[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-long-term-care-nl-2026":3},{"detail":4,"years":79},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":21,"page":14,"limit":78},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},149,"long-term-care-nl","Long-term Care","NL","2026-07-08T16:59:21.123Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":17},6,{"month":27,"count":17},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,60,69],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"650","ECLI:NL:RBGEL:2026:5207","ecli-nl-rbgel-2026-5207","",60,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F6306uitspraak van de enkelvoudige kamer\n\nin de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: J.J. Timmermans),\n\nen\n\nhet CAK\n\n(gemachtigde: mr. S.J.Y Römer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de aan eiseres verleende zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiseres is het niet eens de ingangsdatum waar het CAK van uitgaat. Zij heeft beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CAK uit heeft mogen gaan van de zorggegevens, die door het zorgkantoor zijn doorgegeven. Het beroep is daarom ongegrond en eiseres krijgt daarom geen gelijk. Dit betekent dat de zorggegevens en de eigen bijdrage niet veranderen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de factuur van het CAK waarbij een eigen bijdrage in rekening is gebracht voor zorg die aan eiseres is verleend op grond van de Wlz. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft het CAK de zorggegevens gecontroleerd. Met het besluit 16 april 2024 heeft het CAK besloten de zorggegevens niet aan te passen. Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het CAK bij dat besluit gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het CAK heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CAK.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3. Eiseres is op 15 december 2023 opgenomen in het [herstelcentrum] te [vestigingsplaats 1] (het Herstelcentrum). Op 18 december 2023 is voor eiseres zorg op grond van de Wlz aangevraagd. Met het indicatiebesluit van 22 december 2023 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) bepaald dat eiseres per 15 december 2023 recht heeft op zorg op grond van de Wlz. Op 23 januari 2024 is eiseres overgebracht naar woonzorglocatie [woonzorglocatie] in [vestigingsplaats 2] ( [woonzorglocatie] ).\n\n4. Met het besluit van 2 februari 2024 heeft het CAK de (lage) eigen bijdrage van eiseres voor zorg in de vorm van een Wlz-verblijf voor de periode van 15 december 2023 tot en met 31 december 2023 vastgesteld op € 500,74 per (hele) maand. Daarnaast is de (lage) eigen bijdrage voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 22 januari 2024 vastgesteld op € 718,56. Vanaf 23 januari 2024 heeft eiseres zorg in de vorm van een volledig pakket thuis (vpt) ontvangen.\n\nTotstandkoming van het (bestreden) besluit\n\n5. Met het besluit van 16 april 2024 heeft het CAK besloten de zorggegevens niet aan te passen. Het CAK krijgt de zorggegevens van het zorgkantoor. Dat heeft aan het CAK doorgegeven dat er vanaf 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 sprake is van een verblijf in een zorginstelling. Vanaf 23 januari 2024 is sprake van een vpt.\n\nHet zorgkantoor heeft desgevraagd de zorggegevens gecontroleerd. Het zorgkantoor heeft op zijn beurt contact op genomen met de zorgaanbieder, die heeft bevestigd dat vanaf 15 december 2023 zorg is verleend op grond van de Wlz. Het CAK kan daarom de gegevens niet aanpassen in zijn administratie. Eiseres is dus vanaf 15 december 2023 een eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wlz verschuldigd.\n\n5.1.. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\nHeeft eiseres in de periode van 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 Wlz-zorg ontvangen en is zij (daarom) vanaf die datum een eigen bijdrage onder de Wlz verschuldigd?\n\n6. In geschil is of eiseres in de periode 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 zorg op grond van de Wlz heeft ontvangen en zij (daarom) een eigen bijdrage op grond van die wet is verschuldigd.\n\n6.1.. Eiseres heeft – kort gezegd – aangevoerd dat zij (pas) vanaf 23 januari 2024 Wlz-zorg heeft ontvangen. Het verblijf in het Herstelcentrum van 15 december 2023 tot en met 22 januari was op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), zodat zij in die periode geen eigen bijdrage verschuldigd is in het kader van de Wlz.\n\n6.2.. Het CAK heeft – kort gezegd – aangevoerd dat het vaste rechtspraak is dat zij in beginsel uit mag gaan van de zorggegevens die het zorgkantoor heeft verstrekt over de geleverde zorg, tenzij uit een gemotiveerde betwisting blijkt dat de gegevens kennelijk onjuist zijn. Eiseres heeft geen bewijsstukken aangeleverd, waaruit volgt dat de gegevens van het zorgkantoor kennelijk fout zijn.\n\n6.3.. De rechtbank oordeelt als volgt.\n\n6.4.. De wetgever heeft van belang geacht dat er een duidelijke afbakening tussen de Wlz en de Zvw is, om te voorkomen dat bepaalde zorg voor één persoon dubbel gedekt is. Daarom zijn in de Wlz en (artikel 2.1 van) het Besluit zorgverzekering (Bzv) voorrangsregels vastgelegd. De hoofdregel is dat voor zover iemand op grond van de Wlz recht heeft op bepaalde zorg, dat recht niet ook bestaat op grond van de Zvw. De Wlz is daarmee voorliggend op de Zvw. Deze bedoeling van de wetgever blijkt uit de memorie van toelichting.\n\n6.5.. Het CAK mag op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij de vaststelling van de eigen bijdrage in beginsel uitgaan van de door het zorgkantoor verstrekte gegevens.Als eiseres echter gemotiveerd stelt dat sprake is van een kennelijke fout van het zorgkantoor, dan ligt het op de weg van het CAK om vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid te onderzoeken of het zorgkantoor op goede gronden heeft geconcludeerd dat betrokkene zorg heeft ontvangen onder de Wlz. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat sprake is van een kennelijke fout van het zorgkantoor. De enkele verwijzing naar eerder verkeerd door het zorgkantoor genoteerde gegevens is daartoe onvoldoende. Uit het indicatiebesluit volgt dat eiseres met ingang van 15 december 2023 recht heeft op zorg op grond van de Wlz. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit artikel 2.1 van het Bzv dat voor zover iemand op grond van de Wlz recht heeft op bepaalde zorg, dat recht niet ook bestaat op grond van de Zvw. Tijdens de zitting is door de gemachtigde van eiseres nog benadrukt dat eiseres in het Herstelcentrum was opgenomen om te herstellen, dat daarom sprake was van een tijdelijke situatie en dat de Wlz dan niet van toepassing is. Deze redenering wordt door de rechtbank niet gevolgd. Gelet op het indicatiebesluit moet ervan uitgegaan worden dat eiseres vanaf 15 december 2023 zorg op grond van de Wlz heeft ontvangen. Indien eiseres het niet eens was geweest met de ingangsdatum van het indicatiebesluit had zij daartegen bezwaar moeten maken. De beroepsgronden slagen niet.\n\n6.6.. Uit het voorgaande volgt dat eiseres vanaf 15 december 2023 een eigen bijdrage op grond van de Wlz is verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat het CAK terecht de zorggegevens niet heeft aangepast. Een gevolg daarvan is dat eiseres in de periode van 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 een eigen bijdrage verschuldigd is op grond van de Wlz. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Er bestaat ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Kamerstukken II 2013-2014, 33891, nr. 3, blz. 73.\n\n Zie de uitspraken van het CRvB van 29 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1869 en 26 februari 2020,\n\nECLI:NL:CRVB:2020:455.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5207","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.265Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":59},"651","ECLI:NL:RBGEL:2026:5194","ecli-nl-rbgel-2026-5194","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F7054uitspraak van de enkelvoudige kamer\n\nin de zaak tussen\n [eiseres], uit [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.I. Bal),\n\nen\n\nVGZ Zorgkantoor B.V., het zorgkantoor\n\n(gemachtigde: mr. A. Gohari).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een pgb. Het zorgkantoor heeft deze aanvraag met het besluit van 2 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 september 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het zorgkantoor.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3. Eiseres heeft in oktober 2015 een herseninfarct gehad. Aan eiseres is een pgb op grond van de Wlz toegekend. Met de beëindigingsbeschikking 24 april 2017 is dit pgb per 1 mei 2017 beëindigd, omdat er geen gewaarborgde hulp was. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Ook heeft eiseres een nieuwe aanvraag ingediend voor een pgb op grond van de Wlz. Die aanvraag is afgewezen met het besluit van 26 juli 2017. Eiseres heeft (ook) bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit op bezwaar van 17 oktober 2017 is het bezwaar tegen het beëindigingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard en tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.\n\n3.1.. Eiseres heeft op 30 maart 2023 opnieuw een pgb aangevraagd. Met het besluit van 19 mei 2023 is de aanvraag van eiseres om een pgb afgewezen. Met het besluit van 23 november 2023 is het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.\n\n3.2.. Eiseres heeft op 1 februari 2024 opnieuw een pgb aangevraagd.\n\nTotstandkoming van het (bestreden) besluit\n\n4. Met het besluit van 2 mei 2024 is de aanvraag voor een pgb afgewezen, omdat eiseres eerder niet heeft voldaan aan de verplichtingen van een pgb.\n\n4.1.. \n\nMet het besluit van 3 september 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daaraan heeft het zorgkantoor het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz wordt een aanvraag in ieder geval geweigerd, indien de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Hier kan alleen een uitzondering op worden gemaakt indien zorg in natura (ZIN) absoluut niet mogelijk is voor betrokkene. Dit dient met objectief medische stukken te worden onderbouwd.\n\nOmdat sprake is van een gebonden bevoegdheid uit een wet in formele zin, staat het toetsingsverbod in de weg aan toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Van bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn verdisconteerd in de afweging, is niet gebleken. Uit de verklaring van de huisarts volgt niet zonder meer dat eiseres (slechts) beperkt in haar zorgbehoefte kan worden voorzien, indien zij niet wordt verzorgd door een bekende. In de brief staat namelijk alleen dat eiseres sterke behoefte heeft aan een vaste huisarts en verzorgenden. Die vaste verzorgenden kunnen ook worden geleverd via ZIN. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om zorg via ZIN te ontvangen.\n\nWat vindt eiseres?\n\n5. Eiseres heeft – kort gezegd – aangevoerd dat er wel sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor moet worden afgeweken van de bevoegdheid in artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz. De belangenafweging van het zorgkantoor is onzorgvuldig geweest. De (medische) situatie van eiseres is sinds 2017 veranderd. Haar partner is in 2023 overleden. Zij is inmiddels 86 jaar oud en ervaart wantrouwen en angst jegens onbekenden. Haar zorgbehoefte neemt toe met de tijd. Zij weigert (daarom) zorg van vreemden te accepteren. De huisarts onderschrijft dit. ZIN kan daarom niet in de zorgbehoefte van eiseres voorzien. Verder is niet meegewogen dat er nu sprake is van een andere zorgverlener en gewaarborgde hulp.\n\nIs ZIN (g)een mogelijkheid?\n\n6. Het pgb wordt in ieder geval geweigerd als de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een persoonsgebonden budget niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Dit is dwingend bepaald in artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz, een bepaling van formele wetgeving.\n\n6.1.. Eiseres heeft niet bestreden dat zij zich eerder niet aan de verplichtingen verbonden aan een pgb en volgend uit de Wlz heeft gehouden. Het zorgkantoor was daarom in beginsel gehouden om de aanvraag af te wijzen.\n\n6.2.. Eiseres heeft – kortgezegd – aangevoerd dat zij geen zorg van vreemden accepteert. ZIN kan daarom niet in de zorgbehoefte van eiseres voorzien. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst eiseres naar een brief van de huisarts.\n\n6.3.. Wat eiseres heeft aangevoerd komt er in de kern op neer dat het zorgkantoor ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel. Volgens vaste rechtspraak verzet het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet zich tegen toetsing van een formeel wettelijke bepaling aan algemene rechtsbeginselen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die leiden tot gevolgen die niet overeenkomen met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien. Als dit het geval is, kan de rechter een wettelijke bepaling als 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz buiten toepassing laten. Hiervoor is wel vereist dat de door eiseres gestelde bijzondere omstandigheden meebrengen, dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Zulke bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. Zo’n uitzondering doet zich hier niet voor. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n6.4.. Er kan aanleiding bestaan om artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz buiten toepassing te laten, indien objectief kan worden vastgesteld dat ZIN vanwege het ziektebeeld geen mogelijkheid is en betrokkene daarom bij weigering van een pgb geen passende zorg meer kan krijgen.Uit de door eiseres overgelegde brief van 8 december 2023 van de huisarts blijkt enkel dat eiseres sterke behoefte aan een vaste huisarts en verzorgenden heeft. Uit de brief blijkt dus niet dat anderen dan bekenden van eiseres de benodigde zorg niet zouden kunnen leveren. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat met ZIN niet in haar zorgbehoefte kan worden voorzien. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank daarom geen aanleiding voor een contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres geen pgb krijgt. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1005.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5194","2026-07-13T00:28:41.303Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":43,"courtId":64,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":51,"updatedAt":68},"1473","ECLI:NL:RBROT:2026:7140","ecli-nl-rbrot-2026-7140",61,"2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F2057\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoekster] , uit [plaatsnaam] , verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),\n\nen\n\nCentrum Indicatiestelling Zorg, het CIZ\n\n(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).\n\nSamenvatting\n\nVolgens het CIZ komt verzoekster niet in aanmerking voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg, omdat zij niet aan de criteria voldoet. Omdat er een negatief Wlz-indicatiebesluit is afgegeven, zou verzoekster volgens het CIZ (tijdelijk) zorg moeten krijgen vanuit de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 of de Zorgverzekeringswet.\n\nDit gebeurt echter niet en verzoekster wordt van het kastje naar de muur verwezen.\n\nDe voorzieningenrechter vindt dat verzoekster op korte termijn zorg moet krijgen.\n\nHet verzoek wordt daarom toegewezen in het kader van de belangenafweging.\n\nProcesverloop\n\n1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ heeft deze aanvraag met het besluit van 22 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 februari 2026 op het bezwaar van verzoekster is het CIZ bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. Het CIZ heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [naam 1] (namens verzoekster) en de gemachtigde van het CIZ.\n\n4. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor vier weken. Verzoekster wordt in de gelegenheid gesteld om medische informatie in te leveren en een machtiging. Het CIZ zal dan de zaak voorleggen aan de medisch adviseur.\n\n5. Het CIZ heeft op 19 mei 2026 een reactie gestuurd, met een verweerschrift en een aanvullend medisch advies. Ook verzoekster heeft nog nieuwe stukken ingestuurd.\n\nDe voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek op 4 juni 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWaar gaat het in deze zaak om?\n\n6. Verzoekster heeft last van PNEAen epilepsie. Daarnaast heeft ze een posttraumatische stressstoornis, een dissociatieve identiteitsstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Verzoekster heeft op 13 juni 2025 een aanvraag ingediend bij het CIZ voor zorg op grond van de Wlz. Zij wil de zorg zelf regelen met een persoonsgebonden budget (pgb). Het CIZ heeft deze aanvraag afgewezen, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij in aanmerking komt voor 24-uurszorg en toezicht.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek toe\n\n7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nIs er een spoedeisend belang?\n\n8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.\n\nDe voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld\n\n9. Het CIZ stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang en heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1382. In die uitspraak overweegt de CRvB dat de betreffende persoon eerst stappen dient te ondernemen om zorg te krijgen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of om de omvang van de ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) uit te breiden om daarmee – al dan niet tijdelijk, in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure – te voorzien in zijn behoefte aan begeleiding.\n\n10. Verzoekster heeft een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam overgelegd van 15 april 2026. Volgens het college heeft verzoekster geen recht op 24-uurs toezicht en begeleiding op grond van de Wmo, omdat haar hulpvraag Wmo-overstijgend is. Volgens het college past Wlz beter bij verzoeksters situatie.\n\nDaarnaast heeft de wijkverpleegkundige verzoekster op 27 augustus 2025 bezocht in het kader van een indicatiestelling. Volgens de wijkverpleegkundige valt verzoekster onder de Wlz en niet binnen de Zvw. Zij heeft verzoekster geadviseerd om opnieuw een Wlz-indicatie aan te vragen en om die reden is er geen verdere indicatiestelling uitgevoerd.\n\n11. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster voldoende heeft gedaan om elders hulp te krijgen. Dit is echter niet gelukt. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk te beoordelen.\n\nWanneer komt iemand in aanmerking voor zorg vanuit de Wlz?\n\n12. Om in aanmerking te komen voor zorg vanuit de Wlz, moet er worden voldaan aan de volgende criteria:\n\n- Er moet sprake zijn van een grondslag(zoals een lichamelijke ziekte of een psychische stoornis);\n\n- Vanwege deze grondslag is er behoefte aan en noodzaak tot permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen;\n\n- De zorgbehoefte is blijvend, er zijn geen mogelijkheden tot verbeteringen. Dit wil zeggen dat de zorgbehoefte er voor de rest van het leven is.\n\n13. Partijen zijn het erover eens dat verzoekster een grondslag heeft voor Wlz. Er is sprake van een somatische aandoening (lichamelijke ziekte), namelijk PNEA en epilepsie. Ook is er sprake van een psychische stoornis, namelijk een posttraumatische stressstoornis, een dissociatieve identiteitsstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis.\n\n14. Partijen verschillen wel van mening of verzoekster permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid nodig heeft en of er sprake is van een blijvende zorgbehoefte.\n\nBelangenafweging\n\n15. De voorzieningenrechter stelt vast dat er verschillende medische stukken in het dossier zitten. De medisch adviseur [naam 2] stelt zich op het standpunt dat een medische noodzaak tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid niet kan worden vastgesteld. Ook is er geen indicatie voor permanent toezicht en kan de blijvendheid van de huidige zorgbehoefte onvoldoende worden onderbouwd.\n\nDaarentegen acht behandelaar PsyQ permanent toezicht noodzakelijk omdat elk moment iets ernstig mis kan gaan met betrekking tot verzoeksters veiligheid en haar gezondheid door haar gedrag. Ook geeft deze behandelaar aan dat langdurige zorg en begeleiding noodzakelijk is.\n\n16. Het college van Rotterdam en de wijkverpleegkundige verwijzen verzoekster naar de Wlz. Het CIZ stelt echter dat verzoekster niet onder de Wlz valt en heeft een negatief Wlz-indicatiebesluit afgegeven. Volgens het CIZ is het college dan verplicht om een maatwerkvoorziening af te geven, al dan niet tijdelijk hangende het bezwaar of beroep.\n\nDit geldt ook voor de zorg vanuit de Zvw.\n\n17. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster op dit moment helemaal geen hulp krijgt: niet vanuit de Wmo, niet vanuit de Zvw en niet vanuit de Wlz. Verzoekster wordt verwezen van het kastje naar de muur. De voorzieningenrechter vindt wel dat verzoekster op korte termijn geholpen moet worden, maar de vraag is door wie. Het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op het besluit van het CIZ en de voorzieningenrechter kan dus alleen het CIZ opdragen om met een passende oplossing te komen. Het is echter zeer goed mogelijk dat de rechtbank in de beroepsprocedure zal oordelen dat verzoekster niet thuishoort in de Wlz.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en draagt het CIZ op om een zodanige indicatiestelling af te geven waardoor verzoekster tijdelijk in aanmerking komt voor 24- uurszorg en toezicht vanuit de Wlz.\n\n19. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het CIZ het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Verzoekster krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het CIZ moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het bestreden besluit tot de bekendmaking van de uitspraak op het beroepschrift;\n\n- bepaalt dat het CIZ een zodanige indicatiestelling afgeeft waardoor verzoekster tijdelijk in aanmerking komt voor 24-uurszorg en toezicht vanuit de Wlz;\n\n- bepaalt dat het CIZ het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het CIZ tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Psychogene niet-epileptische aanvallen; dit zijn aanvallen die sterk lijken op epileptische aanvallen, maar dat niet zijn.\n\n Zie een ongedateerde brief die op 23 april 2026 door verzoekster is ingebracht.\n\n Artikel 3.2.1 van de Wlz\n\n Zie het medisch advies van 20 januari 2026 en de aanvullingen van 24 maart 2026 en 23 april 2026.\n\n Zie de brief van 23 maart 2026.\n\n Het CIZ verwijst daarbij naar een uitspraak van het CRvB van 24 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:205.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7140","2026-07-13T00:29:22.729Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":43,"courtId":73,"decisionDate":74,"fullText":75,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":51,"updatedAt":77},"1201","ECLI:NL:RBZWB:2026:5311","ecli-nl-rbzwb-2026-5311",64,"2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F442494 \u002F HA ZA 25-650\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eisende partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eisende partij] ,\n\nadvocaat: mr. D. Marcus,\n\ntegen\n\nSTICHTING [gedaagde partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij] ,\n\nadvocaat: mr. A.C. Beijering-Beck en mr. I.M. de Vries.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 februari 2026 en de daarin vermelde stukken\n\n- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eisende partij] heeft een autismespectrumstoornis (ASS). Hij is op 1 juli 2016 op grond van een zorg- en dienstverleningsovereenkomst bij [gedaagde partij] in zorg gekomen, laatstelijk op de locatie [locatie 1] in [woonplaats] . De locatie is toegerust voor personen met ASS. [eisende partij] bewoonde daar zelfstandig een appartement. [eisende partij] is per 18 februari 2021 een Wlz-indicatie met zorgprofiel GGZ-1 toegekend en per 24 juni 2025 een Wlz-indicatie met zorgprofiel GGZ-3.\n\n2.2.. Na 2021 is [eisende partij] klachten gaan uiten over de door [gedaagde partij] verleende zorg. [eisende partij] heeft hierover in november 2023 bij de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg (hierna: de Geschillencommissie) een klacht ingediend tegen [gedaagde partij] . De klacht hield met name in dat door [gedaagde partij] te weinig werd gedaan om aan de zorgvraag van [eisende partij] te voldoen. De Geschillencommissie heeft op 22 maart 2024 een bindend advies uitgebracht. [gedaagde partij] heeft geen uitnodiging voor de zitting van de Geschillencommissie ontvangen. De Geschillencommissie heeft de klacht gegrond verklaard en daartoe onder andere het volgende overwogen.\n\n“De commissie overweegt dat cliënt een indicatie heeft op grond van de Wlz. Dit betekent onder meer dat de zorgaanbieder verantwoordelijk is voor het opstellen én het uitvoeren van een zorgplan. Daarnaast dient de zorgaanbieder aan cliënt dagbesteding aan te bieden, dan wel de cliënt dient te ondersteunen bij zijn pogingen om aan zijn dagen een voor hem zinvolle invulling te geven. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder op beide punten tekort is geschoten. Alhoewel er op de locatie dagelijks begeleiding aanwezig is, verricht deze niet dan wel onvoldoende inspanning om aan de zorgvraag van cliënt tegemoet te komen en het opgemaakte zorgplan uit te voeren. Dat in het verleden tussen cliënt en deze begeleiding strubbelingen zijn geweest, doet hier niet aan af. Van de zorgaanbieder als professionele organisatie mag immers worden verlangd dat hij zijn zorgtaken uitvoert zoals deze in het zorgplan staan vermeld. Daarbij merkt de commissie op dat bepaalde zorgtaken die wellicht minder passend zijn binnen deze locatie, zoals het assisteren bij het maken van video’s, kunnen worden uitgevoerd door vrijwilligers, die ook binnen de organisatie van de zorgaanbieder aanwezig en actief zijn. Het is aan de zorgaanbieder om dit voor cliënt te faciliteren. Gezien het vorenstaande zal de commissie de klachten van cliënt gegrond verklaren.\n\nDe commissie begrijpt dat de zorgaanbieder het vertrouwen van cliënt heeft beschaamd, gezien het ontbreken van persoonlijke begeleiding op de locatie en een dagstructuur, en dat cliënt om die reden op zoek is naar een andere begeleid wonen voorziening. De commissie geeft de zorgaanbieder in overweging om in contact te treden met het zorgkantoor, teneinde het vinden van een passende woonruimte te bespoedigen.”\n\n2.3.. In de periode daarna heeft uitvoerige (e-mail)correspondentie plaatsgevonden tussen partijen.\n\n2.4.. Bij brief van 20 juni 2024 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] een eerste waarschuwing gegeven in verband met zijn taalgebruik en houding ten opzichte van haar medewerkers. Daarbij heeft [gedaagde partij] medegedeeld dat als deze waarschuwing niet leidt tot verbetering er weer een waarschuwing zal volgen en dat bij de derde en tevens laatste waarschuwing zal worden overgegaan tot beëindiging van de zorg- en dienstverleningsovereenkomst. Daarbij heeft [gedaagde partij] aangegeven dat in dat geval ook de beschikbaarheid van het door [eisende partij] bewoonde appartement vervalt.\n\n2.5.. In juli 2024 heeft [gedaagde partij] [eisende partij] verblijf aangeboden op haar locatie [locatie 2] in [plaats 1] . [eisende partij] heeft dit aanbod afgewezen.\n\n2.6.. \n [gedaagde partij] heeft bij brief van 5 november 2024 aan [eisende partij] een tweede waarschuwing gegeven in verband met de beschadigde vertrouwensrelatie. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] meegedeeld dat zij, om uit deze lastige situatie te komen, hem nog één keer een andere voorziening binnen [gedaagde partij] aanbiedt en dat, als hij die optie weigert, dat gevolgen heeft voor zijn verblijf binnen [gedaagde partij] . Zij zal dan het proces starten om tot beëindiging van de zorgovereenkomst te komen, wat tot gevolg zal hebben dat er voor hem geen woonplek meer beschikbaar is en hij de locatie [locatie 1] moet verlaten.2.7.. Op 18 december 2024 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] een woonplek aangeboden in een appartement aan de [locatie 3] te [woonplaats] . Zij heeft daarbij meegedeeld dat dit haar laatste aanbod is en dat [eisende partij] , als hij daar geen gebruik van wil maken, niet langer in zorg kan blijven bij [gedaagde partij] en de zorgovereenkomst zal worden beëindigd.\n\n2.8.. Bij e-mail van 8 januari 2025 heeft [gedaagde partij] herhaald dat als [eisende partij] onvoldoende meewerkt aan de zorglevering en de aangeboden zorg blijft weigeren, zij genoodzaakt is om de zorgovereenkomst te beëindigen en [eisende partij] door te verwijzen naar een andere zorgaanbieder.\n\n2.9.. \n [eisende partij] heeft de woning in de [locatie 3] niet geaccepteerd. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] in januari 2025 nog een woning aangeboden in de [locatie 4] in [plaats 2] . Op 14 maart 2025 heeft zij hem een woning in de [locatie 5] in [plaats 3] aangeboden. [eisende partij] heeft het aanbod voor deze woonlocaties afgewezen.\n\n2.10.. Bij brief van 18 februari 2025 heeft [eisende partij] bij de Regionale Klachtencommissie Zorg de volgende klachten geuit over de zorgverlening door [gedaagde partij] .\n\n“(1) Niet-naleving van het bindend advies van de Geschillencommissie Zorg\n\n [gedaagde partij] is bij bindend advies van de Geschillencommissie Zorg op 22 maart 2024 veroordeeld om passende zorg te leveren. Tot op heden heeft [gedaagde partij] deze uitspraak niet nageleefd. Ondanks toezeggingen om de uitspraak op te volgen, is er structureel zorgverzuim en weigert [gedaagde partij] uitvoering te geven aan de zorgdoelen.\n\n(2) Beëindigingstraject zonder herstelzorg\n\nIn plaats van herstelzorg te bieden en passende begeleiding te realiseren, heeft [gedaagde partij] een koers ingezet om mij uit de zorg te zetten. Dit blijkt onder meer uit dreigementen tot beëindiging van de zorgovereenkomst en het opleggen van onrechtmatige voorwaarden. Hierdoor ben ik onder druk gezet om te verhuizen naar een locatie waar geen passende zorg geboden kan worden.\n\n(3) Onzorgvuldige omgang met zorgplannen en Indicatie\n\nHet zorgplan is onzorgvuldig en eenzijdig aangepast, zonder voldoende overleg of instemming van mijn kant. Daarnaast wordt mijn Wlz-indicatie (GGZ-Wonen) niet correct nageleefd, aangezien essentiële ondersteuning wordt afgebouwd zonder overleg en onder dreiging van stopzetting van zorg.\n\n(4) Structurele weigering van passende zorg en begeleiding\n\nOndanks herhaaldelijke verzoeken wordt er geen invulling gegeven aan de volgende noodzakelijke zorg:\n\n• Actieve begeleiding bij daginvulling, waaronder ondersteuning bij videografie en sociale\n\ninteractie.\n\n• Een zorgvuldig afgestemde aanpak om mijn dag\u002Fnachtritme te verbeteren.\n\n(5) Onrechtmatige druk en dreigementen\n\nIk ervaar dat [gedaagde partij] misbruik maakt van haar zorgpositie door zorg onder voorwaarden te stellen, mij onder druk te zetten om akkoord te gaan met een onvolledig zorgplan, en door waarschuwingsbrieven te sturen waarin wordt gesuggereerd dat zorg beëindigd zal worden als ik niet meewerk aan de eisen van [gedaagde partij] .”\n\n2.11.. \n [gedaagde partij] heeft hierop als volgt gereageerd.\n\n“(1) Niet-naleving van het bindend advies van de Geschillencommissie Zorg\n\nVerweer: [gedaagde partij] heeft passende zorg geboden aan de heer [eisende partij] . Wij verwijzen hierbij naar de Tijdlijn in Bijlage 1. Hierin is te lezen op welke manier wij aanhoudend zorg hebben aangeboden en wij voortdurend in gesprek zijn gebleven met de heer [eisende partij] .\n\nOmdat de heer [eisende partij] steeds opnieuw onvrede uitte over de begeleiding, beschuldigingen deed over de zorg en over de rapportage, klachten indiende bij onze interne Klachtenfunctionaris en begeleiders manipuleerde is het wederzijds vertrouwen tussen hem en het team begeleiders van de [locatie 1] dermate geschaad, dat met hem is afgesproken om te zoeken naar een andere zorgaanbieder, dan wel een ander verblijf elders binnen [gedaagde partij] . Zie ook de uitspraak van de geschillencommissie, waar in de samenvatting staat: ‘cliënt wenst een andere woonruimte’. In het hele traject daarna heeft de heer [eisende partij] verschillende keren begeleiders aan de kant gezet, omdat hij de zorg van hen niet accepteerde en heeft hij andere woonruimte geweigerd. Ondanks alles, hebben diverse begeleiders steeds opnieuw getracht de begeleidingsrelatie te herstellen en vorm te geven.\n\n(2) Beëindigingstraject zonder herstelzorg\n\nVerweer: De zorg, ondersteuning en bemiddeling die [gedaagde partij] heeft aangeboden heeft niet geleid tot het herstel van vertrouwen in de hulpverleningsrelatie en heeft niet geleid tot werkbare afspraken tussen de heer [eisende partij] en de begeleiding.\n\n [gedaagde partij] heeft een aantal keren een passend alternatief verblijf aangeboden. Daarnaast zijn er mogelijkheden bij andere zorgaanbieders onderzocht. De heer weigert medewerking tot overplaatsing. Omdat de heer geen of nauwelijks gebruik maakt van de aangeboden zorg, omdat de heer ontevreden blijft over de zorg, omdat er geen zorgplan tot stand komt, c.q. afspraken over de zorgverlening achterwege blijven, is het onmogelijk dat de heer nog langer verblijft op de huidige locatie de [locatie 1] . De heer [eisende partij] heeft eind 2024 een advocaat ingeschakeld, heeft het Zorgkantoor ingeschakeld en heeft een cliëntondersteuner van MEE ingeschakeld. [gedaagde partij] heeft met deze instanties en personen overlegd om tot een oplossing te komen. [gedaagde partij] heeft de heer een laatste passend aanbod gedaan, onder voorwaarde dat de heer akkoord gaat met het opgestelde zorgplan. Indien de heer dit aanbod weigert, dan gaat [gedaagde partij] over tot het traject ‘einde zorg’.\n\n(3) Onzorgvuldige omgang met zorgplannen en indicatie\n\nVerweer: Het zorgplan is keer op keer besproken, op de schaarse momenten dat de heer dit toeliet, waarbij door de heer [eisende partij] aan begeleiders onmogelijke en voortdurend wisselende eisen werden gesteld. Er is geen duurzaam akkoord op het zorgplan tot stand gekomen.\n\nHet is in de zorg gebruikelijk dat de Wlz GGz 1 in een ambulante vorm met 24-uurs bereikbaarheid wordt uitgevoerd. Het zorgkantoor heeft dit naar ons bevestigd. Een deskundig team heeft de situatie en hulpvraag van de heer beoordeeld en is gekomen tot een pakket van passende zorg die binnen deze indicatie past én die passend is voor de persoonlijke hulpvraag van de heer [eisende partij] , gezien zijn gebruik van zorg en gezien zijn problematiek. Deze zorg wordt aangeboden.\n\n(4) Structurele weigering van passende zorg en begeleiding\n\n [gedaagde partij] biedt passende zorg aan. De heer [eisende partij] weigert deze zorg af te nemen. Afspraken, als deze al tot stand komen, worden geweigerd en afgezegd.\n\n(5) Onrechtmatige druk en dreigementen\n\nDe voorwaarden die [gedaagde partij] aan de zorg stelt zijn aller sinds redelijk. Enige medewerking van cliënten in de uitvoering is vereist. De medewerking van de heer [eisende partij] missen de begeleiders volledig.\n\nRegelmatig gaat de heer [eisende partij] over de grens van begeleiders heen, waarop wij hem een\n\nwaarschuwing hebben gegeven. Begeleiders ervaren geen medewerking. Er wordt geen druk uitgeoefend, laat staan dreigementen geuit. [gedaagde partij] vraagt medewerking aan zorguitvoering van de heer [eisende partij] .”\n\n2.12.. \n [gedaagde partij] heeft vanaf maart 2025 de begeleiding van [eisende partij] door het vaste team van de locatie [locatie 1] gestopt en in plaats daarvan een kernteam ingezet.\n\n2.13.. Bij brief van 9 april 2025 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] medegedeeld dat de zorgovereenkomst op 1 juni 2025 eindigt. Als redenen voor de beëindiging heeft [gedaagde partij] genoemd: de zorgweigering door [eisende partij] , zijn weigering om mee te werken aan overplaatsing naar een door deskundigen van [gedaagde partij] beoordeelde beter passende locatie, de wederzijdse vertrouwensbreuk en de weigering van [eisende partij] om mee te werken aan het aanpassen van zijn indicatie. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] meegedeeld dat hij per 1 juni 2025 geen recht meer heeft op begeleiding, ondersteuning en zorg van [gedaagde partij] en dat hij niet meer in de woning op de locatie [locatie 1] mag verblijven. Hij moet op zoek gaan naar andere huisvesting en begeleiding.\n\n2.14.. Bij vonnis van 28 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [eisende partij] , die onder andere luidden [gedaagde partij] te verbieden de zorgverlening per 1 juni 2025 te beëindigen, [gedaagde partij] te gelasten de zorgverlening onverkort voort te zetten op de huidige woonlocatie ( [locatie 1] ) en te gelasten dat geen afschaling van zorg wordt doorgevoerd, [gedaagde partij] te gelasten integrale begeleiding aan [eisende partij] te bieden door het vaste team op locatie [locatie 1] , dan wel door een in overleg met [eisende partij] aan te wijzen persoonlijk begeleider en [gedaagde partij] te veroordelen tot nakoming van het bindend advies van de Geschillencommissie van 22 maart 2024, afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder andere het volgende overwogen.\n\n“conclusie\n\n6.14.\n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde partij] op grond van het vorenstaande voldoende aannemelijk gemaakt dat [eisende partij] niet heeft meegewerkt aan de geboden zorgverlening en zonder goede reden niet bereid is geweest een andere passende locatie te aanvaarden. Dit heeft geleid tot een onherstelbare vertrouwensbreuk. Dit zijn gewichtige redenen die de opzegging van de zorgovereenkomst – en daarmee ook de beëindiging van het verblijf van [eisende partij] in een appartement op een locatie van [gedaagde partij] – rechtvaardigen.\n\nzorgvuldigheid\n\n6.15.\n\nDe voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde partij] [eisende partij] herhaaldelijk (in brieven van 20 juni 2024, 5 november 2024 en 18 december 2024 aan [eisende partij] en in de email van 14 januari 2025 aan de advocaat van [eisende partij] ) heeft gewaarschuwd voor opzegging van de zorgovereenkomst als hij niet zou meewerken aan de zorgverlening en aan de verhuizing naar een andere locatie. Daarnaast heeft zij actief gezocht naar passende zorgverlening voor [eisende partij] op een andere locatie, zowel intern als extern. Dat [eisende partij] nu wel bereid is zijn medewerking te verlenen aan een hogere indicatie betekent niet dat [gedaagde partij] op de opzegging moet terugkomen. De andere twee redenen zijn ernstig en zwaarwegend genoeg. Het bindend advies staat aan opzegging niet in de weg vanwege de situatie zoals die zich daarna heeft ontwikkeld.”\n\n2.15.. Bij vonnis van 9 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder andere overwogen dat het vonnis van 28 mei 2025 niet op een kennelijke feitelijke of juridische misslag berust en heeft hij de ontruimingsdatum bepaald op 1 september 2025.\n\n2.16.. \n [eisende partij] verblijft per 1 september 2025 op een zorglocatie in [plaats 4] .\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eisende partij] vordert - samengevat - na vermindering van eis ter zitting om, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1. te verklaren voor recht dat de zorgovereenkomst tussen partijen door [gedaagde partij] ten onrechte is beëindigd;\n\n2. [gedaagde partij] te gelasten de zorgovereenkomst te hervatten en passende begeleiding te bieden op een locatie van [gedaagde partij] binnen de gemeente [woonplaats] ;\n\n3. [gedaagde partij] te veroordelen tot nakoming van het bindend advies van de Geschillencommissie van 22 maart 2024;\n\n4. [gedaagde partij] te gelasten uitvoering te geven aan een viertal benoemde zorgdoelen;\n\n5. [gedaagde partij] te gelasten binnen 7 dagen na betekening van het vonnis aan het onder 2 t\u002Fm 4 gevorderde te voldoen;\n\n6. [gedaagde partij] te veroordelen tot het betalen van een dwangsom indien zij niet aan de op grond van 2 t\u002Fm 5 te geven veroordelingen voldoet;\n\n7. [gedaagde partij] te veroordelen tot het betalen van € 5.000,00 aan [eisende partij] als voorschot op schadevergoeding;\n\n8. te verklaren voor recht dat [gedaagde partij] gehouden is schadevergoeding aan [eisende partij] te betalen op te maken bij staat;\n\n9. [gedaagde partij] te veroordelen binnen 3 dagen na betekening van het vonnis aan [eisende partij] te betalen € 15.346,00 als schadevergoeding;\n\n10. [gedaagde partij] te veroordelen in de proceskosten van [eisende partij] .\n\n3.2.. \n [eisende partij] heeft aan zijn vorderingen de volgende verwijten, die elkaar grotendeels overlappen, ten grondslag gelegd.\n\n [gedaagde partij] heeft haar zorgplicht jegens [eisende partij] geschonden door:\n\n- zorg af te schalen;\n\n- niet over te gaan tot zorgherstel na het bindend advies;\n\n- geen deugdelijk zorgplan te hebben;\n\n- ten onrechte de zorgovereenkomst op te zeggen;\n\n- geen zorgopvolging en\u002Fof zorgoverdracht te laten plaatsvinden.\n\n [gedaagde partij] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van het bindend advies op de punten:\n\n- het opstellen en uitvoeren van een zorgplan;\n\n- het aanbieden van dagbesteding dan wel het bieden van ondersteuning bij pogingen van [eisende partij] daartoe.\n\n [gedaagde partij] heeft de zorgovereenkomst onrechtmatig beëindigd vanwege:\n\n- beëindiging zonder passende overdracht naar een andere aanbieder;\n\n- structurele afbouw van zorg zonder indicatie-aanpassing of deugdelijke motivering;\n\n- ondeugdelijk, eenzijdig en juridiserend zorgplanproces zonder instemming;\n\n- framing van autistisch gedrag als verwijtbaar gedrag;\n\n- sturende verslaglegging zonder hoor en wederhoor vanaf juni 2024;\n\n- onvoldoende zorgvuldigheid bij voorstellen voor alternatieve locaties.\n\nHet handelen van [gedaagde partij] heeft tot diverse soorten van schade bij [eisende partij] geleid.\n\n3.3.. \n [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. De verweren van [gedaagde partij] worden bij de navolgende beoordeling en de motivering daarbij betrokken.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [eisende partij] vordert enerzijds herstel van de zorgovereenkomst met [gedaagde partij] en hervatting van zorg op een locatie van [gedaagde partij] in de gemeente [woonplaats] . Daaraan ligt ten grondslag dat geen sprake is van gewichtige redenen die beëindiging van de zorgovereenkomst rechtvaardigen. Anderzijds vordert [eisende partij] schadevergoeding. Daaraan ligt ten grondslag dat [gedaagde partij] geen goede zorg heeft verleend en de zorgovereenkomst op ondeugdelijke gronden heeft beëindigd, en dat dit (wanprestatie en onrechtmatig handelen) schade voor [eisende partij] tot gevolg heeft gehad.\n\n4.2.. \n\nDe vorderingen van [eisende partij] nopen tot beantwoording van de vraag of [gedaagde partij] de zorgovereenkomst met [eisende partij] op goede gronden heeft mogen beëindigen. De rechtbank zal bij de beoordeling echter ook meteen de voor de schadevordering relevante vraag of [gedaagde partij] al dan niet goede zorg heeft verleend betrekken, omdat uit het debat tussen partijen duidelijk blijkt dat de beoordeling hiervan ook relevant is voor de vraag of [gedaagde partij] de zorgovereenkomst mocht beëindigen.\n\nIn de kern gaat deze zaak over de vraag of zowel [gedaagde partij] als [eisende partij] de op hen rustende verbintenissen die voortvloeien uit de tussen hen bestaande zorgovereenkomst over en weer voldoende deugdelijk zijn nagekomen.\n\n4.3.. Bij de beoordeling of [gedaagde partij] en [eisende partij] hun verbintenissen op grond van de zorgovereenkomst voldoende deugdelijk zijn nagekomen zijn de volgende juridische regels relevant.\n\nVolgens een van de kernbepalingen van de WGBO, artikel 7:453 BW, moet de hulpverlener ( [gedaagde partij] ) bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Op grond van artikel 2 Wkkgz moet de zorgaanbieder goede zorg aanbieden. Dat is zorg van goede kwaliteit en goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Ook moet de zorg voldoen aan de professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden. Daarnaast omvat goede zorg de plicht om de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht te nemen en de cliënt ook overigens respectvol te behandelen.\n\nOp grond van artikel 7:452 BW rust op de patiënt ( [eisende partij] ) de verplichting de hulpverlener naar beste weten de inlichtingen en de medewerking te geven die deze redelijkerwijs voor het uitvoeren van de overeenkomst behoeft.\n\n4.4.. Voorgaande regels laten zich samenvatten in die zin dat [gedaagde partij] de zorg dient te verlenen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot dat zou hebben gedaan en dat [eisende partij] [gedaagde partij] daarbij behulpzaam moet zijn en medewerking moet verlenen om die zorg aan hem te kunnen verlenen. Daarbij gaat het voor [gedaagde partij] om een inspanningsverplichting en niet om een resultaatsverplichting. Dit brengt mee dat, anders dan [eisende partij] bepleit, de enkele omstandigheid dat [gedaagde partij] na de beslissing van de Geschillencommissie gedurende de looptijd van de beëindigde zorgovereenkomst geen nieuw zorgplan, geen volledige uitvoering van een (oud of nieuw) zorgplan, geen dagbesteding zoals videografie en geen alternatieve huisvesting heeft gerealiseerd, nog niet de conclusie rechtvaardigt dat [gedaagde partij] is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen op grond van de zorgovereenkomst.\n\n4.5.. De rechtbank constateert dat [eisende partij] zijn verwijten in de dagvaarding nader heeft toegelicht met de producties 8, 9 en 13 waarin hij zijn reactie op in die producties beschreven gebeurtenissen en handelingen van [gedaagde partij] geeft en concludeert dat [gedaagde partij] na de beslissing van de Geschillencommissie de zorg aan hem heeft afgeschaald, zich heeft gericht op het zoeken naar een andere zorglocatie voor [eisende partij] en hem in verslaglegging negatief laat overkomen. De rechtbank constateert dat [gedaagde partij] tegenover de in 3.2. weergegeven verwijten aan [gedaagde partij] op het punt van de zorg en tegenover voormelde producties van [eisende partij] bij conclusie van antwoord als productie 1 een (als vertrouwelijk aangeduide) tijdlijn met een beschrijving van gebeurtenissen en handelingen van [gedaagde partij] en van [eisende partij] heeft overgelegd.\n\n4.6.. Vanwege de aangeduide vertrouwelijkheid - vanwege patiëntinformatie - van productie 1 van [gedaagde partij] zal de rechtbank in de navolgende motivering hieruit niet citeren. De rechtbank ziet in de opmerkingen en conclusies van [eisende partij] in zijn producties 8, 9 en 13 zijn persoonlijke visie en beleving over\u002Fvan weergegeven gebeurtenissen en handelingen. Wat daarbij ontbreekt zijn echter feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat [gedaagde partij] geen inspanningen gericht op zorgverlening heeft verricht, dat [gedaagde partij] louter gericht is geweest op verplaatsing van [eisende partij] en dat [gedaagde partij] [eisende partij] in een kwaad daglicht heeft willen plaatsen. Wat resteert is dan de louter persoonlijke beleving van [eisende partij] op deze punten. Dat volstaat echter niet om aan die beleving ook rechtsgevolgen te kunnen verbinden.\n\n4.7.. \n [gedaagde partij] heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat het debat in het kort geding destijds is gevoerd op grond van dezelfde argumenten als die welke in deze bodemprocedure zijn vermeld, waaronder de door [gedaagde partij] opgestelde tijdlijn van 7 maart 2025. De rechtbank constateert dat de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 28 mei 2025 voor zijn motivering heeft geput uit feiten en omstandigheden zoals vermeld in die tijdlijn. Anders dan op de zitting van 2 juni jl. door [eisende partij] is betoogd, acht de rechtbank de motivering van de voorzieningenrechter, voor zover die ziet op onderwerpen die ook in deze bodemzaak aan de orde zijn, inzichtelijk en deugdelijk. Het gaat dan om de overwegingen over de houding en het gedrag van [eisende partij] bij de inspanningen van [gedaagde partij] om te komen tot het verlenen van zorg op grond van het bestaande (mondelinge) zorgplan, over de houding en het gedrag van [eisende partij] bij de inspanningen van [gedaagde partij] om te komen tot het opstellen en ondertekenen van een nieuw zorgplan, over de houding en het gedrag van [eisende partij] bij de inspanningen van [gedaagde partij] om te komen tot het vinden van een passende zorglocatie elders dan in de [locatie 1] en over het handelen van [gedaagde partij] rondom de beëindiging van de zorgovereenkomst. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 6.5. tot en met 6.16 van het kortgedingvonnis van 28 mei 2025 en neemt die over.\n\n4.8.. De rechtbank overweegt aanvullend het volgende. De rechtbank komt op grond van de in 4.5. vermelde producties van beide partijen en uit hetgeen partijen in de processtukken en ter zitting naar voren hebben gebracht tot een aantal constateringen en overwegingen.\n\n4.9.. Allereerst overweegt de rechtbank dat de Geschillencommissie niet heeft beslist dat [gedaagde partij] tekort is geschoten in het opstellen van een zorgplan. De overwegingen in de uitspraak van de commissie vermelden daarover niets. Integendeel, de commissie overweegt dat [gedaagde partij] haar zorgtaken dient uit te voeren zoals die in het zorgplan staan. Verder brengt het standpunt van [eisende partij] dat de uitspraak partijen bindt mee dat [gedaagde partij] ook de overweging dat [gedaagde partij] in overleg met het Zorgkantoor het vinden van een passende zorglocatie elders dient te bespoedigen, dient op te volgen. Reeds hierom is het verwijt van [eisende partij] dat [gedaagde partij] zich na de uitspraak heeft ingespannen een dergelijke zorglocatie te vinden ongegrond. Bovendien is [gedaagde partij] op grond van de zorgovereenkomst bevoegd [eisende partij] op een locatie elders binnen [gedaagde partij] woonruimte en zorg te bieden, welke bevoegdheid zij gelet op de kritiek op de zorg op de locatie de [locatie 1] in redelijkheid kon aanwenden.\n\n4.10.. \n [gedaagde partij] heeft met de op het gebied van ASS deskundige medewerkers voor [eisende partij] passende zorglocaties uitgezocht en deze aan hem voorgesteld. [eisende partij] heeft zich op het standpunt gesteld dat deze locaties niet passend zijn omdat hem niet de juiste zorg kan worden geboden. De rechtbank constateert dat dit standpunt niet is gemotiveerd met verwijzing naar een zorgplan, hetgeen zich laat verklaren doordat [eisende partij] het laatstelijk door [gedaagde partij] aangehouden zorgplan niet heeft geaccepteerd. Evenmin is het standpunt gemotiveerd met de bevindingen en conclusies van een in ASS gespecialiseerde beroepsbeoefenaar. De persoonlijke mening van [eisende partij] is ontoereikend om de conclusie te rechtvaardigen dat de voorgestelde zorglocaties niet passend zijn.\n\n4.11.. \n [gedaagde partij] heeft zich (voor en) na de uitspraak van de Geschillencommissie ingespannen om te komen tot het opstellen van een nieuw zorgplan en tot het verlenen van zorg inclusief de door [eisende partij] gewenste individuele dagbesteding, met name het maken van video’s. Dat [gedaagde partij] daadwerkelijk zorg heeft verleend blijkt genoegzaam uit de door [eisende partij] in zijn producties (zie 4.5.) vermelde zorgcontacten. Ook blijkt uit de door [gedaagde partij] overgelegde tijdslijn (productie 1) dat [gedaagde partij] naar meer zorgcontacten heeft gestreefd en een vrijwilliger voor het maken van video’s had gevonden. Tot slot blijkt uit die tijdslijn (en de producties van [eisende partij] ) ook dat [gedaagde partij] heeft gestreefd om met betrokkenheid van [eisende partij] te komen tot het tot stand brengen van een nieuw zorgplan. De rechtbank constateert dat [eisende partij] niet heeft weersproken dat hij meermalen bezoekers ten behoeve van zorgverlening niet heeft toegelaten en dat hij meermalen medewerking aan het tot stand brengen van een nieuw zorgplan heeft geweigerd of toezeggingen en afspraken daarover heeft gewijzigd of ingetrokken. Van bewust afschalen van zorg door [gedaagde partij] is niet gebleken; [gedaagde partij] heeft zich ingespannen passende zorg te bieden.\n\n4.12.. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat [gedaagde partij] aan de op haar op grond van de zorgovereenkomst rustende inspanningsverbintenis heeft voldaan, voor zover de houding en het gedrag van [eisende partij] dat mogelijk maakte. Dat oordeel van de rechtbank zou anders kunnen zijn geweest indien [eisende partij] aanknopingspunten zou hebben geboden die steun bieden voor zijn betoog dat de oorzaak voor zijn hierboven beschreven houding en gedrag is gelegen in zijn aandoening ASS. Dergelijke aanknopingspunten heeft [eisende partij] niet gegeven. Dat was in deze procedure wel van hem te vergen nu tussen partijen vaststaat dat [eisende partij] tot in 2021 vele jaren zonder problemen met dezelfde aandoening bij [gedaagde partij] heeft gewoond en in zorg is geweest en wel op een locatie die speciaal is toegerust voor personen met de aandoening ASS. De rechtbank honoreert daarom niet het verzoek om nu alsnog een deskundige op dit punt onderzoek te laten verrichten. De conclusie is dan ook dat [eisende partij] wel is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende verbintenis om aan de zorgverleners de van hem te vergen medewerking te verlenen.\n\n4.13.. Het gevolg van de houding en het gedrag van [eisende partij] is geweest dat [gedaagde partij] aan [eisende partij] niet de zorg heeft kunnen geven die zij op grond van de zorgovereenkomst aan hem had willen geven, dat de verhoudingen op die locatie ernstig zijn verstoord en dat [gedaagde partij] ook geen plaatsing van [eisende partij] op een passende locatie binnen (of buiten) [gedaagde partij] heeft kunnen realiseren. Evenals de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat deze feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7:460 BW voor [gedaagde partij] om de zorgovereenkomst te beëindigen.\n\n4.14.. \n [gedaagde partij] heeft de vereiste zorgvuldigheid betracht door voorafgaand aan de beëindiging meerdere duidelijke waarschuwingen te geven en intussen zich in te spannen om de noodzakelijke zorg te verlenen en een passende zorglocatie elders te zoeken.\n\n4.15.. De conclusie is dat [gedaagde partij] niet is tekort geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis tot het verlenen van goede zorg en dat evenmin sprake is van onrechtmatig handelen met betrekking tot de beëindiging van de zorgovereenkomst.\n\n4.15.. Waar geen sprake is van wanprestatie of onrechtmatige daad is er ook geen grond voor schadevergoeding aan [eisende partij] .\n\n4.16.. De slotsom is dat alle vorderingen van [eisende partij] een deugdelijke feitelijke en juridische grondslag ontberen en daarom moeten worden afgewezen.\n\n4.17.. \n [eisende partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde partij] betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.995,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.672,00\n\n(2 punten × € 836,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.856,00\n\n4.18.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eisende partij] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5311","2026-07-13T00:29:09.646Z",20,[11]]