelijke rekeningen over te maken naar de privérekeningen bij de Bigbank in Estland gelden uit het bedrijfsvermogen gehaald. Het klopt dat de vrouw niet wettelijk verplicht is om haar zakelijke en privévermogen gescheiden te houden, maar dat wordt wel ten zeerste aanbevolen. Gelet op de uitleg van de huwelijkse voorwaarden en op grond van wat partijen van elkaar mogen verwachten zijn de gelden die de vrouw heeft overgemaakt naar de Bigbank-rekeningen geen ondernemingsvermogen meer. De bedragen zijn duurzaam gaan toebehoren aan de vrouw in privé. Partijen zijn een finaal verrekenbeding overeengekomen en moeten daarom ook over deze bedragen afrekenen als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd.\n\nDe jurisprudentie van de Hoge Raad die de vrouw heeft aangehaald ziet op situaties die niet vergelijkbaar zijn met de situatie van partijen.\n\nHet is de advocaat van de man niet bekend dat de vader van de man de vrouw geadviseerd heeft om het geld op rekeningen in Estland te plaatsen om meer rente te ontvangen over het vermogen en bovendien is de vrouw hiervoor zelf verantwoordelijk. Met de toekomstige belastingschuld van de vrouw over de FOR hoeft geen rekening te worden gehouden, omdat dit een keuze is die voor rekening van de vrouw komt.\n\nDe vrouw heeft volgens de man niet aangetoond dat de saldi op de Bigbank-rekeningen enkel zijn gebruikt voor zakelijke doeleinden en dat maakt bovendien ook geen verschil. De bedragen op de Bigbank-rekeningen zijn op bepaalde momenten vrij opneembaar geweest en zijn dat begin 2026 ook weer.\n\nDe stelling van de vrouw over artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden moet volgens de man worden gepasseerd, omdat dit artikel alleen betrekking heeft op de wijze waarop de kosten van de huishouding tijdens het huwelijk door partijen moeten worden voldaan en niets zegt over het vermogen uit de onderneming dat is gaan toebehoren aan de vrouw in privé.\n\nOordeel van het hof5.3. \n\nHet hof is van oordeel dat de saldi op de drie Bigbank-rekeningen in Estland als bedrijfs- of beroepsvermogen (hierna ook ‘ondernemingsvermogen’) van de vrouw in de zin van artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden van partijen moeten worden beschouwd en niet tot het aan de zijde van de vrouw te verrekenen vermogen behoren.\n\nDe vrouw heeft toegelicht dat zij gelden uit haar onderneming op de Bigbankrekeningen heeft gestort om daarover meer rente te ontvangen. Daardoor zijn die gelden (anders dan de man stelt) nog niet onttrokken aan haar ondernemingsvermogen.\n\nDat deze saldi nog steeds tot haar ondernemingsvermogen behoren blijkt voldoende uit de verwerking van deze saldi in de jaarrekeningen van de onderneming van de vrouw en haar belastingaangiften. Ook zijn de Bigbankrekeningen door partijen samen, dus ook door de man, in hun belastingaangifte 2022 uitdrukkelijk opgegeven als zakelijke rekeningen. De saldi zijn ook niet belast in box 3. Dat volgt uit de aanslag IB 2022: de belastingdienst heeft daarin de aangifte van partijen geaccepteerd.\n\nDe advocaat van de man heeft ter zitting geen (tegen)bewijs op dit punt aangeboden, omdat de man niet beschikt over documenten waaruit zou kunnen blijken dat deze conclusie niet juist is.\n\nDit maakt dat het hoger beroep van de vrouw slaagt. Het hof is van oordeel dat de saldi op de drie rekeningen bij de Bigbank moeten worden geschaard onder de uitzondering onder artikel 13 onderdeel f. van de huwelijkse voorwaarden en uitgezonderd zijn van de verrekening van de vermogens van partijen.\n\n5.4. Het hof zal daarom punt 4.6. in de bestreden beschikking, inhoudende dat de vrouw de helft van de saldi per peildatum op de Bigbank-rekeningen aan de man moet betalen, vernietigen. Het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat de saldi op deze bankrekeningen tot het bedrijfsvermogen van de vrouw behoren (en dus buiten de verrekening van de vermogens van partijen blijven) zal het hof toewijzen.\n\n5.5. Het voorgaande maakt dat het hof niet meer toekomt aan een bespreking van de overige stellingen van partijen en de vraag of er sprake is van een vergoedingsrecht van de vrouw op de man voor de helft van de saldi op de Bigbank-rekeningen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\n6.1. \n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 februari 2025, voor zover het gaat om het oordeel van de rechtbank over de saldi op de bankrekeningen bij de Bigbank in Estland met de nummers [rekeningnummer1] ,\n\n [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] en de beslissing onder 4.6., en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\n6.2. verklaart voor recht dat de saldi op bankrekeningen bij de Bigbank in Estland met de nummers [rekeningnummer1] , [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] tot het bedrijfs- en beroepsvermogen van de vrouw behoren en niet in de verrekening van de vermogens van partijen zijn betrokken;\n\n6.3. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en S. Kuijpers, bijgestaan door de griffier, en is op 28 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:6664","2026-07-13T00:29:12.353Z",20,[89,11],2026]