[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-income-tax-nl-2026":3},{"detail":4,"years":200},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":198,"page":14,"limit":199},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},35,"income-tax-nl","Income Tax","NL","2026-07-08T16:53:25.892Z",2026,[13,16,19,20,23,26,29,30,32,34,36,37],{"month":14,"count":15},1,3,{"month":17,"count":18},2,0,{"month":15,"count":17},{"month":21,"count":22},4,11,{"month":24,"count":25},5,7,{"month":27,"count":28},6,29,{"month":25,"count":18},{"month":31,"count":18},8,{"month":33,"count":18},9,{"month":35,"count":18},10,{"month":22,"count":18},{"month":38,"count":18},12,[40,53,62,69,77,84,91,99,106,114,121,130,137,145,152,159,167,174,181,189],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1965","ECLI:NL:RBZWB:2026:5643","ecli-nl-rbzwb-2026-5643","",64,"2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F606\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. T.G.M. Scheers),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2024. Het beroep ziet op de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) over het jaar 2019 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.97.01 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente en revisierente.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nToetsingskader\n\n3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken.Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.\n\nEen beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.\n\n3.1.. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.\n\nIs het beroep te laat ingediend?\n\n4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 30 oktober 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 11 december 2024.\n\n4.1.. Belanghebbende heeft op 30 januari 2025 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.\n\nIs het te laat indienen verontschuldigbaar?4.2.. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende heeft een aanmaning ontvangen welke betrekking heeft op de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2019. Belanghebbende stelt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat hij na kennisneming van de aanmaning gelijk beroep heeft ingesteld bij de rechtbank.\n\n4.3.. De rechtbank constateert dat het beroep van belanghebbende ziet op de uitspraak op bezwaar en niet op de aanmaning. Belanghebbende had daarom beroep moeten instellen binnen zes weken na de uitspraak op bezwaar en niet pas actie moeten ondernemen na de aanmaning. Wat belanghebbende aanvoert leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de termijnoverschrijding niet aan belanghebbende is toe te rekenen. Het had op zijn weg gelegen op een eerder moment zijn beroep op de juiste manier kenbaar te maken. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Het te laat indienen is dus niet verontschuldigbaar.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5643","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:47.652Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":46,"fullText":58,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"860","ECLI:NL:RBGEL:2026:5236","ecli-nl-rbgel-2026-5236",60,"RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F7898 tot en met 24\u002F7901, 24\u002F7903 en 24\u002F7904 rectificatie\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde\u002Fechtgenoot]),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almere, de inspecteur\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 september 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor ieder van de jaren 2009 tot en met 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de betreffende navorderingsaanslag heeft de inspecteur voor ieder jaar belanghebbende heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende daartegen gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente dan wel belastingrente gehandhaafd, de boetebeschikkingen over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd en de boetebeschikkingen over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nBij uitspraak welke is verzonden op 21 mei 2025heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank een verzoek van de inspecteur om geheimhouding dan wel beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht van een stuk genaamd ”Memo aandachtspunten Verhuld Vermogen” toegewezen.\n\nIn reactie hierop heeft belanghebbende de rechtbank bericht dat zij akkoord gaat met kennisname door de rechtbank van de ongeschoonde versie van het hiervoor genoemd stuk.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk en gelijktijdig op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenoot van belanghebbende, tevens haar gemachtigde en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is gehuwd met [gemachtigde\u002Fechtgenoot] (de echtgenoot). Belanghebbende en de echtgenoot zijn vennoten van VOF [naam vof] (de vof). Vanaf 2010 is belanghebbende tevens in loondienst bij [naam bedrijf] BV. De echtgenoot heeft in het verleden gewerkt bij de Belastingdienst.\n\n2. Aan belanghebbende zijn de volgende aanslagen IB\u002FPVV opgelegd:\n\njaar\n\naangifte IB\u002FPVV ingediend\n\ndagtekening aanslag\n\nverzamelinkomen\n\nwaarvan box 1-inkomen\n\nwaarvan box 3-inkomen\n\n2009\n\n13-6-2011\n\n24-8-2011\n\n€ 161.749\n\n€ 161.749\n\n€ 0\n\n2010\n\n12-8-2011\n\n19-1-2012\n\n€ 182.358\n\n€ 181.061\n\n€ 1.297\n\n2011\n\n3-2-2013\n\n7-3-2014\n\n€ 115.842\n\n€ 115.842\n\n€ 0\n\n2012\n\n29-3-2014\n\n30-12-2014\n\n€ 86.471\n\n€ 86.471\n\n€ 0\n\n2013\n\n21-7-2014\n\n11-2-2015\n\n€ 79.468\n\n€ 79.468\n\n€ 0\n\n2014\n\n2-7-2015\n\n28-8-2015\n\n€ 95.813\n\n€ 95.813\n\n€ 0\n\n3. Aan belanghebbende is becon-uitstel verleend voor het doen van aangifte IB\u002FPVV 2009 tot 1 mei 2011.\n\n4. Op 29 december 2017 hebben belanghebbende, de echtgenoot en hun zoon de Belastingdienst een, door ieder van hen persoonlijk ondertekende, e-mail (de inkeermelding) gestuurd met de volgende inhoud:\n\n“Geachte inspecteur,\n\nWij maken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 met verrekening van dividend belasting.\n\nWij hebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWij hebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen.\n\nIn Hong Kong is het belegd in fondsen en individuele effecten belegt.\n\nDe rekening in Hong Kong is op naam gesteld van onze zoon [naam zoon], wonende [adres], [postcode] [plaats] BSN [BSN-nummer], de reden is dat hij regelmatig in Hong Kong moet zijn voor zijn werk.\n\nHij heeft geen enkel belang of bedrag in deze rekening.\n\nHet saldo is van ons.\n\nWij hebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.\n\nIn afwachting van uw reactie.\n\nMet vriendelijke groet,”\n\n [gemachtigde\u002Fechtgenoot], [belanghebbende] en [naam zoon]”\n\n[rechtbank:met daarbij drie weergegeven, geschreven, handtekeningen]\n\n5. Op 9 januari 2018 heeft de inspecteur de ontvangst van de inkeermelding van belanghebbende schriftelijk bevestigd.\n\n6. Naar aanleiding van de ontvangen inkeermelding heeft de inspecteur belanghebbende meermaals gevraagd om nadere informatie over het buitenlands vermogen te verstrekken. Belanghebbende heeft hierop gereageerd.\n\n7. De inspecteur schrijft op 20 november 2018 over het in rekening brengen van heffings- en belastingrente in een e-mail aan belanghebbende:\n\n“Daar heeft u een punt! Ik zal er dan straks bij de afhandeling van het dossier voor oudere jaren nog wel even naar kijken.”\n\n8. Omdat belanghebbende, naar daartoe meerdere malen te zijn gevraagd, ter zake van het buitenlands vermogen niet alle gegevens heeft verstrekt, heeft de inspecteur op 13 mei 2019 ten name van belanghebbende een informatiebeschikking afgegeven voor de jaren 2005 - 2014.\n\n9. Met dagtekening 3 mei 2021 heeft de inspecteur uitspraak op het tegen de informatiebeschikking ingediende bezwaar gedaan. Het bezwaar wordt toegewezen voor zover het ziet op de bronbelasting en voor het overige afgewezen. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.\n\n10. Bij uitspraak van 9 augustus 2023heeft deze rechtbank het beroep tegen de informatiebeschikking gegrond verklaard. De informatiebeschikking, voor zover deze ziet op de mutatieoverzichten 1 januari 2005-31 december 2007, is hierbij gehandhaafd. De overige onderdelen van de informatiebeschikking zijn vernietigd.\n\n11. Op verzoek van belanghebbende en de echtgenoot zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014 uitsluitend opgelegd aan belanghebbende. De echtgenoot van belanghebbende heeft dit in een e-mail van 24 september 2023 aan de inspecteur bevestigd.\n\n12. In alle in geschil zijnde jaren bestond het in het buitenland aangehouden vermogen uit een aandeelportefeuille en liquiditeiten. Het saldo van het in het buitenland aangehouden vermogen was in deze jaren op 1 januari als volgt:\n\njaar\n\n2009\n\n€ 1.588.826\n\n2010\n\n€ 2.120.584\n\n2011\n\n€ 2.308.772\n\n2012\n\n€ 1.925.903\n\n2013\n\n€ 2.102.365\n\n2014\n\n€ 2.548.560\n\n13. Op 28 september 2023 heeft de inspecteur een mededeling van het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014, de daarbij behorende beschikkingen inzake heffings- en belastingrente en de daarbij behorende vergrijpboetes gestuurd.\n\n14. Met dagtekening 24 respectievelijk 25 november 2023 zijn aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen IB\u002FPVV, heffings-\u002Fbelastingrentebeschikkingen en vergrijpboetes opgelegd:\n\nzaaknummer\n\njaar\n\nverzamelinkomen\n\nheffingsrente\u002F belastingrente\n\nvergrijpboete\n\n24\u002F7898\n\n2009\n\n€ 235.937\n\n€ 7.520\n\n€ 18.046\n\n24\u002F7899\n\n2010\n\n€ 260.665\n\n€ 8.498\n\n€ 22.077\n\n24\u002F7900\n\n2011\n\n€ 208.192\n\n€ 8.555\n\n€ 23.598\n\n24\u002F7901\n\n2012\n\n€ 163.507\n\n€ 6.024\n\n€ 18.116\n\n24\u002F7903\n\n2013\n\n€ 163.562\n\n€ 7.313\n\n€ 23.376\n\n24\u002F7904\n\n2014\n\n€ 197.755\n\n€ 10.350\n\n€ 36.698\n\n15. Met dagtekening 5 september 2024 heeft de inspecteur de uitspraak op bezwaar verstuurd waarin de bezwaren gedeeltelijk gegrond worden verklaard. In deze uitspraak is vermeld dat de navorderingsaanslagen en de heffings-\u002F belastingrentebeschikkingen in stand blijven, dat de vergrijpboetes over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd worden en dat de vergrijpboetes over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd blijven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n16. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen, heffings- en belastingrentebeschikkingen en boetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Het gaat hierbij om de volgende geschilpunten:\n\nzijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd;\n\nis de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 tijdig opgelegd;\n\nheeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend gehandeld;\n\nheeft de inspecteur gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb);\n\nis terecht en zo ja tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht;\n\nzijn de opgelegde vergrijpboetes wegens opzet in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 terecht en naar de juiste bedragen vastgesteld;\n\nis het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden;\n\nheeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van de procedure die zag op de informatiebeschikking;\n\nheeft belanghebbende recht op een vergoeding wegens geleden immateriële schade.\n\nDe hoogte van de over alle bij de navorderingsaanslagen vastgestelde verzamelinkomens is niet in geschil.\n\n17. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nZijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd?\n\n18. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan haar niet het gehele dossier is verstrekt. In het toegezonden dossier bevonden zich namelijk geen aantekeningen van de behandelend inspecteurs. De inspecteur heeft deze stelling van belanghebbende gemotiveerd weersproken, heeft verklaard dat alle op de zaken betrekking hebbende stukken (digitaal) zijn verstrekt en heeft in dit verband verder nog gesteld dat er geen stukken zijn met betrekking tot afstemming tussen inspecteurs.\n\n19. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. Belanghebbende heeft onvoldoende geconcretiseerd welke stukken ontbreken die de inspecteur heeft gebruikt bij de voorbereiding van de besluitvorming of welke informatie daaruit van belang kan zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. De rechtbank heeft alle geschilpunten kunnen beoordelen aan de hand van de (digitale) stukken die partijen in het geding hebben gebracht. Belanghebbende komt met niets waaruit enige aanwijzing valt af te leiden dat wellicht sprake zou kunnen zijn van niet-overgelegde stukken.\n\nIs de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 binnen de navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgelegd?\n\n20. De navorderingstermijn voor inkomsten en vermogen die in het buitenland zijn gehouden of opgekomen, bedraagt twaalf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De navorderingstermijn voor het vaststellen van een navorderingsaanslag wordt verlengd met de duur van het verleende uitstel, indien voor het doen van de aangifte uitstel is verleend. De termijn voor het opleggen van de aanslag wordt verlengd met de termijn tussen de bekendmaking van de informatiebeschikking en het moment waarop de informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan, dan wel wordt vernietigd.\n\n21. Niet in geschil is dat voor het doen van de aangifte IB\u002FPVV 2009 een jaar becon-uitstel is verleend en dat als gevolg hiervan de navorderingstermijn met een jaar wordt verlengd. De informatiebeschikking is genomen op 13 mei 2019 en is door deze rechtbank vernietigd op 9 augustus 2023. De looptijd van de informatiebeschikking is derhalve vier jaar, twee maanden en 24 dagen. De navorderingstermijn eindigt derhalve op 24 maart 2026. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV heeft als dagtekening 25 november 2023 en is daarmee binnen de navorderingstermijn opgelegd.\n\n22. Belanghebbende heeft haar stelling dat de inspecteur alleen maar een informatiebeschikking heeft opgelegd om de aanslagtermijn te verlengen, op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank deze stelling passeert.\n\n23. De inspecteur heeft op basis van artikel 47 van de AWR een ruime bevoegdheid om informatie te vragen aan belastingplichtigen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur deze bevoegdheid niet te buiten is gegaan. Wanneer de inspecteur ervan op de hoogte raakt dat een belastingplichtige rechthebbende is tot in het buitenland aangehouden, niet aangegeven bankrekeningen, kan hij zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de mogelijkheid bestaat dat de belastingplichtige gedurende enige tijd over (andere) onbekende bronnen van inkomen heeft beschikt en ervoor heeft gekozen daarmee verband houdende vermogensbestanddelen in het buitenland onder te brengen. Dit is voor de inspecteur toereikend om opgave te verlangen van al wat, zo nodig met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR, in de belastingheffing kan worden betrokken.\n\n24. Bij de inspecteur was niet bekend of belanghebbende alle bankafschriften had ingediend. Zo zou het heel goed mogelijk hebben kunnen zijn dat naast de aangegeven rekening in het buitenland, belanghebbende daarnaast nog over andere in het buitenland aangehouden bankrekeningen beschikte, van welke rekeningen geen gegevens waren overgelegd. Belanghebbende heeft desgevraagd niet alle gevraagde informatie aan de inspecteur verstrekt.\n\n25. Het door belanghebbende in dit verband genoemde arrest van de Hoge Raad,doet aan het hiervoor overwogene niet af. Dat, zoals zij aanvoert, belanghebbende niet wist van vermogen in het buitenland en dat daardoor geen informatiebeschikking aan haar kon worden opgelegd, doet niet ter zake. Anders dan in het hier genoemde arrest is belanghebbende in de onderhavige zaken in ieder geval vanaf einde 2013 op de hoogte van het bestaan van een bankrekening in het buitenland, zo volgt uit de mede door belanghebbende persoonlijk getekende inkeermelding. Dat zij dan vervolgens niet over de volledige gegevens van het vermogen in het buitenland beschikt, is voor haar rekening en staat er overigens niet aan in de weg dat aan belanghebbende een informatiebeschikking kan worden afgegeven.\n\nZijn de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend opgelegd?\n\n26. Bij toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR ter zake van spaartegoeden die in een andere lidstaat van de Europese Unie worden aangehouden, dient de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voor te bereiden en vast te stellen aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking staan.Indien een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden, is in ieder geval geen sprake van voortvarend handelen.\n\n27. De rechtbank wijst in dit verband allereerst naar wat zij hiervoor onder 23. tot en met 25. heeft overwogen. Afgezien van de periode waarin de procedure over de informatiebeschikking werd gevoerd, blijkt nergens uit het dossier dat de inspecteur gedurende langer dan zes maanden heeft stilgezeten. De met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR vastgestelde navorderingsaanslagen zijn daarom voldoende voortvarend opgelegd. Daarbij komt nog dat de voortvarendheidseis voor het jaar 2014 reeds niet geldt omdat in dat jaar de niet-aangegeven gelden stonden op een bankrekening in Hongkong. Hongkong behoort niet tot de Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n28. De door belanghebbende in dit verband genoemde uitspraak van de Rechtbank Noord-Hollandis wat betreft het voortvarend opleggen van navorderingsaanslagen in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdamvernietigd. Het door belanghebbende genoemde arrest van de Hoge Raadleidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel over de voortvarendheid van handelen van de inspecteur.\n\nHeeft de inspecteur gehandeld in strijd met de abbb?\n\n29. De rechtbank leest de stelling van belanghebbende dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als een beroep op schending van het vertrouwensbeginsel.\n\n30. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de vernietiging van de navorderingsaanslagen over de jaren 2005 tot en met 2008 er toe zou moeten leiden dat ook de navorderingsaanslagen over latere jaren zouden moeten worden vernietigd, heeft zij die stelling niet met enig bewijs onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.Voor in rechte te beschermen vertrouwen is derhalve meer vereist dan de enkele door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de inspecteur navorderingsaanslagen over eerdere jaren om proceseconomische redenen en\u002Fof de omvang van het dossier heeft vernietigd. Nodig zijn een of meer andere omstandigheden die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de vaststelling\u002Fvernietiging van de aanslagen berustte op een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur.Belanghebbende heeft zulke omstandigheden niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve.\n\n31. Haar stelling dat de inspecteur door haar met name genoemde andere beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, heeft belanghebbende niet onderbouwd en wordt daarom verworpen.\n\nIs het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden?\n\n32. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden. Zij meent dat de navorderingsaanslagen daarom moeten worden vernietigd.\n\n33. In zijn arrest van 13 juni 2025(het arrest van 13 juni 2025) overwoog de Hoge Raad, voor zover van belang (onder weglating van voetnoten):\n\n“5.2.2\n\nHet Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is van toepassing wanneer de inspecteur voornemens is een bezwarend besluit vast te stellen dat de belangen van degene tot wie dat besluit is gericht, aanmerkelijk raakt. Een naheffingsaanslag in de omzetbelasting is zo’n besluit. Het beginsel houdt in dat de inspecteur degene tot wie dat besluit is gericht, de gelegenheid moet bieden zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken voordat dat besluit wordt genomen. Dit brengt mee dat de inspecteur die het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen, de belastingplichtige tijdig en expliciet, dat wil zeggen in niet mis te verstane bewoordingen, van de voorgenomen naheffingsaanslag op de hoogte moet stellen, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag ten grondslag wil leggen. Daarbij moet de inspecteur de belastingplichtige expliciet en ook tijdig uitnodigen om zijn standpunten over de voorgenomen naheffingsaanslag kenbaar te maken. Het moet door deze mededelingen voor de belastingplichtige duidelijk zijn dat, wanneer hij geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om zijn standpunten kenbaar te maken, de inspecteur hem de voorgenomen naheffingsaanslag zal opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De hiervoor bedoelde mededelingen kunnen niet alleen schriftelijk maar ook mondeling worden gedaan.\n\n5.2.3\n\nDe hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen moeten in alle gevallen worden gedaan, ook indien het voornemen tot naheffing ontstaat tijdens een controle die de inspecteur verricht, de belastingplichtige de redenen kent waarom de controle is ingesteld, en die belastingplichtige op de hoogte is van de feiten die tot de voorgenomen naheffingsaanslag leiden. Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel vereist niet dat een onderzoek naar de juistheid van belastingaangiften is afgerond voordat de inspecteur de belastingplichtige op de hoogte stelt van een of meer voorgenomen naheffingsaanslag(en) onder vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag(en) ten grondslag wil leggen. Dat beginsel is juist erop gericht om de elementen waarop een bezwarend besluit zal zijn gebaseerd, zorgvuldig vast te stellen. Daarvoor kan van belang zijn dat de inbreng van de belastingplichtige bij dat onderzoek wordt betrokken voordat het wordt afgerond. Dat biedt de belastingplichtige de gelegenheid voor het aanvoeren van bepaalde feiten die de inspecteur niet aan de voorgenomen naheffingsaanslag ten grondslag heeft gelegd.\n\n5.2.4\n\nIndien de belastingplichtige stelt dat de inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden, rust op de inspecteur de last feiten te stellen en bij betwisting te bewijzen waaruit volgt dat hij bij zijn besluitvorming dat beginsel heeft gerespecteerd. In geval van geschil daarover ligt het daarom op de weg van de inspecteur te bewijzen dat en op welk moment hij de belastingplichtige de hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen heeft gedaan, nadat hij het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen.”\n\n34. De brief van de inspecteur van 28 september 2023 waarin de navorderingsaanslagen worden aangekondigd, voldoet naar het oordeel van de rechtbank wat betreft het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3. van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen de navorderingsaanslagen op te leggen. Met deze brief is belanghebbende niet tijdig en expliciet van de voorgenomen navorderingsaanslagen op de hoogte gesteld, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die de inspecteur aan die navorderingsaanslagen ten grondslag wil leggen. Met deze brief was het voor belanghebbende niet duidelijk dat, wanneer zij geen gebruik zou maken van de haar geboden gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken, de inspecteur haar de voorgenomen navorderingsaanslagen zou opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De rechtbank wijst er hierbij op dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008 en de boetes over de jaren 2009 tot en met 2011 nà 28 september 2023 zijn vernietigd. De rechtbank volgt belanghebbende in haar stelling dat zij na de mededeling van de inspecteur van 28 september 2023 voor het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2014 geen gelegenheid heeft gehad haar uit te laten over de feiten en gronden over de hoogte van deze nog op te leggen navorderingsaanslagen. Het enkele bieden van de gelegenheid om vragen te stellen, zoals vermeld in de laatste alinea van de brief van 28 september 2023, is daartoe onvoldoende. Omdat de feiten voor alle jaren hetzelfde zijn, had belanghebbende voor de niet vernietigde navorderingsaanslagen en boetes willen bepleiten dat deze daarom ook dienden te worden vernietigd. Zij is daartoe echter niet meer in de gelegenheid gesteld daarvoor alsnog argumenten aan te dragen.\n\n35. Dat belanghebbende ten aanzien van het niet aangeven van het saldo op de buitenlandse bankrekening zich vrijwillig heeft ingekeerd, dat zij ervan op de hoogte was dat de inspecteur als gevolg daarvan het voornemen had navorderingsaanslagen IB\u002FPVV op te leggen en dat de navorderingsaanslagen conform de door haar overgelegde cijfermatige gegevens zijn opgelegd, zoals de inspecteur heeft aangevoerd, laat onverlet dat gelet op de eisen die in het bovenstaande arrest van de Hoge Raad worden gesteld, ook dan belanghebbende de gelegenheid moet worden geboden te reageren op een definitief standpunt van de inspecteur of op een definitief element van de navorderingsaanslagen, voor zover dat standpunt of dat element is gegrond op feiten en omstandigheden die de inspecteur aan de navorderingsaanslagen ten gronde wilde leggen.\n\n36. Schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt alleen tot vernietiging van het bezwarende besluit als het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder die schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad (het andere-afloopcriterium). Voor dit oordeel is het voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, degene tot wie dat besluit is gericht een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van dat besluit van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval. Bij toepassing van het andere-afloopcriterium gaat het erom of op basis van de gegevens die de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel aan belanghebbende zou hebben voorgelegd, moet worden aangenomen dat naar objectieve maatstaven in die voorfase niet was uitgesloten dat de inspecteur tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Bij toetsing aan het andere-afloopcriterium gaat het niet erom welke afloop uiteindelijk in rechte komt vast te staan.\n\n37. Wanneer geen schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel had plaatsgevonden, acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen van belang was. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft belanghebbende niet erop mogen vertrouwen dat, in navolging van de aanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008, de inspecteur de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2009 tot en met 2014 ook zou vernietigen. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat ieder belastingjaar op zichzelf staat. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd conform door belanghebbende aan de inspecteur verstrekte gegevens. Voordat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, heeft belanghebbende zelf aan de inspecteur aangegeven dat deze uitsluitend aan haar moesten worden opgelegd en niet (deels) ook aan de echtgenoot.\n\n38. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, hoewel het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden, de navorderingsaanslagen toch in stand blijven, omdat noch het vertrouwensbeginsel, noch de hiervoor genoemde, vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen door belanghebbende gemaakte opmerking over het opleggen van aanslagen uitsluitend aan haarzelf, tot een andere afloop zouden hebben kunnen leiden. Uitgesloten is dat de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Aan het andere-afloopcriterium is niet voldaan.\n\nIs terecht en tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht?\n\n39. Het in rekening brengen van heffings- en belastingrente vloeit voort uit de wet (artikel 30f van de AWR en verder). De heffings- en belastingrente is terecht en tot de juiste bedragen berekend. Belanghebbende heeft haar stelling dat geen heffings- en belastingrente in rekening mag worden gebracht omdat het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden, niet onderbouwd.\n\n40. Anders dan belanghebbende stelt, valt volgens de rechtbank uit het hiervoor onder 7. weergegeven citaat niet af te leiden dat de inspecteur bij oplegging van de navorderingsaanslagen in ieder geval de heffings- en belastingrente zou matigen. Evenmin kan, anders dan belanghebbende aanvoert, de inspecteur niet eraan worden gehouden om tijdens de procedure over de informatiebeschikking (voorlopige) navorderingsaanslagen op te leggen.\n\nBoetes\n\n41. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100% van het bedrag van de navorderingsaanslag indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.\n\n42. Op grond van artikel 67e, zesde lid, van de AWR bedraagt de boete voor zover de navorderingsaanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet IB 2001, in zoverre in afwijking van het eerste lid, ten hoogste 300% van de daarover verschuldigde belasting zoals deze bij de navorderingsaanslag is vastgesteld.\n\n43. Voor het opleggen van de vergrijpboete is vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Van opzet is sprake als de belastingplichtige willens en wetens zodanige handelingen verricht of nalaat dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet alleen vereist dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat zij die kans toen bewust heeft aanvaard.De inspecteur dient overtuigend aan te tonen dat sprake is van opzet aan de zijde van de belastingplichtige. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.\n\n44. De inspecteur heeft gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 op grond van artikel 67e van de AWR voor die jaren vergrijpboetes wegens opzet opgelegd. Omdat sprake is van een vrijwillige verbetering heeft hij daarbij de boetes gematigd naar 120% (40% van 300%).\n\n45. De inspecteur neemt het standpunt in dat bij belanghebbende primair sprake was van (voorwaardelijk) opzet, subsidiair van grove schuld. De over 2009 tot en met 2011 opgelegde vergrijpboetes zijn vervallen wegens gebrek aan overtuigend bewijs dat sprake was van opzet of grove schuld.\n\n46. Belanghebbende betwist dat haar opzet kan worden verweten met betrekking tot het doen van onjuiste aangiften. Zij voert daartoe aan dat zij niet bekend is met het boxensysteem in de Wet IB 2001, dat zij in de vennootschap geen werkzaamheden verricht voor aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting en dat haar echtgenoot tot in 2017 haar bewust onwetend heeft gelaten over de aanwezigheid van buitenlands vermogen. Daarom kunnen aan haar geen boetes worden opgelegd, zo voert zij aan.\n\n47. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er in geslaagd om overtuigend aan te tonen dat sprake is van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014. Gelet op de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding van 28 december 2017 wist zij in elk geval in 2013 van het bestaan van een in Luxemburg gehouden bankrekening, omdat de rekening door haar en haar echtgenoot in dat jaar is opgeheven en het saldo is overgeboekt naar een rekening in Hongkong. De aangiften IB\u002FPVV 2012, 2013 en 2014 zijn alle ingediend nà het opheffen in 2013 van de Luxemburgse effectenrekening en nà het overstorten van het saldo van deze rekening naar een in Hongkong gehouden rekening. Gelet op de inkeermelding wist belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en volgende van het buitenlands vermogen af, maar vermeldde dit niet in deze aangiften.\n\n48. Luxemburg had tot 2015 een absoluut bankgeheim. Door het saldo van de bankrekening niet aan te geven, heeft belanghebbende ervoor gekozen het vermogen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden. De rechtbank wijst in dit verband nog op de volgende passages van de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding (onderstrepingen door de rechtbank):\n\n“Wijmaken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 (…)\n\nWijhebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWijhebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen. (…)\n\nHet saldo is van ons.\n\nWijhebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.”\n\nDe andersluidende verklaring van de echtgenoot in het stuk van 10 april 2026, namelijk dat belanghebbende pas eind 2017 zou zijn ingelicht over het buitenlands vermogen, acht de rechtbank gelet op de duidelijke tekst van de inkeermelding en gelet op het feit dat de inkeermelding door belanghebbende is ondertekend, volstrekt ongeloofwaardig.\n\n49. Belanghebbende heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar aangiften IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 niet juist zouden worden ingediend. Onder die omstandigheden kan het in deze aangiften niet aangeven van het saldo van in het buitenland aangehouden vermogen worden aangemerkt als zozeer gericht op het doen van een onjuiste aangifte dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dit heeft gewild. Dit niet-ontzenuwde bewijsvermoeden van opzet is gebaseerd op vaststaande feiten en omstandigheden die buiten redelijke twijfel vaststaan. Die vermoedens zijn zo sterk dat het behoudens ontzenuwing ervan niet anders kan zijn dan dat belanghebbende opzettelijk heeft gehandeld.Het kan belanghebbende worden verweten dat zij bewust niet alle benodigde gegevens voor het doen van de juiste aangifte in de aangiften heeft vermeld.\n\n50. Belanghebbende en de echtgenoot hebben verzocht om het gehele vermogen toe te rekenen aan belanghebbende. Dit betekent dat de aan belanghebbende opgelegde primitieve aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Hiermee is voldaan aan de delictsomschrijving van artikel 67e van de AWR, zodat de vergrijpboetes op basis van dat artikel terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Dat (een deel van) het door belanghebbende niet aangegeven vermogen in eerste instantie ook niet in de aanslagen van haar echtgenoot was begrepen, neemt belanghebbendes opzet op de te lage aanslagen niet weg. Haar aangiften waren immers – net als die van de echtgenoot – onjuist omdat het in het buitenland aangehouden vermogen opzettelijk niet bij de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen was opgenomen.\n\nDe situatie in de onderhavige zaken wijkt af van die waarbij twee fiscale partners aanvankelijk de volledige gezamenlijke grondslag sparen en beleggen hebben aangegeven en waarbij, na ontvangst van de primitieve aanslagen, een keuze als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 wordt gedaan. Voor de toepassing van artikel 67e van de AWR gaat het er in de onderhavige zaken echter om dat de aanslagen van belanghebbende tot een te laag bedrag waren vastgesteld en dat het opzet van belanghebbende daarop was gericht. Dat dit het geval was, is bij belanghebbende buiten redelijke twijfel vast komen te staan.\n\n51. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van belanghebbende dat de opgelegde boetes dienen te vervallen door de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd.\n\n52. Het is algemeen bekend dat (al dan niet in het buitenland aangehouden en\u002Fof opgekomen) inkomens- en\u002Fof vermogensbestanddelen in de belastingaangifte moeten worden opgenomen; de vraagstelling in de aangifte hieromtrent is voldoende duidelijk.Voor zover belanghebbende op basis van het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015het standpunt inneemt dat haar geen boetes kunnen worden opgelegd omdat zij niet op de hoogte was van het bestaan van buitenlands vermogen, faalt het. Anders dan in dat arrest was in de onderhavige zaken belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften IB\u002FPVV 2012 - 2014 nu juist wel op de hoogte van buitenlands vermogen, zo volgt uit de inkeermelding. De door belanghebbende genoemde omstandigheden verhinderen het opleggen van boetes niet en leiden ook niet tot vernietiging of vermindering van de opgelegde boetes.\n\n53. De door belanghebbende gestelde schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt niet tot vernietiging of vermindering van de boetes. Op overeenkomstige gronden als hiervoor onder 34. en 35. weergegeven, komt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur bij het opleggen van de boetes het verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De inspecteur heeft niet voldaan aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3.van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen een vergrijpboete op te leggen.\n\n54. Evenals dit geldt voor de navorderingsaanslagen, is ook ten aanzien van de boetes niet voldaan aan de eisen van het andere-afloopcriterium. Ook zonder schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de boetes van belang was. Uit de inkeermelding volgt dat belanghebbende op de hoogte was van de overboeking van gelden in 2013 naar Hongkong. Door in het buitenland gestalde gelden niet in haar naderhand ingediende aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en verder op te nemen, heeft zij opzettelijk onjuist aangifte gedaan en kan geen sprake zijn van een andere afloop.\n\n55. De opgelegde boetes zijn proportioneel en evenredig. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd uitsluitend op basis van door belanghebbende ingediende gegevens. De hoogte van de boetes is afhankelijk van de hoogte van de over het niet-aangegeven buitenlands vermogen verschuldigde belasting zoals deze bij de betreffende navorderingsaanslag is vastgesteld. De rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes van 120% in beginsel passend en geboden.\n\n56. De rechtbank zal de boetes ambtshalve verminderen omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Uiterlijk de brief van 14 februari 2019 is aan te merken als aankondiging van het opleggen van boetes, vanaf welke datum de redelijke termijn hiervoor is gaan lopen. Sindsdien zijn meer dan zeven jaren verstreken. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, zijn niet gesteld of gebleken. De redelijke termijn van twee jaren is daarmee met meer dan vijf jaren overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boetes te verminderen met 20%.De boetes dienen daarom te worden verminderd tot de volgende bedragen: € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014).\n\nVergoeding van immateriële schade\n\n57. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.\n\n58. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\n59. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar. Voor de toekenning van een vergoeding immateriële schade worden alle zaken als met elkaar samenhangend beschouwd.De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de aanslagen ontvangen op 4 januari 2024. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) twee jaar en zes maanden. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met afgerond een half jaar overschreden. Dit betekent een vergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 5 september 2024. De overschrijding van de redelijke termijn is voor twee maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor vier maanden aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om € 167 (2\u002F6 * € 500) en de Staat veroordelen om € 333 (4\u002F6 * € 500) aan belanghebbende te betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n60. De beroepen zijn ongegrond. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en de heffings- en belastingrentebeschikkingen blijven in stand. De vergrijpboetes worden door de rechtbank ambtshalve verminderd. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een vergoeding immateriële schade van € 500. Zowel toekenning van vergoeding immateriële schade als ambtshalve vermindering van de boetes leiden niet tot gegronde beroepen.\n\n61. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Wanneer rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van de belanghebbende, moet in beginsel worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend.De rechtbank ziet in de onderhavige zaken geen aanleiding hierover anders te oordelen.\n\n62. Voor een aanvullende (integrale) proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase ten aanzien van de afgegeven informatiebeschikking, waar belanghebbende om heeft verzocht, bestaat eveneens geen aanleiding. Deze (advocaat)kosten staan namelijk los van de huidige beroepsprocedures en bovendien zien zij deels ook op de aan de echtgenoot opgelegde informatiebeschikking.\n\n63. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is na 31 mei 2024 gedaan. Belanghebbende heeft daarom in verband hiermee geen recht op vergoeding van griffierecht.De ambtshalve vermindering van de vergrijpboetes geeft evenmin aanleiding voor vergoeding van griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2012 tot en met 2014 voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de boetebeschikkingen tot € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014);\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraken op bezwaar;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 167.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. P.J. Tikken en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.\n\nUitgesproken op 26 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2025:5003.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2023:6090.\n\n Artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\n Hoge Raad 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:778.\n\n Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nHoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120.\n\nHoge Raad 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:717, en Hoge Raad 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105.\n\n Waarbij de navorderingstermijn wordt verlengd met de looptijd van de informatiebeschikking: zie artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\nHvJEU 15 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:119.\n\n Rechtbank Noord-Holland 4 juli 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:8544.\n\n Gerechtshof Amsterdam 3 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:428.\n\n Hoge Raad 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1557.\n\n Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069 en Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439.\n\n Zie Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, r.o. 3.2.1.\n\nECLI:NL:HR:2025:903.\n\n Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1053.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063.\n\n ECLI:NL:HR:2013:63.\n\n ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nVergelijk Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\nECLI:NL:HR:2016:252.\n\nBeleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2, en Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:586.\n\nHoge Raad 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, r.o. 3.2.1.\n\n Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5236","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.704Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":46,"fullText":66,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":68},"1580","ECLI:NL:RBGEL:2026:5066","ecli-nl-rbgel-2026-5066","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8842\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om dwangsom.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 420.\n\nDe inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende afgewezen.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in [woonplaats] en heeft een fiscaal partner.\n\n2. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2022 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2021.\n\n3. Belanghebbende heeft op 22 maart 2022 de aangifte IB\u002FPVV 2021 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 420 opgegeven.\n\n4. Met dagtekening 20 oktober 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2021 vastgesteld conform de ingediende aangifte. Op de aanslag staat dat voor het box 3-inkomen rekening is gehouden met de uitspraak van Hoge Raad van 24 december 2021.\n\n5. Bij brief van 5 december 2022, ontvangen door de inspecteur op 13 december 2022, heeft belanghebbende tezamen met zijn fiscaal partner om een ambtshalve vermindering voor box 3 aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2021 verzocht.\n\n6. De inspecteur heeft op 28 juni 2023 een brief aan belanghebbende verzonden over massaal bezwaar plus en box 3. De inspecteur geeft aan dat het bezwaar ondanks dat het te laat is ingediend toch in behandeling wordt genomen en beoordeeld zal worden of belanghebbende in aanmerking komt voor rechtsherstel.\n\n7. Belanghebbende heeft op 30 september 2024 en ontvangen door de inspecteur op 8 oktober 2024, een ingebrekestelling verzonden voor het niet beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende. Belanghebbende geeft ook aan dat hij op 5 juli 2023 een brief heeft verzonden aan de inspecteur, maar geen reactie hierop heeft ontvangen.\n\n8. Op 15 november 2024 heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. De inspecteur geeft aan dat de genoemde brief van 5 juli 2023 niet vindbaar is en verzoekt belanghebbende om een afschrift van deze brief per e-mail te versturen. Belanghebbende heeft dezelfde dag een e-mail met als bijlage de brief in Word-bestand aan de inspecteur verzonden.\n\n9. De inspecteur heeft op 20 november 2024 een e-mail verstuurd aan belanghebbende waarin hij refereert naar het telefonisch contact met belanghebbende waar is besproken dat het verzoek om ambtshalve vermindering wordt aangehouden in verband met de massaal bezwaar plus procedure en de voorbereiding van het formulier opgaaf werkelijk rendement door de Belastingdienst. De inspecteur geeft ook de mogelijkheid om de ingebrekestelling in te trekken. Bij geen intrekking verzoekt hij om de jaaropgaaf van rekeningen met bank- en spaartegoeden en een overeenkomst en bankafschrift waaruit de ontvangen rente over de verleende lening blijkt, te verstrekken. De inspecteur vraagt om de gevraagde informatie voor 28 november 2024 te versturen.\n\n10. Met dagtekening 3 december 2024 heeft de inspecteur de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering aan belanghebbende verstuurd. De inspecteur geeft aan dat de verzochte informatie niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat het verzoek wordt afgewezen.\n\n11. Belanghebbende heeft op 4 december 2024 een e-mail met afschriften rendement 2021 aan de inspecteur verzonden. Belanghebbende geeft aan dat hij het niet eens is met de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek als bezwaar aangemerkt had moeten worden. Belanghebbende haalt het recht op een dwangsom aan.\n\n12. Hangende het beroep, heeft de inspecteur met dagtekening 14 januari 2025 de beslissing op het verzoek om een dwangsom aan belanghebbende kenbaar gemaakt.\n\nDe inspecteur kent geen dwangsom toe, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n13. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Alvorens zij dat doet, beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n14. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid\n\n15. De rechtbank stelt vast dat hangende het beroep de inspecteur op 14 januari 2025 een beslissing heeft genomen op het verzoek om een dwangsom. Tegen deze beslissing staat bezwaar open. Belanghebbende had eerst bezwaar moeten maken tegen deze afwijzing van het verzoek om dwangsom. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan, heeft de rechtbank met instemming van partijen ter zitting verklaard dat het beroep ontvankelijk is en inhoudelijk beoordeeld wordt.\n\nDwangsom\n\n16. Belanghebbende heeft betoogd dat hij recht heeft op een dwangsom, omdat de inspecteur nadat hij door belanghebbende in gebreke is gesteld te laat een beslissing heeft genomen. Volgens belanghebbende heeft hij recht op de maximale vergoeding.\n\n17. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de beslissing om geen dwangsom toe te kennen juist is, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\n18. De rechtbank overweegt dat een verzoek om ambtshalve vermindering is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is niet opgenomen welke beslistermijn er geldt voor het beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering. Een beslissing dient dan binnen een redelijke termijn van acht weken genomen te worden.\n\n19. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, voor ten hoogste 42 dagen.De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.Geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.\n\n20. In de memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt over de uitzondering die is opgenomen in artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a van de Awb, het volgende opgemerkt:\n\n“De eerste uitzondering […] op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, [hij] zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen.(…)”\n\n“Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (…).”\n\nIn de Handelingen van de Tweede Kamer is het volgende vermeld:\n\n“In het algemeen is (…) zelfs een termijn van vijf of zes maanden nog niet onredelijk laat. We praten dus echt over een periode van een jaar of twee jaar waarin men helemaal niets laat horen. Dan is het raar om opeens in gebreke te gaan stellen en heel snel een beslissing te willen. Het is echt bedoeld voor dat soort uitzonderingsgevallen.”\n\n21. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de ingebrekestelling die door de inspecteur op 8 oktober 2024 is ontvangen. Dat belanghebbende mogelijk eerder op 5 juli 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden aan de inspecteur, is door hem niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft weliswaar op 15 november 2024 een e-mail aan de inspecteur verzonden met als bijlage een brief in Word-bestand met datum 5 juli 2023, maar daaruit blijkt niet dat die brief ook daadwerkelijk is verzonden.\n\n22. De rechtbank stelt vast dat het tijdsverloop van einde beslistermijn van de inspecteur (acht weken na het verzoek om ambtshalve vermindering van 5 december 2022) en de ingebrekestelling van 8 oktober 2024 aanzienlijk langer is dan de “hooguit enkele weken”, zoals in de memorie van toelichting is vermeld. Belanghebbende heeft ruim 1 jaar en 10 maanden geen actie ondernomen om een besluit op zijn verzoek te krijgen. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat in zijn algemeenheid niet kan worden bepaald wanneer een ingebrekestelling onredelijk laat is, omdat daarbij van belang is hoe er nadien tussen partijen van gedachten is gewisseld. Wel wordt een tijdsverloop van een jaar of twee jaar in ieder geval als onredelijk laat beschouwd. Belanghebbende heeft meermaals contact gehad met de inspecteur, maar dit contact heeft plaatsgevonden nadat hij de ingebrekestelling had ingediend. Eerder contact is, zoals onder punt 21 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling onder deze omstandigheden onredelijk laat ingediend. De inspecteur is daarom geen dwangsom verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om dwangsom wordt afgewezen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4:13 van de Awb.\n\n Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, zesde lid onder a van de Awb.\n\n Kamerstukken II, 2004\u002F05, 29934, nr. 6, blz. 5 en 13.\n\n Handelingen II 2005\u002F06, nr. 76, blz. 4726.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5066","2026-07-13T00:29:28.258Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":73,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":51,"updatedAt":76},"1963","ECLI:NL:RBZWB:2026:5580","ecli-nl-rbzwb-2026-5580","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F476\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gesteld gemachtigde: [persoon] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 januari 2026. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2024 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.46.01.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde geen machtiging heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nToetsingskader\n\n3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen.Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.\n\nIs een machtiging overgelegd?\n\n4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om dit beroep in te stellen namens belanghebbende. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 26 februari 2026 gesteld gemachtigde in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 28 februari 2026 om 14:00 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Gesteld gemachtigde heeft geen machtiging ingediend.\n\nIs het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar?\n\n5. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van\n\nR.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5580","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:47.571Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":46,"fullText":81,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":83},"1579","ECLI:NL:RBGEL:2026:5069","ecli-nl-rbgel-2026-5069","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8843\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om dwangsom.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.602 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 295.\n\nDe inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende afgewezen.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde] namens belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in [plaats] en heeft een fiscaal partner.\n\n2. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2022 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2021.\n\n3. Belanghebbende heeft op 22 maart 2022 de aangifte IB\u002FPVV 2021 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.602 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 295 opgegeven.\n\n4. Met dagtekening 30 augustus 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2021 vastgesteld conform de ingediende aangifte. Het betreft een nihil aanslag. Op de aanslag staat dat voor het box 3-inkomen rekening is gehouden met de uitspraak van Hoge Raad van 24 december 2021.\n\n5. Bij brief van 5 december 2022, ontvangen door de inspecteur op 13 december 2022, heeft belanghebbende tezamen met haar fiscaal partner om een ambtshalve vermindering voor box 3 aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2021 verzocht.\n\n6. Belanghebbende en haar fiscaal partner hebben op 30 september 2024 en ontvangen door de inspecteur op 8 oktober 2024, een ingebrekestelling verzonden voor het niet beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering. Belanghebbende geeft ook aan dat zij op 5 juli 2023 een brief heeft verzonden aan de inspecteur, maar geen reactie hierop heeft ontvangen.\n\n7. Op 15 november 2024 heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met de fiscaal partner van belanghebbende. De inspecteur geeft aan dat de genoemde brief van 5 juli 2023 niet vindbaar is en verzoekt aan de fiscaal partner van belanghebbende een afschrift van deze brief per e-mail te versturen. De fiscaal partner heeft dezelfde dag een e-mail met als bijlage de brief in Word-bestand aan de inspecteur verzonden.\n\n8. De inspecteur heeft op 20 november 2024 een e-mail verstuurd aan de fiscaal partner van belanghebbende waarin hij refereert naar telefonisch contact waar is besproken dat het verzoek om ambtshalve vermindering wordt aangehouden in verband met de massaal bezwaar plus procedure en de voorbereiding van het formulier opgaaf werkelijk rendement door de Belastingdienst. De inspecteur geeft ook de mogelijkheid om de ingebrekestelling in te trekken. Bij geen intrekking verzoekt hij om de jaaropgaaf van rekeningen met bank- en spaartegoeden en een overeenkomst en bankafschrift waaruit de ontvangen rente over de verleende lening blijkt, te verstrekken. De inspecteur vraagt om de gevraagde informatie voor 28 november 2024 te versturen.\n\n9. Met dagtekening 3 december 2024 heeft de inspecteur de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering aan belanghebbende verstuurd. De inspecteur geeft aan dat de verzochte informatie niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat het verzoek wordt afgewezen.\n\n10. De fiscaal partner van belanghebbende heeft op 4 december 2024 een e-mail met afschriften rendement 2021 aan de inspecteur verzonden. De fiscaal partner geeft aan dat hij het niet eens is met de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek als bezwaar aangemerkt had moeten worden. De fiscaal partner haalt het recht op een dwangsom aan.\n\n11. Hangende het beroep, heeft de inspecteur met dagtekening 14 januari 2025 de beslissing op het verzoek om een dwangsom aan belanghebbende kenbaar gemaakt.\n\nDe inspecteur kent geen dwangsom toe, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n12. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Alvorens zij dat doet, beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid\n\n14. De rechtbank stelt vast dat hangende het beroep de inspecteur op 14 januari 2025 een beslissing heeft genomen op het verzoek om een dwangsom. Tegen deze beslissing staat bezwaar open. Belanghebbende had eerst bezwaar moeten maken tegen deze afwijzing van het verzoek om dwangsom. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan, heeft de rechtbank met instemming van partijen ter zitting verklaard dat het beroep ontvankelijk is en inhoudelijk beoordeeld wordt.\n\nDwangsom\n\n15. Belanghebbende heeft betoogd dat zij recht heeft op een dwangsom, omdat de inspecteur nadat hij door belanghebbende in gebreke is gesteld te laat een beslissing heeft genomen. Volgens belanghebbende heeft zij recht op de maximale vergoeding.\n\n16. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de beslissing om geen dwangsom toe te kennen juist is, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\n17. De rechtbank overweegt dat een verzoek om ambtshalve vermindering is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is niet opgenomen welke beslistermijn er geldt voor het beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering. Een beslissing dient dan binnen een redelijke termijn van acht weken genomen te worden.\n\n18. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, voor ten hoogste 42 dagen.De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.Geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.\n\n19. In de memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt over de uitzondering die is opgenomen in artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a van de Awb, het volgende opgemerkt:\n\n“De eerste uitzondering […] op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, [hij] zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen. (…)”\n\n“Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (…).”\n\nIn de Handelingen van de Tweede Kamer is het volgende vermeld:\n\n“In het algemeen is (…) zelfs een termijn van vijf of zes maanden nog niet onredelijk laat. We praten dus echt over een periode van een jaar of twee jaar waarin men helemaal niets laat horen. Dan is het raar om opeens in gebreke te gaan stellen en heel snel een beslissing te willen. Het is echt bedoeld voor dat soort uitzonderingsgevallen.”\n\n20. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de ingebrekestelling die door de inspecteur op 8 oktober 2024 is ontvangen. Dat belanghebbende mogelijk eerder op 5 juli 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden aan de inspecteur, is door haar niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft weliswaar op 15 november 2024 een e-mail aan de inspecteur verzonden met als bijlage een brief in Word-bestand met datum 5 juli 2023, maar daaruit blijkt niet dat die brief daadwerkelijk is verzonden.\n\n21. De rechtbank stelt vast dat het tijdsverloop van einde beslistermijn van de inspecteur (acht weken na het verzoek om ambtshalve vermindering van 5 december 2022) en de datum van de ingebrekestelling van 8 oktober 2024 aanzienlijk langer is dan de “hooguit enkele weken”, zoals in de memorie van toelichting vermeld. Belanghebbende heeft ruim 1 jaar en 10 maanden geen actie ondernomen om een besluit op haar verzoek te krijgen. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat in zijn algemeenheid niet kan worden bepaald wanneer een ingebrekestelling onredelijk laat is, omdat daarbij van belang is hoe er nadien tussen partijen van gedachten is gewisseld. Wel wordt een tijdsverloop van een jaar of twee jaar in ieder geval als onredelijk laat beschouwd. Belanghebbende heeft meermaals contact gehad met de inspecteur, maar dit contact heeft plaatsgevonden nadat zij de ingebrekestelling had ingediend. Eerder contact is, zoals onder punt 20 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling onder deze omstandigheden onredelijk laat ingediend. De inspecteur is daarom geen dwangsom verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om dwangsom wordt afgewezen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4:13 van de Awb.\n\n Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, zesde lid onder a van de Awb.\n\n Kamerstukken II, 2004\u002F05, 29934, nr. 6, blz. 5 en 13.\n\n Handelingen II 2005\u002F06, nr. 76, blz. 4726.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5069","2026-07-13T00:29:28.192Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":46,"fullText":88,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":90},"989","ECLI:NL:RBGEL:2026:5070","ecli-nl-rbgel-2026-5070","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F7898 tot en met 24\u002F7901, 24\u002F7903 en 24\u002F7904\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde\u002Fechtgenoot]),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almere, de inspecteur\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 september 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor ieder van de jaren 2009 tot en met 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de betreffende navorderingsaanslag heeft de inspecteur voor ieder jaar belanghebbende heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende daartegen gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente dan wel belastingrente gehandhaafd, de boetebeschikkingen over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd en de boetebeschikkingen over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nBij uitspraak welke is verzonden op 21 mei 2025heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank een verzoek van de inspecteur om geheimhouding dan wel beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht van een stuk genaamd ”Memo aandachtspunten Verhuld Vermogen” toegewezen.\n\nIn reactie hierop heeft belanghebbende de rechtbank bericht dat zij akkoord gaat met kennisname door de rechtbank van de ongeschoonde versie van het hiervoor genoemd stuk.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk en gelijktijdig op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenoot van belanghebbende, tevens haar gemachtigde en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is gehuwd met [gemachtigde\u002Fechtgenoot] (de echtgenoot). Belanghebbende en de echtgenoot zijn vennoten van VOF [naam vof] (de vof). Vanaf 2010 is belanghebbende tevens in loondienst bij [naam bedrijf] BV. De echtgenoot heeft in het verleden gewerkt bij de Belastingdienst.\n\n2. Aan belanghebbende zijn de volgende aanslagen IB\u002FPVV opgelegd:\n\njaar\n\naangifte IB\u002FPVV ingediend\n\ndagtekening aanslag\n\nverzamelinkomen\n\nwaarvan box 1-inkomen\n\nwaarvan box 3-inkomen\n\n2009\n\n13-6-2011\n\n24-8-2011\n\n€ 161.749\n\n€ 161.749\n\n€ 0\n\n2010\n\n12-8-2011\n\n19-1-2012\n\n€ 182.358\n\n€ 181.061\n\n€ 1.297\n\n2011\n\n3-2-2013\n\n7-3-2014\n\n€ 115.842\n\n€ 115.842\n\n€ 0\n\n2012\n\n29-3-2014\n\n30-12-2014\n\n€ 86.471\n\n€ 86.471\n\n€ 0\n\n2013\n\n21-7-2014\n\n11-2-2015\n\n€ 79.468\n\n€ 79.468\n\n€ 0\n\n2014\n\n2-7-2015\n\n28-8-2015\n\n€ 95.813\n\n€ 95.813\n\n€ 0\n\n3. Aan belanghebbende is becon-uitstel verleend voor het doen van aangifte IB\u002FPVV 2009 tot 1 mei 2011.\n\n4. Op 29 december 2017 hebben belanghebbende, de echtgenoot en hun zoon de Belastingdienst een, door ieder van hen persoonlijk ondertekende, e-mail (de inkeermelding) gestuurd met de volgende inhoud:\n\n“Geachte inspecteur,\n\nWij maken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 met verrekening van dividend belasting.\n\nWij hebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWij hebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen.\n\nIn Hong Kong is het belegd in fondsen en individuele effecten belegt.\n\nDe rekening in Hong Kong is op naam gesteld van onze zoon [naam zoon], wonende [locatie], [postcode] [plaats] BSN [BSN-nummer], de reden is dat hij regelmatig in Hong Kong moet zijn voor zijn werk.\n\nHij heeft geen enkel belang of bedrag in deze rekening.\n\nHet saldo is van ons.\n\nWij hebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.\n\nIn afwachting van uw reactie.\n\nMet vriendelijke groet,”\n\n [gemachtigde\u002Fechtgenoot], [belanghebbende] en [naam zoon]”\n\n[rechtbank:met daarbij drie weergegeven, geschreven, handtekeningen]\n\n5. Op 9 januari 2018 heeft de inspecteur de ontvangst van de inkeermelding van belanghebbende schriftelijk bevestigd.\n\n6. Naar aanleiding van de ontvangen inkeermelding heeft de inspecteur belanghebbende meermaals gevraagd om nadere informatie over het buitenlands vermogen te verstrekken. Belanghebbende heeft hierop gereageerd.\n\n7. De inspecteur schrijft op 20 november 2018 over het in rekening brengen van heffings- en belastingrente in een e-mail aan belanghebbende:\n\n“Daar heeft u een punt! Ik zal er dan straks bij de afhandeling van het dossier voor oudere jaren nog wel even naar kijken.”\n\n8. Omdat belanghebbende, naar daartoe meerdere malen te zijn gevraagd, ter zake van het buitenlands vermogen niet alle gegevens heeft verstrekt, heeft de inspecteur op 13 mei 2019 ten name van belanghebbende een informatiebeschikking afgegeven voor de jaren 2005 - 2014.\n\n9. Met dagtekening 3 mei 2021 heeft de inspecteur uitspraak op het tegen de informatiebeschikking ingediende bezwaar gedaan. Het bezwaar wordt toegewezen voor zover het ziet op de bronbelasting en voor het overige afgewezen. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.\n\n10. Bij uitspraak van 9 augustus 2023heeft deze rechtbank het beroep tegen de informatiebeschikking gegrond verklaard. De informatiebeschikking, voor zover deze ziet op de mutatieoverzichten 1 januari 2005-31 december 2007, is hierbij gehandhaafd. De overige onderdelen van de informatiebeschikking zijn vernietigd.\n\n11. Op verzoek van belanghebbende en de echtgenoot zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014 uitsluitend opgelegd aan belanghebbende. De echtgenoot van belanghebbende heeft dit in een e-mail van 24 september 2023 aan de inspecteur bevestigd.\n\n12. In alle in geschil zijnde jaren bestond het in het buitenland aangehouden vermogen uit een aandeelportefeuille en liquiditeiten. Het saldo van het in het buitenland aangehouden vermogen was in deze jaren op 1 januari als volgt:\n\njaar\n\n2009\n\n€ 1.588.826\n\n2010\n\n€ 2.120.584\n\n2011\n\n€ 2.308.772\n\n2012\n\n€ 1.925.903\n\n2013\n\n€ 2.102.365\n\n2014\n\n€ 2.548.560\n\n13. Op 28 september 2023 heeft de inspecteur een mededeling van het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014, de daarbij behorende beschikkingen inzake heffings- en belastingrente en de daarbij behorende vergrijpboetes gestuurd.\n\n14. Met dagtekening 24 respectievelijk 25 november 2023 zijn aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen IB\u002FPVV, heffings-\u002Fbelastingrentebeschikkingen en vergrijpboetes opgelegd:\n\nzaaknummer\n\njaar\n\nverzamelinkomen\n\nheffingsrente\u002F belastingrente\n\nvergrijpboete\n\n24\u002F7898\n\n2009\n\n€ 235.937\n\n€ 7.520\n\n€ 18.046\n\n24\u002F7899\n\n2010\n\n€ 260.665\n\n€ 8.498\n\n€ 22.077\n\n24\u002F7900\n\n2011\n\n€ 208.192\n\n€ 8.555\n\n€ 23.598\n\n24\u002F7901\n\n2012\n\n€ 163.507\n\n€ 6.024\n\n€ 18.116\n\n24\u002F7903\n\n2013\n\n€ 163.562\n\n€ 7.313\n\n€ 23.376\n\n24\u002F7904\n\n2014\n\n€ 197.755\n\n€ 10.350\n\n€ 36.698\n\n15. Met dagtekening 5 september 2024 heeft de inspecteur de uitspraak op bezwaar verstuurd waarin de bezwaren gedeeltelijk gegrond worden verklaard. In deze uitspraak is vermeld dat de navorderingsaanslagen en de heffings-\u002F belastingrentebeschikkingen in stand blijven, dat de vergrijpboetes over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd worden en dat de vergrijpboetes over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd blijven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n16. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen, heffings- en belastingrentebeschikkingen en boetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Het gaat hierbij om de volgende geschilpunten:\n\nzijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd;\n\nis de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 tijdig opgelegd;\n\nheeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend gehandeld;\n\nheeft de inspecteur gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb);\n\nis terecht en zo ja tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht;\n\nzijn de opgelegde vergrijpboetes wegens opzet in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 terecht en naar de juiste bedragen vastgesteld;\n\nis het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden;\n\nheeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van de procedure die zag op de informatiebeschikking;\n\nheeft belanghebbende recht op een vergoeding wegens geleden immateriële schade.\n\nDe hoogte van de over alle bij de navorderingsaanslagen vastgestelde verzamelinkomens is niet in geschil.\n\n17. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nZijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd?\n\n18. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan haar niet het gehele dossier is verstrekt. In het toegezonden dossier bevonden zich namelijk geen aantekeningen van de behandelend inspecteurs. De inspecteur heeft deze stelling van belanghebbende gemotiveerd weersproken, heeft verklaard dat alle op de zaken betrekking hebbende stukken (digitaal) zijn verstrekt en heeft in dit verband verder nog gesteld dat er geen stukken zijn met betrekking tot afstemming tussen inspecteurs.\n\n19. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. Belanghebbende heeft onvoldoende geconcretiseerd welke stukken ontbreken die de inspecteur heeft gebruikt bij de voorbereiding van de besluitvorming of welke informatie daaruit van belang kan zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. De rechtbank heeft alle geschilpunten kunnen beoordelen aan de hand van de (digitale) stukken die partijen in het geding hebben gebracht. Belanghebbende komt met niets waaruit enige aanwijzing valt af te leiden dat wellicht sprake zou kunnen zijn van niet-overgelegde stukken.\n\nIs de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 binnen de navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgelegd?\n\n20. De navorderingstermijn voor inkomsten en vermogen die in het buitenland zijn gehouden of opgekomen, bedraagt twaalf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De navorderingstermijn voor het vaststellen van een navorderingsaanslag wordt verlengd met de duur van het verleende uitstel, indien voor het doen van de aangifte uitstel is verleend. De termijn voor het opleggen van de aanslag wordt verlengd met de termijn tussen de bekendmaking van de informatiebeschikking en het moment waarop de informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan, dan wel wordt vernietigd.\n\n21. Niet in geschil is dat voor het doen van de aangifte IB\u002FPVV 2009 een jaar becon-uitstel is verleend en dat als gevolg hiervan de navorderingstermijn met een jaar wordt verlengd. De informatiebeschikking is genomen op 13 mei 2019 en is door deze rechtbank vernietigd op 9 augustus 2023. De looptijd van de informatiebeschikking is derhalve vier jaar, twee maanden en 24 dagen. De navorderingstermijn eindigt derhalve op 24 maart 2026. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV heeft als dagtekening 25 november 2023 en is daarmee binnen de navorderingstermijn opgelegd.\n\n22. Belanghebbende heeft haar stelling dat de inspecteur alleen maar een informatiebeschikking heeft opgelegd om de aanslagtermijn te verlengen, op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank deze stelling passeert.\n\n23. De inspecteur heeft op basis van artikel 47 van de AWR een ruime bevoegdheid om informatie te vragen aan belastingplichtigen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur deze bevoegdheid niet te buiten is gegaan. Wanneer de inspecteur ervan op de hoogte raakt dat een belastingplichtige rechthebbende is tot in het buitenland aangehouden, niet aangegeven bankrekeningen, kan hij zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de mogelijkheid bestaat dat de belastingplichtige gedurende enige tijd over (andere) onbekende bronnen van inkomen heeft beschikt en ervoor heeft gekozen daarmee verband houdende vermogensbestanddelen in het buitenland onder te brengen. Dit is voor de inspecteur toereikend om opgave te verlangen van al wat, zo nodig met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR, in de belastingheffing kan worden betrokken.\n\n24. Bij de inspecteur was niet bekend of belanghebbende alle bankafschriften had ingediend. Zo zou het heel goed mogelijk hebben kunnen zijn dat naast de aangegeven rekening in het buitenland, belanghebbende daarnaast nog over andere in het buitenland aangehouden bankrekeningen beschikte, van welke rekeningen geen gegevens waren overgelegd. Belanghebbende heeft desgevraagd niet alle gevraagde informatie aan de inspecteur verstrekt.\n\n25. Het door belanghebbende in dit verband genoemde arrest van de Hoge Raad,doet aan het hiervoor overwogene niet af. Dat, zoals zij aanvoert, belanghebbende niet wist van vermogen in het buitenland en dat daardoor geen informatiebeschikking aan haar kon worden opgelegd, doet niet ter zake. Anders dan in het hier genoemde arrest is belanghebbende in de onderhavige zaken in ieder geval vanaf einde 2013 op de hoogte van het bestaan van een bankrekening in het buitenland, zo volgt uit de mede door belanghebbende persoonlijk getekende inkeermelding. Dat zij dan vervolgens niet over de volledige gegevens van het vermogen in het buitenland beschikt, is voor haar rekening en staat er overigens niet aan in de weg dat aan belanghebbende een informatiebeschikking kan worden afgegeven.\n\nZijn de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend opgelegd?\n\n26. Bij toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR ter zake van spaartegoeden die in een andere lidstaat van de Europese Unie worden aangehouden, dient de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voor te bereiden en vast te stellen aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking staan.Indien een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden, is in ieder geval geen sprake van voortvarend handelen.\n\n27. De rechtbank wijst in dit verband allereerst naar wat zij hiervoor onder 23. tot en met 25. heeft overwogen. Afgezien van de periode waarin de procedure over de informatiebeschikking werd gevoerd, blijkt nergens uit het dossier dat de inspecteur gedurende langer dan zes maanden heeft stilgezeten. De met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR vastgestelde navorderingsaanslagen zijn daarom voldoende voortvarend opgelegd. Daarbij komt nog dat de voortvarendheidseis voor het jaar 2014 reeds niet geldt omdat in dat jaar de niet-aangegeven gelden stonden op een bankrekening in Hongkong. Hongkong behoort niet tot de Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n28. De door belanghebbende in dit verband genoemde uitspraak van de Rechtbank Noord-Hollandis wat betreft het voortvarend opleggen van navorderingsaanslagen in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdamvernietigd. Het door belanghebbende genoemde arrest van de Hoge Raadleidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel over de voortvarendheid van handelen van de inspecteur.\n\nHeeft de inspecteur gehandeld in strijd met de abbb?\n\n29. De rechtbank leest de stelling van belanghebbende dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als een beroep op schending van het vertrouwensbeginsel.\n\n30. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de vernietiging van de navorderingsaanslagen over de jaren 2005 tot en met 2008 er toe zou moeten leiden dat ook de navorderingsaanslagen over latere jaren zouden moeten worden vernietigd, heeft zij die stelling niet met enig bewijs onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.Voor in rechte te beschermen vertrouwen is derhalve meer vereist dan de enkele door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de inspecteur navorderingsaanslagen over eerdere jaren om proceseconomische redenen en\u002Fof de omvang van het dossier heeft vernietigd. Nodig zijn een of meer andere omstandigheden die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de vaststelling\u002Fvernietiging van de aanslagen berustte op een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur.Belanghebbende heeft zulke omstandigheden niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve.\n\n31. Haar stelling dat de inspecteur door haar met name genoemde andere beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, heeft belanghebbende niet onderbouwd en wordt daarom verworpen.\n\nIs het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden?\n\n32. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden. Zij meent dat de navorderingsaanslagen daarom moeten worden vernietigd.\n\n33. In zijn arrest van 13 juni 2025(het arrest van 13 juni 2025) overwoog de Hoge Raad, voor zover van belang (onder weglating van voetnoten):\n\n“5.2.2\n\nHet Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is van toepassing wanneer de inspecteur voornemens is een bezwarend besluit vast te stellen dat de belangen van degene tot wie dat besluit is gericht, aanmerkelijk raakt. Een naheffingsaanslag in de omzetbelasting is zo’n besluit. Het beginsel houdt in dat de inspecteur degene tot wie dat besluit is gericht, de gelegenheid moet bieden zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken voordat dat besluit wordt genomen. Dit brengt mee dat de inspecteur die het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen, de belastingplichtige tijdig en expliciet, dat wil zeggen in niet mis te verstane bewoordingen, van de voorgenomen naheffingsaanslag op de hoogte moet stellen, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag ten grondslag wil leggen. Daarbij moet de inspecteur de belastingplichtige expliciet en ook tijdig uitnodigen om zijn standpunten over de voorgenomen naheffingsaanslag kenbaar te maken. Het moet door deze mededelingen voor de belastingplichtige duidelijk zijn dat, wanneer hij geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om zijn standpunten kenbaar te maken, de inspecteur hem de voorgenomen naheffingsaanslag zal opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De hiervoor bedoelde mededelingen kunnen niet alleen schriftelijk maar ook mondeling worden gedaan.\n\n5.2.3\n\nDe hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen moeten in alle gevallen worden gedaan, ook indien het voornemen tot naheffing ontstaat tijdens een controle die de inspecteur verricht, de belastingplichtige de redenen kent waarom de controle is ingesteld, en die belastingplichtige op de hoogte is van de feiten die tot de voorgenomen naheffingsaanslag leiden. Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel vereist niet dat een onderzoek naar de juistheid van belastingaangiften is afgerond voordat de inspecteur de belastingplichtige op de hoogte stelt van een of meer voorgenomen naheffingsaanslag(en) onder vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag(en) ten grondslag wil leggen. Dat beginsel is juist erop gericht om de elementen waarop een bezwarend besluit zal zijn gebaseerd, zorgvuldig vast te stellen. Daarvoor kan van belang zijn dat de inbreng van de belastingplichtige bij dat onderzoek wordt betrokken voordat het wordt afgerond. Dat biedt de belastingplichtige de gelegenheid voor het aanvoeren van bepaalde feiten die de inspecteur niet aan de voorgenomen naheffingsaanslag ten grondslag heeft gelegd.\n\n5.2.4\n\nIndien de belastingplichtige stelt dat de inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden, rust op de inspecteur de last feiten te stellen en bij betwisting te bewijzen waaruit volgt dat hij bij zijn besluitvorming dat beginsel heeft gerespecteerd. In geval van geschil daarover ligt het daarom op de weg van de inspecteur te bewijzen dat en op welk moment hij de belastingplichtige de hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen heeft gedaan, nadat hij het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen.”\n\n34. De brief van de inspecteur van 28 september 2023 waarin de navorderingsaanslagen worden aangekondigd, voldoet naar het oordeel van de rechtbank wat betreft het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3. van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen de navorderingsaanslagen op te leggen. Met deze brief is belanghebbende niet tijdig en expliciet van de voorgenomen navorderingsaanslagen op de hoogte gesteld, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die de inspecteur aan die navorderingsaanslagen ten grondslag wil leggen. Met deze brief was het voor belanghebbende niet duidelijk dat, wanneer zij geen gebruik zou maken van de haar geboden gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken, de inspecteur haar de voorgenomen navorderingsaanslagen zou opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De rechtbank wijst er hierbij op dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008 en de boetes over de jaren 2009 tot en met 2011 nà 28 september 2023 zijn vernietigd. De rechtbank volgt belanghebbende in haar stelling dat zij na de mededeling van de inspecteur van 28 september 2023 voor het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2014 geen gelegenheid heeft gehad haar uit te laten over de feiten en gronden over de hoogte van deze nog op te leggen navorderingsaanslagen. Het enkele bieden van de gelegenheid om vragen te stellen, zoals vermeld in de laatste alinea van de brief van 28 september 2023, is daartoe onvoldoende. Omdat de feiten voor alle jaren hetzelfde zijn, had belanghebbende voor de niet vernietigde navorderingsaanslagen en boetes willen bepleiten dat deze daarom ook dienden te worden vernietigd. Zij is daartoe echter niet meer in de gelegenheid gesteld daarvoor alsnog argumenten aan te dragen.\n\n35. Dat belanghebbende ten aanzien van het niet aangeven van het saldo op de buitenlandse bankrekening zich vrijwillig heeft ingekeerd, dat zij ervan op de hoogte was dat de inspecteur als gevolg daarvan het voornemen had navorderingsaanslagen IB\u002FPVV op te leggen en dat de navorderingsaanslagen conform de door haar overgelegde cijfermatige gegevens zijn opgelegd, zoals de inspecteur heeft aangevoerd, laat onverlet dat gelet op de eisen die in het bovenstaande arrest van de Hoge Raad worden gesteld, ook dan belanghebbende de gelegenheid moet worden geboden te reageren op een definitief standpunt van de inspecteur of op een definitief element van de navorderingsaanslagen, voor zover dat standpunt of dat element is gegrond op feiten en omstandigheden die de inspecteur aan de navorderingsaanslagen ten gronde wilde leggen.\n\n36. Schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt alleen tot vernietiging van het bezwarende besluit als het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder die schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad (het andere-afloopcriterium). Voor dit oordeel is het voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, degene tot wie dat besluit is gericht een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van dat besluit van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval. Bij toepassing van het andere-afloopcriterium gaat het erom of op basis van de gegevens die de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel aan belanghebbende zou hebben voorgelegd, moet worden aangenomen dat naar objectieve maatstaven in die voorfase niet was uitgesloten dat de inspecteur tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Bij toetsing aan het andere-afloopcriterium gaat het niet erom welke afloop uiteindelijk in rechte komt vast te staan.\n\n37. Wanneer geen schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel had plaatsgevonden, acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen van belang was. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft belanghebbende niet erop mogen vertrouwen dat, in navolging van de aanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008, de inspecteur de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2009 tot en met 2014 ook zou vernietigen. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat ieder belastingjaar op zichzelf staat. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd conform door belanghebbende aan de inspecteur verstrekte gegevens. Voordat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, heeft belanghebbende zelf aan de inspecteur aangegeven dat deze uitsluitend aan haar moesten worden opgelegd en niet (deels) ook aan de echtgenoot.\n\n38. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, hoewel het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden, de navorderingsaanslagen toch in stand blijven, omdat noch het vertrouwensbeginsel, noch de hiervoor genoemde, vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen door belanghebbende gemaakte opmerking over het opleggen van aanslagen uitsluitend aan haarzelf, tot een andere afloop zouden hebben kunnen leiden. Uitgesloten is dat de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Aan het andere-afloopcriterium is niet voldaan.\n\nIs terecht en tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht?\n\n39. Het in rekening brengen van heffings- en belastingrente vloeit voort uit de wet (artikel 30f van de AWR en verder). De heffings- en belastingrente is terecht en tot de juiste bedragen berekend. Belanghebbende heeft haar stelling dat geen heffings- en belastingrente in rekening mag worden gebracht omdat het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden, niet onderbouwd.\n\n40. Anders dan belanghebbende stelt, valt volgens de rechtbank uit het hiervoor onder 7. weergegeven citaat niet af te leiden dat de inspecteur bij oplegging van de navorderingsaanslagen in ieder geval de heffings- en belastingrente zou matigen. Evenmin kan, anders dan belanghebbende aanvoert, de inspecteur niet eraan worden gehouden om tijdens de procedure over de informatiebeschikking (voorlopige) navorderingsaanslagen op te leggen.\n\nBoetes\n\n41. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100% van het bedrag van de navorderingsaanslag indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.\n\n42. Op grond van artikel 67e, zesde lid, van de AWR bedraagt de boete voor zover de navorderingsaanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet IB 2001, in zoverre in afwijking van het eerste lid, ten hoogste 300% van de daarover verschuldigde belasting zoals deze bij de navorderingsaanslag is vastgesteld.\n\n43. Voor het opleggen van de vergrijpboete is vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Van opzet is sprake als de belastingplichtige willens en wetens zodanige handelingen verricht of nalaat dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet alleen vereist dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat zij die kans toen bewust heeft aanvaard.De inspecteur dient overtuigend aan te tonen dat sprake is van opzet aan de zijde van de belastingplichtige. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.\n\n44. De inspecteur heeft gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 op grond van artikel 67e van de AWR voor die jaren vergrijpboetes wegens opzet opgelegd. Omdat sprake is van een vrijwillige verbetering heeft hij daarbij de boetes gematigd naar 120% (40% van 300%).\n\n45. De inspecteur neemt het standpunt in dat bij belanghebbende primair sprake was van (voorwaardelijk) opzet, subsidiair van grove schuld. De over 2009 tot en met 2011 opgelegde vergrijpboetes zijn vervallen wegens gebrek aan overtuigend bewijs dat sprake was van opzet of grove schuld.\n\n46. Belanghebbende betwist dat haar opzet kan worden verweten met betrekking tot het doen van onjuiste aangiften. Zij voert daartoe aan dat zij niet bekend is met het boxensysteem in de Wet IB 2001, dat zij in de vennootschap geen werkzaamheden verricht voor aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting en dat haar echtgenoot tot in 2017 haar bewust onwetend heeft gelaten over de aanwezigheid van buitenlands vermogen. Daarom kunnen aan haar geen boetes worden opgelegd, zo voert zij aan.\n\n47. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er in geslaagd om overtuigend aan te tonen dat sprake is van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014. Gelet op de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding van 28 december 2017 wist zij in elk geval in 2013 van het bestaan van een in Luxemburg gehouden bankrekening, omdat de rekening door haar en haar echtgenoot in dat jaar is opgeheven en het saldo is overgeboekt naar een rekening in Hongkong. De aangiften IB\u002FPVV 2012, 2013 en 2014 zijn alle ingediend nà het opheffen in 2013 van de Luxemburgse effectenrekening en nà het overstorten van het saldo van deze rekening naar een in Hongkong gehouden rekening. Gelet op de inkeermelding wist belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en volgende van het buitenlands vermogen af, maar vermeldde dit niet in deze aangiften.\n\n48. Luxemburg had tot 2015 een absoluut bankgeheim. Door het saldo van de bankrekening niet aan te geven, heeft belanghebbende ervoor gekozen het vermogen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden. De rechtbank wijst in dit verband nog op de volgende passages van de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding (onderstrepingen door de rechtbank):\n\n“Wijmaken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 (…)\n\nWijhebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWijhebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen. (…)\n\nHet saldo is van ons.\n\nWijhebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.”\n\nDe andersluidende verklaring van de echtgenoot in het stuk van 10 april 2026, namelijk dat belanghebbende pas eind 2017 zou zijn ingelicht over het buitenlands vermogen, acht de rechtbank gelet op de duidelijke tekst van de inkeermelding en gelet op het feit dat de inkeermelding door belanghebbende is ondertekend, volstrekt ongeloofwaardig.\n\n49. Belanghebbende heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar aangiften IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 niet juist zouden worden ingediend. Onder die omstandigheden kan het in deze aangiften niet aangeven van het saldo van in het buitenland aangehouden vermogen worden aangemerkt als zozeer gericht op het doen van een onjuiste aangifte dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dit heeft gewild. Dit niet-ontzenuwde bewijsvermoeden van opzet is gebaseerd op vaststaande feiten en omstandigheden die buiten redelijke twijfel vaststaan. Die vermoedens zijn zo sterk dat het behoudens ontzenuwing ervan niet anders kan zijn dan dat belanghebbende opzettelijk heeft gehandeld.Het kan belanghebbende worden verweten dat zij bewust niet alle benodigde gegevens voor het doen van de juiste aangifte in de aangiften heeft vermeld.\n\n50. Belanghebbende en de echtgenoot hebben verzocht om het gehele vermogen toe te rekenen aan belanghebbende. Dit betekent dat de aan belanghebbende opgelegde primitieve aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Hiermee is voldaan aan de delictsomschrijving van artikel 67e van de AWR, zodat de vergrijpboetes op basis van dat artikel terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Dat (een deel van) het door belanghebbende niet aangegeven vermogen in eerste instantie ook niet in de aanslagen van haar echtgenoot was begrepen, neemt belanghebbendes opzet op de te lage aanslagen niet weg. Haar aangiften waren immers – net als die van de echtgenoot – onjuist omdat het in het buitenland aangehouden vermogen opzettelijk niet bij de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen was opgenomen.\n\nDe situatie in de onderhavige zaken wijkt af van die waarbij twee fiscale partners aanvankelijk de volledige gezamenlijke grondslag sparen en beleggen hebben aangegeven en waarbij, na ontvangst van de primitieve aanslagen, een keuze als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 wordt gedaan. Voor de toepassing van artikel 67e van de AWR gaat het er in de onderhavige zaken echter om dat de aanslagen van belanghebbende tot een te laag bedrag waren vastgesteld en dat het opzet van belanghebbende daarop was gericht. Dat dit het geval was, is bij belanghebbende buiten redelijke twijfel vast komen te staan.\n\n51. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van belanghebbende dat de opgelegde boetes dienen te vervallen door de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd.\n\n52. Het is algemeen bekend dat (al dan niet in het buitenland aangehouden en\u002Fof opgekomen) inkomens- en\u002Fof vermogensbestanddelen in de belastingaangifte moeten worden opgenomen; de vraagstelling in de aangifte hieromtrent is voldoende duidelijk.Voor zover belanghebbende op basis van het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015het standpunt inneemt dat haar geen boetes kunnen worden opgelegd omdat zij niet op de hoogte was van het bestaan van buitenlands vermogen, faalt het. Anders dan in dat arrest was in de onderhavige zaken belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften IB\u002FPVV 2012 - 2014 nu juist wel op de hoogte van buitenlands vermogen, zo volgt uit de inkeermelding. De door belanghebbende genoemde omstandigheden verhinderen het opleggen van boetes niet en leiden ook niet tot vernietiging of vermindering van de opgelegde boetes.\n\n53. De door belanghebbende gestelde schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt niet tot vernietiging of vermindering van de boetes. Op overeenkomstige gronden als hiervoor onder 34. en 35. weergegeven, komt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur bij het opleggen van de boetes het verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De inspecteur heeft niet voldaan aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3.van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen een vergrijpboete op te leggen.\n\n54. Evenals dit geldt voor de navorderingsaanslagen, is ook ten aanzien van de boetes niet voldaan aan de eisen van het andere-afloopcriterium. Ook zonder schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de boetes van belang was. Uit de inkeermelding volgt dat belanghebbende op de hoogte was van de overboeking van gelden in 2013 naar Hongkong. Door in het buitenland gestalde gelden niet in haar naderhand ingediende aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en verder op te nemen, heeft zij opzettelijk onjuist aangifte gedaan en kan geen sprake zijn van een andere afloop.\n\n55. De opgelegde boetes zijn proportioneel en evenredig. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd uitsluitend op basis van door belanghebbende ingediende gegevens. De hoogte van de boetes is afhankelijk van de hoogte van de over het niet-aangegeven buitenlands vermogen verschuldigde belasting zoals deze bij de betreffende navorderingsaanslag is vastgesteld. De rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes van 120% in beginsel passend en geboden.\n\n56. De rechtbank zal de boetes ambtshalve verminderen omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Uiterlijk de brief van 14 februari 2019 is aan te merken als aankondiging van het opleggen van boetes, vanaf welke datum de redelijke termijn hiervoor is gaan lopen. Sindsdien zijn meer dan zeven jaren verstreken. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, zijn niet gesteld of gebleken. De redelijke termijn van twee jaren is daarmee met meer dan vijf jaren overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boetes te verminderen met 20%.De boetes dienen daarom te worden verminderd tot de volgende bedragen: € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014).\n\nVergoeding van immateriële schade\n\n57. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.\n\n58. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\n59. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar. Voor de toekenning van een vergoeding immateriële schade worden alle zaken als met elkaar samenhangend beschouwd.De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de aanslagen ontvangen op 4 januari 2024. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) twee jaar en zes maanden. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met afgerond een half jaar overschreden. Dit betekent een vergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 5 september 2024. De overschrijding van de redelijke termijn is voor twee maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor vier maanden aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om € 167 (2\u002F6 * € 500) en de Staat veroordelen om € 333 (4\u002F6 * € 500) aan belanghebbende te betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n60. De beroepen zijn ongegrond. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en de heffings- en belastingrentebeschikkingen blijven in stand. De vergrijpboetes worden door de rechtbank ambtshalve verminderd. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een vergoeding immateriële schade van € 500. Zowel toekenning van vergoeding immateriële schade als ambtshalve vermindering van de boetes leiden niet tot gegronde beroepen.\n\n61. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Wanneer rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van de belanghebbende, moet in beginsel worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend.De rechtbank ziet in de onderhavige zaken geen aanleiding hierover anders te oordelen.\n\n62. Voor een aanvullende (integrale) proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase ten aanzien van de afgegeven informatiebeschikking, waar belanghebbende om heeft verzocht, bestaat eveneens geen aanleiding. Deze (advocaat)kosten staan namelijk los van de huidige beroepsprocedures en bovendien zien zij deels ook op de aan de echtgenoot opgelegde informatiebeschikking.\n\n63. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is na 31 mei 2024 gedaan. Belanghebbende heeft daarom in verband hiermee geen recht op vergoeding van griffierecht.De ambtshalve vermindering van de vergrijpboetes geeft evenmin aanleiding voor vergoeding van griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2012 tot en met 2014 voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de boetebeschikkingen tot € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014);\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraken op bezwaar;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 667;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. P.J. Tikken en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.\n\nUitgesproken op 26 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2025:5003.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2023:6090.\n\n Artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\n Hoge Raad 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:778.\n\n Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nHoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120.\n\nHoge Raad 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:717, en Hoge Raad 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105.\n\n Waarbij de navorderingstermijn wordt verlengd met de looptijd van de informatiebeschikking: zie artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\nHvJEU 15 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:119.\n\n Rechtbank Noord-Holland 4 juli 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:8544.\n\n Gerechtshof Amsterdam 3 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:428.\n\n Hoge Raad 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1557.\n\n Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069 en Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439.\n\n Zie Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, r.o. 3.2.1.\n\nECLI:NL:HR:2025:903.\n\n Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1053.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063.\n\n ECLI:NL:HR:2013:63.\n\n ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nVergelijk Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\nECLI:NL:HR:2016:252.\n\nBeleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2, en Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:586.\n\nHoge Raad 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, r.o. 3.2.1.\n\n Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5070","2026-07-13T00:28:57.745Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":46,"fullText":95,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":51,"updatedAt":98},"1577","ECLI:NL:RBGEL:2026:5077","ecli-nl-rbgel-2026-5077","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 25\u002F2178 en 26\u002F783, 26\u002F2902 en 26\u002F2904\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 april 2025 (jaar 2021) en van 15 december 2025 (jaar 2022).\n\n2021\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.029 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd (de verzuimboetebeschikking 2021).\n\n2022\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 ambtshalve een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.620 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 253. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd (de verzuimboetebeschikking 2022).\n\n2023\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 ambtshalve een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.091 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 478. Er is voor het jaar 2023 geen verzuimboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende voor de jaren 2021 tot en met 2023 (voorgenomen beslissing van 13 maart 2026) ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd. Op 31 december 2025 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2022 verlaagd met € 78. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verminderd naar nihil.\n\n2024\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2024 ambtshalve een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.595 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 970. Er is voor het jaar 2024 geen verzuimboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nDe rechtbank heeft na de zitting nog nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Hierin heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1946.\n\n2. Belanghebbende was van 30 maart 1973 tot en met 15 juni 2007 gehuwd met [persoon C]. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende vanaf 2011 betaalde alimentatie mag aftrekken, of de aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2021 tot en met 2024 naar de juiste bedragen zijn opgelegd en of de verzuimboetes voor de jaren 2021 en 2022 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n4. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nVooraf\n\n5. Voor het jaar 2024 hebben partijen ter zitting afgesproken dat zij toestemming geven voor rechtstreeks beroep, waardoor de rechtbank ook de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2024 kan beoordelen.\n\nMag belanghebbende vanaf 2011 betaalde alimentatie in aftrek brengen?\n\n6. Belanghebbende heeft gesteld dat hij nog geld terug moet krijgen van de Belastingdienst, bijvoorbeeld vanwege betaalde alimentatie aan zijn ex-partner in de jaren 2011 tot en met 2017. Belanghebbende wil een eenvoudig aangifteformulier ontvangen en vanaf 2011 betaalde alimentatie in aftrek brengen.\n\n7. Over de jaren tot en met 2020 hoefde belanghebbende geen aangifte IB\u002FPVV te doen.Belanghebbende moest voor het eerst over het jaar 2021 aangifte IB\u002FPVV doen.\n\n8. Volgens de wet kan tot vijf jaar terug aangifte IB\u002FPVV worden gedaan.Om van de Belastingdienst geld terug te kunnen krijgen, moet voor die jaren in ieder geval aangifte IB\u002FPVV zijn gedaan. De jaren 2011 tot en met 2020 zijn meer dan vijf jaren geleden. Voor die jaren kan dus geen aangifte IB\u002FPVV meer worden gedaan. Belanghebbende vindt dat voor hem een uitzondering moet gelden, vanwege zijn leeftijd en omdat hij ziek is geweest.\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat van de wettelijke aangifteplicht niet kan worden afgeweken, ook niet om de redenen die belanghebbende noemt.\n\nConclusie:\n\n10. Belanghebbende kan geen aangiften IB\u002FPVV dan wel verzoeken om ambtshalve vermindering doen voor de jaren 2011 tot en met 2020. Hij kan de betaalde alimentatie daarom niet in aftrek brengen.\n\nZijn de aanslagen voor de jaren 2021 tot en met 2024 juist?\n\n11. Belanghebbende heeft gesteld dat hij geld terug moet ontvangen in verband met in eerdere jaren betaalde alimentatie. Belanghebbende heeft op de zitting gezegd dat hij alimentatie aan zijn ex-partner heeft betaald tot en met 2017. Dus voor de jaren 2021 tot en met 2024 heeft hij geen alimentatie betaald. Betalingen van alimentatie uit eerdere jaren kunnen niet meer worden afgetrokken van het inkomen van 2021 of latere jaren.\n\n12. Belanghebbende heeft geen andere aftrekposten genoemd en ook in de overgelegde stukken ziet de rechtbank geen andere aftrekposten. De inspecteur heeft zich bij het opleggen van de aanslagen gebaseerd op gegevens van belanghebbende, die bij de Belastingdienst via de Sociale Verzekeringsbank, het ABP, Nationale Nederlanden en de banken bekend zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat die inkomsten onjuist zouden zijn. Belanghebbende heeft op de zitting ook niet aangegeven dat die gegevens onjuist zijn of dat gegevens ontbreken.\n\nConclusie:\n\n13. De aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2021 tot en met 2024 zijn juist.\n\nVerzuimboetes (jaren 2021 en 2022)\n\n14. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2021 en 2022.\n\n15. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat hij die aangiften niet heeft gedaan.\n\n16. De inspecteur heeft mogelijkheden om op te treden als niet of niet tijdig aangifte wordt gedaan. De inspecteur kan een verzuimboete opleggen.\n\n17. Het niet binnen de termijndoen van de aangiftes vormt een verzuim. Daarvoor kan de inspecteur belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete opleggen.\n\n18. Omdat geen aangiften zijn ingediend over de jaren 2021 en 2022 heeft de inspecteur terecht de verzuimboetes opgelegd.\n\n19. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verzuimboetes te matigen in verband met de door belanghebbende gestelde medische situatie en zijn leeftijd. Belanghebbende heeft op de zitting gezegd dat hij geen hulp wil vragen en dat hij er bewust voor kiest om geen aangifte te doen. De inspecteur is al erg coulant geweest. De inspecteur heeft over 2023 en 2024 géén verzuimboetes opgelegd, terwijl belanghebbende ook voor die jaren geen aangiftes heeft gedaan. Voor het jaar 2025 heeft de inspecteur op de zitting een vooringevulde papieren aangifte IB\u002FPVV aan belanghebbende aangeboden. Deze aangifte wilde belanghebbende niet meenemen naar huis om hem thuis rustig te controleren, eventueel aan te vullen, te ondertekenen en terug te sturen aan de inspecteur. De rechtbank acht in de gegeven omstandigheden een boete van € 385 voor het jaar 2021 en € 385 voor het jaar 2022 passend en geboden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n20. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen teruggaaf van IB\u002FPVV krijgt voor de jaren 2011 tot en met 2024 en de verzuimboetes in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\nUitgesproken op 26 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:1 van de Awb en artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient eerst bezwaar gemaakt te worden tegen een voor bezwaar vatbare beschikking voordat beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a Awb is voldaan, hebben partijen ter zitting ingestemd met rechtstreeks beroep.\n\n Belanghebbende is voor die jaren niet uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV.\n\n Artikel 9.6 van de Wet IB 2001 en artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling IB 2001.\n\n Artikel 6.40 van de Wet IB 2001 bepaalt dat persoonsgebonden aftrekposten, waaronder alimentatie, in aftrek kunnen worden gebracht op het tijdstip waarop zij zijn betaald, verrekend, ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden.\n\n Artikel 9, derde lid, van de AWR (aanmaning).\n\n Artikel 67a, eerste lid, van de AWR.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5077","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:28.117Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":46,"fullText":103,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":105},"1578","ECLI:NL:RBGEL:2026:5042","ecli-nl-rbgel-2026-5042","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F9105\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 november 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.628. Gelijktijdig bij de vaststelling van de aanslag heef de inspecteur belastingrente van € 129 in rekening gebracht.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag IB\u002FPVV 2022 gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 1] namens belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is op 7 september 1992 bij Blokker B.V. in dienst getreden.\n\n2. Op 26 april 2021 heeft belanghebbende een vaststellingsovereenkomst met Blokker B.V. gesloten waarbij partijen overeen zijn gekomen dat de bestaande arbeidsovereenkomst per 1 september 2021 met wederzijds goedvinden eindigt. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen een beëindigingsvergoeding van € 31.444,37 overeengekomen.\n\n3. Belanghebbende heeft zich op 18 mei 2021 ziek gemeld bij Blokker B.V. Belanghebbende ontving vanaf het moment dat hij ziek werd tot 14 mei 2023 een Ziektewet-uitkering van Blokker B.V.\n\n4. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2023 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2022.\n\n5. Belanghebbende heeft op 14 april 2023 om uitstel verzocht. De inspecteur heeft tot 1 mei 2024 uitstel verleend.\n\n6. Belanghebbende heeft op 2 mei 2023 de aangifte IB\u002FPVV 2022 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 25.520 opgegeven bij Blokker B.V. en inkomen uit eigen woning van € - 1.892.\n\n7. Met dagtekening 1 december 2023 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2022 vastgesteld. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 23.628 en bestaat uit inkomen uit vroegere dienstbetrekking ter hoogte van € 25.520 bij Blokker B.V. en inkomen uit eigen woning van € - 1.892. Daarnaast heeft de inspecteur belastingrente van € 129 in rekening gebracht.\n\n8. Belanghebbende heeft op 10 januari 2024, ontvangen door de inspecteur op 11 januari 2024, bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB\u002FPVV 2022. Belanghebbende geeft in het bezwaarschrift aan dat de ingediende aangifte juist is en de witte tabel toegepast dient te worden, omdat belanghebbende in dienst was van Blokker B.V.\n\n9. De inspecteur heeft op 16 augustus 2024 aan belanghebbende verzocht om informatie met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij Blokker B.V.\n\n10. Belanghebbende heeft op 22 augustus 2024 per e-mail een vaststellingsovereenkomst, salarisstrook van december 2022 en een brief van het UWV van 6 april 2023 aan de inspecteur verzonden.\n\n11. Bij brief van 21 oktober 2024 heeft de inspecteur belanghebbende laten weten voornemens te zijn om het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren. In deze brief is belanghebbende ook gewezen op het hoorrecht.\n\n12. Belanghebbende heeft op 1 november 2024 gereageerd op het voornemen van de inspecteur. Volgens belanghebbende kan een wettelijk ontslag niet ingaan tijdens een ziekteperiode. Belanghebbende heeft onder andere de jaaropgave 2023 overgelegd waarin staat vermeld dat de ontslagdatum 15 mei 2023 is.\n\n13. Bij uitspraak op bezwaar van 12 november 2024 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard, omdat belanghebbende tot en met 31 augustus 2021 in loondienst was bij Blokker B.V. en in september 2021 een ontslaguitkering heeft ontvangen. Daarnaast heeft belanghebbende in de periode van 1 september 2021 tot en met 31 december 2021 een Ziektewet-uitkering ontvangen van Blokker B.V. Volgens de inspecteur is hiermee terecht de groene tabel toegepast.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n14. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB\u002FPVV 2022 juist is vastgesteld, in het bijzonder of recht bestaat op arbeidskorting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n16. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in 2022 recht heeft op arbeidskorting, omdat sprake is van een dienstbetrekking. Hij heeft op 26 april 2021 een vaststellingsovereenkomst met Blokker B.V. gesloten waarbij de bestaande arbeidsovereenkomst op 31 augustus 2021 zou eindigen. Op 18 mei 2021 heeft belanghebbende zich ziek gemeld en met ingang van deze datum heeft hij een Ziektewet-uitkering van Blokker B.V. ontvangen, waardoor de dienstbetrekking niet is beëindigd op 31 augustus 2021. Belanghebbende verwijst hierbij naar een loonspecificatie van december 2022 waarin als datum van indiensttreding 1 september 2021 wordt genoemd en het contract voor onbepaalde tijd staat aangemerkt. Tevens verwijst belanghebbende naar de jaaropgaven 2021, 2022 en 2023 waarin belanghebbende wordt aangeduid als werknemer.\n\n17. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat van een dienstbetrekking in 2022 geen sprake meer is, omdat deze op 31 augustus 2021 met wederzijds goedvinden is geëindigd. De inspecteur geeft aan dat uit de betalingsspecificatie van december 2022 en de jaaropgaven van Blokker B.V. blijkt dat Blokker B.V. geen arbeidskorting heeft toegepast op de Ziektewet-uitkering. Pas na uitdiensttreding, per 1 september 2021, heeft Blokker B.V. een ziektewetuitkering aan belanghebbende uitgekeerd en is er een nieuwe inkomstenverhouding ontstaan. Dit heeft Blokker B.V. niet gedaan in het kader van een lopende dienstbetrekking, maar als eigenrisicodrager voor de Ziektewet.\n\n18. In artikel 8.11, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. Volgens artikel 8.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet IB 2001 wordt onder arbeidsinkomen verstaan: het gezamenlijk bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden. Voor 1 januari 2020 gold dat een Ziektewet-uitkering tot het arbeidsinkomen werd gerekend.Met ingang van 1 januari 2020 is dat gewijzigd en wordt een Ziektewet-uitkering alleen tot het arbeidsinkomen gerekend indien de dienstbetrekking nog niet beëindigd is.\n\n19. In de parlementaire behandelingis over bovenstaande wijziging het volgende opgenomen:\n\n“Een werknemer krijgt in veel gevallen bij ziekte zijn loon doorbetaald door zijn werkgever. Als dat niet het geval is, zorgt de ZW voor een inkomensvoorziening bij ziekte van de werknemer. Een ZW-uitkering wordt echter ook verstrekt aan personen die door ziekte tijdelijk niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, maar geen dienstbetrekking (meer) hebben, bijvoorbeeld aan personen die een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) hadden en ziek zijn geworden of personen van wie de dienstbetrekking tijdens ziekte is beëindigd.\n\nAls iemand een ZW-uitkering heeft, telt die uitkering mee als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en van de IACK. Een WW-uitkering telt niet mee als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en van de IACK. Iemand die een WW-uitkering heeft en ziek wordt en daardoor een ZW-uitkering ontvangt, heeft op dat moment een hoger inkomen dat meetelt voor de bepaling van de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. Als gevolg daarvan treedt op dat moment in de regel een substantiële netto-inkomensstijging op. Vervolgens ervaart deze persoon juist in de regel een substantiële netto-inkomensdaling als hij zich beter meldt en weer een WW-uitkering geniet. Beide situaties acht het kabinet, ook voor vergelijkbare groepen, niet wenselijk. Daarom is het voorstel om per 2020 voor nieuwe ZW-uitkeringsgerechtigden zonder werk de ZW-uitkering niet mee te laten tellen als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting.\n\nDat betekent dat een knip moet worden aangebracht in de groep mensen die een ZW-uitkering geniet. Kort gezegd, wordt een knip aangebracht tussen zieken met werk en zieken zonder werk. De voorgestelde maatregel is daarmee zowel van toepassing voor mensen met een WW-uitkering die ziek worden als voor mensen die in een vergelijkbare situatie verkeren als zieke WW-gerechtigden: zij zijn ziek en hebben geen dienstbetrekking (meer). Het betreft bijvoorbeeld mensen met een arbeidscontract voor bepaalde duur dat is beëindigd, uitzendkrachten die onder het uitzendbeding vallen en zwangeren die geen dienstbetrekking (meer) hebben en zich vóór hun zwangerschaps- en bevallingsverlof ziek melden. Voorgesteld wordt bij deze groepen de ZW-uitkering niet langer te laten meetellen als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. Het gaat om circa 250.000 ziektegevallen per jaar (ZW-uitkeringen), met een gemiddelde duur van 52 dagen (cijfers 2017).”\n\n20. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende in 2022 geen recht had op arbeidskorting, omdat hij geen dienstbetrekking had. Belanghebbende ontving in 2022 een Ziektewet-uitkering van zijn ex-werkgever, waarbij de dienstbetrekking al per 1 september 2021 middels een vaststellingsovereenkomst was beëindigd. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd die erop kunnen wijzen dat de vaststellingsovereenkomst niet geldig of herroepen is. Dat in de loonspecificatie een ingangsdatum van 1 september 2021 en een contract voor onbepaalde tijd staat genoemd, en in de jaaropgaven over een werknemer wordt gesproken, maakt niet dat het om een lopende dienstbetrekking gaat. De rechtbank ziet daarentegen in de loonspecificatie ook de functie ‘ZW-uitkeringsgerechtigde’ staan. Verder blijkt uit de door de inspecteur overgelegde stukken dat de ex-werkgever van belanghebbende voor de periode tot 1 september 2021 uitgaat van een dienstbetrekking en voor de periode erna (dus heel 2022) niet. Voorts merkt de rechtbank op dat belanghebbende bij een eventuele betermelding na 1 september 2021 geen loon meer zou ontvangen van zijn ex-werkgever, omdat de arbeidsovereenkomst immers niet meer bestond.\n\n21. Belanghebbende heeft ter zitting gewezen op een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland zonder de exacte gegevens te weten. De rechtbank heeft getracht deze uitspraak te achterhalen. Voor zover belanghebbende heeft willen verwijzen naar de uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2024:2692, merkt de rechtbank op dat deze op een andere situatie ziet.\n\n22. Nu het hier niet om een Ziektewet-uitkering met dienstbetrekking gaat, dient de Ziektewet-uitkering niet tot het arbeidsinkomen gerekend te worden en bestaat er dus ook geen recht op arbeidskorting. De aanslag IB\u002FPVV 2022 is juist vastgesteld.\n\nBelastingrente\n\n23. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Omdat er geen reden is om de aanslag te verminderen, blijft de belastingrente in stand.\n\nConclusie en gevolgen\n\n24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 8.1, tweede lid, onderdeel van de Wet IB 2001 (tekst 2019).\n\n MvT, Kamerstukken II2018\u002F19, 35026, nr.3, p 18-19.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5042","2026-07-13T00:29:28.152Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":51,"updatedAt":113},"1496","ECLI:NL:RBGEL:2026:4998","ecli-nl-rbgel-2026-4998","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 25\u002F124\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 december 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 155.687.\n\nGelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 120 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).\n\nBelanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de belastingrentebeschikking. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de belastingrentebeschikking ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen en namens de inspecteur [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .\n\nFeiten\n\nDe inspecteur heeft op 31 januari 2023 aan belanghebbende op basis van geschatte inkomensgegevens een voorlopige aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2023 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 9.503.\n\nOp 25 juli 2023 heeft belanghebbende een verzoek tot wijziging van de voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2023 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 140.052. Dit is als volgt opgebouwd:\n\nBelastbare winst uit onderneming\n\n€ 150.474\n\nSaldo inkomsten en aftrekposten eigen woning\n\n-\u002F- € 8.022\n\nUitgaven voor inkomensvoorzieningen\n\n-\u002F- € 2.400\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 140.052\n\n3. Met dagtekening 11 augustus 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een gewijzigde voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2023 opgelegd. Het verzamelinkomen is daarbij conform het verzoek van belanghebbende vastgesteld op € 140.052. De voorlopige aanslag betreft een te betalen bedrag van € 55.677.\n\n4. Op 20 juni 2024 heeft belanghebbende de aangifte IB\u002FPVV 2023 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 155.687. Dit is als volgt opgebouwd:\n\nBelastbare winst uit onderneming\n\n€ 162.822\n\nUitgaven voor inkomensvoorzieningen\n\n-\u002F- € 7.135\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 155.687\n\n5. De inspecteur heeft met dagtekening 16 augustus 2024 de definitieve aanslag IB\u002FPVV aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 155.687. De aanslag leidt tot een te betalen bedrag van € 6.662 (exclusief belastingrente). De inspecteur heeft € 120 aan belastingrente in rekening gebracht. De belastingrente is berekend over de periode 1 juli 2024 tot en met 27 september 2024.\n\n6. De inspecteur heeft met dagtekening 5 november 2024 de voorgenomen beslissing op bezwaar aan belanghebbende kenbaar gemaakt.\n\n7. Op 2 december 2024 hebben partijen telefonisch contact gehad. De inspecteur heeft te kennen gegeven dat een hoorgesprek zijn standpunt niet zou doen wijzigen. Belanghebbende heeft daarop besloten af te zien van een hoorgesprek.\n\n8. Belanghebbende is gehuwd met [partner] (de fiscale partner). De definitieve aanslag IB\u002FPVV 2023 van de fiscale partner betreft een te ontvangen bedrag van € 3.456. Daarbij is geen belastingrente vergoed.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n9. De rechtbank beoordeelt of de belastingrente terecht en naar het juiste bedrag in rekening is gebracht en of sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n10. Het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nBelastingrente\n\nWettelijk kader\n\n11. Artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:\n\n1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. 2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.\n\n12. Artikel 30fc van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n1. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting (…) na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een aanslag (…) met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag, (…), aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht. 2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag, (…), invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting. 3. Ingeval de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte. 4. Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de aanslag inkomstenbelasting (…) is vastgesteld overeenkomstig een ingediende aangifte die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde, (…), maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. (…).\n\n13. Artikel 30hb van de AWR luidde van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2024 als volgt:\n\nHet percentage van de belastingrente bedraagt een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat voor verschillende belastingen verschillend kan worden vastgesteld.\n\n14. Artikel 1 van het Besluit belasting- en invorderingsrente (hierna: Bbi) luidde, voor zover van belang, vanaf 1 januari 2024:\n\nHet percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor een kalenderjaar is voor de inkomstenbelasting, (…) gelijk aan het percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie die heeft plaatsgevonden vóór 1 november van het aan het betreffende kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, vermeerderd met 3 procentpunt, met dien verstande dat: a. aanpassing van het percentage, indien nodig, jaarlijks per 1 januari geschiedt; b. afronding van het percentage plaatsvindt op halve procentpunten; c. het percentage ten minste 4,5 bedraagt; en d. aanpassing van het percentage is beperkt tot maximaal 2 procentpunt per wijziging.\n\n15. Ingevolge het Besluit vaststelling wettelijke rente bedroeg de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2024 7,00%.\n\nToepassing op de zaak\n\n16. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van de belastingrente sprake is van discriminatie en willekeur, hetgeen tot ongelijke behandeling leidt. Verder stelt belanghebbende dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat aan belanghebbende belastingrente in rekening wordt gebracht, terwijl aan de fiscale partner ter zake van de teruggaaf van inkomstenbelasting geen belastingrente is vergoed. Verder heeft belanghebbende gesteld dat bij de berekening van belastingrente sprake is van strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel.\n\n17. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld.Ongelijke behandeling van gelijke gevallen is slechts toegestaan als daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.\n\n18. Belanghebbende stelt in dit kader dat het oneerlijk is dat belastingrente wordt berekend indien belasting is verschuldigd en dat geen belastingrente wordt vergoed indien sprake is van een terug te ontvangen bedrag. Belanghebbende benoemt in dit kader specifiek dat de definitieve aanslag IB\u002FPVV 2023 van de fiscaal partner een te ontvangen bedrag bedraagt.\n\n19. Naar het oordeel van de rechtbank bevindt iemand die een belastingteruggaaf ontvangt zich rechtens en feitelijk niet in dezelfde positie als belanghebbende, die belasting is verschuldigd. Het feit dat bij een aanslag naar een te betalen bedrag belastingrente in rekening wordt gebracht terwijl bij een te ontvangen teruggaaf over dezelfde periode geen belastingrente wordt vergoed, vloeit voort uit het wettelijke systeem en vormt geen reden voor vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.\n\n20. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 januari 2026geoordeeld dat de selectieve renteverhoging van de belastingrente voor vennootschapsbelastingplichtigen in strijd is met het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel. In de ten overvloede gegeven overwegingen bij dit arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:\n\n“4.11.3\n\nVan het belastingrentepercentage van artikel 1, letter a, van het Besluit kan, bij gelijke toepassing daarvan op alle soorten belastingen waarvoor belastingrente in rekening wordt gebracht, niet worden gezegd dat het een inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel. Het komt evenmin in strijd met het verbod van discriminatie in artikel 1 van de Grondwet en in internationale verdragen.\n\n4.11.4\n\nEvenmin leidt deze bepaling in de jaren 2022 en 2023 tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel. Het in die bepaling geregelde rentepercentage is in beginsel gelijk aan de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente voor verbintenissen tot betaling van een geldsom in gevallen waarin geen sprake is van een handelsovereenkomst. Deze wettelijke rente wordt berekend door de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank te verhogen met een opslag van (in de onderhavige jaren) 2,25 procentpunt, met een rekenkundige afronding van halve procenten. Van een aldus berekende rente kan niet worden gezegd dat die disproportioneel hoog is. Hetzelfde geldt voor het met ingang van 1 januari 2024 in artikel 1 van het Besluit daarvoor in de plaats getreden percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor een recente basisherfinancieringstransactie, vermeerderd met 3 procentpunt.\n\n4.11.5\n\nIn het geval de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente lager is dan (in de onderhavige jaren) 4 procent, wordt de in artikel 1, letter a, van het Besluit bedoelde rente gesteld op 4 procent. Met ingang van 2024 bedraagt het minimum rentepercentage volgens artikel 1, lid 1, letter a, van het Besluit 4,5. Die minimumpercentages zijn in een zodanig geval weliswaar relatief hoog, in vergelijking met de wettelijke rente, maar komen niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, in aanmerking genomen dat\n\n(i) de absolute hoogte ervan niet als excessief kan worden aangemerkt,\n\n(ii) dit percentage geldt voor de belastingrente bij alle belastingen waarvoor zulke rente in rekening wordt gebracht,\n\n(iii) de invoering ervan – oorspronkelijk in artikel 30hb AWR – berustte op budgettaire overwegingen, [Voetnoot 19: Kamerstukken II, 2013\u002F14, 33 755, nr. 3, blz. 2.] die bij de vaststelling van het rentepercentage voor de belastingrente als legitiem doel kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor in 4.8.1), en\n\n(iv) een relatief hoge belastingrente voor alle daarvoor in aanmerking komende belastingen eveneens bijdraagt aan een legitiem doel, omdat deze maatregel, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, een prikkel voor belastingplichtigen vormt om op tijd en juist aangifte te doen of (tijdig) om een voorlopige aanslag of een aanpassing daarvan te verzoeken. Ook indien veel belastingplichtigen daartoe, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, in redelijkheid niet of niet tijdig in staat zijn, kan dat doel niettemin in de beschouwing worden betrokken, met het oog op de gevallen waarin kan worden verwacht dat de berekening van belastingrente naar een relatief hoog percentage wel dit beoogde effect heeft.\n\nOnder de hiervoor vermelde vier omstandigheden kan niet – met inachtneming van de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid – worden aangenomen dat de nadelige gevolgen van de genoemde minimum rentepercentages voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.\n\n4.11.6\n\nGelet op hetgeen hiervoor in 4.11.4 en 4.11.5 is overwogen, kan evenmin worden gezegd dat de daar bedoelde rentepercentages een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang niet respecteren en daarom inbreuk maken op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM)\n\n(…).”\n\n21. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen van de Hoge Raad volgt dat het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting dat aan belanghebbende in rekening is gebracht, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in rechtsoverweging 4.11.4 van voornoemd arrest, is ook in absolute zin het percentage belastingrente niet te hoog. De hierop gerichte beroepsgronden van belanghebbende slagen derhalve niet.\n\n22. Belanghebbende heeft gesteld dat hij voor het tijdstip van indienen van de aangifte IB\u002FPVV afhankelijk is van het accountantskantoor. Dit is een aspect dat voor rekening van belanghebbende komt. Deze stelling slaagt daarom niet.\n\nZorgvuldigheidsbeginsel\u002Fhoorgesprek\n\nWettelijk kader\n\n23. Artikel 3:2 van de Awb luidt als volgt:\n\nBij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.\n\nToepassing op de zaak\n\n24. Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De inspecteur heeft in de bezwaarfase namelijk te kennen gegeven dat een hoorgesprek niet tot een andere uitkomst zou leiden dan de voorgenomen beslissing van 5 november 2024. Daardoor heeft belanghebbende afgezien van het hoorrecht. De handelwijze van de inspecteur is volgens belanghebbende in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\n25. De inspecteur heeft ter zitting erkend dat zijn collega zich in de bezwaarfase niet gelukkig heeft uitgelaten door te stellen dat een hoorgesprek geen wijziging zou brengen in zijn standpunt. Hij heeft toegelicht dat de uitlating van de collega te maken heeft met het geschilpunt. In zaken als deze waarin het gaat over de in rekening te brengen belastingrente heeft de inspecteur namelijk niet de ruimte om de rente te verminderen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de inspecteur omdat belanghebbende daar niet om heeft verzocht. De inspecteur heeft aangegeven dat de uitlating van de collega aanleiding is om het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende rekening is gehouden met de minder zorgvuldige wijze waarop de medewerker van de belastingdienst zich heeft uitgelaten en zal dienovereenkomstig beslissen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n26. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet het griffierecht van € 53 aan belanghebbende vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nbepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\nUitgesproken op 24 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Hoge Raad 6 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4573.\n\n Vergelijk Hoge Raad 26 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA214.\n\n Hoge Raad 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1778.\n\n ECLI:NL:HR:2026:59.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4998","2026-07-13T00:29:24.003Z",{"id":115,"ecli":116,"slug":117,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":110,"fullText":118,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":119,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":51,"updatedAt":120},"1749","ECLI:NL:RBGEL:2026:5017","ecli-nl-rbgel-2026-5017","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 23\u002F2634\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 januari 2023.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.854 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.712.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe gemachtigde van belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om zonder mondelinge behandeling het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen. De rechtbank heeft vervolgens de inspecteur gevraagd of hij hiermee instemt. De inspecteur heeft daarmee ingestemd. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende staat tot 2 februari 2017 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 2]. Met ingang van 2 februari 2017 staat zij ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats 1].\n\n2. Belanghebbende en haar ex-partner hebben de woning aan de [adres 1] te [plaats 2] (woning 1) op basis van een op 22 september 2016 gesloten voorlopige koopovereenkomst op 21 oktober 2016 geleverd aan een derde. De verkoopprijs bedraagt € 305.000.\n\n3. Belanghebbende heeft op 28 oktober 2016 een voorlopige koopovereenkomst gesloten ter zake van het appartementsrecht met betrekking tot het adres [adres 2] te [plaats 1] (woning 2). De koopsom daarvan bedraagt € 160.000. Deze koopovereenkomst bevat, behoudens de wettelijke bedenktijd van drie dagen, geen opschortende of ontbindende voorwaarden.\n\n4. Woning 2 is conform de voorlopige koopovereenkomst aan belanghebbende geleverd op 12 januari 2017. Op de notariële afrekening is vermeld dat belanghebbende uiterlijk vóór 12 januari 2017 een bedrag van € 148.745,49 diende over te maken op de derdengeldrekening van de notaris. Belanghebbende heeft de koopsom in drie delen op 6 januari 2017, 9 januari 2017 en 10 januari 2017 op de derdengeldrekening van de notaris overgemaakt.\n\n5. Belanghebbende had op 1 januari 2017 in totaal € 181.525 aan bank-, giro- en spaartegoeden. In de aangifte heeft belanghebbende € 177.383 van dit totaalbedrag aan zichzelf toegerekend\n\n6. Op 5 november 2018 is de aangifte IB\u002FPVV 2017 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 10.566. Het aangegeven voordeel uit sparen en beleggen bedraagt € 5.712.\n\n7. Op 14 februari 2018 is de definitieve aanslag IB\u002FPVV 2017 vastgesteld conform de aangifte.\n\n8. De inspecteur heeft op 9 januari 2019 van belanghebbende een bezwaarschrift ontvangen. Belanghebbende heeft daarin gesteld dat in de aangifte ten onrechte geen tot de rendementsgrondslag behorende schuld is opgenomen in verband met de aankoop van woning 2.\n\n9. Bij brief van 12 december 2022 heeft gemachtigde de inspecteur in gebreke gesteld en verzocht om een dwangsom.\n\n10. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende met dagtekening 19 januari 2023 afgewezen.\n\n11. Met dagtekening 24 februari 2023 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2017 ambtshalve verminderd in verband met toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3.Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is daarbij verminderd tot € 365.\n\n12. Op 7 maart 2023 heeft de inspecteur het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen. Op 22 maart 2023 heeft belanghebbende daartegen bezwaar gemaakt.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n12. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het voordeel uit sparen en beleggen, na vermindering op grond van het Besluit rechtsherstel box 3, terecht heeft vastgesteld op € 365. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n13. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende de uit de voorlopige koopovereenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van de koopsom als een tot de rendementsgrondslag behorende schuld in aanmerking kan nemen. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat daar geen tot de rendementsgrondslag behorende bezitting tegenover staat.\n\n14. Daarnaast is in geschil of het gelijkheidsbeginsel op regelniveau is geschonden, of de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd en of de inspecteur op juiste gronden heeft beslist dat geen dwangsom verschuldigd is.\n\n15. Tenslotte heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van immateriële\n\nschade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\n16. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInkomen uit sparen en beleggen (box 3)\n\nWettelijk kader\n\n17. Op grond van artikel 5.3, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bestaat de rendementsgrondslag uit de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Het tweede lid van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 bepaalt dat bezittingen zaken of rechten zijn met waarde in het economische verkeer. Het derde lid van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 bepaalt dat schulden verplichtingen zijn met waarde in het economische verkeer.\n\n18. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet IB 2001 is het uitgangspunt af te leiden dat voor de inhoud van de begrippen ‘bezittingen’ en ‘schulden’ kan worden aangesloten bij de jurisprudentie en doctrine die over deze begrippen is ontwikkeld voor de vermogensbelasting.\n\n19. Voor de vermogensbelasting gold dat de zinsnede ‘met waarde in het economische verkeer’ naar de bedoeling van de wetgever uitdrukking moest geven aan het objectieve karakter van de in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen.\n\nBezitting\n\n20. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het geldbedrag op de bankrekening geen bezitting vormt, omdat het geld afkomstig is uit de verkoop van de voormalige eigen woning en omdat dit geld bedoeld is om de nieuwe eigen woning mee te betalen. Het is volgens belanghebbende zeer onredelijk en onbillijk om het bedrag dat bestemd is om de koopprijs van woning 2 mee te betalen op de peildatum tot de rendementsgrondslag te rekenen. Dat is volgens belanghebbende niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.\n\n21. De rechtbank stelt voorop dat het buiten twijfel is dat een geldbedrag dat op de peildatum op een bankrekening staat als bezitting moet worden aangemerkt, aangezien het bezit van een geldbedrag waarde in het economische verkeer heeft. De wetgever heeft bedoeld het begrip ‘bezittingen’ een objectief karakter te geven. Met dat objectieve karakter is niet verenigbaar om de herkomst of het bestedingsdoel van een geldbedrag bepalend te laten zijn voor het antwoord op de vraag of het een bezitting is. In de tekst van de wet en in de parlementaire geschiedenis is voor een dergelijke uitleg als door belanghebbende gegeven dan ook geen steun te vinden.\n\n22. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld het standpunt in te nemen dat zij de toepassing van de wettelijke bepalingen in zijn geval onbillijk en onrechtvaardig vindt, overweegt de rechtbank dat zij op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. Deze beroepsgrond kan belanghebbende dan ook niet baten.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n23. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van ongelijke behandeling van overigens gelijke gevallen. Indien de koopsom vóór 1 januari 2017 zou zijn betaald, zou er fiscaal geen sprake zijn geweest van belastbaar vermogen per 1 januari 2017 en had ook geen terugbetaling hoeven plaats te vinden van toeslagen.\n\n24. De rechtbank oordeelt als volgt. Het wettelijke systeem maakt onderscheid tussen wel of niet uitgegeven geld. Dat is in het licht van het doel van de regeling een redelijk onderscheid, omdat het gaat om het in de belastingheffing betrekken van inkomsten uit bezit. Dat de vermogensrendementsheffing geen rekening houdt met een koper die zijn woning in jaar 1 geleverd krijgt ten opzichte van een koper die de woning pas in het daarop volgende jaar geleverd krijgt, is geen verschil dat tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van beide groepen leidt. De groep die de koopsom voor een andere woning in jaar 1 meteen betaalt, heeft immers ook geen profijt van geld op de rekening. Terwijl de groep kopers die het geld wel in hun bezit heeft gehad, daar ook profijt van kon hebben. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.\n\n25. Nu het geldbedrag moet worden aangemerkt als bezitting faalt deze stelling van belanghebbende. De rechtbank komt dan toe aan de stelling van belanghebbende, dat tegenover die bezitting een even grote schuld staat.\n\nSchuld\n\n26. Belanghebbende stelt dat het aangaan van de koopovereenkomst voor woning 2 tot verplichtingen voor haar heeft geleid en dat daarom op 1 januari 2017 sprake is van een schuld. Er waren immers op dat moment geen ontbindende voorwaarden meer die konden worden ingeroepen.\n\n27. De rechtbank is van oordeel dat tegenover het geldbedrag dat op de bankrekening van belanghebbende staat, niet een even grote schuld in aanmerking kan worden genomen vanwege de op grond van de koopovereenkomst door belanghebbende aangegane verbintenis tot betaling van de koopsom. De koopovereenkomst kan niet worden gekwalificeerd als een door belanghebbende aangegane verbintenis tot betaling van een geldbedrag onder een bepaalde voorwaarde, maar er is sprake van een overeenkomst met tegenover elkaar staande verbintenissen in de vorm van rechten en verplichtingen. Er is een verbintenis in de vorm van de verplichting tot betaling van de koopsom, maar daartegenover staat het recht op levering van woning 2. Van de koopovereenkomst kan dus niet enkel de betalingskant worden afgezonderd, de prestaties uit de koopovereenkomst hangen immers met elkaar samen.Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nToeslag\n\n28. Belanghebbende heeft gesteld dat het belang in deze zaak vooral is gelegen in het feit dat zij het door haar van de Belastingdienst Toeslagen ontvangen kindgebonden budget moest terugbetalen als gevolg van de heffing van inkomstenbelasting in box 3. De belastingrechter is echter niet bevoegd te oordelen over toeslagen. Belanghebbende dient zich zo mogelijk te wenden tot de Belastingdienst Toeslagen en\u002Fof de algemene bestuursrechter.\n\nDwangsom\n\nVooraf\n\n29. De rechtbank heeft geconstateerd dat de inspecteur geen uitspraak heeft gedaan op het bezwaar van belanghebbende inzake de dwangsom. Gelet op het belang dat partijen hechten aan een (spoedige) uitspraak, heeft de rechtbank afgezien van het terugverwijzen en zal, met inachtneming van hetgeen beide partijen in beroep hebben aangevoerd, uitspraak doen.\n\n30. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur een dwangsom van € 276 is verschuldigd in verband met het niet-tijdig beslissen op haar bezwaarschrift van 7 januari 2019 (ontvangen door de inspecteur op 9 januari 2019). Volgens de inspecteur heeft belanghebbende hem onredelijk laat in gebreke gesteld en is daarom geen dwangsom verschuldigd.\n\n31. De rechtbank constateert dat het tijdsverloop tussen het einde van de beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaar en het moment waarop belanghebbende de inspecteur in gebreke heeft gesteld veel langer is dan het in de wetsgeschiedenis genoemde tijdsverloop van ‘hooguit enkele weken’. De beantwoording van de vraag of sprake is van een onredelijk late ingebrekestelling moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer van belang zijn of het uitblijven van een ingebrekestelling verband hield met bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een lopend overleg tussen de aanvrager en het bestuursorgaan.De inspecteur heeft gesteld dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van contacten tussen hem en (de gemachtigde van) belanghebbende in de periode vanaf de datum van het hoorgesprek (11 februari 2021) tot 13 december 2022 (de datum van ontvangst van de ingebrekestelling). Belanghebbende heeft dit als zodanig ook niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende daarmee de inspecteur onredelijk laat in gebreke gesteld (pas ruim 21 maanden later). Dat bijvoorbeeld van een nog lopend overleg sprake zou zijn of van andere bijzondere omstandigheden waarom de ingebrekestelling zo laat is ingediend, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Het gevolg hiervan is dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn\n\n32. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\n33. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016.Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden behandeld van in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding deze termijn te verkorten of te verlengen.\n\n34. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 9 januari 2019. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 5 jaar en 6 maanden (66 maanden) langer dan twee jaar. Dat is afgerond naar boven 11 keer een half jaar. Daarom krijgt belanghebbende een schadevergoeding van € 5.500 (€ 500 per half jaar). De uitspraak op bezwaar is van 19 januari 2023. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor het 43\u002F66 deel toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor 23\u002F66 deel aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 3.583 aan belanghebbende te betalen en de Staat veroordelen om een bedrag van € 1.917 aan belanghebbende te betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n35. Het beroep is gegrond door de vermindering van de aanslag IB\u002FPVV in de beroepsfase als gevolg van de toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3 (punt 11). hiervoor). Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, het belastbaar inkomen uit werk en woning gehandhaafd blijft op € 4.854 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen wordt vastgesteld op € 365.\n\n36. Belanghebbende krijgt een forfaitaire vergoeding van haar proceskosten. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De rechtbank hanteert een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak. De vergoeding bedraagt dan € 934. De inspecteur moet die vergoeding betalen. Belanghebbende krijgt vanwege het gegronde beroep het betaalde griffierecht van € 50 terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n- stelt het belastbaar inkomen uit werk en woning vast op € 4.854 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 365;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 3.583;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 1.917;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van € 934 aan proceskosten aan belanghebbende;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\nUitgesproken op 24 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Besluit van 28 juni 2022, nr. 2022-176296.\n\n Kamerstukken II 1998\u002F99, 26 727, A, blz. 84 en 85.\n\n Kamerstukken II 1958\u002F59, 5380, nr. 5, blz. 7.\n\n Vergelijk Rechtbank Noord-Holland, 12 november 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:10031.\n\n HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:3288.\n\n Zie ook Centrale Raad van Beroep van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2642 waarin is geoordeeld dat een periode van 4,5 maand reeds als onredelijk laat wordt aangemerkt.\n\n Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5017","2026-07-13T00:29:36.889Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":44,"courtId":125,"decisionDate":126,"fullText":127,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":51,"updatedAt":129},"1004","ECLI:NL:RBNNE:2026:2468","ecli-nl-rbnne-2026-2468",65,"2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: LEE 25\u002F1840, LEE 25\u002F1841 en LEE 25\u002F1842\n\nuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 juni 2026 in de zaken tussen\n de erven van [erflater] , uit [plaats] , eisers\n\n(gemachtigde: [naam 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, Particulieren, kantoor Eindhoven, de inspecteur\n\n(gemachtigde: mr. drs. [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 9 april 2025.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan erflater voor de jaren 2018, 2019 en 2020 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd.\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard.\n\n1.3.. Tegelijk met de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur beslist dat eisers geen recht hebben op dwangsommen.\n\n1.4.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.5.. Eisers hebben nadere stukken ingediend.\n\n1.6.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, bijgestaan door [naam 3] , en namens de inspecteur mr. [naam 4] en mr. [naam 5] .\n\nFeiten\n\n2.2.1.. Aan wijlen [erflater] (erflater) zijn voor de jaren 2018, 2019 en 2020 aanslagen IB\u002FPVV opgelegd met respectievelijk dagtekening 19 september 2019, 9 mei 2020 en 6 augustus 2021. Erflater heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen.\n\n2.2.. Erflater is overleden op 9 juli 2022.\n\n2.3.. Erflater heeft twee erfgenamen, de heren [naam 1] en [naam 6] .\n\n2.4.. Eisers hebben bij brief van 30 november 2024, door de inspecteur ontvangen op 5 december 2024, bezwaar gemaakt tegen de aan erflater opgelegde aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2018 tot en met 2022. Het bezwaarschrift luidt – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“Als gevolg van het box 3-arrest is vast komen te staan dat het fictieve rendement voor de jaren 2018 tot en met 2023 te hoog is vastgesteld ten opzichte van het daadwerkelijk genoten rendement en zelfs negatief betaalde rendement in 2021.\n\nIn de jaren voor haar overlijden was zij slechts in beperkte mate in staat op te komen voor haar eigen financiële en fiscale positie en had zij een zeer teruggetrokken bestaan. De wijlen willen dit verzuim herstellen door alsnog bezwaarschriften in te dienen.\n\nIn onderhavige kwestie is sprake van verschoonbare termijnoverschrijding (ECLI:NL:HR:2024:515), waardoor de bezwaarschriften ontvankelijk zijn. Als u van mening bent dat sprake is van een niet-ontvankelijkheidskwestie verzoek ik u om daarover met ons in gesprek te gaan.(…)\n\nAls u het bezwaar deels en\u002Fof volledig afwijst dan willen wij graag gehoord worden.(…)”\n\n2.5.. Bij brief van 23 maart 2025, door de inspecteur ontvangen op 27 maart 2025, hebben eisers de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaren.\n\n2.6.. Bij brieven van 2 april 2025 heeft de inspecteur eisers een vooraankondiging van de door hem voorgenomen uitspraken op bezwaar gestuurd. De inspecteur schrijft daarin van plan te zijn de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren. Deze brieven luiden – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“HorenU kunt mondeling toelichten waarom u denkt dat uw bezwaar toch ontvankelijk is. U hebt het recht om gehoord te worden. Als u een afspraak wilt maken voor een gesprek kunt u mij e-mailen op [mailadres] of bellen op [telefoonnummer] . U kunt daarbij ook aangeven of u gebruik wilt maken van het recht de stukken die betrekking hebben op de zaak vooraf in te zien (inzagerecht). Laat u mij dit weten vóór 9 april 2025.\n\nIk zal beoordelen of uw verklaring reden is om het bezwaar toch als tijdig te behandelen.”\n\n2.7.. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2018, 2019 en 2020 niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraken op bezwaar hebben als dagtekening 9 april 2025.\n\n2.8.. Naar aanleiding van de uitspraken op bezwaar hebben eisers de inspecteur op 24 april 2025 een e-mail van 23 april 2025 doorgezonden. Die e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“Bijgaand reageer ik op de stapel brieven die ik heb ontvangen.\n\nIk sta perplex en weet eigenlijk niet zo goed hoe ik moet reageren.\n\nDaarom heb ik ook eventjes gewacht. Ik voel mij overvallen.\n\nHet is voor mij onduidelijk wat u hebt gedaan, hoe u tot uw inzichten bent gekomen en waarom de beslissingen zijn genomen zoals ze zijn genomen.\n\nHet is voor mij een wirwar en kan mij dan ook moeilijk met de besluiten verenigen. Wilt u mij dat opnieuw en meer op detailniveau uitleggen?\n\nDe ingebrekestelling is voor u kennelijk de aanleiding geweest voor een abrupte afdoening en op volle snelheid handelingen uit te voeren zonder inachtneming van een passende en juiste bezwaar behandeling. Dat lijkt mij niet juist. Een ingebrekestelling overrult de inhoudelijk behandeling niet. Het is slechts een prikkel om u te activeren naar de inhoudelijke behandeling toe.\n\nImmers, (i) waren alle termijnen verstreken, heeft de Belastingdienst na de ontvangstbevestiging niks van zich laten horen en verder ook geen enkel initiatief getoond.\n\nDe afwikkeling van de nalatenschap was een beladen traject, nu dit. Een ingebrekestelling is geen vrijbrief om vervolgens alle regels die horen bij een de bezwaar- en verzoekbehandeling opzij te schuiven.\n\nBij mij ontstaat de indruk dat het niet uitbetalen van een dwangsomvergoeding, belangrijker is dan een deugdelijk behandeling van het bezwaar- en\u002Fof verzoekschrift op zichzelf.\n\nIk verzoek u daarom het volgende:\n\n- een nieuwe herbeoordeling van de ontvankelijkheid waarbij wordt getoetst op de persoonlijke omstandigheden (zoals ook al gemotiveerd) conform de nieuwe jurisprudentie zoals aangehaald in de eerste brief, deze mag u niet zo maar opzij schuiven. Mijn moeder was op een zeer hoge leeftijd, woonachtig in een bejaardenhuis, zie ook de context in brief met de datum 30 november 2024;\n\n- sommige jaren speelt de ontvankelijkheid wel en voor andere niet hoe kan dat en waarop baseert u dat inzicht?\n\n- voor sommige jaren is volgens geen sprake van box 3-inkomen, kunt u mij uitleggen waarop u dat inzicht baseert?\n\nHopend dat u nogmaals kritisch, open en integraal het dossier (ambtshalve) doorneemt.”\n\n2.9.. In reactie op de e-mail van 24 april 2025 van eiser heeft de inspecteur op 29 april 2025 per e-mail gereageerd. Deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“Na onderzoek blijkt dat de belastingjaren 2018, 2019 en 2020 automatisch mee doen aan de massaal bezwaar plus procedure. Voor de belastingjaren 2021 en 2022 heeft wijlen mevrouw [erflater] geen box 3 belang. Uw reactietermijn voor een hoorgesprek is verstreken. Mocht u het niet eens zijn met de uitspraken, dan verwijs ik u naar de bijlage in de brieven waar u ziet hoe u in beroep en\u002Fof in bezwaar kunt gaan.”\n\n2.10.. In reactie op de e-mail van 29 april 2025 van de inspecteur hebben eisers op 6 mei 2025 per e-mail gereageerd. Deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:\n\n“Ik verbaas mij over uw reactie, opstelling en houding. Uw reactie is onjuist en ongepast.\n\nUw opstelling past niet bij een fatsoenlijke bezwaarprocedure die de Belastingdienst nastreeft.\n\nUw houding past niet bij de rechtsbeginselen, de Awb zoals bijvoorbeeld het Besluit fiscaal bestuursrecht, paragraaf 9. Dat is een uitvloeisel van artikel 7:2 Awb. Ik zal dat onderstaand toelichten.\n\nIk verzoek u nogmaals om de ontvankelijkheid te beoordelen alsook de materiële aspecten van box 3.\n\nU mag niet zonder meer enkele dagen voor een hoorgesprek inplannen. De gegeven reactietermijn was onredelijk en dat behoort u te (kunnen) weten.\n\nDat staat geheel los van de ingestuurde ingebrekestelling zoals uitgelegd in de vorige mail. Bovendien hebt u zich dan te houden aan enig vorm van herstelverzuim als uw opvatting wel juist zou zijn. Ik heb het hoorrecht niet prijsgegeven en ik heb hiervan ook niet afgezien.\n\nVerder houdt u geen enkele rekening met de geschetste en specifieke omstandigheden dat mijn moeder is overleden, erfgenamen onderdeel zijn van de correspondentie en de overleden persoon en erfgenamen zich correct hebben gehouden aan de fiscale verplichtingen. Ik neem aan dat ik ook van u enige wederkerigheid mag verwachten.\n\nAls u opnieuw besluit om zonder een serieuze, oprechte en inhoudloze behandeling te gaan voor afdoening, dan maak ik conform de door u aangehaalde rechtsmiddelenverwijzingen bezwaar en beroep tegen uw besluiten.\n\nDeze moet u dan ook als zodanig kwalificeren. Ik ben het dan oneens met uw standpunten zonder dat ik mij echt moeilijk kan verweren aangezien nergens echt inhoudelijk op is ingegaan.\n\nOp u rust dan de doorzendplicht ingevolge artikel 6:15 Awb. De doorzendplicht verplicht het bestuursorgaan waarbij bezwaar of beroep wordt ingesteld terwijl dat bij een ander orgaan dient te gebeuren, dit bezwaar of beroepsschrift door te zenden naar het orgaan dat op dit bezwaar of beroep dient te beslissen.\n\nOok uw andere verzuimen zoals het ongemotiveerd afdoen, niet horen en niet verstrekken van op de zaak betrekking hebben de stukken, geen opvolging geven aan de op uw rustende onderzoeksplicht t.a.v. de ontvankelijkheid vormen dan onder meer gronden van bezwaar en beroep.”\n\n2.11.. Eisers hebben hun beroepschrift per aangetekende post aan de rechtbank gezonden. De rechtbank heeft het beroepschrift op 27 mei 2025 ontvangen. De verzendsticker op de enveloppe geeft aan dat de brief op 26 mei 2025 op de post is gedaan.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOntvankelijkheid van de beroepen\n\n3. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken.Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het besluit, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking.Een beroepschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.Als de rechtbank een beroep niet-ontvankelijk verklaart, omdat het niet tijdig is ingediend, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.\n\n4. Het beroepschrift van eisers is buiten de beroepstermijn ontvangen. Het is per post verzonden op 26 mei 2025 (zie 2.11). Dat had uiterlijk op 21 mei 2025 gemoeten. Uitgaande van de hiervoor genoemde regels is het beroep dan niet tijdig ingediend.\n\n5. De rechtbank ziet echter aanleiding om het beroep toch ontvankelijk te achten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Nadat eisers de uitspraken op bezwaar ontvingen hebben zij met de inspecteur contact per e-mail contact gehad (zie 2.8 en 2.10). De rechtbank leest in de e-mails van eisers dat zij het niet eens zijn met de uitspraken op bezwaar én daarbij de inspecteur vragen om het bezwaar opnieuw te behandelen. Gelet daarop, en gelet op het feit dat de inspecteur niet zelf kan terugkomen op zijn uitspraken op bezwaar, had de inspecteur deze e-mails aan de rechtbank moeten doorsturen als zijnde een (pro forma) beroepschrift. Het feit dat de inspecteur in zijn reactie (zie 2.9) eisers nogmaals op de mogelijkheid van beroep heeft gewezen, waarna eisers bleven aandringen op een herbeoordeling door de bezwaarbehandelaar, doet deze doorzendplicht niet vervallen. Uitgaande van de datums van de e-mails van eisers, zijn de beroepen dan wel tijdig ingediend.\n\nInhoudelijke beoordeling van de beroepen\n\n6. De rechtbank beoordeelt hierna of de inspecteur de bezwaren terecht nietontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de inspecteur zorgvuldig heeft gehandeld in de bezwaarprocedure en of de inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat:\n\nde inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard;\n\nde inspecteur niet zorgvuldig heeft gehandeld in de bezwaarprocedure;\n\nde inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend.\n\nHierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid van de bezwaren\n\n8. Eisers stellen dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. De inspecteur heeft het op de door de Hoge Raad in zijn arrest van 5 april 2024 geformuleerde beoordelingskader niet juist toegepast.Ter zitting hebben eisers toegelicht dat, toen erflater nog in leven was, de gemachtigde van eisers op basis van een levenstestament of volmacht ook gerechtigd was om voor erflater bezwaar te maken. Erflater wilde haar zaken echter zelf regelen. Tot op zekere hoogte kon zij dat ook. Haar doenvermogen was echter beperkt. Uit respect voor de wensen van erflater heeft de gemachtigde van eisers daarom destijds geen bezwaar gemaakt.\n\n9. De inspecteur stelt dat voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in bezwaar vereist is dat eisers aannemelijk maken dat erflater niet in staat was om zelf tijdig bezwaar te maken. Als erflater niet zelf in staat was om bezwaar te maken, had zij maatregelen moeten treffen om haar belangen te laten behartigen. De inspecteur wijst er verder op dat na het overlijden van erflater het nog circa tweeëneenhalf jaar heeft geduurd voordat eisers bezwaar instelden. Ook voor dat deel van de termijnoverschrijding zijn geen valide redenen aangevoerd. Aldus de inspecteur.\n\n10. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de bezwaren ver buiten de bezwaartermijnen zijn ingediend. Ook staat vast dat ten aanzien van elke aanslag IB\u002FPVV een deel van de termijnoverschrijding kwam doordat erflater geen bezwaar had gemaakt, en een deel doordat de erfgenamen pas tweeëneenhalf jaar na het overlijden bezwaar maakten. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de termijnoverschrijdingen verschoonbaar zijn.\n\n11. Van verschoonbaarheid is sprake indien (i) de indiener pas na het verstrijken van de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en (ii) de indiener, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Dit moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van de indiener onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen.\n\n12. Uit wat eisers hebben gesteld volgt niet dat erflater niet in staat was tijdig bezwaar te maken. Het enkele feit dat erflater een hoge leeftijd had en was opgenomen in een verzorgingstehuis, vormen op zichzelf nog geen reden om daar anders over te oordelen. Uit de ter zitting gegeven toelichting van eisers blijkt bovendien dat erflater bij leven maatregelen “op papier” had getroffen, maar dat haar gevolmachtigde niet haar wens om dingen zelf te regelen heeft willen doorkruisen. De termijnoverschrijding is dus niet verschoonbaar. De bezwaren zijn daarom reeds hierom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het tweede deel van de termijnoverschrijding – de circa tweeëneenhalf jaar tussen het overlijden van erflater en het indienen van de bezwaren door eisers – behoeft dan verder geen bespreking.\n\nZorgvuldigheid van de bezwaarbehandeling\n\n13. Eisers stellen dat de inspecteur in de bezwaarprocedure onzorgvuldig gehandeld heeft. Eisers wijzen er daarbij op dat de ontvankelijkheid van de bezwaren niet juist is beoordeeld, dat na de ingebrekestelling de bezwaarprocedure is afgeraffeld, en dat de reactietermijn die de inspecteur hen gaf na de ingebrekestelling te kort was.\n\n14. De inspecteur stelt wel zorgvuldig gehandeld te hebben. Over de ontvankelijkheid is een gemotiveerde beslissing genomen in de uitspraak op bezwaar. Omdat duidelijk was dat het kerstarrest over box 3 de enige reden was voor het alsnog indienen van de bezwaren, waren eventuele persoonlijke omstandigheden tijdens de bezwaartermijn niet relevant. In de brief van 2 april 2025 is een week reactietermijn gegeven. Dat was voldoende. Met de ingebrekestelling verzoeken eisers juist om een beslissing binnen twee weken. Eisers hebben binnen de reactietermijn niet aangegeven dat ze gehoord wilden worden.\n\n15. De rechtbank overweegt als volgt. In hun bezwaarschrift hebben eisers expliciet aangegeven in gesprek te willen gaan indien de inspecteur van mening was dat de bezwaren niet-ontvankelijk zouden zijn. Daarnaast hebben eisers aangegeven dat bij afwijzing van het bezwaar graag gehoord willen worden (zie 2.4). In het licht daarvan is de brief van 2 april 2025, met name de passage over het horen (zie 2.6), moeilijk te plaatsen. Het had voor de inspecteur al duidelijk moeten zijn dat eisers gehoord wilden worden over zijn voornemen om de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren. Door desondanks eisers niet actief uit te nodigen voor een hoorgesprek en in de plaats daarvan het initiatief voor een hoorgesprek bij eisers te leggen, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld.\n\n16. Eisers hebben in beroep de mogelijkheid gehad om alsnog een toelichting te geven waarom volgens hen de termijnoverschrijdingen in bezwaar verschoonbaar zijn. Daar hebben zij ook gebruik van gemaakt in de van hen afkomstige stukken en op de zitting. De rechtbank heeft, met inachtneming van wat eisers hebben aangevoerd, hiervoor geoordeeld dat de termijnoverschrijdingen in bezwaar niet verschoonbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom aannemelijk dat eisers in zoverre niet benadeeld zijn door het onzorgvuldige handelen van de inspecteur. De rechtbank past daarom artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe. Dat betekent dat het onzorgvuldig handelen niet tot gevolg heeft dat het bestreden besluit – de uitspraken op bezwaar – vernietigd wordt.\n\n17. Eisers hebben wel recht op vergoeding van het griffierecht. Zij hebben immers kosten moeten maken om de onzorgvuldigheid van de inspecteur aan de orde te stellen.\n\nOp de zaak betrekking hebbende stukken\n\n18. Eisers stellen dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Eiser noemt daarbij onder meer de voorlopige aanslagen, systeeminformatie uit diverse systemen, beschrijvingen van zoek- en procesinformatie, logboekregistraties, en interne correspondentie over de bezwaren.\n\n19. De inspecteur stelt dat hij wel alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.\n\n20. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard en dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld in bezwaar, zijn de stukken waar eisers op wijzen niet (meer) van belang voor beslechting van het bij de rechtbank voorliggende geschil. Reeds om die reden zijn de stukken die eiser noemt geen op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.\n\nDwangsommen\n\n21. Eisers verzoeken de rechtbank om vast te stellen dat de inspecteur dwangsommen moet betalen omdat de bezwaarprocedure niet op een juiste en volledige wijze heeft plaatsgevonden. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat tegenwoordig meer zorgvuldigheid en dienstbaarheid van de overheid verwacht mag worden.\n\n22. De inspecteur stelt dat hij terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de uitspraken op bezwaar niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen, stelt de inspecteur dat een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar nog steeds een uitspraak op bezwaar is. De inspecteur wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2018.\n\n23. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft hebben deze beroepen mede betrekking op de dwangsombeschikkingen.\n\n24. Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling uitspraak op de bezwaren heeft gedaan. Er zijn daarom geen dwangsommen verschuldigd. Een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar telt voor de dwangsomregeling gewoon mee.De rechtbank ziet in de ontwikkeling hoe er over de verhouding tussen burger en overheid wordt gedacht geen aanleiding om anders te beslissen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n25. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Eisers krijgen wel het griffierecht vergoed (zie 17). In verband met samenhang heeft de rechtbank alleen in zaaknummer LEE 25\u002F1840 griffierecht geheven.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond;\n\nverklaart de beroepen voor zover gericht tegen de dwangsombeschikkingen ongegrond;\n\nbepaalt dat de inspecteur het in zaaknummer LEE 25\u002F1840 betaalde griffierecht van € 53,- aan eisers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nUitgesproken op 23 juni 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 22j, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).\n\n Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.\n\n Hoge Raad 20 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2824 en Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516.\n\n Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.2 t\u002Fm 4.2.6.\n\n Artikel 6:11 van de Awb.\n\n Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.2 t\u002Fm 4.2.6.\n\n Hoge Raad 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96.\n\n Zie Hoge Raad 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96, vergelijk Gerechtshof Amsterdam 4 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2152, Rechtbank Noord-Nederland 21 januari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:440, Rechtbank Midden-Nederland 19 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6984.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2468","2026-07-13T00:28:58.488Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":44,"courtId":125,"decisionDate":126,"fullText":134,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":135,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":51,"updatedAt":136},"1003","ECLI:NL:RBNNE:2026:2469","ecli-nl-rbnne-2026-2469","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: LEE 25\u002F3031 en 26\u002F1286\n\nuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 juni 2026 in de zaken tussen\n de erven van [erflater] , uit [plaats] , eisers\n\n(gemachtigde: [naam 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, Particulieren, kantoor Eindhoven, de inspecteur\n\n(gemachtigde: mr. drs. [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juli 2025.\n\n1.1.. De inspecteur heeft bij beslissing van 2 april 2025 de verzoeken van eisers om ambtshalve vermindering van de aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) voor de jaren 2021 en 2022 afgewezen. Tegelijk met het afwijzen van de verzoeken heeft de inspecteur beslist dat eisers geen recht hebben op dwangsommen.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van eisers tegen de beslissing dat zij geen recht hebben op dwangsommen afgewezen. Eisers hebben beroep ingesteld tegen deze uitspraken op bezwaar.\n\n1.3.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Eisers hebben nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, bijgestaan door [naam 3] , en namens de inspecteur mr. [naam 4] en mr. [naam 5] .\n\nFeiten\n\n2.1.. Aan wijlen [erflater] (erflater) zijn voor de jaren 2021 en 2022 aanslagen IB\u002FPVV opgelegd met respectievelijk dagtekening 27 september 2022 en 23 juni 2023.\n\n2.2.. Erflater is overleden op 9 juli 2022.\n\n2.3.. Erflater heeft twee erfgenamen, de heren [naam 1] en [naam 6] .\n\n2.4.. De heer [naam 1] heeft bij brief van 30 november 2024, door de inspecteur ontvangen op 5 december 2024, bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2018 tot en met 2022. Het bezwaar ziet op de hoogte van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.\n\n2.5.. Het bezwaarschrift is, voor zover het ziet op de jaren 2021 en 2022, aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering.\n\n2.6.. Bij brief van 23 maart 2025, door de inspecteur ontvangen op 27 maart 2025, hebben eisers de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen ten aanzien van de aanslagen IB\u002FPVV 2018 tot en met 2022.\n\n2.7.. Met dagtekening 2 april 2025 heeft de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen. In diezelfde brief heeft de inspecteur beslist dat eisers geen dwangsom krijgen, omdat binnen twee weken na het ontvangen van de ingebrekestelling is beslist.\n\n2.8.. Bij brief van 19 mei 2025, door de rechtbank ontvangen op 27 mei 2025, hebben eisers beroep ingesteld tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2018 tot en met 2022.\n\n2.9.. De rechtbank heeft geconstateerd dat de inspecteur voor de jaren 2021 en 2022 geen uitspraken op bezwaar had gedaan, maar dat hij enkel de voorgenoemde beslissing van 2 april 2025 had genomen (zie 2.7). De rechtbank heeft daarom het beroep, voor zover dat zag op de jaren 2021 en 2022, doorgezonden naar de inspecteur om als bezwaarschrift in behandeling te nemen.\n\n2.10.. Op 3 juli 2025 heeft de inspecteur beslist op de bezwaren van eisers voor zover die zagen op de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Hiertegen zijn eisers niet in beroep gegaan.\n\n2.11.. Op 14 juli 2025 heeft de inspecteur beslist op de bezwaren van eisers voor zover die zagen op het niet toekennen van dwangsommen.\n\n2.12.. Bij brief van 19 augustus 2025, door de rechtbank ontvangen op 25 augustus 2025, hebben eisers beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van 14 juli 2025.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht geen dwangsommen heeft toegekend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5. Eisers verzoeken de rechtbank om vast te stellen dat de inspecteur dwangsommen moet betalen omdat het bezwaarschrift ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, en de bezwaarprocedure niet op een juiste en volledige wijze heeft plaatsgevonden. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat zij de beslissingen van de inspecteur niet konden begrijpen, omdat uit de aangiften voor de jaren 2021 en 2022 volgt dat er belasting in box 3 verschuldigd zou zijn. Over de definitieve aanslagen, waarin geen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen, beschikten zij niet. Volgens eisers mag tegenwoordig meer zorgvuldigheid en dienstbaarheid van de overheid verwacht worden.\n\n6. De inspecteur stelt dat hij terecht geen dwangsommen heeft toegekend omdat binnen twee weken na de ingebrekestelling is beslist. Omdat de ingebrekestelling zag op het niet tijdig nemen van beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering, doet niet ter zake wat er in de latere bezwaarprocedure is gebeurd.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur heeft binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op de verzoeken om ambtshalve vermindering beslist. Dit was binnen de termijn die daar volgens artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor staat. Omdat de inspecteur niet in gebreke was, heeft hij ook geen dwangsommen verbeurd. De inspecteur heeft dus terecht geen dwangsommen toegekend. De rechtbank ziet in de door eisers aangevoerde argumenten geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Zelfs als er iets zou schorten aan de besluitvorming in de verzoekprocedure, wat de inspecteur overigens heeft betwist, dan is er voor de toepassing van de wettelijke dwangsommenregeling nog altijd sprake van een tijdig genomen beslissing.Wat er voorafgaande aan de verzoekprocedure is gebeurd (in de aanslagfase) dan wel na afloop daarvan (in de bezwaarfase) heeft verder geen invloed op het al dan verbeuren van dwangsommen; de ingebrekestelling heeft daar immers geen betrekking op gehad.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen recht hebben op dwangsommen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nUitgesproken op 23 juni 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vgl. Hoge Raad 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:96.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2469","2026-07-13T00:28:58.434Z",{"id":138,"ecli":139,"slug":140,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":141,"fullText":142,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":143,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":51,"updatedAt":144},"1723","ECLI:NL:RBZWB:2026:5608","ecli-nl-rbzwb-2026-5608","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 21\u002F3677 tot en met 21\u002F3679\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 juni 2026 in de zaken tussen\n de erven van [maat 1] , belanghebbenden\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbenden tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juli 2021.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan [maat 1] ( [maat 1] ) de volgende aanslagen opgelegd en daarbij de volgende beschikkingen vastgesteld:\n\neen navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) voor het jaar 2011 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.737, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 8.385 en in rekening gebrachte heffingsrente van € 3.531;\n\neen navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 261.259, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 44.654 en in rekening gebrachte belastingrente van € 16.467;\n\neen navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2013 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 173.493, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 40.541 en in rekening gebrachte belastingrente van € 11.952;\n\n1.2.. Bij uitspraken op bezwaar is de vergrijpboete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2013 verminderd tot € 39.346. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard. Aan [maat 1] is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.\n\n1.3.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.\n\n1.5.. De inspecteur heeft een verzoek om geheimhouding van delen van stukken gedaan. De rechtbank heeft het verzoek gedeeltelijk toegewezen.De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft de inspecteur opgedragen ongeschoonde versies te overleggen van delen van bijlagen 3, 4 en 99 bij het verweerschrift. Bij brief van 18 maart 2025 heeft de inspecteur deze beslissing gevolgd.\n\n1.6.. De rechtbank heeft op 28 januari 2026 een brief ontvangen van mr. C.J. van der Have (voormalig gemachtigde) waarin hij aangeeft dat hij zich heeft teruggetrokken als gemachtigde.\n\n1.7.. Omdat de rechtbank niet over (al) de adresgegevens van belanghebbenden beschikte, is op 11 februari 2026 de oproep voor de zitting geplaatst in de Staatscourant.\n\n1.8.. Daarnaast is de oproep voor de zitting op 10 maart 2026 doorgezonden aan het enige bij de rechtbank bekende recente adres van (één van) belanghebbenden.\n\n1.9.. Bij brief van 23 maart 2026 heeft mr. A.W. Hooijen zich als gemachtigde gesteld.\n\n1.10.. Belanghebbenden hebben op 23 maart 2026 en op 30 maart 2026 verzocht om uitstel van de zitting. De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen en heeft daarbij gemotiveerd waarom de zitting niet wordt uitgesteld.\n\n1.11.. De rechtbank heeft de beroepen op 10 april 2026 op zitting behandeld. Als gemachtigde heeft deelgenomen mr. G.P. Polders. Namens de inspecteur zijn verschenen: mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\n1.12.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft partijen de gelegenheid gegeven om met elkaar in overleg te treden.\n\n1.13.. De inspecteur heeft op 24 april 2026 aan de rechtbank laten weten dat geen overeenstemming is bereikt. Daarnaast geeft de inspecteur een nadere onderbouwing van een door hem ingenomen standpunt.\n\n1.14.. Op 1 mei 2026 heeft de inspecteur nog een aanvulling gegeven op het stuk van 24 april 2026.\n\n1.15.. Belanghebbenden hebben op 4 mei 2026 gereageerd op de stukken van de inspecteur van 24 april 2026 en van 1 mei 2026.\n\n1.16.. De rechtbank heeft op 11 mei 2026 het onderzoek ter zitting gesloten en een uitspraak aangekondigd binnen zes weken.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Daarbij komt eerst de vraag aan de orde of het verdedigingsbeginsel is geschonden. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Tenslotte gaat de rechtbank in op de vraag of de inspecteur de (hoogte van de) door hem doorgevoerde correcties in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbenden.\n\n2.1.. Niet in geschil is dat de opgelegde vergrijpboetes dienen te worden vernietigd omdat [maat 1] is overleden. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.\n\n2.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is het verdedigingsbeginsel niet geschonden. De rechtbank is verder van oordeel dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 niet tijdig is opgelegd. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 zijn terecht en niet tot te hoge bedragen aan [maat 1] opgelegd. De vergrijpboetes worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. [maat 1] is overleden op [datum] 2021.\n\n3.1.. \n [maat 1] maakte in de jaren 2011 tot en met 2013 deel uit van de [maatschap] (de maatschap). De andere maat in de maatschap was [maat 2] ( [maat 2] ).\n\n3.2.. De maatschap exploiteerde het [motortankschip] (hierna ook: [motortankschip] ). Het schip heeft een lengte van 99,84 meter en een breedte van 9,5 meter. Het schip beschikt over een totaal laadvermogen van 1.893 m3. Daarnaast heeft het schip twee zogenoemde sloptanks met elk een laadvermogen van 30 m3.\n\n3.3.. De [motortankschip] vervoerde in de jaren 2011 tot en met 2013 bedrijfsmatig plantaardige oliën. [maat 1] was kapitein op het schip. [maat 2] hield de administratie van de maatschap bij.\n\n3.4.. \n [motortankschip] werd gedurende de jaren 2011 tot en met 2013 bevracht door [bevrachter] B.V. te [plaats] .\n\n3.5.. Na elk transport van olie ontstaat in een schip bedrijfsafval, ook wel slops genoemd. Deze slops worden verzameld in de sloptanks. In die slops zit een percentage vocht\u002Fvuil en een percentage olie.\n\n3.6.. De oliecomponent in de slops heeft een waarde. Of de slops als geheel een positieve of negatieve waarde vertegenwoordigen, is afhankelijk van het vocht\u002Fvuilpercentage: des te hoger dat percentage, des te eerder zullen de kosten van het scheiden van de olie van het vocht\u002Fvuil niet opwegen tegen de opbrengst van de olie.\n\n3.7.. Op 5 december 2011 heeft een afvalstoffencontrole plaatsgevonden door de Dienst Waterpolitie aan boord van een motortankschip dat plantaardige olie vervoerde. Dit was de aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek dat zich richtte op de opsporing van vermoedelijk strafbare feiten die werden gepleegd bij het ontvangen, vervoeren en afgeven van plantaardige oliën en vetten middels binnenvaartschepen en daarmee gepaard gaande (al dan niet gefingeerde) afvalstromen. Dit strafrechtelijk onderzoek heeft uiteindelijk de naam Flip gekregen (hierna: het strafrechtelijk onderzoek).\n\n3.8.. Tot de stukken van het strafrechtelijk onderzoek behoort het zogeheten Basis Proces-Verbaal Flip (Basis PV). Dit proces-verbaal bevat een beschrijving van het gehele strafrechtelijke onderzoek, waarin ook verklaringen zijn opgenomen van verdachten en andere betrokken personen.\n\n3.9.. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is het vermoeden ontstaan dat door ongeveer vijftig schippers gedurende langere tijd, maar in ieder geval in de jaren 2011, 2012 en 2013 van verschillende Nederlandse motortankschepen partijen plantaardige olie vanuit de lading zijn verduisterd. Deze partijen plantaardige olie werden als slops aangeboden aan vethandel [vethandel] B.V. ( [vethandel] ) die deze slops met tankwagens naar [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ) vervoerde.\n\n3.10.. In het strafrechtelijk onderzoek is de volgende werkwijze beschreven. Wanneer de olie door [vethandel] bij het schip werd opgehaald werden door [vethandel] en de schipper zogeheten s-formulieren en begeleidingsbrieven ingevuld. Hierop werd onder meer de datum van de ontdoening ingevuld en in de meeste gevallen ook de geschatte totale hoeveelheid van de slop en het geschatte percentage vocht\u002Fvuil. De schipper kreeg een doorslag van deze formulieren. Bij aflevering van de slops door [vethandel] aan [bedrijf] werden door [bedrijf] gegevens op de begeleidingsbrieven en s-formulieren afgedrukt. Dit betrof een zogenoemde weegbrugstempel. Op de weegbrugstempel stonden onder meer de datum, het volgnummer van de weegbon en het tarra en netto gewicht van de slops, dat werd bepaald aan de hand van de weegbrug. [vethandel] overhandigde een (doorslag) van deze begeleidingsbrieven en s-formulieren – in de meeste gevallen voorzien van het exacte vocht\u002Fvuil percentage – aan de schipper. Van de betalingen door [vethandel] aan de schippers werden door [vethandel] inkoopfacturen opgemaakt op naam van het betreffende schip.\n\n3.11.. In het strafrechtelijk onderzoek zijn onder andere [vethandel] en [maat 1] als verdachte aangemerkt. [maat 1] is tot aan zijn overlijden verdachte geweest in het strafrechtelijk onderzoek.\n\n3.12.. De Belastingdienst heeft op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de informatie die volgt uit het strafrechtelijk onderzoek ontvangen. Daaropvolgend heeft de Belastingdienst de inbeslaggenomen administratie van [vethandel] ingezien. Ook heeft de Belastingdienst op 30 november 2017 een boekenonderzoek bij [vethandel] uitgevoerd en op 13 maart 2018 heeft er een bespreking tussen de Belastingdienst en [vethandel] plaatsgevonden.\n\n3.13.. Van de bespreking op 13 maart 2018 is een gespreksverslag opgemaakt wat behoort tot de gedingstukken.\n\n3.14.. Op grond van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek en het fiscale onderzoek heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat de financiële administratie van [vethandel] op het punt van de van de schippers ingekochte slops sluitend is. Dat wil zeggen dat de bedragen op alle inkoopfacturen als zodanig zijn verantwoord in het grootboek, dat in het kasboek de betreffende betalingen per kas zijn geregistreerd en dat in het bankboek de bijbehorende kasopnames (op totaalniveau) zijn terug te vinden.\n\n3.15.. In de administratie van [vethandel] zijn genummerde inkoopfacturen aangetroffen op naam van de maatschap ter zake van ingekochte slops door [vethandel] (de inkoopfacturen). Daarnaast zijn er ook s-formulieren en begeleidingsbrieven met betrekking tot [motortankschip] aangetroffen, voorzien van weegbrugstempels.\n\n3.16.. Verder zijn er in de administratie van [vethandel] een maandkalender van 2011 en twee weekkalenders van het jaar 2013 aangetroffen. Op de kalenders staan namen genoteerd van in het strafrechtelijk onderzoek betrokken motortankschepen met daarachter een getal.\n\n3.17.. In de administratie van [vethandel] bevindt zich ten slotte nog een aantal (klad)kasboeken. In de kasboeken werd door [vethandel] bijgehouden op welke data er bankbiljetten werden besteld bij de bank. In de kasboeken werden daarbij door [vethandel] de betreffende inkoopfactuurnummers genoteerd.\n\n3.18.. In de jaarstukken van de maatschap zijn in de jaren 2011 tot en met 2013 geen opbrengsten van slops verantwoord.\n\n3.19.. Op basis van de bevindingen tijdens het strafrechtelijk onderzoek en de in beslag genomen administratie van [vethandel] is door de Politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant, Team opsporing Milieu een Excel-spreadsheet opgesteld. In deze spreadsheet zijn de bevindingen samengevat over de goederenstromen en de geldstromen met betrekking tot de afgifte van de betreffende slops. In de Excel-spreadsheet is per inkoopfactuur een overzicht gemaakt van de datum en de afgegeven hoeveelheid slops, de prijs per kilogram, het contant door [vethandel] betaalde bedrag en het nummer van de betreffende begeleidingsbrief. Ook zijn er gegevens uit de administratie van [bedrijf] in opgenomen zoals onder andere het weegbonnummer, de datum van weging, het aantal kilogram olie en het vocht\u002Fvuil percentage.\n\n3.20.. \n [maat 1] heeft voor het jaar 2011 aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen van € 78.661. Voor het jaar 2012 heeft [maat 1] een aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.514. De aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2011 en 2012 zijn conform de aangiften opgelegd.\n\n3.21.. Voor het jaar 2013 is [maat 1] uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV. Hij heeft geen aangifte ingediend. De inspecteur heeft een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000.\n\n3.22.. Per brief van 14 september 2017 heeft de inspecteur aan [maat 1] medegedeeld dat hij zich op basis van de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek op het standpunt stelt dat [maat 1] in de jaren 2011 tot en met 2013 olie heeft geleverd aan [vethandel] waarvoor hij contante betalingen heeft ontvangen. De inspecteur heeft [maat 1] in de gelegenheid gesteld om aan te tonen hoe hij de veronderstelde ontvangen contante betalingen op inkoopfacturen van [vethandel] heeft verantwoord in zijn aangiften IB\u002FPVV.\n\n3.23.. Bij de brief van 14 september 2017 is een overzicht verstrekt van de gestelde contante betalingen, de afgegeven slops (aantal kilogram) en de betreffende factuurnummers op de inkoopfacturen van [vethandel] . De ontvangen contante betalingen bedragen volgens de inspecteur: voor het jaar 2011 € 36.650, voor het jaar 2012 € 233.105 en voor het jaar 2013 € 84.500.\n\n3.24.. \n [maat 1] heeft op 21 september 2017 op deze brief gereageerd. Hij geeft daarbij aan dat hij geen administratie heeft van de maatschap. De administratie is altijd gevoerd door [maat 2] . Volgens [maat 1] moet de inspecteur bij [maat 2] zijn voor de gevraagde informatie.\n\n3.25.. De inspecteur heeft [maat 2] ook gevraagd naar de inkomsten uit de slops. [maat 2] stelt zich op het standpunt dat de heer [maat 1] buiten het zicht van de maatschap ontvangsten heeft gehad uit de verkoop van de slops en dat hij dit niet aan de maatschap heeft medegedeeld.\n\n3.26.. Mevrouw [woordvoerster] heeft namens [maat 2] verklaard dat zij gedurende de jaren 2002 tot 2015 de administratie heeft gevoerd van de maatschap en dat er gedurende deze periode geen inkomsten uit verkopen van slops zijn ontvangen op de bankrekening van de maatschap.\n\n3.27.. Bij brief van 3 november 2017 heeft de inspecteur [maat 1] ervan op de hoogte gesteld dat hij navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en boetes voor de jaren 2011 tot en met 2013 gaat opleggen. Daarbij heeft de inspecteur de inkoopfacturen die ten grondslag liggen aan de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV overgelegd.\n\n3.28.. Met dagtekening 15 december 2017 is de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 aan [maat 1] opgelegd.\n\n3.29.. Met dagtekening 17 maart 2018 zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 aan [maat 1] opgelegd.\n\n3.30.. Het belastbaar inkomen uit werk en woning in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2011 tot en met 2013 bestaat uit de vermeende contant ontvangen bedragen (zie 3.23). Voor de jaren 2012 en 2013 heeft de inspecteur de bedragen verminderd met de omzetbelasting die over deze bedragen is berekend.Voor het jaar 2013 is bovendien bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB\u002FPVV nog rekening gehouden met een belastbaar resultaat uit de maatschap en een negatief inkomen uit eigen woning.\n\n3.31.. Op 3 februari 2020 heeft een inzage in het dossier van de inspecteur plaatsgevonden door de gemachtigde. Op 12 februari 2020 zijn aanvullend nog stukken aan de gemachtigde opgestuurd.\n\n3.32.. Bij uitspraken op bezwaar is de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2013 verminderd tot € 39.346 omdat deze niet op de juiste grondslag was berekend. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard.\n\nMotivering\n\nVerdedigingsbeginsel\n\n3.33.. Belanghebbenden hebben zich in de bezwaarfaseop het standpunt gesteld dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat geen inzage is gegeven in het (boete)dossier. In de beroepsfase hebben belanghebbenden verzocht om de standpunten uit bezwaar als herhaald en ingelast te beschouwen.\n\n3.34.. Naar het oordeel van de rechtbank is van een schending van het verdedigingsbeginsel – voor zover van toepassing – geen sprake. Er bestaat geen rechtsregel die de inspecteur verplicht om bij vragenbrieven (3.22 en 3.23) volledige inzage te geven in de stukken die hem ter beschikking staan. In de bezwaarfase is inzage gegeven in de op de zaak betrekking hebbende stukken.Daarbij is aan gemachtigde gelegenheid geboden om aan te geven als er volgens hem stukken missen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.\n\nTijdigheid navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2011\n\n3.35.. Op grond van artikel 16, derde lid van de AWR vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte kenbaar uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van het uitstel verlengd.\n\n3.36.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is omdat aan [maat 1] kenbaar 13 maanden uitstel is verleend op grond van de uitstelregeling belastingconsulenten (de Becon-regeling).\n\n3.37.. Belanghebbenden betwisten dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Volgens hen is aan [maat 1] geen kenbaar uitstel voor het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011 verleend.\n\n3.38.. \n\nDesgevraagd heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat zich in het dossier geen stukken bevinden die een verleend Becon-uitstel onderbouwen. In de stukken die de inspecteur na afloop van de zitting heeft ingediend (1.13 en 1.14) voert de inspecteur aan dat Becon-uitstel destijds standaard 13 maanden bedroeg. Volgens de inspecteur heeft de gemachtigde van [maat 1] in de bezwaarfase bovendien erkend dat Becon-uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011.\n\n De inspecteur heeft na afloop van de zitting informatie opgevraagd bij een collega met betrekking tot de vraag of aan [maat 1] Becon-uitstel is verleend. De betreffende collega heeft de inspecteur geantwoord dat volgens het door haar geraadpleegde systeem [maat 1] geen Becon-uitstel heeft gehad voor de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011. Ook geeft de collega aan dat gegevens over uitstel voor het indienen van de aangifte niet worden geschoond. De inspecteur heeft zijn standpunt over de tijdigheid van de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 niet bijgesteld naar aanleiding van de verkregen informatie van zijn collega.\n\n3.39.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Uit geen van de overgelegde bescheiden volgt dat daadwerkelijk Becon-uitstel voor de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011 kenbaar is verleend. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 met dagtekening 15 december 2017 is buiten de navorderingstermijn van 5 jaar opgelegd. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 en daarbij opgelegde vergrijpboete en heffingsrentebeschikking daarom vernietigen. Gelet hierop behoeft de stelling van belanghebbenden over de plichten van de inspecteur in het licht van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) geen verdere behandeling, aangezien daar op dit punt geen belang meer bij is.\n\nCorrecties in verband met contante betalingen aan [maat 1] door [vethandel]\n\n3.40.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat [maat 1] contante betalingen van [vethandel] heeft ontvangen voor verkochte slops, die hij niet heeft opgenomen in zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013. Ter onderbouwing verwijst de inspecteur onder meer naar de gegevens uit de administratie van [vethandel] , de verklaringen van de heer [vethandel] en de vastleggingen in het basis PV van het strafrechtelijk onderzoek.\n\n3.41.. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat [maat 1] de contante betalingen van [vethandel] nooit heeft ontvangen. Belanghebbenden stellen dat de administratie van [vethandel] geen overtuigend bewijs bevat, omdat [vethandel] heeft geprobeerd om zijn eigen straat schoon te vegen. Belanghebbenden stellen dat ook moet worden gekeken naar de betrokkenheid van [maat 2] .\n\n3.42.. De bewijslast dat [maat 1] in de jaren 2012 en 2013 meer inkomen heeft genoten dan hij in zijn aangiften IB\u002FPVV voor die jaren heeft aangegeven rust op de inspecteur.\n\n3.43.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat [maat 1] de gestelde contante betalingen heeft ontvangen. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.\n\n De inspecteur heeft gegevens uit de administratie van [vethandel] overgelegd. Daaronder bevinden zich de inkoopfacturen. De inspecteur heeft alle inkoopfacturen die ten grondslag liggen aan de correcties in de navorderingsaanslagen overgelegd. De inspecteur heeft voor een aantal inkoopfacturen in het verweerschrift uitgewerkt hoe de inkoopfacturen zich verhouden tot de begeleidingsbrieven en weegbrugstempels. De gegevens in de inkoopfacturen sluiten aan met de gegevens van de bijbehorende begeleidingsbrieven en weegbrugstempels. Het gewicht dat op de inkoopfacturen staat vermeld, komt bijvoorbeeld overeen met de gegevens op de weegbon van [bedrijf] . Dat geldt ook voor het daarop vermelde vuil\u002Fvochtpercentage. De bescheiden uit de administratie van [vethandel] bevestigen dat de werkwijze zoals omschreven in overweging 3.10 ook in geval van [maat 1] heeft plaatsgevonden. In de Excel-spreadsheet (3.19) zijn voor alle inkoopfacturen de gegevens van de begeleidingsbrieven en de weegbrugstempels aan de inkoopfacturen gekoppeld.\n\n Ook de door de inspecteur overgelegde week- en maandkalenders en (klad)kasboeken onderbouwen de door de inspecteur gestelde facturenstroom. De inspecteur heeft voorbeelden aangedragen waarbij inkoopfacturen ten aanzien van [maat 1] te herleiden zijn naar vermeldingen van contante bedragen op de kalenders.\n\n Ten slotte acht de rechtbank van belang dat door de maatschap in de jaren 2012 en 2013 in het geheel geen ontvangsten voor de slops zijn verantwoord in de jaarrekeningen en dat degene die de administratie voerde ook heeft verklaard dat door de maatschap geen inkomsten van de verkoop van slops zijn verantwoord. Belanghebbenden hebben de ontvangst van de contante betalingen betwist, maar niet de leveringen van slops als zodanig. Uit de door de inspecteur overgelegde stukken blijkt dat de slops een behoorlijke waarde vertegenwoordigen.\n\nDe rechtbank acht gelet op al het voorgaande aannemelijk dat [maat 1] de contante betalingen voor de leveringen van de slops heeft ontvangen. De door belanghebbenden ingenomen stellingen zijn niet onderbouwd door bewijs en brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. De na de zitting ingenomen stelling van belanghebbenden over de schending van artikel 21 van het Rv. kan ook niet leiden tot een vernietiging van de aanslagen zoals belanghebbenden bepleiten. Nog daargelaten of artikel 21 van het Rv. toepasbaar is in dit geval, ziet de niet-verstrekte informatie niet op de jaren 2012 en 2013. De stelling treft dus geen doel.\n\n3.44.. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift gesteld dat de omkering van de bewijslast moet worden toegepast. De rechtbank ziet voor de toepassing van de omkering van de bewijslast geen aanleiding. De inspecteur heeft met toepassing van de reguliere bewijslast zijn correcties al aannemelijk gemaakt. Verder gaat het hier niet om een geval waarin de omvang van de correctie onduidelijk is. De inspecteur heeft de omvang van de correctie aannemelijk gemaakt op basis van de hem ter beschikking staande inkoopfacturen.\n\n3.45.. De rechtbank concludeert dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 en 2013 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd.\n\nVergrijpboeten\n\n3.46.. Partijen zijn het erover eens dat de aan [maat 1] opgelegde vergrijpboeten dienen te worden vernietigd. De rechtbank beslist overeenkomstig. De rechtbank volstaat verder met de constatering dat de redelijke behandeltermijn voor de boetezaken is overschreden.\n\nBelastingrente\n\n3.47.. Belanghebbenden hebben geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Het bedrag van de belastingrente volgt het bedrag van de aanslagen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente en vernietigt die aanslag en beschikkingen.\n\n4.1.. De beroepen tegen de vergrijpboetes voor de jaren 2012 en 2013 zijn ook gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes en vernietigt die vergrijpboetes.4.2.. De resterende beroepen zijn ongegrond. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 en bijbehorende belastingrentebeschikkingen blijven in stand.\n\n4.3.. Omdat de in 4 en 4.1 genoemde beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbenden vergoeden en krijgen belanghebbenden ook een vergoeding van hun proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.\n\n4.4.. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen belanghebbenden een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 en in beroep van € 934. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhang tussen de zaken. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde van belanghebbenden konden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek zijn. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en deelgenomen aan de zitting (1 punt). De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868. De rechtbank kent geen kostenvergoeding toe voor de bezwaarfase, omdat bij uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding is toegekend die niet in geschil is.\n\n4.5.. Belanghebbenden hebben zich in het schrijven van 4 mei 2026 op het standpunt gesteld dat er aanleiding bestaat voor een hogere proceskostenvergoeding. De inspecteur heeft in het stuk van 1 mei 2026 namelijk een andere voorstelling van de feiten gegeven dan in het stuk van 24 april 2026. Dit heeft gemachtigde onnodig extra werk opgeleverd.\n\n4.6.. De rechtbank ziet voor een hogere proceskostenvergoeding geen aanleiding. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de nieuwe informatie die de inspecteur in het stuk van 1 mei 2026 heeft gedeeld voor de gemachtigde tot veel extra werk heeft geleid.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 en de daarbij opgelegde vergrijpboete en beschikking heffingsrente gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente;\n\n- vernietigt de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente; - verklaart de beroepen tegen de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes;\n\n- vernietigt de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes;\n\n- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbenden moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbenden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. drs. P.E.C. Vossenberg en mr. M.A.M. van Meer, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier.\n\nDe griffier is verhinderd\n\ndeze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nWegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak getekend door de jongste rechter.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nAan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.Informatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1075.\n\n Staatscourant 11 februari 2026, nr. 6572.\n\n Voor het jaar 2011 is de omzetbelasting niet in mindering gebracht op de vermeende contant ontvangen bedragen, omdat de inspecteur de omzetbelasting voor dat jaar niet meer kon naheffen.\n\n Aanvullend bezwaarschrift van 27 februari 2018.\n\n Conform artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5608","2026-07-13T00:29:35.870Z",{"id":146,"ecli":147,"slug":148,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":141,"fullText":149,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":150,"sourceTimestamp":141,"parsedAt":51,"updatedAt":151},"1105","ECLI:NL:RBZWB:2026:5513","ecli-nl-rbzwb-2026-5513","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 24\u002F4181\n\nBeslissing als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] (Italië), belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. L.H.E. Møller),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nHet verzoek\n\n1. De hoofdzaak heeft betrekking op de vraag of de inspecteur terecht een informatiebeschikking aan belanghebbende heeft uitgereikt.\n\n1.1.. De inspecteur heeft op 4 oktober 2024 een verweerschrift in de hoofdzaak ingediend. In dit verweerschrift heeft de inspecteur zowel een verzoek om geheimhouding als een verzoek om beperkte kennisneming ingediend, als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. De inspecteur heeft vervolgens bij afzonderlijke brief met dagtekening 4 oktober 2024 de verzoeken gemotiveerd en twee gesloten enveloppen overgelegd met daarin de stukken die volgens de inspecteur geheel – dan wel deels – geheimgehouden moeten worden.\n\n1.2.. Het verzoek om beperkte kennisneming ziet op bijlagen 21, 33 en 34a bij het verweerschrift.\n\n1.3.. Voor wat betreft de redenen voor zijn verzoek om beperkte kennisneming heeft de inspecteur verwezen naar bijlage 21 van het verweerschrift. De redenen genoemd in bijlage 21 van het verweerschrift zijn – in de kern – als volgt te omschrijven:\n\n- Reden A: het belang van privacy van individuele ambtenaren;\n\n- Reden B: het belang van privacy van derden;\n\n- Reden C: het belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en controlestrategie (C1), waaronder begrepen een effectieve en efficiënte interne werkwijze (C2) en het voorkomen van calculerend en\u002Fof anticiperend gedrag van belastingplichtigen (C3);\n\n- Reden D: persoonlijke opvattingen\u002Fvrije meningsvorming.\n\n1.4.. In de geschoonde stukken die ten behoeve van het verzoek om beperkte kennisneming aan de geheimhoudingskamer zijn overgelegd, is steeds per zwartgelakte passage aangegeven om welke reden als genoemd in 1.3 de desbetreffende passage is zwartgelakt.\n\n1.5.. Het verzoek om volledige geheimhouding ziet op bijlage 35 van het verweerschrift en bestaat volgens de inspecteur uit stukken die afkomstig zijn uit een dossier van een derde. De inspecteur geeft als redenen voor het verzoek om geheimhouding enerzijds het belang van de Belastingdienst bij effectieve controle en controlestrategie en het voorkomen van calculerend en\u002Fof anticiperend gedrag van belastingplichtige en anderzijds de bescherming van de gegevens van derden. Deze redenen komen overeen met de in 1.3 vermelde redenen B en C. De inspecteur heeft geen geschoonde versie van bijlage 35 overgelegd omdat hij zich met betrekking tot het gehele document beroept op geheimhouding.\n\n1.6.. De rechtbank heeft de brief met het verzoek om beperkte kennisneming\u002Fgeheimhouding met als dagtekening 4 oktober 2024 aan de gemachtigde van belanghebbende verstrekt. De geschoonde stukken die zien op het verzoek om beperkte kennisneming (zie 1.3), zijn als bijlagen bij het verweerschrift aan gemachtigde verstrekt. In de versie die aan belanghebbende is overgelegd is – in tegenstelling tot de versie die aan de geheimhoudingskamer is overgelegd (zie 1.4) – niet inzichtelijk gemaakt om welke reden een bepaalde passage is zwartgelakt.\n\n1.7.. De gemachtigde heeft, bij brief van 1 november 2024, gereageerd op de verzoeken van de inspecteur. Belanghebbende verzet zich tegen beperkte kennisname door de hoofdkamer. Belanghebbende verzet zich niet tegen het weglakken van de namen van individuele ambtenaren (reden A). Voor het overige gaat belanghebbende niet akkoord met het verzoek om beperkte kennisneming dan wel geheimhouding.\n\nGeen zitting\n\n2. De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen.De geheimhoudingskamer heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de gemachtigde niet heeft verzocht om een zitting, nadat de rechtbank hem de mogelijkheid had geboden om te melden of hij prijs stelt op een zitting.\n\nKader voor de beoordeling van artikel 8:29 van de Awb\n\n3. De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb brengt niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).\n\n3.1.. Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt:\n\nGeheimhouding: (delen van de) stukken mogen door een partij worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding).\n\nBeperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).\n\n3.2.. In artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is bepaald dat variant b. alleen is toegestaan met toestemming van de belanghebbende. Belanghebbende heeft geen toestemming gegeven voor beperkte kennisneming. De geheimhoudingskamer neemt, mede uit het oogpunt van een doelmatige procesgang, aan dat de inspecteur voor het geval belanghebbende zich niet in het verzoek tot beperkte kennisneming kan vinden – hetgeen het geval is – alsdan verzoekt om toepassing van variant a, geheimhouding.\n\n3.3.. Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbenden bij onbeperkte kennisneming van (delen) van die stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.\n\nVooraf\n\n4. Belanghebbende heeft in zijn reactie op de verzoeken van de inspecteur om geheimhouding dan wel beperkte kennisneming aangegeven dat in de door hem ontvangen geschoonde versies van de gedeeltelijk geheimgehouden stukken niet inzichtelijk is gemaakt welke passage om welke reden is zwartgelakt. De geheimhoudingskamer overweegt dat er geen verplichting bestaat voor de inspecteur om bij een geheimhoudingsverzoek (of verzoek tot beperkte kennisneming) per zwartgelakte passage richting een belanghebbende inzichtelijk te maken om welke reden hij deze heeft zwartgelakt. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is het voldoende dat belanghebbende weet welke redenen de inspecteur heeft voor geheimhouding en dat de geheimhoudingskamer per passage kan beoordelen of de betreffende reden voldoende is voor geheimhouding van die passage.\n\n4.1.. Verder heeft belanghebbende zich in de reactie op de verzoeken van de inspecteur om beperkte kennisneming\u002Fgeheimhouding op het standpunt gesteld dat de geschoonde versie van bijlage 34a van het verweerschrift in de aan hem verstrekte stukken ontbreekt. De geheimhoudingskamer heeft op grond van de aan haar verstrekte geschoonde stukken vastgesteld dat met bijlage 34a het document wordt bedoeld met als titel ‘Pandora paper evaluatieformulier’. In tegenstelling tot de versie die belanghebbende heeft verkregen is op het document dat aan de geheimhoudingskamer is verstrekt, de tekst geschreven ‘bijlage 34A’. De geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat dit (geschoonde) document in het digitale dossier van de hoofdzaak is opgenomen onder bijlage 34 van het verweerschrift. De geheimhoudingskamer gaat er daarom van uit dat met bijlage 34a wordt bedoeld het eerste deel van bijlage 34, namelijk de vijf pagina’s voorafgaand aan het document met de titel ‘Memo Checklist dossiervorming [belanghebbende] ’.Belanghebbende heeft dus wel toegang tot het geschoonde document van bijlage 34a.\n\n4.2.. Voor wat betreft de overige gronden die belanghebbende met betrekking tot de vormgeving van het verzoek tot geheimhouding\u002Fbeperkte kennisneming heeft aangevoerd, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat deze gronden niet slagen. Het verzoek van de inspecteur voldoet namelijk aan de daaraan gestelde voorschriftenen het is voor de geheimhoudingskamer – die op het geheimhoudingsverzoek dient te beslissen – voldoende duidelijk welke passage of welk stuk om welke reden volgens de inspecteur geheimgehouden dient te worden. Met betrekking tot de opmerkingen van belanghebbende betreffende bijlage 16A van het verweerschrift merkt de geheimhoudingskamer op dat het geheimhoudingsverzoek van de inspecteur hier niet op ziet, zodat de geheimhoudingskamer hierover ook geen oordeel kan geven.\n\nArtikel 8:42 van de Awb en het geheimhoudingsverzoek\n\n5. De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de beoordeling of een stuk is aan te merken als een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb en door de inspecteur moet worden overgelegd in beginsel toebehoort aan de hoofdkamer.\n\n5.1.. De beoordeling of de inhoud van een bepaald stuk voor de besluitvorming in de zaak van belang is (geweest), kan echter in beginsel niet geschieden zonder kennisneming van die inhoud.Gelet op het verzoek tot geheimhouding van de volledige bijlage 35 van het verweerschrift, ziet de geheimhoudingskamer zich voor de vraag geplaatst of dit stuk als een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42, lid 1 van de Awb kan worden aangemerkt. Indien het verzoek om geheimhouding van de volledige bijlage 35 wordt toegewezen, krijgt de hoofdkamer dit stuk namelijk in zijn geheel niet te zien.\n\n5.2.. De geheimhoudingskamer acht, gelet op de inhoud van bijlage 35 het aannemelijk dat de inspecteur heeft beschikt over deze stukken ten tijden van het opmaken en opleggen van de informatiebeschikking, dan wel in de periode die heeft geleid tot het doen van uitspraak op bezwaar. De geheimhoudingskamer merkt bijlage 35 van het verweerschrift daarom aan als een op de zaak betrekking hebbend stuk.\n\nBeoordeling van de verzoeken om geheimhouding\n\n6. De geheimhoudingskamer heeft kennisgenomen van de geheimgehouden stukken en van de stukken van de hoofdzaak. De geheimgehouden stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbenden bij onbeperkte kennisneming tegenover de afweging van de inspecteur om (delen van) de stukken geheim te houden.\n\nReden A: namen van individuele belastingambtenaren\n\n6.1.. Ten aanzien van de geheimhouding van de namen van individuele ambtenaren heeft belanghebbende aangegeven dat hij zich niet verzet tegen het weglakken van deze namen. De geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat de zwartgelakte passages die zijn aangeduid met een A of met een NN-nummer inderdaad de persoonsgegevens van belastingambtenaren bevatten. De geheimhoudingskamer zal het verzoek om geheimhouding op grond van reden A (zie 1.1) toewijzen.\n\nReden B: het belang van privacy van derden\n\n6.2.. Op verschillende pagina’s van de geschoonde stukken zijn (persoons)gegevens van derden, waaronder namen van natuurlijke personen en rechtspersonen en adressen om redenen van privacy zwartgelakt. De geheimhoudingskamer overweegt dat het belang bij bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze gegevens. De omstandigheid dat andere namen van derden wel zichtbaar zijn in het dossier, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De kenbaarheid van deze gegevens is ook niet direct van belang voor de beslissing in de hoofdzaak. De geheimhoudingskamer is dan ook van oordeel dat voor deze passages sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb rechtvaardigen.\n\nRedenen C1, C2 en C3: controle(strategie), interne werkwijze en calculerend gedrag\n\n6.3.. Voor zowel de geheimhouding van de zwartgelakte passages als de geheimhouding van bijlage 35 van het verweerschrift motiveert de inspecteur zijn verzoek tot geheimhouding met de redenen het belang van een effectieve controle en controlestrategie (C1) een effectieve en efficiënte interne werkwijze (C2) en het voorkomen van calculerend en anticiperend gedrag van belastingplichtigen (C3). De geheimhoudingskamer zal deze redenen tot geheimhouding gezamenlijk behandelen omdat deze door de inspecteur in zijn verzoek ook gezamenlijk worden aangedragen als motivering van de geheimhouding van een bepaalde passage of bijlage.\n\n6.4.. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat – in het licht van de informatiebeschikking die in geschil is in de hoofdprocedure – het van belang is de betreffende (delen van) stukken geheim te houden om zo calculerend of anticiperend gedrag bij belanghebbende te voorkomen. Het delen van de betreffende stukken staat namelijk op gespannen voet met de informatiebeschikking, omdat het doel van de informatiebeschikking nu juist is het verkrijgen van informatie van belanghebbende.\n\n6.5.. De geheimhoudingskamer volgt de opvatting van Hof ’s-Hertogenboschdat in het kader van een procedure over de informatiebeschikking, het belang van de inspecteur bij geheimhouding anders moet worden gewogen dan wanneer, na het onherroepelijk worden van de informatiebeschikking, belastingaanslagen worden opgelegd. Bij de uitspraak op bezwaar tegen de belastingaanslag zal de inspecteur belanghebbende in beginsel volledig op de hoogte moeten brengen van de informatie die hem bij zijn besluitvorming ter beschikking heeft gestaan. In de context van de informatiebeschikking is de geheimhoudingskamer in algemene zin van oordeel, dat bij de afweging van belangen meer gewicht dient te worden toegekend aan het belang van de inspecteur om belanghebbende niet bekend te maken met de informatie waarover de inspecteur beschikt. Immers kan dit het gevolg hebben dat belanghebbende de door hem te verstrekken informatie daarop afstemt en wordt het bovenvermelde doel van de informatiebeschikking in dat opzicht tenietgedaan.\n\n6.6.. Bijlage 35 van het verweerschrift bestaat volgens de inspecteur uit stukken die afkomstig zijn uit een dossier van een derde. De geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat de laatste pagina van deze bijlage een stuk uit het jaar 2016 betreft, dat is verzonden aan belanghebbende. Het betreft derhalve informatie die aan belanghebbende bekend is gemaakt. Niet valt in te zien wat dan het zwaarwegende belang van geheimhouding is. Bovendien zijn de door de inspecteur genoemde redenen voor geheimhouding van bijlage 35 (zie 6.3) naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet op de laatste pagina van bijlage 35 van toepassing. Gelet op het voorgaande wijst de geheimhoudingskamer het verzoek om geheimhouding voor wat betreft de laatste pagina van bijlage 35 af.\n\n6.7.. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat voor zowel het resterende gedeelte van bijlage 35 als de passages die zijn zwartgelakt geldt dat het belang van geheimhouding door de inspecteur zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij volledige kennisneming. De stelling van belanghebbende dat zijn belang bij kennisneming van de geheimgehouden (delen van) stukken zwaarder weegt dan het belang van de inspecteur bij geheimhouding in het geval zich daarin aanwijzingen bevinden voor belanghebbende om er achter te komen waar hij de in de informatiebeschikking opgevraagde stukken kan krijgen, slaagt niet. Voorwerp van geschil in de hoofdzaak is het verstrekken van informatie door belanghebbende. De stelling van belanghebbende hangt samen met de in de hoofdzaak te beantwoorden vraag of belanghebbende kan beschikken over de in de informatiebeschikking opgevraagde stukken. Indien belanghebbende weet over welke informatie de inspecteur beschikt bestaat het risico van calculerend gedrag van belanghebbende. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer zijn de door de inspecteur genoemde redenen C1, C2 en C3 gewichtige redenen die geheimhouding van de betreffende (delen) van stukken rechtvaardigen.\n\nReden D: persoonlijke opvattingen\u002Fvrije meningsvorming\n\n6.8.. De in 1.3. opgenomen ‘Reden D’ is door de inspecteur in het geheel niet vermeld bij de door hem zwartgelakte passages. De geheimhoudingskamer hoeft deze reden daarom niet te beoordelen.\n\nBeslissing\n\nDe geheimhoudingskamer:\n\nwijst het verzoek om geheimhouding af voor zover het betreft de laatste pagina van bijlage 35 van het verweerschrift;\n\nwijst het verzoek om geheimhouding voor het overige toe;\n\nverzoekt de inspecteur om binnen vier weken na verzending van deze beslissing aan de rechtbank te berichten of hij bereid is het gedeelte van het stuk ten aanzien waarvan het verzoek om geheimhouding is afgewezen in het geding te brengen en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van vier weken na verzending van deze beslissing.\n\nDeze beslissing is genomen door mr. J.A. den Braber-Riemens rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier, op 22 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe griffier is verhinderd deze beslissing mede te ondertekenen.\n\nDe beslissing is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze beslissing aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593.\n\n De geheimhoudingskamer merkt daarbij op dat de geheel blanco pagina’s in bijlage 34a moeten zijn ontstaan door het dubbelzijdig kopiëren van enkelzijdige stukken. De blanco pagina’s betreffen dus geen geheimgehouden tekst.\n\n Paragraaf 2.8 procesreglement bestuursrecht rechtbanken.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2017 r.o.3.11.2., ECLI:NL:GHSHE:2017:3630 en HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3632, r.o. 3.18.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5513","2026-07-13T00:29:04.267Z",{"id":153,"ecli":154,"slug":155,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":141,"fullText":156,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":157,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":51,"updatedAt":158},"1495","ECLI:NL:RBZWB:2026:5556","ecli-nl-rbzwb-2026-5556","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 22\u002F2350, 22\u002F2351, 23\u002F1243 en 23\u002F1244\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 juni 2026 in de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 24 maart 2022 en 7 februari 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de volgende jaren naar de volgende inkomens (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en naar de volgende premie-inkomens (navorderings)aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, de volgende boeten opgelegd (de boetebeschikkingen) en tot de volgende bedragen belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen):\n\n Navorderingsaanslag 2017\n\nAanslag 2018\n\nIB\u002FPVV inkomen uit werk en woning\n\n€ 735.681\n\n€ 1.357.971\n\nIB\u002FPVV inkomen uit sparen en beleggen\n\n€ 35.637\n\n€ 7.019\n\nVergrijpboete\n\n€ 188.446\n\n€ 354.590\n\nVerzuimboete\n\n-\n\n€ 369\n\nBelastingrente\n\n€ 62.489\n\n€ 64.926\n\nZvw premie-inkomen\n\n€ 53.701\n\n€ 53.750\n\nVergrijpboete\n\n€ 1.449\n\n€ 1.548\n\nBelastingrente\n\n€ 476\n\n€ 282\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard, behalve voor zover het de verzuimboetebeschikking IB\u002FPVV 2018 betreft, welke hij heeft vernietigd.\n\n1.3.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Partijen zijn uitgenodigd om op 17 januari 2025 op zitting te verschijnen. Deze zitting is wegens organisatorische redenen niet doorgegaan. Belanghebbende heeft de rechtbank vervolgens bericht dat de zaken zonder mondelinge behandeling ter zitting kunnen worden afgedaan. Daarop heeft de inspecteur de rechtbank laten weten dat een zitting ook wat hem betreft achterwege kan blijven. Omdat ook de rechtbank een zitting niet nodig vond, heeft zij het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting.Bij bericht van 11 mei 2026 heeft de rechtbank een schriftelijke uitspraak binnen zes weken aangekondigd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikkingen en de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Ook beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. De rechtbank zal de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB\u002FPVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de boetebeschikkingen gegrond verklaren. Voor het overige zal de rechtbank de beroepen ongegrond verklaren. Verder heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is gehuwd geweest met [ex-echtgenote] (de ex-echtgenote).\n\n3.1.. In de Basisregistratie Personen (BRP) stond belanghebbende in de volgende perioden op de volgende adressen ingeschreven:\n\nvan 30 januari 2004 tot 16 maart 2015 en van 11 september 2015 tot 30 november 2015 op het adres [adres 1] te [plaats 1] (de woning);\n\nvan 20 maart 2017 tot 18 mei 2018 op het adres [adres 2] te [plaats 1] ;\n\nvanaf 18 mei 2018 op het adres [adres 3] te [plaats 2] (Curaçao).\n\nDe ex-echtgenote staat sinds 30 januari 2004 in de BRP ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 1] (de woning).\n\n3.2.. Belanghebbende is uitgenodigd voor het doen van aangifte IB\u002FPVV over de jaren 2017 en 2018. Voor 2018 betrof het een M-aangifte, omdat hij in dat jaar is uitgeschreven in Nederland. Belanghebbende heeft in de aangiften de volgende inkomsten aangegeven:\n\n2017\n\n2018\n\nLoon\n\n-\n\n€ 864\n\nInkomsten uit eigen woning\n\n-\u002F- € 20.009\n\n-\n\nGrondslag sparen en beleggen binnenlandse periode\n\n€ 802.877\n\n€ 186.000\n\nGrondslag sparen en beleggen buitenlandse periode\n\n-\n\n€ 52.523\n\n3.3.. In zijn aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2017 en 2019 heeft belanghebbende de woning als eigen woning aangegeven.\n\n3.4.. In het jaar 2018 beschikte belanghebbende over zes bankrekeningen en een beleggingsrekening in Nederland.\n\n3.5.. In 2018 had belanghebbende in Nederland een auto op zijn naam staan, voor welke auto hij de motorrijtuigenbelasting betaalde.\n\n3.6.. In de periode van 21 mei 2018 tot en met 31 december 2018 was belanghebbende twee keer op Curaçao. De verblijfsduur op Curaçao bedroeg 6 dagen tot maximaal 14 dagen.\n\n3.7.. Op 2 november 2018 is de woning doorzocht door de politie. Op dat moment waren belanghebbende en de ex-echtgenote in de woning aanwezig.\n\n3.8.. Tijdens de in 3.7 bedoelde doorzoeking is een mobiele telefoon aangetroffen. Met dat toestel werd onder andere een telefoonnummer op naam van belanghebbende gebruikt. Gezien de locaties van de aangestraalde telefoonmasten heeft de politie geconcludeerd dat de mobiele telefoon van belanghebbende zich het grootste deel van de periode van 29 mei 2018 tot en met 1 november 2018 in de woning bevond en wanneer belanghebbende op Curaçao was, de telefoon geen telefoonmasten in Nederland aanstraalde.\n\n3.9.. Met dagtekening 20 november 2018 en 10 maart 2021 heeft de inspecteur, op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Officier van Justitie verzocht om alle gegevens te verstrekken uit het strafrechtelijk onderzoek, genaamd 26Bothell, tegen onder meer belanghebbende en de ex-echtgenote.\n\n3.10.. De inspecteur heeft van de Officier van Justitie een afschrift ontvangen van het dossier 26Bothell.\n\n3.11.. Op 5 mei 2019 werden belanghebbende en [persoon 1] te [plaats 3] als verdachten gehoord door de politie vanwege het aantreffen van een gestolen\u002Fverduisterde personenauto in een garagebox aan de [adres 4] te [plaats 1] . Belanghebbende verklaarde dat hij al een tijdje niet met die auto reed omdat de sleutel bij de doorzoeking (zie 3.7) in beslag was genomen. [persoon 1] verklaarde daarbij dat hij de garagebox vanaf 28 februari 2018 aan belanghebbende verhuurde en dat belanghebbende in de woning woonde.\n\n3.12.. Volgens het Team Criminele Inlichtingen heeft een informant in oktober 2018 onder meer de informatie verstrekt dat belanghebbende in de woning verblijft als hij in Nederland is.\n\n3.13.. Uit gevorderde gegevens van diverse bouw- en installatiebedrijven heeft de politie afgeleid dat in de periode januari 2017 tot en met november 2018 grootschalige (verbouw)werkzaamheden hebben plaatsgevonden aan de woning. Belanghebbende heeft ter zake daarvan de volgende facturen contant betaald:\n\nBetreft\n\nBedrag\n\n(Factuur)datum\n\n [bedrijf 1]\n\n€ 8.000,00\n\n21-01-2017\n\nOrder [nummer 1] [bedrijf 2]\n\n€ 40.453,79\n\n26-01-2017\n\nFactuur [nummer 2] [bedrijf 3]\n\n€ 2.020,23\n\n10 -02-2017\n\nFactuur [nummer 3] [bedrijf 4]\n\n€ 3.056,05\n\n20-04-2017\n\nFactuur [nummer 4] [bedrijf 3]\n\n€ 6.655,00\n\n21-04-2017\n\nFactuur [nummer 5] [bedrijf 5]\n\n€ 2.580,12\n\n15-06-2017\n\nFactuur [nummer 6] [bedrijf 6]\n\n€ 33.471,07\n\n20-07-2017\n\nFactuur [nummer 7] [bedrijf 5]\n\n€ 4.250,75\n\n03-08-2017\n\nFactuur [nummer 8] [bedrijf 3]\n\n€ 2.100,00\n\n12-09-2017\n\nOvername inboedel [adres 3]\n\n€ 50.000,00\n\n17-01-2018\n\nOrder [nummer 9] [bedrijf 2]\n\n€ 10 .932,00\n\n28-02-2018\n\nOrder [nummer 10] [bedrijf 2]\n\n€ 56.000,00\n\n03-03-3018\n\nOrder [nummer 11] [bedrijf 2]\n\n€ 1.280,00\n\n03-03-2018\n\nFactuur [nummer 12] [bedrijf 7]\n\n€ 17.575,01\n\n23-04-2018\n\nFactuur [nummer 13] [bedrijf 7]\n\n€ 21.968,76\n\n25-04-2018\n\nFactuur [nummer 14] [bedrijf 5]\n\n€ 7.431,32\n\n02-05-2018\n\nFactuur [nummer 15] [bedrijf 8]\n\n€ 1.125,30\n\n07-09-2018\n\nFactuur [nummer 16] [bedrijf 9]\n\n€ 2.120,00\n\n13-09-2018\n\nFactuur [nummer 16] [bedrijf 9]\n\n€ 3.445,00\n\n25-09-2018\n\nFactuur [nummer 17] [bedrijf 10]\n\n€ 1.000,00\n\n02- 10 -2018\n\nFactuur [nummer 18] [bedrijf 8]\n\n€ 955,90\n\n08- 10 -2018\n\nFactuur [nummer 16] [bedrijf 9]\n\n€ 2.755,00\n\n01-11-2018\n\n [bedrijf 11]\n\n€ 75,00\n\nonbekend\n\nTotaal\n\n€ 279.250,30\n\n3.14.. \n\nTot de dossiers behoort onder meer een proces-verbaal van de Landelijke Eenheid Dienst Landelijke Recherche, Team FinEc-Fraude 2, van 12 oktober 2020, waarin onder meer staat:\n\n“Naar aanleiding van een proces-verbaal met restinformatie uit het onderzoek 26Staaldiep, (…) werd een voorbereidend en oriënterend onderzoek gestart. In een in 26Staaldiep opgenomen telefoongesprek (…) werd gesproken over [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende]. Zij zouden een Spaanse onderneming genaamd [onderneming] hebben en zouden een bestaande woning in [plaats 1] willen laten voorzien van, onder meer, kogelwerende deuren. (…) Verder zouden ze bulken van het geld.\n\n(…)\n\nZowel [belanghebbende] als [de zoon van belanghebbende] bleken gekend in de politiesystemen als verdachten van deelneming aan een criminele organisatie, overtreding Opiumwet en geweldsdelicten.\n\n(…)\n\nDoor de Financial Intelligence Unit (FIU) bleken 4 recente (2017-2018) transacties als verdachte transacties aangemerkt die betrekking hadden op [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende], (…) Hieruit bleek dat er via diverse vennootschappen in verschillende landen werd betaald alsook dat er sprake was van contante betaling en storting.\n\n(…)\n\n(…) Verder werd op 29 oktober 2018 door de TCI Zuid West Brabant informatie verstrekt inhoudende dat [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende] zich op grote schaal bezig houden met drugshandel en dat ze daar bakken met geld mee verdienen.\n\nBesloten werd tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek, genaamd 26Bothell, naar witwassen door [de zoon van belanghebbende] en [belanghebbende]. Zij werden er van verdacht geldbedragen wit te hebben gewassen en daaruit voordeel te hebben getrokken (…)\n\nOp 31 oktober 2018 werd van het Team Criminele Inlichtingen de navolgende informatie ontvangen: “Als [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende] in Nederland zijn, verblijven zij op de adressen [adres 2] en [adres 1] te [plaats 1] . Deze huizen zijn recentelijk voor een kapitaal verbouwd. (…)\n\nUit bij de Belastingdienst opgevraagde gegevens over het inkomen van [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende] en dat van hun partners bleek dat het niet aannemelijk was dat de verbouwingen met geld uit een legale inkomstenbron (…) was gefinancierd.\n\n(…)\n\nIn het kader van het strafrechtelijk onderzoek werden gegevens opgevraagd bij de Belastingdienst, banken, een autohandelaar, bouwondernemingen, leveranciers van bouwmaterialen, keukens, woninginrichting, luxe goederen en vonden getuigenverhoren plaats.\n\nMet deze gegevens werd een zogenaamde eenvoudige kasopstelling samengesteld. (…)\n\nVerder stuitte het politieteam op een aantal verdachte geldstromen waar [belanghebbende] bij betrokken was.\n\n(…)\n\n2. BETROKKENEN IN HET DOSSIER\n\n(…)2.1 [. \n\nBelanghebbende]\n\n[Belanghebbende] staat als niet-ingezetene geregistreerd en is geëmigreerd sinds 18 mei 2018 met verblijfadres [adres 3] te [plaats 2] Curaçao. Daarvoor stond hij ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats 1] . Dit betreft de woning van zijn zoon (…) en niet de woning [adres 1] waar [belanghebbende] verblijft wanneer hij in Nederland is.\n\nVan [belanghebbende] is bekend dat hij omvangrijke uitgaven heeft gedaan, onder meer voor de aankoop van onroerend goed in Nederland en het buitenland, ter verbetering van dat onroerend goed en voor de aanschaf van luxe goederen en auto’s, terwijl daar geen regelmatig legaal inkomen tegenover staat. Hij wordt ervan verdacht geld, dat afkomstig is uit gepleegde misdrijven, te hebben witgewassen.\n\n2.2. \n\nDe ex-echtgenote\n\n[De ex-echtgenote] is de partner van [belanghebbende]. Zij staat als enige persoon ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 1] .\n\nHoewel het huwelijk tussen haar en [belanghebbende] is ontbonden (…), wordt door vastgestelde feiten en omstandigheden in dit verband bij hen uitgegaan van een economische eenheid en een gezamenlijke huishouding.\n\n(…)2.6. \n\nHandelsonderneming [B.V.]\n\n(…) Vermoedelijk wordt deze vennootschap gebruikt voor het aan [belanghebbende] overdragen van geld waarbij de werkelijke herkomst daarvan wordt verhuld.\n\n(…)2.8. \n\n [onderneming]\n\n(…)\n\nUit onderzoek blijkt dat een deel van de geleverde goederen en diensten voor de verbouwing van de woning van [belanghebbende] is gefactureerd aan de Spaanse vennootschap [onderneming] . Een groot deel van deze facturen is contant voldaan. (…)2.9. \n\n [rechtspersoon 1]\n\nDeze rechtspersoon naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten is gevestigd in [plaats 4] en is te relateren aan de Nederlander [persoon 2] .\n\n2.10.. \n\n [persoon 2]\n\n , (…), treedt op als verlener van fiscale en financiële diensten en adviezen voor [belanghebbende].\n\n3. WITWASHANDELINGEN\n\n(…)\n\nWerkelijke contante uitgaven\n\nUit de kasopstelling blijkt dat [belanghebbende] en [de ex-echtgenote] een bedrag van €1.387.359,26hebben besteed aan contante uitgaven en contante stortingen op de privé bankrekeningen van [belanghebbende] en [de ex-echtgenote].\n\ncontante uitgaven en contante stortingen op de privé\n\nbankrekeningen\n\n 2.4.1. Contante stortingen rekeningnummer: (…)\n\n€ 185.700,00\n\n 2.4.2. Contante stortingen rekeningnummer: (…)\n\n€ 28.350,00\n\n 2.4.3. Contante stortingen rekeningnummer: (…)\n\n€ 18.100,00\n\n 2.4.4. Contante stortingen rekeningnummer: (…)\n\n€ 1.200,00\n\n 2.4.5. Contante storting [NV] NV (Prepaid card)\n\n€ 3.018,01\n\n 2.4.6. Contante betaling [BV 1]\n\n€ 247.511,65\n\n 2.4.7. Contante betaling [bedrijf 12]\n\n € 20.202,00\n\n 2.4.8. Contante lening aan [bedrijf 13]\n\n€ 60.000,00\n\n 2.4.9. Contante betaling [bedrijf 14]\n\n€ 13.000,00\n\n 2.4.10. Contante betaling [bedrijf 1]\n\n€ 8.000,00\n\n 2.4.11. Contante betaling [bedrijf 15]\n\n€ 3.056,05\n\n 2.4.12. Contante betaling [bedrijf 2]\n\n€ 330.633,03\n\n 2.4.13. Contante betaling [bedrijf 5]\n\n€ 14.262,19\n\n 2.4.14. Contante betaling [bedrijf 16]\n\n€ 41.529,53\n\n 2.4.15. Contante betaling [bedrijf 7] BV\n\n€ 87.824,72\n\n 2.4.16. Contante betaling [bedrijf 17]\n\n€ 90.000,00\n\n 2.4.17. Contante betaling [bedrijf 6]\n\n€ 69.971,07\n\n 2.4.18. Contante betaling [bedrijf 18]\n\n€ 78.518,00\n\n 2.4.19. Contante betaling [bedrijf 9] B.V.\n\n€ 8.320,00\n\n 2.4.20. Contante betaling [bedrijf 8]\n\n€ 2.081,20\n\n 2.4.21. Contante betaling [bedrijf 19]\n\n€ 1.000,00\n\n 2.4.22. Contante betaling [bedrijf 20]\n\n€ 1.025,00\n\n 2.4.23. Contante betaling [BV 2]\n\n€ 11.980,00\n\n 2.4.24. Contante betaling inboedel Curaçao\n\n€ 50.000,00\n\n 2.4.25. Contante betaling huur garagebox\n\n€ 800,00\n\n 2.4.26. Contante betaling [bedrijf 21]\n\n€ 11.276,81\n\nTotaal\n\n€ 1.387.359,26\n\nIn een kasopstelling wordt uitgegaan van het beginsaldo van het contante geld dat de verdachten voorhanden hadden bij aanvang van de onderzoeksperiode waarbij de legale contante ontvangsten, inclusief opnamen van contant geld van bankrekeningen, worden opgeteld. Van die uitkomst wordt het contante geldbedrag dat de verdachten ter beschikking hadden aan het einde van de onderzoeksperiode afgetrokken. (…)\n\nVoor wat betreft [belanghebbende] en [de ex-echtgenote] is deze opstelling als volgt:\n\n Beginsaldo contant geld\n\n€ 0,00\n\n+\u002F+ Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen\n\n€ 10.780,00\n\n -\u002F- Eindsaldo contant geld\n\n € 1.255,00\n\n Beschikbaar voor het doen van uitgaven\n\n€ 9.525,00\n\n -\u002F- Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen\n\n€ 1.387.359,26\n\n Verschil (niet legale contante inkomstenbron)\n\n€ -1.377.834,26\n\n (…)3.2. \n\nInleiding woning aan het [adres 5] te [plaats 1]\n\nUit gegevens van de Belastingdienst en het Kadaster blijkt dat op 16 februari 2018 een woning aan het [adres 5] te [plaats 1] is aangekocht door [de ex-echtgenote] voor het bedrag van€ 162.500,-.\n\n(…)\n\nUit onderzoek is gebleken dat noch [de ex-echtgenote], noch [belanghebbende], over voldoende legale middelen konden beschikken om deze aankoop te doen, waardoor het vermoeden is dat dit met van misdrijf afkomstig geld is betaald.3.3. \n\nInleiding woning [adres 3] op Curaçao\n\nIn 2018 werd door de rechtspersoon (…) [rechtspersoon 1] (hierna: [rechtspersoon 1] ) de rechtspersoon naar het recht van Curaçao [rechtspersoon 2] (…) gekocht voor een bedrag van € 375.000. [rechtspersoon 2] heeft de woning gelegen aan [adres 3] op Curaçao in zijn bezit en met deze verkooptransactie werd [rechtspersoon 1] eigenaar van deze woning. In het kader van het onderzoek (…) van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst werden onder meer emailverkeer berichten van de heer [persoon 2] in beslag genomen (…) Hieruit bleek dat de heer [persoon 2] namens [rechtspersoon 1] heeft onderhandeld en in berichtenverkeer via e-mail vertelde hij dat hij optrad namens [belanghebbende].\n\n(…)\n\n(…) Er kan dan ook vanuit worden gegaan dat het gehele bedrag van€ 375.000,- namens [belanghebbende] door [rechtspersoon 1] is betaald.\n\n(…)\n\nUit onderzoek is niet gebleken dat [belanghebbende] over voldoende legale middelen kon beschikken om deze aankoop te doen, waardoor het niet anders kan zijn dat dat de woning – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.\n\n(…)3.4. \n\nInleiding provisie [B.V.] uit overeenkomsten [bedrijf 22] GmbH\n\nUit documenten die (…) in beslag zijn genomen en uit documenten die door de boekhouder van de Duitse onderneming [bedrijf 22] GmbH (hierna: [bedrijf 22] ) zijn verstrekt, werd bekend dat [bedrijf 22] op grond van provisieovereenkomsten met het Duitse [B.V.] GmbH en de Nederlandse Handelsonderneming [B.V.] BV, geldbedragen overmaakt naar de laatstgenoemde ondernemingen (…) Op haar beurt maakt Handelsonderneming [B.V.] BV een gedeelte van deze bedragen over naar [belanghebbende] en aan hem gelieerde natuurlijke personen en worden betalingen verricht in het belang van [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende].\n\n(…)\n\nIn totaal werd aldus€ 290.106,01naar of ten gunste van [belanghebbende] of aan hem te relateren (rechts)personen doorbetaald. (…)\n\n(…)\n\nGelet op het voorgaande is de verdenking ontstaan dat door middel van valse provisieovereenkomsten en valse facturen wordt voorgewend dat er diensten en\u002Fof werkzaamheden van [belanghebbende] staan tegenover de betalingen van geld van [bedrijf 22] via Handelsonderneming [B.V.] BV, dat uiteindelijk ook naar of ten gunste van [belanghebbende] is overgemaakt.\n\nGelet op deze verhullingshandelingen en het feit dat tegenover de betalingen geen legale werkzaamheden of diensten hebben gestaan, kan het, ook in aanmerking genomen de vele legaal niet te verklaren contante uitgaven van [belanghebbende] in die periode, niet anders zijn dan dat de giraal door Handelsonderneming [B.V.] BV aan of voor [belanghebbende] gedane betalingen – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn.\n\n(…)\n\nUit het financiële rechercheonderzoek blijkt dat [belanghebbende] en [de ex-echtgenote] de beschikking hadden over een bedrag van€ 1.377.834,26aan contanten dat niet kan worden verklaard aan de hand van legaal verkregen inkomsten.\n\nHet onderzoek bracht eveneens de verhulling van de eigendom van de woningen aan het [adres 5] in [plaats 1] en [adres 3] op Curaçao en het ontvangen provisiegeld van [bedrijf 22] GmbH, met een totaalbedrag van€ 827.606,01aan het licht.\n\nHiermee komt het totaalbedrag van het witgewassen geld op € 2.205.440,27.”\n\n3.15.. Bij het opleggen van de onderhavige (navorderings)aanslagen is het hiervoor genoemde bedrag van € 2.205.440,27 voor het overgrote deel bij het belastbaar inkomen uit werk en woning \u002F het bijdrage-inkomen opgeteld. De (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV zijn naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning berekend:\n\n2017\n\n2018\n\nAangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning\n\n€ -20.009\n\n€ 864\n\nBijtelling\n\n+ € 755.690\n\n+ € 1.377.116\n\nVerrekening verlies uit voorafgaande jaren\n\n€ 20.009\n\nBelastbaar inkomen uit werk en woning volgens (navorderings)aanslag\n\n€ 735.681\n\n€ 1.357.971\n\n3.16.. Tot het dossier behoort het vonnis van de meervoudige kamer voor behandeling van strafzaken van de rechtbank Oost-Brabant van 8 februari 2023 tegen belanghebbende. Daarin is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden voor het medeplegen van, van het plegen van witwassen een gewoonte maken, gedurende de periode 1 januari 2011 tot en met 2 november 2018. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.\n\n3.17.. Bij e-mail van 14 maart 2022 heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek, waarbij drie data, telkens onder vermelding van een tijdstip, zijn voorgesteld. In de e-mail staat dat het hoorgesprek ten kantore van de inspecteur (te [locatie] ), telefonisch of via een Webex-vergadering kan plaatsvinden. Verder staat in de e-mail dat, mocht geen van de drie data schikken, een concreet tegenvoorstel voor een datum kan worden gedaan.\n\n3.18.. Bij e-mails van 15 maart 2022 en 16 maart 2022 heeft de inspecteur niet ingestemd om het hoorgesprek op de door de gemachtigde genoemde locaties te houden en voorgesteld om het hoorgesprek te voeren op een kantoor van de Belastingdienst dat dichter in de buurt ligt bij het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende en is nogmaals de mogelijkheid geboden om het gesprek telefonisch te laten plaatsvinden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHeeft de inspecteur het motiveringsbeginsel geschonden?\n\n4. Belanghebbende stelt dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd omdat niet of onvoldoende is ingegaan op een aantal van de door hem in bezwaar aangevoerde gronden.\n\n4.1.. De rechtbank overweegt dat schending van artikel 3:2 van de Awb – zo daar al sprake van is – in beginsel niet leidt tot vernietiging van de (navorderings)aanslagen en beschikkingen. Het gaat uiteindelijk om de vraag of deze naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de uitspraken op bezwaar niet onvoldoende gemotiveerd. In de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur inzichtelijk gemaakt hoe hij tot zijn beslissingen is gekomen. Dat de inspecteur niet, of niet uitgebreid, heeft gereageerd op elke stelling van belanghebbende, maakt nog niet dat de uitspraken op bezwaar onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of onvoldoende zijn gemotiveerd.\n\nHet oproepen van getuigen?\n\n4.2.. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om getuigen te horen.\n\n4.3.. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het verzoek om zelf getuigen op te roepen en te horen, te honoreren.Het oproepen van een of meer getuigen komt de rechtbank in het kader van de op haar rustende taak niet zinvol voor. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende zelf geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuigen bij de initieel geplande zitting aanwezig zouden zijn (althans dat is niet gebleken), hoewel de griffier in de uitnodiging voor de zitting belanghebbende heeft gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of bij aangetekende brief of door inschakeling van een deurwaarder op te roepen. Belanghebbende heeft voorts zelf afgezien van het recht om op zitting te worden gehoord.\n\n4.4.. Belanghebbende heeft verder naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verwezen.Dit leidt niet tot een andere afweging. Voor zover het verzoek betrekking heeft op het oproepen van getuigen die voor belanghebbende belastende verklaringen hebben afgelegd die door de rechter voor het bewijs van de boeten zouden kunnen worden gebruikt, wordt weliswaar het belang van belanghebbende bij het horen van die getuigen voorondersteld, maar dat neemt niet weg dat het in de eerste plaats op de weg van belanghebbende ligt om die getuigen op te roepen. Naar het oordeel van de rechtbank schaadt de daarvoor in de Awb voorgeschreven werkwijze voor het oproepen van getuigen en de daaraan door de Hoge Raad gegeven uitleg niet de verdedigingsbelangen van belanghebbende. Hierdoor is belanghebbende ook niet het recht ontzegd om getuigen op te roepen. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de onderhavige procedure ook zonder het (nader) horen van de getuigen aan de vereisten van een eerlijk proces.\n\nSchending van de onschuldpresumptie?\n\n4.5.. Belanghebbende stelt in het beroepschrift dat hij strafrechtelijk niet is vervolgd, laat staan veroordeeld, waardoor het door de inspecteur gebezigde bewijs – dat ook in het strafrechtelijk onderzoek een rol heeft gespeeld – niet in de onderhavige procedures gebruikt zou mogen worden.\n\n4.6.. De rechtbank overweegt dat deze stelling van belanghebbende feitelijke grondslag mist, nu belanghebbende inmiddels strafrechtelijk is vervolgd en bovendien is veroordeeld door de rechtbank (zie 3.16). Bovendien brengt de omstandigheid dat iemand na afloop van een strafrechtelijk onderzoek niet is vervolgd of niet wordt veroordeeld, niet mee dat het door de inspecteur gebruikte bewijs uit het strafrechtelijk onderzoek automatisch niet mag worden meegewogen in belastingprocedures. De belastingkamer van de rechtbank moet de zaken zelfstandig beoordelen en hanteert daarbij een ander beoordelings- en bewijskader dan de strafrechter.\n\nHeeft de inspecteur artikel 8:42 van de Awb geschonden?\n\n4.7.. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Hierdoor heeft de inspecteur volgens belanghebbende artikel 8:42 van de Awb en het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden. Belanghebbende wijst erop dat de volgende stukken niet zijn overgelegd:\n\nhet EOB aan Luxemburg van 23 juni 2021;\n\nhet EOB van 27 juli 2020;\n\nhet EBB van 27 juni 2021;\n\nhet PV met [PV-nummer 1] ;\n\nhet PV met [PV-nummer 2] ; en\n\nde stukken uit de strafrechtelijke onderzoeken ‘Centurion’ en ‘26Bothell’.\n\n4.8.. De rechtbank overweegt dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) bij de besluitvorming in zijn zaak.\n\n4.9.. De rechtbank heeft geconstateerd dat de in 4.7 onder de letters a tot en met e bedoelde stukken zijn overgelegd. Voorts behoort het dossier ‘26Bothell’ tot de stukken van het geding. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er geen aanwijzingen – die draagt belanghebbende ook niet aan – dat de verklaring van de inspecteur dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en dat hij niet beschikt en ook niet heeft beschikt, over de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek ‘Centurion’, onjuist zou zijn.\n\n4.10.. Ook als stukken uit het strafrechtelijk onderzoek ‘Centurion’ wel tot de stukken van het geding zouden behoren – hetgeen naar het oordeel van de rechtbank dus niet het geval is – zou de rechtbank niet zonder meer gevolgen verbinden aan het alsdan niet overleggen van deze stukken door de inspecteur. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift tegen de over het jaar 2018 opgelegde aanslagen IB\u002FPVV en Zvw zelf uit stukken van het onderzoek ‘Centurion’ citeert, hetgeen erop duidt dat hij zelf over deze stukken beschikt. Hij had deze stukken dus zelf in het geding kunnen inbrengen.\n\n4.11.. Voorts overweegt de rechtbank dat belanghebbende niets heeft aangevoerd over de vraag voor welk resterend geschilpunt de door hem genoemde stukken mogelijk van belang zouden kunnen zijn en de rechtbank ziet dat ook zelfstandig niet in.\n\n4.12.. Verder overweegt de rechtbank dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel in deze zaken niet van toepassing is, aangezien er geen sprake is van bezwarende besluiten die zijn gebaseerd op nationale bepalingen die uitvoering geven aan Unierechtelijke voorschriften en evenmin aan de orde is of de toepassing van de nationale wetgeving een – al dan niet gerechtvaardigde – beperking inhoudt van de Unierechtelijke verkeersvrijheden.\n\n4.13.. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank artikel 8:42 van de Awb niet geschonden.\n\nHeeft de inspecteur het hoorrecht geschonden?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden en beklaagt zich er onder meer over dat de inspecteur het hoorgesprek niet bij een [hotel] heeft willen voeren.\n\n4.15.. De rechtbank overweegt dat de inspecteur belanghebbende voldoende gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord in zijn bezwaren (zie 3.17 en 3.18). De inspecteur heeft immers meerdere data voor een hoorgesprek voorgesteld en de mogelijkheid geboden om op verschillende kantoren van de Belastingdienst, telefonisch of digitaal te worden gehoord. Het is aan de inspecteur om de locatie voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht te kiezen.De inspecteur heeft daarbij in dit geval niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld en voldoende rekening gehouden met de belangen van belanghebbende. Dat de regie voor het plannen van een hoorgesprek bij de inspecteur ligt, kan tevens worden afgeleid uit de omstandigheid dat belanghebbenden worden opgeroepen voor het horen.\n\nZijn de (navorderings)aanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen opgelegd?\n\nVooraf\n\n4.16.. Belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd tegen de in de onderhavige (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV begrepen belastbare inkomens uit sparen en beleggen.\n\n4.17.. Ten aanzien van de voor het jaar 2018 opgelegde aanslag IB\u002FPVV concludeert de inspecteur dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dient te worden verminderd van € 7.019 naar € 2.080.\n\n4.18.. De rechtbank zal het beroep tegen de voor het jaar 2018 opgelegde aanslag IB\u002FPVV dan ook gegrond verklaren en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vaststellen op € 2.080.\n\nWas belanghebbende vanaf medio mei 2018 buitenlands belastingplichtige?\n\n4.19.. Belanghebbende voert aan dat hij op 24 mei 2018 is verhuisd naar Curaçao en dat hij vanaf dat moment moet worden aangemerkt als buitenlands belastingplichtige.\n\n4.20.. De inspecteur stelt dat belanghebbende in het gehele jaar 2018 binnenlands belastingplichtige was.\n\n4.21.. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 4, eerste lid, van de AWR naar omstandigheden beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Daarbij komt het erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt.De bewijslast van het fiscale inwonerschap in Nederland rust in beginsel, bij de normale bewijslastverdeling, op de inspecteur.\n\n4.22.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende gedurende het gehele jaar 2018 fiscaal inwoner was van Nederland. De rechtbank neemt daarbij het volgende, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking:\n\nbelanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit (zie 3);\n\nin zijn aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2017 en 2019 heeft belanghebbende de woning als eigen woning aangegeven (zie 3.2);\n\nin 2018 beschikte belanghebbende over zes bankrekeningen en een beleggingsrekening in Nederland (zie 3.4);\n\nin 2018 beschikte belanghebbende in Nederland over een auto, waarvoor hij motorrijtuigenbelasting betaalde (zie 3.5);\n\nde rechtbank acht aannemelijk geworden dat belanghebbende in heel 2018 in Nederland beschikte over een woning, te weten de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] , en daar ook met grote regelmaat verbleef. De rechtbank acht daarbij van belang dat belanghebbende in de BRP op dit adres ingeschreven stond van 30 januari 2004 tot 16 maart 2015 en van 11 september 2015 tot 30 november 2015 (zie 3.1), dat belanghebbende en de ex-echtgenote bij de doorzoeking van de woning op 2 november 2018 aldaar aanwezig waren (zie 3.7), dat de mobiele telefoon van belanghebbende zich het grootste deel van de periode van 29 mei 2018 tot en met 1 november 2018 in de woning bevond (zie 3.8), dat twee personen hebben verklaard dat belanghebbende in de woning woonde\u002Fverbleef (zie 3.11 en 3.12) en dat belanghebbende in 2017 en 2018 ruim € 275.000 heeft betaald voor (verbouw)werkzaamheden aan de woning (zie 3.13).\n\nHet voorgaande sluit, zoals hiervoor ook overwogen, niet uit dat belanghebbende eveneens een band van persoonlijke aard met Curaçao, [plaats 4] of Spanje had.\n\n4.23.. Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat belanghebbende in het gehele jaar 2018 in Nederland woonde in de zin van artikel 4 van de AWR. Voorts is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende ook op grond van de tie-breaker voor toepassing van de Belastingregeling Nederland Curaçaoals inwoner van Nederland moet worden aangemerkt. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat belanghebbende op Curaçao weliswaar een woning ter beschikking had, maar dat hij in 2018 gedurende maximaal 14 dagen op Curaçao verbleef (zie 3.6). Verder heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden gesteld – laat staan aannemelijk gemaakt – die duiden op een band van persoonlijke aard met Curaçao. Hetzelfde geldt ten aanzien van de mogelijke woonplaats in [plaats 4] en Spanje, hoewel belanghebbende vaag blijft over wat nu exact wordt aangevoerd op dit punt. Ook op grond van de tie-breaker opgenomen in het Belastingverdrag Nederland – Verenigde Arabische Emiratenen het Belastingverdrag Nederland – Spanjezou, als belanghebbende daar al een beroep op doet, belanghebbende als inwoner van Nederland worden aangemerkt.\n\n4.24.. Naar het oordeel van de rechtbank moet belanghebbende zich, gelet op wat hiervoor is overwogen, ook bewust zijn geweest van zijn fiscale woonplaats in Nederland. Dit met name gelet op de langdurige aanwezigheid in Nederland en het geringe aantal dagen dat belanghebbende op Curaçao of elders verbleef.\n\n4.25.. Gelet op wat hiervoor is overwogen, was belanghebbende in het gehele jaar 2018 binnenlands belastingplichtige.\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast\n\n4.26.. De inspecteur stelt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende over de onderhavige jaren niet de vereiste aangiften IB\u002FPVV en Zvw heeft gedaan omdat belanghebbende (contante) inkomsten niet heeft aangegeven, waardoor aanzienlijke bedragen aan verschuldigde belasting niet zijn betaald.\n\n4.27.. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast, waardoor de bewijslast hiervoor rust op de inspecteur.\n\n4.28.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de jaren 2017 en 2018 forse bedragen aan niet-aangegeven inkomen heeft genoten.\n\n4.29.. De rechtbank neemt daarbij allereerst in aanmerking dat alleen al de voor de grootschalige verbouwingswerkzaamheden aan de woning benodigde bedragen aanzienlijk zijn (zie 3.13), en die niet kunnen zijn bekostigd uit de door belanghebbende aangegeven inkomsten (zie 3.15). Bovendien heeft belanghebbende niet bestreden dat hij het in 3.14 genoemde bedrag van € 290.106,01 van Handelonderneming [B.V.] ( [B.V.] ) in de onderhavige jaren heeft genoten. Daarnaast heeft belanghebbende aanzienlijke bedragen contant uitgegeven, ook als geen rekening wordt gehouden met de door belanghebbende betwiste bedragen.\n\n4.30.. Belanghebbende erkent ook dat hij in de onderhavige jaren veel uitgaven heeft gedaan, maar betwist dat hij die uitgaven heeft bekostigd met inkomsten die zijn verdiend in 2017 en 2018, zonder concreet en verifieerbaar inzicht te geven wanneer die inkomsten dan wel zouden zijn verdiend. Hoewel het kan zijn dat (bepaalde) uitgaven zijn gedaan met in andere jaren gespaarde inkomsten, is het als uitgangspunt aannemelijk dat ingeval meerdere jaren achtereen aanzienlijke uitgaven worden gedaan, daar ook inkomsten in die jaren tegenover staan. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om dit uitgangspunt te ontkrachten en een gemotiveerde en onderbouwde verklaring te geven hoe de uitgaven zijn bekostigd. Belanghebbende heeft mogelijke, vage, verklaringen gegeven, maar hij heeft geen bewijs overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij het hiervoor benodigde geld gespaard zou hebben. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende in elk geval een fors deel van de uitgaven heeft gedaan uit inkomen genoten in 2017 en 2018. Belanghebbende heeft echter over 2017 geen positieve inkomsten uit werk en woning aangegeven en voor 2018 slechts € 864. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat zodanige inkomsten zijn genoten dat de volgens de aangiften verschuldigde IB\u002FPVV en Zvw zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk lager zijn dan de werkelijk verschuldigde IB\u002FPVV en Zvw.\n\n4.31.. De rechtbank acht ook aannemelijk dat belanghebbende zich er, ten tijde van het indienen van de aangiften, van bewust was dat aanzienlijke bedragen aan verschuldigde belasting en premies niet zouden worden geheven door het niet vermelden van de door hem genoten inkomsten in de aangiften. Belanghebbende stelt dat hij de van [B.V.] genoten inkomsten in 2018 niet hoefde aan te geven omdat hij buitenlands belastingplichtige was, maar dat doet, gelet op wat is overwogen in 4.24, niet af aan het vorenstaande.\n\n4.32.. Omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dit geldt voor zowel de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV als de (navorderings)aanslagen Zvw.\n\nRedelijke schatting\n\n4.33.. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.\n\n4.34.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur, met de uitleg in het verweerschrift en de informatie uit het in 3.14 bedoelde proces-verbaal, een redelijke schatting gemaakt van de door belanghebbende niet aangegeven (contante) inkomsten. Hij heeft dus voldaan aan de adstructie- en stelplicht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door de inspecteur bijgetelde inkomsten concrete (contante) ontvangsten en betalingen door belanghebbende en aan hem gelieerde (rechts)personen betreffen.\n\n4.35.. Belanghebbende heeft vervolgens niet doen blijken dat het belastbaar inkomen uit werk en woning zoals vastgesteld in de (navorderings)aanslagen te hoog is. Belanghebbende heeft een aantal uitgaven concreet betwist, maar heeft niet overtuigend aangetoond aan de hand van bewijsstukken dat deze niet kloppen. Hetzelfde geldt voor zijn verklaringen voor de herkomst van de contante gelden waarmee de uitgaven zijn gedaan.\n\n4.36.. Voorgaande betekent dat de belastbare inkomens uit werk en woning en de premie-inkomens die zijn vervat in de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017 en 2018 worden gehandhaafd,\n\nZijn de boetebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?\n\n4.37.. Op grond van artikel 67d, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een boete van ten hoogste 100% opleggen indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat de aangifte IB\u002FPVV niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan een boete worden opgelegd indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. In paragraaf 25, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst is bepaald dat, indien sprake is van opzet, de inspecteur een vergrijpboete kan opleggen van 50%. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het beboetbare feit zich zal voordoen.\n\n4.38.. De bewijslast dat sprake is van opzet rust op de inspecteur. Hij dient te doen blijken – overtuigend aantonen – dat aan belanghebbende kan worden verweten dat hij niet, onjuist of onvolledig aangifte heeft gedaan of dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.\n\n4.39.. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft doen blijken dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting, premies voor de volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet is geheven. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen is overwogen in 4.24 en 4.28 en acht de inspecteur op die punten ook in zijn verzwaarde bewijslast geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank is het buiten redelijke twijfel dat belanghebbende bewust onjuist belastingaangifte deed, wat voor 2017 het gevolg had dat de aanslag te laag is vastgesteld. Er zijn dan ook terecht boeten van 50% opgelegd.\n\n4.40.. Bij het opleggen van de aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018 is de inspecteur ten onrechte uitgegaan van de veronderstelling dat belanghebbende geen aangifte had gedaan. Hierdoor is de vergrijpboete tevens berekend over de verschuldigde belasting over het wel door belanghebbende aangegeven inkomen uit sparen en beleggen. De inspecteur concludeert, naar het oordeel van de rechtbank terecht, dat dit onjuist is. De inspecteur stelt dat de boete om deze reden moet worden verminderd met € 3.158. De rechtbank zal de inspecteur hierin volgen.\n\n4.41.. De rechtbank moet beoordelen of de boeten passend en geboden zijn. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, door het opleggen van boeten bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV én Zvw ter zake van dezelfde inkomenscorrecties, ter zake van dezelfde feiten, tweemaal in zijn vermogen wordt getroffen. De rechtbank zal daarom de boeten Zvw vernietigen.\n\n4.42.. De Hoge Raad heeft overwogen dat bij de beoordeling of een boete passend en geboden is, rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast. Dit betekent niet dat de vaststelling met omkering van de bewijslast in alle gevallen leidt tot matiging van de boete.De rechtbank ziet in dit geval echter wel reden om de boeten opgelegd bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV te matigen omdat de aanslagen met omkering van de bewijslast zijn vastgesteld gelet op de enigszins grofmazige schatting. De rechtbank zal de boeten (verder) matigen met 10 %.\n\n4.43.. Voorts vormt de duur van de procedures voor de rechtbank aanleiding de boeten verder te matigen, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn (undue delay). De rechtbank stelt vast dat voor de boete IB\u002FPVV 2017 als aanvangstermijn van de redelijke termijn geldt 3 augustus 2022, terwijl dat voor de boete IB\u002FPVV 2018 4 november 2020 is. De rechtbank doet uitspraak op 22 juni 2026. Sinds de aankondiging van de boete IB\u002FPVV 2017 is dus afgerond drie jaar en elf maanden verstreken en sinds de aankondiging van de boete IB\u002FPVV 2018 is afgerond vijf jaar en acht maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met afgerond 1 jaar en elf maanden respectievelijk drie jaar en acht maanden.De boeten zullen daarom verder worden gematigd met 15% respectievelijk 20%, maar maximaal met € 10 .000 respectievelijk € 20.000.\n\n4.44.. Overige omstandigheden op basis waarvan de boeten (verder) moeten worden gematigd zijn gesteld noch aannemelijk geworden.\n\n4.45.. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende berekening van de boeten:\n\n2017\n\n2018\n\nVastgestelde boete\n\n€ 188.446\n\n€ 354.590\n\nVermindering i.v.m. inkomen uit sparen en beleggen\n\n € -3.158\n\n€ 351.432\n\nMatiging i.v.m. omkering van de bewijslast\n\n € 18.845\n\n € 35.144\n\n€ 169.601\n\n€ 316.288\n\nMatiging i.v.m. undue delay\n\n € 10 .000\n\n € 20.000\n\nResterende boete\n\n€ 159.601\n\n€ 296.288\n\n4.46.. De rechtbank acht boeten van € 159.601 respectievelijk € 296.288 passend en geboden.\n\nZijn de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?\n\n4.47.. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De belastingrentebeschikking opgelegd bij de aanslag IB\u002FPVV 2018 wordt verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de overige belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de (navorderings)aanslag volgt.\n\nSlagen de overige gronden van belanghebbende?\n\n4.48.. Belanghebbende is zeer uitvoerig geweest in zijn stellingen en heeft zich daarbij op diverse rechtsbeginselen beroepen. De rechtbank heeft deze stellingen beoordeeld. Voor een deel is hierboven in de uitspraak ingegaan op deze stellingen. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel dan hiervoor is weergegeven.\n\nHeeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade?\n\n4.49.. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en de beroepsprocedures.\n\n4.50.. De rechtbank ziet aanleiding om een vergoeding toe te kennen. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltijd voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade van € 500 per half jaar overschrijding.\n\n4.51.. De rechtbank stelt vast dat alle zaken in hoofdzaak betrekking hebben op voorwerpen van geschil die met elkaar samenhangen. De motivering van de bezwaren en beroepen is in alle zaken nagenoeg identiek, dan wel vergelijkbaar. Gelet hierop bestaat er voor alle fasen van de procedure samenhang. Dit heeft tot gevolg dat ter vaststelling van het bedrag van de immateriële schadevergoeding éénmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd.\n\n4.52.. De inspecteur heeft het oudste bezwaarschrift ontvangen op 28 december 2021. Omdat de rechtbank uitspraak doet op 22 juni 2026, heeft de procedure in totaal (afgerond) 54 maanden geduurd. De redelijke termijn is daarmee met 30 maanden overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 2.500. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase voor zowel 2017 als 2018 niet langer dan zes maanden heeft geduurd. De schadevergoeding komt daarom geheel voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in het geding.\n\n4.53.. \n\nNu de boeten opgelegd bij de navorderingsaanslag Zvw 2017 (€ 1.449) en de aanslag Zvw 2018 (1.548) worden vernietigd, kan compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet worden verleend door vermindering van die boeten.Aangezien elke boete meer dan € 1.000 bedraagt, zal de rechtbank hiervoor compensatie voor de verdragsschending verlenen in vorm van een vergoeding van immateriële schade.De schadevergoeding bedraagt € 2.000 voor de boete over het jaar 2017, waarbij rekening is gehouden met de aankondiging van de boete op 3 augustus 2022 (23 maanden overschrijding). Tussen de aankondiging van de boete en de uitspraak op bezwaar is afgerond 7 maanden verstreken. Daarom komt 1\u002F23e (€ 86,95) voor rekening van de inspecteur en het overige (€ 1.913,05) voor rekening van de Staat.\n\n Voor de boete over het jaar 2018 is de schadevergoeding € 3.000, waarbij rekening is gehouden met de aankondiging van de boete op 4 november 2021 (32 maanden overschrijding). Dit bedrag komt volledig voor rekening van de Staat.\n\n4.54.. In totaal bedraagt de schadevergoeding daarom € 7.500, waarvan € 86,95 voor rekening van de inspecteur komt en € 7.413,05 voor rekening van de Staat.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB\u002FPVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de vergrijpboeten zijn gegrond. Dat betekent dat de inspecteur het griffierecht van twee maal € 50, in totaal dus € 100, aan belanghebbende moet vergoeden. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.\n\n5.1.. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.\n\n5.2.. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 en in beroep van € 934. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhang tussen de zaken. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde van belanghebbende konden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek zijn. Nu sprake is van twee samenhangende zaken, waarin het beroep gegrond is, zal een factor van 1 worden toegepast. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend (1 punt) en heeft een beroepschrift ingediend (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.600.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen gericht tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB\u002FPVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de boetebeschikkingen gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB\u002FPVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de aanslag IB\u002FPVV 2018 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.357.971 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.080 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 tot € 159.601;\n\n- vernietigt de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag Zvw 2017;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 tot € 296.288;\n\n- vernietigt de boetebeschikking bij de aanslag Zvw 2018;\n\n- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 86,95;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 7.413,05;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 100 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.600 aan proceskosten aan belanghebbende.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr. J.A. den Braber-Riemens, leden, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nAan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.\n\n Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Hoge Raad 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786, r.o. 2.4.3 en 2.4.4.\n\n EHRM 19 januari 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0119JUD000220516 ( [naam 1] tegen Nederland) en EHRM 15 maart 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609 ( [naam 2] tegen Nederland).\n\n Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140, r.o. 3.3.\n\n Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, r.o. 3.5.2.\n\n Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1319, r.o. 2.2.\n\n Hoge Raad 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2082, r.o. 2.5.3.\n\n Hoge Raad 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1597, r.o. 2.4.\n\n Artikel 7:4, derde lid, van de Awb.\n\n Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824, r.o. 3.2.2.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Belastingregeling Nederland Curaçao.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen.\n\n Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Spaanse Staat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen.\n\n Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.1 en 3.3.2.\n\n Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2.\n\n Vgl. Hoge Raad 10 maart 1993, BNB 1993\u002F198, r.o. 3.3.\n\n Hoge Raad 18 januari 2008:ECLI:NL:HR:2008:BC1962, r.o. 3.6.8.\n\n Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, r.o. 4.3.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713, r.o. 4.16.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3. 10 .1.\n\n Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1.\n\n Vgl. Hoge Raad 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279.\n\n Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5556","2026-07-13T00:29:23.944Z",{"id":160,"ecli":161,"slug":162,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":163,"fullText":164,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":165,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":51,"updatedAt":166},"1536","ECLI:NL:RBZWB:2026:5368","ecli-nl-rbzwb-2026-5368","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 22\u002F4395\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 augustus 2022.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.453. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 714 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\nFeiten\n\n2. Belanghebbende stond in 2018 in de Basisregistratie personen ingeschreven op een Nederlands adres.\n\n2.1.. Belanghebbende is vanaf 10 oktober 2017 als piloot in loondienst werkzaam voor [werkgever] AS. Zijn standplaats is in 2018 [standplaats] in Oslo (Noorwegen).\n\n2.2.. In het kader van internationale gegevensuitwisseling heeft de Nederlandse belastingdienst van de Noorse fiscale autoriteit gegevens ontvangen waaruit blijkt dat belanghebbende in 2018 een bedrag van in totaal 795.794 Noorse Kronen, omgerekend € 82.921, van [werkgever] AS heeft ontvangen.\n\n2.3.. Verder heeft de inspecteur een renseignement ontvangen van [stichting] waaruit blijkt dat belanghebbende in 2018 € 575 heeft ontvangen.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft aangifte IB voor het jaar 2018 gedaan naar belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.799, volledig bestaande uit resultaat uit overige werkzaamheid. Verder heeft belanghebbende aangegeven gedurende heel 2018 niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen.\n\n2.5.. De inspecteur heeft bij brief van 6 oktober 2021 zijn voornemen aan belanghebbende kenbaar gemaakt om af te wijken van de aangifte in verband met de gerenseigneerde inkomensgegevens.\n\n2.6.. Belanghebbende heeft daarop gereageerd en onder meer de loonstroken voor alle maanden van 2018 en de jaaropgaaf 2018 van [werkgever] AS overgelegd.\n\n2.7.. De inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende een herzien voornemen tot afwijking van de aangifte IB 2018 gestuurd.\n\n2.8.. De inspecteur heeft vervolgens de aanslag IB 2018 – in afwijking van de aangifte en conform zijn herziene voornemen – vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.453, bestaande uit een loon van € 72.728 en een resultaat uit overige werkzaamheid van € 575.\n\n2.9.. Op alle overgelegde loonstroken voor het jaar 2018 staan de posten “ [post 1] ”voor een bedrag van 105,42 Noorse Kronen,“ [post 2] ”voor een bedrag van 2.695,58 Noorse Kronen en“ [post 3] ”voor een bedrag van 288,75 Noorse Kronen vermeld.\n\n2.10.. Op de loonstroken voor de maanden juli, augustus en november van het jaar 2018 staat de post “ [post 4] ”voor een bedrag van 542 (juli), 937 (augustus) respectievelijk 873 (november) Noorse Kronen vermeld.\n\n2.11.. \n\nOp de jaaropgaaf staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“\n\nBeskrivelse\n\nBeløp\n\nAnt.\n\nTrekkpl.\n\nDetaljer\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\nUtgiftsgodtgjørelse\n\n [naam]\n\n15 170\n\nNei\n\n [naam]\n\n4 124\n\nJa\n\nReise kost\n\n57 927\n\nJa\n\nReise kost med overnatting ps hotell\n\n59 631\n\n99\n\nNei\n\n”\n\n2.12.. \n\nIn de Collective Agreement no. 544 van [werkgever] AS die ziet op de periode 1 november 2011 tot 31 oktober 2020 (de cao) staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“Clause 10 - Travel and subsistence provisions\n\nSub-clause 1 Personnel shall be compensated for extra expenses linked to board and lodging in accordance with sub-clauses 2-9 below.\n\nSub-clause 2 Hotel accommodation\n\n (…)\n\nSub-clause 3 The Company shall pay a daily allowance in accordance with Annex D in connection with official travel, flying and training.\n\nSub-clause 4 In the case of foreign travel, standard Norwegian government subsistence allowances shall be paid if these are higher than the subsistence allowance specified in Annex D.\n\nSub-clause 5 The allowance amount shall be calculated per day (24 hours) from the ordered time of appearance at the base until check-out at the base. (…)\n\nSub-clause 6 The Company shall cover special expenses incurred in connection with the performance of duties, provided that these are documented by means of a bill or receipt and certified by the Pilot Manager or a person authorised by him or her.\n\n(…)”\n\nEn:\n\n“Clause 11 - Insurance cover\n\n(…)\n\nSub-clause 1Loss of License (LOL)\n\nThe Company is at all times obliged to maintain LOL insurance for all pilots who have not reached the age of 62 years and who earn income that gives rise to pension benefits. The policy shall cover all medical (somatic and psychological) conditions relevant to the pilot’s medical certificate (issued by an aviation medical examiner). The insurance premium shall be paid in full by the Company. Payment under such insurance shall be made upon loss of the pilot’s licence as a result of such a medical condition.\n\nWhen the pilot has received an order from the aviation authorities declaring a permanent loss of his or her pilot’s licence, he or she shall send a copy of the medical order to the Company without undue delay.\n\nThe Company shall, without undue delay and no later than upon giving notice of termination of employment, inform the insurance company\u002Fcompanies with which the Company has taken out LOL insurance of the medical order.\n\nSection 13(2) and (3) of the Working Environment Act shall apply in such cases.\n\nThe Loss of License payout sum, specified as multiples of G (the base amount under the national insurance scheme), is as follows:\n\nUp to and including\n\n52 years\n\n30\n\n53 years\n\n27\n\n54 years\n\n24\n\n55 years\n\n21\n\n56 years\n\n18\n\n57 years\n\n15\n\n58 years\n\n12\n\n59 years\n\n9\n\n60 years\n\n6\n\n61 years\n\n3\n\nFrom the age of\n\n62 years\n\n0\n\n(From the age of 62 years onwards, employees shall not be taxed on the benefit provided by the scheme.)\n\nIn addition, a lump-sum payment shall be made via operations equal to 1.65 x salary grade (current annual salary as at the payment date). This amount shall not be reduced in line with age.\n\n(…)\n\nSub-clause 3Group insurance\n\nThe Company maintains full-time group insurance via an insurance company, which covers: (…)”\n\nEn:\n\n“Annex D - Salary and allowances\n\nSalary, subsistence allowance and other allowances shall be paid on the 25th of each month, as follows:\n\nA: Salary shall be paid for the current month.\n\nB: Subsistence allowance and other documented expenses shall be paid\u002Freimbursed in arrears in accordance with completed and certified forms.\n\n(…)\n\nIV GENERAL ALLOWANCES\n\nTo be adjusted by the same %age as the salary scale applicable as of 1 November 2017.\n\nTelephone allowance:\n\nNOK 342 per month to cover a landline subscription.\n\nEach captain shall receive a mobile telephone allowance of NOK 338 per month, provided that all captains have their own mobile telephone that can be used for duty purposes, including availability during ground stops.\n\nUniform allowance:\n\nPayable at NOK 1,258 per month.\n\nThe above allowances shall be adjusted according to the employment percentage worked by the pilot.\n\nUniform cleaning:\n\nExpenses shall be covered as billed.\n\nGlasses:\n\nCosts shall be covered in accordance with sub-clause 1.2 if ordered by an aviation medical examiner.\n\nPassport and visa:\n\nCovered as billed.\n\nRate of subsistence\n\nallowance per 1\u002F1 day\n\n(24-hour period):\n\nNOK 825\n\n”\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n3.1.. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nMotivering\n\n4. Partijen houdt verdeeld of de inspecteur het (belaste) fiscaal loon bij de aanslag IB 2018 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Meer specifiek gaat het om de vraag of de inspecteur de post “ [post 4] ”van in totaal 2.352 Noorse Kronen, omgerekend € 245, terecht tot het loon heeft gerekend en om de vraag of sprake is van een gerichte vrijstellingof vrijgesteld loonmet betrekking tot de volgende loonbestanddelen:\n\nTotaal bedrag\n\nOmgerekend naar euro’s\n\nReise kost\n\n NOK 108.558\n\n € 12.247\n\n [post 2]\n\n NOK 32.347\n\n € 3.362\n\n [post 3]\n\n NOK 3.465\n\n € 361\n\n [post 1]\n\n NOK 1.265\n\n € 132\n\n4.1.. De rechtbank zal het geschil hierna per post beoordelen.\n\nPost “ [post 4] ”4.2.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 2.352 Noorse Kronen, omgerekend € 245, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 4] ,door de inspecteur ten onrechte tot het loon is gerekend. Het is belanghebbende niet duidelijk wat deze post inhoudt. Belanghebbende wijst erop dat de post niet op de jaaropgaaf 2018 staat vermeld. Verder bevreemd het belanghebbende dat de post maar op een beperkt aantal loonstroken is vermeld. Volgens belanghebbende zijn de bedragen onder de noemer“ [post 4] ”nooit aan hem uitbetaald.\n\n4.3.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in samenhang met artikel 10 Wet LB loon al hetgeen is dat uit een dienstbetrekking wordt genoten. Het genietingstijdstip van de looninkomsten is op grond van artikel 3.146, eerste lid, van de Wet IB 2001 mede het tijdstip waarop het loon is ontvangen dan wel het loon vorderbaar en inbaar is geworden.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de bedragen die onder de noemer “ [post 4] ”op een aantal loonstroken staan vermeld terecht tot het loon gerekend. De rechtbank stelt vast dat partijen geen duidelijkheid hebben kunnen verschaffen over de precieze aard van deze post. Vast staat evenwel dat de post voorkomt op door de werkgever opgemaakte loonstroken. Tegen die achtergrond acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is van een uit de dienstbetrekking voortvloeiend voordeel. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd op basis waarvan aannemelijk is dat de vermelde bedragen hem niet op enigerlei wijze ten goede zijn gekomen. De enkele omstandigheid dat de post niet afzonderlijk op de jaaropgaaf staat vermeld kan verschillende oorzaken hebben en wil nog niet zonder meer zeggen dat het naar Nederlandse maatstaven geen loonbestanddeel vormt.\n\nPost [post 2]4.5.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 32.347 Noorse Kronen, omgerekend € 3.362, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 2] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Primair voert belanghebbende aan dat de premies zijn betaald voor een verzekering die kan worden getypeerd als ongevallenverzekering. Deze verzekering geeft volgens belanghebbende recht op een aanspraak die is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Subsidiair voert belanghebbende aan dat de verzekering recht geeft op een aanspraak die naar aard en strekking overeenkomst met aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB, zodat de vrijstelling artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB van toepassing is. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden.\n\n4.6.. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn primaire stelling. In artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB is opgenomen dat aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval vrijgesteld zijn van de heffing van loonbelasting. Uit de beschikbare gegevens (zie 2.12) volgt dat het gaat om door de werkgever betaalde premies voor een zogenoemde ‘Loss of License-verzekering’. Deze verzekering geeft – kort gezegd – aanspraak op een uitkering bij verlies van een vliegbrevet. Dat is naar het oordeel van de rechtbank geen aanspraak als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Dat een verlies van vliegbrevet onder omstandigheden het gevolg kan zijn van invaliditeit, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders want het kan ook een scala aan andere oorzaken hebben.\n\n4.7.. De rechtbank volgt belanghebbende evenmin in zijn subsidiaire stelling. In artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB is opgenomen dat aanspraken die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel e, vrijgesteld zijn van heffing van loonbelasting. Aanspraken als bedoeld in onderdeel e zijn aanspraken ingevolge de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet. Belanghebbende maakt – tegenover de stelling van de inspecteur – niet aannemelijk dat de ‘Loss of License-verzekering’ een risico dekt dat in het Nederlandse sociale verzekeringsstelsel ook door een werknemersverzekering wordt gedekt.\n\n4.8.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur een bedrag van in totaal 32.347 Noorse Kronen, omgerekend € 3.362, terecht niet heeft vrijgesteld van het loon.\n\nPost [post 3]4.9.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 3.465 Noorse Kronen, omgerekend € 361, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 3] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Primair voert belanghebbende aan dat de premies zijn betaald voor een verzekering die kan worden getypeerd als voltijds groepsverzekering voor – kort gezegd – arbeidsongevallen, arbeidsziekte, vrije tijd letsel en overige ziekte. Deze verzekering geeft volgens belanghebbende recht op een aanspraak die is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Subsidiair voert belanghebbende aan dat de verzekering recht geeft op een aanspraak die naar aard en strekking overeenkomst met aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB, zodat de vrijstelling artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB van toepassing is.\n\n4.10.. Belanghebbende stelt dat deze vergoeding van de werkgever niet als loon kan worden aangemerkt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, met verwijzing naar de collective agreement, lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van belanghebbende om meer inzicht te verstrekken over de vraag wat hier nou precies is afgesproken en waar deze vergoeding op ziet. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank tot de conclusie dat de inspecteur terecht de vrijstelling niet heeft toegepast.\n\nPost [post 1]4.11.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 1.265 Noorse Kronen, omgerekend € 132, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 1] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Het is belanghebbende niet precies duidelijk wat deze post inhoudt. Belanghebbende denkt dat het gaat om een verzekering die prioriteit geeft in de wachtrij wanneer een behandeling of gezondheidszorg noodzakelijk is. Volgens belanghebbende is daarop de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB van toepassing.\n\n4.12.. Ter zitting is namens belanghebbende desgevraagd bevestigd dat hij zich enkel beroept op de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB. Deze bepaling ziet op aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding. De door belanghebbende gegeven toelichting op deze post wijst er niet op dat het gaat om een dergelijke regeling. Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat van een dergelijke regeling sprake is.\n\n4.13.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur een bedrag van in totaal 1.265 Noorse Kronen, omgerekend € 132, terecht niet heeft vrijgesteld van het loon.\n\nPost reise kost4.14.. Belanghebbende stelt dat de door hem ontvangen vergoedingen van 57.927 Noorse Kronen en 59.631 Noorse Kronen, in totaal omgerekend € 12.247, ten onrechte niet gericht zijn vrijgesteld op grond van artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB 2001. Volgens belanghebbende betreffen en reis- en verblijfkosten.\n\n4.15.. Vast staat dat de vergoedingen zijn ontvangen van een niet-inhoudingsplichtige werkgever. Een vergoeding of verstrekking kan in zo’n geval worden vrijgesteld op basis van artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB voor zover zij voldoet aan de eisen die artikel 31a, tweede, van de Wet LB aan de desbetreffende gerichte vrijstelling stelt, maar zonder dat een aanwijzing als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB nodig is.\n\n4.16.. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de betreffende vergoedingen kunnen worden aangemerkt als een met belanghebbende overeengekomen vergoeding, zoals bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB. De stukken van het geding laten voor dat geval geen andere slotsom toe dan dat het een vaste kostenvergoeding betreft. Bij een vaste kostenvergoeding is voor een gerichte vrijstelling volgens artikel 31a, derde lid, van de Wet LB (wettekst 2018) vereist dat aan die vergoeding een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt. De eis dat het onderzoek aan de vergoeding ‘ten grondslag ligt’, brengt mee dat het onderzoek moet hebben plaatsgevonden voordat de vergoeding wordt betaald. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat in een geval als dit, waarin de werkgever niet inhoudingsplichtig is, in redelijkheid niet kan worden verwacht dat die werkgever zich richt naar het systeem van de Nederlandse loonbelasting. De Hoge Raad heeft artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB zo uitgelegd dat in deze gevallen voor toepassing van de gerichte vrijstelling ook kan worden volstaan met een onderzoek naar de werkelijke kosten dat door de werknemer is gedaan zonder dat de werkgever daarbij betrokken was. Daarbij kan in redelijkheid van een werknemer niet worden verlangd dat hij dit onderzoek al heeft verricht voordat hij de vergoeding van zijn werkgever krijgt.\n\n4.17.. Belanghebbende heeft bij zijn aanvullende stuk van 12 mei 2026 een door hem opgesteld kostenonderzoek verstrekt. De inspecteur betwist dat dit een afdoende kostenonderzoek is. De inspecteur vindt het kostenonderzoek onder meer te algemeen van aard en wijst erop dat onderbouwende stukken ontbreken.\n\n4.18.. Naar het oordeel van de rechtbank is met het door belanghebbende gepresenteerde overzicht van beperkte omvang niet voldaan aan de voorwaarde dat aan de vergoedingen een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt. Het overzicht is qua aard van de kosten en tijdspanne te algemeen en bevat bovendien kosten die in de cao, in het bijzonder ‘Annex D’, niet tot vaste kostenvergoeding zijn gerekend. Op grond van dit overzicht kan niet worden vastgesteld welke kosten aan belanghebbende worden vergoed en of de hoogte van de vergoeding gebruikelijk is.\n\n4.19.. Bij gebrek aan dit onderzoek is de gerichte vrijstelling op grond van artikel 31a, derde lid, van de Wet LB (wettekst 2018) niet van toepassing. De inspecteur heeft de gerichte vrijstelling voor deze post dus terecht niet toegepast.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 31, lid 1, onderdeel f in samenhang met artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB).\n\n Artikel 11 van de Wet LB.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1236.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1236.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5368","2026-07-13T00:29:25.978Z",{"id":168,"ecli":169,"slug":170,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":163,"fullText":171,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":172,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":51,"updatedAt":173},"1102","ECLI:NL:RBZWB:2026:5365","ecli-nl-rbzwb-2026-5365","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F1842\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 maart 2025.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) voor het jaar 2023 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.599. Daarbij heeft de inspecteur geen jonggehandicaptenkorting toegepast. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 16 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB\u002FPVV 2023, omdat daarbij geen jonggehandicaptenkorting is toegepast. Verder heeft belanghebbende verzocht om toekenning van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.\n\n1.3.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de jonggehandicaptenkorting alsnog toegepast. De inspecteur heeft daarbij geen beslissing genomen op het verzoek om een kostenvergoeding.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Namens belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nNiet-tijdig beslissen op verzoek om kostenvergoeding\n\n2. De rechtbank vat het beroep zo op dat het (mede) is gericht tegen het niet-tijdig beslissen door de inspecteur op het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.\n\n2.1.. Het beroep slaagt in zoverre niet. De inspecteur moet namelijk eerst in gebreke worden gesteld voordat beroep kan worden ingesteld vanwege het niet-tijdig beslissen op het verzoek om een kostenvergoeding.Niet gesteld en ook niet gebleken is dat belanghebbende dit heeft gedaan. De rechtbank verklaart het beroep wegens niet-tijdig beslissen daarom niet-ontvankelijk.\n\nKostenvergoeding2.2.. De rechtbank begrijpt uit het beroepschrift dat belanghebbende graag een antwoord wil op de vraag of hij recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De rechtbank heeft daarom ter zitting met partijen afgestemd dat het verweerschrift ook kan worden opgevat als een afwijzende beslissing op het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Op deze manier kan de rechtbank toch een beslissing nemen over de kostenvergoeding.\n\n2.3.. Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.\n\n2.4.. De inspecteur stelt dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding. Hij voert daartoe aan dat de aanslag IB\u002FPVV 2023 bij uitspraak op bezwaar naar blijkt ten onrechte is verminderd, omdat belanghebbende feitelijk geen recht heeft op jonggehandicaptenkorting. Volgens de inspecteur is reeds daarom geen sprake van een aan hem te wijten onrechtmatigheid, nu de aanslag achteraf bezien juist blijkt te zijn vastgesteld en niet had moeten worden verminderd.\n\n2.5.. De rechtbank is het met de inspecteur eens. De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) recht heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning, tenzij voor hem de ouderenkorting geldt.Vast staat dat belanghebbende in 2023 geen Wajong-uitkering heeft ontvangen. Belanghebbende stelt zonder onderbouwing dat hij in 2023 wel een slapend recht had op een Wajong-uitkering. Dat belanghebbende daadwerkelijk recht had op een Wajong-uiterking heeft hij naar het oordeel van de rechtbank – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de inspecteur bij de aanslag IB\u002FPVV 2023 terecht initieel geen jonggehandicaptenkorting heeft toegekend en eigenlijk het bezwaar niet gegrond had hoeven te verklaren. Er is daarom geen sprake van een situatie waarin de bestreden aanslag is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid bij het opleggen van die aanslag.Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het beroep is in zoverre dus ongegrond.\n\nConclusie en gevolgen\n\n3. Het beroep wegens niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en voor het overige is het beroep ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.\n\n3.1.. Omdat het beroep ongegrond is heeft belanghebbende als uitgangspunt ook geen recht op vergoeding van het griffierecht en een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. De rechtbank ziet in dit geval echter aanleiding om te bepalen dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem moet vergoeden. Door het bezwaar gegrond te verklaren en geen beslissing te nemen om het verzoek om een kostenvergoeding, heeft de inspecteur een onduidelijke situatie doen ontstaan die belanghebbende noopte tot het instellen van beroep. Onder die omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van het griffierecht passend.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;\n\nverklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\nbepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nAan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Artikel 8.16a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).\n\n Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3079; en Gerechtshof Amsterdam 12 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1316.\n\n Artikel 8:75 van de Awb.\n\n Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid Algemene wet inzake rijksbelastingen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5365","2026-07-13T00:29:04.149Z",{"id":175,"ecli":176,"slug":177,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":163,"fullText":178,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":179,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":51,"updatedAt":180},"1851","ECLI:NL:RBZWB:2026:5366","ecli-nl-rbzwb-2026-5366","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F2745\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 mei 2025.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.504. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur € 3.613 revisierente en € 84 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2023 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de rentebeschikkingen gegrond verklaard. De inspecteur heeft de revisierente verminderd tot € 3.513 en de belastingrente tot € 81.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld van zijn [echtgenote] en ter bijstand ondersteund door [persoon] , en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB\u002FPVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag IB\u002FPVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft een spaarkasovereenkomst afgesloten bij [verzekeringsmaatschappij] N.V. met [nummer] . Deze spaarkasovereenkomst is ingegaan op 1 april 1999.\n\n3.1.. Volgens het clausuleblad van 26 maart 1999 betreft de spaarkasovereenkomst een lijfrente als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Volgens het clausuleblad van 3 december 2003 betreft de spaarovereenkomst een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).\n\n3.2.. De polis is per 1 november 2012 premievrij gemaakt.\n\n3.3.. Op 4 oktober 2023 heeft belanghebbende de spaarkasovereenkomst afgekocht voor een bedrag van € 18.065. Bij deze afkoop is een bedrag van € 9.395 (52%) aan loonheffing ingehouden.\n\n3.4.. De inspecteur heeft een saldoverklaring verstrekt aan belanghebbende. Hierin is verklaard dat de betaalde premies uit 2012 van € 500 niet zijn afgetrokken in de aangifte IB\u002FPVV 2012.\n\n3.5.. Belanghebbende heeft de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2023 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.504, bestaande uit € 32.475 belastbare winst uit onderneming, € 17.565 afkoopsom lijfrente, en een negatief saldo aan inkomsten eigen woning voor een bedrag van € 3.536. Verder heeft belanghebbende een bedrag van € 3.613 aan revisierente in de betreffende aangifte vermeld.\n\n3.6.. De inspecteur heeft de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2023 vastgesteld conform de ingediende aangifte (zie 1.1). Voor de berekening van de revisierente is de inspecteur uitgegaan van een bruto afkoopsom van € 18.065.\n\n3.7.. Bij uitspraak op bezwaar is de inspecteur voor de berekening van de uitgegaan van een bruto afkoopsom van € 17.565.\n\nMotivering\n\n4. Belanghebbende stelt in de kern dat hij naar verhouding te veel belasting moet betalen ter zake van de afkoop van zijn lijfrente. Hij wijst erop dat de spaarkasovereenkomst een zogenoemde woekerpolis is gebleken en aanzienlijk minder heeft opgeleverd dan bij het aangaan van de spaarkasovereenkomst werd verwacht. Volgens belanghebbende had hij bovendien feitelijk geen andere keuze dan de lijfrente af te kopen, omdat deze anders op de einddatum zonder uitkering zou eindigen. Mede tegen die achtergrond vindt belanghebbende de verschuldigde belasting en revisierente disproportioneel en niet redelijk of billijk.\n\n4.1.. De rechtbank heeft in eerste plaats gekeken of de inspecteur de verschuldigde belasting ter zake van de afkoop van de lijfrente juist heeft berekend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de inspecteur de geldende wet- en regelgevingjuist heeft toegepast en de belasting tot het juiste bedrag heeft berekend. De rechtbank merkt daarbij op dat de inspecteur in zijn berekening er rekening mee heeft gehouden dat na 1 november 2012 geen premieaftrek door belanghebbende meer is genoten. Ook de revisierente, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, is naar het oordeel van de rechtbank overeenkomstig de geldende wet- en regelgevingtot het juiste bedrag berekend.\n\n4.2.. De rechtbank heeft begrip voor het standpunt van belanghebbende dat toepassing van de wet- en regelgeving in zijn situatie tot een belastingpercentage leidt, wat hij niet had voorzien. De wetgever heeft er echter voor gekozen om geen uitzonderingen te maken op de (fiscale) gevolgen die de wet verbindt aan de afkoop van een lijfrente. Bij afkoop worden de fiscale voordelen die gedurende de looptijd van de lijfrente konden worden genoten weer teruggenomen. Verder wordt over het achteraf ten onrechte genoten belastinguitstel een rentevergoeding verschuldigd.De rechtbank dient recht te spreken volgens de wet en het staat haar niet vrij om formele wetgeving te toetsen op haar innerlijke waarde of billijkheid.De rechtbank kan bepalingen die zien op de afkoop van een lijfrente ook niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, aangezien de Wet IB en de AWR, waarin die bepalingen staan, wetten in formele zin zijn en het verdisconteerde omstandigheden betreft.Dat betekent dat de rechtbank de keuze van de wetgever hier heeft te respecteren, ongeacht de persoonlijke omstandigheden die tot afkoop van de lijfrente hebben geleid.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB\u002FPVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Afdeling 3.8. van de Wet IB 2001.\n\n Artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).\n\n Vgl. bijv. Kamerstukken II1988\u002F89, 21198, nr. 3, p. 42.\n\n Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28).\n\n Vgl. ook Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5366","2026-07-13T00:29:42.053Z",{"id":182,"ecli":183,"slug":184,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":185,"fullText":186,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":187,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":51,"updatedAt":188},"1103","ECLI:NL:RBGEL:2026:4990","ecli-nl-rbgel-2026-4990","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 25\u002F14 en 25\u002F15\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 28 november 2024, waarbij de inspecteur de belastingrentebeschikkingen ter zake van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het belastingjaar 2022 heeft gehandhaafd.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] namens de inspecteur.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2022.\n\n2. De inspecteur heeft naar aanleiding van een verzoek daartoe van de gemachtigde van belanghebbende op grond van de becon-regeling uitstel verleend tot het doen van aangifte tot 1 mei 2024.\n\n3. Belanghebbende heeft op 30 april 2024 de aangifte IB\u002FPVV 2022 ingediend. Belanghebbende heeft hierbij een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.297 aangegeven.\n\n4. Met dagtekening 5 juli 2024 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2022 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Met dezelfde datum heeft hij de aanslag Zvw 2022 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 59.706. Bij beschikkingen heeft de inspecteur respectievelijk € 3.478 en € 155 aan belastingrente in rekening gebracht. De belastingrente is in rekening gebracht over de periode van 1 juli 2023 tot en met 16 augustus 2024.\n\n5. Op 5 november 2024 heeft de inspecteur intern navraag gedaan over het verleende uitstel, omdat hij in de systemen geen brief kan vinden waarin staat dat uitstel voor het doen van aangifte is verleend. Op 6 november 2024 is op deze vraag, voor zover relevant, als volgt geantwoord:\n\n“De belastingplichtige krijgt van dit uitstel geen brief omdat er beconuitstel is aangevraagd. Dit gaat via het softwarepakket van de consulent en deze consulent heeft via dit pakket een terugkoppeling gekregen (SBU).”\n\n6. Tussen partijen is alleen in geschil of de inspecteur op grond van het vertrouwensbeginsel geen belastingrente in rekening had mogen brengen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de belastingrenten terecht in rekening heeft gebracht. Zij heeft daartoe als volgt overwogen.\n\n7. Belanghebbende voert aan dat hij voor 1 mei 2023 aangifte zou hebben gedaan als hij de brief waarin de uitstel tot het doen van aangifte wordt bevestigd niet zou hebben ontvangen. Door die brief verkeerde hij in de veronderstelling dat het initiatief om uitstel te verlenen bij de Belastingdienst lag en dat daarom geen belastingrente in rekening zou worden gebracht.\n\n8. Onder omstandigheden kunnen algemeen beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel, meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht.Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen heeft gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.\n\n9. Belanghebbende heeft zowel voor de belastingjaren vóór als na 2022 voor de oorspronkelijke aangiftetermijn aangifte gedaan. Daarnaast heeft hij voor het belastingjaar 2022 aangifte gedaan voor het verstrijken van de termijn waarvoor uitstel is verleend. Gelet op deze gang van zaken, twijfelt de rechtbank er niet aan dat belanghebbende is geïnformeerd over het verleende uitstel. Dan is onder andere relevant waarover belanghebbende precies is geïnformeerd, in het bijzonder of hierin een toezegging of uitlating staat waaruit belanghebbende mag afleiden dat de inspecteur geen belastingrente in rekening zou brengen over de periode waarover uitstel is verleend. Dit kan de rechtbank echter niet beoordelen, omdat de brief waar belanghebbende naar verwijst niet is ingebracht. De inspecteur heeft onderzoek gedaan naar de betreffende brief en gemotiveerd het standpunt ingenomen dat hij deze brief niet heeft.\n\n10. Gelet hierop en het feit dat de bewijslast voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel op belanghebbende rust, had het op de weg van belanghebbende gelegen om de betreffende brief in te brengen. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij deze brief niet meer heeft. Dit komt voor zijn rekening en risico met als gevolg dat belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur de belastingrente terecht in rekening heeft gebracht. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 17 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126.\n\n Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4990","2026-07-13T00:29:04.186Z",{"id":190,"ecli":191,"slug":192,"caseNumber":44,"courtId":57,"decisionDate":193,"fullText":194,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":195,"sourceTimestamp":196,"parsedAt":51,"updatedAt":197},"1534","ECLI:NL:GHARL:2026:4064","ecli-nl-gharl-2026-4064","2026-06-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummers BK-ARN 24\u002F1718, 24\u002F1719, 24\u002F1720\n\nuitspraakdatum: 16 juni 2026\n\nUitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [belanghebbende]te[woonplaats](hierna: belanghebbende)\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 augustus 2024, nummers ARN 22\u002F556, 22\u002F559 en 22\u002F2192, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteurvan de Belastingdienst\u002FKantoor Zwolle(hierna: de Inspecteur)\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben bij brief van 15 juni 2015, door de Inspecteur ontvangen op 16 juni 2015, gezamenlijk verzocht om geruisloze inbreng met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 van de gehele door hen gedreven onderneming in een nog op te richten besloten vennootschap [onderneming1] , op de voet van artikel 3.65, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en uitgaande van een verkrijgingsprijs van -\u002F- € 1.371 voor belanghebbende en -\u002F- € 1.852 voor haar echtgenoot.1.2.. Belanghebbende heeft over het jaar 2016 aangifte inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.619 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.868.1.3.. Ten name van belanghebbende is met dagtekening 13 december 2019 een aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 381.156 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.068 (de aanslag). Bij beschikking is belastingrente in rekening gebracht. Tevens is een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 41.123. In verband daarmee is ook belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.4.. Bij beschikking van 8 februari 2021 heeft de Inspecteur het onder 1.1 genoemde verzoek om geruisloze inbreng afgewezen.\n\n1.5.. Bij uitspraak op bezwaar van 24 december 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag gegrond verklaard, de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 325.832 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.258, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd; de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (aanslag Zvw) heeft de Inspecteur gehandhaafd.\n\n1.6.. Bij uitspraak op bezwaar van 9 januari 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen het de afwijzing van het verzoek om geruisloze inbreng ongegrond verklaard.\n\n1.7.. Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.\n\n1.8.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.1.9.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Namens belanghebbende is, zonder bericht van verhindering, niemand verschenen. Belanghebbende is bij digitaal verzonden bericht onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen data in de digitale postkamer van het Hof, is het bericht op 19 januari 2026 om 9:12 uur in het digitale dossier (via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’) geplaatst. Het Hof heeft hiervan op 19 januari 2026 om 9:17 uur een kennisgeving per e-mailbericht verzonden naar het door de gemachtigde van belanghebbende opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt het Hof aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op 19 januari 2026. Belanghebbende is dus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. Namens de Inspecteur is verschenen [naam1] , bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Vaststaande feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] [geboortejaar] . Belanghebbende was gehuwd met [echtgenoot] , geboren op [geboortedatum2] [geboortejaar2] en overleden op [datum] 2017 (hierna: erflater). Belanghebbende is enig erfgenaam van erflater.2.2.. Belanghebbende heeft in 1974 het landhuis met de naam [landhuis] , met schuur en bijbehorende grond van ongeveer 3040 m2 (het pand) gekocht. In de akte van levering staat dat het pand alleen mag worden gebruikt voor eigen bewoning en voor de verhuur aan verplegend personeel (zogenaamd kamerverhuur). Vanaf 1999 dreef belanghebbende, na inbreng van het pand, samen met erflater een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma met de naam [landhuis] . Het gehele pand is steeds gerekend tot het ondernemingsvermogen van aanvankelijk de eenmanszaak en nadien de vennootschap.2.3.. \n\nNaar aanleiding van het verzoek van erflater en belanghebbende om geruisloze inbreng heeft de Inspecteur bij brief van 6 oktober 2015 de volgende vragenbrief gestuurd:\n\n “Naar aanleiding van uw verzoek om toepassing van artikel 3.65 IB bij de inbreng in een BV (…) hebben wij al een kort telefoongesprek gehad, waarbij o.a. het ondernemerschap van uw cliënten aan de orde kwam. (…)\n\nIn uw e-mail van 29 juni 2015 geeft u aan dat u vindt dat er een onderneming wordt gedreven omdat de exploitatie voor rekening en risico wordt uitgevoerd door de firmanten van de V.O.F., waardoor alle verplichtingen drukken op de V.O.F. c.q. de firmanten.\n\nHet gaat bij de vraag of er sprake is van een materiële onderneming in fiscale zin niet om de vorm of presentatie (vof) maar om de aard en inhoud van de activiteiten.\n\nIn het pand (…) wordt een aantal appartementen te huur aangeboden. Het betreft kamers met gebruik van keuken en douche. Uit mij ter beschikking staande gegevens blijkt dat een aantal bewoners al jarenlang een dergelijk appartement huurt.\n\nHet verhuren van appartementen is in principe een beleggingsactiviteit. In sommige situaties kan er sprake zijn een resultaat uit overige werkzaamheden of van het drijven van een onderneming.\n\nIk heb de volgende vragen:\n\n1. Welke feiten en omstandigheden leiden er naar uw mening toe dat er in dit geval sprake is van meer dan actief vermogensbeheer? Ik verzoek u daarbij aan te geven in welke mate eventuele werkzaamheden door de firmanten er toe leiden dat een hoger rendement van de appartementen wordt behaald dan met normaal actief vermogensbeheer.\n\n2.Hoeveel appartementen zijn direct verhuurbaar en hoe was de bezetting in 2014 en 2015?\n\n3. Wilt een exemplaar van de huurovereenkomsten die zijn gesloten ter inzage sturen?\n\n4. Wilt u een specificatie verstrekken, uitgesplitst per appartement, van de ontvangen huren in 2015 (€ 47.924)\n\n5. Welke feitelijke werkzaamheden worden door de firmanten verricht?\n\n6. Indien er in 2014 of 2015 naast de permanente verhuur ook sprake was van verhuur voor drie maanden (aangeboden volgens de website) verzoek ik u de omzetverhouding tussen de permanente verhuur en de tijdelijke verhuur aan te geven.”2.4.. \n\nBij brief van 21 oktober 2015 heeft de gemachtigde van erflater en belanghebbende daarop het volgende geantwoord:\n\n“Namens [erflater] en [belanghebbende] (hierna: cliënten) verstrek ik u hierbij de volgende gegevens waarmee uw vragen worden beantwoord. Daarbij hanteer ik de door u gehanteerde volgorde van gestelde vragen in uw brief van 6 oktober jl.\n\n(…)\n\nVraag 2.\n\nHoeveel appartementen zijn direct verhuurbaar en hoe was de bezetting in 2014 en 2015?\n\nIn tegenstelling tot de door u gebruikte term 'appartement' is in deze situatie sprake van kamers welke worden verhuurd. Daarnaast wordt een appartement verhuurd.\n\nEr worden 12 kamers voor de verhuur aangeboden. Deze kamers verschillen van omvang en dientengevolge ook de gerekende huur. Hier volgt de opsomming:\n\n• 4 kamers verhuurd voor € 300 huur per maand;\n\n• 6 kamers verhuurd voor € 350 huur per maand;\n\n• 1 kamer verhuurd voor € 400 huur per maand;\n\n• 1 kamer verhuurd voor € 425 huur per maand;\n\n• 1 appartement wordt (permanent) verhuurd voor€ 710 per maand.\n\nDe bezetting in 2014 was dat niet alle kamers het gehele jaar doorlopend konden worden verhuurd. In het huidige jaar worden nagenoeg alle kamers tot op heden doorlopend gehuurd door afwisselende huurders.\n\nDe kamers worden louter en alleen verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] welke is gevestigd te [vestigingsplaats] . Ondanks de vele vraag van bijvoorbeeld andere overheidsinstanties, wensen cliënten de kamers niet aan andere partijen te verhuren.\n\n(…)\n\nVraag 3.\n\nHuurovereenkomsten\n\nEr worden geen schriftelijke huurovereenkomsten gesloten met de huurders. De voorwaarden worden mondeling overeengekomen zoals de huurprijs en een opzegtermijn van een maand. Cliënten willen de huurders niet beperken in hun mogelijkheden om tussentijds óf naar huis te kunnen gaan om daar te wonen tijdens de studie óf anderzijds beperkingen op te leggen. Dit is een risico echter dit risico wensen zij te aanvaarden omwille van het voornoemde.\n\nDe voorwaarden worden ondermeer besproken in een kennismakingsgesprek die cliënten standaard voeren met elke (nieuwe) huurder. En niet geheel ten overvloede, er is civielrechtelijk ook sprake van verhuur als zodanig wordt gehandeld. Een schriftelijke huurovereenkomst is niet noodzakelijk.\n\nVraag 4.\n\nSpecificatie ontvangen huren in 2015\n\nU schrijft dat u een specificatie wenst te ontvangen van de ontvangen huur in 2015 van € 47.924. Ik veronderstel dat u het jaar 2014 bedoelt getuige de aan u toegezonden jaarrekening.\n\nDe ontvangen huur kan eenvoudig worden verklaard:\n\nTotaal ontvangen huur in 2014\n\n€ 47.924\n\nAf: verhuur appartement\n\n- 8.520\n\nOntvangen huur kamers (6x)\n\n€ 39.404\n\nVraag 5.\n\nWelke feitelijke werkzaamheden worden door de firmanten verricht?\n\nCliënten verrichten de volgende werkzaamheden:\n\n- Onderhoud internetpagina\n\nBijvoorbeeld, er wordt geconstateerd dat de internetpagina niet op een smartphone kan worden geopend.\n\n- Onderhoud kamers\n\nAlle kamers worden na afloop van een (ver)huurperiode geheel schoongemaakt. Ook het onderhoud zoals schilderen, behangen etc. wordt door hen verzorgd.\n\nOp 2 november a.s. start een schildersbedrijf om het binnenwerk te gaan schilderen. Cliënten zijn thans bezig om de huurders hierover in te lichten\n\n- en om voorbereidende werkzaamheden te verrichten zodat de schilders op 2\n\n- november een vlotte start kunnen maken.\n\n(…)\n\nVraag 6.\n\nOmzetverhouding\n\n(…)\n\nConclusie\n\nGetuige de verstrekte gegevens en de aanvulling daarbij, kan onmogelijk worden gesteld dat hier geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. (…)”\n\n2.5.. \n\nOp 1 december 2015 heeft namens de Inspecteur een huisbezoek plaatsgevonden, waarbij erflater, belanghebbende en hun gemachtigde aanwezig waren. In het verslag dat daarvan is opgemaakt, staat onder meer het volgende:\n\n“Permanente verhuur:\n\n- 1 kamer aan [A]\n\n- 1 kamer aan [B]\n\n-1 volledig zelfstandig huis (appartement genoemd) gelegen in de tuin met eigen garage enz. verhuurd aan [C] en [D]; al tien jaar verhuurd aan hen.\n\nOok hiervan zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten\n\nOpzegtermijn 1 maand\n\n(…)\n\nDaarnaast worden de overige kamers nagenoeg uitsluitend verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] . Dit is de situatie sinds ongeveer 5 jaar, toen het opleidingsinstituut [locatie1] sloot. Daarvoor werd verhuurd aan een andere doelgroep. [Het pand] [landhuis] is 40 jaar geleden ontstaan toen [belanghebbende], werkzaam in zorginstelling, het pand kocht en dus kamers ging verhuren. (…) In de periode voor 2010 werd ook verhuurd aan jongens van [instelling1] . Dat was een moeilijker doelgroep dan studenten van [onderwijsinstelling] die makkelijker zijn qua omgang enz. (…) Het echtpaar heeft een sterke sociale band met de huurders van de kamers. Er komen ook jonge studenten (17\u002F18 jaar) en daarvoor vervult ze soms ook een sociale rol bij privé-problemen. heimwee enz. Termijn van huur eerst vooral 3 maanden, nu ook 9 maanden en 6 maanden. De huurders nemen zelf contact op met haar. Er volgt een gesprek waarbij [belanghebbende] beoordeelt of iemand “in de groep” past (dat stamt nog uit de tijd van de jongenshuisvesting van voor 2010). Ze let dan o.a. op de leeftijdsopbouw van de groep bewoners. Overigens zijn dat geheel zelfstandige huurders (privacy). De kamers mag zij natuurlijk niet betreden behoudens bij calamiteiten (reservesleutel). Momenteel vindt de verhuur van de kamers gemeubileerd plaats. Vroeger namen ze hun eigen inrichtingsspullen mee, maar dat gaf toch praktische probleempjes, als men een verblijf voor een korte periode wilde (maand\u002Fsoms korter). Men adverteert op [onderwijsinstelling] . Werft verder niet actief. Vooral nieuwe huurders door de mond-op-mondreclame op [onderwijsinstelling] . Er is verder geen binding met [onderwijsinstelling] . Wel zijn ze aanwezig op de zgn. “familiedag” voor nieuwe studenten op [onderwijsinstelling] om zich te presenteren als huurlocatie.\n\nDe huurders hebben de beschikking over een ingerichte keuken en een badkamer (2e etage zelfs twee badkamers). Ze koken zelf en houden zelf de kamers schoon. Er staat een centrifuge in een van de badkamers (…) maar de was wordt normaliter in de weekenden meegenomen naar huis. Ook het beddengoed. [Belanghebbende] onderhoudt dus niet de kamers, verschoont niet de bedden en verzorgt geen maaltijden. (…) De studenten eten op hun kamer. Soms (een keer per jaar, bij speciale gelegenheden, eten ze gezamenlijk in de woonkamer van de fam. (…) (die eten dan ook mee). Ook hierbij is het sociale aspect betekenisvol voor het echtpaar. De studenten koken dan een maaltijd of [belanghebbende] haalt een maaltijd bij “de chinees”.\n\nZij houdt wel de algemene ruimten schoon zoals het trappenhuis. Ook eens per week (…) de badkamer en keuken. Bij iedere huurwisseling maakt zij de kamers schoon.\n\nEr gelden enige (…) 4) huisregels (…). Ze houden ook enige controle op overkomen van (nieuwe) vriendinnen en hebben daarvoor een logeerkamer (…).”2.6.. In een brief van 2 mei 2016 gericht aan de gemachtigde van erflater en belanghebbende, schrijft de Inspecteur onder andere:\n\n“Wij verschillen van mening over het aanwezig zijn van een materiële onderneming bij [erflater] en [belanghebbende].\n\n(…)\n\nDe exploitatie\n\nIn het pand (…) worden de volgende woonruimten al jarenlang permanent verhuurd:\n\n- 1 kamer aan [A]\n\n- 1 kamer aan [B]\n\n- 1 volledig zelfstandig huis (appartement genoemd) gelegen achter het hoofdgebouw met een eigen garage enz. verhuurd aan [C] en [D] (samenwonend); al 10 jaar aan hen verhuurd.\n\nEr zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten. [Erflater] en [belanghebbende] verrichten nauwelijks schoonmaak- of andere werkzaamheden voor de huurders.\n\n[Erflater] en [belanghebbende] hebben de volledige benedenverdieping in eigen gebruik. De overige kamers worden verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] in [vestigingsplaats] (hierna: [onderwijsinstelling] ). Dit is de situatie sinds ongeveer 5 jaar toen het opleidingsinstituut de [locatie1] in [vestigingsplaats] sloot. In de periode voor 2010 werden kamers verhuurd aan een heel andere doelgroep namelijk bewoners van de [instelling1] . Er was toen geen sprake van alleen maar verhuur van kamers omdat bij die bewoners ook zorgtaken moesten worden uitgeoefend.\n\nDe termijn van verhuur varieert van 3 maanden tot 9 maanden. De huurders nemen zelf contact op met [belanghebbende]. Er vindt geen acquisitie plaats, behoudens een advertentie die is opgehangen in [onderwijsinstelling] . (…) Nieuwe huurders komen spontaan via mond-tot-mondreclame op [onderwijsinstelling] . Er wordt niet actief geworven. Wel zijn [erflater] en [belanghebbende] aanwezig op de zgn. “familiedag” voor nieuwe studenten op [onderwijsinstelling] om hun huurlocatie te presenteren. [Erflater] en [belanghebbende] voelen zich sociaal wel bij de studenten betrokken.\n\nDe huurders wonen geheel zelfstandig. (…)\n\nDe administratie bestaat uit handmatig opgestelde facturen die door [erflater] maandelijks bij de huurders op hun kamers worden bezorgd.\n\nOnderhoud pand:\n\nHet onderhoud aan het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven.(…)\n\nDe tuin, die behoort bij de door [erflater] en [belanghebbende] bewoonde begane grond, wordt ongeveer 3 maal per jaar onderhouden dor een hoveniersbedrijf (snoeien enz.). Het normale onderhoud, zoals onkruid wieden doet de 80-jarige [erflater] zelf ook wel (…).”\n\n2.7.. \n\nIn een brief van 8 juni 2016 schrijft de gemachtigde van erflater en belanghebbende aan de Inspecteur in reactie op de brief van de Inspecteur van 2 mei 2016 het volgende:\n\n “(…) Hetgeen [erflater] en [belanghebbende] u zeer kwalijk nemen is dat uw standpunt ter zake de ‘andere doelgroep’ volstrekt onjuist is. Er zijn nooit kamers verhuurd aan de [instelling1] . (…)\n\nUw standpunt, dat er toen geen sprake was van alleen maar verhuur van kamers omdat bij die bewoners ook zorgtaken moesten worden uitgeoefend, is helemaal correct. De zorgtaken die door [erflater] en [belanghebbende] dagelijks worden gepleegd, zijn het continu klaar staan voor de zorgen (privé-situaties) van de huurders. Er is daar geen verandering in gekomen zij het dat de zorgtaken een andere perceptie hebben gekregen oftewel een ander karakter. Zij zijn sociaal emotionele gesprekspartners voor de huurders. Dit zijn geen korte en vluchtige gesprekken (…). Tot midden in de nacht hebben zij met huurders gesproken over heimwee etc.\n\n(…) Een huurtermijn van 1 maand behoort ook tot de mogelijkheden (…).\n\n(…) De termijn van huur varieert van 1, 3, 4 of 9 maanden en dat betekent dat de kamers volledig schoongemaakt worden. Daarnaast zijn er meerdere badkamers, douches en keukens. Derhalve dagelijks stofzuigen, lappen, anderszins reinigen e.d. van twee verdiepingen.\n\n(…) (…) [belanghebbende] verzorgt de gehele administratie welke bestaat uit het inboeken van facturen, verrichten van betalingen. Daarnaast wikkelt zij e-mails af, heeft zij contact met de Gemeente en banken en verder.\n\nOnderhoud pand:\n\n“Het onderhoud aan het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven”.\n\nDit is inderdaad correct.\n\n(…)\n\n[Erflater) verricht het reguliere onderhoud bestaande (…) dat opkomt door storingen aan elektra, onderhoud van wc’s, douches, meubilair en verder. Naast dit onderhoud verricht [erflater] al het kleine onderhoud aan het pand zoals schilderwerkzaamheden en verdere reparaties. (…) Daarnaast verzorgt [erflater] het reguliere tuinonderhoud dat bestaat uit het onkruid wieden en het verder schoonhouden van de paden, de parkeerplaats en de opritten. Dit gebeurt nagenoeg iedere dag.(…)”\n\n2.8.. Tot en met het belastingjaar 2015 heeft de Inspecteur erflater en belanghebbende voor de inkomstenbelasting aangemerkt als ondernemer.2.9.. Belanghebbende heeft over het jaar 2016 aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.619 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.868.\n\n2.10.. \n\nTen name van belanghebbende is met dagtekening 13 december 2019 een aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 381.156 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.068 (de aanslag). Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur met toepassing van de foutenleer de winst over het jaar 2016 verhoogd met de helft van het verschil tussen de WOZ-waarde van het pand en de boekwaarde daarvan tot een bedrag van € 860.990 (€ 910.000 -\u002F- de boekwaarde van € 49.910), te weten € 430.495 (1\u002F2 x € 860.990).\n\nDe belastbare winst is rekening houdend daarmee als volgt berekend:\n\nAangegeven winst voor ondernemersaftrek € 5.924\n\nzelfstandigenaftrek € 3.640 -\u002F-\n\nniet gerealiseerde zelfstandigenaftrek € 2.284 -\u002F-\n\ncorrectie meer winst € 430.495\n\ncorrectie meer niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek € 801 -\u002F-\n\ncorrectie MKB-vrijstelling € 60.158 -\u002F-\n\nbelastbare winst € 369.536\n\nDaarnaast is de grondslag voor de vermogensrendementsheffing verhoogd met de helft van de WOZ-waarde (½ x € 910.000).\n\n2.11.. Bij beschikking is belastingrente in rekening gebracht. Tevens is een aanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 42.719. In verband daarmee is ook belastingrente in rekening gebracht.\n\n2.12.. Bij beschikking van 8 februari 2021 is het verzoek om geruisloze inbreng afgewezen op de grond dat de besloten vennootschap niet binnen vijftien maanden na het overgangstijdstip (1 januari 2015) tot stand is gekomen.\n\n2.13.. In het kader van de behandeling van het bezwaar heeft op 20 september 2021 een hoorgesprek plaatsgevonden. In het verslag dat de Inspecteur daarvan heeft opgemaakt, is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Het pand\n\nHet betreft een pand dat is gebouwd rond 1900 en heeft op dit moment, volgens [de gemachtigde], wat achterstallig onderhoud. Er zijn een aantal kamers bekeken op de verschillende verdiepingen, het gesprek vond plaats in de woonkamer op de begane grond. Op de tweede en derde verdieping zijn de volledig gestoffeerde (slaap)kamers. Op elke verdieping is een badkamer en een keuken net als een wasruimte die bestemd is voor gezamenlijk gebruik. Totaal is er plek voor tien studenten. De begane grond wordt privé gebruikt en wordt niet verhuurd. Wel zijn er soms samenkomsten in de woonkamer waar bijvoorbeeld samen wordt gegeten.\n\nOntstaan\n\nIn het jaar 1974 is het [pand] aangekocht voor fl. 175.000. Vanaf begin af aan is er sprake geweest van verhuur van kamers. De doelgroep en daarmee samenhangende werkzaamheden zijn in de loop der tijd wel veranderd. Centraal daarin hebben altijd passie en een hoge mate van betrokkenheid gestaan. [Belanghebbende] benadrukte dat ze altijd klaarstaat voor de huurders, er aandacht voor elkaar is en ze het van belang vindt dat de bewoners het fijn met elkaar hebben. [Belanghebbende] gaf aan dat er altijd is gewerkt vanuit een sociale insteek, dat blijkt bijvoorbeeld uit de (lage) huurprijs en het feit dat er veel contact is met de huurders. Het contact met de huurders gaat verder dan alleen kamerverhuur; [belanghebbende] omschreef het als een ‘hechte gemeenschap’. Tot op de dag van vandaag onderhoudt zij contacten met (oud) huurders. De contacten met (oud) huurders zijn [belanghebbende] veel waard, houden haar jong en geven haar vreugde. Zoals zij klaarstaat voor de huurders, zo staan en stonden de huurders ook voor haar klaar in moeilijke tijden, bijvoorbeeld in de periode van het overlijden van [erflater].\n\nVerandering van huurders\n\nOngeveer 10 tot 15 jaar geleden is een omslag gemaakt van verhuur aan zorgpersoneel naar alleen maar verhuur aan studenten van de nabij gelegen [onderwijsinstelling] . Voor deze omslag werden de kamers voornamelijk verhuurd aan zorgpersoneel van diverse instellingen in de omgeving. Deze huurders woonden permanent in het huis en waren daar ook ingeschreven. Naast het zorgpersoneel woonden er ook afwisselend jongeren die re-integreerden in de maatschappij.\n\nSamen met [erflater] en het zorgpersoneel droeg zij zorg voor deze jongeren om, zoals zij het omschreef, het positieve van de maatschappij te laten zien en te zorgen voor een goede “herstart”. Er is veel gebeurd in deze periode van verhuur, bijvoorbeeld de tijd dat er om en om gewaakt moest worden bij een verlamde patiënt.\n\nOm meer zekerheid te krijgen over het soort huurders is de omslag gemaakt naar verhuur aan studenten van de nabijgelegen [onderwijsinstelling] . Zij zijn niet ingeschreven op het adres en verblijven alleen in het huis in de periodes dat er les wordt gevolgd aan [onderwijsinstelling] . Dit zijn afwisselend periodes van één tot drie maanden, met telkens tussenpauzes van één tot drie maanden. Over het algemeen betreffen het studenten die vanuit het ouderlijk huis voor het eerst “uitvliegen”. De studenten eten en studeren vaak samen, net als dat zij vaak samen reizen (lopen\u002Ffietsen\u002F auto) naar de nabij gelegen [onderwijsinstelling] .\n\nHuursom\n\nEr wordt niet gewerkt met huurcontracten, afspraken worden mondeling gemaakt in goed vertrouwen. Elke vier weken verstuurt [belanghebbende] een factuur.\n\nVoor elke kamer geldt een vaste huur per vier weken, inclusief gas, water, licht, internet, televisie en gebruik en schoonmaak van de gezamenlijke keuken en badkamer. Bij de eerder genoemde omslag is ook besloten om voor elke kamer eenzelfde huurprijs te rekenen. Voordien werd voor elke kamer een aparte prijs gerekend die afhankelijk was van de grootte daarvan. [Belanghebbende] gaf aan dat vaste huurbedrag tussen de 400 en 425 euro ligt. Het was een bewuste keus van [belanghebbende] en wijlen [erflater].om de huur niet te hoog vast te stellen. [Erflater].liet hierin ook meewegen dat de studenten doorgaans tijdens de weekenden niet aanwezig waren, dus dan werd er ook geen gas, water en stroom verbruikt. De studenten krijgen 90% van de huursom vergoed door hun werkgever, [organisatie] . Als een student een periode geen lessen volgt hoeft er geen huur betaald te worden. Als een student een kamer heeft, is hij er ook van verzekerd dat gedurende de gehele studie een kamer voor hem beschikbaar is maar dit is, na een periode van afwezigheid, niet altijd dezelfde kamer.\n\nDe huurprijs is nimmer verhoogd. [Belanghebbende] gaf daarover aan dat dat niet juist voelde\u002Fvoelt en zij en wijlen haar echtgenoot ook opzagen tegen het feit om te vragen om een hogere huur. Het feit dat de studenten 90% vergoed krijgen, is geen aanleiding om de huur te verhogen.\n\nDe mogelijkheid deed zich voor om kamers te verhuren aan buitenlandse studenten. [Belanghebbende] realiseert zich dat ze dan waarschijnlijk een hogere huur had kunnen vragen, maar ze heeft hier bewust niet voor gekozen. Ze zou dan de regie kwijt zijn en vond dat niet wenselijk.\n\nWerkzaamheden\n\nDe insteek van [belanghebbende] en [erflater].was verhuur waarbij het sociale aspect een groot aandeel heeft. De werkzaamheden bestaan naast de eerder genoemde sociale aspecten voornamelijk uit het schoonhouden van de gezamenlijke ruimten in het pand, het uitvoeren van klein onderhoud en het onderhouden van de tuin. (…)\n\nEr wordt geen reclame gemaakt, de mond-op-mond reclame en goede connectie met [onderwijsinstelling] zorgen voor voldoende aanbod van huurders.”\n\n2.14.. In reactie op het hoorverslag heeft de gemachtigde bij brief van 11 oktober 2021 het volgende geschreven aan de Inspecteur:\n\n“Paragraaf: Verandering van huurders\n\nWat ontbreekt is de wijze van samenstelling van de huurders. Eerst waren dat huurders, zijnde verplegend personeel en huurders met een zorgbehoefte. Dat was de voorwaarde destijds bij de verwerving van het pand. Dit staat in de akte van levering. Naast deze zorg-behoevende huurders werden er ook huurders ontvangen via (…), waaronder mensen uit Sudan, Ghana, Polen, India, China enz. om hen meer wegwijs te maken.\n\nOmdat enkele huurders met zorgbehoefte aan de drugs geraakten, werd het te lastig om deze mensen te blijven opvangen omdat ook de veiligheid in het geding kwam, ook voor de andere huurders.\n\nZo gaande weg kwam [het pand] in contact met [onderwijsinstelling] , doordat eerst al huurders waren geweest die een ‘goed woordje’ bij [onderwijsinstelling] hadden gedaan over hun verblijf bij [het pand], de huiselijke sfeer en de aandacht die de huurders kregen, gelet op de zorgachtergrond en het bijbrengen van sociale vaardigheden van [erflater] en [belanghebbende]. De verandering vond in meer of mindere mate gedwongen plaats, omdat veiligheid voor alle huurders, bewoners vooropstaat.\n\n(…)\n\nParagraaf: Huursom\n\nDe huurprijs is wel verhoogd, zij het [onderwijsinstelling] de laatste jaren. Daarvoor niet of nauwelijks. Wel als er een nieuwe huurder zich aandiende, dan werd de huurprijs wel wat aangepast. De huurprijzen verschillen wel per kamer, dat in samenhang met de grootte van de kamer.\n\nParagraaf: Werkzaamheden\n\nGraag nader omschrijven: als de huurders na drie maanden naar [organisatie] gaan en er een ‘nieuwe klas’ komt, worden alle kamers volledig en grondig schoongemaakt en dit dient dan binnen enkele dagen gedaan te worden.\n\nHet onderhoud wordt door [erflater] en [belanghebbende] altijd zelf gedaan. Zo deed [erflater] al het loodgieterswerk en andere huiselijke klusjes, zgn. onderhoud en [belanghebbende] deed het schilderwerk van alle kamers, evenals het reinigen, het vervangen van vloerbedekking etc. het schilderen van de plafonds deed [erflater].\n\nErflater deed tot het laatst toe ook het volledige tuinonderhoud, in ieder geval alles buiten op het buitenterrein.\n\n(…)\n\nBij het verzoek deze op- en aanmerkingen te verwerken in het concept hoorverslag van het gesprek op 20 september 2021.”\n\n2.15.. Bij uitspraak op bezwaar van 24 december 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot één berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 325.832 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.258, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat bij het opleggen van de aanslag de gestelde staking niet juist is gecorrigeerd. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de niet eerder benutte stakingsaftrek. Ook is het resultaat dat is behaald met de verhuur van de kamers in 2016 ten onrechte belast als winst uit onderneming en is voor de toepassing van de foutenleer ten onrechte aangesloten bij de waarde van het pand op 1 januari 2010 in plaats van bij de waarde van het pand op 1 januari 2016, te weten € 787.000 (waarde WOZ). Rekening houdend daarmee is de belastbare winst van belanghebbende vastgesteld op € 314.213. Dit bedrag is als volgt berekend:\n\nBoekwinst op pand: € 368.995 (1\u002F2 x € 787.000)\n\nStakingsaftrek € 3.630 -\u002F-\n\nMKB-winstvrijstelling € 51.152 -\u002F-\n\nBelastbare winst € 314.213\n\nDe grondslag sparen en beleggen heeft de Inspecteur als volgt berekend:\n\nAangegeven aandeel in de aangifte € 46.705\n\nAandeel in correctie € 483.365\u002F2 € 209.757\n\nGecorrigeerd aandeel in box 3 € 256.462\n\n2.16.. In de motivering van de uitspraak op bezwaar is de volgende rendementsberekening opgenomen:\n\nOmzet\n\nExploitatie kosten\n\nNetto\n\ninkomsten\n\nWOZ\n\nIPD\n\n65% WOZ\n\n60% WOZ\n\n2010\n\n€55.236\n\n€29.438\n\n€25.798\n\n€910.000\n\n4,00%\n\n4,36%\n\n4,72%\n\n2011\n\n€52.596\n\n€27.671\n\n€24.925\n\n€875.000\n\n4,10%\n\n4,38\n\n4,75%\n\n2012\n\n€56.878\n\n€26.526\n\n€30.352\n\n€825.000\n\n4,30%\n\n5,66%\n\n6,13%\n\n2013\n\n€56.837\n\n€40.560\n\n€16.277\n\n€767.000\n\n4,50%\n\n3,26%\n\n3,54%\n\n2014\n\n€50.800\n\n€34.257\n\n€16.543\n\n€751.000\n\n4,70%\n\n3,39%\n\n3,67%\n\n2015\n\n€53.938\n\n€ 50.208\n\n€3.730\n\n€758.000\n\n4,60%\n\n0,76%\n\n0,82%\n\n2016\n\n€52.289\n\n€37.735\n\n€14.554\n\n€787.000\n\n5,50%\n\n2,85%\n\n3,08%\n\nGemiddelde\n\n€ 54.082\n\n€ 35.199\n\n€ 18.883\n\n€ 810.429\n\n4,53%\n\n3,58%\n\n3,88 %\n\nHierbij is de Inspecteur ervan uitgegaan dat de WOZ-waarde voor 35% (kolom 65% WOZ) dan wel 40% (kolom 60% WOZ) toerekenbaar is aan de benedenverdieping. De IPD\u002FROZ index is een overzicht van in percentages uitgedrukte gemiddeld behaalde rendementen in de vastgoedmarkt. De Inspecteur heeft zich in de uitspraak op bezwaar op het standpunt gesteld dat de berekende rendementen door het gebruik van de Woz-waarde lager zijn dan de werkelijke rendementen, die moeten worden berekend op basis van de waarde in het economische verkeer en dat geen sprake is van een hoger rendement dan bij normaal vermogensbeheer.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is in de eerste plaats of de kamerverhuur is aan te merken als een ondernemingsactiviteit of dat sprake is van normaal vermogensbeheer. In de tweede plaats is in geschil of de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen een individuele en buitensporige last vormt. Voorts is in geschil of het verzoek om geruisloze inbreng terecht is afgewezen en of daarop tijdig is beslist.\n\n3.2.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van een ondernemingsactiviteit, dat de heffing over sparen en beleggen een individuele en buitensporige last vormt en dat het verzoek om geruisloze inbreng ten onrechte en te laat is afgewezen. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van normaal vermogensbeheer, dat wat betreft de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen geen sprake is van een individuele en buitensporige last en dat het verzoek om geruisloze inbreng terecht is afgewezen.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\nWinst uit onderneming of normaal (actief) vermogensbeheer?\n\n4.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van het drijven van een materiële onderneming c.q. meer dan normaal vermogensbeheer.\n\n4.2.. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank de vraag of daarvan sprake is ten onrechte alleen beantwoord aan de hand van de arbeid-plus-eis en niet ook getoetst of aan de rendement-plus-eis is voldaan. Zij verwijst daarvoor naar de uitspraak van dit Hof van 15 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1087. Belanghebbende voert ook aan zij veel meer dan alleen administratieve\u002Fbureauwerkzaamheden verrichtte. Zij onderhoudt ook het contact met de huurders, levert zorg aan hen, maakt schoon, onderhoudt het pand, verricht schilderwerkzaamheden en kleine reparaties, voert besprekingen van sociaal-psychologische aard met de huurders en geeft hen sociaal-emotionele ondersteuning. Zij wijst er op dat de huurperiodes vaak kort zijn waardoor er extra werkzaamheden moeten worden verricht. Ook wijst zij erop dat de huurders die al lang vertrokken zijn, nog altijd contact met haar onderhouden. Volgens belanghebbende waren zij altijd beschikbaar voor de studenten. Zij en erflater hadden als het ware hun eigen toko en werkten niet alleen van 9:00 uur tot 17:00 uur, maar ook daarbuiten.\n\n4.3.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake meer is van een onderneming, maar van normaal vermogensbeheer. Volgens de Inspecteur heeft er in de loop van de jaren - ergens tussen 2006 en 2010 - een omslag plaatsgevonden van de verhuur van kamers aan zorgpersoneel en zorgbehoevenden naar verhuur van die kamers aan studenten van [onderwijsinstelling] .\n\n4.4.. In de jaren voorafgaand aan de aanslag zijn de opbrengsten uit de verhuur van het pand voor de IB\u002FPVV aangemerkt als winst uit onderneming. Niet in geschil is dat tot het jaar 2010 sprake was van een onderneming. Anders dan de Inspecteur stelt en de Rechtbank heeft overwogen, rust hier de bewijslast dat de activiteiten inzake de verhuur van het pand zodanig zijn gewijzigd dat in het betrokken jaar geen sprake meer is van een materiële onderneming op de Inspecteur. De Inspecteur is in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Daarvoor acht het Hof het volgende van belang.\n\n4.5.. In een geval als het onderhavige waarin sprake is van verhuur (van gedeelten van) een onroerende zaak, is van normaal vermogensbeheer geen sprake als het rendabel maken daarvan mede geschiedt door arbeid die de eigenaar van de onroerende zaak verricht en deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaak welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat.\n\n4.6.. Uit de feiten als hiervoor onder 2. weergegeven, komt naar voren dat de activiteiten vanaf het jaar 2010 zijn afgenomen door de wijziging van de doelgroep waaraan werd verhuurd. Vóór 2010 werden niet alleen kamers verhuurd, maar verrichtten erflater en belanghebbende ook zorgtaken voor de huurders. Onder andere uit de reactie van gemachtigde op het hoorverslag van de Inspecteur komt naar voren dat er een onhoudbare toestand was ontstaan en dat erflater en belanghebbende daarom zijn gestopt met de zorgtaken en vervolgens kamers zijn gaan verhuren aan een andere doelgroep, namelijk studenten van [onderwijsinstelling] . In het betrokken jaar verhuurden erflater en belanghebbende 12 kamers aan studenten van [onderwijsinstelling] , voor doorgaans drie tot negen maanden. Daarnaast werden twee kamers en een vrijstaande woning op het terrein van het landgoed permanent verhuurd. Deze verhuur en de bijkomende werkzaamheden die erflater en belanghebbende verrichtten kunnen niet worden aangemerkt als het drijven van een materiële onderneming.\n\n4.7.. Weliswaar geschiedt het rendabel maken van het pand mede door de arbeid die erflater en belanghebbende verrichtten, maar niet kan worden gezegd dat deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van voordelen uit het pand welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan. De omvang van de door erflater en belanghebbende verrichte werkzaamheden overstijgt niet wat bij normaal vermogensbeheer van onroerende zaken gebruikelijk is. Belanghebbende maakte de gezamenlijke ruimten (de gangen, de keuken en twee badkamers) schoon en erflater verrichtte kleine onderhoudswerkzaamheden. Het groot onderhoud van het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven. De kamers die voor een aantal maanden worden verhuurd, worden schoongehouden door de huurders. Dat geldt ook voor de huurders van de andere kamers en voor de huurder van de vrijstaande woning. Daarvoor worden in het geheel geen schoonmaakwerkzaamheden verricht. Dat erflater en belanghebbende incidenteel samen met huurders aten, maakt dat niet anders. Van een pensionbedrijf is geen sprake. Van een rendement dat uitgaat boven hetgeen met normaal vermogensbeheer kan worden behaald, is evenmin sprake. In 2016 en de daaraan drie voorgaande jaren, is in ieder geval niet het IPD-rendement voor vastgoed behaald (zie 2.16). Er is dus sprake van normaal vermogensbeheer. Dit betekent dat de onderneming voor het jaar 2016 is gestaakt en dat het verschil over de waarde in het economische verkeer van het pand en de boekwaarde daarvan (de meerwaarde) had moeten worden belast als winst uit onderneming in het laatste jaar waarin sprake was van een onderneming.\n\n4.8.. Niet in geschil is dat er niet meer kon worden nagevorderd over voorgaande belastingjaren omdat de daarvoor geldende termijn was verstreken. Het stond de Inspecteur daarom vrij om de onjuistheid te herstellen in het laatste openstaande belastingjaar.\n\nIndividuele en buitensporige last?\n\n4.9.. Belanghebbende klaagt ook over de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen. Volgens belanghebbende is sprake van een individuele en buitensporige last. De Inspecteur heeft dit betwist.\n\n4.10.. \n\nDe bewijslast dat sprake is van een individuele en buitensporige last rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft deze stelling niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt. Die beroepsgrond kan daarom niet slagen.\n\nNevenbeschikkingen4.11. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente en het verzamelinkomen. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het hoger beroep daartegen is daarom ongegrond.\n\nAanslag Zvw\n\n4.12.. \n\nHet hoger beroep is ook gericht tegen de uitspraak inzake de aanslag Zvw. Belanghebbende heeft alleen aangevoerd dat sprake is van een materiële onderneming. Uit 4.7 volgt dat die beroepsgrond niet slaagt.\n\nVerzoek geruisloze inbreng\n\n4.13.. Op grond van artikel 3.65 van de Wet IB 2001, voor zover van belang, kan op verzoek van de belastingplichtige en als aan de door de Minister te stellen voorwaarden wordt voldaan, een onderneming geruisloos worden omgezet in de vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Nu geen sprake is van een onderneming, komt het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking. Het verzoek om geruisloze inbreng is reeds daarom terecht door de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende heeft gesteld dat de behandeling van het verzoek door de Inspecteur te lang heeft geduurd, maar zij heeft daaraan geen consequenties verbonden. Het hof ziet daarom geen reden om daaraan gevolgen te verbinden.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\nHet Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.\n\nDe beslissing is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. J. van de Merwe.\n\n(E.D. Postema) (J. van de Merwe)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731, HR oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0481 en HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1321.\n\n Vgl. HR 29 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3858, HR 28 april 1999, ECLI:NL:HR:AA2746, rechtsoverweging 3.4 en 3.5, en HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:850, rechtsoverweging 4.5.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4064","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.810Z",52,20,[11,201,202,203],2025,2024,2022]