[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-labour-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":116},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":26,"page":14,"limit":115},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},138,"labour-law-nl","Labour Law","NL","2026-07-08T16:58:07.496Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":26},6,8,{"month":28,"count":15},7,{"month":26,"count":15},{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,62,72,80,88,96,105],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"680","ECLI:NL:RBDHA:2026:18644","ecli-nl-rbdha-2026-18644","",72,"2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 25\u002F24378\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] uit [vestigingsplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om verlening van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) ten behoeve van [naam] (hierna: de vreemdeling). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 7 februari 2025 heeft eiseres namens de vreemdeling een aanvraag om een gvva ingediend. De minister heeft de aanvraag van eiseres bij besluit van 7 juli 2025 afgewezen onder verwijzing naar een advies van het Uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen (UWV) van 4 juli 2025.\n\n2.1.. Eiseres heeft tegen het besluit van 7 juli 2025 bezwaar gemaakt. De minister heeft aanleiding gezien het UWV opnieuw om advies te vragen. Het UWV heeft op 25 november 2025 advies uitgebracht. Onder verwijzing naar dat advies is de minister met het besluit van 28 november 2025 op het bezwaar van eiseres (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op 27 mei 2026 heeft eiseres nog een nader stuk ingediend.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Namens het UWV zijn verschenen mr. M. Dundas en mr. S. Kruijthof.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nInleiding\n\n3. De vreemdeling is geboren op [geboortedatum] en heeft de Surinaamse nationaliteit. Aan haar is een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘Arbeid in loondienst’ verstrekt met een geldigheidsduur van 2 mei 2023 tot 20 april 2025.\n\n3.1.. Eiseres heeft op 7 februari 2025 namens de vreemdeling een aanvraag om een gvva ingediend en daarmee om verlenging van de verleende verblijfsvergunning. Bij haar aanvraag heeft eiseres opgegeven, voor zover van belang, dat de naam van de te vervullen functie is “verzorgende IG”. Ook heeft eiseres daarbij opgegeven dat zij de vacature heeft gemeld bij het UWV, alsook dat zij heeft geworven in Nederland en in de andere landen van de EU\u002FEER.\n\nBestreden besluit\n\n4. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag van eiseres gehandhaafd onder verwijzing naar het tweede negatieve advies van het UWV van 25 november 2025. In dat advies concludeert het UWV dat voldoende prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. Volgens het UWV stonden ten tijde van het uitbrengen van het advies voor de functie van ‘Verzorgende Individuele Gezondheidszorg’ 809 werkzoekenden bij het UWV ingeschreven. Daarnaast stelt het UWV zich op het standpunt dat eiseres zich niet tot het uiterste heeft ingespannen om het prioriteit genietend aanbod te bereiken. Het UWV heeft de minister daarom geadviseerd de gevraagde vergunning op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) niet te verlenen.\n\nStandpunt eiseres\n\n5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen. Wat eiseres daartoe heeft aangevoerd, bespreekt de rechtbank hierna.\n\nWettelijk kader\n\n6. Op grond van artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan – voor zover van belang – de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ worden verleend indien geen afwijzingsgrond van toepassing is uit artikel 8 van de Wav.\n\n7. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wav weigert de minister een gecombineerde vergunning:\n\na. indien voor de desbetreffende arbeidsplaats prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is;\n\nb. (…);\n\nc. indien de werkgever niet kan aantonen voldoende inspanningen te hebben gepleegd de arbeidsplaats door prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt te vervullen;\n\nd. (…).\n\n8. Bij wet van 25 november 2013 is de Wav herzien. In de memorie van toelichtingbij die wet is vermeld:\n\n\"Abstractere toets op prioriteitgenietend aanbod (artikel 8, eerste lid, onder a)\n\n(…). In deze benadering van de bemiddelingsfunctie van het UWV past niet meer dat het UWV in het kader van een aanvraag om een tewerkstellingsvergunning bij elke individuele vacature beoordeelt of er een geschikte kandidaat voorhanden is. Het UWV kan voortaan volstaan met het onderzoeken of er voldoende werkzoekenden op de arbeidsmarkt aanwezig zijn, in plaats van beschikbaar, die aan de functie-eisen van de vacature voldoen. Als dit zo is moet UWV de aanvraag afwijzen.\n\n(…).\n\nArtikel 8, eerste lid, aanhef, onderdeel a\n\nHet aanwezig zijn van prioriteitgenietend aanbod moet in het licht van de doelstelling van de Wav worden beschouwd als de centrale dwingende weigeringsgrond voor de afgifte van een tewerkstellingsvergunning. Onder prioriteitgenietend aanbod moet worden verstaan: aanbod van de zijde van Nederlanders, vreemdelingen waarvoor vrij verkeer van werknemers geldt en vreemdelingen die beschikken over een op grond van de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven verblijfsvergunning waaruit blijkt dat daaraan geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Toetsen aan het prioriteitgenietend aanbod betekent niet dat dit aanbod concreet voor de werkgever beschikbaar moet zijn. De werkgever dient zelf actief op dit aanbod te werven. Als bij het UWV bekend is dat er voldoende werkzoekenden binnen de EER zijn die gezien hun opleiding of werkervaring de functie bij de werkgever zouden kunnen uitoefenen, dient het UWV deze weigeringsgrond toe te passen.”\n\n9. Artikel 3:31, eerste lid, van het Vb 2000 en artikel 8 van de Wav zijn dwingend recht. Dit betekent dat de minister de aanvraag voor een gvva moet weigeren als een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wav van toepassing is. De tekst van deze bepalingen bieden geen ruimte om hiervan af te wijken.\n\nOordeel rechtbank\n\n10. De rechtbank stelt voorop dat het advies van het UWV kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Wanneer de minister – zoals in een geval als dit – een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)wel nagaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij zijn besluitvorming van het advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan om de inhoud of de conclusie daarvan in twijfel te trekken.\n\n11. In dat wat door eiseres naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van het UWV of twijfel aan de redenering en de getrokken conclusies in dat advies. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe aan de hand van de beroepsgronden.\n\nPrioriteitgenietend aanbod (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav)\n\n12. Eiseres voert aan dat het UWV ten onrechte in haar advies stelt dat voldoende personeel beschikbaar is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Eiseres vindt dat deze aanname geen stand houdt bij toetsing aan de feitelijke inzetbaarheid. Het overgrote deel van de personen uit de diverse uitkeringsregelingen beschikt niet over de benodigde diploma- en kwalificatievereisten, zoals relevante diploma’s, een geldige verklaring omtrent het gedrag, scholing of beheersing van de Nederlandse taal. Scholingstrajecten vergen tijd en bieden geen oplossing voor acute personeelstekorten. Bovendien kunnen uitkeringsgerechtigden niet worden verplicht om in de zorgsector te werken. Zij hebben een vrije arbeidskeuze. Eiseres wijst verder erop dat er structurele en oplopende personeelstekorten zijn in de zorg. Het UWV heeft daarnaast niet onderbouwd hoe uitkeringsgerechtigden zonder zorgopleiding of taalvaardigheid reëel inzetbaar zijn. Eiseres stelt dat het UWV zich op een theoretische beschikbaarheid baseert, terwijl gekeken moet worden naar de feitelijke en reële mogelijkheden. Het advies van het UWV is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd en kan daarom volgens eiseres het bestreden besluit niet dragen.\n\n13. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het advies van het UWV, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voor de beoogde functie prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. In het advies van het UWV van 25 november 2025 is vermeld dat op dat moment landelijk 809 – en ten tijde van het verweerschrift van 18 mei 2026 811 – werkzoekenden stonden ingeschreven voor de functie “verzorgende IG”. De minister mocht volstaan met die vaststelling. Uit de in rechtsoverweging 8 opgenomen memorie van toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav volgt al dat het UWV niet (meer) hoeft aan te tonen dat dit aanbod van werkzoekenden concreet voor eiseres geschikt en beschikbaar is.Zoals vaker overwogenis ook sprake van prioriteitgenietend aanbod indien werkzoekenden na een inwerkperiode of na enige scholing aan de functie-eisen kunnen voldoen.\n\nVoldoende inspanningen (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav)\n\n14. Eiseres stelt zich op het standpunt aantoonbare en voldoende wervingsinspanningen te hebben gepleegd door onder meer te werven via Facebook, (V)KP\u002F(V)PK vacaturebanken, Werk.nl, regionale zorgplatforms, opleidings- en samenwerkingspartners, de gemeente, het UWV, Instagram en LinkedIn. Eiseres betoogt dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze inspanningen niet voldoen zijn en welke aanvullende werving redelijkerwijs nog verlangd kan worden van haar. Eiseres wijst daarbij op de structurele krapte in de zorg. Zij vindt dat het UWV een te formalistisch standpunt inneemt door aan haar tegen te werpen dat de vacatureteksten niet volledig zijn bijgevoegd en daaruit vervolgens af te leiden dat haar wervingsinspanningen onvoldoende zijn. Eiseres voert aan dat het gaat om standaard vacatureteksten die binnen de zorgsector algemeen worden gebruikt en waaruit ondubbelzinnig blijkt dat wordt gezocht naar zorgpersoneel. De inhoud van de teksten is niet maatgevend. Volgens eiseres dient doorslaggevend te zijn of en waar is geworven en met welk bereik. Eiseres vindt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door haar overgelegde wervingsbewijzen onvoldoende zijn. Eiseres vindt verder dat het UWV zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bij de beoordeling van de wervingsinspanningen geen rekening mag worden gehouden met een taalbarrière en de vraag of niet-Nederlandstalig personeel in de zorgsector kan worden ingezet. Dit standpunt miskent volgens eiseres de feitelijke zorginhoudelijke realiteit en haar wettelijke plicht om zorg te verlenen met inzet van deskundig en bekwaam zorgpersoneel. Eiseres wijst op de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg op grond waarvan zij slechts personeel kan inzetten dat beschikt over de juiste competenties, waaronder adequate communicatieve vaardigheden. Met name in de ouderenzorg is daarbij beheersing van de Nederlandse taal essentieel, aldus eiseres.\n\n15. Dit betoog kan eiseres ook niet baten. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het advies van het UWV, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende wervingsinspanningen heeft gepleegd om de arbeidsplaats door middel van prioriteitgenietend aanbod te vervullen. Het UWV heeft in zijn advies op goede gronden als uitgangspunt genomen dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om haar vacature te vervullen met prioriteitgenietend aanbod en dat daarbij slechts de wervingsinspanning in de periode van drie maanden voorafgaand aan de aanvraag van belang zijn, te weten de periode van 5 december 2024 tot en met 5 maart 2025. Het UWV heeft na een grondig onderzoek van het door eiseres overgelegde bewijs vastgesteld dat eiseres in die periode alleen via EURES en Facebook heeft gezocht naar kandidaten en dat daarbij bovendien de vacaturetekst geheel (Facebook) of gedeeltelijk (EURES) ontbrak. Van overige concrete wervingsinspanningen in de desbetreffende periode heeft eiseres geen stukken overgelegd. Eiseres heeft alleen daarom al niet aannemelijk gemaakt dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om de vacature te vervullen met prioriteitgenietend aanbod. De enkele stelling van eiseres ter zitting dat zij in de periode van 5 december 2024 tot en met 5 maart 2025 ook heeft geworven via LinkedIn en diverse vacaturesites is – zonder verdere onderbouwing – onvoldoende. Ook de stelling van eiseres dat de inhoud van de vacaturetekst niet maatgevend is, kan geen doel treffen. Het UWV stelt zich op goede gronden op het standpunt dat met het ontbreken van die vacaturetekst niet te controleren is of eiseres een normaal uurloon had aangeboden. Het UWV heeft eiseres daarnaast terecht tegengeworpen dat ook vast is komen te staan dat naar aanleiding van de wervingsinspanningen van eiseres zich geïnteresseerden hebben gemeld bij haar, maar dat niet duidelijk is geworden waarom deze kandidaten ongeschikt waren voor het vervullen van de functie van “verzorgende IG”.\n\n16. Uit rechtsoverwegingen 13. en 15. volgt dat minister zich op goede gronden op het standpunt stelt dat de weigeringsgronden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wav van toepassing zijn, zodat hij gehouden is de gevraagde ggva te weigeren.\n\nBelangenafweging, motiveringsbeginsel en evenredigheidsbeginsel\n\n17. Eiseres betoogt dat de afwijzing van haar aanvraag berust op een nationaalrechtelijke beoordelingsbevoegdheid en dat geen sprake is van dwingend voorgeschreven bepalingen uit het Unierecht. Dit betekent volgens eiseres dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur onverkort van toepassing zijn. Door vrijwel integraal het UWV-advies te volgen zonder zelfstandige toetsing en zonder expliciete afweging van de door eiseres aangevoerde feiten en belangen heeft de minister het motiverings- en evenredigheidsbeginsel geschonden. Dit klemt volgens eiseres temeer, nu het UWV in het advies van 25 november 2025 expliciet heeft aangegeven dat zij het loon op de juiste manier heeft nabetaald aan de vreemdeling en dat dit punt ook niet langer aan haar wordt tegengeworpen. Door deze erkenning niet zelfstandig mee te wegen en niet expliciet te motiveren waarom dit desondanks niet tot een ander besluit leidt, heeft de minister volgens eiseres niet voldaan aan zijn motiveringsplicht. Verder voert eiseres aan dat de afwijzing van de aanvraag zeer zware gevolgen heeft voor de vreemdeling vanwege het verlies van inkomen, bestaanszekerheid en verblijfsperspectief. Ook heeft het afwijzende besluit onevenredige gevolgen voor eiseres en haar cliënten. De minister had deze belangen volgens eiseres kenbaar moeten meewegen en tot de conclusie moeten komen dat de afwijzing van haar aanvraag niet evenredig is.\n\n18. Dit betoog van eiseres kan geen doel treffen. Artikel 3:31, eerste lid, van het Vb 2000 en artikel 8, eerste lid, van de Wav zijn dwingend geformuleerd. Zoals ook volgt uit rechtsoverweging 9. laat de tekst van deze wettelijke voorschriften de minister geen ruimte om daarvan af te wijken. De Wav is bovendien een wet in formele zin. De bestuursrechter kan deze wet daarom, zoals ter zitting ook al voorgehouden aan eiseres, niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd of bijzondere omstandigheden die meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.Daarvan is in dit geval echter geen sprake. De essentie van de dwingend geformuleerde bepaling van artikel 8, eerste lid, van de Wav is dat een gvva moet worden geweigerd als één van de in dat artikellid opgenomen weigeringsgronden zich voordoet. De striktheid van deze bepaling kan de wetgever niet zijn ontgaan. Daarbij is bovendien nog van belang dat de wetgever – zoals volgt uit de in rechtsoverweging 8. opgenomen memorie van toelichting – bij de totstandkoming van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod in het licht van de doelstelling van de Wav moet worden beschouwd als de centrale dwingende weigeringsgrond.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n19. Eiseres heeft ten slotte gesteld dat een bij haar vertrokken medewerker wel een gvva heeft gekregen voor het verrichten van vergelijkbaar werk bij een grotere zorginstantie. Ook heeft eiseres gesteld dat een grotere groep buitenlandse zorgprofessionals een vergunning heeft gekregen binnen de Nederlandse zorgsector.\n\n20. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Eiseres heeft met haar niet nader onderbouwde of geconcretiseerde stellingen aannemelijk gemaakt dat sprake is van vergelijkbare gevallen. Het UWV heeft ter zitting bovendien toegelicht dat in de situatie dat een desbetreffende werkgever – anders dan gedaan door eiseres – met diverse bewijsmiddelen aantoont voldoende wervingsinspanningen te hebben gepleegd, het UWV in dat geval tegenbewijs aanneemt voor de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod voor de desbetreffende functie op dat moment.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Schutte, rechter, in aanwezigheid van mr.I. van der Wijngaart, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n TK, 2012-2013, 33 475, nr. 3, blz. 5 en 12.\n\n Zie bijvoorbeeld uitspraken van 27 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2659, en 17 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2726.\n\n Vgl. de uitspraak van 26 april 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:1236.\n\n Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 18 van de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 20 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7575.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18644","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:42.950Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"717","ECLI:NL:RBAMS:2026:6601","ecli-nl-rbams-2026-6601",56,"2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12162456 \\ EA VERZ 26-386\n\nBeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. J.N.A. Dijkman,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap GOOGLE NETHERLANDS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Google,\n\ngemachtigde: mr. K. van Kranenburg-Hanspians.\n\nVERLOOP VAN DE PROCEDURE\n\nOp verzoek van [verzoeker] is op 24 maart 2026 een verzoekschrift, met producties, ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 196 en 197 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.\n\nOp 28 mei 2026 is door Google een verweerschrift, met producties, ingediend.\n\n De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. [verzoeker] is verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. Namens Google zijn [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] verschenen, vergezeld van de gemachtigde en mr. M.M.J. van Vliet. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn namens [verzoeker] nog aanvullende stukken in het geding gebracht. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities, zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\nTen slotte is een datum voor beschikking bepaald.\n\nGRONDEN VAN DE BESLISSING\n\nFeiten\n\n1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:1.1.. \n [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1989, is in oktober 2016 in dienst getreden bij Google Inc in de Verenigde Staten en vervolgens op 26 augustus 2019 in dienst getreden bij Google in de functie [functie] . Zijn salaris bedraagt € 9.666,67 bruto per maand.1.2.. Op 20 februari 2026 heeft Google een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] ingediend bij de kantonrechter te Amsterdam. Op 6 maart 2026 is de mondelinge behandeling hiervoor bepaald op 3 juni 2026.1.3.. \n\nIn het verzoekschrift wordt door Google een samenvatting gegeven van de feiten en omstandigheden die volgens Google leiden tot een onherstelbare verstoring van de arbeidsrelatie tussen haar en [verzoeker] op grond waarvan de arbeidsovereenkomst moet eindigen. Dit zijn:\n\n- Werkrelatie onder druk;\n\n- Interactie tussen [verzoeker] en zijn manager: lastig en teleurstellend;\n\n- Het functioneren van [verzoeker] leidt tot het einde van zijn inzet voor het klantaccount;\n\n- Frictie over het “hoe en wat”;\n\n- [verzoeker] staat niet open voor feedback;\n\n- Geen werkzaamheden sinds 22 oktober 2024: frequent ziekteverzuim wegens werkconflict;\n\n- [verzoeker] onderzoekt andere functies binnen Google in de VS.\n\n- [verzoeker] klaagt over prestatiebeoordelingen en verbeterplan.1.4.. In het daar namens [verzoeker] tegen ingediende verweerschrift van 26 mei 2026 is door [verzoeker] verweer gevoerd en is verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen.1.5.. In het verweerschrift heeft [verzoeker] vermeld dat hij op 15 oktober 2025 door het Huis voor Klokkenluiders formeel erkend is als klokkenluider en op 23 juli door de Autoriteit Consument en Markt is erkend als klokkenluider, zodat hij een beschermde status heeft in de ontbindingsprocedure. Verder voert hij aan dat het door Google uitgevoerde onderzoek door het Employee Relations ernstig gebrekkig is geweest. [verzoeker] betwist in het verweerschrift dat sprake is van niet goed presteren en bestrijdt dat hij niet open stond voor feedback. Ook voert [verzoeker] aan dat Google niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan en betoogt hij dat Google in strijd heeft gehandeld met de Wet Gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Ten slotte heeft [verzoeker] een algemeen bewijsaanbod gedaan.1.6.. In de ontbindingsprocedure heeft [verzoeker] een verzoek tot een billijke vergoeding ingediend.\n\nVerzoek\n\n2. [verzoeker] verzoekt een voorlopig getuigenverhoor te bepalen. [verzoeker] voert daarvoor de volgende juridische grondslagen aan. Allereerst is volgens hem sprake van schending van het benadelingsverbod ex artikel 17 e van de Wet Bescherming Klokkenluiders (hierna WBK), een melder mag niet benadeeld worden gedurende en na de behandeling van een melding van een vermoeden van een misstand. [verzoeker] is door twee overheidsinstanties erkend als klokkenluider. Indien een melder wordt benadeeld is sprake van een bewijslastomkering en wordt vermoed dat de benadeling het gevolg daarvan is en ligt het op de weg van de werkgever om het tegendeel te bewijzen. Verder is Google haar verplichtingen als goed werkgever als bedoeld in 7:611 BW niet nagekomen door een gebrekkig onderzoek, nalevingsconflicten te herformuleren als samenwerkingsproblemen, vergeldingsmaatregelen te nemen tijdens ziekteverlof en een werknemer met een beschermde status te confronteren met een ultimatum. Daarnaast heeft Google de re-integratie van [verzoeker] niet tijdig en adequaat bevorderd, hetgeen door het UWV formeel is vastgesteld, aldus [verzoeker] . Voorts is sprake van schending van artikel 15 van de AVG. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft geoordeeld dat de opschorting van het inzageverzoek van [verzoeker] onwettig was. Google heeft documenten retroactief verwijderd uit latere producties en wisselende rechtvaardigingen daarvoor gehanteerd. Ten slotte is sprake geweest van schending van gelijke behandeling ex artikel 2 en 4 WGBH\u002FCZ door het systematisch weigeren van redelijke aanpassingen voor een gediagnosticeerde neurodivergente werknemer, gevolgd door nadelige maatregelen op basis van daaruit voortvloeiende prestatiedwang, een vorm van verboden onderscheid, aldus [verzoeker] . Hij overweegt een bodemprocedure te starten. De mogelijke vorderingen zijn, aldus [verzoeker] :\n\nVerklaring voor recht dat Google het benadelingsverbod van de WBK heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google de re-integratieverplichtingen ex artikel 7:658a BW heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google de AVG heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google heeft gediscrimineerd op grond van handicap;\n\nSchadevergoeding wegens de geleden materiële en immateriële schade;\n\nRectificatie van het interne personeelsdossier.\n\nVerweer\n\n3. Google verweert zich tegen het verzoek en voert daartoe het volgende aan, kort weergegeven. [verzoeker] is te laat met zijn verzoek. Via dit verzoek probeert [verzoeker] bewijs te verzamelen ten behoeve van de ontbindingsprocedure die al aanhangig is. Er is ook geen onderscheid tussen de kernonderwerpen van de beide procedures. Elk onderwerp dat [verzoeker] in het onderhavige verzoek aan de orde stelt, speelt ook in de ontbindingsprocedure. Subsidiair voert Google aan dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen op grond van strijd met de goede procesorde, onvoldoende belang, dan wel misbruik van procesrecht.\n\nBeoordeling\n\n4. Voordat een zaak aanhangig is, kan een belanghebbende partij op grond van artikel 196 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechter verzoeken één of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, zoals het horen van getuigen. Het doel van een voorlopig getuigenverhoor is gelegen in het snel verkrijgen van opheldering over omstreden of onbekende feiten en te voorkomen dat bewijs verloren gaat. Ook kan de verzoekende partij aan de hand van de getuigenverklaringen haar positie in een mogelijke procedure of in de onderhandelingen beter inschatten en beoordelen of het raadzaam is om een procedure te beginnen. Van aanhangig zijn van een procedure geldt dat hiervan sprake is indien, zoals in het onderhavige geval, een verzoekschrift ter griffie is ingediend.\n\n5. Niet in geschil is dat de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door Google op 20 februari 2026 is gestart voordat [verzoeker] dit verzoek tot het horen van de getuigen heeft ingediend. Het ligt tegen die achtergrond dan ook op zijn weg om in deze proceure aannemelijk te maken dat het gevraagde voorlopig getuigenverhoor geen verband houdt met de kwesties die in de ontbindingsprocedure (de bodemprocedure) aan de orde gebracht zullen worden of daar behandeld kunnen worden. In dat geval zou er immers geen bodemprocedure zijn waarin die kwesties aanhangig zijn. [verzoeker] is niet geslaagd dat aannemelijk te maken. Alle door [verzoeker] aangevoerde gronden voor het houden van het voorlopig getuigenverhoor zijn ook in de ontbindingsprocedure aan de orde. De vraag of [verzoeker] als klokkenluider moet worden aangemerkt ligt ter beoordeling voor in de ontbindingsproceure, nu [verzoeker] daarin betoogt dat de bewijslast op grond van de WBK moet worden omgekeerd. De vraag of Google als goed werkgever heeft gehandeld en de gronden die daarvoor door [verzoeker] naar voren zijn gebracht, het gebrekkige onderzoek, de beoordelingkwesties en de samenwerking, zullen bij de beoordeling of het dienstverband moet voortduren aan de orde komen. Zo nodig kunnen daar de getuigen over gehoord worden, ook de vraag of alle documenten daarvoor beschikbaar zijn. Datzelfde geldt voor het verwijt dat Google niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Of Google discriminatoir heeft gehandeld, is door [verzoeker] ook ingebracht in de ontbindingsprocedure, zodat ook daar in de bodemprocedure een oordeel zal moeten worden gevormd en zo nodig getuigen gehoord kunnen worden. In aanvulling is ter terechtzitting gebleken dat [verzoeker] in de ontbindingsprocedure een billijke vergoeding heeft gevorerd, zodat het verzoek tot het vaststellen van een schadevergoeding geen zelfstandige grond voor een voorlopig getuigenverhoor oplevert. Voor zover namens [verzoeker] ter terechtzitting nog is betoogd dat in de ontbindingsprocedure slechts beperkt ruimte is voor een dergelijk onderzoek en hij graag de onderste steen boven wil krijgen, brengt dat enkele betoog – wat daarvan ook zij- niet mee dat daarmee de verplichting dat de voorlopige bewijsverrichting eerder gestart moet zijn dan de bodemprocedure, kan worden ontlopen.\n\n6. Het past niet (meer) in het wettelijk systeem om de door [verzoeker] in deze procedure opgeworpen kwesties in een afzonderlijke getuigenverhoor op te helderen. Daarvoor biedt de ontbindingsprocedure alle mogelijkheden.\n\n7. [verzoeker] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van dit geding, aan de zijde van Google begroot als na te melden,\n\nBESLISSING\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoek;\n\nveroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 577,00 aan salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening van € 72,00 als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\nverklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6601","2026-07-13T00:28:44.529Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"2013","ECLI:NL:RBMNE:2026:3744","ecli-nl-rbmne-2026-3744",84,"2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nkantonrechter\n\nlocatie Amersfoort\n\nzaaknummer: 11956042 AC EXPL 25-2469 LvdH\u002F1470\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverder ook te noemen [eiser] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\ngemachtigde: mr. M.M. Lodarmasse,\n\ntegen:\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\nverder ook te noemen [gedaagde] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nvertegenwoordigd door mevrouw [A] .\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n [eiser] heeft een dagvaarding uitgebracht tegen [gedaagde] . Daarop heeft [gedaagde] gereageerd met een conclusie van antwoord die ook een tegeneis (eis in reconventie) inhoudt.\n\n1.2. Op 6 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden. Daarbij waren namens [gedaagde] verschenen: de heer [B] (eigenaar) en mevrouw [A] (hoofd HR). Namens [eiser] was niemand aanwezig. Na telefonisch contact met de gemachtigde van [eiser] , bleek dat de gemachtigde de oproep voor de mondelinge behandeling niet had ontvangen. In overleg met [gedaagde] is besloten niet opnieuw een zitting te plannen, maar partijen nog de gelegenheid te geven schriftelijk op elkaar te reageren. Van deze mondelinge behandeling is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.\n\n1.3. Na deze mondelinge behandeling heeft de kantonrechter nog ontvangen:\n\n- een conclusie van repliek ook inhoudende een antwoord op de eis in reconventie;\n\n- een conclusie van dupliek.\n\n1.4. De kantonrechter heeft de uitspraak bepaald op 3 juni 2026. Het is helaas niet gelukt om het vonnis voor die datum af te hebben, zodat de nieuwe datum waarop het vonnis zal worden gewezen bepaald is op vandaag.\n\n2. De kern van de zaak\n\n [eiser] heeft gedurende een jaar bij [gedaagde] gewerkt. In de arbeidsovereenkomst staat dat [eiser] naast de maandelijkse loonbetalingen ook recht heeft op een eindejaarsuitkering. Deze heeft hij nooit ontvangen. In deze procedure vordert [eiser] betaling van die eindejaarsuitkering. [gedaagde] vordert op haar beurt terugbetaling van kosten die zij heeft moeten maken gedurende het dienstverband van [eiser] .\n\n3. De beoordeling\n\nin conventie:\n\nEindejaarsuitkering\n\n3.1. Op 8 januari 2024 is [eiser] in dienst getreden bij [gedaagde] op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar in de functie van [.] Analist. In de arbeidsovereenkomst tussen partijen is in artikel 5.2 het volgende opgenomen:\n\n“5.2 Werknemer wordt aan het einde van een kalenderjaar pro rata een discretionaire eindejaarsuitkering van één maandsalaris bruto verstrekt. De discretionaire eindejaarsuitkering wordt bepaald op basis van de door de Werkgever nader te bepalen door Werknemer te behalen jaaromzet, inzet van de Werknemer en de kwaliteit van het werk van de Werknemer.”\n\n3.2. Op 4 december 2024 heeft [eiser] aangegeven na afloop van zijn arbeidsovereenkomst niet langer in dienst te willen blijven bij [gedaagde] . De arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] is dan ook met ingang van 7 januari 2025 van rechtswege geëindigd.\n\n3.3. In een gesprek van 20 december 2024 is aan [eiser] door [gedaagde] verteld dat hij geen eindejaarsuitkering zou krijgen.\n\n3.4. \n [eiser] stelt dat hij op basis van artikel 5.2 uit de arbeidsovereenkomst recht heeft op een eindejaarsuitkering over 2024 van € 3.655,72 bruto (359\u002F366e deel) en over 2025 van € 71,48 bruto (7\u002F365e deel)\n\n3.5. \n [gedaagde] heeft aangegeven dat het uitkeren van de eindejaarsuitkering een discretionaire bevoegdheid is van de werkgever. Volgens [gedaagde] hebben de prestaties van [eiser] zich niet naar verwachting ontwikkeld, bleven zijn prestaties achter ten opzichte van andere analisten, stond het salaris van [eiser] niet in verhouding tot zijn prestaties en waren er door de tragere ontwikkeling van [eiser] in zijn functie meer tijd en middelen nodig voor de begeleiding en ondersteuning en hebben deze omstandigheden er geleid tot het besluit aan [eiser] geen eindejaarsuitkering uit te keren.Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst [gedaagde] in deze brief onder meer naar de functioneringsgesprekken van 8 en 21 augustus 2024 die met [eiser] zijn gevoerd.\n\n3.6. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] op grond van artikel 5.2 gehouden is de eindejaarsuitkering aan [eiser] uit te betalen. De kantonrechter legt dat als volgt uit.\n\n3.7. In de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] is het uitkeren van de eindejaarsuitkering opgenomen als een discretionaire bevoegdheid. Dat is op zichzelf een bevoegdheid die een werkgever zich mag voorbehouden, maar dit betekent niet dat het gebruikmaken van deze bevoegdheid onbegrensd is. Deze bevoegdheid is namelijk onderworpen aan de eisen van goed werkgeverschap.\n\n3.8. Uit de verslagen van de functioneringsgesprekken van 8 en 21 augustus 2024blijkt dat er in het functioneren van [eiser] aspecten zijn waarin [eiser] zich (nog) verder kan ontwikkelen, wat ook niet vreemd is aangezien [eiser] nog maar kort werkzaam was in deze functie bij [gedaagde] . Dat de prestaties van [eiser] zouden achterblijven ten opzichte van de andere analisten, blijkt niet uit dit verslag. In het verslag staat namelijk opgenomen dat “je performance naar verwachting is ten opzichte van andere analisten”. Dat er meer tijd en middelen nodig zijn geweest voor de ontwikkeling van [eiser] blijkt evenmin uit de verslagen. Er wordt in het verslag gesproken over het opstellen van een Persoonlijk Ontwikkel Plan (POP) voor het afspreken van concrete doelstellingen maar niet zozeer vanwege achterblijvende prestaties. Ook uit het verslag dat is opgemaakt naar aanleiding van bila-gesprekken in oktober en november 2024blijkt niet van achterblijvend functioneren. Er wordt in verslag gesproken over “mooie stappen gemaakt in het beheersen van aspecten binnen de executie van opdrachten\". Dit alles is ook in overeenstemming met het gegeven dat [gedaagde] zelf voornemens was de arbeidsovereenkomst met [eiser] te verlengen.\n\n3.9. Verder brengen de eisen van goed werkgeverschap met zich mee dat goed gemotiveerd moet worden waarom op grond van de discretionaire bevoegdheid is besloten tot het niet uitkeren van de contractuele eindejaarsuitkering. Dat is door [gedaagde] niet gedaan. Pas in de brief van 30 januari 2025 komt hier duidelijkheid over. Dat was nadat de arbeidsovereenkomst al van rechtswege was geëindigd en ook nadat al ruim een maand eerder - zonder toelichting - aan [eiser] was verteld dat hij geen eindejaarsuitkering zou krijgen.\n\n3.10. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] door met een beroep op haar discretionaire bevoegdheid geen eindejaarsuitkering aan [eiser] toe te kennen in strijd met de eisen van goed werkgeverschap handelt. Aan [eiser] moet daarom alsnog de eindejaarsuitkering worden uitbetaald.\n\n3.11. Tegen de berekening die namens [eiser] is gemaakt is door [gedaagde] geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter ervan uit gaat dat deze berekening juist is. [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een bedrag van in totaal € 3.727,20 bruto aan eindejaarsuitkering. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen.\n\nGespecificeerde opgave\n\n3.12. \n [gedaagde] zal ook worden veroordeeld om aan [eiser] een gespecifieerde opgave te verstrekken van de betaling van de eindejaarsuitkering aan [eiser] .\n\nWettelijke verhoging\n\n3.13. De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging over de eindejaarsuitkering af te wijzen. Het gaat hier niet om uitkering van het reguliere (maandelijks uit te betalen) loon, maar om een bonusbedrag dat in één keer wordt uitbetaald. Het niet-betalen van dit bedrag komt voort uit een – naar nu blijkt – onjuist gebleken standpunt van [gedaagde] .\n\nProceskosten\n\n3.14. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- dagvaarding onbekend\n\n- griffierecht € 0,00\n\n- salaris gemachtigde € 216,00 (1 punt x tarief € 216,00)\n\n- nakosten € 144,00\n\nTotaal € 689,00\n\nin reconventie:\n\n3.15. \n [gedaagde] vordert betaling door [eiser] van een bedrag van € 12.730,00. Dit bedrag bestaat volgens [gedaagde] uit een bedrag van € 3.330,00 voor een opleidingstraject, € 4.000,00 een aanvullende werving en selectiekosten en € 5.400,00 aan kosten in verband met de achterblijvende ontwikkeling van [eiser] .\n\n3.16. De kantonrechter wijst deze vordering van [gedaagde] af. Allereerst heeft [gedaagde] , ook na het verweer van [eiser] , nagelaten deze vordering te onderbouwen. Verder heeft [gedaagde] er zelf voor gekozen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te gaan terwijl zij wist dat er opleidingskosten gemaakt zouden moeten worden en ook dat [eiser] als startende [.] -analist begeleid zou moeten worden. Voor de kosten van het opleidingstraject die [gedaagde] heeft moeten maken, geldt ook nog dat uit de stukken blijkt dat het hierbij ging om het traject “in to the light” voor het hele team van [gedaagde] (15 mensen). Tussen partijen is een studiekostenbeding overeengekomen maar [gedaagde] stelt daar eerder geen beroep op te hebben willen doen. Voor zover [gedaagde] dit nu wel doet, geldt dat niet gebleken is dat [eiser] deze opleiding heeft moeten volgen in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden, zodat de terugbetalingsregeling voor studiekosten in artikel 10.4 van de arbeidsovereenkomsten hier niet op ziet. Een werkgever loopt verder vaker het risico investeringen te doen in een werknemer die zich uiteindelijk niet uitbetalen in rendement voor de werkgever, omdat de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet, maar dat betekent niet dat die kosten nadien (integraal) afgewenteld kunnen worden op een vertrekkende werknemer. De vordering van [gedaagde] wordt daarom niet toegewezen.\n\nProceskosten\n\n3.17. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot:\n\n- salaris gemachtigde € 216,00 (1\u002F2 punt x tarief € 432,00)\n\n- nakosten € 108,00\n\nTotaal € 324,00\n\nin conventie en in reconventie:\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n3.18. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nin conventie:\n\n4.1. verklaart voor recht dat [eiser] recht heeft op een eindejaarsuitkering, gelijk aan de hoogte van het maandelijkse brutoloon van [eiser] , namelijk € 3.727,20 bruto;\n\n4.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 3.727,20 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025 over € 3.655,72 bruto en vanaf 1 februari 2025 over € 71,48 bruto;\n\n4.3. veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan [eiser] van een gespecificeerde opgave van het aan [eiser] uit te betalen bedrag;\n\n4.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 689,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;\n\nin reconventie:\n\n4.5. wijst de vorderingen af;\n\n4.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 324,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;\n\nin conventie en in reconventie:\n\n4.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.8. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. Hendriks, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n Brief van 30 januari 2025 als productie bij de conclusie van antwoord in conventie.\n\n Artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek.\n\n Productie bij conclusie van antwoord in conventie.\n\n Productie bij conclusie van antwoord in conventie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3744","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:49.878Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":67,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":79},"910","ECLI:NL:RBMNE:2026:3728","ecli-nl-rbmne-2026-3728",63,"RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 12024680 \\ MC EXPL 25-7003\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Degelink, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. V.E.H. van Santen, advocaat te Arnhem.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van [eiser] ; - de conclusie van antwoord van [gedaagde] met een voorwaardelijke eis in reconventie;\n\n- de mondelinge behandeling van 18 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2. De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.\n\n2. De beoordeling\n\nDe kern van de zaak\n\n2.1. \n [gedaagde] fabriceert warmtewisselaars. Nadat [eiser] enkele maanden werkzaam was geweest op uitzendbasis bij de rechtsvoorgangster van [gedaagde] , is hij daar op 1 oktober 1996 in dienst getreden. Per 1 september 2025 heeft [gedaagde] de functie van [eiser] , die sinds 1 juni 1998 werkzaam was als Spuiter, eenzijdig gewijzigd naar Monteur en tweede Spuiter tegen andere (betere) arbeidsvoorwaarden. [eiser] is het met de wijziging oneens. Hij wil terugkeren in de functie van Spuiter.\n\nDe beslissing van de kantonrechter\n\n2.2. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] tot wedertewerkstelling als Spuiter toe en veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten. Aan een beslissing op de door [gedaagde] voorwaardelijk ingestelde eis in reconventie komt de kantonrechter niet toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.\n\n [gedaagde] moet [eiser] tewerkstellen in de functie van Spuiter\n\n2.3. De schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen bevat geen eenzijdig wijzigingsbeding. Daarom moet de vraag tot welke gevolgen een wijziging van de omstandigheden voor een individuele arbeidsrelatie kan leiden, worden getoetst aan de drievoudige (redelijkheids)toets die de Hoge Raad in het [naam] \u002F [naam] -arrest (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847) tot uitdrukking heeft gebracht. Deze toets houdt in dat een werknemer positief op een voorstel van de werkgever tot wijziging van de arbeidsovereenkomst moet reageren als:\n\nsprake is van gewijzigde omstandigheden waarin de werkgever als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden;\n\nde werkgever een redelijk voorstel doet;\n\naanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer kan worden gevergd.\n\n2.4. Tussen partijen staat vast dat de functie van Spuiter een solistische functie is en dat het een bedrijfskritische functie betreft. Het spuiten is de laatste stap in het productieproces. Als de spuitcapaciteit wegvalt, kunnen de producten niet worden afgerond en uitgeleverd.\n\n2.5. De aanleiding voor [gedaagde] om de functie van [eiser] te wijzigen is het ziekteverzuim van [eiser] . Sinds 2006 is zijn verzuimpercentage gemiddeld 31,88%. Volgens [gedaagde] ontbreekt door het verzuim de voorspelbaarheid en de continuïteit die voor de functie van Spuiter noodzakelijk is. [gedaagde] heeft een tweede spuiter aangewezen voor het geval de Spuiter uitvalt. De tweede spuiter is iemand die de functie van Monteur vervult en een toeslag ontvangt als hij moet inspringen als spuiter. Volgens [gedaagde] is deze oplossing al jaren kwetsbaar. Tot 1 juli 2024 was er nog een derde vervangende spuiter, maar nu die niet meer werkzaam is bij [gedaagde] is de situatie onhoudbaar geworden, aldus [gedaagde] .\n\n2.6. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die nopen tot een wijziging van de functie van [eiser] . Het hoge ziekteverzuim van [eiser] speelt al jaren. Niet is gesteld en onderbouwd dat de door [gedaagde] gekozen constructie, waarbij zij de Spuiter ( [eiser] ) bij afwezigheid laat vervangen door de tweede spuiter, eerder tot problemen heeft geleid. Integendeel, [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling na vragen van de kantonrechter verklaard dat de constructie tot heden geen problemen heeft opgeleverd. [eiser] heeft ook onweersproken naar voren gebracht dat de constructie al bijna 25 jaar bestaat. Verder is niet gesteld en onderbouwd dat voorzienbaar is dat het vervullen van de functie van Spuiter door [eiser] vanaf heden problemen gaat opleveren voor de bedrijfsvoering.2.7. \n [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij de persoon die de functie van Monteur en tweede spuiter vervulde tot Spuiter heeft benoemd tijdens de arbeidsongeschiktheid van [eiser] . Daar heeft zij aan toegevoegd dat zij het die persoon gunde om Spuiter te worden omdat hij al geruime tijd veel inviel als spuiter en dat hij had aangekondigd anders te vertrekken. De kantonrechter is van oordeel dat dit een omstandigheid is die voor rekening en risico van [gedaagde] komt. Die maakt niet dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven tot wijziging van de functie van [eiser] . Overigens had het op de weg van [gedaagde] als goed werkgever gelegen om over de benoeming van de ander tot Spuiter zelf tijdig te communiceren met [eiser] . Dat [eiser] dat van een andere collega moest vernemen tijdens zijn latere re-integratie is niet hoe het hoort.\n\n2.8. Het voorgaande betekent dat de andere voorwaarden uit het [naam] \u002F [naam] -arrest niet meer besproken hoeven te worden. De vordering van [eiser] tot wedertewerkstelling als Spuiter onder de oorspronkelijke arbeidsvoorwaarden wordt toegewezen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00.\n\nAfwijzing verbod nieuwe functiewijziging\n\n2.9. \n [eiser] vordert nog dat het [gedaagde] wordt verboden om zonder zijn instemming de functie opnieuw te wijzigen. Deze vordering wordt afgewezen. Zoals [gedaagde] terecht aanvoert kunnen er nieuwe omstandigheden ontstaan die aanleiding geven voor een herhaald wijzigingsvoorstel.\n\nOp de eis in reconventie hoeft niet te worden beslist\n\n2.10. De eis in reconventie is voorwaardelijk ingesteld. Nu de aan die eis door [gedaagde] verbonden voorwaarde niet is vervuld, hoeft op de vorderingen in reconventie geen beslissing te worden gegeven.\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n2.11. Gelet op de uitkomst van de procedure moet [gedaagde] de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n148,04\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n576,00\n\n(2 punten × € 288,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n961,04\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n2.12. De veroordelingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1. \n\nveroordeelt [gedaagde] om [eiser] binnen zeven dagen na betekening van het vonnis tewerk te stellen in zijn oorspronkelijke functie van Spuiter, onder de oorspronkelijke arbeidsvoorwaarden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag gedurende welke [gedaagde] niet hieraan gehoor zal geven, met een maximum van\n\n€ 50.000,00;\n\n3.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 961,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.4. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n13702","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3728","2026-07-13T00:28:54.157Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":43,"courtId":84,"decisionDate":67,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":51,"updatedAt":87},"479","ECLI:NL:RBLIM:2026:5820","ecli-nl-rblim-2026-5820",66,"RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: 12191805 \\ CV EXPL 26-1957\n\nVonnis in kort geding van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. E.G.W. Hendriks,\n\ntegen\n\nDE BESLOTEN VENNOOTSCHAP MET BEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID [werkgever] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\ngemachtigde: mr. F.M.C. van Helmond.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- het e-mailbericht van 1 juni 2026 van mr. Hendriks met nadere producties - de mondelinge behandeling van 2 juni 2026 - de pleitnota van de gemachtigde van [werknemer] .\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] is met ingang van 23 september 2024 bij [werkgever] in dienst getreden voor de duur van twaalf maanden. De laatste arbeidsovereenkomst is aangegaan met ingang van 23 september 2025 voor de duur van twaalf maanden. [werknemer] vervult de functie van beroepsmatige verkeersregelaar voor minimaal 24 uur per week, tegen een uurloon van € 15,00 bruto, vermeerderd met 8% vakantiegeld (productie 1 van [werknemer] ).\n\n2.2.. \n [werknemer] heeft zich op 18 december 2025 ziekgemeld vanwege psychische klachten. Op 19 december 2025 heeft er een fysiek gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] en [werkgever] . Op 31 december 2025 en 2 januari 2026 heeft er een telefonisch gesprek tussen partijen plaatsgevonden.\n\n2.3.. Op 2 januari 2026 heeft [werknemer] zich voor de tweede keer ziekgemeld.\n\n2.4.. \n\nOp 6 januari 2026 is [werknemer] op het spreekuur bij [bedrijfsarts 1] geweest (productie 6 van [werknemer] ). De bedrijfsarts adviseert onder meer als volgt:\n\n“Betrokkene is tijdelijk is uitgevallen voor haar eigen werkzaamheden.\n\nGeadviseerd wordt over twee weken een koffiemoment in te plannen met de werkgever.\n\nHierna wordt geadviseerd om invulling en structuur te geven aan de week d.m.v. laagdrempelig arbeidstherapeutisch werk. Start dan met 3 dagdelen van maximaal 4 uur\n\nin werk zonder tijdsdruk, zonder klantcontact, zonder deadlines, zonder hoge verantwoording.”\n\n2.5.. Op 9 januari 2026 heeft [werknemer] een second opinion aangevraagd.\n\n2.6.. \n\nOp 20 januari 2026 heeft er een koffiemoment tussen partijen plaatsgevonden.\n\nOp 26 januari 2026 heeft er een aansluitend telefonisch overleg plaatsgevonden tussen partijen.\n\nNaar aanleiding van dit gesprek heeft [werkgever] op 26 januari 2026 een e-mailbericht gestuurd aan [werknemer] , waarin zij schrijft dat partijen gezamenlijk hebben besloten om het advies van de bedrijfsarts iets te wijzigen en hier een eigen invulling aan te geven; “Wij hebben gezamenlijk besloten om te starten met kortere diensten van maximaal 5 uur per week, waarbij jij omstreeks de 12 uur, gelijk aan het advies van de arboarts zal gaan werken in jouw eigen functie als beroepsmatig verkeersregelaar.” (productie 8 van [werknemer] ).\n\n2.7.. \n\n [werknemer] heeft naar aanleiding van voornoemd e-mailbericht van [werkgever] per e-mailbericht van 26 januari 2026 als volgt gereageerd:\n\n“Hallo, dit klopt. Hopelijk gaat het me lukken. En ga ik niet alsnog te snel. Maar ik ga me best doen.” (productie 8 van [werknemer] ).\n\n2.8.. De heer [casemanager] , casemanager van de Arbodienst, heeft bij e-mailbericht van 26 januari 2026 onder meer geschreven dat het mogelijk is om af te wijken van het advies van de bedrijfsarts, als de werknemer aangeeft hiermee akkoord te gaan (productie 5 van [werkgever] ).\n\n2.9.. \n\nBij e-mailbericht van 28 januari 2026 heeft [werknemer] zich opnieuw ziekgemeld. [werknemer] geeft hierin onder meer het volgende aan:\n\n“Ik ben vandaag weer bij de huisarts geweest. (..) Ik zit op moment thuis. Met burn-out en depressie. Hierdoor kan ik toch niet starten volgende week met werken. Dit omdat mijn gezondheid me voorgaat. Verder om de stress te verminderen wens ik ook dat het contact verder verloopt via de mail.\n\nDit omdat ik veel te makkelijk beinvloedbaar ben en me daardoor veel te makkelijk laat ompraten en toch weer de druk voel om ja te zeggen en daar wil ik vanaf. (..)”\n\n(productie 9 van [werknemer] ).\n\n2.10.. \n\nBij e-mailbericht van 29 januari 2026 heeft [werkgever] aangegeven het salaris met ingang van die week tijdelijk stop te zetten (productie 9 van [werknemer] ).\n\nDit is nogmaals bevestigd bij brief van de gemachtigde van [werkgever] van 29 januari 2026. In de brief staat onder meer het volgende opgenomen:\n\n“ (..) U heeft zelf aangegeven graag naar buiten te willen. Uw werkgever heeft hier in mee gedacht en met akkoord van de bedrijfsarts zou u kunnen starten met buitenwerk.\n\nEvenwel heeft u nu aangegeven pas vanaf media maart te willen starten met deze vervangende werkzaamheden, omdat u eerst uw (nieuwe) honden zou willen trainen. U weigert daarmee überhaupt werkzaamheden uit te voeren. (..).\n\nDoor zonder deugdelijke grond na te laten de u aangeboden passende werkzaamheden te verrichten, belemmert en vertraagt u uw re-integratie.\n\nDe werkgever ziet zich dan ook genoodzaakt (..) met onmiddellijke ingang de doorbetaling van het loon te stoppen tot het moment waarop u aan al uw re-integratieverplichtingen voldoet. Alvorens uw werkgever daartoe overgaat, ontvangt u een waarschuwing.\n\n(..). Ik verzoek en voor zover nodig sommeer ik u om u op 2 februari 2026 om 07.30 uur te melden conform de planning voor het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden. (..).(productie 10 van [werknemer] ).\n\n2.11.. Bij brief van de gemachtigde van [werkgever] van 2 februari 2026 is aan [werknemer] de loonbetalingen per direct stopgezet (productie 6 van [werkgever] ).\n\n2.12.. \n [werknemer] heeft op 12 februari 2026 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV over de vraag of zij aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan (productie 8 van [werkgever] ).\n\n2.13.. Bij brief van 14 februari 2026 heeft de gemachtigde van [werknemer] gereageerd op de brief van de gemachtigde van [werkgever] van 29 januari 2026 (productie 11 van [werknemer] ).\n\n2.14.. \n\nOp 6 maart 2026 is [werknemer] door [bedrijfsarts 2] beoordeeld in het kader van de door [werknemer] aangevraagde second opinion. De second opinion arts schrijft onder meer het volgende:\n\n“Ik ben het eens met het advies d.d. 6-1-2026 van de POB’er\u002FBedrijfsarts (..).\n\nOp grond van hetgeen mevrouw mij vertelt bood de werkgever haar vervolgens haar eigen (niet passende) werk aan. Logischerwijs is zij daarin niet hervat.” (productie 12 van [werknemer] ).\n\n2.15.. Het UWV heeft op 25 maart 2026 een deskundigenrapport uitgebracht. De conclusie van de deskundige luidt: “De client is per geschildatum niet geschikt te achten voor het uitvoeren van de bedongen arbeid. Zie de beschouwing” (productie 13 van [werknemer] ).\n\n2.16.. \n\nOp 13 mei 2026 is [werknemer] op het spreekuur van [bedrijfsarts 3] geweest.\n\nDe bedrijfsarts schrijft onder meer het volgende:\n\n“Beperkingen: Er is geen verandering opgetreden in de reeds eerder beschreven beperkingen.\n\nMogelijkheden in eigen werkzaamheden\u002FMogelijkheden in vervangende werkzaamheden: ik vraag medische informatie op bij de behandelaar om een beter beeld te krijgen. Verder re-integratieadvies zal hierna vorm gegeven worden.”\n\n2.17.. \n\n [werkgever] heeft een onderzoeksbureau (bedrijfsrecherche) ingeschakeld, omdat zij vermoedens had dat [werknemer] elders werkzaamheden verrichte.\n\n [werknemer] is op 20 mei, 21 mei en 26 mei 2026 door het onderzoeksbureau geobserveerd. Het verslag van het onderzoeksbureau van 27 mei 2026 is als productie 10 door [werkgever] overgelegd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [werknemer] vordert - samengevat - de veroordeling van [werkgever] tot betaling van:\n\n1. het achterstallige salaris over de maanden februari en maart 2026 (de kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [werknemer] dat waar in het petitum onder 1 is opgenomen\n\n‘de maanden en februari 2026’ hiermee de maanden februari en maart 2026 wordt bedoeld) ad € 4.844,66 bruto per maand te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, te voldoen binnen twee dagen na 17 juni 2026, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,\n\n2. het maandelijkse loon ad € 2.422,33 bruto vanaf april 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, met afgifte van de betreffende salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,\n\n3. het loon over de maand september 2025, december 2025 en januari 2026 aan te vullen tot een bruto maandloon van € 2.422,33 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, met afgifte van de betreffende salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,\n\n4. de kosten van het deskundigenoordeel van het UWV ad € 100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n5. de kosten van de procedure.\n\n3.2.. \n [werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [werknemer] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat het spoedeisende belang ten aanzien van de vorderingen in de aard van die vorderingen ligt besloten. De gestelde spoedeisendheid van deze vordering is door [werknemer] bovendien voldoende aannemelijk gemaakt en door [werkgever] niet weersproken. [werknemer] is daarom ontvankelijk in haar vordering.\n\nUitgangspunt inhoudelijke beoordeling in kort geding\n\n4.2.. \n\nBij de beoordeling van de vordering van [werknemer] neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat deze vorderingen alleen toewijsbaar zijn in het geval zij voldoende aannemelijk maakt dat deze in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.\n\nAls uitgangspunt geldt hiernaast dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.\n\nDe beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.\n\nLoonstop\n\n4.3.. \n\nOp grond van artikel 7:629 lid 1 BW is een werkgever gehouden om bij ziekte van een werknemer het loon door te betalen, tenzij zich een van de in lid 3 genoemde uitzonde-ringsgronden voordoet. Volgens [werkgever] is hier sprake van. Op het moment van de loonstop was er sprake van weigering van passende arbeid c.q. onvoldoende medewerking aan re-integratie in de zin van artikel 7:629 lid 3 BW (sub c), aldus [werkgever] .\n\nDe kern van het geschil tussen partijen is dan ook de vraag of door [werkgever] terecht een loonstop is opgelegd vanaf februari 2026. De kantonrechter zal, gezien de stellingen van partijen over en weer, de loonstop hierna over een aantal periodes verdelen en beoordelen.\n\nPeriode 2 februari 2026 (aanvang loonstop) tot 6 maart 2026\n\n4.4.. \n [werkgever] erkent dat [werknemer] zich op 28 januari 2026 (weer) ziek heeft gemeld. [werkgever] voert aan dat deze ziekmelding op gespannen voet staat met de kort daarvoor tussen partijen gemaakte afspraken over gefaseerde hervatting in de eigen werkzaamheden. Omdat [werknemer] zich niet aan de afspraak hield heeft ze op 2 februari 2026 de doorbetaling van het loon gestopt.\n\n4.5.. \n\nUit het verslag van de bedrijfsarts van 6 januari 2026 volgt dat aan [werknemer] laagdrempelig arbeidstherapeutisch werk wordt geadviseerd van drie dagdelen van maximaal 4 uur per dag zonder tijdsdruk, zonder klantcontact, zonder deadlines, zonder hoge verantwoording.\n\nVolgens [werkgever] hebben partijen hiervan afgeweken en hebben zij op 26 januari 2026 gezamenlijk besloten dat [werknemer] weer zal gaan werken in haar eigen functie als verkeersregelaar. Dat dit was toegestaan blijkt volgens [werkgever] uit de bevestiging in het e-mailbericht van 26 januari 2026 van de heer [casemanager] , casemanager van de Arbodienst.\n\n [werkgever] stelt zich op het standpunt dat [werknemer] zelf had aangegeven dat zij weer buitenwerkzaamheden (lees; haar eigen werkzaamheden) wilde gaan doen, maar volgens [werknemer] is dat niet juist. Volgens [werknemer] had [werkgever] op haar vraag of er aangepast werk aanwezig was, ontkennend geantwoord. Ze was vervolgens niet in staat om goed voor haarzelf op te komen en is daarom akkoord gegaan met werken in haar eigen functie.\n\n4.6.. \n\nDe kantonrechter is van oordeel dat, nu [werknemer] zich op 28 januari 2026 opnieuw ziek had gemeld, het op de weg van [werkgever] had gelegen om ook opnieuw de bedrijfsarts in te schakelen.\n\nHierbij kan in het midden blijven wat partijen wel of niet met elkaar hadden afgesproken op 20 januari 2026 en 26 januari 2026 naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts van 6 januari 2026.\n\nUit de ziekmelding van 28 januari 2026 had [werkgever] kunnen afleiden dat [werknemer] zich op het standpunt stelde dat zij zich ( [werknemer] spreekt over een burn-out en depressie) niet aan de gemaakte afspraken kon houden. Het is niet aan de werkgever om te beoordelen of dit juist is. Bovendien ziet het e-mailbericht van de heer [casemanager] van 26 januari 2026 niet op een medische beoordeling over de mogelijkheid tot het verrichten van de eigen werkzaamheden door [werknemer] , maar wordt uitsluitend aangegeven dat het mogelijk is om af te wijken van het advies van de bedrijfsarts, als de werknemer hiermee akkoord gaat.\n\n4.7.. \n\n [werkgever] stelt verder dat zij aan [werknemer] (al dan niet op een later moment) ook vervangende arbeidstherapeutische werkzaamheden heeft aangeboden, doch dat [werknemer] daar geen gebruik van heeft gemaakt, waardoor [werknemer] zich heeft onttrokken van haar re-integratieverplichtingen. Dit standpunt kan eveneens niet slagen.\n\nUit de overgelegde correspondentie (productie 11 van [werknemer] ) volgt slechts een algemeen aanbod om deze werkzaamheden te komen verrichten, zonder nadere toelichting wat deze werkzaamheden concreet inhouden en hoe het opbouwschema er in dat geval uit zou zien, een en ander conform het advies van de bedrijfsarts. Een algemeen aanbod van [werkgever] is in ieder geval onvoldoende. Het is aan de werkgever om deze werkzaamheden aan de werknemer concreet aan te bieden.\n\nBovendien heeft [werknemer] in haar e-mailbericht van 28 januari 2026 aangegeven dat zij niet kon starten met werken, waaruit [werkgever] had kunnen afleiden dat zij ook geen vervangende werkzaamheden kon verrichten.\n\n4.8.. Nu [werknemer] eerst op 6 maart 2026 (in het kader van een second opinion) door een bedrijfsarts is gezien, is de loonstop onterecht opgelegd en dient het salaris over deze periode door [werkgever] te worden doorbetaald.\n\n4.9.. Daarnaast geldt voor deze periode eveneens de beoordeling in overwegingen 4.10 en verder, met betrekking tot het deskundigenoordeel.\n\nPeriode 6 maart 2026 tot 25 maart 2026\n\n4.10.. De bedrijfsarts heeft op 6 maart 2026 in het kader van de second opinion geoordeeld dat hij zich aansluit bij het eerdere advies van de bedrijfsarts van 6 januari 2026 en dat het logisch is dat [werknemer] niet haar eigen werkzaamheden heeft hervat. Vervolgens heeft het UWV een deskundigenrapport opgemaakt op 25 maart 2026. Het UWV komt tot de conclusie dat [werknemer] per geschildatum, dat wil zeggen met ingang van de in de vraagstelling opgenomen periode vanaf 18 december 2025 tot aan de datum van het deskundigenrapport op 25 maart 2026, niet geschikt te achten is voor het uitvoeren van de bedongen arbeid.\n\n4.11.. \n\n [werkgever] stelt zich op het standpunt dat het rapport van het UWV is gebaseerd op een door [werknemer] onjuist geschetste feitencomplex met betrekking tot de gemaakte re-integratieafspraken, haar instemming met een gefaseerde hervatting in de eigen werkzaamheden en de uitkomsten over de second opinion.\n\nDe kantonrechter volgt [werkgever] hierin niet. In de sociaal-medische beoordeling van [werknemer] heeft de deskundige onder meer het volgende verklaard:\n\n“Op het moment is de situatie als volgt.\n\nOp basis van de gegevens uit de anamnese, dagverhaal, onderzoek psyche, observatie tijdens spreekuur en de beschikbare dossiergegevens is het consistent en plausibel dat cliënt momenteel lijdt aan een ernstige psychische stoornis (..).\n\nIn het kader van de aanvraag deskundigenoordeel het volgende: cliënt kan, in deze toestand, echt niet werken. De vraagstelling van werknemer was dat of zij genoeg heeft gedaan om weer aan het werk te gaan. Wat mij betreft is het antwoord ‘ja’. Bovenstaande zal worden overlegd met de bedrijfsarts waarna het definitieve oordeel volgt. Wat betreft de concrete vraagstelling van de arbeidsdeskundige kan ik kort zijn. Er is sprake van geen benutbare mogelijkheden (..)\n\nConclusie\n\nDe cliënt is per geschildatum niet geschikt te achten voor het uitvoeren van de bedongen arbeid.”.\n\n4.12.. \n\nVoor zover [werkgever] zich op het standpunt stelt dat de deskundige bij zijn onderzoek geen informatie bij haar heeft opgehaald, geldt dat de focus op de medische situatie van de werknemer ligt en de werkgever geen medische partij is.\n\nDe deskundige heeft in dit geval de belastbaarheid beoordeeld op basis van eigen onderzoek en daarnaast op basis van de verkregen gegevens van de second opinion arts. De deskundige heeft getracht informatie op te halen van de primaire [bedrijfsarts 2] , maar uit het rapport blijkt dat dit niet is gelukt.\n\nDe kantonrechter ziet, in het kader van dit kort geding, geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van het deskundigenoordeel van het UWV.\n\n4.13.. Het voorgaande betekent dat [werknemer] een geldige reden had om niet mee te werken aan haar re-integratie, haar geen concrete passende arbeid is aangeboden en in het geval hier wel sprake van is geweest, er sprake is geweest van een deugdelijke grond om deze te weigeren. Dat betekent dat de loonstop over deze periode onterecht is opgelegd en het salaris door [werkgever] alsnog dient te worden betaald.\n\nPeriode vanaf 25 maart 2026\n\n4.14.. \n\n [werknemer] is op 13 mei 2026 gezien op het spreekuur van [bedrijfsarts 3] . De bedrijfsarts heeft aangegeven dat er geen verandering is opgetreden in de al eerder beschreven beperkingen. Ten aanzien van de mogelijkheden in eigen werkzaamheden danwel vervangende werkzaamheden heeft de bedrijfsarts aangegeven medische informatie op te vragen bij de behandelaar om een beter beeld te krijgen en dat verdere re-integratie-advies hierna vorm zal worden gegeven.\n\nDat betekent dat, nu de bedrijfsarts op 13 mei 2026 geen uitspraak heeft kunnen doen over het hervatten van de eigen danwel vervangende werkzaamheden, de bevindingen uit het deskundigenrapport het uitgangspunt blijft totdat [werknemer] opnieuw bij het spreekuur van de bedrijfsarts is geweest.\n\n4.15.. \n\n [werkgever] stelt zich op het standpunt dat uit het rechercheonderzoek van Recherche Bureau Zuid volgt dat [werknemer] tijdens haar ziekteverzuim in mei 2026 feitelijk werkzaamheden heeft verricht bij een autopoetsbedrijf. Volgens [werkgever] komt dit niet overeen met het standpunt van [werknemer] dat zij volledig arbeidsonge-geschikt is en geen enkele re-integratie kan verrichten.\n\n [werknemer] heeft tijdens de zitting op vraag van de kantonrechter waarom zij deze werkzaamheden heeft verricht en waarom zij dit niet vooraf bij [werkgever] had gemeld, geantwoord dat zij niet wist dat het een verplichting was om dit aan haar werkgever te melden en dat haar door de bedrijfsarts was geadviseerd om zich niet in huis op te sluiten.\n\nVolgen [werknemer] had een kennis van haar moeder haar aangeboden om als afleiding te komen helpen bij de autowasserette. Dat heeft zij drie keer gedurende een aantal uren gedaan. [werknemer] heeft hier geen salaris voor ontvangen. Dit alles is niet door [werkgever] betwist.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat het verstandiger was geweest als [werknemer] eerst toestemming aan [werkgever] had gevraagd, maar dat onder de geschetste omstandigheden niet blijkt dat [werknemer] nevenwerkzaamheden tijdens ziekte heeft verricht, die zodanig zijn geweest dat deze een loonstop rechtvaardigen.\n\nConclusie\n\n4.16.. Op grond van de voorgaande overwegingen is de conclusie gerechtvaardigd dat de loonstop onterecht is opgelegd en het salaris vanaf de loonstop moet worden betaald.\n\nHoogte van het brutosalaris\n\n4.17.. Partijen verschillen verder van mening over de hoogte van het bruto maandsalaris van [werknemer] . [werknemer] beroept zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Volgens [werknemer] is er sprake van een hogere arbeidsomvang per maand dan het in de arbeidsovereenkomst vastgestelde minimum van 24 uur (104 uur per maand), uitgaande van de gewerkte uren in de drie maanden (september, oktober en november 2025) voorafgaande aan haar ziekmelding op 18 december 2025. Daarom heeft zij vanaf september 2025 recht op een brutosalaris van € 2.422,33 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en emolumenten, aldus [werknemer] .\n\n4.18.. Volgens [werkgever] vormen de maanden september tot en met november 2025 geen representatieve afspiegeling van de gemiddelde arbeidsomvang, omdat dit de piekperiodes betreft binnen haar bedrijfsvoering. [werkgever] heeft een urenoverzicht van de door [werknemer] gewerkte uren in 2024 en 2025 en een uitdraai van het maandelijks planningsysteem overgelegd, waaruit dit volgens haar blijkt (productie 15 en 16).\n\n4.19.. \n\nDe kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] het vermoeden, dat de gemiddelde arbeidsomvang die na berekening, uitgaande van een salaris van € 2.422,33 bruto per maand, 161,49 uren per maand zou bedragen, heeft weerlegd. Uit de met stukken onderbouwde stellingen van [werkgever] volgt voldoende dat de arbeid zich in pieken en dalen aandient en dat de periode van drie maanden voorafgaande aan de ziekmelding daarom geen representatieve arbeidsperiode is voor de berekening van de gemiddelde arbeidsomvang per maand.\n\n In het overzicht van [werkgever] is te zien dat de maanden oktober en november in 2024 en in 2025 (maar ook maart en april 2025) veel meer uren is gewerkt dan in de overige maanden van het jaar. Dit is niet weersproken door [werknemer] .\n\n4.20.. \n\n [werkgever] stelt verder dat, als de piekmaanden november en december buiten beschouwing worden gelaten, berekend over het jaar 2025 er sprake is van een gemiddelde arbeidsomvang van 104 uren per maand.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat dit standpunt niet kan slagen.\n\nUitgaande van een representatieve arbeidsperiode die ziet op het gehele jaar 2025 dienen alle gewerkte maanden in de berekening te worden meegenomen, met uitzondering van de maand december 2025, omdat [werknemer] vanaf 18 december 2025 wegens ziekte niet heeft kunnen werken. Dat betekent dat, uitgaande van het totaal aantal feitelijk gewerkte uren over de periode januari tot en met november 2025, zijnde 1.333,25, de gemiddelde arbeidsomvang 121,20 uren per maand bedraagt. Het daarbij behorende salaris per maand bedraagt € 1.818,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Van dit bedrag zal dan ook worden uitgegaan.\n\nSalaris vanaf februari 2026\n\n4.21.. Nu [werkgever] vanaf februari 2026 geen salaris meer aan [werknemer] heeft betaald, wordt zij veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [werknemer] het salaris van € 1.818,00 bruto per maand te betalen, vanaf februari 2026 tot aan de datum van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling.\n\n4.22.. \n\nHet salaris vanaf 17 juni 2026 wordt afgewezen, omdat dit niet door [werknemer] is onderbouwd. Het spoedeisend belang hiervan is eveneens niet gebleken.\n\nBovendien is onduidelijk of het loon vanaf heden ook daadwerkelijk verschuldigd wordt.\n\n4.23.. De kantonrechter ziet redenen om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen naar 25%. [werkgever] is er vanwege de geschetste omstandigheden vanuit gegaan dat zij niet gehouden was om het loon te betalen en dat zij op terechte gronden een loonstop had opgelegd. Er is geen sprake van een situatie waarbij de werkgever over de gehele periode het loon tegen beter weten in niet aan de werknemer heeft betaald. Dit is een omstandigheid die matiging rechtvaardigt.\n\nAanvulling salaris over de maanden september 2025, december 2025 en januari 2026\n\n4.24.. \n\n [werknemer] stelt zich op het standpunt dat [werkgever] gehouden is het loon over september 2025, december 2025 en januari 2026 te corrigeren tot een bedrag van € 2.422,33. Nu eerder is vastgesteld dat uitgegaan moet worden van een salaris van\n\n€ 1.818,00 bruto per maand, zal de vordering tot aanvulling van het salaris over de maanden september 2025 en januari 2026 worden toegewezen tot een bedrag van € 1.818,00 bruto per maand.\n\n4.25.. \n\nTen aanzien van de maand december 2025 heeft [werkgever] zich onweersproken op het standpunt gesteld dat op grond van de arbeidsovereenkomst bij ziekte twee wachtdagen wordt aangehouden.\n\nDe kantonrechter zal de vordering tot aanvulling van het salaris over de maand december 2025 dan ook toewijzen, zoals in de beslissing vermeld.\n\n4.26.. \n\nDe wettelijke rente wordt toegewezen over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling.\n\nDe wettelijke verhoging wordt in dit geval eveneens gematigd tot 25%.\n\nAfgifte salarisspecificaties en dwangsom\n\n4.27.. De gevorderde afgifte van de salarisspecificaties is toewijsbaar. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. [werknemer] heeft niet onderbouwd op grond waarvan zij deze vordert. Bovendien heeft zij de stelling van [werkgever] , dat zij vrijwillig aan een veroordeling tot het verstrekken van salarisspecificaties zal voldoen, niet weersproken.\n\nKosten deskundigenoordeel\n\n4.28.. \n\n [werknemer] stelt dat zij € 100,00 aan kosten heeft moeten maken voor het aanvragen van een deskundigenoordeel. [werkgever] betwist de gevorderde kosten verschuldigd te zijn. Het feit dat een deskundigenoordeel in kort geding niet verplicht is betekent niet dat een deskundigenoordeel niet van belang kan zijn voor de beoordeling in kort geding, zoals ook nu is gebleken. [werknemer] heeft het deskundigenoordeel aangevraagd omdat [werkgever] over was gegaan tot een salarisstop. Nu de kantonrechter, in het kader van dit kort geding heeft geoordeeld dat de loonstop onterecht is geweest, dient [werkgever] de kosten van het deskundigenoordeel te vergoeden.\n\nDe vordering is toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling.\n\nProceskosten\n\n4.29.. \n [werkgever] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [werknemer] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [werkgever] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.4.30.. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.102,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] binnen twee dagen na betekening van het vonnis het salaris van € 1.818,00 bruto per maand te betalen, vanaf februari 2026 tot 17 juni 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging van 25%,\n\n5.2.. veroordeelt [werkgever] om het salaris over de maanden september 2025, december 2025 en januari 2026 aan te vullen tot € 1.818,00 bruto per maand, waarbij over de maand december 2025 over de eerste twee ziektedagen geen loon verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging van 25%,\n\n5.3.. veroordeelt [werkgever] tot afgifte van de op overweging 5.1. en 5.2. van toepassing zijnde salarisspecificaties,\n\n5.4.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van € 100,00 aan kosten deskundigenoordeel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,\n\n5.5.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op\n\n17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5820","2026-07-13T00:28:32.503Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":43,"courtId":92,"decisionDate":67,"fullText":93,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":95},"723","ECLI:NL:RBMNE:2026:3738","ecli-nl-rbmne-2026-3738",79,"RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12129131 \\ ME VERZ 26-36\n\nBeschikking van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\ngemachtigde: mr. M.J.M. Groen, advocaat in Almere,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap onder firma\n\nV.O.F. [verweerster sub 3] ,\n\ntevens handelend onder de naam [handelsnaam] ,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nvertegenwoordigd door de verwerende partijen onder 2 en 3,\n\n2. [verweerder sub 2] ,\n\nvennoot van de verwerende partij onder 1,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nprocederend in persoon, 3. DEBORA [verweerster sub 3] ,\n\nvennoot van de verwerende partij onder 1,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nprocederend in persoon, 4. [verweerster sub 4] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\ngemachtigde: mr. J. Bos, advocaat te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna afzonderlijk [verzoekster] , de vof, [verweerder sub 2] , [verweerster sub 3] en [verweerster sub 4] genoemd worden. De vof, [verweerder sub 2] , [verweerster sub 3] en [verweerster sub 4] zullen hierna gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) de [verweerster] genoemd worden.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:\n\n- het verzoekschrift van [verzoekster] met 19 producties;\n\n- het verweerschrift van [verweerster sub 4] met 7 producties;\n\n- de aanvullende producties 20 tot en met 26 van [verzoekster] .\n\n1.2. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. [verzoekster] is verschenen, in aanwezigheid van haar echtgenoot, en bijgestaan door\n\nmr. Groen. Verder zijn [verweerder sub 2] , [verweerster sub 3] en mr. Bos verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is met partijen. Mr. Groen en [verweerster sub 3] hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. Mr. Bos heeft nog twee aanvullende producties overgelegd.\n\n1.3. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. Waar gaat deze zaak over?\n\n2.1. \n [verzoekster] is op 19 januari 2024 als oproepkracht in dienst getreden bij de vof als [functie] voor zeven maanden. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Bakkersbedrijf van toepassing verklaard. De arbeidsovereenkomst is verschillende keren verlengd. In discussie is of er in de loop van de tijd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Verder is in geschil of [verzoekster] nog recht heeft op achterstallig salaris. [verweerster sub 4] stelt dat zij de rechtsopvolgster is van de vof.\n\n3. Wat beslist de kantonrechter?\n\n3.1. De kantonrechter volgt het standpunt van de [verweerster] en oordeelt dat de arbeidsovereenkomst per 19 januari 2026 van rechtswege is geëindigd. De kantonrechter veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk tot betaling aan [verzoekster] van achterstallig salaris, de wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Ook wordt zij hoofdelijk veroordeeld om specificaties aan [verzoekster] te verstrekken en om de proceskosten te betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.\n\n [verweerster sub 4]\n\n3.2. \n [verzoekster] heeft de arbeidsovereenkomst gesloten met de vof. [verweerder sub 2] en [verweerster sub 3] zijn als vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de verbintenissen van de vennootschap. Door de [verweerster] wordt gesteld dat er in de tweede helft van 2025 een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden en dat de vof haar onderneming heeft overgedragen aan [verweerster sub 4] . Omdat aan die stelling weinig handen en voeten is gegeven kan de juistheid ervan niet worden vastgesteld. De kantonrechter zal [verweerster sub 4] echter wel als werkgeefster meenemen in haar beoordeling, gelet op haar verzoek daartoe, voor het geval inderdaad sprake is geweest van een overgang van onderneming en zal daarom, zoals hierna zal volgen, worden veroordeeld in de verzoeken die toewijsbaar zijn. Op grond van artikel 7:663, tweede volzin, Burgerlijk Wetboek (BW) is de vof overigens nog gedurende een jaar na de eventuele overgang naast [verweerster sub 4] hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, die zijn ontstaan vóór de eventuele overgang.\n\nDe arbeidsovereenkomst is per 19 januari 2026 is geëindigd\n\n3.3. In artikel 7:668a lid 1 BW is een ketenregeling opgenomen die van toepassing is op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Die houdt onder andere in dat wanneer tussen dezelfde partijen meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd, met tussenpozen van ten hoogste zes maanden, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd.\n\n3.4. \n\nVaststaat dat de eerste arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en de vof zeven maanden duurde, van 19 januari 2024 tot 19 augustus 2024. Daarna is deze schriftelijk verlengd met zeven maanden tot 19 maart 2025. Over de gang van zaken daarna zijn partijen het oneens. Volgens [verzoekster] is de arbeidsovereenkomst na\n\n19 maart 2025 stilzwijgend verlengd en zijn partijen in mei 2025 schriftelijk een verlenging tot 19 januari 2026 overeengekomen. Gelet op de ketenbepaling van 7:668a lid 1 BW is met die laatste verlenging een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan, aldus [verzoekster] . Volgens de [verweerster] is de arbeidsovereenkomst na 19 maart 2025 met tien maanden schriftelijk verlengd tot 19 januari 2026 en is de arbeidsovereenkomst per laatstgenoemde datum van rechtswege geëindigd.\n\n3.5. Beide partijen verwijzen naar hetzelfde schriftelijk en door beide partijen ondertekende stuk waarin staat dat de arbeidsovereenkomst is verlengd en eindigt op 18 januari 2026 om 00.00 uur (productie 4 bij het verzoekschrift). Het stuk is niet gedateerd. De [verweerster] heeft gewezen op een printscreen waaruit volgens haar volgt dat [verweerster sub 3] het ondertekende stuk op 25 februari 2025 heeft geüpload in haar administratiesysteem. [verzoekster] betoogt dat uit de printscreen niet blijkt welk stuk er is geüpload en dat het eenvoudig is om de uploaddatum aan te passen. De kantonrechter heeft evenwel geen reden om te twijfelen aan de stelling van de vof dat de printscreen betrekking heeft op de betreffende verlenging. De [verweerster] heeft uiteengezet dat bewust is gekozen voor een verlenging van tien maanden na de eerdere twee arbeidsovereenkomsten van steeds zeven maanden, zodat zij zou uitkomen op een totale arbeidsduur van twee jaar. Dat de verlenging is overeengekomen voordat de arbeidsovereenkomst per 19 maart 2025 eindigde, past verder bij de omstandigheden dat de eerdere verlenging ook tijdig is overeengekomen (namelijk al op 24 juli 2024) en dat tijdig (bij brief van 10 december 2025) is aangezegd dat de arbeidsovereenkomst op 18 januari 2026 zou eindigen. Voor het standpunt van [verzoekster] dat de verlenging in mei 2025 is overeengekomen en het (impliciete) standpunt dat de aangehaalde uploaddatum is geantidateerd zijn geen aanwijzingen. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat de arbeidsovereenkomst vanaf 19 maart 2025 is verlengd tot 19 januari 2026 en per laatstgenoemde datum van rechtswege is geëindigd.\n\n3.6. Het voorgaande maakt dat de door [verzoekster] verzochte verklaring voor recht dat het dienstverband nog doorloopt en dat deze voor onbepaalde tijd heeft te gelden wordt afgewezen. Datzelfde geldt voor het verzoek om de opzegging\u002Faanzegging per 19 januari 2026 te vernietigen of nietig te verklaren.\n\n [verzoekster] heeft nog recht op achterstallig salaris\n\n3.7. Volgens [verzoekster] heeft de [verweerster] structureel minder uren uitbetaald dan waarvoor zij ingeroosterd stond of waarvoor zij ingeroosterd had moeten worden. Volgens de [verweerster] zijn inmiddels, na een in maart 2026 verrichte nabetaling van € 635,64 bruto, alle gewerkte uren betaald.\n\n3.8. \n [verzoekster] stelt dat de [verweerster] over de periode tot 13 juli 2025 – de datum waarop [verzoekster] is uitgevallen wegens ziekte – structureel minder uren heeft uitbetaald dan waarvoor zij ingeroosterd stond. De [verweerster] voert aan dat [verzoekster] geen rekening heeft gehouden met correcties die op de roosters zijn doorgevoerd. De kantonrechter is van oordeel dat het op de weg van de [verweerster] had gelegen om de gecorrigeerde roosters te overleggen. Dit heeft zij niet gedaan. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling van twee voorbeelden (met betrekking tot 18 juli 2024 en 23 juli 2024) gebleken dat de werktijden van [verzoekster] op verzoek van de vof zijn gecorrigeerd (verruimd), maar dat de vof die correcties niet in haar administratie heeft doorgevoerd. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde weerlegging door de [verweerster] gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de door [verzoekster] gestelde roosteruren.\n\n3.9. Bij het gevorderde salaris over de periode vanaf 13 juli 2025 speelt het volgende een rol. Vaststaat dat er sprake is van een oproepovereenkomst als bedoeld in artikel 7:628a lid 9 BW. Uit artikel 7:628a lid 5 BW volgt dat de werkgever, indien sprake is van een oproepovereenkomst die twaalf maanden heeft geduurd steeds binnen een maand nadien, schriftelijk of elektronisch een aanbod moet doen voor een vaste arbeidsomvang. Deze vaste uren omvang is ten minste gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid in die voorafgaande periode van 12 maanden. Gedurende de periode waarin de werkgever deze verplichting niet is nagekomen (dus geen aanbod heeft gedaan voor een vaste uren omvang) heeft de werknemer op grond van artikel 7:628a lid 8 BW recht op loon overeenkomstig de gemiddelde omvang van de arbeid in de voorafgaande periode van 12 maanden.\n\n3.10. De [verweerster] heeft aan [verzoekster] geen aanbod voor een vaste arbeidsomvang gedaan. [verzoekster] maakt vanaf 13 juli 2025 aanspraak op het loon over het aantal uren dat volgens [verzoekster] aan haar had moeten worden aangeboden conform artikel 7:628a lid 5 BW. Volgens de [verweerster] klopt de door [verzoekster] gestelde gemiddelde omvang van 107 uren per vier weken over de periode van 19 januari 2024 tot 19 januari 2025 niet. Onder verwijzing naar de vorige rechtsoverweging oordeelt de kantonrechter dat de [verweerster] haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde weerlegging door de [verweerster] gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de door [verzoekster] gestelde gemiddelde omvang van 107 uren per vier weken over de periode van 19 januari 2024 tot 19 januari 2025.\n\n3.11. Gelet op het voorgaande zal het door [verzoekster] gestelde verschuldigde loon van € 5.800,17 bruto over 2024 en 2025 worden toegewezen (het in het verzoekschrift genoemde bedrag van € 6.435,81 bruto minus de tijdens de mondelinge behandeling gedane vermindering van € 635,64 bruto vanwege de door [verzoekster] ontvangen nabetaling).\n\n3.12. \n [verzoekster] verzoekt verder de [verweerster] te veroordelen tot betaling van salaris van € 1.850,04 bruto per periode vanaf periode 1 van 2026 tot het einde van het dienstverband, onder aftrek van het al door haar ontvangen bedrag van € 974,71 netto ter zake van de eerste periode van 2026. Nu niet gesteld of gebleken is dat [verzoekster] over de periode van 1 januari 2026 tot 19 januari 2026 recht heeft op meer salaris dan het bedrag dat al is betaald, wordt dit verzoek afgewezen.\n\nDe [verweerster] moet een wettelijke verhoging en wettelijke rente betalen\n\n3.13. Op grond van artikel 7:625 lid 1 BW heeft [verzoekster] recht op de wettelijke verhoging van maximaal 50% vanwege het niet tijdig betalen van het loon. De kantonrechter ziet aanleiding om deze vergoeding in het onderhavige geval te matigen tot 10%. [verzoekster] is pas in november 2025 over de onjuistheden in de verloning begonnen en heeft op uitnodigingen om de uren te bespreken niet gereageerd.\n\n3.14. Bij de tenuitvoerlegging van dit vonnis moet rekening worden gehouden met het door de [verweerster] in maart 2026 betaalde bedrag van € 317,82 aan wettelijke verhoging.\n\n3.15. De verzochte wettelijke rente over het loon en over de wettelijke verhoging is toewijsbaar.\n\nDe [verweerster] moet een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten betalen\n\n3.16. \n [verzoekster] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Uit het dossier blijkt dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 696,79.\n\nDe [verweerster] moet specificaties aan [verzoekster] verstrekken\n\n3.17. De [verweerster] moet de door [verzoekster] verlangde specificaties verstrekken zoals hierna onder ‘De beslissing’ staat vermeld. De gevraagde dwangsom wordt niet toegewezen omdat de kantonrechter ervan uitgaat dat de [verweerster] die veroordeling vrijwillig zal nakomen.\n\nVerzoek aansluiting bedrijfspensioenfonds wordt afgewezen\n\n3.18. \n [verzoekster] verzoekt de [verweerster] hoofdelijk te veroordelen om zorg te dragen voor een bewijs van aansluiting van [verzoekster] bij het bedrijfstakpensioenfonds vanaf 19 januari 2026. Dit verzoek wordt afgewezen nu hiervoor is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst per die datum is geëindigd.\n\nDe [verweerster] moet de proceskosten betalen\n\n3.19. Hoewel een deel van de verzoeken wordt afgewezen is [verzoekster] wel terecht een procedure gestart. Gebleken is immers dat zij een (zij het kleinere dan gesteld) loonvordering op de [verweerster] heeft, die zonder gerechtelijke procedure niet werd betaald. De [verweerster] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk in die zin, dat wanneer de een betaalt de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan [verzoekster] tegen bewijs van kwijting te betalen:\n\n€ 5.800,17 aan salaris over 2024 en 2025;\n\nde wettelijke verhoging over het bedrag onder a) met een maximum van 10%, minus het al betaalde bedrag aan wettelijke verhoging van € 317,82;\n\nde wettelijke rente over de bedragen onder a) en b) steeds vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van de volledige betaling;\n\n€ 696,79 aan buitengerechtelijke kosten;\n\n4.2. veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk in die zin dat indien de één aan deze veroordeling voldoet de ander is bevrijd, om aan [verzoekster] ter beschikking te stellen de loonstrook van periode 1 van 2024, de loonstrook van periode 1 van 2026 tot het einde van het dienstverband (19 januari 2026) alsmede een specificatie die samenhangt met de onder 4.1. genoemde bedragen;\n\n4.3. veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 1.102,00;\n\n4.4. verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n13702","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3738","2026-07-13T00:28:44.907Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":43,"courtId":100,"decisionDate":101,"fullText":102,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":51,"updatedAt":104},"720","ECLI:NL:RBNHO:2026:7040","ecli-nl-rbnho-2026-7040",67,"2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12201017 \\ VV EXPL 26-55\n\nVonnis in kort geding van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. O. Sahin,\n\ntegen\n\nBROMBEE B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Brombee,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde betekende dagvaarding van 7 mei 2026 met 8 producties;\n\nhet verweerschrift van 31 mei 2026 met 10 producties;\n\nde mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Het vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] (geboren op [geboortedatum] 1995) is sinds 9 oktober 2025 in dienst bij Brombee als medewerker klantenservice op basis van een arbeidsovereenkomst voor één jaar. Haar uurloon is € 19,36 bruto all-in. De overeengekomen arbeidsomvang is 32 uur per week.\n\n2.2.. Brombee is een online rijschool. De heer [betrokkene] is de directeur\u002Feigenaar. [eiser] is de enige werknemer in loondienst.\n\n2.3.. Op 1 februari 2026 heeft [eiser] zich ziekgemeld.\n\n2.4.. Vanaf de ziekmelding heeft Brombee geen loon meer voldaan aan [eiser] . [eiser] is sinds de ziekmelding niet opgeroepen door een bedrijfsarts.\n\n2.5.. Ondanks diverse verzoeken van [eiser] , bijvoorbeeld op 6 maart 2026, en van haar gemachtigde, waaronder op 3 april 2026, heeft Brombee de loonbetalingen niet hervat en evenmin een bedrijfsarts ingeschakeld.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert - samengevat - achterstallig loon vanaf 1 februari 2026, verhoogd met de maximale wettelijke verhoging, overlegging van loonstroken op straffe van een dwangsom, toekomstig loon tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst, nakoming van de re-integratieverplichtingen op straffe van een dwangsom en de proceskosten.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 7:629 BW heeft zij recht op loondoorbetaling tijdens ziekte. Uit artikel 7.2 van de arbeidsovereenkomst volgt dat zij tijdens ziekte recht heeft op in ieder geval 70% van het overeengekomen loon over de contractuele arbeidsomvang van 32 uur per week. Ook is Brombee op grond van artikel 7:658a BW verplicht om deugdelijk en zorgvuldig invulling te geven aan haar re-integratieverplichtingen.\n\n3.3.. Brombee voert het volgende aan. [eiser] is de eerste en enige werknemer van Brombee. De onderneming was ten tijde van de ziekmelding en de daaropvolgende maanden niet op de hoogte van de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte. De onderneming had wegens ontbrekende kennis en beperkte middelen ook (nog) geen bedrijfsarts ingeschakeld. Brombee verkeert thans in een slechte financiële positie.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.2.. Gelet op de aard van de vordering, te weten een loonvordering, is sprake van spoedeisendheid. [eiser] heeft sinds 1 februari 2026 geen inkomsten meer ontvangen terwijl zij daarvan afhankelijk is voor haar levensonderhoud.\n\nLoonvordering\n\n4.3.. Vast staat dat [eiser] sinds 9 oktober 2025 in dienst is van Brombee. [eiser] heeft zich op 1 februari 2026 ziek gemeld en Brombee betaalt sindsdien geen loon meer aan [eiser] . Het is voldoende aannemelijk dat op grond van artikel 7:629 BW in een bodemprocedure de loonvordering tijdens ziekte van [eiser] zal worden toegewezen, met dien verstande dat aannemelijk is dat 70% van het door [eiser] gevorderde loon zal worden toegewezen.\n\n4.4.. Tijdens de mondelinge behandeling is door Brombee erkend dat zij loon moet doorbetalen tijdens ziekte. De kantonrechter zal Brombee daarom veroordelen tot betaling van het gevorderde loon, met dien verstande dat conform artikel 7:629 BW 70% van het overeengekomen loon zal worden toegewezen, vermeerderd met een wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, welke zal worden gematigd tot 30%. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, zoals hierna vermeld.\n\n4.5.. De kantonrechter zal de loonvordering tot het einde van de arbeidsovereenkomst ook toewijzen, met dien verstande dat in geval van arbeidsongeschiktheid van [eiser] die nog geen 104 weken heeft geduurd, Brombee zal worden veroordeeld tot betaling van 70% van het overeengekomen salaris.\n\nLoonstroken\n\n4.6.. \n [eiser] vordert Brombee te veroordelen tot overlegging van alle loonstroken over de periode van het gehele dienstverband op straffe van een dwangsom. Op grond van artikel 7:626 BW is Brombee verplicht [eiser] maandelijks een salarisspecificaties te verstrekken. Brombee heeft tijdens de zitting – onweersproken - verklaard dat [eiser] te allen tijde online beschikking heeft gehad tot deze stukken in het platform mijnloondossier.nl. Om deze reden ziet de kantonrechter geen aanleiding deze vordering toe te wijzen.\n\nBrombee moet [eiser] laten oproepen voor de bedrijfsarts\n\n4.7.. \n [eiser] vordert tot slot Brombee te verplichten tot het inschakelen van een bedrijfsarts. Brombee zal in afstemming met de bedrijfsarts invulling moeten geven aan de re-integratieverplichtingen (artikel 7:658a BW). Tijdens de mondelinge behandeling heeft Brombee meegedeeld hieraan gehoor te zullen geven. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding tot het opleggen van een dwangsom.\n\nProceskosten\n\n4.8.. Brombee is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n969,67\n\n4.9.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Brombee, binnen één week na het wijzen van dit vonnis, aan [eiser] te betalen 70% van het overeengekomen loon over de periode 1 februari 2026 tot en met 1 juni 2026 vermeerderd met 30% wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag van opeisbaarheid van iedere salarisbetaling telkens tot de dag dat volledig is betaald;\n\n5.2.. veroordeelt Brombee aan [eiser] vanaf 1 juni 2026 het overeengekomen loon te betalen, en in geval van arbeidsongeschiktheid van Maudro die nog geen 104 weken heeft geduurd 70% daarvan, tot de dag dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;\n\n5.3.. veroordeelt Brombee tot het nakomen van haar re-integratieverplichtingen jegens [eiser] ;\n\n5.4.. veroordeelt Brombee in de proceskosten van € 969,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Brombee niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.5.. veroordeelt Brombee tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.7.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7040","2026-07-13T00:28:44.704Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":43,"courtId":109,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":113,"parsedAt":51,"updatedAt":114},"1040","ECLI:NL:RBDHA:2026:15055","ecli-nl-rbdha-2026-15055",58,"2026-06-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.8753\n uitspraak van 2 juni 2026 van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n \n [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (hierna: GVVA) om als kok werkzaamheden te verrichten bij een Aziatisch restaurant (hierna: referent). Verweerder heeft eisers aanvraag met het besluit van 14 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 februari 2026 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] (namens referent),\n\nK. Lachmansingh als tolk, de gemachtigde van verweerder, en mr. [naam 2] (namens het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)).\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Bengaalse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. Van\n\n22 maart 2023 tot en met 22 maart 2025 heeft hij een GVVA gehad om als Aziatische kok bij referent te werken. Op 20 februari 2025 heeft eiser een aanvraag gedaan om verlenging van deze vergunning.\n\n3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen vanwege een negatief UWV-advies. Uit het UWV-advies volgt dat er voldoende prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is, er geen (goede) vacaturemelding is gedaan, referent onvoldoende gezocht heeft naar kandidaten, en referent onnodige eisen heeft gesteld aan de functie.Deze voorwaarden mogen volgens verweerder worden tegengeworpen omdat de uitzonderingspositie voor de Aziatische horeca is komen te vervallen.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n4. Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte het negatieve UWV-advies aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Het advies is namelijk onzorgvuldig en onjuist en de conclusies zijn niet inzichtelijk en niet navolgbaar. Verweerder heeft in de eerste plaats ten onrechte niet om een reactie gevraagd op het advies in de bezwaarfase.In het UWV-advies komt in de tweede plaats niet of onvoldoende terug dat het gaat om een verblijfsvergunning die eerder wel aan eiser is verleend voor dezelfde functie, zodat eiser vertrouwen kon en mocht ontlenen aan de eerder verleende vergunning. In die eerdere procedure is eisers aanvraag in eerste instantie afgewezen omdat eiser niet aan de ervaringsvereisten zou voldoen. Referent heeft bij de verlengingsaanvraag rekening gehouden met deze eisen en vervolgens wordt tegengeworpen dat die ervaringsvereisten niet gesteld mogen worden. Onder gelijkblijvende omstandigheden kunnen niet plotseling andere functie-eisen worden gesteld, dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Alle tegengeworpen afwijzingsgronden zien op de door referent gestelde eis van één jaar werkervaring in de Indiase keuken. De conclusie van het UWV dat de werkervaringseis irreëel is kan niet worden gevolgd. Het UWV stelt ten onrechte in zijn algemeenheid dat voor het werken als kok in de Aziatische horeca geen werkervaring vereist is en er daarom prioriteitgenietend aanbod bestaat. Referent heeft namelijk uitgebreid gemotiveerd wat de karakteristieken zijn van deze specifieke functie. Verweerder heeft tot slot ten onrechte gesteld dat het advies gestoeld is op dwingende afwijzingsgronden en er geen ruimte is voor een nadere toets of belangenafweging.\n\nWat is de voorgeschiedenis?\n\n5. Vanwege een personeelsprobleem in de Aziatische horeca is op 1 oktober 2014 het Convenant Aziatische Horecagesloten. Onder dit Convenant werd afgezien van de wettelijke toets op prioriteitgenietend aanbod voor werkgevers in de Aziatische horeca die koks wilden tewerkstellen voor de functieniveaus 4 tot en met 6. In 2019 is het Convenant Aziatische Horeca voortgezet in de Regeling Aziatische horeca. Als onderdeel van de uitzonderingspositie voor restaurants in de Aziatische horeca hanteerde het UWV bij toetsing van de aanvragen “specifieke functie-eisen”. Het betrof verschillende eisen, waaronder vaardigheden die volgens de branche nodig waren om de specifieke gerechten te kunnen bereiden en kennis van de taal en cultuur van het desbetreffende Aziatische land. Om aan de specifieke functie-eisen te voldoen, had een kok op functieniveau 4 een mbo niveau 3-diploma en twee jaar werkervaring nodig.5.1.. Per 1 januari 2022 is de Regeling Aziatische horeca vervallen.De aanleiding hiervoor was dat het kabinet signalen had ontvangen die zouden kunnen duiden op gevallen van mensenhandel en\u002Fof mensensmokkel. Tot 1 februari 2022 was er sprake van overgangsrecht en daarnaast bleef de Regeling Aziatische horeca van toepassing op reeds verleende vergunningen en verlengingsaanvragen. Na het besluit tot stopzetting van de regeling heeft het kabinet nagedacht over de vraag of de regeling in aangescherpte vorm zou kunnen herleven. In afwachting van dit besluit is het UWV na 1 februari 2022 blijven toetsen aan de specifieke functie-eisen die voortvloeiden uit het Convenant Aziatische Horeca. Op 18 november 2022 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer geïnformeerd dat de Regeling voor de Aziatische horeca definitief komt te vervallen.De minister heeft het UWV in lijn daarmee verzocht om het toetsingskader aan te passen. In een brief van 17 mei 2023 zijn de sectorvertegenwoordigers geïnformeerd dat per 1 juli 2024 de toets aan de specifieke functie-eisen kwam te vervallen.Daarmee is een definitief einde gekomen aan de uitzonderingspositie van de Aziatische horeca.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nHeeft verweerder eiser opnieuw moeten horen naar aanleiding van het UWV-advies in bezwaar?\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet in de gelegenheid heeft hoeven te stellen om – op grond van artikel 7:9 van de Awb – opnieuw gehoord te worden naar aanleiding van het aanvullende UWV-advies in de bezwaarfase. Eiser is in bezwaar in staat gesteld zijn zienswijze te geven op het eerste advies van het UWV. Vervolgens heeft verweerder in de opmerkingen van eiser aanleiding gezien om een aanvullend advies te vragen. Verweerder heeft er in het verweerschrift terecht op gewezen dat het aanvullend advies een nadere nuancering is van het eerste advies. Het UWV heeft hier geen nieuwe argumenten aan ten grondslag gelegd, maar is enkel ingegaan op de bezwaargronden en heeft aangegeven waarom deze volgens hem geen afbreuk doen aan het eerdere advies. Eiser heeft ook niet concreet gemaakt welke onderdelen van het aanvullende advies meer dan een nadere nuancering zouden zijn.\n\nHeeft verweerder het UWV-advies ten grondslag kunnen leggen aan zijn besluit?\n\n7. Verweerder moet voordat hij een besluit neemt over de verlening, verlenging of intrekking van een GVVA advies vragen aan het UWV.Het UWV-advies is een deskundigenadvies. Wanneer verweerder een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij wel nagaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is, en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Een aanvrager kan de bevindingen uit een deskundigenadvies betwisten door middel van een contra-expertise of door concrete aanknopingspunten voor inhoudelijke twijfel aan te voeren. In dat geval mag verweerder niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt verweerder de opsteller van het advies een reactie over wat op het advies is aangevoerd.\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende is nagegaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is, en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Verweerder heeft het UWV om een reactie gevraagd op de beroepsgronden waarin eiser het UWV-advies inhoudelijk betwist en deze reactie opgenomen in het verweerschrift. In dat wat door eiser naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het UWV-advies of twijfel aan de redenering en de getrokken conclusies in het UWV-advies. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe aan de hand van de beroepsgronden.\n\n8.1.. De beroepsgrond van eiser dat in het UWV-advies, dan wel in de keuze van verweerder om dit onverkort aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen, onvoldoende terugkomt dat het gaat om een verlenging van een verblijfsvergunning die eerder aan eiser voor dezelfde functie is verleend, slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De rechtbank licht dit hierna toe.\n\n8.1.1.. Bij een verlengingsaanvraag moet opnieuw worden getoetst of nog aan de beperking wordt voldaan waarvoor de vergunning is verleend. Er wordt niet of niet langer aan de beperking voldaan, indien de vreemdeling niet meer in Nederland verblijft voor het doel waarvoor de vergunning is verleend of niet meer voldoet aan de bijzondere voorwaarden die in het kader van het verblijfsdoel worden gesteld.Het uitgangspunt is dat een aanvraag wordt getoetst aan de op dat moment geldende regelgeving. Ter zitting heeft eiser verduidelijkt dat het hem er niet om gaat dat de Regeling Aziatische horeca is afgeschaft, maar om het vervallen van de toets aan de specifieke functie-eisen. Volgens eiser is het vervallen van die toets niet op de juiste manier bekendgemaakt en volgt dit niet zonder meer uit het afschaffen van de regeling. Ook is het vervallen van de toets volgens eiser in strijd met de regels uit de Wav, waarin de toets aan prioriteitgenietend aanbod leidend is. Tot slot heeft eiser gewezen op Richtlijn 2024\u002F1233waarin is aangegeven dat de voorwaarden en criteria op grond waarvan een GVVA-aanvraag kan worden afgewezen objectief moeten zijn en in het nationale recht moeten zijn vastgesteld.\n\n8.1.2.. De rechtbank oordeelt dat het vervallen van de toets aan de specifieke functie-eisen niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Ten eerste strekt het rechtszekerheidsbeginsel niet zover dat regelgeving en\u002Fof beleid niet mag worden aangepast. Daarnaast vloeiden de specifieke functie-eisen voort uit het Convenant Aziatische Horeca. Zoals weergegeven in 5. en 5.1. is het UWV, nadat de Regeling Aziatische horeca was vervallen, blijven toetsen aan de specifieke functie-eisen omdat de regeling mogelijk in een andere vorm zou herleven. Nadat duidelijk werd dat de Regeling Aziatische horeca definitief kwam te vervallen, heeft het UWV daarom ook de toets aan de specifieke functie-eisen mogen laten vervallen. Dat dit beleid zou komen te vervallen is daarbij ruim van tevoren aangekondigd in de brief aan de sectorvertegenwoordigers van 17 mei 2023, zodat werkgevers maatregelen konden treffen.\n\n8.1.3.. Ook volgt de rechtbank niet dat het vervallen van de toets aan de specifieke functie-eisen in strijd zou zijn met de regels uit de Wav. Dat de beleidsmatige toets aan die specifieke functie-eisen is vervallen, betekent niet dat in de toets aan het prioriteitgenietend aanbod die volgt uit de Wav niet meer gekeken kan worden of voor het werken als kok bij een werkgever bepaalde functie-eisen gesteld moeten of kunnen worden. Het betekent alleen dat niet langer op voorhand door het UWV beleidsmatig wordt aangenomen dat voor het werken in de Aziatische horeca specifieke functie-vereisten gelden. Eisers verwijzing naar de Richtlijn 2024\u002F1233 slaagt niet, omdat de implementatietermijn van deze richtlijn ten tijde van het bestreden besluit nog niet was verstreken.\n\n8.1.4.. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit hij kon en mocht afleiden dat zijn verlengingsaanvraag zou worden ingewilligd. Eiser heeft dit niet kunnen afleiden uit de eerdere verlening van zijn vergunning in 2023, gelet op het vervallen van de regeling Aziatische Horeca en de aankondiging van het vervallen van de beleidsmatige toets aan specifieke functie-eisen.\n\n8.2.. De conclusie van het UWV dat de door referent gestelde eis van aantoonbare werkervaring als zelfstandig kok irreëel is, is naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk en navolgbaar. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n8.2.1.. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft het UWV de toets aan de specifieke functie-eisen, na het intrekken van de Regeling Aziatische horeca, mogen laten vervallen. Dat het UWV niet langer beleidsmatig aanneemt dat voor het werken in de Aziatische horeca specifieke functie-eisen gelden, betekent niet dat in de toets aan het prioriteitgenietend aanbod niet meer gekeken kan worden of voor het werken als zelfstandig kok I bij referent bepaalde functie-eisen gesteld moeten of kunnen worden. De rechtbank vindt in dit kader de conclusie van het UWV dat voor de functie van zelfstandig werkend kok I in functiegroep 5, waar referent voor geworven heeft, in de Aziatische horecasector in het algemeen geen werkervaring vereist is, te volgen. Het UWV heeft verwezen naar het referentiehandboek horeca, waarin staat dat voor de functie van zelfstandig werkend kok I mbo 3 werk- en denkniveau vereist is, zonder werkervaring. Ook heeft het UWV gewezen op een notitie van adviesbureau EVZ organisatie-advies (hierna: EVZ) van 5 april 2024 waaruit volgt dat vanuit het oogpunt van functiewaardering er geen reden is om onderscheid te maken tussen de niveaus van verschillende restaurants met een van oorsprong verschillende keuken. Een verschil in indeling wordt volgens EVZ alleen gerechtvaardigd door het kwaliteitsniveau van het restaurant. Voor restaurants in het ‘reguliere’ segment concludeert EVZ dat in ieder geval de functies van kok, zelfstandig werkende kok en sous-chefkok na een zekere inwerktijd ook kunnen worden uitgevoerd door koks die in Nederland zijn opgeleid. Het eigen maken van de voorbereiding van specifieke grondstoffen, het gebruik van specifieke ingrediënten en het leren toepassen van bereidingsmethoden voor specifieke gerechten vergt voor een in Nederland opgeleide kok een inwerktijd van ongeveer 3 tot 6 maanden.\n\n8.2.2.. In het Panteia-rapport uit 2016, waar eiser op heeft gewezen en waarin is geconcludeerd dat de functie-eisen uit het Convenant Aziatische Horeca reëel en proportioneel waren, ziet de rechtbank geen concreet aanknopingspunt tot twijfel aan de redenering en de conclusie van het UWV. In het Panteia-rapport zijn namelijk de inhoudelijke functie-eisen van het Convenant Aziatische Horeca als uitgangspunt genomen en is op basis daarvan onderzocht of beheersing van de taal en kennis van de cultuur noodzakelijk zijn om de functies goed uit te oefenen. In het rapport is daarbij ook aangegeven dat het de onderzoekers niet lijkt dat voor elke koksfunctie vanaf niveau 4 de kok alles moet beheersen wat in de functieomschrijving staat. Daarnaast is het Panteia-rapport inmiddels 10 jaar oud en is in de brief van 17 mei 2023, waarin het vervallen van de specifieke functie-eisen is aangekondigd, ook aangegeven dat het maatschappelijk speelveld en ook de Aziatische horecasector sinds 2016 sterk zijn gewijzigd.\n\n8.2.3.. Verder is ook de conclusie van het UWV dat referent niet heeft onderbouwd dat voor zijn specifieke restaurant wel werkervaring vereist is, te volgen. Het UWV heeft terecht opgemerkt dat pas in beroep voor het eerst is toegelicht dat referent de vegetarische\u002Fveganistische Indiase keuken bedient en welke specifieke deskundigheid, zoals authentieke kooktechnieken, hiervoor zijn vereist. Dit komt ook niet terug in de vacatures. Gelet op het feit dat in deze zaak gekeken moet worden naar hetgeen bij partijen op dit punt bekend was ten tijde van het bestreden besluit (de ex tunc-toetsing), kan de rechtbank dit niet bij de beoordeling van het beroep betrekken. Het staat eiser vrij om een nieuwe aanvraag in te dienen waarin nader onderbouwd wordt waarom voor het werken bij referent in de beoogde functie nu juist wel specifieke werkervaring vereist is.\n\n8.3.. Gelet op het voorgaande volgt afdoende uit het UWV-advies dat er prioriteitgenietend aanbod is, bestaande uit personen met een mbo niveau 3 opleiding als (zelfstandig werkend) kok. In het verweerschrift heeft het UWV erop gewezen dat er op dit moment meer dan 500 werkzoekenden op zoek zijn naar een functie binnen het beroep van zelfstandig werkend kok. De stelling van eiser dat dit anders is omdat in het eerste kwartaal van 2026 50 procent van de GVVA-aanvragen in de Aziatische horeca wel is toegekend, leidt gelet op hetgeen hiervoor in deze uitspraak is overwogen niet tot een ander oordeel. Omdat referent heeft geworven met een irreële functie-eis, zijn ook de conclusies van het UWV dat geen (goede) vacaturemelding heeft plaatsgevonden en dat referent onvoldoende wervingsinspanningen heeft verricht voldoende inzichtelijk en te volgen. Op de zitting heeft het UWV er nog op gewezen dat eiser en referent tegenbewijs kunnen leveren voor de stelling dat er sprake is van prioriteitgenietend aanbod wanneer de vacature op de juiste manier wordt opgesteld en er na wervingsinspanningen geen geschikte kandidaat voor de functie wordt gevonden. De aanvraag kan dan mogelijk alsnog ingewilligd worden.\n\n9. Nu verweerder voldaan heeft aan zijn vergewisplicht, heeft verweerder het UWV-advies aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.\n\nHeeft verweerder terecht gesteld dat er sprake is van dwingende afwijzingsgronden en er daarom geen ruimte is voor een nadere toets of belangenafweging?\n\n10. Eiser heeft erop gewezen dat artikel 9 van de Wav een facultatieve bepaling is en dat dit ook volgt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).Daarnaast kan volgens eiser op grond van artikel 8, derde lid, van de Wav worden afgeweken van de in het eerste lid opgenomen weigeringsgronden. Ook heeft eiser een beroep gedaan op artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn 2024\u002F1233 waaruit volgens hem volgt dat altijd aan het evenredigheidsbeginsel moet worden getoetst. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\n10.1.. In het UWV-advies is geconcludeerd dat de weigeringsgronden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wav van toepassing zijn. De weigeringsgronden van artikel 8 van de Wav zijn dwingend geformuleerd. In artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, van de Wav staat dat ‘in door Onze Minister te bepalen gevallen’ kan worden afgeweken van het eerste lid, onder a, b, c, d en f. De uitzonderingen op grond van deze bepaling zijn nader uitgewerkt in bijlage I Uitvoeringsregels behorende bij de RuWav 2022. Het UWV heeft er terecht op gewezen dat daarin geen mogelijkheid is opgenomen om in gevallen als deze af te wijken. Volgens artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ verlenen, indien geen afwijzingsgrond uit de artikelen 8 en 9 van de Wav van toepassing is. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat er geen ruimte is voor een belangenafweging, omdat er dwingende weigeringsgronden aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. Er heeft ook geen belangenafweging plaats hoeven vinden wat betreft de facultatieve weigeringsgrond uit artikel 9 van de Wav. Deze belangenafweging zou namelijk niet tot een ander oordeel kunnen leiden met betrekking tot de dwingende weigeringsgronden. Tot slot slaagt eisers verwijzing naar de Richtlijn 2024\u002F1233 niet, omdat de implementatietermijn van deze richtlijn ten tijde van het bestreden besluit nog niet was verstreken.\n\n11. Eiser heeft daarnaast gewezen op artikel 3.31, vijfde lid, van het Vb 2000, waarin staat dat de verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ ook in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid kan worden verleend. Verweerder heeft zich in reactie hierop op het primaire standpunt gesteld dat de rechtbank deze beroepsgrond niet kan betrekken, omdat eiser hier in bezwaar geen beroep op heeft gedaan. Subsidiair heeft verweerder, onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij artikel 3.31 van het Vb 2000, betoogd dat eiser niet onder de uitzondering van artikel 3.31, vijfde lid, van het Vb 2000 valt.\n\n11.1.. De rechtbank overweegt dat er tussen de bestuurlijke fase en beroep geen grondentrechter geldt, en dat daarom in beroep gronden tegen een besluit kunnen worden aangedragen die niet in de bestuurlijke fase naar voren zijn gebracht.De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit de Nota van Toelichting bij artikel 3.31 van het Vb 2000 heeft mogen concluderen dat enkel in gevallen die geregeld worden in de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) kan worden afgeweken van de afwijzingsgronden uit de Wav en dat de wetgever niet beoogd heeft dat artikel 3.31, vijfde lid, van het Vb 2000 wordt ingezet als vangnet voor zaken waarin is vastgesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de Wav. In paragraaf B5\u002F2.1.1 en B5\u002F2.1.2 van de Vc 2000 is uiteengezet in welke situatie toepassing wordt gegeven aan artikel 3.31, vijfde lid van het Vb 2000. Gesteld noch gebleken is dat van één van deze situaties sprake is.\n\n12. Verder heeft eiser nog een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM, en daarbij tevens verwezen naar de Global Compact for Migration. De rechtbank overweegt hierover dat verweerder in het bestreden besluit niet aan artikel 8 van het EVRM heeft hoeven toetsen. Eiser heeft namelijk in de aanvraagfase noch in de bezwaarfase impliciet of expliciet een beroep gedaan op het recht op familie- of privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Pas in beroep heeft eiser gewezen op het recht op eerbiediging van het privéleven, maar hij heeft ook niet nader onderbouwd op welke wijze het bestreden besluit hiermee in strijd komt. Het staat eiser verder vrij om een aparte aanvraag in te dienen voor de beoordeling van zijn beroep op grond van artikel 8 van het EVRM.\n\n13. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij door het niet verlengen van zijn verblijfsvergunning geschaad is in een aan het fundamentele recht op arbeid ontleend belang. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2015.De rechtbank overweegt dat dit betoog niet slaagt, omdat deze uitspraak in deze zaak niet van toepassing is. De uitspraak van de Afdeling ging over de vraag of iemand wel of niet als belanghebbende moest worden aangemerkt. In dit kader overwoog de Afdeling dat er een reële mogelijkheid bestond dat appellant als gevolg van het besluit in een, aan het fundamentele recht op arbeid ontleend, belang zou worden geschaad, ter bescherming waarvan toegang tot de bestuursrechter haar niet mocht worden onthouden. Eiser heeft in dit geval toegang tot de bestuursrechter gehad.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n15. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzitter, en mr. D. Biever en mr. E.M.A. Vinken, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav).\n\n Door de uitzonderingspositie voor de Aziatische horeca golden de voorwaarden in artikel 8, aanhef en onder a, b en c, van de Wav niet voor deze groep.\n\n Eiser beroept zich hierbij op artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).\n\nStcrt.2014, 30765.\n\n Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 augustus 2019, nr. 2019-0000122747, tot wijziging van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 in verband met de tewerkstelling van koks ten behoeve van de Aziatische horeca, Stcrt.2019, 48234.\n\n Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 oktober 2021, 2021-0000162643, tot Wijziging van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 in verband met het vervallen van de regeling voor tewerkstelling van koks in de Aziatische horeca, Stcrt.2021, 44414.\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 35680, nr. 23.\n\n Brief van de Directeur Arbeidsverhoudingen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 mei 2023 aan de Aziatische horeca sector.\n\n Artikel 14a van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw).\n\n Memorie van Toelichting bij artikel 18 van de Vw, Kamerstukken II1998\u002F99, 26732, nr. 3.\n\n Richtlijn (EU) 2024\u002F1233 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (herschikking).\n\n In artikel 18, eerste lid, van Richtlijn 2024\u002F1233 staat dat de implementatietermijn op 21 mei 2026 verstrijkt.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2726.\n\n Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022.\n\nStb.2000, 497.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853, r.o. 9.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n ECLI:NL:RVS:2015:1852.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15055","2026-06-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:00.762Z",20,[11,117],2023]