[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-immigration-law-nl-2024":3},{"detail":4,"years":63},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":62},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},146,"immigration-law-nl","Immigration Law","NL","2026-07-08T16:58:36.005Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":14},12,[39,52],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1368","ECLI:NL:RBDHA:2024:20994","ecli-nl-rbdha-2024-20994","",65,"2024-12-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.27186\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam] , eiseres,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. D. de Vries),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 27 november 2023 voor het verlenen van een machtiging voor voorlopig verblijf.1.1.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIs het beroep ontvankelijk en gegrond?\n\n2. Voordat eiseres een beroep kan indienen tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag, moet eiseres schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat er binnen twee weken alsnog moet worden beslist (de ingebrekestelling).Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan eiseres beroep indienen.\n\n3. De minister moet uiterlijk binnen 90 dagen na het ontvangen van de aanvraag beslissen.De minister heeft deze termijn met drie maanden verlengd. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Eiseres heeft daarna aan de minister laten weten dat zij alsnog binnen twee weken moet beslissen. De zogenoemde ingebrekestelling. Hierop heeft de minister geen besluit genomen, waarna eiseres een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingediend. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.\n\nWelke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?\n\n4. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft in de uitspraak van 16 augustus 2024geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘first in first out’ (fifo)-principe van de minister. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel een termijn van 90 dagen oplegt, die begint op het moment dat de minister de zaak van eiseres in behandeling neemt. De minister heeft in haar verweerschrift aangegeven de aanvraag van eiseres in mei 2025 in behandeling te nemen. Dit betekent dat de minister vóór 30 juli 2025 een beslissing op de aanvraag van eiseres bekend dient te maken.\n\nLegt de rechtbank de minister een (nieuwe) rechterlijke dwangsom op?\n\n5. Eiseres heeft gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet vóór 30 juli 2025 een besluit op de aanvraag neemt, de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden. Is de minister een bestuurlijke dwangsom verschuldigd?\n\n6. Eiseres heeft gevraagd de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als de minister niet binnen twee weken na de ingebrekestelling alsnog een besluit neemt, moet de minister een bestuurlijke dwangsom aan eiseres betalen. Omdat vanaf dat moment meer dan 42 dagen zijn verstreken, stelt de rechtbank de dwangsom vast op € 1.442,-.Dat is het maximale bedrag.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister voor 30 juli 2025 een besluit moet nemen op de aanvraag. Doet de minister dat niet dan is aan eiseres een dwangsom verschuldigd. De minister moet ook de maximale bestuurlijke dwangsom aan eiseres betalen.\n\n8. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 437,50.De minister moet ook het betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt de minister op om vóór 30 juli 2025 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;\n\nbepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;\n\nstelt de hoogte van de door de minister aan eiseres verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast op € 1.442,-;\n\ndraagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 437,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Artikel 2u, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw).\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:13031.\n\n Artikel 4:17 van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde\u002Fadvocaat verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:20994","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:18.251Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"299","ECLI:NL:RBDHA:2024:16044","ecli-nl-rbdha-2024-16044",63,"2024-10-02T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.31494\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. E. Arslan) en\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verweerder\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).\n\nOverwegingen\n\nDe rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.¹\n\nAls een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.²\n\nSinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023\u002F3 van kracht.³ Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. Eiser betwist dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser vindt daarom dat verweerder met de WBV 2023\u002F3 de beslistermijn niet geldig heeft verlengd en dat hij verweerder niet prematuur in gebreke heeft gesteld. Eiser\n\n1. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2 Dit volgt uit artikel 6:2 en 6:12 van de Awb.\n\n3 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.\n\nverzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, verweerder op te dragen alsnog een besluit te nemen en hieraan een rechterlijke dwangsom te verbinden.\n\n4. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De rechtbank verwijst voor de motivering naar de uitspraak van deze zittingsplaats van 16 februari 2024.⁴ Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de inwerkingtreding van de WBV 2023\u002F3 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n5. Eiser heeft op 17 oktober 2023 zijn asielaanvraag ingediend. De asielaanvraag van eiser valt dus onder het toepassingsbereik van de WBV 2023\u002F3. Dit betekent dat de beslistermijn in zijn zaak met negen maanden is verlengd en verweerder uiterlijk op 17 januari 2025 op de aanvraag moet beslissen. De ingebrekestelling van 23 juli 2024 is hierdoor te vroeg ingediend. Dat maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep op grond van het niet tijdig beslissen door verweerder, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.\n\n4 ECLI:NL:RBDHA:2024:1859.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n02 oktober 2024\n\nDocumentcode: [documentcode]\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:16044","2024-10-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:23.327Z",20,[64,65,11],2026,2025]