[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-money-laundering-nl-2024":3},{"detail":4,"years":63},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":62},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},168,"money-laundering-nl","Money Laundering","NL","2026-07-08T17:09:52.276Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"759","ECLI:NL:GHAMS:2024:997","ecli-nl-ghams-2024-997","",56,"2024-04-08T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000758-21 (ontneming)\n\ndatum uitspraak: 8 april 2024\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 maart 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met nummer 15-741296-11 tegen de betrokkene:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1982,\n\nadres: [adres].\n\nProcesgang\n\nHet openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 134.671,28.\n\nDe betrokkene is bij vonnis in de strafzaak van de rechtbank Noord-Holland van 31 mei 2013 – kort gezegd – onherroepelijk veroordeeld ter zake van telkens mensenhandel terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, medeplegen van witwassen en deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.\n\nDe rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis in de ontnemingsprocedure van 16 maart 2021 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 134.671,28 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nTegen het vonnis in de ontnemingszaak is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2023, 25 maart 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene wordt geschat op een bedrag van € 117.971,00.\n\nTer onderbouwing heeft zij aangevoerd dat de betrokkene en [naam] een economische eenheid vormden. Het totale bedrag aan contante opbrengsten van de betrokkene en [naam] bedraagt, overeenkomstig het ontnemingsrapport, € 332.510,00. Dit bedrag is opgebouwd uit contante stortingen op de rekeningen van de betrokkene en [naam], money transfers en het contante geldbedrag dat bij de betrokkene is aangetroffen. Het totale bedrag aan verdiensten van de betrokkene bedraagt, overeenkomstig het ontnemingsrapport, € 63.167,43. De onherroepelijk toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen bedragen, voor zover het materiële schade betreft en zij betrekking hebben op de verdiensten van de slachtoffers, in totaal € 33.400,00.\n\nUit het voorgaande volgt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en [naam] tezamen (332.510,00 - 63.167,43 - 33.400,00 =) (afgerond) € 235.942,00 bedraagt. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de betrokkene uitkomt op (235.942,00 \u002F 2 =) (afgerond) € 117.971,00.\n\nOordeel van het hof\n\nGrondslag van de vordering\n\nHet hof is van oordeel dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van de strafbare feiten waarvoor zij is veroordeeld (artikel 36e, tweede lid, Sr).\n\nBerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nBij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof acht geslagen op de\n\nbevindingen uit het ontnemingsrapporten op hetgeen de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht.\n\nIn het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van de periode van 26 mei 2008 tot 24 april 2012.Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel inzake de betrokkene en [naam] worden de contante opbrengsten afgezet tegen de legale inkomsten van zowel de betrokkene als [naam]. Hierbij zij opgemerkt dat de legale inkomsten van [naam] worden vastgesteld op nihil.\n\nContante opbrengsten\n\nHet hof gaat – evenals het ontnemingsrapport – wat betreft het bedrag dat de betrokkene en [naam] aan contante opbrengsten hebben gegenereerd uit van in totaal € 332.510,00.\n\nDit bedrag is opgebouwd uit twee bedragen. Ten eerste het bedrag van € 331.490,00 dat is vermeld in onderstaande tabel uit het ontnemingsrapport. Hierbij gaat het om de contante stortingen op de bankrekening van [naam] in Nederland, de contante stortingen op de bankrekening van [naam] in Duitsland, de contante stortingen op de bankrekeningen van de betrokkene en de money transfers via Moneygram en Western Union. In deze tabel uit het ontnemingsrapport staat in welke jaren contante geldbedragen zijn gestort dan wel er een money transfer heeft plaatsgevonden.\n\nTevens was de betrokkene op de dag van haar aanhouding nog in het bezit van € 1.020,00 aan contant geld.\n\nDit maakt dat het totale bedrag aan contante opbrengsten uitkomt op (331.490,00 + 1.020,00 =) € 332.510,00.\n\nLegale inkomsten van de betrokkene\n\nHet hof gaat – evenals het ontnemingsrapport – wat betreft het bedrag dat de betrokkene en [naam] aan legale inkomsten hebben gegenereerd uit van in totaal € 63.167,43.\n\nDe betrokkene heeft legale inkomsten gehad uit prostitutiewerkzaamheden in Nederland. Voor een berekening van deze inkomsten worden de tijdens de doorzoeking in beslaggenomen aantekeningen van maart\u002Fapril 2012 en 18 mei tot en met 3 november 2011 als uitgangspunt genomen. Uit de aantekeningen, die op het woonadres van de betrokkene zijn aangetroffen, bleek dat de betrokkene in 28 dagen 185 klanten (is gemiddeld 6,6 klanten per dag) heeft ontvangen en in de tweede periode in 14 dagen 39 klanten (is gemiddeld 2,8 klanten per dag) heeft ontvangen. Gezien het grote verschil in aantal klanten tussen beide periodes wordt een gemiddelde als aanname genomen, dus ((6,6 + 2,8) \u002F 2 =) gemiddeld 4,7 (afgerond 5) klanten per dag. Tijdens de doorzoeking in de woning van de betrokkene werden aantekeningen aangetroffen die van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] bleken te zijn. Uit deze aantekeningen bleek het gemiddelde aantal klanten van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] 5,4 klanten (14 dagen) en 7,3 klanten (71 dagen) per dag te zijn.\n\nVoor de betrokkene, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] betekent dit een gemiddeld aantal van (4,7 + 5,4 + 7,3 =) 17,4 \u002F 3 = 5,8 (afgerond 6) klanten per dag. Uitgaande van een verdienste van € 50,00 per klant\n\nbetekent dit een bruto verdienste van (6 x 50,00 =) € 300,00 per dag.Aan de hand van deze aanwijzingen is een berekening gemaakt van het mogelijk door de betrokkene verdiende geld als prostituee. Daartoe werd in de plaatsen Haarlem, Utrecht en Eindhoven bij kamerverhuurbedrijven informatie betreffende de huur en de daaraan verbonden kosten van een kamer door de betrokkene opgevraagd.\n\nUit de opgevraagde informatie bleek het volgende.\n\nBij de weekhuur te Utrecht wordt ervan uitgegaan dat de betrokkene 6 dagen per week werkt. Met persoonlijke verzorging per dag wordt bedoeld de uitgaven voor bijvoorbeeld kleding, make-up, condooms en glijmiddel ten behoeve van haar werkzaamheden als prostituee. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat deze kosten ongeveer € 20,00 per dag bedragen. Hierbij zijn ook de kosten van het eten en drinken tijdens haar werk mee verrekend.\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is dat de totale legale inkomsten van de betrokkene uitkomen op € 63.167,43 en zal dit bedrag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in aftrek brengen op de hiervoor genoemde contante opbrengsten.\n\nVorderingen benadeelde partijen\n\nHet hof is van oordeel dat de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen in de strafzaak – voor zover het materiële schade betreft en deze schade voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten – in mindering moeten worden gebracht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gaat hierbij om een bedrag van in totaal (22.400 + 9.000 + 2.000 =) € 33.400,00. De bewezenverklaarde feiten in de strafzaak zijn voorafgaand aan de wetswijziging van 1 januari 2014 gepleegd, waardoor de voorwaarde dat de vorderingen door de betrokkene moeten zijn voldaan nog niet van toepassing is. Dit betekent dat het gezamenlijke wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en [naam] uitkomt op (269.342,57 - 33.400,00 =) € 235.942,57.\n\nToerekening\n\nDe betrokkene heeft met een ander, [naam], van strafbare feiten geprofiteerd. Aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt echter geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst. De betrokkene heeft geen inzicht gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel en ook overigens zijn er geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen de betrokkene en [naam] dan op basis van gelijke verdeling. Dit zou slechts anders zijn indien de betrokkene aannemelijk zou hebben gemaakt dat feitelijk van een andere verdeling moet worden uitgegaan. Het hof zal daarom het totale wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen. Dit betekent dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de betrokkene schat op (235.942,57 \u002F 2 =) € 117.971,28.\n\nVerplichting tot betaling aan de Staat\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat aan de\n\nbetrokkene de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 112.971,00.\n\nTer onderbouwing heeft zij aangevoerd dat in verband met de overschrijding van de redelijke termijn een bedrag van € 5.000,00 op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moet worden gebracht.\n\nOordeel van het hof\n\nIn artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere betrokkene gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Uitgangspunt is dat een termijn van 2 jaren per instantie als redelijk is aan te merken.\n\nIn eerste aanleg geldt als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in dit geval\n\nhet moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, te weten op 25 februari 2015. De rechtbank heeft na ruim 6 jaren – namelijk op 16 maart 2021 – vonnis gewezen zodat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 4 jaren is overschreden.\n\nOp 24 maart 2021 is hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 8 april 2024 arrest, zodat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 1 jaar is overschreden.\n\nGelet op de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep zal voor de betalingsverplichting een bedrag van € 5.000,00 in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nAan de betrokkene dient, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de\n\nverplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van (117.971,28 - 5.000 =) € 112.971,28.\n\nToepasselijk wettelijk voorschrift\n\nDe op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 117.971,28 (honderdzeventienduizend negenhonderdeenenzeventig euro en achtentwintig cent).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van€ 112.971,28 (honderdtwaalfduizend negenhonderdeenenzeventig euro en achtentwintig cent).\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. P. Greve en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n8 april 2024.\n\n=========================================================================\n\n […]\n\n Een proces-verbaal strafrechtelijk financieel onderzoek van 5 november 2014, inclusief bijlagen, door verbalisant [verbalisant] (hierna: het ontnemingsrapport).\n\n Ontnemingsrapport, par. 2.1 (pagina 2).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.7 (pagina 15).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.6 (pagina 14).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.6 (pagina 14).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.6 (pagina 14).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina’s 11-12).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina 12).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina 12).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina 13). In deze tabel in het ontnemingsrapport wordt voor de periode van 18 november tot en met 7 december 2011 uitgegaan van 12 hele dagen en 4 halve dagen. Dit betekent een totaal van 14 (hele) dagen. In de tabel wordt dan ook ten onrechte uitgegaan van 16 (hele) dagen. Het aantal van 16 (hele) dagen leidt tot een bruto inkomen van (16 x € 300,00 =) € 4.800,00 (zoals vermeld in de tabel), terwijl het aantal van 14 (hele) dagen zou leiden tot een bruto inkomen van (slechts) (14 x € 300,00 =) € 4.200,00. In het voordeel van de betrokkene zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden uitgegaan van 16 (hele) dagen.\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina 13).","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:997","2024-04-18T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:46.815Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"758","ECLI:NL:GHAMS:2024:430","ecli-nl-ghams-2024-430","2024-02-27T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 23-003363-22\n\nDatum uitspraak: 27 februari 2024\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2022 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers\n\n71-160025-22 (zaak A) en 13-179851-20 (zaak B) tegen:\n\n[verdachte01],\n\ngeboren op [geboortedatum01] 1985 te [geboorteplaats01] ,\n\nadres: [adres01] .\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nNamens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.\n\nTenlasteleggingen\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd (dat):\n\nzaak Adat hij op of omstreeks 6 januari 2020 te Wolfheze, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een contant geldbedrag van in totaal (ongeveer) € 113.530,00, althans enig geldbedrag, voorhanden heeft gehad, terwijl hij en\u002Fof zijn mededader wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;\nzaak Bhij op of omstreeks 9 juli 2020, te Amsterdam, althans in Nederland, een contant geldbedrag van in totaal (ongeveer) € 19.935 (bestaande uit € 10.970 en\u002Fof € 7000,- en\u002Fof € 580,- en\u002Fof € 1385,-), althans enig geldbedrag, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder de zaken A en B tenlastegelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard bij het gokken systemisch winst te kunnen maken, maar dat dat wordt weerlegd door de verklaringen die de getuigen hebben afgelegd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal wordt vrijgesproken, omdat geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaring van de verdachte concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Uit het onderzoek dat het openbaar ministerie heeft gedaan blijkt dat er sprake is van vermogen, dat de verdachte van dat vermogen geld heeft gepind in casino’s en dat hij heeft gegokt. In dat geval kan niet gezegd worden dat voor het geld een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.\n\nOordeel van het hof\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat op 6 januari 2020 in totaal een bedrag van € 113.530,- is aangetroffen (zaak A) en op 9 juli 2020 in totaal een bedrag van € 19.935,- (zaak B).\n\nHet hof stelt vast dat in het dossier geen bewijs aanwezig is op grond waarvan een rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen de geldbedragen, die in de voertuigen waarin de verdachte zich bevond en die bij de verdachte zelf zijn aangetroffen, en een concreet aan te duiden misdrijf. Niettemin kan bewezen worden dat deze geldbedragen ‘uit enig misdrijf’ afkomstig zijn, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.\n\nVermoeden van witwassen\n\nIn zaak A is in de auto waarin de verdachte reed in een tas € 95.000,- aangetroffen in 475 biljetten van € 200,-. In de broekzakken van de verdachte zat € 18.530,-, onder meer bestaande uit twee biljetten van € 500,- en 41 biljetten van € 200,-. Gelet op de hoogte van deze geldbedragen, de hoeveelheid en soort biljetten en de risico’s die deze wijze van vervoer met zich brengt, is naar het oordeel van het hof zonder meer sprake van een vermoeden dat deze geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn.\n\nIn zaak B lag in de kofferbak van de auto waarin de verdachte reed een tas met daarin € 10.970,-. Daarnaast werd in een sok € 7.000,- aangetroffen, waaronder een biljet van € 500,-; in een armleuning van de auto werd € 580,- gevonden en in de broekzakken van de verdachte € 1.385,-. Het hof is van oordeel dat voor het totaalbedrag een witwasvermoeden aanwezig is, gezien het aantreffen van de geldbedragen een paar maanden eerder in zaak A, de hoeveelheid biljetten en de locaties waar het geld is aangetroffen. Ook in zaak B geldt dat het op deze manier vervoeren van geld behoorlijke risico’s met zich brengt.\n\nVerklaring van de verdachte\n\nIn zaak A heeft de verdachte verklaard dat hij in de dagen voor de aanhouding naar het casino is geweest. Op die dagen heeft hij steeds winsten gemaakt, die hij het volgende casinobezoek weer heeft ingezet. Zo is het bedrag in de laatste week van de oorspronkelijke inzet van ongeveer € 19.000,- gegroeid tot het bedrag als aangetroffen bij de aanhouding. De oorspronkelijke inzet was geld uit eerdere casinowinsten. De verdachte heeft de laatste jaren netto flinke winst gemaakt bij het casino met het spelen op roulette automaten. Hij heeft daarvoor een systeem, waarmee hij kan voorspellen wanneer een automaat wel of niet gaat uitbetalen. Hij krijgt daarbij soms hulp van anderen die de automaten in de gaten houden. Voor de onderbouwing van de winsten heeft de verdachte verwezen naar een aantal foto’s waarop te zien is dat het casino bedragen heeft uitgekeerd.\n\nIn zaak B heeft de verdachte verklaard dat het geld deels van zijn bedrijf is en deels van winsten die hij in casino’s heeft behaald. Over de casinowinst heeft hij in zijn algemeenheid hetzelfde verklaard als hiervoor omschreven in zaak A.\n\nHet hof acht de verklaring van de verdachte in de zaken A en B voldoende concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.\n\nOnderzoek door het openbaar ministerie\n\nHet openbaar ministerie heeft nader onderzoek gedaan naar de verklaring van de verdachte over de structurele winsten in het casino. Uit navraag bij casino’s en uit de bonnetjes waarvan de verdachte veel foto’s heeft overhandigd, blijkt dat de verdachte regelmatig in diverse casino’s is geweest en daar transacties heeft verricht. Uit de namens de verdachte overgelegde foto’s van afgebeelde bonnetjes kan worden afgeleid dat op dat moment een bedrag is uitbetaald. Omdat niet bekend is wat de inleg is geweest en evenmin aan wie is uitbetaald, kan op basis van die bonnetjes niet worden vastgesteld (of uitgesloten) dat door de verdachte grote winsten zijn behaald.\n\nVoorts is onderzoek gedaan naar het systeem dat de verdachte stelt te hebben ontwikkeld waarmee hij naar eigen zeggen zeer omvangrijke winsten met gokken kan genereren. In dit verband is getuige [getuige01] (CEO van [bedrijf01] , het merk van de roulettemachines waarop de verdachte zou hebben gespeeld) op 30 augustus 2022 bij de rechter-commissaris gehoord. Voorts heeft deskundige [deskundige01] (onderzoeksterrein forensische kansberekening en statistiek) een rapportage opgesteld. [getuige01] verklaart onder meer dat casino-automaten geen geheugen hebben. Het is een kansspel zonder patronen. Iedere trekking staat op zichzelf en is “random”, aldus [getuige01] . [deskundige01] concludeert – kort gezegd – dat het onmogelijk is om bij de betreffende roulettekasten structureel geld te winnen.\n\nConclusie\n\nGelet op voornoemde feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat het door de verdachte geschetste systeem om op de lange termijn winst te maken niet mogelijk is. Daarmee heeft het onderzoek van het openbaar ministerie de verklaring van de verdachte over de herkomst van de bedragen ontkracht. Het hof is van oordeel dat – nu geen andere (legale) herkomst aannemelijk is geworden – het niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat wist, zodat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaken A en B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nzaak Ahij op 6 januari 2020 te Wolfheze een contant geldbedrag van in totaal € 113.530,00 voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;\nzaak Bhij op 9 juli 2020 te Amsterdam een contant geldbedrag van in totaal € 19.935,- (bestaande uit € 10.970 en € 7.000,- en € 580,- en € 1.385,-) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat geldbedrag\n\n– onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.\n\nHetgeen in de zaken A en B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals weergegeven in de bij dit arrest gevoegde bijlage I.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaken A en B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet in zaak A bewezenverklaarde levert op:\n\nwitwassen.\n\nHet in zaak B bewezenverklaarde levert op:\n\nwitwassen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in de zaken A en B bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straffen\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder de zaken A en B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\nDe raadsman heeft verzocht geen gevangenisstraf op te leggen, gelet op het feit dat de strafzaak van medeverdachte [medeverdachte01] is geseponeerd, het om een oude zaak gaat, er in de tussenliggende periode niet is gerecidiveerd en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, inhoudende dat hij een goedlopend bedrijf en een koopwoning heeft.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van € 113.530,- en € 19.935,-. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, terwijl andere strafbare feiten erdoor worden vergemakkelijkt.\n\nHet hof is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, hierop niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 januari 2024 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 9 maanden passend. Daarvan worden 3 maanden voorwaardelijk opgelegd om de verdachte er in het bijzonder gedurende de hieraan te verbinden proeftijd van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nHet hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden. Het hof neemt daarbij de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte op 6 januari 2020 als aanvang van de redelijke termijn. De rechtbank heeft op 16 december 2022 vonnis gewezen. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna een jaar overschreden. Het hof ziet in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om een groter deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, te weten vijf maanden.\n\nBeslag\n\nHet in de zaken A en B tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen. Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaken A en B tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het in de zaken A en B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een\n\ngevangenisstrafvoor de duur van\n9 (negen) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot\n\n5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van\n2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVerklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\nde geldbedragen zoals vermeld op de beslaglijsten, die zijn opgenomen in bijlage II van dit arrest.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. E. Mijnsberge en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2024.\n\nMr. Mijnsberge is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I\n\nDe bewijsmiddelen\n\nTen aanzien van zaak A\n\n1.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2020 met nummer PL0600-2020007991-4, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant01] en [verbalisant02] (pagina’s 1 tot en met 4).\n\nDit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:\n\n \nOp 6 januari 2020 hebben wij een voertuig met kenteken [kenteken01] doen stilhouden op de carpoolplaats aan de Amsterdamse weg (het hof begrijpt: te Wolfheze, gemeente Renkum). De bestuurder bleek te zijn [verdachte01] . De bijrijder bleek te zijn [medeverdachte01] .\n\n2.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2020 met nummer PL0600-2020007991-18, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant03] en [verbalisant04] (pagina’s 5 en 6).\n\nDit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:\n\n \nOp 6 januari 2020 gingen wij ter ondersteuning naar collegae op de carpoolplaats aan de Amsterdamseweg te Wolfheze. Ter plaatse zagen wij een voertuig met kenteken [kenteken01] . Ik verbalisant [verbalisant03] zag dat de broekzakken van [verdachte01] bol stonden. Ik zag dat de broekzakken zo bol stonden dat de bovenzijde open stond. Ik hoorde collega [verbalisant01] tegen mij zeggen dat er een grote hoeveelheid geld in zijn broekzakken zat.\n\n3.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2020 met nummer PL0600-2020007991-16, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant03] en [verbalisant04] (pagina 7).\n\nDit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:\n\n \nOnder de verdachte [verdachte01] , geboren op [geboortedatum01] 1985, werd 18.530 euro inbeslaggenomen. Dit geld is aangetroffen in de broekzakken van verdachte. Dit geld bestond uit de volgende bankbiljetten:\n\n2 biljetten van 500 euro\n \n41 biljetten van 200 euro\n \n40 biljetten van 100 euro\n \n82 biljetten van 50 euro\n \n47 biljetten van 20 euro\n \n28 biljetten van 10 euro\n \n2 biljetten van 5 euro\n\nOnder de verdachte [verdachte01] werd 95.000 euro inbeslaggenomen. Dit geld is aangetroffen in de schoudertas van de verdachte. Dit geld bestond uit de volgende bankbiljetten:\n \n475 biljetten van 200 euro.\n\n4.\n\nEen proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 6 januari 2020 met nummer 2020007991-1, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant05] (pagina’s 74 tot en met 77).\n\nDit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 juli 2020 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:\n\nHet is mijn eigen geld. Bij de aanhouding had ik tussen de 112.000 en 113.000 euro bij me.\n\nTen aanzien van zaak B\n\n5.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2020 met nummer PL1300-2020143617-6, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant06] (pagina’s B003 en B004).\n\nDit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:\n\n \nOp 9 juli 2020bevond ik mij te Amsterdam. Ik gaf het voertuig met kenteken [kenteken02] een volgteken. De bestuurder bleek te zijn [verdachte01] . [verdachte01] liet zijn schoudertas zien die in de kofferbak lag. Hierin zag ik een stapel met 50 euro biljetten. De AD3241 heeft in de auto gekeken. Hierbij troffen ze een sok met geld aan. Ik hoorde [verdachte01] zeggen dat dit ongeveer 7.000 euro was.\n\n6.\n\nEen kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL1300-2020143617-15 (pagina D016).\n\nDeze kennisgeving houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:\n\n \nGevonden in het voertuig van de verdachte [verdachte01] .\n \n130 biljetten van 50 euro \u002F 1 biljet van 500 euro.\n\n7.\n\nEen kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL1300-2020143617-16 (pagina D018).\n\nDeze kennisgeving houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:\n\n \nAuto doorzocht van [verdachte01] . In het voertuig geld aangetroffen.\n \n2 x 10 eurobiljet, 23 x 20 eurobiljet, 2 x 50 eurobiljet.\n \nTotale hoeveelheid: 580 euro.\n\n8.\n\nEen kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL1300-2020143617-17 (pagina D020).\n\nDeze kennisgeving houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:\n\n \nAangetroffen in tas verdachte [verdachte01] .\n \n10.970 euro.\n\n9.\n\nEen kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL1300-2020143617-18 (pagina D022).\n\nDeze kennisgeving houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:\n\n \nAangetroffen in broekzak verdachte [verdachte01] .\n \n1.385 euro.\n\n10.\n\nEen proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 10 juli 2020 met nummer PL1300-2020143617-28 , in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant07] (pagina’s B061 tot en met B069).\n\nDit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 juli 2020 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:\n\n \nA: Er lag geld in de auto. Er lag een pakket geld in een sok. Het is mijn eigen geld.\n\nV: Hoeveel geld zat er in de sok?\n\nA: Ik meen 7.000 euro.\n\nV: Wat zat er in de tas?\n\nA: Bijna 11.000 euro.\n\nV: De collega’s troffen ook nog een geldbedrag van 580 euro aan in uw auto.\n\nA: Dat zat in de armleuning.\n\nDe hiervoor vermelde bewijsmiddelen 6 tot en met 9, geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, zijn telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:430","2024-02-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.779Z",20,[11]]