[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-theft-nl-2026":3},{"detail":4,"years":155},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":153,"page":14,"limit":154},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},107,"theft-nl","Theft","NL","2026-07-08T16:56:56.553Z",2026,[13,16,17,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,2,{"month":15,"count":14},{"month":18,"count":19},3,0,{"month":21,"count":19},4,{"month":23,"count":19},5,{"month":25,"count":21},6,{"month":27,"count":25},7,{"month":29,"count":19},8,{"month":31,"count":19},9,{"month":33,"count":19},10,{"month":35,"count":19},11,{"month":37,"count":19},12,[39,52,61,70,80,87,94,103,111,119,128,137,146],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"568","ECLI:NL:RBAMS:2026:6929","ecli-nl-rbams-2026-6929","",56,"2026-07-08T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeam Strafrecht\n\nParketnummers: 13\u002F297922-25 (zaak A) en 13\u002F262825-25 (zaak B)\n\nParketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13\u002F038698-23, 13\u002F221373-24 en\n\n15\u002F208785-24\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres\n\n [adres 1],\n\nthans gedetineerd te: [detentieadres],\n\nhierna: verdachte.\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. T.H.L. Kneepkens en mr. R.L.M. Meulman, naar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat door en namens de benadeelde partij [benadeelde partij] en zijn advocaat, mr. R.G. van der Laan, naar voren is gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – na een wijziging in zaak A op de zitting van 20 februari 2026 – kort weergegeven - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nzaak A\n\ndiefstal van gouden kettingen van [benadeelde partij] met geweld en bedreiging met geweld in vereniging met een discriminatoir oogmerk op 14 oktober 2025 in Amsterdam\n\nzaak B\n\ndiefstal van geld en sieraden uit een woning door middel van braak op 30 juli 2025 in Amsterdam\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe tenlastelegging is opgenomen in bijlage Ibij dit vonnis.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. Standpunt van het openbaar ministerie\n\nDe officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan, met uitzondering van het tonen van een vuurwapen in zaak A. Daarvoor heeft zij partieel vrijspraak gevorderd. Volgens de officier van justitie kan worden bewezen dat het tenlastegelegde in zaak A bovendien is gevolgd door gedragingen die haat en discriminatie tot uitdrukking brachten.\n\n3.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in zaak A partieel moet worden vrijgesproken van het tonen van een vuurwapen. Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat verdachte in zaak A moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde discriminatie als strafverzwarende omstandigheid, nu verdachte ontkent dat hij ‘kanker koelie” heeft gezegd. Niet is gebleken dat hij zich heeft laten leiden door de afkomst, huidskleur, nationaliteit, godsdienst of enig ander persoonskenmerk van aangever. Voor zaak B heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Oordeel van de rechtbank\n\nPartiële vrijspraak (Zaak A)\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde in zaak A en zaak B is bewezen, met uitzondering van het tonen van een vuurwapen in zaak A. De verklaring van aangever vindt op dit punt geen steun in enig ander bewijsmiddel. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging bevat het dossier onvoldoende bewijs, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.\n\nDiscriminatie (zaak A)\n\nArtikel 44bis Wetboek van strafrecht (Sr) bepaalt dat indien een strafbaar feit wordt gepleegd met een discriminatoir oogmerk (de a-variant) dan wel dat deze wordt voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door discriminerende uitlatingen of gedragingen (de b-variant), er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid.\n\nDe rechtbank zal verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde onderdeel ‘dat het feit wordt begaan met een discriminatoir oogmerk’, nu de uitlatingen van verdachte, hoe verwerpelijk ook, in deze situatie niet zijn geëigend om te spreken van een discriminatoir oogmerk zoals bedoeld in art. 44bis. De rechtbank zal verdachte wel veroordelen voor de zogenaamde ‘b-variant’ en de rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\nVerdachte heeft beseft dat hij – door ‘kanker koelie’ te zeggen – noodzakelijkerwijs haat tegen en discriminatie van een groep mensen – te weten Hindoestanen – tot uitdrukking heeft gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het woord ‘koelie’ – in dit geval kracht bijgezet door daar ‘kanker’ aan toe te voegen – een beledigende en denigrerende term is die voor Hindoestanen zeer kwetsend is. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij weet wat het woord ‘koelie’ betekent en wat de strekking daarvan is. De rechtbank acht dan ook bewezen dat door het gebruik van deze term sprake is van een gedraging die haat tegen en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras tot uitdrukking bracht. Dat uit het dossier niet volgt dat verdachte de straatroof heeft gepleegd met het oogmerk om te discrimineren, maakt immers gelet op de b-variant van artikel 44b Sr voor de strafverzwarende werking niet uit.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage IIvervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat:\n\nzaak A\n\nhij op 14 oktober 2025 te Amsterdam, omstreeks 02:00, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, gouden kettingen, die aan [benadeelde partij] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- één of meerdere malen aan de kettingen van die [benadeelde partij], terwijl voornoemde goederen zich om de nek van [benadeelde partij] bevonden, te trekken en\n\n- die [benadeelde partij] te vegen en\u002Fof op de grond te gooien en\n\n- die [benadeelde partij] te slaan tegen het lichaam\n\nterwijl dit strafbare feit werd gevolgd door een gedraging die haat tegen en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, tot uitdrukking bracht;\n\nzaak B\n\nhij op 30 juli 2025 te Amsterdam, in een woning, te weten de [adres 2], alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en contant geld, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Motivering van de straf en maatregelen\n\n7.1. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Zij heeft verzocht daarbij als bijzondere voorwaarden op te leggen een contactverbod met de medeverdachte en aangever in zaak A.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen dan de eis en aan te sluiten bij de straf die aan de medeverdachte is opgelegd (140 dagen jeugddetentie waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 120 uren).\n\n7.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nErnst van de feiten\n\nIn zaak A heeft verdachte zich ‘s nachts in het centrum van Amsterdam schuldig gemaakt aan het medeplegen van een straatroof. Hij is daarbij zeer berekenend te werk gegaan. Verdachte had het slachtoffer even daarvoor in een restaurant gezien, en nadat zijn vriend contact met het slachtoffer maakte, gezien dat hij twee gouden kettingen droeg. Deze wilde verdachte kennelijk kostte wat kost hebben. Hij heeft hulp ingeschakeld, is het slachtoffer gaan volgen en heeft vervolgens samen met de medeverdachte met geweld de kettingen van de nek van het slachtoffer getrokken waarbij verdachte het slachtoffer heeft gediscrimineerd. Verdachte heeft verklaard dat het niet goed met hem ging, dat hij lachgas gebruikte en geld nodig had, en de volgende dag heeft hij ten minste één van de kettingen verkocht aan een juwelier, die het goud heeft omgesmolten. De kettingen, die voor het slachtoffer van grote emotionele waarde zijn, zijn daarmee voor altijd weg. Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit. Uit de slachtofferverklaring is gebleken dat de straatroof diepe indruk op het slachtoffer heeft gemaakt en dat hij nog altijd de vervelende gevolgen daarvan ondervindt. Daarnaast leiden dit soort straatroven in het algemeen tot onrust en angst in de maatschappij.\n\nIn zaak B heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een woninginbraak, waarbij de deur en het slot zijn beschadigd en contant geld en een grote hoeveelheid sieraden is buitgemaakt. Door zijn handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de eigendom en persoonlijke leefomgeving van anderen. Een woningbraak kan nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woning als bij de buurtbewoners. Verdachte heeft geen enkele rekening gehouden met deze gevolgen en ook bij het plegen van dit feit alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nUit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 januari 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Hierdoor is sprake van recidive. Bovendien liep verdachte tijdens het plegen van de onderhavige feiten in drie proeftijden en hingen hem forse voorwaardelijke gevangenisstraffen boven het hoofd van 4 maanden, 6 weken en 159 dagen. Het is zeer zorgelijk dat zelfs drie voorwaardelijke straffen verdachte er niet van hebben kunnen weerhouden gewelds- en vermogensdelicten te plegen.\n\nVerder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten waaronder de rapporten van 26 mei 2026 en 3 februari 2026. Hierin wordt onder meer gerapporteerd dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Verdachte kent een uitgebreid reclasseringsverleden en staat sinds mei 2023 onder toezicht van de reclassering. Vanuit de reclassering is hij sterk ingebed in hulpverlening. Er is bewindvoering opgestart en hij heeft een zelfstandige woning bij [zorginstelling] gekregen. Vanuit de gemeente wordt hij begeleid om bestendige dagbesteding te vinden. Na de recidive in 2024 heeft hij een behandeling bij Inforsa succesvol afgerond. Kortom, op vrijwel alle leefgebieden is (forensische) hulpverlening betrokken geweest. Desondanks heeft dit hem er niet van weerhouden opnieuw te recidiveren en lijkt het zich wenden tot delictgedrag een keus. De reclassering ziet geen mogelijkheden meer om met interventies en toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert dan ook oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden, opheffing van de voorwaardelijke kaders en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen.\n\nTot slot stelt de reclassering dat de bekennende houding ten aanzien van de feiten de criminogene houding van verdachte niet verandert. Hij lijkt zichzelf onverminderd als slachtoffer van de situatie te zien en zegt dat zijn daadwerkelijke persoonlijkheid afwijkt van de persoon die uit zijn strafblad en daden naar voren komt. Hiermee toont hij wat betreft de reclassering weinig daderbewustzijn. [reclasseringsmedewerker], reclasseringswerker, is ter zitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard niet tot een ander advies leidt.\n\nDe straf\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die strafrechters in Nederland hanteren en die voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden als vertrekpunt vermelden. Voor woninginbraak geldt bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden als vertrekpunt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd en de persoon van verdachte uitsluitend strafverzwarende omstandigheden zijn gelegen. Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank bovendien geen aanleiding om een gedeelte van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Om die reden zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan is geëist en aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee jaar.\n\n8. Beslag\n\nOnder verdachte zijn vier flessen lachgas en een telefoon in beslaggenomen.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de flessen lachgas moeten worden onttrokken aan het verkeer en dat de telefoon aan verdachte kan worden teruggegeven.\n\nDe flessen lachgas die aan verdachte toebehoren dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf in zaak A en verdachte heeft verklaard dat hij dit strafbare feit heeft gepleegd omdat hij geld nodig had voor lachgas, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.\n\nDe rechtbank zal bepalen dat de telefoon aan verdachte moet worden teruggegeven.\n\n9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel in zaak A\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een vergoeding van materiële schade van primair € 29.535,99 (vervangingswaarde van de twee gouden kettingen), subsidiair € 14.366,- (intrinsieke goudwaarde) en meer subsidiair € 5.433,- (beleenwaarde). Aan vergoeding van immateriële schade vordert hij een bedrag van € 7.500,-.\n\n9.1. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair gevorderde bedrag aan materiële en immateriële schade geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n9.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft voor de materiële schade bepleit dat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Voor de immateriële schade heeft de verdediging, onder verwijzing naar jurisprudentie en het vonnis van de medeverdachte, bepleit dat het bedrag moet worden gematigd tot € 2.500,-.\n\n9.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.\n\nMateriële schade\n\nHet primair gevorderde bedrag aan vergoeding van materiële schade betreft de vervangingswaarde van de twee gouden kettingen. De benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat de totale kosten voor het opnieuw vervaardigen van de twee kettingen € 29.535,99 bedraagt. Deze begroting is gebaseerd op 22 karaat goud, een totaalgewicht van 136,4 gram, de actuele consumentenprijs van goud, een maakloon van 16,67 % en commerciële opslagen inclusief lokale BTW. De rechtbank is van oordeel dat de vervangingswaarde door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist en daarmee vaststaat.\n\nDe rechtbank is voorts van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat verdachte twee met de hand gemaakte gouden koningskettingen heeft weggenomen, die de benadeelde partij van zijn moeder heeft geërfd en dus van grote emotionele waarde zijn. Van ten minste één ketting is bekend dat een juwelier het goud heeft omgesmolten. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het redelijk en billijk is om de geleden en te vergoeden materiële schade te begroten aan de hand van de vervangingswaarde. De rechtbank zal daarom het gevorderde bedrag van € 29.535,99 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nImmateriële schade\n\nOp grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en hierdoor in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen, waarvoor de behandeling minimaal een jaar zal duren. Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, deel B Geestelijk letsel, 14.2 PTSS, onder d. Zij stelt de vergoeding naar billijkheid vast op € 5.000,-, zodat dit bedrag – vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2025– zal worden toegewezen. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.\n\nHoofdelijkheid\n\nVerdachte wordt hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade omdat verdachte het feit samen met anderen\u002Feen ander heeft gepleegd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nIn het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.\n\n10. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen\n\nDe officier van justitie vordert tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen die zijn opgelegd in de zaken met parketnummers 13\u002F038698-23, 13\u002F221373-24 en 15\u002F208785-24. De vorderingen zijn op 15 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.\n\nDe zaak met parketnummer 13\u002F038698-23 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 5 april 2023 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bij vonnis van de politierechter Noord-Holland van 9 juli 2024 is de proeftijd met één jaar verlengd. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2024 zijn van de opgelegde 6 maanden 60 dagen tenuitvoer gelegd, zodat thans 4 maanden resteren.\n\nDe zaak met parketnummer 13\u002F221373-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 25 oktober 2024 van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 159 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe zaak met parketnummer 15\u002F208785-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 9 juli 2024 van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nIn voornoemde vonnissen is bepaald dat het deel van de straf dat voorwaardelijk is opgelegd niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wist dat hij in deze zaken tot de betreffende voorwaardelijke straffen is veroordeeld.\n\nGebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke strafdelen te bevelen.\n\n11. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 44bis, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n12. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nzaak A\n\ndiefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl deze diefstal gevolgd werd door een gedraging die haat en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras tot uitdrukking bracht.\n\nzaak B\n\ndiefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan 2 (twee) jaar.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nVerklaart onttrokken aan het verkeer:\n\n4 STK Verdovende Middelen (goednummer G6732982).\n\nGelast de teruggave aan [verdachte] van:\n\n1 STK Telefoontoestel (goednummer G6732971)\n\nWijst de vorderingvan de benadeelde partij [benadeelde partij]gedeeltelijk toetot een bedrag van € 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 oktober 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVoormeld bedrag bestaat voor € 29.535,99 (negenentwintigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent) uit materiële schade en voor € 5.000,- (vijfduizend euro) uit immateriële schade.\n\nVeroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij], aan de Staat€ 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 173 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte en\u002Fof een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van het restant van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 5 april 2023 (parketnummer 13\u002F038698-23) namelijk 4 (vier) maanden gevangenisstraf.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 25 oktober 2024 (parketnummer 13\u002F221373-24) namelijk 159 (honderdnegenenvijftig) dagen gevangenisstraf.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 9 juli 2024 (parketnummer 15\u002F208785-24) , namelijk 6 (zes) weken gevangenisstraf.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M.C. Danel, voorzitter,\n\nmrs. E.G. Fels en G. Oldekamp rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.\n\n […]","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6929","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:37.130Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"1221","ECLI:NL:RBROT:2026:8067","ecli-nl-rbrot-2026-8067",61,"2026-07-07T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10\u002F073695-26, 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 (gevoegd ter terechtzitting)\n\nParketnummers vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , [detentieafdeling] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.R. de Kok\n\nOfficier van justitie: mr. R.J.E. Planken\n\nBenadeelde partij: [benadeelde]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten, vernieling en het overtreden van een gedragsaanwijzing. Omdat de vernieling niet aan de verdachte is toe te rekenen, wordt hij ten aanzien daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging. De overige feiten worden de verdachte in verminderde mate toegerekend. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden. De vorderingen tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1\n\nhij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en\u002Fof gleuf van de\n\npinautomaat te grissen en\u002Fof weg te pakken en\u002Fof zich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en\u002Fof zich los te rukken.\n\n2\n\nhij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval\n\nenig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan de Albert Heijn (vestiging [adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft\n\nweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en\u002Fof\n\n- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en\u002Fof rukken.\n\n3\n\nhij op of omstreeks 10 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft weggenomen met het\n\noogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] te grissen en\u002Fof trekken\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nhij op of omstreeks 29 december 2025 te Rotterdam,\n\nopzettelijk en wederrechtelijk\n\neen of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een\n\nander, te weten aan [slachtoffer 4] en\u002Fof Woningstichting Woonstad Rotterdam,\n\ntoebehoorde\n\nheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nhij op of omstreeks 8 januari 2026 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel\n\n509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de\n\ngedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te\n\nRotterdam\n\ndoor kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:\n\n- zich niet zal ophouden in\u002Fop\u002Frond de Josephstraat 52 te Rotterdam en\n\n- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 2] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,\n\n [naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,\n\n [naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,\n\n [naam 4] , geboren [geboortedatum 6] 2008,\n\ndoor zich op te houden in\u002Fop\u002Frond de [adres 3] en\u002Fof contact op te nemen\n\nmet die [naam 4] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten. Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10\u002F073695-26 heeft zij vrijspraak gevorderd voor het bestanddeel geweld.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 10\u002F073695-26 en de feiten onder parketnummers 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 heeft de verdediging aangevoerd dat het bestanddeel geweld niet kan worden bewezen en daarvoor vrijspraak bepleit.\n\n2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nDe volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten onder parketnummers 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven. Ook ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10\u002F073695-26 wordt volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\nFeit 2\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 1] (pagina’s 40 en 41 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangever [naam 5] ;\n\nHet proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 2] (pagina’s 1 en 2 van het aanvullend proces-verbaal behorende bij het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisant [naam 6] .\n\nParketnummer 10\u002F008304-26\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 3] , (pagina’s 9 en 10 van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisanten [naam 7] en [naam 8] of één van hen;\n\nEen ander geschrift, te weten een gedragsaanwijzing in de zaak met parketnummer 10\u002F353396-25.\n\nParketnummer 10\u002F353396-25\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 4] , (pagina’s 7 en 8 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangeefster [slachtoffer 4] .\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 en feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\nFeit 1\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 9 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 50 euro gepakt uit de gleuf van een geldautomaat terwijl dat geld van iemand anders was.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 9 maart 2026, omstreeks 08:30 uur bevond ik mij op het Binnenwegplein 6A te Rotterdam. Ik liep bij de Geldmaat naar binnen. Ik stond bij de pinautomaat en ik wilde 100 euro contant storten op mijn bankrekening. Ik voelde en zag ineens achter mij een man. Ik zag dat de man zijn hand bij de gleuf van de pinautomaat hield, om mijn contante geld te pakken. Ik draaide mij om en ik pakte de man bij zijn jas vast. De man probeerde naar de uitgang te lopen. Dit is de man uiteindelijk gelukt. De man heeft uiteindelijk 50 euro contant bij zich kunnen houden.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 9 maart 2026, omstreeks 08.29 uur, vond er bij de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam een diefstal plaats. Van de diefstal zijn camerabeelden aanwezig van Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam. De camerabeelden voor de diefstal op 9 maart 2026 betreffen camerabeelden op de datum van 9 maart 2026 tussen de tijdstippen 08.15 uur en 08.45 uur.\n\nBestandnaam stream 3:\n\n(..)\n\n08.30: Ik zie dat de persoon zijn zwarte rugtas op zijn borst draagt en naar de vrouw bij de geldautomaat kijkt. Ik zie dat de persoon naast haar gaat staan bij de geldautomaat. Ik zie dat de persoon veel om zich heen kijkt. Ik zie dat de persoon een snelle beweging naar de vrouw maakt bij de geldautomaat. Ik zie dat de man naar het geld grijpt uit de geldautomaat waar de vrouw bij staat. Ik zie dat de vrouw de persoon tegen wil houden. Ik zie dat de persoon zich verzet en zich losrukt en vervolgens de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam uitrent. Ik zie dat de vrouw verbaasd om zich heen kijkt en vervolgens weer verder achter de persoon loopt die weggerend is.\n\nFeit 3\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 10 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 100 euro gepakt uit de handen van een mevrouw die daar net geld had gepind.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 10 maart 2026 omstreeks 09:45 uur, stond ik binnen bij de geldautomaat welke is gevestigd op het Binnenwegplein 6A Rotterdam. Ik had mijn bankpas in de automaat gestopt. Ik voerde mijn pincode in en drukte op 100 euro en koos voor twee biljetten van 50 euro. Ik zag dat er twee biljetten van 50 euro uit de automaat kwam. Ik haalde de biljetten eruit en begon de biljetten te vouwen. Terwijl ik aan het vouwen was met mijn beide handen draaide ik mij om richting de uitgang omdat ik naar buiten wilde lopen. Ik zag opeens dat de twee biljetten welke ik net had gevouwen uit mijn handen werd getrokken. Ik tilde mijn hoofd op en ik zag dat er een jongen tegenover mij stond. Ik zag dat de dader zich omdraaide en naar buiten rende.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 10 maart 2026, om 09.44 uur, vond er een diefstal met geweld plaats bij de Geldmaat op het Binnenwegplein. Van de diefstal met geweld zijn camerabeelden aanwezig.\n\nIk, verbalisant, zag op stream 4 het volgende: Ik zag dat er een vrouw de ruimte inliep. Ik zag dat zij door de ingang liep om 09.43 uur in de richting van de automaten.\n\nIk, verbalisant, herkende haar door het signalement uit de aangifte als: [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 7] -1980 te [geboorteplaats 2] .\n\nIk zag dat er een man de ruimte inliep. Ik zag dat hij door de ingang liep om 09.44 uur in de richting van de automaten.\n\n Ik, verbalisant, herkende deze man onmiddellijk als zijnde aangehouden verdachte: [verdachte] , geboren op [verdachte] -2005 te [geboorteplaats 1] .\n\nIk zag [slachtoffer 3] om 09.43 uur in beeld komen. Ik zag dat [slachtoffer 3] vanaf de ingang naar een automaat liep. Ik zag dat ze een pas in de automaat stopte. Ik zag om 09.44 dat [voornaam verdachte] vanaf de ingang naar binnen liep. Ik zag dat [slachtoffer 3] met haar rechterhand iets uit de automaat pakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] linksachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan. Ik zag dat [slachtoffer 3] iets uit de automaat pakte dat leek op biljetten en deze met beide handen vastpakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich verplaatste en rechtsachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan en tegelijk nog steeds constant naar [slachtoffer 3] keek. Ik zag dat [slachtoffer 3] zich rechtsom wegdraaide van de automaat. Ik zag dat [voornaam verdachte] met veel kracht met 2 handen iets uit [slachtoffer 3] haar handen pakte. Ik zag dat hierdoor [slachtoffer 3] een stukje werd meegetrokken. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich met de biljetten in zijn hand omdraaide en wegrende naar de uitgang. Ik zag dat [slachtoffer 3] achter [voornaam verdachte] aanrende.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank is gelet op de inhoud van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte bij feit 1 en feit 3 ook geweld heeft gebruikt bij de diefstal. In geval van feit 1 bestond het geweld uit het weggrissen van het geld en het zich lostrekken uit de greep van de aangeefster. In geval van feit 3 bestond het geweld uit het (met kracht) trekken van het geld uit de handen van de aangeefster waardoor deze een stukje werd meegetrokken. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het gebruiken van geweld bij het plegen van feit 2.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1\n\nhij op of omstreeks9 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan,vergezeld en\u002Fofgevolgd van gewelden\u002Fof\n\nbedreiging met geweldtegen die [slachtoffer 1] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fofgemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fofom, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en\u002Fofgleuf van de\n\npinautomaat te grissen en\u002Fofweg te pakken en\u002Fofzich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en\u002Fofzich los te rukken.\n\n2\n\nhij op of omstreeks9 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval\n\nenig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan de Albert Heijn (vestiging\n\n [adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft\n\nweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en\u002Fof\n\n- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en\u002Fof rukken.\n\n3\n\nhij op of omstreeks10 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeft weggenomen met het\n\noogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan,vergezelden\u002Fof gevolgdvan gewelden\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fofgemakkelijk te maken,en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door voornoemd geldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] tegrissen en\u002Foftrekken\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nhij op of omstreeks29 december 2025 te Rotterdam,\n\nopzettelijk en wederrechtelijk\n\neen ofmeerdere ruiten,in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een\n\nander, te weten aan [slachtoffer 4] en\u002Fof Woningstichting Woonstad Rotterdam, toebehoorden\n\nheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nhij op of omstreeks8 januari 2026 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te Rotterdam\n\ndoorkort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:\n\n- zich niet zal ophouden in\u002Fop\u002Frond de Josephstraat 52 te Rotterdam en\n\n- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 1] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,\n\n [naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,\n\n [naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,\n\n [naam 4] , geboren [geboortedatum 1] 2008,\n\ndoor zich op te houden in\u002Fop\u002Frond de [adres 3] en\u002Fofcontact op te nemen\n\nmet die [naam 4] .3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1. diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;\n\n2. diefstal;\n\n3. diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nopzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.3.3.. \n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is onderzocht door psychiater [naam 9] . Uit zijn rapport van 15 mei 2026 volgt dat bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis met gehoorhallucinaties en achtervolgingswaandenkbeelden, een stoornis in het gebruik van cannabis en zwakbegaafdheid dan wel een licht verstandelijke beperking. Ten tijde van de feiten waren deze stoornissen aanwezig. Ten aanzien van de vernieling (parketnummer 10\u002F008304-25) overweegt de psychiater dat de verdachte door waandenkbeelden ervan overtuigd was dat zijn zussen en moeder werden aangevallen en dat de verdachte hen wilde beschermen door de ruiten in te gooien. De psychiater adviseert daarom dit feit bij een bewezenverklaring in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen. Met betrekking tot de overige feiten kan aan de ene kant een materieel motief in overweging worden genomen en anderzijds de floride psychotische ziekteverschijnselen van de verdachte, met affectieve en cognitieve beperkingen, ook van zijn vermogen tot oordeel en kritiek. De psychiater adviseert bij een bewezenverklaring deze feiten in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte.\n\nDe rechtbank verenigt zich met bovenstaande conclusies van de psychiater en neemt deze over. De vernieling kan daarom niet aan de verdachte worden toegerekend. Dat betekent dat de verdachte voor dat feit niet strafbaar is en dat hij daarvoor zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van de overige feiten is de rechtbank van oordeel dat deze feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De verdachte is echter wel strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid volledig uitsluiten. De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de verminderde mate van toerekenbaarheid.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. De verdediging is van mening dat de verdachte al langer in voorarrest heeft gezeten dan de straf die moet worden opgelegd, maar de verdediging vindt het belangrijker dat de verdachte niet op straat wordt gezet zonder hulp.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten. Ten eerste heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een gedragsaanwijzing die de verdachte was opgelegd. Daarmee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de personen ten aanzien van wie het contact- en locatieverbod was opgelegd. Daarnaast heeft de verdachte zich in twee dagen tijd schuldig gemaakt aan drie vermogensdelicten, te weten twee diefstallen met geweld en een winkeldiefstal. Dergelijke diefstallen zorgen voor gevoelens van angst en onrust bij de slachtoffers en in de samenleving. Met zijn handelen heeft de verdachte laten zien dat hij de lichamelijke integriteit en het eigendom van anderen niet respecteert.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer een vermogensdelict.\n\nPro Justitia rapport en reclasseringsadvies\n\nUit het rapport van de psychiater dat hiervoor is besproken volgt dat bij de verdachte sprake is van meerdere stoornissen. De psychiater acht het van belang dat de verdachte hiervoor wordt behandeld. De verdachte dient aanvankelijk klinisch te worden behandeld in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) voor zijn psychotische stoornis. Aansluitend dient resocialisatie plaats te vinden via beschermd of begeleid wonen en ambulante nazorg onder toezicht van de reclassering. Dit dient vormgegeven te worden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel naast de eerder afgegeven zorgmachtiging.\n\nUit het reclasseringsadvies van Leger des Heils van 15 juni 2026 volgt dat de reclassering op vrijwel alle leefgebieden van de verdachte problemen ziet. De psychische problematiek van de verdachte is het meest prominent aanwezig en behoeft direct behandeling in een klinische vorm. Het vanaf januari 2025 lopende toezicht bij de reclassering heeft niet geleid tot verbetering van de situatie van de verdachte. De opname die in de afgegeven zorgmachtiging is opgenomen, wordt als niet toereikend geacht. Tevens wordt de verdachte bij elke instelling waar hij is aangemeld afgewezen, omdat zij niet de passende hulp kunnen bieden bij de aanwezige problematiek. Een klinische opname wordt als enige haalbare mogelijkheid gezien. Vanwege de reeds lopende zorgmachtiging kan de FPK waar de verdachte is aangemeld hem op dit moment niet opnemen. Zij hebben de verdachte op een wachtlijst geplaatst. Daarna kunnen zij de verdachte wel opnemen in de kliniek. Derhalve acht de reclassering het van belang dat de verdachte in detentie zal verblijven tot de zorgmachtiging is afgelopen. De zorgmachtiging loopt tot 2 september 2026. De reclassering adviseert het volwassenstrafrecht toe te passen en om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.4.3.3.. Oplegging straf\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast. De rechtbank ziet gelet op de persoon van de verdachte en de uitgebrachte rapportages hiertoe geen aanleiding.\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het\n\nbepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die\n\nin soortgelijke zaken zijn opgelegd, het strafblad van de verdachte en het gegeven dat de feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Ook is rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie aan de hoge kant is. Aan de verdachte wordt daarom een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest,\n\nwaarvan 3 maanden voorwaardelijk, opgelegd. De rechtbank verbindt aan de\n\nvoorwaardelijke straf een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden die de\n\nreclassering heeft geadviseerd. De voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden zijn\n\nbedoeld om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 100,- dat in beslag is genomen in de zaak met parketnummer 10\u002F073695-26 aan de rechthebbende moet worden teruggegeven.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [slachtoffer 3] .6. Vordering van de benadeelde partij6.1.. \n\nVordering [benadeelde]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 € 100,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.6.2.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nUit hetgeen hiervoor onder hoofdstuk 5 is overwogen, volgt dat het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan de benadeelde partij zal worden teruggeven. Daarmee is er niet langer sprake van de door artikel 361 Wetboek van Strafvordering vereiste rechtstreekse schade, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.\n\n6.3.. \n\nProceskosten\n\nDe rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.7. Vordering tot tenuitvoerlegging7.1.. \n\nVordering\n\nParketnummer 10\u002F329152-22\n\nDe officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 77 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.\n\nParketnummer 10\u002F201224-24\n\nDe officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 13 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden dat de verdachte mee zou werken aan een behandelverplichting en zich zou inzetten voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald wek en\u002Fof vrijetijdsbesteding.7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen en dat de in de zaken met parketnummers 10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24 gesteldevoorwaarden moeten worden gewijzigd naar de voorwaarden die in dit vonnis worden opgelegd.7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat de vorderingen moeten worden afgewezen.7.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd en door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de onder parketnummer 10\u002F329152-22 gestelde voorwaarde geen strafbare feiten te plegen. Blijkens het advies van 4 november 2025 van de reclassering heeft de verdachte zich onvoldoende gehouden aan meerdere bijzondere voorwaarden die hem waren opgelegd.\n\nDe rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, omdat zij dit niet opportuun acht gezien de op te leggen straf en het daarnaast in het belang van de verdachte is dat hij zo snel mogelijk behandeling ondergaat. De vorderingen worden dus afgewezen. Wel zullen de voorwaarden worden gewijzigd, omdat in dit vonnis ook voorwaarden aan de verdachte worden opgelegd en het in het belang van de verdachte is dat de voorwaarden die zijn verbonden aan de drie vonnissen gelijkluidend zijn.\n\nDe voorwaarden opgelegd in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 worden gewijzigd, namelijk zoals hieronder omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel.8. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 184a, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.9. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummers 10\u002F073695-26, 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 10\u002F353396-25 niet strafbaar en ontslaat de verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging;\n\nverklaart de verdachte ten aanzien van de andere strafbare feiten strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 3 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar,waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\nde verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;\n\nde verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door De Woenselse Poort of een soortgelijke Forensische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op behandeling van de psychotische stoornis, de stoornis in het gebruik van cannabis, ondersteuning ten aanzien van zwakbegaafdheid en in het herstellen van de relatie met zijn ouders en zus. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\nde verdachte zich aansluitend aan de klinische opname, gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en ondersteuning op praktische leefgebieden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\nde verdachte aansluitend op de klinische opname, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader door de reclassering te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\nde verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\nde verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\nde verdachte spant zich na de klinische opname in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n- beveelt de teruggave van een geldbedrag van € 100,- aan de rechthebbende;\n\nTenuitvoerlegging voorwaardelijke straffen (parketnummers10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24)\n\nwijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen;\n\nwijzigt de voorwaarden verbonden aan deze vonnissen, als volgt, namelijk zoals hierboven omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel;\n\nVordering benadeelde partij\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26);\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.\n\n10. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer]\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 1] van 9 maart 2026, pagina’s 9 tot en met 12.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 34 tot en met 36.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte van 10 maart 2026, pagina’s 16 tot en met 18.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 29 tot en met 31.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8067","2026-07-13T00:29:10.777Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":50,"updatedAt":69},"1050","ECLI:NL:RBAMS:2026:6866","ecli-nl-rbams-2026-6866","2026-07-03T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummers: 13-325519-25 (zaak A), 13-336791-25 (zaak B) en 13-340138-25 (zaak C)\n\n(ter terechtzitting gevoegd)\n\nDatum uitspraak: 3 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [de verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1994,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:\n\n [BRP-adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd op de terechtzitting van 13 maart 2026. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\nmr. C. Nij Bijvank, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Schouten, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nzaak A\n\nbelaging van [slachtoffer 1] in de periode van 17 november 2025 tot en met 29 november 2025 in Amsterdam;\n\nzaak B\n\ndiefstal van winkelgoederen bij de Albert Heijn op 9 december 2025 in Amsterdam;\n\nzaak C\n\nvernieling van een vlinderstruik van [slachtoffer 2] op 12 december 2025 in Hilversum.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. \n\nHet standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten\n\nlaste gelegde feiten.\n\n3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde belaging heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat er geen sprake is van belaging in de zin van artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van de ten laste gelegde diefstal en vernieling heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nZaak A\n\nDe rechtbank stelt – voor zover hier relevant – voorop dat van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht sprake is als een verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander. Stelselmatig betekent met een bepaalde intensiteit, duur en\u002Fof frequentie (Kamerstukken II 1997\u002F98, 25768, p. 17). Van belang zijn daarnaast de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1557, NJ 2025\u002F302). Niet is vereist dat de belaging ononderbroken of gedurende de gehele periode plaatsvindt en evenmin dat iedere gedraging op zichzelf wederrechtelijk is. Het komt aan op het totaalbeeld dat uit de verschillende gedragingen naar voren komt.\n\nDe rechtbank stelt op basis van de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] vast dat verdachte zich vanaf november 2025 jaloers en bezitterig tegen aangeefster, die zijn programmabegeleider was bij het COA, is gaan gedragen. Zo heeft hij tegen collega’s van [slachtoffer 1] en tegen medebewoners gezegd dat [slachtoffer 1] en hij zouden gaan trouwen. Ook werd verdachte boos en jaloers als [slachtoffer 1] met mannelijke medebewoners praatte. [slachtoffer 1] heeft verdachte meermaals gezegd dat hij hiermee moest stoppen en dat hun contact enkel werk-gerelateerd was. Bij zo’n gesprek op 20 november 2025 was ook getuige [getuige 1] aanwezig die zag dat verdachte in reactie hierop een flauwe glimlach vertoonde en hoorde dat hij zei dat hij een toekomst met haar wilde. Dat [slachtoffer 1] geen relatie met hem wilde leek niet tot hem door te dringen.\n\nVerdachte bleef zich ondanks verzoeken van aangeefster te stoppen met zijn gedrag op dezelfde wijze richting [slachtoffer 1] gedragen. Op 21 november 2025 is verdachte overgeplaatst naar een COA-locatie in [plaats 1] en heeft hij een locatieverbod gekregen voor de ‘[naam COA-locatie]’, de COA-locatie in [plaats 2] , alwaar aangeefster werkzaam is. Verdachte is op 24, 25, 28 en 29 november 2025, ondanks het locatieverbod, bij [naam COA-locatie] langs geweest. Op 28 november 2025 is door de politie een stopgesprek met verdachte gevoerd. Wat betreft de invloed van verdachtes gedrag op het persoonlijk leven van aangeefster heeft de politie geverbaliseerd dat [slachtoffer 1] tijdens de aangifte zeer geëmotioneerd was en huilde, en dat zij vertelde dat ze bang was als ze in de omgeving van haar werk was dat verdachte ineens weer voor haar zou staan.\n\nUit de gedragingen van verdachte komt naar voren dat hij op indringende en intensieve wijze heeft geprobeerd met [slachtoffer 1] in contact te komen. Het moet voor verdachte duidelijk zijn geweest dat aangeefster geen contact met hem wilde hebben. Dit heeft [slachtoffer 1] meermalen uitdrukkelijk tegen verdachte gezegd. Bovendien is hij op 21 november 2025 overgeplaatst naar [plaats 1] en is hem daarbij verboden zich in de omgeving van [naam COA-locatie] te begeven. Zelfs het stopgesprek wat de politie op 28 november 2025 met verdachte heeft gevoerd heeft hem niet weerhouden de volgende dag wederom [naam COA-locatie] te bezoeken. Volgens de rechtbank toont dit aan dat verdachte welbewust contact is blijven zoeken met aangeefster, ook nadat hem duidelijk moet zijn geworden dat zij dit niet wilde.\n\nDe rechtbank gelooft de verklaring van verdachte niet dat juist aangeefster avances naar hem maakte en dat hij naar [naam COA-locatie] kwam omdat hij een afspraak zou hebben bij de IND,nu deze verklaringen op geen enkele wijze door het dossier worden ondersteund. Ten aanzien van de eerste bewering geldt bovendien dat verdachte dit pas op de zitting voor het eerst heeft gemeld en de rechtbank deze mededeling in het licht van de verklaringen van aangeefster en haar collega’s ook niet geloofwaardig acht. De rechtbank gaat aan de verklaringen van verdachte voorbij en gaat uit van de juistheid van de aangifte en getuigenverklaringen\n\nGelet op de voorgaande handelingen, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een opzettelijke, wederrechtelijke, stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Hierbij heeft [slachtoffer 1] moeten dulden dat verdachte telkens weer contact met haar heeft geprobeerd op te nemen en heeft hij geen acht geslagen op haar mededelingen dat zij dit heel vervelend vond. Het gedrag van verdachte was des te indringender nu dit gebeurde op haar werkvloer en richting cliënten van aangeefster, waardoor zij zich daar niet meer vrijelijk kon bewegen. Het relatief korte tijdsbestek staat volgens vaste jurisprudentie niet in de weg aan een bewezenverklaring van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.\n\nDe rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt.\n\nPartiële vrijspraak derde gedachtestreepje\n\nDe rechtbank is het met de raadsvrouw eens dat uit het dossier niet volgt dat verdachte Whatsapp-berichten naar [slachtoffer 1] heeft gestuurd of telefonisch contact met haar heeft opgenomen. Van dit onderdeel wordt verdachte vrijgesproken.\n\nZaak B en zaak C\n\nDe rechtbank acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige\n\ninhoud van het dossier bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van winkelgoederen bij de Albert Heijn-filiaal aan [plaats 3] (zaak B) en van het vernielen van de vlinderstruik van [slachtoffer 2] in [plaats 1] (zaak C).\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte:\n\nzaak A\n\nin de periode van 17 november 2025 tot en met 29 november 2025 te Amsterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door\n\n- tegen collega's van die [slachtoffer 1] en medebewoners van het COA te zeggen dat hij, verdachte, en [slachtoffer 1] gaan trouwen en\n\n- boos en jaloers te worden op medebewoners als zij met die [slachtoffer 1] praten en\n\n- meermalen, te weten op 24 en 25 en28 en 29 november 2025, naar de werkplek van die [slachtoffer 1] toe te komen,\n\nmet het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te dulden;\n\nzaak B\n\nop 9 december 2025 te Amsterdam goederen die aan het winkelbedrijf Albert Heijn gevestigd aan de [plaats 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nzaak C\n\nop 12 december 2025 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een vlinderstruik die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft vernield.\n\n5. Het bewijs\n\nDe rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de\n\nfeiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Die bewijsmiddelen zijn\n\nopgenomen in bijlage IIbij dit vonnis.\n\nTen aanzien van het in zaak B en zaak C bewezenverklaarde volstaat de rechtbank met een\n\nopsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek\n\nvan Strafvordering, omdat verdachte dit bewezen feit heeft bekend, hij nadien niet anders\n\nheeft verklaard en zijn raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit.\n\n6. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n7. De strafbaarheid van verdachte\n\n7.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de belaging verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard, en ten aanzien van de diefstal sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Voor de vernieling is verdachte volgens de officier van justitie volledig ontoerekeningsvatbaar en dient hij daarvoor te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n7.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is ten aanzien van de door hem gepleegde feiten. Verdachte is\n\ndaarom niet strafbaar en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n7.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op\n\nde Pro Justitia-rapportage van 3 april 2026, opgemaakt door deskundige [GZ-psycholoog] ,\n\nGZ-psycholoog.\n\nDe rapporteur heeft vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een stoornis in gebruik van cannabis, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving én een psychotische stoornis door cannabis. Verdachte is cannabis gaan gebruiken vanaf april 2025, waarbij het gebruik is toegenomen tot een dagelijks patroon vanaf november 2025. Toen ontstonden duidelijke\n\ngedragsveranderingen, met een geleidelijke toename van impulsiviteit, verwardheid, gebrekkige zelfcontrole en afnemende realiteitstoetsing (resulterend in waangedachten). Verdachte heeft nooit eerder psychotische klachten gehad en na gedwongen abstinentie van cannabis in detentie is hij snel hersteld, hetgeen de diagnose onderschrijft, aldus de rapporteur.\n\nDe rapporteur heeft geconcludeerd dat bij verdachte ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van deze stoornissen. Hij koppelt de ten laste gelegde belaging van november 2025 aan het startpunt van de psychotische episode, waarbij waangedachten, maar ook nog enige beheersing van zijn gedrag en de gevolgen daarvan bestonden. De rapporteur adviseert dit feit (al dan niet sterk) verminderd aan verdachte toe te rekenen. De realiteitstoetsing en de zelfbeheersing schoten ten tijde van de winkeldiefstal in december 2025 ernstig tekort, en voor dit feit wordt geadviseerd tot een sterk verminderde toerekenbaarheid. De vernieling van een vlinderstruik een paar dagen later werd volgens rapporteur volledig ingegeven door waangedachten waar betrokkene geen weerstand aan kon bieden. De rapporteur adviseert dan ook dit feit niet aan verdachte toe te rekenen.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van de rapporteur over dat bij verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van een stoornis in gebruik van cannabis, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving en een psychotische stoornis die is ontstaan door cannabis. Anders dan de rapporteur adviseert, is de rechtbank van oordeel dat deze stoornissen niet leiden tot ontoerekenbaarheid van verdachte.\n\nVolgens de Hoge Raadkan de rechter op grond van artikel 39 Sr beslissen dat het tenlastegelegde niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit. Gedragingen van de verdachte die aan het optreden van de in artikel 39 Sr bedoelde stoornis zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het oordeel dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend in de zin van deze bepaling, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn als het optreden van de stoornis aan de verdachte zelf te wijten is geweest omdat hij verdovende middelen heeft gebruikt.\n\nVerdachte heeft er zelf voor gekozen cannabis te gaan gebruiken. Hij is door het gebruik van cannabis verwijtbaar komen te verkeren in een psychotische toestand. Hij kon weten dat het gebruik van dat roesverwekkende middel effect heeft op de psychische toestand en dat dit middel zijn functioneren kon beïnvloeden. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid is dat het psychisch functioneren na gebruik van dergelijke middelen van persoon tot persoon verschilt. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk moet worden gehouden voor zijn daden en de gevolgen daarvan.\n\nEr is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n8. Motivering van de straffen en maatregelen\n\n8.1.. \n\nDe eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de door haar bewezen\n\ngeachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur die door verdachte in verzekering en is voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 92 dagen.\n\n8.2.. \n\nHet strafmaatverweer van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over een op te leggen straf.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nAard en ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten die stuk voor stuk overlast en gevoelens van angst hebben teweeggebracht bij de directbetrokkenen. [slachtoffer 1] heeft zich door de bewezen belaging zowel op haar werk als in haar privéomgeving zeer onveilig gevoeld. Zij moest continu op haar hoede zijn doordat verdachte geen blijk gaf het locatieverbod of het stopgesprek serieus te nemen. Hij heeft daarmee zijn eigen wil opgedrongen aan [slachtoffer 1] , wat de rechtbank hem aanrekent. Ook de diefstal heeft overlast veroorzaakt, in het bijzonder voor het aanwezige winkelpersoneel. Ten slotte heeft verdachte een vlinderstuik vernield. Uit het dossier blijkt dat verdachte daarbij een regelrechte ravage heeft veroorzaakt. De omwonenden hebben door het onvoorspelbare gedrag van verdachte onrust en ongemak ervaren.\n\nDe persoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 7 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Ook is verdachte na de bewezen verklaarde feiten niet nogmaals in beeld gekomen bij justitie.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende, acht de rechtbank met de officier van justitie een gevangenisstraf passend gelijk aan de duur die door verdachte in verzekering en is voorlopige hechtenis is doorgebracht. Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank daarbij tot een gevangenisstraf voor de duur van negentig dagen.\n\n9. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 285b, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nzaak A\n\nbelaging;\n\nzaak B\n\ndiefstal;\n\nzaak C\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan90 (negentig) dagen.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nHeft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,\n\nmrs. B.C. Langendoen en C.C.J. Maas-van Es, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2026.\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n5. [… 2]\n\n [… 2]\n\n7. [… 2]\n\n .\n\nHR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295\n\nVgl. HR 9 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC0902 en HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6866","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:01.260Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":50,"updatedAt":79},"1856","ECLI:NL:RBNHO:2026:8049","ecli-nl-rbnho-2026-8049",67,"2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie & Jeugd\n\nLocatie Haarlem\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummer: 15\u002F216421-24\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 juni 2026 in de zaak tegen:\n\n [de verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] te [plaats] ,\n\ningeschreven in de Basis Registratie Personen op het adres [adres] .\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\n [officier van justitie] .\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:\n\n- de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J.C. Verlaan, advocaat te Amsterdam;\n\n- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de Jeugdreclassering) en\n\n- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)\n\nnaar voren hebben gebracht.\n\n1. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nFeit 1hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij] - in een kamer in een woning aan de [adres] op\u002Fin te sluiten - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\nFeit 3\n\nhij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n] door die [de benadeelde partij] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking.2. Voorvragen\n\nDe rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.\n\n3. Beoordeling van het bewijs3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft betoogd dat de verdachte van het eerste feit, het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving dient te worden vrijgesproken. De verdachte wist niet dat de deur op slot was gedraaid en maakte geen onderdeel uit van het groeps-chatgesprek tussen de medeverdachten. Hij heeft de aangever bovendien niet geduwd of geslagen. Dat hij heeft gezien dat de aangever van de deur werd weggeduwd, op het moment dat deze de kamer probeerde te ontvluchten, is onvoldoende om tot een nauwe en bewuste samenwerking te komen. De enkele aanwezigheid van de verdachte in de kamer levert onvoldoende bewijs voor het onder feit 1 ten last gelegde.\n\nDe feiten 2 en 3 kunnen worden bewezen. Daarbij is sprake van eendaadse samenloop.3.3. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. \n\nRedengevende feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.\n\n3.3.2. Bewijsmotivering\n\nTen aanzien van feit 1\n\nOp basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast. [de medeverdachte 1] heeft de aangever gevraagd om in de middag van 9 juni 2024 bij hem thuis te chillen. Op een gegeven moment zijn de verdachte en medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning van de verdachte gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand, maar op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever onder meer geslagen, werden zijn schoenen gestolen en is zijn jas afgenomen. De aangever heeft de woning verlaten, maar is kort daarna door [de medeverdachte 1] gebeld die hem vroeg terug te komen. De aangever is vervolgens teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. Vanaf dat moment is de aangever van zijn vrijheid beroofd (gehouden), waarbij hij wederom door meerdere jongens geïntimideerd, geslagen, bedreigd en van zijn spullen is beroofd.\n\nDe verdachte is, samen met medeverdachten [de medeverdachte 3] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 1] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig geweest. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte ook als medepleger kan worden aangemerkt van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving.\n\nVoor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en\u002Fof materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de afweging hiervan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verdachte en medeverdachten samen in de woning waren en daar samen voor de aangever een zeer bedreigende en intimiderende situatie hebben gecreëerd, waarbij de aangever is belet om de woning waar hij zich – met zijn belagers – in bevond, te verlaten. Gedurende het gehele incident zijn de verdachte en de medeverdachten samen geweest. De verdachte heeft zich hier niet van gedistantieerd, maar heeft, ook nadat het de aangever werd belet de woning te verlaten, dreigende woorden geuit richting aangever en nog goederen van aangever afgenomen. De verdachte en de medeverdachten hebben vervolgens samen de woning verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan.\n\nHiermee is ook vast komen te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het medeplegen van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan dan ook bewezen worden verklaard. Dat de opzet van de verdachte en de medeverdachten alleen zou zijn gericht op de beroving van de spullen, doet – wat daar ook van zij – niet af aan de feitelijke situatie en juridische kwalificatie daarvan. Nadat de aangever was teruggekeerd, was hij voortdurend in de nabijheid van de verdachte en medeverdachten en werd hij belemmerd om de woning te verlaten, waarbij hij werd bedreigd en geslagen.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nFeit 1hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [de benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij] - in een kamer in een woning aan de [adres] , op te sluiten en - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", en - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen een paar schoenen en een jas en airpods en een hoeveelheid kleingeld en een telefoon en een vape en een aansteker, die aan [de benadeelde partij] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij] - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - hem dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\";\n\nFeit 3\n\nhij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van een shirt dat aan die [de benadeelde partij] toebehoorde door die [de benadeelde partij] tegen het gezicht te slaan en tegen lichaam te duwen.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.\n\nWat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\n4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\ndiefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 3:\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.\n\n5. Strafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.\n\n6. Motivering van de sanctie6.1. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van de periode die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.\n\n6.2. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte nu twee jaar in een schorsing heeft gelopen en zich in positieve zin heeft ontwikkeld. Hij schaamt zich voor wat hij heeft gedaan en hij is niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Het risico op recidive is dan ook laag. Daarnaast dient bij de bepaling van de strafmaat de overschrijding van de redelijke termijn te worden meegewogen. Omdat de op te leggen straf een pedagogisch effect dient te hebben, is, gelet op voorgaande omstandigheden, de eis van de officier van justitie te hoog.\n\nDaarom heeft de raadsman verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met een proeftijd van één jaar.\n\n6.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nIn het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met anderen [de benadeelde partij] in de kamer van een appartement van zijn vrijheid beroofd. De verdachte en zijn mededaders hebben [de benadeelde partij] bedreigd, geslagen en geduwd en hem gedwongen om in de kamer te blijven. Daarbij heeft de verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij] beroofd van zijn bezittingen dan wel gedwongen tot afgifte daarvan.\n\nDit zijn ernstige feiten, die de rechtbank de verdachte aanrekent. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor het slachtoffer. Door zo te handelen heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van het slachtoffer, waarbij hij bij hem veel angst heeft veroorzaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan moeten ondervinden, zoals onder meer blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat namens [de benadeelde partij] is ingediend. Hij kampt nog steeds met slaapproblemen, heeft angst om alleen naar buiten te gaan en heeft voor zijn klachten traumatherapie moeten ondergaan. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nMet betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.\n\nDe rechtbank heeft verder acht geslagen het rapport van de Raad van 10 juni 2026, uitgebracht door [raadsonderzoeker] .\n\nDaaruit komt naar voren dat de verdachte gedurende de schorsingsperiode zich goed aan de voorwaarden heeft gehouden, zijn afspraken is nagekomen en niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Hij heeft afstand genomen van vrienden die een slechte invloed op hem hadden, hij werkt, gaat naar de sportschool en volgend schooljaar gaat hij starten met een nieuwe opleiding.\n\nDaarentegen is het hulpverleningstraject bij De Waag vroegtijdig gestopt en vindt de Raad het zorgelijk dat de verdachte veel blowt. De Raad zou het de verdachte gunnen om op een andere manier rust in zijn hoofd te krijgen.\n\nGelet op het lage recidive risico en de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft ingezet, heeft de Raad geadviseerd een werkstraf op te leggen. Begeleiding door de jeugdreclassering vindt de Raad niet langer noodzakelijk, gezien het feit dat de risicofactoren laag zijn en de verdachte zich de afgelopen twee jaar goed aan de (bijzondere) voorwaarden heeft gehouden.\n\nDe rechtbank heeft ook acht geslagen op het rapport van de Waag van 7 mei 2026, opgesteld door [naam] en [naam] , en het evaluatieverslag van de jeugdreclassering van 28 mei 2026, opgesteld door [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , gezinsmanager.\n\nDe conclusies in het rapport en het verslag zijn in overeenstemming met de conclusies van de Raad. Na overleg met de Raad is ook de jeugdreclassering tot het advies gekomen om de verdachte geen verder toezicht en begeleiding op te leggen.\n\nTer zitting hebben de deskundigen [vertegenwoordiger van de raad] en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] het advies kort toegelicht en de conclusies bevestigd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van het soort straf en de duur van de straf acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen voor afpersing\u002Fdiefstal met geweld, zoals dat is vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte het bewezenverklaarde feit in groepsverband heeft gepleegd alsook met de mate waarin de verdachte en zijn mededaders geweld jegens het slachtoffer hebben toegepast.\n\nVoorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden met een periode van meer dan 8 maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding dient te worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.\n\nVerder heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten noch in de periode van twee jaar nadien voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie of justitie en dat hij in de afgelopen twee jaar in een schorsing heeft gelopen, waarbij hij zich aan strenge voorwaarden, zoals een avondklok en een contactverbod heeft moeten houden.\n\nDeze omstandigheden maken dat de rechtbank, net als de officier van justitie, het niet meer passend vindt om een (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen.\n\nGelet op het voorgaande en alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van honderd (100) uren opleggen, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vijftig (50) dagen jeugddetentie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan van vijftig (50) uren vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van één (1) jaar, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.\n\n7. Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij]\n\nNamens [de benadeelde partij] is een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\ningediend. Hij werd daarin bijgestaan door [medewerker] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de ernst van de feiten de hoogte van de vordering redelijk is en voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op de geringe rol van de verdachte bij het plegen van de feiten heeft hij verzocht niet het volledige bedrag met de hoofdelijkheidsclausule aan alle verdachten op te leggen, maar een onderlinge verdeling tussen de verdachten te maken, waarbij een bedrag van € 100 recht doet aan de bijdrage die de verdachte heeft geleverd bij het plegen van de feiten.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en wat op de zitting is besproken. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank overweegt dat, nu de immateriële schade bij uitspraak van 1 juli 2026 is vastgesteld, de wettelijke rente ook vanaf dat moment dient te gelden.\n\nAnders dan de verdediging heeft betoogd, zal de rechtbank niet afwijken van het wettelijke uitgangspunt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen voor het geheel aan schade.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad, namelijk wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing. De benadeelde partij die rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte en zijn mededaders, kan aanspraak maken op vergoeding van die schade. Op grond van artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle daders hoofdelijk verbonden tot het betalen van de gehele schade. De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag om van dit uitgangspunt af te wijken. Het is juist ook de bedoeling van de wetgever geweest indien er sprake is van twee of meer medeplegers, dat niet het slachtoffer achter de daders aan hoeft te gaan om ieders deel van de schade te innen, maar dat hij de totale schade kan verhalen bij ieder van hen. Het is dan aan de mededaders om onderling een regeling te treffen over de verdeling van de schade.\n\nDe rechtbank zal dan ook bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nschadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen diefstal met geweld en medeplegen afpersing] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n8. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe volgende wetsartikelen zijn van toepassing:\n\n36f, 47, 77a, 77g 77m, 77n, 77gg, 282, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.\n\nBepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.\n\nVerklaart de verdachte hiervoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERD (100) urentaakstraf, in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen doorvijftig (50) dagenjeugddetentie, met bevel dat een gedeelte grootvijftig (50) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen doorvijfentwintig (25) dagenjeugddetentie,nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de opéén (1) jaarbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.\n\nWijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij]geleden schade tot een bedrag van€ 1.600, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.\n\nBepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nVeroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.\n\nLegt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.600, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door0 dagengijzeling.\n\nBepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en\u002Fof de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen\n\nBepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.\n\nSamenstelling rechtbank en uitspraakdatum\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J. van Beek, voorzitter,\n\nmr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, allen (kinder)rechter,\n\nin tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8049","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.258Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":75,"fullText":84,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":50,"updatedAt":86},"1853","ECLI:NL:RBNHO:2026:8107","ecli-nl-rbnho-2026-8107","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie & Jeugd\n\nLocatie Haarlem\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummers: 15\u002F216369-24, 15\u002F096955-25 (ter terechtzitting gevoegd) en\n\n15\u002F061796-25 (ter terechtzitting gevoegd)\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 en 17 juni 2026 in de zaak tegen:\n\n [de verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),\n\ningeschreven in de Basis Registratie Personen op het adres, [adres]\n\nDe rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\n [officier van justitie] .\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:\n\n- de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam;\n\n- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de Jeugdreclassering) en\n\n- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)\n\nnaar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat namens hen ter terechtzitting naar voren is gebracht.\n\n1. Tenlastelegging\n\nDe rechtbank heeft de feiten van de ter terechtzitting gevoegde dagvaardingen hieronder van een doorlopende nummering voorzien in het kader van de leesbaarheid.\n\nAan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F216369-24 (hierna: feiten 1, 2 en 3)\n\nten laste gelegd dat:\n\nFeit 1hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1] - in een kamer in een woning aan de [adres] op\u002Fin te sluiten - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\nFeit 3\n\nhij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n] door die [de benadeelde partij 1] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\naan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F096955-25 (hierna: feit 4), na wijziging van de tenlastelegging zoals bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat:\n\nFeit 4\n\nPrimair\n\nhij op of omstreeks 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas en\u002Fof een ketting, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: \"Als je nu niet mee loopt dan krijg je klappen\" en\u002Fof \"Geef je tas maar aan mij, anders sla ik je\" en\u002Fof \"Geef die ketting, anders sla ik je neer\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof - die [de benadeelde partij 2] in het gezicht te slaan;\n\nSubsidiair\n\nhij op of omstreeks 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nmet het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen\n\ndoor geweld en\u002Fof bedreiging met geweld\n\n [de benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas en\u002Fof een ketting, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 2] en\u002Fof een derde toebehoorde(n)\n\ndoor\n\n- die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: \"Als je nu niet mee loopt dan krijg je klappen\" en\u002Fof \"Geef je tas maar aan mij, anders sla ik je\" en\u002Fof \"Geef die ketting, anders sla ik je neer\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof\n\n- die [de benadeelde partij 2] in het gezicht te slaan.\n\naan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F061796-25 (hierna: feit 5)ten laste gelegd dat:\n\nFeit 5\n\nhij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad openlijk, te weten, [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en\u002Fof op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [de benadeelde partij 3] , door die [de benadeelde partij 3] - met één of meerdere personen te omsingelen en\u002Fof - vast te pakken en\u002Fof te vast te houden en\u002Fof - te duwen (in welk tumult de scooter is gevallen) en\u002Fof - één of meermalen te slaan tegen het hoofd en\u002Fof het bovenlichaam, althans het lichaam van die [de benadeelde partij 3] en\u002Fof - te trappen tegen één of meerdere knieën, althans het lichaam van die [de benadeelde partij 3] en\u002Fof - met een kettingslot te slaan tegen één of meerdere benen, althans het lichaam;2. Voorvragen\n\nDe rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.\n\n3. Beoordeling van het bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde feiten.\n\n3.2.. Standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de feiten 1, 2 en 3\n\nDe raadsman heeft bepleit om de verdachte vrij te spreken van de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1), omdat het opzet van de verdachte daar niet op was gericht. Daarnaast is onduidelijk of de deur van de kamer waar aangever [de benadeelde partij 1] zich met de verdachte en zijn mededaders in bevond was afgesloten. Medeplegen kan evenmin worden vastgesteld.\n\nVastgesteld kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing voor wat betreft de schoenen van de aangever. Bij de afpersing\u002F diefstal ten aanzien van de overige goederen is de verdachte niet aanwezig geweest. Daarom dient hij van feit 2 te worden vrijgesproken en dient voor feit 3 partiële vrijspraak te volgen voor wat betreft het medeplegen en de afpersing ten aanzien van de overige tenlastegelegde goederen.\n\nTen aanzien van feit 4 primair en subsidiair\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 4. De aangifte is gedaan door de vader van aangever [de benadeelde partij 2] . Dat doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van de aangifte. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat de verdachte niet voldoet aan het signalement dat in de aangifte is opgegeven van de personen die de aangever hebben beroofd dan wel afgeperst. Gelet op de omschrijving in de aangifte zou de verdachte persoon 2 moeten zijn, maar die heeft volgens de aangifte lichtbruin haar. Dat heeft de verdachte niet. In de aangifte wordt daarnaast niet benoemd dat persoon 2 een snor had, terwijl de verdachte die toen wel had. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de verdachte persoon 2 is, die deel heeft uitgemaakt van de groep van vijf personen, die met de aangever uit de [restaurant] naar het fietsenhok zijn gelopen en hem daar hebben beroofd.\n\nTen aanzien van feit 5\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat het openlijk geweld in vereniging bewezen kan worden verklaard, maar dan alleen voor wat betreft de handelingen van de verdachte, namelijk het slaan en schoppen van aangever [de benadeelde partij 3] . Omdat de opzet van de verdachte op de overige ten laste gelegde geweldshandelingen ontbreekt, dient hij daarvan te worden vrijgesproken.\n\n3.3. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. \n\nRedengevende feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.\n\n3.3.2. Bewijsmotivering\n\nTen aanzien van de feiten 1, 2 en 3\n\nOp basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank vast dat aangever [de benadeelde partij 1] in de middag van 9 juni 2024 enige tijd in een woning aan [adres] te Zaandam (hierna: de woning) is geweest en daar door meerdere jongens is bestolen. Hij is daarbij geïntimideerd, geslagen en bedreigd.\n\nVast staat dat de verdachte, samen met medeverdachten [de medeverdachte 1] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig is geweest. Volgens de verdachte heeft hij alleen de schoenen van de aangever afgenomen. Ook heeft hij verklaard dat hij de aangever heeft geslagen, omdat de aangever hem eerst sloeg. Van de rest van het incident heeft de verdachte niets meegekregen, omdat hij al die tijd op de wc zat, aldus de verdachte.\n\nDe vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden, is of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van de tenlastegelegde feiten.\n\nVoor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en\u002Fof materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de afweging hiervan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.\n\nUit de verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij in de middag van 9 juni 2024 met medeverdachte [de medeverdachte 1] had afgesproken om bij [de medeverdachte 1] thuis te chillen. De aangever heeft [de medeverdachte 1] ontmoet bij het ziekenhuis [ziekenhuis] en ze zijn vervolgens samen naar de woning van [de medeverdachte 1] gelopen. Op een gegeven moment zijn de verdachte en medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand. Op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever op bed geduwd, van zijn schoenen beroofd en geslagen. Ook voelde de aangever zich gedwongen om, desgevraagd, zijn shirt af te geven. Tegen de aangever werd daarna gezegd dat hij de woning uit moest. De aangever heeft de woning toen verlaten, maar is kort daarna teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. De aangever is naar de deur gerend om de kamer te ontvluchten, maar de weg werd geblokkeerd. De aangever is vervolgens vastgepakt bij zijn kleding, geduwd tegen zijn borst, meerdere keren geslagen tegen zijn hoofd en bedreigd om het wachtwoord van zijn telefoon te geven en met de dood. Zijn jas en telefoon werden van hem afgepakt, zijn broekzakken werden doorzocht en daar werden zijn airpods, kleingeld, vape en een aansteker uit gehaald. Nadat de aangever was gedwongen om in te loggen op de app van zijn bankrekening en te zien was dat het saldo ongeveer € 0,09 bedroeg, heeft de aangever zijn telefoon teruggekregen en werd gezegd dat hij mocht vertrekken. De aangever heeft toen met de draaiknop de deur open gedaan en is weggegaan.\n\nDe verklaring van de aangever vindt op cruciale onderdelen steun in de verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 1] . Zo heeft [de medeverdachte 1] verklaard dat hij de aangever heeft gevraagd om mee terug te lopen naar zijn woning om zijn schoenen te halen. Toen zij weer in zijn slaapkamer waren, zag hij dat medeverdachte [de medeverdachte 2] de kamerdeur dicht en op slot deed. Hij zag dat de verdachte toen heel dicht en dreigend tegenover de aangever stond. [de medeverdachte 1] zag dat [de medeverdachte 2] de aangever bij zijn kleding vastpakte op een agressieve manier en dat hij hem meerdere harde klappen in zijn gezicht gaf. [de medeverdachte 1] heeft verklaard dat de jas van de aangever is afgenomen door [de medeverdachte 2] . Ook heeft [de medeverdachte 1] gezien dat de aangever zijn telefoon en wachtwoord moest geven aan [de medeverdachte 2] . [de medeverdachte 3] probeerde op dwingende wijze het wachtwoord van de telefoon te krijgen, waarbij de aangever ook met de dood werd bedreigd. De aangever mocht pas gaan als hij zijn wachtwoord zou geven. [de medeverdachte 1] heeft verder gezien dat [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] in de zakken van de aangever hebben gevoeld en daar spullen en geld hebben uitgehaald.\n\nGelet op deze verklaringen schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij, toen de aangever terugkwam naar de woning de hele tijd op de wc heeft gezeten, niets heeft meegekregen van het incident en daar dus ook geen bijdrage aan heeft geleverd, als ongeloofwaardig ter zijde. Van het moment dat de aangever terugkeerde in de woning totdat hij de woning verliet zat bovendien ongeveer dertig minuten. Ook dat maakt dat aan de verklaring van de verdachte geen waarde wordt gehecht.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verdachte en medeverdachten samen in de woning waren, aldaar samen voor de aangever een zeer bedreigende en intimiderende situatie hebben gecreëerd, waarbij de aangever is belet om de woning waar hij zich – met zijn belagers – in bevond, te verlaten. Gedurende het gehele incident zijn de verdachte en de medeverdachten samen geweest, de verdachte heeft zich hier niet van gedistantieerd en de verdachte en medeverdachten hebben vervolgens samen de woning verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel de verdachte naderhand niet de grootste agressor lijkt te zijn geweest, is zijn bijdrage aan het geheel van de tenlastegelegde gedragingen van zodanig gewicht dat dat dient te worden aangemerkt als medeplegen.\n\nAnders dan door de raadsman is betoogd, is hiermee ook vast komen te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het medeplegen van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan dan ook bewezen worden verklaard. Dat de opzet van de verdachte en de medeverdachten alleen zou zijn gericht op de beroving van de spullen, doet – wat daar ook van zij – niet af aan de feitelijke situatie en juridische kwalificatie daarvan. Het feit dat de aangever op een gegeven moment zelf de woning heeft kunnen verlaten, maakt daarbij ook geen verschil. Van opsluiting hoeft bij de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving immers geen sprake te zijn. Nadat de aangever was teruggekeerd, was hij voortdurend in de nabijheid van de verdachte en medeverdachten en werd hij belemmerd om de woning te verlaten, waarbij hij werd bedreigd en geslagen.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen van diefstal met geweld en het medeplegen afpersing wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nTen aanzien van feit 4 primair en subsidiair\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte medepleger is geweest van de tenlastegelegde beroving en afpersing met geweld. De verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar in de [restaurant] aanwezig is geweest, maar dat hij met de beroving die buiten heeft plaatsgevonden niets te maken heeft gehad. De rechtbank komt echter tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en overweegt daartoe als volgt.\n\nUit de bewijsmiddelen en wat op de zitting is besproken volgt dat de verdachte onderdeel uitmaakte van een groep van vijf personen, bestaande uit twee meisjes en drie jongens, die aangever [de benadeelde partij 2] in de [restaurant] hebben aangesproken. Twee jongens van die groep hebben de aangever buiten beroofd en afgeperst. De aangever heeft een signalement van de twee jongens gegeven. Persoon 1 heeft een donkere huidskleur en zwart haar. Persoon 2 wordt omschreven als een man met krullend lichtbruin haar, licht getint, Marokkaanse afkomst, gespierd postuur. Het signalement van persoon 2 past als enige signalement, bij de uiterlijke kenmerken van de verdachte. Op de camerabeelden van binnen in de [restaurant] is de verdachte herkend als de persoon die tegen de aangever praat. Ook is te zien dat de verdachte samen met een ander aan de ketting van de aangever zit.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat de verdachte de door de aangever genoemde persoon 2 is geweest en zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de tenlastegelegde diefstal en afpersing met geweld. Uit de aangifte, in onderling samenhang bezien met de bevindingen in de [restaurant] , blijkt dat de verdachte onderdeel uitmaakte van de groep van vijf personen, waarvan hij de enige jongen is met een licht getinte huidskleur en krullend lichtbruin haar, die in de [restaurant] contact maakte met de aangever. Het is de verdachte geweest die in de [restaurant] aan de ketting van de aangever heeft gezeten en als onderdeel van de groep van vijf personen met de aangever naar buiten loopt. Volgens de verklaring van de aangever is hij vervolgens met dezelfde groep van vijf personen naar de fietsenstalling gelopen, waar de aangever door onder meer de licht getinte jongen met krullend haar uit de groep is beroofd van zijn tas en vervolgens werd gedwongen zijn ketting af te geven.\n\nDe rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat zowel het onder 4 primair als subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nTen aanzien van feit 5\n\nAnders dan door de raadsman is betoogd, is voor de tenlastegelegde openlijke geweldpleging niet vereist dat de verdachte alle geweldshandelingen zelf heeft verricht. De verdachte heeft verklaard dat hij geweldshandelingen tegen aangever [de benadeelde partij 3] heeft verricht, bestaande uit het slaan en schoppen van de aangever, waarmee hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde. De verdachte kan daarmee verantwoordelijk worden gehouden voor het plegen van openlijk geweld, en dus ook voor de handelingen die in hetzelfde incident (nadien) zijn verricht door anderen, zoals het slaan met het kettingslot.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het openlijk en in vereniging plegen van geweld ten aanzien van het geheel aan geweldshandelingen die door hemzelf en de medeverdachten zijn gepleegd.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat\n\nFeit 1hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1] - in een kamer in een woning aan [adres] , op te sluiten en - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", en - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen een paar schoenen en een jas en airpods en een hoeveelheid kleingeld en een telefoon en een vape en een aansteker, die aan [de benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1] - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - hem dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\";\n\nFeit 3\n\nhij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een shirt dat aan die [de benadeelde partij 1] toebehoorde door die [de benadeelde partij 1] tegen het gezicht te slaan en tegen lichaam te duwen.\n\nFeit 4\n\nhij op 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander een tas, die aan [de benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door - die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: \"Als je nu niet mee loopt dan krijg je klappen\" en \"Geef je tas maar aan mij, anders sla ik je’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\nen\n\nhij op 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen\n\ndoor bedreiging met geweld [de benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een ketting, die aan die [de benadeelde partij 2] toebehoorde, door\n\n- die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: \"Als je nu niet meeloopt dan krijg je klappen\" en \"Geef die ketting, anders sla ik je neer\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.\n\nFeit 5\n\nhij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad openlijk, te weten, op de [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 3] , door die [de benadeelde partij 3] - met meerdere personen te omsingelen en - vast te pakken en te houden en - te duwen in welk tumult de scooter is gevallen en - te slaan tegen het hoofd en het bovenlichaam van die [de benadeelde partij 3] en - te trappen tegen één knie, en - met een kettingslot te slaan tegen de benen,;\n\n De in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.\n\nWat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\n4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\ndiefstal, voorafgegaan , vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 3:\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 4:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nen\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 5:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen personen\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.\n\n5. Strafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\n6. Motivering van de sanctie\n\n6.1. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen jeugddetentie, waarvan 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad.\n\nBij bepaling van de hoogte van de werkstraf heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nDaarnaast heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd.\n\n6.2. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht om bij de bepaling van (de hoogte van) de strafmaat rekening houden met de geringe rol van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten en zijn belaste verleden. Daarnaast is een forse overschrijding van de redelijke termijn aan de orde. Bovendien heeft de verdachte de afgelopen twee jaar in een schorsing onder strenge voorwaarden gelopen en is hij niet meer in contact gekomen met politie en justitie. Daarom is in dit geval een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk, een passende straf. Omdat de verdachte te kampen heeft met de verwerking van traumatische ervaringen uit zijn verleden, is het van belang dat de bijzondere voorwaarden, zoals door de Raad zijn geadviseerd, worden verbonden aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen taakstraf.\n\n6.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nIn het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich in vier maanden tijd schuldig gemaakt aan verschillende strafbare feiten.\n\nHij heeft samen met anderen [de benadeelde partij 1] in de kamer van een appartement van zijn vrijheid beroofd. De verdachte en zijn mededaders hebben [de benadeelde partij 1] bedreigd, geslagen en geduwd en hem gedwongen om in de kamer te blijven. Daarbij heeft de verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] beroofd van zijn bezittingen dan wel gedwongen tot afgifte daarvan. Drie maanden later heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld op een schoolplein, waarbij de verdachte met een grote groep andere jongeren [de benadeelde partij 3] in elkaar heeft geslagen. Een maand later heeft de verdachte, met een ander, [de benadeelde partij 2] beroofd en afgeperst van een tas en een ketting.\n\nDit zijn ernstige feiten, die de rechtbank de verdachte aanrekent. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor de slachtoffers. Door zo te handelen heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van de slachtoffers, waarbij hij bij hen veel angst heeft veroorzaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan moeten ondervinden, zoals onder meer blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat namens [de benadeelde partij 1] is ingediend. Hij kampt nog steeds met slaapproblemen, heeft angst om alleen naar buiten te gaan en heeft voor zijn klachten traumatherapie moeten ondergaan. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nMet betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.\n\nDe rechtbank heeft verder acht geslagen het rapport van de Raad van 28 mei 2026, uitgebracht door [raadsonderzoeker] .\n\nIn dit rapport komt onder meer naar voren dat de verdachte in zijn leven veel ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt en daardoor psychisch trauma heeft opgelopen. Op achtjarige leeftijd is de verdachte met zijn familie van Syrië naar Nederland gevlucht vanwege de oorlog. De verdachte heeft thuis veel huiselijk geweld meegemaakt. Inmiddels is de situatie thuis rustiger, omdat de ouders zijn gescheiden. De verdachte heeft thuis bij zijn moeder veel verantwoordelijkheden, waardoor hij weinig ruimte ervaart voor school of werk\n\nDe Raad vindt het positief dat de verdachte sinds de laatste verdenking van oktober 2024 geen politiecontacten meer heeft gehad en dat hij afstand heeft gedaan van bepaalde vrienden met wie hij destijds regelmatig in de problemen is gekomen. Daarnaast heeft de Raad gesignaleerd dat, ondanks de langdurige betrokkenheid van de jeugdreclassering en de IFA coach, er nog meerdere doelen zijn die behaald moeten worden. Omdat de eerder geboden hulp bij de Waag destijds niet goed van de grond is gekomen, is het van belang dat deze hulp opnieuw wordt geboden, maar dan met extra ondersteuning vanuit de IFA c oach. De jeugdreclassering en de IFA coach kunnen de verdachte ook hulp en steun bieden bij het vinden van een zinvolle dagbesteding.\n\nDe Raad heeft geadviseerd een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen. De verdachte heeft op dit moment geen zinvolle dagbesteding waardoor hij nu voldoende tijd en ruimte heeft om dit uit te voeren. Het voorwaardelijke deel van de werkstraf is een stok achter de deur zodat hij gedurende de proeftijd niet recidiveert en meewerkt aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding, meewerkt met de IFA coach en aan behandeling bij de Waag.\n\nDe rechtbank heeft ook acht geslagen op het evaluatieverslag van de jeugdreclassering, opgesteld door [gezinsmanager] , gezinsmanager. De conclusie en het advies van de jeugdreclassering zijn in overeenstemming met de conclusie en het advies van de Raad, waarbij tevens wordt geadviseerd dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van het soort straf en de duur van de straf gelet op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen voor afpersing\u002Fdiefstal met geweld en openlijk geweld in vereniging, zoals dat is vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte de bewezenverklaarde feiten steeds in groepsverband heeft gepleegd alsook met de mate waarin de verdachte en zijn mededaders geweld jegens de slachtoffers hebben toegepast.\n\nVoorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden met een periode van meer dan 8 maanden ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 en met een periode van 3 maanden ten aanzien van de feiten 4 en 5. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding dient te worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.\n\nVerder heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten noch in de periode van twee jaar nadien voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie of justitie en dat hij in de afgelopen twee jaar in een schorsing heeft gelopen, waarbij hij zich aan strenge voorwaarden, zoals een avondklok en een contactverbod heeft moeten houden.\n\nDeze omstandigheden maken dat de rechtbank, net als de officier van justitie, het niet meer passend vindt om naast een aanzienlijke werkstraf tevens een (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen. Wel is de rechtbank met de Raad en de officier van justitie van oordeel dat het zowel ten behoeve van de ontwikkeling van verdachte als ter vermindering van het recidiverisico van groot belang is dat hij behandeling ondergaat bij de Waag en hij wordt ondersteund en begeleid door de jeugdreclassering en de IFA coach, ook bij het vinden van een passende dagbesteding. Nu de noodzaak tot toezicht en begeleiding via het opleggen van bijzondere voorwaarden kan worden gewaarborgd, zal de rechtbank de op te leggen werkstraf in een deels voorwaardelijke vorm opleggen.\n\nGelet hierop en alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van honderdzestig (160) uren opleggen, bij niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door tachtig (80) dagen jeugddetentie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan van tachtig (80) uren vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering noodzakelijk. Verder dient de verdachte mee te werken aan zijn behandeling bij de Waag, mee te werken met zijn IFA coach en mee te werken aan het vinden en behouden van passende dagbesteding in de vorm van school en\u002F of werk.\n\nTen aanzien van de op te leggen bijzondere voorwaarden en het toezicht overweegt de rechtbank tot slot dat zij, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, van oordeel is dat deze niet dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard. De omstandigheden dat verdachte nooit eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en hij in de periode van twee jaar tussen de bewezenverklaarde feiten en de inhoudelijk behandeling niet nogmaals in aanraking is gekomen met politie en justitie, ondanks zijn complexe persoonlijke omstandigheden, maken dat geen sprake is van een situatie waarin er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich wederom schuldig zal maken aan een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.\n\n7. Vorderingen van de benadeelde partijen\n\n7.1. \n\nVorderingen benadeelde partijen [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2]\n\nNamens [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2] zijn ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 respectievelijk feit 4 vorderingen tot schadevergoeding ingediend. Zij werden daarin bijgestaan door [medewerker] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.\n\n7.1.1. \n\nVordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1]\n\nDe benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht om het te vergoeden bedrag te matigen naar wat in vergelijkbare zaken aan schadevergoedingen wordt toegekend, wat zou betekenen dat een vergoeding tussen de € 500 en € 1.000 op zijn plaats is. Ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente heeft de raadsman verzocht om deze te laten gelden vanaf het moment dat deze wordt begroot, dus vanaf de datum van de uitspraak.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en wat op de zitting is besproken. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank overweegt dat, nu de immateriële schade bij uitspraak van 1 juli 2026 is vastgesteld, de wettelijke rente ook vanaf dat moment dient te gelden.\n\nDaarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nDaarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nschadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen diefstal met geweld en medeplegen afpersing] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n7.1.2. \n\nVordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2]\n\nDe benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 900 ingediend tegen de verdachte die hij als gevolg van feit 4 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDeze schade bestaat uit vermogensschade ad € 350, te weten een vergoeding voor een gestolen zilveren (imitatie) koningsketting en immateriële schade ad € 550.\n\nTer zitting is door Slachtofferhulp Nederland, onder verwijzing naar een uitspraak (ECLI:RBNHO:2024:7551), verzocht het immateriële deel te verhogen naar een bedrag van € 1.250, met als gevolg dat in totaal een bedrag van € 1.600 wordt gevorderd.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de vermogensschade toewijsbaar is. Ten aanzien van de immateriële schade dient aansluiting te worden gezocht bij het oorspronkelijke bedrag van\n\n€ 550 dat ook in de zaak van de medeverdachte is gevorderd. Het verzoek tot schadevergoeding dient daarom te worden toegewezen voor een bedrag van € 900, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair verzocht om de vordering ten aanzien van de vermogensschade niet ontvankelijk te verklaren omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft hij verzocht om het gevorderde bedrag aan vermogensschade te matigen.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman tevens om matiging verzocht en bij de bepaling van de hoogte daarvan aansluiting te zoeken bij het bedrag dat in de zaak van de medeverdachte is toegekend, namelijk € 200.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vermogensschade onvoldoende is onderbouwd waardoor dit deel van de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard. In dit geval ging het om een imitatie ketting en was ter onderbouwing van de schade geen aankoopnota van de ketting overgelegd. Daarbij is namens de benadeelde partij meegedeeld dat de waarde die de ketting vertegenwoordigde met name een emotionele waarde was.\n\nTen aanzien van het immateriële deel van de vordering overweegt de rechtbank als volgt.\n\nVoor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals vermeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Eén van de gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade volgt uit artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Uit dit artikel vloeit voort dat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van het laatste is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van de bedoelde ‘aantasting in persoon op andere wijze’. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat één van deze grondslagen voor immateriële schadevergoeding in zijn geval van toepassing is. Immers is niet gebleken dat sprake is geweest van lichamelijk letsel, anders dan een aantal blauwe plekken. Daarnaast vormt de omstandigheid dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit psychische klachten heeft ontwikkeld en gevoelens van onrust en onveiligheid heeft gekregen – hoe voorstelbaar ook – onvoldoende grond om te stellen dat daarmee sprake is van geestelijk letsel of dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is ook niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de diefstal met geweld en afpersing voor de benadeelde zodanig voor de hand ligt dat zonder meer aantasting van de persoon kan worden aangenomen.\n\nDe vordering van de benadeelde partij zal daarom ook ten aanzien van het immateriële deel niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nDe benadeelde partijen kunnen de (delen van de) vorderingen die niet-ontvankelijk worden verklaard desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\n8. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe volgende wetsartikelen zijn van toepassing:\n\nartikel 36f, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.\n\nBepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.\n\nVerklaart de verdachte hiervoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDZESTIG (160) urentaakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen doortachtig (80) dagenjeugddetentie, met bevel dat een gedeelte van deze straf, groottachtig (80) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen doorveertig (40) dagenjeugddetentie,nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast vantwee (2) jaren.\n\nStelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nStelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht; - een zinvolle dagbesteding heeft in de vorm van scholing en\u002Fof werk; - meewerkt met de IFA coach van Levvel zolang de jeugdreclassering dit nodig acht; - meewerkt aan behandeling van De Waag, of een soortgelijke instelling, gericht op trauma en emotieregulatie, zolang de Jeugdreclassering dit nodig acht.\n\nGeeft opdracht aan De Jeugdbescherming Regio Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nStelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.\n\nBepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.\n\nWijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van€ 1.600, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.\n\nBepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nVeroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.\n\nLegt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.600, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door0 dagengijzeling.\n\nBepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en\u002Fof de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen\n\nBepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.\n\nVerklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 2]niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.\n\nSamenstelling rechtbank en uitspraakdatum\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J. van Beek, voorzitter,\n\nmr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, allen (kinder)rechter,\n\nin tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8107","2026-07-13T00:29:42.129Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":75,"fullText":91,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":50,"updatedAt":93},"1854","ECLI:NL:RBNHO:2026:8112","ecli-nl-rbnho-2026-8112","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie & Jeugd\n\nLocatie Haarlem\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummer: 15\u002F216451-24 en 15\u002F244873-25 (ter terechtzitting gevoegd)\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 en 17 juni 2026 in de zaak tegen:\n\n [de verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] te [plaats] ,\n\ningeschreven in de Basis Registratie Personen op het adres [adres] .\n\nDe rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\n [officier van justitie] .\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van wat\n\n- de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F. Tosun, advocaat te Zaandam;\n\n- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de William Schrikker Stichting (hierna: de Jeugdreclassering) en\n\n- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)\n\nnaar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat namens hen ter terechtzitting naar voren is gebracht.\n\n1. Tenlastelegging\n\nDe rechtbank heeft de feiten van de ter terechtzitting gevoegde dagvaardingen hieronder van een doorlopende nummering voorzien in het kader van de leesbaarheid.\n\nAan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F216451-24 (hierna: feiten 1, 2 en 3)\n\nten laste gelegd dat:\n\nFeit 1hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1] - in een kamer in een woning aan de [adres] op\u002Fin te sluiten - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\nFeit 3\n\nhij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n] door die [de benadeelde partij 1] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\naan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F3554873-25 (hierna: feit 4)ten laste gelegd dat:\n\nFeit 4\n\nhij op of omstreeks 3 juli 2025 te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas met inhoud, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die tas [met kracht] los te rukken\u002Ftrekken\u002Fgrissen uit [de] hand[en] van die [de benadeelde partij 2] .\n\n2. Voorvragen\n\nDe rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.\n\n3. Beoordeling van het bewijs3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit om de verdachte vrij te spreken van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.\n\nTen aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van wederrechtelijke vrijheidsbeneming, omdat niet kan worden vastgesteld dat aangever [de benadeelde partij 1] tegen zijn wil werd vastgehouden in de woning. [de benadeelde partij 1] kon de kamer gewoon verlaten en is op enig moment ook zelf de kamer uitgelopen en weer teruggekomen. Hij werd door niemand tegengehouden en er werd ook niet tegen hem gezegd dat hij niet weg mocht gaan. Ook toen de deur op slot werd gedraaid, kon hij de kamer verlaten, omdat het slot van binnen uit kon worden geopend. Ter onderbouwing van het standpunt heeft de raadsvrouw verwezen naar de uitspraak opgenomen onder ECLI:NL:GHAMS:2016:5701, waarin een soortgelijke situatie zich voordeed en de verdachte is vrijgesproken. De verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij niet bij het incident betrokken is geweest, waardoor evenmin sprake is van medeplegen.\n\nTen aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw het volgende naar voren gebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij de hele tijd buiten stond en niets mee kreeg van wat er zich in de kamer afspeelde. De belastende verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 1] , waarbij hij de verdachte aanwijst als degene die zich aan de diefstal en afpersing met geweld schuldig heeft gemaakt, is aantoonbaar leugenachtig. [de medeverdachte 1] blijkt zelf ook betrokken te zijn geweest bij de diefstal van goederen en hij probeert dit in de schoenen van de verdachte te schuiven. Als op enig moment een ruzie tussen medeverdachte [de medeverdachte 2] en de aangever ontstaat, lijkt een plan te ontstaan om de aangever te beroven, maar er is geen enkele aanwijzing dat de verdachte daarin een rol heeft gespeeld. Er is weliswaar wettig bewijs aanwezig voor de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal en afpersing met geweld, maar gelet op het gebrek aan overtuiging dient vrijspraak te volgen.\n\nTen aanzien van feit 4 heeft de verdachte verklaard dat hij samen met de medeverdachte een tas met gestolen spullen ging terughalen. Aangeefster [de benadeelde partij 2] heeft vervolgens de tas met spullen vrijwillig overhandigd. Op grond van de verklaring van de verdachte, die betrouwbaar is, dient de verdachte dan ook te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Dat de verdachte op dat moment daar aanwezig was, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen.\n\nDe raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat het wegtrekken van de plastic zak uit handen van de aangeefster niet kan worden gekwalificeerd als diefstal met geweld. Dat de pink van de aangeefster daarbij is blijven haken, valt niet op te maken uit de getuigenverklaringen of de beschrijving van de camerabeelden. Op de camerabeelden is juist te zien dat aangeefster de inhoud van de tas laat zien en de tas vervolgens vrijwillig afgeeft. Nu ook een letselverklaring ontbreekt, kan het tenlastegelegde geweld niet worden bewezen.3.3. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. \n\nRedengevende feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 en 4 op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.\n\n3.3.2. Bewijsmotivering\n\nTen aanzien van de feiten 1, 2 en 3\n\nOp basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank vast dat aangever [de benadeelde partij 1] in de middag van 9 juni 2024 enige tijd in een woning aan [adres] te Zaandam (hierna: de woning) is geweest en daar door meerdere jongens is bestolen. Hij is daarbij geïntimideerd, geslagen en bedreigd.\n\nVast staat dat de verdachte, samen met medeverdachten [de medeverdachte 1] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig is geweest. De verdachte heeft verklaard dat hij niets heeft meegekregen van wat zich in de woning afspeelde, omdat hij toen buiten op het balkon was.\n\nDe vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden, is of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van de tenlastegelegde feiten.\n\nVoor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en\u002Fof materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de afweging hiervan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.\n\nUit de verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij in de middag van 9 juni 2024 met medeverdachte [de medeverdachte 1] had afgesproken om bij [de medeverdachte 1] thuis te chillen. De aangever heeft [de medeverdachte 1] ontmoet bij het ziekenhuis [ziekenhuis] en ze zijn vervolgens samen naar de woning van [de medeverdachte 1] gelopen. Op een gegeven moment zijn de verdachte en medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand. Op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever op bed geduwd, van zijn schoenen beroofd en geslagen. Ook voelde de aangever zich gedwongen om, desgevraagd, zijn shirt af te geven. Tegen de aangever werd daarna gezegd dat hij de woning uit moest. De aangever heeft de woning toen verlaten, maar is kort daarna teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. De aangever is naar de deur gerend om de kamer te ontvluchten, maar de weg werd geblokkeerd. De aangever is vervolgens vastgepakt bij zijn kleding, geduwd tegen zijn borst, meerdere keren geslagen tegen zijn hoofd en bedreigd om het wachtwoord van zijn telefoon te geven en met de dood. Zijn jas en telefoon werden van hem afgepakt, zijn broekzakken werden doorzocht en daar werden zijn airpods, kleingeld, vape en een aansteker uit gehaald. Nadat de aangever was gedwongen om in te loggen op de app van zijn bankrekening en te zien was dat het saldo ongeveer € 0,09 bedroeg, heeft de aangever zijn telefoon teruggekregen en werd gezegd dat hij mocht vertrekken. De aangever heeft toen met de draaiknop de deur open gedaan en is weggegaan.\n\nDe rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar standpunt dat de verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 1] aantoonbaar leugenachtig is en daardoor niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De rechtbank overweegt allereerst dat de verklaring van deze [de medeverdachte 1] op essentiële punten overeenkomt met de verklaring van de aangever en dat hij in zijn aanvullende verklaringen bij de politie en later bij de rechter-commissaris, daarin consistent is gebleven. De verklaringen van de aangever en [de medeverdachte 1] worden verder ondersteund door de beelden van de in het appartementencomplex aanwezige camera’s. Daarop is te zien dat aangever om half twee ‘s middags een aantal personen het pand binnen laat. Anderhalf uur later loopt de aangever zonder schoenen de gang in richting de tussendeur en een half uur later is te zien dat de aangever zonder schoenen en jas het pand verlaat. Kort daarop loopt de begeleider van [de medeverdachte 1] de gang in en verlaten de personen het pand.\n\nDe rechtbank acht de verklaring van [de medeverdachte 1] daarom betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.\n\nUit de verklaring van aangever en medeverdachte [de medeverdachte 1] volgt dat de verdachte in de kamer aanwezig is geweest tijdens de vrijheidsberoving en ook feitelijke handelingen heeft verricht, waaronder het op slot doen van de deur, het vastpakken bij de kleding van aangever, het slaan van aangever in het gezicht en het afnemen van de jas van de aangever.\n\nGelet op deze verklaringen schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij de hele tijd buiten op het balkon heeft gezeten, niets heeft meegekregen van het incident en daar dus ook geen bijdrage aan heeft geleverd, als ongeloofwaardig ter zijde.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verdachte en medeverdachten samen in de woning waren, daar samen voor de aangever een zeer bedreigende en intimiderende situatie hebben gecreëerd, waarbij de aangever is belet om de woning waar hij zich – met zijn belagers – in bevond, te verlaten. Gedurende het gehele incident zijn de verdachte en de medeverdachten samen geweest, de verdachte heeft zich hier niet van gedistantieerd en de verdachte en medeverdachten hebben vervolgens samen de woning verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte aan het geheel van de tenlastegelegde gedragingen is daarbij van zodanig gewicht dat dat dient te worden aangemerkt als medeplegen.\n\nHiermee is vast komen te staan dat de verdachte opzet heeft gehad op het medeplegen van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing. Het feit dat de aangever op een gegeven moment zelf de woning heeft kunnen verlaten, doet daar niet aan af. Van opsluiting hoeft bij de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving immers geen sprake te zijn. Nadat aangever was teruggekeerd, was hij voortdurend in de nabijheid van de verdachte en medeverdachten en werd hij belemmerd om de woning te verlaten, waarbij hij werd bedreigd en geslagen.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen van diefstal met geweld en het medeplegen afpersing wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nTen aanzien van feit 4\n\nDe rechtbank stelt vast dat uit de aangifte en de bevindingen van de camerabeelden volgt dat de plastic tas met kracht uit de handen van aangeefster is getrokken. Ook heeft aangeefster verklaard dat bij het wegtrekken van de tas haar pink bleef haken waardoor zij daarna pijn had aan haar pink. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen kunnen worden aangemerkt als diefstal met geweld.\n\nVervolgens moet beoordeeld worden of de door de verdachte geleverde bijdrage aan de diefstal met geweld van voldoende gewicht is. Voor het juridisch kader verwijst de rechtbank verder naar het hiervoor onder 3.3.2 opgenomen juridisch kader met betrekking tot medeplegen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de verdachte medeverdachte [de medeverdachte 4] op zijn fatbike naar aangeefster heeft gebracht, er vervolgens bij is gebleven terwijl hij zag dat de diefstal plaats vond en daarna met [de medeverdachte 4] (en de gestolen tas) achterop zijn fatbike deze plek is ontvlucht. De rechtbank is van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte hiermee is komen vast te staan. Verdachte heeft zich immers niet alleen niet onttrokken aan de situatie terwijl dat wel kon maar hij heeft, door [de medeverdachte 4] naar aangeefster te brengen en na de diefstal direct met hem achterop zijn fatbike ervandoor te gaan, een substantiële bijdrage geleverd aan het tenlastegelegde.\n\nDaarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen van diefstal met geweld bewezen.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nFeit 1hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1] - in een kamer in een woning aan de [adres] , op te sluiten en - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", en - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen een paar schoenen en een jas en airpods en een hoeveelheid kleingeld en een telefoon en een vape en een aansteker, die aan [de benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1] - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - hem dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\";\n\nFeit 3\n\nhij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een shirt dat aan die [de benadeelde partij 1] toebehoorde door die [de benadeelde partij 1] tegen het gezicht te slaan en tegen lichaam te duwen.\n\nFeit 4\n\nhij op 3 juli 2025 te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander een tas met inhoud, die aan [de benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die tas met kracht los te trekken uit de handen van die [de benadeelde partij 2] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.\n\nWat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\n4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\ndiefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 3:\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 4:\n\ndiefstal, vergezeld van geweld, tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.\n\n5. Strafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.\n\n6. Motivering van de sanctie6.1. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderdtwintig (120) uren, subsidiair zestig (60) dagen jeugddetentie, waarvan zestig (60) uren voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van de periode die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.\n\n6.2. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nGelet op het feit dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 en de verdachte de afgelopen twee jaar niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, heeft de raadsvrouw verzocht om de verdachte een werkstraf op te leggen gelijk aan het aantal uur van de periode van de inverzekeringstelling.\n\n6.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nIn het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met anderen [de benadeelde partij 1] in de kamer van een appartement van zijn vrijheid beroofd. De verdachte en zijn mededaders hebben [de benadeelde partij 1] bedreigd, geslagen en geduwd en hem gedwongen om in de kamer te blijven. Daarbij heeft de verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] beroofd van zijn bezittingen dan wel gedwongen tot afgifte daarvan. Een jaar later heeft de verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en samen met een ander [de benadeelde partij 2] beroofd van een tas.\n\nDit zijn ernstige feiten, die de rechtbank de verdachte aanrekent. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor de slachtoffers. Door zo te handelen heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van de slachtoffers, waarbij hij bij hen veel angst heeft veroorzaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan moeten ondervinden, zoals onder meer blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat namens [de benadeelde partij 1] is ingediend. Hij kampt nog steeds met slaapproblemen, heeft angst om alleen naar buiten te gaan en heeft voor zijn klachten traumatherapie moeten ondergaan. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nMet betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.\n\nDe rechtbank heeft verder acht geslagen het rapport van de Raad van 27 mei 2026, uitgebracht door [raadsonderzoeker] .\n\nDaaruit komt naar voren dat de verdachte zich gedurende de schorsingsperiode grotendeels aan de voorwaarden heeft gehouden en na juli 2025 niet meer in beeld is gekomen bij politie en justitie. Hij is open en goed in gesprek met de hulpverlening en jeugdreclassering, hij heeft het IFA-traject positief afgerond en ook op school gaat het goed.\n\nUit het onderzoek is daarnaast naar voren gekomen dat het algemeen recidive risico op basis van het dossier op hoog is ingeschat, maar als er wordt gekeken naar de beschermende factoren dan kan worden vastgesteld dat de verdachte gedurende de schorsingsperiode een stijgende positieve lijn heeft laten zien. Daarnaast is een risicofactor dat de verdachte vrienden heeft die bekend zijn bij de politie, maar door de IFA-coach is hier aandacht aan besteed en de verdachte heeft hierin handvaten aangereikt gekregen.\n\nGelet op het voorgaande ziet de Raad geen meerwaarde in begeleiding door de jeugdreclassering, omdat er op dit moment geen grote zorgen naar voren komen over eventuele vaardigheidstekorten en\u002F of agressie en de verdachte zich de afgelopen twee jaar goed aan de (bijzondere) voorwaarden heeft gehouden. De Raad heeft daarom geadviseerd om de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf op te leggen.\n\nTer zitting hebben de deskundigen [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] en [vertegenwoordiger van de raad] het advies kort toegelicht en de conclusies bevestigd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de duur en het soort straf acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen voor afpersing\u002Fdiefstal met geweld, zoals dat is vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten in groepsverband heeft gepleegd alsook met de mate waarin de verdachte en zijn mededaders geweld jegens de slachtoffers hebben toegepast.\n\nVoorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden met een periode van meer dan 8 maanden ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding dient te worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.\n\nVerder heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten noch in de periode van twee jaar nadien voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie of justitie en dat hij in de afgelopen twee jaar in een schorsing heeft gelopen, waarbij hij zich aan strenge voorwaarden, zoals een avondklok en een contactverbod heeft moeten houden.\n\nDeze omstandigheden maken dat de rechtbank het, net als de officier van justitie, niet meer passend vindt om een (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen.\n\nGelet op het voorgaande en alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van honderdtwintig (120) uren opleggen, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door zestig (60) dagen jeugddetentie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan van vijftig (60) uren vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van één (1) jaar, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.\n\n7. Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 1]\n\nNamens [de benadeelde partij 1] is een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\ningediend. Hij werd daarin bijgestaan door [medewerker] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij dient gelet op de bepleite vrijspraak primair niet ontvankelijk te worden verklaard.\n\nSubsidiair dient deze te worden gematigd naar een bedrag van € 1.000 omdat de vergelijkbare strafzaken die ter onderbouwing van de vordering zijn opgenomen veel heftiger zijn en daarom niet kunnen worden vergeleken met deze zaak. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om de hoofdelijkheidsclausule niet toe te passen omdat dan het risico bestaat dat één van de verdachten alles betaalt en dit niet kan verhalen op de medeverdachten. Daarom is het verzoek om de schadevergoeding te delen, hetgeen inhoudt dat iedere verdachte € 250 betaalt.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en wat op de zitting is besproken. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank overweegt dat, nu de immateriële schade bij uitspraak van 1 juli 2026 is vastgesteld, de wettelijke rente ook vanaf dat moment dient te gelden.\n\nAnders dan de verdediging heeft betoogd, zal de rechtbank niet afwijken van het wettelijke uitgangspunt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen voor het geheel aan schade.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad, namelijk wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing. De benadeelde partij die rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte en zijn mededaders, kan aanspraak maken op vergoeding van die schade. Op grond van artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle daders hoofdelijk verbonden tot het betalen van de gehele schade. De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag om van dit uitgangspunt af te wijken. Het is juist ook de bedoeling van de wetgever geweest indien er sprake is van twee of meer medeplegers, dat niet het slachtoffer achter de daders aan hoeft te gaan om ieders deel van de schade te innen, maar dat hij de totale schade kan verhalen bij ieder van hen. Het is dan aan de mededaders om onderling een regeling te treffen over de verdeling van de schade. De rechtbank zal dan ook bepalen dat indien een van de medeverdachten dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nDaarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nschadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen diefstal met geweld en medeplegen afpersing] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n7.1.2 Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 2]\n\nDe benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 83,43 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe materiële schade bestaat uit: - een fles shampoo ad € 6,99 - een borstel ad € 8,50 - een fles parfum Calvin Klein ad € 39,95 - een bus haarlak ad € 9,49 - een fles cremespoeling ad € 6,50 - 20 stuks sigaretten ad € 12,00\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het feit dat de onderbouwing van de materiële schade ontbreekt, deze moet worden geschat op € 50 en voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat deze niet is onderbouwd. Subsidiair heeft zij om niet-ontvankelijkheid van de vordering verzocht omdat de spullen waarvoor vergoeding is gevorderd, niet overeenkomen met de gestolen spullen die in de aangifte staan vermeld.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze niet is onderbouwd.\n\n8. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe volgende wetsartikelen zijn van toepassing:\n\n36f, 47, 77a, 77g 77m, 77n, 77gg, 282, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.\n\nBepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.\n\nVerklaart de verdachte hiervoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDTWINTIG (120) urentaakstraf, in de vorm van en werkstraf, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangendoor zestig (60) dagenjeugddetentie, met bevel dat een gedeelte grootzestig (60) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen doordertig (30) dagenjeugddetentie,nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de opéén (1) jaarbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.\n\nWijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van€ 1.600, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.\n\nBepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nVeroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.\n\nLegt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.600, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door0 dagengijzeling.\n\nBepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en\u002Fof de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen\n\nBepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.\n\nVerklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 2]niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.\n\nSamenstelling rechtbank en uitspraakdatum\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J. van Beek, voorzitter,\n\nmr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, allen (kinder)rechter,\n\nin tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8112","2026-07-13T00:29:42.172Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":43,"courtId":98,"decisionDate":99,"fullText":100,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":102},"1240","ECLI:NL:RBDHA:2026:18663","ecli-nl-rbdha-2026-18663",58,"2026-06-29T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F349330-25\n\nDatum uitspraak: 29 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteland],\n\n BRP-adres: [adres 1] te [woonplaats],\n\nop dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie] te [plaats].\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 2 april 2026 (pro forma) en 15 juni 2026 (inhoudelijk).\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.R. Knobbout en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.W. Vedder naar voren is gebracht.\n\nDe officier van justitie heeft op de terechtzitting van 15 juni 2026 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 juni 2026 - ten laste gelegd dat:\n\n1 hij op of omstreeks 16 april 2025 te Lisse, in elk geval in Nederland, in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 2], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag en\u002Fof bankpas(sen) en\u002Fof sieraden, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof dat\u002Fdie weg te nemen goed\u002Fgoederen onder zijn\u002Fhaar\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid, en\u002Fof door listige kunstgrepen en\u002Fof een samenweefsels van verdichtsels en\u002Fof een valse order, door\n\n- zich voor te doen als medewerker van fraude preventie en\u002Fof\n\n- die [benadeelde 1] te zeggen dat er vreemde transacties op de bankrekening van [benadeelde 1] zouden plaatsvinden en\u002Fof dat er een collega langs zou komen en\u002Fof woorden van gelijke aard of strekking en\u002Fof\n\n- bij de woning van die [benadeelde 1] langs te gaan en aldaar naar het ODIDO-kastje te vragen en\u002Fof foto’s te maken van een geldbedrag en\u002Fof bankpas(sen) en\u002Fof sieraden en\u002Fof vervolgens die goederen mee te nemen;\n\n 2 hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Geldrop, in elk geval in Nederland, in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 3], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) bankpas(sen) en\u002Fof sieraden, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof dat\u002Fdie weg te nemen goed\u002Fgoederen onder zijn\u002Fhaar\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid, en\u002Fof door listige kunstgrepen en\u002Fof een samenweefsels van verdichtsels en\u002Fof een valse order, door\n\n- zich voor te doen als medewerker van KPN en\u002Fof\n\n- die [benadeelde 2] te zeggen dat er fraude zou plaatsvinden en\u002Fof te zeggen dat er iemand (hiervoor) naar de woning zou komen en\u002Fof\n\n- bij de woning van die [benadeelde 2] langs te gaan en aldaar naar de meterkast te openen en\u002Fof te vragen naar sieraden en\u002Fof bankpas(sen) om te scannen en vervolgens die goederen mee te nemen;\n\n 3 hij op of omstreeks 1 december 2025 in Beekbergen, in elk geval in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in\u002Fuit een woning (gelegen aan de [adres 4]) weg te nemen geld en\u002Fof sieraden en\u002Fof bankpassen en\u002Fof (een) goed(eren) van zijn\u002Fhun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf\n\nte verschaffen en\u002Fof die\u002Fdat weg te nemen geld en\u002Fof goed(eren) van zijn\u002Fhun gading onder zijn\u002Fhun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en\u002Fof inklimming en\u002Fof door het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid, en\u002Fof door listige kunstgrepen en\u002Fof een samenweefsels van verdichtsels en\u002Fof een valse order, door, door\n\n- bij voornoemde woning aan te bellen en\u002Fof\n\n- te vragen om geld en\u002Fof\n\n- voornoemde woning te betreden\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\n3. De bewijsbeslissing\n\n3.1.. Inleiding\n\nDe verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij zich, al dan niet samen met een ander of anderen, heeft schuldig gemaakt aan twee diefstallen uit een woning en één poging daartoe. In alle gevallen werden oudere slachtoffers middels een babbeltruc \u002F (bank)helpdeskfraude bewogen tot afgifte van sieraden, bankpassen en\u002Fof andere goederen.\n\n3.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.\n\n3.3.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.4.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.\n\n3.5.. Bewijsoverwegingen\n\nDe rechtbank is met betrekking tot het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigd zijn bewezen.\n\nSchakelbewijs\n\nDe rechtbank stelt allereerst het volgende vast. De verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van twee diefstallen uit een woning en één poging daartoe met een zogenaamde babbeltruc\u002F(bank)helpdeskfraude. Voor elk van die zaken moet dus wettig en overtuigend bewijs bestaan voor zowel het medeplegen als de diefstal.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan andere, soortgelijke feiten, onder omstandigheden is toegelaten als steunbewijs (in de vorm van zogenoemd schakelbewijs). Voor een bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte.\n\nBij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende manier van werken (modus operandi) kunnen worden betrokken de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen die feiten zich hebben voorgedaan, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het betreffende handelen van de verdachte alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Het bewijs in elk van de zaken kan over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nDe rechtbank stelt vast dat elk van de ten laste gelegde diefstallen volgens dezelfde modus operandi is gepleegd met een zogenoemde babbeltruc.In alle zaken werden de aangevers eerst gebeld door een persoon waarna zij aan huis door een persoon werden opgezocht. Bij de feiten 1 en 2 werden de aangevers gebeld door een vrouw die zou werken bij de fraudepreventie van een telecombedrijf en zich “[valse naam]” noemde. Aan de aangevers werd meegedeeld dat er iets mis was met hun bankrekeningen\u002Fbankpassen en hun internetverbinding en dat er daarom iemand langs zou komen bij de aangevers om te controleren of alles in orde was. Vervolgens is een man bij de aangevers langsgekomen die zich voordeed als iemand van het telecombedrijf, waarna sieraden, bankpassen en andere goederen van de aangevers werden weggenomen. Hoewel bij feit 3 de verklaring van de aangeefster, goed mogelijk vanwege haar dementie, minder gedetailleerd is, kan uit de door haar geschetste gang van zaken min of meer dezelfde modus operandi worden afgeleid. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de persoon die in de woningen van de aangevers is geweest bij feit 1 en feit 3, gebruik heeft gemaakt van een huurauto van dezelfde organisatie. De drie aangevers hebben voorts een gelijkluidend signalement van de persoon opgegeven die in hun woningen is geweest.\n\nDe omstandigheid dat de modus operandi in de verschillende zaken op essentiële punten hetzelfde is, zoals hierboven uiteengezet, maakt dat bij elk van de aan de orde zijnde ten laste gelegde zaken het bewijs uit die andere zaken (ook) kan worden gebruikt (namelijk als steunbewijs). Dat zal de rechtbank ook doen.\n\nMet betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij elk van de ten laste gelegde zaken merkt de rechtbank daarnaast het volgende op.\n\nDe verdachte komt grotendeels overeen met het door de aangevers opgegeven signalement.\n\nTen aanzien van feit 1 is uit diverse camerabeelden van nabij gelegen woningen gebleken dat rond het tijdstip van het incident een persoon die gelijkenissen met de verdachte vertoont, in de richting van de woning van de aangeefster is gelopen en even later weer terugliep. Voorts is op de camerabeelden een huurauto van MyWheels te zien die door de verdachte is gehuurd.\n\nTen aanzien van feit 2 werd een dag na het incident een weggenomen iPad naast een container aangetroffen. Op de iPad werd een vingerafdruk en een DNA-spoor van de verdachte aangetroffen.\n\nVoor feit 3 werd de persoon die in de woning van de aangeefsters is geweest op heterdaad betrapt door de zoon en schoondochter van de aangeefster. De schoondochter heeft een foto van de persoon die in de woning van de aangeefster is geweest gemaakt en een verbalisant heeft deze persoon herkend als de verdachte. Tevens maakte deze persoon gebruik van een huurauto en na onderzoek is gebleken dat deze auto werd gehuurd door de verdachte. Voorts is uit de historische gegevens van het mobiele telefoonnummer van de verdachte gebleken dat zijn telefoonnummer ten tijde van het incident een basisstation in de buurt van het plaats delict heeft aangestraald.\n\nMedeplegen\n\nUit de bewijsmiddelen volgt voorts dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander. De aangevers werden immers eerst gebeld door een ander persoon en stonden ten tijde van het plegen van de diefstallen door de verdachte ook telkens in telefonisch contact met die persoon. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat dergelijke babbeltrucs alleen kunnen slagen als sprake is van een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen. Dat geldt vooral omdat er op bepaalde momenten snel geschakeld moet worden tussen de beller en ophaler, wil een dergelijke fraude lukken.\n\nDe rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.\n\nProceshouding van de verdachte\n\nUit het vorenstaande blijkt dat in het dossier diverse en in hoge mate belastende feiten en omstandigheden tegen de verdachte aanwezig zijn. Deze belastende feiten en omstandigheden tezamen schreeuwen om een uitleg van de verdachte. Die uitleg is niet gekomen. De verdachte heeft zich telkens op zijn zwijgrecht beroepen. De verdachte heeft het recht om dat te doen, maar daarmee heeft hij geen aannemelijke verklaring gegeven voor de omstandigheden die redengevend zijn voor het bewijs voor het hem ten laste gelegde. De rechtbank houdt hier rekening mee bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten.\n\nConclusie\n\nOp grond van het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.6.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1 hij op 16 april 2025 te Lisse, in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 2], tezamen en in vereniging met een ander, bankpas en sieraden, die aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid, en door listige kunstgrepen en een samenweefsels van verdichtsels, door\n\n- zich voor te doen als medewerker van fraude preventie en\n\n- die [benadeelde 1] te zeggen dat er vreemde transacties op de bankrekening van [benadeelde 1] zouden plaatsvinden en dat er een collega langs zou komen en woorden van gelijke aard of strekking en\n\n- bij de woning van die [benadeelde 1] langs te gaan en aldaar naar het ODIDO-kastje te vragen en foto’s te maken van een geldbedrag en bankpassen en sieraden en vervolgens die goederen mee te nemen;\n\n 2 hij op 26 maart 2025 te Geldrop, in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 3], tezamen en in vereniging met een ander, bankpassen en sieraden, die aan [benadeelde 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid, en door listige kunstgrepen en een samenweefsels van verdichtsels, door\n\n- zich voor te doen als medewerker van KPN en\n\n- die [benadeelde 2] te zeggen dat er fraude zou plaatsvinden en te zeggen dat er iemand hiervoor naar de woning zou komen en\n\n- bij de woning van die [benadeelde 2] langs te gaan en aldaar naar de meterkast te openen en te vragen naar sieraden en bankpassen om te scannen en vervolgens die goederen mee te nemen;\n\n 3 hij op 1 december 2025 in Beekbergen,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 4] weg te nemen geld en sieraden, toebehorende aan [benadeelde 3], en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen geld en goederen onder hun bereik te brengen door het aannemen van een valse hoedanigheid, en door listige kunstgrepen en een samenweefsels van verdichtsels, door\n\n- bij voornoemde woning aan te bellen en\n\n- te vragen om geld en\n\n- voornoemde woning te betreden\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De strafoplegging\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en het verplicht zoeken naar en behouden van een zinvolle dagbesteding.\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van zijn voorarrest op te leggen. Voorts heeft de raadsman opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nDe ernst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van twee diefstallen uit een woning en een poging daartoe. Door middel van babbeltrucs, zogenaamde (bank)helpdeskfraude, zijn van meerdere oudere slachtoffers, sommige zelfs (hoog)bejaard, op slinkse en schaamteloze wijze geld, sieraden, bankpassen en andere goederen bemachtigd. Dit zijn ernstige feiten die, naast financiële schade, veel overlast en gevoelens van onmacht, schaamte en onveiligheid bij de slachtoffers teweeg hebben gebracht. Van de slachtoffers zijn sieraden weggenomen, of dat is geprobeerd, die voor hen van onvervangbare emotionele waarde waren. Ook is het vertrouwen van de slachtoffers ernstig misbruikt en geschaad. Het is extra kwalijk dat juist oudere mensen doelbewust tot slachtoffer zijn gemaakt, vanwege hun grote kwetsbaarheid en afhankelijkheid.\n\nBabbeltrucs\u002F(bank)helpdeskfraude is een steeds meer voorkomende vorm van criminaliteit die voor de verdachten op relatief gemakkelijke wijze zeer lucratief kan zijn. Het was de verdachte die op pad is gegaan om geld, bankpassen, sieraden en andere goederen bij de slachtoffers op te halen. De verdachte heeft daarmee een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de genoemde babbeltrucs. De verdachte heeft kennelijk enkel en alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin en zich niet bekommerd om de slachtoffers.\n\nHet strafblad van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 mei 2026. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.\n\nDe op te leggen straf\n\nGelet op het aantal bewezenverklaarde feiten, de ernst daarvan en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Tevens heeft de rechtbank rekening gehouden met de proceshouding van de verdachte. Hij heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht en geen verantwoordelijkheid genomen met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten.\n\nDe rechtbank acht daarnaast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Gelet op de persoon van de verdachte acht de rechtbank ook begeleiding door de reclassering en de verplichting tot het zoeken naar en het behouden van een zinvolle dagbesteding als bijzondere voorwaarden geïndiceerd.\n\nAl met al acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nGelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen redenen om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.\n\n7. De vordering van de benadeelde partij\u002Fde schadevergoedingsmaatregel\n\n [benadeelde 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij voor een bedrag van\n\n€ 7.735,- , bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDoor de benadeelde partij heeft een bedrag van € 385,- gevorderd onder het kopje “immateriële schade”, bestaande uit haar eigen bijdrage voor de kosten van een psychiater. De rechtbank verstaat de vordering zo dat deze op dit onderdeel betrekking heeft op de vergoeding van materiële schade, nu het gaat om een vergoeding voor gemaakte kosten.\n\n7.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDaarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank een door haar te bepalen bedrag als schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte zal opleggen ter zake van immateriële schade.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, gelet op de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering tot vergoeding van materiele schade, is door de benadeelde partij niet onderbouwd. De benadeelde partij alsnog de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nDit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, ter zake van de immateriële schade een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen. De rechtbank ziet in het schadeformulier geen, althans onvoldoende aanknopingspunten om de vordering van de benadeelde partij zo te begrijpen dat een vordering tot vergoeding van immateriële schade is ingediend. Bij gebreke van een vordering die betrekking heeft op die schadepost, is er ook geen grond voor de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Dit daargelaten dat denkbaar is dat de benadeelde partij wel immateriële schade heeft geleden. Dat echter, is daarvoor onvoldoende.\n\n8. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6. bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feit 1\n\ndiefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels;\n\nten aanzien van feit 2\n\ndiefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels;\n\nten aanzien van feit 3\n\npoging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels;\n\nverklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 15 (VIJFTIEN) MAANDEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 3 (DRIE) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op2 (TWEE) JARENvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nen onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland te Rotterdam op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;\n\n- zich gedurende de proeftijd verplicht inspant voor het vinden en behouden van een dagbesteding, zoals betaald werk, onbetaald werk, dan wel een opleiding met een vaste structuur;\n\ngeeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;\n\nwijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1]niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. R.P. van der Weide, voorzitter,\n\nmr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,\n\nmr. C. Hofman, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18663","2026-07-13T00:29:11.657Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":107,"fullText":108,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":110},"1228","ECLI:NL:RBROT:2026:8070","ecli-nl-rbrot-2026-8070","2026-06-23T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10\u002F089597-22 en 10\u002F243807-21 (gevoegd ter terechtzitting)\n\nDatum uitspraak: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. A.H.J. Strak\n\nOfficier van justitie: mr. R.J.E. Planken\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft een woninginbraak gepleegd en 5,1 gram cocaïne vervoerd. De rechtbank veroordeelt de verdachte voor deze feiten tot een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 12 dagen. Daarnaast wordt aan de verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 100 uren. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\nhij op of omstreeks 8 april 2022 te Krimpen aan den IJssel,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\nin een woning, te weten een woning gelegen aan de [adres 2] te Krimpen aan den IJssel, alwaar verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),\n\neen hoeveelheid contant geld, een of meerdere waardebonnen, een autosleutel en\u002Fof een fietssleutel, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n)\n\nheeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,\n\nterwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof die weg te nemen goederen onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbreking en\u002Fof inklimming.\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nhij op of omstreeks 11 september 2021 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 7,01 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het ten laste gelegde vervoer van de cocaïne. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte beide feiten heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.2.3.2.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\nhij op of omstreeks8 april 2022 te Krimpen aan den IJssel,\n\ntezamen en in vereniging met een of meeranderen,althans alleen\n\nin een woning, te weten een woning gelegen aan de [adres 2] te Krimpen aan den IJssel, alwaar verdachte en\u002Fofzijn mededader(s)zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),\n\neen hoeveelheid contant geld, een ofmeerdere waardebonnen, een autosleutel en\u002Fofeen fietssleutel,in elk geval enig goed, diegeheel of ten deleaan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s)toebehoorde(n)\n\nheeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,\n\nterwijl verdachte en\u002Fofzijn mededader(s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijfheeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fofdie weg te nemen goederen onderzijn\u002Fhun bereikheeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbrekingen\u002Fofinklimming.\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nhij op of omstreeks11 september 2021 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fofvervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 7,01 gram, in elk gevaleen hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\ndiefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 100 uur.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht geen gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen van een langere duur dan de tijd die hij al heeft doorgebracht in voorarrest en daarnaast eventueel een taakstraf.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woninginbraak. Dit is een ernstig feit. Het moet heel beangstigend zijn geweest voor de bewoner om te ontdekken dat vreemden zijn woning zijn binnengedrongen en daar goederen hebben gestolen. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van harddrugs. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen zoals cocaïne grote risico’s voor de gezondheid oplevert. De verspreiding van en handel in drugs gaan bovendien gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en geweld. Met zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit ernstige maatschappelijke probleem.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een poging tot woninginbraak en voor overtreding van de Opiumwet. Daarnaast houdt de rechtbank er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van de Reclassering Nederland staat het volgende.\n\nDe verdachte heeft niet mee willen werken aan het opstellen van het reclasseringsadvies en daardoor is er weinig zicht op de criminogene factoren van de verdachte. Uit dossieronderzoek en de politieverklaring van de verdachte komt naar voren dat bij de verdachte mogelijk sprake is van problemen op het gebied van financiën, het ontbreken van een zinvolle dagbesteding en een negatief sociaal netwerk. Bovendien zijn er ook signalen van middelengebruik. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen aan de verdachte, omdat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval in de zaak met parketnummer 10\u002F089597-22 gestart op 9 april 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. In de zaak met parketnummer 10\u002F243807-21 is de redelijke termijn gestart op 12 september 2021, omdat de verdachte toen als verdachte is gehoord. Tot aan de datum van dit vonnis is in beide zaken een periode van ruim 4 jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaken twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.4.3.4.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nBij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in\n\nvergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het\n\nbepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Alles afwegend vindt de rechtbank, net als de officier van justitie, een combinatie van een taakstraf en een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend.\n\nAan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 12 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 100 uur.\n\n5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag dat in beslag is genomen in de zaak met parketnummer 10\u002F243807-21 verbeurd moet worden verklaard en dat de voorwerpen die in de zaak met parketnummer 10\u002F089597-22 in beslag zijn genomen, moeten worden teruggeven aan de rechthebbende.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nVerbeurdverklaring\n\nAls bijkomende straf voor het onder parketnummer 10\u002F243807-21 ten laste gelegde wordt het in beslag genomen geldbedrag van € 420,- verbeurdverklaard, omdat dit geldbedrag door middel van het strafbare feit is verkregen.5.3.2.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist tot de teruggave van € 27,20,-, 2 STK Waardebon, 1 STK Munt, 1 STK Foto en 1 STK Manchetknoop aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [slachtoffer] . Deze voorwerpen zijn in beslag genomen onder parketnummer 10\u002F089597-22.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummers 10\u002F089597-22 en 10\u002F243807-21, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen en maatregel\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 100 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n- verklaart € 420,-verbeurd voor het feit onder parketnummer 10\u002F243807-21;\n\n- beveelt de teruggave van € 27,20,-, 2 STK Waardebon, 1 STK Munt, 1 STK Foto en 1 STK Manchetknoop aan de rechthebbende.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 juni 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8070","2026-07-13T00:29:11.097Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":115,"fullText":116,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":117,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":50,"updatedAt":118},"1817","ECLI:NL:RBROT:2026:7838","ecli-nl-rbrot-2026-7838","2026-06-12T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10-061694-26, 10-047995-26 (ttz. gev.) en 10-060894-26 (ttz. gev.)\n\nParketnummers vorderingen tenuitvoerlegging (TUL): 10-194455-25 en 10-257926-25\n\nDatum uitspraak: 12 juni 2026\n\nDatum zitting: 12 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1978 op [geboorteland] ,\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in Detentiecentrum [verblijfsplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S. Ben Ahmed\n\nOfficier van justitie: mr. N. van der Meij\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte is binnen twee weken tijd drie keer winkels binnengegaan terwijl hij voor die winkels een winkelverbod had. Bij een van die keren heeft hij zich ook schuldig gemaakt aan diefstal. Hij deed dit telkens omdat hij in de winkels lege flessen wilde inleveren. De spullen die hij in een van de winkels stal waren lege flessen (die bij de sap-automaat stonden). De verdachte is verslaafd en heeft psychische problemen. Hij is al vele maken veroordeeld voor diefstallen e.d.\n\nAan de verdachte wordt een gevangenisstraf voor de duur van zes weken opgelegd.\n\nDe proeftijd van een ingediende vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken wordt verlengd, met toevoeging van een nieuwe bijzondere voorwaarde.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – goederen heeft gestolen en driemaal wederrechtelijk een besloten lokaal is binnengedrongen.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna ook beschuldiging) houdt in dat de verdachte\n\nParketnummer 10-061694-26\n\n1.\n\nop of omstreeks 27 februari 2026 te Rotterdam één of meer flessen, in elk geval enige goederen, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Albert Heijn gevestigd aan [adres 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n2.\n\nop of omstreeks 27 februari 2026 te Rotterdam in het besloten lokaal gevestigd aan [adres 2] bij Albert Heijn, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 14 januari 2026 schriftelijk de toegang tot die Albert Heijn ontzegd voor de duur van 24 maanden;\n\nParketnummer 10-047995-26\n\nop of omstreeks 16 februari 2026 te Rotterdam, in het besloten lokaal aan de [adres 3] bij Albert Heijn, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 14 januari 2026 schriftelijk de toegang tot die Albert Heijn ontzegd voor de duur van 24 maanden;\n\nParketnummer 10-060894-26\n\nop of omstreeks 24 februari 2026 te Rotterdam, in het besloten lokaal [adres 4] bij de Lidl, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 18 januari 2026 schriftelijk de toegang tot die winkel ontzegd voor de duur van 12 maanden.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de feiten waarvan de verdachte wordt beschuldigd worden bewezen verklaard.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs van de tenlastegelegde feiten. De tenlastegelegde feiten zijn door de verdachte bekend.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10-061694-26\n\nFeit 1\n\nde verdachte op 27 februari 2026 te Rotterdam flessen die aan Albert Heijn gevestigd aan [adres 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nFeit 2\n\nde verdachte op 27 februari 2026 te Rotterdam in het besloten lokaal gevestigd aan [adres 2] , bij Albert Heijn in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 14 januari 2026 schriftelijk de toegang tot die Albert Heijn ontzegd voor de duur van 24 maanden;\n\nParketnummer 10-047995-26\n\nde verdachte op 16 februari 2026 te Rotterdam, in het besloten lokaal aan de [adres 3] , bij Albert Heijn in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 14 januari 2026 schriftelijk de toegang tot die Albert Heijn ontzegd voor de duur van 24 maanden;\n\nParketnummer 10-060894-26\n\nde verdachte op 24 februari 2026 te Rotterdam, in het besloten lokaal [adres 4] , bij de Lidl in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 18 januari 2026 schriftelijk de toegang tot die winkel ontzegd voor de duur van 12 maanden.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10-061694-26 feit 1\n\ndiefstal;\n\nParketnummers 10-061694-26 feit 2, 10-047995-26 en 10-060894-26, telkens\n\nin het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de tenlastegelegde feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken, met aftrek van voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nEen gevangenisstraf van maximaal de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht is passend.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte is in twee weken tijd drie keer een winkel binnengegaan waarvoor hij een winkelverbod had. Hij deed dit om lege flessen in te leveren. Verder heeft hij in een van die winkels lege flessen die bij de sap-automaat stonden gestolen, met de bedoeling om die flessen voor statiegeld in te leveren.\n\nDe verdachte kreeg de winkelverboden omdat hij eerder diefstallen had gepleegd in de betreffende winkels. Om dat te voorkomen willen de eigenaren hem daar niet meer binnen hebben. De verdachte heeft hier lak aan gehad, wat hinderlijk is en voor overlast zorgt en hem er in een van de gevallen opnieuw toe heeft gebracht om te stelen.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder meermaals onherroepelijk is veroordeeld, onder meer tot gevangenisstraffen, voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nHet strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 1 juni 2026 staat het volgende.\n\nDe verdenkingen passen in een patroon van eerdere veroordelingen in 2024 en 2025 voor soortgelijke feiten, te weten verwervingsdelicten om met name in het middelengebruik te kunnen voorzien. In oktober 2025 heeft de verdachte reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden opgelegd gekregen. Vanwege detentie is de start van de executie van dit toezicht verschoven naar eind december 2025. Daarna is het reclasseringstoezicht per half februari 2026 toegewezen aan een toezichthouder. Zij heeft echter geen contact met de verdachte kunnen leggen vanwege zijn dakloosheid. Zij heeft wel enige acties voor de verdachte ondernomen, waaronder het regelen van huisvesting. Nu de verdachte weer in beeld is en de verwachting is dat hij dit ook blijft, adviseert de reclassering om alsnog vorm te geven aan het eerder opgelegde reclasseringstoezicht. Daarbij is een aanvulling op de reeds geldende bijzondere voorwaarden gericht op dagbesteding passend. Na detentie is er een geschikte woonplek voor de verdachte beschikbaar bij de beschermde woonvorm [woonlocatie] van [zorginstelling] . Het risico op recidive en het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan is rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Ook is rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Daarom wordt een gevangenisstraf van zes weken opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.5. Voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank zal het bevel voorlopige hechtenis met ingang van heden opheffen, omdat de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf korter is dan de tijd die hij inmiddels in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Deze beslissing is afzonderlijk vastgelegd.6. Vorderingen tot tenuitvoerlegging6.1.. \n\nVorderingen\n\nDe officier van justitie heeft twee vorderingen ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte bij vonnissen van respectievelijk 30 juni 2025 en 3 oktober 2025 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen van twee weken (parketnummer 10-194455-25) en vier weken (parketnummer 10-257926-25), omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering in de zaak met parketnummer 10-194455-25 moet worden afgewezen.\n\nDe vordering in de zaak met parketnummer 10-257926-25 moet worden afgewezen. De proeftijd moet worden verlengd en de bijzondere voorwaarden moeten worden gewijzigd.6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering in de zaak met parketnummer 10-194455-25 moet worden afgewezen. De vordering in de zaak met parketnummer 10-257926-25 moet worden afgewezen en de proeftijd moet worden verlengd zodat de bijzondere voorwaarden blijven gelden en de nieuw voorgestelde bijzondere voorwaarde hieraan kan worden verbonden.6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe nu bewezen feiten zijn tijdens de beide proeftijden gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan de beide voorwaardelijke veroordelingen verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zal plegen.\n\nDe rechtbank ziet toch af van de gevorderde tenuitvoerleggingen, omdat dit gelet op de problematiek van de verdachte niet passend is. Beide vorderingen worden dus afgewezen.\n\nHet is wel nodig de proeftijd in de zaak met parketnummer 10-257926-25 te verlengen met 1 jaar en de bijzondere voorwaarden uit te breiden. Dit is van belang om de verdachte de verdere ondersteuning te bieden die hij nodig heeft. De reclasseringsinstelling die belast is met het toezicht op de bijzondere voorwaarden wordt gewijzigd en als bijzondere voorwaarde wordt toegevoegd dat de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van een dagbesteding.7. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van de straf is gebaseerd op de artikelen 57, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.8. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 10-061694-26 en de feiten in de zaken met de parketnummers 10-047995-26 en 10-060894-26, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes weken;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van vandaag;\n\nTenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-194455-25)\n\nwijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 30 juni 2025 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;\n\nTenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-257926-25)\n\nwijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 3 oktober 2025 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;\n\nverlengt de proeftijd van de bij dit vonnis opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met 1 jaar;\n\nwijzigt de voorwaarden verbonden aan de in dit vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, als volgt:\n\nin de eerste voorwaarde wordt ‘Fivoor reclassering, op Marconistraat 2, 3029 AK te Rotterdam’ vervangen door ‘Fivoor reclassering op de Westerstraat 5-9 te Rotterdam’;\n\nde volgende bijzondere voorwaarde wordt toegevoegd: ‘dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald of onbetaald werk, met een vaste structuur’.9. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,\n\nen mrs. L. Feraaune en H. Wielhouwer, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 12 juni 2026.\n\nMrs. L. Feraaune en H. Wielhouwer zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7838","2026-07-13T00:29:40.237Z",{"id":120,"ecli":121,"slug":122,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":123,"fullText":124,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":126,"parsedAt":50,"updatedAt":127},"1565","ECLI:NL:RBAMS:2026:6632","ecli-nl-rbams-2026-6632","2026-06-02T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeam Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F149909-23\n\nDatum uitspraak: 2 juni 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende op het adres [adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 mei 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. J.J. Veldheer, en M.C.E.A. Kloosterman, en de heer [naam] , namens de benadeelde partij [naam stichting 1] , naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\ndiefstal van 118 dozen (medische) nietjes van [naam stichting 1] (hierna: [naam stichting 1]) in de periode van 1 juli 2022 tot en met 17 januari 2023 in Amsterdam;\n\ndiefstal van 1500 tot 2000 dozen (medische) nietjes van [naam stichting 2] (hierna: [naam stichting 2]) in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 januari 2023 in Heerlen en\u002Fof Sittard-Geleen;\n\nopzet\u002Fschuldheling van 26 dozen (medische) nietjes in de periode van 20 september 2022 tot en met 10 januari 2023 in Heerlen en\u002Fof Sittard-Geleen en\u002Fof Achterveld.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\n3. Waardering van het bewijs3.1.. Het standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nTen aanzien van feit 3 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij de dozen medische nietjes heeft gestolen en daardoor niet ook kan worden veroordeeld wegens heling van deze nietjes.\n\nDe officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat het ten laste gelegde onder 1 en 2 kan worden bewezen.\n\nVerdachte moet van de onder 2 ten laste gelegde aantallen van 1500 – 2000 dozen partieel worden vrijgesproken, omdat deze hoeveelheid onvoldoende uit het procesdossier blijkt.\n\n3.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte voor het onder feit 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat hij de dozen medische nietjes heeft gestolen en daardoor niet ook kan worden aangemerkt als heler.\n\nTen aanzien van feit 1 en feit 2 verzoekt de verdediging verdachte partieel vrij te spreken ten aanzien van de ten laste gelegde aantallen van respectievelijk 118 dozen en 1500 – 2000 dozen, omdat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld hoeveel weggenomen dozen oorspronkelijk aan het [naam stichting 1] , danwel het [naam stichting 2] , toebehoorden.\n\n3.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage IIvan dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.\n\nTen aanzien van feit 1 en feit 2\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, binnen de ten laste gelegde periode, een hoeveelheid dozen met medische nietjes die toebehoorden aan het [naam stichting 1] en het [naam stichting 2] heeft gestolen. Verdachte heeft verklaard dat hij de dozen heeft weggenomen uit verschillende ziekenhuizen, met de bedoeling om die te verkopen. De rechtbank kan echter niet vaststellen hoeveel weggenomen dozen oorspronkelijk toebehoorden aan het [naam stichting 1] en het [naam stichting 2] . De door [leverancier] aan het ziekenhuis geleverde dozen met medische nietjes hebben weliswaar LOT-nummers, maar deze LOT-nummers zijn niet uniek per doos. Daardoor is het mogelijk dat dozen met dezelfde LOT-nummers aan verschillende ziekenhuizen zijn geleverd. Er is dan ook niet vast te stellen welke doos bij welk ziekenhuis vandaan komt. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken ten aanzien van de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde aantallen dozen.\n\nTen aanzien van feit 3\n\nVerdachte heeft in de ten laste gelegde periode 26 dozen medische nietjes verworven, voorhanden gehad en overgedragen door deze dozen uit verschillende ziekenhuizen weg te nemen en te leveren aan zijn broer. Tijdens de verwerving en het voorhanden krijgen van de dozen wist verdachte dat deze uit misdrijf afkomstig waren. Het ten laste gelegde kan dan ook worden bewezen.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte\n\nTen aanzien van feit 1:in de periode van 1 juli 2022 tot en met 17 januari 2023 te Amsterdam dozen medische nietjes behorende bij [het merk laparoscopisch instrument] , die aan [naam stichting 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nTen aanzien van feit 2:in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 januari 2023 te Heerlen dozen medische nietjes behorende bij [het merk laparoscopisch instrument] die aan [naam stichting 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nTen aanzien van feit 3:\n\nin de periode van 20 september 2022 tot en met 10 januari 2023 te Heerlen en Achterveld gemeente Leusden, 26 dozen medische nietjes behorende bij [het merk laparoscopisch instrument] heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nTen aanzien van feit 3\n\nDe rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van dozen medische nietjes (feiten 1 en 2). Het is vaste rechtspraak dat de omstandigheid dat iemand een helingshandeling als genoemd in de artikelen 416 of 417bis van het Wetboek van Strafrecht verricht ten aanzien van een voorwerp dat hij zelf als pleger door misdrijf heeft verkregen aan de kwalificatie heling in de weg staat. Dat betekent dat het bewezenverklaarde onder 3 niet gekwalificeerd kan worden als heling en derhalve geen strafbaar feit oplevert, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nDe overige bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1 en 2 is niet aannemelijk geworden.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Motivering van de straffen en maatregelen7.1.. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.\n\n7.2.. Het strafmaatverweer van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en acht te slaan op de inhoud van het reclasseringsrapport. Daarnaast verzoekt de verdediging om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\n7.3.1.. \n\nErnst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van medische nietjes. Verdachte heeft door zijn handelen ernstig en schaamteloos misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de ziekenhuizen en haar medewerkers in hem stelden. Hij heeft toegang gehad tot de operatiekamers van meerdere ziekenhuizen. Hij heeft daar op verschillende momenten voorraadlades opengetrokken en dozen met (kostbare) medische nietjes gepakt en mee naar zijn kantoor aan huis genomen. Door grote hoeveelheden dozen te ontvreemden heeft verdachte bewust tekorten bij de ziekenhuizen veroorzaakt. Vervolgens heeft hij geprobeerd om de door hem gestolen dozen, via de onderneming van zijn broer, aan de ziekenhuizen terug te verkopen. Dat is ook gelukt, op het moment dat bij het [naam stichting 2] een tekort aan nietjes was ontstaan en er snel moest worden geleverd. Gedurende dit hele proces is verdachte enkel gedreven door zijn verlangen naar financieel gewin. Verdachte heeft hierbij geen rekening gehouden met het belang van de patiënten en de voortgang van medische ingrepen, die afhankelijk is van de beschikbare voorraden. Daarbij komt dat Nederland al kampt met hoge zorgkosten en dat door het handelen van verdachte deze kosten alleen maar toenemen.\n\n7.3.2.. \n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 27 maart 2025. Hieruit blijkt dat verdachte zelf hulp van De Waag heeft ingeschakeld en een behandeling heeft gevolgd voor onder andere het verwerken van zijn trauma’s en zijn delictgedrag. De reclassering adviseert negatief ten aanzien van het opleggen van een gevangenisstraf, omdat hij als eigenaar een belangrijke rol heeft in zijn bedrijf.\n\n7.3.3.. \n\nHet benadelingsbedrag\n\nAllereerst staat vast dat verdachte via [naam bedrijfsrecherche] 118 dozen aan het [naam stichting 1] heeft gegeven. Daarnaast heeft verdachte een levering gedaan van 4 dozen aan het [naam stichting 1] en 26 dozen aan het [naam stichting 2] . Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij nog een paar dozen thuis had staan die hij heeft weggegooid. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat het dus om minimaal 150 dozen gaat, die verdachte heeft weggenomen. Op basis van de door het [naam stichting 1] ter terechtzitting gegeven toelichting dat het [naam stichting 1] voor een doos medische nietjes € 2.164,- betaalde, het gegeven dat de onderneming van de broer van verdachte dozen aan het [naam stichting 2] heeft verkocht voor € 1.300,- per stuk en de omstandigheid dat verdachte heeft verklaard dat hij een lager bedrag dan [leverancier] wilde rekenen, gaat de rechtbank uit van een kostprijs van € 2.164,- per doos medische nietjes. Het totale benadelingsbedrag komt, uitgaande van 150 gestolen dozen, dan neer op minimaal\n\n€ 324.600,-.\n\n7.3.4.. \n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de landelijke Oriëntatiepunten voor Strafoplegging die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken. Gezien de aard van het bewezenverklaarde, zoals overwogen onder rubriek 7.3.1, en het feit dat verdachte door zijn handelen de gemeenschap heeft benadeeld sluit de rechtbank aan bij de oriëntatiepunten voor fraude. Het oriëntatiepunt voor fraude met een benadelingsbedrag tussen € 250.000,- en € 500.000,- is, bij een first offender, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden. Dit neemt de rechtbank in overweging bij de keuze tot het al dan niet opleggen van een vrijheidsbenemende straf.\n\nDe rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 11 februari 2026, waaruit is gebleken dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Daarnaast weegt de rechtbank bij het bepalen van de straf mee dat de bewezenverklaarde feiten dateren uit 2022 en 2023 en dus al wat langer geleden zijn. Daarbij komt ook dat verdachte uit zichzelf bij [naam bedrijfsrecherche] heeft verklaard dat hij niet alleen bij het [naam stichting 1] heeft gestolen, maar ook bij het [naam stichting 2] . Hierdoor is de diefstal bij het [naam stichting 2] aan het licht gekomen.\n\nDaarnaast acht de rechtbank het in het onderhavige geval belangrijk dat de door verdachte veroorzaakte schade - waarover meer bij de bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen - zoveel mogelijk door hem hersteld wordt. Doordat de maatschappij door het handelen van verdachte financieel is benadeeld, is de maatschappij er meer bij gebaat als verdachte bijdraagt aan het herstel. Verdachte moet daartoe met zijn huidige financiële positie ook toe in staat worden geacht, maar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dat mogelijk doorkruisen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank ziet wel aanleiding om af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Om de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen zal de rechtbank een langere voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan is geëist.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen, te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Aan de proeftijd worden de algemene voorwaarden verbonden.\n\n8. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel8.1.. Benadeelde partij [naam stichting 1]\n\nDe benadeelde partij [naam stichting 1] vordert € 261.447,37 aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit is inclusief een vergoeding voor de kosten die het [naam stichting 1] aan [naam bedrijfsrecherche] heeft moeten betalen, ter hoogte van € 31.998,71.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering kan worden toegewezen.\n\nDe hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De verdediging heeft primair een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van het [naam stichting 1] in de vordering, omdat het uittreksel van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) ontbreekt, waardoor niet kan worden vastgesteld of de heer [naam] op correcte wijze is gemachtigd. Subsidiair stelt de verdediging dat het [naam stichting 1] in de vordering niet-ontvankelijk is, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en meer subsidiair een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de gehele vordering moet worden afgewezen, danwel niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het schadebedrag met betrekking tot de weggenomen nietjes en de kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] onvoldoende zijn onderbouwd. De verdediging stelt daarbij dat de (terug)gegeven nietjes alsnog gebruikt kunnen worden waardoor het [naam stichting 1] ten aanzien van de weggenomen nietjes geen schade heeft.\n\nTen aanzien van het primaire standpunt van de verdediging overweegt de rechtbank dat voldoende duidelijk is dat de heer [naam] gemachtigd is om de vordering namens het [naam stichting 1] in te dienen. De schriftelijke vordering benadeelde partij bevat als bijlage een door de voorzitter van de Raad van Bestuur ondertekende machtiging. De omstandigheid dat een uittreksel van de KvK bij de huidige stukken ontbreekt – terwijl het [naam stichting 1] dit uittreksel kennelijk wel aan het Openbaar Ministerie had doen toekomen – maakt niet dat de rechtbank redenen heeft om aan deze machtiging te twijfelen. [naam stichting 1] kan dan ook in haar vordering worden ontvangen.\n\nDe rechtbank overweegt ten aan aanzien van de bruikbaarheid van de (terug)gegeven dozen dat deze, gelet op de uitleg van het [naam stichting 1] (ter terechtzitting) en [leverancier] (schriftelijk), niet meer voor operaties gebruikt kunnen worden. De rechtbank acht dit ook aannemelijk.\n\nVast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank kan de exacte hoeveelheid bij het [naam stichting 1] weggenomen dozen niet vaststellen. Zij zal daarom bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek.\n\nZoals eerder overwogen gaat de rechtbank uit van een totaal benadelingsbedrag (van alle ziekenhuizen) van € 324.600,-. Verdachte heeft verklaard dat hij dozen bij drie verschillende ziekenhuizen heeft weggenomen, namelijk het [naam stichting 1] , het [naam stichting 2] en het [naam ziekenhuis] , en dat hij het grootste deel van de dozen heeft weggenomen bij het [naam stichting 1] . Op basis van de verklaring van verdachte gaat de rechtbank er schattenderwijs van uit dat verdachte 60% van de dozen bij het [naam stichting 1] heeft weggenomen. Op basis hiervan wijst de rechtbank, ten aanzien van de gevorderde materiele schade met betrekking tot de gestolen (medische) nietjes, een bedrag toe ter hoogte van € 194.760,- (90 stuks vermenigvuldig met de kostprijs van € 2.164,- per doos).\n\nDe rechtbank overweegt ten aanzien van de kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] het volgende. De aanleiding voor het inschakelen van het recherchebureau was de constatering dat er veel nietjes verdwenen zonder dat daar een verklaring voor was. De kosten van [naam bedrijfsrecherche] zijn dan ook gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd met facturen. De kosten staan in redelijke verhouding tot de omvang van de bewezenverklaring en het dossier. De rechtbank wijst, ten aanzien van de gevorderde materiele schade met betrekking tot de kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] , het gehele gevorderde bedrag toe. De rechtbank gaat ervanuit dat die kosten ook zijn betaald door [naam stichting 1] , zoals zij ter zitting heeft verklaard.\n\nDe rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 226.758,71, te vermeerderden met de wettelijke rente over de kosten voor de vervanging van de weggenomen nietjes (€ 194.760) vanaf 12 januari 2023, de dag waarop de laatste diefstal heeft plaatsgevonden. De rente over de kosten voor [naam bedrijfsrecherche] (€ 31.998,71) worden toegewezen vanaf de datum van het opstellen van de vordering (20 juli 2023), omdat niet duidelijk is dat die kosten eerder verschuldigd zijn geworden.\n\nDe benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nVoorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, die tot op heden begroot worden op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.\n\n8.2.. Benadeelde partij Stichting [naam stichting 2]\n\nDe benadeelde partij [naam stichting 2] ( [naam stichting 2] ) vordert € 437.000,- aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit is inclusief een bedrag van € 25.000,- voor de kosten van [naam bedrijfsrecherche] en\n\n€ 12.000,- aan personeelskosten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de kosten van de [naam bedrijfsrecherche] en de personeelskosten kunnen worden toegewezen. Het vaststellen van de schade van de diefstal zelf levert een onevenredige belasting van het strafproces op, waardoor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.\n\nDe hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De verdediging heeft primair een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en subsidiair gesteld dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair stelt de verdediging dat de gehele vordering moet worden afgewezen, danwel niet ontvankelijk worden verklaard, omdat het schadebedrag, de kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] en de personeelskosten onvoldoende zijn onderbouwd.\n\nDe rechtbank overweegt het volgende. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank kan de exacte hoeveelheid bij het [naam stichting 2] weggenomen dozen niet vaststellen. Zij zal daarom bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek.\n\nZoals overwogen in rubriek 7.3.3 gaat de rechtbank uit van een totaal benadelingsbedrag van € 324.600,-. De rechtbank heeft hiervoor overwogen op basis van welke omstandigheden zij heeft geschat dat 60% van de dozen bij [naam stichting 1] zijn weggenomen. Op dezelfde wijze schat de rechtbank dat 20% van de door verdachte weggenomen dozen is van het [naam stichting 2] afkomstig is. Op basis hiervan wijst de rechtbank, ten aanzien van de gevorderde materiele schade met betrekking tot de gestolen (medische) nietjes, een bedrag toe ter hoogte van € 64.920,- (30 stuks vermenigvuldigd met de kostprijs van € 2.164,- per doos).\n\nTen aanzien van de gevorderde kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] en de personeelskosten stelt de rechtbank vast dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. Ter terechtzitting is gemotiveerd verweer gevoerd en de vordering is op zitting niet (nader) toegelicht. Ten aanzien van de vordering die betrekking heeft op de kosten van [naam bedrijfsrecherche] overweegt de rechtbank nog het volgende. Het is onduidelijk welke kosten [naam bedrijfsrecherche] nog heeft moeten maken en voor welk bedrag, omdat verdachte eerder al had verklaard dat hij doosjes bij [naam stichting 2] had weggenomen en uit de rapportage van [naam bedrijfsrecherche] blijkt dat voor het onderzoek geheel is uitgegaan van de gegevens die reeds bekend waren door het voor het [naam stichting 1] gedane onderzoek.\n\nDe rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 64.920,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023, de dag waarop verdachte door recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] met de bevindingen is geconfronteerd en hij heeft bekend bij [naam stichting 2] te hebben gestolen. Het is voor de rechtbank niet duidelijk geworden wanneer de schade (eerder) is ontstaan.\n\nDe benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nVoorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.\n\n8.3.. De schadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van beide vorderingen af moet worden gezien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, omdat het [naam stichting 1] en het [naam stichting 2] in staat moeten worden geacht de geleden schade zelf te incasseren.\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot beide vorderingen moet worden opgelegd.\n\nDe rechtbank overweegt in dit kader dat een ziekenhuis niet te vergelijken is met een commercieel bedrijf. Ziekenhuizen worden gefinancierd met publieke middelen en door burgers betaalde verzekeringspremies en vervullen een belangrijke maatschappelijke functie. Er is dan ook een publiek belang dat de kosten voor het innen van deze schuld laag blijven en dat de ziekenhuizen de schade vergoed krijgen. Tegen die achtergrond wijst de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van beide vorderingen toe.\n\nDe rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam stichting 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte onder 2 is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 226.758,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 283 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nDe rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam stichting 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte onder 2 is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 64.920,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 82 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\n9. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 310 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nTen aanzien van feit 1 en feit 2:\n\ntelkens: diefstal, meermalen gepleegd;\n\nVerklaart het bewezen verklaarde ten aanzien van feit 3 niet strafbaar en ontslaatde verdachte ten aanzien van dat feitvan alle rechtsvervolging.\n\nVeroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van120 (honderdtwintig) dagen.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.\n\nBepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.\n\nStelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jarenvast.\n\nDe tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.\n\nBenadeelde partij [naam stichting 1]\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij [naam stichting 1] toe tot een bedrag van € 226.758,71 (tweehonderdzesentwintigduizend zevenhonderdachtenvijftig euro en eenenzeventig eurocent), aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 194.760 vanaf 12 januari 2023 en over € 31.998,71 vanaf 20 juli 2023, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam stichting 1] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam stichting 1] aan de Staat € 226.758,71 (tweehonderdzesentwintigduizend zevenhonderdachtenvijftig euro en eenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 194.760 vanaf 12 januari 2023 en over € 31.998,71 vanaf 20 juli 2023, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 283 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nBenadeelde partij Stichting [naam stichting 2]\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij Stichting [naam stichting 2] toe tot een bedrag van € 64.920,- (vierenzestigduizend negenhonderdtwintig euro), aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Stichting [naam stichting 2] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van Stichting [naam stichting 2] aan de Staat € 64.920,- (vierenzestigduizend negenhonderdtwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 82 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M. Nieuwenhuijs, voorzitter,\n\nmrs. B. Vogel en G.J.M. Kruizinga, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.\n\n [...]\n\n [...][...]\n\n [...][...]\n\n [...][...]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6632","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.395Z",{"id":129,"ecli":130,"slug":131,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":132,"fullText":133,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":135,"parsedAt":50,"updatedAt":136},"1615","ECLI:NL:RBAMS:2026:6524","ecli-nl-rbams-2026-6524","2026-02-26T00:00:00.000Z","vonnis\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummers: 13\u002F192882-25 (A), 13\u002F112519-25 (B), 13\u002F122304-25 (C),\n\n13\u002F187951-25 (D), 13\u002F191282-25 (E) en 13\u002F204470-25 (F) (ter terechtzitting gevoegd)\n\nDatum uitspraak: 26 februari 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens op het adres [adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.W.M. van der Linde, en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is na wijziging op de zitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nZaak A\n\nOpzettelijk aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 25 juni 2025 te Amsterdam.\n\nZaak B\n\nBelediging op of omstreeks 26 februari 2025 te Amsterdam van [persoon 1] .\n\nZaak C\n\nMedeplegen van een auto-inbraak op of omstreeks 2 februari 2025 te Amsterdam.\n\nZaak D\n\n1. Veelvuldig zonder noodzaak 112 bellen op of omstreeks 19 juni 2025 te Amsterdam.\n\n2. Opzettelijk aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 19 juni 2025 te Amsterdam.\n\nZaak E\n\n1. Aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 24 juni 2025 te Amsterdam.\n\n2. Belediging van een ambtenaar in functie op of omstreeks 24 juni 2025 te Amsterdam.\n\nZaak F\n\nMedeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 4 juli 2025 te Amsterdam.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n3. Voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.\n\n4. Waardering van het bewijs\n\n4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.\n\n4.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van verdachte heeft de volgende verweren gevoerd.\n\n Met betrekking tot de aangetroffen cilinders staat niet vast dat deze lachgas bevatten. De raadsman heeft in dit verband gewezen op een vonnis van de rechtbank Limburg, ECLI:NL:RBLIM:2025:6672, waarin de rechtbank heeft vastgesteld dat onderzoek aan de chemische samenstelling niet heeft plaatsgevonden en dat evenmin sprake was van bijkomende omstandigheden die als voldoende redengevend voor het bewijs konden worden beoordeeld. Daarnaast is de hoeveelheid lachgas niet te bewijzen omdat niet blijkt dat de gebruikte weegschaal was geijkt.\n\nTen aanzien van zaak B twijfelt de raadsman aan de betrokkenheid van verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd verdachte meteen te hebben herkend, maar dat was pas na vergelijking met een beschikbare politiefoto. Hij heeft niet zonder voorkennis de camerabeelden bekeken. Uit de verklaring van verdachte blijkt onvoldoende dat het om dit incident gaat.\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit voor zaak C. De aangever spreekt over 2 en 3 januari 2025, niet over februari. Daarnaast heeft de raadsman twijfels over de zich in het dossier bevindende herkenningen. De stills zijn daar te onduidelijk voor. Verbalisant [verbalisant 3] relateert niet specifiek waaraan hij cliënt herkent en het blijkt ook niet wanneer hij hem voor het laatst heeft gezien. De door verbalisant [verbalisant 2] genoemde specifieke kenmerken zijn op de stills niet te onderscheiden. De bewegende beelden hadden aan het dossier kunnen worden toegevoegd. Het staat ook niet vast dat de aangever met [verdachte] verdachte bedoelt. Het blijkt niet dat NN5, die als verdachte zou zijn herkend, uitvoeringshandelingen heeft verricht. Hij heeft alleen iets aangepakt en gepraat met NN2, dat is onvoldoende om een gezamenlijke uitvoering aan te nemen.\n\nMet betrekking tot zaak F heeft verdachte betwist dat de cilinders van hem waren. De verklaringen van aangever [persoon 2] zijn onduidelijk. Verdachte zat samen met [persoon 3] in de auto. Zij had een cilinder tussen haar benen staan. Als verdachte dus al op de hoogte was van de aanwezigheid van het lachgas, dan had hij er geen beschikkingsmacht over.\n\n4.3. Oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1.. Zaken A, D (feit 2), E (feit 1) en F – (Opzettelijk) aanwezig hebben van lachgas\n\nDe rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 19, 24 en 25 juni 2025 en op 4 juli 2025 (opzettelijk) de tenlastegelegde hoeveelheid lachgas aanwezig heeft gehad.\n\nDe rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat in al deze zaken genoegzaam is komen vast te staan dat de inhoud van de cilinders lachgas betrof. Er heeft weliswaar geen onderzoek aan de chemische samenstelling plaatsgevonden, maar in de zaken A, D, E en F zagen verbalisanten dat op de cilinders “FASTGAS” stond met codes. Het is verbalisanten ambtshalve bekend dat zulke cilinders lachgas bevatten. Daarbij komt dat verdachte zowel in zaak A als zaak E heeft verklaard dat hij verslaafd is aan lachgas en hij heeft niet verklaard dat er iets anders in de bij hem aangetroffen flessen zat. In het dossier zitten geen andere aanwijzingen dat er iets anders in de cilinders zou zitten. Verder is het gewicht van het lachgas in de aangetroffen cilinders naar het oordeel van de rechtbank afdoende komen vast te staan. Het gebruik van een digitale weegschaal is in dit geval voldoende en niet is ook gesteld of gebleken waarom ijking in dit geval noodzakelijk is.\n\nMet betrekking tot zaak F overweegt de rechtbank dat uit de inhoud van het dossier blijkt dat het lachgas dat in de auto is aangetroffen van hem was. Aangeefster [persoon 2] heeft verklaard dat verdachte eerder die avond met lachgascilinders bij haar thuis kwam en aanvullend dat hij alle lachgas had meegenomen de auto in. [persoon 3] heeft verklaard dat verdachte het lachgas in de auto heeft gegooid en dat ze daarna zijn weggereden.\n\n4.3.2.. Zaak B – Belediging [persoon 1]\n\nDe rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 2 februari 2025 de vuilniswagenchauffeur [persoon 1] heeft beledigd. Verdachte is tijdens de belediging gefilmd met een telefoon en verbalisant heeft hem op dat filmpje herkend. De verbalisant relateert ook waaraan hij verdachte herkent. De rechtbank merkt in dit verband op dat verbalisanten geoefend zijn in herkenningen. Verbalisant [verbalisant 1] herkende verdachte vanuit zijn werkzaamheden in het cellencomplex De rechtbank acht deze herkenning betrouwbaar.\n\n4.3.3. -. Zaak C\n\nDe rechtbank acht het aan verdachte tenlastegelegde medeplegen aan diefstal met braak bewezen.\n\nDe rechtbank ziet de datum 2 januari 2025 in de aangifte als een kennelijke verschrijving. Ten eerste wordt deze in de aangifte gevolgd door ‘3 februari 2025’ en in de omschrijving in de kop van het proces-verbaal staat het wel juist.\n\nTen aanzien van het verweer van de raadsman over de herkenning van verdachte overweegt de rechtbank het volgende. De stills in het dossier zijn weliswaar niet heel duidelijk, maar verbalisanten hebben verdachte herkend op bewegende beelden die volgens die verbalisanten wel duidelijk zijn. De verbalisanten relateren ook waaraan zij verdachte herkennen. Zoals hiervoor al opgemerkt, zijn verbalisanten geoefend in herkenningen. De rechtbank acht die herkenningen betrouwbaar. De vraag of de aangever met ‘ [verdachte] ’ verdachte bedoelt kan daarom in het midden blijven.\n\nAnders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de handelingen, zoals uitgevoerd door verdachte, als medeplegen zijn aan te merken. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verschillende verdachten. Medeverdachte NN2 keek op enig moment in het voertuig met een zaklamp terwijl de anderen verspreid van elkaar stonden en de omgeving in de gaten hielden. Verdachte keek naar NN2. Vervolgens liep NN2 naar verdachte en overlegden zij met elkaar terwijl ze meerdere malen naar de auto keken. Daarna pakte NN2 een voorwerp en gooide dat richting het raam van de auto. Verdachte staat dan op de hoek en keek naar NN2. NN2 pakte daarna een doos uit de auto en gaf die aan verdachte. Verdachte plaatste deze achter zich en nam een volgende doos aan. Verdachte heeft, door het overleggen en het aanpakken en wegzetten van dozen ook een significante bijdrage aan de diefstal geleverd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.\n\n5. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:\n\nten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde:\n\nop 25 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 660 gram distikstofmonoxide (lachgas);\n\nten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde:\n\nop 26 februari 2025 te Amsterdam opzettelijk [persoon 1] , in het openbaar, mondeling heeft beledigd door die [persoon 1] de woorden toe te voegen: “Kankeraap” en “Ik neuk je moeder”, althans woorden van gelijke beledigende aard en\u002Fof strekking;\n\nten aanzien van het in zaak C ten laste gelegde:\n\nop of omstreeks 2 februari 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen sloffen sigaretten, een fles parfum en een zonnebril die aan [persoon 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om ze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;\n\nten aanzien van het in zaak D onder 1 ten laste gelegde:\n\nop 19 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een alarmnummer voor publieke diensten, door veelvuldig het alarmnummer 112 te bellen;\n\nten aanzien van het in zaak D onder 2 ten laste gelegde:\n\nop 19 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 2.200 gram distikstofmonoxide (lachgas);\n\nten aanzien van het in zaak E onder 1 ten laste gelegde:\n\nop 24 juni 2025 te Amsterdam aanwezig heeft gehad 5.100 gram distikstofmonoxide (lachgas);\n\nten aanzien van het in zaak E onder 2 ten laste gelegde:\n\nop 24 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk [persoon 6] in het openbaar mondeling heeft beledigd door die [persoon 6] uit te maken voor “Je kankermoeder! Je doet nu wel stoer nu ik handboeien om heb. Ik neuk je kankerhard! Je kankermoeder.”, terwijl deze belediging werd aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;\n\nten aanzien van het in zaak F ten laste gelegde:\n\nop 4 juli 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 5.100 gram distikstofmonoxide (lachgas).\n\n6. Strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n7. Strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n8. Motivering van de straffen en maatregelen\n\n8.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.\n\n8.2.. \n\nStandpunt\u002Fstrafmaatverweer van de verdediging\n\nDe verdediging heeft gepleit voor een straf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest.\n\n8.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich gedurende een halfjaar schuldig gemaakt aan veel strafbare feiten. Het gaat om hinderlijke feiten die overlast en schade veroorzaken en zorgen voor een gevoel van onveiligheid op straat. Zo heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen inbreken in een auto van een winkeleigenaar om vervolgens in ieder geval vier dozen met sigaretten uit de auto te stelen. Verdachte heeft hiermee geen respect getoond voor andermans eigendommen en enkel gedacht aan zijn eigen gewin. Verdachte heeft zich verder ook schuldig gemaakt aan belediging van de politieambtenaar die hem heeft aangehouden. Politieambtenaren verrichten in onze samenleving een belangrijke publieke taak die gerespecteerd dient te worden. Door zo te handelen tegen politieambtenaren tijdens het uitoefenen van hun werkzaamheden heeft verdachte getoond geen respect te hebben voor het openbaar gezag. De rechtbank rekent dat verdachte aan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van een vuilniswagenchauffeur tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden. Door beledigingen te uiten in het openbaar, is deze persoon aangetast in zijn eer en goede naam. Verdachte heeft daarnaast misbruik gemaakt van een noodnummer. Het bellen naar een alarmnummer zonder dat daartoe een noodzaak bestaat, geeft overlast en maakt het voor anderen, die wel dringend hulp nodig hebben, wellicht onmogelijk op tijd in contact te treden met hulpdiensten. Dat kan mensenlevens in gevaar brengen.\n\nTot slot heeft verdachte zich binnen een periode van twee weken vier keer schuldig gemaakt aan het bezit van lachgas voor eigen gebruik. Het gebruik van lachgas draagt bij aan het in stand houden van (drugs)criminaliteit en kan levensgevaarlijke situaties opleveren als de gebruiker onder invloed van het lachgas deelneemt aan het verkeer.\n\nPersoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 7 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten (bezit van softdrugs en belediging van een politieagent). Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van diverse rapportages van de reclassering, waaronder het advies van 26 augustus 2025 en het advies van 26 januari 2026. Hieruit blijkt, zakelijk weergegeven, het volgende.\n\n Verdachte is sinds zijn twintigste verslaafd aan het gebruik van lachgas. De door verdachte gepleegde strafbare feiten zijn hieraan gerelateerd.. Verdachte is bekend met problemen op meerdere leefgebieden. Hij heeft in het verleden hulp gehad, onder andere in het kader van de Top 600, waarbij hij ook begeleid heeft gewoond. Verdachte heeft nu geen huisvesting. Hij zou hier graag hulp bij willen. Verdachte heeft ook geen werk en nagenoeg geen werkervaring. Hij ervaart zelf dat verveling bijdraagt aan het lachgasgebruik en daardoor mede aan het plegen van de strafbare feiten. Sinds verdachte uit detentie is heeft de reclassering geen contact meer met verdachte kunnen krijgen. De reclassering acht het uitvoeren van toezicht niet haalbaar. Het risico op recidive en onttrekken aan het toezicht wordt als hoog ingeschat. De reclassering adviseert bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.\n\nDe op te leggen straf\n\nBij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank de LOVS oriëntatiepunten als uitgangspunt. Alles bij elkaar zal de rechtbank voor de bewezen geachte feiten een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden opleggen, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Gelet op het advies van de reclassering verbindt de rechtbank geen bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel van de straf. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft verdachte een stok achter de deur om te voorkomen dat hij nogmaals de fout ingaat.\n\nDe rechtbank legt daarmee voor de bewezenverklaarde misdrijven in totaal een hogere straf op dan geëist door de officier van justitie, omdat het in zaak E onder 1 bewezenverklaarde (zonder opzet aanwezig hebben van lachgas) een overtreding is en daarvoor een aparte straf moet worden opgelegd. De rechtbank ziet gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de gelijktijdige veroordeling voor de overige feiten, aanleiding om aan verdachte ter zake het in zaak E onder 1 bewezenverklaarde geen afzonderlijke straf of maatregel op te leggen.\n\n9. Beslag\n\nOnder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:\n\n- 7 STK Gasfles (goednummer G6674451)\n\n- 1 STK Verdovende Middelen (goednummer G6671759)\n\n- 5 FLS Verdovende Middelen (goednummer G6674149)\n\n- 1 STK Wapen (goednummer G6632395)\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nNu met betrekking tot deze voorwerpen, met uitzondering van het wapen, het in zaak A, zaak D onder 2 en zaak E onder 1 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.\n\nHet in beslaggenomen wapen is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit in zaak C. Ook dit voorwerp is van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Het kan echter niet dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke feiten en komt daarom niet in aanmerking voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank zal daarom bevelen dat dit voorwerp wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende, zodat de officier van justitie voor vernietiging zorg kan dragen.\n\n10. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij [persoon 5] vordert € 5.480,-- aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,-- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n10.1.. Oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nVast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak C bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.\n\nZowel de officier van justitie als de raadsman van verdachte hebben zich op het standpunt gesteld dat de schadeposten voor de bril, € 395,--, en het parfum, € 315,--, niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze niet zijn onderbouwd. Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat de BTW die voor de sigaretten is gerekend, € 663,01, eveneens niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat de benadeelde partij dit als ondernemer terug zal ontvangen. De officier van justitie heeft zich met betrekking tot deze post gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe raadsman heeft voorts gesteld dat onduidelijk is of de verzekeringsmaatschappij alleen de schade aan de auto heeft vergoed of ook andere schade. De officier van justitie heeft erop gewezen dat de brief van OHRA slechts spreekt over autoschade.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de betwisting de vordering tot vergoeding van de bril, het parfum en het bedrag aan BTW onvoldoende is onderbouwd.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de aan de vordering gehechte brief van OHRA genoegzaam dat deze verzekeraar alleen de schade aan de auto heeft vergoed.\n\nDe rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 4.106,99, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (3 februari 2025).\n\nDe benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nIn het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor de betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.\n\nImmateriële schade\n\nMet betrekking tot de immateriële schade heeft de officier van justitie gesteld dat de vordering dient te worden gematigd tot € 1.000,--. De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot immateriële schadevergoeding in het geheel niet kan worden toegewezen nu de benadeelde partij niet aanwezig was bij de autokraak. Er is geen sprake van aantasting in de persoon.\n\nOp grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als diegene als gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en\u002Fof op andere wijze in de persoon is aangetast. Daarvan kan onder meer sprake zijn bij psychisch letsel. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde de gestelde, met name psychische, schade niet met concrete stukken heeft onderbouwd. Voorts ligt het bij een autokraak, waar de benadeelde zelf niet bij aanwezig was, niet voor de hand, zonder een onderbouwing, aantasting in de persoon aan te nemen. De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen omdat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komt voor deze vergoeding.\n\nDe benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.\n\n11. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f (oud), 47, 57, 142, 266, 267 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\n12. Beslissing\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nten aanzien van het in zaak A en zaak D onder 2 ten laste gelegde:\n\ntelkens opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde:\n\neenvoudige belediging;\n\nten aanzien van het in zaak C ten laste gelegde:\n\ndiefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;\n\nten aanzien van het in zaak D onder 1 ten laste gelegde:\n\nopzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten;\n\nten aanzien van het in zaak E onder 1 ten laste gelegde:\n\nhandelen in strijd met een in artikel 3 van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nten aanzien van het in zaak E onder 2 ten laste gelegde:\n\neenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;\n\nten aanzien van het in zaak F ten laste gelegde:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.\n\nTan aanzien van zaak A, zaak B, zaak C, zaak D onder 1 en 2, zaak E onder 2 en zaak F\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nBepaalt dat een gedeelte, groot 2 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.\n\nStelt daarbij een proeftijdvan2 jarenvast.\n\nDe tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.\n\nTen aanzien van zaak E onder 1\n\nSchuldig verklaring zonder oplegging van straf.\n\nVerklaart onttrokken aan het verkeer:\n\n- 7 STK Gasfles (goednummer G6674451);\n\n- 1 STK Verdovende Middelen (goednummer G6671759);\n\n- 5 FLS Verdovende Middelen (goednummer G6674149);\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:\n\n- 1 STK Wapen (goednummer G6632395)\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 5] toe tot een bedrag van € 4.106,99 (vierduizend, honderd en zes euro en negenennegentig eurocent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 5] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in het materiële deel van zijn vordering is.\n\nWijst het immateriële deel van de vordering af.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 5] aan de Staat € 4.106,99 (vierduizend, honderd en zes euro en negenennegentig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van41 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M. Smayel, voorzitter,\n\nmrs. J.M. van Hall en B.J. Blok, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2026.\n\n [...]\n\n [...]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6524","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.744Z",{"id":138,"ecli":139,"slug":140,"caseNumber":43,"courtId":141,"decisionDate":142,"fullText":143,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":144,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":145},"518","ECLI:NL:RBNNE:2026:2639","ecli-nl-rbnne-2026-2639",70,"2026-01-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18\u002F264403-23\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 31 december 2025 (sluiting van het onderzoek).\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij in de periode van 1 november 2022 tot en met 17 januari 2023, te Groningen en\u002Fof Roden en\u002Fof Drachten en\u002Fof Appingedam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 194 tvs en\u002Fof soundbars, althans meerdere tvs en soundbars, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 december 2025;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 januari 2023, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023016680 d.d. 12 september 2023, inhoudend de verklaring van [naam] .\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nhij in de periode van 1 november 2022 tot en met 17 januari 2023, te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, 194 tvs en soundbars, toebehorend aan [bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\ndiefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van 3 jaren.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte, die werkzaam was bij het bedrijf [bedrijf] , heeft zich gedurende 2,5 maand samen met een andere oud-werknemer schuldig gemaakt aan diefstal van een groot aantal tvs en soundbars van voornoemd bedrijf. Verdachte heeft hierbij een initiërende en organiserende rol gehad. Hij koos de\n\nproducten uit en regelde de adressen waar deze moesten worden geleverd, waarna medeverdachte via haar werkaccount de valse bestellingen plaatste en valse etiketten aanmaakte waarmee de goederen werden verzonden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij misbruik heeft gemaakt van de verliefde gevoelens die medeverdachte destijds voor verdachte had. Verdachte heeft door samen met medeverdachte een groot aantal goederen te stelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [bedrijf] . Ter zitting is gebleken dat de opbrengsten van de gestolen goederen enkel ten gunste van verdachte kwamen en dat medeverdachte hiervan niet heeft geprofiteerd. Door het handelen van verdachte en medeverdachte heeft het bedrijf grote financiële schade geleden. Hoewel verdachte door de civiele rechter een jaar geleden is veroordeeld schadevergoeding te betalen aan [bedrijf] , is hij tot op heden nog niet overgegaan tot betaling daarvan. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij, zij het al wat langer geleden, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een aantal vermogensdelicten. Over verdachte is geen reclasseringsrapport opgemaakt.\n\nOp te leggen straf\n\nNaar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit in beginsel de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft gelet op de omvang van de schade aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor fraude. Bij fraude met een benadelingsbedrag tussen de 125.000,00 en 250.000,00 is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke detentie voor de duur van negen tot twaalf maanden.\n\nDe rechtbank zal bij de strafbepaling echter met de volgende feiten en omstandigheden in strafmatigende zin rekening houden en legt aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. De rechtbank kent bijzonder gewicht toe aan het forse tijdsverloop tussen de aanhouding van verdachte op 22 mei 2023 en de inhoudelijke behandeling van de zaak op 18 december 2025. Het tijdsverloop bedraagt daarmee bijna 2 jaar en 7 maanden. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De overschrijding van de redelijke termijn is op geen enkele wijze aan verdachte toe te rekenen. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat de eerdere veroordeling van verdachte voor vermogensdelicten dateert uit april 2019 en dat deze veroordeling feiten betrof uit 2017, dus al van langer geleden. Gelet daarop acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment niet meer passend en zal de rechtbank de eis van de officier van justitie voor wat betreft het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden niet volgen. In plaats daarvan zal de rechtbank de maximale taakstraf opleggen, zoals door de raadsman is bepleit.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uren en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Gelet op de ouderdom van de zaak ziet de rechtbank aanleiding om de proeftijd te beperken tot twee jaren.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 311 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVeroordeelt verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.\n\nBepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\neen taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren.\n\nBeveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagenzal worden toegepast.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. T.M.L. Wolters en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2639","2026-07-13T00:28:34.408Z",{"id":147,"ecli":148,"slug":149,"caseNumber":43,"courtId":141,"decisionDate":142,"fullText":150,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":151,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":152},"505","ECLI:NL:RBNNE:2026:2638","ecli-nl-rbnne-2026-2638","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18\u002F264427-23\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 31 december 2025 (sluiting van het onderzoek).\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij op of omstreeks de periode van 1 november 2022 tot en met 17 januari 2023, te Groningen en\u002Fof Roden en\u002Fof Drachten en\u002Fof Appingedam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 194 tvs en\u002Fof soundbars, althans meerdere tvs en soundbars, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 december 2025;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 januari 2023, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023016680 d.d. 12 september 2023, inhoudend de verklaring van [naam] .\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nzij in de periode van 1 november 2022 tot en met 17 januari 2023 te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, 194 tvs en soundbars, toebehorend aan [bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\ndiefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft gepleit voor de oplegging van enkel een voorwaardelijke straf.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte, die werkzaam was bij het bedrijf [bedrijf] , heeft zich gedurende 2,5 maand samen met een andere oud-werknemer schuldig gemaakt aan diefstal van een groot aantal tvs en soundbars van voornoemd bedrijf. Hoewel de rechtbank onderkent dat medeverdachte hierbij een initiërende en organiserende rol heeft gehad, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank eveneens een\n\nessentiële rol gespeeld in het geheel. Verdachte had het vertrouwen van de eigenaren van het bedrijf, had dan ook toegang tot alle systemen van het bedrijf en was daardoor in staat om via haar werkaccount de valse bestellingen en de valse etiketten aan te maken waarmee de goederen werden verzonden. Zonder die toegang en de handelingen die verdachte heeft verricht hadden de diefstallen niet kunnen plaatsvinden. Door haar handelwijze heeft verdachte het vertrouwen dat de eigenaren van het bedrijf, die zij al van jongs af aan kende, in haar hadden op grove wijze geschaad. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij uit gevoelens van verliefdheid voor medeverdachte heeft gehandeld. De rechtbank heeft oog voor deze omstandigheid, maar is van oordeel dat dit verdachte niet ontslaat van haar verantwoordelijkheid. De rechtbank neemt het verdachte daarbij in het bijzonder kwalijk dat zij ook na haar uitdiensttreding op 1 januari 2023 haar handelwijze heeft voortgezet. Verdachte heeft door samen met medeverdachte een groot aantal goederen te stelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [bedrijf] . Ter zitting is gebleken dat de opbrengsten van de gestolen goederen enkel ten gunste van medeverdachte kwamen en dat verdachte hiervan niet heeft geprofiteerd. Door het handelen van verdachte en medeverdachte heeft het bedrijf grote financiële schade geleden. De rechtbank weegt in positieve zin mee dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen. Zij heeft al geruime tijd geleden haar excuses aangeboden aan de eigenaren van het bedrijf en zij heeft met hen een civiele schikking ter hoogte van 110.000,00 getroffen voor de door het bedrijf geleden schade.\n\nDeze schikking heeft zij inmiddels ook voldaan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Over verdachte is geen reclasseringsrapport opgemaakt.\n\nOp te leggen straf\n\nNaar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit in beginsel de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft gelet op de omvang van de schade aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor fraude. Bij fraude met een benadelingsbedrag tussen de 125.000,00 en 250.000,00 is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke detentie voor de duur van negen tot twaalf maanden.\n\nDe rechtbank zal bij de strafbepaling echter met de volgende feiten en omstandigheden in strafmatigende zin rekening houden en legt aan verdachte geen (on)voorwaardelijke gevangenisstraf op. De rechtbank kent bijzonder gewicht toe aan het forse tijdsverloop tussen de aanhouding van verdachte op 27 maart 2023 en de inhoudelijke behandeling van de zaak op 18 december 2025. Het tijdsverloop bedraagt daarmee ruim 2 jaar en 8 maanden. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De overschrijding van de redelijke termijn is op geen enkele wijze aan verdachte toe te rekenen. Verdachte is bovendien na deze feiten niet meer in aanraking gekomen met justitie. Ten slotte heeft verdachte haar leven op orde en het is niet wenselijk dat een gevangenisstraf dit doorkruist. Wel is de rechtbank, anders dan door de raadsman is bepleit, van oordeel dat een onvoorwaardelijke werkstraf van een behoorlijke duur op zijn plaats is. Het enkel opleggen van een geheel voorwaardelijke straf doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Alles afwegend legt de rechtbank een werkstraf op waarvan het onvoorwaardelijk deel hoger is dan door de officier van justitie is geëist. Dit vanwege de rol die verdachte heeft gespeeld bij het plegen van deze feiten. Anderzijds ziet de rechtbank geen aanleiding om naast een onvoorwaardelijke taakstraf ook nog een voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Verdachte heeft haar leven op orde en heeft de schade die zij heeft aangericht afgehandeld. De rechtbank heeft ziet dan ook geen aanleiding dat gevreesd moet worden dat verdachte opnieuw de fout zal in gaan.\n\nGelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 100 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, passend en geboden is. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 311 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVeroordeelt verdachte tot:\n\neen taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren.\n\nBeveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.\n\nBeveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. T.M.L. Wolters en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2638","2026-07-13T00:28:33.883Z",13,20,[11,156,157,158],2025,2024,2023]