[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-tort-law-nl-2023":3},{"detail":4,"years":64},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":63},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},72,"tort-law-nl","Tort Law","NL","2026-07-08T16:54:31.314Z",2023,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":14},12,[39,53],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"944","ECLI:NL:RBNHO:2023:14279","ecli-nl-rbnho-2023-14279","",67,"2023-12-06T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 10496518 \\ CV EXPL 23-2818\n\nVonnis van 6 december 2023\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [plaats 1],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\ngemachtigde: ARAG Rechtsbijstand,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde] B.V.,\n\ngevestigd te [plaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\ngemachtigde: mr. Th.C. Visser en mr. M. Kol.\n\nDe zaak in het kort\n\n [eiser] houdt in zijn tuin gemiddeld 200 siervogels. Voorafgaand aan de uitvoering van heiwerkzaamheden door [gedaagde] op het perceel van de achterburen van [eiser], heeft hij [gedaagde] gewaarschuwd voor de gevolgen van die werkzaamheden voor de gezondheid van zijn vogels: kans op overlijden als gevolg van stress en de inwerking daarvan op de vogels. Geadviseerd is om in plaats van te heien de zgn. pulsmethode te gebruiken.\n\n [gedaagde] heeft dat advies niet opgevolgd en in de waarschuwing ook geen aanleiding gezien om voorzorgsmaatregelen te nemen om eventuele schade te voorkomen.\n\nIn de weken na het heien zijn tientallen vogels overleden en ook zijn er verschillende broednesten verlaten waardoor een groot aantal eitjes niet zijn uitgekomen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] door te heien onzorgvuldig gehandeld en dient hij op grond van onrechtmatige daad de schade van [eiser] te vergoeden.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met zes producties van 3 mei 2023 van [eiser],\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagde], ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 12 juli 2023,\n\n- het tussenvonnis van 26 juli 2023 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de nagekomen producties 1 en 2 van [gedaagde], ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 3 november 2023,\n\n- de mondelinge behandeling van 13 november 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n [eiser] is vogelliefhebber en houdt hobbymatig diverse siervogels, ook ter vermeerdering. Hij houdt gemiddeld 200 vogels in 64 kooien om en nabij zijn woning en schuur.\n\n2.2.. In juni 2022 vernam [eiser] van zijn achterburen dat zij een uitbouw aan hun woning zouden laten bouwen. Daarvoor diende een fundering aangelegd te worden. De funderingspalen zouden door middel van heien geplaatst worden. De heiwerkzaamheden zouden worden uitgevoerd door [gedaagde].\n\n2.3.. Op 29 juni 2022 heeft [eiser] [gedaagde] telefonisch gewaarschuwd voor het risico dat de heiwerkzaamheden tot de dood van zijn vogels zouden kunnen leiden. De zoon van [eiser] heeft dit in zijn e-mail van 1 augustus 2022 aan [gedaagde] herhaald. Voor zover relevant vermeldt de e-mail:\n\n“U heeft contact gehad met mijn vader, (…) [eiser], die woont aan de [adres 1] te [plaats 1]. Ik heb begrepen dat u werkzaamheden gaat verrichten aan de [adres 2]. Onderdeel daarvan zijn heiwerkzaamheden (…). U heeft voorgesteld om gezamenlijk een nulmeting uit te voeren om eventuele schade achteraf vast te stellen. (…)\n\nZoals mijn vader wellicht ook heeft aangegeven gebruikt hij de schuur als vogelverblijf. Hoogfrequent trillen zal enorme stress tot gevolg hebben bij de vogels die tot gevolg heeft dat de vogels nesten verlaten en zichzelf dood vliegen in de hokken. Dit is eerder bij vergelijkbare werkzaamheden gebeurd in 2004. Dit heeft toen tot een rechtszaak geleid waarbij de aannemer circa € 100.000 heeft moeten betalen als schadevergoeding.\n\nWat ons betreft zijn er twee opties: de funderingsmethode aanpassen of de vogels tijdelijk elders onderbrengen. Dit laatste zal een gefaseerd proces zijn van enkele maanden ivm het broeden van de vogels waarbij de verwachting is dat er ook een gevolgschade zal zijn doordat vogels tijdelijk niet kunnen broeden. Hiervoor kunnen we van tevoren een kosteninschatting opgeven.\n\nIk ga ervanuit dat u bij de sloopwerkzaamheden ook gepaste maatregelen neemt om verstoring van de vogels te voorkomen.”\n\n2.4.. \n [gedaagde] heeft een bezoek aan de woning van [eiser] gebracht. [gedaagde] heeft daarbij een aantal foto’s genomen van de opstallen van [eiser]. Hij heeft verder niet op voormelde brief gereageerd.\n\n2.5.. Op 15 september 2022 heeft [gedaagde] de hiervoor genoemde heiwerkzaamheden uitgevoerd. In de zes weken erna zijn veel vogels van [eiser] gestorven. Tevens zijn broednesten verlaten waardoor eieren niet meer zijn uitgekomen.\n\n2.6.. In zijn brief van 21 november 2022 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade. Dezelfde dag heeft [gedaagde] per e-mail laten weten niet in te gaan op de aansprakelijkheidstelling.\n\n2.7.. Op 16 januari 2023 heeft [eiser] aan een deskundige van EMN de opdracht verstrekt om onderzoek te doen naar de oorzaak van de sterfte onder de vogels en om de omvang van de schade te begroten.\n\n2.8.. Het onderzoek door de deskundige vond op 30 januari 2023 plaats in de woning van [eiser]. [gedaagde] was voor het onderzoek uitgenodigd, maar hij is daarop niet ingegaan. Het deskundigenrapport verscheen op 17 februari 2023. Voor zover relevant vermeldt het rapport:\n\n“Schadeoorzaak:\n\nVogels zijn, vooral als zij broeden, zeer stressgevoelig. Vogels zijn van nature vluchtdieren die vooral bij impulsgeluid schrikken en willen vluchten. Harde geluiden en trillingen als gevolg van verbouwingswerkzaamheden aan de buitenzijde van de muur van client [[eiser], kantonrechter] veroorzaken een vluchtreactie die maar beperkt opgevolgd kan worden door de vogels, omdat ze in een kooitje zitten. De vogels zullen zich of te pletter vliegen tegen de tralies, of dermate in de stress geraken dat zij hun eieren niet meer uitbroeden en last krijgen van veer-uitval. Gezien de lange tijd dat client [[eiser], kantonrechter] reeds vogels onder dezelfde omstandigheden houdt en uitstekende broedresultaten behaald heeft, is het aannemelijk dat de werkzaamheden van wederpartij [[gedaagde], kantonrechter] in de tuin van [betrokkene] [de achterburen van [eiser], kantonrechter] hebben geleid tot het overlijden van vogels en het niet uitbroeden van de eitjes.\n\nSchadeomvang:\n\nClient[[eiser], kantonrechter] toonde tijdens ons bezoek bakjes met niet uitgebroede eitjes, en dode vogels welke in de vrieskast bewaard werden ten behoeve van expertise. De vogels zijn in ons bijzijn uitgepakt en gedetermineerd.\n\nSchadevaststelling:\n\n(…)\n\nOverzicht dode vogels\n\nSplendid parkiet (man) geelborst\n\n€ 200,00\n\nGlans ekster (koppel)\n\n€ 120,00\n\nPurpergranaat astrild (pop)\n\n€ 200,00\n\nMozambiquesijs (man)\n\n€ 100,00\n\nBiens astrild koppel (geel man, pastel pop)\n\n€ 200,00\n\nDiamant duif 5 stuks wit, witbont\n\n€ 150,00\n\nRoodkop papagaaiamadine\n\n€ 75,00\n\nGouldamadine 3 stuks\n\n€ 75,00\n\nZebravink 5 stuks\n\n€ 20,00\n\nDoornastrild\n\n€ 75,00\n\nBeans astrild geel\u002Fpastel\n\n€ 100,00\n\nGlanskopnon (pop)\n\n€ 175,00\n\nSplendid parkiet (man) Turkooise en split\n\n€ 200,00\n\nkanarie\n\n€ 20,00\n\nBruine duif\n\n€ 5,00\n\nKleine parkiet 12 stuks\n\n€ 120,00\n\nAgapornis fischeri 15 stuks lutino\n\n€ 2.250,00\n\nAgapornis fischeri 16 stuks turkooise\n\n€ 1.900,00\n\nAgapornis roseicollis 14 stuks\n\n€ 700,00\n\n190 eitjes agapornis ssp 75% komt uit á € 75\n\n€ 10.687,50\n\nTotaal\n\n€ 17.372,50\n\n2.9.. Per e-mail van 20 februari 2023 heeft [eiser] het deskundigenrapport aan [gedaagde] gestuurd met het verzoek de schade en de onderzoekskosten te vergoeden. Dezelfde dag heeft (de advocaat van) [gedaagde] de aansprakelijkheid (nogmaals) van de hand gewezen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt tot betaling van:\n\n€ 17.372,50 aan hoofdsom,\n\n€ 832,84 aan expertisekosten,\n\n€ 1.149,96 aan buitengerechtelijke kosten,\n\ne wettelijke rente over de hoofdsom,\n\nde proces- en nakosten.3.2.. \n [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] bij het uitvoeren van heiwerkzaamheden op het perceel van de achterburen van [eiser] niet zorgvuldig heeft gehandeld, waardoor tientallen vogels die [eiser] in zijn tuin houdt zijn overleden en waardoor 190 eitjes niet zijn uitgebroed. [gedaagde] heeft geen voorzorgsmaatregelen genomen, terwijl [eiser] [gedaagde] vooraf heeft gewaarschuwd voor de te verwachten gevolgen van de werkzaamheden voor zijn vogels. Aldus heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld en dient hij de schade te vergoeden.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van hem in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nOnrechtmatig handelen?\n\n4.1.. De kantonrechter stelt voorop dat van een aannemer die bouwwerkzaamheden gaat verrichten mag worden verwacht dat hij de nodige zorgvuldigheid in acht neemt om het ontstaan van schade aan eigendommen van derden te voorkomen. De mate van zorgvuldigheid die in een concreet geval kan worden gevergd is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en ingrijpendheid van de werkzaamheden, de voorzienbaarheid van de schade, de wenselijkheid van het voeren van overleg met omwonenden om mogelijke risico’s in kaart te brengen, de mogelijkheid onderzoek te verrichten, de praktische mogelijkheden om voorzorgsmaatregelen te treffen en de eventuele bijzondere kwetsbaarheid van het buurtperceel.\n\n4.2.. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld en dat [eiser] daardoor schade heeft geleden. De kantonrechter legt dat hieronder uit.\n\n4.3.. Vast staat dat [eiser], toen hij in juni 2022 vernam dat heiwerkzaamheden onderdeel uit zouden maken van de verbouwing van zijn achterburen, hij eind juni 2022 [gedaagde] telefonisch heeft gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen voor zijn vogels. Die waarschuwing heeft [eiser] nadien herhaald in de door zijn zoon opgestelde e-mail van 1 augustus 2022 (zie 2.3), waarin [eiser] erop heeft gewezen dat hij in 2004 een vergelijkbare situatie heeft meegemaakt. Volgens [eiser] lieten de (toenmalige) achterburen van hetzelfde perceel hun woning volledig renoveren. De aannemer die de verbouwingswerkzaamheden uitvoerde nam toen geen voorzorgsmaatregelen waardoor veel vogels stierven en schade ontstond aan het vogelverblijf. In de rechtszaak die volgde is [eiser] vervolgens in het gelijk gesteld en oordeelde de rechter dat de aannemer circa € 100.000,- aan schadevergoeding aan [eiser] diende te betalen. Gegeven deze concrete verwijzing naar een vergelijkbare situatie, had van [gedaagde] verwacht mogen worden dat hij begreep dat het uitvoeren van heiwerkzaamheden risicovol zou kunnen zijn. Daarbij was [gedaagde] ruim tweeënhalve maand voorafgaand aan de heiwerkzaamheden op de hoogte van de bijzondere kwetsbaarheid van het buurtperceel en was de schade om die reden voor [gedaagde] te voorzien. Hij had dan ook het nodige onderzoek kunnen en moeten doen om helder te krijgen of de voorgenomen werkwijze wel verantwoord was.\n\n4.4.. Bovendien heeft [eiser] aan [gedaagde] voorgesteld om in plaats van te heien gebruik te maken van een alternatieve funderingsmethode. Niet weersproken is dat pulsen hier de aangewezen methode was geweest, omdat die geen trillingen veroorzaakt. Weliswaar zijn de kosten voor schroefpalen ongeveer € 500,00 tot € 1.000,00 per paal hoger, maar voor de uitbouw waren (slechts) vier funderingspalen nodig. [gedaagde] had over de everdeling van deze (extra) kosten met [eiser] en zijn opdrachtgevers overleg kunnen voeren, maar dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [gedaagde] heeft zich de belangen van [eiser] niet kenbaar aangetrokken en heeft ondanks de waarschuwing en het verzoek gebruik te maken van een alternatieve funderingsmethode geen aanleiding heeft gezien om passende voorzorgsmaatregelen te nemen. [gedaagde] heeft aldus onzorgvuldig en dus onrechtmatig tegenover [eiser] gehandeld.\n\nCausaal verband4.5.. \n [gedaagde] voert aan dat uit het deskundigenrapport van 17 februari 2023 niet de oorzaak van de vogelsterfte volgt. Daarbij is volgens [gedaagde] van belang dat de heiwerkzaamheden op 15 september 2022 plaatsvonden en de deskundige pas op 30 januari 2023 ter plaatse onderzoek heeft gedaan. Omdat [eiser] de dode vogels en de eitjes al die tijd zijn vrieskist heeft bewaard en er bovendien geen autopsie van de vogels heeft plaatsgevonden, kan niet worden vastgesteld dat de vogels daadwerkelijk aan de gevolgen van stress veroorzaakt door de heiwerkzaamheden zijn gestorven, aldus [gedaagde].\n\n4.6.. \n\nDe kantonrechter volgt het verweer van [gedaagde] niet. De opstelling van [gedaagde] is daarvoor mede redengevend.\n\nHet enkele feit dat [eiser] in de weken na de heiwerkzaamheden in staat is geweest een vrieskist te vullen met een grote hoeveelheid dode vogels en eieren, nadat hij deze sterfte als een mogelijk gevolg van die werkzaamheden in het vooruitzicht heeft gesteld, is op zichzelf al een aanwijzing voor een mogelijk verband. Als [gedaagde] zich de belangen van [eiser] enigszins had aangetrokken, zou hij zijn ingegaan op de uitnodiging van [eiser] om langs te komen en de situatie op te nemen teneinde vervolgens overleg te kunnen voeren over de afdoening.\n\nDe botte weigering om daartoe over te gaan betekent dat hij zelf onderzoeksmiddelen onbenut heeft gelaten.\n\nDie lijn heeft hij gecontinueerd in januari: [gedaagde] is uitgenodigd voor het onderzoek ter plaatste op 30 januari 2023, maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Ook die onderzoeksmogelijkheid heeft hij onbenut gelaten.\n\n [eiser] heeft ter zitting onweersproken aangevoerd dat de bij het onderzoek betrokken deskundige gespecialiseerd is in vogels en 2004 ook betrokken was bij het onderzoek naar de doodsoorzaak van de vogels. Dat brengt mee dat de kantonrechter op het gezag van deze deskundige vertrouwt en bij gebrek aan inhoudelijke betwisting op grond van het oordeel van deze deskundige aanneemt dat de dood van de dieren en het niet uitkomen van de eieren het gevolg is van de uitgevoerde heiwerkzaamheden.\n\nDat [eiser] om kosten te besparen ervoor gekozen heeft de vogels niet inwendig te laten onderzoeken door een diergeneeskundig specialist, zoals hij dat in 2004 wel heeft laten doen, is geen reden voor een ander oordeel. [gedaagde] heeft alle gelegenheid gehad om met de vogels tegenonderzoek te doen, maar heeft die onbenut gelaten.\n\nSchade\n\n4.7.. \n\nDe kantonrechter stelt vast dat het deskundigenrapport van 17 februari 2023 de totale omvang van de schade begroot op een bedrag van € 17.372,50, bestaande uit 84 vogels en 190 eitjes. [eiser] heeft erop gewezen dat de omvang van zijn schade eigenlijk groter is, omdat hij niet alle eitjes heeft kunnen bewaren voor het onderzoek door de deskundige.\n\nMede gelet op de toelichting die [eiser] ter zitting op de totstandkoming van het rapport heeft gegeven, waar niets tegenover is gesteld, acht de kantonrechter dit rapport een adequate schatting van de schade. De kantonrechter stelt de schade dan ook vast op een bedrag van € 17.372,50.\n\nSchuldeisersverzuim?\n\n4.8.. \n [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] in schuldeiserverzuim verkeert, omdat [eiser] sinds juni 2022 wist dat de heiwerkzaamheden midden september 2022 uitgevoerd zouden worden. Volgens [gedaagde] had [eiser] daarom zelf maatregelen moeten nemen om de schade te voorkomen, door bijvoorbeeld zijn vogels elders onder te brengen.\n\n4.9.. \n\nDe kantonrechter gaat ook aan dat verweer voorbij. Het betoog miskent dat de zorgplicht in dit soort situaties in beginsel op de aannemer rust. Als die heeft vastgesteld dat degene die stelt schade te vrezen het ontstaan daarvan eenvoudig en zonder veel inspanning en kosten kan voorkomen en dekking van die kosten aanbiedt, kan aan die zorgplicht door de enkele verwitting van de aard en uitvoeringsdatum van de werkzaamheden zijn voldaan. Maar daarvan is hietr allerminst sprake.\n\n [eiser] heeft erop gewezen dat voor hem ondoenlijk was om het grote aantal vogels (gemiddeld 200) dat hij houdt elders onder te brengen. De 64 kooien zijn moeilijk te verplaatsen zonder ze te beschadigen, de kunnen vogels tijdelijk kunnen broeden en kunnenniet zomaar in een schuur ondergebracht kunnen worden, omdat zij onder meer verwarming en ventilatie nodig hebben. Van [eiser] kon daarom niet gevergd worden zijn vogels elders onder te brengen.\n\n Weliswaar heeft [eiser] dat in zijn e-mail van 1 augustus 2022 aan [gedaagde] als mogelijkheid genoemd, maar [eiser] heeft er daarbij tevens op gewezen dat er bij gebruikmaking van die mogelijkheid alsnog schade zal ontstaan. Nu [gedaagde] dit alternatief destijds niet verder heeft besproken, kan het niet als alternatief worden beschouwd.\n\nVoor zover het beroep op schuldeisersverzuim als een beroep op een verplichting tot schadebeperking moet worden beschouwd faalt het op deze gronden evenzeer.\n\nSlotsom en kosten\n\n4.10.. Nu de voormelde schade een gevolg is van de hiervoor besproken onrechtmatige daad, zal [gedaagde] die moeten vergoeden. [gedaagde] moet ook de expertisekosten ter hoogte van € 832,84 aan [eiser] betalen, omdat dit redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade zijn.\n\n4.11.. \n [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering van € 1.149,96 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 948,73 bij een hoofdsom van € 17.372,50. De kantonrechter wijst daarom € 948,73 toe en zal het overige afwijzen.\n\n4.12.. \n [gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] als volgt vastgesteld:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n133,13\n\n- griffierecht\n\n€\n\n693,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n792,00\n\n(2,00 punten × € 396,00)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.618,13\n\n4.13.. \n\n [eiser] vordert daarnaast veroordeling van [gedaagde] in de nakosten.\n\nVolgens vaste rechtspraak (zie HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853) levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Een veroordeling tot betaling van de proceskosten omvat dus een veroordeling tot betaling van de nakosten. De kantonrechter zal daarom de nakosten niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 17.372,50, te vermeerderen € 832,84 aan expertisekosten en met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 mei 2023 tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 948,73 voor buitengerechtelijke kosten,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 1.618,13,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2023.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2023:14279","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:56.101Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"999","ECLI:NL:RBROT:2023:9325","ecli-nl-rbrot-2023-9325",61,"2023-10-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 10425701 CV EXPL 23-9386\n\ndatum uitspraak: 6 oktober 2023\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n1. Vereniging van Eigenaren gebouw [straatnaam01] 18ab te Rotterdam,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\n2. [eiser01],\n\n3. [eiser02],\n\n4. [eiser03],\n\nwoonplaats: Rotterdam,\n\neisers,\n\ngemachtigde: mr. J. Postma,\n\ntegen\n\nVereniging van eigenaren bergingen en parkeerplaatsen\n\naan [straatnaam01] (ongenummerd) te Rotterdam,\n\nvestigingsplaats: Schiedam,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. A.J.C. Goldhoorn.\n\nDe partijen worden hierna ‘VvE Gebouw’, ‘ [eiser01] ’, ‘ [eiser02] ’, ‘ [eiser03] ’ en ‘VvE Parkeerplaatsen’ genoemd. Eisers sub 2 tot en met 4 worden gezamenlijk ‘ [eiser01] c.s.’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. \nHet dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 27 maart 2023, met bijlagen;\n\nhet antwoord, met een bijlage;\n\nde akte eisvermeerdering en overlegging productie van eisers;\n\nde nadere productie van eisers;\n\nde spreekaantekeningen van de gemachtigde van eisers.\n\n1.2.. \nOp 6 september 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser01] en [eiser02] , bijgestaan door mr. Postma. Namens VvE Parkeerplaatsen was aanwezig de heer [naam01] , bijgestaan door mr. Goldhoorn.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2.1.. \nHet geschil tussen partijen draait om het gebruik van een toegangspoort. Aan de [straatnaam01] 18 in Rotterdam staat een gebouw, dat is gesplitst in vier appartementsrechten. Op de begane grond ( [straatnaam01] 18B) is altijd een toegangspoort aanwezig geweest, die toegang geeft tot het achter het gebouw gelegen terrein. Dit is het appartementsrecht met index 1. De tweede, derde en vierde verdieping van het gebouw zijn woonappartementen (index 2, 3 en 4). Op de eerste verdieping woont [eiser01] , op de tweede verdieping [eiser02] en op de derde verdieping [eiser03] . Het appartementsrecht met index 1 is eigendom van VvE Parkeerplaatsen.\n\n2.2.. \nHet appartementsrecht met index 1 geeft volgens de splitsingsakte recht op het uitsluitend gebruik van ‘de poort met achterliggende plaats en verder toebehoren’. De appartementsrechten met de indices 2 tot en met 4 worden in datzelfde artikel omschreven als ‘woning’. In de splitsingsakte is vervolgens bepaald dat de bestemming van de appartementsrechten zijn ‘poort’ (index 1) en ‘woning voor privé-doeleinden’ (indices 2 tot en met 4).\n\n2.3.. \nTot 2016 werd de ‘poort’ gevormd door houten openslaande deuren. In 2016 heeft VvE Parkeerplaatsen deze houten deuren (laten) vervangen door een mechanische roldeur, met daarin een loopdeur voor personen en fietsen. Vanaf dat moment is het onderwerp geluidsoverlast door deze deur jaarlijks besproken in de vergadering van eigenaars van VvE Gebouw. [eiser01] heeft veelvuldig contact gezocht met de bestuurder van VvE Parkeerplaatsen, de heer [naam01] (hierna [naam01] ), over de geluidsoverlast.\n\n2.4.. \nVvE Gebouw heeft onderzoek laten doen naar de mechanische roldeur door Strooming. Op 21 september 2021 is dit onderzoek uitgevoerd. Strooming concludeert dat het geluidsniveau in de woon- en slaapkamers van de woningen van [eiser01] en [eiser02] bij gebruik van de roldeur de normwaarde van 30 dB(A) steeds overschrijdt. De grenswaarde in de nacht bedraagt 25 dB(A). Strooming doet een aantal aanbevelingen om de roldeur in technische zin te laten voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit stelt, namelijk:\n\nhet verbeteren van de ophang- en montageconstructie van de overheaddeur zodat vibraties en trillingen zo min mogelijk in de constructie terecht kunnen komen. Strooming geeft in overweging om een zelfdragend stalen portaal te plaatsen waarin de deur kan worden gehangen, zodat geen sprake meer is van contact met wanden of plafond;\n\nhet aanbrengen van een geluiddempende omkasting rondom de aandrijfmotor;\n\nhet aanbrengen van een geluidwerende bekleding op het plafond;\n\nhet afstellen van de deurdranger en zo nodig gebruiken van een aanslagrubber bij de loopdeur.\n\nWelke vorderingen zijn (primair) ingesteld door eisers?\n\n2.5.. \nEisers willen dat VvE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming uitvoert en daarna laat onderzoeken of wel wordt voldaan aan de geluidsnormen. Enerzijds vorderen zij dat op basis van onrechtmatige hinder\u002Fonrechtmatige daad, anderzijds menen zij dat [naam01] heeft toegezegd deze werkzaamheden door VvE Parkeerplaatsen uit te laten voeren en vorderen zij nakoming van die afspraak. VvE Parkeerplaatsen betwist dat sprake is van een afspraak. Zij is op zich bereid om de werkzaamheden te laten uitvoeren, maar meent dat eerst moet worden beoordeeld of het gebouw zelf niet (mede) debet is aan de geluidsoverlast die [eiser01] c.s. ervaren, zodat voorkomen wordt dat achteraf blijkt dat aanpassingen aan de poort het probleem niet wegnemen.\n\n2.6.. \nEisers willen daarnaast dat de kantonrechter voor recht verklaart dat het gebruik dat nu wordt gemaakt van het achter de poort gelegen terrein in strijd is met het gebruik zoals dat is voorgeschreven in de splitsingsakte en bijbehorende splitsingstekening. Zij vorderen een aan VvE Parkeerplaatsen op te leggen gebod om de poort alleen te (laten) gebruiken om naar de achterliggende plaats te komen, in plaats van naar de parkeerplaatsen met bergingen.\n\n2.7.. \nOok is er nog een geschil over een geluidsalarm dat VvE Parkeerplaatsen heeft aangebracht en dat voor geluidsoverlast zorgt. Eisers vorderen dat het VvE Parkeerplaatsen wordt verboden om een geluidsalarm te gebruiken in de poort, althans dat het VvE Parkeerplaatsen wordt geboden een stil alarm te gebruiken.\n\nIs de kantonrechter bevoegd?\n\n2.8.. \nBij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen gesproken over de bevoegdheid van de kantonrechter in deze zaak. VvE Gebouw heeft toegelicht dat de kosten voor aanpassing van de poort conform het rapport van Strooming tussen de € 5.000,- en € 10.000,- zouden bedragen; daarom is de kantonrechter bevoegd om over die vordering te oordelen. Voor zover er dwangsommen worden gevorderd, moeten die vorderingen zo worden begrepen dat het maximum van alle dwangsommen samen en de waarde van de vorderingen (inclusief buitengerechtelijke kosten) in totaal een bedrag van € 25.000,- niet zullen (mogen) overstijgen. VvE Parkeerplaatsen is akkoord gegaan met deze uitleg van de vorderingen van VvE Gebouw. De kantonrechter heeft toegelicht dat zij ook zal beslissen op de gevorderde verklaring voor recht, nu deze verknocht is met de overige vorderingen en het onwenselijk is om de zaak voor alleen die vordering te verwijzen naar de sector civiel van de rechtbank.\n\nIs sprake van onrechtmatige hinder en wie mag hierover vorderingen instellen?\n\n2.9.. \nUit diverse arresten van de Hoge Raad, waaronder dat van 15 februari 1991 (NJ 1992, 639;\n\nAalscholvers) volgt dat de beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, afhangt van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Bij de verdere omstandigheden van het geval moet onder meer rekening worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen.\n\n2.10.. \nDe kantonrechter oordeelt dat in dit geval sprake is van onrechtmatige hinder, die door het gebruik van de mechanische roldeur wordt toegebracht aan [eiser01] c.s. [eiser01] c.s. hoeven niet te dulden dat in hun woon- en slaapkamer, de belangrijkste vertrekken in een woning, sprake is van een voortdurende overschrijding van de normwaardes voor geluid. Hier is geen sprake van een situatie waarin af en toe, op gezette tijden, het geluidsniveau een keer wordt overschreden, maar van een overschrijding die zich dag in dag uit, op alle uren van de dag en nacht, voordoet of kan voordoen.\n\n2.11.. \nUit het rapport van Strooming volgt dat VvE Parkeerplaatsen maatregelen kan nemen om de geluidsoverlast weg te nemen, althans te beperken. Deze maatregelen zijn niet erg ingrijpend en ook niet bijzonder kostbaar. In de gegeven omstandigheden kan van VvE Parkeerplaatsen worden verwacht dat zij die maatregelen neemt om de hinder te beperken. De kantonrechter gaat niet mee in het verweer van VvE Parkeerplaatsen dat eerst naar de staat van het gebouw moet worden gekeken. Ten eerste is het VvE Parkeerplaatsen die op een bepaalde manier gebruik wil (en moet) maken van de poort en daarbij is het haar verantwoordelijkheid om maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat geen hinder wordt veroorzaakt, ook als zoals in dit geval sprake is van een oud gebouw. Pas als sprake zou zijn van gebreken aan het gebouw waarvan evident is dat deze door toedoen van VvE Gebouw of een van de individuele appartementseigenaren zijn ontstaan, zou er reden kunnen zijn om die gebreken eerst door een ander dan door VvE Parkeerplaatsen te laten herstellen. VvE Parkeerplaatsen heeft echter onvoldoende gesteld en onderbouwd om aan te nemen dat daarvan sprake is. De enkele stelling dat sprake is van een oud gebouw is onvoldoende.\n\n2.12.. \nOok aan de stelling van VvE Parkeerplaatsen dat Strooming ten onrechte zou hebben getoetst aan de eisen voor nieuwbouw in het Bouwbesluit in plaats van aan de eisen van bestaande bouw, gaat de kantonrechter voorbij. Het had op de weg van VvE Parkeerplaatsen gelegen om dan toe te lichten welke norm dan wel van toepassing is en dat daaruit zou volgen dat geen sprake is van overschrijding van die norm, bij de door Strooming gemeten geluidsniveaus. Dat heeft zij echter niet gedaan. Met de blote stelling van VvE Parkeerplaatsen kan de kantonrechter niets.\n\n2.13.. \nDe kantonrechter is, met VvE Parkeerplaatsen, van oordeel dat een vordering op basis van onrechtmatige hinder die zich voordoet in de privégedeeltes van [eiser01] c.s. niet kan worden ingesteld door VvE Gebouw. De Rechtbank Den Haag overweegt in haar vonnis van 11 mei 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:4477) hierover dat een VvE op grond van artikel 5:126 lid 5 BW binnen de grenzen van haar bevoegdheid de gezamenlijke eigenaren in en buiten rechte kan vertegenwoordigen. Die vertegenwoordigingsbevoegdheid betreft echter niet de privégedeelten (Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4794). Dit betekent dat VvE Gebouw geen eigen belang heeft bij de vorderingen die zien op de onrechtmatige hinder die zich voordoet in de woningen van [eiser01] c.s. Voor zover de vorderingen op die grondslag zijn ingesteld, is VvE Gebouw niet-ontvankelijk in haar vorderingen. [eiser01] c.s. zijn wel ontvankelijk in hun vorderingen met als grondslag onrechtmatige hinder.\n\nWat moet VvE Parkeerplaatsen doen tegen de geluidsoverlast?\n\n2.14.. \n[eiser01] c.s. hebben hun vorderingen tegen VvE Parkeerplaatsen deels en\u002Fof mede gebaseerd op een afspraak die zij stellen te hebben gemaakt met [naam01] , als bestuurder van VvE Parkeerplaatsen. Hij zou hebben toegezegd om de mechanische roldeur te laten aanpassen en om akoestische en thermische isolatie te laten aanbrengen op de verdiepingsvloer van het gebouw. De kantonrechter volgt [eiser01] c.s. hierin niet. In zijn e-mail van 24 februari 2022 doet [naam01] een voorstel. [eiser03] reageert daar vervolgens diezelfde dag op, maar zij accepteert het voorstel niet. Los van de vraag of [naam01] al dan niet terecht een voorwaarde aan het aanbod (namens VvE Parkeerplaatsen) heeft verbonden, staat vast dat geen sprake is geweest van een aanbod van VvE Parkeerplaatsen dat vervolgens binnen een redelijke termijn door VvE Gebouw en\u002Fof [eiser01] c.s. is geaccepteerd, zodat geen overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat VvE Parkeerplaatsen bepaalde werkzaamheden zal laten uitvoeren. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op die gestelde afspraak, zullen die dan ook worden afgewezen.\n\n2.15.. \nVvE Parkeerplaatsen zal worden veroordeeld om de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van Strooming (zie onder 2.4) op te volgen. VvE Parkeerplaatsen is bereid om die werkzaamheden te laten uitvoeren en zij heeft niet gesteld dat deze werkzaamheden geen effect zullen hebben. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan het uitvoeren van de werkzaamheden de voorwaarde te verbinden dat eerst moet worden beoordeeld of het gebouw nog aanpassingen nodig heeft. VvE Parkeerplaatsen heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat eerst andere werkzaamheden nodig zijn voordat de aanbevelingen van Strooming worden opgevolgd. Omdat het gaat om aanpassingen aan het privégedeelte van VvE Parkeerplaatsen, is het ook volledig aan VvE Parkeerplaatsen om ervoor te zorgen dat de aanbevolen werkzaamheden worden uitgevoerd. Dat bij andere werkzaamheden kosten (zouden) worden verdeeld in strijd met de voorschriften van de splitsingsakte, doet daar niet aan af. ‘Willekeur’ ten aanzien van de kosten is geen juridisch verweer tegen de gevorderde veroordeling om deze werkzaamheden te laten uitvoeren.\n\n2.16.. \nVvE Parkeerplaatsen heeft geen verweer gevoerd tegen de door eisers genoemde termijn van vier weken na datum uitspraak voor uitvoering van die werkzaamheden. Deze termijn komt de kantonrechter ook niet onredelijk voor, zodat die vordering (voor zover ingesteld door [eiser01] c.s.) toewijsbaar is. De dwangsom wordt gematigd tot € 500,- per dag en gelet op de gewijzigde eis (zie onder 2.8) toegewezen tot een maximum van € 15.000,-, uitgaande van herstelkosten van € 10.000,-.\n\n2.17.. \nDe vordering tot het aanbrengen van akoestische en thermische isolatie wordt afgewezen, nu deze alleen is gebaseerd op de stelling dat sprake is van een overeenkomst tussen VvE Parkeerplaatsen en VvE Gebouw en\u002Fof [eiser01] c.s. overeenkomstig het voorstel van [naam01] van 24 februari 2022. Hiervoor is al geoordeeld dat van zo’n overeenkomst geen sprake is.\n\n2.18.. \nDe vordering die inhoudt dat VvE Parkeerplaatsen na uitvoering van de werkzaamheden een deskundige het geluidsniveau moet laten controleren en meten, zal worden afgewezen. Uit niets volgt dat op VvE Parkeerplaatsen de verplichting rust om zo’n controle uit te voeren. Als [eiser01] c.s. na uitvoering van de werkzaamheden menen dat nog steeds sprake is van onrechtmatige hinder, is het aan hen om die stelling dan (weer) handen en voeten te geven.\n\n2.19.. \nOmdat de primaire vordering van [eiser01] c.s. tot het aanpassen van de mechanische roldeur (groten)deels wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan de subsidiaire eis die inhoudt dat de wijzigingen aan de poort ongedaan moeten worden gemaakt.\n\nMoet VvE Parkeerplaatsen op een andere (beperktere) manier gebruik maken van de poort?\n\n2.20.. \nEisers menen dat de splitsingsakte zo moet worden uitgelegd dat de poort alleen mag worden gebruikt om naar de direct achterliggende plaats te gaan, gelegen op perceel Y4317. Het gebruik zou niet inhouden dat de poort toegang moet verlenen aan het achterliggende perceel Y4464, waarop de parkeerplaatsen en bergingen zijn gelegen. Dit zou bedrijfsmatig of commercieel gebruik zijn.\n\n2.21.. \nZowel VvE Gebouw als [eiser01] c.s. zijn ontvankelijk in deze vorderingen, die zien op een uitleg van de splitsingsakte. Dit zijn vorderingen die zien op de belangen van de gezamenlijke eigenaren, zodat VvE Gebouw binnen de grenzen van haar bevoegdheid blijft als zij deze namens de gezamenlijke eigenaren instelt. De machtiging die nodig is voor het instellen van rechtsvorderingen is in ieder geval in de vergadering van eigenaars van 29 augustus 2023 verleend. De tekst van de notulen is voldoende duidelijk: de machtiging geldt voor alle vorderingen die zijn ingesteld en voor de vorderingen die in de akte vermeerdering van eis zijn opgenomen. VvE Parkeerplaatsen beroept zich erop dat deze stukken geen onderdeel zouden zijn geweest van de vergaderstukken. VvE Parkeerplaatsen laat echter na om hieraan enige juridische consequentie te verbinden. De kantonrechter gaat daarom uit van het genomen besluit, zodat VvE Gebouw ontvankelijk wordt geacht. Nu de vorderingen ook de (individuele) belangen van [eiser01] c.s. betreffen, hebben zij een eigen belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Ook zij zijn daarom ontvankelijk. Uit niets volgt dat een individuele appartementsrechteigenaar niet zelf een vordering als deze kan instellen.\n\n2.22.. \nBij de uitleg van wat moet worden verstaan onder het uitsluitend gebruik van een gedeelte van een onroerende zaak die is gesplitst in appartementsrechten, is bepalend wat daarover is vastgelegd in de desbetreffende splitsingsstukken, dat wil zeggen de akte en de daaraan gehechte tekening (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5223). Bij de uitleg van die stukken komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan. Deze bedoeling moet naar objectieve maatstaven worden afgeleid uit de omschrijving in die akte van de verschillende gedeelten van het gebouw en uit de daaraan gehechte tekening, bezien in het licht van de gehele inhoud van de akte en de tekening (zie het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933).\n\n2.23.. \nDe splitsingsakte bepaalt over het gebruik van de poort niet meer dan dat deze als poort moet worden gebruikt. Noch uit de akte, noch uit de splitsingstekening blijkt dat dit gebruik op enige manier beperkt is, in die zin dat de poort alleen mag worden gebruikt als toegang naar de achterliggende plaats op perceel Y4317. De omschrijving van het appartementsrecht met index 1 is weliswaar ‘poort met achterliggende plaats en verder toebehoren’, maar dit zegt alleen iets over de omvang van het appartementsrecht, niet over waar de poort voor gebruikt mag worden. Uit de in deze procedure overgelegde plattegronden volgt dat de poort de enige toegang is tot het achtergelegen terrein dat (nu) voor parkeerplaatsen en bergingen wordt gebruikt. Een objectieve uitleg van de akte houdt in dat de poort, zonder beperking, mag worden gebruikt als toegang tot dit achterliggende terrein.\n\n2.24.. \nDat sprake is van onrechtmatige hinder, maakt niet dat sprake is van gebruik in strijd met de splitsingsakte en\u002Fof het toepasselijke reglement. Welk gebruik gemaakt mag worden van een appartementsrecht, wordt bepaald door de omschrijving. In geval van hinder kan een eigenaar daarop worden aangesproken, maar niet op de manier en met een vordering zoals dat nu door eisers is gedaan.\n\n2.25.. \nDe kantonrechter oordeelt dan ook dat het gebruik dat VvE Parkeerplaatsen maakt van de poort, althans laat maken, niet in strijd is met de splitsingsakte. De door eisers gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen. Het gevorderde gebod om de poort alleen te (laten) gebruiken om naar de achterliggende plaats te gaan en het verbod om de poort te (laten) gebruiken om naar de parkeerplaatsen en bergingen te komen en te gaan, wordt ook afgewezen, nu dit is gebaseerd op dezelfde – onjuiste – veronderstelling.\n\n2.26.. \nOmdat het gebruik dat VvE Parkeerplaatsen van de poort maakt conform de splitsingsakte is en daarin geen beperkingen staan, is ook de subsidiaire vordering tot het opleggen van een gebod de poort enkel te gebruiken tussen 7.00 uur en 20.00 uur niet toewijsbaar. Daarvoor biedt de splitsingsakte geen enkele grondslag. Voor zover de vordering is gebaseerd op onrechtmatige hinder, is de primaire vordering tot aanpassing van de roldeur (groten)deels toegewezen en komt de kantonrechter daarom niet meer toe aan de subsidiaire vordering tot beperking van het gebruik.\n\nMag VvE Parkeerplaatsen het geluidsalarm blijven gebruiken?\n\n2.27.. \nDe kantonrechter oordeelt dat uit de stellingen van eisers voldoende blijkt dat het geluidsalarm dat in de poort is aangebracht voor hinder zorgt en wel zodanige hinder, dat die onrechtmatig is in de zin van artikel 5:37 BW. Omdat het hier gaat om hinder die in de privégedeelten wordt ervaren door [eiser01] c.s., geldt ook hier dat VvE Gebouw niet-ontvankelijk is in deze vordering. [eiser01] c.s. zijn wel ontvankelijk.\n\n2.28.. \nVvE Parkeerplaatsen heeft onvoldoende weersproken dat sprake is van (onrechtmatige) hinder. Zij heeft alleen gesteld dat eerst moet worden gekeken naar geluidsisolatie van het gebouw. De kantonrechter passeert dat verweer. Vast staat dat sprake is van een alarmsysteem dat regelmatig afgaat en dat niet door [eiser01] c.s. kan worden uitgezet. Er is niet steeds (of zelfs nooit) iemand aanwezig namens VvE Parkeerplaatsen om het alarm uit te zetten als het afgaat. Dit is hinder die [eiser01] c.s. niet hoeven te dulden. VvE Parkeerplaatsen heeft niet gesteld dat er iets aan in de weg staat om een stil alarm te installeren. VvE Parkeerplaatsen kan ook voor een andere oplossing kiezen, zolang de hinder maar wordt beëindigd. De vordering van [eiser01] c.s. voor zover die inhoudt dat het VvE Parkeerplaatsen wordt verboden een geluidsalarm in de poort te gebruiken, wordt daarom toegewezen. Dit verbod gaat, om VvE Parkeerplaatsen tijd te geven kennis te nemen van dit vonnis en het alarm uit te schakelen, in op dinsdag 10 oktober 2023 om 0.00 uur ’s nachts (wat dus betekent dat het alarm op 10 oktober al niet meer gebruikt mag worden). De dwangsom wordt ook hier gematigd tot € 500,- per dag en gelet op de gewijzigde eis (zie onder 2.8) toegewezen tot een maximum van € 15.000,-. Het totaal van alle dwangsommen die in dit vonnis worden toegewezen, zal dit bedrag van € 15.000,- ook niet mogen overschrijden.\n\nWie draagt de kosten voor het onderzoek van Strooming?\n\n2.29.. \nDe vordering van eisers om VvE Parkeerplaatsen te veroordelen de kosten van het rapport van Strooming à € 1.754,- te betalen, wordt afgewezen. Er is geen sprake van een overeenkomst tussen partijen op basis waarvan VvE Parkeerplaatsen die kosten moet betalen. [naam01] heeft op enig moment wel een voorstel gedaan om een onderzoek te laten uitvoeren op basis van ‘kosten ongelijk’, maar dat aanbod is toen niet binnen een redelijke termijn door VvE Gebouw en\u002Fof [eiser01] c.s. geaccepteerd. Eisers kunnen niet op basis van dit (niet-geaccepteerde) voorstel op een veel later moment alsnog onderzoek laten uitvoeren en de kosten vervolgens bij VvE Parkeerplaatsen in rekening brengen.\n\n2.30.. \nDe kosten kunnen ook niet op basis van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor rekening van VvE Parkeerplaatsen worden gebracht. Dat heeft een juridische reden. Kosten als deze kunnen voor rekening van de schadeveroorzakende partij worden gebracht, maar dan moet wel sprake zijn van aansprakelijkheid jegens de partij die de kosten vordert. In dit geval zijn de kosten blijkens de nota van Strooming gemaakt door VvE Gebouw. Hiervoor is echter geoordeeld dat VvE Gebouw niet-ontvankelijk is in haar vorderingen jegens VvE Parkeerplaatsen voor zover die zijn gebaseerd op onrechtmatige hinder. Het rapport is nu juist bedoeld om de aansprakelijkheid van VvE Parkeerplaatsen op basis van onrechtmatige hinder vast te stellen. Er is wel sprake van onrechtmatige hinder jegens [eiser01] c.s., maar zij hebben geen kosten gemaakt voor het onderzoek door Strooming. Uit niets is gebleken dat [eiser01] c.s. deze kosten (alsnog) voor hun rekening hebben genomen. Daarom kan ten aanzien van hen deze vordering niet worden toegewezen.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n2.31.. \nVoor de buitengerechtelijke kosten geldt hetzelfde als voor de kosten van het rapport van Strooming. Alleen jegens [eiser01] c.s. wordt een deel van de vorderingen toegewezen. Niet gebleken is echter dat in opdracht en voor rekening van [eiser01] c.s. buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Daarom ontbreekt de grondslag voor de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en wordt deze vordering afgewezen.\n\nProceskosten\n\n2.32.. \nVvE Gebouw is deels niet-ontvankelijk en voor het overige worden haar vorderingen afgewezen. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om VvE Gebouw in zoverre in de proceskosten te veroordelen, dat zij aan VvE Parkeerplaatsen aan salaris voor de gemachtigde een bedrag van € 199,- dient te vergoeden (1 punt × € 199,-). [eiser01] c.s. en VvE Parkeerplaatsen worden over en weer in het ongelijk gesteld, zodat de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat zij ieder de eigen kosten dragen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te bepalen dat VvE Parkeerplaatsen niet hoeft bij te dragen in de proceskostenveroordeling via haar VvE-bijdrage. De kantonrechter meent dat daarvoor alleen plaats is in geval van ernstige tekortkomingen in de procesvoering en\u002Fof misbruik van procesrecht en daarvan is niet gebleken, ondanks de uitkomst voor VvE Gebouw.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n2.33.. \nDit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). Van [eiser01] c.s. kan niet worden verwacht dat zij een eventueel hoger beroep afwachten voordat aanpassingen aan de poort worden gedaan. Daarvoor vindt de kantonrechter de hinder die [eiser01] c.s. ondervinden te ernstig.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nTen aanzien van de vorderingen van VvE Gebouw:\n\n3.1.. \nverklaart VvE Gebouw niet-ontvankelijk in haar vorderingen sub I, II en IV;\n\n3.2.. \nwijst de primaire vorderingen sub IIA en III en de subsidiaire vordering sub VI af.\n\nTen aanzien van de vorderingen van [eiser01] c.s.:\n\n3.3.. \nveroordeelt VvE Parkeerplaatsen om binnen vier weken na dit vonnis de aanbevelingen in het rapport van Strooming (productie 16 bij dagvaarding, onderdeel VIII) volledig op te volgen en de geadviseerde werkzaamheden te laten uitvoeren, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat VvE parkeerplaatsen niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 15.000,-, met inachtneming van het bepaalde onder 3.5;\n\n3.4.. \nverbiedt VvE Parkeerplaatsen om met ingang 10 oktober 2023 0.00 uur een geluidsalarm te gebruiken of in de poort, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat VvE parkeerplaatsen niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 15.000,-, met inachtneming van het bepaalde onder 3.5;\n\n3.5.. \nbepaalt dat het totaal aan dwangsommen als toegewezen onder 3.3 en 3.4 maximaal € 15.000,- bedraagt;\n\n3.6.. \nwijst de primaire vorderingen sub II, IIA en III en de subsidiaire vordering sub VI af;\n\nTen aanzien van de vorderingen van VvE Gebouw en [eiser01] c.s.\n\n3.7.. \nveroordeelt VvE Gebouw in de proceskosten, die aan de kant van VvE Parkeerplaatsen tot vandaag worden vastgesteld op € 199,- en compenseert de proceskosten verder in die zin dat partijen voor het overige de eigen kosten dragen;\n\n3.8.. \nverklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.9.. \nwijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken.\n\n51909","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:9325","2023-10-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.241Z",20,[65,66,11],2026,2025]