[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-immigration-and-residence-nl-2026":3},{"detail":4,"years":87},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":23,"page":14,"limit":86},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},153,"immigration-and-residence-nl","Immigration and Residence","NL","2026-07-08T17:00:05.888Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":19},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,61,69,78],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1556","ECLI:NL:RBDHA:2026:18516","ecli-nl-rbdha-2026-18516","",66,"2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F2838\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1981, Colombiaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [V-nummer],\n\neiseres,\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. E. de Bonth).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft op 13 januari 2026 een terugkeerbesluit vastgesteld waarin Colombia als land van terugkeer is aangemerkt en een termijn van 28 dagen voor vrijwillig vertrek is bepaald. Op 16 februari 2026 heeft verweerder een inreisverbod met een duur van 2 jaar uitgevaardigd.\n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het inreisverbod van 16 februari 2026. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer Awb 26\u002F3260.\n\nVerweerder heeft schriftelijk verweer gevoerd.\n\nDe rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Verweerder heeft uitdrukkelijk toestemming verleend om uitspraak te doen zonder het beroep op zitting te behandelen. Omdat eiseres niet om een zitting heeft gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. Verweerder heeft op 13 januari 2026 bij een uitreiscontrole op luchthaven Schiphol vastgesteld dat eiseres de vrije termijn met 828 dagen heeft overschreden. Verweerder heeft hierin aanleiding gezien om een terugkeerbesluit vast te stellen en een voornemen tot een inreisverbod uit te brengen met de mededeling dat eiseres na terugkeer in Colombia haar zienswijze mag geven en vervolgens mogelijk een besluit tot het opleggen van een inreisverbod zal ontvangen.\n\n2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het inreisverbod. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij sinds juni 2023 in Spanje heeft verbleven overeenkomstig Spaanse regelgeving en zich in Spanje heeft verloofd met een Zweedse onderdaan. Eiseres had voor haar terugkeer naar Spanje reeds een verblijfsvergunning in Spanje aangevraagd, maar gelet op de duur van de procedure, hebben eiseres en haar verloofde besloten om een verblijfsvergunning voor eiseres in Zweden aan te vragen. Om aan alle voorwaarden hiervoor te voldoen is eiseres, via luchthaven Schiphol, teruggekeerd naar haar land van herkomst en heeft zij, samen met haar Zweedse verloofde, op 19 januari 2026 een gehoor gehad met de Zweedse autoriteiten op de Zweedse ambassade in Bogotá. Eiseres heeft gesteld dat de regelgeving complex is en dat zij altijd de regelgeving waarvan zij weet had, in Spanje heeft gevolgd. Eiseres heeft gedetailleerd en onderbouwd aangegeven dat zij voldeed aan de voorwaarden voor de ‘Spaanse amnestieregeling’ en vindt dat zij daardoor niet formeel ‘irregulier’ was. Ten tijde van het indienen van de beroepsgronden op 19 februari 2026, hebben eiseres en haar verloofde 13 maanden een relatie. De verloofde van eiseres heeft een schriftelijke verklaring overgelegd en waarin hij heeft aangegeven dat eiseres en hij gezamenlijk waren ingeschreven in Spanje maar dat hij inmiddels duurzaam is gevestigd in Zweden, het land waarvan hij een onderdaan is, en dat hij een stabiel en toereikend inkomen heeft. In deze verklaring is ook vermeld dat hij mede-eigenaar is van een onderneming waarin onder meer een restaurant en ‘bed and breakfast’ worden geëxploiteerd. Indien de Zweedse autoriteiten een verblijfsvergunning aan eiseres verlenen, zal zij binnen deze onderneming werkzaamheden gaan verrichten. Eiseres vindt dat een inreisverbod met een duur van 24 maanden zeer ingrijpend en onevenredig is. Eiseres verzoekt de rechtbank in aanmerking te nemen dat zij actief heeft geprobeerd overeenkomstig de regelgeving te handelen door Spanje te verlaten en de aanvraagprocedure via de Zweedse ambassade te volgen en zo heeft geprobeerd om haar situatie te regulariseren.\n\n3. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat terecht aan eiseres een inreisverbod is opgelegd omdat zij op 11 juli 2023 Spanje is ingereisd en de vrije termijn met 828 dagen heeft overschreden, wat is geconstateerd bij de uitreis op luchthaven Schiphol. Verweerder vindt het opleggen van het inreisverbod niet onredelijk of onevenredig omdat dit een sanctie op langdurig illegaal verblijf is en zij gedurende de looptijd van het inreisverbod in haar land van herkomst of elders invulling kan geven aan haar relatie met haar Zweedse partner. Als het inreisverbod de enige belemmering is die aan het verlenen van een verblijfsvergunning door de Zweedse autoriteiten in de weg staat, kunnen de Zweedse autoriteiten de IND hiervan in kennis stellen en dan zal verweerder, conform zijn geldende beleid, de signalering in SIS wissen en ambtshalve nagaan of het inreisverbod moet worden opgeheven.\n\n4. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder op 13 januari 2026 terecht heeft vastgesteld dat sprake is geweest van illegaal verblijf. Dit blijkt namelijk uit de door verweerder overgelegde stukken waaronder een kopie paspoort met een inreisstempel en uit het ontbreken van stukken waaruit blijkt dat eiseres op enig moment na deze inreis in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf in een van de lidstaten. Dat eiseres stelt en meent dat zij overeenkomstig de regels heeft gehandeld, laat onverlet dat zij niet heeft onderbouwd dat zij rechtmatig in Spanje heeft verbleven. Dit betekent dat verweerder in beginsel verplicht was om een terugkeerbesluit te nemen. Verweerder heeft ook terecht vastgesteld dat eiseres de vrije termijn met 828 dagen heeft overschreden. Ook dit blijkt uit de door verweerder overgelegde stukken die door eiseres niet zijn betwist. Gelet op het beleid dat verweerder voert is verweerder gehouden om in deze situatie een inreisverbod uit te vaardigen. De rechtbank overweegt dat beleid waarbij een inreisverbod wordt gehanteerd als sanctie voor illegaal verblijf niet onverenigbaar met het Unierecht is. De rechtbank stelt in aanvulling hierop vast dat eiseres een zeer aanzienlijke periode illegaal in de Unie heeft verbleven. De rechtbank zal evenwel het beroep gegrond verklaren en motiveert dit als volgt.\n\n5. Eiseres heeft geen beroep tegen het terugkeerbesluit ingesteld. De rechtbank is bekend met de Afdelingsjurisprudentie over de omvang van het geding en dat de rechtbank daarom alleen de rechtmatigheid van het besluit waartegen beroep is ingesteld mag controleren. De rechtbank overweegt dat in deze specifieke procedure aanleiding bestaat om die jurisprudentie niet onverkort en niet strikt van toepassing te achten omdat het terugkeerbesluit de grondslag is voor het uitvaardigen van het inreisverbod en deze besluiten dus naar hun aard met elkaar verweven zijn. Ook zonder de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit ten gronde te beoordelen moet namelijk wel worden nagegaan of sprake is van een terugkeerbesluit dat ten grondslag kan liggen aan het in deze procedure te beoordelen inreisverbod.\n\n6. Verweerder is, zoals hiervoor overwogen, in beginsel verplicht om een terugkeerbesluit vast te stellen als sprake is van illegaal verblijf. Uit het dossier blijkt niet dat eiseres illegaal in Nederlandheeft verbleven. Eiseres is de Unie in 2023 via Spanje ingereisd en is (kennelijk) vanwege een tussenlanding op luchthaven Schiphol bij de uitreis op 13 januari 2026 bevraagd door de KMar. Eiseres heeft zich, gelet op deze feiten, enkel in de transitruimte bevonden en is nimmer toegelaten geweest tot Nederland. Ook in dat geval is verweerder gehouden om na te gaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 genoemde belangen en\u002Fof het beginsel van non-refoulement aan de vaststelling van een terugkeerbesluit en aan de uitvaardiging van een inreisverbod in de weg staan. Het formulier dat is genaamd ‘Gehoor terugkeerbesluit’ volstaat niet om dit onderzoek te verrichten. Op het formulier dat in het dossier is gevoegd, is vermeld ‘voornemenprocedure Spaans’, maar dit voornemen heeft betrekking op het voornemen om een inreisverbod uit te vaardigen. Er wordt immers niet eerst een voornemen uitgebracht alvorens een ‘kaal terugkeerbesluit’ vast te stellen. Er is geen Spaanstalig document getiteld ‘gehoor terugkeerbesluit’ in het dossier gevoegd en in de stukken is niet vermeld dat eiseres is gehoord met behulp van een tolk in de Spaanse taal of een andere taal die zij voldoende beheerst. Tevens is weliswaar vermeld dat het terugkeerbesluit en het voornemen tot opleggen van een inreisverbod aan eiseres zijn uitgereikt, maar ook bij de dagtekening en ondertekening van de uitreiking is niet vermeld dat de uitreiking is geschied met tussenkomst van een tolk of in een taal die eiseres in voldoende mate beheerst. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat eiseres heeft begrepen wat er in dat formulier staat.\n\n7. In het document dat is getiteld ‘gehoor terugkeerbesluit’ is voorts enkel toegelicht dat een terugkeerbesluit het opleggen van een terugkeerverplichting behelst. Niet is vermeld dat een terugkeerbesluit de grondslag kan vormen voor een inreisverbod en dat het overschrijden van de visumvrije termijn dergelijke gevolgen heeft. De vragen waar eiseres ‘ja’ of ‘nee’ op kan antwoorden volstaan ook niet om als een dergelijke toelichting te kunnen worden beschouwd.\n\n8. De rechtbank stelt vast dat een informatiefolder over een terugkeerbesluit ontbreekt. Eiseres is niet daadwerkelijk gehoord over het uit te vaardigen inreisverbod, maar heeft bij uitreis een voornemen ontvangen met een folder en de mededeling dat zij een zienswijze kan geven als ze is teruggekeerd. Uit het aankruisen van de standaardvragen in het formulier ‘gehoor terugkeerbesluit’ kan geen andere conclusie volgen dan dat eiseres niet heeft begrepen wat een terugkeerbesluit is. Aan eiseres had dit moeten worden uitgelegd zodat zij ook haar zienswijze daarop had kunnen geven. Eiseres had moeten worden uitgelegd dat het terugkeerbesluit weliswaar door haar vertrek uit de Unie wordt uitgevoerd, maar dat dit terugkeerbesluit tevens een vereiste is om een inreisverbod uit te kunnen vaardigen. Indien eiseres dit zou hebben doorgrond, had zij met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op de vierde vraag ‘Zijn er voor u overige nog andere redenen en\u002Fof bijzondere omstandigheden waarom zou moeten worden afgezien van het opleggen van een terugkeerbesluit?’ bevestigend geantwoord. De omstandigheden die zij in beroep heeft aangevoerd tegen het inreisverbod zijn namelijk ook relevant voor de beoordeling of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. Dat eiseres is opgekomen tegen het inreisverbod, betekent niet dat zij heeft begrepen wat de vaststelling van een terugkeerbesluit betekent, wat de rechtsgevolgen hiervan zijn, dat zij hier zelfstandig argumenten tegen kan aandragen en dat zij het recht had om beroep in te stellen tegen het terugkeerbesluit en daartoe, volgens vaste Afdelingsjurisprudentie, ook gehouden zou zijn om een rechtmatigheidscontrole van het terugkeerbesluit door de rechtbank te verkrijgen.\n\n9. Verweerder heeft door op deze wijze, zonder uitleg te verschaffen en zonder eiseres te bevragen over de in artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 genoemde belangen en\u002Fof het beginsel van non-refoulement, en zonder in het terugkeerbesluit hier op in te gaan niet alleen een terugkeerbesluit vastgesteld dat de rechtbank zou vernietigen als eiseres daartegen beroep zou hebben ingesteld. Verweerder heeft door aldus te handelen ook het inreisverbod onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Het zorgvuldig voorbereiden van een inreisverbod is mééromvattend dan aan eiseres bij haar uitreis zonder deugdelijke uitleg een terugkeerbesluit mee te geven en na een schriftelijk gehoor met een beperkt aantal standaardvragen een voornemen tot een zienswijze mee te geven en af te wachten of er een zienswijze komt. Eiseres heeft dit als zodanig niet aangevoerd, maar artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 bevat verplichtingen voor verweerder en voor de rechtbank, die de rechtbank nopen om ook zo nodig ambtshalve na te gaan of sprake is van beletselen om een terugkeerbesluit en\u002Fof inreisverbod op te leggen. De rechtbank realiseert zich dat de Afdeling, anders dan bij bewaring, geen bevoegdheid tot het verrichten van een ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van een terugkeerbesluit aanneemt, maar de rechtbank kan zich hier niet in vinden. Weliswaar is elke maatregel van bewaring een zeer ernstige inbreuk op het recht op vrijheid en is dit meermalen uitdrukkelijk benoemd door het Hof. Het vaststellen van een terugkeerbesluit en daarmee het opleggen van een terugkeerverplichting kan echter ook gevolgen hebben voor grondrechten die door het Handvest worden gegarandeerd. De rechtbank beoordeelt in de onderhavige procedure overigens niet de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit dat reeds is uitgevoerd, maar beoordeelt of ‘er een terugkeerbesluit is dat als grondslag kan dienen van het inreisverbod’ en doet dat ambtshalve omdat eiseres het grondrecht op een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 47 van het Handvest heeft.\n\n10. In het document ‘gehoor terugkeerbesluit’ is voorts het navolgende vermeld:\n\n(…)\n\nIndien u één van de bovenstaande vragen met “JA” heeft beantwoord kunt u nader worden gehoord tenzij u nadrukkelijk aangeeft daar geen belang aan te hechten. De tijdsduur van het gehoor bedraagt ongeveer 30 minuten. Mocht u hierdoor uw terugvlucht missen, dan komt dit voor eigen rekening en risico.\n\n(…)\n\n11. Daargelaten dat het terugkeerbesluit zodanig onzorgvuldig tot stand is gekomen dat dit niet als grondslag van het inreisverbod kan dienen, overweegt de rechtbank dat deze standaard-mededeling op het document ‘gehoor terugkeerbesluit’ onzorgvuldig is. De autoriteiten kiezen ervoor om derdelanders zoals eiseres, die nimmer in Nederland heeft verbleven, bij haar uitreis als het ware op de vliegtuigtrappen een terugkeerbesluit op te leggen in de wetenschap dat dit uitsluitend geschiedt om een inreisverbod uit te kunnen vaardigen. Het is namelijk weinig zinvol om een terugkeerbesluit op te leggen aan een derdelander die de Unie verlaat en daardoor reeds aan zijn terugkeerverplichting voldoet nog voordat dat de inkt van het terugkeerbesluit is opgedroogd. Dit betekent dat verweerder zorgvuldig moet handelen en de vreemdeling daadwerkelijk moet horen en uitleg moet geven over de gevolgen van het vaststellen van het terugkeerbesluit en dan ook daadwerkelijk de gelegenheid moet bieden om zijn zienswijze naar voren te brengen. Door derdelanders op deze wijze bij de uitreis te controleren en nog een terugkeerbesluit in de hand te drukken met de mededeling dat een nader gehoor wel kan plaatsvinden, maar de kans groot is dat de vlucht dan wordt gemist, veronachtzaamt verweerder zijn verplichtingen en geeft hij zich onvoldoende rekenschap van de belangen van, in dit geval, eiseres. Dat deze werkwijze onzorgvuldig is, geldt temeer nu verweerder het uitvaardigen van een inreisverbod als sanctie voor illegaal verblijf beschouwt. Het opleggen van een sanctie vereist zorgvuldig handelen van de autoriteiten.\n\n12. Verweerder heeft onvoldoende invulling gegeven aan zijn verplichtingen die volgen uit artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 en daardoor het inreisverbod onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank overweegt dat een verdere beoordeling van de inhoudelijke argumenten niet nodig is omdat reeds gelet op het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat het inreisverbod moet worden vernietigd. Dit betekent ook dat verweerder het inreisverbod uit het SIS moet verwijderen. Verweerder weet dat eiseres op 13 januari 2026 vanuit luchthaven Schiphol de Unie heeft verlaten en dat het terugkeerbesluit dus is geëffectueerd. Voor zover verweerder dit nog niet uit eigen beweging heeft gedaan, zal verweerder alsnog het terugkeerbesluit ook uit het SIS moeten verwijderen. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat de rechtbank het terugkeerbesluit niet vernietigt omdat eiseres, hoewel dat gelet op de werkwijze van verweerder bij de uitreiscontrole nauwelijks verwijtbaar te noemen is, geen beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit. De rechtbank overweegt tevens dat indien het inreisverbod wel zorgvuldig zou zijn voorbereid en de rechtbank de gronden inhoudelijk zou moeten beoordelen, de rechtbank wellicht tot de conclusie zou zijn gekomen dat het beroep ongegrond zou moeten worden verklaard. Verweerder heeft namelijk terecht aangevoerd dat een aantal stellingen van eiseres niet is onderbouwd en dat uit de beroepsgronden niet blijkt dat het familieleven niet buiten de Unie kan worden uitgeoefend totdat het inreisverbod zou zijn uitgewerkt. Verweerder heeft eiseres ook terecht gewezen op de omstandigheid dat de Zweedse autoriteiten zich tot verweerder kunnen wenden indien uitsluitend het door verweerder uitgevaardigde inreisverbod aan de verlening van een verblijfsvergunning in de weg staat.\n\n13. Het beroep is gelet op al het voorgaande gegrond. Van proceskosten die wegens verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. De rechtbank spreekt daarom geen proceskostenvergoeding uit.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het op 16 februari 2026 uitgevaardigde inreisverbod;\n\n- bepaalt dat verweerder het op 16 februari 2026 uitgevaardigde inreisverbod uit het SIS verwijdert.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18516","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:26.996Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"672","ECLI:NL:RBDHA:2026:18539","ecli-nl-rbdha-2026-18539",56,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 24\u002F11456 V-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser]\n\ngeboren op [geboortedag] 1961, van Mauritiaanse nationaliteit, eiser.\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de bestreden besluiten van 20 mei 2024 en 11 juni 2024. Met deze besluiten heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod zijn terecht uitgevaardigd. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. In het besluit van 20 mei 2024 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken uitgevaardigd.Eiser moet terugkeren naar Mauritius. Op 11 juni 2024 heeft verweerder een inreisverbod aan eiser uitgevaardigd met een duur van twee jaar.Het beroep van eiser is gericht tegen beide besluiten.\n\n2.1.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op een zitting behandeld. Hierbij waren eiser (via digitale verbinding) en de gemachtigde van verweerder aanwezig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt de uitvaardiging van het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Verweerder heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat tijdens de uitreiscontrole op Schiphol is gebleken dat eiser de maximale termijn die hij in de Schengenzone mocht verblijven met 179 dagen had overschreden.Eiser heeft een termijn van vier weken gekregen om het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland te verlaten. Daarnaast is middels de voornemenprocedureaan eiser een inreisverbod met een duur van twee jaar opgelegd.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat tijdens de uitreiscontrole ten onrechte is vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf (meer) zou hebben in de Schengenzone. Eiser verbleef namelijk in Polen en was in Polen in afwachting van een besluit op zijn aanvraag om een verblijfvergunning. Dit brengt volgens eiser met zich mee dat hij (procedureel) rechtmatig verblijf had in Polen en in de Schengenzone en dus niet illegaal op het grondgebied van Nederland verbleef.\n\n5.1.. De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijneen terugkeerbesluit moet nemen als het illegaal verblijf van een vreemdeling is vastgesteld. Verweerder kan echter op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn geen terugkeerbesluit nemen als de betreffende vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf. Indien de vreemdeling stelt dat hij of zij in het bezit is van een verblijfsvergunning afgegeven door een andere lidstaat of een andere toestemming van verblijf, dan is het aan de vreemdeling om dat aan te tonen.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft geen enkel document overgelegd waaruit blijkt dat hij in het bezit is van een door de Poolse autoriteiten afgegeven geldige verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Uit de door eiser meegestuurde stukken volgt enkel dat hij een aanvraag heeft gedaan in Polen en dat het mogelijk was om zich in te schrijven met zijn bedrijf in Polen. Uit de stukken die eiser in beroep heeft ingediend, blijkt dat in de Poolse regelgeving staat, dat als er een verblijfsaanvraag is gedaan en gedurende de aanvraag iemand in Polen mag blijven, er een stempel in het reisdocument wordt aangebracht. Op Schiphol is deze stempel niet aangetroffen in het paspoort van eiser en dit wordt door eiser ook erkend in zijn beroepschrift. Indien eiser met de inschrijving van zijn bedrijf heeft willen zeggen dat zijn verblijf gedoogd werd in Polen in afwachting van een besluit op zijn aanvraag, volgt uit het Terugkeerhandboekdat een gedoogsituatie geen wettelijk verblijfsrecht is. Eiser heeft ook geen ander document overgelegd dat kwalificeert als ‘een verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf’. Dit is aan eiser om aan te tonen. Concluderend is niet gebleken dat eiser rechtmatig verblijf had in Polen.\n\n5.3.. Gelet op het voorgaande was eiser tijdens de uitreiscontrole onrechtmatig op het grondgebied van Nederland. Voor zover eiser op de zitting heeft betwist zich op Nederlands grondgebied te hebben begeven tijdens zijn transit op Schiphol, slaagt deze grond niet. Ook bij het enkel overstappen op Schiphol en het niet verlaten van het vliegveld, geldt dit gebied als Nederlands grondgebied.Hiervoor dient een reiziger, indien nodig, een doorreisvisum (ook wel airport transit visum) aan te vragen.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n6. Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Eiser reisde samen met zijn vrouw en in haar geval is uiteindelijk afgezien van het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Volgens eiser bevonden zij zich in exact dezelfde situatie en maakten zij dezelfde reisbewegingen.\n\n6.1.. Deze grond slaagt niet. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat bij de echtgenote van eiser het gehoor een verkeerde aanloop had en het voornemen niet aan haar is uitgereikt. Bij de echtgenote is dus niet op inhoudelijke gronden afgezien van het opleggen van de besluiten, maar omdat procedurele waarborgen niet in acht waren genomen. Om die reden is er geen sprake van gelijke gevallen.\n\nProcedurele waarborgen\n\n7. Eiser heeft naar voren gebracht dat ook bij hem procedurele waarborgen niet in acht zijn genomen. Eiser stelt in dat kader allereerst dat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Ten aanzien van het terugkeerbesluit staat niet ter discussie dat het formulier van het gehoor terugkeerbesluit aan eiser is uitgereikt. Dit formulier zit ook ingevuld in het dossier en betreft het gehoor. Hierop staat omcirkeld dat eiser heeft aangegeven niet nader te willen worden gehoord en dit formulier is opgesteld door een ambtenaar. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van dit formulier. Voor zover eiser zich onder druk gezet voelde vanwege de tijdsdruk die speelde, is dat onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de hoorplicht is geschonden. Relevant is dat eiser in staat moet worden gesteld om zijn standpunt kenbaar te maken en dat is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebeurd.\n\n8. Ten aanzien van het inreisverbod constateert de rechtbank dat dit is uitgevaardigd volgens de voornemenprocedure die is vastgelegd in paragraaf A4\u002F2.4.3 van de Vc. Deze procedure wordt gevolgd wanneer de vreemdeling bij het volgen van de normale procedure zijn vlucht niet zou halen. In overeenstemming met de voornemenprocedure is aan eiser in persoon op de luchthaven het voornemen tot het uitvaardigen van een inreisverbod uitgereikt. Eiser heeft hierna 28 dagen de tijd gekregen om vanuit het buitenland een zienswijze op het voornemen in te dienen en heeft ook van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De Afdeling heeft op 19 januari 2021geoordeeld dat de voornemenprocedure is toegestaan. Verweerder heeft eiser dus voldoende zorgvuldig gehoord in het kader van het inreisverbod.\n\n9. Verder heeft eiser naar voren gebracht dat hij het terugkeerbesluit niet in het Engels heeft ontvangen. De rechtbank constateert in dat kader dat op het terugkeerbesluit een QR-code is opgenomen onder het kopje “nadere informatie” met bijschrift “You have received a return decision. Read our leaflet with an explanation of the return decision on ind.nl\u002Ffolder-terugkeerbesluit. Or scan the QR code.” Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende duidelijk waar eiser een Engelse vertaling van het terugkeerbesluit kon vinden. Verder staat in het voornemen inreisverbod vermeld dat het terugkeerbesluit en het voornemen inreisverbod in het Engels zijn uitgereikt. Daarnaast heeft eiser in zijn nadere gronden van beroep in zijn overzicht zelf aangegeven van deze twee documenten een vertaling te hebben ontvangen. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling dat deze documenten niet in het Engels aan eiser zijn uitgereikt.\n\n10. Tot slot heeft eiser op de zitting naar voren gebracht dat hij een vrije termijn had moeten krijgen om te vertrekken en dat in het besluit een onjuiste nationaliteit staat vermeld. Deze gronden volgt de rechtbank niet. Eiser heeft een vrije termijn van 28 dagen gekregen en vermeld staat dat eiser uit Mauritius komt.\n\nEvenredigheid\n\n11. Eiser voert aan dat de besluiten niet evenredig zijn gelet op de grote gevolgen die deze voor hem hebben gehad. Eiser was naar eigen zeggen in Polen in afwachting van een verblijfsvergunning, woonde in Polen en had daar een bedrijf. Dat aan hem twee jaar lang de toegang tot het gehele Schengengebied is ontzegd, heeft zeer zware persoonlijke gevolgen voor hem gehad omdat hij niet terug kon naar Polen om zijn bedrijf te runnen en zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning daar verder af te maken.\n\n11.1. Naar het oordeel van de rechtbank is er in het geval van eiser niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de opgelegde besluiten onevenredig zijn. Eiser heeft, zoals hierboven overwogen, niet aangetoond rechtmatig verblijf te hebben in Polen. Er zijn ook geen andere relevante bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd en onderbouwd. Dat eiser niet meer de Schengenzone in kon reizen is inherent aan het inreisverbod en een bedoeld gevolg van het besluit.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Egmond, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE\n\nToepasselijk nationaal recht\n\nVreemdelingenwet (Vw)\n\nArtikel 62\n\nNadat tegen de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.\n\nOnze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:\n\neen risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken;\n\nde aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of\n\nde vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.\n\n[…]\n\nArtikel 62a\n\n1. Onze Minister stelt de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij:\n\nreeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan,\n\nde vreemdeling in bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, of\n\nde vreemdeling door een andere lidstaat van de Europese Unie wordt teruggenomen op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling.\n\n[…]\n\nArtikel 66a\n\n[…]\n\n2. Onze Minister kan een inreisverbod uitvaardigen tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten.\n\n[…]\n\nVreemdelingencirculaire (Vc)\n\nA3\u002F1.1.3 Bevoegdheid nemen terugkeerbesluit\n\n[…]\n\nDe IND, KMar, AVIM of Zeehavenpolitie neemt geen terugkeerbesluit als:\n\ner eerder een rechtsgeldig terugkeerbesluit is gegeven terwijl de vreemdeling nog niet heeft voldaan aan zijn vertrekverplichting die is opgenomen in het terugkeerbesluit;\n\nde IND de aanvraag heeft afgewezen, maar er nog een andere aanvraag in Nederland loopt die procedureel rechtmatig verblijf geeft, waarop nog niet in eerste aanleg is beslist;\n\nde vreemdeling een alleenstaande minderjarige vreemdeling is en zolang niet is vastgesteld dat er adequate opvang aanwezig is in het land van terugkeer (zie paragraaf A3\u002F6.1 en B8\u002F6.1 Vc) (artikel 5 Terugkeerrichtlijn: belang van het kind);\n\ner is vastgesteld dat familie-, gezins- of privéleven in de zin van artikel 8 EVRM zich verzet tegen het nemen van een terugkeerbesluit;\n\nr is vastgesteld dat de vreemdeling in het land van terugkeer een risico loopt op vervolging, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a Vw of een reëel risico loopt op ernstige schade (artikel 3 EVRM), zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid onder b, Vw;\n\ner is vastgesteld dat er sprake is van een risico op schending van artikel 3 EVRM als gevolg van de gezondheidstoestand van de vreemdeling bij uitzetting naar het land van terugkeer; (artikel 5 Terugkeerrichtlijn)\n\nals een overdrachtsbesluit ingevolge de Externe link:Dublinverordening (EU) 604\u002F2013 is genomen; of\n\nde vreemdeling valt onder het toepassingsbereik van Externe link:Richtlijn 2004\u002F38 (burger van de Europese Unie of familielid van de burger van de Europese Unie).\n\nA4\u002F2.2 Geen inreisverbod\n\nDe IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt geen inreisverbod uit als:\n\nde IND een ander land dat partij is bij Externe link:Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 heeft verzocht de vreemdeling op grond van deze verordening terug te nemen of over te nemen;\n\nde vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning, verleend door een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland, tenzij de vreemdeling in aanmerking komt voor een zwaar inreisverbod;\n\nhet uitvaardigen van een inreisverbod aan de vreemdeling een schending van artikel 8 EVRM betekent.\n\n[…]\n\nA4\u002F2.4.3 Opleggen inreisverbod met voornemenprocedure aan de grensdoorlaatpost\n\n[…]\n\nAlgemeen\n\nAls het niet meer mogelijk is om voor het vertrek van de vreemdeling een inreisverbod uit te vaardigen, dan geldt in afwijking van A4\u002F2.4.1 het volgende:\n\nWanneer de ambtenaar belast met de grensbewaking van oordeel is dat er gronden zijn voor het uitvaardigen van een inreisverbod, dan moet deze ambtenaar een voornemenprocedure starten.\n\nVoorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit geeft deze ambtenaar uitvoering aan de hoorplicht, zoals bedoeld in artikel 4:8 Awb. De vreemdeling wordt erop gewezen dat een inreisverbod kan worden opgelegd, ook als de vreemdeling aan de vertrekverplichting gaat voldoen.\n\nDe ambtenaar belast met de grensbewaking biedt de vreemdeling in het kader van het voornemen de gelegenheid zijn adresgegevens in het buitenland kenbaar te maken.\n\nDe ambtenaar belast met de grensbewaking maakt in het voornemen kenbaar:\n\nde grondslag voor het opleggen van een inreisverbod;\n\nde duur van het inreisverbod; en\n\nde mogelijkheid dat de vreemdeling een schriftelijke zienswijze in de Nederlandse taal naar voren kan brengen tegen het opleggen van een inreisverbod en de voorgenomen duur binnen vier weken na uitreiking van het voornemen.\n\nUitreiken van het voornemen\n\nDe ambtenaar belast met de grensbewaking handelt bij de uitreiking van het voornemen als volgt:\n\nhij reikt het voornemen aan de vreemdeling in persoon uit;\n\nhij verstrekt een brochure in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal met betrekking tot het uitvaardigen van een inreisverbod; en\n\nhij verstrekt informatie op welke wijze de vreemdeling zijn zienswijze naar voren kan brengen.\n\nDe zienswijze, de beschikking en de wijze van bekendmaken\n\nDe hulpofficier van justitie of de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van de Koninklijke Marechaussee die daartoe is aangewezen door de Commandant der Koninklijke Marechaussee betrekt alle feiten en omstandigheden die de vreemdeling in de zienswijze naar voren brengt.\n\nDe hulpofficier van justitie of de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van de Koninklijke Marechaussee die daartoe is aangewezen door de Commandant der Koninklijke Marechaussee besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod binnen acht weken nadat de termijn van vier weken voor het naar voren brengen van een zienswijze is verstreken. De beschikking wordt naar het door de vreemdeling opgegeven (e-mail)adres in het buitenland gezonden en van de inhoud wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Als geen geldig (e-mail)adres van de vreemdeling in het buitenland bekend is, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Staatscourant. Als een gemachtigde bekend is, wordt tevens een kopie van het besluit naar de gemachtigde gezonden op dezelfde dag als die waarop het besluit naar het door de vreemdeling opgegeven (e-mail)adres is gezonden.\n\n[…]\n\n Op grond van artikel 62a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw.\n\n Zie artikel 12 van de Vw en artikel 3.3 van het Vreemdelingenbesluit (Vb).\n\n Zie paragraaf A4\u002F2.4.3, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).\n\n Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075.\n\n Terugkeerhandboek van Aanbeveling (EU) 2017\u002F2338 van de Commissie van 16 november 2017 tot vaststelling van een gemeenschappelijk „terugkeerhandboek” voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2026, ECLI:NL:RVS:2022:1256.\n\n Zie ECLI:NL:RVS:2021:89.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18539","2026-07-13T00:28:42.410Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":65,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":50,"updatedAt":68},"2017","ECLI:NL:RBDHA:2026:18168","ecli-nl-rbdha-2026-18168","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.31751\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [verzoeker] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999, van Indiase nationaliteit, verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. J. van Putten),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) afgewezen.\n\nVerzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat ertoe strekt hem toe te staan tijdens de bezwaarprocedure te mogen blijven werken voor zijn werkgever.\n\nDe voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n2. De minister heeft bij brief van 30 juni 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van hetgeen is verzocht.\n\n3. Nu de minister zich niet verzet tegen de gevraagde voorlopige voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.\n\n4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;\n\n- bepaalt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure tegen het bestreden besluit mag blijven werken voor zijn werkgever;\n\n- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18168","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:50.018Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":43,"courtId":73,"decisionDate":74,"fullText":75,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":77},"702","ECLI:NL:RBDHA:2026:18482","ecli-nl-rbdha-2026-18482",62,"2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB25\u002F9223\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.H.P.M. Kelderman).\n\nInleiding\n\nIn het besluit van 19 november 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft op 12 mei 2026 aanvullende stukken overgelegd aangaande zijn werkzaamheden en inkomsten.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten en standpunten\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1989 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft op 23 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning in het kader van arbeid als zelfstandige. Eiser wenst verblijf in Nederland als zelfstandig ondernemer, namelijk als eigenaar van [eenmanszaak] , waarbij hij zich richt op het knippen en stylen van haar. Eiser heeft in Spanje de status van langdurig ingezetene als bedoeld in de Richtlijn langdurig ingezetenen.\n\n2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij aan de geldende voorwaardenvoor de gevraagde verblijfsvergunning voldoet. Eiser heeft niet aangetoond dat hij uit zijn werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. Er is geen bewijs van de start van de activiteiten als kapper, het ondernemingsplan is summier, er is niet aangetoond onder welke voorwaarden de kapsalon wordt uitgeoefend noch is aangetoond dat de middelen van bestaan uit deze werkzaamheden duurzaam zijn door middel van overeenkomsten die niet zomaar kunnen worden opgezegd.\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser heeft met documenten aangetoond dat sprake is van een economische activiteit sinds 1 november 2024. Verweerder heeft onvoldoende acht geslagen op de door eiser ingebrachte documenten, zodat de besluitvorming onzorgvuldig is. Bovendien heeft verweerder ten onrechte en zonder te verzoeken om een nadere toelichting of aanvullende stukken, overwogen dat bewijs van de zelfstandige en duurzame economische activiteiten ontbreekt. Eiser kan met de werkzaamheden die hij als kapper hier te lande verricht zelfstandig en duurzaam in zijn levensonderhoud voorzien. Bovendien had verweerder eiser moeten horen op zijn bezwaren.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nArbeid als zelfstandige\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Eiser heeft niet aangetoond dat hij uit zijn werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. Verweerder heeft hierbij terecht betrokken dat eiser bij de aanvraag en in de bezwaarfase geen enkel stuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij inmiddels daadwerkelijk dienovereenkomstig ondernemingsactiviteiten verricht. Zo ontbreken aangiftes omzetbelasting, facturen of kassabonnen, bewijzen van inkoop van materialen en enig ander bewijs dat inmiddels uitvoering wordt gegeven aan de overeenkomst van 5 oktober 2024 met [kapsalon] , waar eiser een stoel huurt. Bovendien is het wel ingebrachte ondernemingsplan uiterst summier en kan hieruit niet worden afgeleid dat de onderneming levensvatbaar is. Het financiële gedeelte van het plan, onder meer bestaande uit een summiere exploitatiebegroting en verwachting van bedrijfsresultaten, is niet nader onderbouwd zodat daar niet de waarde aan kan worden toegekend die eiser daaraan toekent. Uit het ondernemingsplan valt derhalve evenmin op te maken dat eiser als zelfstandige duurzaam, voldoende middelen van bestaan zal gaan genereren.\n\n5. Aan een beoordeling van de door eiser bij schrijven van 12 mei 2026 overgelegde documenten komt de rechtbank niet toe, gelet op de ex-tunc toets in beroep. Deze documenten dateren van na het bestreden besluit van 11 april 2025 en vallen daarmee buiten de periode die de rechtbank bij haar beoordeling betrekt.\n\n6. Verweerder is in het bestreden besluit op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiser ook in bezwaar niet heeft aangetoond dat hij als zelfstandige duurzaam en voldoende middelen van bestaan zal verwerven en daardoor niet aan de gestelde voorwaarden van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ voldoet. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook mogen afwijzen.\n\nHoorplicht\n\n7. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. Verweerder mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiser is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft verweerder kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Ook heeft de gemachtigde van eiser in bezwaar niet verduidelijkt wat eiser bij een eventueel nader gehoor nog had willen toelichten. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n9. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 18 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe rechter is verhinderddeze uitspraak te ondertekenen.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.\n\n Zie artikel 15, vierde lid, van de Richtlijn langdurig ingezetenen in samenhang met artikel 3.30, eerste lid, onder b, en vijfde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B6\u002F4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).\n\n Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18482","2026-07-13T00:28:43.898Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":82,"fullText":83,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":85},"821","ECLI:NL:RBDHA:2026:18575","ecli-nl-rbdha-2026-18575","2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.17277\n\nV-nummer: [v-nummer]uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedag] 1988, van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker,\n\n(gemachtigde: mr. A.M. van Eik)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. W.J. Poot).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit), waarbij verzoekers bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ongegrond is verklaard en waarbij aan hem een terugkeerbesluit en een inreisverbod is uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n1.1.. Verweerder heeft per brief van 10 april 2026 laten weten zich te verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n2.1.. \n\nAls gevolg van de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van\n\n14 februari 2025eindigt de opschortende werking van het bezwaar op 21 april 2026. Vanaf dat moment heeft verzoeker geen rechtmatig verblijf meer in Nederland. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang daarmee gegeven.\n\n3. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van verzoeker, geregistreerd onder zaaknummer NL26.17275, bij beslissing van 13 april 2026 gelet op de complexiteit en het principiële karakter van de zaak verwezen naar een zitting van de meervoudige kamer. Gelet hierop, kan aan het beroep in deze zaak een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd.\n\n4. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat de belangen van verzoeker bij het afwachten van de beroepsprocedure in Nederland zwaarder wegen dan de belangen van verweerder. Verzoeker is inmiddels 37 jaar oud en in Nederland geboren en getogen. Zonder rechtmatig verblijf kan hij zijn werk en stage niet voortzetten. Ook worden zijn Wajong-uitkering, zorgverzekering en zorgtoeslag beëindigd. Daarnaast dreigt uitzetting naar Marokko, terwijl verzoeker hier een duurzame relatie heeft met zijn Nederlandse vrouw en zoontje met de Nederlandse nationaliteit. Zijn vrouw is voor specialistische behandeling vanwege de ziekte Multiple Sclerose aangewezen op zorg in Nederland. Verweerders belang dat verzoekers aanwezigheid in Nederland een gevaar zou vormen voor de openbare orde, aangezien verzoeker ernstige misdrijven heeft gepleegd in Nederland en België, weegt tegen het voorgaande niet op. De voorzieningenrechter kent hieraan minder gewicht toe, mede gelet op het tijdsverloop sinds de gepleegde misdrijven en het feit dat de intrekkingsprocedure al geruime tijd loopt, waarbij verweerder in de onderhavige procedure al in 2023 het voornemen heeft uitgebracht de vergunning in te trekken. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het laatste misdrijf waarvoor verzoeker is veroordeeld alweer dateert uit 2015 en dat verzoeker inmiddels bijna vijf jaar op vrije voeten is zonder nieuwe strafbare feiten te plegen. Ook in beroep heeft verzoeker aanknopingspunten naar voren gebracht die afbreuk kunnen doen aan de stelling dat hij een (actueel) gevaar vormt. Zo heeft verweerder ter onderbouwing van het vermeende gevaar vooral gewezen naar het arrest van het Hof van Beroep Antwerpen, d.d. [datum],waarin eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren, terwijl een individuele recidivebeoordeling ten aanzien van verzoeker daarin ontbreekt. Daarnaast heeft verzoeker in deze procedure herhaaldelijk benadrukt dat zijn gedrag dusdanig goed werd bevonden dat hij vervroegd in vrijheid kon worden gesteld. Nu het in deze procedure vooral ook gaat om de vraag of verzoeker een actuele bedreiging vormt, is de voorzieningenrechter, gezien voorgaande feiten en omstandigheden, van oordeel dat het belang van verweerder niet opweegt tegen het zwaarwegend belang van verzoeker om zijn beroepsprocedure in Nederland te kunnen afwachten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot vier weken nadat op het beroep is beslist. Dat houdt in dat verzoeker, tot vier weken nadat op het beroep is beslist, niet mag worden uitgezet en hij moet worden behandeld als ware hij nog in het bezit van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.\n\n6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van\n\n€ 200,- vergoedt.\n\n7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter,\n\n- wijst het verzoek toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst;\n\n- bepaalt dat tot vier weken nadat op het beroep geregistreerd onder zaaknummer: NL26.17275 is beslist, verzoeker niet mag worden uitgezet en hij gedurende deze periode moet worden behandeld als ware hij nog in het bezit van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 934,- te betalen aan verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.\n\n Zaaknummer: NL25.3524.\n\n Verzoeker heeft voorafgaand aan deze procedure ruim drie jaar een procedure inzake\n\nintrekking van zijn verblijfsvergunning doorlopen waarvan inmiddels in rechte vaststaat dat die intrekking onrechtmatig was.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18575","2026-07-13T00:28:49.736Z",20,[11,88],2025]