[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-temporary-protection-nl-2026":3},{"detail":4,"years":109},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":29,"page":14,"limit":108},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},40,"temporary-protection-nl","Temporary Protection","NL","2026-07-08T16:53:39.739Z",2026,[13,15,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":17},6,{"month":27,"count":27},7,{"month":29,"count":17},8,{"month":31,"count":17},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":17},12,[39,52,59,67,74,81,88,98],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"307","ECLI:NL:RBDHA:2026:18720","ecli-nl-rbdha-2026-18720","",65,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.16846\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [naam], V-nummer: [nummer], verzoekster,\n\n(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: J.H.A. van Eijk).\n\nProcesverloop\n\n1. Verzoekster heeft aangegeven dat ze in Nederland wilt verblijven onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De minister heeft op 12 februari 2025 beslist dat verzoekster niet in aanmerking komt hiervoor. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hangende bezwaar de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.1.1.. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij het besluit gebleven.\n\n1.2.. Het verzoek om voorlopige voorziening dat is ingediend tijdens de bezwaarprocedure wordt op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gelijkgesteld met een verzoek dat is gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van de zaak NL25.62090, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.62090, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n2.1.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nOpenbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18720","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.690Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":56,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":58},"305","ECLI:NL:RBDHA:2026:18719","ecli-nl-rbdha-2026-18719","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62090\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam], eiseres,geboren op [geboortedatum], van Oekraïense nationaliteit, V-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om eiseres geen bescherming te bieden als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming(hierna: RTB). Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft de Oekraïense nationaliteit. Zij heeft aangegeven dat ze in Nederland wilt verblijven onder de RTB. De minister heeft op 12 februari 2025 beslist dat eiseres niet in aanmerking komt hiervoor. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het verzoek om voorlopige voorziening.Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet bestreden besluit\n\n3. De minister vindt dat eiseres niet onder de RTB valt. De minister is er niet van overtuigd dat eiseres door de oorlog ontheemd is geraakt oftewel gedwongen haar woonplek moest verlaten. Eiseres stelt voor het eerst uit Oekraïne te zijn vertrokken op 23 september 2024. Volgens de minister heeft eiseres echter niet kunnen aantonen dat zij voor haar vertrek in Oekraïne heeft gewoond. Ook uit het overgelegde paspoort dat is afgegeven op 20 augustus 2024 kan niet worden opgemaakt hoe lang en of eiseres duurzaam in Oekraïne heeft verbleven. In dit geval is er een recent uitgegeven paspoort en een uitreisstempel vlak daarna (23 september 2024). Daarom is er volgens de minister additioneel bewijs nodig waarmee aangetoond kan worden dat eiseres in de periode voorafgaand aan de uitgifte van haar paspoort duurzaam in Oekraïne heeft geleefd. Hierbij wordt er beoordeeld vanaf de periode 27 november 2021tot de uitgiftedatum van het paspoort van eiseres op 20 augustus 2024. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet heeft aangetoond en dus niet behoort tot één van de groepen ontheemden uit Oekraïne die recht hebben op tijdelijke bescherming in Nederland.Het beroep van eiseres\n\n4. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat zij niet onder de RTB valt. Eiseres vindt dat dat de minister een te strenge eis hanteert door van haar te verlangen dat zij over de gehele periode moet aantonen dat zij in Oekraïne verbleef. Eiseres stelt dat de minister een geloofwaardigheidstoets als bedoeld in WI2024\u002F6zou moeten verrichten. Volgens eiseres hoeft zij op grond van WI 2025\u002F6enkel aannemelijk te maken dat het feitelijke centrum van haar leven in Oekraïne was. Eiseres stelt dat ze verschillende bewijzen heeft overgelegd en dat de bewijslast daarom nu niet meer bij haar, maar bij de minister ligt. De minister moet aantonen dat eiseres niet in Oekraïne woonde.Toetsingskader\n\n5. De RTB biedt minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming bij massale toestroom van ontheemden.Uit de Richtlijn volgt dat het begrip ‘ontheemde’ van toepassing is op iemand die zijn land of regio van oorsprong heeft moeten verlaten als gevolg van – voor zover in eiseres geval relevant – een gewapend conflict.Door de inval van Rusland in Oekraïne op 24 februari 2022 werd de Europese Unie geconfronteerd met een groeiende toestroom van Oekraïense burgers en derdelanders die op dat moment al dan niet legaal in Oekraïne verbleven. De Raad van de Europese Unie heeft daarom in een Uitvoeringsbesluitvan 4 maart 2022 besloten de RTB toe te passen op ontheemden uit Oekraïne. Uit het Uitvoeringsbesluit blijkt dat Oekraïense onderdanen die voor 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven tijdelijke bescherming moeten krijgen.Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheidom die bescherming uit te breiden door te bepalen dat ook tijdelijke bescherming wordt toegekend aan Oekraïners die Oekraïne na 26 november 2021 zijn ontvlucht of in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Unie zijn gereisd. De uitwerking van deze keuze is opgenomen in artikel 3.9a van het VV.Oekraïners die vóór 27 november 2021 elders in Europaverbleven vallen niet onder de Richtlijn.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n6. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiseres een Oekraïense onderdaan is. Geschilpunt is of zij voor haar vertrek duurzaam in Oekraïne verbleef en of zij als ontheemde als bedoeld in de RTB kan worden aangemerkt. Meer concreet ligt ter beoordeling voor of eiseres haar duurzame verblijf in Oekraïne voldoende heeft bewezen.Geloofwaardigheidsbeoordeling\n\n7. De rechtbank overweegt dat eiseres haar gronden met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in het kader van het Unierecht en WI 2024\u002F6 niet opgaan, nu deze zaak niet de asielaanvraag van eiseres behandelt. Het ‘voordeel van de twijfel’ in het licht van de geloofwaardigheidsbeoordeling is dan ook niet aan de orde. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat het begrip voordeel van de twijfel ook een rol speelt bij de omkering van de bewijslast. Daar gaat de rechtbank hierna op in.Bewijslast\n\n8. Zoals uit het hiervoor opgenomen toetsingskader volgt, is de RTB alleen van toepassing op ontheemden. Om als ontheemde in de zin van de RTB te kunnen worden aangemerkt, moet kunnen worden vastgesteld dat eiseres in een bepaalde periode haar hoofdverblijf in Oekraïne had. Tussen partijen staat niet er discussie dat de bewijslast bij eiseres ligt. Eiseres vindt dat zij haar duurzaam verblijf in Oekraïne aannemelijk heeft gemaakt en dat de bewijslast daarom is omgekeerd en de minister het tegendeel moet bewijzen. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet aannemelijk heeft gemaakt of heeft aangetoond. Volgens de minister geldt het strengere criterium van ‘aantonen’. De minister leidt dit af uit het feit dat het onder de RTB, gelet op de grote toestroom van ontheemden onder de RTB, niet de bedoeling is een uitgebreide individuele beoordeling te maken. De minister verwijst in dit kader ook naar de preambule van het Uitvoeringsbesluit.Eiseres is het met de minister eens dat het onder de RTB niet de bedoeling is een uitgebreide individuele toets te maken, maar betoogt in dat kader dat als dat toch noodzakelijk wordt geacht, zoals hier, dat dan de bewijslast omkeert en bij de minister ligt. Uit de door de minister aangehaalde passage in de preambule volgt volgens eiseres niet dat het criterium ‘aantonen’ van toepassing is, omdat deze overweging op derdelanders ziet.\n\n8.1.. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat eiseres met haar verklaringen en bewijsstukken niet heeft aangetoond dat zij Oekraïne niet vóór 27 november 2021 heeft verlaten en zij heeft ook niet kunnen aantonen dat zij vóór 23 september 2024 - de datum waarop zij stelt te zijn vertrokken uit Oekraïne - duurzaam in Oekraïne heeft gewoond. De minister heeft in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd, waarom de door eiseres overgelegde bewijsstukken onvoldoende zijn. Zoals de minister terecht heeft overwogen, zien maar een paar van de bewijsstukken op het verblijf in Oekraïne in de periode tussen 27 november 2021 en 20 augustus 2024 (datum afgifte paspoort) of 23 september 2024 (datum van vertrek). De bonnen van pintransacties, foto’s, de verklaring van eiseres haar broer en de overige stukken zijn onvoldoende, om vast te stellen dat eiseres duurzaam in Oekraïne verbleef. Bovendien kan met de afgifte van eiseres haar paspoort op 20 augustus 2024, enkel vastgesteld worden dat zij toen haar paspoort in ontvangst heeft genomen, maar niet dat zij toen duurzaam in Oekraïne verbleef.\n\n8.2.. Nu eiseres onvoldoende bewijs heeft aangeleverd, is het niet relevant of zij haar duurzame verblijf in Oekraïne vóór 27 november 2021 moest aantonen of aannemelijk maken. Aan beide criteria heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij haar duurzaam verblijf aannemelijk heeft gemaakt of een begin van bewijs heeft geleverd, waardoor de bewijslast niet langer op haar, maar op de minister rust.8.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden besloten dat eiseres niet onder de RTB valt. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt ook het griffierecht niet terug en geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nOpenbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG van de Raad van 20 juli 2001, betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.\n\n NL25.16846.\n\n De door de IND vastgestelde peildatum die volgt uit WI 2025\u002F6 Oekraïne en de Richtlijn tijdelijke bescherming.\n\n Artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.\n\n Werkinstructie.\n\n WI 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).\n\n WI 2025\u002F6 Oekraïne en de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.\n\n Artikel 1 van de RTB.\n\n Artikel 2, onder c, van de RTB.\n\n Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.\n\n Artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit.\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn en artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit.\n\n het Voorschrift Vreemdelingen 2000.\n\n Buiten Nederland, zie artikel 3.9a, eerste lid onder b van het VV.\n\n Zie overweging 12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18719","2026-07-13T00:28:23.584Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":63,"fullText":64,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":50,"updatedAt":66},"1748","ECLI:NL:RBDHA:2026:18589","ecli-nl-rbdha-2026-18589","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F1785\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam] , eiseres,\n\ngeboren op [nummer] ,\n\nvan Oekraïense nationaliteit\n\n(gemachtigde: mr. L.A. Fischer)\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, college\n\n(gemachtigden: E.J. Olthof en V. Djordjevic).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 16 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit van 4 februari 2025 over de eigen bijdrage voor de kosten van de gemeentelijke opvang op grond van de RooO, afgewezen.\n\nEiseres heeft op 13 mei 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Ter zitting zijn verschenen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. Op zitting waren verder een tolk en enkele andere bewoners van de gemeentelijke opvang aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. Bij brief van 16 januari 2025 heeft het college aangekondigd dat bewoners van de gemeentelijke opvang per 1 januari 2025 een bijdrage moeten betalen voor de kosten van de opvang indien zij een inkomen hebben. Daarbij is aangegeven dat het gaat om kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden die worden geserveerd.\n\n2. Bij besluit van 4 februari 2025 heeft het college bepaald dat eiseres per 1 januari 2025 een eigen bijdrage moet betalen voor kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden op de opvanglocatie. De eigen bijdrage van eiseres wordt op basis van haar inkomensgegeven vastgesteld op € 357,18. Hiervan wordt € 105,00 in rekening gebracht voor gas, water en elektriciteit en € 252,18 voor de maaltijden.\n\n2.1.. Op 16 februari 2025 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 februari 2025 voor zover daarin voor de maaltijden een eigen bijdrage is vastgesteld. Zij heeft aangegeven vanwege haar medische situatie geen gebruik te maken van de keuken op de opvanglocatie. Eiseres lijdt aan chronische ziekten als chronische cholecystitis en chronische gastritis met een hoge zuurgraad in de maag. Daarnaast heeft eiseres last van allergieën. Eiseres doet het dringende verzoek om haar de gelegenheid te geven zelf te koken.\n\n2.2.. Op 31 maart 2025 heeft de commissie bezwaarschriften (commissie) een hoorzitting gehouden. Eiseres was daarbij niet aanwezig. De commissie heeft het college geadviseerd het besluit van 4 februari 2025 in stand te laten. De commissie wijst erop dat in de landelijke RooO is geregeld dat vanaf 1 juli 2014 volwassen Oekraïense vluchtelingen met eigen inkomsten, een eigen bijdrage moeten betalen, dat gemeenten de RooO moeten uitvoeren en de eigen bijdrage dienen te berekenen. De commissie vindt verder dat het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de RooO. Het college heeft onderzocht en vastgesteld dat eiseres inkomen heeft en dat dit inkomen hoger is dan het geldende drempelbedrag. Vervolgens is bij het bepalen van de eigen bijdrage uitgegaan van een minimuminkomen van 120% van het leefgeld plus de eigen bijdrage en is vastgesteld dat er ten opzichte van het leefgeld een besteedbaar inkomen overblijft dat boven het leefgeld uitkomt. De commissie geeft verder aan dat eiseres geen schriftelijke verklaring van een arts heeft overgelegd over haar medische situatie. De commissie vindt dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden of enig onevenredig nadeel voor eiseres en dat het college het primaire besluit zorgvuldig en op goede gronden heeft genomen.\n\n2.3.. Bij het bestreden besluit van 16 april 2025 heeft verweerder het advies van de commissie overgenomen en het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.\n\nBeroepsgronden van eiseres\n\n3. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte een eigen bijdrage van € 252,18 in verband met de maaltijden heeft vastgesteld.\n\n3.1.. Eiseres stelt dat zij zelf haar eten verzorgt, geen gebruik maakt van de maaltijden op de opvanglocatie en zelfstandig wil koken omdat de door het college aangeboden maaltijden zijn afgestemd op de Nederlandse smaak, niet zijn toegesneden op de dagelijkse kost van ontheemden uit Oekraïne en niet gezond zijn.\n\n3.2.. Eiseres wijst er daarbij op dat ze niet de enige is en verwijst in dit verband naar een rapport van de Inspectie van Justitie en Veiligheid van 14 december 2022 en een brief van 6 februari 2025 waarin 130 bewoners van de opvanglocatie het college hebben verzocht om zelf koken mogelijk te maken. In deze brief is aangegeven dat voor veel bewoners de maaltijdvoorziening niet geschikt is vanwege medische problemen, allergieën of intoleranties. Daarnaast wordt gewezen op het belang van het kunnen eten volgens de Oekraïense cultuur en aangegeven dat er bewoners zijn die halal willen eten en dat er twijfels zijn over de veiligheid en de kwaliteit van het eten. Deze bewoners vinden het onrechtvaardig dat zij moeten betalen voor catering waar ze geen gebruik van maken. Bij brief van 4 april 2025 heeft het college op deze brief gereageerd en aangegeven dat het college een onderzoek zal instellen naar de mogelijkheid om zelfstandig te koken. Op 29 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiseres namens de bewoners een klacht bij het college ingediend dat de huurovereenkomst inclusief catering voor de duur van een jaar is verlengd, terwijl het onderzoek naar de mogelijkheid om zelf te koken nog niet heeft plaatsgevonden. Op 23 september 2025 heeft het college aangegeven dat het onderzoek nog zal plaatsvinden maar dat op het college geen verplichting rust een keuken te realiseren.\n\n3.3.. Eiseres betoogt dat de wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van een eigen bijdrage ontbreekt, omdat het op de locatie mogelijk is zelf in de maaltijden te voorzien. Eiseres wijst in dit verband op artikel 5, tweede lid, van de RooO waaruit volgens eiseres kan worden afgeleid dat op het college de verplichting rust zo mogelijk te voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden. Eiseres stelt dat dit mogelijk is, omdat de opvanglocatie is gevestigd in een hotel waar keukenvoorzieningen aanwezig zijn. Daarbij wijst eiseres voorts op volgens haar vergelijkbare opvanglocaties in Breda en Amsterdam waar men de keuze heeft om al dan niet gebruik te maken van de catering.\n\n3.4.. Verder betoogt eiseres dat nu zij zelf in haar maaltijden voorziet, artikel 7, vierde lid, RooO geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van de aangeboden maaltijden. Het in rekening brengen van de maaltijden kan volgens eiseres onder deze omstandigheden alleen een privaatrechtelijke grondslag hebben en afhankelijk zijn van het daadwerkelijk afnemen van de geboden diensten. Voor zover verweerder wel bevoegd is een eigen bijdrage op te leggen, voert eiseres aan dat het opleggen daarvan indien van de catering geen gebruik wordt gemaakt onevenredig is en de eigen bijdrage te hoog. De opvang van ontheemden moet volgens eiseres geen verdienmodel worden. Ook voert eiseres aan dat het college zich gezien de onder 3.1. gegeven omstandigheden niet meer op het standpunt kan stellen dat het voor eiseres nog altijd niet mogelijk is om zelf in haar maaltijden te voorzien.\n\nVerweer van het college\n\n4. Het college stelt zich op het standpunt dat de RooO op juiste gronden is toegepast. In artikel 10, achtste lid, van de RooO staat dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn om deze zelf te verzorgen. Het college heeft duidelijk aangegeven dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid het niet is toegestaan op deze locatie te koken. Er is geen kookgelegenheid in de hotelkamers en de chalets. Het college biedt daarom catering aan op de locatie. In de Q&A van de eigen bijdrage staat dat indien op een locatie catering wordt georganiseerd de ontheemde hiervoor een bijdrage dient te betalen ook als er geen gebruik van wordt gemaakt. Wel wordt geadviseerd ontheemden coulant gebruik te laten maken van de catering door bijvoorbeeld lunch of avondeten mee te laten nemen naar het werk. Bij de berekening van de hoogte van de bijdrage heeft verweerder de in artikel 12, derde lid, van de RooO vermelde bedragen op juiste wijze gehanteerd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBestaat de mogelijkheid om zelf te koken?\n\n5. De rechtbank overweegt eerst dat in artikel 5, tweede lid, van de RooO is bepaald dat indien mogelijk wordt voorzien in de gelegenheid tot het bereiden van maaltijden.\n\n5.1.. Verder volgt uit artikel 10, achtste lid, van de RooO dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn deze zelf te verzorgen.\n\n6. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of in het hotel en de bijbehorende chalets de mogelijkheid bestaat om te koken. De rechtbank volgt het college in diens standpunt dat deze mogelijkheid niet aanwezig is. In de hotelkamers bevinden zich geen kookgelegenheden. In de chalets zijn de kookgelegenheden ontmanteld en de hotelkeuken biedt onvoldoende ruimte voor de bewoners om zelf te koken, omdat vanuit deze keuken de catering voor de bewoners wordt verzorgd. Daarbij is in de huisregels van het hotel in verband met de brandveiligheid duidelijk aangeven dat het verboden is om ergens anders te koken dan op de vaste kooktoestellen in de keukens en is koken op een kooktoestel in de woonruimtes derhalve verboden. Ook in het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid van 14 december 2022, dat is uitgebracht naar aanleiding van een bezoek aan de opvanglocatie op 29 november 2022, is aangegeven dat het niet mogelijk is om zelf te koken. In het rapport wordt vermeld dat er wel mensen zijn die zelf kookplaten of snelkokers hebben gekocht, maar dat in verband met de brandveiligheid is afgesproken dat men deze alleen buiten (op het balkon) gebruikt. De rechtbank maakt hieruit op dat het college het verwarmen dan wel bereiden van voedsel buiten de chalets kennelijk wel tijdelijk heeft toegestaan dan wel gedoogd. Dit maakt echter niet dat het college zich niet deugdelijk op het standpunt heeft gesteld dat op deze opvanglocatie de bewoners niet de mogelijkheid hebben om zelf te koken. Het college heeft deugdelijk onderbouwd dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid en het huidige gebruik van de keuken voor de catering, zelf koken niet mogelijk is.\n\n6.1.. Dat het college hier nog steeds verder onderzoek naar doet en dit onderzoek nog niet is afgerond, doet aan het voorgaande niet af. Dat de catering als een probleem werd ervaren is al tijdens het bezoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid 29 november 2022 naar voren gebracht. Van dit onderzoek, waarin bijvoorbeeld de mogelijkheid om de bestaande keuken van het hotel geschikt te maken voor het gebruik door de bewoners onderzocht zou kunnen worden, zijn nog geen resultaten bekend. Het college heeft desgevraagd aangegeven niet te weten wanneer dit onderzoek zal zijn afgerond en dat is besloten dat in afwachting van de uitkomst de huidige praktijk, dat wil zeggen het niet toestaan van zelf koken en het in rekening brengen van de eigen bijdrage, wordt gevolgd. Deze handelwijze maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk is gemotiveerd.\n\n6.2.. Uit het voorgaande volgt dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet kan worden voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden en dat het college voldoet aan de wettelijke verplichting om zorg te dragen voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.\n\nMocht de gemeente de eigen bijdrage in rekening brengen?\n\n7. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college, met ingang van de eerstvolgende maand, in de opvangvoorziening waarin ontheemden niet zelf het eigen eten verzorgen, een bedrag ter hoogte van de financiële toelage als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk in rekening indien de meerderjarige ontheemde of een meerderjarig gezinslid:\n\na. inkomsten uit arbeid in Nederland of in een ander land heeft en zulks blijkt uit de door de ontheemde opgegeven of van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ontvangen informatie over zijn inkomsten uit arbeid; (…)\n\n8. De rechtbank overweegt dat, indien op een opvanglocatie er voor de bewoners geen mogelijkheid bestaat om zelf te koken, de regelgeving helder is. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college in dat geval een eigen bijdrage in rekening. Tegen de feitelijke berekening van de eigen bijdrage zijn geen gronden ingediend.\n\n8.1.. Eiseres heeft voorts gewezen op de situatie in de opvanglocaties in Breda en Amsterdam. Daar wordt volgens eiseres de bewoners de keuze gegeven of zij al of niet van de catering gebruik willen maken en wordt die alleen in rekening gebracht als de bewoners daarvoor kiezen en deze daadwerkelijk gebruiken. Eiseres geeft aan dat in Breda de afgenomen maaltijden per stuk worden afgerekend door middel van bonnen die bij het locatiemanagement tegen vergoeding van de eigen bijdrage worden ingekocht. De rechtbank is van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen als ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet gekozen is voor een oplossing zoals die waar de gemeenten Breda en Amsterdam toe hebben besloten en waarbij is getracht de bewoners meer maatwerk te verlenen. De rechtbank acht het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is gelet op wat onder rechtsoverweging 8.1 is overwogen gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n9.1.. \n\nEiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op\n\n€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Daarnaast dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 16 april 2025;\n\n- bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze\n\n uitspraak, een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiseres;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. P.C.J. Lindeijer, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Regeling opvang ontheemden Oekraíne.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18589","2026-07-13T00:29:36.833Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":63,"fullText":71,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":50,"updatedAt":73},"1746","ECLI:NL:RBDHA:2026:18591","ecli-nl-rbdha-2026-18591","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F2323\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam], eiser,\n\nvan Oekraïense nationaliteit\n\n(gemachtigde: mr. L.A. Fischer)\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, college\n\n(gemachtigden: E.J. Olthof en V. Djordjevic).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 12 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 6 februari 2025 over de eigen bijdrage voor de kosten van de gemeentelijke opvang op grond van de RooO, afgewezen.\n\nEiser heeft op 26 juni 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Ter zitting zijn verschenen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Op zitting waren verder een tolk en enkele andere bewoners van de gemeentelijke opvang aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. Bij brief van 16 januari 2025 heeft het college aangekondigd dat bewoners van de gemeentelijke opvang per 1 januari 2025 een bijdrage moeten betalen voor de kosten van de opvang indien zij een inkomen hebben. Daarbij is aangegeven dat het gaat om kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden die worden geserveerd.\n\n2. Bij besluit van 6 februari 2025 heeft het college bepaald dat eiser per 1 januari 2025 een eigen bijdrage moet betalen voor kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden op de opvanglocatie. De eigen bijdrage van eiser en zijn gezin wordt op basis van zijn inkomensgegeven vastgesteld op € 714,36. Hiervan wordt € 210,00 in rekening gebracht voor gas, water en elektriciteit en € 504,36 voor de maaltijden.\n\n2.1.. Op 28 maart 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 februari 2025 voor zover daarin voor de maaltijden een eigen bijdrage is vastgesteld. Hij heeft aangegeven dat hij en zijn gezin geen gebruikmaken van de catering en hij vindt het onrechtvaardig dat zij er desondanks voor moeten betalen. Zij doen zelf boodschappen volgens een eigen voedingspatroon. In verband met hun gezondheid en dieetwensen kunnen ze geen gebruik maken van de catering. Zelf koken is een noodzaak en geen luxe. Ook past het niet bij de werkroosters van de familie. De indirecte druk die de gemeente uitoefent door aan te geven dat ze elders kunnen gaan wonen als ze niet willen betalen, is een schending van hun rechten.\n\n2.2.. Op 12 mei 2025 heeft de commissie bezwaarschriften (commissie) een hoorzitting gehouden. Eiser was daarbij aanwezig. De commissie heeft het college geadviseerd het besluit van 6 februari 2025 in stand te laten. De commissie wijst erop dat in de landelijke RooO is geregeld dat vanaf 1 juli 2014 volwassen Oekraïense vluchtelingen met eigen inkomsten, een eigen bijdrage moeten betalen, dat gemeenten de RooO moeten uitvoeren en de eigen bijdrage dienen te berekenen. De commissie vindt verder dat het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de RooO. Het college heeft onderzocht en vastgesteld dat eiseres inkomen heeft en dat dit inkomen hoger is dan het geldende drempelbedrag. Vervolgens is bij het bepalen van de eigen bijdrage uitgegaan van een minimuminkomen van 120% van het leefgeld plus de eigen bijdrage en is vastgesteld dat er ten opzichte van het leefgeld een besteedbaar inkomen overblijft dat boven het leefgeld uitkomt. De commissie geeft verder aan dat eiseres geen schriftelijke verklaring van een arts heeft overgelegd over haar medische situatie. De commissie vindt dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden of enig onevenredig nadeel voor eiseres en dat het college het primaire besluit zorgvuldig en op goede gronden heeft genomen.\n\n2.3.. Bij het bestreden besluit van 12 juni 2025 heeft verweerder het advies van de commissie overgenomen en het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.\n\nBeroepsgronden van eiseres\n\n3. Eiser voert aan dat het college ten onrechte een eigen bijdrage van € 504,36 in verband met de maaltijden heeft vastgesteld.\n\n3.1.. Eiser stelt dat hij zelf zijn eten verzorgt, geen gebruik maakt van de maaltijden op de opvanglocatie en zelfstandig wil koken omdat de door het college aangeboden maaltijden zijn afgestemd op de Nederlandse smaak, niet zijn toegesneden op de dagelijkse kost van ontheemden uit Oekraïne en niet gezond zijn.\n\n3.2.. Eiser wijst er daarbij op dat hij niet de enige is en verwijst in dit verband naar een rapport van de Inspectie van Justitie en Veiligheid van 14 december 2022 en een brief van 6 februari 2025 waarin 130 bewoners van de opvanglocatie het college hebben verzocht om zelf koken mogelijk te maken. In deze brief is aangegeven dat voor veel bewoners de maaltijdvoorziening niet geschikt is vanwege medische problemen, allergieën of intoleranties. Daarnaast wordt gewezen op het belang van het kunnen eten volgens de Oekraïense cultuur en aangegeven dat er bewoners zijn die halal willen eten en dat er twijfels zijn over de veiligheid en de kwaliteit van het eten. Deze bewoners vinden het onrechtvaardig dat zij moeten betalen voor catering waar ze geen gebruik van maken. Bij brief van 4 april 2025 heeft het college op deze brief gereageerd en aangegeven dat het college een onderzoek zal instellen naar de mogelijkheid om zelfstandig te koken. Op 29 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiser namens de bewoners een klacht bij het college ingediend dat de huurovereenkomst inclusief catering voor de duur van een jaar is verlengd, terwijl het onderzoek naar de mogelijkheid om zelf te koken nog niet heeft plaatsgevonden. Op 23 september 2025 heeft het college aangegeven dat het onderzoek nog zal plaatsvinden maar dat op het college geen verplichting rust een keuken te realiseren.\n\n3.3.. Eiser betoogt dat de wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van een eigen bijdrage ontbreekt, omdat het op de locatie mogelijk is zelf in de maaltijden te voorzien. Eiser wijst in dit verband op artikel 5, tweede lid, van de RooO waaruit volgens eiser kan worden afgeleid dat op het college de verplichting rust zo mogelijk te voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden. Eiser stelt dat dit mogelijk is, omdat de opvanglocatie is gevestigd in een hotel waar keukenvoorzieningen aanwezig zijn. Daarbij wijst eiser voorts op volgens hem vergelijkbare opvanglocaties in Breda en Amsterdam waar men de keuze heeft om al dan niet gebruik te maken van de catering.\n\n3.4.. Verder betoogt eiser dat nu hij zelf in zijn maaltijden voorziet, artikel 7, vierde lid, RooO geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van de aangeboden maaltijden. Het in rekening brengen van de maaltijden kan volgens eiser onder deze omstandigheden alleen een privaatrechtelijke grondslag hebben en afhankelijk zijn van het daadwerkelijk afnemen van de geboden diensten. Voor zover verweerder wel bevoegd is een eigen bijdrage op te leggen, voert eiser aan dat het opleggen daarvan indien van de catering geen gebruik wordt gemaakt onevenredig is en de eigen bijdrage te hoog. De opvang van ontheemden moet volgens eiser geen verdienmodel worden. Ook voert eiser aan dat het college zich gezien de onder 3.1. gegeven omstandigheden niet meer op het standpunt kan stellen dat het voor eiser nog altijd niet mogelijk is om zelf in haar maaltijden te voorzien.\n\nVerweer van het college\n\n4. Het college stelt zich op het standpunt dat de RooO op juiste gronden is toegepast. In artikel 10, achtste lid, van de RooO staat dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn om deze zelf te verzorgen. Het college heeft duidelijk aangegeven dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid het niet is toegestaan op deze locatie te koken. Er is geen kookgelegenheid in de hotelkamers en de chalets. Het college biedt daarom catering aan op de locatie. In de Q&A van de eigen bijdrage staat dat indien op een locatie catering wordt georganiseerd de ontheemde hiervoor een bijdrage dient te betalen ook als er geen gebruik van wordt gemaakt. Wel wordt geadviseerd ontheemden coulant gebruik te laten maken van de catering door bijvoorbeeld lunch of avondeten mee te laten nemen naar het werk. Bij de berekening van de hoogte van de bijdrage heeft verweerder de in artikel 12, derde lid, van de RooO vermelde bedragen op juiste wijze gehanteerd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBestaat de mogelijkheid om zelf te koken?\n\n5. De rechtbank overweegt eerst dat in artikel 5, tweede lid, van de RooO is bepaald dat indien mogelijk wordt voorzien in de gelegenheid tot het bereiden van maaltijden.\n\n5.1.. Verder volgt uit artikel 10, achtste lid, van de RooO dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn deze zelf te verzorgen.\n\n6. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of in het hotel en de bijbehorende chalets de mogelijkheid bestaat om te koken. De rechtbank volgt het college in diens standpunt dat deze mogelijkheid niet aanwezig is. In de hotelkamers bevinden zich geen kookgelegenheden. In de chalets zijn de kookgelegenheden ontmanteld en de hotelkeuken biedt onvoldoende ruimte voor de bewoners om zelf te koken, omdat vanuit deze keuken de catering voor de bewoners wordt verzorgd. Daarbij is in de huisregels van het hotel in verband met de brandveiligheid duidelijk aangeven dat het verboden is om ergens anders te koken dan op de vaste kooktoestellen in de keukens en is koken op een kooktoestel in de woonruimtes derhalve verboden. Ook in het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid van 14 december 2022, dat is uitgebracht naar aanleiding van een bezoek aan de opvanglocatie op 29 november 2022, is aangegeven dat het niet mogelijk is om zelf te koken. In het rapport wordt vermeld dat er wel mensen zijn die zelf kookplaten of snelkokers hebben gekocht, maar dat in verband met de brandveiligheid is afgesproken dat men deze alleen buiten (op het balkon) gebruikt. De rechtbank maakt hieruit op dat het college het verwarmen dan wel bereiden van voedsel buiten de chalets kennelijk wel tijdelijk heeft toegestaan dan wel gedoogd. Dit maakt echter niet dat het college zich niet deugdelijk op het standpunt heeft gesteld dat op deze opvanglocatie de bewoners niet de mogelijkheid hebben om zelf te koken. Het college heeft deugdelijk onderbouwd dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid en het huidige gebruik van de keuken voor de catering, zelf koken niet mogelijk is.\n\n6.1.. Dat het college hier nog steeds verder onderzoek naar doet en dit onderzoek nog niet is afgerond, doet aan het voorgaande niet af. Dat de catering als een probleem werd ervaren is al tijdens het bezoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid 29 november 2022 naar voren gebracht. Van dit onderzoek, waarin bijvoorbeeld de mogelijkheid om de bestaande keuken van het hotel geschikt te maken voor het gebruik door de bewoners onderzocht zou kunnen worden, zijn nog geen resultaten bekend. Het college heeft desgevraagd aangegeven niet te weten wanneer dit onderzoek zal zijn afgerond en dat is besloten dat in afwachting van de uitkomst de huidige praktijk, dat wil zeggen het niet toestaan van zelf koken en het in rekening brengen van de eigen bijdrage, wordt gevolgd. Deze handelwijze maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk is gemotiveerd.\n\n6.2.. Uit het voorgaande volgt dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet kan worden voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden en dat het college voldoet aan de wettelijke verplichting om zorg te dragen voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.\n\nMocht de gemeente de eigen bijdrage in rekening brengen?\n\n7. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college, met ingang van de eerstvolgende maand, in de opvangvoorziening waarin ontheemden niet zelf het eigen eten verzorgen, een bedrag ter hoogte van de financiële toelage als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk in rekening indien de meerderjarige ontheemde of een meerderjarig gezinslid:\n\na. inkomsten uit arbeid in Nederland of in een ander land heeft en zulks blijkt uit de door de ontheemde opgegeven of van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ontvangen informatie over zijn inkomsten uit arbeid; (…)\n\n8. De rechtbank overweegt dat, indien op een opvanglocatie er voor de bewoners geen mogelijkheid bestaat om zelf te koken, de regelgeving helder is. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college in dat geval een eigen bijdrage in rekening. Tegen de feitelijke berekening van de eigen bijdrage zijn geen gronden ingediend.\n\n8.1.. Eiser heeft voorts gewezen op de situatie in de opvanglocaties in Breda en Amsterdam. Daar wordt volgens eiser de bewoners de keuze gegeven of zij al of niet van de catering gebruik willen maken en wordt die alleen in rekening gebracht als de bewoners daarvoor kiezen en deze daadwerkelijk gebruiken. Eiser geeft aan dat in Breda de afgenomen maaltijden per stuk worden afgerekend door middel van bonnen die bij het locatiemanagement tegen vergoeding van de eigen bijdrage worden ingekocht. De rechtbank is van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen als ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet gekozen is voor een oplossing zoals die waar de gemeenten Breda en Amsterdam toe hebben besloten en waarbij is getracht de bewoners meer maatwerk te verlenen. De rechtbank acht het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is gelet op wat onder rechtsoverweging 8.1 is overwogen gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n9.1.. \n\nEiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op\n\n€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Daarnaast dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 12 juni 2025;\n\n- bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze\n\n uitspraak, een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiser;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. P.C.J. Lindeijer, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Regeling opvang ontheemden Oekraíne.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18591","2026-07-13T00:29:36.747Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":63,"fullText":78,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":50,"updatedAt":80},"1747","ECLI:NL:RBDHA:2026:18592","ecli-nl-rbdha-2026-18592","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F2662\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1] , eiseres,\n\nmede namens haar partner [naam 2] ,\n\nbeiden van Oekraïense nationaliteit\n\n(gemachtigde: mr. L.A. Fischer)\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, college\n\n(gemachtigden: E.J. Olthof en V. Djordjevic).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit van 3 februari 2025 over de eigen bijdrage voor de kosten van de gemeentelijke opvang op grond van de RooO, afgewezen.\n\nEiseres heeft op 29 juli 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Ter zitting zijn verschenen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. Op zitting waren verder een tolk en enkele andere bewoners van de gemeentelijke opvang aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. Bij brief van 16 januari 2025 heeft het college aangekondigd dat bewoners van de gemeentelijke opvang per 1 januari 2025 een bijdrage moeten betalen voor de kosten van de opvang indien zij een inkomen hebben. Daarbij is aangegeven dat het gaat om kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden die worden geserveerd.\n\n2. Bij besluit van 3 februari 2025 heeft het college bepaald dat eiseres en haar partner per 1 januari 2025 een ieder eigen bijdrage moet betalen voor kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden op de opvanglocatie. De eigen bijdrage van eiseres en haar partner wordt op basis van hun inkomensgegeven vastgesteld op € 357,18 per persoon. Hiervan wordt € 105,00 in rekening gebracht voor gas, water en elektriciteit en € 252,18 voor de maaltijden.\n\n2.1.. Op 26 februari 2025 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 februari 2025 voor zover daarin voor de maaltijden een eigen bijdrage is vastgesteld. Zij heeft aangegeven dat ze geen gebruikmaken van de catering en zelf boodschappen zodat ze de maaltijden naar eigen behoeften kunnen samenstellen. Eiseres en haar partner moeten voedsel eten dat ijzertekort tegengaat en rekening houden met fysieke inspanningen en trainingen. Daarbij is eiseres van mening dat er onterecht commerciële belangen spelen nu de catering wordt verzorgd door een externe leverancier. Eiseres stelt voor een betalingssysteem te introduceren op basis van geleverde diensten en de mogelijkheid te creëren om zelf te koken. Dit zal de levenskwaliteit van velen significant verbeteren.\n\n2.2.. Op 19 mei 2025 heeft de commissie bezwaarschriften (commissie) een hoorzitting gehouden. Eiseres en haar partner waren daarbij aanwezig. De commissie heeft het college geadviseerd het besluit van 3 februari 2025 in stand te laten. De commissie wijst erop dat in de landelijke RooO is geregeld dat vanaf 1 juli 2014 volwassen Oekraïense vluchtelingen met eigen inkomsten, een eigen bijdrage moeten betalen, dat gemeenten de RooO moeten uitvoeren en de eigen bijdrage dienen te berekenen. De commissie vindt verder dat het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de RooO. Het college heeft onderzocht en vastgesteld dat eiseres inkomen heeft en dat dit inkomen hoger is dan het geldende drempelbedrag. Vervolgens is bij het bepalen van de eigen bijdrage uitgegaan van een minimuminkomen van 120% van het leefgeld plus de eigen bijdrage en is vastgesteld dat er ten opzichte van het leefgeld een besteedbaar inkomen overblijft dat boven het leefgeld uitkomt. De commissie geeft verder aan dat eiseres geen schriftelijke verklaring van een arts heeft overgelegd over haar medische situatie. De commissie vindt dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden of enig onevenredig nadeel voor eiseres en dat het college het primaire besluit zorgvuldig en op goede gronden heeft genomen.\n\n2.3.. Bij het bestreden besluit van 25 juni 2025 heeft verweerder het advies van de commissie overgenomen en het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.\n\nBeroepsgronden van eiseres\n\n3. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte voor haar en haar partner een eigen bijdrage van € 252,18 in verband met de maaltijden heeft vastgesteld.\n\n3.1.. Eiseres stelt dat zij zelf haar eten verzorgt, geen gebruik maakt van de maaltijden op de opvanglocatie en zelfstandig wil koken omdat de door het college aangeboden maaltijden zijn afgestemd op de Nederlandse smaak, niet zijn toegesneden op de dagelijkse kost van ontheemden uit Oekraïne en niet gezond zijn.\n\n3.2.. Eiseres wijst er daarbij op dat ze niet de enige is en verwijst in dit verband naar een rapport van de Inspectie van Justitie en Veiligheid van 14 december 2022 en een brief van 6 februari 2025 waarin 130 bewoners van de opvanglocatie het college hebben verzocht om zelf koken mogelijk te maken. In deze brief is aangegeven dat voor veel bewoners de maaltijdvoorziening niet geschikt is vanwege medische problemen, allergieën of intoleranties. Daarnaast wordt gewezen op het belang van het kunnen eten volgens de Oekraïense cultuur en aangegeven dat er bewoners zijn die halal willen eten en dat er twijfels zijn over de veiligheid en de kwaliteit van het eten. Deze bewoners vinden het onrechtvaardig dat zij moeten betalen voor catering waar ze geen gebruik van maken. Bij brief van 4 april 2025 heeft het college op deze brief gereageerd en aangegeven dat het college een onderzoek zal instellen naar de mogelijkheid om zelfstandig te koken. Op 29 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiseres namens de bewoners een klacht bij het college ingediend dat de huurovereenkomst inclusief catering voor de duur van een jaar is verlengd, terwijl het onderzoek naar de mogelijkheid om zelf te koken nog niet heeft plaatsgevonden. Op 23 september 2025 heeft het college aangegeven dat het onderzoek nog zal plaatsvinden maar dat op het college geen verplichting rust een keuken te realiseren.\n\n3.3.. Eiseres betoogt dat de wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van een eigen bijdrage ontbreekt, omdat het op de locatie mogelijk is zelf in de maaltijden te voorzien. Eiseres wijst in dit verband op artikel 5, tweede lid, van de RooO waaruit volgens eiseres kan worden afgeleid dat op het college de verplichting rust zo mogelijk te voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden. Eiseres stelt dat dit mogelijk is, omdat de opvanglocatie is gevestigd in een hotel waar keukenvoorzieningen aanwezig zijn. Daarbij wijst eiseres voorts op volgens haar vergelijkbare opvanglocaties in Breda en Amsterdam waar men de keuze heeft om al dan niet gebruik te maken van de catering.\n\n3.4.. Verder betoogt eiseres dat nu zij zelf in haar maaltijden voorziet, artikel 7, vierde lid, RooO geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van de aangeboden maaltijden. Het in rekening brengen van de maaltijden kan volgens eiseres onder deze omstandigheden alleen een privaatrechtelijke grondslag hebben en afhankelijk zijn van het daadwerkelijk afnemen van de geboden diensten. Voor zover verweerder wel bevoegd is een eigen bijdrage op te leggen, voert eiseres aan dat het opleggen daarvan indien van de catering geen gebruik wordt gemaakt onevenredig is en de eigen bijdrage te hoog. De opvang van ontheemden moet volgens eiseres geen verdienmodel worden. Ook voert eiseres aan dat het college zich gezien de onder 3.1. gegeven omstandigheden niet meer op het standpunt kan stellen dat het voor eiseres nog altijd niet mogelijk is om zelf in haar maaltijden te voorzien.\n\nVerweer van het college\n\n4. Het college stelt zich op het standpunt dat de RooO op juiste gronden is toegepast. In artikel 10, achtste lid, van de RooO staat dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn om deze zelf te verzorgen. Het college heeft duidelijk aangegeven dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid het niet is toegestaan op deze locatie te koken. Er is geen kookgelegenheid in de hotelkamers en de chalets. Het college biedt daarom catering aan op de locatie. In de Q&A van de eigen bijdrage staat dat indien op een locatie catering wordt georganiseerd de ontheemde hiervoor een bijdrage dient te betalen ook als er geen gebruik van wordt gemaakt. Wel wordt geadviseerd ontheemden coulant gebruik te laten maken van de catering door bijvoorbeeld lunch of avondeten mee te laten nemen naar het werk. Bij de berekening van de hoogte van de bijdrage heeft verweerder de in artikel 12, derde lid, van de RooO vermelde bedragen op juiste wijze gehanteerd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBestaat de mogelijkheid om zelf te koken?\n\n5. De rechtbank overweegt eerst dat in artikel 5, tweede lid, van de RooO is bepaald dat indien mogelijk wordt voorzien in de gelegenheid tot het bereiden van maaltijden.\n\n5.1.. Verder volgt uit artikel 10, achtste lid, van de RooO dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn deze zelf te verzorgen.\n\n6. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of in het hotel en de bijbehorende chalets de mogelijkheid bestaat om te koken. De rechtbank volgt het college in diens standpunt dat deze mogelijkheid niet aanwezig is. In de hotelkamers bevinden zich geen kookgelegenheden. In de chalets zijn de kookgelegenheden ontmanteld en de hotelkeuken biedt onvoldoende ruimte voor de bewoners om zelf te koken, omdat vanuit deze keuken de catering voor de bewoners wordt verzorgd. Daarbij is in de huisregels van het hotel in verband met de brandveiligheid duidelijk aangeven dat het verboden is om ergens anders te koken dan op de vaste kooktoestellen in de keukens en is koken op een kooktoestel in de woonruimtes derhalve verboden. Ook in het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid van 14 december 2022, dat is uitgebracht naar aanleiding van een bezoek aan de opvanglocatie op 29 november 2022, is aangegeven dat het niet mogelijk is om zelf te koken. In het rapport wordt vermeld dat er wel mensen zijn die zelf kookplaten of snelkokers hebben gekocht, maar dat in verband met de brandveiligheid is afgesproken dat men deze alleen buiten (op het balkon) gebruikt. De rechtbank maakt hieruit op dat het college het verwarmen dan wel bereiden van voedsel buiten de chalets kennelijk wel tijdelijk heeft toegestaan dan wel gedoogd. Dit maakt echter niet dat het college zich niet deugdelijk op het standpunt heeft gesteld dat op deze opvanglocatie de bewoners niet de mogelijkheid hebben om zelf te koken. Het college heeft deugdelijk onderbouwd dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid en het huidige gebruik van de keuken voor de catering, zelf koken niet mogelijk is.\n\n6.1.. Dat het college hier nog steeds verder onderzoek naar doet en dit onderzoek nog niet is afgerond, doet aan het voorgaande niet af. Dat de catering als een probleem werd ervaren is al tijdens het bezoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid 29 november 2022 naar voren gebracht. Van dit onderzoek, waarin bijvoorbeeld de mogelijkheid om de bestaande keuken van het hotel geschikt te maken voor het gebruik door de bewoners onderzocht zou kunnen worden, zijn nog geen resultaten bekend. Het college heeft desgevraagd aangegeven niet te weten wanneer dit onderzoek zal zijn afgerond en dat is besloten dat in afwachting van de uitkomst de huidige praktijk, dat wil zeggen het niet toestaan van zelf koken en het in rekening brengen van de eigen bijdrage, wordt gevolgd. Deze handelwijze maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk is gemotiveerd.\n\n6.2.. Uit het voorgaande volgt dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet kan worden voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden en dat het college voldoet aan de wettelijke verplichting om zorg te dragen voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.\n\nMocht de gemeente de eigen bijdrage in rekening brengen?\n\n7. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college, met ingang van de eerstvolgende maand, in de opvangvoorziening waarin ontheemden niet zelf het eigen eten verzorgen, een bedrag ter hoogte van de financiële toelage als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk in rekening indien de meerderjarige ontheemde of een meerderjarig gezinslid:\n\na. inkomsten uit arbeid in Nederland of in een ander land heeft en zulks blijkt uit de door de ontheemde opgegeven of van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ontvangen informatie over zijn inkomsten uit arbeid; (…)\n\n8. De rechtbank overweegt dat, indien op een opvanglocatie er voor de bewoners geen mogelijkheid bestaat om zelf te koken, de regelgeving helder is. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college in dat geval een eigen bijdrage in rekening. Tegen de feitelijke berekening van de eigen bijdrage zijn geen gronden ingediend.\n\n8.1.. Eiseres heeft voorts gewezen op de situatie in de opvanglocaties in Breda en Amsterdam. Daar wordt volgens eiseres de bewoners de keuze gegeven of zij al of niet van de catering gebruik willen maken en wordt die alleen in rekening gebracht als de bewoners daarvoor kiezen en deze daadwerkelijk gebruiken. Eiseres geeft aan dat in Breda de afgenomen maaltijden per stuk worden afgerekend door middel van bonnen die bij het locatiemanagement tegen vergoeding van de eigen bijdrage worden ingekocht. De rechtbank is van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen als ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet gekozen is voor een oplossing zoals die waar de gemeenten Breda en Amsterdam toe hebben besloten en waarbij is getracht de bewoners meer maatwerk te verlenen. De rechtbank acht het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is gelet op wat onder rechtsoverweging 8.1 is overwogen gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n9.1.. \n\nEiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op\n\n€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Daarnaast dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 25 juni 2025;\n\n- bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze\n\n uitspraak, een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiseres;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. P.C.J. Lindeijer, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Regeling opvang ontheemden Oekraíne.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18592","2026-07-13T00:29:36.786Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":63,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":50,"updatedAt":87},"1742","ECLI:NL:RBDHA:2026:18590","ecli-nl-rbdha-2026-18590","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F1805\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam] , eiser,\n\nvan Oekraïense nationaliteit\n\n(gemachtigde: mr. L.A. Fischer)\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, college\n\n(gemachtigden: E.J. Olthof en V. Djordjevic).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 9 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 4 februari 2025 over de eigen bijdrage voor de kosten van de gemeentelijke opvang op grond van de RooO, afgewezen.\n\nEiser heeft op 22 mei 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Ter zitting zijn verschenen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Op zitting waren verder een tolk en enkele andere bewoners van de gemeentelijke opvang aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. Bij brief van 16 januari 2025 heeft het college aangekondigd dat bewoners van de gemeentelijke opvang per 1 januari 2025 een bijdrage moeten betalen voor de kosten van de opvang indien zij een inkomen hebben. Daarbij is aangegeven dat het gaat om kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden die worden geserveerd.\n\n2. Bij besluit van 4 februari 2025 heeft het college bepaald dat eiser per 1 januari 2025 een eigen bijdrage moet betalen voor kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden op de opvanglocatie. De eigen bijdrage van eiser wordt op basis van zijn inkomensgegeven vastgesteld op € 714,36. Hiervan wordt € 210,00 in rekening gebracht voor gas, water en elektriciteit en € 504,36 voor de maaltijden.\n\n2.1.. Op 5 februari 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 februari 2025 voor zover daarin voor de maaltijden een eigen bijdrage is vastgesteld. Hij heeft aangegeven dat hij al tweeënhalf jaar geen gebruikmaakt van de catering. Hij vindt de maaltijden ongezond en niet passend bij zijn cultuur omdat hij en zijn gezin halal eten. Ook is hij bang dat er via de keukenspullen virussen worden overgebracht.\n\n2.2.. Op 31 maart 2025 heeft de commissie bezwaarschriften (commissie) een hoorzitting gehouden. Eiser en zijn vrouw waren daarbij aanwezig. De commissie heeft het college geadviseerd het besluit van 4 februari 2025 in stand te laten. De commissie wijst erop dat in de landelijke RooO is geregeld dat vanaf 1 juli 2014 volwassen Oekraïense vluchtelingen met eigen inkomsten, een eigen bijdrage moeten betalen, dat gemeenten de RooO moeten uitvoeren en de eigen bijdrage dienen te berekenen. De commissie vindt verder dat het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de RooO. Het college heeft onderzocht en vastgesteld dat eiseres inkomen heeft en dat dit inkomen hoger is dan het geldende drempelbedrag. Vervolgens is bij het bepalen van de eigen bijdrage uitgegaan van een minimuminkomen van 120% van het leefgeld plus de eigen bijdrage en is vastgesteld dat er ten opzichte van het leefgeld een besteedbaar inkomen overblijft dat boven het leefgeld uitkomt. De commissie geeft verder aan dat eiseres geen schriftelijke verklaring van een arts heeft overgelegd over haar medische situatie. De commissie vindt dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden of enig onevenredig nadeel voor eiseres en dat het college het primaire besluit zorgvuldig en op goede gronden heeft genomen.\n\n2.3.. Bij het bestreden besluit van 9 april 2025 heeft verweerder het advies van de commissie overgenomen en het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.\n\nBeroepsgronden van eiseres\n\n3. Eiser voert aan dat het college ten onrechte een eigen bijdrage van € 504,35 in verband met de maaltijden heeft vastgesteld.\n\n3.1.. Eiser stelt dat hij zelf zijn eten verzorgt, geen gebruik maakt van de maaltijden op de opvanglocatie en zelfstandig wil koken omdat de door het college aangeboden maaltijden zijn afgestemd op de Nederlandse smaak, niet zijn toegesneden op de dagelijkse kost van ontheemden uit Oekraïne en niet gezond zijn.\n\n3.2.. Eiser wijst er daarbij op dat hij niet de enige is en verwijst in dit verband naar een rapport van de Inspectie van Justitie en Veiligheid van 14 december 2022 en een brief van 6 februari 2025 waarin 130 bewoners van de opvanglocatie het college hebben verzocht om zelf koken mogelijk te maken. In deze brief is aangegeven dat voor veel bewoners de maaltijdvoorziening niet geschikt is vanwege medische problemen, allergieën of intoleranties. Daarnaast wordt gewezen op het belang van het kunnen eten volgens de Oekraïense cultuur en aangegeven dat er bewoners zijn die halal willen eten en dat er twijfels zijn over de veiligheid en de kwaliteit van het eten. Deze bewoners vinden het onrechtvaardig dat zij moeten betalen voor catering waar ze geen gebruik van maken. Bij brief van 4 april 2025 heeft het college op deze brief gereageerd en aangegeven dat het college een onderzoek zal instellen naar de mogelijkheid om zelfstandig te koken. Op 29 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiser namens de bewoners een klacht bij het college ingediend dat de huurovereenkomst inclusief catering voor de duur van een jaar is verlengd, terwijl het onderzoek naar de mogelijkheid om zelf te koken nog niet heeft plaatsgevonden. Op 23 september 2025 heeft het college aangegeven dat het onderzoek nog zal plaatsvinden maar dat op het college geen verplichting rust een keuken te realiseren.\n\n3.3.. Eiser betoogt dat de wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van een eigen bijdrage ontbreekt, omdat het op de locatie mogelijk is zelf in de maaltijden te voorzien. Eiser wijst in dit verband op artikel 5, tweede lid, van de RooO waaruit volgens eiser kan worden afgeleid dat op het college de verplichting rust zo mogelijk te voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden. Eiser stelt dat dit mogelijk is, omdat de opvanglocatie is gevestigd in een hotel waar keukenvoorzieningen aanwezig zijn. Daarbij wijst eiser voorts op volgens hem vergelijkbare opvanglocaties in Breda en Amsterdam waar men de keuze heeft om al dan niet gebruik te maken van de catering.\n\n3.4.. Verder betoogt eiser dat nu hij zelf in zijn maaltijden voorziet, artikel 7, vierde lid, RooO geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van de aangeboden maaltijden. Het in rekening brengen van de maaltijden kan volgens eiser onder deze omstandigheden alleen een privaatrechtelijke grondslag hebben en afhankelijk zijn van het daadwerkelijk afnemen van de geboden diensten. Voor zover verweerder wel bevoegd is een eigen bijdrage op te leggen, voert eiser aan dat het opleggen daarvan indien van de catering geen gebruik wordt gemaakt onevenredig is en de eigen bijdrage te hoog. De opvang van ontheemden moet volgens eiser geen verdienmodel worden. Ook voert eiser aan dat het college zich gezien de onder 3.1. gegeven omstandigheden niet meer op het standpunt kan stellen dat het voor eiser nog altijd niet mogelijk is om zelf in zijn maaltijden te voorzien.\n\nVerweer van het college\n\n4. Het college stelt zich op het standpunt dat de RooO op juiste gronden is toegepast. In artikel 10, achtste lid, van de RooO staat dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn om deze zelf te verzorgen. Het college heeft duidelijk aangegeven dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid het niet is toegestaan op deze locatie te koken. Er is geen kookgelegenheid in de hotelkamers en de chalets. Het college biedt daarom catering aan op de locatie. In de Q&A van de eigen bijdrage staat dat indien op een locatie catering wordt georganiseerd de ontheemde hiervoor een bijdrage dient te betalen ook als er geen gebruik van wordt gemaakt. Wel wordt geadviseerd ontheemden coulant gebruik te laten maken van de catering door bijvoorbeeld lunch of avondeten mee te laten nemen naar het werk. Bij de berekening van de hoogte van de bijdrage heeft verweerder de in artikel 12, derde lid, van de RooO vermelde bedragen op juiste wijze gehanteerd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBestaat de mogelijkheid om zelf te koken?\n\n5. De rechtbank overweegt eerst dat in artikel 5, tweede lid, van de RooO is bepaald dat indien mogelijk wordt voorzien in de gelegenheid tot het bereiden van maaltijden.\n\n5.1.. Verder volgt uit artikel 10, achtste lid, van de RooO dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn deze zelf te verzorgen.\n\n6. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of in het hotel en de bijbehorende chalets de mogelijkheid bestaat om te koken. De rechtbank volgt het college in diens standpunt dat deze mogelijkheid niet aanwezig is. In de hotelkamers bevinden zich geen kookgelegenheden. In de chalets zijn de kookgelegenheden ontmanteld en de hotelkeuken biedt onvoldoende ruimte voor de bewoners om zelf te koken, omdat vanuit deze keuken de catering voor de bewoners wordt verzorgd. Daarbij is in de huisregels van het hotel in verband met de brandveiligheid duidelijk aangeven dat het verboden is om ergens anders te koken dan op de vaste kooktoestellen in de keukens en is koken op een kooktoestel in de woonruimtes derhalve verboden. Ook in het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid van 14 december 2022, dat is uitgebracht naar aanleiding van een bezoek aan de opvanglocatie op 29 november 2022, is aangegeven dat het niet mogelijk is om zelf te koken. In het rapport wordt vermeld dat er wel mensen zijn die zelf kookplaten of snelkokers hebben gekocht, maar dat in verband met de brandveiligheid is afgesproken dat men deze alleen buiten (op het balkon) gebruikt. De rechtbank maakt hieruit op dat het college het verwarmen dan wel bereiden van voedsel buiten de chalets kennelijk wel tijdelijk heeft toegestaan dan wel gedoogd. Dit maakt echter niet dat het college zich niet deugdelijk op het standpunt heeft gesteld dat op deze opvanglocatie de bewoners niet de mogelijkheid hebben om zelf te koken. Het college heeft deugdelijk onderbouwd dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid en het huidige gebruik van de keuken voor de catering, zelf koken niet mogelijk is.\n\n6.1.. Dat het college hier nog steeds verder onderzoek naar doet en dit onderzoek nog niet is afgerond, doet aan het voorgaande niet af. Dat de catering als een probleem werd ervaren is al tijdens het bezoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid 29 november 2022 naar voren gebracht. Van dit onderzoek, waarin bijvoorbeeld de mogelijkheid om de bestaande keuken van het hotel geschikt te maken voor het gebruik door de bewoners onderzocht zou kunnen worden, zijn nog geen resultaten bekend. Het college heeft desgevraagd aangegeven niet te weten wanneer dit onderzoek zal zijn afgerond en dat is besloten dat in afwachting van de uitkomst de huidige praktijk, dat wil zeggen het niet toestaan van zelf koken en het in rekening brengen van de eigen bijdrage, wordt gevolgd. Deze handelwijze maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk is gemotiveerd.\n\n6.2.. Uit het voorgaande volgt dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet kan worden voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden en dat het college voldoet aan de wettelijke verplichting om zorg te dragen voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.\n\nMocht de gemeente de eigen bijdrage in rekening brengen?\n\n7. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college, met ingang van de eerstvolgende maand, in de opvangvoorziening waarin ontheemden niet zelf het eigen eten verzorgen, een bedrag ter hoogte van de financiële toelage als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk in rekening indien de meerderjarige ontheemde of een meerderjarig gezinslid:\n\na. inkomsten uit arbeid in Nederland of in een ander land heeft en zulks blijkt uit de door de ontheemde opgegeven of van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ontvangen informatie over zijn inkomsten uit arbeid; (…)\n\n8. De rechtbank overweegt dat, indien op een opvanglocatie er voor de bewoners geen mogelijkheid bestaat om zelf te koken, de regelgeving helder is. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college in dat geval een eigen bijdrage in rekening. Tegen de feitelijke berekening van de eigen bijdrage zijn geen gronden ingediend.\n\n8.1.. Eiser heeft voorts gewezen op de situatie in de opvanglocaties in Breda en Amsterdam. Daar wordt volgens eiser de bewoners de keuze gegeven of zij al of niet van de catering gebruik willen maken en wordt die alleen in rekening gebracht als de bewoners daarvoor kiezen en deze daadwerkelijk gebruiken. Eiser geeft aan dat in Breda de afgenomen maaltijden per stuk worden afgerekend door middel van bonnen die bij het locatiemanagement tegen vergoeding van de eigen bijdrage worden ingekocht. De rechtbank is van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen als ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet gekozen is voor een oplossing zoals die waar de gemeenten Breda en Amsterdam toe hebben besloten en waarbij is getracht de bewoners meer maatwerk te verlenen. De rechtbank acht het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is gelet op wat onder rechtsoverweging 8.1 is overwogen gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n9.1.. \n\nEiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op\n\n€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Daarnaast dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 9 april 2025;\n\n- bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze\n\n uitspraak, een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiser;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. P.C.J. Lindeijer, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Regeling opvang ontheemden Oekraíne.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18590","2026-07-13T00:29:36.607Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":43,"courtId":92,"decisionDate":93,"fullText":94,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":50,"updatedAt":97},"1862","ECLI:NL:RBDHA:2026:18027","ecli-nl-rbdha-2026-18027",58,"2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL23.26719, NL24.9160 en NL24.9462.\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn)en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het met deze besluiten niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft beëindigd en per 11 augustus 2025 2025 een terugkeerbesluit aan hem heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. De minister heeft eiser bij besluit van 31 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (NL23.26719). Eiser heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL23.26720). Op 31 januari 2024 heeft de minister het besluit van 31 augustus 2023 ingetrokken. De rechtbank heeft aan eiser op 1 februari 2024 gevraagd of hij het beroep wenst te handhaven. Eiser heeft op dit bericht niet gereageerd.\n\n2.1.. Op 7 februari 2024 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen waarin aan eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Tegen dit terugkeerbesluit is namens eiser beroep ingesteld door twee verschillende gemachtigden. Deze beroepen zijn geregistreerd onder de zaaknummers NL24.9160 en NL24.9462. Daarnaast hebben beide gemachtigden de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder de zaaknummers NL24.9161 en NL24.9463.\n\n2.2.. Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats de verzoeken met zaaknummers NL23.26720 en NL24.9161 toegewezen en bepaald dat eiser moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep. Eiser heeft het verzoek om het treffen voor een voorlopige voorziening met nummer NL24.9463 naar aanleiding van deze uitspraak ingetrokken.\n\n2.3.. Bij besluit van 11 augustus 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en tegen eiser een vervangend terugkeerbesluit uitgevaardigd.\n\n2.4.. De minister heeft bij bericht van 8 april 2026 verweer gevoerd.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten en inleidende opmerkingen\n\n3. Eiser komt uit Marokko. Hij had in Oekraïne een tijdelijk verblijfsrecht op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F382van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 31 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.\n\n4. De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 31 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Bij brief van 24 januari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd.\n\n5. De minister heeft op 7 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eisers met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiser ook beroep ingesteld.\n\n6. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024en 25 april 2024prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van de Richtlijn. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna).Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.\n\n7. De Afdeling heeft in uitspraken van 23 april 2025uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij heeft besloten om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen.Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.\n\nBeroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming\u002Fterugkeerbesluit per 4 september 2023\n\n8. De minister heeft het besluit van 31 augustus 2023 tot beëindiging per 4 september 2023 van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming en tot oplegging van een terugkeerbesluit ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarom is het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2023 niet-ontvankelijk.\n\nHet beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024\n\n9. Het tegen het besluit van 31 augustus 2023 gehandhaafde beroep (NL23.26719) is naar het oordeel van de rechtbank ook gericht tegen het alsnog op 7 februari 2024 genomen terugkeerbesluit. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerder overwogen dat dit naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 genomen terugkeerbesluit op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege bij de beoordeling van dat beroep moet worden betrokken. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit besluit van 7 februari 2024 heeft namelijk een gelijke strekking en is gebaseerd op dezelfde bevoegdheidsgrondslag en feitelijke omstandigheden als het eerdere besluit van 31 augustus 2023 en vertoont daarmee dus een onlosmakelijke samenhang. Die samenhang volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, waarin zowel op de verblijfsbeëindiging per 4 september 2023 als die per 4 maart 2024 wordt ingegaan. Verder heeft het besluit van 7 februari 2024 ook rechtsgevolg, omdat het de reikwijdte van het besluit van 31 augustus 2023 wijzigt. De datum waarop het rechtmatig verblijf van eiser eindigt en het moment waarop een vertrekplicht ontstaat wijzigen. Het tijdsverloop tussen het moment van intrekking van het eerdere terugkeerbesluit (31 januari 2024) en het vervangende terugkeerbesluit van 7 februari 2024 betekent niet dat artikel 6:19 van de Awb niet kan worden toegepast. Het aanmerken van het besluit van 7 februari 2024 als een 6:19-besluit dient ook de proceseconomie: de rechtszoekende kan zijn bezwaren tegen het nieuwe besluit in de al aanhangig gemaakte procedure naar voren brengen en hoeft dus ook geen afzonderlijk rechtsmiddel in te dienen.\n\n9.1.. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit terugkeerbesluit van 7 februari 2024. De minister heeft dit prematuur genomen besluit, als gevolg van het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ingetrokken en aan eiser geen nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat zij toch een procesbelang heeft bij het tegen het besluit van 7 februari 2024 gerichte beroep. Het enkel handhaven van een beroep zodat eiser, gelet op de bevriezingsmaatregel, de rechten horende bij tijdelijke bescherming kan blijven genieten, is daartoe onvoldoende. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\nDe beroepen met zaaknummers NL24.9160 en NL24.9462\n\n10. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat het beroep met zaaknummer NL23.26719 tegen het besluit van 31 augustus 2023 ook betrekking heeft op het nadien genomen besluit van 7 februari 2024 (in zaaknummers NL24.9160 en NL24.9462). Het was dus niet nodig om tegen het besluit van 21 februari 2024 nog afzonderlijk beroep in te stellen. De rechtbank zal daarom geen uitspraak doen op deze beroepen.\n\nBeroep tegen het besluit van 11 augustus 2025\n\nKwalificatie van het besluit van 11 augustus 2025\n\n11. In het besluit van 11 augustus 2025 staat dat de minister het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 intrekt en vervangt door het met dat besluit opgelegde terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit besluit aanmerken als een besluit tot vervanging, als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, van het eerdere terugkeerbesluit. De rechtbank zal hierna de tegen dit besluit aangevoerde beroepsgronden bespreken.\n\nHad de minister een apart beëindigingsbesluit moeten nemen?\n\n12. Eiser betoogt dat de minister een beslissing tot het eindigen van eisers rechtmatige verblijf had moeten nemen, alvorens aan eiser een terugkeerbesluit op te leggen. Daarmee is het terugkeerbesluit volgens eiser prematuur. Eiser wijst op het arrest Kaduna.Daardoor is eiser naar eigen zeggen ten onrechte niet in staat geweest om tegen het beëindigen een zienswijze in te dienen.\n\n12.1.. Het betoog slaagt niet. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024 en dat de betreffende vreemdelingen daarover zijn geïnformeerd. De rechtbank ziet, anders dan eiser in de bewoordingen van punt 135 van het arrest Kaduna geen aanleiding voor het oordeel dat het rechtmatig verblijf op grond van de richtlijn bij beschikking individueel had moeten worden beëindigd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 volgt dat de tijdelijke beschermingvan rechtswegeafloopt op 4 maart 2024.Dat heeft als gevolg dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen over het eindigen van de tijdelijke bescherming.\n\nHad eiser nog rechtmatig verblijf ten tijde van de bevriezingsmaatregel?\n\n13. Eiser betoogt dat de minister heeft miskend dat eiser ten tijde van de bevriezingsmaatregel en de toegekende voorlopige voorziening en de zaken NL23.26720 en NL24.9161 rechtmatig verblijf had tot 5 september 2025 en dat het onderhavige terugkeerbesluit daarom prematuur is genomen.\n\n13.1.. Het betoog slaagt niet. In de uitspraken van 23 april 2025heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiser daarna nog gebruik heeft gemaakt van de rechten van de Richtlijn komt omdat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren als gevolg van de gestelde prejudiciële vragen. Deze bevriezing houdt niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar enkel dat eiser nog feitelijk mag gebruikmaken van de rechten die zij vanwege de tijdelijke bescherming had. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 oktober 2025 bevestigd dat de bevriezingsmaatregel niet maakt dat de minister geen terugkeerbesluit kon nemen.Ook de bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 4 april 2024 toegewezen verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening maken niet dat eiser rechtmatig verblijf heeft totdat op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter heeft immers slechts bepaald dat de betreffende verzoekers (waaronder eiser) worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hen van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op de beroepen. Zoals de minister terecht overweegt, staan de lopende beroepsprocedure en\u002Fof de toegewezen voorlopige voorzieningen niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Eiser heeft procedureel rechtmatig verblijf om de uitkomst van zijn beroepsprocedure te kunnen afwachten.Het terugkeerbesluit is tijdelijk opgeschort. Dit doet niet af aan de vaststelling van illegaal verblijf en dus de bevoegdheid van de minister om een terugkeerbesluit uit te vaardigen.\n\nHeeft de minister voldoende rekening gehouden met de beginselen van het Unierecht en met artikel 8 van het EVRM?\n\n14. Eiser betoogt dat het beëindigen van eisers verblijfsrecht op grond van de Richtlijn in strijd is met het discriminatieverbod en dat het strijdig is met het nuttig effect van de richtlijn nu asielachterstanden juist toenemen. In de beschikking is volgens eiser geen overweging opgenomen over de invloed van het beëindigen van de bescherming van Oekraïense derdelanders voor het nuttig effect van de richtlijn. Volgens eiser kan de minister zich voor het beëindigen van de bescherming niet beroepen op rechtspraak van de Afdeling, maar had hij moeten ingaan op de argumenten van eiser in de zienswijze. Verder heeft de minister volgens eiser ten onrechte niet beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM.\n\n14.1.. Het betoog slaagt niet. De rechtbank wijst met betrekking tot het betoog dat eiser niet heeft kunnen reageren middels een zienswijze allereerst op het onder 12.1 overwogene.\n\n14.1.1.. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat het beëindigen van zijn tijdelijke bescherming in strijd is met het doel en nuttig effect van de richtlijn. Uit het arrest Kadunavolgt dat de intrekking van de facultatieve tijdelijke bescherming geen afbreuk mag doen aan het doel en het nuttig effect van de Richtlijn en daarbij moeten de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het anti-discriminatiebeginsel, in acht worden genomen. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. De minister heeft daarom terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024en de uitspraak van deze zittingsplaats van 28 maart 2024.Eiser heeft overigens niet geconcretiseerd waarom sprake zou zijn van schending van het anti-discriminatiebeginsel.\n\n14.1.2.. Het betoog van eiser dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM slaagt eveneens niet. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de minister bij het opleggen van een terugkeerbesluit naar behoren rekening moet houden met onder meer het privéleven en het familie- en gezinsleven van de betrokken vreemdeling. Uit die rechtspraak volgt verder dat de minister, wanneer hij voornemens is een terugkeerbesluit uit te vaardigen, de vreemdeling de gelegenheid moet bieden alle relevante informatie naar voren te brengen die kan rechtvaardigen dat geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd.In dit geval heeft de minister eiser de gelegenheid gegeven om in zijn zienswijze op het voornemen van 4 juni 2025 dergelijke omstandigheden naar voren te brengen. Eiser heeft echter in de zienswijze, noch in beroep concrete omstandigheden benoemd op grond waarvan hij meent privéleven of familie- of gezinsleven te hebben in Nederland, zodat het betoog alleen om die reden al niet slaagt.\n\nIs de SIS-registratie van eiser onevenredig bezwarend?\n\n15. Eiser betoogt dat er een stigma kleeft aan de SIS-signalering en dat de SIS-signalering had moeten worden opgeschort tot op het moment van uitspraak op het beroep. Verder betoogt eiser dat de minister had moeten ingaan op zijn verzoek tot verwijderen en dat eiser recht heeft op vergoeding van de geleden schade.\n\n15.1.. Het betoog slaagt niet. De minister wijst er terecht op dat artikel 3, eerste lid, van Verordening 2018\u002F1860 dwingend voorschrijft dat hij een signalering in het SIS invoert wanneer hij een terugkeerbesluit uitvaardigt.Daarmee bestaat, mede gezien het onder 13.1 overwogene geen grond voor het oordeel dat de minister de SIS-signalering van eiser gedurende de behandeling van het beroep had moeten opschorten op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 april 2024. Wat er verder ook zij van het betoog van eiser dat de minister desondanks ten onrechte niet heeft beoordeeld of de gevolgen van een SIS-signalering voor hem niet onevenredig zijn, constateert de rechtbank dat eiser geen omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit moet worden afgeleid dat de SIS-signalering in zijn geval onevenredige gevolgen heeft (gehad). Eiser heeft niet concreet gemaakt dat hij daadwerkelijk naar een andere lidstaat wilde afreizen en van plan was zich daar te vestigen. Dat eiser op een andere wijze door de SIS-registratie zou zijn benadeeld, heeft hij eveneens niet onderbouwd. Van enige (reputatie) schade is dan ook niet gebleken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen de terugkeerbesluiten van 31 augustus 2023 en 7 februari 2024. Voor zover het beroep zich richt tegen het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 is het ongegrond. Dat betekent dat het terugkeerbesluit in stand blijft.\n\n16.1.. Omdat de minister de terugkeerbesluiten van 31 augustus 2023 en 7 februari 2024 heeft ingetrokken heeft eiser wel recht op een proceskostenvergoeding.De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868 bestaande uit een punt voor het beroep tegen de ingetrokken besluiten van 7 februari 2024 en 31 augustus 2023 en1 punt voor de aanvullende gronden tegen het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2023 niet-ontvankelijk;\n\n- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;\n\n- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2025 ongegrond;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser ter hoogte van € 1868.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Richtlĳn 2001\u002F55\u002FEG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tĳdelĳke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.\n\n Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.\n\n ABRvS, 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:4394.\n\n ABRvS, 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.\n\n HvJEU 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).\n\n ABRvS, 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.\n\nKamerstukken II2024\u002F25, 19637, nr. 3434.\n\n Rb. Den Haag, zp Amsterdam 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12445.\n\n ECLI:EU:C:2024:1038, punt 135.\n\n Eiser wijst op artikel 79, eerste lid, aanheft en onder d van de Vw 2000.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:32.\n\n De rechtbank wijst op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4375.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5214.\n\n Op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000.\n\n Zie HvJEU 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465 (Gnandi), rechtsoverweging (r.o.) 44 e.v. en ABRvS, 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, r.o. 8 en 9.\n\n ECLI:EU:C:2024:1038.\n\n Onder 10.3\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:4375, onder 15.\n\n Dit volgt uit het arrest van 8 mei 2018, EU:C:2018:308 (K.A. e.a.) punt 102, in samenhang met het arrest van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913 (X) punt 92.\n\n Zie ook ABRvS, 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075 r.o. 6 e.v.\n\n Dit volgt uit artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18027","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.604Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":43,"courtId":102,"decisionDate":103,"fullText":104,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":50,"updatedAt":107},"397","ECLI:NL:RBDHA:2026:13160","ecli-nl-rbdha-2026-13160",63,"2026-01-15T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht\n\nzaaknummers: NL24.6883, NL24.15999\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R.V. Bekker).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiseres op 14 juli 2025 is opgelegd. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.\n\nDe rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Kameroense nationaliteit. In Oekraïne had zij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2\n\n4. Op 15 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft hierna het besluit ingetrokken, waarna eiseres dit beroep heeft ingetrokken.\n\n1. Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.\n\n2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F3822.\n\n5. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister aan haar een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft tegen dit besluit twee keer beroep ingesteld. Op 22 februari 2024, bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer NL24.6883, en op 11 april 2024, bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer NL24.15999.\n\n6. Op 4 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.6884 het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening afgewezen.\n\n7. Op 14 juli 2025 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2025 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan eiseres een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiseres op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken3 en vervangen met het bestreden besluit van 14 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n8. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R. Lacin als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOntvankelijkheid\n\nHet beroep met zaaknummer NL24.6883\n\n9. Het beroep dat is gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege mede betrekking op het besluit van 14 juli 2025. Nu de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep tegen het besluit van 14 juli 2025 zal hieronder inhoudelijk worden beoordeeld.Het beroep met zaaknummer NL24.15999\n\n10. Eiseres heeft opnieuw beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit van\n\n7 februari 2024. Vanwege het al eerder ingediende beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024, is het voor de tweede keer ingediende beroep niet-ontvankelijk.\n\nDe beroepsgronden van eiseres en het oordeel van de rechtbank.\n\nToepassingsbereik van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit en implementatie\n\n11. Eiseres voert in beroep -kort samengevat- aan dat eiseres niet onder de facultatieve bepaling van artikel 7 van de RTB valt, maar onder de groep personen op wie artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit van toepassing is. Volgens eiseres mag de minister\n\n3 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.\n\nniet als vereiste stellen dat zij moet beschikken over een geldige Oekraïense permanente verblijfsvergunning, omdat in andere taalversies van het Uitvoeringsbesluit in artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, dit niet als vereiste is opgenomen. Eiseres stelt dat in de verschillende taalversies uiteenlopend wordt gesproken over ‘legaal verblijf’ versus ‘permanent verblijf’, en verwijst hiervoor ook naar artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit en overweging 13 van de considerans. Eiseres stelt verder dat Nederland artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit in nationale bepalingen heeft geïmplementeerd, zonder eerst duidelijkheid te krijgen over de verschillen tussen de vertalingen. Dit kan niet en daarom is sprake van een onjuiste implementatie. Dit heeft tot gevolg dat de van toepassing zijnde nationale bepaling (lees: artikel 3.9a van het Vreemdelingen Voorschrift (VV)) buiten toepassing moet worden gelaten. Op basis daarvan concludeert eiseres dat voor het terugkeerbesluit van 13 augustus 2025 een wettelijke grondslag ontbreekt. Ter onderbouwing heeft eiseres een beëdigde vertaling van de Zweedse versie van het Uitvoeringsbesluit overgelegd, en een verklaring van een beëindigd vertaler met betrekking tot de Hongaarse versie van het Uitvoeringsbesluit.\n\n12. In artikel 5, derde lid, van de RTB zijn de voorwaarden genoemd waaraan een besluit van de Raad moet voldoen. Het besluit moet onder meer een omschrijving bevatten van de specifieke groepen personen waarop de tijdelijke bescherming betrekking heeft. In artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, is een omschrijving als hier bedoeld opgenomen. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 3.9a van het VV, waarbij vreemdelingen zijn aangewezen voor wie de tijdelijke bescherming van kracht is. Uit artikel 3.9a, eerste lid, aanhef en onder c, van het VV volgt dat een vreemdeling moet beschikken over een permanente verblijfsvergunning.\n\n13. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) kan de in een van de taalversies van een gemeenschapsbepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen. Ook kan één taalversie niet prevaleren boven de andere taalversies.4 Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht. Wanneer er verschillen bestaan tussen de verschillende taalversies van een bepaling van gemeenschapsrecht, moet bij de uitlegging van deze bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt.5\n\n14. De rechtbank stelt vast dat de Zweedse tekst van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit niet afwijkt van die van de Nederlandse tekst, waarin voor het in aanmerking komen van tijdelijke bescherming als vereiste is gesteld dat de vreemdeling over een geldige permanente verblijfsvergunning beschikt. Dat in de considerans van de Zweedse taalversie het woord ‘permanent’ ontbreekt, betekent niet dat dit vereiste niet geldt.\n\n15. In de zienswijze heeft eiseres een vertaling opgenomen van de Hongaarse versie van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. Uit deze vertaling blijkt dat voor tijdelijke bescherming alleen legaal verblijf als vereist is gesteld. In beroep heeft eiseres een verklaring van een beëdigd vertaler overgelegd waarmee zij dit heeft willen bevestigen. De omstandigheid dat er in de overgelegde Hongaarse vertaling van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit ‘het permanent verblijf’ niet als vereiste is opgenomen, vormt een\n\n4 Zie in dit kader bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 12 november 1998, ECLI:EU:C:1998:536.\n\n5 Zie in dit kader het arrest van het Hof van 3 april 2008, ECLI:EU:C:2008:197.\n\nonvoldoende onderbouwing om niet uit te gaan van de andere taalversies van het Uitvoeringsbesluit, waaronder de Nederlandse. In de Nederlandse versie staat dat om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming, sprake moet zijn van legaal verblijf op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning. Deze versie komt overeen met de andere taalversies, zoals die in het Engels, Duits en Frans. Dat sprake moet zijn van een permanente verblijfsvergunning vindt steun in de algemene opzet en doelstelling van het Uitvoeringsbesluit. In overwegingen 12 en 13 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de verplicht en de facultatief beschermde derdelanders, waarbij voor deze laatste groep melding wordt gemaakt van tijdelijke vergunningen voor studie of werk. In de Hongaarse vertaling van de considerans is in overwegingen 12 en 13 eveneens onderscheid gemaakt tussen derdelanders met een permanente en met een tijdelijke verblijfsvergunning, hetgeen er ook op wijst dat onderscheid bestaat tussen deze twee groepen. Dat voor toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit sprake moet zijn van permanent verblijf is ook terug te lezen in het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van 19 december 2024.6\n\n16. Het vorenstaande leidt er toe dat de minister ook niet is gehouden om op grond van artikel 28, vijfde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VEU) de uitvoering de RTB aan de Raad voor te leggen, nu niet kan worden gesproken van ernstige moeilijkheden bij de uitvoering van het Uitvoeringsbesluit. Ook is geen sprake van een gebrekkige of onjuiste implementatie van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit in de Nederlandse wetgeving op grond waarvan artikel 3.9a van het VV buiten toepassing moet worden gelaten. Eiseres valt wel onder artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit en de tijdelijke bescherming is voor eiseres beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet.Privéleven\n\n17. Eiseres voert aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op eerbiediging van haar privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).\n\n18. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven.\n\n19. De rechtbank merkt op dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In dat verband overweegt de rechtbank dat de Terugkeerrichtlijn niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toepastemming van verblijf, en dat aan deze richtlijn geen verblijfsrecht kan worden ontleend.7 Uit deze richtlijn volgt dan ook geen verplichting voor de minister voort om na te gaan of het verblijf van een derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf te geven. In zoverre wijst de minister terecht erop dat wanneer eiseres meent dat zij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op privéleven, zoals dat volgt\n\n6 ECLI:EU:C:2024:1038, overwegingen 87 en 88.\n\n7 ECLI:EU:C:2022:913, overwegingen 84 en 85.\n\nuit artikel 8 van het EVRM, zij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.\n\n20. Hoewel artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn het privéleven niet vermeldt als een van de factoren waarmee rekening moet worden gehouden, volgt uit de punten 88 tot en met 90 van het arrest X van het Hof van 22 november 20228, dat er geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd als daarmee inbreuk zou worden gedaan op het recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.\n\n21. Eiseres heeft op grond van de RTB rechtmatig verblijf gehad. Het enkele gegeven dat zij gedurende dit verblijf in Nederland een privéleven heeft opgebouwd, vormt op zichzelf geen inbreuk op de eerbieding van het privéleven waarin de minister aanleiding had moeten zien om geen terugkeerbesluit op te leggen. Het gaat hier ook om een relatief kort verblijf. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n22. Gelet op het voorgaande kan het terugkeerbesluit stand houden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n23. Het beroep met zaaknummer NL24.6883 is, voor zo ver het ziet op het besluit van 7 februari 2024, niet-ontvankelijk. Het beroep dat mede is gericht tegen het besluit van\n\n14 juli 2025 is ongegrond. Het beroep met zaaknummer NL24.15999 is niet-ontvankelijk.\n\n24. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep dat gericht is tegen het besluit van 7 februari 2024 met zaaknummer NL24.6883, het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank reden om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiseres heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van\n\n€ 934,- en een wegingsfactor 1).\n\n25. Bij uitspraak van 12 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.16000 een voorlopige voorziening getroffen. Deze vervalt doordat uitspraak is gedaan op het beroep van eiseres.\n\n8 ECLI:EU:C:2022:913.\n\nBeslissing\n\nHet beroep met zaaknummer NL24.6883\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;\n\n-verklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van 934,-.\n\nHet beroep met zaaknummer NL24.15999\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n15 januari 2026\n\nMr. B. Fijnheer W.J.T. Twijnstra\n\nRechter Griffier\n\nRechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13160","2026-05-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.752Z",20,[11,110,111],2025,2024]