[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-social-benefits-nl-2026":3},{"detail":4,"years":63},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":62},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},109,"social-benefits-nl","Social Benefits","NL","2026-07-08T16:56:56.599Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"654","ECLI:NL:RBGEL:2026:5231","ecli-nl-rbgel-2026-5231","",60,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 26\u002F2579 en 26\u002F2575uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nop het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen\n\n(gemachtigde: M.C. Riemersma ).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het recht op een Participatiewet (Pw) uitkering van eiser met ingang van 2 oktober 2025 in te trekken. Bij beslissing op bezwaar van 21 april 2026 is het besluit in stand gelaten en is het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is, is er geen reden een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, schorst de voorzieningenrechter het besluit van 25 februari 2026, zulks tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser ontvangt sinds 6 april 2010 een uitkering op grond van de Pw naar de norm van een alleenstaande. Hij is al enkele jaren mantelzorger voor zijn ex-vriendin, mevrouw [ex-vriendin] (hierna: [ex-vriendin] ). Omdat eiser meerdere momenten per week bij [ex-vriendin] verblijft, heeft de gemeente Zutphen aanleiding gezien om een onderzoek in te stellen.\n\n2.1.. \n\nBij besluit van 20 oktober 2025 heeft het college het recht op bijstand met ingang van 2 oktober 2025 ingetrokken, omdat eiser volgens het college niet heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting.\n\nHij heeft geen bankafschriften verstrekt en geen gehoor gegeven aan uitnodigingen in verband met een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie.\n\n2.2.. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n2.3.. \n\nDe door eiser verstrekte bankafschriften en het onderzoek naar de woon- en leefsituatie van eiser hebben geleid tot een herzien primair besluit. Dit betreft het besluit van 25 februari 2026. Hierop is artikel 6:19 Awb van toepassing. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit is vervangen door het besluit van 25 februari 2026 en eiser geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het besluit van\n\n20 oktober 2025.\n\n2.4.. Bij beslissing op bezwaar van 16 maart 2026 is het besluit van 25 februari 2026 in stand gelaten met verbetering van de motivering. Volgens het college heeft eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres maar bij [ex-vriendin] . Eiser zou mantelzorg aan haar verlenen, maar volgens het college is niet gebleken dat het gaat om een intensieve zorgbehoefte.\n\n2.5.. Eiser heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.6.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nToetsingskader\n\n3. Op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Pw, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de eerste graad of indien er sprake is van een zorgbehoefte van of verleend door een bijstandsgerechtigde die de aanleiding vormt om samen te wonen, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap, gedurende de periode dat die zorg wordt verleend.\n\nIntrekking uitkering\n\n4. Eiser ontkent niet dat hij zijn hoofdverblijf bij [ex-vriendin] heeft en dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Hij stelt echter dat de zorgbehoefte van [ex-vriendin] de aanleiding is om samen te wonen, zodat hij op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Pw niet als gehuwd of als echtgenoot moet worden aangemerkt. Eiser is mantelzorger voor [ex-vriendin] . Bij [ex-vriendin] is sprake van een zorgbehoefte en eiser verleent de benodigde zorg. Gelet op deze intensieve zorgbehoefte, kan eiser bij [ex-vriendin] wonen zonder dat dit invloed heeft op zijn recht op uitkering.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser samenwoont met [ex-vriendin] . Wel is in geschil of er bij [ex-vriendin] sprake is van een zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw. Het college stelt dat nader onderzoek niet nodig is omdat eiser onvoldoende bewijs voor een zorgbehoefte heeft aangeleverd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij het bestaan van de zorgbehoefte voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat het op de weg ligt van het college om nader onderzoek te doen als het college zich op het standpunt stelt dat er geen sprake is van een zodanig intensieve zorgbehoefte.\n\n4.2.. Uit vaste rechtspraak volgt dat het aan de personen is, die zich op deze in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw, genoemde uitzondering beroepen, om de feiten en omstandigheden, aannemelijk te maken, waaruit volgt dat deze uitzondering van toepassing is.Omdat eiser zich beroept op een uitzondering, ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij mantelzorg moet verlenen aan een zorgbehoeftige.\n\n4.3.. Verder volgt uit vaste rechtspraak dat als zorgbehoeftig wordt beschouwd de persoon die door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of geestelijke stoornis in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-instelling of duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.\n\n4.4.. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling stukken over [ex-vriendin] overgelegd, zoals een brief van de psychiater, de huisarts en het WMO team. Uit deze stukken blijkt dat er bij [ex-vriendin] sprake is van medische beperkingen die leiden tot een bepaalde zorg- of toezichtbehoefte. Met deze stukken heeft eiser naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zorgbehoefte bij [ex-vriendin] . Als het college betwist dat sprake is van een zorgbehoefte ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van het college om nader onderzoek te doen en het standpunt te onderbouwen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het voor eiser niet eenvoudig is om aan te tonen dat [ex-vriendin] een intensieve zorgbehoefte heeft. Hij heeft er ter zitting terecht op gewezen dat behandelaren op grond van richtlijnen van het Koninklijk Nederlands Medisch Genootschap terughoudend zijn met het verstrekken van informatie aan niet-professionele derden. Het college bezit meer mogelijkheden tot het verrichten van onderzoek. Eiser verwijst daarbij terecht op de volgende passage uit de Memorie van Toelichting van de wet Participatiewet in Balans: “De gemeente kan uiteraard ook een onafhankelijke derde\u002Fexterne sociaal-medische adviseur inzetten. In dat geval is het dan aan de gemeente om in deze specialist te voorzien. Hiermee wil de regering voorkomen dat de mantelzorger of de mantelzorgbehoevende met deze taak worden belast.”Het betoog van eiser slaagt.\n\n4.5.. \n\nTen overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat eiser op zitting heeft gesteld dat [ex-vriendin] bereid is mee te werken aan dit onderzoek. Mocht om wat voor reden dan ook [ex-vriendin] bij nader inzien niet willen meewerken aan het onderzoek door het college, komt dat voor rekening en risico van eiser.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is, is er geen reden een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek wordt afgewezen.\n\n5.1.. De voorzieningenrechter ziet geen reden om de rechtsgevolgen van besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen. De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, aanleiding het besluit van 25 februari 2026 te schorsen tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist.\n\n5.2.. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht (2 x € 54,-) aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- schorst het besluit van 25 februari 2026, zulks tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist;\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 108,- (2 x € 54,-) aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd deze\n\nuitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van beroep van 15 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2201 en van 17 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1115.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4487.\n\n Kamerstukken II, 2023-2024, 36 582 nr. 3 p. 98.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5231","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.439Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"1163","ECLI:NL:RBNNE:2026:2612","ecli-nl-rbnne-2026-2612",65,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F1758\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n [naam uit woonplaats] , verzoeker,\n\n en\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, het college\n\n(gemachtigde: S. de Jong).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoeker heeft op 22 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Op 6 februari 2026 heeft het college verzoeker gevraagd om aanvullende gegevens zodat de aanvraag kan worden beoordeeld. Hierbij heeft het college onder andere gevraagd om bankafschriften en overzichten van vermogen, schulden en inkomens. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verzoeker nadere stukken ingediend. Op 3 maart 2026 heeft er een intakegesprek plaatsgevonden.\n\n2.1.. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 maart 2026 afgewezen. Hiertoe heeft het college overwogen dat verzoeker onvoldoende informatie heeft verstrekt om zijn recht op bijstand vast te kunnen stellen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n2.2.. Op 30 maart 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om de voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 26\u002F1077. Bij uitspraak van 13 april 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang nu het college over de maand april 2026 een voorschot heeft toegekend.\n\n2.3.. Op 8 april 2026 heeft het college verzoeker gevraagd om aanvullende gegevens zodat de aanvraag kan worden beoordeeld. Hierbij heeft het college onder andere gevraagd om bankafschriften en transactie-overzichten van zijn gokaccounts over de periode van 22 oktober 2025 tot en met 8 april 2026. Daarnaast heeft het college verzocht om overzichten van zijn vermogen, schulden, inkomens en cryptocoins. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verzoeker nadere stukken ingediend.\n\n2.4.. Op 20 april 2026 heeft het college verzoeker (nogmaals) gevraagd om aanvullende gegevens. Hierbij heeft het college onder andere gevraagd om speel- en transactie- overzichten van al zijn gokaccounts \u002F wallets over de periode 22 oktober 2025 tot en met 8 april 2026. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verzoeker nadere stukken ingediend.\n\n2.5.. Op 5 juni 2026 heeft verzoeker een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.6.. Bij e-mailbericht van eveneens 5 juni 2026 heeft het college aan verzoeker verzocht om de volgende -nog ontbrekende- gegevens te overleggen:\n\nafschriften van de transacties die hebben plaatsgevonden op de rekening van Privalgo LTD;\n\nafschriften van de transacties die hebben plaatsgevonden op de rekening van Inpay A\u002FS;\n\neen uitdraai van zijn wallet bij Instant Casino;\n\neen overzicht van zijn wallet bij Coin Casino;\n\neen verifieerbare verklaring van de stortingen op uw ING-rekening op 4, 5, 6,10 en 26 februari 2026 en op 4, 6 en 7 maart 2026. Denk daarbij aan een ondertekende verklaring van de gever met daarop vermeld het bedrag, datum en doel waarvoor het gegeven is. En of er een verplichting is tot terugbetaling.\n\nHierbij heeft het college verzoeker verzocht deze gegevens uiterlijk 12 juni 2026 te overleggen.\n\n2.7.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.\n\n3.1.. Gelet op de aard van de bijstandsuitkering als vangnet en de stukken die verzoeker heeft overgelegd ten aanzien van de achterstand van de betaling van zijn huur ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen. De voorzieningenrechter zal de zaak daarom inhoudelijk behandelen.\n\nKan het verzoek worden toegewezen?\n\n4. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandsverlenende instantie deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet en als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, is dit een grond voor weigering van de bijstand.\n\n4.1.. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstand behoevende omstandigheden, is zijn financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. De bijstandsverlenende instantie is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.In beginsel worden afschriften over de laatste drie maanden opgevraagd. Indien op basis van concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen, kan het bijstandverlenend orgaan in het kader van dat onderzoek zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften en andere financiële gegevens van een betrokkene over een verder in het verleden liggende periode.\n\n4.2.. Indien een belanghebbende bij een aanvraag onvoldoende gegevens heeft aangeleverd om het recht op bijstand vast te kunnen stellen, moet aan de belanghebbende schriftelijk een termijn worden gegeven om de gevraagde gegevens aan te vullen. Dit wordt de hersteltermijn genoemd. De hersteltermijn moet zijn afgestemd op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en documenten. De lengte van de termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan te leveren.\n\n5. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het college op goede gronden tot een afwijzing van de aanvraag is gekomen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.\n\n5.1.. Uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften en overige gegevens komt een aaneenschakeling van bij- en afschrijvingen naar voren. Het college heeft verzoeker meerdere keren gevraagd om verifieerbare verklaringen te overleggen met betrekking tot de stortingen op zijn bankrekening en om (transactie)overzichten van zijn gokaccounts en betaalproviders. Naar aanleiding van deze verschillende verzoeken van het college heeft verzoeker weliswaar gegevens verstrekt, maar heeft verzoeker naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen volledig inzicht in zijn gokaccounts gegeven en heeft verzoeker ook geen deugdelijke verklaring voor de vele stortingen dan wel bijschrijvingen gegeven.5.2.. \n\nVoor zover verzoeker heeft aangegeven dat hij voor wat betreft de gokaccounts niet over meer informatie beschikt omdat deze accounts zijn beëindigd en hij hier geen toegang meer toe heeft, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroepis het bij onlinegokken, anders dan bij een bezoek aan een gokinstelling, in beginsel wèl mogelijk om een verifieerbare administratie of boekhouding te verstrekken waarin is opgenomen welke bedragen bij welk gokspel zijn ingezet, welk bedrag per speelbeurt is gewonnen en of de ontvangen bedragen eventueel weer opnieuw zijn ingezet en, zo ja, in hoeverre bij welk gokspel. Bij online gokken worden namelijk al deze gebeurtenissen geregistreerd in de gokaccounts van de betrokkene. Bij online gokken kan de betrokkene dus gegevens verstrekken aan de hand waarvan het mogelijk is om de gokopbrengsten, en daarmee ook het recht op bijstand, vast te stellen. Dat de gokaccounts inmiddels zouden zijn beëindigd en verzoeker hierdoor geen toegang meer heeft tot genoemde gegevens komt voor zijn rekening en risico, nu verzoeker de gokaccounts -althans naar zijn zeggen- zelf heeft beëindigd zonder eerst de mutatiegegevens veilig te stellen.\n\nDaarnaast heeft verzoeker ter zitting weliswaar aangegeven dat hij heeft geprobeerd om (alsnog) aan de desbetreffende overzichten te komen door via de mail contact op te nemen met verschillende helpdesks, maar van dit door verzoeker ter zitting ingenomen standpunt heeft de voorzieningenrechter geen enkele onderbouwing gezien. Datzelfde geldt overigens voor de gestelde beëindigingen dan wel het afsluiten van gokaccounts an sich door verzoeker.\n\n5.3.. Met betrekking tot de bijschrijvingen door derden op zijn bankrekeningen overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker hiervoor geen deugdelijke verklaring heeft gegeven. Verzoeker heeft gesteld dat dit stortingen zijn van vrienden die zijn gokaccounts gebruikten en dat hij inmiddels met deze mensen geen contact meer heeft. Ook voor dit door verzoeker ingenomen standpunt overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker dit niet heeft onderbouwd met controleerbare en verifieerbare gegevens.\n\n6. Gelet op het bovenstaande heeft het college, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, de aanvraag kunnen afwijzen. Verzoeker heeft als aanvrager van bijstand de plicht om de gevraagde inlichtingen te verstrekken en medewerking te verlenen aan het onderzoek van het college. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker hierin niet in geslaagd. Het college heeft daarom onvoldoende informatie om vast te stellen of verzoeker op het moment van de aanvraag in bijstand behoevende omstandigheden verkeerde. Deze informatie heeft verzoeker ook in het kader van de onderhavige procedure niet aangeleverd. Dit kan alsnog in de bezwaarprocedure of in het kader van een nieuwe aanvraag, maar op dit moment zijn er naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het bezwaar kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt en dat er dus geen voorlopige voorziening zal worden getroffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1896.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1955.\n\n Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1591.\n\n Zie onder de meer de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 6 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:760.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2612","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.605Z",20,[11,64],2024]