[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-planning-and-zoning-nl-2025":3},{"detail":4,"years":54},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":14,"page":14,"limit":53},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},91,"planning-and-zoning-nl","Planning and Zoning","NL","2026-07-08T16:55:59.488Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":15},12,[39],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1051","ECLI:NL:RBGEL:2025:10204","ecli-nl-rbgel-2025-10204","",60,"2025-11-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 23\u002F3607, ARN 23\u002F3543 en 23\u002F4010tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n\n [eiseres 1], uit [plaats], eiseres 1\n\n(gemachtigde: mr. R. Sahin),\n\n [eiser (als onderdeel van eisers 2)] en [eiseres (als onderdeel van eisers 2)], uit [plaats], samen: eisers 2\n\n(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),\n\n [villapark (eisers 3)], uit [plaats],\n\n [recreatiepark (eisers 3)], uit [plaats]\n\n [resort (eisers 3)], uit [plaats], samen: eisers 3\n\n(gemachtigden: mr. J.J. Molenaar en J.P.H. de Bruijn),\n\nallen gezamenlijk eisers,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal\n\n(gemachtigde: mr. M.L. van Kalsbeek).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij]\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van twee padelbanen. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning een motiveringsgebrek kent met betrekking tot de beoordeling van het aspect geluid in het kader van de goede ruimtelijke ordening.Omdat de rechtbank zoveel mogelijk definitief moet beslissen over een geschil, doet de rechtbank een tussenuitspraak. Met deze tussenuitspraak krijgt het college de kans om het motiveringsgebrek te herstellen. De rechtbank licht dat hierna toe en gaat daarbij in op de beroepsgronden van eiseres.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 22 mei 2023 op de bezwaren van eisers heeft het college, in afwijking van het advies van de Commissie Bezwaarschriften, het bezwaar ongegrond verklaard en de toestemming voor het realiseren van twee padelbanen dus in stand gelaten.\n\n2.1.. Eisers hebben (afzonderlijke) beroepen ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het college heeft met één gezamenlijk verweerschrift op de beroepen gereageerd.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 3 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:\n\ndhr. [persoon A], namens eiseres 1;\n\nmw. mr. [persoon B] (waarnemend voor mr. Sahin), gemachtigde van eiseres 1;\n\ndhr. [eiser (als onderdeel van eisers 2)], namens eisers 2;\n\ndhr. mr. M. van Hoorne, gemachtigde van eisers 2;\n\ndhr. [persoon C] en dhr. [persoon D], namens eisers 3;\n\nmw. mr. J.P.H. de Bruijn, gemachtigde van eisers 3;\n\nmw. mr. M.L. van Kalsbeek, gemachtigde van het college;\n\ndhr. [gemachtigde], gemachtigde van de derde-partij.\n\nDaarnaast was namens het college nog de heer [persoon E], geluidsdeskundige, aanwezig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaan deze zaken over?\n\n3. Aan de derde-partij is op 26 september 2022 een omgevingsvergunning verleend om, in aanvulling op de al aanwezige tennisbanen, twee padelbanen te realiseren op het perceel [locatie] in [plaats] (hierna: het perceel). De vergunning is verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. Dit laatste vanwege de hoogte van het hekwerk van de padelkooi van vier meter. Die overschrijdt de in het bestemmingplan bepaalde maximale hoogte van andere bouwwerken. Op grond van de kruimelgevallenregeling heeft het college de afwijking van de hoogte toegestaan.\n\n3.1.. Eisers 3 zijn op 24 oktober 2022 en eiseres 1 en eisers 2 zijn op 1 november 2022 in bezwaar gekomen tegen de omgevingsvergunning. De bezwaren zijn tegelijkertijd behandeld bij de Commissie Bezwaarschriften tijdens een hoorzitting op 24 januari 2023. De commissie heeft het college geadviseerd om de bezwaren van eisers gegrond te verklaren, omdat het gebruik van twee padelbanen niet in overeenstemming is met de bestemming van het perceel.\n\n3.2.. Het college is met het bestreden besluit van 22 mei 2023 afgeweken van dit advies. Op basis van een andere uitleg van de bestemming, zijn de bezwaren van eiseres 1 en van eisers 2 ongegrond verklaard, en is het bezwaar van eisers 3 deels gegrond verklaard.Het college heeft de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten, de grondslag voor het toestaan van de afwijking gewijzigd en tevens vergunning verleend voor de activiteit ‘het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden’.Eisers zijn het hier niet mee eens.\n\nIs padel op het perceel in strijd met het bestemmingsplan?\n\n4. Voor het perceel waar de padelbanen zijn gepland geldt het bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ (hierna: het bestemmingsplan). De gronden zijn aangewezen voor ‘maatschappelijke doeleinden’. Uit artikel 7.1 van de planregels volgt dat ze zijn bestemd voor “maatschappelijke voorzieningen, zoals voorzieningen ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, cultuur, recreatie, lichamelijke en\u002Fof geestelijke volksgezondheid en bijzondere woondoeleinden met de daarbij behorende voorzieningen zoals tuinen, terrassen, erven, achterpaden, opritten, parkeerplaatsen en bouwwerken.”\n\n4.1.. Eisers betogen dat padel op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan. De bestemming ‘maatschappelijke doeleinden’ laat hier geen ruimte voor. Ter onderbouwing van hun betoog verwijzen eisers naar de toelichting op het bestemmingsplan (hierna: de plantoelichting) waaruit volgt dat de tennisbanen als uitzondering zijn vergund omdat ze er al lagen ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, maar dat er geen ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen. Op de plankaart is nauwkeurig aangegeven waar de tennisbanen zich bevinden. Daarnaast, zo betogen eisers 3 nog, is padel een relatief nieuwe sport die pas sinds kort in Nederland wordt uitgeoefend. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan in 2008 bestond padel als sport nog niet, althans was dit een onbekende activiteit. De planwetgever kan daarom bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet voor ogen hebben gehad om padel onder de noemer van voorziening ten behoeve van het verenigingsleven, recreatie of lichamelijke volksgezondheid te scharen.\n\n4.2.. Het college stelt zich op het standpunt dat padel wel past binnen de bestemmingsomschrijving ‘maatschappelijke doeleinden’, en dan met name de onderdelen ‘verenigingsleven’, ‘recreatie’ en ‘lichamelijke gezondheid’. Volgens het college wordt niet toegekomen aan raadpleging van de plantoelichting, omdat de planvoorschriften duidelijk zijn. Als de rechtbank daar anders over zou oordelen, stelt het college dat uit de plantoelichting niet volgt dat padel buiten de bestemmingsomschrijving valt of dat er sprake zou zijn van een beperking van het toegelaten gebruik tot de feitelijk bestaande activiteiten.\n\n4.3.. De beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend voor het antwoord op de vraag of een activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Wanneer een planregel duidelijk is dient deze omwille van de rechtszekerheid letterlijk te worden uitgelegd, omdat de rechtszekerheid vereist dat van wat in een plan is bepaald kan worden uitgegaan.Ook als het bestemmingsplan zoals eisers stellen een conserverend karakter heeft, zijn de bestemming en daarbij behorende planregels daarom bepalend voor de vraag of padel is toegestaan.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat in de doeleindenomschrijving onder 7.1 van het bestemmingsplan staat dat de als maatschappelijke doeleinden op de plankaart aangegeven gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, zoals voorzieningen ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, cultuur, recreatie, lichamelijke en\u002Fof geestelijke volksgezondheid en bijzondere woondoeleinden met de daarbij behorende voorzieningen zoals tuinen, terrassen, erven, achterpaden, opritten, parkeerplaatsen en bouwwerken. Op grond van letterlijke lezing van deze omschrijving oordeelt de rechtbank dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat het beoefenen van padel, al dan niet in verenigingsverband, is aan te merken als het gebruik van de gronden ten behoeve van recreatie, lichamelijke volksgezondheid en (in voorkomende gevallen ook) verenigingsleven. Uit de planregels blijkt dus al dat padel op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Het betoog dat padel een relatief nieuwe sport is maakt dit oordeel niet anders. Het ligt op de weg van de raad om het bestemmingsplan aan nieuwe ontwikkelingen aan te passen als die nieuwe ontwikkelingen daarvoor aanleiding geven. Dat is in dit geval niet gebeurd.\n\n4.5.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college daarom terecht uitsluitend vanwege de hoogte van de balustrade van de padelkooi van vier meter een vergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ verleend (zie onder 3). De rechtbank oordeelt hierna aan de hand van de beroepsgronden van eisers of het college voor die afwijking een omgevingsvergunning kon verlenen.\n\nHeeft het college de belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening goed afgewogen?\n\n5. Eisers betogen dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend om de bouw van de padelkooi tot een hoogte van vier meter mogelijk te maken. Eisers voeren daartoe aan dat het college de belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet goed heeft afgewogen. Met name geluid is een aspect dat het college in dat kader had behoren te beoordelen en zorgvuldig af te wegen en dat is niet gebeurd. Eisers stellen dat zij ongeoorloofde geluidhinder van de padelbanen zullen ervaren. Het geluid is namelijk niet te vergelijken met het geluid van tennissport en aanzienlijk meer aanwezig. Dit zou in de afwegingen voor het verlenen van de omgevingsvergunning meegenomen moeten worden. Aangesloten moet worden bij de huidige inzichten over het geluidsaspect van padel, zoals verwoord in de Handreiking Padel en Geluid van de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB; hierna: Handreiking Padel en Geluid). Verder is weinig inzichtelijk waar de representatieve bedrijfssituatie en de daaraan gekoppelde bezettingsgraad van de tennis- en padelvelden op gebaseerd zijn. Voor de dag- en avondsituatie is uitgegaan van percentages van respectievelijk 40% en 75% bezettingsgraad van de padelbaan. Ook is ten onrechte het (stem)geluid van bezoekers niet betrokken. Daarnaast bevinden de woningen van eisers zich binnen de richtafstand van 100 meter van het plangebied, zoals opgenomen in de Handreiking Padel en Geluid. Het trekkersveld van de camping bevindt zich op 60 meter van de padelbanen. De balkons van [resort (eisers 3)] zijn op minder dan 15 meter afstand van de padelbaan gelegen en ook direct aansluitend aan de padelbaan liggen de groepstuin\u002Fbuitenverblijven, de wellnesstuin, een zwembad en een grondstrook met toekomstige ligweide van [resort (eisers 3)]. De geluidsoverlast die gepaard gaat met het spelen van padel zal ervoor zorgen dat de gasten niet meer in rust kunnen genieten van hun verblijf en de voorzieningen van [resort (eisers 3)]. Met het in afwijking van het bestemmingsplan toestaan van een hogere bouwhoogte wordt niet uitsluitend de extra meter bouwhoogte mogelijk gemaakt, maar worden de facto twee padelbanen mogelijk gemaakt en dat heeft het college in het bestreden besluit niet onderkend. Eisers 3 voeren hierbij nog aan dat een padelkooi met een maximale hoogte van drie meter niet voldoet aan de kwaliteitseisen zodat de omgevingsvergunning de gehele kooi mogelijk maakt en niet uitsluitend de balustrade die aan de kopse kanten op de glazen kooi wordt geplaatst om de bal tegen te houden (hierna: de balustrade). Eisers 3 wijzen ter onderbouwing op de “Accommodatiebepalingen Padel” van de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB) van februari 2021 en het normblad “Kooi Padelbaan” van NOC*NSF van 1 april 2021. En ook op de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juni 2023.\n\n5.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat de afwijking in de bouwhoogte waarvoor het een vergunning heeft verleend niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De geluidbelasting van padelbanen is al opgenomen in de maximaal planologisch toegelaten gebruiksmogelijkheden. De gestelde geluidbelasting kan namelijk ook optreden binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het college stelt verder dat het contactgeluid tussen de bal en het racket en het contactgeluid tussen de bal en de (dichte) glazen wanden de maatgevende geluiden van het padelspel zijn. Dat blijkt volgens het college uit geluidsonderzoeken. Binnen het gemiddelde padelspel komt de bal maar beperkt tegen de bovenste balustrade en veroorzaakt daar geen significante bijdrage aan de geluidsbelasting van het spel. Het toestaan van een hogere bouwhoogte vanwege de balustrade heeft uitsluitend stedenbouwkundige gevolgen en die gevolgen worden op deze locatie niet bezwarend gevonden.\n\n5.2.. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.\n\n5.3.. De beroepsgrond slaagt. Het bouwwerk, de padelkooi, overschrijdt (uitsluitend) aan de kopse kanten de bouwvoorschriften met één meter (zie afbeelding).\n\nAfbeelding: uitsluitend de rood gearceerde balustrade overschrijdt de voorgeschreven maximale bouwhoogte uit het bestemmingsplan.\n\nDe balustrade krijgt dus een hoogte van vier meter, terwijl de toegestane hoogte op grond van het bestemmingsplan drie meter is. Om te kunnen vaststellen of het toestaan van een hoogte van vier meter in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, zo stelt het college terecht, moeten de gevolgen van de afwijking worden vergeleken met de gevolgen die reeds uit het bestemmingsplan voortvloeien. Volgens het college is de geluidbelasting van padelbanen namelijk reeds opgenomen in de maximaal planologisch toegelaten gebruiksmogelijkheden. Immers, ook binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, kan de bestreden geluidbelasting optreden. Het college stelt daarbij voldoende gemotiveerd dat het mogelijk is om een padelbaan te realiseren met wanden tot maximaal drie meter hoog en de balustrade op de kopse kanten achterwege te laten. Zo’n baan kan weliswaar niet meedoen in officiële competities, maar kan wel recreatief worden bespeeld.\n\nIn zoverre volgt de rechtbank het standpunt van het college. De rechtbank volgt het college niet in haar standpunt dat het aspect geluid daarom bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening geen rol speelt. Met het plaatsen van de balustrade wordt mogelijk dat de bal tijdens het spel niet alleen de wanden of de rackets, maar ook de balustrade raakt waar de bal zonder balustrade immers (geluidloos) over de glazen wanden uit het veld zou worden gespeeld. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college gelegen om (nader) te motiveren en onderbouwen welke gevolgen qua geluid de balustrade heeft op de omgeving. De stelling van het college dat de maatgevende geluiden van het padelspel het contactgeluid tussen de bal en het racket en het contactgeluid tussen de bal en de (dichte) glazen wanden zijn heeft zij niet onderbouwd. Het college heeft de geluidbelasting dus ten onrechte niet meegenomen in de ruimtelijke afweging en stelt zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt dat het toestaan van een hogere bouwhoogte vanwege de balustrade uitsluitend stedenbouwkundige gevolgen heeft. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak (onder 7) ingaan op de gevolgen van de hiervoor genoemde gebreken.\n\n5.4.. Het college heeft nog aangevoerd dat de tennisvereniging moet voldoen aan de milieuregels en dat het college in dat kader bij maatwerkbesluit van 19 januari 2023 voorschriften aan het uitvoeren van de activiteit heeft opgelegd. Het moeten voldoen aan de milieuregels maakt niet dat het college bij de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening kan volstaan met een verwijzing naar het maatwerkbesluit. Het college dient bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening het aspect geluid mee te wegen en te motiveren waarom een toename van de geluidbelasting niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.\n\nIs het gehele bouwwerk hoger dan toegestaan op grond van het bestemmingsplan?\n\n6. Eisers 3 betogen dat het gehele bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het bouwwerk van drie meter op een vloer wordt geplaatst die 12cm boven het maaiveld uitkomt. Dit betekent dat het gehele bouwwerk hoger is dan de hoogte die het bestemmingsplan toestaat (dat is: een bouwhoogte van drie meter) en het college ten onrechte uitsluitend voor de balustrade een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ heeft verleend.\n\n6.1.. \n\nDe beroepsgrond slaagt niet. Uit de omgevingsvergunning blijkt dat het college als strijdig gebruik heeft vergund ‘het hogere deel van het hekwerk’, namelijk de balustrade. De hoogte van die balustrade zal vier meter zijn en het is die afwijking die het college heeft vergund. Het college is bij de toetsing aan het bestemmingsplan, zo heeft het in verweer nog nader toegelicht, afgegaan op de aanzichttekening waaruit blijkt dat de wanden aan de lange zijde drie meter hoog worden en de balustrades vier meter hoog.\n\nDat de hoogtes van de wanden in de praktijk niet toenemen door een onderlaag waarop de wanden worden geplaatst heeft het college als volgt toegelicht. Op grond van het bestemmingsplan wordt de bouwhoogte van het bouwwerk gemeten als “de hoogte in meters vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw, (...)”. Het peil is in dit geval gedefinieerd als “de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte terrein dat het bouwwerk omgeeft (maaiveld)”. Het gaat hierbij, zo stelt het college terecht, om (de gemiddelde hoogte) van het aansluitend afgewerkt terrein, na voltooiing van de bouwwerkzaamheden. Op de plaats waar de padelbanen worden gerealiseerd, is\u002Fwas een midgetgolfbaan aanwezig in sterk geaccidenteerd terrein. Voor het kunnen realiseren van de padelbanen dient de midgetgolfbaan te worden verwijderd en de grond te worden geëgaliseerd. De vloer van de padelbanen komt, zo blijkt uit de aanzichttekening, te liggen in een verdiepte bak in het maaiveld. De gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkt maaiveld dat het bouwwerk omgeeft, komt dus minimaal op de hoogte van de vloer van de padelkooi te liggen en komt overeen met het aangeduide maaiveld op de aanzichttekening. Het college stelt zich daarmee terecht op het standpunt dat het uitsluitend een omgevingsvergunning voor de balustrades heeft hoeven verlenen.\n\nAls na voltooiing van de werkzaamheden in de praktijk een andere hoogte van het afgewerkte maaiveld blijkt, waardoor de bouwhoogte op meer plaatsen boven de maximaal voorgeschreven bouwhoogte in het bestemmingsplan uitkomt, is dit een handhavingskwestie die niet aan vergunningverlening in de weg staat, zo stelt het college ook terecht.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Zoals is overwogen onder 5.3 is het bestreden besluit in strijd met het vereiste van een deugdelijke motivering (artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen moet het college motiveren wat de gevolgen van de balustrade zijn voor de geluidbelasting op de omgeving. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak. Na de ontvangst van de nadere motivering zal de rechtbank eiseres en vergunninghouder in de gelegenheid stellen om hierop te reageren.\n\n8. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college.\n\nIn beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.\n\n9. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. Na deze tussenuitspraak gaat het geschil dus nog alleen over de eventuele geluidbelasting die de balustrade meebrengt en de aanvullende motivering van het college op dit punt. Op alle andere onderwerpen is de rechtbank in de tussenuitspraak al ingegaan.\n\n10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;\n\n- stelt het college in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\n- houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, sub a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).\n\n Artikel 2.1, eerste lid, sub c, van de Wabo.\n\n De afwijking is gebaseerd op artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2o van de Wabo en artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\n De gegrondverklaring ziet op het vereiste van een vergunning voor de activiteit ‘het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden’, in verband met de dubbelbestemming ‘Verwachtginsgebieden archeologie waarden’). Zie hiervoor artikel 10.2.1 van het bestemmingsplan.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2998 en van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2860\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2998 en van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2860\n\n ECLI:NL:RBOBR:2023:2818.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:10204","2025-11-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:01.708Z",20,[55,11,56,57,58],2026,2024,2023,2022]