[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-planning-enforcement-nl-2023":3},{"detail":4,"years":62},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":61},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},105,"planning-enforcement-nl","Planning Enforcement","NL","2026-07-08T16:56:40.793Z",2023,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":14},12,[39,52],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"516","ECLI:NL:RBDHA:2023:20227","ecli-nl-rbdha-2023-20227","",58,"2023-12-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 23\u002F7026 en SGR 23\u002F3114\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2023 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n [eiser 1] , te [woonplaats] , en [eiser 2] B.V., te [vestigings] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. F. Smitshoek),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college\n\n(gemachtigde: B. van den Berg).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Boomkwekerij [derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. C.A. Blankenstein).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers tegen het besluit van het college van 27 oktober 2022 waarbij eisers is gelast binnen zes maanden de splitsing van de woonboerderij op het perceel [adres] te [plaats] in vier wooneenheden ongedaan te maken.\n\nMet het besluit van 28 maart 2023 heeft het college het bezwaar van eiseres [eiser 1] niet-ontvankelijk verklaard.\n\nMet het besluit van 18 oktober 2023 heeft het college geweigerd de begunstigingstermijn te verlengen.\n\nHet college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\nDe voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres [eiser 1] , [naam] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Belanghebbende heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen de situatie ter plaatse. Op 24 augustus 2022 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat in de woonboerderij op het perceel [adres] te [plaats] (het perceel) vier wooneenheden zijn gerealiseerd met eigen ingangen en voorzieningen.\n\nOp 29 september 2022 heeft het college eiseres [eiser 1] ( [eiser 1] ) meegedeeld dat het voornemen bestaat om handhavend op te treden tegen de situatie in de woonboerderij op dit perceel.\n\nOp 12 oktober 2022 heeft [eiser 1] hiertegen een zienswijze ingediend.\n\nBij besluit van 27 oktober 2022 (verzonden op 31 oktober 2022) heeft het college [eiser 1] gelast de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) binnen zes maanden na dagtekening van het besluit de splitsing van de woonboerderij op het perceel in vier wooneenheden ongedaan te maken, zodat er weer sprake is van één woning, onder verbeurte van een dwangsom van\n\n€ 10.000,- eenmalig en ineens.\n\nOp 20 december 2022 hebben eisers hiertegen bezwaar gemaakt.\n\nMet het besluit van 28 maart 2023 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de Commissie bezwaarschriften van 23 januari 2023, het bezwaar van [eiser 1] niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.\n\nEisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld (zaaknr. SGR 23\u002F3114).\n\nHet college heeft op verzoek van [eiser 1] op 28 april 2023 een besluit genomen om de begunstigingstermijn te verlengen tot en met 27 oktober 2023 vanwege schaarste aan woonruimte in Nederland en de nijpende situatie van de bewoners die er al geruime tijd wonen.\n\nMet de brief van 10 oktober 2023 hebben eisers het college verzocht om de begunstigingstermijn verder te verlengen.\n\nMet het bestreden besluit van 18 oktober 2023 heeft het college geweigerd de begunstigingstermijn verder te verlengen. Hierin is overwogen dat inmiddels bijna een jaar is verstreken na oplegging van de last. Het college acht deze termijn ruimschoots voldoende om de overtredingen te beëindigen. Een lopende beroepsprocedure is in beginsel geen reden om een begunstigingstermijn te verlengen, te meer nu het bezwaar van [eiser 1] tegen de opgelegde last niet-ontvankelijk is verklaard. Uit het verzoek van 10 oktober 2023 blijkt niet dat niet binnen de gestelde begunstigingstermijn kan worden voldaan aan de last. Niet inzichtelijk is gemaakt welke stappen er reeds zijn genomen om de bewoners elders te huisvesten, aldus het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om voorlopige voorziening zich richt op beide besluiten van 28 maart 2023 en 18 oktober 2023.\n\n4. Nu het verzoek om voorlopige voorziening zich mede richt tegen het besluit van het college van 18 oktober 2023, ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of met betrekking tot dat besluit is voldaan aan het connexiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.\n\n5. De voorzieningenrechter stelt vast dat eisers geen bezwaar hebben gemaakt tegen dit besluit, omdat zij er vanuit gaan dat dit een besluit is in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Het bestreden besluit van 18 oktober 2023 betreft de weigering van het college om de in het besluit van 28 april 2023 gewijzigde begunstigingstermijn verder te verlengen. Het besluit van 28 april 2023 houdt een wijziging in van de oorspronkelijke begunstigingstermijn als opgenomen in de bij het besluit van 27 oktober 2022 opgelegde last onder dwangsom, die bij het bestreden besluit van 28 maart 2023 vanwege niet-ontvankelijkheid van het bezwaar in stand is gelaten. Het besluit van 18 oktober 2023 is derhalve een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 28 maart 2023 mede betrekking heeft op het besluit van het college van 18 oktober 2023, zodat aan het connexiteitsvereiste is voldaan.\n\n6. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers tegen beide bestreden besluiten van 28 maart 2023 en\n\n18 oktober 2023. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\nDerde belanghebbende\n\n7. De voorzieningenrechter volgt eisers niet in hun kennelijke stelling dat Boomkwekerij [derde-partij] B.V geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Zij is immers gevestigd op het naastgelegen perceel en heeft het verzoek om handhaving gedaan dat heeft geleid tot de opgelegde last onder dwangsom. De -overigens door belanghebbende betwiste- stellingen van eisers dat er vanwege de afstand en milieuregels geen gevaar is voor gezondheidsschade van de bewoners van de woonboerderij door het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen door belanghebbende ziet op de inhoudelijke beoordeling en is niet relevant voor de beoordeling van de vraag of zij belanghebbende is in de zin van genoemd artikel.\n\nHet besluit van 28 maart 2023\n\n8. Eisers voeren aan dat het bezwaar van [eiser 1] ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar is. Zij stellen dat [eiser 1] pas op 12 december 2022 bekend is geworden met het besluit van 27 oktober 2022, omdat zij op die dag pas is teruggekeerd van een langdurig verblijf in het buitenland, waar zij voor haar werk verbleef. In het als bezwaarschrift bedoelde e-mailbericht van 20 december 2022 is daarom abusievelijk vermeld dat zij op 10 november 2022 met het besluit van 27 oktober 2022 bekend is geworden. Aangezien geen sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar had het college volgens eisers niet van de hoorplicht mogen afzien.\n\nHet college heeft in het besluit van 28 maart 2023, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2470), overwogen dat verblijf in het buitenland geen verschoonbare reden is voor termijnoverschrijding.\n\n9. De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit van het college van 27 oktober 2022 op 31 oktober 2022 is verstuurd. Niet in geschil is dat [eiser 1] buiten de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken een bezwaarschrift heeft ingediend.\n\n10. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkheid achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.\n\n11. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdelingbehoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de indiener van een bezwaarschrift om er zorg voor te dragen dat ook in geval van afwezigheid of ziekte wordt voldaan aan de wettelijke vereisten verbonden aan het maken van bezwaar, door bijvoorbeeld een derde in te schakelen. Wegens het dwingende karakter van de bezwaartermijn kan daarop slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, waarin aannemelijk wordt gemaakt dat er geen mogelijkheid was om zorg te dragen voor inschakeling van een derde, een uitzondering worden aanvaard, aldus de Afdeling.\n\n12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat er in dit geval sprake was van een dergelijk uitzonderlijk geval. Daarnaast is uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken -anders dan eisers stellen- niet aannemelijk geworden dat [eiser 1] gedurende de gehele bezwaartermijn in het buitenland verbleef. Dat kan niet worden afgeleid uit de overgelegde verklaring van de opdrachtgever [bedrijfsnaam] B.V. en evenmin uit de eigen schriftelijke verklaring van [eiser 1] . Zij heeft ter zitting ook aangegeven dat zij tussen de ritten door wel een enkele keer thuis is geweest. De door [eiser 1] genoemde omstandigheden dat het een stressvolle periode voor haar was, dat zij vanwege de drukte maar heel kort thuis was en snel weer weg moest en dat zij belangrijk werk deed ten behoeve van het Rode Kruis, zijn onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat zij niet in staat was om zicht te (laten) houden op post van het college, temeer nu zij op de hoogte was van het voornemen van het college om onderhavige last onder dwangsom op te leggen. Dat zij tijdens de bezwaartermijn via Whatsapp contact had met de wethouder en deze geen melding zou hebben gemaakt van het besluit van 27 oktober 2022 doet daar niet aan af.\n\nHieruit volgt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en dat het college het bezwaar van [eiser 1] terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n13. De uitspraken waarnaar eisers in dit verband hebben verwezen, te weten de uitspraken van de Afdeling van 18 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:786) en van 26 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1239) en van de rechtbank Limburg van 23 maart 2022 (ECLI:NL:RBLIM:2022:2220), hebben geen betrekking op identieke situaties en\n\nkunnen de voorzieningenrechter daarom niet tot een ander oordeel leiden. Van belang daarbij is nog dat in dit geval wel sprake is van een derde-belanghebbende.\n\nOok het door eisers genoemde wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat dat wetsvoorstel nog niet is aangenomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden van [eiser 1] in dit geval onvoldoende zwaarwegend zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De voorzieningenrechter verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen.\n\n14. De voorzieningenrechter volgt eisers verder niet in de stelling dat het college eisers had moeten horen alvorens op het bezwaar te beslissen. Eisers hadden de redenen voor de termijnoverschrijding reeds aangegeven in het bezwaarschrift en de Commissie bezwaarschriften heeft in haar advies met die omstandigheden rekening gehouden.\n\n15. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 28 maart 2023 ongegrond is en het daartegen gerichte verzoek om voorlopige voorziening zal worden afgewezen.\n\nHet besluit van 18 oktober 2023\n\n16. De voorzieningenrechter zal vervolgens de rechtmatigheid van het besluit van\n\n18 oktober 2023 beoordelen.\n\n17. Eisers voeren hiertegen aan dat het lopende beroep voor het college reden had moeten zijn om de begunstigingstermijn te verlengen tot de uitspraak op dat beroep dan wel om tot dat moment af te zien van handhavingsacties, omdat de gevolgen van handhavend optreden onomkeerbaar en prematuur zijn.\n\nDaarnaast voeren zij onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) aan dat handhaving daarom in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verder moet handhavend optreden volgens eisers worden opgeschort, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat diverse bewoners al geruime tijd ter plaatse woonachtig zijn en op (korte) termijn geen (betaalbare) vervangende woonruimte kunnen vinden. Eisers achten handhavend optreden daarom onevenredig.\n\n18. Aangezien dit besluit uitsluitend betrekking heeft op de begunstigingstermijn, kan hetgeen eisers hebben aangevoerd over de rechtmatigheid van het handhavend optreden in het kader van de beoordeling van het besluit van 18 oktober 2023 niet meer aan de orde komen.\n\n19. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een begunstigingstermijn ertoe strekt de overtreder de gelegenheid te bieden de overtreding te beëindigen zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Als uitgangspunt geldt dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen.Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn komt het bestuursorgaan enige vrijheid toe.De begunstigingstermijn strekt er niet toe eisers in de gelegenheid te stellen de uitkomst van een door hen ingesteld beroep af te wachten.\n\n20. De voorzieningenrechter stelt vast dat de met het besluit van 27 oktober 2022 gestelde begunstigingstermijn als gevolg van de tegen dit besluit gevoerde procedures is verlengd tot en met 27 oktober 2023. Dat betekent dat eisers inmiddels een jaar de gelegenheid hebben gehad om te voldoen aan de hen opgelegde last onder dwangsom. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat deze termijn te kort was om aan de last te voldoen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat gesteld noch gebleken is dat de bewoners (tevergeefs) op zoek zijn geweest naar alternatieve -eventueel tijdelijke- woonruimte. Eisers worden dan ook niet gevolgd in hun stelling dat de bewoners geen geschikte woonruimte kunnen vinden. Eisers hebben verder niet gesteld, althans niet onderbouwd, dat er sprake zal zijn van een noodsituatie voor de bewoners als de last wordt geeffectueerd. Daarnaast kan de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 eisers niet baten, nu die betrekking heeft op het vertrouwensbeginsel, waarop eisers geen beroep hebben gedaan.\n\n21. Gelet hierop heeft het college met het bestreden besluit van 18 oktober 2023 op goede gronden verdere verlenging van de begunstigingstermijn kunnen weigeren, zodat het daartegen ingestelde beroep eveneens ongegrond is en het daartegen gerichte verzoek om voorlopige voorziening eveneens zal worden afgewezen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. Het beroep tegen de bestreden besluiten van 28 maart 2023 en het besluit van\n\n18 oktober 2023 is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten standhouden. Gelet hierop is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 maart 2023 ongegrond;\n\n- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2023 ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2023.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2918) en van 26 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2860)\n\nZie onder meer de uitspraak van 27 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4943 en van\n\n14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2470\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1791\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2147\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2797","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:20227","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:34.293Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":56,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"523","ECLI:NL:RBDHA:2023:18279","ecli-nl-rbdha-2023-18279","2023-11-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 22\u002F1072\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2023 in de zaak tussen\n \n [eiser], uit [woonplaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. E.W.M. Aalsma),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Lisse, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. D. Van Werkhoven).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om een dwangsom van € 50.000 in te vorderen.\n\n1.1.. Verweerder is in het besluit van 26 juli 2021 (het primaire besluit) overgegaan tot invordering van deze dwangsom. Met het besluit van 27 januari 2022 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam].\n\nVoorgeschiedenis\n\n2. Eiser is de eigenaar van ‘[hotelnaam]’ op de [adres] in [plaats]. Verweerder heeft in 2020 verschillende controles uitgevoerd bij dit pand. Bij deze controles heeft verweerder geconstateerd dat het pand niet in gebruik was als hotel, maar dat er arbeidsmigranten werden gehuisvest. Dit is volgens verweerder in strijd met het bestemmingsplan.\n\n2.1.. Bij besluit van 16 september 2020 heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd om het gebruik van het pand voor de huisvesting van arbeidsmigranten voor 15 oktober 2020 te beëindigen en beëindigd te houden. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om schorsing van dit besluit.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft voorafgaand aan de zitting een ordemaatregel genomen waarmee het besluit was geschorst tot het moment waarop uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan. Die uitspraak is gedaan op 17 november 2020. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd. Wel wordt het bedrag van de dwangsom verlaagd naar €50.000,- ineens.\n\n2.3.. Op 7 december 2020 heeft verweerder een controle uitgevoerd. Hierbij is geconstateerd dat er nog steeds arbeidsmigranten in het pand werden gehuisvest. Dit betekent volgens verweerder dat niet is voldaan aan de opgelegde last en dat de dwangsom is verbeurd. Verweerder heeft daarom de verbeurde dwangsom van €50.000,- ingevorderd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd.\n\n3.1.. Het beroep is gericht tegen het invorderingsbesluit. Het beroep tegen het besluit over de oplegging van de last onder de dwangsom is ingetrokken. Dit heeft tot gevolg dat de last onder dwangsom in rechte onaantastbaar is geworden.\n\nWas er sprake van een overtreding na afloop van de begunstigingstermijn?\n\n4. Eiser betoogt dat de begunstigingstermijn nog niet was verlopen ten tijde van het controlebezoek op 7 december 2020. Eiser is ervan uitgegaan dat hij na de uitspraak van de voorzieningenrechter op 17 november 2020 nog 4 weken had om aan de last te voldoen. Volgens eiser wordt hem met terugwerkende kracht verweten dat hij niet op tijd aan de last heeft voldaan.\n\n4.1.. De rechtbank overweegt dat in het besluit van 16 september 2020 staat dat de begunstigingstermijn loopt tot 15 oktober 2020. Dit betekent dat eiser voor deze datum had moeten voldoen aan de last. Dit besluit is tijdelijk geschorst door de ordemaatregel van de voorzieningenrechter. Deze ordemaatregel is geëindigd door de uitspraak van 17 november 2020. Hierdoor is het besluit weer van kracht geworden en daarmee ook de begunstigingstermijn tot 15 oktober 2020. Dit betekent dat de begunstigingstermijn ten tijde van de controle op 7 december 2020 was verlopen.\n\n4.2.. De rechtbank overweegt dat eiser er ten onrechte van uit is gegaan dat hij na de uitspraak van de voorzieningenrechter een (nieuwe) termijn van 4 weken had om aan de last te voldoen. De voorzieningenrechter heeft de begunstigingstermijn immers niet verlengd. In de uitspraak is hierover niets vermeld. Dit betekent dat eiser had moeten begrijpen dat de uitspraak van de voorzieningenrechter niets heeft veranderd aan de begunstigingstermijn, zodat deze nog altijd liep tot 15 oktober 2020. Er is geen sprake van terugwerkende kracht. Het besluit is weliswaar kortstondig geschorst geweest, maar het is niet zo dat met terugwerkende kracht de begunstigingstermijn is gewijzigd.\n\n4.3.. Eiser heeft ter zitting aangeven dat niet wordt betwist dat er op 7 december 2020 nog arbeidsmigranten in het hotel waren gehuisvest. Dat betekent dat op dat moment niet aan de last werd voldaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daarmee een dwangsom is verbeurd.\n\nMocht verweerder tot invordering van de verbeurde dwangsom overgaan?\n\n5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot invordering van het hele bedrag. Er zijn redenen om van invordering af te zien of het ingevorderde bedrag te matigen. Hij heeft er immers alles aan gedaan om aan de last te voldoen en aan de gemeente laten weten dat hij hier druk mee bezig was. Het grootste deel van de arbeidsmigranten had al andere huisvestiging en tijdens de controle waren er nog slechts enkele mensen aanwezig. Het pand was op 10 december 2020, drie dagen na de constatering, volgens eiser helemaal leeg.\n\n5.1.. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet aan het belang van invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat de verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat er geen zodanig bijzondere omstandigheden zijn dat van invordering moet worden afgezien. Dat eiser zijn best heeft gedaan om aan de last te voldoen, dit aan verweerder heeft laten weten, dat er nog slechts een paar arbeidsmigranten aanwezig waren en dat deze 3 dagen later waren vertrokken, heeft verweerder in redelijkheid niet als bijzondere omstandigheden hoeven aanmerken. Eiser moet immers binnen de begunstigingstermijn voldoen aan de last en niet op een later moment. De rechtbank ziet niet dat het voor eiser evident niet mogelijk was om op tijd aan de last te voldoen. Daarbij vindt de rechtbank bovendien van belang dat, door de schorsing van het besluit van 16 september 2020 en de door de omstandigheid dat pas op 7 december 2020 is gecontroleerd, eiser in de praktijk langer de tijd heeft gehad om aan de last te voldoen. Voor zover eiser er op wijst dat de beslissing op zijn bezwaar tegen het besluit van 16 september 2020 pas drie maanden na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 november 2020 is genomen, ziet de rechtbank niet in waarom dit relevant zou zijn voor het al dan niet kunnen invorderen van de dwangsom.\n\n5.3.. Ter zitting heeft eiser nog gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023.Die uitspraak ziet echter op een andere situatie. De Afdeling overwoog immers dat in die zaak het handhavend optreden op zichzelf onevenredig is, terwijl het in de zaak van eiser alleen gaat over het overgaan tot invordering van een verbeurde dwangsom. De aangehaalde uitspraak biedt dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2020:11565.\n\n Kamerstukken II 2003\u002F04, 29 702, nr. 3, blz. 115.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2086.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:181.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:18279","2023-11-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.700Z",20,[63,64,65,11,66],2026,2025,2024,2022]