[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-insurance-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":205},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":203,"page":14,"limit":204},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},70,"insurance-law-nl","Insurance Law","NL","2026-07-08T16:54:31.274Z",2026,[13,16,18,21,23,24,27,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":20},3,5,{"month":22,"count":22},4,{"month":20,"count":17},{"month":25,"count":26},6,7,{"month":26,"count":15},{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,61,69,78,86,96,105,115,123,132,141,149,158,167,175,185,194],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":6,"decisionDate":44,"fullText":45,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"363","ECLI:NL:GHARL:2026:4227","ecli-nl-gharl-2026-4227","","2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.347.431\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 541028\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nMajestic Home Care B.V. (MHC)\n\ndie is gevestigd in Amstelveen\n\nadvocaat: mr. P.J. van Hartingsveldt\n\nen\n\nONVZ Ziektekostenverzekeraar N.V. (ONVZ)\n\ndie is gevestigd in Houten\n\nadvocaat: mr. A.C. van der Salm\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1. \n\nMHC heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, (hierna: de rechtbank) op 28 juni 2023, 18 oktober 2023 en\n\n27 maart 2024 tussen partijen heeft gewezen.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep\n\n• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep\n\n• het verslag van de mondelinge behandeling die op 25 maart 2026 is gehouden (het proces-verbaal)\n\n1.2. \n\nAan het einde van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof verzocht de zaak met het oog op het beproeven van een minnelijke regeling aan te houden tot\n\n14 april 2026, waarna zij het hof alsnog hebben gevraagd arrest te wijzen. Hierop heeft het hof een datum voor arrest bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. ONVZ heeft declaraties voor door MHC verleende zorg over de jaren 2018 en 2019 vergoed. Onderzoek naar die declaraties heeft ONVZ tot het standpunt gebracht dat ten aanzien van die declaraties niet kan worden vastgesteld dat de zorg die daaraan ten grondslag hoort te liggen ook daadwerkelijk is verleend. Volgens ONVZ voldeed de administratie van MHC in zodanige mate niet aan de daaraan te stellen eisen, dat ONVZ gelet daarop de declaraties van MHC niet had mogen betalen. Zij vordert de door haar betaalde bedragen voor een totaal van ruim 223 duizend euro van MHC terug.\n\n2.2. \n\nDe rechtbank heeft in een tussenvonnis van 28 juni 2023 geoordeeld dat als komt vast te staan dat (een deel van) de door MHC gedeclareerde zorg niet is verleend, MHC onrechtmatig heeft gehandeld door die zorg, dan immers ten onrechte, te declareren. De niet verleende, maar wel vergoede, zorg geldt dan als schade voor ONVZ. De rechtbank heeft ONVZ opgedragen te bewijzen dat (een deel van) de gedeclareerde zorg niet is geleverd. De rechtbank heeft, oordelend in een incident, bij vonnis van 18 oktober 2023 MHC opgedragen om van diverse stukken afschrift aan ONVZ te verstrekken. In haar eindvonnis van\n\n27 maart 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat ONVZ gedeeltelijk is geslaagd in haar bewijsopdracht en heeft MHC veroordeeld om een bedrag van, bij elkaar opgeteld, € 52.348,92 met rente aan ONVZ te betalen, en MHC veroordeeld in de proceskosten.\n\n2.3. De bedoeling van het hoger beroep van MHC is dat de vorderingen tegen haar alsnog worden afgewezen, terwijl de insteek van het incidentele beroep van ONVZ is dat de vorderingen tegen MHC alsnog volledig worden toegewezen.\n\n2.4. Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van MHC niet slaagt en het incidentele hoger beroep van ONVZ juist doel treft. Hierna licht het hof dit oordeel toe, nadat het eerst de feiten uiteen heeft gezet.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nONVZ is een zorgverzekeraar die zorg voor haar verzekerden vergoedt onder de\n\nZorgverzekeringswet (Zvw). MHC is een organisatie die thuiszorg en wijkverpleging levert.\n\nMHC verleent de zorg via door haar ingeschakelde hulppersonen. MHC is opgericht op\n\n13 juli 2018. Sindsdien is mevrouw [naam1] middellijk bestuurder van MHC (hierna: de bestuurder). In de periode daarvoor dreef de bestuurder als zorgaanbieder in de thuiszorg een eenmanszaak onder de handelsnaam “ [handelsnaam] ”. De activiteiten van [handelsnaam] zijn per 13 juli 2018 overgenomen door MHC.\n\n3.2. MHC is een zogenoemde “niet-gecontracteerde zorgaanbieder” van ONVZ, die dus zelf geen contract met ONVZ heeft. MHC en [handelsnaam] hebben in de periode van 2018 tot en met 2019 voor een totaalbedrag van € 223.543,20 gedeclareerd voor zorg die zou zijn verleend aan een zestal zorgcliënten die verzekerd waren bij ONVZ. MHC diende haar declaraties voor een deel zelf in bij ONVZ, via het externe declaratiesysteem VECOZO, op basis van met de zorgcliënten gesloten aktes van cessie. Voor het overige declareerde MHC rechtstreeks aan de verzekerden, die de declaraties vervolgens indienden bij ONVZ. ONVZ heeft de ingediende declaraties betaald.\n\n3.3. In een brief van 20 januari 2020 heeft ONVZ aan MHC aangekondigd een materiële controle te zullen uitvoeren over de zorg die voor het jaar 2019 was gedeclareerd. In de brief staat te lezen dat de reden voor deze controle is dat ONVZ de declaraties van niet-gecontracteerde zorgaanbieders over 2019 met elkaar heeft vergeleken, en dat MHC opviel vanwege de omstandigheid dat bij haar op jaarbasis gemiddeld € 40.319 per verzekerde werd gedeclareerd, terwijl dat bij vergelijkbare zorgaanbieders € 6.689 zou zijn.\n\n3.4. Omdat de reactie van MHC van 27 maart 2020 op de door ONVZ gestelde (aanvullende) vragen naar opvatting van ONVZ onvoldoende zekerheid gaf over de recht- en doelmatigheid van de gedeclareerde zorg, is ONVZ overgegaan tot een detailcontrole.\n\n3.5. In een brief van 5 augustus 2020 heeft ONVZ haar voorlopige bevindingen naar aanleiding van de door haar gedane controles aan MHC laten weten. In die brief staat onder meer te lezen:\n\n“Rapportages\n\n• De rapportages bevatten een opsomming van activiteiten en weinig andere relevante\n\ninformatie.\n\n• Er wordt niet op doelen gerapporteerd, in de rapportages worden geen meetbare bevindingen genoteerd.\n\n• In de rapportages wordt geen melding gemaakt van de huisbezoeken van de indicerend\n\nwijkverpleegkundige i.v.m. herindicaties. Onduidelijk hoe de evaluatie heeft plaats gevonden.\n\nDe betrokkenheid van de wijkverpleegkundige is niet aangetoond. Het is onduidelijk wie de\n\nregie voert bij de cliënten en hoe de afstemming met andere disciplines verloopt.\n\n• Wanneer er sprake is van een incident (zoals cliënt heeft koorts) is er geen vervolgactie\n\ngerapporteerd. Geen sprake van meetbare feiten (zoals aantal graden Celsius). Wanneer er\n\nherhaaldelijk sprake is van een dergelijke situatie, wordt nooit contact opgenomen met een\n\nandere zorgprofessional of de wijkverpleegkundige. Wanneer de suggestie wordt gewekt dat\n\nmen een actie rondom zorg coördinatie uitvoert, worden hier geen bevindingen van\n\ngerapporteerd. (…)\n\n• Er worden structureel bij cliënten interventies uitgevoerd die niet onder de Zvw vallen, zoals wandelen en maaltijdondersteuning. Deze zorgmomenten zijn wel gedeclareerd en\n\ngeregistreerd in de urenregistratie.\n\nEr is in de dossier sprake van een statische situatie, waarin de cliënt geen ontwikkeling doormaakt. Onze bevinding luidt dat de rapportages tegenstrijdige en onjuiste informatie in structureel dezelfde zinssneden bevatten. De rapportages kunnen de kwaliteit van zorg niet borgen en aantonen, hiermee voldoen deze in eerste instantie niet aan de eisen voor voortgangsrapportages zoals vastgelegd in de Richtlijn Verslaglegging:\n\n(…)\n\nDaarnaast bevatten de rapportages de volgende fraudesignalen (…).\n\n• Er is geen sprake van vermelding van zorgmomenten met andere professionals, zoals\n\nhuisartsenconsulten. Wanneer dit wel genoemd wordt, komen de data niet overeen met de\n\nbehandeldata zoals vermeld door de andere zorgprofessionals in onze declaratiegeschiedenis. (…)\n\n• Cliënt wisselt van geslacht\n\n• Typefouten, zinssneden en woordkeuzen wisselen niet wanneer een andere zorgverlener\n\nrapporteert.\n\n• Er is sprake van een sjabloon, variaties vallen samen met het aantal dagen in de maand (30\n\nof 31).\n\n• Rapportages die structureel voorkomen staan vermeld in het dossier van een andere cliënt.\n\n• Er is sprake van dezelfde patronen per dag. Wanneer in de ochtend A voorkomt, is er altijd\n\ntijdens een later zorgmoment sprake van B. Bijv, wanneer cliënt in de ochtend een wandeling\n\nwilt nemen, heeft deze altijd in de avond buikpijn.\n\n• In dagrapportages bij meerdere cliënten worden structureel over de gehele periode van zorg\n\ndezelfde fout in interpunctie gemaakt, door verschillende zorgverleners.\n\nVoor ONVZ is het uitgangspunt dat uit het dossier is af te leiden welke zorg is geleverd en verzekerd is. Dat betekent dat zorg niet alleen geïndiceerd moet zijn, maar uit de dossiers moet ook volgen wat daadwerkelijk geleverd is. Onze bevinding luidt de wijze van rapporteren zoals aanwezig in de aangeleverde dossiers ongeschikt is om kwaliteit van zorg te borgen. Er is niet voldaan aan de verplichting een navolgbaar dossier aan te leggen, zoals vastgelegd in de Regeling Verpleging en Verzorging.\n\n(…)\n\nUrenregistraties\n\nEr is bij meerdere cliënten geen enkele keer een variatie in de urenregistratie aanwezig. De zorg wordt elke dag op dezelfde tijdstippen geleverd. Wanneer er wél incidenteel een zorgmoment wegvalt, wordt niet vermeld in de dagrapportages wat de reden is. In de declaratiedata is te zien dat de uren wel gedeclareerd worden.\n\nWanneer het aantal uren wordt aangepast in de indicatie, worden er nog steeds dezelfde tijden geregistreerd. De zorg wordt nooit afgeschaald, maar er wordt wel minder gedeclareerd. (…)\n\nVoorlopige conclusie\n\nONVZ concludeert op basis van de dossiers dat Majestic Home Care en [handelsnaam] de feitelijke levering van de zorg voor de verzekerden niet heeft aangetoond. Naast deze bevinding bevatten de dossiers fraudesignalen die nader verklaart dienen te worden.\n\nNaast dit feit is er voor twee cliënten geen sprake van een geldig indicatiebesluit, aangezien in deze dossiers geen sprake is van een aantoonbaar ondertekende indicatie en zorgplan. (…) Onze voorlopige conclusie ten aanzien van doelmatigheid luidt dat er structureel niet is aangetoond dat er sprake is geweest van doelmatige levering van zorg. (…)”\n\n3.6. Naar aanleiding van deze bevindingen van ONVZ heeft op 26 november 2020 een gesprek met de bestuurder plaatsgevonden. Het gespreksverslag vermeldt onder meer het volgende.\n\n“Majestic Home Care\n\nWat er is gebeurd, de papieren dossiers had ik maar van sommige was het handschrift niet te\n\nlezen. Wij hebben dus op een gegeven moment gezegd: ‘we gaan alles gewoon typen zodat\n\nhet toch netjes is'. Ik vermoed, en dat verdient natuurlijk geen schoonheidsprijs, dat\n\nmedewerkers op een gegeven moment dingen hebben geknipt en geplakt, maar dat was niet\n\nde bedoeling.\n\nONVZ (vrouw)\n\nWat is er dan gebeurd met die papieren dossiers?\n\nMajestic Home Care\n\nDie zijn opgeborgen, die zijn nog opgeborgen.\n\nONVZ (vrouw)\n\nU begrijpt dat, als u nu ook zegt die zijn inderdaad ‘geknipt en geplakt' daarmee kunt u dus niet de feitelijke levering van de zorg aantonen.\n\nMajestic Home Care\n\nJa, maar ik zou wel de papieren dossiers kunnen opsturen. Dan kunt u die ook inlezen. Die\n\nmoet ik dan even gaan ophalen want die heb ik dus opgeborgen.\n\nONVZ (vrouw)\n\nWaarom heeft u de keuze gemaakt om ons niet die papieren dossiers op te sturen maar deze\n\ndigitale dossiers?\n\nMajestic Home Care\n\nOmdat, zoals ik aangaf, het was best wel onduidelijk. Het handschrift was bijna onleesbaar op sommige plekken. Ik dacht dat het nou juist handig was om alles netjes over te typen dus dat hebben we eigenlijk gedaan. Achteraf was dat misschien niet echt verstandig.\n\nONVZ (vrouw)\n\nU heeft het dus niet overgetypt. U zegt zelf dat u het heeft gekopieerd en geplakt.\n\nMajestic Home Care\n\nNee, maar het is niet overal zo gebeurd. Op een gegeven moment hebben we gezegd: ‘de\n\nrapportages moeten aangeleverd worden en ik merk gewoon dat het heel slordig is. Wat is\n\nwijsheid?’ Toen hebben we dit besluit genomen, maar dat was misschien niet het verstandigste besluit.\n\n(…)\n\nONVZ (vrouw)\n\nJa, maar de vraag voorliggend daaraan is natuurlijk dat ik zeg, er is sprake eigenlijk van bij elke klant gebeurt elke dag precies hetzelfde het hele jaar door, eigenlijk per maand ook. Omdat ik zeg, er is sprake van een sjabloon. Een sjabloon voor een maand met 30 dagen en een sjabloon voor een maand met 31 dagen. Er gebeurt eigenlijk, om het maar zo te zeggen, niks opmerkelijks of incidenteel bij die cliënt. Wat heeft u dan precies overgetypt? Als ik de\n\nrapportages lees waarin zorg is verleend, dan gaat het vaak over uitzonderlijke situaties. Ik\n\nbegrijp niet zo goed of ik vraag aan u: ‘heeft u dan een interpretatie gemaakt van hoe die\n\nsituatie van die cliënt was en heeft u op basis daarvan geknipt en geplakt of heeft u werkelijk\n\niets over getypt?’\n\nMajestic Home Care\n\nWat ik aangeef, we hebben besloten om de rapportages gewoon echt over te typen. Dat is de\n\nopdracht die ik gegeven heb, maar helaas. Ik moet ook gewoon eerlijk zeggen, ik heb niet alle rapportages opnieuw nagekeken. De opdracht is gegeven omdat het op bepaalde plekken bijna niet te lezen was en er was ook drinken over een paar van die bladen gevallen dus het was ook niet netjes om op te sturen. Dat is eigenlijk de reden geweest waarom we ook hebben gezegd: ‘misschien is het gewoon beter om het over te typen'.\n\nONVZ (vrouw)\n\nNou, ja, goed. Als een rapportage onleesbaar is dan is dat ook onvoldoende om de levering\n\nvan de zorg aan te tonen of in ieder geval om de kwaliteit van zorg te borgen als een derde\n\npersoon niet kan lezen wat er is gebeurd.\n\nMajestic Home Care\n\nPrecies, ik heb de medewerker daar ook op aangesproken, ‘anders ga je maar blokletters\n\nschrijven maar op deze manier moet je niet schrijven’.\n\nONVZ (vrouw)\n\nMaar dat is dan niet bij één dossier gebeurd. Het enige dossier waar wij papieren van hebben\n\nontvangen is het dossier van de heer [naam2] . De overige zes bestaan eigenlijk uit waar we\n\nhet net over hebben gehad.\n\nMajestic Home Care\n\nJa, maar zoals u ook zag, het was een team die toen werkte en het waren dus steeds dezelfde\n\nmensen. Je ziet ook een patroon van dat niet leesbare, want het was één persoon die dat\n\nhandschrift had. Vandaar dat we op een gegeven moment dachten, het is bij hen niet te lezen\n\nen je wilt het natuurlijk wel goed aanleveren. Helaas is het nu niet op de juiste manier\n\naangeleverd, maar dat was wel de instelling en dat was wel de doelstelling, goed aanleveren.\n\nONVZ (vrouw)\n\nU zegt dus dat er bij zes cliënten sprake was van zorgverleners die allemaal een onleesbaar\n\nhandschrift hebben gehad. Dat klinkt een beetje gechargeerd, maar dat is wel wat u nu zegt. Bij zes cliënten waren de papieren dossiers van een dusdanige kwaliteit dat u die niet heeft\n\naangeleverd?\n\nMajestic Home Care\n\nNee, dat hoort u mij niet zeggen. Ik zeg, er was een vast team en er was één medewerker die\n\neen bepaald handschrift had en dat zie je terug in de rapportages. Nee, dat waren niet zes\n\nmedewerkers, dat kan niet.\n\nONVZ (vrouw)\n\nNee, maar u heeft wel dossiers aangeleverd waarbij er sprake is van deze patronen voor zes\n\ncliënten. Alleen bij de heer [naam2] waren meerdere zorgverleners betrokken. Daar is sprake van een papieren dossier. Voor de rest zien we bij al die andere zes cliënten dat er sprake is van gekopieerde en geplakte zinnen, een sjabloon, andere professionals waar je geen vermelding (van) vindt. Dat vind ik dan nogal ... dat u daarmee zegt dat bij al die cliënten het dossier van dusdanige kwaliteit was dat het niet aangeleverd kon worden.\n\nMajestic Home Care\n\nNee, maar dat zeg ik niet. Omdat het handschrift gewoon steeds terugkwam bij die dossiers,\n\nvandaar dat we ... Het ging om één medeweker, net wat ik zeg. Eén medewerker had dat\n\nhandschrift, maar dat kom je dan wel weer in alle dossiers tegen. Bij de heer [naam2] is dat\n\nniet, want bij de heer [naam2] was het zo dat de regie van de zorg van de heer [naam2] lag niet bij mij. Wij werden ingehuurd om bij de heer [naam2] de zorg te leveren. Vandaar dat ik ook kopieën van het papieren dossier van de heer [naam2] heb gekregen. Zoals u ziet, hebben wij ook niet structureel zorg daar geleverd. Het was meer op oproep.\n\n(…)\n\nONVZ (man)\n\nIk stop u nu eventjes. U zet twee zaken tegenover elkaar die niet met elkaar rijmen. U zegt aan de ene kant: ‘hetgeen wat wij overgetypt hebben, klopt met de papieren registratie en daarom is het prima dat de cliënt daarvoor getekend heeft’. Daarnaast zien wij dat de getypte registratie niet overeen komt met uw declaraties, maar u zegt ook dat uw declaraties wel kloppen met de zorglevering zoals die in de map geregistreerd is. Dat valt niet met elkaar te rijmen in deze. Dan is er ergens een fout gemaakt waarvan u zegt: ‘nee, die is niet gemaakt'.\n\n(…)\n\nONVZ (man)\n\nJa, juist, exact. Wat is zeg is dat u aangeeft dat u geregistreerd heeft bij de cliënt, in een map\n\nbijgehouden, de cliënt heeft daarvoor getekend. U heeft dat vervolgens overgetypt en de cliënt heeft daar nog een keer voor getekend op een later tijdstip. Vervolgens is dat dan de declaratie geworden. Wat wij aangeven ...\n\nMajestic Home Care\n\nNee, ik heb niet gezegd dat dat de declaratie is geworden. Het is overgetypt nadat de vraag is\n\ngesteld om een controle. Toen hebben wij dat op een gegeven moment besloten. Dat is wat ik\n\ngezegd heb.\n\nONVZ (man)\n\nJa, maar wat u zegt is dat het getypte en het geschreven met elkaar overeen komt. Dat zegt u\n\nnet.\n\nMajestic Home Care\n\nDat zou overeen moeten komen, ja.\n\nONVZ (man)\n\nJa, exact. Tegelijkertijd zien wij dat het getypte niet overeenkomt met hetgeen wat u\n\ngedeclareerd heeft. Daarmee kunnen wij stellen, als u zegt 'het getypte komt overeen met de\n\npapieren die aanwezig zijn’, dat die ook niet overeenkomen met die declaratie. Dan zal er\n\nergens een fout moeten zijn tussen deze drie documenten.\n\nMajestic Home Care\n\nDat zou dan kunnen. Net wat ik aangeef, ik heb eerlijk gezegd in de afgelopen periode niet de tijd gehad om even nog een keer door alles heen te gaan ter voorbereiding van dit gesprek. Dat ga ik ook niet ontkennen. Normaal gesproken had ik dat moeten doen zodat ik meer expliciet weet wat u bedoelt. Ik ben twee maanden echt niet lekker geweest. Ik heb daar de gelegenheid niet toe gehad.\n\nONVZ (man)\n\nDat snap ik en dat is vervelend, maar we praten niet over de afgelopen twee maanden. Dit zijn declaratiegegevens van langer geleden. Waar we eigenlijk nu op komen, er zit een discrepantie tussen wat gedeclareerd is en wat genoteerd is. Wij hebben dat u voorgelegd en we komen er eigenlijk niet uit. Wat ik dus aan wil geven, ik denk ook dat we het hier dan wel op dit punt even bij kunnen laten, is dat we er nu geen verder bewijs voor zien dat het wel overeenkomt met de werkelijkheid en dat is wel zorgelijk voor ons.\n\nMajestic Home Care\n\nNee, dan zou ik de papieren versie op moeten gaan zoeken en dat naar u opsturen.\n\nWaarschijnlijk is het met het typen gewoon fout gegaan. Dan heb ik even tijd nodig om die\n\npapieren allemaal bij elkaar te halen en dat naar u te komen brengen desnoods.\n\nONVZ (man)\n\nMevrouw, dan ga ik even heel flauw zeggen. U heeft digitale dossiers aangeleverd. Daar\n\nblijken fouten in te zitten. U geeft nu aan: ‘dat wist ik niet'. Dan is de vraag als u daar nog een papieren dossier naast legt, wat voegt dat toe in het geheel? Toont dat dan wel een feitelijke levering aan bijvoorbeeld? U heeft op deze manier misschien uzelf ook onbedoeld klemgezet in de situatie waar we eigenlijk de waarheid niet meer boven tafel kunnen krijgen.\n\nMajestic Home Care\n\nHeel vervelend, want mijn intentie is zeker niet om de boel te belazeren. Absoluut niet. Op het moment dat er geen zorg geleverd wordt, wordt het ook niet gedeclareerd. Dus ja, het is heel spijtig. We hebben de papieren dossiers inderdaad en op een gegeven moment hebben we gezegd om het netjes - misschien, net wat je zegt, onbedoeld - om het netjes aan te leveren gaan we het met zijn allen overtypen. Ik weet helaas niet en ik weet dat ik verantwoordelijk ben en dat is wel vervelend, waar het fout gegaan is. Daar loop ik dan gewoon tegenaan.\n\nONVZ (vrouw)\n\nMisschien begrijp ik het niet zo goed, want ik hoor u wel twee dingen zeggen. Aan de ene kant hebben wij aangegeven in onze voorlopige conclusie dat wij zien dat bijvoorbeeld data van een fysiotherapie consult komt niet overeen met de declaratie data die wij hebben van de\n\nfysiotherapeut en wat er in uw dossier staat. Wat is daar dan gebeurd? Zijn er fouten geslopen in die rapportages of zijn die overgetypte rapportages wel getrouw aan de papieren\n\nrapportages?\n\nMajestic Home Care\n\nDat antwoord moet ik u eerlijk gezegd op dit moment verschuldigd blijven. Had ik het kunnen controleren, dan had ik daar antwoord op kunnen geven. Ik zal daarnaar moeten kijken. Het is heel spijtig dat ik dat niet eerder heb kunnen doen, want dan had ik u concreet antwoord kunnen geven. Als ik het zo moet horen, dan denk ik dat er toch fouten in geslopen zijn. (…)”\n\n3.7. In een brief van 23 december 2020 heeft ONVZ aan MHC aangegeven dat uit haar onderzoek blijkt dat (onder meer) rapportages niet conform de werkelijkheid zijn, en urenregistraties niet overeenkomen met declaraties. ONVZ stelt zich in deze brief op het standpunt dat MHC en [handelsnaam] onrechtmatig zorg ten laste van de Zvw hebben gebracht en zij kondigt aan het totaalbedrag aan declaraties over de jaren 2018 en 2019 van € 223.543,20 van MHC te zullen vorderen.\n\n4. De toelichting op de beslissing van het hof\n\n4.1. Het hof ziet aanleiding eerst in te gaan op de grieven van ONVZ, waarmee ONVZ wil bereiken dat het hof haar vorderingen helemaal toewijst, in plaats van gedeeltelijk, zoals de rechtbank deed.\n\nAan de declaraties van MHC lag geen deugdelijke administratie ten grondslag\n\n4.2. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 28 juni 2023 ONVZ opgedragen te bewijzen dat (een deel van) de gedeclareerde zorg niet door MHC is geleverd, omdat als dat zo is dat volgens de rechtbank onrechtmatig is en het bedrag dat ONVZ heeft betaald voor zorg die niet is geleverd, moet worden beschouwd als schade.\n\n4.3. In hoger beroep betoogt ONVZ, met name met haar grieven 2 en 9, dat ook los van de vraag of ONVZ kan aantonen dat (een deel van) de gedeclareerde zorg niet is geleverd, het onrechtmatig handelen van MHC er (al) in bestaat dat haar administratie niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld, wil een zorgverlener zorg kunnen declareren die vervolgens ook door een zorgverzekeraar vergoed mag worden. Als uit de administratie van de zorgverlener – MHC – niet kan worden vastgesteld dat zorg is verleend, is al sprake van schade, aldus ONVZ. Anders gezegd: niet pas het declareren van niet geleverde zorg, maar ook (al) het declareren van zorg die niet voor vergoeding in aanmerking komt (omdat de zorgaanbieder geen deugdelijke administratie voert) is onrechtmatig tegenover haar, aldus ONVZ.\n\n4.4. Het hof is van oordeel dat MHC onrechtmatig heeft gehandeld tegenover ONVZ. Daarvoor is het volgende redengevend.4.5. Het hof stelt voorop dat uit de artikelen 35 en 36 Wmg volgt dat op een zorgaanbieder (zoals MHC) de verplichting rust om een administratie te voeren waaruit in ieder geval de overeengekomen en geleverde prestaties blijken, alsmede wanneer die prestaties zijn geleverd en aan welke patiënt onderscheidenlijk aan welke verzekerde die prestaties door een zorgaanbieder zijn geleverd. Met andere woorden: een administratie waaruit blijkt welke voor vergoeding in aanmerking komende zorg, wanneer, aan welke patiënt is geleverd. Vervolgens is het een ziektekostenverzekeraar (zoals ONVZ) niet toegestaan gedeclareerde zorg te vergoeden wanneer de betreffende zorgaanbieder niet aan deze administratieverplichting heeft voldaan.\n\n4.6. ONVZ stelt zich naar het oordeel van het hof terecht op het standpunt dat de administratie van MHCin de betreffende periode 2018-2019 niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen, zoals hieronder zal blijken. Uit hetgeen ONVZ daarover in dit verband heeft gesteld, en MHC ookals zodanigniet onderbouwd heeft weersproken (zij het dat zij daarvoor, nader te bespreken, verklaringen aanreikt), stelt het hof het volgende vast.\n\n4.7. Over de zorgrapportages.De rapportages Verpleging en Verzorging (hierna: de zorgrapportages) zijn bedoeld als verslag van de zorg die daadwerkelijk door MHC aan zorgcliënten, verzekerden van ONVZ, is verleend. De zorgrapportages die in het geding zijn gebracht zijn niet authentiek, maar het gaat daarbij om stukken die in een later stadium, achteraf, door of namens MHC zijn opgesteld in reactie op de vraag van ONVZ om haar daarin inzicht te geven. De teksten van de zorgrapportages bevatten patronen die zich – sjabloonmatig – herhalen, waarbij te zien is dat er één sjabloon is voor maanden met een even aantal dagen, en één sjabloon voor maanden met een oneven aantal dagen.\n\n4.8. \n\nDaarnaast bevatten de verslagen van de zorg die aan verzekerden zou zijn verleend, veel herhaling van dezelfde teksten en handelingen. Dat zou verklaarbaar kunnen zijn, doordat individuele zorgverleners bij het stelselmatig moeten specificeren van soms dezelfde werkzaamheden ertoe zullen neigen steeds dezelfde formuleringen te gebruiken. In dit geval valt echter ook nog het volgende op. De teksten zijn soms zelfs gelijkluidend wanneer een andere zorgverlener bij een verzekerde zorg verleent. Een voorbeeld hiervan betreft de zorgrapportage ten aanzien van verzekerde Y.H.over de maand april 2019.Daarin wordt onder meer het volgende gerapporteerd over de zorgverlening op 2 april 2019:\n\n“08.00-08.20: Dhr. sliep nog bij binnenkomst en wilde niet wakker worden. Dhr. gaf aan hoofdpijn te hebben. Ik liet hem even en werd even later zelf wakker. Medicatie aangereikt en gebleven bij inname. Ben even gebleven of het verder goed ging met dhr. Dhr. was weer terug gegaan naar bed.”\n\nLater op de ochtend van die dag staat te lezen:\n\n“11.00-11.20: Dhr. was een beetje chagrijnig en had nergens zin om wat te doen. Middag medicatie klaar gezet, aangereikt en bij gebleven bij inname.”\n\nOp 5 april 2019 vermeldt de zorgrapportage bij deze cliënt op dezelfde tijdstippen, woordelijk hetzelfde. De zorgrapportages bij de cliënt vermelden, alleen al in de maand april 2019, bovendien een identiekecombinatie van gebeurtenissen – de verzekerde slaapt bij binnenkomst en heeft hoofdpijn, en later op de ochtend is de verzekerde chagrijnig – op 5, 17, 20, 21, 22, 25 en 28 april. Hoewel de combinatie van gebeurtenissen, en de bewoordingen waarin die zijn opgeschreven, steeds identiek zijn, schrijft het zorgverslag ze over de maand april 2019 toe aan verschillende zorgverleners: de ene keer aan zorgverlener G. C., en de andere keer aan N. A.\n\n4.9. Ten slotte stroken in sommige gevallen de zorgrapportages en declaratiegegevens van de betrokken zorgverleners over dezelfde periode niet met elkaar.\n\n4.10. Over de urenregistraties. Het hof neemt ten aanzien van de urenregistraties in aanmerking dat deze steeds al voor elke maand vooraf waren ingevuld met uren en zorgverleners, en dat daarin naderhand nooit afwijkingen te zien waren. Ook als de indicatie voor te verlenen zorg op een later tijdstip wijzigde, is dat niet in de urenregistraties terug te zien. Die bleven voor wat betreft de uren gedurende welke zorg zou zijn verleend gelijkluidend, óók als declaratiegegevens lieten zien dat volgens de nieuwe indicatie werd gedeclareerd. Op de urenregistraties is bovendien niet, of pas maanden later, door de zorgcliënten voor akkoord getekend.\n\n4.11. Over de facturen.Voor het verlenen van zorg heeft MHC diverse zzp’ers ingeschakeld. Hun facturen – die op hun beurt weer leidden tot de declaraties van MHC die uiteindelijk door ONVZ zijn vergoed – zijn niet te herleiden tot de personen van verzekerden van ONVZ en ten aanzien daarvan ontbreken urenstaten.\n\n4.12. \n\nAnders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de administratie van MHC, gelet op de hiervoor omschreven kenmerken van de zorgrapportages, urenregistraties, declaraties en facturen, geen betrouwbareinformatie is te ontlenen over de vraag welke zorg, wanneer, aan een bepaalde zorgcliënt is verleend. De zorgrapportages zijn fundamenteel niet betrouwbaar te achten omdat daarin zeer regelmatig formuleringen opduiken – identieke, repeterende frases die verschillende zorgverleners precies op dezelfde manier zouden hebben opgeschreven – die niet allemaal juistkunnenzijn. Aan die rapportages is daarom dus niet te ontlenen wat nu wel en wat niet daadwerkelijk is gebeurd. Mogelijk is niet alles wat daarin staat onwaar, maar een gedeelte daarvan is zéker niet waar – het hof verwijst naar het in rechtsoverweging 4.8 beschreven verschijnsel, dat zich veel vaker voordoet – en het probleem daarmee is dat dus niet is vast te stellen wanneer het een of het ander zich voordeed. Dan zijn er verder nog de urenstaten die niet op het moment van zorgverlening zijn ingevuld, nooit wijzigen en niet aansluiten op declaraties; en de facturen van zorgverleners waaruit niet blijkt welk deel van de bij MHC in rekening gebrachte zorg aan welke verzekerde is toe te schrijven.\n\nDe sjablonen en identieke formuleringen in de zorgrapportages roepen ernstige vragen op over de betrouwbaarheid daarvan, óók als het hof de onduidelijke verklaring van MHC zou volgen dat het nodig bleek om de rapportages te digitaliseren en de oorspronkelijke papieren exemplaren verloren zijn gegaan. Ook dan blijft het om een verklaring roepen waarom zich de patronen en herhalingen voordoen. Een, laat staan aannemelijke, verklaring heeft MHC echter niet gegeven, ook niet nadat dit onderwerp op de zitting in hoger beroep uitgebreid ter sprake kwam.\n\nHet hof concludeert dat de administratie dan ook geen onverdachte, verifieerbare en daarmee betrouwbare gegevens bevat om uitsluitsel te geven over de vraag welke vergoedbare zorg, wanneer, aan welke verzekerde is geleverd.\n\n4.13. Voor zover MHC er een beroep op doet dat een geaccepteerde werkwijze in de zorg is dat ervan mag worden uitgegaan dat wanneer er een planning is, de zorg ook gerealiseerd wordt volgens de planning, en dat daarom lagere eisen mogen worden gesteld aan haar administratie omdat zij in ieder geval wel een planning heeft opgesteld, kan dat haar niet baten. Ook als bij wege van uitgangspunt een planning wordt gevolgd, is van belang dat de momenten waarop van de planning wordt afgeweken op een betrouwbare manier worden geregistreerd. De hiervoor geconstateerde gebreken in de administratie van MHC leiden het hof tot de conclusie dat de administratie van MHC geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten biedt om ervan uit te gaan dat op een betrouwbare manier – niet in de laatste plaats voor de verzekeraar bij wie de declaraties van MHC terechtkomen – is te herleiden wanneer van de planning is afgeweken.\n\n4.14. Het hof gaat evenmin mee in de stelling van MHC dat de gevolgen van de gebreken in haar administratie worden ondervangen door de omstandigheid dat MHC een kleine, informele zorgverlener is die precies wist welke zorgverlener op welke momenten voor welke verzekerde werkzaam was. Het hof acht het om te beginnen al onaannemelijk dat MHC uit informele contacten met haar zzp’ers op elk moment een uitputtend en correct overzicht had van alle zorg die aan haar zorgcliënten werd verleend. Maar ook als dat wel zo zou zijn geweest, dan doet dat er niet aan af dat niet van haar werd gevraagd om (voor zichzelf) een helder beeld te hebben van de zorgverlening, maar om een administratie te voeren waarin de relevante gegevens vastliggen en daarmee zo nodig controleerbaarzijn voor (met name) de verzekeraar. Aan die eis heeft zij niet voldaan.\n\n4.15. \n\nMHC heeft verder nog betoogd dat er per verzekerde niet méér zorg kan worden gedeclareerd dan de indicatiestelling voor die zorgcliënt toestaat. Doordat er bij de indicatiestelling een wijkverpleegkundige betrokken is en daarnaast ook sprake is van andere controlemomenten, zou frauderen niet mogelijk zijn.\n\nOok dit neemt echter niet weg dat MHC ernstig is tekortgeschoten in haar administratieverplichting, en daarmee declaraties heeft opgesteld zonder dat die op een voldoende adequate administratie berusten. Daarbij is van belang dat ONVZ, al is die beschuldiging in de contacten tussen partijen wel gevallen, haar vordering niet baseert op de stelling dat MHC heeft gefraudeerd, zodat het hof die vraag verder terzijde laat. Verder geldt dat MHC weliswaar aannemelijk maakt dat het niet (goed) mogelijk is zorg te declareren die boven de indicatiestelling uitgaat, maar dat laat onverlet dat uit de administratie dient te blijken dat binnen die bovengrens daadwerkelijk sprake is geweest van voor vergoeding in aanmerking komende zorg, en wanneer die zorg aan wie is verleend. Daar schort het nu juist aan, de zorgindicatie ten spijt.\n\n4.16. Ook betoogt MHC dat een en ander er niet aan afdoet dat de zorg die MHC in rekening heeft gebracht ook daadwerkelijk is verleend. Ook aan deze tegenwerping van MHC gaat het hof voorbij, omdat het daar bij het in deze zaak terecht bevonden verwijt van ONVZ niet (primair) om gaat; het gaat immers om de wettelijke randvoorwaarde dat de verleende en vervolgens te declareren zorg in de eerste plaats verifieerbaar is op basis van een deugdelijke administratie – zulks ter voorkoming van zorgfraude met declaratie van niet (volledig) geleverde zorg, hetgeen hieronder nog uitgebreider aan bod komt.\n\n4.17. Het voorgaande brengt mee dat MHC ofwel (a) ONVZ rechtstreeks verzocht om zorg te declareren die niet voldoet aan de artikelen 35 en 36 Wmg – en die het ONVZ dus niet vrij stond te vergoeden, zoals het hof hiervoor overwoog (zie rechtsoverweging 4.5, slot), dan wel (b) de declaratie van de hiervoor bedoelde zorg bevorderde, door declaraties aan verzekerden bij ONVZ te sturen, wetende dat die verzekerden die declaraties voor vergoeding bij ONVZ zouden indienen. Zowel het onder (a) als onder (b) bedoelde verwijt kwalificeert het hof in de omstandigheden van deze zaak als onrechtmatig handelen van MHC tegenover ONVZ, omdat de zorgvuldigheid van MHC vergde dat zij zich diende te onthouden van handelingen waarvan MHC wist of had moeten weten dat die ertoe zouden leiden dat ONVZ gedeclareerde zorg zou vergoeden – ofwel rechtstreeks aan MHC of aan bij ONVZ verzekerde zorgcliënten van MHC – die niet aan de eisen voor vergoedbare zorgdeclaraties voldeed. Het hof hecht eraan te benadrukken dat deze zaak zich niet kenmerkt door (een) enkele verschoonbare fout(en), maar dat de gepresenteerde administratie moet worden gekwalificeerd als structureel en fundamenteel ondeugdelijk. Door desondanks ONVZ te (doen) bewegen tot vergoeding van zorg, waartoe ONVZ redelijkerwijs niet gehouden was gezien de wettelijke randvoorwaarden voor uitkering ter voorkoming van fraude enerzijds en de onbetrouwbare administratievoering door MHC anderzijds, heeft MHC onzorgvuldig gehandeld en is zij aansprakelijk voor de schade die ONVZ als gevolg van dit onrechtmatige handelen heeft geleden.\n\nSchade\n\n4.18. De aansprakelijkheid van MHC is gelet op het voorgaande aldus niet gebaseerd op de stelling – die ONVZ in deze procedure ook wel heeft ingenomen – dat zij heeft betaald voor zorg die niet aantoonbaar is geleverd, maar op het verwijt dat MHC declaratie verlangde (rechtstreeks) of bevorderde (via haar cliënten) van zorg die – gelet op de door MHC gevoerde administratie – niet verifieerbaar was en daardoor niet voor vergoeding in aanmerking kwam, althans waarvan ONVZ de vergoeding redelijkerwijs mocht weigeren (zie rov. 4.5). De schade die het gevolg van dat verwijt is, komt neer op al hetgeen ONVZ op grond van de declaraties van MHC, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van haar cliënten, heeft voldaan. Wanneer dit verwijt immers wordt weggedacht – de hypothetische situatie – had MHC zich immers onthouden van het declareren van zorg zonder grondslag in een deugdelijke administratie, en had ONVZ deze dan ook niet vergoed.\n\n4.19. In zoverre komt het hof dan ook tot een ander oordeel dan de rechtbank, die aannam dat wanneer komt vast te staan dat zorg wel degelijk feitelijk is geleverd, geen sprake is van schade bij ONVZ. Het hof oordeelt dat het verwijt van onzorgvuldig handelen in deze zaak (reeds) ziet op het indienen van declaraties die bij gebreke van verifieerbaarheid geen grondslag behoren te bieden voor vergoeding. Het is aldus reeds op die grond dat MHC aansprakelijk is voor de schade van ONVZ, die gelijk staat aan alles dat zij op basis van de declaraties heeft betaald. Het hof benadrukt nogmaals dat aan dit oordeel niet de gedachtegang ten grondslag ligt dat in zijn algemeenheid geldt dat elke onjuistheid in het administratieve proces tot het ingrijpende gevolg van aansprakelijkheid van de zorgverlener tegenover de zorgverzekeraar zou moeten leiden. Dit geval kenmerkt zich er echter door dat sprake is van een zeer groot aantal onjuistheden en onregelmatigheden in de administratie die aan de zorgdeclaraties ten grondslag liggen. Zoals hiervoor is overwogen is op vrijwel elk niveau van de administratie sprake van gegevens die oncontroleerbaar, op zijn minst verdacht, of ronduit onjuist zijn: zorgrapportages die ontbreken en pas na een aangekondigde controle zijn opgesteld, waarin gebeurtenissen zich sjabloonmatig herhalen en verschillende zorgverleners herhaaldelijk identieke formuleringen bezigen; waar zorgrapportages niet aansluiten op declaraties en declaraties niet aansluiten bij zorgcliënten; en waar urenregistraties vooraf zijn ingevuld en de feitelijk gewerkte uren zonder uitzondering feilloos aansluiten op de planning zonder te wijzigen wanneer de indicaties voor zorgbehoefte wijzigen (zie rov. 4.7- 4.12). Er is naar het oordeel van het hof sprake van een administratie die in zeer substantiële zin – structureel en fundamenteel – niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, waardoor niet anders kan worden geconcludeerd dan dat aan die administratie in dit geval onvoldoende aanknopingspunten kunnen worden ontleend om te kunnen afleiden of, en zo ja, welke voor vergoeding vatbare zorg is verleend. Het aantal onjuistheden in de door MHC aangeleverde bescheiden en de stelselmatigheid ervan is dermate groot dat het risico dat deze geen grondslag kan bieden voor vergoeding voor rekening van MHC dient te blijven.\n\n4.20. Tussen partijen staat niet ter discussie dat ONVZ een bedrag van 225.826,65 heeft uitgekeerd op grond van declaraties die MHC, gelet op de aard van haar administratie, niet voor vergoeding had mogen laten uitgaan. Dat bedrag kwalificeert als schade van ONVZ, en MHC dient dat aan ONVZ te vergoeden, met dien verstande dat het hof het iets lagere bedrag van € 223.543,20 zal toewijzen, met daarover de wettelijke rente vanaf 28 januari 2021, omdat dat het bedrag is dat ONVZ heeft gevorderd.\n\nSlotsom\n\n4.21. Het voorgaande betekent dat de grieven van MHC falen, al dan niet wegens gebrek aan belang. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat geen bewijs is aangeboden van stellingen die, indien juist, tot een ander oordeel zouden leiden. Het principaal hoger beroep van MHC slaagt dus niet. De grieven van ONVZ in het incidenteel hoger beroep die zien op hetgeen hiervoor is overwogen, slagen wel.\n\n4.22. Omdat MHC in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten van de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep veroordelen. Gelet op de verwevenheid van het principaal en het incidenteel hoger beroep zal het hof één proceskostenveroordeling uitspreken. Onder die proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n4.23. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1. vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 28 juni 2023, 18 oktober 2023 en 27 maart 2024, en beslist opnieuw rechtdoende als volgt:\n\n5.2. veroordeelt MHC tot betaling aan ONVZ van een bedrag van € 223.543,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2021 tot aan de dag van volledige betaling;\n\n5.3. veroordeelt MHC tot betaling van een bedrag van € 15.561,63 aan proceskosten van ONVZ tot aan de uitspraak van de rechtbank, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na 27 maart 2024 tot aan de dag van volledige betaling;\n\n5.4. \n\nveroordeelt MHC tot betaling van de volgende proceskosten van ONVZ in hoger beroep:\n\n€ 2.255 aan griffierecht;\n\n€ 11.767,50 aan salaris van de advocaat van ONVZ (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief VI van € 4.707), en bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.A.M. Essed, mr. M. Aksu en mr. P.W. Schreurs, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n De vonnissen van 18 oktober 2023 en 27 maart 2024 zijn gepubliceerd, onder ECLI:NL:RBMNE:2023:5437, respectievelijk ECLI:NL:RBMNE:2024:3902.\n\n In eerste instantie sprak ONVZ zowel MHC als haar middellijk bestuurder tot betaling aan. De vorderingen tegen de bestuurder van MHC zijn voor het overgrote deel afgewezen. ONVZ heeft daartegen geen beroep ingesteld. De vorderingen tegen deze bestuurder zijn in hoger beroep derhalve niet langer aan de orde.\n\n Van de juistheid van dit verslag mag volgens de advocaat van MHC worden uitgegaan (zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 5).\n\n De rechtbank heeft bij de bespreking van de administratie van MHC óók het oog gehad op de administratie die voorafgaand aan haar oprichting in het kader van de activiteiten van [handelsnaam] werd gevoerd. Zo ook partijen in hun debat, ook in hoger beroep. Het hof zal hier dan ook bij aansluiten.\n\n Het hof ziet aanleiding om de naam van deze, bij partijen bekende, persoon niet voluit, maar enkel in initialen te vermelden. Datzelfde geldt voor de hierna te vermelden zorgverleners.\n\n Zie productie 22 bij de inleidende dagvaarding.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4227","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.145Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"2004","ECLI:NL:GHAMS:2026:1670","ecli-nl-ghams-2026-1670",56,"2026-06-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht,\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.349.867\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank : C\u002F15\u002F333568 \u002F HA ZA 22-668\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. PODOCENTRUM ALKMAAR B.V.,\n\n gevestigd te Alkmaar,\n\n2. [appellant 1],\n\n handelend onder de naam PODOLOGIC,\n\n gevestigd te Ommen,\n\n3. [appellant 2]en\n\n [appellant 3],\n\n vennoten van SHOE-FIT V.O.F.,\n\n gevestigd te Tegelen,\n\n4. [appellant 4],\n\n handelend onder de naam PODOZORG NIEUWPOORT,\n\n gevestigd te Nieuwpoort,\n\n5. STICHTING VOOR VOET- EN HOUDING BEROEPEN,\n\n handelend onder de naam STICHTING LANDELIJK OVERKOEPELEND ORGAAN\n\n VOOR PODOLOGIE,\n\n gevestigd te Utrecht,\n\nappellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. T.A.M. van den Ende te Utrecht,\n\ntegen\n\n1. VGZ U.A.,\n\n2. VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\n3. IZA ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\n4. N.V. ZORGVERZEKERAAR UMC,\n\n5. N.V. UNIVÉ ZORG,\n\n allen gevestigd te Arnhem,\n\ngeïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. M.E. Jannink te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna LOOP e.a. en VGZ e.a. genoemd.\n\nAppellanten 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep worden gezamenlijk ook aangeduid als de aangesloten zorgaanbieders.\n\nAppellante 5 in principaal hoger beroep wordt afzonderlijk aangeduid als Stichting LOOP.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe bij Stichting LOOP aangesloten zorgaanbieders verlenen voetzorg. Zij verstrekken onder meer steunzolen aan hun cliënten. Deze verstrekkingen vallen niet onder de verplichte basiszorgverzekering. VGZ e.a. zijn zorgverzekeraars. De procedure gaat om de vraag of VGZ e.a. verplicht zijn de kosten van de steunzolen aan hun verzekerden te vergoeden als deze een aanvullende zorgverzekering hebben en de steunzolen worden verstrekt door registerpodologen of podoposturaal therapeuten, die geen podotherapeut zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit niet zo is, en het hof is het daarmee eens.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nLOOP e.a. zijn bij dagvaarding van 3 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 9 oktober 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen VGZ e.a. als eisers in conventie, verweerders in reconventie en LOOP e.a. als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven tevens akte wijziging van eis, met producties;\n\n- memorie van antwoord in principaal hoger beroep\u002Fmemorie van grieven in incidenteel hoger beroep tevens akte wijziging eis, met producties;\n\n- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens akte bezwaar wijziging eis.\n\nOp 13 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. VGZ e.a. hebben nog een productie in het geding gebracht.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1.. \n\nVGZ e.a. zijn zorgverzekeraars. Stichting Loop is een brancheorganisatie. Zij behartigt de belangen van zorgaanbieders op het gebied van podologie. Zorgaanbieders die bij Stichting Loop zijn aangesloten zijn onder andere registerpodologen en podoposturaal therapeuten. Een registerpodoloog is gespecialiseerd in het onderzoeken en behandelen van klachten die ontstaan in de stand van de voeten. Een podoposturaal therapeut maakt gebruik van reflexwerking onder de voeten om stands- en houdingsverandering hoger in het lichaam teweeg te brengen. Naast registerpodologen en podoposturaal therapeuten verlenen ook podotherapeuten voetzorg. Podotherapeuten zijn niet bij Stichting LOOP aangesloten.\n\nDe appellanten 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep zijn zorgaanbieders die zijn aangesloten bij Stichting LOOP.\n\n3.2.. Zowel podotherapeuten als registerpodologen en podoposturaal therapeuten kunnen steunzolen leveren. Tot 2015 bestond tussen Stichting LOOP en VGZ e.a. een overeenkomst op grond waarvan Stichting LOOP de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen bij VGZ e.a. declareerde. VGZ e.a. vergoedden deze kosten als de desbetreffende aanvullende zorgverzekering in een vergoeding voor de kosten van steunzolen voorzag. Vanaf 2015 moesten de aangesloten zorgaanbieders zelf de kosten bij VGZ e.a. declareren. Sindsdien is er tussen Stichting LOOP e.a. en VGZ e.a. gecorrespondeerd over het wel of niet blijven vergoeden van de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen.\n\n3.3.. \n\nVGZ e.a. hebben in 2020 besloten het vergoeden van de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen te beëindigen met ingang van 2021.\n\nBij vonnis van 10 november 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland in kort geding onder meer VGZ e.a. geboden ‘het op 18 juni 2020 genomen besluit om de door\n\nregisterpodologen en podoposturaal therapeuten te leveren steun- en\u002Fof therapiezolen vanaf\n\n1 januari 2021 niet langer vanuit de aanvullende verzekering te vergoeden, zoals zij dat op\n\ndit moment nog wel doen, met onmiddellijke ingang ongedaan te maken’ en VGZ e.a. veroordeeld ‘om het afleveren van steun- en therapiezolen door registerpodologen en\n\npodoposturaal therapeuten aan haar verzekerden met een aanvullende verzekering\n\ngedurende het jaar 2021 te blijven vergoeden overeenkomstig de wijze van vergoeding in\n\n2020’ en ‘op hun website(s) binnen vijf werkdagen na heden bekend te maken dat de vergoeding van door registerpodologen en podoposturaal therapeuten te leveren steun- en therapiezolen in 2021 gehandhaafd blijft’.\n\n3.4.. VGZ e.a. hebben Stichting LOOP op 16 augustus 2021 bericht dat zij met ingang van 1 januari 2022 de kosten van door registerpodologen en podoposturaal therapeuten afgeleverde steunzolen niet langer vanuit de aanvullende zorgverzekering zouden vergoeden. Bij vonnis van 27 september 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland in kort geding VGZ e.a. verboden om aan dit besluit uitvoering te geven.\n\n3.5.. Bij arrest van 15 februari 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het kortgedingvonnis van 10 november 2020 bekrachtigd wat betreft de in 3.3 vermelde beslissingen.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. VGZ e.a. hebben bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat het VGZ e.a. jegens gedaagden vrijstaat om in haar polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten, met veroordeling van LOOP e.a. in de proceskosten.\n\n4.2.. LOOP e.a. hebben in reconventie gevorderd om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat VGZ e.a. jegens LOOP e.a. onrechtmatig handelen:\n\n- door de vergoeding voor het leveren van steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen; en\n\n- door de vergoeding van de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de aanvullende verzekeringen, dan wel door de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet vanuit de aanvullende verzekeringen te vergoeden,\n\nmet veroordeling van VGZ e.a. in de proceskosten.\n\n4.3.. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat het VGZ e.a. vrijstaat om in hun polisvoorwaarden van aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen uit te sluiten. De vorderingen van LOOP e.a. in reconventie zijn afgewezen. LOOP e.a. zijn in conventie en reconventie veroordeeld in de proceskosten.\n\n5. Vorderingen in hoger beroep\n\n5.1.. LOOP e.a. vorderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, de vorderingen van VGZ e.a. alsnog zal afwijzen en, met wijziging van hun oorspronkelijke (reconventionele) eis, te verklaren voor recht:\n\n- dat VGZ e.a. onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door de vergoeding voor het leveren van steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen; en\n\n- dat VGZ e.a. onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door de vergoeding van de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de aanvullende verzekeringen, dan wel door deze voetzorg niet vanuit de aanvullende verzekeringen te vergoeden; en\n\n- dat VGZ e.a. gehouden zijn de vergoeding van de steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten onverminderd voort te zetten conform de door haar gemaakte afspraak,\n\nmet veroordeling, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van VGZ e.a. in de proceskosten.\n\n5.2.. Volgens VGZ e.a. moet het hof de vorderingen van LOOP e.a. afwijzen en het vonnis bekrachtigen.\n\n5.3.. VGZ e.a. vorderen daarnaast in incidenteel hoger beroep, met wijziging van hun oorspronkelijke eis, dat het hof voor recht zal verklaren dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrijstaat om:\n\n- in hun polisvoorwaarden van aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten;\n\n- de coulancevergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen dan wel podoposturaal therapeuten te beëindigen,\n\nmet veroordeling, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van LOOP e.a. in de proceskosten.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. Deze procedure gaat over het vergoeden van de kosten voor voetzorg, in het bijzonder de kosten voor steunzolen, aan verzekerden van VGZ e.a. Het afleveren van steunzolen is geen verzekerde prestatie onder de verplichte zorgverzekering (de basisverzekering). De aanvullende zorgverzekeringen die VGZ e.a. aanbieden, voorzien in veel gevallen wel in een vergoeding. Aan een dergelijke vergoeding zijn voorwaarden verbonden die zijn opgenomen in de polisvoorwaarden van deze aanvullende verzekeringen.\n\n6.2.. In de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen van VGZ e.a. is als voorwaarde voor het vergoeden van de kosten van steunzolen opgenomen dat de steunzolen moeten zijn afgeleverd door een podotherapeut of een orthopedische schoenmakerij (SEMH-OSB) of werkplaats (SEMH-OIM). De polisvoorwaarden van sommige aanvullende zorgverzekeringen stonden daarnaast vergoeding toe van steunzolen die werden afgeleverd door podoposturaal therapeuten.6.3.. Tussen VGZ e.a. en Stichting LOOP heeft gedurende een aantal jaren tot 2015 een overeenkomst bestaan op grond waarvan podoposturaal therapeuten en registerpodologen die bij Stichting LOOP waren aangesloten, voetzorg onder de basisverzekering mochten leveren en tevens onder de aanvullende zorgverzekeringen steunzolen mochten afleveren, voor zover die verzekeringen toelieten dat steunzolen ook werden afgeleverd door podoposturaal therapeuten. Vanaf 2015 vergoeden VGZ e.a. onder de basisverzekering geen voetzorg meer die wordt verleend door podoposturaal therapeuten en registerpodologen. In overleg met Stichting LOOP zijn VGZ e.a. vanaf 2015 nog wel – buiten de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen om – de kosten blijven vergoeden van steunzolen die werden afgeleverd door bij Stichting LOOP aangesloten registerpodologen, voor zover het ging om aanvullende zorgverzekeringen die wél voorzagen in een vergoeding van door podoposturaal therapeuten afgeleverde steunzolen.\n\n6.4.. VGZ e.a. hebben de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen met ingang van 2020 aangepast, waardoor de aanspraak op vergoeding verviel voor de kosten van steunzolen die podoposturaal therapeuten afleverden. Na overleg met Stichting LOOP hebben VGZ e.a. besloten de praktijk van het vergoeden van kosten van steunzolen van podoposturaal therapeuten en registerpodologen in 2020 nog voort te zetten. Vervolgens is deze vergoeding blijven bestaan op grond van de in kort geding gegeven uitspraken.\n\nUitgangspunt\n\n6.5.. Een aanvullende zorgverzekering is een schadeverzekering. Het hof stelt voorop dat aan VGZ e.a. als zorgverzekeraars de vrijheid toekomt om de aanvullende zorgverzekeringen naar eigen inzichten vorm te geven. Dit is een wezenlijk verschil met de basisverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet, die moet voldoen aan hetgeen daarover bij of krachtens de Zorgverzekeringswet is geregeld, en waarvan de verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te boven mogen gaan. Het uitgangspunt is dan ook dat VGZ e.a. in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor kosten van steunzolen mogen beperken tot steunzolen die worden afgeleverd door podotherapeuten en orthopedische schoenmakerijen of werkplaatsen.\n\nSchakeljurisprudentie (onrechtmatig handelen)\n\n6.6.. \n\nLOOP e.a. bepleiten een beperking van de vrijheid die VGZ e.a. op dit punt toekomt.\n\nZij doen daarvoor onder meer een beroep op de zogenoemde schakeljurisprudentie.\n\nDe grieven 4 en 5 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep hebben hierop betrekking.\n\nDe schakeljurisprudentie houdt het volgende in:\n\n‘Wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractsverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, staat het hem niet onder alle omstandigheden vrij de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben. Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen dit meebrengen, zal de rechter de terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.’ In dit ‘beoordelingskader is bepalend of de aangesproken partij haar verklaringen en gedragingen ter zake van de overeenkomst waarbij zij partij is, mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde, en is dus niet mede vereist dat de aangesproken partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is en waarmee de belangen van die derde verbonden zijn’ (HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1355, rov. 3.3.2 en 3.3.3, HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069, rov: 3.4).\n\n6.7.. In de kern komt het betoog van LOOP e.a. erop neer dat zij er een belang bij hebben dat VGZ e.a. de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen aan hun aanvullend verzekerden blijven vergoeden en dat VGZ e.a. hun keuzes bij het vaststellen van de voorwaarden voor het vergoeden van deze kosten mede moeten laten bepalen door dit belang. Volgens LOOP e.a. maakt het daarbij niet uit of VGZ e.a. al dan niet jegens hun verzekerden tekortschieten in het nakomen van verplichtingen op grond van de aanvullende zorgverzekering als de vergoedingen voor door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen van dekking worden uitgesloten. LOOP e.a. zien het overigens ook als een belang van de aanvullend verzekerden om vergoeding te blijven ontvangen voor dergelijke steunzolen.\n\n6.8.. Het hof is van oordeel dat het behoorlijk uitvoeren van de overeenkomsten tussen VGZ e.a. en hun aanvullend verzekerden niet in het gedrang komt als VGZ e.a. de kosten van steunzolen van podoposturaal therapeuten en registerpodologen niet meer vergoeden. Het staat namelijk niet ter discussie dat VGZ e.a. de polisvoorwaarden in de relatie met hun verzekerden (jaarlijks) hebben mogen aanpassen en dat dit plaatsvindt met instemming van de verzekerden. Deze verzekerden kunnen hun aanvullende verzekering opzeggen en overstappen naar een andere verzekeraar die andere voorwaarden hanteert, indien de aanpassing hun instemming niet heeft. Er is bovendien geen of onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de aanvullend verzekerden in de praktijk worden belemmerd om steunzolen te verkrijgen in het geval de vergoeding daarvan volgens de voorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen van VGZ e.a. is beperkt tot steunzolen die worden afgeleverd door podotherapeuten.\n\n6.9.. De vraag is dus of VGZ e.a., ondanks het behoorlijk uitvoeren van de overeenkomsten met betrekking tot de aanvullende zorgverzekeringen, verplicht zijn om in het belang van LOOP e.a. de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen te vergoeden. De aard en strekking van de aanvullende zorgverzekering dwingen daar niet toe. Het gaat als gezegd immers om een schadeverzekering die VGZ e.a. als verzekeraars juist de vrijheid geeft om zelf de voorwaarden te bepalen voor het verstrekken van vergoedingen. Deze vrijheid brengt mee dat VGZ e.a. mogen bepalen welke zorgaanbieders de zorg mogen verlenen die voor vergoeding in aanmerking komt. VGZ e.a. mogen daarbij hun eigen afwegingen maken, zoals in dit geval over de kosten van de zorg (wat betreft de steunzolen) zoals die blijken uit hun administratie, de kwalificaties die de zorgverleners hebben (opleiding, BIG-registratie) en de verbinding tussen basiszorg en aanvullende zorg voor hun verzekerden (stepped care-beginsel). Het gaat er niet om of LOOP e.a. het eens zijn met deze afwegingen en evenmin of er andere of betere afwegingen mogelijk zijn. Het gaat erom dat VGZ e.a. deze afwegingen mogen maken en dat de gemaakte afwegingen niet kennelijk onredelijk zijn of op andere wijze de vrijheid te buiten gaan die VGZ e.a. in dit verband hebben. Het onderscheid dat VGZ e.a. maken tussen de zorg die podotherapeuten verlenen en die podoposturaal therapeuten en registerpodologen verlenen, is dan ook geen verboden onderscheid.\n\n6.10.. Voor de aangesloten zorgaanbieders kan dit meebrengen dat zij cliënten verliezen of minder cliënten aantrekken, en dat is VGZ e.a. bekend, maar dit is eigen aan het systeem van schadeverzekeringen en de daarin besloten contractsvrijheid, die dus ook geldt voor de aanvullende zorgverzekering. Dit mogelijk financieel nadeel verschaft geen aanspraak jegens VGZ e.a. op vergoeding. Het zou ook bezwaarlijk voor VGZ e.a. zijn om het maken van keuzes ten aanzien van de voorwaarden voor vergoeding mede te moeten laten bepalen door financiële aanspraken van zorgaanbieders, omdat het honoreren van de aanspraak van de één kan leiden tot nadeel van de aanspraak van de ander en\u002Fof ten koste kan gaan van het beperken van zorgkosten in het algemeen. De aangesloten zorgaanbieders hebben geen andere positie dan de positie van andere aanbieders van diensten waarvan de kosten niet vallen onder een schadeverzekering die een verzekerde heeft afgesloten.\n\n6.11.. VGZ e.a. hebben vanaf 2015 bij verschillende gelegenheden te kennen gegeven dat zij het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen willen beëindigen. Aan de omstandigheid dat in overleg de vergoeding enkele jaren is blijven bestaan, hebben LOOP e.a. niet het vertrouwen kunnen en mogen ontlenen dat VGZ e.a. de vergoeding niet meer zouden beëindigen. Daarbij komt dat de aangesloten zorgaanbieders inmiddels enkele jaren de tijd hebben gekregen, ook door de uitspraken in kort geding, om hun bedrijfsvoering aan te passen en zich in te dekken tegen het verlies van de vergoeding. Het is gebleken dat zij dit ook hebben gedaan, met name door zich bij te scholen tot podotherapeut of door een of meer podotherapeuten bij hun praktijk te betrekken.\n\n6.12.. \n\nAlle omstandigheden in aanmerking genomen komt het hof tot de conclusie dat VGZ e.a. niet onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen niet meer te vergoeden. Het hof tekent hierbij aan dat VGZ e.a. hebben verklaard dat dit zal gelden vanaf\n\n1 januari 2027, zoals VGZ e.a. hebben aangekondigd in een brief van 8 april 2026 (productie 30 in hoger beroep), en dat verstrekte vergoedingen niet zullen worden teruggevorderd.\n\n6.13.. Uit het voorgaande volgt dat de grieven 4 en 5 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet slagen.\n\nOvereenkomst\n\n6.14.. LOOP e.a. hebben niet alleen aangevoerd dat VGZ e.a. onrechtmatig handelen als zij de vergoeding beëindigen, maar ook dat er een overeenkomst met LOOP e.a. is die VGZ e.a. verplicht om de kosten van de door LOOP e.a. af te leveren steunzolen te blijven vergoeden. Het wel of niet bestaan van deze overeenkomst is onderwerp van de grieven 1 en 2 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep.\n\n6.15.. \n\nLOOP e.a. stellen in hun memorie van grieven (nr. 5.4) dat VGZ e.a. bij e-mail van\n\n22 november 2015 de afspraak (kennelijk: met LOOP e.a.) hebben gemaakt om de kosten te blijven vergoeden van de steunzolen die door podoposturaal therapeuten en registerpodologen zijn afgeleverd. Volgens LOOP e.a. is deze afspraak bij e-mail van 11 maart 2019 bevestigd. LOOP e.a. voeren aan dat hiermee een nieuwe overeenkomst is gesloten (memorie van grieven nr. 5.5) en dat VGZ e.a. op grond daarvan de kosten zijn blijven vergoeden, en niet op grond van de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen.\n\n6.16.. De e-mails waar LOOP e.a. naar verwijzen, moeten worden gelezen in de context waarin deze zijn verzonden. Vanaf 2015 is het vergoeden van voetzorg onder de basisverzekering door podoposturaal therapeuten en registerpodologen vervallen, terwijl de kosten van door dezen afgeleverde steunzolen onder verschillende aanvullende zorgverzekeringen nog wel werden vergoed. Uit de e-mail van 22 november 2015 van een zorginkoper van Coöperatie VGZ U.A. valt niet méér op te maken dan dat de tekst op bepaalde websites zou worden aangepast. Een overeenkomst over het vergoeden van steunzolen of het bevestigen van een dergelijke overeenkomst, valt in de e-mail niet te lezen. LOOP e.a. hebben ook geen bijkomende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij de e-mail wel op die wijze hebben begrepen en mochten begrijpen.\n\n6.17.. \n\nDe e-mail van 11 maart 2019 is van een medewerker van de afdeling Controles en Correcties Klantdeclaraties. In de e-mail wordt meegedeeld dat de afspraak uit 2015 blijft gehandhaafd en dat dit wil zeggen – in het kort – dat als een verzekerde op grond van een aanvullende zorgverzekering recht heeft op het vergoeden van de kosten van steunzolen, deze steunzolen ook mogen zijn afgeleverd door registerpodologen.\n\nLOOP e.a. hebben hieruit mogen opmaken dat deze handelwijze in 2019 zou blijven bestaan. Er zijn echter geen of onvoldoende feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat zij redelijkerwijs erop hebben mogen vertrouwen dat aan deze e-mail of handelwijze een overeenkomst ten grondslag lag die inhield dat ook na 2019 aanspraak op de vergoeding kon worden gemaakt. Een dergelijke overeenkomst is ook in kort geding niet voorshands aangenomen (zie rov. 4.3 van het vonnis van 10 november 2020 van de voorzieningenrechter en rov. 3.3 van het arrest van 15 februari 2022 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden).\n\n6.18.. De gang van zaken vanaf 2015 maakt verder duidelijk dat het vergoeden van de kosten van door LOOP e.a. afgeleverde steunzolen niet berust op een gewoonte. Het vergoeden is voortdurend onderwerp geweest van gemaakte keuzes en rechterlijke uitspraken. Er is te weinig gesteld of gebleken om aan te nemen dat in de kring van zorgverzekeraars en zorgaanbieders, of tussen partijen, met betrekking tot deze vergoeding een gedragslijn is aan te wijzen die zo algemeen en voortdurend wordt gevolgd, dat men binnen die kring wordt geacht haar na te leven. Het hof wijst er verder nog op dat volgens art. 6:248 lid 1 BW een gewoonte mede de rechtsgevolgen van een gesloten overeenkomst kan bepalen, maar niet een overeenkomst doet ontstaan.\n\n6.19.. \n\nHet hof merkt ten slotte op dat zelfs als sprake zou zijn geweest van een overeenkomst om de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen te vergoeden, en deze overeenkomst van onbepaalde duur zou zijn, er te weinig is gesteld om te oordelen dat VGZ e.a. een dergelijke overeenkomst niet op enig moment mochten of mogen beëindigen. Evenzeer is te weinig gesteld voor het oordeel dat het beëindigen van de vergoeding – en dus van een dergelijke overeenkomst als die bestaat – per\n\n1 januari 2027, zoals VGZ e.a. nu beogen en de wijze waarop dat is gedaan, in strijd is met enige verplichting van VGZ e.a., of naar maatstaven van redelijk en billijkheid onaanvaardbaar is.\n\n6.20.. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben LOOP e.a. hun stellingen in die zin nog aangepast of uitgewerkt dat zij stellen dat de overeenkomst tussen de aangeslotenen en VGZ e.a. een betaalovereenkomst is en dat de enige wijziging in 2015 was dat de kosten niet meer via Stichting LOOP werden gedeclareerd, maar rechtstreeks door de aangesloten zorgaanbieders. Het hof kan in het midden laten of deze aanpassing toelaatbaar is in het licht van de twee-conclusieregel. Ook als het juist is wat LOOP e.a. hier stellen, kan dit niet eraan afdoen dat VGZ e.a. het vergoeden en de gestelde overeenkomst mogen beëindigen.\n\n6.21.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de grieven 1 en 2 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep geen doel treffen.\n\nHet verstrekken van informatie aan verzekerden\n\n6.22.. Met grief 3 in principaal hoger beroep betogen LOOP e.a. dat VGZ e.a. een schimmig beleid voeren ten aanzien van het vergoeden van de kosten van steunzolen en daarover hun verzekerden onjuiste, onvolledige en\u002Fof misleidende informatie verschaffen. Volgens LOOP e.a. levert dit een wanprestatie op van VGZ e.a. jegens hun aanvullend verzekerden en lopen de aangesloten zorgaanbieders hierdoor omzet mis.\n\n6.23.. VGZ e.a. hebben al jaren geleden een einde willen maken aan de praktijk dat de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen werden vergoed, hoewel de vergoeding niet was voorzien in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen. Het blijven vergoeden van deze kosten heeft aanvankelijk plaatsgevonden in overleg met LOOP e.a. en is sinds 2021 het gevolg van uitspraken in kort geding. Er is dus in elk geval al jarenlang geen sprake van een beleid van VGZ e.a. met betrekking tot deze vergoeding, maar van een door de rechter opgelegde verplichting. Met de onderhavige bodemprocedure willen VGZ e.a. hieraan juist een einde maken. Het verwijt dat LOOP e.a. hierover aan VGZ e.a. maken, is onterecht.\n\n6.24.. Dat VGZ e.a. aan hun aanvullend verzekerden onjuiste of misleidende informatie verschaffen over de nu nog bestaande vergoeding voor de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen, valt uit de stellingen van LOOP e.a. niet op te maken. De vermelding op de website(s) van VGZ e.a. waarnaar LOOP e.a. verwijzen (memorie van grieven nr. 5.21) is niet kennelijk onjuist of misleidend. Of de informatie onvolledig is in die zin dat VGZ e.a. podoposturaal therapeuten en registerpodologen niet op dezelfde wijze vindbaar maken als podotherapeuten, en of dit een tekortkoming jegens de aanvullend verzekerden is, hoeft het hof in deze procedure niet te beoordelen. Er is geen vordering ingesteld die daarop betrekking heeft.\n\n6.25.. De conclusie is dat ook grief 3 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet kan leiden tot het vernietigen van het bestreden vonnis.\n\nTegenvorderingen LOOP e.a.\n\n6.26.. LOOP e.a. hebben in eerste aanleg tegenvorderingen ingesteld en die in hoger beroep gewijzigd en aangevuld. Grief 6 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep heeft hierop betrekking.\n\n6.27.. \n\nDe tegenvorderingen van LOOP e.a. hebben tot grondslag dat VGZ e.a. verplicht zijn om de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen te blijven vergoeden, door deze vergoeding op te nemen in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen of door het handhaven van de bestaande praktijk. Het hof heeft vastgesteld dat VGZ e.a. deze verplichting niet hebben.\n\nDe tegenvorderingen zijn daarom niet toewijsbaar. Dit brengt mee dat ook grief 6 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet slaagt.\n\nHet incidenteel hoger beroep\n\n6.28.. De rechtbank heeft de vorderingen van VGZ e.a. alleen toegewezen voor zover deze betrekking hebben op registerpodologen. De rechtbank heeft hiervoor als reden gegeven dat de aangesloten zorgaanbieders registerpodologen zijn en niet ook podoposturaal therapeuten. VGZ e.a. komen hiertegen op in hun grief in incidenteel hoger beroep. Zij wijzen op appellanten in principaal hoger beroep die (ook) podoposturaal therapeuten zijn of podoposturaal therapeut(en) in dienst hebben. LOOP e.a. hebben dit niet tegengesproken, zodat het hof hiervan uitgaat. De vorderingen van VGZ e.a. zijn dus ook toewijsbaar voor zover deze betrekking hebben op podoposturaal therapeuten.\n\n6.29.. De conclusie is dat de grief van VGZ e.a. in incidenteel hoger beroep slaagt.\n\nHet wijzigen en aanvullen van de oorspronkelijke eis van VGZ e.a.\n\n6.30.. VGZ e.a. hebben in hoger beroep hun oorspronkelijke eis aangevuld door het vorderen van een tweede verklaring voor recht. Zij beogen hiermee zekerheid te verkrijgen dat zij het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen mogen beëindigen, kort gezegd, ongeacht op welke grondslag deze vergoeding tot nog toe werd verstrekt.\n\n6.31.. LOOP e.a. maken bezwaar tegen het aanvullen van de eis. Zij stellen dat de aanvulling de omvang van het geschil volledig wijzigt en dat dit hun verdediging hindert, terwijl de aangevulde eis al in eerste aanleg had kunnen worden ingesteld. Zij menen dat de aanvulling in strijd is met de goede procesorde.\n\n6.32.. Voorop staat dat partijen, ook VGZ e.a., vrij zijn om in hoger beroep hun eis te wijzigen en aan te vullen. Inherent aan deze vrijheid is dat het niet uitmaakt dat in eerste aanleg geen oordeel is gegeven over de gewijzigde en aangevulde eis. Dat is dan ook op zichzelf geen reden om de gewijzigde of aangevulde eis buiten beschouwing te laten.\n\n6.33.. Het hof ziet verder niet in dat de aangevulde eis de omvang van het geschil wijzigt. Het geschil gaat erover, en LOOP e.a. hebben dit redelijkerwijs niet anders kunnen opvatten, dat VGZ e.a. het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen willen beëindigen. Het zijn LOOP e.a. zelf geweest die hun verweer mede erop hebben gebaseerd dat tussen partijen een overeenkomst zou bestaan die daaraan in de weg staat. In hoger beroep hebben zij dat uitdrukkelijk tot onderwerp van hun grieven 1 en 2 gemaakt, en daaraan vorderingen verbonden waarmee zij hun oorspronkelijke eis in reconventie hebben uitgebreid. Het staat VGZ e.a. vrij om mede met het oog daarop hun oorspronkelijke eis aan te vullen en te verduidelijken.\n\n6.34.. Het valt verder evenmin in te zien op welke wijze LOOP e.a. door het aanvullen van de eis in hun verdediging zijn benadeeld. Zij hebben niet (voldoende) duidelijk gemaakt dat zij niet in staat zijn geweest om over het vergoeden en de grondslagen daarvan aan te voeren wat zij nodig achtten. Ook voor het overige is niets of te weinig aangedragen om te oordelen dat het aanvullen van de eis in strijd is met de goede procesorde.\n\n6.35.. De conclusie is dat het bezwaar van LOOP e.a. tegen het wijzigen en aanvullen van de oorspronkelijke eis van VGZ e.a. ongegrond is.\n\n6.36.. Uit hetgeen het hof heeft overwogen bij het bespreken van de grieven van LOOP e.a. in principaal hoger beroep, volgt dat ook de verklaring voor recht die VGZ e.a. voor het eerst in hoger beroep vorderen, moet worden gegeven. Het hof zal daarbij in het midden laten of het gaat om een vergoeding die uit coulance is gegeven, omdat dit niet relevant is voor de uitspraak in deze zaak.\n\nSlot\n\n6.37.. \n\nWat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan niet leiden tot een andere uitkomst van deze procedure. Er zijn dus ook geen feiten gesteld die moeten worden bewezen.\n\nDit brengt mee dat het bewijsaanbod van LOOP e.a. wordt gepasseerd.\n\n6.38.. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover de verklaring voor recht in het dictum onder 5.1 geen betrekking heeft op podoposturaal therapeuten en de vorderingen van VGZ e.a. in zoverre in 5.6 zijn afgewezen. Voor de duidelijkheid zal het hof deze verklaring voor recht in haar geheel opnemen in het dictum van dit arrest. Verder zal het hof de tweede verklaring voor recht geven die VGZ e.a. in hoger beroep hebben gevorderd. De gewijzigde eis van LOOP e.a. zal het hof afwijzen.\n\nProceskosten\n\n6.39.. LOOP e.a. zijn in hoger beroep in het ongelijk gesteld en moeten om die reden de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep dragen. De proceskosten in principaal hoger beroep van VGZ e.a. stelt het hof als volgt vast:\n\n- griffierecht € 798,00\n\n- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, 2 punten)\n\nTotaal € 3.378,00\n\n6.40.. De proceskosten in incidenteel hoger beroep stelt het hof vast op € 645,00 (tarief II, 0,5 punt), omdat geen werkzaamheden in incidenteel hoger beroep zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen.\n\n6.41.. De rechtbank heeft in eerste aanleg LOOP e.a. niet hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, omdat VGZ e.a. niet duidelijk hadden gemaakt waarop zij de hoofdelijkheid baseren (rov. 4.20). Ook in hoger beroep hebben VGZ e.a. dit niet gedaan. Het hof zal om die reden geen hoofdelijke proceskostenveroordeling uitspreken.\n\n6.42.. \n\nOver de proceskosten is de wettelijke rente verschuldigd als bedoeld in art. 6:119 BW, en niet de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW, zoals VGZ e.a. vorderen.\n\nEr is immers geen sprake van een verbintenis tot betaling van een geldsom die voortvloeit uit een handelsovereenkomst.\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin principaal en incidenteel hoger beroep\n\n7.1.. bekrachtigt het bestreden vonnis, behalve voor zover de verklaring voor recht in het dictum onder 5.1 van dat vonnis geen betrekking heeft op podoposturaal therapeuten en de vorderingen van VGZ e.a. in zoverre in 5.6 zijn afgewezen;\n\n7.2.. vernietigt in zoverre het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:\n\n7.3.. verklaart voor recht dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrij staat om in de polisvoorwaarden van hun aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen die zijn afgeleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten;\n\n7.4.. verklaart voor recht dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrij staat om de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen die zijn afgeleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten te beëindigen;\n\n7.5.. veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, LOOP e.a. in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 4.023,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;\n\n7.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, J.W. Hoekzema en M. Spanjaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1670","2026-07-13T00:29:49.552Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":50,"updatedAt":68},"1824","ECLI:NL:RBAMS:2026:6590","ecli-nl-rbams-2026-6590","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12005894 \\ CV EXPL 25-17014\n\nVonnis van 19 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,\n\nbeide wonende te [woonplaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\ngemachtigde: mr. B.J. den Hartog,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\ngedaagde partij,\n\ngemachtigde: mr. H.W. Omvlee.\n\nPartijen worden hierna [eisers] , of afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] , en [gedaagde] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 10 april 2026 en de daarin vermelde stukken,\n\n- de akte van 29 april 2026 met aanvullende producties van [eisers] ,\n\n- de antwoordakte van 5 juni 2026 van [gedaagde] .\n\n1.2.. Ten slotte wordt vandaag vonnis gewezen.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Het geschil tussen partijen gaat over de uitkering van € 5.189,66 die [gedaagde] heeft ontvangen als begunstigde van de uitvaartverzekering van wijlen de heer [erflater] , haar toenmalig partner. [eisers] zijn de dochters van [erflater] en vorderen dit verzekeringsgeld omdat zij stellen voor de uitvaart betaald te hebben. [eisers] vorderen betaling van € 5.189,66, vermeerderd met rente en kosten, op grond van ongerechtvaardigde verrijking.\n\n2.2.. In het tussenvonnis van 10 april 2026 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is, omdat zij als begunstigde van de uitvaartverzekering een bedrag van € 5.189,66 heeft ontvangen, zonder te hebben betaald voor de uitvaart van [erflater] . Indien zou komen vast te staan dat [eisers] de uitvaart hebben betaald, zijn [eisers] verarmd. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is ten koste van degene die de uitvaart betaald heeft, waarvoor geen redelijke grond bestaat. [gedaagde] heeft betwist dat [eisers] voor de uitvaart hebben betaald. De kantonrechter heeft [eisers] vervolgens in de gelegenheid gesteld om te onderbouwen dat en hoeveel zij voor de uitvaart hebben betaald.\n\n2.3.. In hun akte van 29 april 2026 hebben [eisers] enkele producties overgelegd ter onderbouwing van hun verarming. Ten eerste hebben ze de factuur van uitvaartverzorger Monuta overgelegd. Deze factuur van 1 juni 2023 bedraagt € 9.811,79 en staat op naam van [eiser 2] . Ten tweede hebben [eisers] bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] in totaal € 4.500,- aan Monuta heeft overgemaakt ter betaling van de factuur. Ten derde blijkt uit bankafschriften dat [eiser 2] € 960,- heeft betaald aan gerechtsdeurwaarders. Van dit bedrag bestaat € 825,- uit 11 betalingen van € 75,- die vanaf 28 april 2025 maandelijks via iDeal aan [internetsite] worden betaald. Tot slot hebben [eisers] e-mailcorrespondentie met Monuta overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] op 18 december 2023 een aanmaning heeft ontvangen. Daarin staat ook dat als [eiser 2] niet tijdig betaalt, de vordering uit handen zal worden gegeven aan een incassobureau. In januari 2024 is [eiser 2] met Monuta een betalingsregeling voor de duur van minstens een halfjaar overeengekomen. Op 16 september 2024 heeft Monuta aan [eiser 2] gemaild dat er nog een bedrag van € 5.351,79 openstaat en dat ze in principe alleen betalingsregelingen van zes maanden na de factuurdatum aangaan.\n\n2.4.. In haar antwoordakte heeft [gedaagde] betwist dat het bedrag dat [eiser 2] aan de deurwaarder heeft betaald dient ter voldoening van de vordering van Monuta.\n\n2.5.. De kantonrechter constateert om te beginnen dat alleen [eiser 2] een betalingsverplichting met Monuta is aangegaan, gelet op de factuur en bankafschriften. Haar zus [eiser 1] staat in deze documenten niet genoemd dus komt niet vast te staan dat zij aan de uitvaartkosten heeft bijgedragen. De vordering ten aanzien van haar zal daarom worden afgewezen.\n\n2.6.. De kantonrechter overweegt verder dat de omvang van schadevergoedingsverbintenis wordt gemaximeerd door de omvang van de verrijking. Dit betekent dat de schadevergoedingsverbintenis maximaal € 5.189,66 kan bedragen. De kantonrechter oordeelt dat de verarming van [eiser 2] van deze omvang is komen vast te staan. Op grond van de overgelegde factuur staat vast dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,79 aan Monuta verschuldigd is. Op de zitting heeft [eiser 2] verklaard dat zij dit bedrag in termijnen aan het afbetalen is en dit volgt ook uit de door haar overgelegde stukken. Uit de bankafschriften volgt dat zij € 4.500,- rechtstreeks aan Monuta heeft betaald. Zij stelt dat de resterende vordering van Monuta is overgedragen aan de deurwaarder waaraan zij € 75,- per maand betaalt. De kantonrechter ziet geen reden om te twijfelen aan het feit dat de bedragen van € 75,- ook op de voldoening van de factuur van Monuta zien, gelet op de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen Monuta en [eisers] (r.o. 2.3) en de factuur waaruit volgt dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,70 aan Monuta verschuldigd is. Dit betekent dat [gedaagde] ten aanzien van de uitkering van € 5.189,66 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiser 2] . De vordering zal ten aanzien van [eiser 2] worden toegewezen.\n\n2.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser 2] betalen. Het salaris gemachtigde wordt voor de akte niet met 0,5 punt verhoogd, omdat [eiser 2] de facturen en betalingen ook al bij dagvaarding of bij de mondelinge behandeling had kunnen overleggen. De proceskosten van [eiser 2] worden vastgesteld op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n146,14\n\n- griffierecht\n\n€\n\n257,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,-)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.267,14\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 5.189,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 mei 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser 2] van € 1.267,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.3.. verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, kantonrechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6590","2026-07-13T00:29:40.584Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":73,"fullText":74,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":50,"updatedAt":77},"1044","ECLI:NL:RBAMS:2026:6705","ecli-nl-rbams-2026-6705","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12061285 \\ CV EXPL 26-792\n\nVonnis van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] (Objection Service),\n\ntegen\n\n1. [gedaagde] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats],\n\nhierna te noemen: [gedaagde], 2. EURO INSURANCES DAC,\n\ngevestigd te Hoofddorp,\n\nhierna te noemen: Euro Insurances,\n\ngedaagde partijen,\n\ngemachtigde: mr. H.A.C. Trimbach.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen van 31 december 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord,\n\n- de aanvullende stukken van [eiser] van 16 januari 2026,\n\n- het tussenvonnis van 10 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 12 mei 2026. [eiser] en haar gemachtigde waren hierbij niet aanwezig, hoewel zij daartoe wel waren opgeroepen. De gemachtigde van [gedaagde] en Euro Insurances was aanwezig. Hij heeft zijn standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] is de eigenaar van de personenauto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Op 16 januari 2025 is deze auto bij het achteruitrijden aangereden door een voertuig waarvan het kenteken op naam van [gedaagde] staat en die verzekerd is bij Euro Insurances.2.2.. \n [eiser] heeft [gedaagde] schriftelijk aansprakelijk gesteld voor de schade aan haar auto.\n\n2.3.. Door een schade-expert is de schade aan de auto vastgesteld. In het rapport worden de herstelkosten begroot op € 3.025,00, de dagwaarde van de auto op € 2.500,00 en de restwaarde op € 500,00. De schade-uitkering is op basis daarvan vastgesteld op € 2.000,00. Euro Insurances heeft dit bedrag uitgekeerd aan [eiser] .\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] en Euro Insurances tot betaling van:\n\n€ 498,00 voor een DAB+-systeem en camera,\n\n€ 5,10 aan RDW-onderzoekskosten,\n\n€ 554,00 aan kosten voor rechtsbijstand,\n\n€ 306,50 aan deurwaarderskosten.\n\n3.2.. Verder vordert [eiser] de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen en veroordeling van gedaagde partijen in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. \n [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Bij het bepalen van de dagwaarde van de auto is ten onrechte geen rekening gehouden met DAB+-apparatuur die kort voor het ongeval in de auto was geïnstalleerd. De apparatuur heeft geleid tot een waardevermeerdering van de auto. Het systeem was duurzaam met het voertuig verbonden en was uitsluitend geschikt voor dit specifieke model. [eiser] wil deze kosten dan ook vergoed zien, aangezien zij op grond van artikel 6:97 BW zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht als waarin zij zich zou hebben bevonden als het ongeval niet had plaatsgevonden. De overige kosten heeft [eiser] noodzakelijkerwijs moeten maken omdat een inhoudelijke reactie van [gedaagde] en Euro Insurance uitbleef. Volgens [eiser] is [gedaagde] op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk voor de schade. Deze schade is namelijk veroorzaakt door een ondergeschikte van [gedaagde]. Daarnaast heeft [eiser] zich op grond van artikel 6 WAM rechtstreeks gewend tot Euro Insurances als verzekeraar van het voertuig van de wederpartij.\n\n3.4.. \n [gedaagde] en Euro Insurances voeren verweer. [gedaagde] betwist dat sprake is van werkgeversaansprakelijkheid. De auto is middels een leaseovereenkomst ter beschikking gesteld aan de afnemer. Verder betwist Euro Insurances primair dat de apparatuur in de auto aanwezig was. Subsidiair stelt zij zich dat als de apparatuur in de auto geïnstalleerd was, deze niet duurzaam met het voertuig was verbonden. Verder stelt Euro Insurances zich op het standpunt dat de schade-expert de accessoires, en dus daarmee ook de DAB+-apparatuur, heeft meegenomen in het schaderapport. Bovendien heeft Euro Insurance uitgelegd dat voor zover de apparatuur niet zou zijn meegenomen in het schaderapport, de dagwaarde van de auto met de waarde van de apparatuur zou worden verhoogd. Als gevolg hiervan zou de wrakwaarde met hetzelfde bedrag worden verhoogd. Dit zou betekenen dat het netto uit te keren schadebedrag in dat geval hetzelfde is. De auto de auto en de DAB+-apparatuur zijn bovendien nog steeds in gebruik bij [eiser] . [eiser] heeft dan ook geen schade geleden, aldus steeds Euro Insurances.\n\n3.5.. \n\nOp de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVorderingen ten aanzien van [gedaagde]4.1.. heeft gemotiveerd betwist dat er een arbeidsrechtelijke relatie bestaat tussen haar en de bestuurder van de auto die [eiser] heeft aangereden. [eiser] heeft dit standpunt van [gedaagde] verder niet meer weersproken. Evenmin heeft zij (met stukken) onderbouwd dat de bestuurder van de auto werknemer van [gedaagde] is. Gelet hierop oordeelt de kantonrechter dat een grondslag voor de vorderingen ten aanzien van [gedaagde] ontbreekt. Deze worden dan ook ten aanzien van [gedaagde] afgewezen.\n\nVorderingen ten aanzien van Euro Insurance4.2.. Vervolgens is de vraag of Euro Insurances de kosten voor de DAB+-apparatuur, die volgens [eiser] kort voor het ongeval in de auto geïnstalleerd was, en de door [eiser] gevorderde bijkomende kosten moet vergoeden. Hierover oordeelt de kantonrechter als volgt.\n\n4.3.. Euro Insurances betwist dat de DAB+-apparatuur in de auto aanwezig was. De beoordeling van de vraag of dit het geval was, kan echter in het midden blijven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Euro Insurances immers gemotiveerd aangevoerd dat de DAB+-apparatuur – anders dan [eiser] heeft gesteld – eenvoudig gedemonteerd kan worden en dus herbruikbaar is. Nu [eiser] niet ter zitting aanwezig was, heeft zij dit standpunt van Euro Insurance niet weersproken. Evenmin heeft zij (met stukken) onderbouwd dat deze apparatuur duurzaam met de auto was verbonden. Gelet hierop is de kantonrechter met Euro Insurances dan ook van oordeel dat [eiser] ten aanzien van de DAB+-apparatuur geen schade lijdt.\n\n4.4.. Daar komt bij dat Euro Insurances onweersproken heeft gesteld dat als de waarde van de DAB+-apparatuur door de schade-expert in zijn rapport was meegenomen, dit had geleid tot zowel een hogere dagwaarde als een hogere de restwaarde van de auto, waardoor de hoogte van de schade-uitkering op hetzelfde bedrag was berekend als nu is gebeurd.\n\n4.5.. Gelet op het voorgaande heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat zij met betrekking tot de DAB+-apparatuur schade heeft geleden of dat zij anderszins benadeeld is. Deze vordering ten aanzien van Euro Insurance wordt daarom afgewezen.\n\n4.6.. De door [eiser] gevorderde kosten voor RDW-kentekenonderzoek worden toegewezen. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat zij deze kosten heeft moeten maken om de gegevens van de verzekeraar te achterhalen en deze kosten komen de kantonrechter niet onredelijk voor. De gevorderde wettelijke rente hierover is toewijsbaar als hierna te melden, omdat Euro Insurances deze kosten niet op tijd heeft betaald.\n\n4.7.. De overige door [eiser] gevorderde kosten worden afgewezen. Nog daargelaten dat de gevorderde deurwaarderskosten niet overeenkomen met de factuur die zij ter onderbouwing heeft overgelegd, worden deze geacht onderdeel uit te maken van een proceskostenveroordeling. Voor zover [eiser] met het vorderen van de kosten voor rechtsbijstand een veroordeling in de werkelijke proceskosten heeft willen vorderen, wordt deze vordering eveneens afgewezen. Een dergelijke vordering is immers alleen toewijsbaar in buitengewone omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesrecht. Van dergelijke omstandigheden is niet gesteld of gebleken. De enkele stelling dat [eiser] zich genoodzaakt zag gedaagde partijen te dagvaarden omdat een inhoudelijke afhandeling uitbleef, is hiervoor onvoldoende.\n\nProceskosten4.8.. \n [eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] en Euro Insurances worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n434,00\n\n(2 punten × € 217,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n108,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n542,50\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen ten aanzien van [gedaagde] af,\n\n5.2.. veroordeelt Euro Insurances om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5,10, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 december 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D.C. Vink.\n\n57327","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6705","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:00.977Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":43,"courtId":82,"decisionDate":73,"fullText":83,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":50,"updatedAt":85},"1571","ECLI:NL:RBZWB:2026:5641","ecli-nl-rbzwb-2026-5641",62,"RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F02\u002F441050 \u002F HA RK 25-239\n\nHerstelbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mr. J.F. Roth,\n\ntegen\n\n1. [verweerder] B.V.,\n\nte [plaats 2],\n\nhierna te noemen: [verweerder] 2. NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,\n\nadvocaat: mr. J.M. Bruidegom,\n\nte 's-Gravenhage,\n\nhierna te noemen: Nationale Nederlanden\n\nverwerende partijen,\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Op 3 juni 2026 is in deze zaak een beschikking gewezen. De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat in deze beschikking de voorschotbedragen voor de deskundigen niet apart benoemd zijn in de beschikking. Voor een juiste financiële afwikkeling is dit wel nodig. Daarom heeft de rechtbank op 4 juni 2026 aan partijen het voornemen geuit om de beschikking op dit punt aan te passen en hen verzocht een eventueel bezwaar tegen de aanpassing kenbaar te maken.\n\n1.2.. De advocaten van partijen hebben op respectievelijk 5 en 7 juni 2026 aangegeven tegen dit voorstel geen bezwaar te hebben.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat het niet opnemen van de voorschotbedragen van de deskundigen in de beschikking van 3 juni 2026 een kennelijke fout betreft die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechtbank zal daarom rechtsoverweging 4.9. aanvullen op de wijze als in het dictum vermeld.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. bepaalt dat rechtsoverweging 4.9. in de beschikking van 3 juni 2026 waar staat:\n\n“Volgens de hoofdregel moet het voorschot op de kosten van de deskundigen in beginsel door de verzoekende partij worden voldaan. In dit geval heeft Nationale Nederlanden de aansprakelijkheid voor het voorval erkend en aangegeven bereid te zijn de kosten van deze onderzoeken te dragen. De rechtbank oordeelt daarom dat Nationale Nederlanden de voorschotten van de deskundigen zal betalen. Partijen hebben zich schriftelijk akkoord verklaard met de begrotingen van dr. [deskundige 1] en drs. [deskundige 2] .”\n\nwordt gewijzigd in:\n\n“Volgens de hoofdregel moet het voorschot op de kosten van de deskundigen in beginsel door de verzoekende partij worden voldaan. In dit geval heeft Nationale Nederlanden de aansprakelijkheid voor het voorval erkend en aangegeven bereid te zijn de kosten van deze onderzoeken te dragen. De rechtbank oordeelt daarom dat Nationale Nederlanden de voorschotten van de deskundigen zal betalen. Partijen hebben zich schriftelijk akkoord verklaard met de begrotingen van dr. [deskundige 1] en drs. [deskundige 2] . Het voorschot van dr. [deskundige 1] bedraagt € 6.872,80 (inclusief btw) en het voorschot van drs. [deskundige 2] bedraagt € 10.066,11 (inclusief btw)”\n\n3.2.. bepaalt dat deze wijziging onder vermelding van de datum 18 juni 2026 wordt vermeld op de minuut van de beschikking gedateerd op 3 juni 2026,\n\n3.3.. gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het beschikking van 3 juli 2025 na ontvangst van deze herstelbeschikking aan de griffie van de rechtbank te retourneren.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Noort en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5641","2026-07-13T00:29:27.620Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":43,"courtId":90,"decisionDate":91,"fullText":92,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":50,"updatedAt":95},"1621","ECLI:NL:RBMNE:2026:3578","ecli-nl-rbmne-2026-3578",63,"2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: 11819212 \\ UC EXPL 25-6229\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nFBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,\n\ngevestigd in Leeuwarden,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: FBTO,\n\ngemachtigde: mr. D. de Waard,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Aygün.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2. De zaak is op 28 april 2026 besproken tijdens de mondelinge behandeling. Namens FBTO was [.] (gemachtigde) aanwezig. [gedaagde] en zijn gemachtigde mr. M. Aygün waren aanwezig.\n\n1.3.. Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. Op 2 augustus 2021 in [plaats 1] heeft tussen [gedaagde] en [A] een voorval plaatsgevonden, waarbij [gedaagde] aan [A] letsel heeft toegebracht. [A] heeft hiervoor een medische behandeling moeten ondergaan. FBTO heeft als ziektekostenverzekeraar van [A] de door hem gemaakte medische kosten vergoed. FBTO wil in deze procedure het bedrag van € 1.895,26 dat zij aan schade heeft vergoed verhalen op [gedaagde] . Volgens FBTO is er sprake van een onrechtmatige daad van [gedaagde] en is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade. [gedaagde] betwist aansprakelijk te zijn voor de schade. Ook stelt [gedaagde] dat er sprake is van eigen schuld van [A] waardoor een groot deel van de schade voor FBTO moet blijven. De kantonrechter wijst de gevorderde schade gedeeltelijk toe.\n\n3. De beoordeling\n\n [gedaagde] heeft onrechtmatig tegenover [A] gehandeld\n\n3.1.. Vooropgesteld wordt dat op grond van het bepaalde in artikel 161 van het Wetboek van Rechtsvordering een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. In het onderhavige geval staat vast dat [gedaagde] door de strafrechter bij vonnis van 7 september 2022 is veroordeeld voor poging tot doodslag.De strafrechter heeft bewezen verklaard dat [gedaagde] [A] heeft gestoken met een mes in de romp. Het vonnis van de strafrechter is onherroepelijk. Dat betekent dat – behoudens tegenbewijs – als vaststaand dient te worden aangenomen dat [gedaagde] [A] met een mes heeft gestoken, waardoor [A] lichamelijk letsel heeft opgelopen. [gedaagde] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat dit bewezen verklaarde feit in déze procedure niet als vaststaand feit kan worden aangenomen. Het enkel stellen dat het mes nooit is teruggevonden en dat hij [A] met een huissleutel een vuistslag heeft gegeven is daartoe niet voldoende. Dit had [gedaagde] kunnen weten omdat de strafrechter deze stelling al als ‘volstrekt ongeloofwaardig’ heeft aangemerkt. De vaststaande messteek in de romp leidt in beginsel tot de conclusie dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover [A] heeft gehandeld.\n\nIs er sprake van een rechtvaardigingsgrond?\n\n3.2.. Van onrechtmatig handelen is geen sprake als komt vast te staan dat voor het handelen van [gedaagde] een rechtvaardigingsgrond bestaat.De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond doet namelijk een daad, welke naar algemene omschrijving onrechtmatig zou zijn, in het concrete geval geheel haar onrechtmatig karakter verliezen.3.3.. De kantonechter is van oordeel dat het beroep van [gedaagde] op de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond niet slaagt. De kantonrechter legt hierna uit waarom. Overmacht of noodweer wordt als rechtvaardigingsgrond aangemerkt. Onder noodweer (in strafrechtelijke zin) wordt verstaan een gedraging die geboden is door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De wijze van verdediging moet voldoen aan het proportionaliteits- en het subsidiariteitsvereiste: er mag geen wanverhouding bestaan tussen de wijze van verdediging en de ernst van de aanranding, en degene die zich op noodweer beroept moet niet met een minder schadelijke wijze van verdediging hebben kunnen volstaan. Het bestaan van de rechtvaardigingsgrond moet – als bevrijdend verweer – in een civiele procedure als hier aan de orde, door [gedaagde] worden bewezen.\n\n3.4.. Volgens [gedaagde] was er sprake van noodweer. [gedaagde] heeft daartoe gesteld dat hij zich heeft moeten verdedigen tegen de agressie van [A] . [gedaagde] stond namelijk met een groep jongens bij een bankje op het [locatie] . Zij werden opeens door tien tot vijftien jongens van de groep waar [A] toe behoort omsingeld. [A] kwam toen op de groep af rennen op zoek naar mensen om te slaan. Daarbij heeft hij een vriend van [gedaagde] en [gedaagde] zelf geslagen. [gedaagde] voelde zich bedreigd omdat hij veel kleiner is dan [A] . Ook kon [gedaagde] naar eigen zeggen niet weg uit deze situatie omdat hij werd omsingeld door de jongens uit de groep van [A] . [gedaagde] heeft daarom [A] een vuistslag gegeven. FBTO heeft daar tegenover gesteld dat het hier ging om een vechtpartij met een vriend van [gedaagde] en niet met [gedaagde] zelf. Volgens FBTO was er wel ruimte voor [gedaagde] om zich te onttrekken aan de vechtpartij. Ook stond het door [gedaagde] gekozen middel om zijn vriend te verdedigen niet in verhouding tot de ernst van de aanval. [gedaagde] heeft daarom niet proportioneel gehandeld.\n\n3.5.. De kantonrechter stelt vast dat op 2 augustus 2021 de groep waartoe [A] behoort op zoek was naar de groep van [gedaagde] . De kantonrechter verwijst daartoe naar de bij de politie afgelegde verklaring van [A] waaruit dit blijkt. [A] heeft namelijk verklaard: “(…)Toen ik aan kwam (…) was er geen groep jongens meer(…) In het dorp kwamen we nog wel wat jongens tegen maar dat waren niet degene die mijn vriend lastig hadden gevallen. Later zijn we met de hele groep, we waren met 10 à 15 man, in de richting van het plein gelopen. Daar was de groep jongens, het zijn allemaal jonge jongens die mijn vriend hadden lastig gevallen.”[A] en de groep waartoe hij behoort waren duidelijk uit op een gevecht. De kantonrechter stelt op basis van de door [gedaagde] overgelegde foto’s van de politie camerabeelden rondom het incident vast dat [A] zich doelbewust in de vechtpartij heeft gemengd.Dat [A] op [gedaagde] is afgekomen en naast zijn vriend ook [gedaagde] zelf een klap heeft gegeven, zoals [gedaagde] ter zitting heeft gesteld, is niet te zien op de foto’s van de camerabeelden en wordt ook door FBTO weersproken.Op de foto’s is ook niet te zien dat de groep van [A] de groep van [gedaagde] heeft omsingeld zoals [gedaagde] heeft gesteld.Zo is niet te zien of er achter de bomen op het plein ook jongens uit de groep van [A] stonden. Het lag op de weg van [gedaagde] om dat aan te tonen. Dat had [gedaagde] bijvoorbeeld kunnen doen door op een plattegrond met een inrichting van het plein aan te geven waar de jongens uit de groep van [A] precies stonden. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.\n\n3.6.. De kantonrechter overweegt dat gezien de onder 3.5 genoemde omstandigheden er sprake was van een bedreigende situatie voor de vriend van [gedaagde] en niet zozeer voor [gedaagde] zelf. Dat [gedaagde] zich genoodzaakt voelde zijn vriend te verdedigen acht de kantonrechter gerechtvaardigd. Maar de wijze waarop [gedaagde] zijn vriend (en mogelijk ook zichzelf) heeft verdedigd staat niet in verhouding tot de ernst van het handelen van [A] tegenover [gedaagde] . [A] heeft een klap aan de vriend van [gedaagde] uitgedeeld waarop hij door [gedaagde] met een mes is gestoken. Zoals FBTO onweersproken heeft gesteld, had dit nog veel ernstiger kunnen aflopen. Dit blijkt ook uit het strafvonnis waarin het volgende citaat van een forensisch arts is opgenomen: ‘Gezien de plaats van de steekwond op de overgang van buik en borst had dit kunnen leiden tot dodelijke bloedingen en zeer ernstige orgaanbeschadigingen.’Naar het oordeel van de kantonrechter had [gedaagde] zich op een minder ingrijpende wijze kunnen verdedigen. Zo had [gedaagde] weg kunnen komen door uit de vechtende groep te stappen. Dat [gedaagde] geen ruimte had om weg te komen omdat hij volledig was omsingeld is, zoals onder 3.5 is overwogen, niet gebleken. Daarom heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat hij niet met een minder schadelijke wijze van verdediging heeft kunnen volstaan. Dat betekent dat noodweer niet kan worden aangenomen. Het handelen van [gedaagde] moet dus als onrechtmatig handelen worden aangemerkt.\n\nGeen sprake van een overmachtssituatie\n\n3.7.. Ook heeft [gedaagde] een beroep gedaan op de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond, namelijk noodweerexces, die aan toerekenbaarheid van een onrechtmatige daad in de weg staat.Toerekening van de daad aan de dader vindt plaats wanneer deze is te wijten aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens wet of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Een terecht beroep op noodweerexces staat aan aansprakelijkheid in de weg.\n\n3.8.. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake was van een overmachtssituatie. Dat [gedaagde] bang was en dacht dat [A] hem iets ging aandoen is daarvoor niet voldoende. De strafrechter heeft hierover al overwogen dat de omstandigheid dat [gedaagde] bang was om zelf te worden geslagen, onvoldoende is voor het aannemen van een dergelijke hevige gemoedstoestand.Ter zitting heeft [gedaagde] gesteld dat hij bang was omdat hij klein en tenger was en [A] veel groter was dan hij en omdat hij eerder een vechtpartij heeft meegemaakt. Omdat [gedaagde] niet zelf door [A] is aangevallen zijn deze omstandigheden echter onvoldoende om in deze (civiele) procedure wel aan te nemen dat [gedaagde] in een hevige gemoedstoestand verkeerde die ertoe leidde dat de noodzakelijke verdediging verder ging dan in die situatie geboden was.\n\n3.9.. De kantonrechter concludeert op grond van het voorgaande dat het onrechtmatig handelen van [gedaagde] aan hem kan worden toegerekend.\n\nEigen schuld en billijkheidscorrectie\n\n3.10.. Naar het oordeel van de kantonrechter moet een deel van de door [A] geleden schade als eigen schuld voor zijn rekening en risico blijven. De kantonrechter legt hierna uit waarom. Artikel 6:101 BW geeft als uitgangspunt dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Deze laatste toets wordt aangeduid als de billijkheidscorrectie.3.11.. Volgens [gedaagde] heeft [A] met de groep waartoe hij behoort moedwillig het gevecht met de andere groep opgezocht. Ook heeft [A] in plaats van zich afzijdig te houden zich doelbewust in het gevecht gemengd. Daarmee heeft [A] het risico genomen om gewond te raken. Omdat [A] heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade moet een deel van de medische kosten voor rekening van FBTO blijven. Volgens FBTO heeft [A] niet doelbewust het risico opgezocht om met een mes gestoken te worden. Het verdedigingsmiddel door het gebruik van een mes stond niet in verhouding tot de ernst van de aanval van [A] die met blote vuisten het gevecht aan ging. FBTO betwist dan ook dat er sprake is van eigen schuld van [A]\n\n3.12.. \n\nDe kantonrechter stelt vast dat zowel [gedaagde] als [A] hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Uit de foto’s van de camerabeelden rondom het incident met bijbehorende beschrijving volgt dat de mishandeling door [gedaagde] niet kan worden gezien als een op zichzelf staand feit. Uit de hiervoor onder 3.4 weergegeven omstandigheden kan worden afgeleid dat [A] de confrontatie met [gedaagde] niet uit de weg is gegaan. In tegendeel, [A] heeft zich doelbewust in het gevecht gemengd. Op de foto’s is te zien dat [A] om zich heen slaat en ook na het door [gedaagde] toegebrachte letsel de confrontatie met andere mensen bleef opzoeken.Door zo agressief te handelen heeft [A] bewust een gevaarzettende situatie opgezocht, en het reële risico aanvaard dat hij bij de vechtpartij betrokken zou raken en daarbij letsel zou kunnen oplopen. Daarmee is sprake van enige mate van eigen schuld aan de zijde van [A] als bedoeld in artikel 6:101 BW. FBTO heeft onvoldoende ingebracht om dat anders te zien. De kantonrechter acht wel de rol van [gedaagde] bij het ontstaan van de schade van [A] groter omdat de verdediging met een mes door [gedaagde] in dit geval disproportioneel is. [A] hoefde niet te verwachten dat hij als gevolg van zijn eigen handelen ernstig gewond zou raken en zelfs het leven zou kunnen laten door een messteek. [gedaagde] had ook kunnen verwachten dat [A] als gevolg daarvan medisch behandeld zou moeten worden en daardoor schade zou lijden en heeft de aanmerkelijk kans op ernstiger letsel aanvaard. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben de aan [A] toe te rekenen omstandigheden voor 25% bijgedragen aan het ontstaan van de schade. De kantonrechter ziet dan ook reden 25% van de schade voor rekening van [A] te laten.\n\nBillijkheidscorrectie3.13.. \n [gedaagde] doet een beroep op de billijkheidscorrectie en komt tot een 80% aansprakelijkheid van [A] . Volgens [gedaagde] dient er rekening mee gehouden te worden dat [A] zich niet afzijdig heeft gehouden en heeft gezorgd voor een voor hem bedreigende situatie. [gedaagde] heeft zich door de bedreiging van de grotere groep van [A] en de aanval van [A] zelf geïntimideerd en angstig gevoeld.\n\n3.14.. De kantonrechter acht voor de beoordeling of er op grond van de billijkheid een andere verdeling moet komen van belang dat [gedaagde] bedreigd werd door een aanzienlijk grotere groep, hij zich daardoor geïntimideerd voelde en dat hij erg angstig was. Door de chaotische situatie en zijn angst is het zeer goed mogelijk dat [gedaagde] het gevoel heeft gehad dat hij geen kant meer op kon. De kantonrechter vindt het zeer kwalijk dat [A] vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] is gekomen om te vechten terwijl hem zelf niets was aangedaan. [gedaagde] is dan ook door [A] in deze situatie terecht gekomen. [gedaagde] heeft weliswaar verkeerd gehandeld door [A] met een mes te steken maar dat neemt niet weg dat [A] de aanstichter van de vechtpartij is geweest. Deze omstandigheden maken dat in dit geval tot een andere verdeling van de schade op grond van de billijkheidscorrectie wordt gekomen dan die op basis van de causaliteit. De kantonrechter komt gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden tot 50% aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de door [A] geleden schade.\n\nSchadevergoeding\n\n3.15.. FBTO vordert € 1.895,26 aan (materiële) schade. Dit zijn de medische kosten die [A] heeft moeten maken voor behandeling in het ziekenhuis.FBTO heeft tegen de gevorderde schade geen verweer gevoerd. De gevorderde schade wordt daarom toegewezen met inachtneming van het percentage eigen schuld van [A] . Vanwege de 50% eigen schuld van [A] dient [gedaagde] een bedrag van € 947,63 te vergoeden.\n\n [gedaagde] moet de wettelijke rente betalen\n\n3.16.. FBTO vordert de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 2 februari 2023. Dit zal worden toegewezen over het toegewezen bedrag van € 947,63 tot aan de dag van volledige betaling.\n\n [gedaagde] moet de door FBTO gemaakte buitengerechtelijke kosten vergoeden\n\n3.17.. FBTO vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. FBTO heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat sprake is van verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Aan de voornoemde criteria is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 172,- inclusief btw worden toegewezen.\n\n3.18.. \n [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van FBTO worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n146,14\n\n- griffierecht\n\n€\n\n385,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n432,00\n\n(3 punten × € 144,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n72,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.035,14\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan FBTO van een schadevergoeding van € 947,63 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 februari 2023 tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2. veroordeelt [gedaagde] om aan FBTO te betalen een bedrag van € 172,00 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw,\n\n4.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.035,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.5. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door A.L. Poort-Gleusteen en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026\n\n Productie 1 bij de dagvaarding\n\n Artikel 6:162 lid 2 BW\n\n Productie 1 bij de conclusie van antwoord\n\n Productie 2 bij de conclusie van antwoord\n\n Productie 2 bij de conclusie van antwoord pagina 3, 4 en 5\n\n Productie 2 bij de conclusie van antwoord\n\n Onder 4.3.van het strafvonnis van 7 september 2022 productie 1 bij de dagvaarding\n\n Artikel 6:162 lid 3 BW\n\n Zie onder 7 van het strafvonnis van 7 september 2022, productie 1 bij de dagvaarding\n\n Productie 2 bij de conclusie van antwoord pagina 6\n\n Zie specificatie van de gemaakte medische kosten productie 3 bij de dagvaarding","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3578","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:30.075Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":43,"courtId":100,"decisionDate":101,"fullText":102,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":50,"updatedAt":104},"339","ECLI:NL:RBROT:2026:7472","ecli-nl-rbrot-2026-7472",61,"2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F697042 \u002F HA ZA 25-284\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ntevens zijn eigen advocaat, mr. A.J.G. [eiseres] ,\n\ntegen\n\nBRR ASSURANTIËN B.V.,\n\nte Rotterdam,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: BRR,\n\nadvocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 18 maart 2025, met producties 1 tot en met 8; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 12; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de brief van [eiseres] van 2 februari 2026, met producties 9 tot en met 13;\n\n- de mondelinge behandeling van 12 februari 2026 en het proces-verbaal daarvan;\n\n- het B16-formulier van BRR van 11 maart 2026;\n\n- de akte uitlaten van [eiseres] van 15 april 2026;\n\n- de antwoordakte van BRR van 13 mei 2026.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Aanvankelijk vordert [eiseres] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:\n\nte verklaren voor recht dat BRR schadeplichtig is jegens [eiseres] ;\n\nBRR te veroordelen tot vergoeding aan [eiseres] van de schade ten bedrage van € 321.491,40, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente;\n\nBRR te veroordelen tot een door uw Rechtbank in goede justitie vast te stellen\n\nschadebedrag, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente;\n\n4. BRR te veroordelen om verschillende bescheiden in het geding te brengen, op straffe van een dwangsom;\n\n5. BRR te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n2.2.. BRR voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n2.3.. Op de mondelinge behandeling van 12 februari 2026 is aan de orde geweest de vrijwaringsverplichting die BRR heeft ten aanzien van Klap B.V., de vennootschap die enkele verzekeringsportefeuilles van BRR heeft overgenomen. In het licht van het verweer van BRR dat [eiseres] Klap B.V. dient aan te spreken en niet BRR, is besproken dat BRR in overleg zal treden met Klap B.V. om eventuele procesafspraken te maken.\n\n2.4.. BRR heeft vervolgens bij B16-formulier de rechtbank bericht dat – samengevat – zij bereid is haar verweer te laten vallen dat [eiseres] Klap B.V. had moeten aanspreken, mits [eiseres] aangeeft dat hij ondubbelzinnig en onherroepelijk afstand doet van enige vordering op Klap B.V. Als [eiseres] hiertoe niet bereid is zal BRR dat verweer handhaven.\n\n2.5.. In reactie hierop heeft [eiseres] zijn vorderingen onder 1 tot en met 4 ingetrokken. Over die vorderingen is derhalve geen beslissing meer mogelijk.\n\n2.6.. \n [eiseres] handhaaft zijn vordering om BRR in de proceskosten te veroordelen. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat BRR hem nodeloos op kosten heeft gejaagd en dat daarom de door hem gemaakte proceskosten voor rekening dienen te komen van BRR op grond van artikel 237 lid 1 Rv, laatste zin. [eiseres] legt hieraan ten grondslag dat BRR met het onder 2.4. vermelde B16-formulier, [eiseres] onder druk heeft gezet om een keuze te maken terwijl BRR ook zelf de keuze had kunnen maken om haar beroep op niet-ontvankelijkheid achterwege te laten. Daarnaast heeft BRR vóór het aanhangig maken van de procedure voor [eiseres] relevante informatie over de met Klap B.V. gesloten overeenkomst achtergehouden. De inhoud van de overeenkomst met Klap B.V. heeft BRR pas in de conclusie van antwoord met [eiseres] gedeeld. Hierdoor heeft [eiseres] zijn procedurele positie niet op een juiste wijze kunnen bepalen en heeft BRR [eiseres] op kosten gejaagd.\n\n2.7.. BRR stelt zich op het standpunt dat er geen reden bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat de partij die zijn vordering intrekt, op één lijn moet worden gesteld met de in het ongelijk gestelde partij als bedoeld in artikel 237 Rv. BRR handhaaft haar vordering tot vergoeding van haar proceskosten door [eiseres] .\n\n2.8.. \n\nDe rechtbank oordeelt als volgt over de proceskosten.\n\nBRR heeft in het B16-formulier een pragmatische oplossing aangeboden aan [eiseres] , inhoudende dat als [eiseres] afstand deed van enige vorderingen op Klap B.V., BRR haar niet-ontvankelijkheidsverweer zou laten vallen.\n\nDe rechtbank ziet niet hoe BRR [eiseres] hiermee onder druk zou hebben gezet. Het stond [eiseres] vrij om op die pragmatische oplossing niet in te gaan en de procedure voort te zetten en zijn vorderingen en de daartegen gevoerde verweren, waaronder het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer dat dan niet werd ingetrokken, inhoudelijk te laten beoordelen door de rechtbank.\n\nDaarbij is van belang dat uit de door [eiseres] overgelegde e-mail van 10 januari 2025 blijkt dat BRR, als reactie op de aansprakelijkheidstelling, [eiseres] heeft geadviseerd om klachten aan Klap B.V. te richten omdat de portefeuille in kwestie sinds juni 2023 is ondergebracht bij Klap B.V. Op de mondelinge behandeling heeft [eiseres] bevestigd dat hij na de verwijzing van BRR naar Klap B.V. geen contact heeft opgenomen met Klap B.V. In plaats daarvan heeft [eiseres] BRR in rechte betrokken. Dat stond [eiseres] vrij, maar BRR valt daarover geen verwijt te maken. De stelling dat BRR nodeloos proceskosten aan de zijde van [eiseres] heeft veroorzaakt wordt dan ook verworpen.\n\n2.9.. Omdat [eiseres] BRR in de procedure heeft betrokken maar zijn hoofdvorderingen naderhand allemaal heeft ingetrokken, wordt hij gelijk gesteld met de in het ongelijk gestelde partij. [eiseres] wordt daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van BRR worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n5.770,00\n\n(2 punten × € 2.885,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n12.820,00\n\n2.10.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 12.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n3.3.. wijst het meer of anders gevorderde af en verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\n3304\u002F638","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7472","2026-07-13T00:28:25.153Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":43,"courtId":109,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":113,"parsedAt":50,"updatedAt":114},"1818","ECLI:NL:RBNHO:2026:6281","ecli-nl-rbnho-2026-6281",73,"2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F368386 \u002F HA RK 25-119\n\nBeschikking van 19 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nASR SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Utrecht,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: ASR,\n\nadvocaat: mr. Chr.H. van Dijk,\n\ntegen\n\n1. [verweerder sub 1] 2. [verweerder sub 2] ,\n\nbeiden in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige zoon [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: de ouders,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de beschikking van 12 november 2025, waarin een nieuwe mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de e-mailberichten van de ouders van 16, 19, 21,22, 25 en 28 november 2025, 22 december 2025, 5 en 6 januari 2026;\n\n- de e-mail van ASR van 8 januari 2026;\n\n- de e-mailberichten van de ouders van 9 en 12 januari en 3 februari 2026;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken te proberen het geschil op te lossen door middel van mediation. De zaak is vervolgens aangehouden om partijen daartoe de gelegenheid te geven.\n\n1.3.. Bij e-mails van 3 april respectievelijk 4 april 2026 hebben de ouders en ASR de rechtbank bericht dat de mediation die heeft plaatsgevonden geen resultaat heeft opgeleverd.\n\n1.4.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Tijdens de eerste mondelinge behandeling van 1 oktober 2025 heeft ASR de rechtbank verzocht (ambtshalve) een bijzondere curator te benoemen. Omdat de ouders niet aanwezig waren bij die zitting, heeft de rechtbank bij beschikking van 12 november 2025 een nieuwe mondelinge behandeling gelast om de ouders in de gelegenheid te stellen hun standpunt daarover kenbaar te maken. Dit hebben de ouders gedaan in de e-mails die zij aan de rechtbank hebben gestuurd en tijdens de mondelinge behandeling van 9 februari 2026. In deze beschikking zal de rechtbank de verzoeken van ASR en het verweer van de ouders beoordelen.\n\nIs de zaak geschikt voor behandeling in deelgeschil?\n\n2.2.. ASR heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen in het geval een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van in dit geval letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissingen kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n2.3.. De ouders voeren aan dat dit deelgeschil zich er niet voor leent de buitengerechtelijke afwikkeling van de letselschade te bevorderen. Dit verweer volgt de rechtbank niet. ASR verzoekt de rechtbank om de ouders te bevelen om – kort gezegd – mee te werken aan de schadeafwikkeling en het inschakelen van een zorgregisseur. Met een oordeel over de vraag of de ouders daartoe gehouden zijn, zou de ontstane impasse tussen partijen kunnen worden doorbroken en zou het schadetraject kunnen worden voortgezet.\n\n2.4.. De ouders voeren verder aan dat de zaak zich niet leent voor een beperkte behandeling in deelgeschil. In dit verband wijzen de ouders erop dat de kern van het geschil niet alleen de schadeafwikkeling binnen het kader van de WAM (Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen) is, maar ook het institutioneel en moreel falen van ASR. De ouders hebben hierover een groot aantal klachtbrieven aan ASR gestuurd, maar deze zijn inhoudelijk onbeantwoord gebleven. Kort gezegd beklagen de ouders zich over de manier waarop ASR is omgegaan met het schadetraject. ASR zou in samenspraak met de toenmalige belangenbehartiger van de ouders aan schadesturing hebben gedaan. Daarnaast heeft ASR de schijn van partijdigheid gewekt door de ouders niet te informeren dat zij konden kiezen voor een eigen medisch adviseur in plaats van een gezamenlijke. ASR heeft ook een zorgregisseur ingeschakeld die bij ASR werkzaam is geweest. Ten slotte beklagen de ouders zich over het uitblijven van een inhoudelijke reactie op hun klachten. ASR betwist de verwijten die de ouders haar maken.\n\n2.5.. In dit deelgeschil kan de rechtbank niet beoordelen of de verwijten die de ouders ASR maken over de wijze waarop het dossier is behandeld terecht zijn. Dat staat echter niet in de weg aan de beoordeling van de verzoeken die ASR in dit deelgeschil doet. Er is namelijk geen sprake van een onlosmakelijke samenhang tussen de ongevalsgerelateerde schade van [minderjarige] en de wijze van institutionele behandeling van de zaak door ASR, zoals de ouders betogen. Partijen kunnen het traject over de afwikkeling van de schade die [minderjarige] als gevolg van het ongeval heeft geleden en lijdt (weer) oppakken zonder dat het geschil over de verwijten die de ouders ASR maken al wordt beslecht. Dat geschil kunnen de ouders desgewenst in een (afzonderlijke) procedure aan de rechter of een andere daarvoor in aanmerking komende instantie voorleggen, zoals zij zeggen voornemens te zijn.Een dergelijke procedure kan dan eventueel parallel lopen met het reguliere schadetraject.\n\nMoet een bijzondere curator worden benoemd?\n\n2.6.. Het meest verstrekkende standpunt van ASR is dat de rechtbank een bijzondere curator als bedoeld in artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) benoemt, die [minderjarige] zowel in als buiten rechte zal vertegenwoordigen met betrekking tot de schadeafwikkeling. Volgens ASR moet deze stap gezet worden, omdat de ouders niet bereid blijken de schadeafwikkeling op de reguliere manier te hervatten, wat niet in het belang van [minderjarige] is.\n\n2.7.. De ouders zijn het daarmee niet eens. Zij voeren aan dat er geen sprake is van een tegenstrijdig belang tussen ouders en kind.\n\n2.8.. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 1:250 lid 1 BW (voor zover van belang) is bepaald dat als een zaak aanhangig is, de desbetreffende rechter een bijzondere curator kan benoemen voor aangelegenheden over het vermogen van de minderjarige. De rechter zal dit alleen doen als hij dit noodzakelijk acht in het belang van de minderjarige en wanneer de belangen van de ouders in strijd zijn met die van de minderjarige.\n\n2.9.. \n [minderjarige] is het slachtoffer geworden van een verkeersongeval, waarbij hij rijdend op zijn fiets in botsing is gekomen met een bestelbus. Hij heeft daardoor zeer ernstig (hersen)letsel opgelopen. ASR heeft als WAM-verzekeraar van de bestelbus erkend dat haar verzekerde aansprakelijk is voor het ongeval en dat zij de volledige schade van [minderjarige] die het gevolg is van het ongeval zal vergoeden. [minderjarige] heeft er belang bij dat de ongevalsgerelateerde schade wordt vergoed. Dit belang hebben de ouders ook. In zoverre zijn de belangen van de ouders en die van [minderjarige] niet tegenstrijdig.\n\n2.10.. De schadeafwikkeling is in een impasse geraakt nadat de ouders het standpunt hebben ingenomen dat sprake is van moreel en institutioneel falen van ASR en dat dit onderdeel moet zijn van de schadeafwikkeling. De ouders hebben in dit verband in meerdere brieven aan ASR aanspraak gemaakt op schadevergoeding, inmiddels oplopend tot een bedrag van 175 miljoen euro. ASR is het niet eens met de visie van de ouders en heeft hen laten weten niet bereid te zijn dergelijke bedragen te betalen. ASR wil het schadetraject wel verder oppakken, maar heeft daarbij de medewerking van de ouders nodig voor onder meer het verstrekken van inlichtingen en het inschakelen van deskundigen. Het schadetraject is sindsdien stil komen te liggen.\n\n2.11.. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat het schadetraject weer wordt hervat. Op dit moment is ASR verstoken van informatie over het precieze letsel van [minderjarige] , welke zorg hij ontvangt en\u002Fof zou moeten ontvangen en wat de verwachtingen zijn over het (eventuele) herstel. ASR is daardoor niet in staat te bepalen of het uitkeren van een nader voorschot op de schade aan de orde kan zijn, en zo ja tot welk bedrag. Ook kan ASR niet beoordelen of van haar als WAM-verzekeraar wordt verwacht dat zij een bijdrage levert aan het inschakelen van de zorg die [minderjarige] nodig heeft. Dat dit allemaal niet gebeurt, is niet in het belang van [minderjarige] .\n\n2.12.. Van de ouders mag daarom worden verwacht dat zij in het belang van [minderjarige] (verder) meewerken aan het voortzetten van het schadetraject. Dit houdt kort gezegd in dat in kaart moet worden gebracht welke zorg [minderjarige] nodig heeft en of deze op dit moment voldoende wordt ingezet, en welke schade [minderjarige] als gevolg van het ongeval heeft geleden en lijdt en wat de omvang daarvan is. Ook moet gekeken worden naar de toekomstverwachtingen. Het ligt in een zaak als deze voor de hand dat dit onder meer dient te gebeuren door deskundigen in te schakelen die daarover rapporteren. Daartoe zullen de ouders relevante informatie over [minderjarige] met (de medisch adviseur van) ASR en\u002Fof in te schakelen deskundigen moeten delen om dat mogelijk te maken. Dit alles in het belang van [minderjarige] .\n\n2.13.. Hoewel de rechtbank ziet dat de ouders daaraan tot op heden onvoldoende meewerken en dit de belangen van [minderjarige] kan schaden, zal zij geen bijzondere curator benoemen. Dit vindt de rechtbank (vooralsnog) een te vergaande maatregel en (nog) niet noodzakelijk. De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling van 9 februari 2026 de indruk gekregen dat de ouders het beste met hun zoon voor hebben. Zij hebben aangevoerd dat geen sprake is van stagnatie van medische behandeling of van een situatie waarin het vermogen of welzijn van [minderjarige] direct gevaar loopt. Dat wil echter niet zeggen dat de manier waarop zij tot op heden met het schadetraject omgaan, ook in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank benadrukt nogmaals, dat zij hun verwijten over het institutioneel en moreel falen van ASR zullen moeten scheiden van de stappen die moeten worden gezet om te komen tot een (reguliere) afwikkeling van de schade van [minderjarige] . Door dat als een geheel te blijven zien, blijft de impasse bestaan en ligt de schadeafwikkeling volledig stil. Hoewel het vanuit het perspectief van de ouders te begrijpen is dat zij hun verwijten moeilijk los kunnen zien van de schadeafwikkeling en dat zij geen vertrouwen hebben in ASR, is het belang van [minderjarige] er wel mee gediend dat stappen gezet worden in het schadetraject.\n\n2.14.. Zoals de rechtbank hierna zal toelichten , zullen de ouders daarom moeten meewerken aan het inschakelen van een zorgregisseur. De rechtbank hoopt dat die stap en wat zij hiervoor verder heeft overwogen, de ouders ertoe zal aanzetten weer mee te werken aan het schadetraject. De ouders moeten zich wel realiseren, dat als zij dit niet gaan doen, later over de benoeming van een bijzondere curator anders geoordeeld zou kunnen worden.\n\nMoeten de ouders meewerken aan de totstandkoming van deskundigenrapporten en de benodigde informatie verstrekken?\n\n2.15.. ASR verzoekt onder I de ouders te gelasten om de noodzakelijke medewerking te verlenen aan en inlichtingen te verstrekken voor het volgens de in Nederland geldende regels in kaart brengen van de ongevalsgerelateerde schade van [minderjarige] , onder meer maar niet alleen door onafhankelijke deskundigen. Uit de toelichting op dit verzoek begrijpt de rechtbank dat ASR hiermee voornamelijk wil bereiken dat de ouders gaan meewerken aan de totstandkoming van deskundigenrapporten en dat zij ASR en\u002Fof de deskundigen de benodigde informatie zullen verstrekken.\n\n2.16.. De ouders voeren aan dat een verplichting tot meewerken zonder heldere kaders of waarborgen onbepaald is en potentieel eenzijdig in te vullen. Dit verweer slaagt. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek te algemeen en te weinig concreet is geformuleerd om te kunnen toewijzen. Zo is niet duidelijk welke deskundigenonderzoeken nodig zijn, welke deskundigen dat zouden moeten uitvoeren en welke vragen aan een deskundige moeten worden voorgelegd. De ouders moeten daarover afzonderlijke standpunten kunnen innemen en daarmee verdraagt het verzoek zoals dat is geformuleerd zich niet. Daarnaast is onvoldoende concreet omschreven wat de noodzakelijke medewerking zou moeten inhouden en welke informatie zou moeten worden verschaft. De rechtbank wijst verzoek I om die redenen af.\n\n2.17.. Het voorgaande neemt niet weg, dat het in het belang van [minderjarige] is dat de ouders weer gaan meewerken aan het schadetraject(zie 2.11 en 2.12). De rechtbank doet een dringend beroep op de ouders om dit gaan doen. Daarbij kan het behulpzaam zijn als de ouders (weer) een belangenbehartigerin de arm nemen om hen daarin te begeleiden en te adviseren. Dit alles betekent niet dat de ouders klakkeloos moeten instemmen met wat ASR voorstelt, zij mogen over de verschillende te zetten stappen hun eigen standpunten innemen. Bij de schadeafwikkeling zijn partijen wel - hoewel zij geen contractuele relatie met elkaar hebben - gehouden zich tegenover elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. In het geval over concrete punten een geschil ontstaat, kan de meest gerede partij dat (in een daarvoor geëigende procedure) voorleggen aan de rechtbank.\n\nMoeten de ouders meewerken aan het inschakelen van een zorgregisseur?\n\n2.18.. Het tweede verzoek van ASR is dat de ouders moeten meewerken aan het inschakelen van een onafhankelijke zorgregisseur om de zorg die [minderjarige] nodig heeft te kunnen vaststellen. Dit verzoek zal de rechtbank op de hierna te melden wijze toewijzen. Zoals hiervoor overwogen, is het namelijk in het belang van [minderjarige] (en ASR) dat de zorg(behoefte) in kaart wordt gebracht en dat de zorg waar nodig (door of met behulp van ASR) wordt ingeschakeld. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ook verklaard niet afwijzend tegenover het inschakelen van een zorgregisseur te staan.\n\n2.19.. De rechtbank zal de ouders niet verplichten mee te werken aan het inschakelen van de zorgregisseur die ASR voorstelt (Trivium Advies). De ouders hebben weinig tot geen vertrouwen in ASR en daarom zal de rechtbank bepalen dat de ouders een zorgregisseur mogen kiezen die is ingeschreven bij het Nationaal Keurmerk Letselschade. De ingeschreven zorgregisseurs zijn te vinden op de website https:\u002F\u002Fdeletselschaderaad.nl\u002Fnkl\u002Fberoepsgroep-categorie\u002Fherstelgerichte-dienstverleners. De ouders zullen hun keuze binnen drie weken na deze beschikking schriftelijk aan de advocaat van ASR moeten doorgeven en toestemming moeten geven voor het inschakelen van de betreffende zorgregisseur. Ook zullen de ouders moeten meewerken met de zorgregisseur, zodat deze zijn werkzaamheden kan uitvoeren, en de inlichtingen aan de zorgregisseur moeten verstrekken die de zorgregisseur nodig acht.\n\nKosten deelgeschil\n\n2.20.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van de ouders begroten. Niet gebleken is dat zij kosten hebben gemaakt voor het voeren van de procedure, anders dan het griffierecht dat bij hen in rekening zal worden gebracht. De rechtbank zal de kosten van de ouders daarom begroten op een bedrag van € 331,00 aan griffierecht. ASR zal tot betaling daarvan aan de ouders worden veroordeeld.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. gelast de ouders mee te werken aan het inschakelen van een zorgregisseur door:\n\neen zorgregisseur te kiezen die is ingeschreven bij het Nationaal Keurmerk Letselschade (https:\u002F\u002Fdeletselschaderaad.nl\u002Fnkl\u002Fberoepsgroep-categorie\u002Fherstelgerichte-dienstverleners) en binnen drie weken na deze beschikking de zorgregisseur van hun keuze schriftelijk aan de advocaat van ASR door te geven;\n\naan (de advocaat van) ASR schriftelijke toestemming te geven voor het inschakelen van die zorgregisseur;\n\nmee te werken aan de werkzaamheden van de zorgregisseur en aan de zorgregisseur de inlichtingen te verschaffen die deze nodig acht,\n\n3.2.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 331,00 voor het door de ouders te betalen griffierecht en veroordeelt ASR tot betaling daarvan aan de ouders,\n\n3.3.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6281","2026-06-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.272Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":43,"courtId":100,"decisionDate":119,"fullText":120,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":113,"parsedAt":50,"updatedAt":122},"1685","ECLI:NL:RBROT:2026:6340","ecli-nl-rbrot-2026-6340","2026-05-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F718518 \u002F KG ZA 26-381\n\nVonnis in kort geding van 15 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n1.. [eiser 1] ,\n\n2.[eiser 2],\n\nBEIDEN IN DE HOEDANIGHEID VAN CURATOR VAN [persoon A] ,\n\nbeiden wonend in [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: de curatoren,\n\nadvocaat: mr. H.J.D. de Boer te Rotterdam,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. N.C. Haase te Utrecht.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [persoon A] (hierna: [persoon A] ) heeft zwaar letsel opgelopen als gevolg van een aanrijding door een personenauto. [gedaagde] is de verzekeraar van de betrokken personenauto en heeft aansprakelijkheid erkend. Ten behoeve van de revalidatie van [persoon A] hebben partijen gesproken over een revalidatietraject bij een kliniek in de Verenigde Staten (de VS). In dat kader zijn de kosten van de behandeling, het verblijf en het vervoer nader onderzocht. Op een gegeven moment heeft [gedaagde] meegedeeld dat de kosten van het vervoer van [persoon A] per ambulancevliegtuig niet redelijk zijn en dat zij daarom geen toestemming geeft voor de behandeling in de VS. De curatoren zijn het daar niet mee eens. Zij hebben de kosten van de kliniek en de vervoerskosten zelf betaald en zijn als begeleiders met [persoon A] meegereisd naar de VS, waar [persoon A] met het revalidatietraject is gestart.\n\n1.2.. De curatoren vorderen van [gedaagde] betaling van een geldsom als vergoeding van de gemaakte en te maken kosten met betrekking tot de behandeling van [persoon A] . In geschil is de vraag of [gedaagde] heeft toegezegd dat zij de kosten die verband houden met de behandeling van [persoon A] in de VS zal vergoeden en, zo ja, wat de omvang van die toezegging is. De voorzieningenrechterechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] vergoeding van bepaalde kosten onvoorwaardelijk heeft toegezegd en dat de toezegging voor het overige onder bepaalde voorwaarden is gedaan. De geldvordering wordt deels, overeenkomstig de onvoorwaardelijke toezegging, toegewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 29 april 2026;\n\n- de producties 1 t\u002Fm 22 van de curatoren;\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- de producties 1 t\u002Fm 14 van [gedaagde] ;\n\n- de producties 23 t\u002Fm 25 van de curatoren; - de mondelinge behandeling op 8 mei 2026; - de pleitnota van de curatoren; - de pleitnota van [gedaagde] .\n\n2.2.. Ter zitting heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de late indiening van producties 23 t\u002Fm 25 door de curatoren en verzocht deze stukken buiten beschouwing te laten. Dat verzoek is afgewezen. Wel heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op die producties. Naar aanleiding daarvan heeft [gedaagde] op 11 mei 2026 een aanvullende productie ingebracht.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Op 25 maart 2025 is [persoon A] als voetganger aangereden door een bij [gedaagde] verzekerde personenauto. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid erkend.\n\n3.2.. \n [persoon A] heeft als gevolg van het ongeval ernstig en blijvend letsel opgelopen: schedelhersenletsel, meerdere breuken en huidverwondingen. Na geruime tijd in coma te hebben gelegen, verkeert [persoon A] op dit moment in een verminderde bewustzijnstoestand en is hij volledig ADL-afhankelijk.\n\n3.3.. De curatoren zijn de broer en zus van [persoon A] en bij beschikking van deze rechtbank van 28 april 2025 benoemd tot curator van [persoon A] .\n\n3.4.. Partijen hebben in november 2025 Trivium Advies (hierna: Trivium) ingeschakeld om te inventariseren welke woon- en zorgmogelijkheden en voorzieningen er voor [persoon A] zijn en om hem en zijn familie daarin te begeleiden.\n\n3.5.. Op 11 december 2025 heeft Trivium partijen geïnformeerd over de mogelijkheid voor [persoon A] om een revalidatietraject bij het Shepherd Center in Atlanta (de VS) te starten. In december 2025 en januari 2026 hebben Trivium en de curatoren contact gehad met medische specialisten om dit traject te onderzoeken.\n\n3.6.. Bij e-mail van 30 januari 2026 heeft Trivium een door het Shepherd Center voor [persoon A] opgesteld revalidatieprogramma en kostenopgave gedeeld met [gedaagde] en mr. M. Meerman (de advocaat van [persoon A] ).3.7.. Op 3 februari 2026 heeft een Teams-overleg plaatsgevonden tussen [gedaagde] , Trivium en mr. Meerman. Na dat gesprek heeft [gedaagde] bij e-mail van diezelfde dag het volgende meegedeeld aan Trivium en mr. Meerman:\n\n“Ik heb gelukkig direct kunnen overleggen over het verzoek om [persoon A] te laten revalideren bij het Shepherd Center. Wij zijn bereid dit te financieren op enkele voorwaarden:\n\n- Wij gaan uit van een vergoeding voor de eerste acht weken Residential program. Na vier weken en bij acht weken dient ge?valueerd te worden of er voldoende progressie is en zo ja, waaruit deze bestaat. Het lijkt mij goed als [naam] deze contacten onderhoudt.\n\n- Als het Shepherd Center na de eerste acht weken nog ruimte ziet voor verbetering zullen wij eerst in overleg met onze medisch adviseur bezien of dat ook voldoende aanknopingspunten biedt in schade technische zin, wij willen daar op voorhand helder over zijn.\n\n- Wij vergoeden de redelijke kosten voor reis en verblijf voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden, met aftrek van de kosten die in Nederland ook zouden worden gemaakt voor levensbehoeften. We zullen even moeten afstemmen hoe deze vergoeding eruitziet. Te denken valt aan bijvoorbeeld een verblijf waar men zelf eten kan bereiden.\n\n- Zijn er meer kosten dan zullen we in overleg een redelijke vergoeding bepalen.\n\nDit even kort omdat ik weet dat de familie heel graag duidelijkheid wil. Ik hoor graag hoe verder, maar nu kan een en ander in elk geval in gang gezet worden. Ik hoop dat het traject zal opleveren waar men zo op hoopt!”\n\n3.8.. De curatoren en Trivium zijn vervolgens bezig geweest met het verkrijgen van een ‘fit to fly-verklaring’ voor [persoon A] en het opvragen van offertes bij verschillende medische vervoersdiensten voor het verzorgen van het vervoer van [persoon A] van het ziekenhuis in Dordrecht naar het Shepherd Center in Atlanta.\n\n3.9.. Begin maart 2026 heeft het Shepherd Center aan de curatoren laten weten dat zij per 13 april 2026 een plek beschikbaar heeft voor [persoon A] . Op 4 maart 2026 heeft Trivium [gedaagde] daarvan in kennis gesteld.\n\n3.10.. Op 17\u002F24 maart 2026 hebben de curatoren een “Self-Pay Letter of Agreement” gesloten met het Shepherd Center. Daarin staat onder meer:\n\n“We appreciate the opportunity to work with you! I am writing to document the agreement regarding payment for services at Shepherd Center. Shepherd Center agrees to accept the discounted self-pay rate of $1,212 per day (Monday— Friday) for Residential Day Program rehabilitation services at Shepherd Pathways. During the weekend (Saturday & Sunday), a separate charge for Room & Board in the amount of $625\u002Fday will apply. Your team has estimated a total of four weeks (28 days) of care. We are requesting a total of $29,240.00 to be paid in advance, prior to admission.”\n\nMr. Meerman heeft een kopie van de door een van de curatoren ondertekende overeenkomst op 24 maart 2026 verzonden aan [gedaagde] en Trivium. Dat mailbericht heeft [gedaagde] echter niet bereikt, omdat het gebruikte mailadres van [gedaagde] niet correct was.\n\n3.11.. Bij e-mail van 24 maart 2026 stuurt Trivium aan [gedaagde] een offerte van Medische Repatriëringsdienst. Bij de offerte is een verklaring gevoegd van een arts die voor [persoon A] ambulancevervoer aanraadt. In de offerte worden de vervoerskosten begroot op € 164.855,00.\n\n3.12.. Bij e-mail van 31 maart 2026 stuurt Trivium de afgegeven ‘fit to fly-verklaring’ en een brief van het Shepherd Center door aan [gedaagde] . In het mailbericht staat:\n\n“Vandaag heeft de zus van betrokkene de fit-to-fly aan ondergetekende toegezonden. In deze verklaring wordt aangegeven dat betrokkene uitsluitend per medische vlucht mag reizen. U treft de fit-to-fly als bijlage bij deze e-mail aan.\n\n(…)\n\nDaarnaast treft u in de bijlagen een brief van het Shepherd Center aan, waarin wordt verzocht om een eerste aanbetaling van $ 29.240,00 voor de eerste vier weken revalidatie en intern verblijf. In een separate bijlage is aangegeven op welke wijze dit bedrag kan worden overgemaakt. De zus geeft aan dat het verblijf telkens per vier weken wordt verlengd en dat na elke periode van vier weken een nieuwe factuur zal worden verstrekt, welke voldaan dient te worden.\n\nHet is aan partijen om onderling afte stemmen op welke wijze de voornoemde betalingen zullen worden voldaan. Vanuit de familie is aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar rechtstreekse betaling door [gedaagde] aan de betreffende instanties.\n\nOm betrokkene per 13 april aanstaande te kunnen laten starten bij het Shepherd Center, dient de aanbetaling tijdig te zijn voldaan. Daarnaast zal voorafgaand aan deze datum ook de medische vlucht moeten worden geboekt. Gezien de planning is derhalve sprake van enige urgentie, teneinde vertraging te voorkomen.”\n\n3.13.. Bij e-mail van 1 april 2026 aan Trivium vraagt [gedaagde] om meer informatie:\n\n“Ik zal e.e.a. intern overleggen en hier z.s.m. op terugkomen. Vooruitlopend daarop zou ik graag de andere offertes ontvangen die de zus van betrokkene heeft opgevraagd. Zijn er nog andere organisaties die door jouzelf zijn benaderd? Daarnaast zag ik de fit to fly verklaring bijgevoegd. Hoe zal nu het vervolg gaan wat betreft het uitvoeren van een eigen fit to fly onderzoek van de ambulancedienst? Ik veronderstel dat het in de lijn der verwachting ligt dat [persoon A] ook door de ambulancedienst fit to fly wordt bevonden?”\n\n3.14.. Bij e-mail van 2 april 2026 informeert Trivium [gedaagde] over een voorlopige prijsindicatie van [naam vervoerder] , een andere vervoerder. Verder staat in de mail:\n\n“Zodra er duidelijkheid is over de te vergoeden kosten voor de vlucht, kan de vervolgstap worden gezet ten aanzien van het boeken van de vlucht.”\n\n3.15.. Bij antwoordmail van 2 april 2026 deelt [gedaagde] aan Trivium mee:\n\n“De medewerker van [naam vervoerder] vraagt om een actueel medisch dossier. Kan dat zsm aan hen aangeleverd worden ten behoeve van een definitieve offerte? De wens is vanzelfsprekend om hen zsm een definitieve offerte te laten uitbrengen zodat wij deze kunnen meenemen in onze besluitvorming.\n\nAls ik het goed begrijp zijn er door de familie van [persoon A] twee organisaties benaderd en door [naam][vzr: Trivium]ook twee. De voorlopige offerte van [naam vervoerder] laat vooralsnog een beduidend lagere prijs zien. De verschillen tussen de offertes zijn behoorlijk groot.\n\nAls ik op Google zoek naar aanbieders van dit soort vluchten, kom ik best een behoorlijk aantal aanbieders tegen. Ik was dan ook in de veronderstelling dat er (zoals naar mijn idee ook besproken) meerdere offertes zouden worden aangeleverd om hier een goed beeld van te krijgen en een goede keuze in te maken. Het gaat vanzelfsprekend om aanzienlijke bedragen en behoorlijke verschillen in de kosten.”\n\n3.16.. Op 6 april 2026 hebben de curatoren als eerste aanbetaling een bedrag van € 25.591,88 ($ 29.240,-) voldaan aan het Shepherd Center.\n\n3.17.. Bij e-mail van 9 april 2026 heeft Trivium offertes van vervoerders Global Aviation en [naam vervoerder] verstrekt aan [gedaagde] .\n\n3.18.. Later op 9 april 2026 heeft [gedaagde] telefonisch aan de advocaat van [persoon A] meegedeeld dat de kosten van het reizen met een ambulancevlucht niet redelijk in omvang zijn en niet worden vergoed. Bij brief van 13 april 2026 heeft [gedaagde] haar besluit schriftelijk bevestigd en nader toegelicht.\n\n3.19.. Op 10 april 2026 hebben de curatoren de factuur van Medische Repatriëringsdienst voor de ambulancevlucht van Dordrecht naar Atlanta van € 145.000,00 in contanten voldaan. [persoon A] is daarna overgebracht naar Atlanta en is op 13 april 2026 begonnen met de behandeling bij het Shepherd Center.\n\n3.20.. Op 17 april 2026 heeft de advocaat van de curatoren [gedaagde] gesommeerd om het bedrag van € 358.581,88 te voldoen. Dat bedrag ziet op de behandelingskosten van het Shepherd Center en reis- en verblijfskosten van [persoon A] en de curatoren naar\u002Fin de VS.\n\n3.21.. \n [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie. Wel heeft zij op 20 april 2026 € 100.000,00 aan smartengeld en € 50.000,00 aan voorschot onder algemene titel uitgekeerd aan [persoon A] .\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. De curatoren vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 358.581,88 aan de curatoren, te voldoen binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis;\n\nII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 25.591,88 (kosten revalidatiecentrum) met ingang van 3 april 2026, alsmede over een bedrag van € 145.000,00 (kosten heenreis) met ingang van 10 april 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\nIII. [gedaagde] te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure.\n\n4.2.. \n\n [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curatoren, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curatoren, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curatoren in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De vordering betreft een geldvordering die als volgt is opgebouwd:\n\nBehandeling bij het Shepherd Center (1e vier weken) € 25.591,88\n\nAmbulancevluchtvervoer heenreis € 145.000,00\n\nAmbulancevluchtvervoer terugreis € 142.500,00\n\nAndere kosten i.v.m. verblijf van [persoon A] en curatoren in de VS € 5.490,00\n\nAanvullende noodzakelijke kosten\u002Fbevoorschotting € 40.000,00+\n\nTotaal € 358.581,88\n\n5.2.. Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.\n\nSpoedeisend belang\n\n5.3.. De curatoren wijzen erop dat zij in een financiële noodtoestand verkeren. Als gevolg van de weigering van [gedaagde] om de kosten te vergoeden, hebben de curatoren de kosten die samenhangen met de behandeling bij het Shepherd Center voorgeschoten. Dat kunnen zij niet blijven doen. Er is sprake van oplopende schulden, en er is geen geld voor verlenging van de behandeling noch voor de ambulancevlucht terug naar Nederland. [persoon A] dreigt te stranden in Atlanta. Daarmee is het spoedeisend belang van de curatoren bij de geldvordering voldoende gegeven. Het daartegen gerichte niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.\n\nJuridisch kader en kern van het geschil\n\n5.4.. \n\nDe curatoren stellen dat [gedaagde] met haar mail van 3 februari 2026 (zie 3.7.) zonder voorbehoud heeft toegezegd de behandeling bij het Shepherd Center en het vervoer ernaar toe te financieren.\n\n [gedaagde] bestrijdt dat en betoogt dat de toezegging is gedaan onder bepaalde voorwaarden. Omdat de vervoerskosten niet redelijk zijn in de zin van artikel 6:96 BW, heeft [gedaagde] de dekking van de behandeling in Atlanta afgewezen.\n\n5.5.. De voorzieningenrechter neemt als uitgangspunt dat de vraag of, en zo ja in welke omvang, in een verzekeringspolis mede dekking wordt verleend aan derden, moet worden beantwoord aan de hand van wat de verzekeraar en de verzekeringnemer daarover zijn overeengekomen. Verder geldt dat de derde jegens de verzekeraar bescherming kan ontlenen aan artikel 3:35 BW indien hij op grond van de bewoordingen van de polis, eventueel in samenhang met (andere) door de verzekeraar gedane mededelingen of gewekte verwachtingen, erop heeft vertrouwd of erop heeft mogen vertrouwen dat hem dekking wordt verleend.\n\n5.6.. Beoordeeld moet worden welke betekenis de curatoren redelijkerwijs mochten toekennen aan de mail van [gedaagde] van 3 februari 2026 en aan de gedane mededelingen van [gedaagde] daarna. Mochten de curatoren op basis van de door [gedaagde] gedane mededelingen of gewekte verwachtingen er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de hier gevorderde kosten, zonder voorbehoud, zouden worden gefinancierd?\n\nUitleg van de toezegging door [gedaagde]\n\n5.7.. In het mailbericht van 3 februari 2026 heeft [gedaagde] te kennen gegeven bereid te zijn de kosten van de revalidatie bij het Shepherd Center te financieren op enkele voorwaarden. Vervolgens wordt die toezegging nader ingekaderd en toegelicht aan de hand van vier punten\u002Fgedachtestreepjes. De eerste twee punten gaan in op de behandel- en verblijfskosten van [persoon A] bij het Shepherd Center. [gedaagde] gaat uit van een vergoeding voor de eerste acht weken. Behalve dat er geëvalueerd moet worden na vier en na acht weken, heeft [gedaagde] geen verdere voorwaarden genoemd. Het derde punt ziet op redelijke reis- en verblijfskosten voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden. Overige kosten worden benoemd als vierde punt, daarvan wordt in overleg bepaald wat een redelijke vergoeding is.\n\n5.8.. \n\nAnders dan de curatoren menen, kan het mailbericht van 3 februari 2026 niet worden opgevat als een onvoorwaardelijke toezegging om alle kosten die samenhangen met de behandeling van [persoon A] in de VS te vergoeden. In dat bericht wordt immers benoemd dat en welke voorwaarden er gelden. Wel blijkt genoegzaam uit de mail een toezegging van [gedaagde] om de kosten van het Shepherd Center – Residential program – voor de periode van acht weken te vergoeden. Op basis van die mededeling mochten de curatoren er in ieder geval van uitgaan dat de kosten van het Shepherd Center gedekt waren. Het verwijt van [gedaagde] dat de curatoren zonder haar instemming een behandelovereenkomst hebben gesloten met het Shepherd Center en een eerste aanbetaling hebben verricht, is dan ook niet terecht. Dat klemt temeer nu [gedaagde] begin maart 2026 al wist dat de inspanningen van de curatoren erop waren gericht dat [persoon A] per 13 april 2026 kon beginnen met de behandeling bij het Shepherd Center, en Trivium op 31 maart 2026 in verband met die startdatum wees op de urgentie om het vervoer te regelen (zie 3.9. en 3.12.).\n\nWat betreft de overige kosten (waaronder de vervoerskosten van [persoon A] ), heeft [gedaagde] verklaard die kosten te vergoeden voor zover zij redelijk zijn. De concrete omvang van die kosten was op dat moment nog niet bekend. Voor een vergoeding van die kosten dienden de curatoren dus vooraf in overleg te treden met [gedaagde] . Dat de curatoren en Trivium hier ook van uitgingen, blijkt uit het mailbericht van Trivium van 2 april 2026 (zie 3.14.).\n\n5.9.. Het betoog van [gedaagde] dat zij het behandeltraject bij het Shepherd Center volledig heeft mogen afwijzen omdat zij kanttekeningen plaatst bij de noodzaak van ambulancevervoer en de vervoerskosten onredelijk hoog vindt, wordt niet gevolgd. Dat past niet in het licht van de harde toezegging van [gedaagde] ten aanzien van de behandelkosten van het Shepherd Center en ook niet gezien de inhoud van de latere correspondentie tussen partijen over het medische transport van [persoon A] .\n\n5.10.. Na de e-mail van 3 februari 2026 hebben de curatoren en Trivium inspanningen verricht om de ‘fit to fly-verklaring’ te verkrijgen en hebben zij offertes opgevraagd bij verschillende medische vervoerders. Vanaf het begin hebben Trivium en de curatoren zich gericht op ambulancevervoer. De eerste offerte was van Ambulance Vlucht Centrale, die Trivium op 17 maart 2026 heeft doorgestuurd aan [gedaagde] . Verder is op 24 maart 2026 een offerte van Medische Repatriëringsdienst doorgestuurd, daarbij was gevoegd een verklaring van een arts die voor [persoon A] ambulancevervoer aanraadde. Op 31 maart 2026 heeft Trivium ook nog een ‘fit to fly-verklaring’ overgelegd, waarin stond dat [persoon A] “is not fit to fly on a regular flight. The patient can be transported by ambulance flight.” Indien [gedaagde] van mening was dat de kosten van ambulancevervoer geen redelijke kosten waren, lag het op haar weg om dat direct aan de curatoren mee te delen en te motiveren waarom een reguliere vlucht voldoende was. Dat is niet gebeurd. [gedaagde] heeft geen enkel bezwaar opgeworpen. Zij heeft alleen om (nog) meer offertes gevraagd. Verwezen wordt naar de mailberichten van [gedaagde] van 1 en 2 april 2026 (zie 3.13. en 3.15.). Daarmee wekte [gedaagde] bij de curatoren de verwachting dat ambulancevervoer akkoord was, en dat het alleen ging om de goedkoopste offerte op dat punt, zonder dat overigens van een toezegging kan worden gesproken. Niet onbegrijpelijk is dan ook dat de curatoren op 9 april 2026 (ruim drie weken na de ontvangst van de 1e offerte) zijn overvallen door de mededeling van [gedaagde] om af te zien van de financiering van het gehele behandeltraject. Die verrassing zag niet alleen op het door [gedaagde] voor het eerst op 9 april 2026 ingenomen standpunt dat de kosten van ambulancevervoer niet redelijk waren, maar ook op het feit dat dat voor [gedaagde] reden vormde om dan maar het gehele traject niet door te laten gaan. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] niet (eerder) in overleg ging met de curatoren over de mogelijkheid van ander vervoer of van een gedeeltelijke vergoeding van de (in haar ogen redelijke) vervoerskosten.\n\n5.11.. Naar voorlopig oordeel mochten de curatoren op basis van de door [gedaagde] gedane mededelingen of gewekte verwachtingen er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de verblijfs- en behandelkosten van het Shepherd Center volledig worden vergoed en dat de overige kosten worden vergoed in overleg en voor zover die redelijk zijn.\n\n5.12.. Hierna wordt beoordeeld wat deze overwegingen betekenen voor ieder onderdeel van de geldvordering.\n\nBehandeling bij het Shepherd Center\n\n5.13.. Zoals gezegd leest de voorzieningenrechter in het mailbericht van 3 februari 2026 een harde toezegging van [gedaagde] om de behandelingskosten bij het Shepherd Center te vergoeden. Het in dat kader gevorderde bedrag van € 25.591,88 ligt voor toewijzing gereed. Volledigheidshalve voegt de voorzieningenrechter hier aan toe dat de kosten van een Residential program in beginsel $ 1.374,- per dag zijn en dat de curatoren blijkbaar een korting tot $ 1.212,- per dag hebben kunnen bedingen. Het bedrag van $ 550,- per dag dat [gedaagde] in haar conclusie van antwoord noemt, is niet voor een Residential program maar voor een Day program en de verleende korting volgt uit productie 6 bij dagvaarding.\n\n5.14.. \n [gedaagde] plaatst in dit kort geding vraagtekens bij de effectiviteit van de behandeling bij het Shepherd Center. Dat heeft zij tot aan de afwijzing van de gevorderde betaling nimmer kenbaar gemaakt aan de curatoren, zodat de voorzieningenrechter aan dit standpunt voorbijgaat.\n\nAmbulancevluchtvervoer (heen en terug)\n\n5.15.. In de mail van 3 februari 2026 van [gedaagde] zijn de kosten van het transport van [persoon A] naar het Shepherd Center en terug niet expliciet benoemd. Wel is duidelijk dat de vervoerskosten van [persoon A] in beginsel zouden worden gefinancierd. Deze kosten moeten worden geschaard onder ‘meer kosten’ bij het vierde punt. Daarvoor geldt dat [gedaagde] deze kosten vergoedt voor zover het gaat om redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 BW. De kosten van ambulancevervoer zijn alleen redelijk te achten wanneer komt vast te staan dat [persoon A] , gezien zijn medische toestand, alleen op verantwoorde wijze via een ambulancevliegtuig kon worden vervoerd. Dat is echter een geschilpunt tussen partijen, waarover in dit kort geding geen helderheid kan worden verkregen. Zo is niet duidelijk of de optie ambulancevliegtuig in het gesprek op 3 februari 2026 is genoemd, zoals de curatoren stellen en [gedaagde] betwist. In een bodemprocedure, waar plaats is voor nadere bewijslevering, moet worden beoordeeld wat er concreet is toegezegd, althans waarvan de curatoren in de gegeven omstandigheden mochten uitgaan en of een eventueel andere (goedkopere) wijze van transport tot de mogelijkheden behoorde. Daarbij speelt ook een rol dat de curatoren niet hebben onderbouwd dat – nu al duidelijk is dat – voor de terugvlucht een ambulancevliegtuig moet worden ingezet voor [persoon A] .\n\n5.16.. \n\nTer zitting heeft [gedaagde] desgevraagd verklaard dat zij als redelijke kosten voor het vervoer van [persoon A] , en 2 familieleden, van Nederland naar Atlanta uitging van\n\n€ 60.000-€ 70.000,00, van een bedrag van ongeveer € 100.000,00 voor een retourvlucht. Het zou dan een 1e klas vlucht betreffen, waarbij een arts en een verpleegkundige meegaan, inclusief ambulancevervoer van en naar het vliegveld. Gelet op die verklaring, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om ten titel van ambulancevluchtvervoer (heen en terug) het bedrag van € 100.000,00 als voorschot toe te wijzen.\n\nAndere kosten i.v.m. verblijf van [persoon A] en de curatoren in de VS\n\n5.17.. De curatoren gaan uit van een verblijf van 28 dagen en hebben de kosten die zij gedurende hun verblijf moeten maken ten behoeve van zorg en begeleiding van [persoon A] begroot op € 5.490,00. Deze kosten bestaan uit mobiliteitskosten, noodzakelijke verzorgingskosten van [persoon A] (met name incontinentiemateriaal, waskosten, vochtige doekjes), extra kosten voor het levensonderhoud in de VS (met name geschikt eten voor [persoon A] en de curatoren) en extra telefoon- en internetkosten. Deze kosten zien op meer zaken dan de “redelijke kosten voor reis en verblijf voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden, met aftrek van de kosten die in Nederland ook zouden worden gemaakt voor levensbehoeften” (zoals bedoeld onder punt 3 van de mail van [gedaagde] van 3 februari 2026).\n\n5.18.. De begrote kosten komen de voorzieningenrechter, mede gelet op de onderbouwing, niet onredelijk voor en worden als voorschot toegewezen. Omdat het bedrag meer omvat dan de kosten voor het verblijf van twee meereizende familieleden, wordt ervan uitgegaan dat de in 5.17. genoemde aftrek, ook al is dat niet met zoveel woorden gesteld, in zekere zin is meegenomen.\n\nAanvullende noodzakelijke kosten\u002Fbevoorschotting\n\n5.19.. De curatoren vorderen een bedrag van € 40.000,00 voor het resterende verblijf in de VS. Ter zitting is bekend geworden dat [persoon A] inmiddels is ontslagen uit het Shepherd Center. De behandeling kon niet worden verlengd, omdat de curatoren dat niet konden betalen. De curatoren stellen het gevorderde bedrag nodig te hebben voor tijdelijke huisvesting en verzorging van [persoon A] in de VS tot de datum van repatriëring en voor hulp\u002Fverzorgingskosten daarna.\n\n5.20.. Ook deze begrote kosten komen de voorzieningenrechter niet onredelijk voor en worden als voorschot toegewezen.\n\nBelangenafweging en restitutierisico\n\n5.21.. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid erkend voor de schade die [persoon A] lijdt als gevolg van het verkeersongeluk. Zij heeft toegezegd de behandeling in het Shepherd Center te financieren. Bepaalde kosten waren nog niet bekend, maar daarvoor gold dat die zouden worden vergoed voor zover die redelijk zijn. Ten aanzien van het deel van de geldvordering dat wordt toegewezen, is voldoende aannemelijk dat de curatoren die kosten ten behoeve van [persoon A] hebben gemaakt of gaan maken en dat [gedaagde] die kosten, als zijnde de door [persoon A] geleden en te lijden schade, moet vergoeden. Dat maakt ook dat, hoewel er strikt genomen sprake is van een restitutierisico, dat risico niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering.\n\n5.22.. Dat [gedaagde] onlangs € 150.000,00 heeft uitgekeerd, leidt niet tot een ander oordeel. De curatoren stellen terecht dat het reeds uitgekeerde bedrag ziet op vergoeding van andere posten (smartengeld en voorschot onder algemene titel).\n\nConclusie\n\n5.23.. Dat betekent dat in totaal een bedrag van € 171.081,88 (= € 25.591,88 + € 100.000,00 + € 5.490,00 + € 40.000,00) als voorschot wordt toegewezen. Gelet op al het hiervoor overwogene is er alle reden om die beslissing, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n5.24.. De gevorderde wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW wordt deels toegewezen. De curatoren hebben op 6 april 2026 het bedrag van € 25.591,88 aan het Shepherd Center voldaan, zodat de wettelijke rente wordt toegewezen over dat bedrag vanaf 6 april 2026. Daarnaast staat vast dat op 10 april 2026 het bedrag van € 145.000,00 in contanten is voldaan voor het vervoer van [persoon A] naar de VS. De curatoren stellen op dat punt dat zij dat bedrag hebben geleend van familie, wat niet onaannemelijk is. Aan het betoog van [gedaagde] dat (een deel van) dat bedrag een gift kan zijn geweest, wordt, ook gelet op de toezegging van [gedaagde] , voorbij gegaan. Dat ligt niet voor de hand en [gedaagde] heeft geen aanknopingspunt gegeven dat in die richting wijst. Voor het vervoer naar de VS is in 5.16. al geoordeeld dat een bedrag van € 70.000,00 redelijk is. De wettelijke rente wordt dus toegewezen over € 70.000,00 met ingang van 10 april 2026.\n\nProceskosten\n\n5.25.. De curatoren hebben [gedaagde] op juiste gronden in rechte betrokken, zodat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van de curatoren. Deze proceskosten worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.803,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.324,67\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagde] om, binnen drie dagen na de betekening van dit vonnis, aan de curatoren te betalen een bedrag van € 171.081,88;\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 25.591,88 met ingang van 6 april 2026 tot de dag van volledige betaling, alsmede over een bedrag van € 70.000,00 met ingang van 10 april 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.324,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;\n\n6.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.\n\n2091 \u002F 2009\n\n Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3123, r.o. 3.5","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6340","2026-07-13T00:29:33.494Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":127,"fullText":128,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":129,"sourceTimestamp":130,"parsedAt":50,"updatedAt":131},"930","ECLI:NL:GHAMS:2026:1058","ecli-nl-ghams-2026-1058","2026-04-21T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.350.925\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank Noord-Holland : C\u002F15\u002F351442\u002F HA ZA 24-209\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\ngevestigd te [plaats 2] , België,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. D.E. Thiescheffer te Amsterdam,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nwonend in [plaats 1] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven.\n\nPartijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [geïntimeerde] heeft een ongeval veroorzaakt als bestuurder van een huurauto. De huurauto is WAM-verzekerd bij [appellant] . [appellant] heeft de schade van het slachtoffer vergoed. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het gedrag van [geïntimeerde] dat leidde tot het ongeval als roekeloos in de zin van de polisvoorwaarden en artikel 7:952 BW heeft te gelden. Volgens [appellant] kan zij op grond van artikel 15 lid 1 WAM de schadevergoeding die zij aan het slachtoffer heeft betaald, verhalen op [geïntimeerde] . De rechtbank heeft de daarop gerichte vorderingen van [appellant] afgewezen. Centraal staat de vraag hoe het criterium ‘roekeloosheid’ in de zin van artikel 7:952 BW moet worden ingevuld. Het hof komt tot de conclusie dat de schade niet is veroorzaakt door roekeloosheid van [geïntimeerde] en bekrachtigt het bestreden vonnis.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n [appellant] is bij dagvaarding van 15 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 16 oktober 2024 van de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Alkmaar), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als oorspronkelijk eiseres, gedaagde in het verzet en [geïntimeerde] als oorspronkelijk gedaagde, eiser in het verzet.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven, met één productie;\n\n- memorie van antwoord.\n\nOp 12 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht. De advocaat van [appellant] heeft dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\n3.1.. Het hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. Op 10 september 2019 omstreeks 02.18 uur heeft bij de kruising Stadhouderskade en Leidseplein te Amsterdam een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een fietser en een personenauto die werd bestuurd door [geïntimeerde] . De fietser heeft daarbij ernstig letsel opgelopen.\n\n3.3.. De auto waarin [geïntimeerde] reed, had hij kort voor het ongeval gehuurd van de eigenaar, [bedrijf 1] . De auto was door [bedrijf 1] in het kader van de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (hierna: WAM) verzekerd bij [appellant] . De PM 16 polisvoorwaarden (de Algemene Voorwaarden bij de [appellant] Auto- en Motorverzekering, hierna: de polisvoorwaarden) maken onderdeel uit van de tussen [bedrijf 1] en [appellant] gesloten verzekeringsovereenkomst.\n\n3.4.. In opdracht van [appellant] heeft [bedrijf 2] een toedrachtonderzoek uitgevoerd. Daarnaast heeft de politie Amsterdam uitgebreid onderzoek gedaan naar (de toedracht van) het ongeval. Vastgesteld is dat [geïntimeerde] aan het accelereren was toen hij het kruispunt naderde. Hij reed door rood licht en heeft pas geremd toen hij de fietser raakte. Bij het ongeval reed [geïntimeerde] met een snelheid van tussen de 61 en 68 kilometer per uur, terwijl maximaal 50 kilometer per uur was toegestaan.\n\n3.5.. \n [geïntimeerde] is strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld wegens overtreding van art. 6 Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank heeft geoordeeld dat het aan de schuld van [geïntimeerde] is te wijten dat het ongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank kwalificeert het verkeersgedrag van [geïntimeerde] als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam (Rb. Amsterdam, 23 juni 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:3176).\n\n3.6.. In artikel 7 van de polisvoorwaarden is bepaald dat [appellant] schade die met opzet is veroorzaakt of het gevolg is van roekeloosheid niet betaalt. Het artikel luidt als volgt:\n\nWanneer betalen we niet?\n\nIn de voorwaarden bij uw verzekering staat wanneer we wel en niet betalen. Daarnaast betalen we nooit in de volgende situaties:\n\n(…)\n\nSchade door opzet of door roekeloosheid\n\nWe betalen niet als u de schade met opzet heeft veroorzaakt of roekeloos bent geweest.\n\n3.7.. De fietser heeft een schademelding gedaan bij [appellant] . [appellant] heeft als verzekeraar op grond van de WAM de afwikkeling van de (letsel)schade ter hand genomen en diverse (deel)betalingen aan de fietser verricht.\n\n3.8.. \n [appellant] heeft [geïntimeerde] bericht dat zij van mening is dat [geïntimeerde] roekeloos heeft gereden en dat [geïntimeerde] de schade die het gevolg is van het ongeval en door [appellant] is en zal worden vergoed, aan [appellant] moet terugbetalen. [geïntimeerde] heeft dit van de hand gewezen.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. Bij de rechtbank heeft [appellant] samengevat gevorderd:\n\neen verklaring voor recht dat [geïntimeerde] bij het veroorzaken van het ongeval roekeloos heeft gehandeld en gehouden is alle schadevergoeding die [appellant] als gevolg van het ongeval dient te betalen, aan [appellant] dient te vergoeden;\n\nveroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 85.822,34 met rente;\n\nveroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.\n\n4.2.. Bij vonnis van 5 januari 2022 zijn bij verstek alle vorderingen van [appellant] toegewezen.\n\n4.3.. \n [geïntimeerde] is tegen dat vonnis in verzet gekomen. In de verzetprocedure heeft de rechtbank in het bestreden vonnis geoordeeld dat [appellant] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat [geïntimeerde] roekeloos heeft gehandeld in de zin van de polisvoorwaarden en\u002Fof artikel 7:952 BW, zodat het beroep van [appellant] op de uitsluitingsclausule vanwege opzet of roekeloosheid faalt. De rechtbank heeft het verstekvonnis vernietigd, alle vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.\n\n5. Vordering in hoger beroep\n\n5.1.. \n [appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – haar vorderingen toe te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.\n\n5.2.. \n [geïntimeerde] verzoekt het hof het bestreden vonnis te bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de proceskosten.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. \n [appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Deze grieven stellen gezamenlijk aan de orde dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een beroep op de ‘tenzij-bepaling’ van artikel 15 lid 1 WAM en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.\n\n6.2.. \n [appellant] voert in hoger beroep kort gezegd het volgende aan. Het ongeval is veroorzaakt door roekeloos rijgedrag van [geïntimeerde] . In de polisvoorwaarden is schade die veroorzaakt is door roekeloosheid van dekking uitgesloten. [appellant] kan de door haar onder de WAM aan de fietser vergoede schade op [geïntimeerde] verhalen op grond van art. 15 lid 1 WAM omdat is voldaan aan de voorwaarden van de zogeheten ‘tenzij-bepaling’. [geïntimeerde] mocht niet te goeder trouw aannemen dat aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van roekeloos handelen door een verzekering zou worden gedekt. Voor de uitleg van het begrip roekeloosheid moet aansluiting worden gezocht bij artikel 7:952 BW en de daaraan in de jurisprudentie gegeven invulling, te weten een in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld.\n\n6.3.. Het hof overweegt als volgt. Artikel 15 lid 1 WAM bepaalt het volgende:\n\nDe verzekeraar die ingevolge deze wet de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten verzekering was gedekt, heeft voor het bedrag der schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon. Het bepaalde in de vorige zin geldt niet ten aanzien van de aansprakelijke persoon, die niet is de verzekeringnemer, tenzij hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.\n\n6.4.. Artikel 7 van de polisvoorwaarden bepaalt onder meer dat schade die het gevolg is van roekeloosheid van dekking is uitgesloten. Omdat [geïntimeerde] niet de verzekeringnemer onder de polis is, geldt dat [appellant] alleen de schade op [geïntimeerde] kan verhalen als deze niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt (de zogeheten tenzij-bepaling). Dit is het geval indien [geïntimeerde] wist dat zijn aansprakelijkheid niet door een verzekering werd gedekt of als hij dat in de gegeven omstandigheden behoorde te weten (HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1164). Hiervoor is in deze zaak allereerst bepalend of de schade is ontstaan door roekeloosheid van [geïntimeerde] . Het is aan [appellant] de feiten en omstandigheden te stellen en (bij voldoende gemotiveerde betwisting) te bewijzen die aan het beroep op de tenzij-bepaling ten grondslag worden gelegd.\n\n6.5.. Het hof is met partijen van oordeel dat voor de uitleg van het begrip roekeloosheid van artikel 7 van de polisvoorwaarden aangesloten dient te worden bij dat begrip in art. 7:952 BW en de daaraan in de jurisprudentie gegeven invulling. Dit artikel bepaalt dat de verzekeraar geen schade aan de verzekerde vergoedt die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt.\n\n6.6.. Onder roekeloosheid in de zin van art. 7:952 BW wordt een in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van schuld verstaan, ook wel aangeduid als grove schuld (HR 12 maart 1954, ECLI:NL:HR:1954:9, MvA, Kamerstukken I 2004\u002F05, 19 529, B, p. 19). Daarvan is ook sprake in geval van zogeheten onbewuste roekeloosheid. Onder onbewuste roekeloosheid wordt de situatie verstaan waarin de dader zich niet bewust is van de aanmerkelijke kans op schade die zijn handeling kan meebrengen, maar hij zich daarvan wel bewust had behoren te zijn (MvA, Kamerstukken I 2004\u002F05, 19 529, E, p. 13). De invulling van het begrip roekeloosheid wordt ingekleurd door het rechtsgebied waar het wordt gehanteerd. In dit geval gaat het om aansprakelijkheid onder de WAM. De WAM is erop gericht om aansprakelijkheid te dekken waartoe een motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven. Dat is veelal aan de orde in het geval een bestuurder van een motorrijtuig een (verkeers)fout heeft gemaakt. Verzekerden onder de WAM mogen er daarom in beginsel van uitgaan dat aansprakelijkheid voor verkeersfouten is gedekt onder de (verplichte) WAM-verzekering. Hoewel verwijtbaar handelen in strijd met verkeersregels in het algemeen de kans op schade in het leven roept of vergroot, kan dergelijk gedrag niet zonder meer als roekeloos worden aangemerkt.\n\n6.7.. Voor de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] roekeloosheid kan worden verweten, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. [appellant] heeft in het bijzonder gewezen op de volgende omstandigheden waaruit volgens haar blijkt dat het ongeval het gevolg is van roekeloosheid van [geïntimeerde] :\n\n- [geïntimeerde] reed in het donker met een gemiddelde snelheid van 61 tot 68 km\u002Fu op een van de drukste en gevaarlijkste verkeerslocaties van Amsterdam, gelegen in een uitgaansgebied, waar een maximumsnelheid van 50 km\u002Fu geldt en waarvan bekend is dat in het gebied ook na middernacht nog voetgangers en fietsers aanwezig zijn die mogelijk onder invloed van alcohol verkeren.\n\n- In plaats van af te remmen, nam zijn snelheid in de laatste 35 meter vóór de kruising toe tot tussen de 66 en 78 km\u002Fu;\n\n- [geïntimeerde] negeerde de aan beide zijden van de weg rood uitstralende verkeerslichten, terwijl deze op dat moment al meer dan 32 seconden op rood stonden;\n\n- De Stadhouderskade is vanaf de Overtoom een recht stuk rijbaan in de richting van de stoplichten en [geïntimeerde] heeft ongeveer vijf tot zes seconden ongehinderd en goed zicht gehad op de verkeerslichten;\n\n- [geïntimeerde] passeerde een voertuig op de linkerrijstrook dat wél voor rood licht stilstond;\n\n- [geïntimeerde] remde niet af voor een fietser die op dat moment door groen licht de kruising overstak;\n\n- [geïntimeerde] was als regelmatig bezoeker van het nabijgelegen Holland Casino bekend met de omgeving;\n\n- De betreffende kruising richting het Leidseplein is een kruising waarop fietsers, voetgangers en vaak onoplettende toeristen de Stadhouderskade kruisen;\n\n- De betreffende kruising is gelegen in een uitgaansgebied waar het doorgaans ook in de nacht druk is.\n\nVolgens [appellant] kwalificeert dit handelen als roekeloos omdat [geïntimeerde] met zijn rijgedrag bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij in aanrijding zou komen met een kruisende verkeersdeelnemer. Daarmee is [geïntimeerde] rijgedrag ten minste naar objectieve maatstaven als roekeloos aan te merken. Hierbij komt ook betekenis toe aan het strafvonnis waarin bewezen is verklaard dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam verkeersgedrag waardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden. [appellant] voegt daaraan nog toe dat zij zich gesterkt voelt in haar overtuiging dat [geïntimeerde] handelswijze als roekeloos kan worden aangemerkt, omdat haar uit medische informatie duidelijk is geworden dat [geïntimeerde] sinds zijn jeugd al een bril nodig heeft maar desondanks zonder bril aan het verkeer deelnam. [appellant] betoogt verder dat indien zou worden geoordeeld dat [geïntimeerde] niet bewust door rood is gereden, evengoed geldt dat hij roekeloos geweest. Een dergelijke grove onachtzaamheid valt [geïntimeerde] evenzeer te verwijten als wanneer hij bewust door het rode licht zou zijn gereden, aldus [appellant] .\n\n6.8.. Het hof overweegt als volgt. Om aan te nemen dat het verkeersgedrag van [geïntimeerde] roekeloos is geweest, is vereist dat [geïntimeerde] zich, in elk geval in zekere mate, bewust was van zijn handelen. Of [geïntimeerde] zich bewust was van de aanmerkelijke kans op schade mag in dat geval naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Voldoende daarvoor is dat [geïntimeerde] zich van de aanmerkelijke kans op schade bewust had behoren te zijn.\n\n6.9.. \n [geïntimeerde] betwist dat hij goed bekend was met de plaats van het ongeval en dat de verkeerssituatie in de (doordeweekse) nacht waarin het ongeval plaatsvond druk was. Naar het oordeel van het hof kan dit evenwel in het midden blijven nu de overige door [appellant] aangevoerde omstandigheden door [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd zijn betwist. Uit die omstandigheden valt af te leiden dat [geïntimeerde] ernstige verkeersfouten heeft gemaakt, die hem ook kunnen worden verweten. Deze fouten maken echter niet dat [geïntimeerde] in de hiervoor bedoelde zin roekeloos heeft gehandeld. [geïntimeerde] betwist dat hij zich bewust was van de gedragingen die hebben geleid tot het ongeval. Hij heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval mentaal afwezig was en dat hij de kruising met de rode verkeerslichten niet heeft opgemerkt. Uit zijn verklaringen ter zitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, volgt dat hij langs een gebouw reed met een bord ‘Booking.com’. Hij herinnert zich dat hij dacht: Oh zit dat hier ook? Kennelijk is [geïntimeerde] daarna afgeleid geraakt, want het volgende moment dat hij zich bewust herinnert is het moment van de klap. Deze verklaring komt het hof niet onaannemelijk voor. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die erop wijzen dat [geïntimeerde] zich wel bewust was van zijn handelen toen hij het kruispunt naderde. De omstandigheid dat [geïntimeerde] bij het naderen van het kruispunt accelereerde geeft eerder steun aan de verklaring van [geïntimeerde] dat hij tijdelijk mentaal afwezig was. Voor iemand die zich bewust is van zijn handelen is het onlogisch om bij het naderen van een kruispunt te versnellen in plaats van te remmen of eenzelfde snelheid aan te houden. Hoezeer het [geïntimeerde] ook kan worden verweten dat hij niet de vereiste oplettendheid heeft betracht tijdens het rijden, is dat niet voldoende voor roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW. De – door [geïntimeerde] betwiste – omstandigheid dat uit zijn medische informatie volgt dat hij sinds zijn jeugd een bril nodig heeft, leidt niet tot een ander oordeel. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat hij sinds zijn jeugd een pterygium heeft, waaraan hij in 2018 is geopereerd. Hij heeft nooit een bril gedragen. Na de operatie is hem in december 2019 geadviseerd om een bril te gaan dragen met een sterkte van +2 en -0,75. Uit die medische informatie volgt niet dat bij [geïntimeerde] een dusdanige oogafwijking is vastgesteld, dat het rijden zonder bril ten tijde van het ongeval als roekeloos kan worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat [geïntimeerde] voor zijn rijgedrag strafrechtelijk is veroordeeld leidt niet tot een ander oordeel. Het strafvonnis gaat ervan uit dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar verkeersgedrag. Het strafvonnis bevat echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [geïntimeerde] zich bewust was van zijn handelen.\n\n6.10.. \n [appellant] heeft op verschillende plaatsen in de memorie van grieven gesteld dat [geïntimeerde] het ongeval opzettelijk heeft veroorzaakt, zonder dit feitelijk te onderbouwen. De conclusie van het hof dat [geïntimeerde] niet bewust heeft gehandeld, brengt met zich dat [geïntimeerde] ook geen verwijt van opzet treft.\n\n6.11.. Het hof komt tot de conclusie dat het handelen van [geïntimeerde] dat heeft geleid tot het ongeval niet als opzettelijk of als roekeloos kan worden aangemerkt. Er is daarom geen grond op basis waarvan [geïntimeerde] niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid niet door de verzekering was gedekt. Het beroep van [appellant] op art. 15 lid 1 WAM faalt.\n\n6.12.. Het hoger beroep heeft geen succes. Dit leidt tot de slotsom dat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:\n\n- griffierecht € 362\n\n- salaris advocaat € 4.704(tarief IV, 2 punten)\n\nTotaal € 5.066\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. bekrachtigt het bestreden vonnis;\n\n7.2.. veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 5.066;\n\n7.3.. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. J. van der Kraan, J.F. Aalders en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1058","2026-04-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.253Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":43,"courtId":136,"decisionDate":127,"fullText":137,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":50,"updatedAt":140},"936","ECLI:NL:GHDHA:2026:565","ecli-nl-ghdha-2026-565",58,"GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.362.158\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F09\u002F691230 \u002F KG ZA 25-886\n\nArrest van 21 april 2026 in kort geding\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant 1] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\n2. [appellant 2],\n\nwonend in [woonplaats] ,3. [appellant 3] ,\n\nwonend te [woonplaats] ,4. [appellant 4] ,\n\nwonend te [woonplaats] ,5. Constans Letselschade B.V.\n\nGevestigd te Eext ,\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. H.C. Bijleveld, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\ntegen\n\nNationale Nederland Schadeverzekering Maatschappij B.V.,\n\ngevestigd in Den Haag,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. A.N.L. de Hoogh, kantoorhoudend in 's-Gravenhage.\n\nHet hof noemt appellanten sub 1 tot en met 4 hierna afzonderlijk respectievelijk ‘ [appellant 1] ’, ‘ [appellant 2] ’, ‘ [appellant 3] ’ en ‘ [appellant 4] ’. Gezamenlijk worden zij hierna ‘de benadeelden’ genoemd. Appellant sub 5 wordt hierna aangeduid als ‘ Constans ’. Appellanten gezamenlijk duidt het hof aan als Constans c.s.\n\nGeïntimeerde wordt hierna ‘NN’ genoemd.\n\n1. De zaak in het kort1.1. De benadeelden zijn letselschadeslachtoffers. NN is de verzekeraar van de partijen die voor die letselschades aansprakelijk zijn. De benadeelden lieten aanvankelijk hun belangen behartigen door Columbus Groningen. NN heeft de samenwerking met Columbus Groningen verbroken vanwege door NN gestelde frauduleuze praktijken bij Columbus Groningen. Vervolgens zijn de benadeelden overgestapt naar Constans . Volgens NN is Constans dezelfde partij als Columbus Groningen. Om die reden weigert zij ook samenwerking met Constans .1.2. Constans en de benadeelden vorderen in dit geding dat NN Constans als belangenbehartiger accepteert.1.3. Het hof is van oordeel dat NN ten onrechte weigert om Constans als belangenbehartiger te accepteren. Constans is niet dezelfde partij als Columbus Groningen en de verwijten aan het adres van Constans op grond waarvan NN samenwerking weigert zijn niet terecht.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 1 december 2025, met grieven en producties, waarmee Constans c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 november 2025;\n\nde memorie van antwoord van NN, met producties;\n\nde bijlagen 23 tot en met 31 die Constans c.s. ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.2.2. Op 9 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.3. Feitelijke achtergrondIntroductie partijen in deze procedure3.1. De benadeelden zijn slachtoffers van een ongeval waarbij zij letselschade hebben opgelopen. NN is de verzekeraar van de partijen die voor de letselschade aansprakelijk zijn. NN heeft de aansprakelijkheid in deze letselschadezaken erkend, waarna minnelijke schaderegelingstrajecten zijn gestart.3.2. \n [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] worden in het kader van hun minnelijke schaderegelingstraject bijgestaan door een belangenbehartiger, de heer [belangenbehartiger 1] (hierna: [belangenbehartiger 1] ). [appellant 4] wordt bijgestaan door de heer [belangenbehartiger 2] (hierna: [belangenbehartiger 2] ).3.3. \n [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] werken op dit moment bij Constans . Verder werken daar [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ).3.4. \n\nConstans is een op 24 januari 2025 opgericht letselschadebureau dat zich bezighoudt met het begeleiden, adviseren en behartigen van de belangen van slachtoffers van letselschade. Enig aandeelhouder en bestuurder van Constans op het moment van oprichting was Magna Lignum Holding B.V. (hierna: Magna Lignum ). [naam 3] (hierna: [naam 3] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van Magna Lignum . Met ingang van 1 februari 2025 is [belangenbehartiger 1] bestuurder van Constans .\n\nColumbus Groningen3.5. \n [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] waren voorheen als schaderegelaars werkzaam bij letselschadebureau Columbus Letselschade Groningen B.V. (hierna: Columbus Groningen). Columbus Groningen is op 1 maart 2025 ontbonden.3.6. Enig aandeelhouder van het in 2011 opgerichte Columbus Groningen was Columbus Beheer B.V. (hierna: Columbus Beheer). Tot 17 september 2024 was Columbus Holding B.V. (hierna: Columbus Holding) enig aandeelhouder en bestuurder bij Columbus Beheer. Enig aandeelhouder van Columbus Holding is Stichting Administratiekantoor Cipressa (hierna: Cipressa). [naam 4] (hierna: [naam 4] ) is zowel bestuurder van Columbus Holding als van Cipressa. [naam 4] werkte ook als schaderegelaar bij Columbus Groningen.3.7. Magna Lignum was vanaf 17 september 2024 enig aandeelhouder van Columbus Beheer. [naam 3] was sinds die datum bestuurder van Columbus Beheer en daarmee tevens indirect bestuurder van Columbus Groningen.3.8. \n\nColumbus Groningen behartigde de belangen van haar cliënten bij diverse aansprakelijkheidsverzekeraars, waaronder Allianz Benelux N.V. (hierna: Allianz), Unigarant N.V. (hierna: Unigarant), Achmea Schadeverzekering N.V. (hierna: Achmea), ASR Nederland (hierna: ASR) en NN.\n\nMaatregelen tegen Columbus Groningen en [naam 4]3.9. Op 17 november 2023 heeft Allianz Columbus Groningen en [naam 4] met ingang van 17 augustus 2023 voor de duur van drie jaar geregistreerd in haar Interne Verwijzingsregister (IVR) en het Extern Verwijzingsregister (EVR). Allianz is daartoe overgegaan nadat haar uit een door een van haar klanten verstrekte geluidsopname was gebleken dat Columbus Groningen zich schuldig maakte aan het aanpassen van medische informatie met als doel het verkrijgen van onterechte schadevergoeding. Bij vonnis van 6 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam de vordering van Columbus Groningen en [naam 4] om de EVR-registraties ongedaan te maken dan wel de duur daarvan te beperken, afgewezen. [naam 4] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 16 september 2025 heeft het hof Den Haag het vonnis van 6 januari 2025 bekrachtigd.3.10. Unigarant heeft Columbus Groningen op 12 december 2023 bericht dat zij haar niet langer als belangenbehartiger in letselschadedossiers aanvaardt. Op 28 december 2023 heeft Unigarant bericht dat zij Columbus Groningen en [naam 4] voor de duur van acht jaar in het Incidentenregister en het EVR zal registreren. Die registraties hebben omstreeks 24 januari 2024 plaatsgevonden. Bij arrest in kort geding van 15 oktober 2024 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden Unigarant veroordeeld om de registraties in het EVR ongedaan te maken. De vordering die ertoe strekte om Unigarant te veroordelen om de behandeling van letselschadezaken met Columbus Groningen en [naam 4] te hervatten, is afgewezen, omdat Unigarant naar het oordeel van het hof goede redenen had om haar samenwerking met hen te beëindigen.3.11. NN heeft Columbus Groningen en [naam 4] met ingang van 5 juli 2024 voor de duur van vier jaar geregistreerd in het EVR. Eveneens op die datum heeft NN Columbus Groningen bericht dat zij tot 24 augustus 2031 niet zal samenwerken met Columbus Groningen, eventuele rechtsopvolgers van Columbus Groningen en andere rechtspersonen waaraan [naam 4] is gelieerd. In haar brief van 5 juli 2024, waarin zij haar beslissing heeft medegedeeld, onderbouwt NN deze maatregelen door erop te wijzen dat a) is gebleken dat Columbus Groningen schadestaten niet van een volledige onderbouwing voorziet, b) Columbus Groningen zich niet toetsbaar en transparant opstelt, c) Columbus Groningen niet beschikt over het Nationaal Keurmerk Letselschade (NKL) en d) Columbus Groningen een excessief hoog uurtarief hanteert. Columbus Groningen en [naam 4] zijn naar aanleiding van deze EVR-registraties een kort geding tegen NN gestart. Dit kort geding hebben zij kort voor de zitting ingetrokken. [naam 4] heeft naar aanleiding van zijn registratie in EVR een klacht ingediend bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid).3.12. NN heeft de benadeelden die door Constans werden bijgestaan bij brief van 24 juli 2024 bericht dat zij de samenwerking met Constans heeft beëindigd. In die brief heeft NN deze benadeelden geadviseerd een andere belangenbehartiger in te schakelen. Daarbij heeft NN erop gewezen dat deze benadeelden hun schade ook zelf met NN kunnen regelen.3.13. Achmea heeft haar samenwerking met Columbus Groningen op of omstreeks 31 oktober 2024 beëindigd, omdat zij geen vertrouwen meer had in de werkwijze, eerlijkheid en deskundigheid van Columbus Groningen.3.14. ASR heeft haar relatie met Columbus Groningen op 18 november 2024 beëindigd. ASR geeft als reden voor die beëindiging dat zij er niet op kan vertrouwen dat Columbus Groningen benadeelden op deskundige en integere wijze zal bijstaan.3.15. \n\n [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] hebben de Stichting Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE) in november 2024 verzocht hen te registreren als aspirant register-expert. Het NIVRE heeft deze verzoeken in februari 2025 afgewezen. [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] hebben tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt, waarbij [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] hun verzoek hebben gewijzigd, in die zin dat zij hebben verzocht om registratie als kandidaat register-expert. Nadat het NIVRE hun bezwaar ongegrond had verklaard, hebben [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] het NIVRE in kort geding gedagvaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft hun vordering bij vonnis van 9 juli 2025 afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het NIVRE zich met succes kan beroepen op artikel 6.1 aanhef en onder c van haar Huishoudelijk Reglement, waarin is bepaald dat de in te schrijven persoon naar het oordeel van het bestuur in de uitoefening van zijn beroep te goeder naam en faam bekend dient te staan. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder meer als volgt overwogen:\n\n‘1.9. Dat Columbus en [naam 4] niet te goeder naam en faam bekend staan, volgt uit de registratie ut het EVR. Voor [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] geldt dat zij hun recente relevante werkervaring vrijwel volledig bij Columbus hebben opgedaan. [naam 4] bepaalde het beleid, in ieder geval voor wat betreft het bij opdrachtgevers (en indirect bij aansprakelijkheidsverzekeraars) in rekening te brengen kosten. Die kosten waren relatief hoog. Ook voor werkzaamheden die waren verricht door medewerkers met weinig ervaring werd een hoger dan marktconform tarief in rekening gebracht. Dat eisers mogelijk geen invloed hadden op dat beleid neemt niet weg dat zij onder de naam van Columbus actief waren en dat het door Columbus gevoerde beleid nog steeds op eisers afstraalt. De omstandigheid dat eisers begin dit jaar bij Columbus zijn vertrokken en voor een andere organisatie, Constans , zijn gaan werken, maakt niet dat het NIVRE op dit moment gehouden is om eisers als kandidaat register-experts in te schrijven Hoewel voorshands aannemelijk is dat Constans geen één op-één voortzetting van Columbus betreft en de intenties van eisers goed lijken te zijn doet de situatie dat eisers te goeder naam en faam bekend staan zich nu (nog) niet voor. Eisers hebben tot begin dit jaar bij Columbus gewerkt en zijn daardoor nog niet voldoende in de gelegenheid geweest om hun intenties waar te maken en daarmee ook een goede naam te verwerven Tegen die achtergrond is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk dat het bestuur van het NIVRE van mening is dat eisers nu (nog) niet te goeder naam en faam bekend staan. NIVRE handelt in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig jegens eisers door zich op die afwijzingsgrond te beroepen.’3.16. \n\nBij brief van 7 maart 2025 heeft NN aan [naam 3] bericht dat zij tot 24 augustus 2031 niet met Constans zal samenwerken. In die brief valt onder meer het volgende te lezen:\n\n‘Zoals u bekend, werken wij tot 24 augustus 2031 niet langer samen met (een rechtsopvolger van) Columbus. Wij zien Constans als een rechtsopvolger van Columbus. Constans heeft namelijk dezelfde aandeelhouder en dezelfde bestuurder als Columbus. Ook de belangenbehartigers die aan Constans zijn verbonden (lees: de heren [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] ) zijn allen aan Columbus gelieerd (geweest). Verder is relevant dat u Constans uitsluitend hebt opgericht omdat de naam Columbus in uw woorden “al te veel besmet is,” zo volgt uit het nieuwsbericht van Letselschade.nu van 21 februari 2025.\n\nReden waarom u, zo volgt ook uit dat nieuwsbericht, een nieuwe onderneming hebt opgericht aan wie de Columbus-dossiers konden worden overgeheveld. Constans is daarmee de opvolger van Columbus, wat ook blijkt uit het feit dat Constans geen nieuwe cliënten heeft, maar louter oud-cliënten van Columbus. Dat heeft tot gevolg dat wij tot 24 augustus 2031 niet met Constans zullen samenwerken.\n\nMaar er zijn meer redenen waarom wij tot voornoemde datum niet met Constans zullen samenwerken. Wij hebben er geen vertrouwen in dat Constans een integere en betrouwbare handelwijze voorstaat. Dat standpunt is gestoeld op onze ervaringen met u en Columbus in het recente verleden Het was namelijk onder uw leiding en zeggenschap dat Columbus in december 2024 een kortgedingprocedure tegen ons startte in verband met de opname van Columbus in het Extern Verwijzingsregister. En het was onder uw leiding en zeggenschap dat Columbus in die kortgedingprocedure haar kwalijke handelwijze met hand en tand heeft verdedigd en goed praatte. Weliswaar werd het kortgeding vlak vóór de zitting van 16 januari 2025 ingetrokken, maar die intrekking hield louter verband met (proces)tactische redenen. Columbus heeft onder uw leiding en zeggenschap geen enkele zelfreflectie getoond, noch is er op enige wijze afstand genomen van het kwalijke handelen dat wij Columbus verwijten. Die constatering is voor ons van groot belang; deze zegt namelijk voldoende over uw moraliteit in de wijze van afwikkeling van personenschade Nu u van beide entiteiten de aandeelhouder en bestuurder bent, zien wij niet in waarom Constans in tegenstelling tot Columbus wel een integere en betrouwbare handelwijze zou voorstaan Voor ons speelt daarbij ook mee dat er aan Constans louter belangenbehartigers zijn verbonden die jarenlang voor Columbus hebben gewerkt en die Columbus ook na 5 juli 2024 nog trouw zijn gebleven. Dit terwijl zij ook de keuze hadden om Columbus te verlaten en daarmee om van (de handelwijze van) Columbus afstand te nemen. Dat deden zij echter niet en ook dat draagt niet bij aan de overtuiging dat Constans een partij is met wie wij graag samenwerken.\n\nWeer een andere reden waarom wij niet met Constans zullen samenwerken, is omdat wij er geen vertrouwen in hebben dat Constans deskundig is. De aan Constans verbonden personen hebben namelijk geen aantoonbare opleiding op het gebied van de personenschade genoten. Zij zijn ook geen lid van het Nederlands Instituut van Register Experts (NIVRE) of het Nederlands\n\nInstituut van Schaderegelaars (NIS). Constans is verder ook niet aangesloten bij het Nederlands Keurmerk Letselschade (NKL) of de Nederlandse Letselschade Experts (NLE). De ervaringen met de belangenbehartigers van Columbus hebben bovendien ook uitgewezen dat deze belangenbehartigers niet over de vereiste deskundigheid beschikken. Daar komt nog bij dat Constans een uurtarief hanteert van EUR 225,00 (exclusief BTW) wat voor een ongebonden en niet deskundige belangenbehartiger bovenmatig is. Ook dit vormt voor ons reden om niet met Constans te zullen samenwerken.’3.17. Naar aanleiding van de brief van 7 maart 2025 heeft [belangenbehartiger 1] , bij e-mail van 13 maart 2025, mede uit naam van [naam 3] NN verzocht om met hem en [naam 3] in gesprek te gaan en in afwachting daarvan de samenwerking met Constans voort te zetten. Daarbij heeft [belangenbehartiger 1] onder meer benadrukt dat Constans zich distantieert van het door [naam 4] gevoerde beleid bij Columbus, voor welk beleid [naam 3] volgens hem niet verantwoordelijk is geweest. Daarnaast heeft [belangenbehartiger 1] erop gewezen dat de concrete verwijten op grond waarvan NN de samenwerking met Columbus heeft opgezegd uitsluitend betrekking hebben op dossiers waarbij [naam 4] betrokken is geweest. [belangenbehartiger 1] heeft verder in deze brief erkend dat er in de praktijk van [naam 4] veel is misgegaan, maar daarbij heeft hij erop gewezen dat zijn eigen praktijk binnen Columbus Groningen los stond van de praktijk van [naam 4] en anders was ingericht. Ook heeft [belangenbehartiger 1] in deze brief – kort gezegd – toegelicht op welke wijze thans binnen Constans wordt gewerkt, op welke wijze kwaliteit, professionaliteit en integriteit worden en zullen worden geborgd en welke uurtarieven worden gehanteerd.3.18. NN heeft bij e-mail van 25 maart 2025 aan [belangenbehartiger 1] bericht dat zij er op basis van de e-mail van 13 maart 2025 nog niet van is overtuigd dat Constans een deskundige en integere partij is en dat zij om die reden geen aanleiding ziet om terug te komen op haar besluit om tot 24 augustus 2031 niet met Constans samen te werken. NN heeft er daarbij op gewezen dat zij bereid is haar standpunt te herzien als Constans vóór die datum kan aantonen dat zij wel een deskundige en integere partij is, bijvoorbeeld doordat haar medewerkers bij het NIVRE geregistreerd staan of aan haar het NKL is toegekend.3.19. Bij e-mail van 8 juli 2025 heeft [belangenbehartiger 1] NN onder toezending van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2025 en een rapport van 3 juli 2025 van een op 27 juni 2025 door mr. [naam 5] , verbonden aan Schaderecht Advocatuur (hierna: [naam 5] ), bij Constans uitgevoerde audit, verzocht om haar beslissing ten aanzien van Constans te heroverwegen. Het vonnis van 30 juni 2025 is gewezen in een door onder meer Constans tegen ASR gestart kort geding, waarin Constans vorderde dat ASR haar weer als belangenbehartiger zou accepteren. De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft die vordering in dat vonnis toegewezen.3.20. NN heeft bij e-mail van 24 juli 2025, in reactie op de e-mail van 8 juli 2025, aan [belangenbehartiger 1] bericht dat zij niet bereid is om haar beslissing te herzien. NN schreef dat zij zich niet gebonden acht aan het vonnis van 30 juni 2025 en het auditrapport van [naam 5] . Daarbij heeft NN bericht dat zij in haar overtuiging om niet met Constans en [belangenbehartiger 1] samen te werken wordt gesterkt door een recente ervaring met [belangenbehartiger 1] in een specifiek schaderegelingstraject (hierna: de zaak van mevrouw A).3.21. De advocaat van Constans en de benadeelden heeft NN op 2 september 2025 gesommeerd om de minnelijke schaderegelingstrajecten van de benadeelden voort te zetten met Constans als belangenbehartiger. NN heeft aan die sommatie geen gehoor gegeven.4. Procedure bij de rechtbank4.1. Constans en de benadeelden hebben NN gedagvaard en gevorderd dat NN, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld om a) uiterlijk de dag na het te wijzen vonnis Constans schriftelijk te informeren dat NN haar weer accepteert als belangenbehartiger en b) het minnelijke schaderegelingstraject in de zaken van de benadeelden voort te zetten, zulks met veroordeling van NN in de proceskosten.4.2. Daartoe voerden Constans en de benadeelden – samengevat – aan dat NN onrechtmatig jegens hen handelt. Volgens Constans weigert NN haar zonder goede reden als belangenbehartiger. Constans weerspreekt dat zij in juridische dan wel feitelijke zin kan worden beschouwd als rechtsopvolger of een voortzetting van Columbus Groningen. Columbus Groningen is volgens haar per 1 maart 2025 geliquideerd en [naam 3] heeft de aandelen in Columbus Beheer op 2 mei 2025 verkocht aan een derde. Daarnaast wijst Constans erop dat [naam 4] niet bij Constans is betrokken. [naam 4] handelt volgens Constans nog uitsluitend een aantal dossiers af vanuit Columbus Letselschade Heemstede B.V., voorheen een zustervennootschap van Columbus Groningen, waarvan de aandelen eveneens werden gehouden door Columbus Beheer. Verder licht Constans onder verwijzing naar haar – in haar beleving niet bovenmatige – uurtarieven, de inrichting van de werkzaamheden, haar algemene voorwaarden, de door haar medewerkers gevolgde opleidingen en haar aanvraag voor het NKL toe dat haar bedrijfsfilosofie en bedrijfsvoering geheel anders zijn dan die van Columbus Groningen. Meer in het bijzonder beroept Constans zich in dat verband op de bevindingen en conclusie van [naam 5] . [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] zijn volgens Constans niet onbetrouwbaar of incapabel gebleken. Zij hebben afstand genomen van de uitlatingen van [naam 4] in de Allianz-kwestie. De op 24 juli 2025 door NN aan het adres van [belangenbehartiger 1] gemaakte verwijten in de zaak van mevrouw A en de in conclusie van antwoord aan zijn adres gemaakte verwijten in een ander specifiek schaderegelingstraject (de zaak van mevrouw N) zijn volgens Constans evident onjuist en\u002F of tardief. Door hen als belangenbehartigers te weigeren legt NN volgens Constans aan [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] feitelijk een beroepsverbod op. Hierdoor worden [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] in hun broodwinning getroffen, temeer nu van de weigering van NN een precedentwerking kan uitgaan richting andere verzekeraars. De benadeelden stellen dat zij hun belangen in het kader van de afwikkeling van letselschadezaken uitsluitend door [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] willen laten behartigen. Doordat NN [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] zonder gegronde reden als belangenbehartigers weigert, doorkruist NN ter zake hun keuzevrijheid en ligt volgens de benadeelden hun minnelijke schaderegelingstraject stil. De benadeelden stellen dat zij hierdoor ernstig worden gedupeerd.4.3. NN heeft verweer gevoerd.4.4. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen en Constans en de benadeelden in de proceskosten veroordeeld. De voorzieningenrechter oordeelde kort samengevat dat Constans er op het moment van het vonnis nog onvoldoende blijk van had gegeven dat zij een betrouwbare belangenbehartiger is en dat schaderegelingsprocessen waarin zij als belangenbehartiger optreedt goed verlopen. Weliswaar kan niet worden aangenomen dat Constans en Columbus Groningen moeten worden vereenzelvigd, maar Constans is feitelijk wel te beschouwen als een voortzetting van Columbus Groningen. Niet alleen het ontbreken van het NKL, maar ook het feit dat de bij Constans werkzame schaderegelaars (nog) niet bij het NIVRE staan geregistreerd rechtvaardigt op dit moment de weigering van NN om Constans als letselschadebureau te accepteren.5. Vordering in hoger beroep5.1. Constans en de benadeelden vorderen NN te veroordelen om binnen twee dagen na de datum van het arrest het minnelijke schaderegelingstraject in de zaken van de benadeelden onverwijld voort te zetten met Constans als belangenbehartiger en Constans dienaangaande schriftelijk te informeren, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat NN daarmee in gebreke blijft. Constans en de benadeelden vorderen verder NN te veroordelen in de kosten van het geding in twee instanties.5.2. Kort gezegd zien de bezwaren van Constans en de benadeelden tegen het vonnis van de voorzieningenrechter op het volgende. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat Constans er nog onvoldoende blijk van heeft gegeven dat zij een betrouwbare belangenbehartiger is. Voor de vraag of een belangenbehartiger door de verzekeraar mag worden geweigerd, gaat het er niet om of deze voldoende heeft aangetoond dat zij betrouwbaar is, maar juist of die belangenbehartiger (in dit geval Constans ) er blijk van heeft gegeven incompetent, onbetrouwbaar of te duur te zijn en dat is niet het geval (grieven 1, 7 en 9). Door de voorzieningenrechter is ook ten onrechte overwogen dat Constans feitelijk een voortzetting is van Columbus Groningen (grieven 2 en 3). De voorzieningenrechter heeft verder ten onrechte geoordeeld dat de stelling van Constans dat binnen Columbus Groningen alleen sprake is geweest van misstanden in de praktijk van [naam 4] en niet in de praktijk van de andere schadebehandelaars, in het beperkte kader van het kort geding niet op juistheid kan worden getoetst (grief 4). De voorzieningenrechter verwijt [naam 3] ten onrechte dat hij zich na de overname van Columbus Groningen niet direct van Columbus Groningen heeft gedistantieerd (grief 5). De voorzieningenrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat niet is voldaan aan een aantal eisen uit het NKL (grief 6) en miskent dat juist de weigering door NN om Constans als belangenbehartiger te accepteren een groot probleem is, ook tegenover het NIVRE (grief 8).5.3. NN heeft ook in hoger beroep verweer gevoerd.6. Beoordeling in hoger beroep6.1. \n\nHet geschil is in hoger beroep in volle omvang voorgelegd. Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk behandelen.\n\nSpoedeisend belang en toetsingskader6.2. De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 4.2 overwogen dat zowel Constans c.s. een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Constans c.s. heeft voldoende toegelicht dat zij ook nu nog een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. NN heeft dat ook niet weersproken.6.3. \n\nIn dit kort geding moet het hof beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Verder geldt als uitgangspunt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.\n\nConstans is geen voortzetting van Columbus Groningen6.4. Tussen partijen is niet in geschil dat bij Columbus Groningen tot aan haar ontbinding in ieder geval een deel van de letselschade-dossiers op niet-integere wijze behandeld werden. Constans betoogt dan ook niet dat NN ten onrechte heeft geweigerd zaken te doen met Columbus Groningen. Volgens NN is Constans juridisch of feitelijk een voortzetting van Columbus Groningen, en maakt dat al dat zij ook kan weigeren zaken te doen met Constans . Constans c.s. bestrijdt dat. Volgens haar is Constans is een nieuw opgerichte vennootschap die geen enkele band heeft met Columbus Groningen. Verder is van belang dat [naam 4] – de gezichtsbepalende persoon binnen Columbus Groningen– geen deel uitmaakt van Constans . De onderneming, de werkwijze, het management, de tarieven, het bestuur en de visie van Constans zijn wezenlijk anders dan bij Columbus Groningen. Zo heeft Constans de inrichting en werkwijze in haar letselschadepraktijk ingericht conform de voorschriften van het Nationaal Keurmerk Letselschade (hierna: NKL) en heeft zij deze laten toetsen door middel van een audit. Constans en de benadeelden zijn geen partij (geweest) bij de discussies tussen Columbus Groningen en [naam 4] enerzijds en NN anderzijds. Alle ‘pijnpunten’ die bij Columbus Groningen speelden en die voor verzekeraars (waaronder NN) bezwaarlijk waren, zijn aangepakt (lagere tarieven, geconcentreerde zaaksbehandeling, inrichting conform NKL, een audit in overleg met een verzekeraar, één gezamenlijke medisch adviseur etc.). Weliswaar heeft Constans een aantal oude Columbus-dossiers in behandeling, maar dat is omdat de betreffende cliënten dat graag wilden. Dat geen sprake is van een voortzetting volgt volgens Constans ook uit uitspraken van de rechtbank Midden Nederland en de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam.6.5. NN stelt zich op het standpunt dat Constans wél een opvolger en voortzetting is van Columbus Groningen. Constans is uitsluitend opgericht om de dossiers van Columbus Groningen naar Constans over te hevelen. Aan Constans zijn alleen personen verbonden die eerder verbonden waren aan Columbus Groningen, intern bij Columbus Groningen zijn opgeleid en Columbus Groningen tot het laatst zijn trouw gebleven. De enige reden dat Constans is opgericht, is omdat meerdere verzekeraars Columbus Groningen niet langer als belangenbehartiger accepteerden.6.6. Het hof oordeelt als volgt. Van een voortzetting van Columbus Groningen door Constans in vennootschapsrechtelijke zin geen sprake. Constans is een andere vennootschap en is niet de verkrijger van de aandelen of de vermogensbestanddelen van Columbus Groningen.6.7. Een andere vraag is of er sprake is van een zodanige verwevenheid tussen Columbus Groningen en Constans , dat gezegd moet worden dat Constans feitelijkdezelfde is als Columbus Groningen. Ook daarvan is volgens het hof geen sprake. Het feit dat de vier schadebehandelaars bij Constans allen eerder bij Columbus Groningen werkten is daarvoor niet voldoende. Dat zou mogelijk anders zijn wanneer ook ten aanzien van deze vier medewerkers in hun Columbus-tijd sprake zou zijn geweest van duidelijke malversaties, maar daarvan is niet gebleken. Ten aanzien van [naam 3] geldt dat niet is gebleken dat hij, toen hij eigenaar werd van Columbus Groningen, voldoende op de hoogte was van wat daar aan de hand was.. Dat onder zijn leiding is besloten een procedure te starten om de EVR-registratie van Columbus ongedaan te krijgen, paste in zijn aanvankelijke poging om Columbus Groningen te redden. Dat is onvoldoende om uit te gaan van de kwade trouw van [naam 3] . Bovendien is niet gebleken dat [naam 3] op dit moment enige invloed uitoefent op het beleid van Contans.6.8. NN heeft in haar brief van 5 juli 2024 de samenwerking met Columbus Groningen en [naam 4] per direct beëindigd. De reden hiervoor was – samengevat – dat zij zich schuldig zouden hebben gemaakt aan frauduleuze en kwalijke praktijken, dat zij zich niet toetsbaar en transparant opstelden, dat zij ondeskundig zijn en excessieve tarieven hanteren. Feitelijk ging het hier om het handelen van [naam 4] . Meer in het bijzonder zou [naam 4] relevante (medische) informatie achterhouden en bewust onjuiste informatie aan NN verstrekken met als doel aanspraak te kunnen maken op een (hogere) schadevergoeding waarop in werkelijkheid geen recht is. Niet gebleken is echter dat ook [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 2] en [naam 1] in de tijd dat zij bij Columbus Groningen werkten zich aan dergelijke praktijken schuldig hebben gemaakt, en ook sinds zij bij Constans werken zijn dergelijke feiten ten aanzien van hen niet gebleken. Naar het oordeel van het hof heeft Constans c.s. voldoende toegelicht dat haar band met Columbus Groningen op dit moment nog slechts bestaat uit de aanwezigheid van de voormalig Columbus-dossiers. Uit de Rapportage bezoekaudit van 13 november 2025, opgesteld door de Stichting toetsing Verzekeraars (hierna: STV) volgt dat er geen betrokkenheid van het voormalig Columbus-bestuur ( [naam 4] en [naam 7] ) is waargenomen en dat er ook geen aanwijzingen zijn dat [naam 4] het kantoor van Constans bezoekt. NN heeft verder niets gesteld waaruit het tegendeel blijkt.6.9. \n\nAan het voorgaande kan nog worden toegevoegd dat, zoals uit het navolgende nog zal blijken, ook de filosofie en bedrijfsvoering van Constans aantoonbaar anders is dan die van Columbus Groningen. De conclusie moet dan ook zijn dat Constans ook feitelijk niet kan worden gezien als dezelfde onderneming als Columbus Groningen.\n\nNN mag niet weigeren zaken af te wikkelen met Constans als belangenbehartiger6.10. Het hof nu zal ingaan op de vraag of NN Constans als belangenbehartiger mag weigeren. Volgens Constans en de benadeelden heeft de voorzieningenrechter het (op zichzelf juiste) toetsingskader onjuist toegepast. Om samenwerking met een belangenbehartiger te mogen weigeren, moet de belangenbehartiger er blijk van hebben gegeven onbetrouwbaar, incompetent of te duur te zijn. Daarvan is geen sprake. Het audit-rapport van [naam 5] is overwegend positief . Ook verloopt de samenwerking tussen Constans en een aantal andere verzekeraars goed. Er heeft in opdracht van Allianz ook een audit plaatsgehad door STV en het resultaat daarvan was ronduit positief. De bij Constans betrokken personen zijn betrouwbaar en integer, zij zijn deskundig en professioneel en Constans hanteert redelijke tarieven. De medewerkers van Constans hebben de Nivre (basis)-opleiding afgerond en verwacht wordt dat alle vier de medewerkers de Letselschade opleiding Nivre-expert voor komende zomer hebben afgerond.6.11. NN stelt zich, naar de kern genomen, op het standpunt dat zij samenwerking met Constans mag blijven weigeren totdat Constans gereguleerd is en heeft aangetoond dat zij een deskundige en integere partij is waaraan deskundige en integere medewerkers zijn verbonden. Daarvan is, volgens NN, geen sprake.6.12. Het hof overweegt als volgt. Voor de beoordeling van de vraag of NN mag weigeren om letselschadezaken te regelen met schadebehandelaars die werken bij Constans , zijn de volgende uitgangspunten van belang. Het eerste uitgangspunt is dat het een benadeelde vrij staat om de belangenbehartiger te kiezen die hij wil. De benadeelde heeft de veroorzaker van de schade niet zelf uitgekozen en kan dientengevolge ook niet kiezen met welke verzekeraar hij zijn schade moet afwikkelen. Dit maakt dat een verzekeraar niet lichtvaardig mag weigeren om met een specifieke, door het slachtoffer uitgekozen schadebehandelaar zaken te doen. Een verzekeraar moet er voor zover dat in haar vermogen ligt voor zorgen dat de schaderegeling vlot en in harmonie met de benadeelde verloopt. Dit volgt onder meer uit de Gedragscode Behandeling Letselschade waaraan NN zich heeft geconformeerd.6.13. Een verzekeraar hoeft echter geen zaken te doen met malafide of volstrekt onvoldoende deskundige belangenbehartigers. Verzekeraars hebben, zo volgt uit het WODC-rapport ‘De belangenbehartiger bij letselschade’ uit 2024, de positie en de middelen om als poortwachter te fungeren tegen volstrekt ondeskundige of malafide belangenbehartigers (ongeacht of deze belangenbehartigers al dan niet aangesloten zijn bij een organisatie van belangenbehartigers als het NIVRE of beschikken over het keurmerk als dat van NKL).6.14. De conclusie uit het voorgaande is dat het een verzekeraar slechts vrijstaat om een belangenbehartiger te weigeren als daarvoor gegronde redenen bestaan. Daarvan zal in het bijzonder sprake zijn indien er gegronde redenen zijn om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde niet goed zal verlopen of onnodig zal worden vertraagd omdat de belangenbehartiger er blijk van heeft gegeven niet (voldoende) betrouwbaar te zijn, bijvoorbeeld door onjuiste informatie te verstrekken en\u002Fof niet te beschikken over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces en\u002Fof onredelijk hoge kosten in rekening te brengen. Bij haar beslissing om een belangenbehartiger te weigeren mag een verzekeraar betekenis toekennen aan het feit dat een belangenbehartiger ‘ongebonden’ is, maar dat enkele feit is voor een weigering onvoldoende. Het ligt op de weg van de verzekeraar om gronden te stellen waaruit kan volgen dat zij geen zaken met een bepaalde belangenbehartiger hoeft te doen.6.15. NN maakt Constans verschillende verwijten op basis waarvan zij de conclusie trekt dat Constans als belangenbehartiger niet deskundig en integer is. De verwijten hebben betrekking op het dossier van mevrouw A, het dossier van mevrouw N, de brief van Columbus van 23 juli 2024, het auditrapport van STV, het uurtarief en de deskundigheid. Verder voert NN aan dat de medewerkers van Constans , ondanks de kwalijke misstanden aldaar, tot op het laatste moment Columbus Groningen trouw gebleven. Constans brengt ook thans nog kosten in rekening die niet in rekening mogen worden gebracht en schade wordt (nog altijd) dubbel geclaimd. Het auditrapport van STV kan niet tot een andere conclusie leiden: in dat rapport zijn uiteindelijk slechts drie dossiers beoordeeld en dat is te marginaal om wezenlijke conclusie over de betrouwbaarheid en deskundigheid te trekken. Bovendien is het STV-auditrapport overgelegd zonder instemming van STV en Allianz (in wiens opdracht het rapport is gemaakt), en ook die handelwijze geeft aanleiding tot twijfel over de integriteit van Constans . Ten aanzien van het audit-rapport van [naam 5] heeft NN betoogd dat [naam 5] onvoldoende onafhankelijk was, dat het rapport slechts een momentopname is en dat het rapport ook om inhoudelijke redenen niet kan worden gevolgd.6.16. \n\nHet hof zal deze verwijten achtereenvolgens behandelen en uiteindelijk tot de conclusie komen dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter – uitgaande van het hiervoor geschetste toetsingskader – tot het oordeel zal komen dat NN Constans niet als belangenbehartiger mag weigeren. Er is – voorshands oordelend – onvoldoende grond voor het oordeel dat Constans onvoldoende betrouwbaar is. Daarbij betrekt het hof de inhoud van de audit-rapporten van [naam 5] en STV.\n\nHet dossier van mevrouw A: geen contact met NN6.17. In de zaak van mevrouw A verwijt NN Constans in hoger beroep nog dat Constans eenzijdig verzoeken deed en stukken doorstuurde aan een gezamenlijke deskundige, zonder NN daarin te betrekken. Daarmee handelt Constans niet integer, aldus NN.6.18. Ter zitting heeft [belangenbehartiger 1] toegelicht dat hij, toen NN verder contact met Constans weigerde, de in dat dossier in een eerder stadium gezamenlijk aangezochte deskundige een mail heeft gestuurd zonder een kopie daarvan aan NN te sturen. Omdat NN ook niet met mevrouw A in gesprek wilde, heeft Constans de situatie zo opgevat dat de zaak bij NN was gesloten.6.19. \n\nHet hof overweegt hierover dat de omstandigheid dat een verzekeraar contact weigert met een belangenbehartiger, deze laatste niet ontslaat van zijn verplichting om transparant te handelen. Het had dan ook op de weg gelegen van Constans gelegen om NN een kopie te sturen van de mail aan de gezamenlijke deskundige. Dat dit niet is gebeurd verdient geen schoonheidsprijs, maar is tegen de door Constans geschetste achtergrond ook niet onbegrijpelijk. Bovendien betreft het een eenmalige omissie. Tot de conclusie dat sprake is van niet integer handelen kan het voorgaande dan ook niet leiden.\n\nGebruik van het dossier van mevrouw N6.20. Het dossier van mevrouw N was, voordat zij overstapte naar een andere belangenbehartiger, in behandeling bij Columbus Groningen. In de onderhavige procedure is, voorafgaand de zitting bij de rechtbank, namens Constans , als productie 14 en 15 niet geanonimiseerde correspondentie met mevrouw N in het geding gebracht. Constans behoorde, aangezien zij de belangen van mevrouw N niet behandelde, niet de beschikking te hebben over deze stukken. Uit de omstandigheid dat zij dat desondanks wel deed en zonder goedkeuring van mevrouw N de stukken niet geanonimiseerd heeft gebruik, blijkt opnieuw dat Constans niet integer handelt, aldus NN.6.21. \n\nTer zitting is door mr. Bijleveld een toelichting gegeven op de hiervoor beschreven gang van zaken. Hieruit volgt dat het overleggen van de correspondentie met mevrouw N de verantwoordelijkheid was van mr Bijleveld, die hier uit hoofde van een andere zaak over beschikte. Het anonimiseren door mr Bijleveld van de overgelegde correspondentie is er vervolgens abusievelijk bij ingeschoten. Deze gang van zaken is niet door NN bestreden, zodat de conclusie is dat Constans op dit punt geen verwijt te maken valt.\n\nDe brief van Columbus Groningen van 23 juli 20246.22. Op 23 juli 2024 stuurde Columbus Groningen een brief aan haar cliënten. In deze brief is NN door Columbus Groningen (samengevat) weggezet als een oneerlijke en onoprechte verzekeraar die uit winstbejag de letselschade van benadeelden niet eerlijk vergoedt. [belangenbehartiger 1] heeft zich volgens NN niet van deze brief of van de handelswijze van Columbus gedistantieerd en heeft zelfs ten onrechte de kosten voor deze brief in 29 dossiers gedeclareerd. Volgens NN zegt dit voldoende over de moraliteit van [belangenbehartiger 1] , die NN niet van een integer en betrouwbaar belangenbehartiger hoeft te verwachten.6.23. Constans heeft betoogd dat de brief, die geen fraaie brief is, is geschreven en gedeclareerd door de (toenmalige) directie van Columbus, [naam 6] en [naam 7] . De (toenmalige) medewerkers van Columbus waren hiervan niet op de hoogte en waren overigens ook niet in de positie om hier iets aan te doen.6.24. \n\nOok het hof meent dat de brief van 23 juli 2024 niet verstuurd had mogen worden. Constans c.s. hebben echter voldoende aannemelijk gemaakt dat deze brief is opgesteld, verstuurd en gedeclareerd door de voormalige directie van Columbus en niet door [belangenbehartiger 1] . Dat Constans (en dus ook [belangenbehartiger 1] ) zich achter de inhoud van deze brief hebben geschaard en dat ook nog steeds doen, is niet gebleken. Dat volgt ook niet uit de opmerking van een voormalig client dat [belangenbehartiger 1] de inhoud van die brief destijds aan deze client zou hebben bevestigd. Integendeel: al uit de email die [belangenbehartiger 1] op 13 maart 2025 aan NN stuurde, volgt dat Constans zich distantieert van het door [naam 4] gevoerde beleid bij Columbus Groningen. De conclusie is dat de brief van 23 juli 2024 niet kan bijdragen aan de door NN getrokken conclusie dat Constans niet integer of onbetrouwbaar is.\n\nHet auditrapport van STV6.25. Constans heeft in deze procedure een audit-rapport overgelegd dat is opgemaakt door STV. Die audit was onderdeel van de afspraken die Constans in het kader van een proefsamenwerkingsperiode maakte met een andere verzekeraar, Allianz. NN stelt zich op het standpunt dat Constans dit rapport in strijd met de in het rapport opgenomen vertrouwelijkheidsverklaring en zonder toestemming van STV in het geding heeft gebracht. Dit toont aan, aldus NN, dat Constans gemaakte (contractuele) afspraken niet respecteert en dat draagt niet bij aan de overtuiging dat Constans daadwerkelijk een betrouwbare en integere partij is.6.26. Constans heeft toegelicht dat zij zich genoodzaakt voelde om, inderdaad tegen de afspraken in, toch het rapport over te leggen. Het rapport is positief voor Constans en zij wil dat graag kunnen laten zien aan andere verzekeraars. Op het verzoek van Constans aan STV om het rapport te mogen overleggen, is door STV echter negatief beslist.6.27. \n\nHet hof stelt vast dat het auditrapport van STV in strijd met de afspraken is overgelegd. Deze schending van een afspraak moet evenwel in de context worden bezien. Constans was (en is) op zoek naar een manier om aan te tonen dat zij – samengevat – haar zaken op orde heeft en een betrouwbare belangenbehartiger is. Het rapport van STV is overigens zeer positief over Constans . Het hof is verder van oordeel dat Allianz een verzoek van Constans om het rapport in de onderhavige procedure over te leggen gelet op haar belang daarbij in redelijkheid niet kunnen weigeren. Dat STV en\u002Fof Allianz nadeel zouden ondervinden van het overleggen van dit rapport, is door NN ook niet gesteld. Tegen deze achtergrond meent het hof dat het feit dat Constans dit rapport zonder toestemming van Allianz in de procedure heeft gebracht niet het oordeel kan dragen dat Constans niet integer is, en dat de positieve inhoud van dit rapport wel kan meewegen bij het oordeel dat Constans haar zaken op orde heeft.\n\nExcessief uurtarief6.28. NN stelt zich op het standpunt dat het uurtarief van Constans , als niet gereguleerde belangenbehartiger, bovenmatig is en ook dat vormt volgens haar een reden om Constans niet als belangenbehartiger te accepteren. Volgens NN zou een advocaat of een Nivre-expert met meer dan tien jaar ervaring een uurtarief van € 225,- kunnen hanteren. Dat is echter ook het uurtarief dat Constans voor [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] hanteert.6.29. \n\nHet hof overweegt als volgt. Constans heeft toegelicht dat zij gedifferentieerde uurtarieven hanteert: € 225,- voor inhoudelijk specialistisch werk, € 150,- voor licht inhoudelijk werk en € 95,- voor administratieve taken. In het WODC-rapport valt te lezen dat tussen het Verbond van Verzekeraars en de LSA sinds enige tijd een afspraak bestaat die inhoudt dat LSA-advocaten een voorschot van verzekeraars kunnen verkrijgen tegen een uurtarief tussen de € 215 en € 245, afhankelijk van het belang van de zaak. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat het door Constans gehanteerde uurtarief niet buitensporig is. In elk geval is het tarief van Constans niet zo excessief dat dat op zichzelf reden is om samenwerking te beëindigen of niet aan te gaan. Het hof kan zich voorstellen dat tussen NN en Constans nadere afspraken worden gemaakt over de door Constans in zaken van NN te hanteren tarieven en dat Constans haar uurtarief naar beneden zal bijstellen, in ieder geval zo lang de schadebehandelaars bij Constans geen NIVRE-expert zijn.\n\nDeskundigheid6.30. NN stelt zich verder op het standpunt dat Constans en de daaraan verbonden belangenbehartigers niet aantoonbaar deskundig zijn en dat zij dus ook om die reden Constans niet als belangenbehartiger hoeft te accepteren.6.31. \n\nUit de stukken en uit hetgeen ter zitting is besproken, volgt dat Constans aan de deskundigheid van haar medewerkers werkt. In het STV-rapport is de deskundigheid ‘voldoende’ geoordeeld en wordt hierover het volgende opgemerkt:\n\n‘ Constans Letselschade heeft veel aandacht voor deskundigheid en het opleiden van medewerkers. Constans Letselschade streeft naar inschrijving in het NIVRE-register als NIVRE Register-Expert. Alle medewerkers hebben de NIVRE-basisopleiding afgerond en zijn op dit moment bezig met het behalen van de verdere (voor)opleidingen. Daarbij is er een sterke drive om te komen tot NIVRE Register-Expert Personenschade. Op dit moment zijn geen van de medewerkers NIVRE-geregistreerd. De twee senior letselschadebehandelaren hebben daarnaast nog aanvullende opleidingen afgerond en allen hebben een juridische vooropleiding.’6.32. Ter zitting heeft Constans aan het voorgaande nog toegevoegd dat het de verwachting is dat alle vier de medewerkers voor de zomer de Letsel-opleiding Nivre-expert af zullen ronden. Gelet hierop is het hof van oordeel dat ook de deskundigheid van de medewerkers van Constans geen legitieme reden is om samenwerking met Constans te weigeren.\n\nSlotsom6.33. Gelet op het feit dat vier van de vier dossierbehandelaars bij Constans op dit moment oud-Columbus medewerkers zijn, is begrijpelijk dat NN scherp(er) toezicht wil houden. Van redenen op grond waarvan samenwerking met Constans gerechtvaardigd mag worden geweigerd is evenwel niet gebleken. De grieven van Constans zijn dan ook terecht voorgesteld. Het hof zal daarom het vonnis van de rechtbank vernietigen en de vordering van Constans toewijzen, met uitzondering van de gevorderde dwangsommen. Het hof ziet geen reden om er aan te twijfelen dat NN zal meewerken aan de uitvoering van dit arrest.6.34. \n\nNN zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. De kosten voor de dagvaarding in eerste aanleg worden door het hof begroot, nu de werkelijke kosten daarvan niet uit het dossier blijken.\n\nHet hof begroot de proceskosten bij de voorzieningenrechter aan de zijde van Constans c.s. op: dagvaarding € 140,- griffierecht € 714,- salaris advocaat € 1.107.-Totaal € 1.961,-\n\nHet hof begroot de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Constans c.s.\u002FNN op:\n\ndagvaarding € 144,47\n\ngriffierecht € 827,-\n\nsalaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II, € 1.290,-)\n\nnakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 3.740,477. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 november 2025;\n\nen opnieuw rechtdoende:\n\nbepaalt dat NN binnen twee dagen na de datum van dit arrest het minnelijke schaderegelingstraject in de zaken van de benadeelden voortzet met Constans als belangenbehartiger en\n\nbepaalt dat NN Constans onverwijld schriftelijk informeert over de hervatting van de schaderegelingstrajecten met de benadeelden;\n\nveroordeelt NN in de kosten van de procedure van de voorzieningenrechter, aan de zijde van Constans c.s. tot op 20 november 2025 begroot op € 1.961,-;\n\nveroordeelt NN in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Constans c.s. begroot op € 3.740,47;\n\nbepaalt dat als NN niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, NN de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. R.G.C. Veneman, mr. D.A. Schreuder en mr. B.R. ter Haar en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:565","2026-04-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.651Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":43,"courtId":6,"decisionDate":127,"fullText":145,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":147,"parsedAt":50,"updatedAt":148},"935","ECLI:NL:GHARL:2026:2455","ecli-nl-gharl-2026-2455","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.316.457\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 184625\n\narrest van 21 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld,\n\nen bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie,\n\nhierna: [appellant],\n\nadvocaat: mr. Chr.D. de Vos te Assen,\n\ntegen\n\nAllianz Benelux N.V.,\n\ndie is gevestigd in Rotterdam,\n\nen bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,\n\nhierna: Allianz,\n\nadvocaat: mr. H.A. Kragt te Arnhem.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure bij het hof\n\n1.1. Naar aanleiding van het arrest van 9 september 2025 heeft [appellant] een akte na tussenarrest (met een productie) genomen en heeft Allianz een antwoordakte (met een productie) genomen.1.2. Vervolgens heeft het hof een datum vastgesteld voor dit arrest.\n\n2. Het oordeel van het hof\n\nWat heeft het hof eerder beslist2.1. In het tussenarrest van 20 februari 2024heeft het hof over de schade van [appellant] wegens verlies verdienvermogen - kort gezegd - het volgende beslist: - voor de situatie zonder ongeval moet ervan worden uitgegaan dat [appellant] vanaf 1 juli 2004 een inkomen zou hebben gehad gelijk aan 110% van het minimumloon; - voor de situatie met ongeval moet zowel voor de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2012 als voor de situatie vanaf 1 juli 2012 (tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd) worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] ; - als over de periode vanaf 1 juli 2012 sprake is van schade vanwege verlies verdienvermogen (doordat het inkomen met ongeval lager is dan het inkomen zonder ongeval) dient [appellant] de helft van deze schade zelf te dragen, omdat [appellant] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door geen werk meer te zoeken.\n\n2.2. In dat tussenarrest heeft het hof de heer [naam1] , rekenkundige bij het NRL (hierna: de deskundige), tot deskundige benoemd om met inachtneming van deze uitgangspunten de schade vanwege het verlies verdienvermogen te berekenen. De deskundige heeft op 4 februari 2025 gerapporteerd.\n\n2.3. In het tussenarrest van 9 september 2025heeft het hof - kort gezegd - het volgende beslist: - het hof ziet in de door Allianz aangevoerde argumenten geen reden om terug te komen op zijn beslissing in het tussenarrest van 20 februari 2024 over het causaal verband; - de eisvermeerdering van [appellant] is wat betreft de pensioenschade niet toelaatbaar, maar wat betreft de afgifte van een aantal garanties (belasting-, participatiewet-, huur- en zorgtoeslaggarantie) wel toelaatbaar; - [appellant] mag nog reageren op het door Allianz in het geding gebrachte rapport van haar partijdeskundige [naam2] LRGD QC van Sedgwick (hierna: [naam2] ).\n\nEen nieuwe productie in het laatste processtuk van Allianz en een (verkapte) vermeerdering van eis2.4. In zijn akte heeft [appellant] gereageerd op het rapport van [naam2] . Hij heeft daarbij verwezen naar een als productie overgelegd uitvoerig rapport van zijn eigen partijdeskundige mr. [naam3] van De Bureaus (hierna: [naam3] ). Allianz heeft vervolgens weer op dat rapport gereageerd en heeft in dat verband verwezen naar een bijgevoegd stuk van [naam2] . Op dat stuk van [naam2] heeft [appellant] niet kunnen reageren. Het hof zal hem daar ook niet toe in de gelegenheid stellen, omdat het stuk van [naam2] niet meer dan een beknopte reactie betreft op het rapport van [naam3] , waarop Allianz uiteraard mocht reageren.2.5. Het hof volgt Allianz niet in haar betoog dat slechts acht mag worden geslagen op het rapport van [naam3] voor zover daarin rekenkundige aspecten in aanmerking worden genomen. Het onderscheid tussen juridische en rekenkundige aspecten is, gelet op het geschil tussen partijen (een juridisch geschil over onder meer rekenkundige vragen), gekunsteld.\n\n2.6. In een voetnoot in haar akte maakt [appellant] ook aanspraak op vergoeding van de kosten van [naam3] (€ 4.007,28), primair als onderdeel van een uit te spreken proceskostenveroordeling, subsidiair op grond van artikel 6:96 BW. Omdat [appellant] deze eisvermeerdering niet eerder kon doen, ziet het hof geen reden die buiten beschouwing te laten. Het hof zal bij de beslissing op deze vordering uiteraard het verweer van Allianz betrekken.\n\nHet deskundigenrapport en de kritiek daarop2.7 De deskundige heeft de schade vanwege verlies verdienvermogen in zijn rapport berekend op € 257.716,-. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n- € 36.972,- voor de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2012; - € 59.911,- voor de periode 1 juli 2012 tot 1 januari 2025; - € 160.833,- voor de periode vanaf 1 januari 2025. Per 1 januari 2024 bedraagt de wettelijke rente over de verschenen schade volgens de deskundige € 28.233,-.\n\n2.8. \n [appellant] meent dat in de berekening van de deskundige ten onrechte geen rekening is gehouden met mogelijke fiscale schade (vooral schade vanwege de ‘box 3 belasting’), met pensioenschade en met schade vanwege een mogelijke terugvordering van een in het verleden toegekende uitkering op grond van de Participatiewet. Volgens [appellant] mag geen rekening worden gehouden met deze uitkering, omdat er rekening mee moet worden gehouden dat de gemeente de uitkering zal terugvorderen als hij schadevergoeding ontvangt. [appellant] wil dat de deskundige een herberekening maakt, waarin wordt uitgegaan van een terugvordering. Ook voert hij aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het mogelijk vervallen van toekomstige aanspraken op huur- en zorgtoeslag. Dat is ook de reden dat hij alsnog de afgifte van diverse garanties heeft gevorderd.\n\n2.9. Allianz is het ook niet eens met de bevindingen van de deskundige. Volgens haar heeft de deskundige zich er geen rekenschap van gegeven dat met een schadevergoeding door Allianz het gezinsinkomen van [appellant] (bestaande uit een uitkering op grond van de Participatiewet en diverse toeslagen voor [appellant] en zijn vrouw) op de tocht komt te staan. Ook miskent de deskundige volgens Allianz dat het feitelijke inkomen van [appellant] (zelfs wanneer geen rekening zou worden gehouden met de uitkering van zijn vrouw) lager is dan de helft van het fictieve inkomen (50% van 110% van het minimumloon). Verder meent Allianz dat de deskundige ten onrechte heeft gerekend met de helft van de gezinsbijstand. Ten slotte vindt Allianz dat de deskundige zowel voor de kapitalisatiedatum als voor de wettelijke rente 1 januari 2025 had moeten hanteren.\n\n2.10. Het hof zal de kritiek van partijen op het deskundigenrapport hierna bespreken.\n\nDe rekenkundige verwerking van de eigen schuld2.11 Het hof heeft in rov. 5.18 van het tussenarrest van 20 februari 2024 het volgende beslist over (de wijze van verwerking van) de eigen schuld: ‘De conclusie is dat in de situatie na ongeval tot 1 juli 2012 kan worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] . Voor de situatie vanaf 1 juli 2012 tot aan diens pensioengerechtigde leeftijd moet ook worden uitgegaan van het feitelijk inkomen. Maar als over die periode sprake is van schade, doordat het feitelijk inkomen lager is dan het hypothetisch inkomen, dient hij de helft van die schade zelf te dragen.’ De rekenkundige verwerking van de eigen schuld die Allianz bepleit, in navolging van haar partijdeskundige [naam2] , wijkt daarvan af. Waar het hof voor de fictieve situatie uitgaat van het volledige hypothetische inkomen (110% van het minimumloon) en aangeeft dat het percentage eigen schuld over het verschil tussen dat hypothetische inkomen en het feitelijke inkomen (de schade) moet worden berekend, past [naam2] het percentage eigen schuld ten onrechte toe op het hypothetisch inkomen, dat daarmee halveert tot 55% van het minimumloon. Dat er dan, gelet op de hoogte van het minimumloon, geen of nauwelijks (afhankelijk van de vraag of voor de fictieve situatie met de volledige bijstandsuitkering of met de helft ervan wordt gerekend) schade resteert, ligt voor de hand.\n\n2.12. De kritiek van Allianz op de rekenkundige verwerking door de deskundige van de eigen schuld, is gezien het voorgaande ongegrond.\n\nDe toepasselijke bijstandsnorm2.13 Voordat het hof ingaat op de vraag of rekening moet worden gehouden met de ontvangen uitkering op grond van de Participatiewet (hierna: ook bijstandsuitkering), zal het eerst ingaan op de vraag met welke uitkering rekening moet worden gehouden, met de door [appellant] en zijn vrouw ontvangen uitkering op basis van de gezinsnorm, of met de helft daarvan. De deskundige is bij de bepaling van de feitelijke situatie uitgegaan van de helft van de uitkering. Hij wijst er in dat verband op dat uit de jaaropgaven blijkt dat de uitkering fiscaal gescheiden wordt uitgekeerd. Om die reden heeft hij ook de helft van de ontvangen bijstandsuitkering aan [appellant] toegerekend.\n\n2.14. Allianz is het niet eens met deze benadering. Volgens haar verhoudt dit rekenuitgangspunt zich niet met het feit dat [appellant] heeft aangegeven, dat hij kostwinner zou zijn geweest in de hypothetische situatie. Allianz verwijst in dat verband naar het rapport van de door de rechtbank benoemde arbeidsdeskundige Hulsen, die heeft genoteerd: ‘Vervolgens had betrokkene voor het gezinsinkomen willen zorgen en hiervoor fulltime hebben gewerkt. Zijn echtgenote zou dan het volledige huishouden hebben gedaan.’ Nu het gezin in de hypothetische situatie met 110% van het minimumloon zou hebben moeten rondkomen, dient volgens Allianz voor de feitelijke situatie te worden uitgegaan van de volledige gezinsbijstand.\n\n2.15. Zoals Allianz zelf al aangeeft ziet de door haar aangehaalde opmerking van [appellant] op de hypothetische situatie. Het gaat hier echter niet om de hypothetische situatie, maar om de feitelijke situatie, dus om de vraag op welk inkomen [appellant] in die situatie daadwerkelijk aanspraak heeft. Voor het antwoord op die vraag zijn de relevante bepalingen uit en de strekking van de Participatiewet doorslaggevend. Op grond van artikel 11 lid 4 Participatiewet komt het recht op (gezins)bijstand (op een hier niet relevante uitzondering na) aan de echtgenoten tezamen toe. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de vraag of de uitkeringsgerechtigde alleenstaand of gehuwd is (artikel 21 Participatiewet) en bij de zogenaamde middelentoets worden de inkomsten van beide echtgenoten in aanmerking genomen (artikel 31 lid 1 Participatiewet). Het inkomen van de ene echtgenoot heeft dus niet alleen gevolgen voor diens eigen aanspraken op een uitkering, maar ook op die van de andere echtgenoot. Datzelfde geldt voor het vermogen; het gezinsvermogen is bepalend voor de aanspraken op een uitkering.\n\n2.16. Een belangrijk uitgangspunt bij de begroting van letselschade is dat de schade van het individuele slachtoffer moet worden begroot, los van diens gezinssituatie. Dat uitgangspunt past ook in de maatschappelijke opvatting waarin iemand, althans voor zijn financiële situatie, niet als onderdeel van een gezin, maar als een zelfstandig persoon wordt gezien en behandeld. Dat uitgangspunt stuit hier echter op de door de wetgever in de Participatiewet neergelegde realiteit dat voor het recht op een bijstandsuitkering de gezinssituatie van de bijstandsgerechtigde in hoge mate bepalend is. Het hof ziet onvoldoende reden om bij de begroting van de feitelijkesituatie te abstraheren van deze realiteit. Het hof zal dan ook de volledige bijstandsuitkering aan [appellant] toerekenen indien er rekening gehouden moet worden met de bijstandsuitkering. De vraag of en in hoeverre met de uitkering rekening moet worden gehouden, zal het hof hierna bespreken.\n\nMoet rekening worden gehouden met de bijstandsuitkering?2.17 De Participatiewet is een vangnet voor mensen die niet op eigen kracht in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De wet geeft hun, onder voorwaarden, het recht op een bijstandsuitkering die het eigen inkomen aanvult tot het niveau van het toepasselijke sociaal minimum. Gelet op deze vangnetfunctie heeft een gemeente de bevoegdheid om op elk moment te toetsen of een persoon (nog langer) voor bijstandverlening in aanmerking komt. Het ontvangen van een schadevergoeding uit een letselschadezaak kan van grote invloed zijn op het recht op bijstand, omdat in beginsel alle vermogens- en inkomstenbestanddelen van de bijstandsgerechtigde (en diens gezinsleden) op grond van artikel 31 lid 2 aanhef en onder m Participatiewet tot de middelen van de bijstandsgerechtigde worden gerekend, tenzij de ontvangen schadevergoeding naar het oordeel van de gemeente verantwoord is. De gemeente kan een uitgekeerde bijstandsuitkering onder omstandigheden op grond van artikel 58 lid 2 aanhef en onder f Participatiewet terugvorderen - in de woorden van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) - ‘als de betrokkene op een eerder tijdstip in de periode waarover bijstand is verleend aanspraak op bepaalde middelen had, maar daarover op dat moment feitelijk nog niet kon beschikken. Zodra de betrokkene wel over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie de bijstand terugvorderen.Dit hangt samen met het aanvullende karakter van de bijstand [onderstreping hof]. Voor het bepalen van de hoogte van het terugvorderingsbedrag moet achteraf een fictieve vermogensvaststelling plaatsvinden naar de situatie op de peildatum. Als de aanspraak na de aanvang van de bijstand is ontstaan, zoals in deze zaak, dan is de dag waarop de aanspraak is ontstaan de peildatum. Als uitgangspunt geldt dat de aanspraak op vergoeding van schade door een ongeval ontstaat op de datum van dat ongeval.’\n\n2.18. De bijstandsuitkering heeft, gelet op de genoemde vangnetfunctie van de Participatiewet, dus een aanvullend karakter. Dat betekent dat bij de begroting van de schade vanwege verlies verdienvermogen in beginselgeen rekening moet worden gehouden met een bijstandsuitkering. Dat is ook in lijn met de maatschappelijke opvatting dat degene die schade veroorzaakt zelf voor die schade moet instaan en die schade niet kan afwentelen op de algemene middelen. Maar ook hier geldt dat een principieel uitgangspunt in de praktijk tot praktische problemen kan leiden. Als de benadeelde bij de afwikkeling van de schade al enige tijd een bijstandsuitkering heeft ontvangen en daarmee bij de afwikkeling geen rekening wordt gehouden is het mogelijk dat de gemeente geen (of niet volledig) gebruik maakt van haar terugvorderingsbevoegdheid. In dat geval ontvangt de benadeelde over de periode waarover hij een bijstandsuitkering heeft ontvangen meer schadevergoeding dan hij feitelijk aan schade heeft geleden.\n\n2.19. Allianz stelt in feite voor dat probleem op te lossen door bij de bepaling van de schade vanwege verlies arbeidsverleden over het verleden de ontvangen bijstandsuitkering als in de feitelijke situatie ontvangen inkomsten mee te nemen. Ook de deskundige hanteert dit uitgangspunt, zij het dat hij uitgaat van de helft van de ontvangen bijstandsuitkering. Het hof gaat daar niet in mee. Allereerst niet omdat daardoor het aanvullende karakter van de bijstandsuitkering miskend wordt. Het principiële uitgangspunt wordt op deze wijze geheel terzijde gesteld. Bovendien kan er niet van worden uitgegaan dat de gemeente geen gebruik zal maken van haar terugvorderingsbevoegdheid. De deskundige heeft daarover in het kader van zijn onderzoek informatie ingewonnen bij de gemeente. De gemeente heeft hem in een e-mail van 31 oktober 2024 onder meer geschreven dat een ontvangen schadevergoeding nietals middelen wordt beschouwd tenzij ‘met hetzelfde doel bijstand is verstrekt of hiervoor later bijstand wordt gevraagd’. In een e-mail van 20 november 2024 aan de deskundige schreef de gemeente dat het ontvangen van een schadevergoeding leidt tot toetsing en dat in dat kader zal worden beoordeeld of de uitkering beëindigd moet worden.\n\n2.20. \n [appellant] wil het probleem oplossen door bij de begroting van zijn schade geen rekening te houden met de door hem ontvangen bijstandsuitkering. Bij die benadering is het mogelijk dat [appellant] over de periode in het verleden én een bijstandsuitkering ontvangt én een vergoeding van schade vanwege verlies verdienvermogen die is vastgesteld zonder dat daarbij rekening is gehouden met het ontvangen van die uitkering. Het hof vindt dat niet verantwoord, ook omdat het om een lange periode gaat en met de uitkering in die periode een substantieel bedrag is gemoeid.\n\n2.21. Het hiervoor omschreven dilemma kan ook niet worden opgelost door afgifte van een Participatiewetgarantie. Wanneer het hof over de periode van de bijstandsverlening de oplossing van Allianz volgt, is zo’n garantie niet nodig; over deze periode wordt dan immers geen schade vanwege verlies arbeidsvermogen vergoed, zodat er voor de gemeente niets te verhalen valt. Zou het hof de oplossing van [appellant] volgen, dan is een garantie ook overbodig. [appellant] ontvangt dan immers teveel en wanneer hij het meerdere moet afdragen aan de gemeente is dat terecht en kan hij Allianz daarop niet aanspreken.\n\n2.22. Het hof kiest ervoor om (alleen) voor de periode van de bijstandsuitkering de zaak te verwijzen naar de schadestaat. Het hof stelt het begin van die periode op 1 juli 2012 en het einde op 1 oktober 2026, waarbij het ervan uitgaat dat [appellant] per die datum aanspraak heeft op betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding vanwege verlies arbeidsvermogen dat zijn aanspraken op bijstand komen te vervallen. De gemeente kan vervolgens over het verleden de balans opmaken en bepalen of en in hoeverre zij de betaalde uitkering wil terugvorderen. Indien dat het geval is, kan [appellant] alsnog aanspraak maken op betaling door Allianz van het terug te vorderen bedrag. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de gemeente er bij de terugvordering rekening mee houdt dat [appellant] ook over de periode van de bijstandsverlening slechts aanspraak heeft op de helft van zijn schade (bestaande uit het verschil tussen een inkomen op basis van 110% van het minimumloon, te vermeerderen met de daarnaast te ontvangen toeslagen - daarover hierna meer - en de daadwerkelijk ontvangen toelagen).\n\n2.23. Voor de periode tot 1 juli 2012 kunnen de ‘bijstandsperikelen’ buiten beschouwing blijven. Voor de periode vanaf 1 oktober 2026 ligt dat anders. Met ingang van die datum zal [appellant] geen aanspraak meer hebben op een bijstandsuitkering. In de feitelijke situatie is het inkomen (afgezien van toeslagen) nihil.\n\nSpelen de toeslagen een rol?2.24 De deskundige heeft in zijn rapport geen rekening gehouden met de invloed van toeslagen. Op het verzoek van de advocaat van [appellant] naar aanleiding van het concept-rapport om de toeslagen in zijn onderzoek te betrekken heeft de deskundige geantwoord:\n\n‘Om aspecten als huurtoeslag in de berekening op te nemen, is niet conform de opdracht van het hof. Een aspect als zorgtoeslag is ook niet in de berekening opgenomen en dit heeft te maken met de opdracht dat voor het inkomen na ongeval uitgegaan moet worden van het feitelijk inkomen. De feitelijke situatie is dat er een partner is, maar de partner moet worden\n\n'losgekoppeld' van de berekening. Er is dus een soort spagaat, want uitgaande van een\n\nalleenstaande zou de zorgtoeslag berekend kunnen worden, maar nu er een partner is, die niet (financieel) in de berekening opgenomen moet worden, lukt dit niet.’\n\n2.25. Het staat de deskundige vrij om de voor de berekening van de schade vanwege verlies arbeidsvermogen relevante aspecten in zijn beschouwingen te betrekken, ook als die niet expliciet zijn vermeld, nog daargelaten dat de deskundige in geval van twijfel zich tot de raadsheer-commissaris kan wenden. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van het hof moet bij de begroting van de schade vanaf 1 oktober 2026 wel rekening worden gehouden met de gevolgen van het volledig wegvallen van inkomen uit arbeid en de daartegenover staande ontvangst van een schadevergoedingsuitkering op de aanspraken op toeslagen. [appellant] heeft met het rapport van [naam3] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanaf de ontvangst van het schadebedrag betreffende de eerste en de derde periode, dus vanaf 1 juli 2026, geen aanspraak meer zal hebben op zorgtoeslag en al helemaal niet op huurtoeslag, gelet op de geldende vermogensdrempels. Bij het bepalen van de gevolgen voor de toeslagen moet worden uitgegaan van de gezinssituatie van [appellant] . Het hof verwijst voor de motivering naar wat het hiervoor bij de toepasselijke bijstandsnorm heeft overwogen.\n\n2.26. Voor de beide andere periodes kan een berekening van de consequenties voor de toeslagen achterwege blijven. Het hof gaat er daarbij vanuit dat die consequenties voor de periode tot 1 juli 2012 gering zijn. Indien de gemeente terugvordert, kunnen de consequenties van de toeslagen voor de periode van 1 juli 2012 tot 1 oktober 2026 worden begroot in de schadestaatprocedure. Daarbij kan ervan worden uitgegaan dat [appellant] in de feitelijke situatie aanspraak heeft op de door hem daadwerkelijk ontvangen toeslagen, nu gesteld noch gebleken is dat de toegekende toeslagen zullen worden teruggevorderd vanwege een achteraf toegekende aanspraak op schadevergoeding. Integendeel, [naam3] geeft in zijn rapport expliciet aan dat toegekende toeslagen niet worden teruggevorderd omdat de vermogenstoets voor de toeslagen telkens per 1 januari van het desbetreffende jaar plaatsvindt.\n\nBelasting op grond van box 32.27 Indien [appellant] als gevolg van de ontvangst van een schadevergoedingsuitkering vermogensrendementsbelasting verschuldigd is, heeft hij aanspraak op vergoeding van die schade. De deskundige heeft een vraag van de advocaat van [appellant] daarover naar aanleiding van het concept-rapport als volgt beantwoord: ‘Er wordt geen fiscale component berekend, omdat er in de situatie met gebeurtenis\n\ngeen inkomsten zijn. Een (eventuele) heffing Box 3 wordt verrekend met de vrijgevalllen\n\nheffingskortingen.’ Hij wordt daarin bijgevallen door [naam2] , terwijl [naam3] zich niet uitlaat over dit punt. Het hof gaat er dan ook vanuit dat in dit geval geen sprake zal zijn van belastingschade vanwege de box 3 heffing over de te ontvangen schadevergoedingsuitkering.\n\nBuitengerechtelijke kosten2.28 [appellant] vordert ongeveer € 205.000,- aan kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, te vermeerderen met wettelijke handelsrente. In het tussenarrest van 20 februari 2024 heeft het hof al overwogen dat geen wettelijke handelsrente verschuldigd is, maar voor zover al wettelijke rente verschuldigd is de ‘gewone’ wettelijke rente volstaat. Verder heeft het hof overwogen en beslist dat [appellant] nog aanspraak heeft op vergoeding van € 3.338,66 aan medische kosten. Bij dat bedrag is, conform de berekening van [appellant] zelf, al rekening gehouden met een betaald voorschot van € 5.000,-. Over de kosten is wettelijke rente verschuldigd. [appellant] dient die wettelijke rente te (laten) berekenen per 1 oktober 2026. Bij die berekening kan worden uitgegaan van de bedragen en de factuurdata die zijn vermeld in het als productie 51d bij memorie van grieven door [appellant] overgelegde overzicht. De wettelijke rente gaat steeds in 14 dagen na de factuurdatum.\n\n2.29. Zoals het hof in het tussenarrest van 20 februari 2024 heeft overwogen, heeft [appellant] aanspraak op € 15.000,- aan vertaalkosten. Over dit bedrag zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 1 oktober 2026, omdat gesteld noch gebleken is dat [appellant] dit bedrag al heeft betaald en evenmin dat hij wanneer hij het alsnog betaalt daarover wettelijke rente verschuldigd is.\n\n2.20. Over de kosten van de belangenbehartiger van [appellant] heeft het hof in het genoemde tussenarrest overwogen dat het gevorderde bedrag (ruim € 123.000,-) het hof als bovenmatig voorkomt, ook omdat alleen buitengerechtelijke kosten kunnen zijn gemaakt in de jaren 2008 - 2016 en in die jaren geen intensieve onderhandelingen hebben plaatsgevonden. Wel is in 2012 een deelgeschilprocedure gevoerd. Voor de kosten van het deelgeschil is al een vergoeding toegekend. Desondanks worden voor het jaar 2012 veel ‘uren geschreven’ en gevorderd betreffende dat deelgeschil. Ook op de specificaties betreffende andere jaren is het nodige op te merken.\n\n2.21. Al met al kan de vordering van [appellant] de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan. Het is wel aannemelijk dat de belangenbehartigers van [appellant] buiten rechte enige werkzaamheden hebben verricht. Het hof zal die werkzaamheden, alles afwegende, schatten op € 20.000,- (inclusief btw). Over dit bedrag is wettelijke rente verschuldigd vanaf 1 oktober 2026. Het hof verwijst op dit punt naar wat het heeft overwogen over de vertaalkosten.\n\nHoe nu verder?2.22. Nu de resterende knopen zijn doorgehakt, kan de balans worden opgemaakt. Dat is in eerste instantie aan partijen. Het hof zal allereerst [appellant] in de gelegenheid stellen om op basis van de beslissingen van het hof te laten berekenen welk bedrag Allianz hem per saldo verschuldigd is. De (redelijke) kosten van het door [appellant] op te stellen berekeningsrapport komen voor rekening van Allianz. Het berekeningsrapport dient de volgende componenten te hebben: a. schade vanwege verlies verdienvermogen tot 1 juli 2012: De berekening van de deskundige kan worden gevolgd. De schade bedraagt dus € 36.972,-. Over dit bedrag dient de wettelijke rente per 1 oktober 2026 te worden berekend; b. schade vanwege verlies verdienvermogen vanaf 1 oktober 2026 tot aan pensioengerechtigde leeftijd: In de fictieve situatie wordt uitgegaan van 110% van het minimumloon, vermeerderd met de toeslagen waarop (het gezin) [appellant] aanspraak heeft. In de feitelijke situatie wordt uitgegaan van een inkomen van nihil, te vermeerderen met eventuele toeslagen waarop (het gezin) [appellant] , rekening houdend met het vermogen per 1 januari van elk jaar, aanspraak heeft. [appellant] heeft aanspraak op 50% van het verschil. De kapitalisatiedatum is 1 oktober 2026. c. Buitengerechtelijke kosten: Medische kosten van € 3.338,66, te vermeerderen met de wettelijke rente per 1 oktober 2026 (berekend overeenkomstig rov. 2.28), vertaalkosten van € 15.000,-, met wettelijke rente per 1 oktober 2026 en kosten rechtsbijstand van € 20.000,-, met wettelijke rente per 1 oktober 2026. Bij deze wijze van afdoening kan de afgifte van garanties achterwege blijven.\n\n2.23. \n [appellant] dient het rapport bij akte in het geding te brengen. Allianz kan bij akte reageren. In het vervolgens te wijzen arrest - naar verwachting het eindarrest - zal het hof het verschuldigde bedrag toewijzen en de zaak voor wat betreft (50% van) de schade vanwege verlies verdienvermogen in de periode van 1 juli 2012 tot 1 oktober 2026 verwijzen naar de schadestaat. Het hof gaat er vanuit dat partijen er aan zullen meewerken dat vóór 1 oktober 2026 arrest kan worden gewezen.\n\n3. De beslissing\n\nHet hof:\n\n3.1. verwijst de zaak naar de rol van 2 juni 2026 voor akte aan de zijde van [appellant] ;3.2. iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.E. Wichers en J.C.J. Dute, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.\n\n ECLI:NL:GHARL:2024:1232.\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:5608.\n\n CRvB 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1406, met verwijzing naar CRvB 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:430.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2455","2026-04-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.581Z",{"id":150,"ecli":151,"slug":152,"caseNumber":43,"courtId":136,"decisionDate":153,"fullText":154,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":155,"sourceTimestamp":156,"parsedAt":50,"updatedAt":157},"1684","ECLI:NL:RBDHA:2026:9388","ecli-nl-rbdha-2026-9388","2026-04-15T00:00:00.000Z","RECHTBANKDEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nZaaknummer: 11875858 \\ RL EXPL 25-16951\n\nVonnis van 15 april 2026\n\nin de zaak van\n\nKRACHT! LETSELSCHADE B.V.,\n\nte Vaassen,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in voorwaardelijke reconventie\n\nhierna te noemen: Kracht!,\n\ngemachtigde: mr. N.N. Liefeld,\n\ntegen\n\nNATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,\n\nte 's-Gravenhage,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in voorwaardelijke reconventie\n\nhierna te noemen: NN,\n\ngemachtigden: mr. A.N.L. de Hoogh en mr. J.A.A. van Beek.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de pleitnota van mr. N.N. Liefeld;\n\n- de pleitnota van mr. A.N.L. de Hoogh en mr. J.A.A. van Beek;\n\n- de mondelinge behandeling van 2 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.2.. Kracht! is een juridisch adviesbureau op het gebied van letselschade voor slachtoffers.\n\n2.3.. Kracht! heeft de heer [naam] (hierna: [naam] ) bijgestaan naar aanleiding van een verkeersongeval op 15 oktober 2022 waarbij hij letsel heeft opgelopen.\n\n2.4.. \n [naam] heeft op 17 oktober 2022 een opdrachtmachtiging ondertekend, waarin de volgende tekst staat vermeld:\n\nOPDRACHTMACHTIGING\n\nOndergetekende,\n\nnaam: De heer [naam]\n\n(…)\n\nmachtigt en verzoekt hiermee aan:\n\nKracht! Letselschade B.V.\n\nom de door hem\u002Fhaar geleden en te lijden schade, welke betrekking heeft op het ongeval d.d. 15-10-2022 , in behandeling te nemen, conform de op de achterzijde afgedrukte Algemene Voorwaarden van Kracht! Letselschade B.V, De voorwaarden zijn ook te vinden op de website www.krachtletselschade.nl.\n\nDaarnaast verzoekt ondergetekende de aansprakelijke partij, c.q. diens WA-verzekeraar, om de door Kracht! Letselschade B.V. te maken buitengerechtelijke kosten, kosten medisch adviseur, medische verschotten en andere behandelingskosten rechtstreeks te vorderen bij de aansprakelijke partij\u002Fverzekeraar en over te laten maken op rekening (…) ten name van Kracht! Letselschade B.V., kantoor Vaassen. (…).\n\n(…)\n\n2.5.. In artikel 6 van de onderaan de opdrachtmachtiging opgenomen ‘Algemene Voorwaarden Kracht! Letselschade B.V.’ staat vermeld:\n\n6. Onherroepelijke Cessie; Overdracht van kostenOpdrachtgever stemt ermee in dat de behandelkosten van kracht! bij de aansprakelijke partij in rekening worden gebracht en draagt hierbij de aanspraak op de vergoeding van deze kosten onherroepelijk over aan kracht!\n\n2.6.. Kracht! heeft namens [naam] op 18 oktober 2022 NN aangesproken tot het vergoeden van de schade als gevolg van het verkeersongeval. NN heeft als WAM-verzekeraar de aansprakelijkheid van haar verzekerde erkend.\n\n2.7.. In de periode van 2 december 2022 tot en met 21 januari 2025 heeft Kracht! een aantal facturen bij NN ingediend die zien op de werkzaamheden die door Kracht! en door haar ingeschakelde derden zijn verricht en heeft NN een aantal voorschotbetalingen aan Kracht! gedaan. Op meerdere momenten in die periode was het totaalbedrag van de door NN gedane voorschotbetalingen lager dan het totaalbedrag van de door Kracht! ingediende facturen.\n\n2.8.. Op 21 januari 2025 heeft Kracht! een e-mail aan NN gestuurd, waarin het volgende staat vermeld:\n\n(…)\n\nIn de bijlage tref je een overzicht aan van de nog verschuldigde bgk ad € 7.415,95 + de wettelijke rente ad € 319,-- is totaal € 7.734,95. Wil je dit slotbedrag ook in de VSO opnemen s.v.p.?\n\n (…)\n\n2.9.. Op 23 januari 2025 heeft NN een e-mail aan Kracht! gestuurd, waarin het volgende staat vermeld:\n\n(…)\n\nBijgaand treft u de vso. In het kader van de regeling is NN bereid alle openstaande kosten te vergoeden. Dit geldt niet voor de berekende wettelijke rente.\n\n(…)\n\n2.10.. NN en [naam] hebben op 23 respectievelijk 24 januari 2025 een vaststellingsovereenkomst ondertekend, waarin het volgende staat vermeld:\n\n(…)\n\nBuitengerechtelijke kosten\n\nVerzekeraar betaalt, naast het hiervoor genoemde schadebedrag, de redelijke buitengerechtelijke kosten zoals bedoeld in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek. Deze kosten maken weliswaar formeel onderdeel uit van de schade van belanghebbende, maar worden veelal met instemming van belanghebbende rechtstreeks voldaan aan de belangenbehartiger.\n\nBelanghebbende verklaart door ondertekening van deze overeenkomst, tenzij uitdrukkelijk anders is of wordt overeengekomen, dat verzekeraar de thans nog resterende buitengerechtelijke kosten rechtstreeks aan de belangenbehartiger betaalbaar mag stellen.\n\nTen behoeve van belanghebbende zijn aan buitengerechtelijke kosten al meerdere voorschotten betaalbaar gesteld. Deze zijn betaald aan Kracht Letselschade. Op de buitengerechtelijke kosten volgt nog een slotbetaling van EUR 7.415,95. Deze worden rechtstreeks betaald aan Kracht! Letselschade.\n\nFinale kwijting\n\nTegenover de overeengekomen schadevergoeding en de hiervoor genoemde betaling(en), verleent belanghebbende aan verzekeraar en verzekerde finale kwijting.\n\n(…)\n\n2.11.. Op 4 februari 2025 heeft NN een slotbetaling van € 7.415,95 aan Kracht! gedaan.\n\n2.12.. Op 2 september 2025 heeft Kracht! NN gedagvaard.\n\n3. Het geschil\n\nIn conventie\n\n3.1.. Kracht! vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad NN veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 280,32 aan wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten van Kracht!, te vermeerderen met de proceskosten.\n\n3.2.. Kracht! legt – samengevat – aan de vordering het volgende ten grondslag. [naam] heeft zijn vordering op NN tot betaling van buitengerechtelijke kosten aan Kracht! gecedeerd. Kracht! heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt en hiervoor facturen aan NN verzonden. NN heeft deze facturen meermaals niet tijdig en\u002Fof volledig voldaan. Als gevolg daarvan is NN in verzuim geraakt op het moment dat de betalingstermijn van 14 dagen van deze facturen is verstreken. Over de periode dat NN in verzuim is, is zij de wettelijke rente ex artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verschuldigd.\n\n3.3.. \n\nNN voert verweer. NN concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Kracht!, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Kracht!, met veroordeling van Kracht! in de kosten van de procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente, voor zover\n\nmogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3.4.. \n\nNN voert – samengevat – het volgende aan. [naam] heeft nooit buitengerechtelijke kosten aan Kracht! betaald en op dit punt dus ook geen schade geleden. Verder heeft er geen rechtsgeldige cessie door [naam] aan Kracht! van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten plaatsgevonden. De reden hiervoor is dat [naam] geen vordering op NN had en deze wegens het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid dus ook niet aan Kracht! kon overdragen. Bovendien is de vordering niet met voldoende bepaalbaarheid omschreven en is de vordering tot betaling van wettelijke rente evenmin een nevenrecht. Daarnaast is pas na totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst mededeling van de cessie aan NN gedaan, maar toen had [naam] al finale kwijting aan NN verleend. Tot slot betoogt klopt de berekening van de wettelijke rente niet.\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n3.5.. NN vordert voorwaardelijk, namelijk voor het geval dat enige vordering van [naam] tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten rechtsgeldig aan Kracht! is overgedragen, dat de kantonrechter Kracht! veroordeelt tot betaling aan NN van een bedrag van € 23.631,92, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van betaling van NN aan Kracht!, zoals opgenomen in het overzicht in tabel 1 van de conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie, dan wel vanaf de datum van de voorwaardelijk conclusie van eis in reconventie (te weten: 11 november 2025).\n\n3.6.. Kracht! voert verweer strekkende tot afwijzing van de voorwaardelijke vordering in reconventie, met veroordeling van NN in de proceskosten.\n\nIn conventie en voorwaardelijke reconventie\n\n3.7.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nIn conventie\n\nHet geschil4.1.. Partijen hebben aangegeven dat deze zaak een principiële kwestie betreft. Kracht! is deze procedure gestart, en NN heeft in deze procedure verweer gevoerd, omdat zij antwoord willen op de vraag of professionele belangenbehartigers, die de vordering van een benadeelde tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten aan zichzelf laten cederen, wettelijke rente kunnen vorderen als de verzekeraar deze kosten niet tijdig voldoet. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet mogelijk is en licht dat als volgt toe.\n\nJuridisch kader4.2.. Voor het ontstaan van een vordering tot schadevergoeding is volgens de Hoge Raad vereist dat schade is geleden. Omdat een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW jo. artikel 95 lid 1 BW ook een schadevergoedingsvordering is, is voor het ontstaan van deze vordering vereist dat daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt.\n\n4.3.. De verplichting tot schadevergoeding – en dus ook die tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten – is een verbintenis tot betaling van een geldsom. Wanneer vertraging optreedt in de voldoening van een geldsom is volgens artikel 6:119 lid 1 BW een schadevergoeding verschuldigd, bestaande in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Om aanspraak te kunnen maken op wettelijke rente moet de schuldenaar dus in verzuim zijn.\n\n4.4.. Het tijdstip waarop de schuldenaar in verzuim raakt, wordt bepaald aan de hand van artikel 6:81 e.v. BW. Als het gaat om een verbintenis tot schadevergoeding die voortvloeit uit onrechtmatige daad, treedt het verzuim volgens artikel 6:83, aanhef en onder b, BW in zonder ingebrekestelling, wanneer de prestatie opeisbaar is geworden en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen. Opeisbaarheid is dus een voorwaarde om het verzuim te laten intreden.\n\nGeen recht op wettelijke rente over buitengerechtelijke kosten4.5.. \n [naam] heeft Kracht! door middel van de in rov. 2.4 genoemde opdrachtmachtiging gemachtigd om de kosten voor de door Kracht! en in haar opdracht verrichte werkzaamheden bij NN in rekening te brengen en deze kosten op de rekening van Kracht! over te laten maken. NN heeft met deze afspraak ingestemd. Ten eerste door voorschotfacturen van Kracht! te voldoen. Ten tweede hebben [naam] en NN in de vaststellingsovereenkomst ook afgesproken dat NN de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, die ‘formeel onderdeel zijn van de schade’, rechtstreeks zal betalen aan Kracht!. Kracht! stelt in deze procedure ook dat [naam] de door Kracht! aan NN verzonden facturen voor haar werkzaamheden niet heeft voldaan of hoeft te voldoen. Daarmee staat vast dat [naam] niet daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor de verrichte werkzaamheden.\n\n4.6.. Kracht! heeft in dit verband aangevoerd dat de opeisbaarheid van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en het verschuldigd worden van wettelijke rente niet afhankelijk is van voorfinanciering door [naam] . Dit is echter niet juist. De vorderingen tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente daarover ontstaan pas als de benadeelde deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en de verzekeraar met de vergoeding daarvan aan de benadeelde in verzuim is geraakt. Zoals hiervoor is overwogen heeft [naam] niet daadwerkelijk kosten gemaakt omdat hij aan Kracht! geen vergoeding verschuldigd was. Daarom kan van een (opeisbare) vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente daarover in ieder geval tot de totstandkoming van de in rov. 2.10 bedoelde vaststellingsovereenkomst geen sprake zijn.\n\n4.7.. Met de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heeft [naam] alsnog een aanspraak op NN tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten verkregen. Maar deze aanspraak is, vanwege de gemaakte betalingsafspraak, niet gebaseerd op artikel 6:96 lid 2 BW maar op de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen verplichting van NN tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Tussen partijen is niet in geschil dat NN deze verplichting tijdig is nagekomen. Dit brengt mee dat [naam] ook na totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst geen aanspraak op wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten heeft verkregen.\n\n4.8.. Kracht! heeft verder nog aangevoerd dat de vordering tot betaling van wettelijke rente is ontstaan toen Kracht! de facturen voor buitengerechtelijke kosten aan NN heeft toegezonden en de daarop vermelde betalingstermijn van 14 dagen is verstreken. Kracht! verwijst in dit verband naar een vonnis van de Rechtbank Zutphen van 7 mei 2008, waarin werd bepaald dat de verzekeraar de wettelijke rente over het toegekende deel van de buitengerechtelijke kosten verschuldigd is vanaf 14 dagen na de respectieve factuurdata. Kracht! gaat er echter daarbij aan voorbij dat de enkele toezending van facturen niet meebrengt dat [naam] schade lijdt in de vorm van buitengerechtelijke kosten. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvoor vereist dat [naam] daadwerkelijk kosten heeft gemaakt. Genoemd vonnis leidt niet tot een ander oordeel, omdat daaruit niet blijkt dat de benadeelde partij in die zaak die facturen niet zelf eerst had betaald alvorens deze bij de verzekeraar van de aansprakelijke partij in te dienen.\n\nGeen rechtsgeldige cessie4.9.. Vanwege het vereiste van beschikkingsbevoegdheid in artikel 3:84 BW komt de overdracht van een nog niet ontstane vordering pas tot stand na het ontstaan daarvan. Zoals uit het voorgaande blijkt, is er aan de zijde van [naam] in ieder geval tot de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst geen vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten of wettelijke rente ontstaan. Deze vorderingen kunnen dus ook niet al voorafgaand aan die overeenkomst zijn overgedragen.\n\n4.10.. Bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heeft [naam] weliswaar een contractuele aanspraak op betaling van buitengerechtelijke kosten verkregen, maar zoals uit rov. 4.7 blijkt, heeft NN deze tijdig voldaan. Dit betekent dat deze vordering teniet is gegaan en dat er aan de zijde van [naam] ook geen vordering tot vergoeding van wettelijke rente is ontstaan. Ook deze vorderingen kunnen dus niet worden overgedragen.\n\n4.11.. Dit betekent dat Kracht! niet bij wijze van een cessie een vordering van [naam] op NN tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten of wettelijke rente heeft verkregen.\n\nKracht! heeft geen eigen vordering op NN4.12.. Voor zover Kracht! betoogt dat zij zelf buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en daarom een eigen vordering op NN heeft, wordt het volgende opgemerkt. De werkzaamheden die Kracht! c.s. hebben verricht dienden ter vaststelling van de schade van en aansprakelijkheid jegens [naam] . De verrichte werkzaamheden zijn dus geen buitengerechtelijke kosten van Kracht! zelf. Dit brengt mee dat Kracht! geen eigen vordering heeft op NN tot vergoeding van deze kosten. NN kan tegenover Kracht! dus ook niet in verzuim of wettelijke rente verschuldigd zijn.\n\n4.13.. Ter zitting heeft Kracht! aangevoerd dat het probleem is dat NN de declaraties van Kracht! niet volledig heeft bevoorschot en zij daarom schade leidt. Deze schade is echter niet het gevolg van ontoereikende bevoorschotting, maar van de keuze van Kracht! om haar werkzaamheden niet aan [naam] in rekening te brengen. Van aansprakelijkheid van NN tegenover Kracht! wegens ontoereikende bevoorschotting is dan ook geen sprake.\n\nGeen reden om prejudiciële vragen te stellen4.14.. Ter zitting heeft Kracht! de kantonrechter verzocht om op de voet van artikel 392 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, als de kantonrechter van oordeel zou zijn dat onzekerheid bestaat over de vraag of wettelijke rente verschuldigd is over gecedeerde buitengerechtelijke kosten die niet tijdig worden voldaan. Volgens Kracht! is de beantwoording van de vraag of voor het verschuldigd worden van wettelijke rente vereist is dat de benadeelde de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk heeft betaald, dan wel of het ontstaan van de betalingsverplichting en\u002Fof de cessie voldoende is, van wezenlijk belang voor de rechtspraktijk.\n\n4.15.. De kantonrechter is van oordeel dat in voldoende mate duidelijk is dat voor het ontstaan van een schadevergoedingsvordering in de vorm van buitengerechtelijke kosten vereist is dat daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Verder is ook in voldoende mate duidelijk dat de overdracht van een nog niet ontstane vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten pas tot stand komt na het ontstaan daarvan. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om op deze punten verduidelijking aan de Hoge Raad te vragen en ziet daarom af van het stellen van prejudiciële vragen.\n\nSlotsom4.16.. Het voorgaande brengt mee dat de vordering van Kracht! tot betaling van wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten van Kracht! zal worden afgewezen.\n\n4.17.. Kracht! wordt in de procedure in conventie dus in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van NN worden begroot op:\n\n - salaris gemachtigde\n\n€\n\n174,00\n\n(2 punten × € 87,00)\n\n - nakosten\n\n€\n\n43,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\n Totaal\n\n€\n\n217,50\n\n4.18.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n4.19.. De vordering van NN in reconventie is voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval dat enige vordering van [naam] tot voldoening van buitengerechtelijke kosten rechtsgeldig aan Kracht! is overgedragen.\n\n4.20.. De kantonrechter heeft in conventie echter geoordeeld dat dit niet het geval is. Daarom zal de kantonrechter vaststellen dat aan de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld niet is voldaan.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter,\n\nIn conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Kracht! af,\n\n5.2.. veroordeelt Kracht! in de proceskosten van € 217,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Kracht! niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt Kracht! tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n5.4.. verstaat dat de voorwaarde waaronder de reconventie is ingesteld niet is vervuld,\n\nIn conventie en in voorwaardelijke reconventie\n\n5.5.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.L.M. Staals en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\n ECLI:NL:HR:1991:ZC0247, r.o. 3.3.\n\n ECLI:NL:RBZUT:2008:BD7124, r.o. 2.19.\n\n Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:94 BW, aant. 1.10.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9388","2026-04-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.429Z",{"id":159,"ecli":160,"slug":161,"caseNumber":43,"courtId":136,"decisionDate":162,"fullText":163,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":164,"sourceTimestamp":165,"parsedAt":50,"updatedAt":166},"925","ECLI:NL:GHDHA:2026:502","ecli-nl-ghdha-2026-502","2026-03-31T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nAfdeling Civiel recht\n\nZaaknummer : 200.347.986\n\nZaaknummer rechtbank : C\u002F10\u002F665819 \u002F HA ZA 23-819\n\narrest van 31 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nFinancieel Bureau 10 B.V.,\n\ngevestigd te Rotterdam,\n\nappellante,\n\nhierna: Bureau 10,\n\nadvocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,\n\ntegen\n\nKonfor Home Capelle B.V.\n\ngevestigd te Capelle aan den IJssel,\n\ngeïntimeerde,\n\nhierna te noemen: Konfor Home,\n\nadvocaat: mr. I. Atar te Naarden die zich als zodanig heeft onttrokken.\n\n1. Waar het in deze zaak over gaat\n\nDoor een defecte sprinklerinstallatie in een gehuurde loods heeft Konfor Home waterschade geleden aan door haar opgeslagen meubels. De verzekeraar heeft de schade niet vergoed omdat in de polisvoorwaarden is bepaald dat de sprinklerinstallatie moet zijn gecertificeerd. De betreffende sprinklerinstallatie was dat niet. De vraag in deze zaak is of de assurantietussenpersoon, Bureau 10, aansprakelijk is voor de schade omdat zij haar zorgplicht jegens Konfor Home heeft geschonden door haar onvoldoende te wijzen op de voor verzekerings-dekking cruciale verzekeringsvoorwaarde. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze zorgplicht is geschonden en heeft Bureau 10 veroordeeld tot schadevergoeding. In hoger beroep heeft Konfor Home geen verweer gevoerd. Het hof acht de grieven inzake de schending van de zorgplicht en het causaal verband gegrond en wijst de vordering van Konfor Home alsnog af.\n\n2. Het procesverloop\n\nBij exploot van 17 september 2024 is Bureau 10 in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnissen van 24 april 2024 en 28 augustus 2024. Dit hof heeft bij arrest van 7 januari 2025 een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Vervolgens heeft mr. Atar zich als procesvertegenwoordiger van Konfor Home onttrokken. De mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden. Bij memorie van grieven heeft Bureau 10 elf grieven aangevoerd. Konfor Home heeft geen memorie van antwoord genomen, waarna Bureau 10 arrest heeft gevraagd.\n\n3. De feiten\n\nIn rechtsoverweging 2 van het vonnis van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met de eerste grief wordt deze vaststelling op een punt bestreden, wat (zie hierna onder 6.2) tot een kleine aanpassing leidt. Het hof gaat verder uit van dezelfde feiten als de rechtbank. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.\n\n3.1.. Bureau 10 is een assurantietussenpersoon. Konfor Home exploiteert een keten van meubelwinkels.\n\n3.2.. In 2019 heeft Konfor Home de verzekeringen voor haar winkels ondergebracht bij Bureau 10.\n\n3.3.. \n\nBureau 10 heeft ten behoeve van Konfor Home via een volmachtbedrijf een Bedrijven Totaalplan-pakket bij (een rechtsvoorganger van) Nationale Nederlanden (hierna: NN) afgesloten. Op de verzekering zijn de voorwaarden BB-MKB Brand bedrijven 01-2016\n\nvan toepassing verklaard (hierna: de voorwaarden). Artikel 2.13.1 onder de kop\n\n“lnventaris\u002FGoederen” van deze voorwaarden luidt, voor zover van\n\nBelang, als volgt:\n\n “2.13 Water en stoom\n\nTen aanzien van de sprinklerinstallatie bestaat uitsluitend dekking indien deze installatie op het moment van de schade is voorzien van een geldig certificaat van het Bureau voor Sprinklerbeveiliging.”\n\n3.4.. In oktober 2020 heeft Konfor Home een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een opslagloods aan het Roer 20 in Rotterdam (hierna: het magazijn). In dit pand was een sprinklerinstallatie aanwezig.\n\n3.5.. In november 2020 heeft de bestuurder van Bureau 10, [bestuur] , het magazijn op verzoek van Konfor Home bezocht. Dit bezoek vond plaats in het kader van de wens van Konfor Home om (ook) dat gebouw onder de hiervoor bedoelde verzekering te brengen.\n\n3.6.. Op diezelfde dag is het magazijn op verzoek van Bureau 10 onder de verzekeringsdekking gebracht.\n\n3.7.. De sprinklerinstallatie in het magazijn is niet gecertificeerd.\n\n3.8.. Op 11 mei 2021 is de hoofdleiding van de sprinklerinstallatie in het magazijn gesprongen. Daardoor is schade ontstaan aan de in het magazijn aanwezige voorraad van Konfor Home. De schade is door een onafhankelijke expert vastgesteld op € 52.498,50 inclusief btw.\n\n3.9.. Nationale Nederlanden heeft dekking geweigerd wegens het ontbreken van een geldig certificaat voor de sprinklerinstallatie (artikel 2.13.1 van de voorwaarden).\n\n4. De procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. In eerste aanleg heeft Konfor Home gevorderd i) te verklaren voor recht dat Bureau 10 haar zorgplicht jegens Konfor Home heeft geschonden en aansprakelijk is voor de schade, ii) Bureau 10 te veroordelen tot betaling van € 52.498,50 te vermeerderen met de wettelijke rente, iii) Bureau 10 te veroordelen tot betaling van € 1.299,99 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente, en iv) Bureau 10 te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2.. \n\nBij mondeling tussenvonnis van 24 april 2024 heeft de rechtbank Konfor Home in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat zij door Bureau 10 niet is geïnformeerd over de noodzaak een gecertificeerde sprinklerinstallatie te hebben, een en ander om voor dekking onder de schadeverzekering in aanmerking te komen. Aansluitend aan deze mondelinge behandeling op 24 april 2024 heeft de rechtbank de al op de zitting aanwezige getuigen gehoord. Op een later moment is, in contra-enquête, nog een getuige gehoord. Bij eindvonnis van 28 augustus 2024 is Bureau 10 veroordeeld tot betaling van\n\n€ 42.887,19 te vermeerderen met de wettelijke rente, tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, door de rechtbank begroot op € 1.203,87 en tot betaling van de proceskosten.\n\n5. De vordering en het verweer in hoger beroep\n\n5.1.. Bureau 10 vordert het eindvonnis van 28 augustus 2024 te vernietigen en Konfor Home te veroordelen tot betaling van al hetgeen naar aanleiding van dat vonnis door Bureau 10 reeds is betaald, zijnde ten minste € 53.881,94, althans een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2024, althans vanaf 27 mei 2025 en Konfor Home te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n5.2.. Konfor Home heeft geen memorie van antwoord genomen.\n\n6. De beoordeling in hoger beroep\n\nDevolutieve werking\n\n6.1.. Het hof stelt voorop dat, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, de grieven moeten worden beoordeeld mede met inachtneming van hetgeen Konfor Home in eerste aanleg heeft aangevoerd.\n\nDe feiten (eerste grief)\n\n6.2.. Met de eerste grief komt Bureau 10 op tegen de door de rechtbank in het eindvonnis onder 2.6 opgenomen datum van het bezoek van de bestuurder van Bureau 10 aan het magazijn. In het vonnis is vermeld dat dit bezoek op 17 november 2020 heeft plaatsgevonden. Volgens Bureau 10 was dat op 12 november 2020. Nu het bezoek ingevolge de stellingen van partijen hoe dan ook in november 2020 heeft plaatsgevonden, heeft het hof hiervoor onder 3.5 het feit in die zin aangepast, zodat de eerste grief geen verdere bespreking behoeft en niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.\n\nDe zorgplicht (grieven twee tot en met vijf)\n\n6.3.. De tweede tot en met de vijfde grief richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Bureau 10 haar zorgplicht heeft geschonden.\n\n6.4.. De zorgplicht van een assurantietussenpersoon houdt in dat hij tegenover zijn opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn (HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122). De reikwijdte van de op de assurantietussenpersoon rustende zorgplicht is afhankelijk van de aard en inhoud van de opdracht, de belangen van de cliënt voor zover die kenbaar zijn voor de tussenpersoon en de overige omstandigheden van het geval.\n\n6.5.. De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat (ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv) op Konfor Home de stelplicht en de bewijslast rusten van de omstandigheden die zij ten grondslag legt aan haar stelling dat Bureau 10 is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht. Van Bureau 10 mag worden verwacht dat zij haar betwisting voldoende motiveert door aan te voeren wat zij ter voldoening aan haar zorgplicht heeft gedaan, maar bewijzen hoeft zij deze motivering niet.\n\n6.6.. Konfor Home heeft gesteld dat zij tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 aan Bureau 10 heeft gevraagd om een deugdelijke verzekering af te sluiten voor de door haar opgeslagen goederen in het magazijn. Vervolgens heeft Bureau 10 de verzekering afgesloten bij (de rechtsvoorganger van) NN. Konfor Home betoogt niet bekend te zijn met de polisvoorwaarde ten aanzien van de certificering van de sprinklerinstallatie waar NN een beroep op doet. Daardoor wist Konfor Home niet dat het ontbreken van een certificaat voor de sprinklerinstallatie reden tot afwijzing van de claim zou zijn. Bureau 10 heeft Konfor Home niet geïnformeerd over deze voorwaarde, aldus Konfor Home (in haar inleidende dagvaarding bij de rechtbank) en Bureau 10 was blijkens een e-mailbericht van een van haar medewerkers ( [medewerker] ) zelf ook niet op de hoogte van deze voorwaarde.\n\n6.7.. De rechtbank heeft overwogen dat, anders dan voor wat betreft de op deze verzekering van toepassing zijnde clausules, voor wat betreft de toepasselijke voorwaarden (waaronder de hier in het geding zijnde voorwaarde dat de sprinklerinstallatie gecertificeerd moet zijn) uit de stukken niet kan worden afgeleid dat Bureau 10 Konfor Home over de inhoud daarvan heeft geïnformeerd. De toepasselijkheid van de voorwaarden is op zichzelf wel vermeld op het aanvraagformulier en op het polisblad, maar die stukken bieden geen informatie over de inhoud van de voorwaarden. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft Bureau 10 bovendien erkend dat zij alleen het polisblad en niet ook de toepasselijke voorwaarden aan Konfor Home heeft gemaild. Bureau 10 heeft ook niet gesteld dat zij tijdens het doornemen van het aanvraagformulier of op een ander moment, bijvoorbeeld toen later in 2020 ook het magazijn onder de verzekering werd gebracht, heeft gesproken over de toepasselijkheid en de inhoud van die voorwaarden (zie overweging 4.5 van het vonnis).\n\n6.8.. Bureau 10 heeft betoogd dat haar bestuurder tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 uitdrukkelijk tegen de bestuurder van Konfor Home heeft gezegd dat certificering van de sprinklerinstallatie een voorwaarde is voor verzekeringsdekking. De rechtbank heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 april 2024 Konfor Home in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat zij niet door Bureau 10 is geïnformeerd over de noodzaak een gecertificeerde sprinklerinstallatie te hebben, een en ander om voor dekking onder de schadeverzekering in aanmerking te komen. Ter uitvoering van die bewijsopdracht zijn aansluitend aan de mondelinge behandeling als getuigen gehoord [magazijnbeheerder] (als magazijnbeheerder en hoofd logistiek in dienst van Konfor Home), [huurincassospecialist] (huurincassospecialist) en [bestuurder] (de bestuurder van Konfor Home). In contra-enquête is als getuige gehoord [bestuur] (de bestuurder van Bureau 10). Later, op 17 juni 2024, is ook als getuige gehoord [magazijnmedewerker] (magazijnmedewerker in dienst van Konfor Home).\n\nDe getuigenverklaringen\n\n [magazijnbeheerder]6.9.. heeft verklaard niet steeds bij het gesprek aanwezig te zijn geweest, maar voor zover hij er bij was, is het niet gegaan over een certificaat voor de sprinklerinstallatie. Daarover heeft hij ook achteraf niets gehoord.\n\n [huurincassospecialist]6.10.. \n\n [huurincassospecialist] heeft verklaard aanwezig te zijn geweest tijdens het hele bezoek door Bureau 10 in november 2020 aan het magazijn. Hij blijft bij hetgeen hij in zijn e-mail van 18 mei 2023 heeft geschreven. In die mail staat, voor zover relevant:\n\n“Terwijl ik aankwam zag ik Dhr [bestuur] op de locatie, ik kan goed herinneren dat Dhr [bestuurder] ons opwachtte en we gingen een rondje maken door het bedrijfspand. Het eerste wat mij opviel was de grootte van het pand ten tweede wat mij opviel was het dringend advies direct door Dhr [bestuur] aan Dhr [bestuurder] op met hele hoge spoed vlonders aan te leggen door het pand heen waar de voorraad op kan staan ipv direct op de vloer van het pand. Dit ter voorkoming van schade ivm lekkage en waterschade en ook vereisten vanuit de verzekering.\n\nDhr [bestuur] heeft dit zeker 4 keer benadrukt aan Dhr [bestuurder] . Dusdanig dat ik zelfs als bezoeker het heb kunnen onthouden.\n\nDhr. [bestuur] heeft ook direct advies gegeven over het aanleggen van brandveiligheid instrumenten door het pand heen en ook advies gegeven omtrent alarmering.\n\nDus 3 aspecten:\n\nDe voorraad mag de directe vloer niet raken. Brandveiligheid instrumenten moeten aangelegd worden. En iets over klasse alarm bepaalde specifieke klasse die Mr [bestuurder] moest hebben.”\n\nOp de vraag van de rechtbank aan [huurincassospecialist] of het ook is gegaan over certificering van de sprinklerinstallatie heeft hij als getuige verklaard:\n\n“Mijn antwoord is ja, het ging vooral over de partij die bepaalde werkzaamheden zou gaan verrichten, het was belangrijk dat het niet zomaar een willekeurige partij zou zijn, want het ging om de certificering omwille van de verzekering. Het woord certificering is echt genoemd, dat weet ik heel zeker.”\n\n [bestuurder]6.11.. heeft verklaard [bestuur] te hebben gewezen op de sprinklerinstallatie en dat er geen certificering is. Volgens [bestuurder] heeft [bestuur] daarop gezegd: “Dat is geen probleem, we gaan dat oplossen”. Het gesprek is verder meer gegaan over pallets. Hij heeft verder niets gehoord over certificering.\n\n [bestuur]6.12.. heeft verklaard tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 te hebben gesproken over de noodzaak om de sprinkler te laten certificeren. Hij heeft verklaard te hebben gesproken over brandveiligheid, alarm, calamiteitenplan en vlonders. Dat zijn vaste onderdelen als hij bij een klant op inspectie gaat. Het punt van de certificering van de sprinkler hoort bij het onderwerp brandveiligheid. Volgens [bestuur] heeft [bestuurder] tijdens dat bezoek niet gezegd dat de sprinklerinstallatie niet gecertifieerd was.\n\n [magazijnmedewerker]6.13.. heeft als getuige verklaard tijdens het bezoek van Bureau 10 aan het magazijn in november 2020 aan het werk te zijn geweest. Op de vraag of hij heeft gezien dat [huurincassospecialist] tijdens dat bezoek ook aanwezig was heeft hij verklaard dat er niemand anders bij het gesprek aanwezig was. [bestuur] en [bestuurder] waren er met zijn tweeën.\n\n6.14.. De rechtbank heeft in overweging 4.6 geconcludeerd dat de getuigenverklaringen lijnrecht tegenover elkaar staan. Vervolgens heeft de rechtbank in overweging 4.7 overwogen dat bij de verdere beoordeling van de schending van de zorgplicht in het midden kan worden gelaten of de bestuurder van Bureau 10 tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 nu wel of niet heeft gewezen op de noodzaak van certificering van de sprinklerinstallatie. Zelfs indien dat het geval zou zijn, dan nog is de rechtbank van oordeel dat Bureau 10 haar zorgplicht heeft geschonden. In dat geval is het bezoek in november 2020 het enige moment geweest waarop Bureau 10 Konfor Home heeft gewezen op de in de voorwaarden opgenomen dekkingsvoorwaarde van een gecertificeerde sprinklerinstallatie, aldus de rechtbank.\n\n6.15.. In hoger beroep is door Bureau 10 (zie randnummers 2.34 en 2.35 memorie van grieven) aangevoerd dat ook bij de totstandkoming van de verzekering Konfor Home door Bureau 10 niet alleen is geïnformeerd over de in het polisblad opgenomen clausules, maar ook uitgebreid is geïnformeerd over de pijlers Brand & Veiligheid, waarbij Konfor Home expliciet erop is gewezen dat alle installaties, waaronder de sprinklerinstallatie, gekeurd en gecertificeerd moeten zijn. Zij voegt daaraan toe dat Bureau 10 in totaal vier zakelijke verzekeringen voor de vier (aparte) vestigingen van Konfor Home heeft afgesloten, drie van deze vier vestigingen (ook) heeft bezocht en Konfor Home telkenmale heeft geïnformeerd over de door de verzekeraar gehanteerde clausules, daaronder valt in alle gevallen de eis van een gecertificeerde sprinklerinstallatie, en (algemene) voorwaarden. Deze laatste stelling is in eerste aanleg niet gevoerd en is in hoger beroep niet weersproken. Konfor Home heeft in eerste aanleg gesteld dat zij niet bekend was met de polisvoorwaarde ten aanzien van de certificering van de sprinklerinstallatie en dat zij door Bureau 10 hierover niet is geïnformeerd, maar zij is daarmee niet ingegaan op de mededelingen waarop Bureau 10 zich nu aanvullend beroept, in het bijzonder die in het kader van de andere verzekeringen die, zoals vaststaat, aan de overeenkomst met betrekking tot het magazijn Roer 20 voorafgingen. Ook de bewijslevering van Konfor Home had hierop geen betrekking. Zo deze stellingen al niet als onvoldoende weersproken vaststaan, is in elk geval sprake van een nadere motivering van het door Bureau 10 gevoerde verweer (betwisting) tegen de stelling van Konfor Home. Die motivering wordt ook niet ontkracht of ongeloofwaardig gemaakt door het enkele e-mailbericht van [medewerker] . Uit dat bericht kan niet worden afgeleid dat niemand bij Bureau 10, en dus ook niet ook degenen die de aanvraag hebben behandeld en die de bezoeken aan de locaties hebben afgelegd, van de certificeringseis op de hoogte was.\n\n6.16.. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat de schending van de zorgplicht niet is komen vast te staan. Dat Bureau 10 tijdens het bezoek aan Roer 2020 niet heeft gewezen op de certificeringseis kan, gelet op de lijnrecht tegenover elkaar staande getuigenverklaringen en het ontbreken van ander bewijs, niet als afdoende bewezen worden aangenomen. Als Konfor Home, zoals Bureau 10 heeft aangevoerd, al veelvuldig, bij meerdere gelegenheden, mondeling was gewezen op de noodzaak van certificering voor een sprinklerinstallatie, was het niet nodig om dat (na het bezoek aan het magazijn) nog een keer in een e-mail of WhatsApp bericht te zetten. Een assurantietussenpersoon is ook niet zonder meer verplicht achteraf nog te controleren of de verzekerde zijn advies daadwerkelijk heeft opgevolgd (zoals Bureau 10 ook heeft betoogd). Periodieke controles volstaan doorgaans. Het hof ziet geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit Bureau 10 had moeten afleiden dat Konfor Home ondanks de gedane mededelingen nog niet van de hoed en de rand wist en nog onvoldoende van de noodzaak van certificering was doordrongen. Konfor Home heeft nog gesteld dat zij Bureau 10 bij het bezoek aan Roer 20 heeft gewezen op het ontbreken van een certificering en daarbij heeft verzocht om een passende verzekering, waarop Bureau 10 (volgens [bestuurder] als getuige) zou hebben gezegd dat zij dit zou oplossen. Bureau 10 heeft dit alles echter betwist en het bewijs van deze stelling is, ook door de in eerste aanleg gehoorde getuigen, niet geleverd. Omdat Konfor Home in hoger beroep geen nadere uitwerking aan deze stelling heeft gegeven en ook geen nader bewijs aanbiedt, gaat het hof aan deze stelling voorbij. Dat Bureau 10 na het bezoek in november 2020 aan het magazijn Konfor Home via WhatsApp wel heeft herinnerd aan het plaatsen van de meubels op pallets en het installeren van een alarm, maar de noodzaak van een gecertificeerde sprinklerinstallatie daarbij niet heeft genoemd, heeft Bureau 10 (onweersproken) verklaard door aan te voeren dat Bureau 10 had geconstateerd dat een alarm geheel ontbrak en dat dit punt van de pallets nieuw was; anders dan de noodzaak van certificering die al herhaaldelijk was besproken.\n\n6.17.. Al met al heeft Bureau 10 in hoger beroep ter betwisting van de stelling van Konfor Home Bureau 10 voldoende aangevoerd om de conclusie te kunnen dragen dat geen sprake is van schending van haar zorgplicht. Zo al kan worden gezegd dat Konfor Home voldoende tegenover dit verweer heeft gesteld – het hof is van oordeel dat dat niet het geval is – moet in elk geval worden geconcludeerd dat Konfor Home haar stelling niet heeft bewezen en dat zij geen specifiek aanbod heeft gedaan om dit bewijs alsnog te leveren.\n\n6.18.. De conclusie is dat de grieven twee tot en met vijf doel treffen.\n\nCausaal verband tussen schending zorgplicht en de schade (grieven zes en zeven)\n\n6.19.. Nu het hof van oordeel is dat de zorgplicht niet is geschonden, komt het in beginsel niet toe aan de vraag of er sprake is van causaal verband tussen de tekortkoming van Bureau 10 (de schending van de zorgplicht) en de schade. Niettemin ziet het hof aanleiding te overwegen dat ook wanneer zou moeten worden aangenomen dat de zorgplicht wel is geschonden, de vordering strandt, maar dan op het ontbreken van causaal verband. Daarvoor is het volgende redengevend.\n\n6.20.. Om te komen tot een antwoord op de vraag of de schending van de zorgplicht door Bureau 10 tot schade heeft geleid, moeten twee situaties met elkaar worden vergeleken: 1) de feitelijke situatie met de schending van de zorgplicht (waarin dekking voor de schade van Konfor Home is geweigerd door NN) en 2) de hypothetische situatie zonder die schending. In de laatste situatie gaat het om het antwoord op de vraag wat Konfor Home feitelijk zou hebben gedaan zonder de schending van de zorgplicht door Bureau 10. De stelplicht en de bewijslast van het causaal verband rusten ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op Konfor Home. Omdat Bureau 10 door haar hier tot uitgangspunt te nemen zorgplichtschending Konfor Home de mogelijkheid heeft ontnomen om daadwerkelijk te ervaren wat zonder die normschending zou zijn gebeurd, kunnen in dit verband geen al te strenge eisen worden gesteld aan de stellingen van Konfor Home.\n\n6.21.. Konfor Home heeft (in eerste aanleg) gesteld dat als zij tijdig van de noodzaak van een geldig certificaat op de hoogte was geweest, zij alsnog alles in het werk zou hebben gesteld om van de verhuurder van het magazijn een certificaat te verkrijgen. Ook zou zij er in dat geval voor hebben kunnen kiezen haar meubels in een ander pand op te slaan.\n\n6.22.. \n\nBureau 10 heeft betwist (zowel in eerste aanleg als bij memorie van grieven in hoger beroep) dat Konfor Home (tijdig) certificering van de sprinklerinstallatie had kunnen verkrijgen. Bureau 10 verwijst daarvoor naar de e-mail van de verhuurder van het magazijn, Spee Vastgoedbeheer B.V., van 29 oktober 2021 (productie 15 conclusie van antwoord) waarin staat:\n\n“Zoals u weet hebben wij i.o.m. de huurders en installateurs afgesproken dat de installatie in stand word gehouden totdat het object definitief wordt gesloopt. Dit is ook de reden dat de looptijd van de huurovereenkomsten zeer kort zijn. Certificering is op korte termijn ook helemaal niet haalbaar, want tegen de tijd dat de installatie gecertificeerd is zal het object zijn gesloopt. Overigens kunnen wij u melden dat in september 2021 het onderhoud nog is uitgevoerd.”\n\n6.23.. Naar deze mail (die dateert van een jaar na het afsluiten van de verzekering) is ook in eerste aanleg door Bureau 10 verwezen, waarop Konfor Home ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 april 2024 heeft betoogd dat uit een gesprek met KIWA is gebleken dat certificering op korte termijn wel mogelijk was, hetgeen ter zitting in eerste aanleg door Bureau 10 is betwist. Enig bewijs van de stelling – bijvoorbeeld een verklaring van KIWA – heeft Konfor Home niet geleverd of aangeboden. Er kan daarom niet van worden uitgegaan dat in november 2020, toen de verzekering werd afgesloten en Bureau 10 het magazijn had bezocht, nog een geldige certificering had kunnen worden verkregen. Het standpunt van de verhuurder – van wie Konfor Home in dit opzicht afhankelijk was – wijst er overigens ook niet direct op dat hij van plan was zich – voor dit te slopen pand – nog in te zetten voor het verkrijgen van een certificering.\n\n6.24.. Dat Konfor Home, bij deugdelijke voorlichting over de certificeringseis, ervoor zou hebben gekozen haar meubels in een ander pand op te slaan of bij de keuze voor een opslagruimte met deze eis rekening zou hebben gehouden, wordt betwist door Bureau 10. Daartoe wijst Bureau 10 onder meer naar de omstandigheid (zie randnummer 2.47 memorie van grieven) dat Konfor Home herhaaldelijk gebruik maakt van tijdelijke huurovereenkomsten ter voorkoming van kraak, waarbij niet (zonder meer) geldt dat de verhuurder onderhoudsverplichtingen heeft en waarbij de huurprijs aanzienlijk lager is dan bij reguliere huur van een bedrijfspand. Daaruit blijkt volgens Bureau 10 dat Konfor Home bij de selectie van een opslagruimte andere factoren, zoals de lagere kosten aan huurpenningen, zwaarder laat meewegen dan de cruciale voorwaarden die betrekking hebben op dekking onder een verzekering.\n\n6.25.. In randnummer 2.51 van de memorie van grieven voert Bureau 10 aan dat Konfor Home eveneens heeft nagelaten een alarminstallatie aan te leggen, wat volgens Bureau 10 de conclusie rechtvaardigt dat Konfor Home ook het advies van Bureau 10 (in de hypothetische situatie zonder schending van de zorgplicht) om de sprinklerinstallatie te certificeren niet zou hebben opgevolgd. In eerste aanleg heeft Konfor Home betoogd wel achter de sprinklerinstallatie aan te zijn gegaan in het geval zij zou hebben geweten dat dit een vereiste is voor verzekeringsdekking en heeft zij, zoals de rechtbank in 4.15 heeft overwogen, toegelicht dat het aan de verhuurder was te wijten dat een eerdere verzekering wegens het niet naleven van voorschriften, is geroyeerd. Dat alles neemt echter niet weg dat nu in hoger beroep onweersproken gesteld wordt (en daarmee vaststaat) dat Konfor Home geen actie heeft ondernomen ten aanzien van de alarminstallatie (waarop Bureau 10 haar wel heeft gewezen).\n\n6.26.. Gelet op het voorstaande is het hof van oordeel dat, hoewel aan de stellingen van Konfor Home over het causaal verband geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, de stellingen van Konfor Home door Bureau 10 zodanig zijn weersproken dat een nadere toelichting of onderbouwing van haar gevergd kon worden. Omdat deze ontbreken, net als een voldoende gespecifieerd bewijsaanbod, is het vereiste causaal verband niet komen vast te staan.\n\n6.27.. De conclusie is dat ook de grieven zes en zeven gegrond zijn.\n\nOverige grieven\n\n6.28.. Het slagen van de grieven twee tot en met zeven brengt mee dat de vordering van Konfor Home alsnog - als ongegrond - moet worden afgewezen. De overige grieven inzake eigen schuld (grief acht), voordeelstoerekening (grief negen), de buitengerechtelijke incassokosten, alsmede de veeggrief 11 behoeven geen bespreking meer.\n\nNiet-ontvankelijkheid\n\n6.29.. \n\nVoor zover het hoger beroep ook is gericht tegen de mondelinge uitspraak van\n\n24 april 2024 geldt dat tegen die uitspraak geen grieven zijn gericht, zodat het hoger beroep daartegen niet-ontvankelijk is.\n\nConclusie, proceskosten en terugbetaling\n\n6.30.. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen om de vordering alsnog geheel af te wijzen. Het hof zal Konfor Home, als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.\n\n6.31.. Die kosten zullen voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Bureau 10 zullen worden vastgesteld op:\n\nGriffierecht € 2.837,00\n\nSalaris advocaat € 3.642,00(3 punten x tarief IV € 1.214,00)\n\nTotaal € 6.479,006.32.. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Bureau 10 zullen vastgesteld worden op:\n\nExplootkosten € 115,22\n\nGriffierechten € 2.175,00\n\nSalaris advocaat € 2.353,00 (1 punt x tarief IV € 2.352,00 )\n\n- Nasalaris € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 4.832,22\n\n6.33.. Het hof zal de vordering van Bureau 10 tot veroordeling van Konfor Home om terug te betalen wat zij heeft voldaan uit hoofde van het vonnis waarvan beroep toewijzen. De gevorderde wettelijke rente over het terug te betalen bedrag zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest omdat daarvoor geen sprake is van verzuim.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. verklaart Bureau 10 niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 april 2024;\n\n7.2.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2024;\n\n7.3.. wijst de vordering van Konfor Home alsnog af;\n\n7.4.. veroordeelt Konfor Home tot terugbetaling aan Bureau 10 van hetgeen zij uit hoofde van het vonnis van 28 augustus 2024 heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het wijzen van dit arrest tot aan de voldoening;\n\n7.5.. veroordeelt Konfor Home in de kosten van het hoger beroep van € 4.832,22 en in die van de eerste aanleg van € 6.479,00, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als Konfor Home niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet Konfor Home € 98,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;\n\n7.6.. veroordeelt Konfor Home in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;\n\n7.7.. verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\n7.8.. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, P.M. Verbeek en J.N. de Blécourt en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:502","2026-04-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:54.829Z",{"id":168,"ecli":169,"slug":170,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":171,"fullText":172,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":173,"sourceTimestamp":162,"parsedAt":50,"updatedAt":174},"939","ECLI:NL:RBAMS:2026:3209","ecli-nl-rbams-2026-3209","2026-03-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F779334 \u002F HA RK 25-417\n\nBeschikking van 26 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\nadvocaat: mr. S. Boer,\n\ntegen\n\n1. HDI GLOBAL SE,\n\ngevestigd te Hannover (Duitsland), 2. DEKRA CLAIMS,\n\ngevestigd te Capelle aan den IJssel,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: HDI en Dekra en gezamenlijk HDI c.s.\n\nadvocaat: mr. T. Havekes.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift deelgeschil, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 26 november 2025,\n\n- de tussenbeschikking van 23 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 6 februari 2026,\n\n- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 februari 2023 en de daarin vermelde (proces)stukken.\n\nVan hetgeen verder naar voren is gebracht zijn aantekeningen door de griffier gemaakt. Deze zittingsaantekeningen zijn in het procesdossier gevoegd.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 1 oktober 2010 is [verzoekster] (toentertijd acht jaar oud) een zeer ernstig verkeersongeval overkomen. De auto waarin [verzoekster] zich met nog drie kinderen en één volwassene bevond, is van achteren aangereden door een vrachtwagen. Hierdoor is de auto onder de oplegger van een vrachtwagen voor hen geduwd en tussen die twee vrachtauto’s volledig in elkaar gedrukt. Van de vijf inzittenden heeft [verzoekster] dit ongeval als enige overleefd. Zij heeft bij dit ongeval zeer ernstig letsel opgelopen. Zij is direct na het ongeval naar het Radboud UMC afgevoerd, waar onder meer schedel- en aangezichtsfracturen, een hersenkneuzing, een kneuzing aan de rechterlong en een sterk verminderd gezichtsvermogen van het rechteroog is vastgesteld. In de jaren na het ongeval is [verzoekster] intensief en langdurig behandeld voor het letsel.\n\n2.2.. De aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval is erkend door HDI in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar van het ongeval veroorzakende motorrijtuig. Dekra treedt in deze zaak op als Nederlandse vertegenwoordiger van HDI.\n\n2.3.. Inmiddels zijn er diverse medische expertises uitgevoerd waaruit blijkt dat [verzoekster] als gevolg van dit ongeluk blijvende gezondheidsklachten heeft overgehouden, waaronder traumatisch schedel\u002Fhersenletsel, cognitieve klachten en visusklachten. De definitieve omvang van de schade is tot op heden - ruim vijftien jaar na het ongeval - nog niet vastgesteld.\n\n2.4.. Ondanks haar gezondheidsklachten heeft [verzoekster] in 2022 een MBO-(dans)opleiding bij [dansacademie] weten af te ronden. Zij heeft daarna geen betalend werk kunnen verrichten. In 2026 heeft zij een re-integratieprogramma voor jongeren met niet-aangeboren hersenletsel van The Class afgerond.\n\n2.5.. HDI heeft tot op heden een bedrag van € 206.000 aan voorschotten onder algemene titel en € 50.000 als voorschot op het uit te keren smartengeld aan [verzoekster] voldaan.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) HDI te veroordelen tot betaling van een aanvullend voorschot van € 83.295,73 en te veroordelen tot betaling van de kosten van het deelgeschil, te begroten op € 5.965,30, te vermeerderen met het griffierecht.\n\n3.2.. HDI concludeert tot afwijzing van de verzoeken.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.1.. HDI is gevestigd in Hannover, Duitsland. De zaak heeft daarmee een internationaal aspect. Voordat de rechtbank inhoudelijk op het geschil zal ingaan, zal daarom allereerst ambtshalve worden ingegaan worden op de bevoegdheid en het toepasselijk recht.\n\n4.2.. Op grond van artikel 26 van de Brussel I-bis Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 komt bevoegdheid toe aan de rechter van een lidstaat wanneer de verweerder verschijnt zonder de bevoegdheid te betwisten. Nu HDI in deze deelgeschilprocedure is verschenen en de bevoegdheid van de rechtbank niet heeft betwist, is de rechtbank Amsterdam bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.\n\n4.3.. Dit deelgeschil heeft daarnaast betrekking op een verkeersongeval, daardoor is het Haags Verkeersongevallenverdrag 1971 van toepassing. Op grond van artikel 3 van dit verdrag wordt het recht toegepast van het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Nu het ongeval zich in Nederland heeft voorgedaan, is Nederlands recht van toepassing.\n\nInleiding\n\n4.4.. \n [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv, dat het mogelijk maakt om een uitspraak te vragen over een onderdeel van wat partijen verdeeld houdt in een zaak waarin sprake is van schade door dood of letsel (een deelgeschil) en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.\n\n4.5.. In dit geval verschillen partijen – kort samengevat – van mening over de bevoorschottting van [verzoekster] ’s schade vanwege het ongeluk dat haar is overkomen. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzochte inhoudelijk zal beoordelen.\n\nVerzoek ten aanzien van Dekra niet-ontvankelijk\n\n4.6.. Voor zover het verzoek is gericht tegen Dekra, overweegt de rechtbank dat het verzoek strekt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding jegens [verzoekster] . Een dergelijke verplichting kan rusten op de aansprakelijke partij en op grond van artikel 7:954 van het Burgerlijk Wetboek (BW) rechtstreeks op diens aansprakelijkheidsverzekeraar: in dit geval HDI. Dekra is geen van beide, maar treedt slechts op als vertegenwoordiger van de verzekeraar. Nu geen rechtsgrond bestaat voor een aanspraak jegens Dekra en een rechtens te respecteren belang ontbreekt, zal [verzoekster] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek voor zover dit tegen Dekra is gericht.\n\nAanvullend voorschot in deelgeschil procedure\n\n4.7.. Bij de beoordeling van de vraag of HDI een nader voorschot op de schadevergoeding moet betalen, is van belang dat de aard van de deelgeschilprocedure maakt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit betekent dat op basis van de stukken die nu in het dossier zitten, vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoekster] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de voorschotten die HDI heeft betaald (in aanzienlijke mate) overstijgt. In dit verband wordt het volgende overwogen.\n\n4.8.. \n [verzoekster] heeft aan haar verzoek om HDI te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 83.295,73, verschillende schadeposten ten grondslag gelegd, namelijk:\n\nI. schade wegens studievertraging en verlies van verdienvermogen over de periode van 1 september 2022 tot 1 januari 2026;\n\nII. zorgschade tot 13 december 2025;\n\nIII. immateriële schade (smartengeld);\n\nIV. overige schade (vervoerskosten en opname vakantiedagen ouders).\n\n4.9.. Daarbij heeft zij de volgende schadestaat gevoegd:4.10.. De rechtbank stelt voorop dat het causale verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten en beperkingen van [verzoekster] tussen partijen niet ter discussie staat. Ook het door haar opgelopen letsel als zodanig is niet in geschil. De rechtbank kan daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de schade.\n\n4.11.. De rechtbank zal de door [verzoekster] genoemde schadeposten achtereenvolgens beoordelen en vervolgens bezien of en in hoeverre de optelsom van die schadeposten de door HDI reeds betaalde voorschotten in aanzienlijke mate overstijgt. Daarbij zal de rechtbank, in het licht van de aard van de deelgeschilprocedure, zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud vaststellen wat de (minimale, zie hieronder) schade van [verzoekster] tot op heden is, onder aftrek van het reeds door HDI betaalde voorschot van € 256.000.4.12.. Schadeposten die zijn aangeduid met “conform schadestaat d.d. 13 september 2022” op de schadestaat weergegeven onder 4.7 blijven buiten beschouwing van die beoordeling, nu deze al eerder tussen partijen zijn vastgesteld. De rechtbank zal bij de begroting per specifieke post uitgaan van het bedrag dat op dit moment minimaalals schadevergoeding kan worden toegewezen. Eventuele toekomstige nadere onderzoeken (bijvoorbeeld door de arbeidsdeskundige) kunnen aanleiding geven tot een hogere schadevergoeding.\n\nSchade als gevolg van verlies van verdienvermogen\n\nPeriode 1 september 2022 tot 14 december 2023:\n\n4.13.. \n [verzoekster] gaat, blijkens haar schadestaat, voor de periode 1 september 2022 tot 14 december 2023, uit van een verlies van verdienvermogen van € 37.978,32. HDI heeft zich over deze specifieke periode niet inhoudelijk uitgelaten. Zij stelt zich met betrekking tot deze schadepost hoofdzakelijk op het standpunt dat het onderzoek van de arbeidskundige dient te worden afgewacht.\n\n4.14.. In de hypothetische situatie zonder het ongeval stelt [verzoekster] dat zij als danser of choreograaf aan de slag zou zijn gegaan en daarmee € 2.776 bruto of € 2.461,33 netto per maand zou hebben verdiend. Over de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 (15,5 maanden) zou zij daarmee een bedrag van € 37.978,32 netto hebben verdiend.\n\n4.15.. In het kader van de bevoorschotting heeft HDI het startsalaris van een MBO-afgestudeerde volgens de Rekenmatrix opleiding & inkomen, als opgenomen in De Rekenhulp, als uitgangspunt voorgedragen. Zo stelt HDI dat een MBO bruto startsalaris op jaarbasis in 2024 € 35.398 bedraagt. HDI heeft echter nagelaten toe te lichten van van welke bedragen zij op basis van genoemd uitgangspunt voor de jaren 2022 en 2023 uitgaat.\n\n4.16.. Vast staat dat [verzoekster] in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 geen enkel inkomen of voorschot heeft ontvangen, terwijl zij op 1 september 2022 was afgestudeerd en beschikte over een MBO-diploma. In die zin verschilt de situatie van 2024 dus niet met die van (het laatste kwartaal van) 2022 en 2023.\n\n4.17.. De rechtbank ziet daarom voldoende aanleiding om vast te stellen dat [verzoekster] ook in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 in elk geval een MBO startsalaris zou hebben verdiend. Gelet op hetgeen partijen daarover over en weer hebben gesteld en het door HDI opgeven bruto startsalaris over 2024 gecorrigeerd met inflatie, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat [verzoekster] in 2022 een salaris van circa € 31.000 bruto zou hebben verdiend en in 2023 een salaris circa € 33.000 bruto.\n\n4.18.. De (minimale) schadeberekening voor de desbetreffende periode is dan volgt:\n\n2022:\n\nHet bruto jaarsalaris is € 31.000, wat netto (volgens de door [verzoekster] in haar berekeningen gebruikte rekenmodule berekenhet.nl) € 25.930 is. Aangezien [verzoekster] slechts vier maanden gewerkt zou hebben, wordt dit bedrag naar maanden omgerekend en zou zij netto in die vier maanden € 8.643,33 hebben ontvangen.\n\n2023:\n\nHet bruto jaarsalaris is € 33.000, wat netto (ongeveer) € 28.164 is. Aangezien het gaat om de periode tot 14 december 2023, wordt ook dit bedrag omgezet naar het salaris voor de duur van de betreffende periode, te weten 11,5 maanden. In 11,5 maanden zou zij € 26.990,50 hebben verdiend.\n\n4.19.. Het voorgaande brengt met zich dat, afgaand op de stellingen van partijen, ervan uit moet worden gegaan dat [verzoekster] in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 in elk geval een bedrag van € 8.646,67 + € 26.954 = € 35.633,83 zou hebben verdiend.\n\n4.20.. De minimale inkomensschade die op basis van het voorgaande kan worden vastgesteld, betreft het verschil tussen het feitelijke inkomen en het hypothetische inkomen dat [verzoekster] zonder ongeval zou hebben verkregen. Netto schade (verlies van verdienvermogen): € 35.633,83 (hypothetisch) - € 0 (feitelijk) = € 35.633,83. Dit bedrag zal dan ook worden betrokken in de uiteindelijke optelsom.\n\n4.21.. Gezien het feit dat het the Class pas in 2026 is afgerond, wordt dit traject buiten beschouwing gelaten in deze schadeberekening die ziet op verlies van verdienvermogen in de periode 2022 – 2026.\n\n4.22.. De rechtbank merkt tenslotte nogmaals op dat het hier gaat om een minimale, terughoudende benadering die zoveel mogelijk zonder voorbehoud is vastgesteld. Niet is uitgesloten dat [verzoekster] , gelet op haar opleiding en persoonlijke omstandigheden, in de hypothetische situatie een hoger inkomen had kunnen verwerven. Met gebruikelijke loonontwikkeling, carrière-groei of andere inkomensverhogende factoren is in deze berekening geen rekening gehouden. Een arbeidsdeskundige zou tot een hogere hypothetische verdiencapaciteit kunnen komen en daarmee vaststellen dat de schade wegens verlies van verdienvermogen over deze periode hoger is dan in deze beschikking wordt aangenomen.\n\nPeriode 14 december 2023 tot 1 januari 2026:\n\n4.23.. \n [verzoekster] begroot haar schade wegens verlies van verdienvermogen in de periode van 14 december 2023 tot 1 januari 2026 op € 25.765,00.\n\n4.24.. Vast staat dat [verzoekster] in de periode van 14 december 2023 tot 1 januari 2026 geen inkomen uit arbeid heeft ontvangen. In deze periode ontving zij een Wajong-uitkering. Zij ontving in die periode (24,58 maanden) ongeveer € 34.734,49 (netto) aan uitkering.\n\n4.25.. In de hypothetische situatie zonder het ongeval zou [verzoekster] , aansluitend op hetgeen eerder is overwogen, ten minste een MBO-startsalaris hebben verdiend. De rechtbank neemt daarbij als ondergrens de bedragen uit de rekenmatrix van De Rekenhulp voor de jaren 2024 en 2025, zoals voorgesteld door HDI. Dit betreft een bruto jaarinkomen van € 35.398 (netto circa € 30.404) voor 2024 en € 37.734 (netto circa € 32.191) voor 2025.\n\n4.26.. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank het door [verzoekster] begrote bedrag van € 25.765,00 niet onredelijk of te hoog voor, nu dit bedrag lager is dan haar volgens de voorgaande berekening zou toekomen. De rechtbank acht dit bedrag daarom voldoende aannemelijk en zal deze schadepost betrekken in de optelsom.\n\n4.27.. Ook voor deze periode geldt dat is uitgegaan van een minimale en terughoudende benadering. Gebruikelijke loonontwikkeling of een hogere verdiencapaciteit is hierbij niet meegenomen en kan in een later stadium door een deskundige alsnog worden vastgesteld.\n\nZorgschade\n\n4.28.. \n [verzoekster] stelt dat zij als gevolg van het ongeval afhankelijk is geweest van mantelzorg en begeleiding door haar ouders. Zij begroot de schade wegens verleende mantelzorg over de periode van 13 september 2022 tot 13 december 2025 op € 30.420,00. Ter onderbouwing van deze begroting verwijst zij naar een advies van arbeidsdeskundige Van den Hoek van 29 maart 2023, waarin de extra inzet van haar ouders wordt gekwantificeerd op gemiddeld 12 uur per week:\n\n4.29.. \n [verzoekster] berekent deze schade door uit te gaan van 12 uur mantelzorg per week tegen een uurtarief van € 15. Dit leidt volgens haar tot een jaarlijkse schade van € 9.360 (12 uur × € 15 × 52 weken). Over de genoemde periode van circa 3,25 jaar resulteert dit in een totaalbedrag van € 30.420,00.4.30.. HDI heeft aangevoerd dat toekenning van een voorschot op deze schadepost prematuur is en dat het definitieve onderzoek door een arbeidsdeskundige en\u002Fof zorgschadedeskundige dient te worden afgewacht, om op die manier [verzoekster] ’s zorgbehoefte goed in kaart te brengen.4.31.. De rechtbank volgt HDI hierin niet. Voor vergoeding komen in aanmerking de redelijke kosten van verzorging die anders door professionele hulpverleners zou zijn verricht. [verzoekster] heeft in de aanloop naar de zitting een e-mail van 6 februari 2026 van de arbeidsdeskundige Van den Hoek aan de belangenbehartiger van [verzoekster] overgelegd, waarin wordt bevestigd dat de omvang van de onder 4.25 onderbouwde en benodigde mantelzorg in de betreffende periode in ieder geval niet is afgenomen. Daarmee heeft [verzoekster] voldoende aannemelijk gemaakt dat gedurende de periode van 13 september 2022 tot 13 december 2025 structureel mantelzorg door haar ouders is verleend en benodigd was.4.32.. Wel heeft [verzoekster] onvoldoende onderbouwd waarom voor de berekening een uurtarief van € 15 moet worden gehanteerd. In de eerdere schadestaat werd uitgegaan van een uurtarief van € 10 voor de mantelzorguren. Bij gebreke van een nadere onderbouwing op dit moment zal de rechtbank daarom bij de begroting van deze schadepsot in het kader van de bevoorschotting uitgaan van dit lagere tarief. Dit bedrag kan worden beschouwd als een ondergrens; na nader onderzoek kan een hoger tarief gerechtvaardigd blijken.4.33.. Uitgaande van 12 uur mantelzorg per week tegen een uurtarief van € 10 bedraagt de jaarlijkse schade € 6.240 (12 uur × € 10 × 52 weken). Over de periode van 3,25 jaar komt de schade wegens mantelzorg en begeleiding daarmee uit op € 20.280,00.\n\n4.34.. HDI heeft nog aangevoerd dat [verzoekster] in het verleden geen persoonsgebonden budget (PGB) heeft aangevraagd en dat zij dit in het kader van haar schadebeperkingsplicht wel had moeten doen. De rechtbank is van oordeel dat dit [verzoekster] niet kan worden tegengeworpen. HDI heeft niet onderbouwd dat zij destijds zonder meer in aanmerking zou zijn gekomen voor een PGB of dat een dergelijke voorziening de behoefte aan mantelzorg volledig zou hebben weggenomen. Bovendien heeft de verzochte schadevergoeding betrekking op daadwerkelijk verleende zorg, waarvan voldoende aannemelijk is dat deze noodzakelijk was. Ter zitting is besproken dat partijen voor de toekomst zullen onderzoeken in hoeverre sociale voorzieningen (waaronder een PGB en passende huisvesting) beschikbaar zijn en in hoeverre deze van invloed kunnen zijn op de zorgbehoefte en de omvang van de schade. Dat onderzoek is nog gaande. Dit laat onverlet dat voor de hier beoordeelde periode voldoende aannemelijk is dat [verzoekster] afhankelijk was van de aan haar verleende mantelzorg. De toekomstige zorgbehoefte en de eventuele rol van voorzieningen kunnen in een later stadium nader worden vastgesteld.\n\nSmartengeld\n\n4.35.. Ten aanzien van het verzochte voorschot op de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat een benadeelde heeft geleden als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is (artikel 6:106 BW). Bij de begroting daarvan dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Ter bepaling van de omvang van het smartengeld bij hersenletsel wordt aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal.\n\n4.36.. \n [verzoekster] verzoekt een aanvullend voorschot van € 50.000 aan smartengeld, naast het reeds door HDI betaalde bedrag van € 50.000. HDI stelt dat dit reeds uitgekeerde bedrag voor nu toereikend is.\n\n4.37.. Tussen partijen is niet in geschil dat het smartengeld op basis van artikel 6:106 BW moet worden begroot aan de hand van de Rotterdamse Schaal. Wel bestaat verschil van inzicht over de ernst van het hersenletsel van [verzoekster] en de daarbij passende categorie van de Rotterdamse Schaal.\n\n4.38.. \n\nVolgens [verzoekster] valt haar letsel mogelijk onder de categorie ernstig hersenletsel(bandbreedte € 150.000 - € 195.000), maar in ieder geval onder de hoogste categorie vanmiddelzwaar hersenletsel subcategorie I(bandbreedte € 105.000 - € 150.000), waarbij sprake is van “Middelzware tot ernstige cognitieve beperkingen. De benadeelde is niet volledig afhankelijk van anderen, maar heeft wel continue zorg nodig. Beperkingen kunnen een persoonlijkheidsverandering, aantasting van zicht, spraak en zintuigen omvatten. Daarnaast kan sprake zijn van (een aanzienlijk risico op) epilepsie”. HDI gaat echter uit van hoogstensmiddelzwaar hersenletsel subcategorie II(bandbreedte € 62.000 - € 105.000), waarbij sprake is van “Matige tot lichte cognitieve beperkingen. De benadeelde heeft geen continue zorg nodig. Er is enige zelfstandigheid, maar het vermogen om arbeid te verrichten is sterk afgenomen of weggevallen, en er is enig risico op epilepsie”.\n\nDe rechtbank stelt vast dat definitieve rapportages over de zorgbehoefte en het verlies van verdienvermogen nog worden opgesteld en dat deze naar verwachting op korte termijn beschikbaar zullen zijn. Tot een definitieve indeling in een categorie kan daarom op dit moment nog niet worden overgegaan. Naast hersenletsel heeft [verzoekster] door het ongeval echter ook nog als letsel dat zij het zicht aan één oog heeft verloren.\n\n4.39.. Voor de vraag in hoeverre er ruimte is voor nadere bevoorschotting zal de rechtbank aan de hand van de Rotterdamse Schaal beoordelen voor hoeveel smartengeld [verzoekster] op dit moment minimaalin aanmerking zal komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat [verzoekster] , zelfs indien wordt uitgegaan van een indeling in de categoriemiddelzwaar hersenletsel subcategorie II, dus de lagere categorie waarvan HDI uitgaat, ook dan in aanmerking zal komen voor een bedrag dat de € 50.000 (het thans uitgekeerde voorschot op deze schade) ruimschoots zal overstijgen. Hiertoe is het volgende redengevend.\n\n4.40.. Als wordt uitgegaan van deze laagste (sub)categorie dienen volgens de Rotterdamse Schaal diverse concreet benoemde factoren in aanmerking te worden genomen bij het bepalen van de omvang van het smartengeld. Vele van de genoemde factoren spelen in [verzoekster] ’s geval een rol. Voor [verzoekster] is (in schade verhogende zin) in elk geval relevant de jonge leeftijd waarop het ongeval plaatsvond ( [verzoekster] was pas acht jaar), de ernst van het initiële letsel (waaronder een coma, een hersenoperatie, langdurige ziekenhuisopname en revalidatie) en het feit dat [verzoekster] meerdere vervolgoperaties heeft moeten ondergaan en hierdoor ook een schooljaar heeft gemist. Daarnaast is bij [verzoekster] evident sprake van blijvende klachten, waaronder hoofdpijn, concentratie- en vermoeidheidsproblemen, gevoelsstoornissen aan het hoofd, littekens en beperkingen in energieverwerking. Ook zijn er aanwijzingen voor psychische gevolgen en dat eén en ander een ingrijpende weerslag op het sociaal functioneren van [verzoekster] heeft gehad aslook op haar tijdsbesteding en de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of het volgen van een opleiding. Zo staat vast dat [verzoekster] de door haar beoogde loopbaan als danseres niet zal kunnen uitoefenen. Gelet op al deze factoren en omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat het uiteindelijke bedrag aan smartengeld – als al zou blijken dat het hersenletsel van [verzoekster] zich daadwerkelijk in deze lagere subcategorie laat indelen (wat nog uit de te verwachten rapportages moet blijken) – in ieder geval aan de bovenkant van de bandbreedte voor deze subcategorie II moet aansluiten.\n\n4.41.. Daar komt bij dat vast staat dat [verzoekster] als gevolg van het ongeval het zicht aan één oog heeft verloren, hetgeen conform de Rotterdamse Schaal valt in categorie 3.1 Aantasting gezichtsvermogen, sub e ‘volledig verlies van het zicht in één oog’, met een bandbreedte van € 34.000 tot € 37.000 voor het smartengeld. Dit letsel vormt een zelfstandig relevante factor bij de begroting van immateriële schade, die op dit moment nog niet is meegenomen in de schadebegroting. Inmiddels hebben het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK), het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel Hoven (LOVCH) en het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) aanbevelingen vastgesteld die een aanvulling vormen op de Rotterdamse schaal. De aanbevelingen worden per 1 januari 2026 gehanteerd door de Rechtspraak. Aanbeveling 5 is voor deze zaak relevant, nu daarin is opgenomen dat bij letsels die onafhankelijk van elkaar voorkomen (meervoudig letsel) wordt aanbevolen uit te gaan van het zwaarste letsel: dat weegt volledig mee; het in ernst tweede letsel weegt voor 50% mee. De aldus gevonden bedragen dienen te worden opgeteld. Het “derde” of volgende letsel weegt niet op dezelfde manier mee, maar kan als factor worden betrokken bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat, als partijen bij hun schadebegrotingen ook uitgaan van deze aanbevelingen, waar de rechtbank voor nu vanuit gaat, het oogletsel bij de begroting van het smartengeld voor 50% zal moeten worden betrokken en moet worden opgeteld bij het voor het hersenletsel te begroten bedrag.\n\n4.42.. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het door [verzoekster] gestelde totaalbedrag van € 100.000 (bepaald) niet onredelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om een voorschot in het kader van een deelgeschil en dat de definitieve omvang van het smartengeld in een bodemprocedure kan worden vastgesteld. De rechtbank acht zoals hiervoor overwogen voldoende aannemelijk dat het uiteindelijke smartengeld ruimschoots hoger zal zijn dan het reeds betaalde bedrag, zodat het verzochte aanvullende voorschot van € 50.000 niet bovenmatig voorkomt en kan worden betrokken in de uiteindelijke optelsom van de schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nVervoerskosten\n\n4.43.. \n [verzoekster] verzoekt daarnaast een voorschot voor gemaakte reiskosten. Zij begroot deze op € 197,34 over de periode van 13 september 2022 tot 17 oktober 2023 en op € 5.000,00 voor de periode van 17 oktober 2023 tot 1 november 2025. Volgens [verzoekster] zien deze kosten op de gereden kilometers in verband met bezoeken aan haar belangenbehartiger, medische behandelaars, expertises en The Class.4.44.. \n [verzoekster] heeft deze kosten echter onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd. Zo ontbreekt inzicht in het totaal aantal gereden kilometers, de frequentie van de betreffende bezoeken en de wijze waarop de verzochte bedragen zijn berekend. Zonder nadere toelichting of onderliggende stukken kan de rechtbank niet beoordelen of en in hoeverre deze kosten redelijk en daadwerkelijk zijn gemaakt. Het verzochte voorschot voor vervoerskosten zal dus niet worden betrokken bij de optelsom van schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nOpgenomen kosten vakantiedagen en overige kosten\n\n4.45.. Daarnaast verzoekt [verzoekster] een bedrag van € 1.350 ter zake van de opname van vakantiedagen door haar ouders over de periode van 14 september 2022 tot 17 oktober 2023. Deze post is echter onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd. Zo ontbreekt inzicht in het aantal opgenomen dagen, de noodzaak daarvan en de wijze waarop het verzochte bedrag is berekend. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat sprake is van vergoedbare schade. Ook dit bedrag zal dus niet worden betrokken bij de optelsom.\n\nMedische kosten\n\n4.46.. De kosten van het eigen risico over de jaren 2022 en 2023 komen voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hier om bedragen van € 338,02 respectievelijk € 385. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd met overgelegde zorgnota’s en staan in causaal verband met het ongeval. Bovendien heeft HDI deze kosten niet betwist. De rechtbank zal deze posten daarom betrekken in de optelsom van schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nTotaal toe te wijzen voorschot\n\n4.47.. Volgens de schadestaat van 13 september 2022 bedraagt de schade tot die datum € 186.862,05. Deze schade is tussen partijen niet in geschil en bestaat uit de volgende posten:\n\nSchadepost\n\nBedrag\n\nZaakschade\n\n€ 2.582,84\n\nDagvergoeding ziekenhuis e.d.\n\n€ 2.171,00\n\nMedische kosten\n\n€ 360,38\n\nTelefoonkosten\n\n€ 325,07\n\nVerblijfskosten ouders\n\n€ 500,00\n\nVervoerskosten\n\n€ 8.107,41\n\nMantelzorg en begeleiding\n\n€ 91.251,63\n\nOpname vakantiedagen ouders\n\n€ 2.900,00\n\nVerlies van arbeidsvermogen\n\n€ 18.923,72\n\nStudievertraging\n\n€ 5.490,00\n\nOverige schade\n\n€ 4.250,00\n\nImmateriële schade (voorschot)\n\n€ 50.000,00\n\nTotaal\n\n€ 186.862,05\n\n4.48.. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat [verzoekster] na 13 september 2022 nog minstensde volgende schade heeft geleden:\n\nSchadepost\n\nBedrag\n\nVerlies van verdienvermogen (1 sept. 2022 – 14 dec. 2023)\n\n€ 35.633,83\n\nVerlies van verdienvermogen (14 dec. 2023 – 1 jan. 2026)\n\n€ 25.765,00\n\nZorgschade\n\n€ 20.280,00\n\nAanvullend smartengeld\n\n€ 50.000,00\n\nMedische kosten (ER 2022 en ER 2023)\n\n€ 723,02\n\nTotaal\n\n€ 132.401,85\n\n4.49.. De totale schade van [verzoekster] tot en met 2025 bedraagt daarmee minimaal € 319.263,90.4.50.. Op dit bedrag strekt in mindering het reeds door HDI betaalde voorschot van € 256.000,00. Het nog openstaande bedrag aan schade komt daarmee uit op € 63.263,90. Hiermee is voldoende aannemelijk dat de schade van [verzoekster] de door HDI betaalde voorschotten in aanzienlijke mate overstijgt, zoals vereist voor toewijzing van een aanvullend voorschot in deze deelgeschilprocedure. De rechtbank zal daarom een aanvullend voorschot van € 63.263,90 toewijzen.\n\nKosten deelgeschil\n\n4.51.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.52.. \n [verzoekster] heeft verzocht HDI te veroordelen in de kosten van het deelgeschil. [verzoekster] heeft deze kosten begroot op een bedrag van € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met griffierecht. Dit bedrag bestaat uit 17 uur tegen een tarief van € 290 (exclusief btw).\n\n4.53.. HDI heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het aantal uren. Met betrekking tot het uurtarief heeft HDI aangevoerd dat het uurtarief van € 290,00 te hoog is en dat een bedrag van € 245,00 per uur volstaat voor een kwestie als deze.\n\n4.54.. De rechtbank acht het aantal uren gelet op de gemiddelde complexiteit en de omvang van het dossier redelijk. Dat geldt evenzeer voor de hoogte van het uurtarief, gelet op de ervaring en specialisatie van mr. Boer. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 17 uren × € 290,00 exclusief btw, dus op € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00. HDI. zal tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. verklaart [verzoekster] niet ontvankelijk in haar verzoek tot betaling van een voorschot jegens Dekra,\n\n5.2.. bepaalt dat HDI aan [verzoekster] bij voorschot voor haar schade binnen twee weken na heden een bedrag van € 63.263,90 uitkeert;\n\n5.3.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00 en veroordeelt HDI tot betaling daarvan aan [verzoekster] ,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3209","2026-07-13T00:28:55.835Z",{"id":176,"ecli":177,"slug":178,"caseNumber":43,"courtId":179,"decisionDate":180,"fullText":181,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":182,"sourceTimestamp":183,"parsedAt":50,"updatedAt":184},"931","ECLI:NL:RBMNE:2026:1601","ecli-nl-rbmne-2026-1601",71,"2026-03-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F606083 \u002F KL ZA 26-21\n\nVonnis in kort geding van 23 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. H.L.H. Hermans,\n\ntegen\n\nN.V. UNIVÉ SCHADE,\n\nte Assen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Univé,\n\nadvocaat: mr. H. Boone.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 36 producties;\n\n- de conclusie van antwoord met 11 producties; - de mondelinge behandeling van 9 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnotities van [eiser] ; - de pleitnotities van Univé.\n\n1.2. Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n\nOp 18 juli 2024 is [eiser] betrokken geraakt bij een verkeersongeval in Dronten. Univé heeft de aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend. In de periode na het ongeval heeft Univé ongeveer € 14.000,00 aan voorschotten op schadevergoeding uitgekeerd, waaronder\n\n€ 2.000,00 smartengeld. [eiser] vindt dat zijn schade substantieel hoger is dan deze voorschotten. Hij vordert daarom € 30.000,00 als aanvullend voorschot op de schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en de kosten (inclusief nakosten) van deze procedure. Univé betwist dat de schade van [eiser] de voorschotten overstijgt, en meent ook dat de gestelde schade niet het gevolg is van het ongeval. Zij vraagt de voorzieningenrechter daarom de vordering van [eiser] af te wijzen. Univé krijgt grotendeels gelijk.\n\n3. De beoordeling\n\nHet toetsingskader\n\n3.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden is. De voorzieningenrechter moet daarbij niet alleen onderzoeken of het bestaan van een geldvordering van [eiser] op Univé in hoge mate aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. In de te maken belangenafweging moet de voorzieningenrechter ook het eventuele restitutierisico betrekken, mocht de rechter in de bodemprocedure anders beslissen.\n\n3.2. Partijen zijn het er over eens dat Univé aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van zijn ongeval lijdt. Univé is daarom in beginsel gehouden de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval lijdt, te vergoeden. In dit kort geding staat de vraag centraal of Univé een aanvullend voorschot aan [eiser] moet voldoen. Hierbij is van belang om vast te stellen of voldoende aannemelijk is dat het bedrag aan reeds verschenen schade het reeds betaalde voorschotbedrag substantieel overstijgt en of voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure een hoger bedrag aan uiteindelijke schadevergoeding aan [eiser] zal worden toegewezen dan tot nu toe aan voorschotten door Univé is betaald.\n\n [eiser] heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening\n\n3.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat hij, als hij geen aanvullend voorschot ontvangt, verder in de financiële problemen zal komen en daardoor mogelijk zijn huurwoning zal moeten verlaten en medische behandelingen zal moeten staken.\n\nHet standpunt van partijen\n\n3.4. \n [eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] meent dat zijn schade in maart 2026 in totaal € 62.000,00 bedraagt, waardoor hij € 48.000,00 te weinig aan voorschot heeft gekregen. Ten aanzien van de schadepost verlies aan verdienvermogen stelt [eiser] dat hij, als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, per 2 september 2024 aan de slag zou zijn gegaan als [functie] bij zijn broer. Dan zou hij ongeveer 40 uur per week hebben gewerkt en ongeveer € 2.865,00 netto per maand hebben verdiend. [eiser] heeft zijn stelling onderbouwd met een e-mail van zijn broer van 28 juni 2024, dus een aantal weken voor het ongeval, waarin zijn broer dit bevestigt. Verder zou [eiser] in de periode vóór het ongeval niet alleen inkomen uit arbeid hebben gehad maar ook fiscaal niet verantwoorde inkomsten uit kluswerkzaamheden. Tot het verrichten van die kluswerkzaamheden is hij nu niet meer in staat.\n\n3.5. Univé betwist de door [eiser] gevorderde schade en het causaal verband tussen het ongeval en deze schade. Zij meent dat er geen sprake is van beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval. [eiser] had namelijk al last van verschillende medische klachten, waaronder lage rugpijn, schouderklachten en psychische klachten, als gevolg waarvan hij arbeidsongeschikt is geraakt in maart 2023. Ook de schade in het kader van het verlies van verdienvermogen wordt door Univé betwist. Zij wijst op een wat inkomen betreft niet noemenswaardig arbeidsverleden van 2003 t\u002Fm 2022 en voert ook aan dat het niet te verwachten was dat [eiser] per 2 september 2024 daadwerkelijk aan de slag zou zijn gegaan als [functie] omdat i) [eiser] ten tijde van het ongeval in een re-integratietraject zat onder begeleiding van het UWV waarbij nog geen concrete invulling was gegeven aan het voornemen van [eiser] om als [functie] te gaan werken, ii) [eiser] tijdens de huisbezoeken op 24 oktober 2024 en 12 november 2024 heeft aangegeven dat er voor het ongeval nog niets concreets gepland was qua loonvormende werkzaamheden en iii) [eiser] pas op 11 maart 2025 naar voren bracht dat hij bij zijn broer in dienst zou zijn getreden als [functie] .\n\nDe vordering tot betaling van € 30.000,00 wordt afgewezen\n\n3.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze procedure niet gebleken dat de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval lijdt, de betaalde voorschotten substantieel overschrijdt. De vordering tot betaling van aanvullende voorschotten zal dus worden afgewezen. Hiertoe is het volgende redengevend.\n\n3.7. Er bestaat onzekerheid over het verdienvermogen van [eiser] voorafgaand aan het ongeval en over zijn te verwachten verdienvermogen als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Voorafgaand aan het ongeval was sprake van een weinig constant arbeidsverleden. De laatste arbeidsverhouding van [eiser] was meer dan een half jaar voor het ongeval beëindigd en heeft ongeveer 6 maanden geduurd. [eiser] heeft nog aangevoerd dat hij ook niet-fiscaal verantwoorde kluswerkzaamheden heeft verricht en daarmee ongeveer € 2.500,00 bruto per maand verdiende. De voorzieningenrechter gaat aan deze stelling voorbij, nu onvoldoende onderbouwd is dat [eiser] deze inkomsten daadwerkelijk ontving. De enkele foto’s van [eiser] ’s gereedschap en gestelde klussen zijn daartoe onvoldoende.\n\n3.8. Ook het te verwachten verdienvermogen zonder ongeval kan momenteel niet voldoende worden vastgesteld. Weliswaar heeft [eiser] een mail overgelegd waarin zijn broer een concreet salaris voorstelt voor werkzaamheden als [functie] , maar dit is onvoldoende om ervan uit te gaan dat [eiser] deze werkzaamheden daadwerkelijk en duurzaam kon uitvoeren. Uit de verslagen van de huisbezoeken blijkt dat [eiser] op 24 oktober 2024 en 12 november 2024 heeft aangegeven dat hij overwoog als [functie] te werken, maar hij heeft daarbij niet de concrete plannen verteld die uit het mailbericht van zijn broer van 28 juni 2024 blijken. In de documentatie over de re-integratiebegeleiding door het UWV wordt wel vermeld dat [eiser] eventueel als [functie] wilde werken, maar over deze wens wordt niets geconcretiseerd vermeld waaruit zou kunnen blijken dat hij die werkzaamheden daadwerkelijk kon gaan doen. Daarom kan de voorzieningenrechter op dit moment niet vaststellen dat het de redelijke verwachting was dat [eiser] per 2 september 2024 aan het werk zou gaan als [functie] , voor het door hem gestelde aantal uren per week en gestelde salaris.\n\n3.9. Alhoewel volgens de voorzieningenrechter geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door [eiser] ervaren klachten, is op dit moment niet voldoende aannemelijk dat deze klachten, uitsluitend, zijn te herleiden tot het ongeval. In het kader van het re-integratietraject is vóór het ongeval op 11 juni 2024 en ná het ongeval op 14 februari 2025 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld door het UWV. Hieruit blijkt dat er sprake was van (aanzienlijke) pre-existente klachten, en dat de beperkingen na het ongeval zijn toegenomen. Dit roept de vraag op welke beperkingen het gevolg zijn het ongeval en welke al voor het ongeval bestonden. Ook deze vraag behoeft beantwoording voordat een reële analyse te maken valt van het verlies aan verdienvermogen als gevolg van het ongeval.\n\n3.10. Concluderend heeft de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende informatie om vast te stellen dat de schade van [eiser] hetgeen aan voorschotten is betaald overschrijdt substantieel overschrijdt.\n\nBelangenafweging\n\n3.11. Een belangenafweging maakt dit oordeel niet anders. De voorzieningenrechter begrijpt dat de belangen aan de zijde van [eiser] groot zijn. Hij verkeert in een financieel penibele situatie en dit heeft ongetwijfeld een negatieve invloed op zijn welbevinden. Aan de andere kant speelt het restitutierisico ook een rol. Als Univé op basis van een voorlopige voorziening een aanvullend voorschot zou moeten betalen, dan is de kans aanzienlijk dat [eiser] dit bedrag niet meer kan terugbetalen mocht later anders geoordeeld worden in een bodemprocedure.\n\nMedisch onderzoek en verantwoordelijkheid Univé\n\n3.12. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Om te beoordelen welke klachten het gevolg zijn van het ongeval en welke klachten reeds voor het ongeval bestonden, is nader medisch onderzoek nodig. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat partijen het hierover eens zijn. Van Univé mag verwacht worden dat zij hier een initiatief toe neemt en daar voortvarend werk van maakt, om te voorkomen dat de afwikkeling van de schade lang duurt en zoals thans het geval lijkt helemaal stil komt te liggen. Univé kan zich - anders dan zij doet - niet beroepen op het ontbreken van onafhankelijk deskundigenonderzoek omdat het vanwege de door haar erkende aansprakelijkheid ook aan haar is om dat de faciliteren. Hoewel zij heeft aangevoerd dat zij nog medische informatie mist, lijkt dat op het eerste gezicht slechts in beperkte mate het geval te zijn. En voor zover zij meent onvoldoende informatie van [eiser] te hebben, is het aan haar om hem daar duidelijk om te verzoeken. Het is niet gebleken dat zij dat heeft gedaan. Tegelijkertijd is niet gebleken dat Univé [eiser] volledig heeft geïnformeerd over de door haar ingewonnen medische adviezen. Univé heeft niet bestreden dat Rhamouni pas in het kader van dit kort geding op de hoogte is geraakt van het medisch advies van 17 oktober 2025. Uit het dossier blijkt dat de manier waarop [eiser] en zijn medisch adviseur zich in deze zaak opstellen constructief is en dat hij zich inspant om Univé in voldoende mate te informeren. Aldus bezien meent de voorzieningenrechter dat de lange duur van de afwikkeling van deze letselschadezaak en de gevolgen die dat voor Rhamouni heeft, in overwegende mate ook te wijten zijn aan Univé.\n\nDe proceskosten\n\n3.13. Hoewel [eiser] in het ongelijk wordt gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd vanwege hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen over de verantwoordelijkheid van Univé voor de afwikkeling van deze letselschadezaak.\n\n4. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n4.1. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n4.2. compenseert de proceskosten zodat [eiser] en Univé de eigen kosten dragen,\n\n4.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.\n\n5827","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1601","2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.306Z",{"id":186,"ecli":187,"slug":188,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":189,"fullText":190,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":191,"sourceTimestamp":192,"parsedAt":50,"updatedAt":193},"938","ECLI:NL:RBAMS:2026:2728","ecli-nl-rbams-2026-2728","2026-03-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11741262 \\ CV EXPL 25-8123\n\nVonnis van 19 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nVAARDIGE ADVOCATEN B.V.,\n\ngevestigd te Haarlem,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Vaardige Advocaten,\n\ngemachtigde: mr. K.G.O. Afriyieh,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde [naam gemachtigde] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis in het vrijwaringsincident van 11 september 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald, met de daarin vermelde stukken;\n\n- de brief van 9 oktober 2025 van de zijde van [gedaagde] waarin zij te kennen geeft dat de vrijwaringszaak is ingetrokken;\n\n- productie 6 van de zijde van Vaardige Advocaten;\n\n- producties 1 tot en met 3 van de zijde van [gedaagde] .\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft op 9 februari 2026 plaatsgevonden. Namens Vaardige Advocaten is de gemachtigde verschenen. [gedaagde] is eveneens met haar gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. [naam gemachtigde] heeft spreekaantekeningen en stukken overgelegd die aan het dossier zijn toegevoegd. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] had in 2024 een huurgeschil waarvoor zij juridische bijstand zocht. Zij is voor rechtsbijstand verzekerd bij ARAG. ARAG heeft vervolgens op verzoek zich tot Vaardige Advocaten gewend.\n\n2.2.. Mr. K. Afriyieh (hierna: Afriyieh) van Vaardige Advocaten heeft op 25 oktober 2024 een e-mail gestuurd aan ARAG waarbij [gedaagde] in de CC is meegenomen. In deze e-mail staat, voor zover relevant, het volgende:\n\n“(…)\n\n Omwille van de tijd stel ik het volgende voor.\n\n het uurtarief i d€250 te vermeerderen met btw;\n\n € 5.000 te vermeerderen met btw als fixed price voor uw verzekerde;\n\n als er meer dan 35 uur nodig blijkt te zijn, dan ben ik genoodzaakt dat in rekening te brengen tegen een verlaagd uurtarief van € 198 te vermeerderen met btw;\n\n dit betekent dat uw verzekerde zelf dan de extra uren, meer dan 35, op basis van het verlaagde uurtarief moet voldoen, dit geldt onverkort voor mogelijke proceskostenveroordeling, mocht de vordering van de wederpartij wel worden toegewezen;\n\n(…)”\n\n2.3.. Bij e-mail van 29 oktober 2024 heeft ARAG aan mr. Afriyieh te kennen gegeven dat het uurtarief van € 302,50 inclusief btw akkoord is, maar dat zij niet akkoord gaat met de fixed fee van € 5.000,- omdat het limiet van verzekerde niet toereikend is. ARAG stelt voor de facturen van Vaardige Advocaten maandelijks achteraf te vergoeden op basis van de redelijke en gebruikelijke kosten van de facturen en urenspecificaties.\n\n2.4.. Op 30 oktober 2024 hebben partijen een overeenkomst van opdracht gesloten. Hierin staat, voor zover relevant, het volgende:\n\n“(…)\n\nMet ARAG heb ik afspraken gemaakt over mijn honorarium, zodat in deze zaak in principe niet aan u zal worden gefactureerd, zie de mails van 30 oktober 2024, waarbij u in de CC bent meegenomen, tenzij kosten niet verzekerd zijn of uw budget niet toereikend zijn.(…) Het is echter afhankelijk van de toepasselijke polisvoorwaarden van uw verzekering welke kosten ARAG Rechtsbijstand vergoedt en welke voor uw eigen rekening en risico komen. U bent derhalve zelf aansprakelijk voor kosten die niet onder de dekking vallen dan wel de kosten die het kostenlimiet van uw dekking overschrijden.(…)”\n\n2.5.. ARAG heeft op 11 december 2024 aan Vaardige Advocaten, met [gedaagde] in de CC, een e-mail gestuurd. In deze e-mail staat dat na betaling van de laatste factuur de resterende limiet € 1.523,- all-in is.\n\n2.6.. Bij brief van 17 maart 2025 heeft Vaardige Advocaten aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 2.904,-. ARAG heeft een deel van deze factuur betaald. Het resterende bedrag van € 1.381,- heeft [gedaagde] niet betaald.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Vaardige Advocaten vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. voor recht verklaart dat [gedaagde] is tekortgekomen in het nakomen van de overeenkomst;\n\nII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.381,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nIII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.\n\n3.2.. Vaardige Advocaten stelt zich op het standpunt dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht is gesloten en dat Vaardige Advocaten de werkzaamheden conform deze overeenkomst heeft verricht. Verder hebben partijen afgesproken dat mocht het budget van ARAG worden overschreden, het resterende bedrag voor rekening van [gedaagde] komt. Gelet hierop is [gedaagde] gehouden het openstaande (restant)bedrag te betalen, aldus steeds Vaardige Advocaten.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer. Volgens haar is zij niet door Vaardige Advocaten geïnformeerd dat het budget van ARAG op enig moment ontoereikend was. Als gevolg hiervan heeft [gedaagde] niet de mogelijkheid gekregen Vaardige Advocaten te onttrekken op het moment dat kosten niet voor haar rekening zouden komen. Bovendien is haar toegezegd dat Vaardige Advocaten niet aan haar zou declareren. Tot slot heeft [gedaagde] vraagtekens gesteld bij het bedrag dat wordt gedeclareerd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing\n\n4.1.. De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93\u002F13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).\n\n4.2.. De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Ambtshalve toetsing van die bedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk (transparant) zijn geformuleerd.\n\n4.3.. Vaardige Advocaten stelt zich op het standpunt dat in de e-mail van 25 oktober 2024 een duidelijke inschatting wordt gemaakt van de te verwachten kosten voor de juridische bijstand en dat [gedaagde] wist dat zij het bedrag dat niet door ARAG zou worden vergoed, zelf zou moeten betalen. De kantonrechter volgt Vaardige Advocaten echter niet in haar standpunt en overweegt daartoe het volgende.\n\n4.4.. Los van de omstandigheid dat er onduidelijkheid bestaat omdat in de overeenkomst wordt verwezen naar andere e-mails (namelijk e-mails van 30 oktober 2024) dan de e-mail van 25 oktober 2024 waarop Vaardige Advocaten zich baseert, is deze e-mail van 25 oktober 2024 op zichzelf niet duidelijk over wat [gedaagde] zelf voor de juridische bijstand door Vaardige Advocaten zou moeten betalen. Hoewel Vaardige Advocaten voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst geen exact totaalbedrag hoeft te geven, dient zij wel een inschatting te geven van het aantal uren of bedrag dat zij verwacht in rekening te brengen. Anders dan Vaardige Advocaten stelt, volgt uit deze e-mail niet ondubbelzinnig dat daarin een schatting wordt gemaakt dat het aantal uren 35 uur zal bedragen. Dit urenaantal wordt weliswaar in de e-mail genoemd, maar daaraan wordt toegevoegd dat als meer dan 35 uur nodig blijkt te zijn, [gedaagde] is gehouden deze extra uren te voldoen. Van deze extra uren heeft Vaardige Advocaten geen inschatting gegeven. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat bij [gedaagde] veel meer uren in rekening worden gebracht dan zij kon verwachten. Gelet hierop heeft [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst er geen rekening mee kunnen houden dat zij het bedrag zoals gevorderd zelf zou moeten betalen. Dit betekent dat het prijsbeding onvoldoende transparant is en daarom op eerlijkheid moet worden getoetst.\n\n4.5.. De omstandigheid dat een prijsbeding niet transparant is, betekent niet direct dat het beding ook oneerlijk is. Het is echter wel een (belangrijk) element binnen die toets. Het gaat om de vraag of het beding, in strijd met de goede trouwe, het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.\n\n4.6.. Door geen inschatting te maken van het aantal uur dat bij [gedaagde] in rekening zou (kunnen) worden gebracht, heeft Vaardige Advocaten geen inzicht gegeven in de financiële verplichting die [gedaagde] aanging. Bovendien is [gedaagde] hierdoor de mogelijkheid onthouden hierop enige controle uit te voeren. [gedaagde] zal als gemiddelde consument zelf weinig idee hebben van de werkzaamheden die moeten worden verricht ter uitvoering van de opdracht en hoeveel tijd daarmee normaliter gemoeid zou zijn. Vaardige Advocaten heeft daar als handelaar en professional juist wel zicht op en had die uitleg en het aantal uren dat zij waarschijnlijk bezig was aan [gedaagde] moeten verstrekken. Verder verplicht Vaardige Advocaten zich door vooraf een inschatting te geven rekening en verantwoording aan [gedaagde] af te leggen. Zonder deze inschatting creëert Vaardige Advocaten in wezen de mogelijkheid onbeperkt uren te declareren en kosten in rekening te brengen. De hoogte van het gehanteerde uurtarief en het aantal uren dat uiteindelijk is gedeclareerd, speelt bij de beoordeling of het beding eerlijk is, geen rol. Evenmin is voor de beoordeling relevant dat – zoals Vaardige Advocaten heeft gesteld – ARAG op een gegeven moment aan [gedaagde] een e-mail heeft gestuurd (zie hiervoor onder 2.5.) hoeveel haar budget nog was. Het gaat immers om wat partijen hebben afgesproken bij het aangaan van de overeenkomst. Het voorgaande leidt ertoe dat het beding oneerlijk wordt bevonden.\n\n4.7.. Gelet op artikel 6 lid 1 van de richtlijn betekent het voorgaande dat [gedaagde] niet aan het kostenbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of [gedaagde] hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in haar belangen wordt geschaad. In dat geval zou de kantonrechter de overeenkomst moeten aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).\n\n4.8.. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Een eventuele vordering van Vaardige Advocaten die is gebaseerd op een andere grond dan de overeenkomst, zoals bijvoorbeeld ongerechtvaardigde verrijking, is immers niet redelijk omdat Vaardige Advocaten gebruik maakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft [gedaagde] die waarde voordat zij de overeenkomst aanging, niet juist kunnen inschatten. Bovendien kan niet worden aanvaard dat een partij economisch voordeelt haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor nadelen die door dergelijk gedrag wordt veroorzaakt ECLI:EU:C:2023:478, punt 81). Tot slot zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer Vaardige Advocaten alsnog een vergoeding voor haar diensten zou kunnen krijgen, terwijl zij in haar overeenkomst een oneerlijk prijsbeding hanteert.\n\n4.9.. Dit betekent dat een eventueel in de toekomst te stellen vordering door Vaardige Advocaten op een andere grond dan de overeenkomst niet zal slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt [gedaagde] dan ook niet in een zodanige onzekere situatie dat dit uiterst nadelig voor haar is. Aanvulling van de overeenkomst is dan ook niet nodig.\n\n4.10.. Nu de overeenkomst komt te vervallen, is er voor [gedaagde] geen betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Gelet hierop zal de vordering worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.11.. Vaardige Advocaten is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Nu de gemachtigde van [gedaagde] geen professioneel gemachtigde is, worden alleen verletkosten toegewezen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- verletkosten\n\n€\n\n50,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n21,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n71,50\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Vaardige Advocaten af,\n\n5.2.. veroordeelt Vaardige Advocaten in de proceskosten van € 71,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Vaardige Advocaten niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.\n\n598","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2728","2026-03-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.770Z",{"id":195,"ecli":196,"slug":197,"caseNumber":43,"courtId":90,"decisionDate":198,"fullText":199,"summary":43,"language":46,"source":47,"sourceUrl":200,"sourceTimestamp":201,"parsedAt":50,"updatedAt":202},"932","ECLI:NL:RBMNE:2026:1236","ecli-nl-rbmne-2026-1236","2026-03-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F598299 \u002F HA ZA 25-418\n\nVonnis van 18 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres] B.V. T.H.O.D.N. [handelsnaam],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\nadvocaat: mr. A.C. van Schaick,\n\ntegen\n\nASR SCHADEVERZEKERING N.V.,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: ASR ,\n\nadvocaat: mr. Chr.H. van Dijk.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de incidentele conclusie tot het treffen van een voorlopige voorziening van [eiseres]\n\n- de mondelinge behandeling van 19 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [eiseres] staat particulieren bij die letselschade hebben geleden. In een aantal letselschadezaken die [eiseres] behandelt, is ASR de verzekeraar van de partij die aansprakelijk is voor de schade van de cliënt van [eiseres] . ASR weigert [eiseres] nog langer als belangenbehartiger en heeft [eiseres] geregistreerd in verschillende (fraude)registers. De rechtbank oordeelt dat ASR [eiseres] als belangenbehartiger mocht weigeren en [eiseres] mocht registreren in de registers. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.\n\n3. Achtergrond van de zaak\n\n3.1.. Per brief van 24 juni 2025 heeft ASR aan [eiseres] medegedeeld dat zij [eiseres] niet langer als belangenbehartiger zal accepteren. Daarbij heeft ASR ook gemeld dat zij voornemens is om [eiseres] intern en extern te registreren. ASR heeft haar weigering tot verdere samenwerking gebaseerd op de handelwijze van [eiseres] in het algemeen, maar in het bijzonder op de behandeling van het dossier van de heer [A] (hierna: [A] ).\n\n3.2.. De zaak [A] ging kort gezegd om het volgende. [A] heeft op 22 november 2016 een verkeersongeval gehad, waarvoor ASR op 10 januari 2017 aansprakelijkheid heeft erkend. Voor de schadeafwikkeling heeft [A] zich eerst laten bijstaan door ARAG. Op 19 november 2020 heeft [A] [eiseres] benaderd met het verzoek de belangenbehartiging over te nemen. Uiteindelijk is in februari 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan ASR totaal € 152.500,- aan schadevergoeding aan [A] heeft betaald en daarnaast € 21.216,- aan buitengerechtelijke kosten aan [eiseres] .\n\n3.3.. Op 18 maart 2025 neemt [A] zelf contact op met ASR met klachten over [eiseres] . ASR constateert vervolgens - naar eigen zeggen - onoorbare praktijken in de werkwijze van [eiseres] . Volgens ASR gaat het onder meer om misleiding rondom de overeenkomst van opdracht met [A] en de wijze van declareren en communiceren daarover. Zo wordt er een succesfee gehanteerd, die niet aan ASR is gemeld. In de brief van 24 juni 2025 aan [eiseres] bespreekt ASR deze zaken uitgebreid en wijst er daarbij op dat uit eerdere uitspraken blijkt dat [eiseres] vaker zo heeft gehandeld.\n\n3.4.. Namens [eiseres] wordt op 1 juli 2025 gereageerd richting ASR. [eiseres] stelt dat er geen sprake is van onoorbare praktijken. Daarbij wordt onder andere betoogd dat het hanteren van een succesfee richting een cliënt is toegestaan en dat een verzekeraar daar buiten staat. Er bestaat volgens [eiseres] geen reden om hem te weigeren als belangenbehartiger en hem te registreren in (fraude)registers.\n\n3.5.. Per brief van 29 juli 2025 heeft ASR gereageerd richting [eiseres] . ASR licht toe bij haar standpunt te blijven en dus [eiseres] niet meer te accepteren als belangenbehartiger en over te gaan tot de interne en externe registraties en een melding bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (hierna: CBV). Ook meldt ASR dat zij [eiseres] in de gelegenheid stelt dit zelf aan zijn cliënten mede te delen en als dit niet binnen vier weken gebeurt, ASR hen zelf direct zal aanschrijven. Hierbij geeft ASR ook aan de dossiers te blijven monitoren en contact te houden met de cliënten om de voortgang in de afwikkeling van de zaken te bewaken.\n\n3.6.. \n [eiseres] is vervolgens deze procedure gestart. [eiseres] vordert - samengevat - een gebod dat ASR [eiseres] blijft aanvaarden als belangenbehartiger en de registraties ongedaan maakt, een verbod voor ASR om aan derden onjuiste mededelingen te doen over [eiseres] en een veroordeling van ASR tot vergoeding van schade en proceskosten.\n\n4. De beoordeling\n\nin het incident en de hoofdzaak\n\n4.1.. De door [eiseres] ingestelde incidentele vorderingen en de vorderingen in hoofdzaak zijn vrijwel hetzelfde. Daarom zal de rechtbank deze vorderingen hierna gezamenlijk behandelen.\n\nASR mocht [eiseres] als belangenbehartiger weigeren\n\nJuridisch kader: (wanneer) mag een verzekeraar een belangenbehartiger weigeren?\n\n4.2.. In de kern gaat deze procedure over de vraag of een verzekeraar verplicht is om de schade van een benadeelde te regelen met de door de benadeelde gekozen belangenbehartiger. In het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2024is in een deels vergelijkbare zaak geoordeeld dat een verzekeraar onder bepaalde omstandigheden een belangenbehartiger mag weigeren. Daar moeten ‘goede redenen’ voor zijn, die het gerechtshof nader heeft geconcretiseerd.\n\n4.3.. Hierbij zijn twee uitgangspunten in ogenschouw genomen. Ten eerste dat het een benadeelde vrijstaat om de belangenbehartiger te kiezen die zij wil.Het is in beginsel niet aan de verzekeraar, of een ander, om eisen te stellen aan of beperkingen op te leggen aan de door de benadeelde te kiezen belangenbehartiger. Daarbij geldt wel dat als tussen de benadeelde en de belangenbehartiger een overeenkomst van opdracht wordt gesloten, wat meestal het geval is, de belangenbehartiger de zorg van een goed opdrachtnemer in acht zal moeten nemen.\n\n4.4.. Het tweede, ook door het gerechtshof geformuleerde, uitgangspunt is dat een verzekeraar het recht heeft om te bepalen met welke belangenbehartigers zij ‘zaken wil doen’.Ook hierbij gelden kanttekeningen. De verzekeraar moet er, overeenkomstig de Gedragscode Behandeling Letselschade, voor zorgen dat de schaderegeling vlot en in harmonie met de benadeelde verloopt. Het weigeren van een door de benadeelde voorgestelde belangenbehartiger kan tot vertraging van het schaderegelingsproces en tot verstoring van de verhoudingen leiden. Bovendien kan het recht van een verzekeraar om ‘geen zaken te doen’ met bepaalde belangenbehartigers ertoe leiden dat verzekeraars belangenbehartigers weigeren die hun werk juist goed doen en voldoen aan de vereisten van goed opdrachtnemerschap met als (eigenlijk) motief dat deze belangenbehartigers meer dan gemiddelde resultaten voor hun cliënten behalen en daardoor een hogere schadelast bij de verzekeraars veroorzaken. [eiseres] heeft in deze procedure ook op dat gevaar gewezen.\n\n4.5.. \n\nDeze twee uitgangspunten zijn niet zonder meer met elkaar te verenigen. Het antwoord op de vraag of een belangenbehartiger mag worden geweigerd is dan ook niet eenduidig en zal in een concreet geval afhankelijk zijn van de afweging van een aantal in dat geval relevante feiten, omstandigheden en belangen. Van goede redenen zal, zo heeft het gerechtshof geformuleerd, met name sprake zijn als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde vanwege de belangenbehartiger niet goed zal verlopen of onnodige vertraging zal oplopen, omdat de belangenbehartiger er blijk van heeft gegeven:\n\n- niet (voldoende) betrouwbaar te zijn, bijvoorbeeld door onjuiste informatie te verstrekken, en\u002Fof - klaarblijkelijk niet te beschikken over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces, en\u002Fof - onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening te brengen.4.6.. De verzekeraar mag bij haar beslissing om een belangenbehartiger te weigeren ook betekenis toekennen aan het feit dat de belangenbehartiger ‘ongebonden’ is. Verzekeraars kunnen niet aan brancheorganisatie en kwaliteitskeurmerken verbonden belangenbehartigers niet aanspreken op in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen of een klacht tegen hen indienen indien zij niet aan die normen voldoen.\n\nDe redenen waarom ASR de samenwerking met [eiseres] mocht beëindigen\n\n4.7.. Zoals gezegd heeft ASR haar weigering tot verdere samenwerking gebaseerd op de handelwijze van [eiseres] in het algemeen en in het bijzonder op de behandeling van het dossier van [A] . Nadat [A] bij ASR klachten heeft geuit, blijkt na onderzoek door ASR onder andere het volgende.\n\nTwee versies overeenkomst van opdracht4.8.. \n [eiseres] stelt niet één, maar twee overeenkomsten van opdracht op: één waar een door [A] verschuldigde succesfee van 25% plus btw van het behaalde resultaat in wordt bedongen en één waar dit beding niet in wordt genoemd. In beide overeenkomsten staat ook dat buitengerechtelijke kosten rechtstreeks aan de wederpartij (ASR) worden gedeclareerd. De versie zonder succesfee-beding heeft [eiseres] aan ASR gestuurd ter bevestiging van de opdracht. Van deze e-mail krijgt [A] geen cc. Van de e-mail aan ARAG waarin [eiseres] meldt dat hij de behandeling overneemt krijgt [A] wel een cc.\n\n4.9.. \n [A] geeft in een schriftelijke verklaringaan dat hij niet wist dat er een verschil zat tussen de beide overeenkomsten. De rechtbank heeft geen reden om aan die verklaring te twijfelen. Normaal gesproken bestaat er immers maar één overeenkomst van opdracht. Bovendien is de wijze van communiceren hierover door [eiseres] opvallend. [eiseres] licht in zijn e-mail aan [A] waarin hij vraagt ‘de beide overeenkomsten’ te tekenen en retourneren niks toe. Wel staat onder de beide overeenkomsten:“Aldus in tweevoud opgemaakt en ondertekend”, wat nog eens extra de indruk wekt dat de overeenkomsten hetzelfde zijn.\n\nCommunicatie rondom declareren4.10.. \n [A] verklaart ook niet op de hoogte te zijn van het feit dat [eiseres] , naast van [A] zelf, direct van ASR vergoedingen kreeg (de buitengerechtelijke kosten). Ook dit neemt de rechtbank aan gelet op overige feiten in het dossier. Weliswaar staat daar wel een bepaling over in de overeenkomst opgenomen, maar die is voor een leek niet aanstonds duidelijk. Dat de overeenkomst aan duidelijkheid te wensen overlaat blijkt overigens ook uit de rechtspraak over geschillen over die(zelfde) overeenkomst tussen [eiseres] en voormalig cliënten, waar ASR naar heeft verwezen. Daarbij komt dat [eiseres] [A] steevast buiten de correspondentie houdt over de buitengerechtelijke kosten. [A] ontvangt van de berichten daarover aan ASR (bewust) geen cc. Als [eiseres] een regelingsvoorstel van ASR aan [A] doorstuurt, schrijft hij daarbij: “Het hoofdstuk BGK is niet voor u van toepassing”. [A] krijgt gedurende het schaderegelingstraject rekeningen van [eiseres] waarbij hem de 25% succesfee over de tot dan door ASR betaalde vergoedingen in rekeningen worden gebracht. Van deze betalingen door [A] weet ASR niks. Andersom weet [A] niks van de betalingen door ASR aan [eiseres] . Niet dat er betaald wordt en niets over de hoogte.\n\nMisleidend4.11.. Deze handelwijze van [eiseres] kan niet door de beugel en is misleidend. Nog los van de vraag of dubbel declareren zoals hier gebeurt – met een succesfee én vergoeding van buitengerechtelijke kosten – in een zaak als deze geoorloofd is, is dat in ieder geval niet geoorloofd wanneer daarbij op bovengenoemde wijze wordt gehandeld. Door:\n\nde manier van communiceren over kosten en vergoedingen, waarbij berichten óf alleen aan ASR óf alleen aan [A] worden gestuurd en met toevoegingen als ‘is niet voor u van toepassing’, waardoor vergoedingen buiten het zicht van [A] en ASR worden gehouden,\n\nhet gebrek aan duidelijke communicatie over de beloningsstructuur en de gevolgen daarvan richting [A] ,\n\nen bovenal het hanteren van twee versies van de overeenkomst van opdracht, waarbij ASR er slechts één krijgt en richting ASR wordt gedaan alsof dat dé overeenkomst is en [A] in de waan wordt gelaten dat er slechts één bestaat,\n\nkan deze werkwijze van [eiseres] slechts bedoeld zijn om de realiteit over de door hem ontvangen (buitengerechtelijke) vergoedingen te verhullen, daarover van de betrokken cliënt en betrokken verzekeraar geen lastige vragen te krijgen, en daarmee slechts het oogmerk hebben te misleiden en zo hogere vergoedingen op te strijken.\n\n4.12.. Hierbij is van belang dat [eiseres] weet hoe over dubbel declareren wordt gedacht binnen de letselschadebranche. Weliswaar heeft [eiseres] zich nergens aan gebonden (branchorganisatie, keurmerk), maar de binnen de branche gemaakte afspraken geven anders dan [eiseres] betoogt wel de gangbare praktijk en opvattingen weer. Zo staat in de Gedragscode Behandeling Letselschade (waar vele verzekeraars en belangenbehartigers bij zijn aangesloten) dat dubbel declareren onethisch en onaanvaardbaar is. Dat is [eiseres] bekend. [eiseres] weet dus in ieder geval dat deze informatie relevant is en van invloed kan zijn op vergoedingen.\n\n4.13.. Deze informatie is ook van belang om de volgende reden. Artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ook redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (sub b) en redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (sub c) onder vermogensschade vallen. De aansprakelijke verzekeraar moet in een letselschadezaak die redelijke kosten betalen aan de benadeelde (of zijn belangenbehartiger). De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder ongeval zou hebben verkeerd. Deze regel legt een bijzondere maatschappelijke verantwoordelijkheid op de schouders van verzekeraars, namelijk tot het enerzijds faciliteren van buitengerechtelijke afwikkeling en anderzijds het binnen de perken houden van de kosten daarvan.In het verlengde hiervan geldt dat de verzekeraar de redelijkheid van die kosten moet kunnen inschatten en daarin dus ook een maatschappelijke taak heeft. Dat kan niet als betrokkenen niet transparant zijn over de financiële afspraken of erger: de werkelijke afspraken bewust buiten het zicht houden.\n\n4.14.. Het voorgaande betekent ook dat, anders dan [eiseres] stelt, de (werkelijke) financiële afspraken tussen [eiseres] en [A] , ASR wel degelijk aangaan en ASR daar niet ‘volledig buiten staat’.4.15.. Het gevolg van de misleidende handelwijze van [eiseres] is dat [A] 25% (plus nog btw) van zijn schadevergoeding van € 152.500 heeft moeten afstaan aan [eiseres] . Dit terwijl 1) die schadevergoeding juist bedoeld is om hem in de vermogenspositie te brengen waarin hij zonder het ongeval zou hebben verkeerd en de hoogte daarop is afgestemd en 2) [eiseres] daarnaast de volledige redelijke buitengerechtelijke kosten van € 21.216,- krijgt van ASR.\n\n4.16.. De stelling van [eiseres] dat er bij het dossier van [A] bepaalde extra kostenrisico’s waren waardoor een succesfee gerechtvaardigd was, is niet relevant. Het gaat er primair om dat [eiseres] daar niet transparant over is geweest en door zijn handelwijze [A] en ASR heeft misleid. Daar komt bij dat ASR aansprakelijkheid al had erkend en [eiseres] , zo begrijpt de rechtbank uit de stukken, de succesfee al had bedongen zonder het dossier in bezit te hebben en te hebben bestudeerd. Afgevraagd kan daarom worden of er daadwerkelijk concrete risico’s waren die aanleiding gaven voor de succesfee.\n\n4.17.. De rechtbank heeft oog voor de stellingen van [eiseres] over de macht die een verzekeraar kan hebben rondom het weigeren van een belangenbehartiger en rondom redelijke kostenvergoedingen, juist als die belangenbehartiger bovengemiddelde resultaten behaalt voor zijn cliënten (zoals [eiseres] stelt de doen, ook in deze zaak) en daardoor een hogere schadelast bij de verzekeraars veroorzaken. Daar kan, gelet op de dubbele rol van verzekeraars, een spanningsveld zitten. Per zaak moet een rechter dat kritisch beoordelen. In deze kwestie heeft de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat ASR als eigenlijk motief heeft [eiseres] te weigeren als belangenbehartiger vanwege behaalde resultaten.\n\nOnbetrouwbaar4.18.. De conclusie van het voorgaande is dat [eiseres] op een dermate misleidende wijze te werk is gegaan, dat ASR terecht heeft vastgesteld dat [eiseres] niet (voldoende) betrouwbaar is als belangenbehartiger. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat ASR onderbouwd naar voren heeft gebracht, onder meer door naar rechtspraak te verwijzen, dat [eiseres] niet alleen in de zaak [A] , maar vaker op deze wijze te werk gaat. [eiseres] heeft dat zelf overigens ook bevestigd, zij het dat partijen het niet eens zijn over de frequentie.\n\nOnredelijk hoge buitengerechtelijke kosten4.19.. ASR heeft het weigeren van [eiseres] als belangenbehartiger daarnaast onderbouwd door te wijzen op de onredelijke hoge buitengerechtelijke kosten die [eiseres] – nog los van de succesfee – in rekening brengt. De rechtbank volgt ASR ook daarin.\n\n4.20.. ASR wijst erop dat [eiseres] een uurtarief hanteert van € 375,00 exclusief 10% kantoorkosten en exclusief 21% btw, waarbij [eiseres] bovendien niet handelt overeenkomstig artikel 38 Wet op de omzetbelasting 1968, door de prijs zonder btw aan te bieden. Feitelijk komt het uurtarief neer op € 499,12 inclusief btw en € 412,50 exclusief btw. Met ASR is de rechtbank van oordeel dat dit exorbitant hoog is. In de rechtspraak wordt in letselzaken zelden een uurtarief van meer dan € 300,- aanvaardbaar gevonden, en alsdan slechts als het gaat om zeer gespecialiseerde advocaten en\u002Fof zeer complexe zaken. Veelal ligt het bedrag lager.Daar komt nog bij dat [eiseres] weliswaar al jaren als belangenbehartiger in letselzaken optreedt, maar geen advocaat (meer) is, ongebonden is (zich niet verbonden heeft aan brancheorganisatie en kwaliteitskeurmerken) en geen of zeer beperkt bijscholing volgt. Bovendien maakt [eiseres] bij het factureren geen onderscheid tussen juridische werkzaamheden en administratieve werkzaamheden (zoals kopiëren). Ook voor administratieve, secretariële, werkzaamheden wordt het hoge uurtarief gerekend. Dat is volstrekt onredelijk.\n\n4.21.. \n [eiseres] heeft een aantal keer gewezen op een uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 14 maart 2017, waarin het uurtarief van [eiseres] van € 300,- is aanvaard en als ‘niet ongebruikelijk voor rechtshulpverleners in letselschadezaken’ is bestempeld. De rechtbank gaat, mede gelet op de voornoemde overwegingen, niet in dat oordeel mee. Deze opvatting van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch stemt naar het oordeel van de rechtbank ook niet overeen met de gangbare praktijk en de daarin aanvaarde tarieven. Ter illustratie: in een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 27 augustus 2024 is het uurtarief van [eiseres] bijgesteld naar € 200,-.\n\n4.22.. De conclusie is dat [eiseres] onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening brengt en ASR dat terecht als reden heeft meegenomen bij haar beslissing om [eiseres] te weigeren als belangenbehartiger.Bij deze conclusie weegt de rechtbank niet alleen het exorbitante uurtarief op zichzelf mee, maar ook het feit dat [eiseres] daarnaast nog een succesfee bedingt en daar op misleidende wijze over communiceert.\n\nOngebonden belangenbehartiger4.23.. ASR heeft tot slot terecht meegewogen dat [eiseres] , zoals hiervoor al is besproken, ongebonden is. Hij heeft zich bewust bij geen enkele brancheorganisatie aangesloten, omdat in zijn beleving de daarbij behorende gedragsregels soms ‘nodeloos knellend’ zijn. Dat mag zo zijn en geeft wel te denken, maar betekent ook dat een verzekeraar als ASR [eiseres] daardoor niet kan aanspreken op de in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen of een klacht tegen hem kan indienen, bijvoorbeeld als minder verstrekkend alternatief in een zaak als deze. Uit het betoog van ASR en de rechtspraak waar naar is verwezen, volgt bovendien dat [eiseres] , ondanks de nodige klachten en geschillen daarover, zijn werkwijze niet aanpast. ASR heeft aan die ongebondenheid terecht betekenis toegekend.\n\nConclusie: ASR mocht [eiseres] als belangenbehartiger weigeren\n\n4.24.. Alle voornoemde redenen samengenomen vormen voldoende grond voor ASR om de samenwerking met [eiseres] te beëindigen. Daarbij gaat het met name om de gebleken onbetrouwbaarheid, in combinatie gezien met het declareren van onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten. Dit levert gegronde redenen op om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde vanwege belangenbehartiger [eiseres] niet goed zal verlopen of onnodige vertraging zal oplopen.\n\n4.25.. Omdat de rechtbank in het hiervoor besprokene al voldoende reden ziet voor de weigering, worden de overige door ASR naar voren gebrachte argumenten niet besproken.\n\n4.26.. Doordat ASR de samenwerking met [eiseres] mocht beëindigen, worden de (incidentele) vorderingen van [eiseres] om ASR te gebieden [eiseres] te blijven aanvaarden als belangenbehartiger en de cliënten van [eiseres] hierover te informeren, afgewezen.\n\nASR mocht [eiseres] registreren in de registers\n\n4.27.. ASR heeft de persoons- en bedrijfsgegevens van [eiseres] geregistreerd voor de duur van 8 jaar in de Gebeurtenissenadministratie (hierna: de GA) en het Interne Verwijzingsregister (hierna: het IVR) en voor de duur van 5 jaar in het Incidentenregister (hierna: het IR) en het Extern Verwijzingsregister (hierna: het EVR). [eiseres] vordert verwijdering van zijn persoons- en bedrijfsgegevens uit de registers.\n\n4.28.. De GA en het IVR vormen het interne waarschuwingssysteem van ASR (en de ASR groep). Het IR en het EVR zijn registers die samen het extern waarschuwingssysteem vormen voor de hele branche.\n\n4.29.. Het gaat bij de registraties om een verwerking van persoonsgegevens, zodat voldaan moet worden aan de eisen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: de AVG). Het verbond van verzekeraars heeft in de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars (hierna: de Gedragscode) een sectorspecifieke vertaling van de AVG neergelegd en deze Gedragscode is door de leden van het verbond als bindende zelfregulering goedgekeurd. Artikel 4.5.3 van de Gedragscode bepaalt:\n\n“Verzekeraars houden een Gebeurtenissenadministratie bij ter waarborging van de veiligheid en integriteit van de dienstverlening en de sector. Verzekeraars informeren Betrokkenen over het bestaan en de mogelijkheid tot Verwerking van Persoonsgegevens in dit verband. De afdeling Veiligheidszaken of een andere daartoe aangewezen afdeling bij een Verzekeraar kan besluiten de Persoonsgegevens uit de Gebeurtenissen administratie op te nemen in een Intern Verwijzingsregister (IVR). In het IVR nemen Verzekeraars uitsluitend Persoonsgegevens op van (rechts)personen die een risico vormen voor de veiligheid en\u002Fof integriteit van de Verzekeraar of de Groep waartoe de Verzekeraar behoort. Indien een gebeurtenis voldoet aan de criteria uit het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI), nemen Verzekeraars de relevante Persoonsgegevens op in een Incidentenregister en, in voorkomende gevallen, het Extern Verwijzingsregister (EVR). In overeenstemming met artikel 2.2.2 van de Gedragscode is het PIFI van toepassing op deze Verwerking.”\n\n4.30.. Bij interne registraties moet het aldus gaan om gebeurtenissen die van belang zijn voor de kwaliteit, veiligheid en integriteit van de verzekeraar, de groep waartoe de verzekeraar behoort en de verzekeringsbranche, en\u002Fof een risico vormen voor de veiligheid en\u002Fof integriteit.\n\n4.31.. Bij externe registraties ligt de lat hoger. Dan moet ook zijn voldaan aan de in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: PIFI) neergelegde vereisten. Het is vaste rechtspraak dat het PIFI voldoende waarborgen biedt voor een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens. Het PIFI dient daarom tot uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of opname van de gegevens van [eiseres] in het IR en het EVR gerechtvaardigd is.\n\n4.32.. \n\nVoor vastlegging van gegevens in het IR is op grond van artikel 3.1.1 van het Protocol vereist dat sprake is van een ‘(mogelijk) incident’, in artikel 2 van het PIFI omschreven als:\n\n“een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding (…)”.\n\n4.33.. Op grond van artikel 5.2.1 van het PIFI is opname in het EVR, kort gezegd, slechts geoorloofd indien:\n\nde gedraging(en) van de te vermelden persoon een bedreiging vormen voor (i) de (financiële) belangen van cliënten en\u002Fof de financiële instelling zelf of (ii) de continuïteit en\u002Fof de integriteit van de financiële sector;\n\nin voldoende mate vaststaat dat de desbetreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Dit betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte wordt gedaan;\n\nhet proportionaliteitsbeginsel in acht is genomen in die zin dat wordt vastgesteld dat het belang van opname prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen van opname in het EVR voor de desbetreffende persoon.\n\n4.34.. Uit de tekst van artikel 5.2.1 en de Annex bij het PIFImaakt de rechtbank op dat het niet per definitie om strafbare feiten, althans een verdenking daarvoor, moet gaan. Ook andere onoorbare gedragingen kunnen onder de norm vallen. Wel geldt steeds dat de te verwerken gegevens - de verweten gedragingen - in voldoende mate moeten vaststaan. In geval van vermeende strafbare feiten moet het dan gaan om een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld.\n\n4.35.. ASR heeft gemotiveerd aangevoerd dat in het geval van [eiseres] voldaan wordt aan de voornoemde vereisten voor alle registraties omdat er sprake is van strafbaar handelen en hoe dan ook van onoorbaar gedrag, dat kwalificeert als gebeurtenis en gedraging als bedoeld in de regelgeving.\n\n4.36.. De rechtbank oordeelt dat voldaan wordt aan de in de voornoemde regelgeving opgenomen vereisten. Of het handelen van [eiseres] nu tot een bewezenverklaring van een strafbaar feit zou leiden of niet, voldoende vast staat dat [eiseres] door de hiervoor reeds uitgebreid besproken handelwijze dermate misleidend te werk is gegaan, dat dit onoorbare gedragingen opleveren als bedoeld in artikel 5.2.1 sub a van het PIFI. Het zijn gedragingen die een bedreiging vormen voor de (financiële) belangen van cliënten en verzekeraar zelf of de continuïteit en\u002Fof de integriteit van de financiële sector.4.37.. In het kader van de proportionaliteitsafweging (artikel 5.2.1 sub c PIFI) heeft ASR de noodzaak van de registraties onderbouwd toegelicht, in het bijzonder het belang dat andere verzekeraars opmerkzaam moeten worden gemaakt op de verweten gedragingen. Dit zal mogelijk grote gevolgen hebben voor de praktijk van [eiseres] , die bestaat uit het afhandelen van letselschadeclaims met verzekeraars. [eiseres] heeft zijn belang bij het kunnen voortzetten van zijn praktijk ook duidelijk voor het voetlicht gebracht. Toch vindt de rechtbank dat bij de afweging van de wederzijdse belangen van partijen, het belang van de verzekeraar in dit geval moet prevaleren, omdat het hier om een groot maatschappelijk belang gaat. Ook de registratieduur heeft ASR voldoende onderbouwd. [eiseres] heeft ook onvoldoende concrete argumenten aangedragen om die duur te verkorten. De rechtbank zal de duur daarom in stand laten.\n\n4.38.. De slotsom is dat de registraties gerechtvaardigd zijn en de daarmee samenhangende vorderingen moeten worden afgewezen.\n\n4.39.. Het voorgaande betekent dat ASR ook een melding mocht doen bij het CBV.Deze vordering van [eiseres] , die hij overigens bovendien onvoldoende heeft toegelicht, wordt daarom ook afgewezen.\n\nOverige vorderingen\n\n4.40.. Ook de (incidentele) vorderingen van [eiseres] die zien op het verbod om aan derden onjuiste mededelingen over [eiseres] te doen en het gebod om eerdere mededelingen de rectificeren worden afgewezen. Volgens [eiseres] zou het handelen van ASR in dit verband onrechtmatig zijn, maar hij stelt niet concreet waarom dit handelen onrechtmatig is. Mede gelet op al het voorgaande en de vastgestelde gedragingen aan de kant van [eiseres] , ziet de rechtbank hierin ook geen onrechtmatig handelen van ASR. ASR mocht cliënten informeren over het beëindigen van de samenwerking met [eiseres] en het vervolg van het schaderegelingstraject.\n\n4.41.. \n\nVoor een veroordeling van ASR tot vergoeding van de schade van [eiseres] bestaat geen grondslag. Ook die vordering wordt afgewezen.\n\n [eiseres] wordt in de proceskosten veroordeeld\n\nin de hoofdzaak\n\n4.42.. \n [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in de hoofdzaak (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ASR worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n4.43.. \n\nDe gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nin het incident\n\n4.44.. \n [eiseres] moet als verliezende partij de proceskosten in het incident van ASR betalen. De proceskosten in het incident worden begroot op nihil, omdat niet is gebleken dat zij als gevolg van de incidentele vorderingen van [eiseres] extra kosten heeft moeten maken. De incidentele vorderingen komen vrijwel helemaal overeen met de vorderingen in hoofdzaak.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin de hoofdzaak en het incident\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\nin het incident\n\n5.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van ASR, tot dusver begroot op nihil,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.3.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.\n\n5.5.. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken door mr. J.K.J. van den Boom op 18 maart 2026.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.23.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.24.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.25.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.26.\n\n Productie 5 bij conclusie van antwoord.\n\n Zie ook WODC rapport: W. van Boom e.a., De belangenbehartiger bij letselschade, WODC Project nr. 3396, p. 125.\n\n Zie bijv. A.J. Van en D. Salhi “De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?” TVP 2025\u002F2.\n\n Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 14 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1012.\n\n Gerechtshof Den Haag 27 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1495 en zie ook A.J. Van en D. Salhi “De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?” TVP 2025\u002F2.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.25.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.26.\n\n Annex Protocol Incidenten waarschuwingssysteem Financiële Instellingen, p. 44-45: “Uitgangspunt bij plaatsing in het EVR is dat in een gerechtelijke procedure moet kunnen worden aangetoond dat afdoende bewijs aanwezig is om de kwalificatie fraude of een andere onoorbare of strafbare gedraging te dragen ten opzichte van een aantoonbaar betrokken (rechts)persoon. Ontbreekt een van deze elementen dan behoort geen registratie plaats et vinden. Zij vormen de criteria voor plaatsing in het EVR als aangegeven in artikel 5.2.1., onder a en b Protocol.”.\n\n Hoge Raad 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720.\n\n Artikel 4.6 Protocol Verzekeraars & Criminaliteit.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1236","2026-03-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.372Z",18,20,[11,206,207,208],2025,2024,2023]