[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-maritime-law-nl-2024":3},{"detail":4,"years":72},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":71},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},51,"maritime-law-nl","Maritime Law","NL","2026-07-08T16:53:53.209Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":14},12,[39,52,62],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1053","ECLI:NL:RBROT:2024:12217","ecli-nl-rbrot-2024-12217","",61,"2024-12-06T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F10\u002F688106 \u002F KG ZA 24-1010\n\nVonnis in kort geding van 6 december 2024\n\nin de zaak van\n\nORIENT RISE SHIPPING LIMITED,\n\ngevestigd te Hong Kong,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. M.M. van Leeuwen te Rotterdam,\n\ntegen\n\nAURORA MARINE FUELS LIMITED,\n\ngevestigd te Londen,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat mr. B.J. van Egmond en mr. A.N. Kremer Hovinga te Rotterdam.\n\nPartijen zullen hierna ORS en Aurora genoemd worden.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 8 november 2024, met producties 1 tot en met 25 en de afzonderlijk nagestuurde producties 26 tot en met 31\n\nde bij berichten van 19, 20 en 21 november overgelegde producties 1 tot en met 14 aan de zijde van Aurora\n\n1.2.. Op 22 november 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens ORS heeft haar advocaat twee pleitnota’s overgelegd en voorgedragen. Namens Aurora hebben haar advocaten eveneens een pleitnota overgelegd en voorgedragen.\n\n2. De feiten2.1.. ORS is eigenaar van het zeeschip M\u002FV Broad Rise (hierna: de Broad Rise). In december 2021 was de vennootschap Cardinal Trade SA (hierna: Cardinal) tijdbevrachter van het schip.\n\n2.2.. Aurora is een wereldwijd opererende leverancier van brandstoffen en smeermiddelen voor de maritieme industrie, een bunkerleverancier. Cardinal heeft in december 2021 bij Aurora bunkers gekocht ten behoeve van de Broad Rise. De bunkers zijn op 1 januari 2022 door de feitelijk leverancier Chimbusco Marine Bunker Co. Ltd (hierna: Chimbusco) afgeleverd. Aurora heeft de factuur voor de levering voldaan aan Chimbusco. Cardinal heeft op haar beurt de factuur van Aurora voor het leveren van de bunkers niet voldaan.\n\n2.3.. Op 27 augustus 2024 heeft Aurora bij de rechtbank Rotterdam verzocht conservatoir beslag te mogen leggen op de Broad Rise. Het beslagverzoek is gericht tegen ORS. Aurora heeft in haar verzoekschrift gesteld dat zij een vordering heeft op ORS van USD 910.350 (hoofdsom), in de eerste plaats omdat ORS volgens Aurora medecontractant is bij de overeenkomst tussen Aurora en Cardinal. In de tweede plaats meent Aurora dat zij een verhaalsrecht heeft op de Broad Rise naar het op de overeenkomst toepasselijk recht en het recht van de vlaggenstaat.\n\n2.4.. Op 3 september 2024 heeft Aurora met verlof van de voorzieningenrechter beslag doen leggen op de Broad Rise.\n\n2.5.. Het conservatoir beslag is op 11 september 2024 opgeheven, nadat ORS een Garantie (op basis van het Rotterdams Garantie Formulier) heeft afgegeven. Op basis van de Garantie staat de West of England Shop Owners Mutual Insurance Association (hierna: de Club) garant voor betaling van de door Aurora gepretendeerde vordering op ORS.\n\n2.6.. Op 24 oktober 2024 heeft Aurora een dagvaarding uitgebracht tegen ORS in de bodemprocedure. Aurora vordert in deze procedure de veroordeling van ORS tot het betaling van een bedrag van USD 910.350. Aan deze vordering legt zij ten grondslag dat zij haar vordering op Cardinal kan verhalen op de Broad Rise. De eerste grond die Aurora in de het verzoek tot beslaglegging nog noemde (ORS is medecontractant), heeft Aurora expliciet laten vallen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. ORS vordert, samengevat weergegeven:\n\nprimair: de veroordeling van Aurora om aan de Club te bevestigen dat de Garantie van 10 september 2023 is komen te vervallen, dat daaraan geen rechten kunnen worden ontleend en dat de borg uit haar verplichtingen is ontslagen, en om het originele document aan de advocaat van ORS te retourneren, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en daarnaast te bepalen dat indien Aurora niet binnen 20 dagen aan deze veroordeling voldoet, deze uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van Aurora in de zin dat de uitspraak in de plaats treedt van de bedoelde verklaring;\n\nsubsidiair: de veroordeling van Aurora om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis tegenzekerheid te stellen voor een bedrag van € 200.000,- met bepaling dat indien Aurora dit nalaat, de Garantie van de WoEA komt te vervallen, en om in dat geval WoEA te déchargeren en de originele Garantie aan de advocaat van ORS te retourneren;\n\néén en ander met veroordeling van Aurora in de kosten van de procedure.\n\n3.2.. ORS legt aan haar vordering kort gezegd ten grondslag dat Aurora een evident ondeugdelijke vordering heeft op ORS, zodat sprake is van een onrechtmatig gelegd beslag op de Broad Rise. Onder geen van de potentieel betrokken rechtsstelsels kan (na 2,5 jaar) op een schip verhaal worden genomen voor een vordering op de tijdbevrachter. De Garantie is slechts afgegeven omdat ORS een dringend belang had bij vrijgave van de Broad Rise en er te weinig tijd was voor het starten van een kort geding tot opheffing van het beslag. Indien die procedure zou hebben plaatsgevonden, zou het beslag zonder twijfel zijn opgeheven en om die reden dient de vordering tot teruggave van de garantie eveneens te worden toegewezen, aldus ORS.\n\n3.3.. Aurora voert verweer en concludeert tot onbevoegdheid van de Nederlandse rechter, niet-ontvankelijkheid van ORS dan wel afwijzing van de vordering van ORS, een en ander met veroordeling van ORS in de kosten van de procedure.\n\n4. De beoordeling4.1.. De Nederlandse rechter is, anders dan Aurora heeft betoogd, internationaal bevoegd. Aan de vordering van ORS ligt ten grondslag de opvatting dat het beslag op het schip, dat aan de zekerheidsstelling vooraf is gegaan, onrechtmatig was en dat het om die reden onrechtmatig is om zekerheid te verlangen in ruil voor opheffing van het beslag. Dat dit de juridische grondslag is van de vordering volgt uit het gehele betoog van ORS en zij heeft hieraan bovendien met zoveel woorden gerefereerd in haar tweede pleitnota. Onjuist is dus het andersluidende standpunt van Aurora. Het gestelde onrechtmatige handelen heeft plaatsgevonden in Rotterdam. Op grond van artikel 6 onder e Rv is de Nederlandse rechter daarom internationaal bevoegd.\n\n4.2.. Deze zaak gaat niet over opheffing van beslag. Het beslag is immers al opgeheven. Die opheffing is echter het resultaat van een tussen ORS en Aurora tot stand gekomen overeenkomst op grond waarvan ORS zekerheid heeft gesteld die voor Aurora voldoende was om het beslag vrijwillig op te heffen. Hiermee is gegeven dat de Garantie – en daarmee de vordering van ORS in dit kort geding – niet los gezien kan worden van de beslaglegging die daaraan is vooraf gegaan. Zonder beslaglegging immers geen zekerheidsstelling. Deze onlosmakelijke verbondenheid tussen beslaglegging en zekerheidsstelling brengt mee dat voor het oordeel over de toewijsbaarheid van de vordering in dit kort geding mede van belang is of (naar voorlopig oordeel) het beslag onrechtmatig was. Is dat het geval, dan is het in beginsel onrechtmatig om aan die zekerheidsstelling vast te houden. In dat geval heeft de beslaglegger immers ten onrechte gebruik gemaakt van een zwaarwegend drukmiddel (het vasthouden van een zeeschip dat op het punt staat uit te varen) om de beslagene zover te krijgen dat hij zekerheid stelt.\n\n4.3.. In een rechtstelsel zoals het Nederlandse, waarin het relatief eenvoudig is om voor beslaglegging verlof te krijgen, ligt het voor de hand dat een rechterlijke toets van de gegrondheid van het beslag ook gemakkelijk kan worden verkregen. Niet valt in te zien waarom dit alleen in een kortgeding tot opheffing zou kunnen plaatsvinden, al helemaal niet omdat de beslaglegger er geen nadeel van ondervindt als de beslagene om hem moverende redenen eerst zekerheid stelt en pas daarna de beslaglegging ter toetsing aan de rechter voorlegt. Dit doet ook recht aan de eisen van de maritieme praktijk. Het stellen van een garantie overeenkomstig het Rotterdams Garantieformulier, zoals hier is gebruikt, is een probaat middel om snel opheffing van een beslag te bewerkstelligen en zo grote operationele schade te voorkomen. Zou de vervangende zekerheidstelling niet meer tussentijds teruggevorderd kunnen worden op grond van onrechtmatige beslaglegging, dan is de kans reëel dat de animo voor deze praktische aanpak zal afnemen.\n\n4.4.. Denkbaar is dat partijen in het kader van de zekerheidsstelling en opheffing van het beslag afspraken hebben gemaakt die op het voorgaande een ander licht werpen. Daarvan is in dit kort geding niet gebleken. Integendeel: de tekst van het overeengekomen garantieformulier bepaalt dat de garantie wordt gegeven “without any prejudice (including […] the right to demand a release of this guarantee).” Hieraan doet niet af dat Aurora een tekstvoorstel van ORS, waarin expliciet naar de toepasselijkheid van artikel 705 Rv werd verwezen, heeft geweigerd.\n\n4.5.. Aurora heeft ten laste van ORS beslag gelegd op het schip tot verhaal van haar vordering op Cardinal als koper van de bunkers. Hoewel Aurora in het beslagrekest nog een ander standpunt innam, staat inmiddels tussen partijen vast dat ORS geen partij is geworden bij de overeenkomst en dus ook niet als contractspartij aansprakelijk is voor de onbetaald gebleven koopprijs. Aurora meent echter in de tweede plaats dat zij bij de totstandkoming van de overeenkomst tot levering van bunkers een ‘maritime lien’ op het schip heeft gekregen, zodat zij zich op het schip (van ORS) kan verhalen. De rechtmatigheid van het beslag (en daarmee de rechtmatigheid van het vasthouden aan de op grond daarvan gestelde zekerheid) moet dus worden beoordeeld op grond van dit gestelde verhaalsrecht.\n\n4.6.. Naar Nederlands recht bestaat een dergelijk verhaalsrecht niet. Het bepaalde in artikel 10:160 BW brengt dan mee dat de vordering van Aurora op Cardinal alleen in Nederland op het schip verhaalbaar is als die vordering zowel op grond van het recht van het land waar het schip te boek staat als op grond van het recht dat de vordering beheerst, op het schip kan worden verhaald.\n\n4.7.. De Broad Rise staat in Panama te boek. Aurora heeft in haar algemene voorwaarden een keuze heeft gemaakt voor de toepasselijkheid van Amerikaans federaal maritiem recht en bij gebreke van een daaruit volgende toepasselijke regel voor het recht van de staat New York. Voor dit kort geding moet van deze rechtskeuze worden uitgegaan. Weliswaar heeft ORS twijfels geuit over de rechtsgeldigheid van die rechtskeuze, maar die twijfels heeft zij onvoldoende handen en voeten gegeven.\n\n4.8.. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van het Panamese recht het recht dat de vordering beheerst bepalend is voor het antwoord op de vraag of Aurora een maritime lien op het schip heeft verkregen. Dat brengt mee dat per saldo het Amerikaanse maritieme recht bepalend is.\n\n4.9.. Partijen zijn het erover eens dat naar Amerikaans recht een maritime lien op het schip voor een vordering als de onderhavige in beginsel mogelijk is. Een zogenoemde ‘non-lien notice’ kan echter meebrengen dat een maritime lien niet is ontstaan. Volgens ORS is een dergelijke verklaring tijdig aan Aurora afgegeven, Aurora meent daarentegen dat de non-lien notice pas is afgegeven toen de overeenkomst tussen Aurora en Cardinal al tot stand was gekomen, en dat is (volgens Aurora) te laat om het ontstaan van de maritime lien tegen te houden. Partijen twisten in dit verband over de precieze datering van de totstandkoming van de overeenkomst en van de non-lien notices. Gelet op dit debat, dat deels feitelijk van aard is en deels verband houdt met de betekenis van die feiten naar het Amerikaans maritiem recht, kan in dit kort geding niet worden aangenomen dat (de bodemrechter zal oordelen dat) geen maritime lien is ontstaan.\n\n4.10.. ORS heeft zich ook op het standpunt gesteld dat het verhaalsrecht van Aurora op het schip is verjaard. In de dagvaarding en ter zitting heeft zij gesteld dat de in Nederland geldende wettelijke regeling op dit punt (artikel 8:219 BW) beschouwd moet worden als een regel van processuele aard en dus van toepassing is, omdat het schip in Nederland is beslagen. Dat standpunt is onjuist. Het recht dat de vordering beheerst strekt zich mede uit over regelingen die betrekking hebben op verjaring.\n\n4.11.. Mogelijk bedoelt ORS een beroep te doen op een door haar overgelegde opinie van een New Yorkse advocaat, die ingaat op het Amerikaans maritiemrechtelijke leerstuk van ‘laches’, dat naar Nederlandse begrippen kan worden begrepen als rechtsverwerking. Dit leerstuk is van toepassing als de eiser “has unreasonably delayed in asserting the claim”. Uit de opinie volgt dat voor de toepassing van de laches-doctrine naar Amerikaans maritiem recht wordt aangeknoopt bij lokale wetgeving over verjaring: zou de vordering naar lokaal recht zijn verjaard, dan is dat een aanwijzing dat de laches-doctrine in werking treedt en is het aan de beslaglegger om aan te tonen dat hij niet onredelijk traag heeft gehandeld. Via die redenering zou dan met toepassing van Amerikaans recht alsnog het Nederlandse verjaringsrecht relevant zijn, aldus deze opinie. Als ORS dit standpunt heeft bedoeld in te nemen, geldt dat zij dit onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de stukken blijkt immers dat Aurora na het onbetaald blijven van haar factuur verschillende pogingen in verschillende landen heeft gedaan om ten laste van ORS verhaal te halen en ook dat ORS van die pogingen op de hoogte was. Gelet hierop is bepaald niet uit te sluiten dat met toepassing van de laches-doctrine en met de Nederlandse verjaringsregel als uitgangspunt de conclusie alsnog zal zijn dat Aurora de aanspraak op haar vordering niet onredelijk heeft vertraagd. ORS heeft onvoldoende feiten gesteld om het tegendeel in dit kort geding te kunnen aannemen.\n\n4.12.. ORS heeft er in de pleitnota op gewezen dat de eis zoals in de hoofdzaak ingesteld niet toegewezen zal kunnen worden, omdat die eis uitgaat van een geldvordering van Aurora op ORS en daarvan is geen sprake. Dit betekent echter op zichzelf nog niet dat daarmee ook het beslag onrechtmatig was. Een vordering kan immers nog worden gewijzigd. Voor zover ORS bedoelt te stellen dat de aan de vordering ten grondslag liggende maritime lien niet inpasbaar is in het Nederlandse rechtssysteem, geldt dat zij dat standpunt onvoldoende heeft uitgewerkt. In beginsel is ook in het Nederlandse rechtssysteem niet ondenkbaar dat een derde (zoals hier de eigenaar van het schip) zal moeten dulden dat op zijn eigendom verhaal wordt genomen voor een vordering waarbij hij geen partij is. In dat geval ligt in de rede dat ten laste van die derde beslag kan worden gelegd om daarmee zeker te stellen dat het verhaalsrecht niet verloren gaat. Waarom dat in dit geval wezenlijk anders zou zijn – aangenomen dat naar het toepasselijke recht op de vordering een verhaalsrecht is ontstaan – heeft ORS niet toegelicht.\n\n4.13.. Uit het voorgaande volgt dat per saldo teveel vragen resteren om te kunnen aannemen dat (de bodemrechter zal oordelen dat) het aanvankelijk gelegde beslag onrechtmatig was. Daaruit volgt dat evenmin aannemelijk is dat het handhaven van de Garantie die uit dat beslag voortvloeit onrechtmatig is. In dit verband is van belang dat conservatoir beslag en dus ook een daaruit voortvloeiende zekerheidsstelling naar zijn aard bedoeld is om zeker te stellen dat na afloop van de hoofdzaak nog verhaalsmogelijkheden resteren, terwijl de beslaglegger aansprakelijk is voor de als gevolg van die beslaglegging veroorzaakte schade als de uitkomst van de hoofdzaak is dat ten onrechte beslag is gelegd.\n\n4.14.. Een belangenafweging leidt niet tot een andere uitkomst. De Broad Rise vaart weer, dus in zoverre is het risico van grote schade wegens het stilliggen van het schip niet meer aan de orde. ORS stelt dat zij een contante storting van € 1 miljoen heeft moeten doen om de Garantie te verkrijgen en dat zij dat bedrag dus niet voor haar bedrijfsdoeleinden kan gebruiken zo lang de Garantie van kracht blijft. Bovendien heeft zij een fee moeten betalen om de Garantie te krijgen. Als dit alles juist is, dan volgt daaruit hooguit dat ORS enige financiële schade dreigt te lijden als gevolg van het stellen van de Garantie. Hoe hoog die mogelijke schade kan zijn heeft ORS niet geconcretiseerd. ORS heeft bovendien niet gereageerd op de stelling van Aurora ter zitting dat zij een financieel gegoede vennootschap is en dat zij dus verhaal biedt voor het geval de uitkomst van de hoofdzaak daartoe aanleiding geeft. Bij deze stand van zaken weegt het belang bij behoud van de Garantie zwaarder dan de belangen van ORS. Dit geldt ook voor de subsidiaire vordering.\n\n4.15.. De vorderingen worden dus afgewezen.\n\n4.16.. ORS krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten van Aurora vergoeden. Deze kosten worden begroot op € 688,- aan griffierecht, € 1.661,- aan salaris advocaat en € 178,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.527,-. De nakosten worden vermeerderd € 92,- en de kosten van betekening indien voldoening van de (na)kosten niet plaatsvindt binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen af;\n\n5.2.. veroordeelt ORS in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Aurora begroot op € 2.527,-, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en te vermeerderen met een bedrag van € 92,-, en de kosten van betekening indien dit bedrag niet binnen deze termijn wordt betaald en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden;\n\n5.3.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de procesveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2024.1980\u002F3144\u002F1729","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:12217","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:01.783Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"468","ECLI:NL:RBNNE:2024:2250","ecli-nl-rbnne-2024-2250",65,"2024-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 23\u002F1839\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [plaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.A. Jansen),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân, het college\n\n(gemachtigden: M.R. van der Velde en mr. C. van der Wal).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een ligplaatsvergunning te verlenen.\n\n1.1.. Het college heeft de aanvraag met het primaire besluit van 15 september 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 april 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 25 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser om een vergunning te verlenen voor het innemen van een ligplaats met het schip [schip]. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToetsingskader\n\n4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nVaststaande feiten\n\n5. Eiser is eigenaar van de garnalenkotter [schip] (het schip). Het schip staat bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland als vaartuig geregistreerd bij [bedrijf] . Eiser is eigenaar van dat bedrijf.\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eiser bij brief van 21 juni 2021 een vergunning heeft aangevraagd voor het innemen van een ligplaats met het schip aan de steiger voor vissersschepen in de haven van Makkum.\n\nIs het schip een visserschip?\n\n7. Eiser betoogt – samengevat – dat de vergunning ten onrechte is geweigerd. Het schip is een visserschip als bedoeld in de Verordening havens en overige wateren gemeente Súdwest-Fryslân 2021 (de Verordening 2021). Het schip is onderdeel van eisers visserijbedrijf. Zijn bedrijf staat als zodanig geregistreerd, het bedrijf is nog steeds actief en het bedrijf voldoet aan alle voorwaarden om te kunnen vissen. Eiser stelt dat die omstandigheden bepalend moeten zijn voor de uitleg van de definitie van een visserschip als bedoeld in de Verordening 2021. Het schip is ooit gebouwd voor de visserij, is bestemd voor dat doel en heeft visserij als huidig gebruik. Dat een visserschip tijdelijk niet uitvaart, maakt volgens eiser niet dat het gebruik wijzigt. Eiser betoogt dat de uitleg van het college onduidelijk is en rechtsonzekerheid oplevert nu niet duidelijk is wanneer een schip nog wel en wanneer niet meer als visserschip wordt beschouwd.7.1.. Het college voert – samengevat – aan dat uit de aangeleverde gegevens volgt dat het schip is bestemd voor het bedrijfsmatig vangen van vis. Uit die gegevens volgt echter niet dat het schip ook daadwerkelijk daarvoor wordt gebruikt. Uit de definitie van visserschip in de Verordening 2021 volgt dat het vaartuig ook hoofdzakelijk dient te worden gebruikt voor het bedrijfsmatig vangen van vis. Aan die laatste voorwaarde wordt niet voldaan. Tijdens de aanvraagfase is eiser verzocht om bedrijfsgegevens aan te leveren waaruit blijkt dat het schip bedrijfsmatig als visserschip wordt gebruikt. Eiser heeft alleen een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel aangeleverd. Uit dat uittreksel valt niet af te leiden dat het visserschip daadwerkelijk in gebruik is voor de visserij. Er zijn daarnaast geen nadere gegevens overgelegd waaruit volgt dat het schip hoofdzakelijk wordt gebruikt als visserschip. Het schip is in oktober 2019 voor het laatst uitgevaren. Het college wijst erop dat eiser tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat het schip momenteel niet wordt gebruikt voor de visserij, gelet op personeelstekorten, olieprijzen en de coronapandemie. Ook heeft eiser aangegeven dat het onduidelijk is wanneer hij het schip weer kan gebruiken voor de visserij. Die beweringen sterken het college in zijn standpunt dat het schip ten tijde van het bestreden besluit niet wordt gebruikt voor de visserij en daarmee geen visserschip is in de zin van de Verordening 2021.7.2.. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het schip ten tijde van de beoordeling van de aanvraag geen visserschip was als bedoeld in de Verordening 2021. Het ligt op eisers weg om aan te tonen dat wordt voldaan aan de vereisten voor verlening van de gevraagde ligplaatsvergunning. Partijen zijn het erover eens dat het schip is bestemd voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee. Het andere vereiste uit de Verordening 2021 is dat het schip hoofdzakelijk ook voor die bestemming wordt gebruikt. Aan dat vereiste wordt niet voldaan. Sinds oktober 2019 is het schip niet meer gebruikt om mee te vissen. De gemeente heeft vanaf 2021 meerdere malen geconstateerd dat het schip ongebruikt in de haven van Makkum lag. Tijdens de aanvraagfase en de bezwaarfase heeft eiser geen gebruiksgegevens over het schip ingediend waarmee aannemelijk is gemaakt dat het schip toch voor de visbestemming wordt gebruikt. Eiser ontkent ook niet dat het gebruik van het schip in oktober 2019 is gewijzigd. Dat het schip nog onderdeel is van eisers bedrijf, verandert niets aan het gewijzigde gebruik en de lange duur van dat gebruik. Van (het creëren van) rechtsonzekerheid is in dit geval geen sprake.\n\n8. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs er sprake van handelen in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur?\n\n9. Eiser betoogt – samengevat – dat het in de Verordening 2021 invoeren van een verbodsbepaling voor bepaalde typen schepen zonder een onderbouwing waarom dit noodzakelijk wordt geacht, in strijd is met de zorgvuldigheids- en motiveringsbeginselen. Het verbieden van jarenlang bestaand gebruik zonder mogelijkheid tot vergunningverlening, moet worden gemotiveerd. Dat is bij de vaststelling en inwerkingtreding van de Verordening 2021 niet gebeurd. Om die reden dient het ligplaatsverbod buiten toepassing te worden gelaten. Er is bij het voorbereiden en vaststellen van de Verordening 2021 ten onrechte geen rekening gehouden met de negatieve gevolgen voor de situatie van eiser en daarbij ook geen weloverwogen keuze gemaakt. Daarnaast betoogt eiser dat het verbod buiten toepassing moet worden gelaten op grond van het evenredigheidsbeginsel. In dit geval ontbreekt de noodzaak van een regeling waarbij schepen als eisers schip geen ligplaats kunnen innemen in de haven. Die noodzaak is op geen enkele wijze onderbouwd. Een afweging of de uitkomst evenredig is, is ook niet gemaakt.\n\n9.1.. \n\nHet college voert – samengevat – aan dat in dit geval geen sprake is van een jarenlang bestaand gebruik. Het innemen van een ligplaats is sinds 2014 vergunningplichtig, zoals volgt uit de Verordening havens en overige wateren gemeente Súdwest-Fryslân 2014 (de Verordening 2014). Bovendien is het gebruik van het schip in de loop van de jaren gewijzigd. Indien het gebruik niet was gewijzigd en het schip als visserschip wordt gebruikt, is vergunningverlening mogelijk. Met de vaststelling van de Verordening 2021 heeft de raad ervoor gekozen om de mogelijkheid te bieden tot het innemen van een ligplaats voor de houder van een pleziervaartuig, historisch schip of visserschip. Voor ieder ander schip is in die verordening geen mogelijkheid geboden om een ligplaats in te nemen. De verplichting hiertoe is ook niet opgenomen in een formele wet. Dit maakt niet dat andere schepen, die niet worden aangemerkt als pleziervaartuig, historisch schip of visserschip, per definitie geen ligplaats kunnen innemen binnen de gemeente. De Verordening 2021 ziet namelijk niet op alle havens binnen de gemeente. Commerciële havens vallen niet onder die Verordening. Het staat dan ook niet vast dat het schip van eiser binnen de gemeente geen ligplaats kan innemen. Het innemen van een ligplaats in de haven van Makkum is gelet op het huidige gebruik alleen niet mogelijk.\n\nTer zitting is namens het college aangevoerd dat de haven van Makkum niet zo groot is. Het is niet eenvoudig om alle schepen een plek te geven. Manoeuvreren in de haven is lastig. De haven is van oudsher zo ingericht dat voor beroepsvissers andere steigers zijn gemaakt dan voor andere gebruikers. Ook moet er ruimte blijven als er bijvoorbeeld een storm komt. Waterbeweging heeft dan invloed op schepen en de kades.\n\n9.2.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in de Verordening 2014 en de bijbehorende Nadere regels voor het aanleggen en het ligplaats innemen in de gemeente Súdwest-Fryslân (de Nadere regels) een regeling was opgenomen voor (onder meer) het innemen van ligplaats door vissersschepen aan de visserijsteiger in de haven van Makkum. Daarbij was het niet mogelijk om zonder vergunning van het college een vaartuig langer dan 30 dagen per kalenderjaar in de haven te hebben (artikel 3.1.3, tweede lid, van de Verordening 2014). Uit de toelichting bij die verordening volgt dat die verordening kader stellende regels bevatte die van toepassing waren op alle categorieën vaartuigen die openbare wateren en havens die worden beheerd door de gemeente Súdwest-Fryslân aandoen. In die verordening en de Nadere regels werd reeds onderscheid gemaakt tussen pleziervaartuigen, vrachtschepen, vissersschepen, passagiersschepen en historische schepen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat (onderdelen van) de Verordening 2021 in strijd zijn met het recht en\u002Fof algemene beginselen van behoorlijk bestuur en buiten toepassing moeten worden gelaten. Uit de Verordening 2014 en de achterliggende stukken bij de Verordening 2021 volgt dat er voor de inwerkingtreding van de Verordening 2021 ook al een vergunningstelsel bestond voor vaartuigen in de haven van Makkum, ook voor (vissers)schepen aan de visserijsteiger. Anders dan eiser stelt, is dat stelsel niet pas met de Verordening 2021 ingevoerd. Voldoende duidelijk is dat het vergunningstelsel van oudsher onder meer is gericht op verdeling van de schaarse ruimte in de haven, de ordening van ligplaatsen en de bescherming van de openbare orde en veiligheid in de haven. Die doelen dienen ook eisers belang als scheepseigenaar die gebruik maakte en wenst te maken van de haven. Dat de raad in de Verordening 2021 bepaalde categorieën schepen nader heeft gespecificeerd, verandert dit niet. Voorts is niet gebleken dat het opnemen van deze algemene regels in de Verordening 2021, dan wel de toepassing daarvan in de situatie van eiser, onevenredige gevolgen voor eiser heeft. Het gebruik van eisers schip was immers al gewijzigd voordat die Verordening in werking trad. Eiser bestrijdt daarnaast niet dat zijn schip op een andere plek dan aan de visserijsteiger van de haven van Makkum ligplaats kan innemen.\n\n10. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nKan eiser een geslaagd beroep doen op overgangsrecht?\n\n11. Eiser betoogt – samengevat – dat overgangsrecht hier van toepassing is, dan wel zou moeten zijn. In de Verordening 2014 was geregeld dat het verbod ligplaats in te nemen niet gold als een vaartuig ligplaats innam aan een aangewezen oever, of als ligplaats werd ingenomen met een vaartuig behorend tot de categorie vaartuigen waarvoor het verbod niet gold. Volgens eiser is de oever waar het schip lag ten tijde van de aanvraag, al tientallen jaren aangewezen als ligoever voor de visserij. Aangenomen kan worden dat die oever destijds ook was aangewezen als bedoeld in die verordening. Er is dus sprake van bestaande rechten. Volgens eiser heeft het college ten onrechte niet onderkend dat het schip onder die verordening legaal ligplaats innam. Voor zover er geen overgangsrecht is voor dit soort gevallen, is de Verordening 2021 daarin gebrekkig en had de raad overgangsrecht moeten opnemen om bestaande rechten te eerbiedigen.\n\n11.1.. Het college voert – samengevat – aan dat in het overgangsrecht niet is opgenomen dat gebruik dat op grond van de Verordening 2014 legaal was, mag worden voortgezet. Reeds om die reden kan eisers beroep op het overgangsrecht volgens het college niet slagen. Daar komt bij dat het gebruik van het schip in 2019 is gewijzigd. Tot oktober 2019 was sprake van een schip dat werd gebruikt voor he bedrijfsmatig vangen van vis, maar sindsdien is dat niet meer het geval. Daarnaast betoogt het college dat eisers lezing van de Verordening 2014 niet correct is. Hoofdstuk 3 van die verordening gaat over zowel aanleggen als ligplaats innemen. Artikel 3.1.3, tweede lid, van de Verordening 2014 ziet ook op het innemen van een ligplaats.\n\n11.2.. De rechtbank is van oordeel dat eiser in dit geval geen geslaagd beroep op overgangsrecht kan doen. Eiser had voor zijn schip geen vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3, tweede lid, van de Verordening 2014. Eiser kan daarom geen geslaagd beroep doen op het overgangsrecht als opgenomen in artikel 6.2 van de Verordening 2021. Voorts kan eiser geen aanspraak maken op bescherming van bestaande rechten. Dat de situatie van eiser niet onder het overgangsrecht is gebracht, leidt ook niet tot het oordeel dat de Verordening 2021 onrechtmatig is. Vaststaat dat het gebruik van eisers schip in oktober 2019 is gewijzigd, in die zin dat het schip sindsdien niet meer hoofdzakelijk is gebruikt voor het bedrijfsmatig vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee. Het schip was daarmee geen vissersschip meer waarmee op grond van de Nadere regels ligplaats kon worden verkregen aan de visserijsteiger in de haven van Makkum. Het gebruik van het schip was daarmee al gewijzigd voordat de Verordening 2021 in werking trad. Van voorzetting van legaal gebruik onder de Verordening 2021 is geen sprake. Dat het schip in het verleden feitelijk lange tijd aan de visserijsteiger in de haven van Makkum heeft gelegen, maakt het voorgaande niet anders.\n\n12. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering om aan eiser een vergunning te verlenen voor het innemen van een ligplaats met het schip aan de visserijsteiger in de haven van Makkum, in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nVerordening havens en overige water gemeente Súdwest-Fryslân 2014\n\nIn artikel 1.2.1 van de verordening is bepaald dat deze verordening van toepassing is op de havens, zoals aangegeven op de kaarten in de bijlage, en op overige wateren.\n\nIn artikel 2.2.1, eerste lid, van de verordening is het de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee ligplaats in te nemen, tenzij de ligplaats wordt ingenomen met:\n\neen vaartuig aan een in de artikelen 3.1.1 en 3.4.1 of in een geldend bestemmingsplan als zodanig aangewezen ligoever, haven of andere gelegenheid die bestemd is om een vaartuig onder te brengen;\n\neen vaartuig behorende tot een categorie vaartuigen, waarvoor het verbod door het college op grond van het gestelde in het tweede lid buiten toepassing is verklaard.\n\nIn het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het college (categorieën van) vaartuigen kan aanwijzen waarop het in het eerste lid gesteld verbod niet van toepassing is. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat het college van het in het eerste lid gesteld verbod ontheffing kan verlenen.\n\nParagraaf 3.1 Aanleggen en ligplaats innemen in de haven\n\nIn artikel 3.1.1, onder a, van de verordening is bepaald dat het college nadere regels kan vaststellen voor het aanleggen en innemen van ligplaatsen door pleziervaartuigen en andere categorieën vaartuigen.\n\nIn artikel 3.1.2 van de verordening is bepaald dat het zonder toestemming van de havenmeester of een andere door het college met toezicht belast persoon verboden is met een vaartuig aan te leggen of een ligplaats in te nemen of zich met een vaartuig te bevinden op een plaats die:\n\ndaartoe niet is bestemd;\n\nis bestemd voor schepen van een andere categorie.\n\nIn artikel 3.1.3, eerste lid, van de verordening is bepaald dat het zonder toestemming van de havenmeester of een andere door het college met toezicht belast persoon verboden is met een vaartuig langer dan 3 x 24 uur achtereen in de haven aan te leggen.\n\nIn het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van het college een vaartuig langer dan 30 dagen per kalenderjaar in de haven te hebben.\n\nNadere regels voor het aanleggen en het ligplaats innemen in de gemeente Súdwest-Fryslân\n\nHoofdstuk 1. Begripsbepalingen[…] visserschip: een vaartuig dat hoofdzakelijk is bestemd en wordt gebruikt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee.\n\nHoofdstuk 4. Ligplaats innemen door andere categorieën van vaartuigen\n\nArtikel 4.1 Haven 1. In de havens is het voor andere categorieën vaartuigen toegestaan om na verkregen toestemming van het college of de beherende instantie vast ligplaats in te nemen.\n\n2. Voor de categorie vracht- en vissersschepen wordt er ligplaats verkregen op de locaties die op de kaart zijn aangeduid met de kleur geel.\n\nVerordening havens en overige wateren gemeente Súdwest-Fryslân 2021\n\n In artikel 1.1, aanhef en onder s, van de Verordening is bepaald dat in de Verordening en de daarop berustend bepalingen onder een visserschip wordt verstaan een vaartuig dat hoofdzakelijk is bestemd en wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee.\n\nIn artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat het de rechthebbende op een vaartuig verboden is daarmee ligplaats in te nemen of te hebben in de havens of de overige wateren. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het college en de havenmeester van een verbod vergunning of ontheffing kunnen verlenen.\n\nIn artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening kan een ligplaatsvergunning worden verleend aan een eigenaar of houder van een visserschip.\n\n In artikel 6.1 van de Verordening is bepaald dat de Verordening havens en overige wateren gemeente Súdwest-Fryslân, inwerking getreden op 1 april 2014, wordt ingetrokken.\n\nIn artikel 6.2, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat aanvragen om vergunning of ontheffingen die zijn ingediend krachtens de verordening als bedoeld in artikel 6.1, waarover nog niet is beschikt op het moment van het inwerking treden van deze verordening, worden afgehandeld overeenkomstig deze verordening.\n\nIn het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de vergunningen en ontheffingen die zijn verleend krachtens de Verordening als bedoeld in artikel 6.1, worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening.\n\n Gemeenteblad jaargang 2015, nummer 28807.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2024:2250","2024-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:31.942Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":50,"updatedAt":70},"1136","ECLI:NL:RBROT:2024:4510","ecli-nl-rbrot-2024-4510","2024-05-06T00:00:00.000Z","beschikkingRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nzeeschip “[naam schip]” (CLC-fonds)\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F670251 \u002F HA RK 23-1234\n\nBeschikking van 6 mei 2024\n\nin de zaak van\n\nde rechtspersoon naar het land en de plaats van haar vestiging\n\nNATIONAL CHEMICAL CARRIERS LTD,\n\ngevestigd te Riyadh, Saudi-Arabië,\n\nverzoekster,\n\nadvocaat mr. M. Wattel te Rotterdam,\n\nVerzoekster wordt hierna aangeduid als NCC.\n\n1. De procedure1.1.. De rechtbank heeft kennis genomen van het op 11 december 2023 ontvangen verzoekschrift met vijf bijlagen, en het daarop aansluitende gewijzigde verzoekschrift met vier bijlagen, ingekomen op 18 december 2023.\n\n1.2.. De rechtbank heeft op verzoek van NCC een datum voor de mondelinge behandeling bepaald en de griffier heeft NCC, de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden en het International Oil Pollution Fund 1992(hierna: het Fonds) voor die mondelinge behandeling opgeroepen.\n\n1.3.. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 april 2024. Alle in het genummerde overzicht van schuldeisers dat bij het verzoekschrift is gevoegd zijn daarbij verschenen, met uitzondering van:\n\n- mr. H.C.A. Van der Houven van Oordt, advocaat van schuldeisers nummers 2a tot en met 2g;\n\n- mr. W. Boonk, advocaat van schuldeiser nummer 7;\n\n- mr. T. Roos, advocaat van schuldeisers nummers 9, 10a, 10b, 17a tot en met 17c;\n\n- mr. P.A. van Grieken, advocaat van schuldeiser nummer 26;\n\n- mr. N. Hoogeboom, advocaat van schuldeiser nummer 27.\n\nDe rechtbank heeft geconstateerd dat zij wel correct zijn opgeroepen (via hun raadslieden).\n\nNamens het Fonds is op de mondelinge behandeling verschenen mr. M.A.R.C. Padberg.\n\n1.4.. De rechtbank heeft, naast de uitgewisselde correspondentie over het al dan niet bepalen van een zitting, voor de mondelinge behandeling voorts kennis genomen van:\n\nde e-mail van mr. Zandt van 28 februari 2024, met de mededeling dat schuldeisers 12a en 12b niet akkoord kunnen gaan met het beperkingsverzoek en dat zij verzoeken om een mondelinge behandeling, omdat het beperkingsverzoek niet voorziet in zekerheid voor de rente die zal verschijnen na zekerheidstelling tot aan de dag van uitbetaling ex art. 642v Rv;\n\nde e-mail van mr. van Waasbergen van 1 maart 2024, met een reactie op het standpunt van mr. Zandt;\n\nde e-mail van mr. Van ’t Zelfde van 1 maart 2024, met zijn reactie op het standpunt van mr. Zandt;\n\ne nadere e-mail van mr. Zandt van 1 maart 2024, waarin hij erop wijst dat hij geen rechtvaardiging ziet waarom fondsstelling middels garantie wel en middels consignatiekas geen dekking voor de verder oplopende rente zou bieden en dat de schuldenaar bij keuze voor storting in de consignatiekas ervoor moet zorgen dat daarmee dezelfde zekerheid wordt geboden als met een garantie het geval zou zijn, bijvoorbeeld door aan te bieden de consignatiekas van tijd tot tijd verder aan te vullen;\n\nde e-mail van mr. Van Waasbergen van 1 maart 2024, met een reactie op het standpunt van mr. Zandt;\n\nde e-mail van mr. Wattel van 2 maart 2024, met zijn visie op het standpunt van mr. Zandt..\n\n1.5.. Mr. Van Leeuwen heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen op de mondelinge behandeling. De spreekaantekeningen zijn toegevoegd aan het procesdossier. De andere aanwezigen hebben zonder spreekaantekeningen gesproken voor zover zij dit nodig achtten.\n\n1.6.. Op de mondelinge behandeling is de datum van de beschikking bepaald op 24 mei 2024 en is ook de mogelijkheid van vervroeging besproken.\n\n1.7.. Van het verhandelde op de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.\n\n2. Het verzoek2.1.. NCC verzoekt, zakelijk weergegeven en voor zover nog van belang:\n\nhet bedrag waartoe de aansprakelijkheid van NCC voorshands is beperkt vast te stellen op SDR 15.991.676,- (zegge: vijftien miljoen negenhonderd éénennegentigduizend zeshonderdzesenzeventig rekeneenheden);\n\nte bevelen dat NCC het hiervoor onder a. bedoelde bedrag, althans het equivalent daarvan in Euro, berekend tegen de koers van de dag van fondsstelling, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag volgende op de dag van het voorval tot aanvang van de dag volgende op de dag van fondsstelling en te vermeerderen met een door de rechtbank vast te stellen redelijk bedrag ter bestrijding van de kosten van de procedure middels het storten op een bankrekening ten name van de rechter-commissaris en vereffenaar, althans in de consignatiekas;\n\nvast te stellen dat NCC gerechtigd is om haar eventuele aansprakelijkheid voor schade als gevolg van het in het verzoek omschreven voorval tot het onder a. genoemde bedrag te beperken en te bevelen dat tot de procedure tot verdeling van dit te stellen beperkingsfonds zal worden overgegaan;\n\neen rechter-commissaris aan te wijzen en een vereffenaar te benoemen.\n\n3. De beoordeling3.1.. Het gewijzigd verzoek van NCC strekt – kort gezegd – tot het vaststellen van het bedrag waartoe haar aansprakelijkheid ter zake van de aanvaring op 23 juni 2018 van de “[naam schip]” met een steiger van LBC Tank Terminals in de 3e Petroleumhaven te Rotterdam, waardoor een lek is ontstaan in de stuurboord bunkertank van de “[naam schip]” en vervolgens stookolie de haven is gestroomd (hierna: het voorval) voorshands is beperkt (op grond van artikel V lid 1 CLC en op grond van artikel 4 lid 1 Waot ter zake van schade door verontreiniging in de zin van artikel I lid 6 CLC en artikel 1 sub g Waot) en tot het bevel dat tot een procedure tot verdeling van het te stellen fonds zal worden overgegaan.\n\nBevoegdheid en toepasselijk (verdrags)recht\n\n3.2.. De rechtbank stelt vast dat het CLC en de Waot van toepassing zijn. De Nederlandse rechter is op grond van artikel IX CLC en artikel 8a Waot bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van NCC omdat het hiervoor omschreven voorval schade door verontreiniging heeft veroorzaakt in Nederland. Op grond van artikel V lid 3 CLC en artikel 9 lid 1 Waot is de rechtbank Rotterdam bevoegd. Een en ander is, naar ter zitting is bevestigd, niet in geschil.\n\nHet recht tot beperking van NCC en fondsomvang\n\n3.3.. NCC was op het tijdstip van het voorval de eigenaresse van het zeeschip “[naam schip]” en aldus aansprakelijk voor schade door verontreiniging op grond van artikel III lid 1 CLC en artikel 3 lid 1 Waot. Op grond van artikel V lid 1 CLC en artikel 4 lid 1 Waot is zij in die hoedanigheid gerechtigd tot beperking van aansprakelijkheid op grond van het CLC en op grond van de Waot.\n\n3.4.. NCC stelt dat haar aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging op grond van artikel V lid 1 CLC kan worden beperkt tot SDR 15.991.676,-. Zij baseert dit op het bruto laadvermogen van de “[naam schip]” dat volgens het door NCC overgelegde ‘International Tonnage Certificate (1969)’ 23.196 ton bedraagt.\n\n3.5.. De verschenen belanghebbenden hebben geen verweer gevoerd tegen het recht van NCC tot beperking van haar aansprakelijkheid op grond van het CLC aangevuld door de Waot, noch tegen de berekening van beperkingsbedrag.\n\n3.6.. De rechtbank ziet geen reden om hierover anders te oordelen en bepaalt het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van NCC voorshands is beperkt dus op SDR 15.991.676,00.\n\n3.7.. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. De artikelen 642c Rv en 8:757 BW bieden daarvoor – via artikel 9 Waot – een grondslag, om de redenen uitgewerkt in de beschikking van deze rechtbank van 25 oktober 2023 over een eerder beperkingsverzoek over dit voorval waarover tussen dezelfde betrokkenen is geprocedeerd (ECLI:NL:RBROT:2023:9936).\n\nDe wijze van fondsvorming\n\n3.8.. NCC heeft medegedeeld fonds te willen vormen door storting op een bankrekening van de rechter-commissaris en vereffenaar, dan wel door storting in de consignatiekas. De rechtbank merkt op dat storting op een bankrekening niet meer mogelijk is in de beperkingsprocedures omdat banken terughoudend zijn geworden bij verzoeken tot het openen van een dergelijke rekening. Voor zover dat al mogelijk zou zijn wil ook de rechtbank zelf niet meer gebruik maken van deze niet op de wet gebaseerde mogelijkheid. Fondsvorming zal bij toewijzing dan ook plaats dienen te vinden door storting in de consignatiekas.\n\n3.9.. Mr. Zandt heeft namens Koole Terminals B.V. en Koole Tankstorage Botlek B.V. (schuldeisers 12a en 12b) in zijn e-mailberichten van 28 februari en 1 maart 2024 en ter zitting bezwaar gemaakt tegen de wijze van fondsstelling op de grond dat storting in de consignatiekas tot gevolg heeft dat de rente over het bedrag waarvoor mag worden beperkt minder zal oplopen dan bij het stellen van een garantie het geval zal zijn. Hij heeft het standpunt ingenomen dat de rechtbank bij het beoordelen van het verzoek een eigen afweging moet maken met het oog op de belangen van de crediteuren, terwijl hij zich anderszins ook kan voorstellen dat de rechtbank het belang van de verzamelde crediteuren om (eindelijk) tot voortgang en afwikkeling te komen zwaarder laat wegen.\n\n3.10.. Mr. Van Leeuwen heeft betoogd dat verweer slechts bij verweerschrift mag worden gevoerd, zodat het verweer te laat is. Mr. Zandt heeft bestreden dat voor het voeren van verweer alleen ruimte bestaat indien dit in een verweerschrift naar voren is gebracht. De rechtbank ziet evenmin als mr. Zandt reden om aan te nemen dat verweer niet meer ter zitting kan worden gevoerd, en ook de door de rechtbank gepubliceerde Handleiding Beperkingszaken benoemt dat ter mondelinge behandeling van het verzoekschrift zal worden behandeld “de inhoud van het (eventuele) verweerschrift, althans het ter zitting gevoerde verweer door belanghebbenden tegen het verzoek van verzoeker”. Het verweer is dus tijdig gevoerd.\n\n3.11.. \n\nDe rechtbank is naar aanleiding van de discussie ter zitting niet anders gaan denken dan zoals zij als voorlopig standpunt in haar e-mail van 15 maart 2024 aan partijen weergaf, namelijk:\n\n“Gebruikelijk is dat een verzoeker mag kiezen op welke wijze hij fonds wenst te stellen. De wet biedt daartoe de mogelijkheid van storting in de consignatiekas (artikel 642c lid 2 sub a Rv) dan wel een andere wijze van zekerheidstelling (artikel 642c lid 2 sub b Rv, hieronder valt bijvoorbeeld het stellen van een garantie). In geval van storting in de consignatiekas omvat het fonds op grond van voornoemd artikel en artikel 8:757 BW de rente vanaf de dag na het voorval tot en met de dag na de fondsstelling. Voor een andere manier van zekerheidstelling (zoals afgifte van een bankgarantie) bepaalt de wet in artikel 642c lid 2 sub b Rv uitdrukkelijk dat de zekerheidsstelling ook de rente na fondsstelling tot de dag waarop de oproepingen als bedoeld in artikel 642v Rv uitgaan. Dat regime geldt niet voor storting in de consignatiekas. De Wet op de consignatie van gelden voorziet erin dat bij een uiteindelijke uitkering rente over de geconsigneerde gelden zal worden vergoed (artikel 9 lid 2 Wet op de consignatie van gelden). De rente begint te lopen op de eerste dag van de maand na de maand waarin de storting plaatsvond en wordt berekend tot en met de laatste dag van de maand voorafgaande aan de maand waarin uitkering geschiedt (artikel 9 lid 4 en 5 Wet op de consignatie van gelden). Als de rechtbank een verzoeker beveelt om fonds te stellen en daaraan voldoet hij door storting in de consignatiekas, dan zal het fonds conform de wet aldus de wettelijke rente tot de dag na fondsstelling omvatten. Hoewel mr. Zandt in zijn laatste mail van 1 maart 2024 suggereert dat schuldeisers de vrijheid hebben om geen ‘genoegen te nemen’ met fondsstelling door storting in de consignatiekas (conform de hierboven beschreven uit de wet volgende wijze) ziet de rechtbank niet in dat en waarom zij die vrijheid hebben.”.\n\nIn aanvulling daarop en naar aanleiding van de ter zitting gegeven toelichting overweegt de rechtbank nog als volgt. Het standpunt van mr. Zandt leidt ertoe dat de rechtbank op grond van een belangenafweging zou moeten bepalen bij welke wijze van fondsstelling voor de schuldeisers op dat moment de hoogst mogelijke rente kan worden gegenereerd en een verzoekster die wijze van fondsvorming zou moeten opleggen. Voor een dergelijke taakopvatting van de rechter bij de beoordeling van het beperkingsverzoek bieden de regeling van artikel 642a e.v. Rv en het verdragsrecht geen enkele grondslag of ruimte. Zou dat anders zijn, dan zou dat ontoelaatbaar afbreuk doen aan het uitgangspunt dat de schuldenaar vrij is om te kiezen of hij fonds wil vormen door storting of door zekerheidstelling. Het is nu juist vanwege die keuzevrijheid dat schuldeisers in de beperkingsprocedure geen bevel tot storting of zekerheidstelling kunnen afdwingen (HR 1 mei 1981, NJ 1981\u002F605, ‘Blue Hawk’). Dat de keuze van NCC om fonds te vormen door storting in de consignatiekas uiteindelijk tot gevolg heeft dat schuldeisers geen aanspraak hebben op een hogere rente (zoals het geval zou zijn bij het stellen van een garantie), maakt dit niet anders. Beide wijzen van fondsvorming worden in regeling van artikel 642a e.v. Rv en in artikel V lid 3 CLC immers op één lijn gesteld (vergelijk ook Rb Rotterdam 18 december 1995, S&S 1996\u002F53, ‘Wladyslaw Jagiello’), waardoor niet gezegd kan worden dat de ene wijze van fondsvorming de voorkeur zou moeten krijgen boven de andere wijze van fondsvorming.\n\nHet verweer wordt dan ook verworpen.\n\nSlotsom\n\n3.12.. \n\nHet verzoek voldoet aldus aan de wettelijke vereisten. Daarom zal de rechtbank bepalen dat NCC fonds dient te stellen tot het in 3.6 en 3.7 bedoelde beloop door middel van storting in de consignatiekas. Voorts zal de rechtbank bepalen dat NCC het fonds dient te vermeerderen ter bestrijding van de kosten van de procedure zoals hierna te vermelden. Deze kosten zijn door de vereffenaar voorlopig begroot op € 15.000,00.\n\nVerder zal de rechtbank een rechter-commissaris aanwijzen en een vereffenaar benoemen.\n\n3.13.. NCC dient bij storting in de consignatiekas een kopie van deze beschikking te sturen aan:\n\nMinisterie van Financiën\n\nt.a.v. de Consignatiekas\n\n [postadres 1]\n\ne-mail: [e-mailadres 1]\n\nNCC zal in de begeleidende brief bij deze beschikking worden geïnformeerd over de praktische afhandeling.\n\n3.14.. Ingevolge artikel 642c lid 5 Rv is deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n4.1.. bepaalt het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van verzoekster ter zake van de schade in verband met het in 3.1 bedoelde voorval voorshands is beperkt op SDR 15.991.676,-, om te rekenen in euro’s naar de koers van de dag van het stellen van het fonds volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover te berekenen vanaf de dag volgende op de da van het voorval, derhalve 24 juni 2018, tot de dag volgende op de dag van het stellen van het fonds;4.2.. bepaalt dat verzoekster uiterlijk op 3 juni 2024fonds dient te stellen tot het beloop van het in 4.1 genoemde bedrag aan hoofdsom en rente, alsmede te vermeerderen met € 15.000,- ter bestrijding van de kosten van de procedure en wel door storting van dit totale bedrag in de consignatiekas op naam van de rechter-commissaris en de vereffenaar;4.3.. wijst aan als rechter-commissaris ter vaststelling van de staat van verdeling van het fonds mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan;4.4.. benoemt tot vereffenaar van het fonds [naam], [postadres 2], telefoonnummer [telefoonnummer], e-mailadres: [e-mailadres 2].\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2024.\n\n3266\u002F1885","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:4510","2024-05-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:06.063Z",20,[73,11],2026]