[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-immigration-detention-nl-2025":3},{"detail":4,"years":151},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":37,"page":14,"limit":150},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},45,"immigration-detention-nl","Immigration Detention","NL","2026-07-08T16:53:39.887Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":14},8,{"month":31,"count":14},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":21},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,60,70,80,89,98,107,116,126,134,142],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"499","ECLI:NL:RBDHA:2025:22099","ecli-nl-rbdha-2025-22099","",63,"2025-11-21T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.54840 en NL25.54841\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n\n [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. F. Boone), en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 14 oktober 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. De minister heeft deze maatregel van bewaring op 29 oktober 2025 opgeheven.\n\nBij besluit van 29 oktober 2025 (bestreden besluit 2) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vw opgelegd.\n\nEiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 17 november 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Cabir. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Bengaalse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.\n\n2. Omdat de maatregel van bewaring van 14 oktober 2025 (bestreden besluit 1) is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\nTolk\n\n3. Eiser voert aan dat tijdens het gehoor voor inbewaringstelling op 14 oktober 2025 geen gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk. In het gehoorverslag staat dat er geen beëdigd tolk beschikbaar zou zijn in de taal Bengali, maar die is er volgens eiser wel. Ook in het gehoor voor inbewaringstelling op 29 oktober 2025 is geen gebruik gemaakt van een beëdigd tolk. In beide gespreksverslagen is niet gemotiveerd waarom gebruik is gemaakt van een niet-beëdigd tolk.\n\n4. De rechtbank overweegt als volgt. In beide gehoren is gebruik gemaakt van dezelfde niet-beëdigde tolk, omdat er op dat moment geen beëdigd tolk in de taal Bengali beschikbaar was. De rechtbank ziet niet in dat eiser in zijn belangen is geschaad door het gebruik van een niet-beëdigd tolk. Volgens beide op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de gehoren heeft eiser verklaard de tolk steeds goed te verstaan en te begrijpen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBewaringsgronden\n\n5. In beide maatregelen van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond en bestaat dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van de asielprocedure respectievelijk het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden in beide besluiten – met uitzondering van de zware grond onder 3i, die staat enkel vermeld in bestreden besluit 2– vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\n3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden in beide besluiten vermeld dat eiser:\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;\n\n4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;\n\n4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.\n\n6. Eiser betwist de zware grond onder 3d en de lichte grond onder 4f. De rechtbank is echter van oordeel dat de niet betwiste zware gronden onder 3a, 3b, 3c en 3i en de lichte gronden onder 4a, 4b, 4c en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregelen van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken.\n\nLichter middel\n\n7. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring, zoals een vrijheidsbeperkende maatregel.\n\n8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de niet betwiste gronden en de motivering daarvan blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Daarnaast zijn in de afweging of een lichter middel kan worden toegepast, de verklaringen van eiser over zijn medische situatie betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nZicht op uitzetting\n\n9. Eiser stelt dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting naar Bangladesh. Hiertoe voert hij aan dat er momenteel geen laissez-passer(lp)-traject loopt en ook geen lp-traject kan worden opgestart met de informatie die op dit moment bekend is.\n\n10. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft ter zitting verklaard dat de Bengaalse autoriteiten een eerdere lp-aanvraag voor eiser hebben afgewezen op 15 juli 2024. De vertegenwoordiger van Bangladesh heeft toen geconstateerd dat de door eiser verstrekte (kopie)geboorteakte niet echt is. De minister heeft daarom in het vertrekgesprek van 13 november 2025 aangegeven dat eiser zelf dient te onderbouwen wie hij is en wat zijn nationaliteit is door bijvoorbeeld stukken op te vragen bij familieleden in Bangladesh of zich te wenden tot de autoriteiten van Bangladesh. Zoals volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 mag van eiser worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank acht niet gebleken dat eiser daartoe niet in staat is, ook al heeft hij Bangladesh geruime tijd geleden verlaten en stelt hij geen contact meer te hebben met zijn familie in Bangladesh. Daarom ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting naar Bangladesh is. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoortvarend handelen\n\n11. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Er is nog geen enkele informatie overgelegd over de voortgang van eisers zaak. Eiser stelt dat hierdoor sprake is van een gebrek.\n\n12. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Na de oplegging van de huidige maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) zijn op 31 oktober 2025 en 13 november 2025 met eiser vertrekgesprekken gevoerd. Op 31 oktober 2025 is aanvankelijk een lp-aanvraag aan de Directie Internationale Aangelegenheden verzonden, maar deze aanvraag is niet extern doorgezet als gevolg van de eerdere bevindingen van de Bengaalse autoriteiten en het gebrek aan andere documenten. De minister zal ten behoeve van de uitzetting regelmatig vertrekgesprekken met eiser blijven voeren. Deze handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te oordelen dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n1. Vergelijk ABRvS 22 februari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV3295) en ABRvS 23 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI3894).\n\nAmbtshalve toetsing\n\n13. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregelen van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig waren. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.\n\nConclusie\n\n14. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.\n\n15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nwijst de verzoeken om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n21 november 2025\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22099","2025-11-24T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:33.601Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":59},"501","ECLI:NL:RBDHA:2025:22097","ecli-nl-rbdha-2025-22097","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.52086\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Oukil),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 23 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe minister heeft op 29 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1968.\n\n2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\n3. Eiser heeft aangevoerd dat de staandehouding onrechtmatig was omdat hij ten tijde van de staandehouding rechtmatig in Nederland verbleef op grond van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 10 juli 2025, kenmerk AWB 25\u002F3308. Eiser mocht dus niet worden uitgezet. Daarbij komt nog dat het besluit van de minister van 23 oktober 2025 tot ongegrondverklaring van het bezwaar niet op de juiste wijze is bekendgemaakt: de gemachtigde van eiser in die zaak had ten tijde van het indienen van de gronden tegen de maatregel nog geen besluit ontvangen. Verder is onduidelijk waarom eiser is staande gehouden. Uit het proces-verbaal staandehouding\u002Foverbrenging\u002Foverdracht van 23 oktober 2025 blijkt niet dat het besluit van 23 oktober 2025 aan eiser is uitgereikt, althans welk besluit aan hem is uitgereikt en ook niet dat eiser is staande gehouden tijdens zijn meldplicht. Volgens eiser moeten alle relevante feiten en omstandigheden die tot de staandehouding hebben geleid, worden opgenomen in het proces-verbaal staandehouding.\n\n4. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal staandehouding\u002Foverbrenging\u002Foverdracht van 23 oktober 2025 blijkt dat eiser zich op die datum is staande gehouden in het politiebureau te Utrecht. In het formulier “HV-21 Formulier bijzonderheden zaak” van 23 oktober 2025 staat vermeld dat deze staandehouding plaatsvond bij de wekelijkse meldplicht van eiser. Uit het verslag van een met eiser op dezelfde datum gehouden vertrekgesprek blijkt duidelijk dat het besluit van 23 oktober 2025 aan eiser is uitgereikt en dat eiser voor de ontvangst van het besluit getekend heeft.\n\n5. De rechtbank overweegt dat noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie, volgt dat alle voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de staandehouding relevante feiten en omstandigheden moeten zijn opgenomen in het proces-verbaal van staandehouding. De minister kan hiervoor ook verwijzen naar andere in het dossier opgenomen stukken, zo lang de rechtbank uit het samenstel van de betreffende stukken voldoende informatie heeft om de gehele relevante context van feiten en omstandigheden die tot de staandehouding hebben geleid, te beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit hier het geval. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 23 oktober 2025 rechtsgeldig aan eiser is uitgereikt en bekendgemaakt en daardoor in werking is getreden conform de artikelen 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht. Vanaf dat moment was eiser niet meer rechtmatig in Nederland en mocht hij op grond van het bepaalde in artikel 50 van de Vw staande worden gehouden. Dat het besluit niet op de dag van staandehouding bekend was bij de gemachtigde van eiser in de reguliere verblijfsprocedure, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n6. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig waren, omdat eiser ten tijde van de inbewaringstelling niet verwijderbaar was. Hij verblijft bij zijn moeder in [plaats] en er is geen sprake van niet actief meewerken aan de uitzetting. Tot aan de staandehouding had eiser procedureel rechtmatig verblijf en was er geen sprake van een vertrekplicht, dus hoefde eiser daar ook niet aan mee te werken.\n\n7. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;\n\n3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:\n\n4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n8. Verweerder heeft ter zitting de gronden 4c en 4d ingetrokken.\n\n9. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is, zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, dat eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel niet rechtmatig in Nederland verbleef. De minister heef daarom de gronden 3c, 3h en 3i aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Omdat deze gronden voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen, behoeven de andere gronden geen bespreking meer. Dat bij de motivering van de gronden niet expliciet is verwezen naar het besluit van 23 oktober 2025 maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze gronden niet feitelijk juist zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n10. Eiser heeft vervolgens betoogd dat de minister had dienen te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Hij verbleef bij zijn moeder in [plaats] en is dus traceerbaar.\n\n11. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat eiser sinds 2017 onrechtmatig in Nederland was en sinds die tijd niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Hij heeft zich enkele malen niet gemeld en in 2023 is hij met onbekende bestemming vertrokken. Verder stelt hij af en toe in [plaats] te verblijven, maar noemt hij geen adres. Dit is door eiser niet bestreden. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n13. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat hij detentieongeschikt is. Hij heeft een tumor in zijn rug en hij heeft suikerziekte. Hij krijgt niet al zijn medicatie en heeft regelmatig epileptische aanvallen.\n\n14. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om aan te tonen dat hij detentieongeschikt is. Bij de gronden van het beroep is een medische verklaring op naam van eiser overgelegd uit 2016 en een patiëntenkaart met medische gegevens over de periode 2015-2024, waarop geen naam is vermeld, zodat niet duidelijk is of deze gegevens betrekking hebben op eiser. Nog afgezien daarvan is daaruit niet af te leiden dat er sprake is van detentieongeschiktheid. De rechtbank wijst nog op het formulier “HV-21 Formulier bijzonderheden zaak” van 23 oktober 2025, waarin – kort weergegeven - is vermeld dat eiser veel kwalen heeft en veel medicijnen gebruikt en dat daarom een arts gebeld is die eiser telefonisch heeft geconsulteerd en insluitwaardig heeft bevonden. Tijdens het ophoudingsgehoor heeft eiser verklaard dat hij epilepsie, longemfyseem en een goedaardige tumor in zijn rug heeft. Uit deze verklaring en uit hetgeen hij bij het gehoor tijdens de inbewaringstelling heeft verklaard hoefde de minister naar het oordeel van de rechtbank niet te concluderen dat eiser detentieongeschikt was. Indien eiser van menig is dat zijn klachten dusdanig verergeren of zijn verergerd dat er wel sprake zou kunnen zijn van detentieongeschiktheid, staat het hem vrij om zich te melden bij de medische dienst in het detentiecentrum. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n15. Uit het arrest Adrar (uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:2025:647) volgt dat de bewaringsrechter verplicht is om – zo nodig ambtshalve – na te gaan of het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen de verwijdering ven een vreemdeling.\n\n16. De rechtbank is van oordeel dat het dossier van eiser geen aanknopingspunten biedt voor het vermoeden dat met de uitvoering van het terugkeerbesluit afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie-en gezinsleven.\n\n17. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing voor het overige niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\n18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n21 november 2025\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22097","2026-07-13T00:28:33.668Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":43,"courtId":64,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":51,"updatedAt":69},"551","ECLI:NL:RBDHA:2025:21783","ecli-nl-rbdha-2025-21783",61,"2025-11-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.53331\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 30 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P. Celikkal, als waarnemer van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nBewaringsgronden\n\n1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n1.1.. Eiser betwist alle zware en lichte gronden.1.2.. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, volgt dat verweerder bij (onder andere) de zware gronden 3b en 3c kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Voor zware grond 3h geldt dat verweerder, in aanvulling op de feitelijke toelichting, nader moet toelichten waarom op basis van die grond moet worden aangenomen dat een risico op onttrekking bestaat.\n\n1.3.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Eiser heeft sinds het besluit van 17 december 2015, waarbij (onder meer) aan hem een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar is opgelegd, geen rechtmatig verblijf meer en eiser heeft zijn illegaal verblijf sindsdien niet (steeds) gemeld bij de korpschef. Hiermee heeft eiser zich (meermalen) enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3c zich feitelijk voordoet. Eiser heeft namelijk bij besluit van 17 december 2015 een terugkeerbesluit (zonder vertrektermijn) gekregen en heeft niet uit eigen beweging gevolg gegeven aan de daaruit voortvloeiende vertrekplicht. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3h zich feitelijk voordoet, aangezien aan eiser bij besluit van 17 december 2015 ook een zwaar inreisverbod is opgelegd. Ook heeft verweerder deugdelijk toegelicht dat op basis van die zware grond moet worden aangenomen dat er een risico op onttrekking bestaat. Verweerder leidt immers terecht een onttrekkingsrisico af uit de omstandigheid dat eiser al jarenlang een illegaal verblijf in Nederland onder de vigeur van een zwaar inreisverbod en daarmee het plegen van een misdrijf (artikel 197 Wetboek van Strafrecht) verkiest boven het terugkeren naar Marokko.\n\n1.4.. \n\nVerweerder heeft dus in ieder geval de zware gronden 3b, 3c en 3h aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Deze zware gronden zijn tezamen reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De betwiste lichte gronden behoeven daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichter middel\n\n2. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht.2.1.. \n\nGelet op de onder 1.4. genoemde dragende zware gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser zich (meermalen) aan het toezicht heeft onttrokken door zich niet (steeds) te melden bij de autoriteiten, niet heeft voldaan aan de uit het besluit van 17 december 2015 voortvloeiende verplichting om Nederland te verlaten en al jarenlang een (strafbaar) verblijf onder de vigeur van een zwaar inreisverbod in Nederland verkiest boven een terugkeer naar Marokko, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een fors risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De enkele stelling van eiser dat hij bereid is om zich aan een meldplicht te houden is in het licht van voormelde omstandigheden onvoldoende om te oordelen dat verweerder toch een lichter middel had moeten toepassen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nZicht op uitzetting\n\n3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Eiser heeft vaker in bewaring gezeten, maar een laissez-passer (lp) is nooit afgegeven. Er doen zich volgens eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden voor die aanleiding geven om aan te nemen dat een lp deze keer wel zal worden afgegeven.\n\n3.1.. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269), 8 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3033) en 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219).3.2.. Over het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt het volgende. Verweerder heeft op 14 april 2023 ten behoeve van eiser een lp-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Op 12 september 2023 hebben de Marokkaanse autoriteiten eisers nationaliteit en identiteit bevestigd. Er is toen ook een lp-toezegging gedaan door de Marokkaanse autoriteiten. Op 4 en 28 juni 2024 heeft de Marokkaanse consul contact opgenomen met verweerder en verzocht om nadere informatie over eiser (onder andere over de reden van intrekking van eisers Nederlandse nationaliteit en de reden van zijn detentie). Eiser heeft geweigerd de toestemmingsverklaring voor het delen van deze informatie met de Marokkaanse autoriteiten te ondertekenen. In de zomer van 2024 heeft eiser een telefoongesprek met de consul gevoerd. De informatie die eiser tijdens dat telefoongesprek heeft gegeven is doorgestuurd naar Rabat voor onderzoek. De vragen van de Marokkaanse autoriteiten over zijn detentie\u002Fstrafrechtelijke verleden zijn in dat telefoongesprek niet aan de orde gekomen\u002Fniet beantwoord. Tijdens het vertrekgesprek op 11 maart 2025 heeft de regievoerder aan eiser uitgelegd dat er een lp-toezegging ligt en dat, na het ondertekenen van de toestemmingsverklaring voor het delen van de gevraagde informatie, de Marokkaanse autoriteiten een lp voor hem zullen afgeven. Eiser heeft daarop laten weten dat hij nog steeds weigert het formulier te ondertekenen, omdat de Marokkaanse autoriteiten niet hoeven te weten wat hij in Nederland op zijn naam heeft staan. Tijdens het vertrekgesprek op 4 november 2025 heeft eiser volhard in zijn weigering om toestemming te geven voor het delen van informatie aan de Marokkaanse autoriteiten, omdat hij daar met een schone lei wil beginnen.\n\n3.3.. Uit het voorgaande volgt dat de lp-aanvraag nog in behandeling is bij de Marokkaanse autoriteiten, dat de Marokkaanse autoriteiten een lp-toezegging hebben gedaan en daarmee in beginsel bereidheid hebben getoond om aan eiser een lp te vertrekken ten behoeve van terugkeer naar Marokko, maar dat zij nog wel nadere informatie over\u002Fvan eiser willen ontvangen. De rechtbank wijst erop dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn terugkeer en lp-traject. Dit doet eiser niet (voldoende), nu hij tot op heden weigert toestemming te geven voor het delen van de gevraagde informatie met de Marokkaanse autoriteiten. De gevolgen hiervan, te weten: dat het lp-traject langer duurt, komen voor eisers rekening en risico.\n\n3.4.. Nu de Marokkaanse autoriteiten zich in beginsel bereid hebben getoond een lp af te geven, maar eiser de benodigde medewerking weigert, en nu eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk heeft gemaakt die erop wijzen dat de Marokkaanse autoriteiten ook bij zijn medewerking geen lp voor hem zullen afgeven, is de rechtbank, mede gelet op overweging 3.1, van oordeel dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko in eisers geval niet ontbreekt. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat verweerder ter zitting heeft toegelicht – en zulks blijkt ook uit de M120 – dat de zaak van eiser binnenkort zal worden opgeschaald om het lp-traject te versnellen.\n\n3.5.. \n\nGelet op het vorenstaande slaagt de beroepsgrond dat er voor eiser geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko bestaat, niet.\n\nSlotsom beroepsgronden\n\n4. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en\u002Fof het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008\u002F115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en\u002Fof om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers verwijdering.\n\nConclusie\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. B.C.M. Burger, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21783","2025-11-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:36.294Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":51,"updatedAt":79},"554","ECLI:NL:RBDHA:2025:24483","ecli-nl-rbdha-2025-24483",72,"2025-11-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.52052\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], V-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: [naam]).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 22 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe minister heeft op 30 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is overgedragen aan Duitsland.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\nInformatieplicht\n\n1. Eiser wijst er op dat de minister stelselmatig de informatieplicht als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schendt omdat hij er vaak niet in slaagt tijdig een volledig dossier aan te leveren. Deze werkwijze levert een schending van het beginsel van fair trial op. Eiser wijst ook op artikel 8.4 van het Procesreglement bestuursrecht (Procesreglement) waaruit volgt dat de op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig overgelegd dienen te worden. Ter zitting heeft eiser in het bijzonder gewezen op de piketmelding die pas op de dag van de behandeling van het beroep op zitting door de minister aan het digitale dossier is toegevoegd. Ook heeft hij er op gewezen dat het ‘standaardformulier melding overdracht’, waarmee de minister de overdracht van eiser aan de Duitse autoriteiten heeft medegedeeld, ten onrechte niet aan het dossier is toegevoegd.\n\n2. Voor zover het bericht van 28 oktober 2025 moet worden gezien als beroepsgrond ter zake van schending van de informatieplicht op grond van de artikelen 8:42 van de Awb, 94 van de Vw 2000 en 8.4 van het Procesreglement bestuursrecht slaagt deze niet. De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken op 24 oktober 2025 ingediend met uitzondering van de gedingstukken, die in het digitale dossier van de rechtbank zijn genummerd met 26 tot en met 37. De stukken 26, 27 en 28 zijn op 29 oktober 2025 om 17.00 uur ingediend, en betreffen het claimakkoord, het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser en het besluit tot verlengen van de overdrachtstermijn. Dat deze documenten een uur na het tijdstip, genoemd in het procesreglement, zijn ingediend acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat eiser door deze overschrijding in zijn processuele belangen is geschaad. De stukken 29 tot en met 37 zijn op 30 en 31 oktober 2025 ingediend en betreffen voor zover relevant de voortgangsrapportage, de opheffing van de maatregel van bewaring op 30 oktober 2025, en het verslag van het vertrekgesprek van 27 oktober 2025. Alleen ten aanzien van dat laatste verslag kan staande worden gehouden dat dit voor het tijdstip, bedoeld in het procesreglement had kunnen worden overgelegd. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft eisers gemachtigde desondanks een inhoudelijk standpunt over dit document ingenomen. Voorts was het tijdstip van indiening niet zo laat en het document niet zo omvangrijk dat eiser daardoor in zijn processuele belangen is geschaad. De piketmelding is inderdaad pas op 3 november 2025 aan het dossier toegevoegd, maar ook daardoor eis eiser niet in zijn processuele belangen geschaad. Eisers gemachtigde heeft de piketmelding blijkens dat gedingstuk immers op 22 oktober 2025 om 18.09 uur aanvaard. Hoewel eiser er terecht op heeft gewezen dat de minister het ‘standaardformulier melding overdracht’ niet aan het digitale dossier heeft toegevoegd, kan uit het voortgangsrapport worden opgemaakt dat eisers gemachtigde op 27 oktober 2025 op de hoogte is gesteld van de overdrachtsgegevens en heeft de minister ter zitting toegelicht dat op dezelfde dag de overdracht aan de Duitse autoriteiten is aangekondigd. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt op dit punt dus geen relevante informatie in het dossier.\n\nOmvang van het geding\n\n3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\nDe gronden van de maatregel van bewaring\n\n4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zou onderduiken. De minister heeft als zwaregronden vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij\u002Fzij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\nen als lichtegronden vermeld dat eiser:\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n4.1.. Eiser heeft de feitelijke juistheid van de gronden niet bestreden, en evenmin betwist dat deze gronden de maatregel kunnen dragen. De rechtbank ziet ambtshalve geen grond voor een ander oordeel.\n\nVoortvarendheid\n\n5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat hij daardoor twee dagen langer dan nodig in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht. Uit het claimakkoord volgt dat de Duitse autoriteiten wensen dat een Dublinoverdracht drie werkdagen van tevoren wordt aangekondigd. De Nederlandse autoriteiten hadden de overdracht volgens eiser op de dag van de inbewaringstelling, 22 oktober 2025, gelijk bij de Duitse autoriteiten aan kunnen kondigen, waardoor de grensoverdracht drie werkdagen later op 27 of anders 28 oktober 2025 had kunnen plaatsvinden. Eiser wijst er verder op dat het tweede vertrekgesprek op 27 oktober 2025 zinloos is geweest. De overdracht had ook onmiddellijk na het eerste vertrekgesprek ingepland kunnen worden, en dan had eiser twee dagen eerder kunnen worden overgedragen aan Duitsland.\n\n5.1.. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister voorafgaand aan de opheffing van de bewaring onvoldoende voortvarend aan de overdracht van eiser heeft gewerkt. Eiser is op 22 oktober 2025 in bewaring gesteld. De minister heeft op 24 oktober 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Uit het door de minister aan het dossier toegevoegde voortgangsrapport volgt dat er op diezelfde dag een planverzoek landoverdracht Duitsland is verzonden aan de DT&V en dat eisers gemachtigde vervolgens op 27 oktober 2025 van de overdrachtsgegevens in kennis is gesteld. Op 27 oktober 2025 heeft tevens een vertrekgesprek plaatsgevonden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat dit vertrekgesprek zinloos is geweest, aangezien eiser in dit gesprek op de hoogte is gebracht van zijn overdracht en in de gelegenheid is gesteld om eventuele bijzonderheden rondom de overdracht te bespreken. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank niet in dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, te meer nu de minister er ter zitting terecht op heeft gewezen dat geen sprake is geweest van een geplande inbewaringstelling. Het tweede vertrekgesprek op 27 oktober 2025, waarin eiser van de voorgenomen overdracht in kennis is gesteld, heeft de feitelijke overdracht van eiser aan Duitsland niet vertraagd.\n\nConclusie\n\n6. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaand aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geworden. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Noord, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 november 2025\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24483","2025-12-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:36.441Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":43,"courtId":84,"decisionDate":85,"fullText":86,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":51,"updatedAt":88},"630","ECLI:NL:RBDHA:2025:18933","ecli-nl-rbdha-2025-18933",66,"2025-10-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.48204\n Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1991, Marokkaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [v-nummer],\n\neiser,\n\n(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\n(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft eiser op 1 oktober 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel, welk beroep tevens wordt aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft op 12 oktober 2025 een bericht voor verweerder in het dossier geplaatst met de volgende inhoud:\n\n(…)\n\nDe rechtbank verzoekt verweerder om uiterlijk ter zitting actuele gegevens te verstrekken\n\nover aantallen afgeronde terugkeerprocedures vanuit bewaring naar Marokko in 2025. De\n\nrechtbank verzoekt verweerder aan te geven hoeveel lps zijn aangevraagd, hoeveel lps zijn\n\nverstrekt, wat de gemiddelde duur van de terugkeerprocedure in bewaring is hoe vaak in\n\n2025 verweerder uit eigen beweging de maatregel heeft opgeheven op grond van een\n\nbelangenafweging. Tevens verzoekt de rechtbank verweerder om te verduidelijken of de\n\nMarokkaanse autoriteiten thans een presentatie in persoon vereisen alvorens de\n\nnationaliteit en identiteit te bevestigen.\n\n(…)\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen om in persoon te worden gehoord over zijn vrijheidsontnemende maatregel, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Verweerder heeft eiser in bewaring gesteld om zijn terugkeer naar Marokko voor te bereiden en\u002Fof om de verwijderingsprocedure uit te voeren.\n\n2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;\n\nen als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3. Eiser heeft meerdere gronden die zijn opgevoerd om het onttrekkingsrisico te onderbouwen betwist en stelt zich tevens op het standpunt dat het de vraag is of zicht op uitzetting naar Marokko bestaat omdat algemeen bekend is dat de Marokkaanse autoriteiten niet, dan wel zeer traag reageren op lp-aanvragen die betrekking hebben op ongedocumenteerde Marokkaanse onderdanen. Eiser heeft tevens verzocht om de toepassing van een lichter middel. Eiser heeft in zijn bewaringsgehoor aangegeven te kampen met medische problematiek en door de arts te zijn geïnformeerd dat een medische ingreep moet plaatsvinden voordat hij kan terugkeren naar Marokko.\n\n4. Verweerder heeft gereageerd op de beroepsgronden en heeft aangegeven de maatregel rechtmatig te achten. Verweerder heeft op vragen van de rechtbank desgevraagd aangegeven dat eiser binnenkort een afspraak bij een ziekenhuis heeft en vanuit bewaring in staat zal worden gesteld om naar die afspraak te gaan. Verweerder heeft tevens om te voldoen aan het verzoek van de rechtbank de navolgende gegevens over terugkeerprocedures tussen 1 januari 2025 en 1 oktober 2025 vanuit bewaring naar Marokko verstrekt, waarbij verweerder heeft aangegeven dat op deze korte termijn de gegevens niet konden worden gespecificeerd in gedocumenteerde\u002Fongedocumenteerde vreemdelingen en de vraag naar opheffingen op grond van een belangenafweging niet is te beantwoorden:\n\nAantal ingediende lp-aanvragen: 206\n\nAantal afgegeven nationaliteitsbevestigingen: 119\n\nAantal verstrekte lp’s: 129\n\nAantal uitzettingen die met behulp van een lp hebben plaatsgevonden: 79\n\nVerweerder heeft tevens aangegeven dat de Marokkaanse autoriteiten geen presentaties in persoon meer vereisen alvorens tot de afgifte van een lp over te gaan.\n\n5. De rechtbank heeft ter zitting met partijen de rechtmatigheidsaspecten van de maatregel besproken en heeft ambtshalve de arresten Bouskoura en Adrar aan de orde gesteld. De rechtbank zal de maatregel opheffen en eiser in vrijheid stellen en motiveert dit als volgt.\n\n6. Eiser is op 9 juli 2025 in bewaring gesteld ter fine van terugkeer naar Marokko. Deze maatregel is opgeheven omdat eiser een asielaanvraag heeft ingediend op 14 juli 2025. Eiser is niet in vrijheid gesteld, maar aansluitend aan de opheffing op 15 juli 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft bij uitspraak van 26 september 2025 het beroep tegen de kennelijk ongegrondverklaring van deze aanvraag ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2025:18262). De op 15 juli 2025 opgelegde maatregel is gelet op deze uitspraak opgeheven en eiser is aansluitend in bewaring gesteld op grond van de in de onderhavige procedure te toetsen maatregel.\n\n7. De ‘asielgrondslag’ van de op 15 juli 2025 opgelegde maatregel is, ook volgens verweerder, op 26 september 2025 komen te vervallen. De rechtbank heeft verweerder op het arrest van het Hof van 4 oktober 2024 in de zaak Bouskoura (C tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C‑387\u002F24 PPU, ECLI:EU:C:2024:868) en de einduitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16568) gewezen en gevraagd of er een verklaring is voor het tijdsverloop tussen het vervallen van de grondslag en het laten voortduren van die onrechtmatig geworden eerdere maatregel tot de oplegging van de thans te toetsen maatregel.\n\n8. Verweerder heeft aangegeven geen verklaring voor het tijdsverloop te hebben. Uit ‘het systeem’ blijkt dat de regievoerder op 29 september 2025 op de hoogte is geraakt van de uitspraak van de rechtbank van 26 september 2025 en toen de KMar heeft verzocht om de maatregel om te zetten en de KMar dit vervolgens op 1 oktober 2025 heeft gedaan.\n\n9. De rechtbank overweegt dat indien de grondslag aan een maatregel ontvalt, verweerder gehouden is om ofwel meteen tot invrijheidstelling over te gaan, ofwel voortvarend te onderzoeken wat de verblijfspositie van de vreemdeling is en na te gaan of het opleggen van een opvolgende maatregel op een andere grondslag noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. De rechtbank heeft eerder overwogen dat ‘het omzetten van een maatregel’, welke terminologie ook in de onderhavige procedure is gebezigd, geen blijk geeft van dit juridische kader. De rechtbank heeft ook eerder overwogen dat de omstandigheid dat de grondslag op een vrijdag komt te ontvallen, niet betekent dat pas op de daaropvolgende maandag hoeft te worden onderzocht of een opvolgende maatregel moet worden opgelegd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 31 december 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:22288). Indien verweerder derdelanders in de weekenden in bewaring houdt, zal ook in de weekenden met dezelfde voortvarendheid moeten worden gewerkt aan het bereiken van het met de maatregel beoogde doel. Mogelijke capaciteitsproblemen zijn in dit verband alleen relevant indien verweerder onverwacht met meerdere inbewaringstellingen en\u002Fof opheffingen wordt geconfronteerd. Daar is in de onderhavige procedure echter niet van gebleken. De IND en de DT&V zullen hun werkprocessen zodanig op elkaar moeten afstemmen dat indien de rechtbank uitspraak doet in de asielprocedure van een inbewaringgestelde vreemdeling, de IND de DT&V hiervan onmiddellijk in kennis stelt. Een onrechtmatig geworden maatregel moet zo spoedig mogelijk worden opgeheven. Zodra de grondslag aan een maatregel ontvalt, is er namelijk geen wettelijke grondslag voor de vrijheidsontneming. Een gebrek aan communicatie tussen uitvoeringsinstanties is dan ook geen rechtvaardiging voor het laten voortduren van een vrijheidsontneming zonder wettelijke grondslag\n\n10. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1869), 31 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2245) en 10 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3631) volgt dat de termijn waarbinnen verweerder “de grondslag moet omzetten” twee kalenderdagen bedraagt. Deze termijn is niet wettelijk vastgelegd maar uit de Hofjurisprudentie volgt dat er geen onmiddellijke invrijheidstelling hoeft te volgen omdat dit afbreuk zou doen aan de doelstelling richtlijn 2008\u002F115 om een doeltreffend terugkeerbeleid te voeren. Verweerder heeft na het bekend raken met de uitspraak van de rechtbank op maandag 29 september 2025 de KMar gevraagd om de maatregel ‘om te zetten’ en dit is uiteindelijk op woensdag 1 oktober 2025 gebeurd.\n\n11. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de maatregel desondanks rechtmatig is en dat indien eiser schadevergoeding wenst omdat de voorgaande maatregel een aantal dagen onrechtmatig heeft voortgeduurd, hij een volgberoep en verzoek om schadevergoeding in die procedure kan indienen.\n\n12. De rechtbank overweegt dat de vragen van de rechtbank niet zien op het in aanmerking komen voor schadevergoeding in verband met het onrechtmatig voortduren van de voorafgaande maatregel. De rechtbank heeft de vraag aan de orde gesteld of de thans te toetsen maatregel onrechtmatig moet worden geacht omdat deze maatregel is opgelegd vanuit een situatie van onrechtmatige vrijheidsontneming. Op het moment dat verweerder de thans te toetsen maatregel heeft opgelegd wist verweerder dat eiser reeds enkele dagen onrechtmatig in bewaring werd gehouden. Verweerder was dus verplicht om eiser in vrijheid te stellen, maar heeft in plaats daarvan een opvolgende maatregel opgelegd en stelt zich thans op het standpunt dat de rechtbank niet vanwege het vanuit een onrechtmatige vrijheidsontneming in bewaring stellen op een andere grondslag tot de invrijheidstelling kan overgaan omdat dit de rechtmatigheid van de maatregel op grond waarvan eiser thans in bewaring wordt gehouden niet regardeert.\n\n13. De rechtbank overweegt dat het Hof in het eerdergenoemde arrest Bouskoura van 4 oktober 2024 naar aanleiding van een prejudiciële vraag van deze rechtbank en zittingsplaats over de “schottentheorie” onder meer het navolgende heeft overwogen:\n\n(…)41 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat elke bewaring van een derdelander een ernstige inmenging vormt op het in artikel 6 van het Handvest verankerde recht op vrijheid, ongeacht of die bewaring nu plaatsvindt krachtens richtlijn 2008\u002F115 in het kader van een terugkeerprocedure ten gevolge van illegaal verblijf, krachtens richtlijn 2013\u002F33 in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, of krachtens de Dublin III-verordening in het kader van de overdracht van een persoon die om internationale bescherming verzoekt aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek [arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve toetsing van de bewaring), C‑704\u002F20 en C‑39\u002F21, EU:C:2022:858, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak].(…)43 Gelet op de ernst van deze inmenging in het in artikel 6 van het Handvest vastgelegde recht op vrijheid en rekening houdend met het belang van dat recht, is de bevoegdheid van de bevoegde nationale autoriteiten om een derdelander in bewaring te stellen strikt afgebakend. Een bewaringsmaatregel kan dus alleen worden bevolen of verlengd met inachtneming van algemene en abstracte regels waarin de voorwaarden en de wijze van toepassing ervan zijn vastgelegd [arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve toetsing van de bewaring), C‑704\u002F20 en C‑39\u002F21, EU:C:2022:858, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak].\n\n44 Wanneer blijkt dat niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring die zijn geformuleerd in richtlijn 2008\u002F115, richtlijn 2013\u002F33, de Dublin III-verordening en de bepalingen van nationaal recht ter uitvoering daarvan, moet voorts de betrokkene onmiddellijk worden vrijgelaten, zoals de Uniewetgever overigens in artikel 15, lid 2, vierde alinea, en lid 4, van richtlijn 2008\u002F115 en artikel 9, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 2013\u002F33 expliciet aangeeft [arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve toetsing van de bewaring), C‑704\u002F20 en C‑39\u002F21, EU:C:2022:858, punt 79].(…)\n\n52 Wat voorts de mogelijkheid betreft om de bewaring van een derdelander te handhaven, heeft het Hof geoordeeld dat afbreuk zou worden gedaan aan deze doelstelling van richtlijn 2008\u002F115, indien de lidstaten niet zouden kunnen voorkomen, middels een vrijheidsontneming, dat een van illegaal verblijf verdachte persoon onderduikt nog voordat zijn situatie kon worden opgehelderd (zie in die zin arrest van 6 december 2011, Achughbabian, C‑329\u002F11, EU:C:2011:807, punt 30).\n\n53 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de onrechtmatigheid van een maatregel tot bewaring van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, welke maatregel op basis van de Dublin III-verordening is vastgesteld met het oog op de overdracht van die persoon aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek, in beginsel geen afbreuk doet aan de rechtmatigheid van een latere, op basis van richtlijn 2008\u002F115 vastgestelde maatregel tot bewaring van die persoon, die ononderbroken in bewaring is gehouden en niet langer de status heeft van persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar thans als illegaal verblijvende derdelander kan worden aangemerkt. Bijgevolg is de bevoegde rechterlijke autoriteit niet verplicht om deze persoon onmiddellijk in vrijheid te stellen op de enkele grond dat een eerdere, op basis van de Dublin III-verordening vastgestelde bewaringsmaatregel onrechtmatig is geworden.\n\n54 Hoe dan ook moet erop worden gewezen dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de handhaving van een vrijheidsontnemende maatregel, wil deze in overeenstemming zijn met het doel om de betrokkene tegen willekeur te beschermen, onder meer inhoudt dat bij de uitvoering van de vrijheidsontnemende maatregel geen sprake mag zijn van enige kwade trouw of misleiding door de autoriteiten, dat die in overeenstemming moet zijn met het doel van de beperkingen die door de desbetreffende alinea van artikel 5, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zijn toegestaan en dat er een verband is tussen de grond die wordt aangevoerd en de vrijheidsontneming in kwestie (zie in die zin arrest van 15 februari 2016, N., C‑601\u002F15 PPU, EU:C:2016:84, punt 81).\n\n(…)\n\n14. Het Hof heeft op 4 oktober 2024 in het arrest Bouskoura dus -kort gezegd- het Unierecht aldus uitgelegd dat de schottentheorie niet onverenigbaar is met het Unierecht, maar heeft hierbij ook nader geduid dat dit niet mag leiden tot willekeur.\n\n15. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 3 december 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:20144) onder meer het navolgende overwogen:\n\n(…)14. De rechtbank overweegt hierbij dat “kwade trouw” niet steeds betekent dat verweerder de vreemdeling “willens en wetens onrechtmatig in bewaring houdt”. Er is dus geen opzet op het onrechtmatig voortduren van de vrijheidsontneming vereist om van een willekeurige vrijheidsontneming te kunnen spreken. De rechtbank overweegt dat de autoriteiten die bevoegd zijn om bij wijze van administratieve maatregel het recht op vrijheid tijdelijk te ontnemen, op de hoogte moeten zijn van alle rechtmatigheidsvereisten die aan deze administratieve vrijheidsontneming worden gesteld in wetgeving en in jurisprudentie. Dit geldt niet alleen voor de rechtmatigheidsvereisten voor de oplegging van de maatregel, maar ook voor de rechtmatigheidsvereisten van het laten voortduren van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Indien de grondslag van de maatregel is komen te vervallen en de maatregel dus niet meer kan strekken om het doel waarvoor de maatregel is opgelegd te verzekeren, dient die maatregel -zo spoedig mogelijk- te worden opgeheven. Indien verweerder wil onderzoeken of de vreemdeling in bewaring kan worden gehouden ter fine van een ander doel en dus op een andere grondslag, dient verweerder dit ook steeds zo spoedig mogelijk te doen. Verweerder heeft dus een zeer beperkte periode om een vreemdeling in bewaring te houden op een vervallen grondslag en te onderzoeken of een opvolgende maatregel moet worden opgelegd en daarmee te voorkomen dat de vrijheidsontneming onrechtmatig wordt. Het is dus niet zo, zoals de rechtbank ook heeft overwogen in de eerdergenoemde uitspraak van 11 oktober 2024, dat verweerder steeds twee dagen heeft, die zonder meer kunnen verstrijken zonder de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming te regarderen. Verweerder zal onder omstandigheden dan ook gehouden zijn om uit te leggen welke handelingen hij heeft verricht in de periode tussen het vervallen van de grondslag van de voorgaande maatregel en het opleggen van de maatregel die van kracht is op het moment dat de rechter de rechtmatigheid van de vrijheid beoordeelt.\n\n15. Indien verweerder de vreemdeling niet in vrijheid stelt en niet voldoet aan het zo spoedig mogelijk en in ieder geval op de tweede dag na het vervallen van de grondslag, opleggen van een opvolgende maatregel en er hiervoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat, zal de rechtbank nagaan of dit betekent of sprake is van willekeurige detentie waartegen de rechter de vreemdeling moet beschermen om een doeltreffende voorziening in rechte te kunnen bieden en dus (zelf) te voldoen aan artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank overweegt dat het in aanmerking brengen voor een hogere schadevergoeding niet volstaat als effectief rechtsmiddel en niet volstaat als genoegdoening indien de vreemdeling willekeurig in detentie is gehouden.\n\n(…)\n\n16. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd geen omstandigheden naar voren gebracht die het tijdsverloop verklaren of die redengevend zijn om het tijdsverloop aan eiser toe te rekenen. Er is dus niet gebleken van bijzondere omstandigheden die er aan in de weg hebben gestaan om eiser de dag nadat de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag heeft gedaan of de dag daaropvolgend te horen over een mogelijk op te leggen opvolgende maatregel. De rechtbank overweegt dat voor zover de regievoerder op maandag 29 september 2025 op de hoogte raakt van de uitspraak van vrijdag 26 september 2025, aanstonds duidelijk moet zijn dat eiser zaterdag 27 en zondag 28 september zonder wettelijke grondslag in bewaring is gehouden. De regievoerder had zich hiervan rekenschap moeten geven en diezelfde maandag 29 september 2025 eiser moeten (laten) horen om te onderzoeken of het opleggen van een opvolgende maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig was. Indien ter zitting zou zijn gebleken dat de regievoerder zich had gerealiseerd dat niet zonder meer twee dagen ter beschikking stonden om een mogelijk nieuwe maatregel op te leggen en zich had ingespannen om eiser die dag te horen, zou de rechtbank wellicht tot een andere uitspraak zijn gekomen.\n\n17. Verweerder heeft altijd de zogenoemde ‘schottentheorie’ onderschreven en op grond daarvan zich doorgaans op het standpunt gesteld dat de bewaringsrechter een vreemdeling niet in vrijheid mag stellen als de maatregel op grond van waarvan de vreemdeling ten tijde van de rechtmatigheidscontrole door de rechtbank in bewaring wordt gehouden rechtmatig is. Dit standpunt is gelet op het arrest Bouskoura in beginsel niet onverenigbaar met het Unierecht. Verweerder dient zich dan echter ook indachtig de schottentheorie te realiseren dat indien een reeks van twee of meerdere maatregelen aaneensluitend worden opgelegd, dit niet kan worden beschouwd als één grote periode van vrijheidsontneming. Doordat er ‘schotten’ tussen de maatregel staan, dient verweerder ook adequaat te handelen als een ‘schot’ wordt geplaatst omdat de grondslag aan de maatregel vervalt.\n\n18. In de onderhavige procedure is niet erg waarschijnlijk dat indien de maatregel op 27 of 28 september 2025 zou zijn opgelegd, aanzienlijk eerder een lp zou zijn verkregen en de tenuitvoerlegging van deze bewaringsmaatregel daarom korter zou hebben geduurd. Een lp was immers reeds gedurende een van de voorgaande maatregelen aangevraagd en verweerder kan gedurende de tenuitvoerlegging van deze maatregel weinig andere uitzettingshandelingen verrichten dan het voeren van vertrekgesprekken en het rappelleren op de lp-aanvraag. Verweerder dient evenwel in zijn handelen te laten zien dat verweerder ervan doordrongen is dat elk ‘schot’ een nieuwe juridische situatie doet ontstaan en dit voor verweerder verplichtingen meebrengt. Indien verweerder, zoals in de onderhavige procedure, in wezen zonder zich hiervan rekenschap te geven ‘gewoon twee dagen denkt te hebben’, wellicht omdat de werkweek op maandag begint, merkt de rechtbank dit aan als willekeurige detentie zoals bedoeld in het arrest Bouskoura. De rechtbank overweegt dat het in aanmerking brengen voor een hogere schadevergoeding in de onderhavige procedure niet volstaat als effectief rechtsmiddel en niet volstaat als genoegdoening zodat de rechtbank de maatregel daarom zal opheffen. De rechtbank wijst er hierbij op dat het arrest Bouskoura een jaar geleden gewezen is en de vaste Afdelingsjurisprudentie over de ‘termijn voor het omzetten van een maatregel’ ook al geruime tijd bekend is bij verweerder. Verweerder heeft dus tijd genoeg gehad om zijn werkwijze bij het opleggen van opvolgende maatregelen hieraan aan te passen en zal hier dus alert op moeten worden indien verweerder wil voorkomen dat door onachtzaamheid aan zijn zijde deze opvolgende maatregelen worden opgeheven in plaats van dat zijn standpunt dat schadevergoeding in een procedure van een voorgaande maatregel kan worden verkregen steeds zal worden gehonoreerd. Dit moet dus simpel gezegd beter.\n\n19. Omdat de actuele maatregel vanuit een te lang voortdurende onrechtmatige vrijheidsontnemende situatie is opgelegd, is de maatregel reeds hierdoor van aanvang af onrechtmatig. De andere rechtmatigheidsaspecten behoeven geen nadere beoordeling omdat deze de maatregel niet alsnog rechtmatig kunnen maken. De rechtbank merkt wel op dat eiser heeft aangegeven dat hij al eerder een aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 wilde indienen. Gemachtigde van eiser verkeerde in de veronderstelling dat er geen medisch dossier van eiser beschikbaar was. Ter zitting is gebleken dat dit wel het geval is en ook in het DTC zijn medische gegevens beschikbaar. Het is immers de inrichtingsarts die heeft bewerkstelligd dat de benodigde medische interventie thans is gepland. De rechtbank gaat er van uit dat gemachtigde van eiser contact op zal nemen met de medische dienst van het DTC om het patiëntenjournaal en informatie over deze afspraak op te vragen, zodat eiser behandeld kan worden voor de klachten die hij reeds gedurende lange termijn heeft en zodat eiser kan worden ondersteund in het indienen van een aanvraag voor uitstel van vertrek.\n\n20. De rechtbank komt tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd en onrechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank zal eiser in aanmerking voor schadevergoeding brengen voor de periode dat eiser op grond van de te toetsen maatregel onrechtmatig in bewaring is gehouden. Het is aan eiser om zich tot verweerder te wenden indien hij in aanmerking wenst te komen voor schadevergoeding van 27 september 2025 tot en met 30 september 2025. Eiser maakt aanspraak op een bedrag van € 1.500,- omdat hij in verband met de tenuitvoerlegging van de op 1 oktober 2025 opgelegde maatregel 15 dagen onrechtmatig in bewaring is gehouden.\n\n21. De rechtbank zal ook een proceskostenveroordeling uitspreken en zal de hoogte hiervan baseren op standaardmatig gehanteerde punten en bedragen.\n\n22. Beslist wordt als volgt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring;\n\n- gelast de onmiddellijke invrijheidsstelling van eiser;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.500,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. N.A.L.P. Ramakers, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 15 oktober 2025.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18933","2026-07-13T00:28:40.089Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":51,"updatedAt":97},"1864","ECLI:NL:RBDHA:2025:18289","ecli-nl-rbdha-2025-18289",62,"2025-10-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.46466\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer],\n\n(gemachtigde: mr. D. Matadien),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. K. Kanters).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 14 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft met ingang van 29 september 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is uitgezet naar Marokko.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.\n\n2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.Staandehouding en ophouding\n\n3. Voor zover eiser in zijn beroepschrift aanvoert dat de staandehouding en ophouding van 26 augustus 2025 onrechtmatig zijn geweest, oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n4. De staandehouding en ophouding zien op de aanvang van de eerder opgelegde maatregel van 26 augustus 2025. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, dat bij uitspraak van 9 september 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, ongegrond is verklaard.In deze procedure beoordeelt de rechtbank thans de maatregel van 14 september 2025 tot aan de opheffing op 29 september 2025.\n\nOmzetting vorige maatregel van bewaring\n\n5. Eiser voert aan dat de maatregel van 26 augustus 2025 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw niet tijdig is omgezet naar de huidige maatregel van bewaring. Op 12 september 2025 heeft eiser zijn asielaanvraag ingetrokken en op 14 september 2025 is de huidige maatregel opgelegd.\n\n6. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Vooropgesteld wordt dat in het kader van het huidige beroep niet ter toetsing staat of de maatregel van 26 augustus 2025 tijdig is opgeheven. De rechtbank toetst uitsluitend de huidige maatregel van 14 september 2025. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn, volledigheidshalve ingenomen, standpunt dat de maatregel tijdig is omgezet. Eiser heeft op 12 september 2025 zijn asielaanvraag ingetrokken en de huidige maatregel is binnen twee dagen, namelijk op 14 september 2025, opgelegd.\n\nGrondslag\n\n7. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring op een onjuiste grondslag is gebaseerd. Niet is gebleken dat eiser de voorbereiding van zijn uitzetting ontwijkt of belemmert. Eiser verwijst daarbij naar zijn verklaringen tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, waarin hij nadrukkelijk heeft aangegeven mee te werken aan zijn terugkeer.\n\n8. De beroepsgrond slaagt niet. Verweerder was bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het staat namelijk vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag op 12 september 2025 ingetrokken.\n\nMaatregel van bewaring\n\n9. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\nVerweerder heeft als zware grondenvermeld dat eiser:\n\n- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;-3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\n- 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;\n\nen als lichte grondenvermeld dat eiser:\n\n- 4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\n- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n10. Ter zitting heeft verweerder de lichte grond 4b laten vallen.\n\n11. Eiser betwist alle aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Ten aanzien van de zware grond 3a wijst hij erop dat zijn inreis een gecontroleerde overdracht op grond van de Dublinverordening betrof. Daarnaast is de zware grond 3b niet van toepassing op hem, omdat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken en in een asielzoekerscentrum verbleef. De eerdere meldingen dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken zijn niet meer actueel en toepasbaar op zijn huidige situatie. Ook de zware grond 3c wordt betwist, omdat hij volgens eigen zeggen wel gevolg heeft gegeven aan zijn vertrekplicht om Nederland te verlaten en vervolgens ook uit Nederland is vertrokken. Ten aanzien van de zware grond 3d brengt eiser naar voren dat hij juiste gegevens heeft verstrekt waarop ook de laissez-passer aanvraag is gebaseerd. De grond 3e is ook niet van toepassing, nu dit ziet op gegevens die zijn verstrekt in het verleden. Eiser heeft verklaard waarom hij tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt en heeft nu wel de juiste gegevens verstrekt. Ten aanzien van de lichte grond 4a verwijst eiser naar hetgeen hij heeft aangevoerd over de zware grond 3a. Verder zijn de lichte gronden 4c en 4d inherent aan de omstandigheid dat hij is overgedragen en kan hem dat in redelijkheid niet worden tegengeworpen. Op grond hiervan stelt eiser dat geen sprake is van een risico op onttrekking of onderduiken en dat de gronden niet op hem van toepassing zijn.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen.De zware grond 3a is feitelijk juist, omdat hij bij zijn eerste binnenkomst in Nederland niet in het bezit van een reis- of identiteitsdocument was noch van een geldig visum. Uit het dossier blijkt verder dat eiser op 15 juni 2023 en 22 juli 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Dit heeft eiser ook bevestigd in zijn gehoor van 26 augustus 2025. De feitelijke juistheid van de zware grond 3b staat daarmee vast. De zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om risico op onttrekken aan het toezicht aan te nemen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de zware gronden 3c, 3d, 3e en de lichte gronden behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.\n\nLichter middel\n\n13. Eiser voert verder aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Hij heeft verklaard mee te werken aan zijn terugkeer en dat met alternatieven zoals een meldplicht of verblijf in een asielzoekerscentrum had kunnen worden volstaan. Het regime in het detentiecentrum is streng en voldoet niet aan artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft eerder de mogelijkheid gehad om zelfstandig naar zijn land van herkomst terug te keren en heeft dit niet gedaan. Eiser is eerder met onbekende bestemming vertrokken en heeft dit ook bevestigd. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2022dat het Detentiecentrum Rotterdam voldoet aan de vereisten van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Bovendien kan de bewaringsrechter volgens de Afdeling niet oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld.Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.\n\nVoortvarend handelen\n\n15. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Hij wijst erop dat hij op 12 september 2025 zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en dat de maatregel vanaf dat moment was gericht op zijn uitzetting, terwijl de feitelijke uitzetting pas op 29 september 2025 heeft plaatsgevonden. Volgens eiser was al eerder een laissez-passer beschikbaar en had verweerder de benodigde stappen voor vertrek eerder kunnen afronden.\n\n16. Anders dan eiser stelt heeft verweerder echter voldoende voortvarend gehandeld. Verweerder heeft in de brief aan de rechtbank van 26 september 2025 uiteengezet welke handelingen zijn verricht ten aanzien van eisers terugkeer.\n\nAmbtshalve toets\n\n17. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. Er is ook niet gesteld noch gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers terugkeer.\n\nConclusie\n\n18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 oktober 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n ECLI:NL:RBROT:2025:10706.\n\n Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.\n\n Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.\n\n Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:2100.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:4002.\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Adrar, GB tegen de Minister van Asiel en Migratie van 4 september 2025, C-313\u002F25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18289","2026-07-13T00:29:42.685Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":105,"parsedAt":51,"updatedAt":106},"492","ECLI:NL:RBDHA:2025:16841","ecli-nl-rbdha-2025-16841","2025-09-01T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.39072\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Schoneveld),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 18 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.39079, op 25 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Jafoute. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992.\n\nWerkt de onrechtmatigheid van de vorige maatregel(en) door in de huidige maatregel?\n\n2. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring van 18 augustus 2025 vanaf aanvang onrechtmatig is. Eiser voert daartoe aan dat de minister de vorige maatregel van bewaring (op de grondslag van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw) van 22 juli 2025 veel te laat heeft omgezet. Eiser heeft op 13 augustus 2025 een asielwens geuit, en de minister had de vorige maatregel op die dag moeten opheffen en omzetten. Eiser verwijst daartoe naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2024.1 In die uitspraak heeft de rechtbank er onder andere op gewezen dat een vreemdeling die een asielaanvraag doet onder de Opvangrichtlijn2 valt (en niet meer onder de Terugkeerrichtlijn3), en dat er een beoordeling van proportionaliteit en evenredigheid moet plaatsvinden. De rechtbank heeft in die uitspraak ook overwogen dat er geen opzet op het onrechtmatig voortduren van de vrijheidsontneming vereist is om van een willekeurige vrijheidsontneming te kunnen spreken. Eiser wijst er verder op dat ook de eerdere maatregel van bewaring van 23 juni 2025 (op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw) niet tijdig is omgezet. Nu de minister de twee voorgaande maatregelen van bewaring niet tijdig heeft omgezet, moet dit volgens eiser doorwerken in de huidige maatregel.\n\n1. ECLI:NL:RBDHA:2024:20144.\n\n2 Richtlijn 2013\u002F33\u002FEU.\n\n3. De rechtbank stelt vast dat eiser een vervolgberoep als bedoeld in artikel 96 van de Vw tegen de voorgaande maatregel van 22 juli 2025 heeft ingediend (zaak NL25.39079). In die zaak heeft de minister schadevergoeding aangeboden voor drie dagen onrechtmatige bewaring. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank geoordeeld dat het vervolgberoep van eiser gegrond is, en dat de voorgaande maatregel van bewaring onrechtmatig was over de periode van 16 augustus 2025 t\u002Fm 18 augustus 2025. De rechtbank heeft in die uitspraak ook toegelicht waarom zij het betoog van eiser, dat de maatregel onrechtmatig was vanaf 13 augustus 2025, niet volgt. Eiser heeft ook een vervolgberoep ingediend tegen de (te late omzetting van de) maatregel van 23 juni 2025 (zaak NL25.37275). In die zaak heeft de minister schadevergoeding aangeboden voor één dag onrechtmatige bewaring. Eiser heeft in die zaak het aanbod van de minister geaccepteerd en het vervolgberoep ingetrokken.\n\n4. Uit het arrest Bouskoura van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 20244 leidt de rechtbank af dat, indien de onrechtmatigheid van een maatregel is vastgesteld, dit niet reeds hierom inhoudt dat een direct aansluitende nieuwe maatregel ook onrechtmatig is, tenzij er sprake is van kwade trouw of misleiding van de zijde van het bestuursorgaan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet gebleken.\n\n5. Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of sprake is van een andere zodanig ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat dit om die reden moet leiden tot onrechtmatigheid van de huidige maatregel. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)5 waarbij als uitgangspunt geldt dat een gebrek in de eerste maatregel van bewaring de daaropvolgende maatregel niet alleen al daarom van het begin af aan onrechtmatig maakt. Wel komt, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 april 20216, bijvoorbeeld aan een opeenstapeling van ernstige gebreken een zwaar gewicht toe, wat ertoe kan leiden dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Uit de uitspraken van de Afdeling van 12 juni 20187 en 26 april 20218, volgt verder dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt in geval van een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is.\n\n3 Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n4 ECLI:EU:C:2024:868.\n\n5 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3508 en van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005.\n\n6 ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n7 ECLI:NL:RVS:2018:2083.\n\n8 ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een ernstige schending van het fundamentele recht van eiser om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is. Dat eiser voorafgaand aan de oplegging van de huidige maatregel drie dagen op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring heeft verbleven, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 20239 waarin ook sprake was van een bewaring op een onjuiste grondslag, waardoor die vreemdeling negen dagen onrechtmatig in bewaring zat. In die zaak heeft de Afdeling geoordeeld dat van een ernstige schending in vorenbedoelde zin geen sprake was. Verder betekent het feit dat ook de maatregel van 26 juni 2025 niet tijdig is omgezet, niet dat sprake is van een opeenstapeling van ernstige gebreken zoals bedoeld in de Afdelingsjurisprudentie. Deze jurisprudentie biedt geen aanknopingspunten dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de huidige maatregel gebreken in een maatregel die daar niet direct aan voorafging, moeten worden meegenomen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nInformatieplicht\n\n7. Eiser voert aan dat de informatiefolder bij de maatregel van bewaring niet toereikend is, omdat eiser daarmee niet is ingelicht over de mogelijkheid om zelf beroep in te stellen. Er staat namelijk: “U kunt in beroep gaan tegen de maatregel van bewaring. Dit dient u met uw advocaat te bespreken.” De minister heeft volgens eiser dus niet voldaan aan zijn informatieplicht, als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).\n\n8. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgrond geen doel treft. Eiser had al bijstand van zijn gemachtigde, en deze heeft namens hem op 19 augustus 2025 beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Of eiser wel of niet is ingelicht over de mogelijkheid om zelf beroep in te stellen, is in zijn zaak dus niet van betekenis omdat duidelijk is dat eiser niet in zijn belangen is geschaad.\n\nGrondslag en gronden van de maatregel van bewaring\n\n9. In de maatregel van bewaring heeft de minister (in het kader van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw) overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\nen als lichte gronden vermeld dat eiser:\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\n4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die9. ECLI:NL:RVS:2023:3508.\n\nniet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;\n\n4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.\n\n10. De minister heeft op de zitting de zware grond onder 3d en de lichte grond onder 4e laten vallen. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden en de motivering daarvan de maatregel van bewaring kunnen dragen.\n\n11. De rechtbank stelt verder vast dat eiser niet heeft betwist dat hij op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw in bewaring mocht worden gesteld. De rechtbank is van oordeel dat ook deze grondslag in de maatregel van bewaring voldoende is gemotiveerd.\n\nLichter middel\n\n12. Eiser voert aan dat de minister bij de oplegging van de maatregel van bewaring geen nieuw onderzoek heeft gedaan naar de proportionaliteit en evenredigheid van de inbewaringstelling. De minister heeft enkel gekeken naar de vorige maatregel en de informatie die toen beschikbaar was. Eiser heeft in beroep zijn medische dossier overgelegd. Eiser verklaart dat zijn medische klachten verergeren door de detentie en dat hij op dit moment onder cameratoezicht staat. De minister moet daarom volstaan met een lichter middel dan bewaring.\n\n13. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of moet worden volstaan met een lichter middel. Eiser is voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring gehoord, en heeft in dat gehoor zijn belangen naar voren kunnen brengen. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat de zienswijze van eiser ook in de afweging is betrokken. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich, gelet op de gronden en de motivering daarvan, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser niet kan worden volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Onder andere is van belang dat eiser op 2 februari 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en al drie keer een asielaanvraag heeft ingediend. Ook heeft eiser de tegenwerping van de minister, dat op redelijke gronden aangenomen kan worden dat zijn huidige asielaanvraag louter is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen, niet betwist. Over de medische situatie van eiser overweegt de rechtbank dat eiser in detentie toegang heeft tot medische zorg die gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij, en dat in de maatregel van bewaring ook gewezen is op de mogelijkheid om eiser over te plaatsen naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. De rechtbank ziet in de documenten die voorhanden zijn en de verklaringen van eiser geen aanleiding om te oordelen dat de medische zorg in het detentiecentrum tekort schiet. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n14. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n01 september 2025\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:16841","2025-09-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.220Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":111,"fullText":112,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":51,"updatedAt":115},"489","ECLI:NL:RBDHA:2025:17556","ecli-nl-rbdha-2025-17556","2025-08-01T00:00:00.000Z","uitspraakRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.32556 en NL25.34224 Rectificatie pagina 3 en 4\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Drenth),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 12 mei 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\nBij besluit van 8 juli 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het besluit van 8 juli 2025 beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 28 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. V. Senczuk, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen 1. Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.\n\nOmzetting maatregel van bewaring\n\n2. Eiser heeft aangevoerd dat hij eerder bij besluit van 12 mei 2025 op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw in vreemdelingenbewaring is gesteld. Hij heeft op 3 juli 2025 het door hem ingediende rechtsmiddel tegen de afwijzende asielbeschikking ingetrokken en vervolgens is die maatregel pas op 8 juli 2025 opgeheven en omgezet naar de huidige maatregel. Eiser is van mening dat de onrechtmatigheid van de voorafgaande maatregel van bewaring en de omstandigheid dat eiser drie dagen op een ongeldige titel in bewaring heeft gezeten, een zodanig ernstige schending is van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat die onrechtmatigheid moet doorwerken in de huidige maatregel.\n\n3. Ter zitting heeft de minister erkend dat deze vorige maatregel onrechtmatig is geworden omdat de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw te laat is omgezet naar de huidige maatregel van 8 juli 2025. De minister heeft eiser schadevergoeding aangeboden ten bedrage van€ 300,-. De onrechtmatigheid van de vorige maatregel raakt volgens de minister de huidige maatregel niet. De minister ziet dan ook geen aanleiding om de huidige maatregel op te heffen.\n\n4. Uit het arrest Bouskoura van 4 oktober 20241 leidt de rechtbank af dat, indien de onrechtmatigheid van een maatregel is vastgesteld, dit niet reeds hierom inhoudt dat een direct aansluitende nieuwe maatregel ook onrechtmatig is, tenzij er sprake is van kwade trouw of misleiding van de zijde van het bestuursorgaan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.\n\n5. Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of sprake is van een andere zodanig ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat dit om die reden moet leiden tot onrechtmatigheid van de huidige maatregel. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)2 waarbij als uitgangspunt geldt dat een gebrek in de eerste maatregel van bewaring de daaropvolgende maatregel niet alleen al daarom van het begin af aan onrechtmatig maakt. Wel komt, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 april 20213, bijvoorbeeld aan een opeenstapeling van ernstige gebreken een zwaar gewicht toe, wat ertoe kan leiden dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Uit de uitspraken van de Afdeling van 12 juni 20184 en 26 apri1 20215, volgt verder dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt in geval van een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is. Anders dan eiser stelt is van dat laatste in zijn geval geen sprake, ook niet indien eiser zou moeten worden gevolgd in zijn betoog dat hij voorafgaande aan de oplegging van de huidige maatregel drie dagen op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring heeft verbleven. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 20236 waarin ook sprake was van een bewaring op een onjuiste grondslag, waardoor die vreemdeling negen dagen onrechtmatig in bewaring zat. In die zaak heeft de Afdeling geoordeeld dat van een ernstige schending in vorenbedoelde zin geen sprake was. Nu bovendien ook niet is gebleken van andere gebreken dan het gebrek dat eiser stelt, is van een openstapeling van gebreken evenmin sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n1 ECLI:EU:C:2024:868.\n\n2 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3508 en van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005.\n\n3 ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n4 ECLI:NL:RVS:2018:2083.\n\n5ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n6 ECLI:NL:RVS:2023:3508.\n\nBewaringsgronden\n\n6. In de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\n3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;\n\nen als lichte gronden vermeld dat eiser\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;\n\n4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 is gegrond. Daarbij heeft de minister een schadevergoeding van€ 300,- aan eiser aangeboden, namelijk 3 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel dus 3 x € 100,00- (verblijf detentiecentrum)=€ 300,-. Het beroep tegen de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 is ongegrond. Daarom wordt dat verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten met betrekking tot het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025. \n\nDeze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskostenbestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op€1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 gegrond;\n\n- verklaart het beroep tegen de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 ongegrond;\n\n- veroordeelt de Staat Der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van€ 300,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van€ 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n01 augustus 2025\n\nDe griffier is verhinderd om te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 staat geen rechtsmiddel open.\n\nTegen deze uitspraak voor zover die gaat over het beroep tegen de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17556","2025-09-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.075Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":43,"courtId":120,"decisionDate":121,"fullText":122,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":124,"parsedAt":51,"updatedAt":125},"1478","ECLI:NL:RBDHA:2025:14212","ecli-nl-rbdha-2025-14212",57,"2025-07-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.32908 (maatregel van bewaring)\n\n NL25.33558 (terugkeerbesluit en inreisverbod)\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\ngemachtigde: mr. Y. Özdemir,\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie,\n\ngemachtigde: drs. B. Wezeman.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 18 juli 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe minister heeft op 25 juli 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Oezbeekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.\n\nOver bestreden besluit 1\n\n2. Eiser heeft geen gronden gericht tegen het terugkeerbesluit zonder vertrektermijn. De rechtbank stelt derhalve vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de minister terecht aan eiser een terugkeerbesluit heeft opgelegd op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw 2000.\n\n3. Eiser stelt dat het besluit met betrekking tot het inreisverbod onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Er wordt een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, maar waarom voor de periode van twee jaar wordt gekozen is niet duidelijk. Vooral nu eiser aangeeft sinds een week in Nederland te zijn. Dit zou dan aanleiding moeten zijn voor een inreisverbod van maximaal een jaar. Het staat immers niet onomstotelijk vast dat sprake is van een overstay van 90 dagen. Het besluit is daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\n4. Ingevolge artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000, vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000.\n\n5. Ingevolge artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren.\n\n6. In paragraaf A4\u002F2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is opgenomen dat de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een inreisverbod uitvaardigt voor zover mogelijk voor de maximale duur zoals die in artikel 6.5a van het Vb 2000 is genoemd. De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verkort de duur van het inreisverbod, of laat een inreisverbod achterwege, als de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de minister terecht aan eiser een terugkeerbesluit heeft opgelegd op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw 2000. De minister was alleen daarom al gehouden om op grond van artikel 66a van de Vw 2000 een inreisverbod uit te vaardigen.\n\n8. Uit het aangehaalde beleid van de minister blijkt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de duur van het inreisverbod twee jaar bedraagt. Eiser heeft tijdens het gehoor van 18 juli 2025 de gelegenheid gehad om omstandigheden aan te voeren waarom de duur van het inreisverbod zou moeten worden verkort. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten van de minister voldoende om duidelijk te maken waarom er voor hem geen aanleiding is van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nOver bestreden besluit 2\n\n9. De rechtbank stelt voorop dat situaties waarin vrijheidsbeneming, waaronder bewaring, is toegestaan restrictief moeten worden uitgelegd, aangezien het om uitzonderingen op het grondrecht op vrijheid en veiligheid gaat.Dit heeft tot gevolg dat de motivering van de maatregel van bewaring altijd zal moeten zijn toegespitst op de situatie van de vreemdeling. Dit betekent dus ook dat de enkele feitelijke vaststelling van een zware grond – per definitie – niet kan volstaan om de maatregel van bewaring te rechtvaardigen, omdat daarmee het risico wordt gelopen dat een vreemdeling op basis van algemene overwegingen, die niet op de betrokkene zijn toegespitst, in bewaring wordt gesteld, hetgeen afbreuk zou doen aan restrictieve uitleg die moet worden gegeven aan de situaties waarin de vreemdeling kan worden vastgezet.\n\n10. De rechtbank realiseert zich dat het toetsingskader onder overweging 9 afwijkt van het toetsingskader van de Afdeling zoals dat uiteen is gezet in zijn uitspraak van 25 maart 2020en is bevestigd in zijn uitspraak van 25 juli 2025.De rechtbank, althans deze enkelvoudige kamer, kan zich echter, ook gelet op de motivering van de Afdeling in diens laatstgenoemde uitspraak, niet in deze lijn van de Afdeling vinden. Zij licht dit als volgt toe.\n\n11. De gronden voor bewaring, zoals die zijn opgenomen in artikel 5.1b Vb, voldoen weliswaar aan de algemene en abstracte regels die in het nationaal recht moeten zijn vastgesteld,maar daarmee is nog niet voldaan aan de motiveringsplicht waaraan een op basis van die regels opgelegde vrijheidsbenemende maatregel moet voldoen. Kort gezegd is deze rechtbank van oordeel dat weliswaar de wettelijke grondslag voldoet aan het Unierecht, maar dat dit onverlet laat dat iedere vrijheidsbenemende maatregel in de motivering specifiek moet zijn toegespitst op de vreemdeling. Steun voor deze benadering vindt de rechtbank in de conclusie van Advocaat-Generaal Rantos van 5 september 2024, die immers overweegt dat situaties waarin vrijheidsbeneming is toegestaan restrictief worden uitgelegd, aangezien het om uitzonderingen op het grondrecht op vrijheid en veiligheid gaat, zoals dat is neergelegd in artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de EU.De Afdeling leunt in diens voornoemde uitspraken zwaar op aanbeveling (EU) 2017\u002F432. Die aanbeveling is evenwel genomen op grond van artikel 292 VWEU en is daarmee niet juridisch bindend, dit volgt uit artikel 288 VWEU. Weliswaar moet met die aanbeveling rekening worden gehouden bij de uitleg van het Unierecht,maar daaraan wordt reeds voldaan doordat de uitgangspunten van die aanbeveling in de algemene en abstracte regels voor de inbewaringstelling (in artikel 5.1b Vb), zijn neergelegd en de rechter dus ook steeds zal moeten toetsen of die feitelijke gronden zich voordoen. Daarbij komt dat in de aanbeveling weliswaar het Handvest wordt aangehaald, maar daarover in overweging 28 van de considerans is overwogen:\n\nDeze aanbeveling is in overeenstemming met de grondrechten en neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht. Deze aanbeveling waarborgtin het bijzonder de volledige eerbiediging van de menselijke waardigheid en de toepassing van de artikelen 1, 4, 14, 18, 19, 24 en 47 van het Handvest en dient dienovereenkomstig te worden uitgevoerd\n\nArtikel 6 van het Handvest wordt niet expliciet genoemd, terwijl juist die bepaling het uitgangspunt zou moeten zijn van een toets ten aanzien van de rechtmatigheid van een vrijheidsbenemende maatregel.\n\nUitgaande van een restrictieve uitleg van situaties waarin vrijheidsbeneming is toegestaan komt het de rechtbank niet overtuigend voor dat een bewaring zou kunnen worden gebaseerd op de enkele feitelijke vaststelling van een zware grond, in het bijzonder omdat meerdere van de zware gronden waarvoor dit volgens Afdeling voldoende is van zodanig algemene aard zijn, dat vrijwel iedere vreemdeling die zijn vertrektermijn heeft overschreden, althans het merendeel, hieraan zal voldoen (bijvoorbeeld de gronden genoemd onder artikel 5.1b lid 3 onder a en b Vb, voor wat betreft de grond onder b met name omdat vrijwel steeds wordt gewezen op de meldplicht bij de korpschef, die voortvloeit uit artikel 4.39 Vb, maar waarvan bezwaarlijk kan worden aangenomen dat iedere vreemdeling van die verplichting op de hoogte is).\n\nVoorts komt het uitgangspunt van de aanbeveling, dat bij het voldoen aan de gronden er een rechtsvermoeden ontstaat, ook niet tegemoet aan de restrictieve uitleg van situaties waarin een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld, juist omdat het zwaartepunt van de motivering voor de vrijheidsbeneming zou moeten liggen bij de autoriteit die de vrijheidsbeneming gelast. In zoverre kan – ook rekening houdend met die aanbeveling – van dat uitgangspunt in de aanbeveling worden afgeweken. Het rekening houden met een aanbeveling, betekent immers niet dat die aanbeveling steeds volledig moet worden gevolgd, dan zou immers het aanbevelingskarakter eraan komen te ontvallen. Daarentegen moet artikel 6 van het Handvest bij de motivering van een maatregel en de rechterlijke beoordeling daarvan juist wel in acht worden genomen.\n\n12. Om voornoemde redenen wijkt de rechtbank in het navolgende aldus opnieuw af van de benadering van de Afdeling.\n\n13. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\n14. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.\n\nDe minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n15. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist, met uitzondering van de zware grond 3d. De rechtbank is van oordeel dat de gronden weliswaar feitelijk juist zijn, maar dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in eisers geval het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, terwijl dit risico voor de minister wel de aanleiding is geweest voor het opleggen van de maatregel van bewaring. De minister heeft hiertoe in de maatregel onder andere redengevend geacht dat eiser geen identificerend document heeft en dat hij zich niet meteen gemeld heeft bij de korpschef. Naar het oordeel van de rechtbank is het onttrekkingsrisico hiermee niet voldoende vast komen te staan. Voorop staat dat eiser het grondrecht op vrijheid en veiligheid heeft, zoals dat is neergelegd in onder meer artikel 6 van het Handvest van de grondenrechten van de EU. Die bepaling vereist dat situaties waarin vrijheidsbeneming kan plaatsvinden, restrictief worden uitgelegd.Uit de verklaringen van eiser blijkt onvoldoende dat eiser niet zou meewerken. Eiser heeft verklaard dat hij graag een paar weken de tijd wil om wat plaatsen in Nederland te bezoeken en daarna zelfstandig zal vertrekken. Hieruit kan dus een vrijwillige bereidheid om Nederland te verlaten worden afgeleid. Het komt de rechtbank op voorhand dan ook niet onaannemelijk voor dat als de minister eiser op zijn verplichting direct het land te verlaten had gewezen, eiser zijn verplichting om direct te vertrekken zou hebben begrepen en hieraan ook zijn medewerking zou hebben verleend. Bij twijfel hierover had het op de weg van de minister gelegen om eiser nader te bevragen, om zo een meer afgewogen inschatting op het onderduikrisico te maken. Door zulks na te laten heeft de minister onzorgvuldig gehandeld, en is het onderduikrisico onvoldoende gemotiveerd. Tegen de achtergrond van de eerder genoemde restrictieve uitleg van situaties waarbinnen bewaring is toegestaan is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd dat in eisers specifieke geval sprake is van een onttrekkingsrisico. Het beroep is daarom gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd hoeft geen nadere bespreking.\n\nOver de beroepen\n\n16. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is ongegrond. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.\n\n17. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 8 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 800,-.\n\n18. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond;\n\n- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 800,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van\n\nH.B. Slot - Akkerman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.\n\nConclusie van Advocaat-Generaal A Rantos bij het HvJ EU van 5 september 2024, ECLI:ECLI:EU:C:2024:703, overweging 40.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:829.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3442\n\n HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:868, r.o. 43.\n\nECLI:ECLI:EU:C:2024:703, overweging 40\n\n HvJ EG 13 december 1989, ECLI:EU:C:1989:646, r.o. 18.\n\n Artikel 51 van het Handvest van de Grondrechten van de EU.\n\n Vgl. Conclusie van Advocaat-Generaal A Rantos bij het HvJ EU van 5 september 2024, ECLI:ECLI:EU:C:2024:703, overweging 40.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:14212","2025-07-31T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:22.960Z",{"id":127,"ecli":128,"slug":129,"caseNumber":43,"courtId":84,"decisionDate":130,"fullText":131,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":130,"parsedAt":51,"updatedAt":133},"639","ECLI:NL:RBDHA:2025:6104","ecli-nl-rbdha-2025-6104","2025-04-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.15025\n Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] (V-nummer: [V-nummer]),\n\ngeboren op [geboortedatum] 2000, Gambiaanse nationaliteit,\n\neiser,\n\n(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. M. Volker).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser op 29 maart 2025 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel, welk beroep tevens wordt aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is in persoon in de rechtbank verschenen, bijgestaan via een teamsverbinding door mr. C.W.T van Dijk, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L.C.M. Schul. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit, als zware grondenvermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en alslichte grondenvermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n2. Eiser betwist zware gronden 3a, en 3d en lichte gronden 4a, 4c en 4d. Eiser meent verder dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast omdat de maatregel een aanslag is op de mentale gezondheid van eiser en bij verweerder bekend is dat hij vermoedelijk psychisch niet in orde is. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de bewaring de enige mogelijkheid is om een overdracht te realiseren.\n\n3. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en motiveert deze beslissing als volgt.\n\n4. Voordat de rechtbank aan de beoordeling van het in de maatregel opgevoerde onttrekkingsrisico en de daartegen gerichte beroepsgronden toekomt, zal de rechtbank eerst beoordelen of er een grondslag bestond op grond waarvan eiser rechtmatig in bewaring kon worden gesteld.\n\n5. Uit het Unierecht volgt dat de bewaringsrechter verplicht is om zo nodig ambtshalve alle rechtmatigheidsvereisten van de maatregel te controleren en te beoordelen. Het Hof heeft deze Unierechtelijke verplichting voor de bewaringsrechter bevestigd in haar arrest van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C, B en X en hierbij uitgelegd dat dit aanvullende ambtshalve rechtmatigheidsonderzoek van de bewaringsmaatregel op tegenspraak moet plaatsvinden, (arrest van het Hof van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C , B en X, C-704\u002F20 en C-39\u002F21, ECLI:EU:C:2022:858, punt 88). Het Hof heeft ook bevestigd dat artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008\u002F115, gelezen in samenhang met artikel 5 van deze richtlijn en met artikel 19, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, aldus moet worden uitgelegd dat de rechter die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit te controleren, verplicht is om zo nodig ambtshalve een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de uitvoering van dit besluit, op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak (arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, K.L.M.N. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-156\u002F23, ECLI:EU:C:2024:892).\n\n6. Eiser is in bewaring gesteld om de terugkeer naar zijn land van herkomst Gambia te verzekeren. De rechtbank overweegt dat de onderhavige procedure is ingeleid met een beroep tegen een bewaringsmaatregel. De rechtmatigheid van het terugkeerbesluit dat de grondslag vormt voor deze maatregel ligt in deze procedure niet ter toetsing voor en het terugkeerbesluit staat in rechte vast. De rechtbank heeft, gelet op de arresten C, B en X en Ararat, beide partijen desondanks in het kader van het ambtshalve rechtmatigheidsonderzoek op tegenspraak de vraag gesteld of een terugkeerbesluit dat is genomen zonder dat er een beoordeling van het refoulementrisico heeft plaatsgevonden ten grondslag kan worden gelegd aan een bewaringsmaatregel. De rechtbank heeft partijen ook gevraagd om zich uit te laten over de vragen of de bewaringsrechter ambtshalve moet controleren of het refoulementbeginsel is geëerbiedigd bij het opleggen van de maatregel die de terugkeer naar het land van herkomst moet verzekeren, of het refoulementrisico zo nodig moet worden onderzocht in de bewaringsprocedure en zo ja, in welke fase, of het niet eerbiedigen van het refoulementrisico moet leiden tot het vernietigen van een al dan niet in rechte vaststaand terugkeerbesluit, ook als alleen beroep is ingesteld tegen de maatregel, of dat in dat geval een actuele refoulementbeoordeling alsnog moet worden verricht en de maatregel kan worden gehandhaafd of dat de bewaringsrechter moet volstaan met het opheffen van de bewaringsmaatregel. De rechtbank komt, na beide partijen te hebben bevraagd en te hebben gehoord tot de conclusie dat de maatregel van aanvang af onrechtmatig is omdat het in rechte vaststaande terugkeerbesluit niet als grondslag van de bewaringsmaatregel kan dienen omdat de verwijdering dan zal plaatsvinden zonder dat verweerder op enig moment een inhoudelijke beoordeling van het refoulementrisico heeft gemaakt en zonder dat de rechter op enig moment in staat is geweest om de naleving van het beginsel van non-refoulement te waarborgen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 april 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:6038) en verricht in de onderhavige procedure dezelfde beoordeling en komt ook tot dezelfde conclusie omdat de feiten in beide procedures op hoofdlijnen vergelijkbaar zijn.\n\n7. Op 5 maart 2019, 29 juli 2020 en 18 oktober 2022 zijn asielaanvragen van eiser buiten behandeling gesteld en overdrachtsbesluiten genomen. Al deze overdrachtsbesluiten zijn geëffectueerd en verweerder heeft eiser driemaal overgedragen aan de Italiaanse autoriteiten. Eiser heeft op 19 augustus 2024 wederom een asielaanvraag gedaan. Eiser heeft deze aanvraag ingetrokken op 16 oktober 2024. Verweerder heeft doordat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken op 16 oktober 2024 een zogenoemd “kaal terugkeerbesluit” genomen en Gambia aangemerkt als land van bestemming. Eiser heeft op 28 oktober 2024 nogmaals een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag op 18 maart 2025 in een meeromvattende beschikking buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. In het terugkeerbesluit dat onderdeel uitmaakt van deze beschikking, is overwogen dat eiser al een terugkeerbesluit en inreisverbod heeft en daarover geen zienswijze heeft ingediend en daarom geen aanleiding bestaat voor een ander oordeel. In dit terugkeerbesluit is geen land van bestemming benoemd maar uit de beschikking kan ondubbelzinnig worden afgeleid dat de terugkeerverplichting en de mogelijke verwijderingshandelingen zullen worden gericht op Gambia.\n\n8. Eiser is op 25 maart 2025 na de overname uit de strafrechtketen in bewaring gesteld. De maatregel is opgelegd om te verzekeren dat eiser zal terugkeren naar Gambia. Verweerder heeft de Gambiaanse autoriteiten verzocht om de afgifte van een LP. Zodra de LP wordt ontvangen, zal verweerder een vliegticket aanschaffen en eiser verwijderen naar Gambia. Voorafgaand aan het nemen van de twee terugkeerbesluiten heeft geen inhoudelijke beoordeling door verweerder van het refoulementrisico plaatsgevonden. Verweerder heeft dit risico ook nog niet inhoudelijk kunnen beoordelen omdat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en omdat eiser niet is gehoord op zijn opvolgende asielaanvraag. Ten aanzien van eiser zijn dus twee terugkeerbesluiten genomen. De hieruit voortvloeiende terugkeerplicht waaraan eiser niet zelfstandig heeft voldaan en de hierdoor ontstane verwijderplicht voor verweerder, vormt de grondslag voor de bewaringsmaatregel.\n\n9. Eiser heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen de terugkeerbesluiten. Beide terugkeerbesluiten zijn dus in rechte vast komen te staan zonder dat de rechter het refoulementrisico heeft kunnen beoordelen en de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit heeft kunnen controleren. De vraag die in de onderhavige procedure opkomt, is de vraag of de rechter in de bewaringsprocedure alsnog de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit moet controleren. De rechtbank is bekend met de Afdelingsjurisprudentie over wat de bewaringsrechter niet mag en wel moet beoordelen als een terugkeerbesluit ten grondslag ligt aan de bewaringsmaatregel en er alleen een beroep tegen de maatregel is ingediend. Deze Afdelingsjurisprudentie kan naar het oordeel van de rechtbank evenwel in een situatie als in de onderhavige procedure aan de orde, niet langer onverkort van toepassing worden geacht.\n\n10. De onderhavige procedure is niet ingeleid met een beroep tegen een terugkeerbesluit, maar met een beroep tegen een bewaringsmaatregel. In artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 heeft de Uniewetgever uitdrukkelijk bepaald dat bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, het beginsel van non-refoulement moet worden geëerbiedigd. De rechtbank overweegt dat door het in bewaring stellen van een derdelander op grond van artikel 15 van richtlijn 2008\u002F115, deze richtlijn ten uitvoer wordt gelegd. Het Hof heeft in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 het Unierecht onder meer aldus uitgelegd dat artikel 19, lid 2, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 4 ervan, in absolute bewoordingen verbiedt, ongeacht het gedrag van de betrokkene, verwijdering, uitzetting of uitlevering aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat deze persoon aan de doodstraf, aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen en dat bijgevolg de lidstaten een vreemdeling niet mogen verwijderen, uitzetten of uitleveren wanneer er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op door deze twee bepalingen van het Handvest verboden behandelingen. Het Hof heeft onder verwijzing naar eerdere arresten herhaald dat artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Het Hof heeft ook gepreciseerd dat het aan de bevoegde nationale rechterlijke instanties is om, in voorkomend geval ambtshalve, erop toe te zien dat dit beginsel in acht wordt genomen wanneer gegevens uit het dossier die hun ter kennis zijn gebracht doen vermoeden dat afbreuk aan dat beginsel zou kunnen worden gedaan. (arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, K.L.M.N. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-156\u002F23, ECLI:EU:C:2024:892).\n\n11. Het Hof heeft in dit arrest waarin artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 nader is uitgelegd, de verplichting die voortvloeit artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, niet beperkt tot procedures waarin de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit door de rechter wordt gecontroleerd. De rechtbank realiseert zich dat de feiten die ten grondslag liggen aan de verwijzing die tot het arrest Ararat hebben geleid, zich niet goed laten vergelijken met de feiten in de onderhavige procedure. Het arrest is gewezen in een procedure waarin een aanvraag om een regulier verblijfsrecht is afgewezen en deze afwijzing tevens een terugkeerbesluit omvatte en waarbij dit terugkeerbesluit was genomen zonder dat een actuele refoulementbeoordeling was verricht terwijl dat in die procedure wel aangewezen was. In de onderhavige procedure komt eiser niet op tegen het terugkeerbesluit. Eiser heeft ook niet verklaard dat hij niet aan zijn terugkeerplicht heeft voldaan en kan voldoen vanwege het refoulementbeginsel.\n\n12. In beide terugkeerbesluiten is geen enkele overweging gewijd aan het beginsel van non-refoulement. De rechtbank wijst er op dat in het bewaringsgehoor wel aan eiser is gevraagd of hij zal meewerken een eventuele terugkeer naar Gambia en of hij vreest voor problemen met de autoriteiten bij terugkeer. De tolk heeft overigens gedurende het gehoor opgemerkt dat het niet duidelijk is of eiser alles begrijpt en eiser verward overkomt en ook degene die heeft gehoord heeft aan het einde van het gehoor opgemerkt dat eiser gedurende het gehele gehoor onsamenhangend heeft verklaard, wat wordt bevestigd door de weergegeven verklaringen in de M110. Het is dus maar de vraag welk gewicht moet worden toegekend aan de verklaring van eiser dat hij zal meewerken en geen gevaar vreest bij terugkeer. De hulpofficier van justitie, inspecteur van politie, die deze vragen heeft gesteld en vervolgens de maatregel heeft opgelegd, heeft bovendien in de maatregel niet uitdrukkelijk en kenbaar beoordeeld en gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement is geëerbiedigd. De rechtbank overweegt dat een inhoudelijke beoordeling van het refoulementrisico ook moet worden verricht door een autoriteit die daartoe goed opgeleid is en wijst in dit verband op artikel 4 van richtlijn 2013\u002F32. Deze bepaling ziet weliswaar op de asielprocedure maar de rechtbank acht deze bepaling desalniettemin relevant vanwege de vereisten aan de beslisautoriteiten die een beoordeling moeten maken van het risico bij terugkeer.\n\n13. Verweerder heeft ter zitting erkend dat er nimmer een inhoudelijke beoordeling van het refoulementrisico heeft plaatsgevonden omdat eiser de eerste asielaanvraag heeft ingetrokken en op de opvolgende aanvraag niet is gehoord. Verweerder heeft zich in die procedures en ten tijde van die besluitvorming dus niet nader kunnen vergewissen van de belangen van eiser waarmee hij rekening moet houden als hij op zorgvuldige wijze een terugkeerbesluit wil nemen. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder weliswaar in beide terugkeerbesluiten uitdrukkelijk moeten weergeven dat hij zich realiseert dat het refoulementrisico ten volle moet worden geëerbiedigd, maar dat hij van dit mogelijke risico geen nadere inhoudelijke beoordeling heeft kunnen maken die is toegespitst op de persoon van eiser. Dat verweerder heeft nagelaten om zich dit kenbaar te realiseren en dit ook uitdrukkelijk te vermelden, betekent in de onderhavige procedure, gelet op de concrete feiten en omstandigheden, niet dat de in rechte vaststaande terugkeerbesluiten alsnog moeten worden vernietigd, nietig zijn of dat hun rechtskracht moet komen te vervallen. De rechtbank overweegt dat sprake is van terugkeerbesluiten die ten tijde van het nemen van de besluiten voldeden aan de daaraan te stellen eisen.\n\n14. Een terugkeerbesluit behelst de vaststelling van onrechtmatig verblijf. Deze vaststelling heeft beide keren terecht plaatsgevonden omdat eiser ten tijde van het nemen van beide terugkeerbesluiten niet voldeed aan de voorwaarden voor toegang die zijn vastgesteld in artikel 5 van de Schengengrenscode, of aan andere voorwaarden voor toegang tot, verblijf of vestiging in Nederland.\n\n15. De rechtbank overweegt dat de genomen terugkeerbesluiten voldoen aan de Unierechtelijke vereisten voor zover dit de vaststelling van onrechtmatig verblijf behelst en het daardoor ontstaan van de terugkeerverplichting. Eiser verblijft illegaal op het grondgebied van de Unie doordat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor verblijf. Verweerder was daarom ook op grond van artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2008\u002F115 verplicht om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Zoals hiervoor overwogen was verweerder niet in staat om voorafgaand aan het nemen van de terugkeerbesluiten het refoulementrisico ten gronde te eerbiedigen door een inhoudelijke beoordeling van het refoulementrisico te maken alvorens aan eiser een terugkeerverplichting op te leggen. De rechtbank overweegt dat deze terugkeerverplichting, ondanks dat geen inhoudelijke beoordeling van het refoulementrisico heeft plaatsgevonden, terecht aan eiser is opgelegd en dat verweerder hiertoe ook verplicht was. De rechtbank merkt in dit verband op dat in artikel 3, derde lid, van richtlijn 2008\u002F115 weliswaar is omschreven op welke landen de terugkeerverplichting betrekking kan hebben om het vertrek te kunnen kwalificeren als “terugkeer” in de zin van deze bepaling. Zodra eiser echter het grondgebied van de Unie verlaat, heeft hij voldaan aan zijn verplichting tot “terugkeer” en is het terugkeerbesluit, ongeacht naar welke derde land eiser zou vertrekken, geëffectueerd. Eiser is dus niet verplicht om terug te keren naar zijn land van herkomst om te kunnen voldoen aan de verplichting die voor hem volgt uit de terugkeerbesluiten. De rechtbank interpreteert de “verplichting tot terugkeer” voor eiser dan ook als een “verplichting om te vertrekken van het grondgebied van de Unie”. De rechtbank ziet ook hierin aanleiding om de in rechte vaststaande terugkeerbesluiten thans niet te vernietigen. Dat verweerder het refoulementrisico ten aanzien van het land van herkomst van eiser niet inhoudelijk heeft beoordeeld, staat immers niet weg aan het vertrek naar andere derde landen, althans daarvan is in het geheel niet gebleken.\n\n16. De Uniewetgever heeft in richtlijn 2008\u002F115 niet alleen uitdrukkelijk bepaald dat bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn het beginsel van non-refoulement moet worden geëerbiedigd. De Uniewetgever heeft deze algemene verplichting, naar het oordeel van de rechtbank, uitgewerkt in artikel 9, eerste lid aanhef en onder a, van deze richtlijn. De verplichting om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen betekent dat in het geval de verwijdering in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, de verwijdering moet worden uitgesteld. De Uniewetgever heeft niet bepaald dat in die situatie geen terugkeerbesluit mag worden genomen of dat alle rechtsgevolgen van een eerder genomen terugkeerbesluit moeten worden geschorst gedurende de periode dat de verwijdering moet worden uitgesteld. De Uniewetgever heeft dus ook niet uitdrukkelijk bepaald dat in deze situatie ook de terugkeerverplichting voor de illegaal verblijvende derdelander moet worden uitgesteld of dat deze komt te vervallen. Een terugkeerverplichting voor de illegaal verblijvende derdelander kan dus, naar het oordeel van de rechtbank, bestaan naast en gelijktijdig met een verplicht uitgestelde verwijdering vanwege het beginsel van non-refoulement. De rechtbank verwijst in dit verband naar de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 maart 2025, waarin de rechtbank het Hof om een nadere uitlegging heeft gevraagd van de verplichting om een terugkeerbesluit uit te vaardigen in de situatie dat de verwijdering wordt uitgesteld omdat deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement (ECLI:NL:RBDHA:2025:3843).\n\n17. De rechtbank overweegt dat beide terugkeerbesluiten rechtmatig zijn genomen en ook moesten worden genomen door verweerder. Eiser heeft niet voldaan aan de terugkeerverplichting die hij heeft ingevolge deze terugkeerbesluiten. Dit betekent dat verweerder verplicht is om eiser van het grondgebied van de Unie te verwijderen.\n\n18. Omdat de verplichting om het beginsel van non-refoulement te allen tijde te eerbiedigen óók op “de rechter” rust, en niet alleen op de rechter die de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit controleert, acht de rechtbank zich gehouden om in de onderhavige bewaringsprocedure (ambtshalve) vast te stellen dat verweerder zich nader moet vergewissen of de verwijdering mogelijk in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Verweerder heeft dit niet eerder inhoudelijk beoordeeld en ook niet eerder inhoudelijk kunnen beoordelen. Het refoulementverbod is echter absoluut en dit betekent dat de verwijdering moet worden uitgesteld als deze in strijd moet worden geacht met dit verbod. Verweerder heeft de bewaringsmaatregel opgelegd om eiser te kunnen verwijderen en zodoende te voldoen aan zijn verplichtingen ingevolge de terugkeerbesluiten.\n\n19. De rechtbank overweegt dat in de nationale bewaringsprocedure niet is voorzien in een regeling die het verweerder verplicht om voorafgaand aan de feitelijke uitzetting kenbaar een actuele refoulementbeoordeling te maken. Ook is in de nationale bewaringsprocedure niet voorzien in een mogelijkheid en verplichting voor de rechter om een actuele refoulementbeoordeling te maken voorafgaand aan de feitelijke uitzetting indien het terugkeerbesluit dat als grondslag voor de maatregel dient reeds in rechte vaststaat. Weliswaar kan eiser bezwaar maken tegen een feitelijke uitzetting als die daadwerkelijk wordt gepland. De rechtbank leidt evenwel uit het arrest Ararat af dat de omvang en inhoud van de verplichting voor de autoriteiten, met inbegrip van de rechterlijke autoriteiten, om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, niet afhankelijk is van de mogelijkheid van een illegaal verblijvende derdelander om een asielaanvraag in te dienen, dan wel een ander rechtsmiddel aan te wenden om een actuele beoordeling van het refoulementrisico te verkrijgen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de in 2024 en 2025 verplicht genomen terugkeerbesluiten weliswaar rechtsgeldig zijn, maar niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan het opleggen van een bewaringsmaatregel. De rechtbank wijst in dit kader ter vergelijking naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, waarin de Afdeling de situatie niet uitgesloten heeft geacht dat een rechtsgeldig terugkeerbesluit niet als grondslag van een bewaringsmaatregel kan dienen (ECLI:NL:RVS:2021:1155).\n\n20. De rechtbank concludeert dat bij het tenuitvoerleggen van richtlijn 2008\u002F115 het beginsel van non-refoulement moet worden geëerbiedigd. De rechtbank kwalificeert het in bewaring stellen van een illegaal verblijvende derdelander om een terugkeerbesluit te effectueren en tot verwijdering over te gaan, als het tenuitvoerleggen van richtlijn 2008\u002F115 en als een fase in de terugkeerprocedure. Ook bij het opleggen van de maatregel moet dus het beginsel van non-refoulement worden geëerbiedigd. Voorkomen moet ook worden dat de terugkeerprocedure ter hand wordt genomen voordat is nagegaan of terugkeer naar het land van herkomst een refoulementrisico oplevert. Dit betekent in de onderhavige procedure, omdat verweerder nimmer het refoulementrisico inhoudelijk heeft beoordeeld, dat verweerder niet tot oplegging van de maatregel ter fine van verwijdering kan overgaan voordat hij alsnog het refoulementrisico beoordeelt. Dat in dit geval geen indicaties uit het dossier blijken dat de situatie van eiser en\u002Fof de situatie in het land van herkomst wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van het moment van het nemen van het meest recente terugkeerbesluit, acht de rechtbank in dit geval niet van betekenis. Of een situatie wezenlijk is gewijzigd, acht de rechtbank wel relevant als er eerder een refoulementbeoordeling heeft plaatsgevonden alvorens een nieuw en\u002Fof aanvullend terugkeerbesluit werd opgelegd. In dat geval, zo blijkt ook uit het arrest Ararat, is een actuele refoulementbeoordeling noodzakelijk indien uit het dossier dergelijke indicaties blijken.\n\n21. In het geval van eiser is het refoulementrisico nimmer beoordeeld en zal verweerder dit bij de verdere tenuitvoerlegging van de maatregel en de feitelijke uitzetting niet uit eigen beweging alsnog nagaan door bijvoorbeeld hierover te horen en de verklaringen, anders dan in een vertrekgesprek, ook kenbaar te beoordelen. Verweerder heeft reeds een LP-aanvraag ingediend bij de Gambiaanse autoriteiten. Zodra deze LP wordt verkregen, zal verweerder overgegaan tot het aanschaffen van een vliegticket en overgaan tot de feitelijke uitzetting. Omdat niet is voorzien in een regeling waarbij verweerder wordt verplicht om -uit eigen beweging- voorafgaand aan de feitelijke verwijdering na te gaan of hij bevoegd is om het terugkeerbesluit te effectueren, dan wel dat de verwijdering moet worden uitgesteld, komt de rechtbank tot het oordeel dat de terugkeerbesluiten die jegens eiser zijn genomen weliswaar rechtsgeldig terugkeerbesluiten zijn, maar dat deze terugkeerbesluiten niet kunnen dienen als grondslag voor de inbewaringstelling.\n\n22. De rechtbank acht de maatregel daarom van aanvang af onrechtmatig en zal de maatregel dan ook opheffen. Indien verweerder eiser nogmaals in bewaring zou willen stellen om eiser te verwijderen naar zijn land van herkomst, zal hij eiser moeten horen en, omdat nimmer in een andere procedure een inhoudelijke beoordeling van het refoulementrisico heeft plaatsgevonden, een aanvullend terugkeerbesluit moeten nemen waarin kenbaar is gemotiveerd dat de verwijdering niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement.\n\n23. De rechtbank ziet aanleiding om de beroepsgronden te beoordelen en overweegt voorts het navolgende.\n\n24. De betwisting van enkele zware en lichte gronden leidt niet tot de conclusie dat het gestelde onttrekkingsrisico ontbreekt. Het is feitelijk juist dat eiser niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en dit is ook goed gemotiveerd in de maatregel. Dat dit voor elke asielzoeker geldt doet hier niet aan af. Het is ook feitelijk juist dat eiser ten tijde van de overname uit de strafrechtketen niet in het bezit was van identiteitsdocumenten. Eiser heeft geen gevolg gegeven aan zijn terugkeerverplichting die is opgelegd in het terugkeerbesluit van 16 oktober 2014 en ook deze zware grond is dus juist. Zware gronden 3a en 3c zijn voldoende om een onttrekkingsrisico aan te nemen, zodat de rechtbank de overige zware en lichte gronden niet zal beoordelen.\n\n25. De beroepsgrond dat eiser niet had mogen overgaan tot oplegging van de maatregel maar had moeten volstaan met een lichter middel slaagt. Gelet op het onttrekkingsrisico volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat een lichter middel ook tot het bereiken van het beoogde doel zou hebben geleid. Eiser heeft bovendien verklaard naar Frankrijk te willen vertrekken. Hieruit heeft verweerder mogen afleiden dat eiser zich niet beschikbaar zou houden voor de terugkeerprocedure indien zou worden volstaan met een lichter middel. De vraag of om deze reden zou moeten worden volstaan met een lichter middel, kent een andere beoordeling dan de vraag of de maatregel onevenredig bezwarend moet worden geacht en daarom moet worden volstaan met een lichter middel. De rechtbank overweegt dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of oplegging van de maatregel onevenredig bezwarend is voor eiser en dat verweerder in de maatregel ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij hiervan meent te hebben kunnen afzien. De rechtbank merkt op dat ook in het geval verweerder deugdelijk kan onderbouwen dat de maatregel noodzakelijk is omdat anders het met de maatregel beoogde doel niet kan worden, verweerder dus toch zal moeten beoordelen of de oplegging van de maatregel onevenredig bezwarend is en onder omstandigheden gehouden kan zijn om af te zien van oplegging van de maatregel. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16525).\n\n26. Zoals hiervoor vermeld heeft de tolk gedurende het bewaringsgehoor opgemerkt dat het niet duidelijk is of eiser alles begrijpt en dat eiser verward overkomt en heeft ook degene die heeft gehoord aan het einde van het gehoor opgemerkt dat eiser gedurende het gehele gehoor onsamenhangend heeft verklaard, wat wordt bevestigd door de weergegeven verklaringen in de M110. De rechtbank merkt in dit kader op dat ook de rechtbank tijdens het onderzoek ter zitting niet in staat is gebleken om een simpel gesprek met eiser te voeren en dat de rechtbank daarom en na overleg met en toestemming van beide gemachtigden na enige tijd het gesprek met eiser heeft afgerond en de behandeling van het beroep buiten verdere aanwezigheid van eiser heeft voortgezet omdat niet was uitgesloten dat het onderzoek ter zitting en de setting waarin dit plaatsvindt belastend is voor eiser. De rechtbank heeft beide gemachtigden ook bij aanvang van de zitting geïnformeerd dat de parketpolitie de rechtbank had medegedeeld dat eiser voorafgaand aan de zitting in het cellencomplex van de rechtbank zeer verward gedrag vertoonde.\n\n27. De rechtbank overweegt dat het verloop van het bewaringsgehoor en de waarnemingen van de tolk en de hulpofficier van justitie die het gehoor afnam aanleiding had moeten zijn om een arts op te roepen en eiser te laten schouwen. Dat eiser een medische intake krijgt bij inkomst in het DTC en dat het DTC een medische dienst heeft en ook psychische zorg aanwezig is, doet niet af aan de onderzoeksplicht die verweerder heeft vóórdat hij de maatregel oplegt. De inrichtingarts oordeelt overigens ook niet uit eigen beweging of de in bewaring gestelde vreemdelingen detentiegeschikt zijn en is bovendien niet bevoegd om de maatregel op te heffen op medische gronden. De regievoerder heeft geen toegang tot het medische dossier van eiser en van een vreemdeling die minder begaafd is, dan wel kampt met psychische en\u002Fof psychiatrische problematiek mag verweerder niet verwachten dat deze zelfstandig in staat is om na te gaan dat het in de rede ligt een onderzoek naar de eigen detentiegeschiktheid te doen verrichten. Verweerder had in deze concrete procedure -uit eigen beweging- moeten (laten) nagaan of eiser detentiegeschikt is. De rechtbank wijst in dit verband ook op de zorgplicht die het DTC jegens eiser heeft zoals die onder meer tot uitdrukking is gebracht in artikel 42 van de Penitentiaire Beginselenwet en de European Prison Rules (Appendix to Recommendation Rec(2006)2) to the Member States on the European Prison Rules, 11 January 2006, deel III over gezondheid en de zorgplicht van de detentie-autoriteiten. De rechtbank is bekend met de Afdelingsjurisprudentie over wie welke bewijslast draagt, maar overweegt dat verweerder de bewijslast draagt voor het rechtmatige karakter van de oplegging en voortduring van de maatregel. Verweerder had zonder een advies van een arts in te winnen niet kunnen overgaan tot het in bewaring stellen om vervolgens alle initiatief om na de intake zorg bij de medische dienst te verkrijgen bij eiser te laten.\n\n28. In omstandigheden zoals aan de orde in de onderhavige procedure, dient verweerder zich bovendien te realiseren dat hij moet onderzoeken of de maatregel niet alleen noodzakelijk en proportioneel is, maar ook of deze maatregel evenredig is. Het gehoor geeft daarvan onvoldoende blijk gelet op het maar blijven stellen van alle vragen die standaardmatig worden gesteld zonder een arts in te schakelen en door vervolgens de maatregel op te leggen op grond van verklaringen die zijn geduid als onsamenhangend. In het dossier bevindt zich ook het formulier “HV21 Formulier Bijzonderheden zaak” dat is opgemaakt op 29 maart 2025 en waarin ook is vermeld dat betrokkene onsamenhangend heeft verklaard, zich wazig heeft gedragen en het lijkt of niet helemaal tot hem kan worden doorgedrongen. Het onderzoek of volstaan had moeten worden met een lichter middel is gelet op de verwarde indruk die eiser heeft gemaakt op zowel de tolk als degene die het bewaringsgehoor heeft gehouden dus onvolledig en onzorgvuldig verricht. In de maatregel heeft verweerder vervolgens ook onvoldoende gemotiveerd waarom de maatregel niet onevenredig bezwarend is voor eiser. In de maatregel is in wezen uitsluitend vermeld dat de gezondheidstoestand en de medicatie die eiser gebruikt de maatregel niet onevenredig bezwarend maakt omdat de zorg “binnen” gelijkwaardig is aan de zorg “buiten”. Verweerder heeft in de maatregel hieraan alleen de opmerking toegevoegd dat “eiser tevens onsamenhangend verklaart en vermoedelijk psychisch niet in orde is”. Deze motivering volstaat niet.\n\n29. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop dat vraag of moet worden volstaan met de oplegging van een lichter middel niet is beperkt tot een éénmalige beoordeling voorafgaand aan oplegging van de maatregel, maar een voortdurende beoordeling vergt gedurende de gehele tenuitvoerlegging van de maatregel. Indien na oplegging van de maatregel blijkt dat het ondergaan van de maatregel alsnog onevenredig bezwarend is of is geworden, zal verweerder dit ook moeten vaststellen en dan alsnog moeten overgaan tot invrijheidstelling. Eiser is op 29 maart 2025 in bewaring gesteld. Uit het verslag van het op 4 april 2025 gehouden vertrekgesprek blijkt dat eiser op dat moment wegens “gedrag en het psychiatrische beeld” op de OBS verblijft. De regievoerder heeft in dit verslag vermeld dat eiser medicatie krijgt en in het gesprek verward over komt en in zijn reacties onsamenhangend overkomt. Eiser heeft tijdens de zitting op 8 april 2025 verklaard nog steeds te zijn geplaatst in de OBS. De rechtbank heeft verweerder voorgehouden dat eiser in bewaring is gesteld op 29 maart 2025, zich ten tijde van de zitting 10 dagen in bewaring bevindt waarvan het grootste deel in de OBS en de vraag gesteld waarom verweerder de tenuitvoerlegging niet onevenredig bezwarend vindt doordat wordt gekozen voor een OBS-plaatsing in het DTC in plaats van een uitplaatsing naar een gespecialiseerde inrichting waar zorg kan worden geboden in plaats van eiser omwille van zijn veiligheid in een observatiecel te plaatsen. Verweerder heeft daarop te kennen gegeven dat eiser eerst wordt gestabiliseerd in de OBS en op medicatie wordt ingesteld om te achterhalen wat er met eiser aan de hand is en daarna, zo nodig, wordt bezien of eiser wordt uitgeplaatst. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat verweerder kennelijk niet beschikt over medische informatie waaruit blijkt op welke wijze het DTC en verweerder aan hun zorgplicht jegens eiser kunnen voldoen, reden had moeten zijn om de maatregel op te heffen, al dan niet gepaard gaand met de oplegging van een lichter middel. De rechtbank acht het onder deze omstandigheden laten voortduren van de maatregel waarbij eiser in de OBS moet worden geplaatst omdat niet duidelijk is met welke problematiek eiser kampt en het niet mogelijk is om eiser in een normale cel in het DTC te plaatsen, onaanvaardbaar. De rechtbank merkt hierbij op dat de OBS-plaatsing niet is ingegeven door gevaarzettende gedragingen van eiser voor derden of voor hemzelf maar in het niet kunnen duiden van zijn gedragingen en problematiek. Verweerder had echter de Directeur van het DTC moeten verzoeken om een forensisch onderzoek naar de detentiegeschiktheid van eiser te laten verrichten in plaats van eiser in afzondering in een OBS-cel te plaatsen. Dat de vraag of moet worden volstaan met een lichter middel omdat het ondergaan van de maatregel onevenredig bezwarend is (geworden) een voortdurende beoordeling vergt, blijkt ook uit de uitspraken van de Afdeling van 7 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:364) en 14 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:464).\n\n30. De rechtbank concludeert dat de maatregel vanaf aanvang af onrechtmatig is. Het terugkeerbesluit waarop de maatregel is gestoeld is weliswaar rechtsgeldig, maar kan niet aan de maatregel die als doel heeft de verwijdering te verzekeren ten grondslag worden gelegd omdat verweerder nimmer het refoulementrisico inhoudelijk heeft beoordeeld. Een zelfstandige grond om de bewaring van aanvang af onrechtmatig is te achten houdt verband met de zorgplicht die verweerder jegens eiser heeft als verweerder eiser in bewaring wil stellen. Verweerder had alvorens eiser in bewaring te stellen een arts moeten raadplegen om te bezien of eiser detentiegeschikt is. Verweerder heeft bovendien onvoldoende zorgvuldig onderzocht of volstaan had moeten worden met een lichter middel en heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de maatregel niet onevenredig is geacht. Verweerder heeft tot slot gedurende de tenuitvoerlegging van de maatregel ten onrechte niet alsnog beoordeeld of had moeten worden volstaan met een lichter middel en verweerder heeft zonder het laten verrichten van een forensisch onderzoek naar de detentiegeschiktheid eiser niet in de OBS kunnen plaatsen om op die wijze de maatregel te kunnen laten voortduren. De rechtbank acht het niet opportuun om de overige rechtmatigheidsvereisten te bespreken en te beoordelen. De rechtbank zal de maatregel opheffen en eiser in vrijheid stellen. De rechtbank is niet bevoegd om eiser op te laten nemen in een medisch of psychiatrisch centrum en beschikt ook niet over relevante medische informatie om de noodzaak daartoe te bepalen.\n\n31. Omdat de rechtbank tot de conclusie komt dat de maatregel van aanvang af onrechtmatig is geweest, zal de rechtbank eiser in aanmerking brengen voor een schadevergoeding. Eiser is op dag dat hij in bewaring is gesteld in het DTC geplaatst en de rechtbank zal de standaardmatig toegekende bedragen hanteren bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding.\n\n32. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).\n\n33. Beslist wordt als volgt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel;\n\n- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.700,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. K.M.R.L. Kamp, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 14 april 2025.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:6104","2026-07-13T00:28:40.576Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":138,"fullText":139,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":140,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":51,"updatedAt":141},"550","ECLI:NL:RBDHA:2025:5588","ecli-nl-rbdha-2025-5588","2025-04-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.14694\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer],\n\n(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. K. Bruin).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 27 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 2 april 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Poolse nationaliteit te hebben.\n\nAanwezigheid ter zitting\n\n2. De rechtbank stelt vast dat een door eiser getekende afstandsverklaring is overgelegd. Voor de rechtbank is het dan ook voldoende duidelijk dat eiser heeft afgezien van zijn recht om ter zitting gehoord te worden.\n\nInspanningsverplichting\n\n3. Eiser wijst erop dat hij een gevangenisstraf van drie dagen moest uitzitten in strafrechtelijke detentie voordat hij aansluitend in bewaring is gesteld. Hij stelt dat verweerder zoveel mogelijk moet voorkomen dat een vreemdeling in bewaring wordt gesteld. Eiser meent dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden door gedurende deze strafrechtelijke detentie geen voorbereidende vertrekhandelingen te verrichten. Indien verweerder in die drie dagen al een T&O-aanvraag had opgestart of een vertrekgesprek met eiser had gevoerd, had de duur van de inbewaringstelling mogelijk korter kunnen zijn.\n\n4. Uit het dossier komt naar voren dat eiser op 21 maart 2025 strafrechtelijk is aangehouden en vanaf 24 maart 2024 in strafrechtelijke detentie is geplaatst. Na afloop hiervan is eiser op 27 maart 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld. Reeds gelet op het (zeer) korte tijdsbestek tussen 24 maart 2025 en 27 maart 2025 is de rechtbank van oordeel dat verweerder de inspanningsverplichting niet heeft geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichter middel\n\n5. Eiser stelt dat er een lichter middel kon worden toegepast. Hij heeft verklaard dat hij bereid is om mee te werken aan zijn vertrek. In de beschikking van 10 juni 2024 staat dat hij Nederland moet verlaten, maar niet dat hij terug moet keren naar Polen. Hij kan ook naar Duitsland vertrekken bijvoorbeeld. Verweerder heeft hier onvoldoende aandacht aan besteed en ten onrechte geen andere opties dan terugkeer naar Polen overwogen.\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om dit risico te ondervangen. Dit blijkt ook uit het feit dat eiser naar aanleiding van de beschikking van 10 juni 2024 diende te vertrekken, maar dit niet (vrijwillig) heeft gedaan. De enkele verklaring dat hij bereid is om terug te keren naar Polen is onvoldoende om een lichter middel toe te passen. Hij is immers op 24 februari 2025 al uitgezet naar Polen, maar binnen een week weer teruggekeerd.\n\n7. Gelet op eisers Poolse nationaliteit en het feit dat hij eerder naar Polen is uitgezet, heeft verweerder kunnen besluiten het vertrekproces op Polen te richten. Eiser heeft op geen enkel moment verklaard dat hij naar een andere lidstaat zou willen vertrekken. Verweerder was dan ook niet gehouden om een mogelijk vertrek naar een ander land dan Polen te onderzoeken.\n\nAmbtshalve toets\n\n8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 april 2025 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Vreemdelingenwet 2000.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:5588","2026-07-13T00:28:36.256Z",{"id":143,"ecli":144,"slug":145,"caseNumber":43,"courtId":84,"decisionDate":146,"fullText":147,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":148,"sourceTimestamp":146,"parsedAt":51,"updatedAt":149},"486","ECLI:NL:RBDHA:2025:3039","ecli-nl-rbdha-2025-3039","2025-02-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.7189\n Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] (V-nummer: [V-nummer]),\n\ngeboren op [geboortedatum] 1991, (gestelde) Algerijnse nationaliteit,\n\neiser,\n\n(gemachtigde: mr. [advocaat]),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft eiser op 7 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel, welk beroep tevens wordt aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft de maatregel op 18 februari 2025 opgeheven en daarbij aangeboden schade te vergoeden voor de periode vanaf 17 februari 2025 tot 18 februari 2025 en de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van één punt (€ 907,-).\n\nAansluitend aan de opheffing van de maatregel is eiser in bewaring gesteld op een andere grondslag.\n\nDe rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 24 februari 2025 verzocht om te reageren op de opheffing van de maatregel en de aangeboden schadevergoeding en proceskostenvergoeding. De rechtbank heeft geen reactie ontvangen.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is opgeroepen en verschenen om in persoon te worden gehoord en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. el Manouzi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Omdat de maatregel die ter toetsing voorligt is opgeheven voordat het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden en de rechtbank niet beschikt over stukken van de aansluitend aan de opheffing opgelegde maatregel(en) en de rechtmatigheid van die maatregel dus niet kan controleren, beoordeelt de rechtbank in de onderhavige procedure uitsluitend de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend vanwege de opgeheven maatregel. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.\n\n2. Gemachtigde van eiser, die niet op de hoogte was van de opheffing van de maatregel hoewel deze opheffing ogenblikkelijk blijkt bij raadpleging van het digitale dossier, heeft ter zitting, nadat de rechtbank heeft aangegeven dat eiser inmiddels op grond van een opvolgende maatregel in bewaring wordt gehouden en dat verweerder reeds schadevergoeding en een proceskostenvergoeding heeft aangeboden vanwege “een te late omzetting”, aangevoerd dat de maatregel van bewaring te laat is omgezet en eiser daarom in vrijheid moet worden gesteld. Gemachtigde van eiser heeft ook aangevoerd dat eiser inmiddels lang in bewaring wordt gehouden en als er nu inmiddels een lp is, niet valt in te zien waarom die lp er een half jaar geleden nog niet was en het daarom de vraag is of verweerder wel voortvarend genoeg handelt.\n\n3. De rechtbank merkt allereerst op dat de rechtbank de rechtmatigheid van een maatregel op de asielgrond beoordeelt. Het moment waarop een lp is aangevraagd en is verkregen is hiervoor niet relevant.\n\n4. De rechtbank stelt voorts vast dat de asielaanvraag die eiser op 5 februari 2025 heeft ingediend, op 15 februari 2025 niet-ontvankelijk is verklaard. In de beschikking van 15 februari 2025 is vermeld dat de maatregel met ten hoogste drie maanden wordt verlengd op grond van artikel 59b, derde lid, Vw. In artikel 59b, derde lid, Vw is bepaald dat “de bewaring krachtens het eerste lid, onderdeel a, b of c, kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder h, Vw”. Verweerder heeft op 17 februari 2025 een aanvullende beschikking genomen met als inhoud:\n\n(…)\n\nIn het besluit van 15 februari 2025 is abusievelijk opgenomen dat de bewaringsmaatregel met hoogstens drie maanden wordt verlengd. Dit klopt niet, uw bewaringsmaatregel wordt namelijk niet verlengd. U kunt dit document zien als correctie van het originele besluit.\n\n(…)\n\n5. De rechtbank overweegt dat “een correctie van het originele (asiel-)besluit” niet tot gevolg heeft dat de maatregel niet is verlengd in het “originele besluit” van 15 februari 2025. De rechtbank overweegt ook dat verweerder op grond van artikel 59b, derde lid Vw, gelezen in samenhang met artikel 8 onder h, Vw en gelet op de vaste Afdelingsjurisprudentie, bevoegd was om de maatregel met ten hoogste drie maanden te verlengen. Weliswaar is toelichting bij die verlenging toegespitst op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, terwijl de maatregel is gestoeld op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, Vw, maar dit maakt de verlenging niet onrechtmatig omdat de juiste grondslag voor de verlenging is benoemd en de verlenging daarmee genoegzaam is gemotiveerd. De rechtbank begrijpt daarom ook niet waarom verweerder op 17 februari 2025 het aanvullende besluit heeft genomen en heeft beslist de maatregel niet te verlengen. Eiser is bovendien niet in vrijheid gesteld, maar aansluitend op grond van een opvolgende maatregel in bewaring gehouden. De rechtbank overweegt dat niet onwaarschijnlijk is dat die opvolgende maatregel op een onjuiste grondslag is gestoeld, maar zoals hiervoor overwogen beoordeelt de rechtbank uitsluitend de rechtmatigheid van de maatregel op de asielgrondslag.\n\n6. De rechtbank stelt dus vast dat de maatregel in de beschikking van 15 februari 2025 rechtsgeldig is verlengd. Verweerder heeft in zijn aanvullende besluit deze verlenging stopgezet, waardoor op dat moment de grondslag aan de maatregel is komen te vervallen.\n\n7. Indien de grondslag aan een maatregel komt te ontvallen, dient de invrijheidstelling te volgen, tenzij verweerder het noodzakelijk, proportioneel en evenredig acht om een opvolgende maatregel op te leggen. Het onderzoeken of dit is zo en het eventuele opleggen van een opvolgende maatregel dient zo spoedig mogelijk te geschieden indien verweerder de vreemdeling ononderbroken in bewaring wil houden. Op grond van “de schottentheorie” wordt doorgaans aangenomen dat een zogenoemde “omzetting” binnen twee dagen (en niet binnen 48 uur, zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16568, rechtsoverweging 19) dient te geschieden. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat deze termijn van twee dagen, geen termijn is die hoe dan ook mag verstrijken zonder dat enige handelingen van verweerder zijn vereist. De rechtbank zal dan ook steeds beoordelen of de termijn die is verstreken tussen het ontvallen van de grondslag aan een maatregel en het opleggen van een opvolgende maatregel noodzakelijk is geweest voor het te verrichten onderzoek en de oplegging van de maatregel. In de onderhavige geval is de grondslag van de te toetsen maatregel ontvallen door het nemen van een aanvullend besluit op 17 februari 2025. De betreffende maatregel is opgeheven op 18 februari 2025. De rechtbank acht het tijdsverloop tussen 17 en 18 februari 2025 dermate gering, dat er geen sprake is geweest van onrechtmatig voortduren van de maatregel na het ontvallen van de grondslag.\n\n8. Eiser heeft geen andere beroepsgronden aangevoerd, hoewel hij daartoe ter zitting uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank heeft alle rechtmatigheidsvereisten gecontroleerd en concludeert, anders dan verweerder, dat de maatregel rechtsgeldig is opgelegd en vanaf de oplegging tot de opheffing steeds rechtmatig heeft voortgeduurd.\n\n9. Verweerder heeft eiser een aanbod tot vergoeding van schade en proceskosten gedaan. De rechtbank overweegt dat dit aanbod onverplicht is gedaan en dat eiser dit bovendien niet heeft aanvaard. Omdat de rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en rechtmatig heeft voortgeduurd tot het moment van opheffing, bestaat er geen aanleiding om eiser in aanmerking te brengen voor schadevergoeding en bestaat er ook geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. Dat de gemachtigde voor de zitting het digitale dossier niet heeft bekeken en daarom het aanbod tot schadevergoeding niet heeft gezien en niet heeft aanvaard, betekent niet dat de rechtbank het onverplicht gedane aanbod tot vergoeding van schade en proceskosten “omzet” in een veroordeling tot vergoeding van schade, die dus niet is geleden, en proceskosten. De rechtbank controleert immers in alle bewaringsprocedures ambtshalve alle rechtmatigheidsvereisten en dit kan betekenen dat de rechtbank een maatregel (on)rechtmatig acht terwijl partijen hier anders over denken.\n\n10. De rechtbank volstaat gelet op het bovenstaande met het uitspreken van de ongegrondheid van het beroep en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. K.M.R.L. Kamp, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 28 februari 2025.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:3039","2026-07-13T00:28:32.895Z",20,[152,11,153],2026,2024]