[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-violent-crime-nl-2026":3},{"detail":4,"years":198},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":40,"total":157,"page":14,"limit":197},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},115,"violent-crime-nl","Violent Crime","NL","2026-07-08T16:56:56.704Z",2026,[13,16,18,20,23,25,27,30,32,34,36,38],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":22},4,6,{"month":24,"count":14},5,{"month":22,"count":26},22,{"month":28,"count":29},7,32,{"month":31,"count":15},8,{"month":33,"count":15},9,{"month":35,"count":15},10,{"month":37,"count":15},11,{"month":39,"count":15},12,[41,54,62,69,77,84,92,100,108,116,124,132,139,146,153,161,168,175,182,189],{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"529","ECLI:NL:RBMNE:2026:4063","ecli-nl-rbmne-2026-4063","",63,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16-317678-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1998] in [geboorteplaats] ,\n\nadres [adres] , [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\n- de verdachte;\n\n- de officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;\n\n- de advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);\n\n- de benadeelde partij: [slachtoffer] ;\n\n- de advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nprimair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;\n\nsubsidiair\n\nhierbij opzettelijk behulpzaam is geweest door [slachtoffer] naar de woning te lokken, ervoor te zorgen dat [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en tijdens voornoemde situatie in het huis aanwezig te blijven en niet in te grijpen.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de primaire beschuldiging heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken, omdat geen geweldshandelingen kunnen worden bewezen die de verdachte tot medepleger of medeplichtige kunnen bestempelen.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nBewijsmiddelen ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit\n\nDe rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de ouders van de verdachte) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de zus van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen van het Instragramaccount van [getuige] , waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen de woning in aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en de broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, vermoedelijk de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen en het vastbinden van de aangever.\n\nAlternatief scenario verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit en voert daartoe aan dat er geen handeling kan worden bewezen die de verdachte tot medepleger of medeplichtige van de wederrechtelijke vrijheidsberoving kan bestempelen. De advocaat betoogt dat de verdachte gedurende het incident op een andere verdieping in het huis was en geen uitvoeringshandelingen heeft kunnen plegen.\n\nDe rechtbank ziet dit anders. Uit de eerste verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij in de woning twee mannen zag en een vrouw van ongeveer vijftig jaar met een baby op haar arm. De aangever noemt haar ‘moeder’. In zijn aanvullende verklaring verklaart de aangever dat hij werd vastgebonden door de zus van [getuige] , de verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] verklaart dat hij op de begane grond de volgende personen aantrof: de aangever, de verdachte [verdachte] , de medeverdachte [medeverdachte 1] en de medeverdachte [medeverdachte 2] . Op de eerste verdieping trof hij [A] (toen 45 jaar oud) aan, de moeder van de verdachte, met een kind op haar arm. De rechtbank concludeert dat zij de vrouw is die aangever ‘moeder’ noemt, die hij eerder op de begane grond had gezien.\n\nDe rechtbank concludeert dat de moeder van de verdachte gedurende het incident het kind heeft vastgehouden. De verdachte had dan ook alle gelegenheid om bij te dragen aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, door de aangever vast te binden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de aanvullende verklaring van de aangever op dit punt niet te geloven. Er is geen reden om aan te nemen dat de verdachte de hele tijd op een andere verdieping is geweest. De politie trof haar nota bene op de begane grond aan. De rechtbank vindt het alternatieve scenario van de verdediging niet aannemelijk.\n\nDe verdediging heeft verder aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen, omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat medeverdachte [medeverdachte 2] zei dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat zijn schoonzoon naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachten in de woning werden verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario ongeloofwaardig.\n\nWederrechtelijke vrijheidsberoving\n\nDe verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] is gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest.\n\nVerdachte en haar mededaders hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij deze vrijheidsberoving de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en\u002Fof intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachten nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de vrijheidsberoving, namelijk het vastbinden van de aangever, is van zodanig gewicht dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben immers samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden. De aangever is naar de woning gelokt en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben meerdere geweldshandelingen tegen hem verricht. Hij werd meermaals geslagen, getrapt en er werden dreigende woorden tegen hem geuit, terwijl de verdachte hem heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt de primaire beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving.\n\nDe verdediging heeft verzocht om [getuige] te horen als getuige in het geval de rechtbank zou aannemen dat de verdachte degene is geweest die de berichten aan de aangever had verstuurd met de uitnodiging naar het huis te komen. De rechtbank is niet tot die vaststelling gekomen, zodat de voorwaarde van het verzoek niet is vervuld. Er is dus geen verzoek gedaan waarop de rechtbank een beslissing moet nemen.\n\n3.4.. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nprimair:\n\nop 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij zijn\" en \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te zeggen,\n\n- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden en\n\n- steeds in dezelfde ruimtevan die [slachtoffer] te verkeren, en gedurende enige tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nprimair:medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur, met 100 dagen vervangende hechtenis.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Zij hebben hem door geweld tegen hem te gebruiken en hem vast te binden tegen zijn wil in de woning vastgehouden. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel uit de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.\n\nMet hun handelen hebben de verdachte en haar medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid van het slachtoffer. De verdachte en haar medeverdachten zijn volledig voorbijgegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en haar medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt de verdachte kwalijk dat zij bijzonder weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat zij het slachtoffer heeft aangedaan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 10 november 2025 met betrekking tot de verdachte. De reclassering concludeert dat de risico’s op recidive en letsel niet kunnen worden ingeschat, omdat niet duidelijk is geworden wat ten grondslag heeft gelegen aan het gedrag van de verdachte. Het risico op het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen zwaarwegende contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf, taakstraf of financiële sanctie. Concrete signalen die wijzen op de noodzaak van een contact- en\u002Fof locatieverbod ziet de reclassering niet.\n\nStrafkader\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de taakstraf die de officier van justitie eist onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet enkel kan worden volstaan met een taakstraf maar ziet ook aanleiding, gelet op de ernst van het feit, om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen. Daarom en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legt de rechtbank aan de verdachte op:\n\neen taakstraf van 200 uur en\n\neen voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.\n\nDeze straf is lager dan de straffen die de rechtbank aan de medeverdachten oplegt, omdat de rol van de verdachte beperkter is.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.\n\nVoor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.\n\nDe kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog onderbouwen ervan een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nAls gevolg van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en het geweld dat daarbij is gebruikt heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen. Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hij is na het incident gediagnosticeerd met PTSS.\n\nDe verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nGelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nProceskosten\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .\n\nHoofdelijk\n\nOmdat de verdachte het feit waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met haar mededaders heeft gepleegd, zijn zij allen hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en deze vrijheidsberoving omvat ook de geweldshandelingen die zijn gepleegd tegen de aangever zoals bewezen verklaard. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is. Ook ten aanzien van de proceskosten zijn de verdachte en haar mededaders allen hoofdelijk aansprakelijk.\n\nVoor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;\n\nbepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\nstelt daarbij een proeftijd van 2 jarenvast;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 200 uren;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;\n\nbeveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nverklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nvoorlopige hechtenis\n\n- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nDe oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk\n\n [slachtoffer]\n\nwederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd heeft gehouden,\n\ndoor\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden en\u002Fof\n\n- steeds in dezelfde ruimte, althans in de driecte omgeving van die [slachtoffer] te\n\nverkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet\n\nvrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de woning kon verwijderen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\n [medeverdachte 2] en\u002Fof [medeverdachte 1] op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in\n\nNederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd heeft\u002Fhebben\n\nberoofd en\u002Fof beroofd gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en\u002Fof\n\n- steeds in dezelfde ruimte, althans in de directe omgeving van die [slachtoffer] te\n\nverkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet\n\nvrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de woning kon verwijderen,\n\ntot en\u002Fof bij het plegen van welk feit, zij, verdachte, op of omstreeks 4 oktober 2024\n\nte Almere, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof\n\ninlichtingen heeft verschaft en\u002Fof behulpzaam is geweest door\n\n- via het account van [getuige] die [slachtoffer] te lokken naar de woning aan de\n\n [adres] ,\n\n- steeds in dezelfde ruimte, althans in de directe omgeving van die [slachtoffer] te\n\nverkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet\n\nvrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de woning kon verwijderen en\u002Fof\n\n- tijdens voorgenoemde handelingen in het huis aanwezig te blijven en\u002Fof bij te\n\ndragen aan een numeriek overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en\u002Fof een\n\ndreigende situatie te creëren voor die [slachtoffer] en\u002Fof niet in te grijpen.\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nIk heb hem klappen gegeven.\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2] , zakelijk weergegeven:\n\n Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.\n\n Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.\n\n Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.\n\n Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje.\n\n Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.\n\n Ik heb wel een snoer gepakt.\n\n- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.\n\nIk liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.\n\n Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.\n\n Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.\n\nPersoon 1 noem ik ‘vader’.\n\n Persoon 2 noem ik ‘broer’.\n\n Persoon 3: vrouw, had een baby in haar handen, leeftijd ongeveer 50 jaar.\n\nPersoon 3 noem ik ‘moeder’\n\n Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.\n\n Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.\n\n Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.\n\n Ik zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .\n\n Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:\n\n De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\n Het slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er een bericht op Snapchat was van [getuige] .\n\n Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt de medeverdachte [medeverdachte 2] ) voor de deur stond.\n\n Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat. Ik hoorde buurman [verdachte] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.\n\n Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.\n\n Buurman [verdachte] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [verdachte] gebruikte hiervoor een schoen.\n\n Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [verdachte] (de rechtbank begrijpt [verdachte] , [1998] ) en zijn echtgenote.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.\n\n Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik in de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag verschillende personen op de begane grond. Deze bleken later te zijn:\n\n [slachtoffer]\n\n [medeverdachte 2]\n\n [verdachte]\n\n [medeverdachte 1]\n\n Hierop ben ik naar de eerste verdieping gelopen. Aldaar zag ik een vrouw die bleek te zijn:\n\n [A] , geboren op [1979] .\n\n Ik zag dat zij een kind van ongeveer 1 jaar oud op haar arm hield.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:\n\n Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik\n\nhoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:\n\n* [medeverdachte 1] , geboren op [1992] *\n\nHij is later als verdachte aangemerkt. Ik vond het vreemd dat hij precies wist waar het voertuig van [slachtoffer] stond. De sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , zakelijk weergegeven:\n\nNOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.\n\nChat 202 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”\n\nChat 205 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”\n\nChat 208 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat] ”\n\nChat 223 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”\n\nChat 236 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de verdachte [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nVraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?\n\nAntwoord: Ja.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 27-28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 29.\n\n Pagina 30.\n\n Pagina 101.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 153.\n\n Pagina 122.\n\n Pagina 111.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 89.\n\n Pagina 90.\n\n Pagina 90.\n\n Pagina 86.\n\n Pagina 159.\n\n Pagina 165-166.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4063","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.009Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":47,"fullText":59,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":61},"568","ECLI:NL:RBAMS:2026:6929","ecli-nl-rbams-2026-6929",56,"vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeam Strafrecht\n\nParketnummers: 13\u002F297922-25 (zaak A) en 13\u002F262825-25 (zaak B)\n\nParketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13\u002F038698-23, 13\u002F221373-24 en\n\n15\u002F208785-24\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres\n\n [adres 1],\n\nthans gedetineerd te: [detentieadres],\n\nhierna: verdachte.\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. T.H.L. Kneepkens en mr. R.L.M. Meulman, naar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat door en namens de benadeelde partij [benadeelde partij] en zijn advocaat, mr. R.G. van der Laan, naar voren is gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – na een wijziging in zaak A op de zitting van 20 februari 2026 – kort weergegeven - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nzaak A\n\ndiefstal van gouden kettingen van [benadeelde partij] met geweld en bedreiging met geweld in vereniging met een discriminatoir oogmerk op 14 oktober 2025 in Amsterdam\n\nzaak B\n\ndiefstal van geld en sieraden uit een woning door middel van braak op 30 juli 2025 in Amsterdam\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe tenlastelegging is opgenomen in bijlage Ibij dit vonnis.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. Standpunt van het openbaar ministerie\n\nDe officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan, met uitzondering van het tonen van een vuurwapen in zaak A. Daarvoor heeft zij partieel vrijspraak gevorderd. Volgens de officier van justitie kan worden bewezen dat het tenlastegelegde in zaak A bovendien is gevolgd door gedragingen die haat en discriminatie tot uitdrukking brachten.\n\n3.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in zaak A partieel moet worden vrijgesproken van het tonen van een vuurwapen. Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat verdachte in zaak A moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde discriminatie als strafverzwarende omstandigheid, nu verdachte ontkent dat hij ‘kanker koelie” heeft gezegd. Niet is gebleken dat hij zich heeft laten leiden door de afkomst, huidskleur, nationaliteit, godsdienst of enig ander persoonskenmerk van aangever. Voor zaak B heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Oordeel van de rechtbank\n\nPartiële vrijspraak (Zaak A)\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde in zaak A en zaak B is bewezen, met uitzondering van het tonen van een vuurwapen in zaak A. De verklaring van aangever vindt op dit punt geen steun in enig ander bewijsmiddel. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging bevat het dossier onvoldoende bewijs, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.\n\nDiscriminatie (zaak A)\n\nArtikel 44bis Wetboek van strafrecht (Sr) bepaalt dat indien een strafbaar feit wordt gepleegd met een discriminatoir oogmerk (de a-variant) dan wel dat deze wordt voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door discriminerende uitlatingen of gedragingen (de b-variant), er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid.\n\nDe rechtbank zal verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde onderdeel ‘dat het feit wordt begaan met een discriminatoir oogmerk’, nu de uitlatingen van verdachte, hoe verwerpelijk ook, in deze situatie niet zijn geëigend om te spreken van een discriminatoir oogmerk zoals bedoeld in art. 44bis. De rechtbank zal verdachte wel veroordelen voor de zogenaamde ‘b-variant’ en de rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\nVerdachte heeft beseft dat hij – door ‘kanker koelie’ te zeggen – noodzakelijkerwijs haat tegen en discriminatie van een groep mensen – te weten Hindoestanen – tot uitdrukking heeft gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het woord ‘koelie’ – in dit geval kracht bijgezet door daar ‘kanker’ aan toe te voegen – een beledigende en denigrerende term is die voor Hindoestanen zeer kwetsend is. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij weet wat het woord ‘koelie’ betekent en wat de strekking daarvan is. De rechtbank acht dan ook bewezen dat door het gebruik van deze term sprake is van een gedraging die haat tegen en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras tot uitdrukking bracht. Dat uit het dossier niet volgt dat verdachte de straatroof heeft gepleegd met het oogmerk om te discrimineren, maakt immers gelet op de b-variant van artikel 44b Sr voor de strafverzwarende werking niet uit.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage IIvervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat:\n\nzaak A\n\nhij op 14 oktober 2025 te Amsterdam, omstreeks 02:00, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, gouden kettingen, die aan [benadeelde partij] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- één of meerdere malen aan de kettingen van die [benadeelde partij], terwijl voornoemde goederen zich om de nek van [benadeelde partij] bevonden, te trekken en\n\n- die [benadeelde partij] te vegen en\u002Fof op de grond te gooien en\n\n- die [benadeelde partij] te slaan tegen het lichaam\n\nterwijl dit strafbare feit werd gevolgd door een gedraging die haat tegen en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, tot uitdrukking bracht;\n\nzaak B\n\nhij op 30 juli 2025 te Amsterdam, in een woning, te weten de [adres 2], alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en contant geld, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Motivering van de straf en maatregelen\n\n7.1. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Zij heeft verzocht daarbij als bijzondere voorwaarden op te leggen een contactverbod met de medeverdachte en aangever in zaak A.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen dan de eis en aan te sluiten bij de straf die aan de medeverdachte is opgelegd (140 dagen jeugddetentie waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 120 uren).\n\n7.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nErnst van de feiten\n\nIn zaak A heeft verdachte zich ‘s nachts in het centrum van Amsterdam schuldig gemaakt aan het medeplegen van een straatroof. Hij is daarbij zeer berekenend te werk gegaan. Verdachte had het slachtoffer even daarvoor in een restaurant gezien, en nadat zijn vriend contact met het slachtoffer maakte, gezien dat hij twee gouden kettingen droeg. Deze wilde verdachte kennelijk kostte wat kost hebben. Hij heeft hulp ingeschakeld, is het slachtoffer gaan volgen en heeft vervolgens samen met de medeverdachte met geweld de kettingen van de nek van het slachtoffer getrokken waarbij verdachte het slachtoffer heeft gediscrimineerd. Verdachte heeft verklaard dat het niet goed met hem ging, dat hij lachgas gebruikte en geld nodig had, en de volgende dag heeft hij ten minste één van de kettingen verkocht aan een juwelier, die het goud heeft omgesmolten. De kettingen, die voor het slachtoffer van grote emotionele waarde zijn, zijn daarmee voor altijd weg. Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit. Uit de slachtofferverklaring is gebleken dat de straatroof diepe indruk op het slachtoffer heeft gemaakt en dat hij nog altijd de vervelende gevolgen daarvan ondervindt. Daarnaast leiden dit soort straatroven in het algemeen tot onrust en angst in de maatschappij.\n\nIn zaak B heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een woninginbraak, waarbij de deur en het slot zijn beschadigd en contant geld en een grote hoeveelheid sieraden is buitgemaakt. Door zijn handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de eigendom en persoonlijke leefomgeving van anderen. Een woningbraak kan nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woning als bij de buurtbewoners. Verdachte heeft geen enkele rekening gehouden met deze gevolgen en ook bij het plegen van dit feit alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nUit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 januari 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Hierdoor is sprake van recidive. Bovendien liep verdachte tijdens het plegen van de onderhavige feiten in drie proeftijden en hingen hem forse voorwaardelijke gevangenisstraffen boven het hoofd van 4 maanden, 6 weken en 159 dagen. Het is zeer zorgelijk dat zelfs drie voorwaardelijke straffen verdachte er niet van hebben kunnen weerhouden gewelds- en vermogensdelicten te plegen.\n\nVerder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten waaronder de rapporten van 26 mei 2026 en 3 februari 2026. Hierin wordt onder meer gerapporteerd dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Verdachte kent een uitgebreid reclasseringsverleden en staat sinds mei 2023 onder toezicht van de reclassering. Vanuit de reclassering is hij sterk ingebed in hulpverlening. Er is bewindvoering opgestart en hij heeft een zelfstandige woning bij [zorginstelling] gekregen. Vanuit de gemeente wordt hij begeleid om bestendige dagbesteding te vinden. Na de recidive in 2024 heeft hij een behandeling bij Inforsa succesvol afgerond. Kortom, op vrijwel alle leefgebieden is (forensische) hulpverlening betrokken geweest. Desondanks heeft dit hem er niet van weerhouden opnieuw te recidiveren en lijkt het zich wenden tot delictgedrag een keus. De reclassering ziet geen mogelijkheden meer om met interventies en toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert dan ook oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden, opheffing van de voorwaardelijke kaders en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen.\n\nTot slot stelt de reclassering dat de bekennende houding ten aanzien van de feiten de criminogene houding van verdachte niet verandert. Hij lijkt zichzelf onverminderd als slachtoffer van de situatie te zien en zegt dat zijn daadwerkelijke persoonlijkheid afwijkt van de persoon die uit zijn strafblad en daden naar voren komt. Hiermee toont hij wat betreft de reclassering weinig daderbewustzijn. [reclasseringsmedewerker], reclasseringswerker, is ter zitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard niet tot een ander advies leidt.\n\nDe straf\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die strafrechters in Nederland hanteren en die voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden als vertrekpunt vermelden. Voor woninginbraak geldt bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden als vertrekpunt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd en de persoon van verdachte uitsluitend strafverzwarende omstandigheden zijn gelegen. Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank bovendien geen aanleiding om een gedeelte van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Om die reden zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan is geëist en aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee jaar.\n\n8. Beslag\n\nOnder verdachte zijn vier flessen lachgas en een telefoon in beslaggenomen.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de flessen lachgas moeten worden onttrokken aan het verkeer en dat de telefoon aan verdachte kan worden teruggegeven.\n\nDe flessen lachgas die aan verdachte toebehoren dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf in zaak A en verdachte heeft verklaard dat hij dit strafbare feit heeft gepleegd omdat hij geld nodig had voor lachgas, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.\n\nDe rechtbank zal bepalen dat de telefoon aan verdachte moet worden teruggegeven.\n\n9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel in zaak A\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een vergoeding van materiële schade van primair € 29.535,99 (vervangingswaarde van de twee gouden kettingen), subsidiair € 14.366,- (intrinsieke goudwaarde) en meer subsidiair € 5.433,- (beleenwaarde). Aan vergoeding van immateriële schade vordert hij een bedrag van € 7.500,-.\n\n9.1. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair gevorderde bedrag aan materiële en immateriële schade geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n9.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft voor de materiële schade bepleit dat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Voor de immateriële schade heeft de verdediging, onder verwijzing naar jurisprudentie en het vonnis van de medeverdachte, bepleit dat het bedrag moet worden gematigd tot € 2.500,-.\n\n9.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.\n\nMateriële schade\n\nHet primair gevorderde bedrag aan vergoeding van materiële schade betreft de vervangingswaarde van de twee gouden kettingen. De benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat de totale kosten voor het opnieuw vervaardigen van de twee kettingen € 29.535,99 bedraagt. Deze begroting is gebaseerd op 22 karaat goud, een totaalgewicht van 136,4 gram, de actuele consumentenprijs van goud, een maakloon van 16,67 % en commerciële opslagen inclusief lokale BTW. De rechtbank is van oordeel dat de vervangingswaarde door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist en daarmee vaststaat.\n\nDe rechtbank is voorts van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat verdachte twee met de hand gemaakte gouden koningskettingen heeft weggenomen, die de benadeelde partij van zijn moeder heeft geërfd en dus van grote emotionele waarde zijn. Van ten minste één ketting is bekend dat een juwelier het goud heeft omgesmolten. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het redelijk en billijk is om de geleden en te vergoeden materiële schade te begroten aan de hand van de vervangingswaarde. De rechtbank zal daarom het gevorderde bedrag van € 29.535,99 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nImmateriële schade\n\nOp grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en hierdoor in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen, waarvoor de behandeling minimaal een jaar zal duren. Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, deel B Geestelijk letsel, 14.2 PTSS, onder d. Zij stelt de vergoeding naar billijkheid vast op € 5.000,-, zodat dit bedrag – vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2025– zal worden toegewezen. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.\n\nHoofdelijkheid\n\nVerdachte wordt hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade omdat verdachte het feit samen met anderen\u002Feen ander heeft gepleegd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nIn het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.\n\n10. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen\n\nDe officier van justitie vordert tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen die zijn opgelegd in de zaken met parketnummers 13\u002F038698-23, 13\u002F221373-24 en 15\u002F208785-24. De vorderingen zijn op 15 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.\n\nDe zaak met parketnummer 13\u002F038698-23 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 5 april 2023 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bij vonnis van de politierechter Noord-Holland van 9 juli 2024 is de proeftijd met één jaar verlengd. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2024 zijn van de opgelegde 6 maanden 60 dagen tenuitvoer gelegd, zodat thans 4 maanden resteren.\n\nDe zaak met parketnummer 13\u002F221373-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 25 oktober 2024 van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 159 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe zaak met parketnummer 15\u002F208785-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 9 juli 2024 van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nIn voornoemde vonnissen is bepaald dat het deel van de straf dat voorwaardelijk is opgelegd niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wist dat hij in deze zaken tot de betreffende voorwaardelijke straffen is veroordeeld.\n\nGebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke strafdelen te bevelen.\n\n11. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 44bis, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n12. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nzaak A\n\ndiefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl deze diefstal gevolgd werd door een gedraging die haat en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras tot uitdrukking bracht.\n\nzaak B\n\ndiefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan 2 (twee) jaar.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nVerklaart onttrokken aan het verkeer:\n\n4 STK Verdovende Middelen (goednummer G6732982).\n\nGelast de teruggave aan [verdachte] van:\n\n1 STK Telefoontoestel (goednummer G6732971)\n\nWijst de vorderingvan de benadeelde partij [benadeelde partij]gedeeltelijk toetot een bedrag van € 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 oktober 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVoormeld bedrag bestaat voor € 29.535,99 (negenentwintigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent) uit materiële schade en voor € 5.000,- (vijfduizend euro) uit immateriële schade.\n\nVeroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij], aan de Staat€ 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 173 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte en\u002Fof een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van het restant van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 5 april 2023 (parketnummer 13\u002F038698-23) namelijk 4 (vier) maanden gevangenisstraf.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 25 oktober 2024 (parketnummer 13\u002F221373-24) namelijk 159 (honderdnegenenvijftig) dagen gevangenisstraf.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 9 juli 2024 (parketnummer 15\u002F208785-24) , namelijk 6 (zes) weken gevangenisstraf.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M.C. Danel, voorzitter,\n\nmrs. E.G. Fels en G. Oldekamp rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6929","2026-07-13T00:28:37.130Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":47,"fullText":66,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":68},"532","ECLI:NL:RBMNE:2026:4065","ecli-nl-rbmne-2026-4065","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16-317532-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1992] in [geboorteplaats] (India),\n\nadres: [adres] , [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);\n\nde benadeelde partij: [slachtoffer] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;\n\nfeit 2 primair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen [slachtoffer] heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 primair. De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 1 en feit 2 subsidiair.\n\nDe advocaat heeft een aantal opmerkingen gemaakt over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nBewijsmiddelen feit 1 en feit 2 subsidiair\n\nDe rechtbank oordeelt dat feit 1 en feit 2 subsidiair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de schoonouders van de verdachte) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de schoonzus van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen vanaf haar Instagramaccount, waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en de broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen, de daarvoor gebruikte middelen zoals een paraplu en een snoer en het vastbinden van de aangever.\n\nAlternatief scenario verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen, omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat medeverdachte [medeverdachte 1] zei dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] volgt dat zijn schoonzoon, de verdachte, naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat de verdachte precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachte in de woning werd verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario ongeloofwaardig.\n\nWederrechtelijke vrijheidsberoving\n\nDe verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] is gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest.\n\nVerdachte en zijn mededader hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.\n\nPoging zware mishandeling\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 2 primair (poging tot zware mishandeling). De rechtbank is namelijk van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte geprobeerd heeft om aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. Ook blijkt niet dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank heeft hierbij gekeken naar de bewezen geweldshandelingen en het daardoor toegebrachte letsel.\n\nMishandeling\n\nDe verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever (gedurende de wederrechtelijke vrijheidsberoving) meerdere malen met de blote hand en met voorwerpen geslagen, getrapt, aan het haar getrokken en de aangever bij zijn keel gepakt. Daardoor is de aangever onwel geworden, heeft hij pijn gehad en heeft hij letsel opgelopen. De rechtbank merkt dit geweld aan als een mishandeling.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij beide strafbare feiten de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en\u002Fof intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte(n) nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de strafbare feiten is van zodanig gewicht, dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven. De aangever is naar de woning gelokt en de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever geslagen en getrapt en dreigende woorden geuit, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 2] de aangever heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben de aangever samen mishandeld, door hem te slaan met de blote hand, een paraplu een snoer en een schoen, hem te trappen, aan zijn haren te trekken en hem stevig bij de keel te pakken.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt feit 1 en feit 2 subsidiair van de beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij zijn\" en \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te zeggen,\n\n- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, en\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]\n\n- in het gezicht te slaan en te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels te slaan,\n\n- met een snoer tegen de knieën te slaan,\n\n- met een schoen in het gezicht te slaan,\n\n- tegen het lichaam te trappen en\n\n- stevig bij zijn keel te pakken.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;\n\nfeit 2: medeplegen van mishandeling.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feiten en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Tijdens deze vrijheidsberoving hebben zij hem geslagen en gestompt in zijn gezicht en op zijn lichaam, getrapt, aan zijn haren getrokken en geslagen met een paraplu, een snoer en een schoen. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.\n\nMet hun handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte en zijn medeverdachten zijn volledig voorbijgegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt verdachte kwalijk dat hij weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat hij het slachtoffer heeft aangedaan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 11 november 2025 met betrekking tot de verdachte. De reclassering concludeert dat de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden niet kunnen worden ingeschat, omdat niet duidelijk is geworden wat ten grondslag heeft gelegen aan het gewelddadige gedrag van de verdachte. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en merkt op dat een eventuele detentie gevolgen zou hebben voor het privéleven van de verdachte. De verdachte is in staat om een werkstraf uit te voeren en een geldboete te betalen. Concrete signalen die wijzen op de noodzaak van een contact- en\u002Fof locatieverbod ziet de reclassering niet.\n\nStrafkader\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.\n\nDe rechtbank vindt dat bij de strafbare feiten waar het in deze zaak om gaat, rekening houdend met de aard en ernst daarvan zoals hiervoor omschreven, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden past. Dat is dan ook de straf die de rechtbank aan de verdachte oplegt. Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een taakstraf.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft, of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.\n\nVoor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.\n\nDe kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog nader onderbouwen ervan een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nAls gevolg van de mishandeling heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen . Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hij is na het incident gediagnosticeerd met PTSS.\n\nDe verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nGelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nProceskosten\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als de verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .\n\nHoofdelijk\n\nOmdat de verdachte de feiten waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met zijn mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is.\n\nVoor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\n7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- artikelen 36f, 47, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\n- verklaart feit 2 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 subsidiair bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nverklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;voorlopige hechtenis\n\n- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nDe oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk\n\n [slachtoffer]\n\nwederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd heeft gehouden,\n\ndoor\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en\u002Fof\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, in elk geval gedurende enig tijd\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de\n\nwoning kon verwijderen;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen\n\nmisdrijf om\n\naan [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] ,\n\n- in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- hard aan de haren heeft getrokken,\n\n- tegen het lichaam heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof getrapt en\u002Fof\n\n- stevig bij de keel heeft vastgepakt en\u002Fof de keel heeft dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,\n\n- in het gezicht te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof\n\n- stevig bij zijn keel te pakken en\u002Fof zijn keel dicht te knijpen.\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n-de verklaring van de verdachte [verdachte] op de zitting van 24 juni 2026, zakelijk weergegeven:\n\nDie jongen heeft wel een paar klappen gehad van mij.\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\n Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [verdachte] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.\n\n Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.\n\n Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.\n\n Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje\n\n Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.\n\n Ik heb wel een snoer gepakt.\n\n- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.\n\nIk liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.\n\n Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.\n\n Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.\n\nPersoon 1 noem ik ‘vader’.\n\n Persoon 2 noem ik ‘broer’.\n\n Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.\n\n Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.\n\n Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.\n\n Ik zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .\n\n Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:\n\n De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact met slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\n Het slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er op Snapchat een bericht was van [getuige] .\n\n Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt de medeverdachte [medeverdachte 1] ) voor de deur stond.\n\n Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat. Ik hoorde buurman [medeverdachte 2] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.\n\n Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.\n\n Buurman [medeverdachte 2] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [medeverdachte 2] gebruikte hiervoor een schoen.\n\n Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2] , [1998] ) en zijn echtgenote.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.\n\n Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:\n\n Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik\n\nhoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:\n\n* [verdachte] , geboren op [1992] *\n\nDe sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:\n\nNOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.\n\nChat 202 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”\n\nChat 205 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”\n\nChat 208 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat] ”\n\nChat 223 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”\n\nChat 236 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de verdachte [verdachte] , zakelijk weergegeven:\n\nVraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?\n\nAntwoord: Ja.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 27-28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 29.\n\n Pagina 30.\n\n Pagina 101.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 153.\n\n Pagina 122.\n\n Pagina 111.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 86.\n\n Pagina 159.\n\n Pagina 165-166.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4065","2026-07-13T00:28:35.186Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":45,"courtId":73,"decisionDate":47,"fullText":74,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":76},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","2026-07-13T00:28:23.180Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":47,"fullText":81,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":83},"531","ECLI:NL:RBMNE:2026:4064","ecli-nl-rbmne-2026-4064","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16-317660-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1968] in [geboorteplaats] (India),\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);\n\nde benadeelde partij: [slachtoffer] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;\n\nfeit 2 primair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen [slachtoffer] heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 primair. De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 1 en feit 2 subsidiair.\n\nDe advocaat heeft een aantal opmerkingen gemaakt over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nBewijsmiddelen feit 1 en feit 2 subsidiair\n\nDe rechtbank oordeelt dat feit 1 en feit 2 subsidiair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. \n\nBewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de verdachte en zijn vrouw) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de jongste dochter van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen vanaf haar Instagramaccount, waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen de woning aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen, de daarvoor gebruikte middelen zoals een paraplu en een snoer en het vastbinden van de aangever.\n\nAlternatief scenario verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat de verdachte riep dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte en volgt uit de verklaring van de verdachte dat zijn schoonzoon, medeverdachte [medeverdachte 1] , naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachten in de woning werden verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario volstrekt ongeloofwaardig.\n\nWederrechtelijke vrijheidsberoving\n\nDe verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] was gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest. Verdachte en zijn mededader hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.\n\nPoging zware mishandeling\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 2 primair (poging tot zware mishandeling). De rechtbank is namelijk van oordeel dat niet is bewezen dat de verdachte geprobeerd heeft om aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. Ook blijkt niet dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank heeft hierbij gekeken naar de bewezen geweldshandelingen en het daardoor toegebrachte letsel.\n\nMishandeling\n\nDe verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever (gedurende de wederrechtelijke vrijheidsberoving) meerdere malen met de blote hand en met voorwerpen geslagen, getrapt, aan het haar getrokken en de aangever bij zijn keel gepakt. Daardoor is de aangever onwel geworden, heeft hij pijn gehad en heeft hij letsel opgelopen. De rechtbank merkt dit geweld aan als mishandeling.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij beide strafbare feiten de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en\u002Fof intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte(n) nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de strafbare feiten is van zodanig gewicht dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven. De aangever is naar de woning gelokt en de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever geslagen en getrapt en dreigende woorden geuit, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 2] de aangever heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben de aangever samen mishandeld, door hem te slaan met de blote hand, een paraplu, een snoer en een schoen, hem te trappen, aan zijn haren te trekken en hem stevig bij de keel te pakken.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt feit 1 en feit 2 subsidiair van de beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij zijn\" en \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te zeggen,\n\n- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, en\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 te Almere,\n\ntezamen en in vereniging met een ander,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]\n\n- in het gezicht te slaan en te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels te slaan,\n\n- met een snoer tegen die knieën te slaan,\n\n- met een schoen in het gezicht te slaan,\n\n- tegen het lichaam te trappen en\n\n- stevig bij zijn keel te pakken.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;\n\nfeit 2: medeplegen van mishandeling.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feiten en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Tijdens deze vrijheidsberoving hebben zij hem geslagen en gestompt in zijn gezicht en op zijn lichaam, getrapt, aan zijn haren getrokken en geslagen met een paraplu, een snoer en een schoen. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel uit de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.\n\nMet hun handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte en zijn medeverdachten zijn volledig voorbij gegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt verdachte kwalijk dat hij weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat hij het slachtoffer heeft aangedaan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 23 juni 2026 met betrekking tot de verdachte. De reclassering schat de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden in als laag. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en merkt op dat er geen contra-indicaties zijn voor het opleggen van een gevangenisstraf, taakstraf of financiële sanctie.\n\nStrafkader\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.\n\nDe rechtbank vindt dat bij de strafbare feiten waar het in deze zaak om gaat, rekening houdend met de aard en ernst daarvan zoals hiervoor omschreven, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden past. Dat is dan ook de straf die de rechtbank aan de verdachte oplegt. Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een taakstraf.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft, of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.\n\nVoor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.\n\nDe kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog nader onderbouwen een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nAls gevolg van de mishandeling heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen. Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hijis na het incident gediagnosticeerd met PTSS.\n\nDe verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nGelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nProceskosten\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als de verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .\n\nHoofdelijk\n\nOmdat de verdachte de feiten waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met zijn mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is.\n\nVoor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- artikelen 36f, 47, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\n- verklaart feit 2 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 subsidiair bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nverklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;voorlopige hechtenis\n\n- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nDe oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk\n\n [slachtoffer]\n\nwederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd heeft gehouden,\n\ndoor\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en\u002Fof\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, in elk geval gedurende enig tijd\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de\n\nwoning kon verwijderen;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen\n\nmisdrijf om\n\naan [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] ,\n\n- in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- hard aan de haren heeft getrokken,\n\n- tegen het lichaam heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof getrapt en\u002Fof\n\n- stevig bij de keel heeft vastgepakt en\u002Fof de keel heeft dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,\n\n- in het gezicht te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof\n\n- stevig bij zijn keel te pakken en\u002Fof zijn keel dicht te knijpen.\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [verdachte] , zakelijk weergegeven:\n\n Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.\n\n Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.\n\n Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.\n\n Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje\n\n Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.\n\n Ik heb wel een snoer gepakt.\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nIk heb hem klappen gegeven.\n\n- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.\n\nIk liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.\n\n Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.\n\n Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.\n\n Persoon 1 noem ik ‘vader’.\n\n Persoon 2 noem ik ‘broer’.\n\n Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.\n\n Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.\n\n Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.\n\nIk zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .\n\n Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:\n\n • De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact met slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nHet slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er op Snapchat een bericht was van [getuige] .\n\n Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt: de verdachte) voor de deur stond.\n\n Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat.\n\n Ik hoorde buurman [medeverdachte 2] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.\n\n Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.\n\n Buurman [medeverdachte 2] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [medeverdachte 2] gebruikte hiervoor een schoen.\n\n Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2] , [1998] ) en zijn echtgenote.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.\n\n Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:\n\n Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik\n\nhoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:\n\n* [medeverdachte 1] , geboren op [1992] *\n\nDe sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:\n\nNOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.\n\nChat 202 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”\n\nChat 205 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”\n\nChat 208 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat] ”\n\nChat 223 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”\n\nChat 236 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nVraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?\n\nAntwoord: Ja.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 27-28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 29.\n\n Pagina 30.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 101.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 153.\n\n Pagina 122.\n\n Pagina 111.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 86.\n\n Pagina 159.\n\n Pagina 165-166.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4064","2026-07-13T00:28:35.104Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":45,"courtId":88,"decisionDate":47,"fullText":89,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":91},"534","ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","ecli-nl-rblim-2026-6673",66,"RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.227940.25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1997,\n\nthans verblijvende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. L.M.J. de Ruiter, advocaat kantoorhoudende te Venlo.1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 april 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Vervolgens is op 8 juli 2026 het onderzoek ter terechtzitting gesloten.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 25 augustus 2025 een kussen tegen het gezicht van haar baby heeft gedrukt en zodoende heeft geprobeerd om haar baby te doden (primair). Deze handelswijze is subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegd als een poging tot zware mishandeling dan wel een mishandeling\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft hierbij verwezen naar de bekennende verklaring van de verdachte, de aangifte van haar partner en de berichten die zijn gestuurd in de groepsapp van de familie op Whatsapp.\n\nVoorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een volledig verstoorde wil bij de verdachte, nu uit onderzoek is gebleken dat zij slechts verminderd en niet volledig ontoerekeningsvatbaar was.\n\n3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat er bij de verdachte sprake was van een verstoorde wil, waardoor de wilscomponent ontbreekt, hetgeen reeds om die reden tot vrijspraak moet leiden. Daarnaast heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel niet bewust aanvaard. Haar handelen was immers een uiting van onmacht, waardoor vrijspraak moet volgen voor het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde feit.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe bewijsmiddelen\n\n [naam 1] , de vader van [naam 2]heeft namens hem aangifte gedaan en heeft – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\nIk doe aangifte van poging doodslag.\n\nOns gezin bestaat uit mijn partner [verdachte] , mijn dochter [naam 3] (2 jaar) en mijn zoontje [naam 2] die geboren is op [geboortedatum 2] 2025. Wij wonen met zijn vieren op de [adres 2] , binnen de gemeente Venlo.\n\nOp 25 augustus 2025, om 17:45 uur, kwam [verdachte] naar beneden. Ik zat op de bank. [naam 2] lag in de box. Ik zag dat [verdachte] om de box liep naar de bank. Ik zag dat [verdachte] van de rechterhoek van de bank een kussen vastpakte. Ik zag dat [verdachte] het kussen vasthad met beide handen. Ik zag dat [verdachte] terugliep naar de box. Ik zag dat [verdachte] voor de box stond. Ik zag dat [naam 2] in het midden van de box lag. Ik zag dat [verdachte] voorovergebogen bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen in een snelle beweging liet zakken. Ik zag dat [verdachte] met beide handen, het kussen tegen het gezicht van [naam 2] drukte. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard drukte op het gezicht van [naam 2] . Dit zag ik doordat [verdachte] hard kneep in het kussen. Ze had witte knokkels en ik zag dat het matras\u002Fmatje werd ingedrukt. Ik hoorde dat ze niets zei. Ik zei: “Niet doen!” Ik zag dat [naam 2] met zijn beentjes begon te spartelen. Ik hoorde dat [naam 2] geen geluid maakte. Ik ben erop gevlogen om het te stoppen. Ik denk dat ik binnen ongeveer 4 seconden bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard op het gezicht van [naam 2] bleef duwen en dat [naam 2] nog steeds spartelde met zijn benen. Ik heb [verdachte] vervolgens geslagen op haar rug, om het te stoppen. Ik zag dat [verdachte] niet stopte. Ik heb [verdachte] toen nogmaals geslagen. Ik sloeg haar tegen haar arm en of zij. Ik zag dat [verdachte] toen nog niet stopte. Ik heb toen nogmaals geslagen tegen haar arm en of zij. Daarna heb ik haar weggeduwd van de box. Ik denk dat dit ongeveer 8 tot 10 seconden heeft geduurd. Ik heb toen zelf het kussen van het gezicht van [naam 2] gehaald. Ik heb [naam 2] opgetild, want ik hoorde dat hij hard aan het huilen was. Dit klonk anders dan normaal. Ik heb dit ervaren als een paniek huil. Ik zag dat de tranen over zijn wangen rolden. Ik zag dat [naam 2] harder dan normaal ademde. Ik hoorde dat [naam 2] aan een stuk bleef huilen.\n\nIk was heel angstig dat [naam 2] iets zou overkomen. Ik kan niet inschatten of ze ermee was gestopt of dat ze het had doorgezet.\n\nVerbalisant [naam 4], die op 25 augustus 2025 aanwezig was bij de aanhouding van de verdachte, relateerde in het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte:\n\nIk vroeg aan [verdachte] : \"Ik heb gehoord dat jij een kussen op het gezicht van [naam 2] had gedrukt. Klopt dat?\" Ik hoorde dat [verdachte] zei: \"Ja dat klopt.\" Ik zag dat ze dit zei zonder emotie. Ik zei: \"Wilde je hem dood maken?” Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Ja, dat kan best.”\n\nDe verdachteheeft tijdens haar eerste verhoor bij de politie onder meer het volgende verklaard:\n\nOp 25 augustus 2025 knapte er iets in mij en toen heb ik het kussen op het hoofd van mijn jongste kind, [naam 2] , geduwd. [naam 1] duwde mij weg en ik begon te schreeuwen. Ik heb het kussen een paar seconden op zijn hoofd geduwd.\n\nTijdens haar tweede verhoor bij de politie heeft de verdachtehet volgende verklaard:\n\nV: Je dochtertje zat bij je he?\n\nA: Ze zat bij mij op de schoot.\n\nV: Waarom richtte je je niet tot haar in plaats van op je zoontje?\n\nA: Omdat hij zich nog niet kan verweren, dus dan is het makkelijker.\n\nV: Wat was dan makkelijker?\n\nA: Om me daar op af te reageren omdat hij zich toch niet kan verweren.\n\nV: Wat ging er door je heen toen je naar de box liep?\n\nA: Ik weet niet meer precies, het was alsof ik dat moest doen om overal vanaf te zijn.\n\n(…)\n\nV: Gisteren kwam het ‘achter het behang plakken’ ter sprake. Dat we dit gevoel allemaal wel kennen. Wanneer heb je voor het eerst gedacht je zoontje echt wat aan te willen doen? We bedoelen dus het gevoel dat verder gaat dan 'achter het behang plakken’.\n\nA: Ik heb het wel eens gedacht, maar niet tot actie om gezet.\n\nV: Wanneer heb je dit voor het eerst gedacht?\n\nA: Een paar weken terug.\n\nV: Hoe zagen die gedachtes eruit?\n\nA: Als dit zo door blijft gaan, dan doe ik hem dadelijk iets aan.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte op 25 augustus 2025 in haar woning een kussen op het gezicht van haar baby heeft gedrukt en gedrukt heeft gehouden. De partner van de verdachte heeft haar moeten wegduwen en slaan om haar te laten stoppen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan deze gedraging, gelet op haar uiterlijke verschijningsvorm, worden aangemerkt als een gedraging die is gericht op het beëindigen van het leven van het slachtoffer. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat het drukken van een kussen op het hoofd de ademhaling belemmert en tot verstikking kan leiden. Dit geldt in het bijzonder voor een baby van zes maanden oud, die vanwege diens fysieke kwetsbaarheid en afhankelijkheid in het geheel niet in staat is zich aan een dergelijke situatie te onttrekken.\n\nDe rechtbank leidt uit deze uiterlijke verschijningsvorm af dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op de dood van haar baby. De rechtbank slaat daarbij ook acht op de uitlatingen die de verdachte tegenover de politie heeft gedaan dat het best zou kunnen dat zij haar zoontje op dat moment wilde dood maken, dat zij sinds een paar weken gedachtes had dat zij haar zoontje iets aan kon doen en dat zij zich bewust tot haar zoontje richtte, omdat hij zich nog niet kan verweren.\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte handelde vanuit een geestelijke stoornis, waardoor sprake zou zijn geweest van een verstoorde wilsvorming. De rechtbank overweegt dienaangaande dat uit de onder 5 nader te noemen triple rapportage naar de persoon van de verdachte weliswaar volgt dat zij leed aan een psychische stoornis, maar dat niet is gebleken dat deze stoornis haar wilsvrijheid zodanig heeft aangetast dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of overeenkomstig die wil te handelen. Dat de verdachte nog in staat was om bewuste keuzes te maken, blijkt bovendien reeds uit de omstandigheid dat zij zich tot haar zoontje richtte omdat hij zich nog niet kan verweren. Dat de verdachte mogelijk vanuit haar stoornis heeft gehandeld, maakt niet dat haar wil volledig was uitgeschakeld.\n\nDe rechtbank verwerpt daarom het verweer en acht de poging tot doodslag zoals primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nPrimair\n\nop 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) van het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt en gedrukt gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:\n\nPrimair\n\nPoging tot doodslag.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nGZ-psycholoog dhr. T. ’t Hoen, psychiater mw. C.M.A. Matton en forensisch milieuonderzoeker dhr. D.A. de Ruiter hebben op 18 december 2025 een triple rapportage uitgebracht over de persoon van de verdachte. In genoemd rapport is vermeld dat de verdachte een zeer kwetsbare, gesloten en getraumatiseerde vrouw is, bij wie een forse scheefgroei in haar persoonlijkheids- en identiteitsontwikkeling wordt gezien waarvoor de basis al is gelegd in haar problematische en belaste jeugd. Er is sprake van een op de voorgrond staande borderline-persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is bij de verdachte terugkerend sprake van een mengbeeld van stemmingsklachten en trauma-gerelateerde klachten, die ook in aanloop naar het feit op de voorgrond kwamen. Tevens kan er volgens de deskundigen worden gesproken van een stoornis in het gebruik van speed (amfetamine), licht van aard en thans in remissie in de gereguleerde omgeving van detentie.\n\nVolgens de deskundigen was van bovenstaande stoornissen ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde feit en werden de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde feit ook door de psychische stoornissen beïnvloed.\n\nIn aanloop naar het tenlastegelegde feit liepen de spanningen en psychische problemen bij de verdachte steeds meer op. Haar draagkracht schoot steeds meer tekort om de toenemende draaglast het hoofd te bieden, wat leidde tot een sterke toename van psychische klachten in de vorm van forse spannings- en stemmingsklachten (waaronder prikkelbaarheid). Doordat de spanningen en problemen bleven aanhouden en zelfs toenamen, lukte het haar niet langer om de afgesplitste woede en agressie te controleren. Dit kwam al tot uiting in de toenemende woede en agressie jegens zichzelf in de vorm van automutilatie en suïcidaliteit. Daarnaast lijkt de afgesplitste woede ook naar buiten te zijn geslagen in de vorm van de agressieve impulsdoorbraak jegens haar paar maanden oude zoontje. De verdachte was al met al als gevolg van haar ernstige persoonlijkheidspathologie op dat moment onvoldoende in staat om haar gedrag op een gezondere wijze bij te sturen en andere gedragskeuzes te maken. De deskundigen adviseren daarom het feit in verminderde mate toe te rekenen.\n\nOp grond van dit rapport is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, omdat zij het feit heeft begaan onder invloed van een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens.\n\nGelet op het voorgaande is er géén sprake van een omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte voor het bewezenverklaarde in het geheel uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie gaat ervan uit dat het feit in verminderde mate aan de verdachte is toe te rekenen. Daarnaast heeft zij in acht genomen dat het een zeer ernstig feit betreft, waar normaliter lange gevangenisstraffen tegenover staan. Zij heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Overeenkomstig het reclasseringsadvies heeft zij gevorderd om de aan de tbs te verbinden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de voorlopige hechtenis te schorsen onder dezelfde voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte gebaat is bij hulp en behandeling en acht tbs met voorwaarden een passende sanctie. Wel heeft zij verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van de verdachte.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe ernst van het feit\n\nDe verdachte heeft een zeer ernstig feit gepleegd door een kussen op het gezicht van haar zes maanden oude baby te drukken en gedrukt te houden. Daarmee heeft zij de gezondheid en het leven van haar baby ernstig in gevaar gebracht. [naam 2] was als jonge baby compleet weerloos en volledig afhankelijk van de zorg en bescherming van zijn ouders. Door zo te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op haar ouderlijke plicht om haar baby te verzorgen en te beschermen en zich te onthouden van elk handelen dat het kind schade kan berokkenen. Dat het handelen van de verdachte geen blijvend letsel of het overlijden van de baby heeft veroorzaakt, is alleen te danken aan het ingrijpen van haar partner.\n\nDe rechtbank heeft er oog voor dat de verdachte heeft gehandeld vanuit frustraties en onmacht die een oorzaak vinden in haar trauma’s en stoornis. Dat kan helpen verklaren hoe het tot dit handelen is gekomen, maar rechtvaardigt het gedrag niet. Juist in zulke situaties mag van een moeder worden verwacht dat zij hulp zoekt of afstand neemt, in plaats van haar kind in gevaar te brengen.\n\nZoals reeds onder 5 is uiteengezet, komt de rechtbank op basis van de daar genoemde triple rapportage wel tot de conclusie dat het bewezenverklaarde verminderd aan de verdachte moet worden toegerekend, omdat de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezenverklaarde feit door de psychische stoornissen van de verdachte werden beïnvloed. De rechtbank zal daar rekening mee houden bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregelen.\n\nDe straf\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee, dat zij van het begin af aan openheid van zaken heeft gegeven en ook ten volle heeft meegewerkt aan het triple onderzoek. Omdat de rechtbank van oordeel is dat in deze zaak de focus op de behandeling van de verdachte dient te liggen, zal zij de gevangenisstraf beperken tot een straf gelijk aan de duur van het voorarrest en aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 268 dagen. Omdat de voorlopige hechtenis van de verdachte inmiddels al is geschorst onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd in het kader van de tbs met voorwaarden, betekent dat dat de verdachte niet meer terug naar de gevangenis hoeft.\n\nDe maatregel van terbeschikkingstelling\n\nIndien het bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, de rechtbank tot het oordeel komt dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechtbank gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld.\n\nHet bewezenverklaarde feit is een misdrijf waarop een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld en hiervoor heeft de rechtbank al geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde leed aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. Ten aanzien van het risico voor de algemene veiligheid van personen of goederen (het recidiverisico) en de behandelmogelijkheden, komt in de triple rapportage naar voren dat bij de verdachte een matig risico aanwezig is op herhaling van een soortgelijk feit. De deskundigen achten een langdurige, intensieve behandeling binnen een forensische kliniek noodzakelijk om dat risico terug te dringen. Deze behandeling dient zich te richten op de borderlinepersoonlijkheidsstoornis van de verdachte en de bijkomende psychische klachten en symptomen. Middels behandeling dient het inzicht van de verdachte in haar emotionele binnenwereld te worden vergroot, moet er aandacht zijn voor haar emotieregulatie en het versterken van haar copingvaardigheden. De deskundigen adviseren om aan de verdachte een tbs-maatregel op te leggen. Zij zien enkele aanknopingspunten voor het opleggen van tbs met voorwaarden, maar zien hier ook de beperkingen van. Zij hebben namelijk zorgen of de verdachte een dergelijk intensief en langdurig behandeltraject aankan. De deskundigen hebben uiteindelijk geadviseerd om de reclassering onderzoek te laten doen naar de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden.\n\nDe reclassering heeft op 12 maart 2026 advies uitgebracht. De reclassering schat het risico dat de verdachte zich zal onttrekken aan de voorwaarden in als laag, maar spreekt wel haar twijfels uit over het antwoord op de vraag in hoeverre de verdachte zich vanuit haar ernstige persoonlijkheidspathologie langdurig weet te conformeren aan een ingrijpende en intensieve behandeling. Desalniettemin acht zij een tbs met voorwaarden wel uitvoerbaar. De reclassering heeft daarom geadviseerd om in dat kader aan de verdachte onder meer de volgende voorwaarden op te leggen: meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in beschermd\u002Fbegeleid wonen, meewerken aan ambulante gezinsbegeleiding en een alcohol- en verdovende middelen verbod.\n\nDe rechtbank is op basis van de triple rapportage en het advies van de reclassering van oordeel dat adequate zorg rondom de verdachte opgezet zal moeten worden om te voorkomen dat zij niet of onvoldoende behandeld terugkeert in de maatschappij en om ervoor te zorgen dat zij langere tijd behandeld en gemonitord wordt.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de genoemde wettelijke vereisten om de maatregel van tbs met voorwaarden te kunnen opleggen en zal ter bescherming van de veiligheid van anderen de voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte opleggen, zoals benoemd in het advies van de reclassering. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden. Uit de rapporten en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat zij het liefst zo snel mogelijk dient te beginnen met de klinische behandeling bij de Rooyse Wissel. Daarom heeft de rechtbank op de zitting van 29 april 2026 de voorlopige hechtenis geschorst met ingang van het moment dat deze behandeling is aangevangen onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd door de reclassering in het kader van de tbs met voorwaarden.\n\nDe rechtbank stelt voorts vast dat deze maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe rechtbank zal bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zonder directe intensieve behandeling en begeleiding zal terugvallen in gedrag dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe gedrag beïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel\n\nMede gelet op de inschatting van de deskundigen en de reclassering en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte, ook na beëindiging van de tbs met voorwaarden, langdurig onder toezicht te stellen, noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico te kunnen terugdringen c.q. op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank legt daarom de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr op aan de verdachte.\n\n7. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvan268 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrestis doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregel\n\ngelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met voorwaarden;\n\nstelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:\n\na. De veroordeelde werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n De veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.\n\n De veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen.\n\n De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.\n\n De veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.\n\n De veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.\n\n De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners.\n\n De veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.\n\n De veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n De veroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door de Rooyse Wissel of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijk wonen gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\n De veroordeelde laat zich – na afloop van een klinische behandeling – behandelendoor een nader te bepalenforensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n De veroordeelde verblijft na afloop van een klinische behandeling, indien nodig, gedurende de proefperiode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een nader te bepalen begeleid of beschermd woneninstelling of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-outworden opgenomen in een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;\n\n De veroordeelde gaat niet naar het buitenlandof het Caribisch gebied van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;\n\n De veroordeelde gebruikt geen verdovende middelengenoemd in lijst I (harddrugs), en\u002Fof lijst II (softdrugs) en\u002Fof geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde werkt, zolang de reclassering dit nodig acht, mee aan ambulante gezinsbegeleiding en\u002Fof jeugdbeschermingen houdt zich aan de afspraken met de betrokken hulpverlening. In het belang van de veiligheid van de veroordeelde zelf, de partner en de kinderen van de veroordeelde, is de veroordeelde open over haar psychische gesteldheid richting hulpverlening en de reclassering. De reclassering en de hulpverlening hebben overleg met elkaar;\n\nToezicht\n\n- geeft opdracht aan de reclassering om toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\n- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, dadelijk uitvoerbaaris;Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\n- legt aan de veroordeelde op de maatregelstrekkende totgedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking(artikel 38z Sr).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. R.M.M. Menting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Houkes, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Menting is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nPrimair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\nopzettelijk een ander, te weten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025)\n\nvan het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft\n\ngedrukt en\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf\n\nniet is voltooid;\n\nSubsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te\n\nweten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) opzettelijk zwaar lichamelijk\n\nletsel toe te brengen een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt\n\nen\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is\n\nvoltooid,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nMeer subsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\n [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) heeft mishandeld, door een kussen\n\ntegen het gezicht van die [naam 2] te drukken en\u002Fof gedrukt te houden, terwijl\n\nverdachte dit misdrijf beging tegen haar kind.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025143771, gesloten d.d. 30 oktober 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 182.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] mede namens [naam 2] van 25 augustus 2025, pg. 15 en 16.\n\n Het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 26 augustus 2025, pg. 144 en 145.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 26 augustus 2025, pg. 162 en 163.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 27 augustus 2025, pg. 166-168.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","2026-07-13T00:28:35.466Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":96,"fullText":97,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":52,"updatedAt":99},"679","ECLI:NL:RBMNE:2026:4044","ecli-nl-rbmne-2026-4044","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F277060-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1983] in [geboorteplaats] ,\n\nverblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,\n\nhierna: de verdachte.1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. M.P.M. Balemans (hierna: de advocaat);\n\nde officieren van justitie: mr. F. Leeman en mr. V. van der Horst;\n\nmr. J.R. Mekkes als advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ..\n\n2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nin de periode van 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 in Utrecht, samen met een ander, de kinderen van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Daartoe voert de raadsman aan dat niet is gebleken dat de verdachte strafbare handelingen heeft verricht dan wel daarbij betrokken is geweest. Volgens de verdediging ontbreekt bewijs voor een bewuste en nauwe samenwerking, zodat van medeplegen geen sprake kan zijn. Zelfs indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat een dergelijke samenwerking wel kan worden bewezen, stelt de advocaat dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van het voor medeplegen vereiste dubbele opzet.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nOp 19 augustus 2024 krijgt de politie een melding dat er mogelijk sprake zou zijn van huiselijk geweld in de woning aan de [adres] in [woonplaats] . De buren zouden gegil uit de woning horen komen. De politie gaat ter plaatse naar de woning en treft daar medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en haar twee kinderen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) aan. [slachtoffer 1] is volledig naakt en [slachtoffer 2] loopt in een nat broekje en T-shirt waar een sterke geur van urine vanaf komt. In de woonkamer ligt een grote plas urine. Over de wangen van de kinderen lopen tranen en hun ogen zijn rood.\n\nVervolgens zijn de kinderen verhoord en is er onder meer ook onderzoek gedaan naar de telefoon van [medeverdachte] . Hierin zijn belastende gesprekken en foto’s aangetroffen tussen [medeverdachte] en de verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ).\n\nDe advocaat van de verdachte betwist niet zozeer wat er met de kinderen is gebeurd, maar wel dat [verdachte] strafbare handelingen heeft verricht dan wel daarbij betrokken is geweest. Volgens de verdediging ontbreekt bewijs voor een bewuste en nauwe samenwerking, zodat van medeplegen geen sprake kan zijn.\n\nDe rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\nMedeplegen\n\nDe betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan van dit feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij moet de intellectuele en\u002Fof materiële bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.\n\n [verdachte] en [medeverdachte] kennen elkaar van het schoolplein van de kinderen. Tijdens de zitting vertelden zij dat de kinderen het samen goed konden vinden en het tussen hen ook klikte. Zij kregen steeds meer contact. Rond de scheiding van [medeverdachte] intensiveerde dit contact, omdat [medeverdachte] advies vroeg aan [verdachte] over de opvoeding van de kinderen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 22 januari 2024 met de hulpverlening van [medeverdachte] is afgesproken dat [verdachte] als contactpersoon voor [medeverdachte] zou fungeren. Daarbij is afgesproken dat [medeverdachte] contact met [verdachte] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [verdachte] [medeverdachte] gaat helpen om afspraken na te komen. Vanaf dat moment was [verdachte] nadrukkelijk betrokken bij het gezin van [medeverdachte] .\n\nUit de analyse van de chatberichten blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] in de periode van 2 juli tot en met 18 augustus 2024 meer dan twintigduizend berichten met elkaar hebben uitgewisseld. De tijd tussen opeenvolgende berichten bedroeg soms slechts enkele seconden. De inhoud van deze berichten heeft grotendeels betrekking op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , met name het gedrag van de kinderen, de wijze waarop [medeverdachte] daarop reageert of zou moeten reageren. De hoeveelheid chats tonen aan dat er sprake was van zeer intensief contact over de opvoeding en behandeling van de kinderen. [medeverdachte] hield [verdachte] dagelijks, vanaf de vroege ochtend tot de late avond, op de hoogte van het gedrag van de kinderen en haar eigen handelen. Naast het chatten blijkt ook dat de verdachten vaak met elkaar gingen (beeld)bellen en dat [medeverdachte] regelmatig foto’s stuurde van haar kinderen naar [verdachte] .\n\nNaar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, onder meer de chats tussen de verdachten en de verklaring van [medeverdachte] , dat [verdachte] een sturende en bepalende rol had bij de beslissingen die [medeverdachte] ten aanzien van haar kinderen nam. Zo stuurt [verdachte] onder meer: ‘niks doms lopen doen nu ik niet aan de lijn ben’.Ook zegt [verdachte] ‘Geef hem niet zulke antwoorden. En zeggen bek houden anders geef ik nergens antwoord meer op tot ik jou antwoord heb. Nog uit leggen ook. Ben je gek. Niks uitleggen.’Vervolgens bedrukt [verdachte] dat [medeverdachte] het weer niet goed doet‘ja weer die fout’.\n\nUit de chats blijkt ook dat ze onderling afspraken hebben. In dat kader schrijft [medeverdachte] in een chatbericht aan [verdachte] op 1 augustus ‘wrm zou k het doen als k juist wil bewijzen dat k me aan de dingen hou die we hebben afgesproken samen’.Dit wordt ook ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte] .\n\nOok blijkt uit de analyse van de enorme hoeveelheid chatberichten dat de instructies van [verdachte] in belangrijke mate richtinggevend waren voor hetgeen zich binnen het gezin afspeelde. [medeverdachte] spreekt [verdachte] in de chats nauwelijks tegen en lijkt haar aanwijzingen en opdrachten zonder weerstand op te volgen. De communicatie laat ook zien dat [verdachte] dominant was in het contact tussen hen. Enkele voorbeelden waaruit dit onder meer volgt, zijn de berichten van [verdachte] op 29 juli 2024 ‘ja en hij moet nee laat hem nu zitten nu’ en ‘ja maar hoor je ook niet zeggen zitten mongool’.Ook schrijf [verdachte] op 14 juli 2024 ‘wakker houden slaan anders’.\n\nTegelijkertijd merkt de rechtbank op dat uit de berichten niet volgt dat [medeverdachte] geen eigen keuzevrijheid meer had ten aanzien van de wijze waarop zij haar kinderen behandelde. Wel lijkt zij zich gemakkelijk te conformeren aan de suggesties en instructies van [verdachte] .\n\nGelet op het voorgaande, in onderling samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, anders dan de verdediging heeft betoogd, een actieve en aansturende rol heeft gehad bij alle ten laste gelegde gedragingen en dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Het feit dat er geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, in die zin dat de verdachte fysiek in de nabijheid van [medeverdachte] was op het moment dat zij de gedragingen uitvoerde, doet daaraan niet af. De intellectuele en aansturende bijdrage van de verdachte ook via het soms langdurig beeldbellen is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.\n\nDubbel opzet\n\nEr is alleen sprake van medeplegen als wordt vastgesteld dat sprake is geweest van ‘dubbel opzet’. De verdachte moet opzet hebben op de nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] en - al dan niet in voorwaardelijke zin - op de verwezenlijking van het gronddelict, in dit geval de kindermishandeling.\n\nDoor te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, namelijk door gedurende een langere periode vrijwel dagelijks intensief met [medeverdachte] te communiceren over wat de kinderen wel of niet mochten, en of zij wel of niet gestraft moesten worden, heeft de verdachte opzet gehad op de nauwe en bewuste samenwerking met van [medeverdachte] . Gelet op de inhoud en strekking van chats tussen de verdachten komt de rechtbank tot het oordeel dat [verdachte] ook (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn aan de kinderen van [medeverdachte] , dan wel op het veroorzaken van hevige onlust veroorzakende lichamelijke en\u002Fof geestelijke gewaarwording of het benadelen van hun gezondheid. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de advocaat.\n\nGedragingen\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun verklaringen hebben beschreven hoe de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en hoe de situatie waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden, is ontstaan en verlopen. Deze verklaringen vinden over en weer op essentiële punten steun in elkaar en vinden steun in de verklaring die de medeverdachte heeft afgelegd. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn ook voldoende gedetailleerd en er worden concrete situaties beschreven die steun vinden in andere bewijsmiddelen, te weten de chatberichten tussen de verdachte en de medeverdachte en getuigenverklaringen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen en zal deze dan ook in haar geheel voor het bewijs gebruiken, ook voor zover deze betrekking heeft op de door de verdachte(n) ontkende gedragingen. Bovendien is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring afzonderlijk door twee bewijsmiddelen wordt gedragen.\n\nOordeel\n\nDe rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] , de kinderen van de medeverdachte, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gedurende een periode van ongeveer 8 maanden stelselmatig heeft mishandeld.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat er sprake was van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Zo werden de kinderen verplicht om voor alle alledaagse handelingen (waaronder naar de wc gaan, douchen of eten en drinken) vooraf toestemming te vragen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand en [slachtoffer 1] eenmaal ook geslagen is met een koekenpan. [slachtoffer 1] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Daarnaast werden de kinderen gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd de toegang tot de wc en\u002Fof douche onthouden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de chatberichten dat de kinderen ’s nachts niet naar het toilet mogen. Om dit te controleren legt de verdachte elke avond wc-papier in de wc, maakt hier een foto van en stuurt deze naar medeverdachte [verdachte] . De volgende ochtend maakt de verdachte nieuwe foto's en stuurt deze ook weer naar medeverdachte [verdachte] . Daarna vergelijken de verdachten beide foto’s om te controleren of de wc inderdaad niet is gebruikt. Als ze dan op een andere plek hadden geplast of gepoept moesten de kinderen in hun eigen ontlasting en urine zitten en in vervuilde kleding rondlopen. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine ook opruimen en [slachtoffer 1] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken werd onthouden en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nPartiële vrijspraak\n\nSlaan met de vuist van [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2]\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachten [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] met de vuist heeft geslagen. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte gedeeltelijk vrij zal spreken.\n\nGedragingen ten aanzien [slachtoffer 2]\n\nDe rechtbank zal de verdachte ook vrij spreken ten aanzien van [slachtoffer 2] van het schoppen, aan de handen\u002Farmen meeslepen en\u002Fof armen (ver)draaien, door haar eigen urine heen trekken, beplakken van de mond met ducttape en\u002Fof daarmee te bedreigen en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. [slachtoffer 2] zelf verklaart hier niets over en het blijkt ook niet uit enige andere verklaring in het dossier.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nin of omstreeks de periode tussen 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, het kind van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1]\n\n- met een koekenpan en met vlakke hand te slaan en\n\n- te schoppen en\n\n- aan zijn handen\u002Farmen mee te slepen en zijn armen te (ver)draaien en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in zijn\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hem (gedurende geruime tijd) in zijn door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- zijn eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door zijn eigen urine\n\nheen te trekken en\n\n- met grijze ducttape zijn mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in zijn slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (zijn pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken en\n\n- hem te onthouden van schoolgang;\n\nen\n\nhet kind van haar mededader, [slachtoffer 2] , geboren op [2017]\n\nstelselmatig\n\nheeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2]\n\n- met vlakke hand te slaan en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in haar\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof haar (gedurende geruime tijd) in haar door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- haar eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in haar slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (haar pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nMedeplegen van mishandeling, stelselmatig begaan tegen een minderjarige, meermalen gepleegd.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf en maatregel\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsrapport van 9 juni 2026. Daarbij gaat het, zakelijk weergegeven, om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, ambulante begeleiding en een contactverbod met de slachtoffers en de medeverdachte. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).\n\nDe officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank, indien zij tot een bewezenverklaring komt, te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf. Indien de rechtbank daartoe aanleiding ziet, kan deze worden aangevuld met een voorwaardelijke straf waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.\n\nTer onderbouwing van dit verzoek wijst de advocaat op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de over haar opgemaakte rapportages. Daarnaast wijst de advocaat op de rol van de verdachte binnen de ten laste gelegde feiten. Een aanzienlijk deel van de in de tenlastelegging omschreven gedragingen heeft volgens de advocaat buiten medeweten en zonder betrokkenheid van de verdachte plaatsgevonden.\n\nHoewel uit de chatberichten blijkt dat de verdachte zich op momenten heftig heeft uitgelaten, moet dit volgens de advocaat worden gezien in het licht van het voortdurende spervuur aan berichten van [medeverdachte] , waardoor de verdachte haar geduld verloor. De verdachte had niet de bedoeling om de baas te zijn, maar vroeg zich af waarom de medeverdachte haar om hulp vroeg, terwijl zij zich vervolgens niet hield aan verdachtes goedbedoelde adviezen. Volgens de advocaat is de verdachte in een toxische relatie terechtgekomen.\n\nTot slot merkt de advocaat op dat het contactverbod zal worden nageleefd.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachte gedurende ongeveer 8 maanden stelselmatig de kinderen van de medeverdachte mishandeld.\n\nDe mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] had zowel een fysieke als een geestelijke component. Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden, waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Hierbij keerden twee volwassenen, waaronder hun moeder van wiens zorg de minderjarige [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volledig afhankelijk waren, zich tegen twee jonge kinderen. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren aan het begin van de bewezenverklaarde periode slechts 6 en 9 jaar oud. Beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand, eenmaal werd [slachtoffer 1] ook geslagen met een koekenpan. [slachtoffer 1] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Zij werden gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd verboden om naar de wc te gaan waarna zij in hun eigen ontlasting en urine moesten zitten of in vervuilden kleding moesten blijven. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Ook werd de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken onthouden, mochten zij niet douchen en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nHoewel de medeverdachte weliswaar de feitelijke handelingen uitvoerde en zij degene was die de kinderen sloeg of niet naar de wc liet gaan, blijkt uit de bewijsmiddelen dat alles in samenspraak ging. Dag in dag uit werd alles aangaande de kinderen door de medeverdachte en [verdachte] besproken, per chat maar ook via FaceTime. De rechtbank acht de rollen van de verdachten bij het plegen van deze schokkende feiten daarom gelijkwaardig en net zo kwalijk.\n\nDe verdachten hebben gedurende lange tijd de lichamelijke en de psychische integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ernstig geschonden. De gebeurtenissen vonden thuis plaats, terwijl de kinderen zich juist daar, in het bijzijn van hun moeder, veilig en geboren hadden moeten voelen. In plaats van aandacht, verzorging en bescherming waar zij als jonge kinderen recht op hadden, zijn zij geconfronteerd met een voortdurend escalerend patroon van controle, angst en geweld. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.\n\nDe gevolgen van kindermishandeling kunnen langdurig en ernstig zijn. Uit de slachtofferverklaring van de tante (pleegouder) en vader van de kinderen, blijkt dat de angst die de kinderen hebben ontwikkeld als gevolg van de mishandelingen nog ieder dag aanwezig is en invloed heeft op hun gedrag, hun zelfbeeld en hun gevoel van veiligheid. [slachtoffer 1] is voortdurend bang om iets verkeerd te doen, legt de lat voor zichzelf onmenselijk hoog en heeft weinig zelfvertrouwen. Hij heeft geleerd dat liefde, aandacht en zorg afhankelijk zijn van goed gedrag, terwijl een kind zou moeten weten dat hij ook wanneer hij fouten maakt nog steeds veilig is en geaccepteerd wordt. Ook bij [slachtoffer 2] is zichtbaar hoe diep de angst geworteld zit. Wanneer zij gespannen raakt, verstijft zij letterlijk. De kinderen vragen hun tante (pleegouder) nog vaak of ze naar de wc mogen en of ze het eten, dat zij voor hen maakte, mogen opeten. Nu het vertrouwen van de kinderen in een van de belangrijkste volwassenen in hun leven (hun moeder) beschadigd is geraakt, heeft dat invloed op hoe zij naar andere mensen kijken. Zij verwachten vaak eerder iets negatiefs dan iets positiefs van anderen. Hun eerste reactie is vaak gebaseerd op zelfbescherming in plaats van vertrouwen. Naast de emotionele gevolgen, hebben de kinderen ook ieder dag veel zorg, begeleiding en structuur nodig. Uit de stukken is bovendien gebleken dat de kinderen door de mishandelingen ernstige psychische schade hebben opgelopen en bij hen beide is PTSS vastgesteld. De kinderen volgen hiervoor wekelijks traumabehandeling en hoe dit zich verder zal ontwikkelen moet nog blijken.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nWat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 18 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Het strafblad van verdachte weegt dus niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank gelet op het Pro-Justitia-rapport met daarin het onderzoek van 5 februari 2025, opgesteld door klinisch psycholoog M.G.H. van Willigenburg. Uit het rapport blijkt het volgende. De rapporteur stelt vast dat bij de verdachte sprake is van een gecombineerd beeld van een licht verstandelijke beperking en een traumagerelateerde stoornis. Haar vermogen om gesproken en geschreven taal te begrijpen en zich daarin uit te drukken is verminderd. Inlevingsvermogen is zwak, gedrag van anderen kan ze niet goed inschatten door zwakke empathische vaardigheden. Relativeringsvermogen ontbreekt en ze raakt erg makkelijk overbelast als er dingen gebeuren die buiten haar normale structuur vallen. Bij oplopende stress is ze vermijdend, meer wantrouwend, meer prikkelbaar en mogelijk meer bot. Het vermogen tot signaleren van problemen bij haarzelf is zwak, haar zorgen delen en hulp vragen doet ze niet adequaat. Abstract redeneervermogen is zwak. Ze heeft geen goed overzicht van de gevolgen die haar eigen gedrag op anderen kan hebben en neigt tot concreet denken, zoals zaken letterlijk nemen. Gezien de onafgebroken aanwezigheid van de verstandelijke beperking en de psychische problematiek, acht rapporteur het onwaarschijnlijk dat de verdachte haar gedragingen in vrijheid heeft kunnen afwegen en wordt geadviseerd haar de ten laste gelegde feiten bij bewezenverklaring in verminderde mate toe te rekenen.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van deze deskundige ten aanzien van de toerekenvatbaarheid over en maakt die tot de hare. De rechtbank concludeert dat het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.\n\nDe rapporteur adviseert outreachende lvb-gespecialiseerde hulpverlening in de thuissituatie, die bijdraagt aan structuur, stabiliteit, rust, regelmaat en ondersteuning kan geven op de verschillende levensgebieden. De hulpverlening rondom de verdachte kan het beste gecoördineerd worden door een regiebehandelaar (bij voorkeur een psychotherapeut of klinisch psycholoog) die kennis heeft van lvb-problematiek en traumaproblematiek en ook enige forensische expertise heeft. Verder acht de rapporteur van belang de opvoedkundige vaardigheden van de verdachte te monitoren. Gezien haar functieniveau zou opschalen naar woonbegeleiding en\u002Fof op termijn beschermd\u002Fbegeleid wonen een geschikte route kunnen zijn. Het interventieadvies kan worden uitgevoerd door de polikliniek [naam] , onderdeel van [instelling] , waar de verdachte nu ook in behandeling is. De beschreven behandeling kan worden voortgezet (en geïntensiveerd) in het kader van een bijzondere voorwaarde met een verplicht toezicht door de reclassering, bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 9 juni 2026, opgesteld door reclasseringswerker [A] . De reclassering heeft, doordat de verdachte zich de vermeende feiten niet kan herinneren, beperkt relatie kunnen leggen tussen het ten laste gelegde en de leefgebieden. De reclassering ziet een directe relatie tussen de vermeende feiten en het sociale netwerk van de verdachte. Volgens de reclassering zou de verdachte baat hebben bij een outreachende LVB-gespecialiseerde hulpverlening in de thuissituatie die bijdraagt aan rust, structuur, stabiliteit, regelmaat en ondersteuning op verschillende leefgebieden. Daarnaast wordt behandeling door of met een regiebehandelaar noodzakelijk geacht. De eerder ingezette zorg in de vorm van het Buurtteam en Spoor 030 hebben niet bijgedragen aan het voorkomen of stoppen van de vermeende feiten.\n\nDe reclassering adviseert bij een veroordeling om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht;\n\nAmbulante behandeling;\n\nContactverbod de slachtoffers en de medeverdachte in de zaak;\n\nAmbulante begeleiding.\n\nStrafkader\n\nVanwege de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers die de verdachte heeft gemaakt, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige manier om de strafwaardigheid van haar gedrag tot uitdrukking te brengen, zowel richting de verdachte, haar slachtoffers als de maatschappij.\n\nNaast vergelding is een belangrijk doel van het opleggen van straf ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Gelet daarop legt de rechtbank de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, waaronder passende hulpverlening, waar de verdachte naar verwachting veel baat bij zou hebben.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het\n\nbewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk. De proeftijd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt vastgesteld op drie jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de reclassering, meewerkt aan ambulante behandeling, meewerkt aan ambulante begeleiding en zich houdt aan een contactverbod met de slachtoffers in deze zaak.\n\nDadelijk uitvoerbaar\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\n38v-maatregel\n\nDe rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen, met een maximum van 6 maanden.\n\nDe rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Uit het reclasseringsadvies volgt dat het contact met de medeverdachte delictgerelateerd is en een risicofactor is voor de kans op recidive. Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen wanneer zij weer in contact zal komen met de medeverdachte. Daarom zal zij bevelen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. Vordering van de benadeelde partijen\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nNamens [slachtoffer 1] heeft zijn vader [benadeelde] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 29.815,72 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 17.315,72 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReeds gemaakte kosten bijles: € 1.764,16;\n\nToekomstige kosten bijles: € 5.400,-;\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.059,30;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nBasisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\nOpslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nNamens [slachtoffer 2] heeft haar vader [benadeelde] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 22.882,34 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.382,34 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.290,08;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\n Basisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\n Opslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van beide benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij hoofdelijkheid en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert geen verweer tegen de gevorderde reiskosten en parkeerkosten voor de traumabehandeling.\n\nTen aanzien van de gevorderde bijleskosten stelt de advocaat zich primair op het standpunt dat deze kosten moeten worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat deze noodzakelijk waren. Subsidiair verzoekt de advocaat de benadeelde partijen ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk te verklaren.\n\nMet betrekking tot de post ‘verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante’ stelt de advocaat zich primair op het standpunt dat deze moet worden afgewezen, omdat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. Subsidiair verzoekt de advocaat de benadeelde partij ook op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren, nu de behandeling van deze post een onevenredige belasting is van het strafproces en de kosten worden betwist.\n\nTen aanzien van de immateriële schade stelt de advocaat zich op het standpunt dat, indien en voor zover tot toewijzing wordt overgegaan, maximaal een bedrag van € 3.000,- aan de verdachte kan worden toegerekend gelet op haar ondergeschikte rol. Dit bedrag kan eventueel in mindering worden gebracht op het aan de medeverdachte toe te rekenen bedrag.\n\n6.4.. Oordeel van de rechtbank\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.059,30) daarom toe.\n\nReeds gemaakte kosten bijles;\n\nToekomstige kosten bijles;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de kosten van de bijles en de verplaatste schade niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 1.764,16 + € 5.400 + € 9.092,26 = €16.256,42) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald, zoals gevorderd.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.559,30 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 92 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk), ongeacht hun rol. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.290,08) daarom toe.\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de verplaatste schade, niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 9.092,26) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026 omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Het is gebruikelijk om voor schade die is ontstaan over een langere periode de wettelijke rente in te laten gaan halverwege de periode en dat is in dit geval 6 mei 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.790,08 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 93 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jarenvast;\n\n- stelt als algemene voorwaardendat de verdachte:\n\n zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat de verdachte:\n\n Meldplicht Reclassering\n\nDe verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;\n\n Ambulante behandeling\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel als mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op opmaak delict-analyse, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, en andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n Contactverbod\n\nDe verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze, direct of indirect, contact met de slachtoffers [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en [slachtoffer 2] , geboren op [2017] , zolang het Openbaar Ministerie dat nodig acht;\n\n Ambulante begeleiding\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd begeleiden door het Forensisch Fact team of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering ambulante begeleiding nodig vindt. De begeleiding start zo snel als mogelijk. Huisbezoeken zijn onderdeel van de begeleiding;\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\n38v-maatregel\n\nlegt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar;\n\nbeveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte] , geboren op [1989] ;\n\nbeveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaaris;\n\nbeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum vanzes maanden;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.559,30, bestaande uit € 1.059,30 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van tot 18 juni 2026 de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 13.559,30 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld bij niet betaling aan te vullen met 92 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\n- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.790,08, bestaande uit € 1.290,08 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 13.790,08 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nals de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 93 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij in of omstreeks de periode tussen 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, de kinderen van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] - met een koekenpan en\u002Fof met vlakke hand en\u002Fof vuisten te slaan (zie o.a. p. 228, 239, 965) en\u002Fof - te schoppen (zie o.a. p. 240) en\u002Fof - aan hun handen\u002Farmen mee te slepen en\u002Fof hun armen te (ver)draaien (zie o.a. p. 239) en\u002Fof - (gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond te laten lopen (zie o.a. p. 229, 498, toonmap p.1-19) en\u002Fof - gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en\u002Fof (vervolgens) in hun eigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap te laten zitten en\u002Fof hen (gedurende geruime tijd) in hun door ontlasting en\u002Fof urine vervuilde kleding te laten verblijven (zie o.a. p. 229, 494) en\u002Fof - hun eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door hun eigen urine heen te trekken (zie o.a. p. 496, 514, toonmap p. 1-3, 15-16) en\u002Fof - met grijze ducttape hun mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen (zie o.a. p. 47, 142, 922) en\u002Fof - gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden (zie o.a. p. 500, 507) en\u002Fof - gedurende geruime tijd in hun slaapkamer op te sluiten (zie o.a. p. 501, 982) en\u002Fof - als straf onder een koude douche te zetten (zie o.a. p. 239, 509) en\u002Fof - te kleineren en\u002Fof (hun pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te spreken (zie o.a. p. 228, 500) en\u002Fof - hun te onthouden van schoolgang (zie o.a. p. 44, 172);\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\nDe verklaring van de verdachte op de zitting van 23 juni 2026:\n\nHet klopt dat er intensief contact tussen ons beide (de rechtbank begrijpt: de verdachte en [medeverdachte]) is geweest. Er was veel chatverkeer. Zij vroeg veel over de kinderen en over de opvoeding. Wij hebben via face time gebeld. Ik heb wel gescholden omdat ik boos was. Ze deed dingen anders dan we hadden besproken.\n\nEen proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nToen hebben [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) en ik samen regels bedacht van hoe ik met de kinderen om moest gaan, want ik wist het zelf niet meer. Het begon minder extreem, maar de laatste paar weken (voor de aanhouding) was het wel op het hoogtepunt. Eerst kon er meer qua eten, plassen. Maar de laatste paar weken was het extreem geworden. Dus bijvoorbeeld zoals maandag (de rechtbank begrijpt: maandag 19 augustus 2024), dat ze een tijdje in de plas zitten.\n\nDe regels waren bijvoorbeeld: - De kinderen moesten op de grond zitten; - Ze mochten alleen twee boterhammen s ochtends, 2 s middags en avondeten. Alleen wat nodig was. Als straf kregen ze geen tussendoortjes; - Ze mochten alleen plassen en poepen als het gesprek klaar was (bijvoorbeeld, gesprek over school, over familie of over het misbruik); - Ze moesten alles vragen (of ze mochten plassen, poepen, eten, drinken, schoonmaken van plas en poep); - De kinderen moesten dit aan mij vragen, en ik moest het dan vervolgens aan [verdachte] vragen en [verdachte] gaf dan toestemming (ja of nee of even wachten); - Ik moest alles overleggen met [verdachte] en overal toestemming voor vragen.\n\nEen proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nV: Als jullie dan gingen beeldbellen, want dat gebeurde wel eens, hoe ging dat dan? Want soms typte je ook wat tegelijkertijd. A: Ja, dan hoorde ze het niet. V: Wie? A: [verdachte] . Ja. Dus dan moest ik het ook typen, zeg maar. V: En wat hoorde ze dan niet? A: Wat de kinderen zeiden.\n\nV: En zij jou dan opdrachten gaf, wat je moest doen. En wat voor opdrachten hebben we het dan over? A: Hoe ik mijn kinderen aan moest pakken.\n\nV: En wat voor, hoe moest je dat doen? A: Slaan. Ze heb ook weleens gezegd, geef ze een tik. V: Geef ze een tik. En deed je dat dan ook? A: Ja.\n\nA: Ik moest ook overleggen, als de kinderen iets vroegen, moest ik het naar haar typen. A: En dan bepaalde zij of het mocht ja of nee. V: En waar hebben we het dan over? A: Ze vroegen altijd of ze mochten plassen, eten en drinken. V: En wat was [verdachte] 's rol dan? A: Toestemming geven daarvoor.\n\nV: Jullie hebben dan beeldbellen en typen tegelijk. Hoelang was dat op een dag? A: Van ochtends vroeg tot avonds laat.\n\nV: Waarom mocht hij niet naar de wc ‘s nachts? A: Omdat hij straf had. Volgens haar. V: Er waren nachten dat hij niet naar de wc mocht. En was dat voor [slachtoffer 1] of ook voor [slachtoffer 2] ? A: Allebei. V: En hoe vaak gebeurde het dat ze ‘s nachts niet mochten plassen? A: De laatste tijd heel vaak.\n\nV: De kinderen mochten s ‘nachts niet plassen, omdat ze dan straf hadden. En wij hebben ook gevraagd, ja, maar wat als de kinderen dan moesten plassen of poepen? Wat dan? A: Dan deden ze het gewoon in bed. V: En wat gebeurde er dan? A: En moesten we het de volgende ochtend opruimen van haar.\n\nV: Schold jij je kinderen uit? A: Niet in hun gezicht. Niet altijd.​​​​​​​ V: En niet altijd zeg je? A: Nee, ik werd wel eens opgedragen om dingen te zeggen.\n\nV: Waar moest ze zich uitkleden en naakt zitten? A: Oh, eh op de grond, thuis. V: En waarom moesten ze dat? A: Omdat ze straf hadden.\n\nV: En hoe zat dat met wassen en douchen? Hoe vaak deden de kinderen dat bij jou?\n\nV: Nee, maar wat is dat ongeveer? A: Nou, bijna niet. A: De laatste tijd niet vaak. Ik denk misschien één keer in de week. Als ze geluk hadden. Als het mocht.\n\nV: Want heb jij [slachtoffer 1] wel eens opgesloten in huis? A: Ja.\n\nO: De leerkracht heeft gezien dat [slachtoffer 1] eten uit de tassen pakte.\n\nA: Ja.\n\nV: Van andere kinderen. Nou, dat weet je, ja. Er waren zelfs kinderen die hadden gezegd dat ze een extra boterham hadden voor als [slachtoffer 1] honger had.\n\nV: En toen dat aan het licht kwam, werd [slachtoffer 1] van de 33 dagen, 18 dagen, thuisgehouden. Dat was van maart tot begin mei. En jij zou gezegd hebben tegen de directeur dat [slachtoffer 1] steeds voedselvergiftiging had, omdat hij uit andere tassen at. Daarom zou hij niet op school zijn. Wat kan je daarop zeggen? A: Ook. Maar dat was ook haar idee. V: Wat was haar idee? A: Om hem te straffen, zodat... Wacht even. Om hem thuis te houden en om hem zo te straffen.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 19 augustus 2024 hoorde ik dat de centralist van het Operationeel Centrum vroeg of wij wilden gaan te [adres] in [woonplaats] . Op dit adres zou mogelijk sprake zijn van huiselijk geweld.\n\nIk zag een dame in de deuropening staan, welke uit onze politiesystemen bleek te zijn: [medeverdachte] .\n\nIk zag dat de jongen volledig naakt was. Ik zag dat de jongen met zijn rug tegen de muur aanzat, met zijn hoofd tussen zijn knieën in. Ik zag dat het meisje op de eerste trede van de trap zat. Ik zag dat het meisje met opgetrokken knieën zat en met haar hoofd tussen haar knieën. Ik zag dat de tranen over de wangen van de kinderen liepen en dat hun oogjes rood waren.\n\nUit onze politiesystemen bleken de kinderen te zijn: [slachtoffer 1]\n\nGeboren [2014] te [geboorteplaats] [slachtoffer 2]\n\nGeboren op [2017] .\n\nToen ik de woonkamer inliep zag ik aan de rechterzijde een grote plas urine liggen. Toen de kinderen voor mij uitliepen zag ik dat het meisje een nat broekje en T-shirt had. Toen ik plaats nam naast haar op de bank, rook ik dat er een sterke geur urine van deze kleding afkwam.\n\nIk zag dat er op de salontafel een rol grijze ducttape lag. Toen ik aan [slachtoffer 1] vroeg waarom de tape daar lag, hoorde ik hem zeggen dat als ze straf hebben, dat mama dan hun monden met tape afplakt. Ik hoorde [slachtoffer 1] zeggen: \"Kijk daar hangt nog een stuk losse tape, die mama vanochtend bij mij gebruikt heeft\". Ik zag dat er een losse strip tape aan de salontafel hing.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:A: Omdat mijn moeder zei tegen mij dat ik mijn mond moest houden en dat deed ik niet. Toen pakte mijn moeder plakband om mijn mond dicht te doen. Daarna ging mijn moeder zo draaien en slaan en mij meeslepen. A: En als we thuis zijn mogen we niet eten van onze moeder niet water drinken, niet plassen. Toen ik zondag thuis kwam moest ik in mijn nakie zitten van mijn moeder Omdat ik had geplast op de grond omdat ik niet mocht plassen.\n\nV: En als we het nu hebben over dat arm draaien en dat slaan he. Is dat ene keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\n A: Ze deed vroeger dat ze boos was. Of we een grote mond had of niet luisteren deed ze wel eens koekenpan of douche, koude douche. V: En wat deed ze dan? A: Op mijn hoofd slaan. A: En de koude douche daar moest ik dan 20 seconden onder. V: En je zei aan het begin dat was vroeger. A: Ja.V: En wat is vroeger dan? A: Best wel een jaar geleden. V: En hoe oud was je dan toen dat gebeurde? A: 9. V: Dus dat was vorig jaar toen dat gebeurde met de koekenpan. En is dat een keer gebeurd met de koekenpan of vaker? A: Een keer. Maar de douche wel heel vaak. V: En je zei helemaal aan het begin dat ze plakband pakte. Wat deed ze dan met het plakband? A: Zo helemaal over mijn mond heen plakken. Zo tapen. A: Ze pakte het vast klaar. Ze deed vast 3 van die stukjes tape die pakte ze dan op tafel voor als ik zou gaan praten. V: Is het weleens gebeurd dat ze het wel op je heeft geplakt? A: Ja. V: En is dat een keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\nV: En vertel me eens alles over dat slaan. Hoe ging dat? A: Dat doet ze dan op mijn hoofd. Of dat doet ze dan hier. Maar ze doet ook soms weleens schoppen. V: Schoppen? A: Ja. Hierop of hierop of op mijn rug. V: En wat voel je dan? A: Pijn alleen. V: En hoe ze dat slaat dan? A: Zo. V: Met haar hand. A: Ja.V: En als ze je schopt. Waar doet ze dat dan mee? A: Met d'r voet.\n\nV: Vertel me eens alles over het arm draaien. A: Dan doet ze zo en mijn arm dan zo en dan zo. V: Wat voel je dan? A: Dan doet het heel erg pijn.\n\nV: En toen vertelde je ook nog over het meeslepen? Wat bedoel je daarmee, meeslepen? A: Dat ze me dan vastpakt en meeneemt. V: En meeslepen he, wat heet ze dan vast bij jou? A: Mijn hand. V: Je hand. En waar sleept ze je dan heen? A: Euh of naar de keuken of naar de badkamer.\n\nV: En je vertelde ik moest huilen. Hoe reageert je moeder dan als je moet huilen? A: Dan zegt ze dat we onze bek moeten houden.\n\nV: En dan vertelde je ook nog dat als je thuis bent dat je dan geen eten krijgt of geen water mag drinken. Vertel me daar dan eens alles over? A: En niet plassen. V: Vertel daar eens over? A: En dan vragen we het aan onze moeder en dan mag het niet en dan doen we het gewoon plassen op de grond. V: En is dat een keer gebeurd of vaker. A: Heel vaak. Bijna elke dag.V: Bijna elke dag. En wat gebeurt er dan elke dag? A: Op de grond plassen. En soms ook bijna elke dag niet eten krijgen. Of geen water drinken. Water drinken en plassen mag niet elke dag. Maar eten mag wel soms. Niet elke dag. A: We moeten eigenlijk om alles vragen. Ook of we naar beneden mogen. Dat duurt ook soms best wel lang voordat ze de deur opendoet.\n\nV: En vertel eens over welke deur heb je het dan? A: Mijn slaapkamerdeur.\n\nV: En die week daarvoor, dus dat is twee weken terug was je dan de hele week bij je moeder? A: Ja, dan kregen we geen eten. V: En kreeg je dan de hele week geen eten of een paar dagen niet of anders? A: Hele week geen eten. V: En drinken? A: Ook niet. V: Geen water ook niet? A: Nee. V: En als je dan moet plassen of moet poepen hoe doe je dat dan? A: Mogen we ook niet. V: En hoe gaat dat dan, want het mag niet maar op een gegeven moment moet je toch? A: Dan doen we het op de grond. V: En wat gebeurt er dan als je het op de grond doet? A: Dan moeten we het schoonmaken. V: En hoe doe je dat schoonmaken dan? A; Met een emmer en een soort van schoonmaakmiddel. En dan heet water erin met en doekje. V: En hoe zit dat bij je zusje dan? A: Ook. V: Kun je daar iets over vertellen? Want als je zusje dan heeft geplast, wat gebeurt er dan daarna? A: Dan moet ze het ook schoonmaken. V: En hoe zit het dan met poep? A: Poepen doet ze dan ook soms op de grond.\n\n V: Want je vertelde ook over dat je in je nakie moest zitten omdat je had geplast. A: In mijn kleren eerst en daarna moest ik mij uitkleden en daarna moest ik zo naar bed. V: Moest je zo naar bed, in je nakie? A: Ja. V: Ja. En moet je zus ook weleens in haar nakie als zij heeft geplast? A: Eén (1) keer.\n\n V: En hoelang is dit al zo? A: Sinds mijn vader, uh, gescheiden is. Is in 2023. Dat is eigenlijk al een jaar.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:V: Vertel mij eens [slachtoffer 2] wat er precies allemaal gebeurd is toen mama(de rechtbank begrijpt: de medeverdachte)jullie ging slaan? A: Uh mama heb mij geslagen, en we plasten op de grond omdat we niet naar de wc mogen, en als we vragen mama mogen we naar de wc of plassen of water drinken, dan mogen we niks en moeten we alleen maar door blijven vragen, en dan onze moeder ik heb jullie nu toch genoeg gewaarschuwd, en daarna zegt onze moeder uh dat we, alleen maar dat uh soort van onze mond moeten houden en dat we niks mogen zeggen en daarom plassen we op de grond. V: En verder? A: En als we vragen mama mogen we aankleden, dan mogen we ook niet aankleden of iets.V: En nou vertelde jij mij van mama dat ze je heeft geslagen. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat vaker gebeurd? A: Wel vaker. V: En waar is dat dan gebeurd? A: Bij ons thuis.\n\nV: Je hebt ook verteld dat jullie op de grond geplast hebben omdat jullie niet naar de wc mochten he? A: Ja V: Is dat een keer gebeurd of is dat ook vaker gebeurd? A: Ook vaker.\n\n V: Jij vertelde mij dat mama jou vaker heeft geslagen bij mama thuis he? A: Ja. V: En als mama dat doet, hoe doet ze dat dan? A: Zo. V: Op je hoofd. A: Ja zo. V: Is dat altijd hetzelfde of gaat dat ook wel eens anders? A: Altijd hetzelfde. V: Altijd hetzelfde ok, en wat vind jij daarvan als mama dat doet? A: Niet leuk. V: Nee, waarom vind je dat niet leuk? A: Omdat ik dan gaat huilen en dan zegt mama kan je je kop dicht houden.\n\nA: Over die andere dingen zegt mama dan, je mag geen water drinken, of broodje eten want ik heb niet.\n\nV: [slachtoffer 1] was in z’n blootje en toen had de politie gevraagd aan [slachtoffer 1] waarom hij in z'n blootje was. A: Ja. V: En wat zei [slachtoffer 1] toen? A: Omdat hij niet mocht aankleden. V: Dat zei [slachtoffer 1] . A: Ja. V: En van wie mocht hij dan niet aankleden? A: Van m'n moeder niet. V: En hoe was het met jouw kleding dan? A: Die was ook nat. V: En hoe kwam dat? A: Omdat ik niet naar de wc mocht. V: Jij mocht ook niet naar de wc, en waarom mocht dat dan niet van mama? A: Omdat we heel veel vragen en dat dat dan niet mag. V: En wat hadden jullie dan aan mama gevraagd? A: Mama mag ik plassen want ik kan het echt niet meer ophouden. V: En wat zei mama toen? A: Niks. Moet je elke dag door blijven vragen maar toen hadden we op een gegeven moment geplast.\n\nV: En dat slaan van mama was dat daarvoor of daarna gebeurd? Dat jullie op de grond hadden geplast? A: Daarna nee en daarvoor. A; Omdat hij ook had geslagen mama ook hij. [slachtoffer 1] . V: maar hoe weet je dat mama [slachtoffer 1] had geslagen? Had je dat gezien of had je dat gehoord? A: Dat had ik gehoord.A: Dat tik van dat slaan.\n\nV: Ok, want waarom sloeg mama jou dan? A: Omdat ik aan de spikkels zat. Aan te pulken. V: Ok, niet omdat je in je broek had geplast? A: Ook dat.\n\nV: En hoe was dat met [slachtoffer 1] ? A: Wel een paar keer\n\nV: Over jezelf dus mama heeft je ook op een andere dag geslagen begrijp ik dat? A: Ja.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, chat tbv verhoor [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nUit de telefoon van [medeverdachte] is een chatgesprek naar voren gekomen tussen [medeverdachte] en [verdachte] . Dit betreft een gesprek wat grotendeels gaat over de kinderen van [medeverdachte] . Uit de context is op te maken dat [verdachte] en [medeverdachte] veel bellen tussendoor en [verdachte] meekijkt bij [medeverdachte] in de woning en dus ziet en hoort wat [medeverdachte] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] doen.\n\nOp 29 juli 2024 hebben [verdachte] en [medeverdachte] een gesprek waarin [verdachte] verteld wat [medeverdachte] moet doen met betrekking tot de kinderen.\n\n [verdachte] : ja laat hem zo zitten\n [medeverdachte] : Ja hy heeft gepist\n [verdachte] : Ja en hij moet nee laat hem na zitten nu\n\nOp 14 juli 2024 in de avond is er een gesprek waarin [verdachte] zegt wat [medeverdachte] bij haar kinderen moet doen.\n\n [verdachte] : Wakker houden slaan anders\n\nNiet zo op je tel zitten\n\n [verdachte] : Geef hem niet zulke antwoorden zeggen antwoord\n\nEn zeggen bek houden anders geef ik nergens antwoord meer op tot ik jou antwoord heb\n\nNog uit leggen ook\n\nBen je gek\n\nNiks uitleggen\n\n [verdachte] : Ja dat deed k idd over dat niet slapen\n\n [verdachte] : Ja weer die fout\n\nOp 29 juli 2024 is er een gesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] waarin onder andere het volgende werd gezegd:\n\n [verdachte] : Volgens mij moet hij zitten op z e kont en niet dit\n\n [medeverdachte] : Nee dit zkr niet\n\nMaar hy gaat ook gwn door\n\n [verdachte] : Ja maar hoorje ook niet zeggen zitten mongool\n\nGepoep zeker\n\nVal dood zeggen\n\nWat deed ie\n\n [medeverdachte] : Hy schopte de plas weg\n\nIk trok hem er door heen\n\n [verdachte] : Ja hoorde ik\n\n [medeverdachte] : Hys nu also een baby om z'n vader aan het roepen maar heel zacht\n\n [verdachte] : Ohh latenzo\n\n [medeverdachte] : Ja drm\n\nHij zit me best\n\n [verdachte] : Niet schoonmaken\n\nOp 31 juli zegt [verdachte] tegen [medeverdachte] :\n\nKlappen geven neem ik aan\n\nAls ze doorgaat\n\nNee geen nieuw water\n\nProces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, analyse chats tussen [medeverdachte] en [verdachte] , voor\n\nzover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nDe telefoon van verdachte [medeverdachte] is in beslag genomen en uitgelezen. In deze telefoon is een grote hoeveelheid chatberichten aangetroffen tussen [medeverdachte] en medeverdachte [verdachte] . De meeste chats hebben betrekking op de kinderen van [medeverdachte] ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ), hun gedragingen, hoe [medeverdachte] daarmee omgaat en het instrueren van [medeverdachte] door [verdachte] . De chatberichten die het onderzoeksteam aan ons ter beschikking heeft gesteld en die wij hebben gebruikt voor deze analyse, beslaan de periode 2 juli 2024 tot en met 18 augustus 2024. Dit betreft in totaal 21304 chats. Het is opvallend hoe snel de chats elkaar opvolgen. De tijd tussen de chats bedraagt soms enkele seconden. ledere dag worden de eerste chats vaak al rond 7 uur in de ochtend verstuurd door [medeverdachte] en dat gaat meestal door tot ongeveer 23 uur’. Naast het chatten blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] ook vaak met elkaar (beeld)bellen en dat [medeverdachte] regelmatig foto's van haar kinderen verstuurt naar [verdachte] .\n\nIn de weergave hierna volgt een selectie van chats die door [verdachte] zijn verzonden.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, dossier VT, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\n22 januari 2024 [verdachte] wordt contactpersoon voor [medeverdachte] .\n\nAfspraak met hulpverlening dat [verdachte] de contactpersoon voor [medeverdachte] wordt. Er wordt afgesproken dat [medeverdachte] contact met [verdachte] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [verdachte] [medeverdachte] gaat helpen om afspraken na te komen.\n\n Pagina 461.\n\n Pagina 479.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 479.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, onderzoek 31DONKER24 met proces-verbaalnummer 240917.2109.23955, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1111. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 946.\n\n Pagina 947.\n\n Pagina 962.\n\n Pagina 966.\n\n Pagina 967.\n\n Pagina 969.\n\n Pagina 972.\n\n Pagina 976.\n\n Pagina 978.\n\n Pagina 979.\n\n Pagina 982.\n\n Pagina 984.\n\n Pagina 43.\n\n Pagina 44.\n\n Pagina 238.\n\n Pagina 239.\n\n Pagina 240.\n\n Pagina 241.\n\n Pagina 242.\n\n Pagina 243.\n\n Pagina 244.\n\n Pagina 245.\n\n Pagina 226.\n\n Pagina 227.\n\n Pagina 228.\n\n Pagina 229.\n\n Pagina 230.\n\n Pagina 477.\n\n Pagina 479.\n\n Pagina 458.\n\n Pagina 459.\n\n Pagina 461.\n\n Pagina 480.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 485.\n\n Pagina 486.\n\n Pagina 495.\n\n Pagina 500.\n\n Pagina 501.\n\n Pagina 502.\n\n Pagina 509.\n\n Pagina 511.\n\n Pagina 512.\n\n Pagina 514.\n\n Pagina 736.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4044","2026-07-13T00:28:42.896Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":45,"courtId":104,"decisionDate":96,"fullText":105,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":52,"updatedAt":107},"681","ECLI:NL:RBMNE:2026:4024","ecli-nl-rbmne-2026-4024",71,"RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nParketnummer: 16.054442.26\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [2009] in [geboorteplaats] ,\n\nverblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,\n\n(hierna: [verdachte] ).1. Zitting\n\nDe strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 23 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\n [verdachte] ;\n\nde officier van justitie: mr. F. Koolhof;\n\nde advocaat van [verdachte] : mr. D.G. Nagel (hierna: de advocaat);\n\nde ouders van [verdachte] ;\n\nmevrouw [A] , jeugdreclasseringswerker van Samen Veilig.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:\n\nfeit 1 primair:\n\nop 21 februari 2026 in Zeewolde [slachtoffer 1] heeft afgeperst;\n\ndit is subsidiair tenlastegelegd als een poging tot afpersing.\n\nfeit 2\n\nop 21 februari 2026 in Zeewolde [slachtoffer 2] heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert geen verweer over het bewijs.\n\n3.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\n [verdachte] bekent dat hij de feiten 1 primair en 2, namelijk afpersing en mishandeling, heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:\n\nde bekennende verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nhet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 21 februari 2026 met in de bijlage de letselfoto;\n\n- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 21 februari 2026.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen zijn.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :\n\nfeit 1 primairop 21 februari 2026 te Zeewolde met het oogmerk om zich te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen, die aan [winkel] toebehoorden, door:- een wapen op die [slachtoffer 1] te richten, en- te zeggen: \"Maak dat ding open\" en daarbij naar de cashbox te wijzen, en- te zeggen: \"Snel, schiet op, doe het geld erin!\" en een tas op de balie te leggen, waarna die [slachtoffer 1] geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en- daarna te zeggen: \"hij hoeft niet op slot, maak die kassa open\" en \"alleen de briefjes van 50, 20 en 10\", waarna die [slachtoffer 1] de kassa heeft geopend en geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en- met de tas in de richting van de uitgang van de winkel te lopen;\n\nfeit 2op 21 februari 2026 te Zeewolde [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met een wapen, in elk geval met zijn hand, in het gezicht te slaan.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1 primair: afpersing;\n\nfeit 2: mishandeling.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feiten en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:\n\n- een jeugddetentie van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 93 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden, kort gezegd:\n\no een ambulante behandeling bij de Waag;\n\no meewerken aan hulpverlening;\n\no een locatiegebod en -verbod, te controleren met elektronische monitoring;\n\no een contactverbod met [slachtoffer 2] ;\n\no meewerken aan een zinvolle dagbesteding;\n\no meewerken aan een positieve vrijetijdsinvulling;\n\no deelnemen aan onderwijs;\n\n- een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat rekening gehouden moet worden met de stoornis van [verdachte] en dat het feit in verminderde mate aan hem is toe te rekenen. Zijn school was het enige positieve dat hij had en dat is hij verloren door de voorlopige hechtenis. Ook hier moet rekening mee gehouden worden. [verdachte] heeft al 4 maanden elektronische monitoring, waardoor hij als het ware nog steeds in een soort gevangenis leeft, omdat zijn bewegingsvrijheid is beperkt.\n\nDe advocaat heeft bepleit dat de jeugddetentie beperkt moet worden tot 27 dagen onvoorwaardelijk met aftrek en dat er geen voorwaardelijke jeugddetentie maar een voorwaardelijke werkstraf moet worden opgelegd. De behandeling is nog niet gestart en [verdachte] heeft nog veel te leren. Als een voorwaardelijke jeugddetentie ten uitvoer wordt gelegd, zal zijn schoolgang opnieuw onderbroken worden. Verder heeft de advocaat bepleit om de werkstraf te matigen.\n\nTen aanzien van de elektronische monitoring als bijzondere voorwaarde heeft de advocaat primair bepleit om dit af te wijzen en subsidiair om het te beperken in tijd tot 1 september 2026.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank legt aan [verdachte] op een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van 2 jaren met algemene en bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf op voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie.\n\nBij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\n [verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing en mishandeling. Hij is met een wapen naar de [winkel] gegaan omdat hij geld wilde hebben. Voor die tijd heeft hij zich omgekleed en de kleding in de omgeving verstopt om zich na de afpersing\u002Foverval weer om te kleden. De merkjes die zichtbaar waren op de kleding heeft hij afgeplakt met tape zodat hij minder goed herkenbaar zou zijn. [verdachte] is dus geraffineerd te werk gegaan. [verdachte] heeft voordat hij de overval pleegde een plan van aanpak op papier gezet; ook hieruit blijkt dat hij van tevoren heeft nagedacht over wat hij ging doen.\n\nAangekomen bij de [winkel] heeft hij zijn wapen gericht op [slachtoffer 1] en gezegd dat hij geld in de tas moest doen. Toen [verdachte] met de tas met geld weg wilde lopen werd hij tegengehouden door [slachtoffer 2] . Om weg te komen heeft hij [slachtoffer 2] met het wapen in zijn hand in het gezicht geslagen. Hier heeft [slachtoffer 2] littekens in zijn gezicht aan overgehouden.\n\nDe rechtbank neemt het [verdachte] kwalijk dat hij niet heeft nagedacht over de gevolgen die dit voor de slachtoffers heeft gehad, maar alleen aan zichzelf heeft gedacht omdat hij geld wilde hebben.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nBij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:\n\n- een uittreksel justitiële documentatie betreffende [verdachte] van 19 mei 2026;\n\n- een jeugdreclasseringsadvies van 16 juni 2026, uitgebracht door SAVE Jeugdreclassering;\n\n- een advies van 17 juni 2026, uitgebracht door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);\n\n- een psychologisch rapport van 1 mei 2026.\n\nUit het rapport van de psycholoog volgt dat bij [verdachte] sprake is van een autismespectrumstoornis en ouder-kindproblematiek. Hij kon de wederrechtelijkheid van zijn gedrag begrijpen en gedragsalternatieven overwegen. Zijn autismespectrumstoornis heeft het keuzeproces wel beïnvloed, maar niet zodanig dat de gedragsvrijheid wezenlijk is opgeheven. Daarom acht de psycholoog [verdachte] verminderd toerekeningsvatbaar.\n\nDe rechtbank is gelet op de conclusie van de psycholoog van oordeel dat het hiervoor bewezenverklaarde in verminderde mate aan [verdachte] kan worden toegerekend.\n\nUit het rapport van de Raad blijkt dat [verdachte] een goede band heeft met de coaches die betrokken zijn vanuit JAM Harderwijk. Er is nog wel sprake van instabiliteit op meerdere leefgebieden, waaronder beperkte schoolgang, dagbesteding en toekomstperspectief. Daarom is intensieve monitoring en regie noodzakelijk. [verdachte] vindt het lastig om intrinsiek gemotiveerd te blijven. Externe motivatie lijkt helpend te zijn voor hem. Daar kan elektronische monitoring bij helpen.\n\nOm het recidiverisico te beperken hebben de verschillende rapporteurs geadviseerd om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met bijzondere voorwaarden, waarbij [verdachte] ambulante behandeling krijgt, er een locatiegebod- en verbod geldt, er een contactverbod is en waarbij hij een positieve dagbesteding en vrijetijdsbesteding moet hebben.\n\nDaarnaast is geadviseerd om een taakstraf, in de vorm van een werkstraf op te leggen. Enerzijds omdat de ernst van de verdenking vraagt om passende consequenties en anderzijds omdat dit voor [verdachte] mogelijk kan bijdragen aan motivatie om een bijbaan te kunnen vinden.\n\nStrafkader\n\nOm in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor minderjarigen voor een overval op een winkel is een onvoorwaardelijke jeugddetentie van minstens 4 maanden. Strafverzwarend in dit geval is het feit dat [verdachte] hierbij heeft gedreigd met een wapen.\n\nHet oriëntatiepunt voor minderjarigen voor mishandeling door een enkele klap is een taakstraf van 20 uur. Strafverzwarend daarbij is dat [verdachte] op dat moment het wapen in zijn hand had en dat er letsel is ontstaan.\n\nDoor de advocaat is verzocht om geen voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, omdat dit mogelijk de toekomst van zijn schoolgang in gevaar kan brengen. De rechtbank is van oordeel dat juist een jeugddetentie een goede stok achter de deur is om niet opnieuw tot een strafbaar feit te komen. [verdachte] weet dat hij iets te verliezen heeft, namelijk zijn school, als hij zich niet aan de voorwaarden houdt. Bovendien heeft [verdachte] ervaren hoe het is om vast te zitten en heeft hij ook ervaren dat hij dat niet nog een keer wil.\n\nVerder is door de advocaat verzocht om de elektronische monitoring niet op te leggen, dan wel voor een beperkte tijd op te leggen. De rechtbank vindt de elektronische monitoring nog wel van belang omdat school en dagbesteding nog moeten starten en voor beide nog niet zeker is dat dit kan worden vormgegeven zoals nu wordt gehoopt. Wel zal de rechtbank een einddatum voor de elektronische monitoring opleggen, te weten tot uiterlijk 1 oktober 2026 of zoveel eerder als de jeugdreclassering noodzakelijk acht. Hierdoor heeft de jeugdreclassering enige tijd om te beoordelen of de schoolgang goed op gang is gekomen.\n\nMediation\n\nGebleken is dat [verdachte] en [slachtoffer 1] met zijn ouders bereid waren zich open te stellen voor bemiddeling. Zij hebben een mediation-traject doorlopen en met elkaar gesproken. [verdachte] heeft aan [slachtoffer 1] uitgelegd hoe hij tot deze daad is gekomen en hoe hij er nu zelf op terugkijkt. [verdachte] en dit slachtoffer waren klasgenoten en kwamen en komen elkaar af en toe tegen in hun woonplaats. Zij hebben afspraken gemaakt over hoe ze dan met elkaar omgaan.\n\nGelet op het bepaalde in artikel 51h, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt de rechtbank rekening met de uitkomst van de geslaagde mediation. De uitkomst van de mediation heeft meegewogen bij de beslissing om aan [verdachte] een lagere taakstraf dan door de officier van justitie was gevorderd op te leggen.\n\nGelet op dit alles legt de rechtbank op aan [verdachte] : een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden kort gezegd:\n\n- ambulante behandeling;\n\n- meewerken aan hulpverlening;\n\n- een locatiegebod en -verbod met elektronische monitoring;\n\n- een contactverbod met [slachtoffer 2] ;\n\n- meewerken aan een zinvolle dagbesteding;\n\n- meewerken aan een positieve invulling van vrije tijd;\n\n- meewerken aan onderwijs.\n\nDaarnaast legt de rechtbank aan [verdachte] op een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, bij niet voldoen te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.\n\nDe rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie voor wat betreft de hoogte van de werkstraf, vanwege de positieve uitkomst van de mediation en omdat [verdachte] met de op te leggen straf al een vol programma heeft en hij niet overvraagd moet worden. Daarom heeft de rechtbank de werkstraf enigszins gematigd.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank zal de geschorste voorlopige hechtenis opheffen, zodat de in dit vonnis genoemde bijzondere voorwaarden de schorsingsvoorwaarden zullen vervangen.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij\n\n [slachtoffer 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.600,- voor feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (smartengeld).\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij passend is en geheel kan worden toegewezen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel waarbij het aantal dagen gijzeling op nihil wordt gezet.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft verzocht om niet alleen te kijken naar de ‘Rotterdamse schaal’, maar ook rekening te houden met de smartengeldgids. De advocaat heeft verzocht de schadevergoeding te matigen tot maximaal € 500,- en geen wettelijke rente op te leggen, omdat dit niet te verenigen is met het lik-op-stukbeleid.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, waarbij de rechtbank ook aansluiting heeft gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 21 februari 2026 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 1.000,- aan de Staat moet betalen.\n\nDit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 (datum ontstaan schade) tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.\n\nAls een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op nul dagen.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straffen en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 120 dagen;\n\n- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;\n\n- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 93 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en\u002Fof bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;\n\n- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :\n\n* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:\n\n* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] (geboren op [1984] ), zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;\n\n* zich niet zal bevinden op binnen een straal van 50 meter van de [winkel] te [woonplaats] , [plaats] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;\n\n* aanwezig zal zijn op de navolgende locatie: [adres] , [woonplaats] . Dit locatiegebod geldt om te beginnen voor de tijdsblokken waarop het huisarrest voor [verdachte] van kracht is en geldt zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;\n\n* zich ter controle van het locatiegebod en -verbod onder elektronische monitoring zal stellen van de gecertificeerde instelling Samen Veilig te Almere. De elektronische monitoring duurt tot uiterlijk 1 oktober 2026 of zoveel korter als Samen Veilig te Almere nodig vindt;\n\n* zich onder behandeling zal stellen van de Waag of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;\n\n* zal meewerken aan hulpverlening als dit door jeugdreclassering passend bevonden wordt;\n\n* zal meewerken aan een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk, stage of vrijwilligerswerk voor de duur van tenminste 24 uur per week zolang het onderwijs nog niet gestart is;\n\n* zal meewerken aan een positieve invulling van zijn vrije tijd naast werk, stage of vrijwilligerswerk;\n\n* bij de start van onderwijs zal meewerken aan het positief vormgeven en deelnemen aan onderwijs;\n\n- waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Samen Veilig te Almere opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 60 uren;\n\n- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen jeugddetentie;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade;\n\nveroordeelt [verdachte] tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde af;\n\nlegt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 1.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 0 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nvoorlopige hechtenis\n\n- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. H. den Haan en J.S. Spijkerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nDe voorzitter, jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan [verdachte] is ten laste gelegd dat:\n\nfeit 1 hij op of omstreeks 21 februari 2026 te Zeewolde met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [winkel] en\u002Fof een derde toebehoorde(n), door: - een (vuur)wapen op die [slachtoffer 1] te richten, en\u002Fof - te zeggen: \"Maak dat ding open\" en (daarbij) naar de cashbox te wijzen, en\u002Fof - te zeggen: \"Snel, schiet op, doe het geld erin!\" en\u002Fof een tas op de balie te leggen, waarna die [slachtoffer 1] geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en\u002Fof - (daarna) te zeggen: \"hij hoeft niet op slot, maak die kassa open\" en\u002Fof \"alleen de briefjes van 50, 20 en 10\", waarna die [slachtoffer 1] de kassa heeft geopend en\u002Fof geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en\u002Fof - met de tas in de richting van de uitgang van de winkel te lopen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 21 februari 2026 te Zeewolde ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [winkel] , in elk geval aan een derde toebehoorde(n) - een (vuur)wapen op die [slachtoffer 1] heeft gericht, en\u002Fof - heeft gezegd: \"Maak dat ding open\" en (daarbij) naar de cashbox heeft gewezen, en\u002Fof - heeft gezegd: \"Snel, schiet op, doe het geld erin!\" en\u002Fof een tas op de balie heeft gelegd, waarna die [slachtoffer 1] geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en\u002Fof - (daarna) heeft gezegd: hij hoeft niet op slot, maak die kassa open\" en \"alleen de briefjes van 50, 20 en 10\", waarna die [slachtoffer 1] de kassa heeft geopend en\u002Fof geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en\u002Fof - met de tas in de richting van de uitgang van de winkel is gelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nfeit 2 hij op of omstreeks 21 februari 2026 te Zeewolde [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met een wapen, in elk geval met zijn hand, in het gezicht te slaan.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer MD2R026032 JARRAH, doorgenummerd pagina 1 tot en met 110. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina’s 34, 35 en 38.\n\n Pagina’s 92 en 93.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4024","2026-07-13T00:28:42.996Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":45,"courtId":112,"decisionDate":96,"fullText":113,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":52,"updatedAt":115},"1241","ECLI:NL:RBNNE:2026:2641","ecli-nl-rbnne-2026-2641",65,"RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18-234835-25\n\nter terechtzitting gevoegde parketnummers 18-056235-26 en 18-231080-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 juli 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling 1] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Elzinga, advocaat te Groningen.\n\nHet Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.G. Broekstra.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ten aanzien van parketnummer 18-234835-25, ten laste gelegd dat:\n\nten aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nhij op of omstreeks 7 september 2025 te Groningen opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, door met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp en\u002Fof een mes veelvuldig in de hals en\u002Fof nek en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te steken en\u002Fof te snijden;\n\nalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 september 2025 te Groningen opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, door met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp en\u002Fof een mes veelvudig in de hals en\u002Fof nek en\u002Fof in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te steken en\u002Fof te snijden;\n\nten aanzien van parketnummer 18-056235-26:\n\nhij op of omstreeks 1 april 2025 te Groningen\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] , van het leven te beroven,\n\n-die [slachtoffer 2] (onverhoeds) van achteren (stevig) vast heeft gepakt en\u002Fof daarbij een arm om haar nek heeft gehouden en\u002Fof\n\n-die [slachtoffer 2] een of meerdere klappen (met kracht) heeft gegeven op en\u002Fof tegen haar hoofd en\u002Fof haar nek en\u002Fof haar hals en\u002Fof\n\n-die [slachtoffer 2] een of meerdere malen heeft gesneden en\u002Fof gestoken en\u002Fof geslagen met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp en\u002Fof een mes en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 2] daarbij heeft geraakt in of op haar lichaam en\u002Fof althans in haar hals en\u002Fof haar nek; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 1 april 2025 te Groningen\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n-die [slachtoffer 2] (onverhoeds) van achteren (stevig) vast heeft gepakt en\u002Fof daarbij een arm om haar nek heeft gehouden en\u002Fof\n\n-die [slachtoffer 2] een of meerdere klappen (met kracht) heeft gegeven op en\u002Fof tegen haar hoofd en\u002Fof haar nek en\u002Fof haar hals en\u002Fof\n\n-die [slachtoffer 2] een of meerdere malen heeft gesneden en\u002Fof gestoken en\u002Fof geslagen met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp en\u002Fof een mes en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 2] daarbij heeft geraakt in of op haar lichaam en\u002Fof althans in haar hals en\u002Fof haar nek; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 1 april 2025 te Groningen [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door\n\n-die [slachtoffer 2] (onverhoeds) van achteren (stevig) vast te pakken en\u002Fof daarbij een arm om haar nek te houden en\u002Fof\n\n-die [slachtoffer 2] een of meerdere klappen (met kracht) te geven op en\u002Fof tegen haar hoofd en\u002Fof haar nek en\u002Fof haar hals en\u002Fof\n\n-die [slachtoffer 2] een of meerdere malen te snijden en\u002Fof te steken en\u002Fof te slaan met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp en\u002Fof een mes en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 2] daarbij te raken in of op haar lichaam en\u002Fof althans in haar hals en\u002Fof haar nek en\u002Fof haar hand;\n\nten aanzien van parketnummer 18-231080-25:\n\nhij op of omstreeks 2 september 2025 te Groningen\n\n[slachtoffer 3] heeft mishandeld, door met kracht te slaan en\u002Fof stompen in het gezicht en\u002Fof tegen de hals, althans tegen het lichaam.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder parketnummer 18-234835-25 primair ten laste gelegde en veroordeling gevorderd voor het onder parketnummers 18-234835-25 subsidiair, 18-056235-26 primair en 18-231080-25 ten laste gelegde.\n\nIn het bijzonder heeft zij ten aanzien van het onder 18-056235-26 primair ten laste gelegde aangevoerd dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond, waardoor verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, gelet op de onverhoedse aanval, de dynamische situatie die ontstond en het gebruik van het mes in een kwetsbaar deel van het lichaam (te weten: het halsgebied).\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18-234835-25 primair en het onder 18-056235-26 primair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder parketnummers 18-234835-25 subsidiair, 18-056235-26 subsidiair en 18-231080-25 ten laste gelegde.\n\nVerdachte heeft het feit onder parketnummer 18-231080-25 ontkend.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nten aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nDe rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsvrouw, het primair ten laste gelegde (moord) niet wettig en overtuigend bewezen, nu niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.\n\nDe rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde (doodslag) wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\neen deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 november 2025, opgemaakt door dr. B.G.H. Latten, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 645 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R025162 d.d. 7 mei 2026.\n\nten aanzien van parketnummer 18-056235-26:\n\nDe rechtbank acht het primair (poging tot doodslag) en subsidiair (poging tot zware mishandeling) ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet de bedoeling had om aangeefster te doden of anderszins letsel toe te brengen. Hij wilde iets terugdoen bij de entiteit die hem kwelde. Volgens verdachte bestonden er geen individuen meer en waren alle mensen onderdeel van de entiteit. Hij heeft aangeefster aangevallen, omdat zij de eerste persoon was die hij tegenkwam nadat hij had besloten om iets terug te doen bij de entiteit.\n\nNiet bewezen kan worden dat er bij verdachte sprake was van vol opzet op de dood van aangeefster of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal daarom beoordelen of bewezen kan worden dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het doden van of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood of zwaar lichamelijk letsel - aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.\n\nDaarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels\n\naanmerkelijk is te achten.\n\nUit de aangifte volgt dat aangeefster plotseling stevig van achteren werd vastgepakt en dat zij vervolgens overal op haar hoofd werd geslagen. Daarna voelde zij een scherpe pijn achter haar linkeroor en daarna een scherpe pijn rechts onder haar kaak, ter hoogte van haar nek. Even later zag zij bloed in haar halsstreek. Uit de ontslagbrief van de traumachirurg aan de huisarts van dezelfde dag volgt dat in de rechterzijde van de hals een wondje met een lengte van circa 1 centimeter is geconstateerd. Deze verwonding was alleen door de huid en was niet actief bloedend. Verder zijn er wonden, hematomen en bulten op de behaarde hoofdhuid geconstateerd. Over het steken heeft verdachte ter zitting expliciet verklaard dat hij aangeefster niet heeft gestoken, maar dat hij haar zonder kracht heeftgesnedenin haar keelgebied.\n\nNu het letsel beperkt is gebleven tot oppervlakkige verwondingen en uit de verklaringen van aangeefster en verdachte niet kan worden afgeleid dat verdachte gericht en\u002Fof met kracht in de hals heeft gestoken dan wel gesneden, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er een aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster de aanval van verdachte met de dood zou bekopen of dat zij daar zwaar lichamelijk letsel aan zou overhouden. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling.\n\nWel acht de rechtbank het meer subsidiair ten laste gelegde (mishandeling) wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.\n\n1. De door verdachte ter zitting van 23 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:\n\nIk heb de vrouw die ik op 1 april 2025 op het Van Hallpad tegenkwam stevig vastgepakt en ik heb haar met een mes gesneden bij haar keel.\n\n2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 april 2025, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R025069 d.d. 11 februari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :\n\nOp 1 april 2025 liep ik over het voetpad bij de Van Hallbrug in Groningen. Ik werd ineens van achteren beetgepakt. Een arm ging om mijn nek heen en ik werd in de houdgreep gehouden. Ik kon geen kant op, hij had mij stevig vast. Ik voelde direct nadat ik in de houdgreep werd genomen dat ik overal op mijn hoofd werd geslagen. Dit ging met kracht. Dit deed pijn. Het was vaak, ik denk zeven tot tien keer. Ik voelde daarna een scherpe pijn achter mijn linkeroor, iets daarboven, en daarna een scherpe pijn rechts onder mijn kaak, ter hoogte van mijn nek. Toen ik op mijn werk kwam, voelde ik ineens pijn. Ik hield mijn hand bij mijn nek en zag dat er bloed aan zat. Ik heb nu pijn op mijn hoofd en de twee wonden doen op dit moment erg veel pijn.\n\n3. Een schriftelijk bescheid, te weten een ontslagbrief van drs. [traumachirurg] (traumachirurg in [ziekenhuis] ) d.d. 1 april 2025, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:\n\nOp 1 april 2025 werd mw. [slachtoffer 2] beoordeeld op de SEH van [ziekenhuis] . Lichamelijk onderzoek hals: rechter zijde een wondje van 1 cm lengte, alleen door de cutis. Secondary Survey:\n\nHoofd: wonden, hematomen of bulten op behaarde hoofdhuid.\n\nten aanzien van parketnummer 18-231080-25:\n\nDe rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.\n\n1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 september 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025237978 d.d. 3 september 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :\n\nOp 2 september 2025 was ik werkzaam als begeleider op locatie [adres] te Groningen. Ik begeleid hier meerdere bewoners waaronder [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]). Terwijl de politie ter plaatse was, zag ik ineens dat [verdachte] met kracht een slaande beweging maakte. Ik voelde dat [verdachte] mij raakte. Toen [verdachte] mij raakte voelde ik direct een stekende pijn aan mijn rechterwang.\n\n2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 september 2025, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:\n\nOp 2 september 2025 ging ik met collegas naar [adres] te Groningen. Wij gingen naar de kamer van [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] met gebalde vuist een harde slag gaf op de kaak van begeleider [slachtoffer 3] . Ik zag dat hij dit met kracht deed. Ik zag dat de rechterkant van het gezicht van de begeleider rood uitsloeg.\n\nHoewel verdachte heeft ontkend dat hij aangever heeft geslagen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van aangever en de twee verbalisanten die hebben verklaard dat zij het voorval hebben gezien. De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen het feit wettig en overtuigend bewezen.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht de feiten onder parketnummers 18-234835-25 subsidiair, 18-056235-26 meer subsidiair en 18-231080-25 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nten aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nhij op 7 september 2025 te Groningen opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, door met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp en een mes veelvuldig in de hals en\u002Fof nek en\u002Fof in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te steken en\u002Fof te snijden;\n\nten aanzien van parketnummer 18-056235-26:\n\nhij op 1 april 2025 te Groningen [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door\n\ndie [slachtoffer 2] onverhoeds van achteren stevig vast te pakken en daarbij een arm om haar nek te houden en\n\ndie [slachtoffer 2] klappen met kracht te geven op haar hoofd en\n\ndie [slachtoffer 2] meerdere malen te snijden met een mes;\n\nten aanzien van parketnummer 18-231080-25:\n\nhij op 2 september 2025 te Groningen [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door met kracht te slaan in het gezicht.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nten aanzien van parketnummer 18-234835-25: doodslag;\n\nten aanzien van parketnummer 18-056235-26: mishandeling; ten aanzien van parketnummer 18-231080-25: mishandeling.\n\nDeze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend, zodat hij daarvoor niet strafbaar is en van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich met voornoemd standpunt van de officier van justitie verenigd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportage pro Justitia d.d. 13 april 2026, opgemaakt door\n\nA.H. Bouwman (GZ-psycholoog) en T.W.D.P. van Os (psychiater), beiden\n\nverbonden aan het Pieter Baan Centrum. Het onderzoek heeft zich enkel gericht op het ten laste gelegde feit onder parketnummer 18-234835-25. De conclusie van dit rapport luidt onder andere dat verdachte lijdt aan de psychische stoornis schizofrenie. De deskundigen hebben voorts geconcludeerd dat deze stoornis ook bij verdachte aanwezig was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde onder parketnummer 18-234835-25 en dat deze stoornis zijn gedragskeuzes en gedragingen op dat moment volledig beïnvloedde. De deskundigen hebben deze conclusies als volgt toegelicht:\n\nBij verdachte is sprake van massieve, ontregelende psychopathologie, die zijn perceptie van de hem omringende werkelijkheid voortdurend sterk beïnvloedt. Het hem ten laste gelegde onder parketnummer 18-234835-25 kende achteraf gezien een lange aanloop van in ieder geval twee jaar, waarin - door toenemende angst - ook agressieve gedragingen op de voorgrond kwamen te staan. Uit de collaterale informatie blijkt dat verdachte de voorgaande twee jaren toenemend verward werd, voor hem angstaanjagende dingen zag die anderen niet zagen en ging zwerven.\n\nEen aantal dagen voor het ten laste gelegde onder parketnummer 18-234835-25 mishandelde hij een mannelijke begeleider van de instelling, toen deze hem een time-out van het wonen bij [instelling 2] aanzegde. Verdachte vond dat de begeleider loog en was boos hierover. Moeder en de begeleider waren voornemens de zorg voor verdachte na de time-out voort te zetten. Verdachte ervaarde dat zijn moeder niet duidelijk zijn kant koos en dat zij hem wilde terugsturen “naar die plek, waar er geen hoop was”. Hij was ervan overtuigd dat ook zij onderdeel was van die “entiteit” en dat zij en veel mensen om hem heen zijn gedachten konden horen. Hij ervaarde een verregaand gebrek aan privacy, had intrusieve belevingen, hetgeen hoogoplopende emoties teweegbracht.\n\nVerdachte was tijdens het audiovisuele verhoor op 9 september 2025, twee dagen na het ten laste gelegde, evident psychotisch. Gezien het ernstige en sinds lange tijd bestaande psychotische beeld, zowel in de aanloop naar als direct na het ten laste gelegde, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat verdachte ook tijdens het ten laste gelegde ernstig psychotisch moet zijn geweest.\n\nIn het ten laste gelegde werkt de beschreven psychopathologie geheel door. Bij verdachte is chronisch sprake van een verstoorde realiteitstoetsing, leidend tot een verstoord beeld van zichzelf en de ander, een verstoord begrijpen van de daadwerkelijke betekenis van zijn handelen (oordeel- en kritiekstoornis) en van ontregeling van emoties en gedrag. Binnen de allesomvattende psychotische ontregeling is sprake van hoogoplopende gevoelens van angst en boosheid met als gevolg dat de regulatiemechanismen om agressieve impulsen te kunnen controleren bij hem sterk onder druk komen te staan.\n\nTen tijde van het ten laste gelegde was er sprake van een opvlamming en versterking van onderliggende, door psychose bepaalde thema's, zoals complotten, angst, eenzaamheid, en gevoelens van afwijzing of verlating door anderen (ook zijn moeder). Woede en zelfbeeld speelden daarbij een prominente, zij het ernstig verstoorde, rol. Wat de trigger is geweest is niet duidelijk, maar duidelijk is wel dat deze op een psychotische bodem landde.\n\nVerdachte was weliswaar in staat om de ongeoorloofdheid van het ten laste gelegde in te zien, maar was niet in staat om zijn wil in vrijheid te bepalen. De deskundigen zijn dan ook van oordeel dat zijn handelen volledig gestuurd werd door zijn niet op de realiteit gestoelde bizarre en ernstig psychotische belevingswereld en ontregeling van emoties, terwijl de weging van de aard van zijn handelen eveneens verstoord is door zijn op de voorgrond staande ernstige oordeels- en kritiekstoornissen.\n\nDe rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert ook ten aanzien van parketnummers 18-056235-26 en 18-231080-25 dat de vastgestelde ernstige psychotische stoornis in het kader van de vastgestelde schizofrenie volledig heeft doorgewerkt in die feiten, mede gelet op de door de deskundigen beschreven ernst van de psychopathologie en de aanloop van tenminste twee jaren waarin angst, agressieve gedragingen en verwardheid steeds meer op de voorgrond kwamen te staan.\n\nDe rechtbank concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte niet kan worden toegerekend.\n\nDe rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nMotivering van de maatregel\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft, conform het advies van de deskundigen, gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVerdachte heeft op 7 september 2025 zijn moeder op gruwelijke wijze om het leven gebracht, door haar meerdere malen met messen en andere scherpe voorwerpen te steken. Verdachte was ernstig psychotisch en dacht dat zijn moeder zich tegen hem had gekeerd, terwijl zij zich juist om verdachte bekommerde en zich inzette om de juiste zorg voor verdachte te krijgen. Verdachte heeft hiermee zijn eigen moeder het meest fundamentele recht, namelijk het recht om te leven, ontnomen.\n\nHet onherstelbare leed en verdriet dat verdachte de familie en andere naasten van het slachtoffer daarmee heeft aangedaan is enorm. Dit is op de zitting door verschillende nabestaanden ook indringend verwoord.\n\nDe rechtbank beseft dat niet alle nabestaanden zich kunnen vinden in de adviezen van de deskundigen om te komen tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid en de oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling. De rechtbank overweegt dat zij zich wel kan vinden in de conclusies van de deskundigen, nu deze voorzien zijn van een heldere en uitgebreide onderbouwing en de rechtbank geen aanleiding ziet om aan de inhoud hiervan te twijfelen.\n\nDe rechtbank zal aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege opleggen wegens de bewezen verklaarde doodslag onder parketnummer 18-234835-25. Om een dergelijke maatregel op te leggen moet aan verschillende voorwaarden zijn voldaan, die de rechtbank hierna zal bespreken.\n\nDe tbs-maatregel kan alleen worden opgelegd wegens een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het door verdachte begane feit onder parketnummer 18-234835-25 betreft doodslag, waarop een gevangenisstraf van maximaal 25 jaren is\n\ngesteld. De maatregel kan dus worden opgelegd wegens dit feit. De rechtbank overweegt dat de maatregel niet kan worden opgelegd wegens de twee bewezen verklaarde mishandelingen, nu dit feiten betreffen waarop een gevangenisstraf van maximaal drie jaren is gesteld.\n\nBlijkens de hiervoor al genoemde pro-Justitiarapportage bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van de psychische stoornis schizofrenie.\n\nVerder eist de algemene veiligheid van personen de oplegging van de tbs-maatregel, en is de rechtbank van oordeel dat verdachte van overheidswege moet worden verpleegd (ook wel genoemd: dwangverpleging), omdat de algemene veiligheid van personen de verpleging eist. De rechtbank heeft dit oordeel gegrond op de hiervoor genoemde pro-Justitiarapportage. Dit advies houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:\n\nZowel op de klinische inschatting als op de risicotaxatie-instrumenten wordt een hoog risico ingeschat op gewelddadig gedrag in de toekomst zowel ten aanzien van hem bekende als onbekende personen, en kunnen er geen beschermende factoren worden geïdentificeerd. Dit risico hangt geheel samen met de aard en ernst van de psychopathologie.\n\nOnderzoekers adviseren - gezien de beschreven ernstige psychopathologie, de volledige doorwerking hiervan in het hem ten laste gelegde en het hoge risico op recidive in gewelddadig gedrag - om aan verdachte een verplichte behandeling op te leggen, teneinde het risico op gewelddadig gedrag duurzaam te verlagen. Binnen een behandeling dient primair gefocust te worden op behandeling van de psychotische stoornis, middels antipsychotische medicatie. Wanneer verdachte deze niet vrijwillig wil nemen, is dwangmedicatie aan de orde. Bij afname van psychotische symptomen is de inschatting van onderzoekers dat verdachte minder angst en onveiligheid zal ervaren, hij niet of minder de overtuiging zal hebben dat anderen zijn gedachten lezen\u002F hem uitdagen, hetgeen in direct verband staat met (afname) de delictgevaarlijkheid. Er is bij verdachte thans sprake van een gebrek aan ziektebesef en -inzicht zodat de motivatie om zich te conformeren aan een - ter reductie van de risico's - noodzakelijke behandeling extern moet worden aangestuurd en om die reden wordt ingeschat dat een behandel-\u002F begeleidingstraject van enkele jaren nodig is. Het duurt vermoedelijk lang voordat hij stabiliseert omdat hij al langere tijd psychotisch is en daardoor moeilijker behandelbaar, en het is nog onduidelijk in hoeverre de psychose geheel zal verdwijnen.\n\nOnderzoekers adviseren om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Alleen deze maatregel geeft voldoende garantie om het gevaar terug te dringen en behandeling en resocialisatie te realiseren. Onderzoekers hebben overwogen of behandeling in een minder stringent kader mogelijk is teneinde het recidivegevaar tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, maar zien hiertoe vanwege het gebrek van verdachte aan ziekte-inzicht en behandelmotivatie, gecombineerd met de hoge kans op gewelddadig gedrag, geen mogelijkheden.\n\nDe rechtbank kan zich met de inhoud en de conclusies van de adviezen verenigen en neemt deze over.\n\nNu deze maatregel wordt opgelegd wegens het plegen van doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, is de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd.\n\nBenadeelde partijen\n\nDe volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:\n\n[benadeelde 1] , tot een bedrag van 40.000,-- ter zake van immateriële schade, bestaande uit 20.000,-- ter vergoeding van affectieschade en 20.000,-- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;\n\n[benadeelde 2] , tot een bedrag van 40.000,-- ter zake van immateriële schade, bestaande uit 20.000,-- ter vergoeding van affectieschade en 20.000,-- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;\n\n[benadeelde 3] , tot een bedrag van 37.500,-- ter zake van immateriële schade, bestaande uit 17.500,-- ter vergoeding van affectieschade en 20.000,-- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;\n\n[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 2.957,95 ter zake van materiële schade en\n\n28.500,-- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen toegewezen, met dien verstande dat de immateriële schade ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] dient te worden gematigd tot 20.000,--, met in alle gevallen toewijzing van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk moet worden verklaard in hun vordering, gelet op het feit dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens zijn volledige ontoerekeningsvatbaarheid.\n\nSubsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , en heeft de raadsvrouw ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] zich op het standpunt gesteld dat deze ten aanzien van de materiële en immateriële schade gematigd moet worden, zoals hierna ook bij de bespreking van de vordering wordt weergegeven.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nOntvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vorderingen\n\nZoals hiervoor is overwogen wordt verdachte ten aanzien van alle feiten ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend.\n\nVoor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te stellen dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen omdat het civiele recht zich daartegen verzet, passeert de rechtbank dit verweer op grond van art. 6:165 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\nOp grond van artikel 361, lid 2 aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna ook: Sv), is de benadeelde partij ontvankelijk in haar vordering, indien - kortgezegd - aan verdachte een straf of maatregel is opgelegd, een zorgmachtiging of rechterlijke machtiging is afgegeven of indien toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Indien verdachte dus is ontslagen van alle rechtsvervolging, is er nog wel een mogelijkheid om de vordering van de benadeelde partij ontvankelijk te verklaren.\n\nDe rechtbank stelt vast dat aan verdachte ten aanzien van parketnummer 18-234835-25 de tbs-maatregel zal worden opgelegd. De benadeelde partijen ten aanzien van dit parketnummer zijn in zoverre ontvankelijk in hun vordering.\n\nDe rechtbank stelt verder vast dat de tbs-maatregel niet zal worden opgelegd ten aanzien van parketnummer 18-056235-26, nu het bewezen verklaarde feit (te weten mishandeling) niet een feit betreft op grond waarvan de tbs-maatregel kan worden opgelegd. Daarnaast is ook geen sprake van een andere in artikel 361, lid 2 aanhef en onder a, Sv genoemde ontvankelijkheidsvoorwaarde. Dit zou betekenen dat benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard in haar vordering.\n\nDe rechtbank is evenwel van oordeel dat niet alleen gekeken dient te worden naar de tekst van de wet, maar ook naar de bedoeling van de wetgever. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op de in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering nieuwe toevoeging van een artikellid aan de regeling van de ontvankelijkheid van de benadeelde partij. In de wetsgeschiedenis wordt over dat nieuwe artikellid het volgende opgemerkt.\n\nDit artikellid voegt aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden nog twee toe. Deze ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn algemeen, dat wil zeggen dat zij gelden voor alle benadeelde partijen, dus ongeacht of de voeging is gebaseerd op artikel 1.5.10, eerste lid, op artikel 1.5.10, tweede lid dan wel op artikel 1.5.12. Vergelijkbare ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn thans opgenomen in artikel 361, tweede lid.\n\nDit lid bepaalt dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk is in haar vordering indien: (a) de verdachte wordt veroordeeld dan wel met toepassing van artikel 39 Wetboek van Strafrecht wordt ontslagen van rechtsvervolging en (b) de gevorderde schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een strafbaar feit waarvan in de oproeping is vermeld dat de officier van justitie het op de terechtzitting ter sprake wenst te brengen en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden. De formulering van deze ontvankelijkheidseisen verschilt op beide onderdelen van die van artikel 361, tweede lid. Daar wordt onder a als eis geformuleerd dat aan de verdachte enige straf of maatregel is opgelegd dan wel artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht is toegepast. Die formulering maakt het mogelijk om de verdachte die niet wordt veroordeeld, maar die op grond van artikel 39 Wetboek van Strafrecht wordt ontslagen van rechtsvervolging in het strafproces tot schadevergoeding te veroordelen, mits aan die verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd. Die laatste eis mist echter goede grond.\n\nOntoerekeningsvatbaarheid vormt naar burgerlijk recht geen grond voor afwijzing van de vordering. Daarbij is niet van belang of aan de gedaagde in een eventueel strafproces een maatregel is of wordt opgelegd. Waarom de toewijzing van de vordering daarvan wel afhankelijk moet zijn als die vordering gevoegd wordt behandeld in het strafproces, valt niet goed in te zien.\n\nDe rechtbank ziet reden te anticiperen op de nieuwe ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 361 Sv. Zij merkt daarbij op dat deze verruiming van de ontvankelijkheid van benadeelde partijen niet omstreden is in de politiek, en dat het in de kern om een civiel onderdeel (onrechtmatige daad) in strafvordering gaat en dat dan een anticiperende interpretatie voor de hand ligt, tenzij er zwaarwichtige redenen zijn niet te anticiperen. De rechtbank ziet in deze zaak geen zwaarwichtige redenen.\n\nHet voorgaande leidt ertoe dat ook de benadeelde partij [slachtoffer 2] ontvankelijk is in haar vordering en dat de rechtbank de vordering dan ook inhoudelijk zal beoordelen.\n\nInhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] (parketnummer 18-234835-25)\n\nDe vorderingen zijn alle drie opgebouwd uit de posten shockschade, ter hoogte van 20.000,--, en affectieschade, ter hoogte van respectievelijk 20.000,--, 20.000,-- en 17.500,--.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder genoemd parketnummer bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 september 2025.\n\nInhoudelijke beoordeling van de vordering van [slachtoffer 2] (parketnummer 18-056235-26)\n\nTen aanzien van de materiële schade is de vordering opgebouwd uit de volgende posten:\n\n125,-- (kleding)\n\n385,-- (eigen risico in verband met ambulancevervoer)\n\n1.045,-- (kosten psycholoog, niet vergoed door de zorgverzekeraar)\n\n1.180,-- (kosten psycholoog, toekomstige behandelingen)\n\n114,65 (kosten opstellen verklaring psycholoog, ter vaststelling van de schade)\n\n44,94 (reiskosten naar het politiebureau)\n\n62,86 (reiskosten naar de psycholoog)\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden, waarbij de rechtbank het schadebedrag voor de kleding zal matigen en de reiskosten naar het politiebureau zal afwijzen, zoals hierna wordt besproken.\n\nDe verdediging heeft verzocht de gevorderde schade ten aanzien van de kleding af te wijzen omdat een voldoende concrete onderbouwing zou ontbreken en de rechtbank terughoudend om dient te gaan met schatting van de kosten. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij schade heeft geleden. Nu onduidelijk is wat de precieze aankoopprijs, de aankoopdatum en de staat van de kledingstukken is geweest, schat de rechtbank de hoogte van de schade ten aanzien van de jas en de trui samen op 50,--. De rechtbank zal de vordering op dit onderdeel tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.\n\nDe rechtbank zal voorts, zoals door de verdediging is verzocht, de reiskosten afwijzen die zien op de ritten naar het politiebureau voor het doen van aangifte, het afleggen van een nadere verklaring en het afstaan van DNA-materiaal. Hoewel de kosten naar het oordeel van de rechtbank kunnen worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (art. 6:96 lid 2 aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek), kunnen deze ook worden aangemerkt als proceskosten. Op grond van de artikelen 238 en 241 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kunnen in dat geval enkel de reiskosten als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen, mits benadeelde partij zonder gemachtigde procedeert. Nu dit laatste niet het geval is, moet de vordering op dit onderdeel worden afgewezen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de hoogte van de schade te matigen tot 20.000,--.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18-056235-26 bewezen verklaarde. De vordering zal daarom tot een bedrag van 22.837,51 worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 april 2025.\n\nSchadevergoedingsmaatregelen en veroordeling in de kosten\n\nNu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank ten aanzien van iedere benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.\n\nDe rechtbank overweegt in het bijzonder ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] dat de tekst van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel niet lijkt toe te staan. De vereisten voor de schadevergoedingsmaatregel corresponderen in die zin met die van de ontvankelijkheid van de benadeelde partij.\n\nIndien de rechtbank deze grammaticale interpretatie van artikel 36f Sr zou volgen dan zou de benadeelde partij de door de rechtbank toegewezen civiele schade zelf bij verdachte moeten verhalen. In dat geval lopen de ontvankelijkheidseisen van artikel 361 Sv en de eisen van artikel 36f Sr uit elkaar. De strekking van de artikel 36f Sr is de positie van het slachtoffer te versterken door herstel van de rechtmatige toestand. Daarmee strookt dat ten aanzien van een in het strafproces toegewezen civiele vordering de schadevergoedingsmaatregel moet kunnen worden opgelegd. De rechtbank ziet hierin aanleiding de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f Sr op te leggen.\n\nGelet op de omstandigheid dat verdachte ontoerekeningsvatbaar is verklaard voor beide bewezen strafbare feiten waarvoor schade is toegewezen, zal de rechtbank de vervangende gijzeling op nihil vaststellen.\n\nDe rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de desbetreffende vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummers 18-234835-25 primair en 18-056235-26 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder parketnummers 18-234835-25 subsidiair, 18-056235-26 meer subsidiair en 18-231080-25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar.\n\nOntslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nGelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde 1]te betalen:\n\nhet bedrag van 40.000,-- (zegge: veertigduizend euro);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nde proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 40.000,-- (zegge: veertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.\n\nBepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde 2]te betalen:\n\nhet bedrag van 40.000,-- (zegge: veertigduizend euro);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\n- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 40.000,-- (zegge: veertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.\n\nBepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde 3]te betalen:\n\nhet bedrag van 37.500 (zegge: zevenendertigduizend vijfhonderd euro);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nde proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 37.500 (zegge: zevenendertigduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.\n\nBepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-056235-26:\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2]te betalen:\n\nhet bedrag van 22.837,51 (zegge: tweeëntwintigduizend achthonderdzevenendertig euro en eenenvijftig eurocent);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nde proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nWijst de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige af.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 22.837,51 (zegge: tweeëntwintigduizend achthonderdzevenendertig euro en eenenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 2.837,51 aan materiële schade en 20.000,-- aan immateriële schade.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.\n\nBepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. H. van der Werff en\n\nmr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. Van der Werff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2641","2026-07-13T00:29:11.702Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":45,"courtId":73,"decisionDate":96,"fullText":120,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":122,"parsedAt":52,"updatedAt":123},"1249","ECLI:NL:RBDHA:2026:18522","ecli-nl-rbdha-2026-18522","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F132083-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 29 oktober 2025 en 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Starrenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tekst van de tenlastelegging is als bijlage Iaan dit vonnis gehecht.\n\nAan de verdachte is, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij op of omstreeks:\n\n1. maart 1990 te Bodegraven [slachtoffer] heeft verkracht;\n\n2. 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg een wapen en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;\n\n3. 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg een wapen van categorie I onder 7°van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.\n\n3. De verweren van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie om twee redenen, beide afzonderlijk en in samenhang bezien niet-ontvankelijk is in de vervolging van feit 1, de verkrachting van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). De verdediging heeft daartoe primair aangevoerd dat het onder feit 1 tenlastegelegde zou zijn verjaard en subsidiair aangevoerd dat de verdenking jegens de verdachte en het daarna verzamelde bewijsmateriaal uitsluitend het gevolg is geweest van onrechtmatig bewaard, gedeeld en gebruikt DNA-materiaal van de verdachte. Het subsidiair aangevoerde zou, indien het Openbaar Ministerie al ontvankelijk is, volgens de verdediging moeten leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat op het gebruik van dit DNA-materiaal is gebaseerd.\n\nTen aanzien van de verjaring\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging gaat, met het Openbaar Ministerie, uit van 30 maart 1990 als pleegdatum van het feit. Ten tijde van de pleegdatum gold voor verkrachting een verjaringstermijn van vijftien jaar. Het primaire standpunt van de verdediging is dat op 30 maart 1990 (de dag van aangifte) een verjaringstermijn is aangevangen van vijftien jaar en dat als gevolg daarvan het feit is verjaard per 30 maart 2005, dat is voorafgaand aan de wetswijziging van 1 januari 2006 waarmee de verjaringstermijn gewijzigd is naar twintig jaar (Stb. 2005, 595).\n\nBij wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529) is artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zo gewijzigd dat de termijn voor verjaring van zedenmisdrijven jegens minderjarigen pas aanvangt op de dag na de dag dat het slachtoffer achttien jaar wordt. Volgens de verdediging heeft deze wetswijziging in dit geval geen werking. Een wetswijziging die het aanvangsmoment van een reeds lopende verjaring verlegt staat volgens haar op gespannen voet met het rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel. Een dergelijke wijziging van het aanvangsmoment is volgens de verdediging daarom alleen mogelijk in situaties waarin dit expliciet de bedoeling was van de wetgever. Volgens de verdediging was de bedoeling van de wetgever met de wetswijziging van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529) om minderjarige slachtoffers van zedenmisdrijven te beschermen die vanwege een afhankelijkheids- of gezinsrelatie niet zelfstandig aangifte konden doen vóór zij de leeftijd van achttien jaren hadden bereikt. Van deze situatie is volgens de verdediging geen sprake in de onderhavige zaak, aangezien er reeds in 1990 aangifte is gedaan van de verkrachting. Om die reden zou volgens de verdediging het rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel met zich brengen dat het aanvangsmoment van de verjaring niet gewijzigd is en dat het feit daarmee is verjaard.\n\nSubsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de reeds aangevangen verjaringstermijn is gestuit door een daad van vervolging (te weten tegen de broer van de verdachte) in de jaren negentig. Als gevolg van deze stuiting zou (ook) jegens de verdachte een nieuwe verjaringstermijn zijn aangevangen van maximaal tweemaal vijftien jaar en zou het feit ook zijn verjaard.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 niet is verjaard en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van dit feit.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank neemt als uitgangspunt de wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529, inwerkingtreding 1 september 1994) waarbij artikel 71 Sr zodanig is gewijzigd dat de verjaringstermijn voor het onderhavige strafbare feit eerst aanvangt op de dag na die waarop het slachtoffer achttien jaar is geworden. De door de verdediging bepleite “redelijke wetsuitleg”, inhoudende dat deze wet uitsluitend van toepassing is op gevallen waarin vóór het achttiende levensjaar nog geen aangifte was gedaan door of namens het slachtoffer leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de onredelijke situatie dat de verjaring afhankelijk wordt gemaakt van het feit of er wel of geen aangifte is gedaan. De wetgever heeft, blijkens de memorie van toelichting op de Wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529), geciteerd in bijlage 2 bij het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2025, blz. 17 n. 3, juist een eenduidige verjaringstermijn met een objectief vast te stellen aanvangsmoment willen hanteren voor alleminderjarige slachtoffers van een zedendelict. Hierom gaat de rechtbank ervan uit dat de op 30 maart 1990 aangevangen verjaring op 1 september 1994 met terugwerkende kracht is aangevangen per 20 juli 1993, de dag na die waarop het slachtoffer achttien jaar is geworden. Het door de verdediging aangevoerde rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel gaat in deze situatie niet op, nu er geen sprake is van een reeds voltooide verjaring. Door (tijdige) verlenging van de verjaringstermijn naar twintig jaar bij wet van 16 november 2005 (Stb. 2005, 595, inwerkingtreding 1 januari 2006) is eveneens de wet van 15 november 2012 (Stb. 2012, 572, inwerkingtreding 1 april 2013) van toepassing, zodat het onderhavige strafbare feit thans niet meer verjaart.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank geldt het voorgaande onverkort in de door de verdediging gestelde situatie dat door een daad van vervolging jegens een ander (en wel de broer van de verdachte) sprake zou zijn geweest van stuiting van de verjaring. Dit betoog ziet er immers aan voorbij dat de derdenwerking van stuiting van de verjaring, zoals thans in het eerste lid van artikel 72 Sr vastgelegd, pas bij de eerdergenoemde wet van 16 november 2005 (Stb. 2005, 595; inwerkingtreding 1 januari 2006) is ingevoerd – dezelfde wet waarbij de verjaringstermijn tot 20 jaar is verlengd. Zelfs indien er daarom van moet worden uitgegaan dat de verjaring door de aanhouding van de broer van de verdachte op 1 september 1990 is gestuit en dat die stuiting met terugwerkende kracht per 1 januari 2006 ook jegens verdachte zou werken, dan geldt nog dat de bij diezelfde wet tot 20 jaar verlengde verjaringstermijn een maximale vervolgingstermijn niet van 30 jaar, zoals de verdediging stelt, maar van 40 jaar met zich brengt. Daaruit volgt in elk geval, nog afgezien van de gevolgen van de algehele afschaffing van de verjaring bij wet van 15 november 2012 (Stb. 2012, 572, inwerkingtreding 1 april 2013) dat de vervolgingstermijn op zijn vroegst op 30 maart 2030 zou expireren.\n\nHet recht tot strafvervolging van het Openbaar Ministerie is dus niet vervallen. Het Openbaar Ministerie is derhalve in zoverre ontvankelijk in de vervolging van feit 1, zodat de rechtbank het primaire verweer van de verdediging verwerpt.\n\nTen aanzien van het onrechtmatig bewaren, delen en gebruiken van het DNA-materiaal\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van feit 1, aangezien de verdenking jegens de verdachte uitsluitend is ontstaan als gevolg van het onrechtmatig bewaren en delen van DNA-materiaal van de verdachte door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en het onrechtmatig gebruik maken van deze (en hieruit voortvloeiende) informatie door de Nederlandse autoriteiten.\n\nDaartoe voert de verdediging aan dat het DNA-materiaal van de verdachte reeds in 2010 uit de databank van het Verenigd Koninkrijk verwijderd had moeten worden en dat zijn DNA-materiaal niet binnen de Prüm-samenwerking gedeeld had mogen worden. Het DNA-materiaal is echter niet verwijderd en wel gedeeld, zodat er op 8 maart 2022 een DNA-match heeft plaatsgevonden tussen het DNA-materiaal van de verdachte en het sporenmateriaal dat was veiliggesteld in de onderhavige zaak. Volgens de verdediging is daarmee sprake van een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het recht op eerbiediging van het privéleven van de verdachte. Deze schending is op zichzelf een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), wat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.\n\nDaarbij komt dat, volgens de verdediging, de Nederlandse autoriteiten de uit het DNA-materiaal afkomstige informatie, niet mochten gebruiken om de vervolging van de verdachte te starten en verder bewijs te verzamelen. Door toch uit te gaan van deze informatie, is er volgens de verdediging sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces van de verdachte in de zin van artikel 6 EVRM. Ook hierom is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 1. Subsidiair zou om dezelfde redenen al het op deze onrechtmatigheid gebaseerde materiaal van het bewijs moeten worden uitgesloten.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse autoriteiten slechts gebruik gemaakt hebben van rechtmatig verkregen sturingsinformatie, die aanleiding was voor het ontstaan van de verdenking tegen de verdachte. Het verdere opsporingsonderzoek is gebaseerd op het nadien – vrijwillig – afgegeven DNA van de verdachte. Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van feit 1 en bewijsuitsluiting is niet aan de orde.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de beoordeling van het tweede door de verdachte gevoerde ontvankelijkheidsverweer stelt de rechtbank het volgende voorop. Ingevolge artikel 359a, lid 1, Sv kan de rechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de hoogte van de straf zal worden verlaagd, de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging.\n\nDe toepassing van artikel 359a lid 1 Sv is dus onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” in de zin van art. 132 Sv tegen de verdachte. In zijn overzichtsarrest van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889) heeft de Hoge Raad overwogen dat deze begrenzing niet uitsluit dat een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a lid 1 Sv ligt. In dit verband is door de Hoge Raad expliciet benoemd de situatie waarin het onderzoek is verricht onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit van een andere tot het EVRM toegetreden staat. De Nederlandse strafrechter mag in dat geval onderzoeken of het gebruik van de resultaten van dat onderzoek in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Als aan deze toets is voldaan, hoeft de strafrechter ook in het geval van een inbreuk op het door het eerste lid van artikel 8 EVRM gewaarborgde recht geen rechtsgevolgen aan de inbreuk te verbinden (HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629). Evenwel behoort het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek in het buitenland is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels en dus of er in het desbetreffende land al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoekshandelingen. De rechtbank let hierbij ook op de overwegingen van de Hoge Raad over het in het kader van het EVRM geldende vertrouwensbeginsel.\n\nUit de stukken van het Joint International Crime Centre (hierna: JICC) volgt dat het DNA-materiaal van de verdachte in 2010 verwijderd had moeten worden uit de databank in het Verenigd Koninkrijk (p. 429 en 430 van het procesdossier). Dat is niet gebeurd. Het bewaarde DNA-materiaal is door de Britse autoriteiten vervolgens gedeeld binnen de Prüm-databank, waarna op 8 maart 2022 een DNA-match plaatsvond tussen het DNA-materiaal van de verdachte en het sporenmateriaal dat was veiliggesteld in de onderhavige zaak. Het JICC heeft mededeling gedaan van het onderzoeksresultaat van de DNA-match aan de Nederlandse autoriteiten, onder vermelding van de personalia van de verdachte.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het DNA-materiaal van de verdachte niet door het Verenigd Koninkrijk aan Nederland is verstrekt, en dat in zoverre geen gebruik is gemaakt van onrechtmatig bewaard DNA-materiaal van de verdachte. Het handelen van de Nederlandse autoriteiten is ingegeven op basis van ontvangen sturingsinformatie van de Britse autoriteiten. Het staat de Nederlandse autoriteiten vrij om wel of niet in te gaan op ontvangen informatie van buitenlandse autoriteiten. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is in zoverre geen sprake van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt reeds in zoverre verworpen.\n\nNiet in geschil is dat het DNA-materiaal van de verdachte onrechtmatig is bewaard in het Verenigd Koninkrijk en dat in zoverre sprake is van een vormverzuim. Omdat het handelen van de Britse autoriteiten niet valt onder “het voorbereidend onderzoek” als bedoeld in artikel 359a Sv, moet de rechtbank gelet op voormeld toetsingskader beoordelen of het gebruiken van het onderzoeksresultaat van de DNA-match (de sturingsinformatie) in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\nNa ontvangst van de sturingsinformatie hebben de Nederlandse autoriteiten het opsporingsonderzoek heropend. De politie heeft op 13 mei 2025 telefonisch contact opgenomen met de verdachte, met de mededeling dat zij wilden afspreken in verband met een aanhouding ter zake van verkrachting. Op 14 mei 2025 heeft de verdachte zich vrijwillig bij de politie gemeld. Na het geven van de cautie heeft de verdachte een vrijwel volledige bekentenis afgelegd en vrijwillig DNA-materiaal afgestaan aan de Nederlandse autoriteiten. Dit DNA-materiaal is vervolgens door het Nederlands Forensisch Instituut getest en heeft een DNA-match opgeleverd met het referentiemateriaal in de onderhavige zaak. De verdachte heeft vervolgens onderzoekswensen kunnen indienen en op een openbare terechtzitting verantwoording kunnen afleggen en het aangeleverde bewijs mogen betwisten. Ter terechtzitting heeft de verdachte – nadat hem de cautie was gegeven – gepersisteerd bij zijn bekennende verklaring. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het proces van de verdachte in zijn geheel eerlijk is verlopen en dat er geen sprake is van een schending van artikel 6 EVRM. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het toepassen van enig in art. 359a Sv bedoeld rechtsgevolg, zoals door de verdediging is bepleit.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verweren afzonderlijk dan wel in onderling verband beschouwd geen van alle kunnen leiden tot het oordeel dat een of meerdere onherstelbare inbreuken zijn begaan op het recht van verdachte op een eerlijk proces die tot gevolg moeten hebben dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, dan wel moeten leiden tot bewijsuitsluiting. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging.\n\n4. De bewijsbeslissing\n\n4.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van al het tenlastegelegde.\n\n4.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het bestanddeel ‘door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld (..) heeft gedwongen’ niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft de rechtbank daarom verzocht de verdachte vrij te spreken van feit 1. Subsidiair, indien de rechtbank van oordeel is dat een deel van de fysieke handelingen wel kan worden bewezen, verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van het dreigen met neersteken met een mes.\n\nDaarnaast heeft de raadsman zich met betrekking tot het onder 2 en 3 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.\n\n4.3.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.\n\n4.4.. Bewijsoverweging feit 1\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Voor bewezenverklaring van verkrachting, als bedoeld in het in 1990 geldende artikel 242 Sr, moet komen vast te staan dat het slachtoffer door geweld of door bedreiging met geweld is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan. Onder geweld kan onder meer worden verstaan het aanwenden van fysieke kracht of het onverhoeds met kracht penetreren van de ander. Bedreiging met geweld zou erin kunnen bestaan dat de verdachte door zijn optreden de vrees opwekt dat hij zal overgaan tot geweld tegen het slachtoffer als het slachtoffer niet toegeeft. Het geweld en de bedreiging met geweld moet zwaar genoeg zijn om de weerstand van het slachtoffer te breken.\n\nDe rechtbank acht de verklaringen van het slachtoffer consistent en coherent, en daarmee betrouwbaar. Ten overstaan van een getuige, de politie ter plaatse en tijdens het verhoor bij de politie heeft het slachtoffer gelijkluidend verklaard over wat zich heeft afgespeeld voor en tijdens de seksuele handelingen. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze verklaringen binnen een zeer korte tijdsperiode (in de ochtend tot de vroege middag van 30 maart 1990) zijn afgelegd, zodat niet valt in te zien dat het slachtoffer haar verklaringen op andere zou hebben afgestemd of veranderd. De rechtbank gaat dan ook uit van de verklaringen van het slachtoffer.\n\nUit de verklaring van het slachtoffer volgt dat de verdachte het slachtoffer heeft vastgepakt bij de pols, de bovenarm en het hoofd. Ook heeft de verdachte het slachtoffer naar de keuken geduwd en getrokken, zijn hand op haar mond geduwd, haar naar boven en naar de slaapkamer geduwd en op bed gegooid. Vervolgens is de verdachte boven op het slachtoffer gedoken, heeft haar joggingbroek uitgetrokken en haar onderbroek kapotgetrokken. Ook heeft de verdachte meerdere malen op dreigende toon tegen het slachtoffer gezegd dat hij haar zou neersteken met een mes als ze niet mee zou werken met de seksuele handelingen dan wel geluid zou veroorzaken.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer in voldoende mate steun vinden in ander bewijs in het dossier. De buurvrouw, getuige [getuige] , verklaart net als het slachtoffer dat het gesprek met de verdachte begon over een telefoonnummer. Deze buurvrouw verklaart ook dat zij de deur hard hoorde dichtvallen, en dat de stem van het slachtoffer verheven, paniekerig en angstig klonk. Verder vinden de verklaringen van het slachtoffer steun in het kapotgetrokken slipje, dat door de politie is veiliggesteld en bemonsterd.\n\nDe rechtbank gaat dan ook uit van de verklaringen van het slachtoffer over de toegepaste geweldshandelingen en de geuite bedreigingen. Daaronder valt dus ook het dreigen met een mes. De rechtbank is van oordeel dat het geweld en de bedreigingen van dien aard zijn, dat zij voor het slachtoffer (een veertienjarig meisje dat thuis werd overrompeld) als genoegzame dwang tot het gedogen van het feit kunnen worden beschouwd.\n\nGelet op de hiervoor beschreven handelingen en bedreigingen waarmee de verkrachting heeft plaatsgevonden is de rechtbank van oordeel dat de bestanddelen ‘door geweld en bedreiging met geweld (..) heeft gedwongen’, waaronder ook de bedreigingen met het mes, wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 1.\n\n4.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1\n\nhij op 30 maart 1990 te Bodegraven door geweld en bedreiging met geweld een vrouw, te weten [slachtoffer] , geboren op 19 juli 1975, heeft gedwongen met hem buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, bestaande uit het brengen\u002Fduwen en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, (meermalen)\n\n- die [slachtoffer] (hard) bij de pols en de bovenarm en het hoofd heeft gepakt, en\n\n- die [slachtoffer] naar de keuken heeft geduwd en getrokken, en\n\n- zijn hand (hard) op de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd, en\n\n- die [slachtoffer] de trap op naar boven heeft geduwd en naar de slaapkamer heeft geduwd en op het bed heeft gegooid, en\n\n- bovenop (het lichaam van) die [slachtoffer] is gedoken, en\n\n- de (jogging)broek en de onderbroek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en die laatstekapotheeftgetrokken, en\n\n- ( op dreigende toon) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd “Als je nou nog een keer gilt, steek ik een mes tussen je ribben” en “Ik steek een mes tussen je ribben en dan ben je gelijk weg” en “Ik heb je toch gewaarschuwd! Je weet toch wat ik gezegd heb over dat mes dus eh…” en “Nou hou je je bek dicht want je weet wat ik over het mes heb gezegd” en “Je moet het niet tegen je moeder zeggen of tegen de buurvrouw of tegen de politie want als ik merk dat iemand naar je toekomt en je iemand gewaarschuwd hebt, steek ik een mes door je ribben heen en gebeuren er nare dingen en heel je familie gaat kapot”;\n\n2\n\nhij op 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg, gemeente Altena,\n\n- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (pistool), van het merk FN, type Baby, kaliber 6.35mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en\n\n- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 19 stuks kogelpatronen (volmantel pistoolpatroon) van het kaliber .25 auto (6.35mm) voorhanden heeft gehad;\n\n3\n\nhij op 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg, gemeente Altena, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een veerdrukgeweer, merk Double Eagle, model M38, kaliber 6mm, voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep toekomt op afwezigheid van alle schuld in de vorm van verontschuldigbare rechtsdwaling, hetgeen tot ontslag van alle rechtsvervolging dient te leiden. Er zou, aldus de verdediging, geen enkele aanwijzing zijn dat de verdachte wist of behoorde te weten dat het enkele voorhanden hebben van dit object strafbaar was.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor alle feiten strafbaar is.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVolgens vaste rechtspraak slaagt een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling\n\nslechts als aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een\n\nverontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van\n\nde hem verweten gedraging. Hiervan is in de regel slechts sprake indien de verdachte heeft vertrouwd op een, naar later blijkt, onjuist advies, onjuiste informatie van de overheid of wanneer hij in het geheel geen advies over de mogelijke strafbaarheid van de gedraging hoefde in te winnen. Door de verdachte zijn wisselende verklaringen afgelegd over de wijze waarop hij het wapen in bezit heeft verkregen. Door deze wisselende verklaringen kan niet vastgesteld worden in welke veronderstelling de verdachte verkeerde bij het verkrijgen van het wapen. Naar oordeel van de rechtbank is daarom niet aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van het bezit van dit wapen. De verdachte is derhalve voor feit 3 strafbaar.\n\nDe verdachte is eveneens voor de feiten 1 en 2 strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De strafoplegging\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 komt – de rechtbank verzocht een onvoorwaardelijke straf op te leggen gelijk aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen, eventueel met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om ten aanzien van de feiten 2 en 3 verder geen straf op te leggen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich in 1990 schuldig gemaakt aan verkrachting van een 14-jarig meisje in haar eigen woning. De verdachte heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het jeugdige slachtoffer. Uit de indrukwekkende slachtofferverklaring die zij op zitting heeft afgelegd blijkt dat de verkrachting – na 36 jaar – nog dagelijks impact heeft op haar leven. Zij heeft zich na de verkrachting niet meer veilig gevoeld in haar eigen woning en durft niet alleen thuis te zijn als er vreemde mensen langskomen. Een feit als het onderhavige is – kort gezegd – de nachtmerrie van iedere vrouw. Dit soort feiten zorgen dan ook voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer en in onze samenleving als geheel. De verdachte heeft ervoor gekozen om ruim 35 jaar zijn mond te houden over hetgeen hij in maart 1990 had gedaan. Daarmee heeft hij het leed van het slachtoffer in niet onaanzienlijke mate vergroot en haar jaren in niet aflatende onzekerheid gelaten. Dat verdachte na zijn aanhouding onmiddellijk heeft bekend en herhaaldelijk, ook op zitting, spijt heeft betuigd, kan daar slechts in beperkte mate aan afdoen. Daarnaast zijn bij de doorzoeking van de woning van de verdachte in 2025 een pistool, kogelpatronen en een veerdrukgeweer aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie levert in het algemeen het risico van het feitelijk gebruik van die wapens op, met alle gevolgen van dien. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in 1990 is veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 september 2025, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer en dagbesteding.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (hierna: LOVS-oriëntatiepunten) als vertrekpunt genomen. Daarin is als uitgangspunt voor verkrachting met een beperkte mate van dwang vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en in het geval van verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. In dit geval neemt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden als vertrekpunt, aangezien de verdachte geweld heeft gebruikt en het slachtoffer minderjarig was. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat ook rekening gehouden met de stand van de jurisprudentie in 1990. In 1990 werden er lagere straffen voor verkrachting opgelegd dan in 2026. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het LOVS-oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen (pistool) in een woning waarop als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden staat vermeld.\n\nGelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank ziet vanwege het door de reclassering vastgestelde lage recidiverisico geen aanleiding voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden opgeheven, aangezien artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is. De rechtbank wijst dit verzoek af, gelet op de op te leggen straf.\n\n8. De vordering van de beledigde partij\n\n [slachtoffer] heeft zich als beledigde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 25.000, -, – na vermindering van haar vordering ter terechtzitting - niet te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. De advocaat van de beledigde partij heeft namens de beledigde partij verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 680,67, zijnde de tegenwaarde van ƒ 1500,-, en de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, zodat de rest van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.\n\n8.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de beledigde partij tot een bedrag van € 680,67 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de beledigde partij voor het overige.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de beledigde partij moet worden afgewezen, gelet op de bepleite niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en het vrijspraak-verweer. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de beledigde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nImmateriële schade\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de beledigde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De beledigde partij is namelijk door de verdachte verkracht. Daardoor is de beledigde partij in haar persoon aangetast en heeft zij recht op vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) door de verdachte. Het onder 1 bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden op 30 maart 1990 en daarom moet de vordering worden beoordeeld conform het toen geldende recht. Gelet op artikel 332 (oud) van het Wetboek van Strafvordering en artikel 56 (oud) van de Wet op de rechterlijke organisatie volgt dat de beledigde partij in een strafprocedure een bedrag kan vorderen van ten hoogste ƒ 1.500, -. Dit is omgerekend een bedrag van € 680,67. Nu de gevorderde schade dit bedrag te boven gaat, kan de beledigde partij, blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet in haar vordering worden ontvangen voor het meerdere.\n\nGelet op wat namens de beledigde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade in ieder geval vaststellen op een bedrag van\n\n€ 680,67 en de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De beledigde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de beledigde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de beledigde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\n9. De in beslag genomen voorwerpen\n\n9.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage IIIaan dit vonnis is gehecht) onder 1 (wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart)), 2 (19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331)) en 3 (wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83)) genoemde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.\n\n9.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.\n\n9.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 (wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart)), 2 (19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331)) en 3 (wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83)) genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien de feiten 2 en 3 met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.\n\n10. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n36b, 36c, 57, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feit 1:\n\nverkrachting;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nten aanzien van feit 3:\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van30 (DERTIG) MAANDEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nde vordering van de beledigde partij;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de beledigde partij deels toe tot een bedrag van € 680,67 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag te betalen aan [slachtoffer] ;\n\nbepaalt dat de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding en dat de beledigde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de beledigde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nde in beslag genomen goederen;\n\nverklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten:\n\n1. wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart);\n\n2. 19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331);\n\n3. wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. E. Rabbie, voorzitter,\n\nmr. J.J. Balfoort, rechter,\n\nmr. J.G. Bruinsma, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18522","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:12.103Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":45,"courtId":128,"decisionDate":96,"fullText":129,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":122,"parsedAt":52,"updatedAt":131},"1222","ECLI:NL:RBNNE:2026:2624","ecli-nl-rbnne-2026-2624",70,"RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18.289851.25\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden.\n\nHet openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] , althans een persoon, van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten (onder meer) slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof knijpen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] , althans een persoon, is overleden;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar opzettelijk, [slachtoffer] , althans een persoon, van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten (onder meer) slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof knijpen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] , althans een persoon, is overleden;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] , althans een persoon, zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) diverse breuken van het aangezicht, inclusief het neusbeen, beide oogkassen, beide jukbeenderen en de rechterzijde van de bovenkaak en\u002Fof bloed onder het harde hersenvlies en\u002Fof bloed onder de zachte hersenvliezen en\u002Fof een gebroken tongbeen, schildkraakbeen en\u002Fof ringkraakbeen en\u002Fof meerdere letsels\u002Fhuidverkleuringen in de hals en\u002Fof ander inwendig en\u002Fof uitwendig letsel, heeft toegebracht, door meermalen fors geweld uit te oefenen, te weten door (onder meer) te slaan en\u002Fof te stompen en\u002Fof te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof te stampen en\u002Fof te knijpen en\u002Fof te drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, terwijl het door hem gepleegde geweld de dood van die [slachtoffer] , althans een persoon, als gevolg heeft gehad.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor de primair ten laste gelegde moord en veroordeling gevorderd voor de subsidiair ten laste gelegde doodslag.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord. Er kan een bewezenverklaring volgen van de subsidiair ten laste gelegde doodslag.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak moord\n\nDe rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord, nu niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van voorbedachte rade. Zo verklaart verdachte dat hij enkel de stem en de beelden in zijn hoofd wilde stoppen, waarvan hij meende dat het slachtoffer die naar hem stuurde. Hij wilde het slachtoffer aanpakken, maar verklaart niet dat hij van plan was het slachtoffer te doden. Het is ook niet gebleken dat verdachte een voorwerp heeft meegenomen of heeft gebruikt bij het plegen van het geweld, wat zou kunnen duiden op een planmatige aanpak. Verder verklaart verdachte dat het geweld is gestopt omdat hij moe was. Hij is toen naar huis gegaan en op dat moment leefde het slachtoffer nog. Hij wist niet dat het slachtoffer dood was. Dat verdachte is gestopt met het plegen van geweld terwijl het slachtoffer nog leefde, is naar het oordeel van de rechtbank een contra-indicatie voor moord.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\neen deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.30.068, d.d. 17 april 2026 opgemaakt door drs. P.M.I. van Driessche, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nhij op 27 oktober 2025 te Leeuwarden in een woning gelegen aan [adres] , opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten slaan en\u002Fof stompen en schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en in\u002Fop\u002Ftegen de hals van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nSubsidiair Doodslag.\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de twee Pro Justitia-rapporten, gedateerd 12 maart 2026 en 9 maart 2026, opgesteld door drs. A. Banaei Kashani, psychiater en dr. M. ten Berge, GZ-psycholoog.\n\nBeide deskundigen stellen bij verdachte een psychische stoornis vast in de vorm van schizofrenie en een ernstige stoornis in het gebruik van amfetamine.\n\nDe psychiater beschrijft in het rapport dat verdachte ten tijde en in de aanloop tot het feit psychotisch was. Verdachte was de greep op de realiteit kwijt en heeft in blinde woede en onder invloed van forse psychotische ontregeling het slachtoffer om het leven gebracht. Ook al gebruikte verdachte amfetamine, wat de psychose wel heeft verergerd en onderhouden, primair is dit veroorzaakt door zijn schizofrenie. Omdat verdachte zodanig de grip op de realiteit kwijt was, kon van hem niet worden verwacht dat hij grip had op zijn gebruik. Geadviseerd wordt om verdachte het feit niet toe te rekenen omdat hij volledig heeft gehandeld vanuit zijn psychotische belevingen en hij daardoor geen controle heeft kunnen hebben over zijn gedrag en gedachten.\n\nDe psycholoog komt tot eenzelfde advies. Verdachte heeft gehandeld vanuit zijn sterk aanwezige, vanuit de schizofrenie voortkomende psychotische belevingen en overtuigingen. Het betreffen overtuigingen waarvan hij ook nu nog geen afstand ervaart.\n\nDe rechtbank kan zich met de adviezen van de deskundigen verenigen.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van deze deskundigen over, maakt deze tot de hare en oordeelt dat het bewezenverklaarde vanwege de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet aan hem kan worden toegerekend.\n\nDe rechtbank acht verdachte daarom niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nMotivering van de maatregel\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van de subsidiair ten laste gelegde doodslag de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege zal worden\n\nopgelegd. De duur van deze maatregel is ongemaximeerd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft gepleit voor oplegging van de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege.\n\nOordeel van de rechtbank toerekeningsvatbaarheid\n\nBij de bepaling van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia-rapportages van psychiater drs. A. Banaei Kashani d.d. 12 maart 2026 en van GZ-psycholoog dr. M. ten Berge d.d. 9 maart 2026, het reclasseringsrapport d.d. 27 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft in een psychotische toestand het slachtoffer met fors geweld om het leven gebracht. Daarmee heeft hij het slachtoffer, die verdachte in het geheel niet kende, zijn kostbaarste bezit -zijn leven-ontnomen. En moeten de nabestaanden, met name zijn moeder, tante en nicht, zonder hem verder leven, wat voor hen een groot gemis is en veel verdriet veroorzaakt.\n\nHet advies van de deskundigen\n\nIn de eerder vermelde Pro Justitia-rapportages adviseren de deskundigen om aan verdachte een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen. Om het hoog ingeschatte recidiverisico te beperken is een intensieve en langdurige behandeling en begeleiding van verdachte in een kliniek noodzakelijk, gelet op de chronische, hardnekkige en ernstige problematiek waar hij mee kampt. Het ontbreekt verdachte volledig aan inzicht en tot op heden is het, ondanks (medicamenteuze) hulpverlening, niet gelukt om stabilisatie te bereiken en tot gedragsverandering te komen. De psychotische stoornis van verdachte dient optimaal behandeld te worden waarbij abstinentie van middelen noodzakelijk is. Daarbij is het belangrijk dat verdachte niet wordt overschat en wordt er geadviseerd om te waken voor schijnaanpassing. Verdachte kan bij een kort gesprek een adequate en stabiele indruk maken; pas bij doorvragen verzandt hij in uitspraken die duidelijk wijzen op psychotische ontregeling.\n\nStevige en duidelijke kaders zijn nodig om stabilisatie en gedragsverandering te bereiken en om een gedegen risicomanagement uit te voeren. Verdachte wordt, gezien zijn ontregelde psychotische toestandsbeeld en zijn verlies van de realiteit, niet in staat geacht om zich aan voorwaarden te houden, ook al zou hij dat willen.\n\nOndanks de depotmedicatie heeft verdachte nog steeds psychotische belevingen, is er een gebrek aan inzicht, ontbreekt er bij verdachte besef voor wat hij heeft gedaan, is er een hoog recidiverisico en heeft hij onvoldoende openheid gegeven tijdens de eerdere behandeling. Derhalve wordt niet geadviseerd om aan verdachte een TBS met voorwaarden op te leggen. Een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege is volgens hen het enige passende kader.\n\nOordeel van de rechtbank maatregel\n\nDe rechtbank stelt op grond van de hiervoor al genoemde psychiatrische en psychologische rapportages vast dat bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond. Het door verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het gaat bovendien om een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer\n\npersonen. Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel.\n\nGelet op het advies van de gedragsdeskundigen is de rechtbank van oordeel dat uitsluitend een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege een passende afdoening van deze zaak is. Deze maatregel zal de rechtbank dan ook opleggen aan verdachte. De maatregel wordt opgelegd wegens doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de TBS niet in duur is beperkt.\n\nBenadeelde partij\n\n[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 17.500,00 aan affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.\n\nDe rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat deze vordering moet worden toegewezen. Het slachtoffer is als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit overleden. [benadeelde partij] heeft recht op vergoeding van affectieschade omdat zij de moeder van het slachtoffer is. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding 17.500,00. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025.\n\nNu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar. Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nGelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nWijst de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij] te betalen:\n\nhet bedrag van 17.500,00 (zegge: zeventien duizend vijfhonderd euro);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nde proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat te betalen een bedrag van 17.500,00 (zegge: zeventien duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag betreft affectieschade.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 112 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. L.T.A. Fokkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2624","2026-07-13T00:29:10.818Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":96,"fullText":136,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":137,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":52,"updatedAt":138},"677","ECLI:NL:RBMNE:2026:4029","ecli-nl-rbmne-2026-4029","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F268999-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1989] in [plaats 1] ,\n\nverblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats 2] ,\n\nhierna: de verdachte.1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. M. Landsman (hierna: de advocaat);\n\nde officieren van justitie: mr. F. Leeman en mr. V. van der Horst;\n\nmr. J.R. Mekkes als advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nin de periode van 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 in Utrecht, samen met een ander, haar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken.\n\nDe advocaat stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende onderbouwing is voor 1 augustus 2023 als aanvangsdatum van de pleegperiode en verzoekt daarom de pleegperiode te beperken tot de periode vanaf 27 mei 2024.\n\nDaarnaast verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken van het slaan met een koekenplan en het slaan met de vuist, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.\n\nTot slot verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)] van het schoppen, aan de armen meeslepen en\u002Fof armen verdraaien, door urine heen trekken, afplakken van de mond met ducttape en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nOp 19 augustus 2024 krijgt de politie een melding dat er mogelijk sprake zou zijn van huiselijk geweld in de woning aan de [adres 2] in [plaats 3] . De buren zouden gegil uit de woning horen komen. De politie gaat ter plaatse naar de woning en treft daar [verdachte] (hierna: de verdachte) en haar twee kinderen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1 (voornaam)] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2 (voornaam)] ). [slachtoffer 1 (voornaam)] is volledig naakt en [slachtoffer 2 (voornaam)] loopt in een nat broekje en T-shirt waar een sterke geur van urine vanaf komt. In de woonkamer ligt een grote plas urine. Over de wangen van de kinderen lopen tranen en hun ogen zijn rood. De kinderen zijn vervolgens gehoord door de politie.\n\nGedragingen\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] in hun verklaringen hebben beschreven hoe de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en hoe de situatie waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden, is ontstaan en verlopen. Deze verklaringen vinden over en weer op essentiële punten steun in elkaar en vinden steun in de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. De verklaringen van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] zijn ook voldoende gedetailleerd en er worden concrete situaties beschreven die steun vinden in andere bewijsmiddelen, te weten de chatberichten tussen de verdachte en de medeverdachte en getuigenverklaringen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen en zal deze dan ook in haar geheel voor het bewijs gebruiken, ook voor zover deze betrekking heeft op de door de verdachte(n) ontkende gedragingen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de advocaat van verdachte dat er onvoldoende en wettig bewijs is voor het slaan met de koekenpan. Het is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring afzonderlijk door twee bewijsmiddelen wordt gedragen.\n\nOp grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, het stelselmatig mishandelen van haar kinderen [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] . Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Zo werden de kinderen verplicht om voor alle alledaagse handelingen (waaronder naar de wc gaan, douchen of eten en drinken) vooraf toestemming te vragen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand. [slachtoffer 1 (voornaam)] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Daarnaast werden de kinderen gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd de toegang tot de wc en\u002Fof douche onthouden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de chatberichten dat de kinderen ’s nachts niet naar het toilet mogen. Om dit te controleren legt de verdachte elke avond wc-papier in de wc, maakt hier een foto van en stuurt deze naar medeverdachte [medeverdachte] . De volgende ochtend maakt de verdachte nieuwe foto's en stuurt deze ook weer naar medeverdachte [medeverdachte] . Daarna vergelijken de verdachten beide foto’s om te controleren of de wc inderdaad niet is gebruikt.\n\nAls ze dan op een andere plek hadden geplast of gepoept moesten ze in hun eigen ontlasting en urine zitten en in vervuilde kleding rondlopen. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1 (voornaam)] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken werd onthouden en dat zij werden opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1 (voornaam)] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nPartiele vrijspraak\n\nSlaan met de vuist van [slachtoffer 1 (voornaam)] en\u002Fof [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte [slachtoffer 1 (voornaam)] en\u002Fof [slachtoffer 2 (voornaam)] met de vuist heeft geslagen. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte gedeeltelijk vrij zal spreken.\n\nGedragingen ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\nDaarnaast verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)] van het schoppen, aan de handen\u002Farmen meeslepen en\u002Fof armen (ver)draaien, door eigen urine heen trekken, beplakken van de mond met ducttape en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank volgt dit verweer. Het dossier bevat hiervoor onvoldoende bewijs nu [slachtoffer 2 (voornaam)] zelf hier niets over verklaart en dit ook niet uit enige andere verklaring blijkt. De rechtbank zal de verdachte hiervan dan ook vrijspreken.\n\nPeriode\n\nDe advocaat stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende onderbouwing is voor 1 augustus 2023 als aanvangsdatum van de pleegperiode en verzoekt de pleegperiode te beperken tot de periode vanaf 27 mei 2024. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\n [slachtoffer 1 (voornaam)] is op 21 augustus 2024 verhoord. Tijdens dit verhoor verklaart [slachtoffer 1 (voornaam)] onder meer dat zijn moeder vroeger als ze boos was wel eens sloeg met een koekenpan of hen onder de koude douche zette. Wanneer de politie vraagt wanneer ‘vroeger’ was, verklaart [slachtoffer 1 (voornaam)] dat dit wel een jaar geleden was en dat hij toen 9 jaar was. Ook verklaart hij dat dit allemaal thuis gebeurt sinds zijn vader gescheiden is in 2023 en dat het eigenlijk al een jaar zo is.\n\nDe verklaring van [slachtoffer 1 (voornaam)] wordt ondersteund door de verklaringen van de juffen van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] in het schooljaar 2023\u002F2024. Uit de verklaring van de juf van [slachtoffer 2 (voornaam)] blijkt namelijk dat zij al vanaf oktober 2023 zorgen hadden over [slachtoffer 2 (voornaam)] . Zo was er sprake van veranderend gedrag. [slachtoffer 2 (voornaam)] was onrustig en was snel bozig. Ook had [slachtoffer 2 (voornaam)] vaak dezelfde kleren aan. [slachtoffer 2 (voornaam)] begon er vermoeid uit te zien en haar juf had de indruk dat ze wat vermagerde. Na de meivakantie in 2024 gaf [slachtoffer 2 (voornaam)] ook aan dat ze geen ontbijt kreeg naar school. Uit de verklaring van de juf van [slachtoffer 1 (voornaam)] volgt ook dat er zorgen waren in het schooljaar 23\u002F24. Zo viel aan het begin van het schooljaar externaliserend gedrag op en zag hij er vanaf september onverzorgd en niet schoon uit. Hij had vieze nagels en zijn haar zat niet in model. Ook verklaart zijn juf dat [slachtoffer 1 (voornaam)] vergeleken met 5 september 2024 (de dag waarop zij haar verklaring bij de politie aflegt) echt wel mager was en kringen onder zijn ogen had. Ook verklaart zij dat [slachtoffer 1 (voornaam)] dat schooljaar vaak dezelfde kleren aan. Begin maart 2024 heeft de juf ook gezien dat [slachtoffer 1 (voornaam)] brood uit de tas van andere kinderen pakte en gaf [slachtoffer 1 (voornaam)] aan af en toe trek te hebben.\n\nGelet op het voorgaande, in onderling samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte haar kinderen stelselmatig heeft mishandeld vanaf 1 augustus 2023, zoals ten laste gelegd.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nin of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 te\n\n [plaats 3] , tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,\n\nhaar kind, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1 (voornaam)]\n\n- met een koekenpan en met vlakke hand te slaan en\n\n- te schoppen en\n\n- aan zijn handen\u002Farmen mee te slepen en zijn armen te (ver)draaien en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in zijn\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hem (gedurende geruime tijd) in zijn door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- zijn eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door zijn eigen urine\n\nheen te trekken en\n\n- met grijze ducttape zijn mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in zijn slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (zijn pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken en\n\n- hem te onthouden van schoolgang;\n\nen\n\nhaar kind, [slachtoffer 2] , geboren op [2017] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\n- met vlakke hand te slaan en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in haar\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof haar (gedurende geruime tijd) in haar door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- haar eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in haar slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (haar pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nMedeplegen van mishandeling, stelselmatig begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf en maatregel\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsrapport van 11 juni 2026. Daarbij gaat het, zakelijk weergegeven, om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en een contactverbod met haar kinderen. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).\n\nDe officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die niet langer is dan de duur van het voorarrest, aangevuld met een fors voorwaardelijk strafdeel. Indien noodzakelijk zou dit aangevuld kunnen worden met een onvoorwaardelijke taakstraf.\n\nDaartoe voert de advocaat aan dat indien de rechtbank de verdediging volgt, de rechtbank tot een bewezenverklaring komt over een kortere periode dan ten laste is gelegd en één of meer feitelijkheden niet bewezen worden verklaard.\n\nTer onderbouwing van zijn verzoek wijst de advocaat ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is een first offender en heeft vanaf het moment dat de politie heeft ingegrepen haar verantwoordelijkheid genomen. Ze heeft openheid van zaken gegeven en is met zichzelf aan de slag gegaan. Zo werkt de verdachte onder meer mee aan een behandeling bij [instelling 2] . Ook merkt de advocaat op dat verdachtes kinderen niet meer onder haar gezag vallen en dat hier ook geen omgang of contact mee is. De verdachte heeft een sociale huurwoning die zij bij een langdurige detentie zal kwijtraken. Hetzelfde geldt voor haar baan.\n\nTot slot merkt de advocaat op dat er geen bezwaar is tegen een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] . Ten aanzien van de kinderen stelt de advocaat zich op het standpunt dat er geen aanleiding is die een dergelijk verbod noodzakelijk maakt nu contact altijd met tussenkomst van de instanties moet gebeuren.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft gedurende ongeveer één jaar stelselmatig haar kinderen mishandeld. De rechtbank acht bovendien bewezen dat sprake was van medeplegen van die mishandeling, in ieder geval gedurende de periode vanaf 22 januari 2024 tot 19 augustus 2024.\n\nDe mishandeling van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] had zowel een fysieke als een geestelijke component. Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden, waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Hierbij keerden twee volwassenen, waaronder hun moeder van wiens zorg de minderjarige [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] volledig afhankelijk waren, zich tegen twee jonge kinderen. [slachtoffer 2 (voornaam)] en [slachtoffer 1 (voornaam)] waren aan het begin van de bewezenverklaarde periode slechts 6 en 9 jaar oud. Beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand, eenmaal werd [slachtoffer 1 (voornaam)] ook geslagen met een koekenpan. [slachtoffer 1 (voornaam)] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Zij werden gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd verboden om naar de wc te gaan, waarna zij vervolgens in hun eigen ontlasting en urine moesten zitten of in vervuilde kleding moesten blijven. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1 (voornaam)] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Ook werd de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken onthouden, mochten zij niet douchen en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1 (voornaam)] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nDe verdachten hebben gedurende lange tijd de lichamelijke en de psychische integriteit van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] ernstig geschonden. De gebeurtenissen vonden thuis plaats, terwijl de kinderen zich juist daar, in het bijzijn van hun moeder, veilig en geborgen hadden moeten voelen. In plaats van aandacht, verzorging en bescherming waar zij als jonge kinderen recht op hadden, zijn zij geconfronteerd met een voortdurend escalerend patroon van controle, angst en geweld. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.\n\nDe gevolgen van kindermishandeling kunnen langdurig en ernstig zijn. Uit de slachtofferverklaring van de tante (pleegouder) en vader van de kinderen, blijkt dat de angst die de kinderen hebben ontwikkeld als gevolg van de mishandelingen nog iedere dag aanwezig is en invloed heeft op hun gedrag, hun zelfbeeld en hun gevoel van veiligheid. [slachtoffer 1 (voornaam)] is voortdurend bang om iets verkeerd te doen, legt de lat voor zichzelf onmenselijk hoog en heeft weinig zelfvertrouwen. Hij heeft geleerd dat liefde, aandacht en zorg afhankelijk zijn van goed gedrag, terwijl een kind zou moeten weten dat hij ook wanneer hij fouten maakt nog steeds veilig is en geaccepteerd wordt. Ook bij [slachtoffer 2 (voornaam)] is zichtbaar hoe diep de angst geworteld zit. Wanneer zij gespannen raakt, verstijft zij letterlijk. De kinderen vragen hun tante (pleegouder) nog vaak of ze naar de wc mogen en of ze het eten, dat zij voor hen maakte, mogen opeten. Nu het vertrouwen van de kinderen in een van de belangrijkste volwassenen in hun leven (hun moeder) beschadigd is geraakt, heeft dat invloed op hoe zij naar andere mensen kijken. Zij verwachten vaak eerder iets negatiefs dan iets positiefs van anderen. Hun eerste reactie is vaak gebaseerd op zelfbescherming in plaats van vertrouwen. Naast de emotionele gevolgen, hebben de kinderen ook iedere dag veel zorg, begeleiding en structuur nodig. Uit de stukken is bovendien gebleken dat de kinderen door de mishandelingen ernstige psychische schade hebben opgelopen en bij hen beide is PTSS vastgesteld. De kinderen volgen hiervoor wekelijks traumabehandeling en hoe dit zich verder zal ontwikkelen, moet nog blijken.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nWat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 18 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Het strafblad van verdachte weegt dus niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank gelet op het Pro-Justitia-rapport met daarin het onderzoek van 21 februari 2025, opgesteld door klinisch psycholoog [A] . Uit het onderzoeksrapport van de psycholoog blijkt onder meer dat bij de verdachte tekortkomingen zijn geconstateerd, maar geen psychische stoornis aanwezig is en ook niet was ten tijde van het tenlastegelegde feit. De psycholoog acht de verdachte geheel toerekeningsvatbaar en adviseert haar het tenlastegelegde, indien bewezen verklaard, toe te rekenen. Tot slot wordt er geen advies voor behandeling gegeven.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van [instelling 1] van 11 juni 2026, opgesteld door reclasseringswerker [B] . Hieruit volgt dat de reclassering het recidiverisico op korte termijn als laag inschat. Als delictgerelateerd en als risicofactoren die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit vergroten, ziet de reclassering het psychosociale functioneren van de verdachte, het contact met de medeverdachte en de zorgtaak over haar kinderen. De verdachte is inmiddels uit het ouderlijk gezag gezet. Dit verlaagt de recidivekans aanzienlijk. Daarnaast heeft de verdachte haar leven in praktische zin op orde en werkt zij mee aan de bijzondere voorwaarden die haar in het kader van de schorsing van de preventieve hechtenis zijn opgelegd, waaronder de behandelverplichting. Hoewel de risico's vanwege haar huidige persoonlijke omstandigheden op dit moment laag lijken, kan de reclassering het risico op de langere termijn niet inschatten, omdat het afhangt van hoe de verdachte haar persoonlijke omstandigheden er dan uitzien. Zoals of er (stief)kinderen in haar leven zijn en hoe het met haar beïnvloedbaarheid en met haar vaardigheden gesteld is na de behandeling bij [instelling 2] .\n\nDe reclassering adviseert bij een veroordeling om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht;\n\nAmbulante behandeling;\n\nContactverbod met haar kinderen.\n\nDe reclassering schat in dat er een langer dan gebruikelijk toezicht nodig is om de behandeling af te kunnen ronden en om eventuele risico’s op de langere termijn te monitoren. Gelet hierop adviseert de reclassering een langer dan gebruikelijke proeftijd.\n\nStrafkader\n\nVanwege de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers die de verdachte heeft gemaakt, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige manier om de strafwaardigheid van haar gedrag tot uitdrukking te brengen, zowel richting de verdachte en haar slachtoffers als de maatschappij.\n\nNaast vergelding is een belangrijk doel van het opleggen van straf ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Gelet daarop legt de rechtbank de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het\n\nbewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van veertien (14) maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van vier (4) maanden voorwaardelijk. De proeftijd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt vastgesteld op drie jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de reclassering, meewerkt aan ambulante behandeling en zich houdt aan een contactverbod met haar kinderen.\n\nDeze straf is langer dan de gevangenisstraf die aan de medeverdachte wordt opgelegd. De reden hiervoor is onder meer dat bij de medeverdachte een aanzienlijk kortere periode bewezen is verklaard dan bij de verdachte en het feit in verminderde mate kan worden toegerekend aan de medeverdachte.\n\nDadelijk uitvoerbaar\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\n38v-maatregel\n\nDe rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen, met een maximum van 6 maanden.\n\nDe rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Uit het reclasseringsadvies volgt dat het contact met de medeverdachte delictgerelateerd is en een risicofactor is voor de kans op recidive. Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen wanneer zij weer in contact zal komen met de medeverdachte. Daarom zal zij bevelen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.6. Vordering benadeelde partij6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partijen\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nNamens [slachtoffer 1] heeft zijn vader [C] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 29.815,72 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 17.315,72 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReeds gemaakte kosten bijles: € 1.764,16;\n\nToekomstige kosten bijles: € 5.400,-;\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.059,30;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nBasisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\nOpslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat de toegekende immateriële schadevergoeding worden gestort op een zogenaamde BEM-rekening (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nNamens [slachtoffer 2] heeft haar vader [C] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 22.882,34 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.382,34 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.290,08;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\n Basisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\n Opslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat de toegekende immateriële schadevergoeding worden gestort op een zogenaamde BEM-rekening (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van beide benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij hoofdelijkheid en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt primair de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, omdat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting is van het strafproces. Het gaat om omvangrijke vorderingen, die slechts twee werkdagen voorafgaand aan de zitting zijn ingediend. De verdediging heeft onvoldoende voorbereidingstijd gehad.\n\nSubsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard ten aanzien van de posten ‘toekomstige kosten bijles’ en ‘verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante’. Dit zijn posten die een mogelijk deskundigenoordeel of externe informatie behoeven om juist te kunnen beoordelen.\n\nTen aanzien van de immateriële deel stelt de advocaat zich op het standpunt dat bij toewijzing de pleegperiode die bewezen wordt verklaard, verdisconteerd moet worden in de gevorderde bedragen, die van een andere begindatum uitgaan.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert in verband met de late indiening van de vorderingen. De wet biedt de mogelijkheid aan een benadeelde partij om zich tot het moment van het requisitoir te voegen. De vorderingen zijn op 19 juni 2026 ingediend voor de inhoudelijke behandeling op 23 juni 2026. De vorderingen zijn in die zin tijdig ingediend.\n\nDit betekent dat de benadeelde partijen ontvangen kunnen worden in hun vorderingen\n\nDe rechtbank zal bij de verdere beoordeling van de verschillende onderdelen van de vordering voor ogen houden dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, en dat dat meebrengt dat de rechtbank zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan zijde van verdachte niet zo is, of eigen onderzoek van rechter naar toewijsbaarheid van vordering daarvoor voldoende compensatie biedt. (HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644).\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.059,30) daarom toe.\n\nReeds gemaakte kosten bijles;\n\nToekomstige kosten bijles;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de kosten van de bijles en de verplaatste schade niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 1.764,16 + € 5.400 + € 9.092,26 = €16.256,42) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Er zijn geen omstandigheden gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden dus de ingangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op halverwege de periode en dat is in dit geval 9 februari 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.559,30 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 92 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.290,08) daarom toe.\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de verplaatste schade, niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 9.092,26) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Er zijn geen omstandigheden gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden dus de ingangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op halverwege de periode en dat is in dit geval 9 februari 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.790,08 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 93 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jarenvast;\n\n- stelt als algemene voorwaardendat de verdachte:\n\n zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat de verdachte:\n\n Meldplicht Reclassering\n\nDe verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij [instelling 1] op het adres [adres 3] in [plaats 3] ;\n\n Ambulante behandeling\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door [instelling 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en de beïnvloedbaarheid. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n Contactverbod\n\nDe verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met haar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en [slachtoffer 2] , geboren op [2017] , zolang het Openbaar Ministerie dat nodig acht;\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\n38v-maatregel\n\nlegt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar;\n\nbeveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte] , geboren op [1983] ;\n\nbeveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaaris;\n\nbeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum vanzes maanden;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.559,30, bestaande uit € 1.059,30 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 13.559,30 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 92 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\n- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.790,08, bestaande uit € 1.290,08 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 13.790,08 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld bij niet betaling aan te vullen met 93 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij in of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 te\n\nUtrecht, althans in Nederland\n\ntezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,\n\nhaar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] ,\n\ngeboren op [2017]\n\nstelselmatig\n\nheeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\n- met een koekenpan en\u002Fof met vlakke hand en\u002Fof vuisten te slaan (zie o.a. p. 228,\n\n239, 965) en\u002Fof\n\n- te schoppen (zie o.a. p. 240) en\u002Fof\n\n- aan hun handen\u002Farmen mee te slepen en\u002Fof hun armen te (ver)draaien (zie o.a. p.\n\n239) en\u002Fof\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen (zie o.a. p. 229, 498, toonmap p.1-19) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en\u002Fof (vervolgens) in hun\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hen (gedurende geruime tijd) in hun door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven (zie o.a. p. 229, 494) en\u002Fof\n\n- hun eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door hun eigen urine\n\nheen te trekken (zie o.a. p. 496, 514, toonmap p. 1-3, 15-16) en\u002Fof\n\n- met grijze ducttape hun mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen (zie o.a.\n\np. 47, 142, 922) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden (zie o.a. p.\n\n500, 507) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd in hun slaapkamer op te sluiten (zie o.a. p. 501, 982) en\u002Fof\n\n- als straf onder een koude douche te zetten (zie o.a. p. 239, 509) en\u002Fof\n\n- te kleineren en\u002Fof (hun pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken (zie o.a. p. 228, 500) en\u002Fof\n\n- hun te onthouden van schoolgang (zie o.a. p. 44, 172);\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\nDe verklaring van de verdachte op de zitting van 23 juni 2026:\n\nIk had intensief contact met [medeverdachte (voornaam)] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]). We hadden appcontact maar ook contact via Face time. Het was onze afspraak dat ik alles zou zeggen wat de kinderen zeiden en deden. Ik heb haar om advies gevraagd, vooral over het straffen van de kinderen. Ik luisterde naar het advies van [medeverdachte (voornaam)] . We gingen steeds meer straffen geven en de straffen werden steeds erger tot 19 augustus 2024.\n\nHet klopt dat de kinderen niet naar de wc mochten en dat zij als zij op de grond plasten of poepten dit zelf moesten opruimen. Er zat een slot op de slaapkamerdeuren van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] . De kinderen hebben maximaal één of twee dagen geen eten gekregen. Ze gingen wel eens zonder ontbijt naar school. Ik ben de kinderen gaan uitschelden.\n\nEen proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nA: [medeverdachte (voornaam)] heb ook weleens gezegd, geef [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] een tik. V: Geef ze een tik. En deed je dat dan ook? A: Ja.\n\nV: Waar moesten ze zich uitkleden en naakt zitten? A: Op de grond, thuis. V: En waarom moesten ze dat? A: Omdat ze straf hadden.\n\nV: En hoe zat dat met wassen en douchen? Hoe vaak deden de kinderen dat bij jou? A: De laatste tijd niet vaak.\n\nV: Nee, maar wat is dat ongeveer? A: Nou, bijna niet.Ik denk misschien één keer in de week. Als ze geluk hadden. Als het mocht.\n\nO: De leerkracht heeft gezien dat [slachtoffer 1 (voornaam)] eten uit de tassen pakte.\n\nA: Ja.\n\nV: Van andere kinderen. Nou, dat weet je, ja. Er waren zelfs kinderen die hadden gezegd dat ze een extra boterham hadden voor als [slachtoffer 1 (voornaam)] honger had. En toen dat aan het licht kwam, werd [slachtoffer 1 (voornaam)] van de 33 dagen, 18 dagen, thuisgehouden. Dat was van maart tot begin mei. En jij zou gezegd hebben tegen de directeur dat [slachtoffer 1 (voornaam)] steeds voedselvergiftiging had, omdat hij uit andere tassen at. Daarom zou hij niet op school zijn. Wat kan je daarop zeggen?\n\nA: Ook. Maar dat was ook haar idee.\n\nV: Wat was haar idee?\n\nA: Om hem te straffen, zodat. Wacht even. Om hem thuis te houden en om hem zo te straffen.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 19 augustus 2024 hoorde ik dat de centralist van het Operationeel Centrum vroeg of wij wilden gaan te [adres 2] in [plaats 3] . Op dit adres zou mogelijk sprake zijn van huiselijk geweld.\n\nIk zag een dame in de deuropening staan, welke uit onze politiesystemen bleek te zijn: [verdachte] .\n\nIk zag dat de jongen volledig naakt was. Ik zag dat de jongen met zijn rug tegen de muur aanzat, met zijn hoofd tussen zijn knieën in. Ik zag dat het meisje op de eerste trede van de trap zat. Ik zag dat het meisje met opgetrokken knieën zat en met haar hoofd tussen haar knieën. Ik zag dat de tranen over de wangen van de kinderen liepen en dat hun oogjes rood waren.\n\nUit onze politiesystemen bleken de kinderen te zijn: [slachtoffer 1]\n\nGeboren [2014] te [plaats 3] [slachtoffer 2]\n\nGeboren op [2017] .\n\nToen ik de woonkamer inliep zag ik aan de rechterzijde een grote plas urine liggen. Toen de kinderen voor mij uitliepen zag ik dat het meisje een nat broekje en T-shirt had. Toen ik plaats nam naast haar op de bank, rook ik dat er een sterke geur urine van deze kleding afkwam.\n\nIk zag dat er op de salontafel een rol grijze ducttape lag. Toen ik aan [slachtoffer 1 (voornaam)] vroeg waarom de tape daar lag, hoorde ik hem zeggen dat als ze straf hebben, dat mama dan hun monden met tape afplakt. Ik hoorde [slachtoffer 1 (voornaam)] zeggen: \"Kijk daar hangt nog een stuk losse tape, die mama vanochtend bij mij gebruikt heeft\". Ik zag dat er een losse strip tape aan de salontafel hing.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:A: Omdat mijn moeder zei tegen mij dat ik mijn mond moest houden en dat deed ik niet. Toen pakte mijn moeder plakband om mijn mond dicht te doen. Daarna ging mijn moeder zo draaien en slaan en mij meeslepen. A: En als we thuis zijn mogen we niet eten van onze moeder niet water drinken, niet plassen. Toen ik zondag thuis kwam moest ik in mijn nakie zitten van mijn moeder omdat ik had geplast op de grond omdat ik niet mocht plassen.\n\nV: En als we het nu hebben over dat arm draaien en dat slaan he. Is dat ene keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\n A: Ze deed vroeger dat ze boos was. Of we een grote mond had of niet luisteren deed ze wel eens koekenpan of douche, koude douche. V: En wat deed ze dan? A: Op mijn hoofd slaan. A: En de koude douche daar moest ik dan 20 seconden onder. V: En je zei aan het begin dat was vroeger. A: Ja.V: En wat is vroeger dan? A: Best wel een jaar geleden. V: En hoe oud was je dan toen dat gebeurde? A: 9. V: Dus dat was vorig jaar toen dat gebeurde met de koekenpan. En is dat een keer gebeurd met de koekenpan of vaker? A: Een keer. Maar de douche wel heel vaak. V: En je zei helemaal aan het begin dat ze plakband pakte. Wat deed ze dan met het plakband? A: Zo helemaal over mijn mond heen plakken. Zo tapen. A: Ze pakte het vast klaar. Ze deed vast 3 van die stukjes tape die pakte ze dan op tafel voor als ik zou gaan praten. V: Is het weleens gebeurd dat ze het wel op je heeft geplakt? A: Ja. V: En is dat een keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\nV: En vertel me eens alles over dat slaan. Hoe ging dat? A: Dat doet ze dan op mijn hoofd. Of dat doet ze dan hier. Maar ze doet ook soms weleens schoppen. V: Schoppen? A: Ja. Hierop of hierop of op mijn rug. V: En wat voel je dan? A: Pijn alleen. V: En hoe ze dat slaat dan? A: Zo. V: Met haar hand. A: Ja.V: En als ze je schopt. Waar doet ze dat dan mee? A: Met d'r voet.\n\nV: Vertel me eens alles over het arm draaien. A: Dan doet ze zo en mijn arm dan zo en dan zo. V: Wat voel je dan? A: Dan doet het heel erg pijn.\n\nV: En toen vertelde je ook nog over het meeslepen? Wat bedoel je daarmee, meeslepen? A: Dat ze me dan vastpakt en meeneemt. V: En meeslepen he, wat heet ze dan vast bij jou? A: Mijn hand. V: Je hand. En waar sleept ze je dan heen? A: Euh of naar de keuken of naar de badkamer.\n\nV: En je vertelde ik moest huilen. Hoe reageert je moeder dan als je moet huilen? A: Dan zegt ze dat we onze bek moeten houden.\n\nV: En dan vertelde je ook nog dat als je thuis bent dat je dan geen eten krijgt of geen water mag drinken. Vertel me daar dan eens alles over? A: En niet plassen. V: Vertel daar eens over? A: En dan vragen we het aan onze moeder en dan mag het niet en dan doen we het gewoon plassen op de grond. V: En is dat een keer gebeurd of vaker. A: Heel vaak. Bijna elke dag.V: Bijna elke dag. En wat gebeurt er dan elke dag? A: Op de grond plassen. En soms ook bijna elke dag niet eten krijgen. Of geen water drinken. Water drinken en plassen mag niet elke dag. Maar eten mag wel soms. Niet elke dag. A: We moeten eigenlijk om alles vragen. Ook of we naar beneden mogen. Dat duurt ook soms best wel lang voordat ze de deur opendoet.\n\nV: En vertel eens over welke deur heb je het dan? A: Mijn slaapkamerdeur.\n\nV: En die week daarvoor, dus dat is twee weken terug was je dan de hele week bij je moeder? A: Ja, dan kregen we geen eten. V: En kreeg je dan de hele week geen eten of een paar dagen niet of anders? A: Hele week geen eten. V: En drinken? A: Ook niet. V: Geen water ook niet? A: Nee. V: En als je dan moet plassen of moet poepen hoe doe je dat dan? A: Mogen we ook niet. V: En hoe gaat dat dan, want het mag niet maar op een gegeven moment moet je toch? A: Dan doen we het op de grond. V: En wat gebeurt er dan als je het op de grond doet? A: Dan moeten we het schoonmaken. V: En hoe doe je dat schoonmaken dan? A; Met een emmer en een soort van schoonmaakmiddel. En dan heet water erin met en doekje. V: En hoe zit dat bij je zusje dan? A: Ook. V: Kun je daar iets over vertellen? Want als je zusje dan heeft geplast, wat gebeurt er dan daarna? A: Dan moet ze het ook schoonmaken. V: En hoe zit het dan met poep? A: Poepen doet ze dan ook soms op de grond.\n\n V: Want je vertelde ook over dat je in je nakie moest zitten omdat je had geplast. A: In mijn kleren eerst en daarna moest ik mij uitkleden en daarna moest ik zo naar bed. V: Moest je zo naar bed, in je nakie? A: Ja. V: Ja. En moet je zus ook weleens in haar nakie als zij heeft geplast? A: Eén (1) keer.\n\n V: En hoelang is dit al zo? A: Sinds mijn vader, uh, gescheiden is. Is in 2023. Dat is eigenlijk al een jaar.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:V: Vertel mij eens [slachtoffer 2 (voornaam)] wat er precies allemaal gebeurd is toen mama (de rechtbank begrijpt: de verdachte)jullie ging slaan? A: Uh mama heb mij geslagen, en we plasten op de grond omdat we niet naar de wc mogen, en als we vragen mama mogen we naar de wc of plassen of water drinken, dan mogen we niks en moeten we alleen maar door blijven vragen, en dan onze moeder ik heb jullie nu toch genoeg gewaarschuwd, en daarna zegt onze moeder uh dat we, alleen maar dat uh soort van onze mond moeten houden en dat we niks mogen zeggen en daarom plassen we op de grond. V: En verder? A: En als we vragen mama mogen we aankleden, dan mogen we ook niet aankleden of iets.V: En nou vertelde jij mij van mama dat ze je heeft geslagen. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat vaker gebeurd? A: Wel vaker. V: En waar is dat dan gebeurd? A: Bij ons thuis.\n\nV: Je hebt ook verteld dat jullie op de grond geplast hebben omdat jullie niet naar de wc mochten he. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat ook vaker gebeurd? A: Ook vaker.\n\n V: Jij vertelde mij dat mama jou vaker heeft geslagen bij mama thuis he. A: Ja. V: En als mama dat doet, hoe doet ze dat dan? A: Zo. V: Op je hoofd. A: Ja zo. V: Is dat altijd hetzelfde of gaat dat ook wel eens anders? A: Altijd hetzelfde. V: Altijd hetzelfde ok, en wat vind jij daarvan als mama dat doet? A: Niet leuk. V: Nee, waarom vind je dat niet leuk? A: Omdat ik dan gaat huilen en dan zegt mama kan je je kop dicht houden.\n\nA: Over die andere dingen zegt mama dan, je mag geen water drinken, of broodje eten want ik heb niet.\n\nV: [slachtoffer 1 (voornaam)] was in z’n blootje en toen had de politie gevraagd aan [slachtoffer 1 (voornaam)] waarom hij in z'n blootje was. A: Ja V: En wat zei [slachtoffer 1 (voornaam)] toen? A: Omdat hij niet mocht aankleden. V: Dat zei [slachtoffer 1 (voornaam)] . A: Ja. V: En van wie mocht hij dan niet aankleden? A: Van m'n moeder niet. V: En hoe was het met jouw kleding dan? A: Die was ook nat V: En hoe kwam dat? A: Omdat ik niet naar de wc mocht. V: Jij mocht ook niet naar de wc, en waarom mocht dat dan niet van mama? A: Omdat we heel veel vragen en dat dat dan niet mag. V: En wat hadden jullie dan aan mama gevraagd? A: Mama mag ik plassen want ik kan het echt niet meer ophouden. V: En wat zei mama toen? A: Niks. Moet je elke dag door blijven vragen maar toen hadden we op een gegeven moment geplast.\n\nV: En dat slaan van mama was dat daarvoor of daarna gebeurd? Dat jullie op de grond hadden geplast? A: Daarna nee en daarvoor. A; Omdat hij ook had geslagen mama ook hij. [slachtoffer 1 (voornaam)] . V: Maar hoe weet je dat mama [slachtoffer 1 (voornaam)] had geslagen? Had je dat gezien of had je dat gehoord? A: Dat had ik gehoord.A: Dat tik van dat slaan.\n\nV: Ok, want waarom sloeg mama jou dan? A: Omdat ik aan de spikkels zat. Aan te pulken. V: Ok, niet omdat je in je broek had geplast? A: Ook dat.\n\nV: En hoe was dat met [slachtoffer 1 (voornaam)] ? A: Wel een paar keer\n\nV: Over jezelf dus mama heeft je ook op een andere dag geslagen begrijp ik dat? A: Ja.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, analyse chats tussen [verdachte] en [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nDe telefoon (een Iphone 13) van verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) is in beslag genomen en uitgelezen. In deze telefoon is een grote hoeveelheid chatberichten aangetroffen tussen [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). De meeste chats hebben betrekking op de kinderen van [verdachte] ( [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] ), hun gedragingen, hoe [verdachte] daarmee omgaat en het instrueren van [verdachte] door [medeverdachte] . De chatberichten die het onderzoeksteam aan ons ter beschikking heeft gesteld en die wij hebben gebruikt voor deze analyse, beslaan de periode 2 juli 2024 tot en met 18 augustus 2024. Dit betreft in totaal 21304 chats. Het is opvallend hoe snel de chats elkaar opvolgen. De tijd tussen de chats bedraagt soms enkele seconden. ledere dag worden de eerste chats vaak al rond 7 uur in de ochtend verstuurd door [verdachte] en dat gaat meestal door tot ongeveer 23 uur’. Naast het chatten blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] ook vaak met elkaar (beeld)bellen en dat [verdachte] regelmatig foto's van haar kinderen verstuurt naar [medeverdachte] .\n\nIn de chats wordt benoemd door [verdachte] dat ze [slachtoffer 1 (voornaam)] sleept. De volgende chat illustreert dat [verdachte] [slachtoffer 1 (voornaam)] door zijn eigen urine heeft getrokken.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, dossier VT, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\n22 januari 2024 [medeverdachte (voornaam)] wordt contactpersoon voor [verdachte (voornaam)] .\n\nAfspraak met hulpverlening dat [medeverdachte (voornaam)] de contactpersoon voor [verdachte (voornaam)] wordt. Er wordt afgesproken dat [verdachte (voornaam)] contact met [medeverdachte (voornaam)] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [medeverdachte (voornaam)] [verdachte (voornaam)] gaat helpen om afspraken na te komen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, onderzoek 31DONKER24 met proces-verbaalnummer 240917.2109.23955, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1111. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen..\n\n Pagina 965.\n\n Pagina 978.\n\n Pagina 979.\n\n Pagina 984.\n\n Pagina 43.\n\n Pagina 44.\n\n Pagina 238.\n\n Pagina 239.\n\n Pagina 240.\n\n Pagina 241.\n\n Pagina 242.\n\n Pagina 243.\n\n Pagina 244.\n\n Pagina 245.\n\n Pagina 226.\n\n Pagina 227.\n\n Pagina 228.\n\n Pagina 229.\n\n Pagina 230.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 514.\n\n Pagina 736.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4029","2026-07-13T00:28:42.749Z",{"id":140,"ecli":141,"slug":142,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":96,"fullText":143,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":144,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":145},"649","ECLI:NL:GHAMS:2026:1864","ecli-nl-ghams-2026-1864","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001277-24\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 mei 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers\n\n15-322543-21 en 15-025439-23 en 15-186945-22 en 15-259320-22 en 15-316555-23 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1984,\n\ngedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,\n\n1. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Samengevat weergegeven heeft de verdediging daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] herhaaldelijk onjuist zijn vastgelegd in processen-verbaal. Er is volgens de verdediging sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij met grove veronachtzaming het recht van de verdachte op een eerlijk proces is aangetast. Daarbij zijn er volgens de verdediging aanknopingspunten dat er sprake is van doelbewust handelen.\n\nSubsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte in de zaaksdossiers Ararat en Willich, omdat juist in deze zaken de door de verdediging geconstateerde discrepanties tussen de audio-fragmenten van de verhoren van februari en april 2026 en de processen-verbaal waarin die verhoren zijn gerelateerd het meest aanwezig zijn terwijl die discrepanties op essentiële onderdelen van zijn verklaring zien.\n\nMeer subsidiair heeft de verdediging verzocht om uitsluiting van alle verklaringen van [medeverdachte 1] afgelegd vanaf februari 2026, omdat de wijze waarop deze verklaringen zijn vastgelegd en verwerkt een aanzienlijke schending van het recht op een eerlijk proces opleveren als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaten-generaal (hierna: de advocaat-generaal) hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een vormverzuim en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.\n\nOordeel van het hof\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het hof, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:\n\nde hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;\n\nde resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit;\n\nhet Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.\n\nDaarbij moet het hof rekening houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.\n\nIs in deze zaak sprake van een (onherstelbaar) vormverzuim?\n\nDe verdediging stelt dat de processen-verbaal van beide verhoren in 2026 een beeld schetsen waarbij het lijkt alsof medeverdachte [medeverdachte 1] uit zichzelf verklaart, terwijl uit de audiobestanden blijkt dat in werkelijkheid de antwoorden hem door de verbalisanten worden aangereikt. Ook stelt de verdediging dat de politie evident ontlastende verklaringen niet heeft opgenomen in de processen-verbaal, en er ook overigens op meerdere punten sprake is van verkeerde verslaglegging.\n\nHet hof stelt vast dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] zoals die is opgenomen in de processen-verbaal, niet woordelijk overeenkomt met de verklaring zoals die blijkt uit de uitgeluisterde audiobestanden. Op onderdelen is de verklaring van [medeverdachte 1] samengevat of verkort weergegeven. Dit is echter niet in strijd met enige rechtsregel, en dit levert op zichzelf dus ook geen (onherstelbaar) vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Uit de door de verdediging genoemde voorbeelden blijkt niet dat de verklaring van [medeverdachte 1] door de samenvatting of verkorte weergave inhoudelijk niet juist is weergegeven. Evenmin is gebleken dat de verbalisanten hem antwoorden hebben aangereikt of in de mond gelegd, dat zij verklaringen die evident ontlastend zijn voor de verdachte niet hebben opgenomen, of dat de verklaring van [medeverdachte 1] op enig andere wijze onjuist en in strijd met de strekking van zijn verklaring is vastgelegd in de processen verbaal. Dit betekent dat er geen sprake is van een vormverzuim.\n\nTen overvloede overweegt het hof dat zelfs als er wel sprake zou zijn van een vormverzuim, er geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, zoals de wet vereist. De audioverhoren van [medeverdachte 1] zijn immers ter beschikking van de verdediging gesteld, de verdediging heeft deze uitgeluisterd en audiofragmenten geselecteerd die op zitting zijn beluisterd en vergeleken met de opgemaakte processen-verbaal van die verhoren. Ook is [medeverdachte 1] als getuige op zitting gehoord over de verklaring die hij heeft afgelegd tegenover de politie. Zo er al sprake zou zijn van een vormverzuim, dan is dat hiermee hersteld. De verdediging is daarmee immers in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren over de wijze waarop de verhoren hebben plaatsgevonden en zijn vastgelegd en de gevolgen daarvan voor het proces van waarheidsvinding.\n\nUit het voorgaande volgt dat het verweer van de verdediging wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is in alle zaaksdossiers ontvankelijk in de vervolging.\n\n2. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van de onder feiten 1, 2, 4, 5, 7, 8 en 10 tweede cumulatief\u002Falternatief aan hem tenlastegelegde afpersing. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is daardoor mede gericht tegen deze vrijspraken. Hoger beroep door een verdachte tegen een vrijspraak is echter niet mogelijk. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen deze beslissingen tot vrijspraak.\n\n3. Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 en 29 mei 2026 en 1, 2, 4, 8 en 29 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden en de advocaten van de benadeelde partijen, de slachtoffers en de nabestaanden naar voren hebben gebracht.\n\n4. Tenlasteleggingen\n\nGelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijzigingen en voor zover in hoger beroep nog aan de orde is (samengevat) aan de verdachte tenlastegelegd:\n\nFeit 1 (Mainz) – 15\u002F316555-23\n\nmedeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in De Goorn op 8 augustus 2020;\n\nFeit 2 (Millet) – 15\u002F025439-23\n\nmedeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in Dreumel op 30 december 2020;\n\nFeit 3 (Zwenkau) – 15\u002F259320-22\n\nmedeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 5] in Avenhorn op 7 januari 2021;\n\nFeit 4 (Zwenkau) – 15\u002F259320-22medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] , met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, in Avenhorn op 7 januari 2021;\n\nFeit 5 (Zulpich) – 15\u002F025439-23medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] in Heerhugowaard op 4 juni 2021;\n\nFeit 6 (Ararat) – 15\u002F322543-21medeplegen van gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 10] in Berkhout op 14 juni 2021;\n\nFeit 7 (Ararat) – 15\u002F322543-21medeplegen van poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 10] , met de dood ten gevolge, in Berkhout op 14 juni 2021;\n\nFeit 8 (Willich) – 15\u002F186945-22medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 11] in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021;\n\nFeit 9 (Willich) – 15\u002F186945-22medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 12] in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021;\n\nFeit 10 (Willich) – 15\u002F186945-22medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 12] , met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021;\n\nFeit 11 (criminele organisatie) – 15\u002F025439-23deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (overvallen) in de periode van 8 augustus 2020 tot en met 22 juli 2021.\n\nDe volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit arrest en geldt als hier ingevoegd.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\n5. Vonnis van de rechtbank\n\nHet vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd. Het hof is het grotendeels eens met de rechtbank, maar kiest voor een vernietiging van het vonnis ter bevordering van de leesbaarheid van het arrest. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank grotendeels overnemen, maar wel aanvullen en nuanceren aan de hand van de nieuwe verklaringen die door de verdachten in hoger beroep zijn afgelegd en de overige nieuwe stukken die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd. Voor de leesbaarheid worden hierna de verdachte en de medeverdachten ook met hun achternamen genoemd, te weten [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] .\n\n6. Beoordeling van het bewijs\n\n6.1.1. Beoordeling betrouwbaarheid getuigenverklaringen en verklaringen medeverdachten\n\nIn deze zaak bestaat het bewijsmateriaal voor een deel uit getuigenverklaringen. Het Openbaar Ministerie baseert mede daarop het standpunt dat de verdachte verschillende feiten heeft gepleegd waarvan hij wordt beschuldigd, terwijl de verdediging vrijspraak bepleit. Het is aan het hof om de betrouwbaarheid van die verklaringen te onderzoeken en zich daarover een oordeel te vormen.\n\nFactoren met mogelijke invloed op betrouwbaarheid\n\nOp de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de mate waarin de rechter zijn oordeel daarop kan gronden, kunnen vele factoren van invloed zijn. Factoren die betrekking hebben op de kwaliteit van de waarnemingen, of op de kwaliteit van de verklaringen daarover. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:\n\nde mate waarin de getuige onbelemmerd zicht heeft gehad op de gebeurtenissen: weersomstandigheden, lichtgesteldheid, obstakels, afstand of bijvoorbeeld het afgeleid zijn van de getuige tijdens de waarnemingen;\n\nde complexiteit en de snelheid waarmee die gebeurtenissen hebben plaatsgevonden;\n\nde aandacht waarmee de getuige zijn waarnemingen heeft gedaan, waarbij een grote impact of onbeduidendheid van de gebeurtenissen een rol kan spelen en de moeite die de getuige heeft gedaan om zijn waarnemingen te onthouden;\n\nde mate waarin het nodig is om, voor een goed begrip van die gebeurtenissen, de context daarvan te kennen en de mate waarin die kennis bij de getuige aanwezig is;\n\nobjectieve factoren die te maken hebben met de persoon van de getuige, zoals fysieke belemmeringen van permanente of tijdelijke aard; slechthorend- of, slechtziendheid, een geestelijke stoornis of beperking en bijvoorbeeld drank- of drugsgebruik kunnen van invloed zijn;\n\nsubjectieve factoren die te maken hebben met de persoon van de getuige, die een juiste waarneming en verklaring daarover kunnen bevorderen, zoals een beroepsmatige opleiding, ervaring of expertise;\n\nsubjectieve factoren die een juiste waarneming en verklaring daarover in de weg kunnen staan, zoals een bewuste of onbewuste vooringenomenheid tegenover bepaalde personen of bevolkingsgroepen, eigen belangen van de getuige of belangen van anderen om een bepaalde verklaring af te leggen, dan wel de emotionele toestand waarin de getuige zich bevond tijdens de waarneming of het afleggen van zijn verklaring;\n\nde mate waarin de getuige onder druk staat om een bepaalde verklaring af te leggen;\n\ntijdsverloop tussen het moment waarop de waarnemingen zijn gedaan en het moment waarop de getuige daarover voor het eerst een verklaring aflegt en of en in welke mate de herinnering van de getuige is vervaagd of is beïnvloed door informatie waarvan de getuige in de tussenliggende periode kennis heeft genomen.\n\nBij getuigenverklaringen waarin de getuige vertelt over wat hij van een ander heeft gehoord, kan deze waaier aan factoren ook van toepassing zijn op die ander, de bron van deze verklaring.\n\nOok de wijze waarop de getuige is verhoord kan op de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring van invloed zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:\n\nde mate waarin voor het getuigenverhoor bepaalde kwalificaties bij de verhoorder vereist en aanwezig zijn (bijv. een specifieke opleiding) en of de verhoorder dat tijdens het verhoor laat zien, zowel wat betreft eventueel vereiste (specialistische) voorkennis als wat betreft de wijze van uitvoering van het verhoor;\n\nof in het verhoor open of gesloten vragen, dan wel sturende vragen zijn gesteld en of er informatie aan de getuige is gegeven;\n\nof blijkt van enige vorm van vooringenomenheid bij degenen die het verhoor hebben afgenomen;\n\nals het een kwetsbare getuige betreft, of er passende maatregelen zijn getroffen;\n\nof de getuige is beëdigd of niet.\n\nTaak rechter\n\nHet is de taak van de rechter om de verklaringen van getuigen te wegen en te waarderen in verband met de inhoud van het overige bewijsmateriaal en, als de rechter zover komt, te selecteren welke gedeelten van verklaringen bruikbaar zijn voor het bewijs.\n\nBij de uitoefening van die taak komt het altijd aan op de bijzonderheden van het geval. Wel is er meer in het algemeen een aantal aanknopingspunten voor de selectie en waardering van getuigenverklaringen.\n\nAanknopingspunten zijn bijvoorbeeld of:\n\nsprake is van de hiervoor beschreven factoren die van invloed zijn op de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring;\n\nde verklaring coherent is of tegenstrijdigheden bevat;\n\nde getuige consistent is in zijn verklaringen of op verschillende momenten verschillend verklaart;\n\nhet bij dergelijke tegenstrijdigheden of inconsistenties gaat om details of om hoofdlijnen;\n\nen of er voor zulke tegenstrijdigheden of inconsistenties een begrijpelijke verklaring is. Een rol kan daarbij ook spelen of de verklaringen van de getuige globaal en kort of gedetailleerd en uitgebreid zijn en of deze bepaalde kenmerkende details bevat;\n\nde getuige pas na het afleggen van eerdere verklaringen is gekomen met bepaalde feiten en omstandigheden en of de getuige daarvoor een aannemelijke uitleg geeft;\n\nde getuige, in situaties waarin dat voor de hand lijkt te liggen, in staat blijkt meer gedetailleerd te verklaren over de gebeurtenissen en over de context waarin deze plaatsvonden;\n\nde verklaring op zichzelf aannemelijk kan zijn of al op het eerste gezicht verzonnen lijkt;\n\nde verklaring aansluit bij andere bewijsmiddelen en daarin steun vindt, en zo niet, of dat verklaarbaar is, en als dat verklaarbaar is, wat de aard en het gewicht is van die andere bewijsmiddelen in samenhang met de verklaring van de getuige. Onderzoeksresultaten die beschikbaar zijn gekomen na het afleggen van een verklaring, kunnen veel steun bieden aan die verklaring, zeker als het gaat om objectieve feiten waarop de getuige geen invloed kan hebben gehad.\n\nAndere aanknopingspunten bij de waardering van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen kunnen zijn of:\n\nde getuige zich toetsbaar opstelt, bijvoorbeeld door de weg te wijzen naar nadere informatie of andere personen (van wie ook voldoende gegevens worden verstrekt) aan de hand waarvan een verklaring getoetst kan worden;\n\nwat de getuige opgeeft als zijn redenen om naar de autoriteiten te stappen en een verklaring af te leggen en of die redenen aannemelijk zijn;\n\nde getuige een oprechte en betrouwbare indruk wekt bij het afleggen van zijn verklaring, bijvoorbeeld wanneer deze met kritische vragen wordt geconfronteerd, onderdelen van zijn verklaring in twijfel worden getrokken of hij met nieuwe gegevens wordt geconfronteerd die zich slecht met zijn verklaring lijken te verdragen.\n\nDe waardering van getuigenverklaringen aan de hand van de aanknopingspunten die daarvoor in het concrete geval bestaan, kan ertoe leiden dat de rechter een bepaalde getuige in het geheel niet geloofwaardig vindt. Ook kan het resultaat van deze waardering zijn dat voor bepaalde delen van wat een getuige heeft verklaard voldoende steun bestaat, zodat de rechter af kan gaan op de juistheid van die delen en deze gebruikt voor zijn beslissing. De rechter hoeft niet altijd verslag te doen van dit proces van bewijswaardering, maar kan volstaan met een weergave van de uitkomst ervan, of dat nu een vrijspraak of een veroordeling is. Dat ligt anders als door de verdediging of het Openbaar Ministerie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring en de rechter dat standpunt niet volgt. Dan zal de rechter gemotiveerd op dat standpunt moeten reageren. Daarnaast kent de wet een aantal motiveringsvoorschriften in verband met specifieke soorten getuigenbewijs, zoals anonieme getuigen en kroongetuigen.\n\n6.1.2. Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]\n\nDe medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 5 februari 2026 op eigen verzoek een uitvoerige verklaring afgelegd bij de politie. Op 14 april 2026 is hij door de politie naar aanleiding van die verklaring nader ondervraagd. Ter zitting in hoger beroep is [medeverdachte 1] in de strafzaken tegen de medeverdachten over de verklaringen als getuige gehoord.\n\nHet standpunt van de verdediging van [verdachte] ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte 1] van 5 februari 2026 en 14 april 2026 zoals bij pleidooi naar voren gebracht, wordt door het hof afzonderlijk besproken in paragraaf 6.1.3.\n\nNiet valt te ontkennen dat [medeverdachte 1] een belang heeft bij het afleggen van zijn verklaringen. Hij heeft belastend over zichzelf en over anderen verklaard ten aanzien van zaaksdossiers waar hij bij betrokken is geweest. Ook heeft bij belastend verklaard over anderen ten aanzien van zaaksdossiers waar hij niet bij betrokken is geweest of waarover hij heeft gesteld niet bij betrokken te zijn geweest.\n\nHet hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [medeverdachte 1] in de verschillende zaaksdossiers waar hij bij betrokken is geweest terughoudend heeft verklaard over zijn eigen rol. Die terughoudendheid heeft met name betrekking op het toegepaste geweld of bijvoorbeeld over de vraag of het door hem gehanteerde wapen een nepwapen zou zijn geweest. Daarmee ontstaat tevens het gevaar dat hij over de rol van anderen wellicht minder gunstig heeft verklaard. Het hof zal dan ook bij de selectie en waardering van het bewijs in alle zaaksdossiers rekening houden met dat gevaar. Dit betekent dat het hof voor bezwarende onderdelen van zijn verklaringen ten aanzien van anderen, steeds zal beoordelen of deze onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen.\n\nHet hof zal de verklaring van [medeverdachte 1] niet gebruiken voor zover deze ziet op zijn betrokkenheid bij de feitelijke uitvoering van de overval in het zaaksdossier Ararat. [medeverdachte 1] stelt dat hij daarbij niet betrokken was, maar dit deel van zijn verklaring vindt geen steun in andere onderdelen van het dossier, terwijl meerdere bewijsmiddelen juist wel op zijn betrokkenheid wijzen: de voorbereidingen die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben getroffen, ook volgens hun eigen verklaringen, hun aanwezigheid in de loods kort voor de overval, het uitzetten van de telefoons kort voor en tijdens de overval, hun aanwezigheid in de loods na de overval en communicatie met anderen in de dagen nadien. Gelet hierop zal het hof deze verklaring ook niet gebruiken voor het bewijs in de zaak Ararat van de medeverdachten.\n\n6.1.3. Verweren en verzoeken verdediging met betrekking tot getuigenverklaringen\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van getuige\n [getuige 1]\n\nDe verdediging van [verdachte] heeft verzocht de verklaringen van [getuige 1] uit te sluiten van het bewijs. [getuige 1] twijfelt constant en wordt op bepaalde punten in haar verklaring gestuurd door de verhoorders. De verdediging concludeert dat de wijze waarop de verklaringen van [getuige 1] worden gebruikt als bewijs, duidt op sturing en op twijfel. De verklaringen van [getuige 1] zijn inhoudelijk twijfelachtig en van herkenning (van [verdachte] ) is geen sprake.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nHet Openbaar Ministerie stelt vast dat het verweer strekkende tot uitsluiting van de verklaringen van [getuige 1] van het bewijs ook in eerste aanleg is gevoerd. Gewezen wordt op de overweging van de rechtbank: “Hoewel [getuige 1] over verschillende onderwerpen niet altijd eenduidig of consistent heeft verklaard, maakt dit niet dat haar verklaring in het geheel niet betrouwbaar zou zijn. De rechtbank acht de verklaring van [getuige 1] – voor zover deze voor het bewijs wordt gebruikt – betrouwbaar, omdat deze voldoende gedetailleerde en concreet is en op essentiële onderdelen steun vindt in ander bewijsmateriaal.” Het Openbaar Ministerie concludeert dat de verklaringen van [getuige 1] bruikbaar zijn voor het bewijs.\n\nOordeel van het hof\n\nMet juistheid kan worden vastgesteld dat [getuige 1] wisselend heeft verklaard over onderdelen van verschillende zaaksdossiers. Ook kan worden vastgesteld dat de verhoorders [getuige 1] sterk afwisselend hebben ondervraagd over de verschillende zaaksdossiers en daarmee springen door de tijd. De verhoorders hebben [getuige 1] met name gevraagd wat in het huis van [medeverdachte 2] heeft plaatsgevonden rond de data waarop de overvallen hebben plaatsgevonden. [getuige 1] heeft verklaard vanaf begin 2020 een relatie met [medeverdachte 2] te hebben gehad en vanaf juli\u002Faugustus 2020 tot aan de aanhouding van [medeverdachte 2] met hem in het huis van [medeverdachte 2] in Noord-Scharwoude te hebben gewoond. (ZD06, p. 854) [getuige 1] heeft ook verklaard dat er altijd mensen over de vloer kwamen, de hele dag door eigenlijk. (ZD06, p. 872) Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het voor [getuige 1] niet eenvoudig moet zijn geweest de dagen rond de data waarop de overvallen hebben plaatsgevonden voor de geest te halen. Wel kan [getuige 1] zich bepaalde bijzonderheden herinneren.\n\nZo kan de getuige zich een ‘bijtincident’ herinneren. Zij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] in zijn vinger zou zijn gebeten en dat zijn vinger en zijn nagel kapot waren. De verhoorders laten [getuige 1] dan zoeken op haar telefoon naar foto’s van de twee middelvingers (ZD06, p. 924) en geven als data op: 7 en 8 augustus 2020. Vervolgens worden deze data door de verhoorders gewijzigd naar 7 januari waarbij het jaartal 2020 wordt genoemd. Pas verder in het verhoor wordt het jaartal 2021 door de verhoorders genoemd. Deze wijze van ondervragen leidt bij [getuige 1] op enig moment tot de uitspraak: “Ja, maar jullie hebben het nu over een andere dag.” (ZD06, p. 934) “He? ik ben helemaal in de war door jullie…Ik raak echt in de war.” (ZD06, p. 934) Inhoudelijk blijft zij echter bij haar verklaring en heeft zij ook bij de rechter-commissaris wezenlijke onderdelen van haar verklaringen herhaald.\n\nDit alles maakt dat het hof onderdelen van de verklaringen van [getuige 1] kan en zal gebruiken voor het bewijs indien en voor zover deze worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van medeverdachte\n [medeverdachte 1]\n\nDe verdediging van [verdachte] heeft mede aan de hand van ter zitting in hoger beroep beluisterde audiofragmenten gewezen op verschillen tussen de daadwerkelijke verklaringen en de inhoud van het proces-verbaal van verhoor van 5 februari 2026 en 14 april 2026. Ook heeft zij gewezen op het weglaten van evident ontlastende verklaringen. Zij verzoekt om uitsluiting van alle verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegd vanaf februari 2026.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nVoor het Openbaar Ministerie is er geen enkele reden voor uitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 1] van het bewijs.\n\nOordeel van het hof\n\n [medeverdachte 1] heeft op 5 februari 2026 en 14 april 2026 bekennende verklaringen afgelegd. Hij heeft daarbij verklaard over zijn eigen rol in verschillende zaaksdossiers en ook over de rol van anderen zowel in zaken waar hij bij betrokken is geweest als in zaken waarin dat niet het geval is geweest. De door de verdediging benoemde verschillen tussen de audio-bestanden van de verhoren van [medeverdachte 1] en de daarvan opgemaakte processen-verbaal zijn niet van dien aard dat er sprake is van een weergave die inhoudelijk onjuist is Evenmin is gebleken dat verklaringen die evident ontlastend zijn voor de verdachte niet zijn opgenomen. Nu het hof van oordeel is dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet onjuist en niet in strijd met de strekking van zijn verklaring in de processen-verbaal zijn vastgelegd, is er geen reden de verklaringen uit te sluiten van het bewijs. Wel maken de geconstateerde verschillen het noodzakelijk dat op de door de verdediging benoemde punten de verklaringen van [medeverdachte 1] met enige voorzichtigheid worden gehanteerd en zijn deze enkel bruikbaar indien en voor zover deze worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het verzoek om integrale bewijsuitsluiting van opgenoemde verklaringen van [medeverdachte 1] wordt afgewezen.\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van de getuige\n [medeverdachte 10]\n\nDe verdediging heeft de getuige [medeverdachte 10] – hoewel het verzoek om hem te kunnen horen als getuige door het hof in het onderzoek Mainz eerder is toegewezen – niet in hoger beroep kunnen horen. Er is geen effectieve en behoorlijke compensatie geboden voor het niet kunnen horen van [medeverdachte 10] . De verklaring van [medeverdachte 10] is ‘decisive’. Daarbij heeft te gelden dat hoe belangrijker de verklaring van de belastend verklarende persoon is, hoe meer ‘counterbalancing factors’ nodig zijn, wil het geheel worden aangemerkt als een eerlijk proces. Nu deze compensatie niet is geboden, dient de verklaring van [medeverdachte 10] te worden uitgesloten van het bewijs.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nHet Openbaar Ministerie heeft in de regiefase het standpunt ingenomen dat het verzoek tot het horen van [medeverdachte 10] kan worden toegewezen. Uiteindelijk is het onmogelijk gebleken [medeverdachte 10] te horen, maar gelet op overige bewijsmiddelen is de verklaring echter niet ‘decisive’ zodat het niet horen niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces.\n\nOordeel van het hofHet hof stelt allereerst vast dat [medeverdachte 10] op 9 oktober 2023 in het bijzijn van onder andere de verdediging van [verdachte] is gehoord door de rechter-commissaris.\n\nOp de zitting van 17 januari 2025 is de strafzaak tegen onder andere [verdachte] verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde [medeverdachte 10] andermaal als getuige te horen.\n\nOp 20 november 2025 heeft de raadsheer-commissaris in het proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat [medeverdachte 10] , verblijvende in België, kenbaar heeft gemaakt na overleg met zijn advocaat niet mee te willen werken aan een nader verhoor. De raadsheer-commissaris heeft desgevraagd van de Belgische politie vernomen dat het Belgische recht, daar waar het gaat om onwillige getuigen die dienen te worden gehoord in het kader van een buitenlands onderzoek, niet voorziet in dwangmiddelen. De raadsheer-commissaris heeft dan ook geconcludeerd dat het onaannemelijk is dat [medeverdachte 10] binnen aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord.\n\nHet hof is van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 10] niet op zichzelf staat en daarmee niet ‘decisive’ is. In zaaksdossier Mainz is sprake van verschillende bewijsmiddelen tegen de verschillende verdachten die van die overval worden beschuldigd. Dit maakt dat de verklaring van [medeverdachte 10] voor het bewijs gebruikt kan worden nu deze in samenhang met andere bewijsmiddelen kan worden gewaardeerd en de bewezenverklaring dus niet in beslissende mate op de verklaring van [medeverdachte 10] wordt gebaseerd.\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van de getuige\n [medeverdachte 11]\n\nDe verdediging van [verdachte] heeft verzocht de verklaringen van [medeverdachte 11] niet te gebruiken voor het bewijs om reden dat deze onbetrouwbaar zijn dan wel hierin terughoudend te zijn.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nHet Openbaar Ministerie heeft bij repliek geen standpunt ingenomen ten aanzien van het standpunt van de verdediging van [verdachte] inzake de getuige [medeverdachte 11] .\n\nOordeel van hof\n\nHet hof stelt vast dat [medeverdachte 11] na zijn aanhouding op 19 juli 2022 aanvankelijk ontkennend heeft verklaard over zijn rol in zaaksdossier Mainz dan wel zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Bij gelegenheid van de eerste verhoren in juli 2022 is [medeverdachte 11] geconfronteerd met verschillende onderzoeksbevindingen zoals de stappenteller met als gegeven dat hij in de nacht van 7-8 augustus 2021 in De Goorn 2,3 kilometer heeft gelopen. (PD 07, p. 50) Ook is hij geconfronteerd met het gegeven dat hij samen met [medeverdachte 3] [getuige 4] is gaan ophalen en ze naar de woning van [medeverdachte 2] zijn gegaan en [medeverdachte 11] haar ook weer heeft weggebracht. (PD07, 44, 46, 49) Verder is hij geconfronteerd met de verkregen informatie uit een opgenomen en uitgeluisterd telefoongesprek van [getuige 4] met [getuige 5] waarin erover gesproken wordt dat [medeverdachte 11] tegen [getuige 4] heeft verteld dat hij de vrouw die bij de woningoverval in De Goorn naar buiten kwam lopen had tegengehouden. (PD07, 53) Tot slot kan nog genoemd worden dat [medeverdachte 11] geconfronteerd is met de onderzoeksbevinding dat zijn DNA is aangetroffen op een breekijzer dat is aangetroffen in de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] en dat de daders bij de woningoverval in De Goorn breekijzers bij zich hadden. (PD07, 68)\n\n [medeverdachte 11] heeft uiteindelijk op eigen initiatief op 20 oktober 2022 een bekennende verklaring afgelegd over zijn rol in zaaksdossier Mainz alsmede belastend verklaard over de rol van medeverdachten in dat zaaksdossier.\n\nHet hof stelt vast dat [medeverdachte 11] in zijn verklaring op 20 oktober 2022 bekennend heeft verklaard maar dat hij daarbij zijn eigen rol op cruciale punten heeft geminimaliseerd. Dit ziet met name op het gegeven dat hij bekend is met de slachtoffers en op zijn rol bij de vrouw die het huis uit is gevlucht ten tijde van de overval en is tegengehouden en teruggeleid naar de woning. Zo heeft hij schoorvoetend verklaard dat de slachtoffers kennissen zijn van de ouders van [getuige 5] (PD07, p. 124) (het Hof begrijpt [getuige 5] , de ex-vriendin van [medeverdachte 11] en moeder van zijn zoon [kind] ). Over de vrouw die bij de overval het huis uit was gevlucht heeft [medeverdachte 11] vanaf 20 oktober 2022 steeds verklaard, ook bij de rechter-commissaris op 20 november 2023, dat zij door [medeverdachte 10] is achterhaald en is teruggeleid naar de woning.\n\nHet hof beantwoordt de vraag of en zo ja welke bewijsrechtelijke betekenis toekomt aan de verklaringen van [medeverdachte 11] op dezelfde wijze als de rechtbank. [medeverdachte 11] heeft zo veel mogelijk weg willen blijven van twee belangrijke aspecten in de verdenking van zijn rol in zaakdossier Mainz: de tipgever en de dader die de wegvluchtende vrouw tegenhoudt en terugleidt naar de woning. Dit maakt echter niet dat de verklaring van [medeverdachte 11] over andere aspecten in dit zaaksdossier niet betrouwbaar zouden zijn. Evenals de rechtbank betekent dit voor het hof wel dat de verklaringen van [medeverdachte 11] die zien op de betrokkenheid van de medeverdachten met de nodige voorzichtigheid moeten worden gewaardeerd. [medeverdachte 11] heeft telkens gelijkluidend verklaard ten aanzien van de strafrechtelijke betrokkenheid van zijn mededaders bij de woningoverval. Daarover heeft hij gedetailleerd, concreet en consistent verklaard: over wie betrokken waren bij de overval, wat de onderlinge rolverdeling was, waar zij zich voorafgaand aan de overval hebben verzameld, waar zij na de overval naartoe zijn gegaan en wie er tijdens de overval zou hebben geschoten.\n\nDit leidt ertoe dat de verklaringen van [medeverdachte 11] betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt voor zover de verklaringen op de betreffende aspecten steun vinden in andere bewijsmiddelen.\n\nVoorwaardelijke verzoeken\n\nDe verdediging van [verdachte] heeft een drietal voorwaardelijke verzoeken gedaan. Indien en voor zover het hof voornemens is de verklaringen van [getuige 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] voor het bewijs te gebruiken dan verzoekt de verdediging [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] te mogen horen als getuige en van de verhoren van [getuige 1] de audiobestanden te mogen beluisteren.\n\nHet hof stelt vast dat het Openbaar Ministerie geen standpunt heeft ingenomen ten aanzien van deze verzoeken.\n\nHet hof overweegt als volgt:\n\nHet hof gebruikt zoals hierna zal blijken onderdelen van de verklaringen van [getuige 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] voor het bewijs. De voorwaarde waaronder de verzoeken zijn gedaan is dan ook vervuld. Het hof wijst het verzoek om de audiobestanden te mogen beluisteren van het verhoor van [getuige 1] en de verzoeken om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] als getuige te mogen horen af en overweegt daartoe het navolgende.\n\nAudioverhoren [getuige 1]\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 1] erop duiden dat de politie haar in haar verklaring heeft gestuurd en heeft daarnaast gewezen op twijfel die bestaat voor wat betreft de inhoud van haar verklaring. Om die reden verzoekt de verdediging in staat te worden gesteld de audiobestanden te beluisteren zodat de totstandkoming van de verklaring kan worden gecontroleerd.\n\nZoals eerder door het hof overwogen ten aanzien van het verzoek tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [getuige 1] , kunnen onderdelen van haar verklaringen voor het bewijs worden gebruikt, indien en voor zover de betreffende verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verdediging heeft geen aanknopingspunten benoemd voor de door haar gestelde sturing en twijfel die zou blijken uit de processen-verbaal van de verhoren van [getuige 1] . Gelet hierop is het hof van oordeel dat de noodzaak voor het beluisteren van de audiobestanden niet is gebleken. Het verzoek wordt afgewezen.\n\nVerhoor getuige [medeverdachte 1]\n\nHet hof stelt vast dat [medeverdachte 1] ter zitting in hoger beroep als getuige is gehoord onder meer in de strafzaak tegen [verdachte] . [medeverdachte 1] is door het hof uitvoerig ondervraagd over zijn verklaringen, waaronder ook over de belastende onderdelen voor de verdachte. De verdediging stelt terecht dat [medeverdachte 1] op verschillende vragen van de verdediging zich heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. Het zal de verdediging niet zijn ontgaan dat vragen van de verdediging van medeverdachten aan [medeverdachte 1] , gesteld door het hof, wel werden beantwoord door [medeverdachte 1] . De verdediging van [verdachte] is expliciet aangeboden haar vragen aan [medeverdachte 1] te doen stellen door het hof. De verdediging van [verdachte] heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt. Het verzoek om [medeverdachte 1] andermaal te horen als getuige wordt afgewezen.\n\nVerhoor getuige [medeverdachte 10]\n\nGelet op het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 20 november 2025 wordt het verzoek van de verdediging van [verdachte] om [medeverdachte 10] als getuige te horen, afgewezen omdat – zoals ook op de zitting van 28 mei 2026 door het hof is beslist – het onaannemelijk is dat [medeverdachte 10] binnen aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord. Bij pleidooi is geen nadere onderbouwing gegeven die maakt dat die beslissing nu anders zou moeten luiden.\n\nDaarnaast overweegt het hof dat het feit dat de verdediging niet in staat is om de getuige [medeverdachte 10] andermaal te horen, niet in de weg staat aan het gebruik van deze verklaring voor het bewijs. Het hof overweegt daartoe dat de verklaring niet decisiveis en binnen het geheel van de resultaten van het strafvordelijk onderzoek een beperkt gewicht heeft. Bovendien is de verdediging op een eerder moment in de gelegenheid geweest de getuige te ondervragen.\n\nOp 9 oktober 2023 is [medeverdachte 10] immers door de rechter-commissaris als getuige gehoord in de strafzaak tegen [verdachte] . De verdediging heeft bij die gelegenheid de mogelijkheid gehad [medeverdachte 10] te ondervragen over zijn verklaringen bij de politie op 24 en 25 maart 2023. Daarmee is sprake van voldoende compenserende factoren en is er in het geheel bezien ook bij het gebruik van de verklaring van [medeverdachte 10] sprake van een eerlijk proces.\n\n6.2.1. Zaaksdossier Mainz\n\nZaaksdossier Mainz gaat over een woningoverval in De Goorn op 8 augustus 2020. Voor dit feit worden de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] vervolgd. De medeverdachte [medeverdachte 11] is al door de rechtbank veroordeeld voor betrokkenheid bij deze overval en die beslissing is inmiddels onherroepelijk.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal met geweld is gekomen en verenigt zich met die beslissing. Ook de daaraan ten grondslag liggende overwegingen neemt het hof voor een groot deel over. Gelet op het verhandelde in hoger beroep is op enkele punten een nuancering en aanvulling opgenomen. Het hof komt anders dan de rechtbank tot de conclusie dat niet is vast te stellen wie de schutter van de geloste schoten is geweest.\n\nDoor het hof vastgestelde feiten en omstandighedenOp grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.\n\nOp 8 augustus 2020 tussen 03:08 uur en 03:20 uur heeft een woningoverval plaatsgevonden in de vrijstaande woning aan de [adres 1] in De Goorn, waarbij telefoons, sleutels en een envelop met een geldbedrag van € 3.000 zijn weggenomen. Vier mannen met bivakmutsen hebben de woning betreden. Zij hebben daartoe een ruit van de woning ingeslagen. Drie van hen hadden een breekijzer en de vierde dader had een vuurwapen. Aangever [slachtoffer 1] is tegen zijn lichaam en hoofd geslagen met een breekijzer en is tegen zijn hoofd geschopt. Toen hij zich wilde verdedigen is door de dader met het vuurwapen twee keer een schot gelost in de richting van het hoofd van [slachtoffer 1] . Aangeefster [slachtoffer 2] is bedreigd met het vuurwapen. Toen zij probeerde te vluchten, is zij door een vijfde dader uit het naast de woning gelegen weiland teruggehaald en teruggeleid naar de woning. Deze vijfde dader kwam uit de richting van het toegangshek van het perceel en droeg ook een bivakmuts. Op dat moment was [slachtoffer 1] in gevecht met de andere vier daders. De daders zijn uiteindelijk in een auto weggereden in de richting van Berkhout.\n\nOp 12 augustus 2020 werd door de aangevers in dit onderzoek een koeienriem afgegeven bij de politie. Deze koeienriem zat vóór de overval bevestigd om het toegangshek van het perceel behorend bij de woning. De aangevers hadden de koeienriem aangetroffen op het erf nabij de sloot. Op deze koeienriem is een DNA-mengprofiel aangetroffen met celmateriaal van minimaal vier personen. Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) volgt dat het DNA-profiel verkregen uit de bemonstering van de koeienriem, meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA van [medeverdachte 11] en drie willekeurige onbekende personen bevat dan wanneer de bemonstering DNA bevat van vier willekeurige onbekende personen. Het hof gaat er op basis van deze onderzoeksresultaten van uit dat er DNA-materiaal van [medeverdachte 11] op de koeienriem aanwezig is.\n\nVerklaring van [medeverdachte 11]\n\n is bij de politie meerdere keren als verdachte gehoord. Hij heeft aanvankelijk ontkend dat hij wetenschap had van de woningoverval. In het vijfde verhoor heeft hij verklaard over zijn betrokkenheid daarbij. In die verhoren heeft hij ook belastend verklaard over de medeverdachten. Ook heeft hij als getuige een verklaring afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris.\n\nSamengevat komen zijn verklaringen op het volgende neer.\n\nOp 7 augustus 2020 heeft hij in de avonduren – nadat hij door [medeverdachte 3] was benaderd met de vraag om te komen chillen met een meisje, samen met mevrouw [getuige 4] bij [medeverdachte 2] in de tuin gezeten. Nadat hij mevrouw [getuige 4] naar huis had gebracht, is hij doorgereden naar zijn chalet op camping [camping] in Berkhout. Hij had met [medeverdachte 3] daar afgesproken. [medeverdachte 3] had met anderen het plan gemaakt om een inbraak te plegen en heeft [medeverdachte 11] gevraagd of ze daarna weer terug mochten komen naar het chalet. Toen [medeverdachte 11] bij de camping aankwam, was [medeverdachte 3] daar al. Zij hebben een tijdje in het chalet van [medeverdachte 11] gezeten en gesproken over wat zij van plan waren. Volgens [medeverdachte 11] waren ook [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] daarbij. Op de parkeerplaats van de camping is [medeverdachte 11] in de kofferbak van de auto van [medeverdachte 3] gestapt en meegereden naar De Goorn. [medeverdachte 3] heeft zijn auto in een inham voorbij de woning in De Goorn geparkeerd, waarna [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zijn uitgestapt. [medeverdachte 11] is ook uitgestapt en heeft aan één van deze mannen een breekijzer gegeven. [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zijn over het weiland naar de woning gelopen. [medeverdachte 3] heeft de auto doorgereden naar het toegangshek en [medeverdachte 11] heeft daar met [medeverdachte 3] staan wachten op de anderen. Ze zijn uiteindelijk samen weer naar het chalet van [medeverdachte 11] gereden. [medeverdachte 11] heeft toen gehoord dat [medeverdachte 2] had geschoten. De anderen waren daar boos over. [medeverdachte 11] heeft een dag later aan [getuige 4] verteld dat hij iets ergs had gedaan, dat hij niet mee naar binnen was geweest en een vrouw had tegengehouden die naar de buren wilde gaan.\n\nZoals hiervoor overwogen acht het hof de verklaringen van [medeverdachte 11] betrouwbaar voor zover deze zien op de betrokkenheid van anderen nu deze verklaringen op belangrijke onderdelen en in relevante mate steun vinden in ander bewijsmateriaal, zoals de verklaring van [getuige 4] , het telefoongesprek tussen [getuige 4] en [getuige 5] en de verklaring van [medeverdachte 1] zoals hierna wordt overwogen. Het hof acht – uit hetgeen hiervoor over de betrouwbaarheid van zijn verklaringen is overwogen – zijn verklaringen over zijn eigen rol niet op alle punten geloofwaardig.\n\nUit de verklaring van de aangevers blijkt dat er tijdens de overval is geschoten. Dit wordt ook bevestigd door [medeverdachte 11] . In hoger beroep heeft [medeverdachte 1] een verklaring afgelegd als verdachte, welke verklaring in alle zaken is gevoegd. [medeverdachte 1] is daarnaast als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gehoord.\n\nVerklaring van [medeverdachte 1]\n\n heeft als verdachte ten overstaan van de politie verklaard, welke verklaring hij als getuige ten overstaan van het hof heeft bevestigd, dat hij op 9 augustus 2021 bij [medeverdachte 2] thuis was en dat ook [medeverdachte 3] en [medeverdachte 10] daar waren. [medeverdachte 10] vertelde hem over de overval in De Goorn. [medeverdachte 3] was de chauffeur van de vluchtauto voor die overval in De Goorn. Bij die overval zou een raam kapot zijn geslagen. Toen de bewoners naar beneden kwamen heeft [medeverdachte 10] de mannelijke bewoner met een koevoet geslagen. Toen [medeverdachte 10] nog een keer met de koevoet wilde slaan, is deze door de mannelijke bewoner afgepakt. Een ander heeft vervolgens richting het hoofd van de mannelijke bewoner geschoten. Van anderen, in het bijzonder van [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] , heeft [medeverdachte 1] gehoord dat het [medeverdachte 4] is geweest die heeft geschoten. [medeverdachte 11] heeft de vrouwelijke bewoner, die het weiland was ingevlucht, gepakt en naar de woning teruggeleid. Verder was bij die overval aanwezig een kale man met een baard, die – ten tijde van het verhoor in februari 2026 – in [plaats 1] vast zat. Als de verhoorder de naam van [verdachte] noemt, bevestigt [medeverdachte 1] dit. Dat de verklaring van [medeverdachte 1] voor zover het ziet op dit zaaksdossier betrouwbaar is, is al hiervoor overwogen.\n\nSchotenDat er geschoten is tijdens de overval kan op grond van de verklaring van aangevers, de verklaring van [medeverdachte 11] en de verklaring van [medeverdachte 1] worden vastgesteld.\n\nDat er geschoten is met een wapen dat ook in het onderzoek Ararat is gebruikt en dat dit hetzelfde wapen betreft als het wapen waarmee [medeverdachte 5] om het leven is gekomen, leidt het hof uit het volgende af.\n\nUit het rapport schotrestenonderzoek van 26 april 2022 volgt dat de deskundige het zeer veel waarschijnlijker acht dat op de bemonsteringen die van het gelaat van aangever [slachtoffer 1] zijn genomen schotresten aanwezig zijn, dan dat op die bemonsteringen geen schotresten aanwezig zijn. Het hof gaat er daarom vanuit dat op het lichaam van [slachtoffer 1] schotresten aanwezig waren.\n\nNa het overlijden van [medeverdachte 5] is bij zijn lichaam een vuurwapen aangetroffen. Dit betrof een zilverkleurige revolver, type .357 Magnum van fabrikant Smith & Wesson. In het vergelijkend schotrestenonderzoek van 26 april 2022 is de aangetroffen verzameling deeltjes in het onderzoek Mainz, vergeleken met de verzamelingen deeltjes die zijn aangetroffen in het onderzoek Ararat (de woningoverval met dodelijke afloop in Berkhout) en het onderzoek Waltrop (het onderzoek naar het overlijden van [medeverdachte 5] ).\n\nDe deskundige rapporteerde dat de bevindingen van het vergelijkend schotrestenonderzoek veel waarschijnlijker zijn als hypothese V1 (de verzameling deeltjes hebben dezelfde bron van herkomst) waar is, dan als hypothese V2 (de verzameling deeltjes hebben een andere bron van herkomst) waar is.\n\nBron van herkomst is hierbij gedefinieerd als schoten met dezelfde vuurwapen-munitie combinatie.\n\nDe rechtbank heeft de opsteller van het rapport, [deskundige] , ter terechtzitting als deskundige gehoord. Het hof begrijpt de inhoud van het rapport, in samenhang met de door de deskundige ter terechtzitting van de rechtbank gegeven toelichting, als volgt. Onder hypothese V1 (dezelfde bron van herkomst) kan zowel worden begrepen dat is geschoten met hetzelfde wapen met dezelfde munitie, als met eenzelfde soort (merk en type) wapen met dezelfde soort munitie. De aangetroffen verzamelingen deeltjes in de onderzoeken Mainz, Ararat en Waltrop zijn zeldzaam te noemen. Hierover is in het rapport opgemerkt dat alle drie de verzamelingen deeltjes voornamelijk worden gekenmerkt door deeltjes met elementsamenstellingen PbSbSn (lood, antimoon, tin), waarbij de elementen Sb en Sn in deze deeltjes veelal op spoorniveau aanwezig zijn. Daarnaast zijn in alle drie de verzamelingen deeltjes aanwezig gelijkend op BaAl (barium, aluminium) met (een spoor van) de elementen Pb en Sb. Deze deeltjes worden volgens de deskundige zelden in onderzoeken aangetroffen in combinatie met deeltjes als extra element Sn. Deze deeltjes kunnen afkomstig zijn van het zogeheten memory-effect, wat een aanwijzing kan zijn dat de verzamelingen deeltjes dezelfde bron van herkomst hebben. Weliswaar heeft de deskundige ter zitting in eerste aanleg toegelicht dat niet met 100% zekerheid kan worden vastgesteld dat het zogenaamdememory-effecthier speelt, maar het lijkt er wel sterk op, omdat de aangetroffen verzamelingen deeltjes anders alleen kunnen worden aangetroffen in de situatie dat in alle gevallen is geschoten met eenzelfde (soort) wapen, en waarmee met dezelfde (soorten) munitie is geschoten en waarbij de munitie dan ook in dezelfde volgorde moet zijn verschoten.\n\nDat de deskundige vervolgens op basis van zijn beschouwing, beschikbare literatuur en de ervaring op het NFI in eerdere onderzoeken tot de bewijskracht “veel waarschijnlijker” komt, wijst erop dat in de onderzoeken Mainz, Ararat en Waltrop is geschoten met hetzelfde vuurwapen.\n\nDe theoretische mogelijkheid dat is geschoten met eenzelfde soort wapen acht het hof hoogst onwaarschijnlijk, omdat dan – zoals hiervoor al opgemerkt – dezelfde (verschillende) soorten munitie in dezelfde volgorde moeten zijn verschoten.\n\nSchutterAnders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat op grond van het dossier niet met een voor de bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld wie de schoten heeft gelost.\n\n [medeverdachte 11] heeft in zijn verklaringen aangegeven dat [medeverdachte 2] degene is geweest die de schoten heeft gelost. Hij heeft dat zelf niet gezien, maar van de anderen gehoord toen ze terug waren in zijn chalet. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 10] heeft gehoord dat [medeverdachte 4] verantwoordelijk is voor het schieten.\n\nNu door [medeverdachte 11] en [medeverdachte 1] verschillende verklaringen worden afgelegd over wie de schutter is geweest en nu zij beiden niet kunnen verklaren uit eigen waarneming, acht het hof het niet mogelijk om vast te stellen wie de schutter is geweest.\n\nWeliswaar blijkt dat in zes bemonsteringen op het wapen dat bij [medeverdachte 5] is aangetroffen en waarvan hiervoor is vastgesteld dat dit wapen ook bij deze overval is gebruikt, DNA-materiaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 2] , maar die enkele omstandigheid acht het hof onvoldoende om [medeverdachte 2] als schutter aan te wijzen, omdat niet vastgesteld kan worden wanneer dat DNA op het wapen terecht is gekomen, en het wapen ten tijde van de overval gehanteerd kan zijn zonder dat de dader daarop DNA heeft achtergelaten.\n\nConclusie ten aanzien van het bewijsHet hof komt op grond van de bewijsmiddelen tot de conclusie dat (in elk geval) de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en voormalig medeverdachten [medeverdachte 11] en [medeverdachte 10] betrokken zijn geweest bij de woningoverval in De Goorn.\n\nMedeplegenVoor de kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsmotivering – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.\n\nUit de verklaringen van [medeverdachte 11] en [medeverdachte 1] leidt het hof af dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] en [verdachte] drie van de vier daders zijn geweest die de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] binnen zijn gegaan. Voorafgaand aan de overval is deze gepland. [medeverdachte 3] heeft de vluchtauto geregeld, is bij de voorbespreking en bij het maken van het plan betrokken geweest en heeft de vluchtauto bestuurd. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt bovendien dat iedere betrokkene bij een overval meedeelde in de buit en iedereen een gelijk deel kreeg, dat geldt ook voor de chauffeur van de vluchtauto. Alle bij de overval betrokken personen hebben dus een actieve rol gehad bij de woningoverval en kunnen om die reden als medepleger van de woningoverval worden aangemerkt bij welke woningoverval geweld is gebruikt, met geweld is gedreigd en waarbij schoten zijn gelost.\n\nHet hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld.\n\n6.2.2. Zaaksdossier Millet\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld. Het bewijs daarvoor volgt uit:\n\nde aangiftes van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ;\n\nde DNA match van zowel [slachtoffer 3] als [medeverdachte 2] op de tie-wrap die gebruikt is om de aangever [slachtoffer 3] aan het bed vast te binden;\n\nde route van de gestolen Audi A8 en de gebruikte vluchtauto die te koppelen is aan [medeverdachte 3] ;\n\nde link die [medeverdachte 3] heeft met de aangevers;\n\nde zendmastgegevens van de telefoon van [medeverdachte 3] ;\n\nverschillende chatberichten voor en na de overval die tussen de verdachten zijn uitgewisseld en die verband houden met de overval.\n\nDaar komt bij dat [medeverdachte 1] in hoger beroep een verklaring heeft afgelegd die de bovenstaande bewijsmiddelen bevestigt.\n\nHet is volgens het Openbaar Ministerie niet aannemelijk dat [verdachte] wel wist van de overval, daarover ‘dingen’ heeft besproken, een gedeelte van de buit heeft gekregen en een auto heeft geregeld, maar dat hij niet is meegegaan naar de woning.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.\n\nOordeel van het hofZaaksdossier Millet gaat over een woningoverval in Dreumel in de nacht van 30 december 2020. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank grotendeels overnemen en daar aanvullen waar nodig met verklaringen van de verdachten en bewijsmiddelen die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd.\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nVerklaring [medeverdachte 1] in hoger beroep[medeverdachte 1] heeft bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaard dat hij door [medeverdachte 3] is opgehaald voor de overval in Dreumel. Onderweg is ook [verdachte] opgehaald. Volgens [medeverdachte 1] waren hij, [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] aanwezig in de woning tijdens de overval. Ze zijn met gezichtsbedekking naar binnen gegaan. [medeverdachte 3] was de bestuurder van de auto waarmee ze naar Dreumel zijn gereden. Volgens [medeverdachte 1] wist hij een paar dagen van tevoren dat de overval zou gaan plaatsvinden. [medeverdachte 1] was als eerste binnen in het huis nadat hij het raam naast de jacuzzi had opengemaakt met een platte schroevendraaier. In de woning heeft hij boven gezocht naar een kluis, geld of sieraden. [medeverdachte 1] heeft tijdens de autorit naar de overval gehoord dat er € 100.000 in de woning zou liggen. Dit bedrag is ook genoemd tijdens de overval zelf. In de auto op weg naar de overval is vooral [medeverdachte 3] aan het woord geweest. De aangevers lagen beneden in bed en werden verzocht te vertellen waar het geld lag. [verdachte] en [medeverdachte 4] stonden bij de slachtoffers. Volgens [medeverdachte 1] hadden [verdachte] en [medeverdachte 4] wapens mee naar de overval. Hij heeft de wapens gezien toen zij in de woning waren op het moment dat er een wapen werd getrokken. Er was één luchtbuks en twee andere kleinere wapens. [medeverdachte 1] denkt dat de luchtbuks van de eigenaar is; die werd op zolder door een van de verdachten aangetroffen. De aangeefster is door [medeverdachte 4] van haar bed gehaald, waarna [medeverdachte 1] met haar en [medeverdachte 4] naar boven is gelopen om geld te zoeken. De aangeefster zou in een kamer boven een tas hebben aangewezen waarin geld lag. Nadat de aangeefster terug was gebracht naar de slaapkamer zag [medeverdachte 1] dat beide aangevers ‘nee’ naar elkaar schudden. [medeverdachte 1] begreep daaruit dat er meer geld in de woning was dan de aangeefster had aangewezen. [medeverdachte 1] zou daarna naar boven zijn gegaan en daar grondig hebben gezocht. Er werd door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [verdachte] agressief gereageerd naar de aangeefster. Er werd geschreeuwd en [medeverdachte 2] zou de aangeefster met de platte hand in haar gezicht hebben geslagen. Ook zou [medeverdachte 2] aan de haren van de aangeefster hebben getrokken en is er glas kapot gegooid op de grond. [medeverdachte 1] heeft in het huis meerdere kleine stapeltjes met geld gevonden op verschillende plekken. In totaal is er zo’n € 10.000 gevonden. Er is iets meer dan € 2.000 per persoon buitgemaakt. Ook heeft [medeverdachte 1] een tweetal autosleutels gevonden, waarna besloten is de Audi A8 van de aangevers mee te nemen. [medeverdachte 1] is met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] in de Audi A8 van de aangevers gestapt en daarin zijn ook de buitgemaakte spullen geladen. Vervolgens is [medeverdachte 1] met drie andere personen in de Audi A8 van de aangevers naar een plek gereden vlakbij de woning, waar [medeverdachte 3] stond te wachten in een auto. [medeverdachte 2] heeft de Audi A8 van de aangevers bestuurd. Bij de auto van [medeverdachte 3] zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] bij [medeverdachte 3] ingestapt en zijn zij naar Lelystad gereden. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zijn in de Audi A8 naar Lelystad gereden. In Lelystad is het geld verdeeld bij een oud bedrijf waar ‘geschuild kon worden’. Dit bedrijf was in de buurt van de plek waar de portemonnee van de aangeefster is gevonden, welke door [medeverdachte 1] in het water is gegooid. Het geld is onder de vijf mannen verdeeld. Iedereen kreeg een gelijk deel. De sieraden zijn door [medeverdachte 1] meegenomen naar huis, maar uiteindelijk zoekgeraakt. [medeverdachte 3] heeft ‘niet met zoveel woorden’ tegen [medeverdachte 1] gezegd dat de tip dat er veel geld lag in de woning van aangevers van zijn vader afkomstig was. [medeverdachte 1] leidde dit af uit ‘de manier waarop [medeverdachte 3] het zei’. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij wist dat de vader van [medeverdachte 3] ‘een connectie was’ van de aangevers.\n\nVerklaringen van de aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]\n\nDe aangevers hebben verklaard dat zij lagen te slapen toen vier mannen hun slaapkamer betraden. De mannen droegen allen gezichtsmaskers en handschoenen. Twee mannen hadden een vuurwapen vast en hebben deze op de aangevers gericht. Eén man dreigde met een hamer te slaan en een ander was in het bezit van een luchtbuks, die aangever [slachtoffer 3] herkende als de zijne. De mannen riepen telkens om geld. De mannen bonden de handen en de voeten van de aangevers vast met tie-wraps. Aangever [slachtoffer 3] heeft meerdere keren een vuurwapen tegen het hoofd gezet gekregen. Aangeefster [slachtoffer 4] is aan haar haren van het bed getrokken en heeft twee klappen in haar gezicht gekregen. Uiteindelijk is – onder meer – een geldbedrag, een portemonnee, sieraden en een Audi A8 voorzien van het kenteken [kenteken 1] weggenomen.\n\nDNA-match [medeverdachte 2] op tie-wrapOp het bed van de aangevers zijn meerdere aan elkaar verbonden tie-wraps aangetroffen. Uit de bemonstering van een van deze tie-wraps (het deel tussen het uiteinde en het slotje) is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren verkregen. Het DNA-hoofdprofiel komt overeen met het DNA-profiel van aangever [slachtoffer 3] . Het DNA-nevenprofiel komt overeen met het DNA van [medeverdachte 2] . Van het DNA-nevenprofiel uit de bemonstering is het 13 miljoen keer waarschijnlijker dat [medeverdachte 2] de donor is dan wanneer dit niet zo is.\n\nHet hof is het met de rechtbank eens dat [medeverdachte 2] de donor is van het celmateriaal op het deel van de tie-wrap tussen het uiteinde en het slotje.\n\nRoute weggenomen Audi A8 met kenteken [kenteken 1] en de auto met het kenteken [kenteken 2]\n\nOp camerabeelden gemaakt op het terrein van de aangevers is te zien dat op 30 december 2020 omstreeks 02:37 uur een personenauto van het merk Audi die op het terrein stond geparkeerd, wegrijdt nadat om 02:36 uur drie personen zijn ingestapt in het voertuig. Het hof begrijpt dat dit – gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] – de Audi A8 van de aangevers betreft die is voorzien van het kenteken\n\n [kenteken 1] .\n\nHet kenteken [kenteken 1] is later die nacht twee keer vastgelegd door een ANPR-camera. Om 03:26 uur is de Audi A8 op de A27 ter hoogte van Nieuwegein geregistreerd en om 03:47 uur op de kruising van de N702 met de Polderdreef in Almere-Buiten. Op datzelfde tijdstip (03:47 uur) is door ANPR-camera’s een Audi A8 of S8 met het kenteken [kenteken 2] op diezelfde kruising in Almere-Buiten vastgelegd. Op de ANPR-foto is te zien dat het kenteken op de achterzijde van een personenauto is bevestigd, terwijl dat kenteken hoort bij een camper. Het kenteken [kenteken 2] blijkt eerder die nacht om 03:18 uur door een ANPR-camera te zijn vastgelegd op de A15 ter hoogte van Deil Oost (Gelderland). Uit raadpleging van Google Maps volgt dat dit punt ligt op een van de rijroutes vanaf Dreumel in de richting van de A2. De voertuigen zijn uiteindelijk samengekomen in Almere-Buiten.\n\nUit het dossier blijkt dat het kenteken [kenteken 2] aan [medeverdachte 3] is te koppelen, omdat hij op 24 december 2020 (ongeveer één week voor de overval) een voertuig met daarin twee kentekenplaten met het kenteken [kenteken 2] heeft opgehaald bij het beslaghuis. Uit de politiesystemen blijkt bovendien dat [medeverdachte 3] vanaf 12 december 2020 een Audi A8, voorzien van het kenteken [kenteken 3] , op zijn naam heeft staan. [medeverdachte 3] is op 23 december 2020 ook als bestuurder van deze auto gecontroleerd.\n\nHet hof begrijpt – gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] – dat de auto waarop het kenteken\n\n [kenteken 2] was bevestigd, de auto is geweest waarin [medeverdachte 3] heeft gereden op weg naar de overval en waar [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn ingestapt na de overval op weg naar Lelystad.\n\nLink tussen de aangevers en [medeverdachte 3]Uit het dossier blijkt dat de aangevers (goede) bekenden zijn van de vader van [medeverdachte 3] . Ook heeft de aangeefster [medeverdachte 3] in het verleden twee keer gezien en heeft zij verklaard dat haar man en de vader van [medeverdachte 3] elkaar al lang kennen. Dat [medeverdachte 3] de aangevers kent wordt ook bevestigd door een proces-verbaal dat is gevoegd in hoger beroep van 23 maart 2026. Uit dit proces-verbaal blijkt dat [medeverdachte 3] de aangever [slachtoffer 3] heeft gebeld op 17 maart 2026 naar aanleiding van de verklaring die [medeverdachte 1] heeft afgelegd bij de politie. [medeverdachte 1] heeft overigens ook verklaard dat de vader van [medeverdachte 3] ‘een connectie’ was van de aangevers. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij dacht dat de tip dat er € 100.000 in de woning lag van de vader van [medeverdachte 3] kwam, hoewel [medeverdachte 3] dit ‘niet met zoveel woorden’ tegen hem heeft gezegd.\n\nZendmastgegevens van [medeverdachte 3]Uit het politieonderzoek is gebleken dat [medeverdachte 3] ten tijde van de overval de gebruiker was van het telefoonnummer + [telefoonnummer] . Uit zendmastgegevens van dit telefoonnummer blijkt dat de telefoon van [medeverdachte 3] verschillende reisbewegingen heeft gemaakt die overeenkomen met het verloop van de overval. Zo straalt de telefoon eerst een zendmast aan die dekking geeft aan de woning van [medeverdachte 2] op 29 december 2020 van 20:54 uur tot 22:11 uur. Daarna maakt de telefoon een reisbeweging naar Amsterdam en straalt de telefoon van 23:23 uur tot 23:46 uur een zendmast aan die dekking geeft aan het adres waar [verdachte] ten tijde van de overval woonachtig was. In de nacht van 30 december 2020 om 00:52 straalt de telefoon een zendmast aan in Lith (Gelderland). Tijdens de overval heeft de telefoon geen verbindingen geregistreerd. Later straalt de telefoon zendmasten aan in Vianen (03:24 uur) en Almere (03:52 uur), locaties die naar voren zijn gekomen in de netwerkmeting uitgevoerd op de route Dreumel-Almere. Iets later die nacht straalt de telefoon een zendmast aan in Lelystad (van 04:43 uur tot 04:58 uur). Uiteindelijk maakt de telefoon vanaf 06:45 uur weer contact met zendmasten in de regio West-Friesland.\n\n [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] in Amsterdam is opgehaald op weg naar de overval door [medeverdachte 3] en dat zij vervolgens zijn doorgereden naar de woning in Dreumel. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij met [verdachte] na de overval weer bij [medeverdachte 3] is ingestapt en dat zij naar Lelystad zijn gereden. Volgens [medeverdachte 1] is het geld verdeeld in Lelystad vlakbij de locatie waar de portemonnee van de aangeefster later is teruggevonden. De zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 3] sluiten dus aan bij de verklaring van [medeverdachte 1] . De zendmastgegevens komen ook overeen qua tijdstip en locatie met de twee ANPR-registraties van de weggenomen Audi A8 van aangevers in Vianen (03:24 uur) en in Almere (03:52 uur).\n\nChatberichten voor en na de overval\n\nUit het telefoontoestel van [verdachte] heeft de politie een groot aantal chatberichten uit de applicatie WhatsApp veiliggesteld waarvan een deel was verwijderd. De politie heeft de verwijderde berichten kunnen herstellen, maar hierbij is wel de woordvolgorde ‘gescrambled’ (verwisseld).\n\nGeen van de verdachten heeft betwist de gebruiker te zijn van de door de politie aan hen toegeschreven telefoonnummers. Er is door de verdachten ook niet betwist dat zij de in het dossier opgenomen en aan hen toegeschreven chatberichten hebben verstuurd.\n\nVoorafgaand aan de overval hebben de verdachten verschillende gesprekken gevoerd over het aanschaffen van auto’s:\n\nop 4 december 2020 zegt [verdachte] dat een auto (“bak”) moet worden geregeld (“fixen”) en dat ze dan kunnen gaan “happen”.\n\nop 11 december 2020 laat [medeverdachte 3] weten dat hij een A8 kan ophalen voor € 3.000,00 (“3k”). [verdachte] zegt even later dat hij “ [bijnaam 1] ” heeft gesproken die met “ [bijnaam 2] ” was en dat het een goede prijs (“goeie”) is. [medeverdachte 3] schrijft “laat ze daarom wat regelen”, waarop [verdachte] antwoordt dat hij “ [bijnaam 1] ” heeft gezegd “opschieten”.\n\nop 13 december 2020 schrijft [medeverdachte 3] “die gaat nu naar m’n vader” en hij laat weten op een (andere) auto een aanbetaling te hebben gedaan, maar nog steeds een geldbedrag mist van “ [bijnaam 1] ”. [verdachte] schrijft “we gaat dat regelen met die snotaap”. [medeverdachte 3] antwoordt “ja want dan hebben we 7 serie en a8”. [verdachte] zegt “we hadden nu gewoon twee waggie” en “gaan we het allemaal van hem afhalen”. Het hof merkt hierbij op dat [medeverdachte 1] ook wel “ [bijnaam 2] ” wordt genoemd.\n\nHet hof begrijpt uit deze gesprekken dat er werd gesproken over de aankoop van de Audi A8 en de BMW 735i (7 serie) die vanaf 12 december 2020 (Audi A8) en 21 december 2020 (BMW 735i) op naam van [medeverdachte 3] hebben gestaan. [verdachte] was actief betrokken bij de aankoop van deze twee auto’s. Dit vindt bevestiging in de verklaring die [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. [verdachte] heeft verklaard dat deze berichten gingen over ‘het regelen van auto’s voor een klus en dat hij daar ook wat voor heeft gekregen’. Met ‘happen’ bedoelt [verdachte] – naar eigen zeggen – geld verdienen door het uitvoeren van ‘klussen’. De auto was volgens [verdachte] nodig om de klus te doen. De verklaring van [verdachte] bevestigt daarmee dat de auto’s niet voor [medeverdachte 3] persoonlijk bedoeld waren, maar dat deze geregeld moesten worden voor het uitvoeren van ‘klussen’ (het hof begrijpt: overvallen). Dit vindt ook steun in een chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] op 26 augustus 2021, waarin [medeverdachte 1] zegt – althans, zo begrijpt het hof het bericht – dat de Audi A8 op naam van [medeverdachte 3] “van ons allemaal is”.\n\nVoorafgaand aan de overval hebben de verdachten ook verschillende chatgesprekken gevoerd over de planning van de overval:\n\nop 21 december 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 3] of iedereen klaar (“ready”) is voor volgende week (“next week”) en zegt hij dat hij “honger” heeft. [medeverdachte 3] antwoordt “ik ook”. [verdachte] heeft hier ter terechtzitting in hoger beroep over verklaard dat met deze berichten werd bedoeld dat ‘iedereen geld wilde gaan verdienen met de klus’.\n\nop 22 december 2020 laat [verdachte] aan [medeverdachte 1] weten dat [medeverdachte 3] (“ [bijnaam 3] ”) “honger” heeft. [medeverdachte 1] antwoordt “jaa hij komt” en “die [persoon] zit toch vast”. [verdachte] zegt “we vertrouwen op hem”, “ik weet het” en “had hij me gezegt”.\n\nop 25 december 2020 schrijft [verdachte] naar [medeverdachte 2] dat maandag “aan” is, waarop [medeverdachte 2] antwoordt “zie je snel”. [medeverdachte 2] zegt “goede dingen”, wat [verdachte] bevestigt met dat hij “ready” is. [medeverdachte 2] zegt dan “nieuwe wagie ook daar”.\n\nop 28 december 2020 chat [medeverdachte 1] met zijn vriend [betrokkene 1] . De politie heeft dit gesprek aangetroffen op de telefoon van [betrokkene 1] . Deze berichten konden zonder dat de woordvolgorde is veranderd veilig worden gesteld. [betrokkene 1] schrijft dan “bigday”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt “jaa we gaan in de avond” en “hoop goed daar”.\n\nop 28 december 2020 schrijft [verdachte] naar [medeverdachte 3] dat vandaag de “big day” is, wat [medeverdachte 3] bevestigt. Om 17:51 uur stuurt [verdachte] een locatie naar [medeverdachte 3] “ [adres 6] ”, “grote parkeerplaats”. Om 18:52 uur zegt [medeverdachte 3] “morgen 100 procent”.\n\nop 29 december 2020 schrijft [medeverdachte 3] naar [verdachte] “vuurwerk vanavond”, wat [verdachte] bevestigt met “vanavond 100”. [medeverdachte 3] zegt “jackpot”. Om 17:19 uur kunnen [medeverdachte 3] en [verdachte] “ [bijnaam 8] ” niet bereiken. [verdachte] denkt dat hij misschien “bij zijn vrouwtje thuis” is. [medeverdachte 3] zegt dat “hij weet wat gaande is”. [verdachte] zegt “geen stress”. Om 21:07 uur laat [verdachte] weten dat hij nu naar Amsterdam gaat rijden. Om 23:05 uur geeft [verdachte] de locatie door “ [adres 6] ”. Om 23:16 uur zegt [medeverdachte 3] “ben er”, waarop [verdachte] antwoordt “wacht effe op me ik ga nu komen ”.\n\nHet hof begrijpt uit deze chatgesprekken dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in eerste instantie op maandag 28 december 2020 met elkaar hebben afgesproken en dat deze afspraak in het teken stond van geld verdienen door het uitvoeren van ‘een klus’ (het hof begrijpt: een overval). Het hof begrijpt uit de berichten dat de overval uiteindelijk niet is doorgegaan, omdat [medeverdachte 3] op 28 december 2020 om 18:52 uur schrijft ‘morgen 100 procent’. Dit blijkt ook uit de daarop volgende berichten van 29 december 2020 waarin wordt gesproken over ‘vuurwerk vanavond’. [verdachte] heeft overigens ook ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de berichten over vuurwerk gingen over ‘die klus’. Hij heeft van tevoren over ‘die overval’ gesproken. De berichten van 29 december 2020 tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] komen ook overeen met de zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 3] en de verklaring van [medeverdachte 1] , die heeft verklaard dat [verdachte] onderweg naar de overval in Amsterdam is opgehaald.\n\nIn de periode kort na de overval zijn er ook verschillende chatgesprekken geweest die naar het oordeel van het hof verband houden met de overval in Dreumel:\n\nop 30 december 2020 om 10:49 uur schrijft [medeverdachte 1] aan [betrokkene 1] “ben net ene uur terug maar lag er niet iedereen 2 kop per man” en “hij had het echt niet”. Om 18:20 uur stuurt [medeverdachte 1] een schermafbeelding van een chatgesprek met ‘ [bijnaam 3] ’ (het hof begrijpt [medeverdachte 3] ), waarin staat geschreven “ik moet zo met me pa naar die man dus niemand moet me appen tot gehoor van mij snap je”. [medeverdachte 1] schrijft “die man heeft vermoedens”. [betrokkene 1] vraagt “kende hij jullie”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt “neee”.\n\nop 30 december 2020 vanaf 18:34 uur probeert [verdachte] contact te leggen met [medeverdachte 4] . [verdachte] schrijft “die [bijnaam 3] heeft ons nodig man” en “we moeten deze man gaan helpen”.\n\nop 30 december 2020 om 23:27 uur stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 3] een locatie “ [adres 7] ” en “ [plek] ”, waarop [medeverdachte 3] om 23:31 uur antwoordt “ben er”.\n\nop 2 januari 2021 om 14:34 uur laat [medeverdachte 3] aan [verdachte] weten dat de afspraak is om vanavond met zijn vader te gaan. [verdachte] zegt te willen bespreken “hoe we dit moeten aanpakken”. [medeverdachte 3] schrijft “ben ik op anpr gehit” en zegt “moet straks andere nummerborde klemmen”. [verdachte] zegt “doe dat” en “laat me weten”.\n\nop 2 januari 2021 om 18:46 uur schrijft [medeverdachte 1] aan [betrokkene 1] “hele gedoe met deze torrie man”. Als [betrokkene 1] vraagt “hoezo”, antwoordt [medeverdachte 1] “ [bijnaam 3] ze vader is bedreigt met gannu” en “die vader van [bijnaam 3] zeg hij heeft daar ligge”.\n\nHet hof begrijpt uit deze berichten dat er na de overval problemen zijn ontstaan tussen de aangevers en (de vader van) [medeverdachte 3] . De berichten zijn relatief kort na de overval gestuurd en sluiten aan bij wat zich – zoals uit het dossier blijkt – na de overval heeft afgespeeld. Aangever [slachtoffer 3] heeft direct na de overval aan de politie ter plaatse verteld dat hij vrijwel zeker wist wie één van de verdachten was. De volgende dag heeft aangever [slachtoffer 3] aan de politie laten weten dat dit vermoeden ziet op [medeverdachte 3] (“de zoon van [vader medeverdachte 4] ”). Aangever [slachtoffer 3] is in de avond van 30 december 2020 naar Noord-Holland gereden om zijn vermoeden met [vader medeverdachte 4] te bespreken en naar [medeverdachte 3] op zoek te gaan. Op 30 december 2020 om 21:56 uur vraagt [vader medeverdachte 4] via de chat aan [medeverdachte 3] om naar huis te komen , zodat zij samen naar aangever [slachtoffer 3] (“mijn naamgenoot”) kunnen gaan. [medeverdachte 3] antwoordt op diezelfde dag om 22:01 uur “morgen gaan we erheen”. Het bericht van [medeverdachte 1] ‘dat het er niet lag’ en dat er ‘2 kop de man’ was sluiten bovendien aan bij de verwachting van alle verdachten dat er € 100.000 in de woning zou liggen en dat ze uiteindelijk ongeveer € 2.000 per persoon hadden gekregen.\n\nHet hof komt tot de conclusie dat de hierboven opgenomen chatberichten allemaal verband houden met de overval in Dreumel. Daarbij merkt het hof op dat [verdachte] in hoger beroep heeft verklaard dat – in elk geval – een gedeelte van de berichten gingen over het regelen van auto’s voor de overval en de wens om geld te verdienen met ‘een klus’ (het hof begrijpt: een overval). De berichten sluiten ook aan bij de verklaring van [medeverdachte 1] en hetgeen hierboven verder is opgenomen over de andere bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden.\n\nConclusie ten aanzien van het bewijs\n\nHet hof komt tot de conclusie dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de overval in Dreumel hebben gepleegd en dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan diefstal met (bedreiging van) geweld op grond van:\n\nde verklaringen die [medeverdachte 1] en [verdachte] in hoger beroep hebben afgelegd;\n\nde verklaringen van de aangevers;\n\nde conclusie dat [medeverdachte 2] de donor is van het celmateriaal op het deel van de tie-wrap tussen het uiteinde en het slotje;\n\nde route van de gestolen Audi A8 en de personenauto met het kenteken [kenteken 2] die te koppelen is aan [medeverdachte 3] ;\n\nde link tussen de aangevers en [medeverdachte 3] ;\n\nde zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 3] ;\n\nde chatberichten die hierboven zijn opgenomen.\n\nVolgens de raadslieden van [verdachte] is er geen bewijs dat [verdachte] daadwerkelijk bij de overval aanwezig is geweest. Hij heeft voorafgaand aan de overval wel afgesproken met [medeverdachte 3] , maar hij is enkel betrokken geweest bij het regelen van een voertuig voor de overval en hij is niet meegegaan.\n\nHet hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat [verdachte] wél aanwezig is geweest bij de overval en dat hij daaraan heeft deelgenomen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] bij de overval aanwezig is geweest. Daarbij komt dat [verdachte] zich ook kort na de overval bezig houdt met de problemen die zijn ontstaan tussen de aangevers en [medeverdachte 3] . Zo stuurt hij op 30 december 2020 aan [medeverdachte 4] (die ook bij de overval aanwezig was) dat ze ‘ [bijnaam 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) moeten helpen’. Op 30 december 2020 spreekt [verdachte] nog laat op de avond af met [medeverdachte 3] . Op 2 januari 2021 houdt [medeverdachte 3] [verdachte] nog op de hoogte van het verdere verloop en schrijft [verdachte] te willen bespreken ‘hoe we dit moeten gaan aanpakken’. De verklaring van [medeverdachte 1] en de chatberichten na de overval passen niet goed bij het scenario dat [verdachte] niet is meegegaan naar de overval. Dat er geen zendmastgegevens zijn die [verdachte] in Dreumel plaatsen maakt dit niet anders, omdat uit het dossier blijkt dat het voor de verdachten gebruikelijk was om hun telefoon uit te zetten tijdens een overval. [medeverdachte 1] heeft dit ook bevestigd ter terechtzitting in hoger beroep. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij zijn telefoon ‘elke keer uit deed als er wat gebeurde om zijn locatie niet aan te geven’. [verdachte] heeft overigens ter terechtzitting in hoger beroep ook verklaard dat hij zijn telefoon wel eens bewust uitzette. Hij heeft verklaard dat hij zijn telefoon op vliegtuigmodus heeft gezet zodat hij kon voorkomen dat later gezien kon worden waar hij geweest was.\n\nMedeplegen\n\nHet hof stelt – mede gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] – vast dat [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tijdens de overval in de woning in Dreumel aanwezig waren en dat [medeverdachte 3] de bestuurder van de vluchtauto was. Dit komt overeen met de verklaring van de aangevers, die hebben verklaard dat er vier mannen in hun slaapkamer stonden. Het hof stelt verder vast dat de daders in de slaapkamer hebben gestaan met wapens. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn vervolgens met de aangeefster [slachtoffer 4] naar boven gegaan om geld te zoeken. De kleine overvaller die volgens de aangeefster aan haar haren heeft getrokken en haar in het gezicht heeft geslagen is [medeverdachte 2] geweest, zoals ook door [medeverdachte 1] is bevestigd.\n\nHet hof leidt hieruit af dat alle verdachten een eigen rol hadden tijdens de overval. [medeverdachte 1] heeft – naar eigen zeggen – via het raam de toegang tot de woning verschaft en (al dan niet met [medeverdachte 4] en de aangeefster) gezocht naar geld. [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben bij de slachtoffers gestaan. Nu uit de verklaringen van aangevers blijkt dat er toen wapens waren en dit ook door [medeverdachte 1] wordt bevestigd, gaat het hof er van uit dat [medeverdachte 4] en [verdachte] (in elk geval) toen in de slaapkamer de wapens hadden. [medeverdachte 2] was ook in de woning aanwezig en heeft geweld tegen de aangeefster gebruikt. [medeverdachte 3] heeft als bestuurder van de vluchtauto opgetreden.\n\nDaar komt bij dat de verdachten voorafgaand aan de overval al met elkaar hebben afgestemd wanneer de overval zou plaatsvinden en hebben zij daartoe de nodige voorbereidingen getroffen. [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben zich voor de overval actief bezig gehouden met het regelen van een (vlucht)auto voor de overval. [medeverdachte 3] heeft ook valse kentekenplaten geregeld voor de (vlucht)auto. [verdachte] heeft bovendien verklaard dat er voorafgaand aan de overval dingen met hem waren besproken over de overval. Er was dus sprake van een vooraf voor alle verdachten duidelijk plan en de verdachten hebben in die wetenschap gehandeld.\n\nDe verdachten zijn nadat zij plannen hadden gemaakt voorafgaand aan de overval vanuit Noord-Holland naar de woning in Dreumel gereisd. Na de overval zijn de verdachten in twee voertuigen, waaronder de Audi A8 van de aangevers weggereden om de buit te verdelen. Hierbij heeft iedereen een gelijk deel gekregen van de buit. Dit blijkt zowel uit chatberichten (‘iedereen 2 kop per man’) als ook uit de verklaring van [medeverdachte 1] .\n\nHet verweer van de verdediging dat er sprake is van een onvoldoende materiële bijdrage om van medeplegen te spreken, wordt door het hof verworpen. Behalve zijn betrokkenheid in de voorbereiding; in de voorfase, heeft hij ook een actieve en essentiële rol gehad tijdens de overval en ook na de overval was hij aanwezig bij het verdelen van de buit en was hij actief bezig met de problemen die waren ontstaan tussen de aangevers en [medeverdachte 3] . Dit duidt naar het oordeel van het hof op een bedrage die van voldoende gewicht is geweest voor de kwalificatie medeplegen.\n\nOp grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde is van dusdanig gewicht geweest dat deze moet worden aangemerkt als medeplegen. Het hof acht daarmee het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld bewezen.\n\n6.2.3. Zaaksdossier Zwenkau\n\nOp 7 januari 2021, een week na de overval in Dreumel, wordt een woning overvallen in Avenhorn. Voor deze overval worden alle vier de verdachten vervolgd: [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft betoogd dat de verdachte voor betrokkenheid als medepleger van zowel de poging gekwalificeerde doodslag als het medeplegen van diefstal met geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend kan worden veroordeeld.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] van beide feiten moet worden vrijgesproken.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot een bewezenverklaring van medeplegen van diefstal met geweld is gekomen in de zaken tegen [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] en verenigt zich met die beslissingen. Ook de daaraan ten grondslag liggende overwegingen neemt het hof voor een groot deel over. Gelet op het verhandelde in hoger beroep heeft het hof op enkele punten in de overwegingen van de rechtbank een nuancering en aanvulling opgenomen. Het hof komt anders dan de rechtbank tot de conclusie dat niet is vast te stellen wie de schutter van de geloste schoten is geweest.\n\nDoor het hof vastgestelde feiten en omstandigheden\n\nOp grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.\n\nIn de nacht van 7 januari 2021 heeft rond 01:30 uur in een woning aan [adres 3] in Avenhorn een gewapende woningoverval plaatsgevonden, waarbij onder meer contant geld, een portemonnee met inhoud en autosleutels zijn weggenomen. Aangever [slachtoffer 6] is edelsmid van beroep en heeft een werkplaats aan huis. [slachtoffer 6] en zijn partner [slachtoffer 5] lagen te slapen toen drie mannen met bivakmutsen de woning betraden. Twee van de daders hadden een vuurwapen. [slachtoffer 6] heeft in zijn slaapkamer met de overvallers gevochten en is onder andere op zijn hoofd geslagen met een hard voorwerp. Tijdens het gevecht met een van de overvallers heeft [slachtoffer 6] hem hard in een van zijn vingers gebeten. [slachtoffer 5] is haar partner komen helpen en heeft ook met de overvallers gevochten. Toen [slachtoffer 5] haar partner [slachtoffer 6] wilde helpen, is een van de overvallers met een wapen op haar afgekomen. Hij heeft een vuurwapen tegen haar hals gedrukt en heeft geschoten.\n\nGebleken is dat [slachtoffer 5] een groot gat in haar hals had en dat sprake was van een schotwond. Uit het dossier, de toelichting op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] en de slachtofferverklaring zoals die ten overstaan van het hof is afgelegd blijkt dat [slachtoffer 5] tot op heden – onder meer – een blijvende tinnitus heeft opgelopen. De schotwond in de hals en de blijvende tinnitus zijn naar het oordeel van het hof te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 Sr.\n\nDe verdachten zijn met een BMW gekomen en na de overval ook weer in die BMW vertrokken. Deze BMW was door [medeverdachte 3] en [verdachte] geregeld en werd door [medeverdachte 3] bestuurd.\n\nVerklaring [medeverdachte 1]\n\n heeft verklaard dat hij voor de overval al wist van het plan. Dit heeft hij ook besproken met zijn vriend [betrokkene 1] . Op de dag zelf was hij bij [medeverdachte 2] thuis en daar heeft hij [verdachte] gezien, [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 3] . Rond een uur of half een (’s-nachts) zijn zij naar woning in Avenhorn gereden. Zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] hadden een schroevendraaier bij zich. [verdachte] en [medeverdachte 4] hadden een wapen mee. [medeverdachte 4] had een wapen van het merk Smith en Wesson mee. [verdachte] had de CZ. Deze had hij ten tijde van de overval ook in zijn handen. [medeverdachte 2] heeft met de mannelijke bewoner gevochten en de mannelijke bewoner heeft [medeverdachte 2] in een van zijn vingers gebeten. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] de mannelijke bewoner met een lamp geslagen. [medeverdachte 1] heeft een schot gehoord. Hij denkt dat [verdachte] heeft geschoten. Ze waren met de BMW van [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) gekomen en met die auto zijn ze ook weer vanaf de woning in Avenhorn vertrokken. [medeverdachte 3] was de bestuurder. Voor de overval was er een voorbespreking bij [medeverdachte 2] geweest. Er zou daar (in de woning in Avenhorn) goud zijn en mogelijk ook cash. Het ging om iemand die professioneel met goud bezig was: een goudsmid aan huis.\n\nHet hof is – zoals hiervoor is overwogen – van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] voor het bewijs gebezigd kunnen worden.\n\nDat [medeverdachte 2] door de mannelijke bewoner in zijn vinger is gebeten wordt bevestigd door de verklaring van zijn ex-partner [getuige 1] . Zij heeft ten overstaan van de politie verklaard dat [medeverdachte 2] op een avond ‘toen hij iets ging doen’ in zijn vinger is gebeten. Zij heeft de vinger verzorgd. Dit heeft zij ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd. Dat de verklaring van [getuige 1] naar het oordeel van het hof voor het bewijs gebruikt kan worden is hiervoor al overwogen.\n\nDat [medeverdachte 2] ten tijde van deze woningoverval in zijn vinger is gebeten leidt het hof af uit het volgende. Volgens [getuige 1] was [medeverdachte 2] in zijn vinger gebeten toen ze ‘met zijn allen op pad gingen’. De ‘ [bijnaam 4] ’ belde via video de volgende dag en had toen ook zijn rug bezeerd, zo heeft zij verklaard.\n\n [verdachte] was in die periode woonachtig in [stad] . Uit berichtenverkeer (Telegram) tussen [verdachte] en zijn ex-partner [getuige 6] op 8 januari 2021 en informatie van de huisarts van [verdachte] van 15 januari 2021 en zijn verklaring ten overstaan van de politie op 25 mei 2022 leidt het hof af dat [verdachte] toen letsel aan zijn ribben had en dat hij over dit letsel in het videogesprek met [medeverdachte 2] sprak waarover [getuige 1] heeft verklaard.\n\nOp grond hiervan concludeert het hof dat het letsel aan de vinger van [medeverdachte 2] door een beet is ontstaan op 7 januari 2021.\n\nVerklaring [verdachte]\n\nTen overstaan van het hof heeft [verdachte] verklaard dat de berichten op 6 januari 2021 in de avond erover gingen dat [medeverdachte 1] hem vroeg of hij ( [verdachte] ) hem ( [medeverdachte 1] ) kon ophalen. Eerder was gesproken over een klus bij een goudsmid. Er waren meerdere personen aanwezig bij die bespreking. Met hem werd gesproken over hoe ze het ongeveer wilden doen. Ook werd er besproken of er goud, ‘goldies’ aanwezig zou zijn. De bedoeling was dat een paar mensen naar binnen zouden gaan om het goud te halen. Er zou een BMW gebruikt worden. Hij zou meedelen in de buit. Het gesprek over ‘cz bro’ gaat over een wapen. Er werd een vraag over een wapen gesteld. Hij kende mensen die in wapens handelen.\n\nDat [verdachte] die avond in Noord-Holland was leidt het hof af uit het feit dat uit ARS-gegevens is op te maken dat een voertuig (Audi A2) met kenteken [kenteken 6] , op 6 januari 2021 rond 23:40 uur (dus in de uren voorafgaand aan de overval in Avenhorn) over de N242, vanaf de [adres 26] in Alkmaar in de richting van Heerhugowaard\u002FBroek op [adres 25] rijdt. Dit voertuig stond op naam van de moeder van [verdachte] , maar werd ook door hem gebruikt. Het hof meent dat dit feit in combinatie met de berichtenuitwisselingen en de verklaring van [medeverdachte 1] de conclusie rechtvaardigt dat [verdachte] die avond naar Noord-Holland is gekomen en mee is gegaan naar Avenhorn.\n\nVerklaring [betrokkene 1]\n\n heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld over de overval in Avenhorn op een goudsmid, dat [medeverdachte 1] daarbij betrokken was, dat [medeverdachte 1] mee naar binnen is gegaan, dat er is geschoten en dat hij heeft gehoord dat er iemand in zijn vinger is gebeten.\n\nDeze verklaring van [betrokkene 1] wordt onderbouwd door chatgesprekken tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] uit die periode.\n\nBerichtenuitwisselingenIn de telefoon van [verdachte] bevinden zich berichten die zijn uitgewisseld tussen de verdachten en tussen de verdachten en anderen, die naar het oordeel van het hof gaan over de woningoverval in Avenhorn. Zo zijn er berichten over ‘goud’, ‘gol(d)(ies)’ en ‘goudsmit’.\n\nAangever [slachtoffer 6] is edelsmid van beroep en hij had een werkplaats aan huis, met een kluis met daarin zijn voorraad goud en zilver. In berichtenuitwisselingen eind december 2020, begin januari 2021 wordt gesproken over goud, gol en goldies. Zo zegt [medeverdachte 8] (een bekende van de verdachten) tegen [verdachte] op 20 december 2020: “Morgen of overmorgen ga ik die ene” (…) “die Goud”. [verdachte] zegt dan “Is cool, check hem goed”. Op 23 december 2020 zegt [medeverdachte 2] tegen [verdachte] : “up ook niet wat goldies dan doen”. Op 3 januari 2021 zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 4] : “ [bijnaam 9] gaan we die gol doen”. Het hof gaat ervan uit dat waar er in deze berichten wordt gesproken over ‘die Goud’, ‘Goldies’ en ‘Gol’, dat er dan wordt gesproken over ‘de goudsmid’, refererend aan het beroep van [slachtoffer 6] . Voor deze interpretatie ziet het hof overtuigend bewijs in de berichtenuitwisseling door [medeverdachte 1] op 6 januari 2021 waarin hij expliciet de benaming goudsmid gebruikt, in combinatie met de term ‘goldies’. Hij zegt namelijk tegen [betrokkene 1] dat hij vanavond “een goeie torri heeft, bij goldies goudsmit in osso”. Het hof begrijpt dit bericht zo dat [medeverdachte 1] hier spreekt over een overval (torri) op een goudsmid in huis (in osso), welke overval dus ook daadwerkelijk die nacht heeft plaatsgevonden.\n\nDe verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben verklaard dat de chats over hasj gaan. Gelet op het voorgaande en in het bijzonder de verklaring van [medeverdachte 1] wordt deze verklaringen als ongeloofwaardig terzijde gesteld.\n\nMedeplegen\n\nUit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de drie daders zijn geweest die (in elk geval) de woning van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] in Avenhorn zijn binnengegaan en dat [medeverdachte 3] de bestuurder van de vluchtauto is geweest. Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] blijkt dat er voorafgaand aan de overval een overleg heeft plaatsgehad waarin het plan om de woning te overvallen is besproken. Dit blijkt eveneens uit de berichtenuitwisselingen die hebben plaatsgevonden.\n\n [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben samen het plan opgevat om de woning te overvallen, zij zijn gezamenlijk naar de woning toegegaan en vervolgens zijn midden in de nacht in elk geval [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en mogelijk [medeverdachte 4] met in ieder geval twee vuurwapens de woning binnen gegaan.\n\nDaarmee hebben zij nauw en bewust samengewerkt om de bewoners in de slaapkamer ‘onder controle te houden’ en de buit mee te nemen. Zij hebben dan ook allen een rol van voldoende gewicht gehad bij de gezamenlijke uitvoering van de woningoverval en kunnen om die reden als medepleger van de woningoverval worden aangemerkt.\n\nTen aanzien van [medeverdachte 3] overweegt het hof nog het volgende. Voorafgaand aan de woningoverval in Avenhorn hadden al drie overvallen plaatsgevonden: de woningoverval in De Goorn op 8 augustus 2020, de overval op het tankstation in Nieuwe Niedorp op 9 augustus 2020, de woningoverval in Dreumel op 30 december 2020 en dan een week later deze overval. In alle gevallen treedt [medeverdachte 3] op als chauffeur en regelt hij de vluchtauto. Bovendien blijkt uit wat ten aanzien van deze andere overvallen is overwogen dat [medeverdachte 3] meedeelde in de buit en ook bij de voorbesprekingen aanwezig was. Gelet op zijn rol bij die overvallen en wat ten aanzien van deze overval hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat ook zijn rol als die van medepleger kan worden gekwalificeerd.\n\nSchutterUit de verklaring van mevrouw [slachtoffer 5] volgt dat een van de overvallers met een wapen op haar af is gekomen. Hij heeft een vuurwapen tegen haar hals gedrukt en heeft geschoten. Uit deze verklaring begrijpt het hof dat dit de door haar geduide ‘tweede overvaller’ is geweest. Deze persoon zou tussen de 1.74 en 1.77 meter lang zijn geweest, tussen de 20 en 25 jaar en droeg gezichtsbedekking. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat zowel [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 4] als hijzelf in de woning zijn geweest. Op grond van de verklaringen van [slachtoffer 5] , in het bijzonder de kenmerken van de schutter die zij noemt, en de omstandigheid dat meerdere verdachten in de woning\u002Fslaapkamer zijn geweest, komen naar het hof meerdere verdachten in aanmerking voor de vaststelling de schutter te zijn geweest. Immers zowel [verdachte] en [medeverdachte 1] en mogelijk ook nog een derde verdachte passen binnen de vaststellingen die het hof kan doen.\n\nGelet hierop concludeert het hof dat het niet mogelijk is om vast te stellen wie de schutter is geweest. Wel kan worden vastgesteld dat een van de aanwezige daders hiervoor verantwoordelijk is.\n\nConclusieHet hof komt op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] betrokken zijn geweest bij de gewelddadige woningoverval in Avenhorn en dat dit gekwalificeerd kan worden als medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.\n\nGekwalificeerde doodslag\n\nAan de verdachten is ook het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag ten laste gelegd. Deze verdenking geldt in hoger beroep nog voor de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] . Het hof maakt eerst enkele algemene opmerkingen over de eisen die de wet stelt aan een bewezenverklaring van gekwalificeerde doodslag. Vervolgens licht het hof toe waarom voor de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] in het zaaksdossier Zwenkau aan die eisen is voldaan.\n\nDe wet spreekt van (een poging tot) gekwalificeerde doodslag als er sprake is van (een poging tot) doodslag die is gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een ander strafbaar feit. Voor een bewezenverklaring van een poging gekwalificeerde doodslag moet allereerst worden bewezen dat verdachten opzettelijk een ander van het leven hebben proberen te beroven. Onder ‘opzettelijk’ wordt ook begrepen ‘voorwaardelijk opzet’. Dat betekent dat de verdachten niet per sé de uitdrukkelijke bedoeling hoeven te hebben gehad om iemand van het leven te beroven, maar dat het voldoende is als zij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer van het leven zou worden beroofd.\n\nTen tweede moet de (poging tot) doodslag zijn gepleegd met het oogmerkom dat andere strafbare feit voor te bereiden, te vergemakkelijken of om – bij betrapping op heterdaad – aan zichzelf of anderen straffeloosheid of bezit van het wederrechtelijke verkregene te verzekeren. Anders verwoord: de (poging tot) doodslag moet worden gepleegd met een specifiek doel.\n\nHet hof zoomt voor de verdachten in deze zaak hierna in op beide elementen (opzet en oogmerk).\n\nOpzetOp grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachten de woning zijn binnengedrongen met de intentie [slachtoffer 5] van het leven te beroven. Het opzet van de verdachten was erop gericht een overval te plegen en de inhoud van een kluis, geld en waardevolle goederen te bemachtigen. Dat blijkt uit de wijze van binnentreden, uit het feit dat zij (nadat met het vuurwapen is geschoten) de woning beneden nog hebben doorzocht en de verdachten voortdurend hebben geroepen: ‘Waar is het geld’, ‘We willen het grote geld’, ‘We willen geld van achteren’. Er is dus geen sprake van zogenoemd ‘vol’ opzet op de dood van [slachtoffer 5] .\n\nVoorwaardelijk opzetVervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 5] . De verdachten zijn de woning binnengedrongen terwijl twee van hen een vuurwapen in de hand hadden. Ook bij eerdere overvallen hadden de verdachten een vuurwapen bij zich. Bij een woningoverval, zeker op een tijdstip in de nacht, bestaat de aanmerkelijke kans dat de bewoners thuis zijn en zich tegen dat binnendringen zullen verzetten. Reeds door een vuurwapen direct bij de hand te hebben waarbij het, gelet op de verklaring van [slachtoffer 5] over het moment waarop moet zijn geschoten, aannemelijk is dat dit wapen was doorgeladen, hebben de verdachten zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat bij verzet het vuurwapen zou worden gebruikt en (een) bewoner(s) daardoor zodanig ernstig gewond zou(den) raken dat de dood het gevolg zou kunnen zijn. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat schotwonden onder omstandigheden de dood tot gevolg kunnen hebben. Bij [slachtoffer 5] is het wapen tegen haar hals gedrukt waarna zij in de hals is geschoten. Algemene ervaringsregels leren dat de hals een kwetsbaar deel van het lichaam is, omdat zich daarin de luchtpijp en (slag)aders bevinden, waar op vrij eenvoudige wijze dodelijk letsel kan worden toegebracht. Door in de nacht de woning met vuurwapens (waarvan er ten minste één was doorgeladen) binnen te dringen, hebben de verdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij verzet het vuurwapen zou worden gebruikt.\n\nOogmerkOok kan bewezen worden verklaard dat de verdachten deze poging tot doodslag hebben gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van de overval gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en de andere deelnemers straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Dit blijkt immers uit het feit dat het schot is gelost toen zij na het binnendringen van de woning op weerstand stuitten. Nadat deze weerstand was gebroken door [slachtoffer 5] neer te schieten, zijn de verdachten blijven zoeken naar en roepen om waardevolle goederen en hebben zij onder meer de portemonnee en autosleutels van [slachtoffer 6] meegenomen.\n\nConclusieHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag.\n\nHet hof merkt verder op dat hierbij sprake is geweest van eendaadse samenloop met het medeplegen van de diefstal met (bedreiging met) geweld, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Dat betekent dat de gedragingen van de verdachten weliswaar twee strafbare feiten opleveren maar dat de verdachten in wezen één verwijt wordt gemaakt nu het gaat om dezelfde handelingen die op dezelfde tijd en plaats plaatsvonden.\n\n6.2.4. Zaaksdossier Zulpich\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het bewijs daarvoor volgt uit:\n\nde aangiftes;\n\neen vluchtauto die gekoppeld kan worden aan [medeverdachte 3] ;\n\nverschillende chatberichten voor en na de overval die tussen de verdachten zijn uitgewisseld en die verband houden met de overval;\n\nde aanwezigheid van [verdachte] en [medeverdachte 5] voorafgaand aan de overval in de woning van [medeverdachte 2] ;\n\nde aanwezigheid van [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] voor en na de overval;\n\neen foto van [medeverdachte 5] met een wapen die vlak voor de overval is gemaakt en waarbij het wapen overeenkomt met het wapen dat bij de overval is gebruikt;\n\nhet aantreffen van de weggenomen autosleutel op de vluchtroute;\n\nde verklaring van [medeverdachte 11] ;\n\ncamerabeelden.\n\nDaar komt bij dat [medeverdachte 1] in hoger beroep een verklaring heeft afgelegd die de bovenstaande bewijsmiddelen bevestigt.\n\nHet is volgens het Openbaar Ministerie niet aannemelijk dat [verdachte] wel wist van de overval, maar dat hij niet is meegegaan.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.\n\nOordeel van het hof\n\nZaaksdossier Zulpich gaat over een woningoverval in Heerhugowaard in de nacht van 4 juni 2021.\n\nHet hof is net als de rechtbank van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 3] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank grotendeels overnemen en daar aanvullen waar nodig met verklaringen van de verdachten en bewijsmiddelen die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd.\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nVerklaring [medeverdachte 1] in hoger beroep\n\n [medeverdachte 1] heeft in hoger beroep bij de politie en ter terechtzitting als getuige verklaard dat hij wist van de overval, maar dat hij er niet bij aanwezig is geweest. [medeverdachte 1] is wel een week voor de overval op locatie geweest, maar de overval is toen niet doorgegaan omdat er politie kwam aanrijden. [medeverdachte 1] zou achteraf over de overval hebben gehoord in restaurant [eetgelegenheid] (het hof begrijpt: eetgelegenheid [eetgelegenheid] in Opmeer). [medeverdachte 1] heeft gehoord dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , ‘ [medeverdachte 6] ’ en [medeverdachte 3] betrokken waren bij de overval. [medeverdachte 3] was de bestuurder van de auto waarmee naar de overvallocatie is gereden en waarmee na de overval weer is gevlucht. [medeverdachte 1] heeft gehoord dat er € 200 per persoon is buitgemaakt.\n\nVerklaringen van de aangevers [slachtoffers 7 en 8] en [slachtoffer 8]\n\nDe aangevers hebben verklaard dat in de nacht van 4 juni 2021 vijf mannen met bivakmutsen hun woning zijn binnengekomen. De overvallers hebben daartoe het rooster van het lichtvenster van de garage verwijderd en het uitzetraam opengebroken, waarna één van de overvallers naar binnen is geklommen en toegang heeft verleend aan de andere overvallers. Tenminste twee van hen hadden een vuurwapen en één van hen had een koevoet. Een van de wapens had een demper. De aangevers zijn vastgebonden en geblinddoekt. De aangever [slachtoffer 7] is meermaals geslagen met de koevoet. Zijn vrouw, [slachtoffer 8] , is bedreigd met een vuurwapen. Hun zoon, [slachtoffer 9] , is ook met de koevoet geslagen. Er is ook een hete strijkbout op de bovenarm van de zoon nabij de schouder gezet, waardoor een tweede en derdegraads brandwond is ontstaan. De overvallers zijn in de auto van de aangevers weggereden, een Audi Q7 met kenteken [kenteken 4] . Van de aangevers zijn ook een telefoon en een geldbedrag weggenomen.\n\nCamerabeeldenUit forensisch onderzoek is gebleken dat een hek van gaas op het bedrijventerrein waar de woning van de [familie slachtoffers 7, 8 en 9] \u002F [slachtoffer 8] zich bevindt naar beneden is gedrukt. Op deze manier is het mogelijk geweest voor de overvallers het bedrijventerrein te betreden en naar de achterzijde van de woning te lopen.\n\nOp camerabeelden van een bedrijf gevestigd op het bedrijventerrein is te zien dat omstreeks 02:32 uur een auto van het type Sedan het parkeerterrein van een naastgelegen bedrijf oprijdt. Omstreeks 02:33 uur zijn vijf personen te zien die in de richting van het hekwerk lopen. Uit de camerabeelden kan worden afgeleid dat één persoon in de auto achterblijft, omdat er af en toe licht brandt in of bij de auto. Omstreeks 03:58 uur komt er van rechts een auto aangereden die stopt bij de geparkeerde auto. Omstreeks 03:59 uur is te zien is dat één persoon naar de passagierszijde van de geparkeerde auto loopt en dat de verlichting van de auto aangaat. Omstreeks 04:00 uur rijdt de auto weg. De andere auto rijdt er achteraan.\n\nUit de camerabeelden blijkt dus dat één persoon in de auto heeft gewacht op de andere overvallers. Dit komt overeen met de verklaring van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] de bestuurder is geweest bij deze overval.\n\nHet hof gaat ervan uit dat de geparkeerde auto op de beschreven beelden de auto betreft waarmee de overvallers met [medeverdachte 3] als bestuurder naar de plaats van het delict zijn gereden. De tweede auto is de gestolen Audi Q7 van [slachtoffer 7] . Het hof betrekt daarbij dat de aangever [slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat zijn gestolen auto wegreed in de richting van [adres 25] . Later zag hij van links weer twee auto’s aankomen, die vlak achter elkaar reden. De achterste auto herkende hij aan het kenteken als zijn eigen auto.\n\nAantreffen Audi Q7 aan de [adres 8] in Winkel\n\nKort na de overval is de gestolen auto van de [familie slachtoffers 7, 8 en 9] teruggevonden aan de [adres 8] in Winkel. Uit de getuigenverklaring van [getuige 7] volgt dat deze auto daar is geparkeerd en dat een groep jongens in een grijze personenauto, type Sedan zijn weggereden. De vluchtauto reed met hoge snelheid weg in oostelijke richting. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij denkt dat een grijze auto is gebruikt. Het zou kunnen dat het een Sedan was. Het hof merkt daarbij op dat op de hierboven beschreven camerabeelden gemaakt van het terrein van de aangevers ook een grijze sedan te zien is. De auto die is gezien door [getuige 7] komt dus qua type overeen met de auto die is gezien op de camerabeelden.\n\nVluchtauto\n\nOp camerabeelden van de [adres 8] in Winkel van 4 juni 2021 vanaf 04:08 uur is een Volvo C70 Coupe uit de jaren 1998-2005 te zien. De politie herkent deze auto als de vluchtauto. Uit onderzoek van de politie blijkt dat deze auto aan [medeverdachte 3] kan worden gekoppeld. In die periode had [medeverdachte 3] zo’n auto op zijn naam staan en uit foto’s opgeslagen in zijn telefoon blijkt dat hij deze auto ook gebruikte in de periode rondom de overval. [medeverdachte 3] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat ‘het waarschijnlijk wel zo is’ dat deze auto van hem is als deze door de politie aan hem is toegeschreven.\n\nChatberichten\n\nIn het dossier bevinden zich verschillende chatberichten in de periode voorafgaand aan de overval die over het regelen van wapens en het plannen van de overval gaan:\n\nop 11 mei 2021 is er een chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 5] waarin gesproken wordt over 765, dempers, “eropzette” en adapters.\n\nop 24 mei 2021 stuurt [verdachte] een audiobericht aan [medeverdachte 5] , waarin [verdachte] vraagt of alles “ready” is, omdat hij een datum moet gaan prikken voor dat wat ze gaan doen. In een chatbericht dat daarop volgt wordt gesproken over een adapter, een “pijppie” en “erop draaije”. En: “we alles wannrr ready gaan”.\n\nuit chatberichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] blijkt dat op 31 mei 2021 een afspraak wordt gemaakt bij eetgelegenheid [eetgelegenheid] in Opmeer. [verdachte] wil even wat dingen bespreken met [medeverdachte 3] Om 17:39 uur maakt de telefoon van [verdachte] verbinding met de wifi van dat restaurant.\n\nop 2 juni 2021 chat [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat “ [bijnaam 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) vraagt of hij morgen ready is”. [verdachte] antwoordt hierop bevestigend en chat aan [medeverdachte 1] dat hij niet moet vergeten om contact op te nemen met “ [bijnaam 1] ” en “ie en wat dan hoe weet”, wat het hof vertaalt als ‘dan weet ie hoe en wat’.\n\nHet hof begrijpt de chatberichten zo dat er wapens geregeld moeten worden voor een overval. Als dit geregeld is kan de overval plaatsvinden (“we alles wnnrr ready gaan”). Dat de gesprekken over wapens gaan wordt bevestigd door [verdachte] zelf. Hij heeft in hoger beroep verklaard over deze gesprekken dat het klopt dat hij met [medeverdachte 5] over wapens heeft gepraat. Met de ‘765’ werd een ‘CZ’ wapen bedoeld.\n\n [verdachte] en [medeverdachte 5] zijn voor de overval in de woning van [medeverdachte 2]\n\nUit het dossier blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 5] voor de overval in de woning van [medeverdachte 2] zijn geweest. Dit blijkt onder andere uit telefooncontacten tussen [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] , zendmastgegevens van de telefoon van [verdachte] , telefoongegevens van [medeverdachte 2] en ARS-gegevens van de auto van de (ex-)vriendin van [verdachte] . [verdachte] heeft dit bevestigd door in hoger beroep te verklaren dat hij voorafgaand aan de overval in de woning van [medeverdachte 2] is geweest.\n\nAanwezigheid in loods [medeverdachte 3] voor en na de overval\n\nUit het dossier blijkt dat [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de periode voorafgaand aan de overval en daarna in de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] zijn geweest. Dit kan geconcludeerd worden op basis van:\n\neen pintransactie van [medeverdachte 3] bij tankstation [tankstation] in [plaats 2] om 01:45 uur (zo’n 45 minuten voor de overval) in de nabijheid van zijn loods;\n\nzendmastgegevens van de telefoon van [medeverdachte 2] , die nog geen tien minuten na die pintransactie een zendmast aanstraalt die dekking geeft aan de loods van [medeverdachte 3] ;\n\nde zendmastgegevens van de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 2] na de overval waaruit blijkt dat beide telefoons een zendmast aanstralen die dekking geeft aan de loods van [medeverdachte 3] . De telefoon van [medeverdachte 2] blijft tot 07:08 uur een zendmast aanstralen in de omgeving van de loods van [medeverdachte 3] .\n\n [verdachte] heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij op de avond van de overval in de loods in [plaats 2] is geweest. Tijdens de overval zijn er geen registraties van de telefoons van [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Dit komt overeen met de verklaring van [verdachte] , die heeft verklaard dat hij zijn telefoon op vliegtuigstand heeft gezet om te voorkomen dat later gezien kon worden waar hij was geweest.\n\nAantreffen autosleutels\n\nDe autosleutels van de gestolen Audi Q7 zijn een paar dagen na de overval teruggevonden op de [adres 9] in Winkel. Uit raadpleging van Google Maps blijkt dat deze locatie past in de route van de [adres 8] in Winkel naar de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] .\n\nVerklaring van [medeverdachte 11][medeverdachte 11] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 3] heeft gehoord dat [medeverdachte 3] betrokken is geweest bij de overval in Heerhugowaard en dat de gestolen auto is weggereden naar Winkel. Voor wat betreft de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 11] verwijst het hof naar hetgeen daarover is overwogen in paragraaf 6.1.3 Het hof merkt daarbij op dat de verklaring van [medeverdachte 11] overeen komt met het aantreffen van de gestolen auto aan de [adres 8] in Winkel, de camerabeelden hiervan en de later teruggevonden autosleutels van de gestolen auto in Winkel.\n\nGebruikte wapen\n\nIn de nacht van 4 juni 2021 om 00:44 uur is in de woning van [medeverdachte 2] een foto gemaakt van [medeverdachte 5] , terwijl hij een vuurwapen vastheeft dat volgens de politie een CZ Scorpion VZ.61 betreft. Op de foto is het wapen voorzien van een demper. Het hof concludeert net als de rechtbank dat dit het wapen is dat is gebruikt bij de overval in Heerhugowaard. De foto is vlak voor de overval gemaakt en het wapen dat op de foto is te zien komt overeen met het wapen dat de aangever [slachtoffer 7] heeft beschreven in zijn aangifte. [slachtoffer 7] heeft verklaard dat er een vuurwapen met een demper was, terwijl het vuurwapen op de foto van [medeverdachte 5] ook is voorzien van een demper. Dat dit het wapen is dat is gebruikt bij de overval vindt ook bevestiging in de verklaring die [verdachte] in hoger beroep heeft afgelegd. In de chatberichten waarin het gaat over het regelen van een wapen voor een overval wordt immers gesproken over een ‘.765’ en [verdachte] heeft verklaard dat die berichten over een ‘CZ’ gingen. Hij heeft verder verklaard dat hij op de avond van de overval het wapen heeft gezien waarmee [medeverdachte 5] op de foto staat en dat hij wist dat het wapen mee zou gaan naar de overval.\n\nVolgens de raadslieden van [verdachte] is er geen bewijs dat [verdachte] is meegegaan naar de overval Zendmastgegevens, forensisch bewijs of camerabeelden die hierop duiden ontbreken immers. De verklaring van [medeverdachte 1] is onvoldoende om bij te dragen aan het bewijs, omdat hij heeft verklaard niet veel te weten over deze overval en er zelf niet bij is geweest. [verdachte] heeft zelf verklaard dat hij wel wist van de overval, maar dat hij niet is meegegaan. Hij is in de loods achtergebleven om de rolluiken open te doen als de overvallers terug zouden keren na de overval. De gesprekken die hij gevoerd heeft met [medeverdachte 5] gingen wel over wapens, maar hielden geen verband met de overval in Heerhugowaard.\n\nHet hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat [verdachte] is meegegaan naar de overval. De gesprekken die [verdachte] voorafgaand aan de overval heeft gevoerd hebben naar het oordeel van het hof betrekking op het regelen van een wapen voor de overval in Heerhugowaard. Het hof betrekt daarbij dat de gesprekken kort voor de overval zijn gevoerd. Uit de gesprekken blijkt dat de overval kan plaatsvinden als er een wapen is geregeld (“we alles wnnrr ready gaan”). Iets meer dan een week daarna bevestigt [verdachte] op 2 juni 2021 dat hij ‘ready’ is en zeer kort daarop wordt de overval gepleegd op 4 juni 2021. Het wapen waarover in het gesprek wordt gesproken (de ‘765’) komt daarnaast overeen met het wapen dat is gebruikt bij de overval. [verdachte] is – zoals hij zelf ook verklaart – de avond van de overval zowel in de woning van [medeverdachte 2] als in de loods van [medeverdachte 3] met de medeverdachten geweest. Daarbij komt dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] betrokken is geweest bij de overval. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 1] wel kan worden gebruikt voor het bewijs, omdat zijn verklaring bevestiging vindt in de andere bewijsmiddelen. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de verdachte bij andere overvallen in die periode betrokken is geweest met gedeeltelijk dezelfde medeverdachten als die bij deze overval betrokken zijn geweest. [medeverdachte 1] verklaart bovendien dat hij eerst zelf deze overval zou plegen, maar dat dit niet is doorgegaan omdat de politie kwam aanrijden. Het is daarmee aannemelijk dat hij geïnformeerd is over deze overval.\n\nDeze bevindingen in onderlinge samenhang bezien maken dat het hof het niet aannemelijk vindt dat [verdachte] niet is meegegaan naar de overval en dat hij is achtergebleven in de loods. Dat er geen zendmastgegevens zijn die [verdachte] op de plaats delict plaatsen maakt dat niet anders, omdat [verdachte] immers zelf heeft verklaard dat hij zijn telefoon op vliegtuigstand heeft gezet zodat kan worden voorkomen dat later gezien kan worden waar hij geweest is.\n\nConclusie ten aanzien van het bewijs en de betrokkenheid van [medeverdachte 3] en [verdachte]Het hof stelt op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, vast dat [verdachte] en [medeverdachte 3] , samen met anderen, betrokken zijn geweest bij de woningoverval in Heerhugowaard. Het hof gaat ervan uit dat zij vanaf de loods in [plaats 2] in de auto van [medeverdachte 3] naar de plaats van het delict zijn vertrokken, en dat zij na afloop van de overval daarnaar ook zijn teruggekeerd.\n\nMedeplegen\n\nHet hof is van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 3] als medeplegers hebben deelgenomen aan de overval in Heerhugowaard.\n\nVoorafgaand aan de overval zijn [verdachte] en [medeverdachte 3] beiden betrokken geweest bij de voorbereiding en de planning van de overval. [verdachte] heeft met [medeverdachte 5] gesproken op 11 en 24 mei 2021 over het regelen van een wapen, munitie en een demper. Hierna zouden ze ‘ready’ zijn om de overval te plegen. Kort na die gesprekken spreken [verdachte] en [medeverdachte 3] op 31 mei 2021 af om ‘dingen te bespreken’. Op 2 juni 2021 worden wat berichten gewisseld over ‘ready’ zijn en kort daarna wordt in de nacht van 4 juni 2021 de overval gepleegd. Uit deze berichten blijkt dat sprake was van onderlinge afstemming voorafgaand aan de overval.\n\nOp de avond van de overval zijn de verdachten in de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] , waarvandaan de verdachten gezamenlijk zijn vertrokken naar de woning in Heerhugowaard.\n\nHet hof gaat ervan uit dat [verdachte] een van de vijf overvallers is die te zien zijn op de camerabeelden die in de richting van het hek en het perceel van de woning lopen en dat hij één van de overvallers is geweest die binnen in de woning is geweest. [medeverdachte 3] bestuurde de auto naar de plaats delict en is buiten in de auto blijven wachten.\n\nNa afloop van de overval rijden de verdachten met de gestolen auto naar Winkel, die ze daar vervolgens achterlaten. Daarna zijn de verdachten weer samen naar de loods in [plaats 2] gegaan. Uit de telefoongegevens blijkt dat [verdachte] nog geruime tijd in de loods van [medeverdachte 3] is gebleven, voordat hij daar weer is opgehaald door zijn (ex-)vriendin.\n\nUit het bovenstaande blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 3] zich voorafgaand aan de overval intensief hebben beziggehouden met de planning daarvan. Op de avond van de overval wordt er gezamenlijk gereisd en lijkt sprake van een onderlinge taakverdeling, waarbij [medeverdachte 3] in de auto achterblijft zodat de overvallers na de overval snel weg kunnen komen . Na de overval gaat niet ieder zijn eigen weg, maar verzamelen de verdachten nog in de loods in [plaats 2] .\n\nOp grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Er was sprake geweest van onderlinge afstemming en een gezamenlijk plan. De bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde is van dusdanig gewicht geweest dat deze moet worden aangemerkt als medeplegen.\n\n6.2.5. Zaaksdossier Ararat\n\nOp 14 juni 2021 wordt in een woning in Berkhout het overleden lichaam van de heer [slachtoffer 10] aangetroffen. Hij heeft een schotverwonding in de borst. Vermoed wordt dat het slachtoffer die nacht in zijn woning is overvallen. Voor deze overval met dodelijke afloop worden alle vier de verdachten vervolgd: [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Behalve de poging diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend wordt ook aan de verdachten de gekwalificeerde doodslag verweten.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van zowel medeplegen van een poging diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend als het medeplegen van gekwalificeerde doodslag.\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van de verdenking poging diefstal met geweld\n\nDe verdediging heeft betoogd dat een integrale vrijspraak voor beide feiten moet volgen.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de poging tot diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend en het medeplegen van gekwalificeerde doodslag is gekomen in de zaken tegen [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en verenigt zich met die beslissingen. Ook de daaraan ten grondslag liggende overwegingen neemt het hof voor een groot deel over. Gelet op het verhandelde in hoger beroep is op enkele punten een nuancering en aanvullingen opgenomen.\n\nOp grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.\n\nAantreffen van het slachtoffer [slachtoffer 10]\n\nOp maandag 14 juni 2021 rond 13:55 uur heeft de politie een melding gekregen dat in de woning aan het [adres 10] te Berkhout een overleden persoon lag. De politie is naar de woning gegaan en trof op de grond in de woonkamer, het levenloze lichaam aan van [slachtoffer 10] (geboren op [geboortedatum 2] ). [slachtoffer 10] lag op zijn buik, was op blote voeten en droeg alleen een onderbroek.\n\nSporen in de woning van het slachtoffer\n\nDe voordeur en het kozijn van de woning zijn beschadigd door wrikken met een breekijzer en een schroevendraaier. De ruit van de voordeur is gebroken. Op de vloer van de woning is een bloedsporenpatroon te zien en zijn afdruksporen gevonden die zijn veroorzaakt door blote voeten. Deze sporen liepen van de gang, via de woonkamer en de keuken tot bij de achterdeur in de bijkeuken en vervolgens terug tot aan de plaats in de woonkamer waar het lichaam van [slachtoffer 10] is gevonden. In de bijkeuken is op de grond een hockeystick gevonden. Op de buitenzijde van de voordeur en op de vloer in de gang zijn schoenzoolafdruksporen gevonden met een profiel dat overeenkomt met dat van Nike-schoenen. Moeten (indrukken) in het kozijn van de deur tussen de gang en de woonkamer wijzen erop dat daar een worsteling is geweest waarbij een breekijzer en een hockeystick zijn gehanteerd.\n\nOp de grond in de woonkamer is de vaste telefoon gevonden. Gebleken is dat er om 02:56:43 uur en 02:57:29 uur met deze telefoon is geprobeerd te bellen. Beide keren is er geen verbinding tot stand gekomen.\n\nOnderzoek aan het lichaam van het slachtoffer\n\nOnderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 10] heeft aangetoond dat hij schotletsel aan de borst had waardoor de rechterondersleutelbeenader en rechterlong zijn geperforeerd. Dit heeft geleid tot ademhaling- en longfunctiestoornissen en bloedverlies op basis waarvan het overlijden wordt verklaard. [slachtoffer 10] had ook een schotwond aan zijn linker ellenboog; dit betrof een doorschot en dit letsel is op één lijn te brengen met het schotkanaal door de borst. Verder zijn er meerdere bloeduitstortingen, waaronder één aan de borst die kan zijn opgelopen door een krachtinwerking met een langwerpig voorwerp. Het tijdstip van zijn overlijden wordt door de schouwarts geschat op 14 juni 2021 rond 03:00 uur.\n\nGeluidsopname camerasysteem [adres 11]\n\nEen camerasysteem bij de woning aan het [adres 11] heeft een video- en geluidsopname gemaakt. Op de geluidsopname is omstreeks 02:33 uur en 02:39 uur een auto te horen die een zwaar, sportief geluid maakt. Tussen 02:54 uur en 02:56 uur zijn meerdere dreunen te horen, en om ongeveer 02:55 uur is er een harde knal te horen die nog even na-echoot en waarna de schapen in het weiland beginnen te blaten. Om 02:59:21 uur is de eerder genoemde auto met zwaar, sportief geluid wederom te horen, die ditmaal in tegengestelde richting reed.\n\nTussenconclusie ten aanzien van het overlijden van [slachtoffer 10]\n\nUit het voorgaande concludeert het hof dat een of meer personen door middel van braak de woning van [slachtoffer 10] zijn binnengedrongen en dat er een gewelddadige confrontatie is geweest tussen deze persoon of personen en [slachtoffer 10] . Hierbij is geschoten wat heeft geleid tot een schotwond in de borst bij [slachtoffer 10] ten gevolge waarvan [slachtoffer 10] op 14 juni 2021 omstreeks 03:00 uur is overleden. Zeer kort daarna zijn de daders weer met een auto vertrokken.\n\nVuurwapen\n\nSporen op de kogel die in het lichaam van [slachtoffer 10] is gevonden zijn vergeleken met sporen op proefkogels uit het zilverkleurige vuurwapen dat op 29 juni 2021 bij het overleden lichaam van [medeverdachte 5] is gevonden. De deskundige heeft in het rapport wapen- en munitieonderzoek gerapporteerd dat de resultaten van dit onderzoek veel waarschijnlijker tot en met zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de kogel is afgevuurd uit de loop van dat vuurwapen, dan wanneer de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen.\n\nSchotresten op het lichaam van [slachtoffer 10] zijn vergeleken met schotresten op het lichaam van [medeverdachte 5] en schotresten die zijn aangetroffen op het lichaam van [slachtoffer 1] (het mannelijke slachtoffer in het onderzoek Mainz). De drie verzamelingen deeltjes vertonen volgens de deskundige overeenkomsten. Het hof verwijst naar de overwegingen hierover die zijn opgenomen onder het kopje ‘zaaksdossier Mainz’. Het hof neemt de conclusie van de deskundige over.\n\nOp het in de woning van [medeverdachte 5] aangetroffen wapen is ook DNA-onderzoek verricht. In het rapport van 26 augustus 2021 heeft de deskundige opgenomen dat in drie bemonsteringen (namelijk #21, #23 en #29) DNA-materiaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 2] . In het rapport vergelijkend DNA-onderzoek van 28 oktober 2022 staat beschreven dat de bemonsteringen waarin DNA-materiaal was aangetroffen van op dat moment nog onbekende personen is vergeleken met de DNA-profielen van diverse slachtoffers, verdachten en andere personen. Uit dat rapport volgt dat in nog eens drie bemonsteringen (namelijk #17, #22, #24) DNA-materiaal is gevonden dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 2] . Uit deze zes bemonsteringen zijn telkens mengprofielen van verschillende donoren verkregen. Het DNA-profiel van [medeverdachte 2] komt overeen met deze DNA-mengprofielen. De bewijskracht van de overeenkomsten met het profiel van [medeverdachte 2] variëren van circa 1,3 miljoen tot meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dat DNA van [medeverdachte 2] in de bemonsteringen aanwezig is dan de kans dat het DNA betreft van een willekeurige, niet aan hem verwante persoon.\n\nIn één bemonstering (#17) is DNA-materiaal aangetroffen dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer 10] . Het DNA-mengprofiel [profiel] is circa 240 duizend keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer 10] en drie willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van vier willekeurige onbekende personen.\n\nTussenconclusies ten aanzien het vuurwapen\n\nOp grond van het wapen- en munitieonderzoek, het vergelijkend schotrestenonderzoek, de toelichting van de deskundige ter terechtzitting van de rechtbank en bovengenoemd DNA-onderzoek concludeert het hof dat het wapen dat bij [medeverdachte 5] is gevonden, ook het wapen is geweest waarmee het schot is gelost dat [slachtoffer 10] dodelijk heeft getroffen. Het gebruikte wapen betreft – gelet op het feit dat het ook aan de dood van [medeverdachte 5] kan worden gekoppeld en er DNA van [medeverdachte 2] op is aangetroffen – een wapen dat in verband kan worden gebracht met deze groep verdachten.\n\nCamerabeelden en vluchtauto\n\nOp camerabeelden van [adres 11] is te horen dat rond drie uur ’s nachts een auto komt aanrijden uit de richting van de woning van [slachtoffer 10] . De auto lijkt snel op te trekken en rijdt zonder verlichting. Op diverse camerabeelden is de auto te volgen via Spierdijk tot in Opmeer.\n\nGetuige [getuige 8] heeft de auto die is te horen in een geluidsopname van het camerasysteem van een perceel aan de [adres 12] te Spierdijk herkend als zijn groene Opel Astra met kenteken [kenteken 5] en heeft verklaard dat hij zijn auto op 13 juni 2021 heeft uitgeleend aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .\n\nHet hof acht zijn verklaring betrouwbaar omdat zijn verklaringen consistent en gedetailleerd zijn geweest en bovendien bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Zo passen de zendmastgegevens van de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] van 13 juni 2021 bij de verklaring van [getuige 8] en heeft [medeverdachte 3] in afgeluisterde gesprekken tussen hem en zijn moeder en met zijn toenmalige vriendin bevestigd dat hij de auto van [getuige 8] heeft geleend.\n\nDe Opel Astra met kenteken [kenteken 5] is op 11 november 2021 door [medeverdachte 3] ingeleverd bij een auto demontagebedrijf in Blokker.\n\nTussenconclusie ten aanzien van de groene Opel Astra\n\nVanwege het tijdstip (zeer kort nadat [slachtoffer 10] dodelijk gewond is geraakt) en omdat de auto zonder verlichting reed en snel optrok, gaat het hof ervan uit dat de groene Opel Astra van [getuige 8] is gebruikt als vluchtauto. Ook deze vluchtauto kan gelet op wat hiervoor is overwogen aan de groep van de verdachten worden gekoppeld.\n\nVoorverkenningen en ‘voorbesprekingen’\n\nOp twee telefoons van [medeverdachte 5] zijn notities gevonden die beide op 5 december 2020 zijn gemaakt. In de notities staat: ‘Berkhout [adres 10] ’ resp. ‘ [adres 10] ’.\n\nOp 6 juni 2021 om 16:14 uur heeft [verdachte] een bericht gestuurd aan [medeverdachte 5] dat luidt: “32 min”. [medeverdachte 5] antwoordde “aii totzo”.\n\nUit locatiegegevens gekoppeld aan de telefoon van [medeverdachte 5] (Google Cloud gegevens) blijkt dat hij op 6 juni 2021 van 16:02 uur tot ten minste 16:57 uur in de buurt van treinstation Hoorn is geweest. Hij is vervolgens over het [adres 27] in Berkhout in de richting van De Goorn gereden, waarbij [medeverdachte 5] rond 17.13 uur ter hoogte van de woning van [slachtoffer 10] reed. Daarna is hij teruggereden naar Hoorn via het [adres 13] in Berkhout. Ook de telefoon van [verdachte] maakt dan contact met een Cell-ID in Hoorn.\n\n [verdachte] heeft ten overstaan van het hof bevestigd dat hij op 6 juni 2021 met [medeverdachte 5] vanuit Hoorn is gereden en in de omgeving van Berkhout is geweest. [medeverdachte 5] had gezegd dat ‘dit de omgeving’ was, waaruit [verdachte] begreep dat dit ging om een klus. In de auto hebben zij over de klus gesproken.\n\nUit de Cell-ID gegevens van de telefoons en de verklaring van [verdachte] leidt het hof af dat [verdachte] en [medeverdachte 5] op 6 juni 2021 samen in de directe omgeving van de woning van [slachtoffer 10] zijn geweest en toen over de geplande overval (de klus) hebben gesproken.\n\nUit chatberichten die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] op 7 juni 2021 vanaf 18:21 uur hebben uitgewisseld en uit de locatiegegevens van hun telefoons leidt het hof af dat zij elkaar hebben ontmoet bij een coffeeshop in Hoorn. De chatberichten suggereren dat ook [medeverdachte 3] daarbij aanwezig is geweest, wat is bevestigd door [medeverdachte 1] .\n\nOp 7 juni 2021 om 21:12 uur heeft [medeverdachte 5] aan [verdachte] geschreven: “mondhoude zitten wij op iedereen wachte die enge en punt ze getallen taart gelijke 100procent stil in punten gaat wel snijden”. [verdachte] antwoordde om 21:23 uur: “krijgt zelfde zowie 100 de deel bro zo iedereen”.\n\nOp 8 juni 2021 hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] contact gehad. [verdachte] heeft aan [medeverdachte 1] bericht: “gezegt heb je die [bijnaam 3] bro”, waarop [medeverdachte 1] heeft geantwoord: “jaaa”, “klaar alles zere wij gaan”. [bijnaam 3] (ook: [bijnaam 3] ) is de bijnaam van [medeverdachte 3] .\n\nOp 9 juni 2021 rond 03:15 uur heeft de telefoon van [medeverdachte 5] wederom over het [adres 13] in Berkhout bewogen. Aan het eind van het [adres 13] is hij gekeerd en dezelfde weg terug gereden. Voorafgaand aan en na deze reisbeweging is de telefoon van [medeverdachte 5] in de directe omgeving van de woning van [medeverdachte 2] geweest.\n\nOp 9 juni 2021 rond 11:15 uur heeft [verdachte] aan [medeverdachte 2] geschreven: “ [bijnaam 5] checken je komen is”. [medeverdachte 2] antwoordde: “aaai”, “was daaar”, “efe die kijke jwz man moete”. Vervolgens heeft [verdachte] gereageerd met: “ai”, “is maar goeie”, “happen g deze moeten we”, “geen grap”, “alles ready”. In een verhoor heeft [verdachte] verklaard dat “happen” betekent ‘proberen bij te verdienen’.\n\nIn de middag van 9 juni 2021 heeft [verdachte] geprobeerd [medeverdachte 3] telefonisch te bereiken. [medeverdachte 3] heeft vervolgens in chatberichten aan [verdachte] gemeld: “aan stiefmoeder thuis t werk is”, “dat niet te horen bro die hoeft”. [verdachte] antwoordde: “oke bro cool”, “ [bijnaam 6] naar dalijk ga”, “bro en”, “regel alles”, “je weet precies”. [bijnaam 6] is een bijnaam van [medeverdachte 2] .\n\nOp 10 juni 2021 heeft [medeverdachte 1] aan [verdachte] gevraagd: “wie is [bijnaam 10] ”. [verdachte] antwoordde: “ [medeverdachte 2] broertje”. [medeverdachte 1] schreef daarop: “ [bijnaam 10] en hij [medeverdachte 2] halen zegt”. [medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij door anderen ‘ [bijnaam 10] ’ wordt genoemd en zijn telefoonnummer stond in de telefoon van [medeverdachte 5] opgeslagen als ‘ [bijnaam 10] ’.\n\nOp 11 juni 2021 zijn er chatberichten verstuurd tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] uitte daarin zijn onvrede over [medeverdachte 3] (“ [bijnaam 3] ”) die hij ‘kk driver’ noemt. [verdachte] antwoordde: “dingen met hem gesproken”, “zondag gaan”, “bro ik die doen torrie weet”, “goed alles hij moet fixen maken”, “ook gaat doen ie”.\n\nOp 12 juni 2021 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] elkaar onderstaande berichten geschreven.\n\n [medeverdachte 3] : [betrokkene 2]\n\n [medeverdachte 1] : ja wat is plan wil je doen wat\n\n [medeverdachte 3] : jagen\n\n [medeverdachte 1] : nooo je blijf rustig vandaag risico lopen nu geen voor ga saus\n\nmorgen belangrijk dag verpeste het niet ga\n\n [medeverdachte 3] : zijn met oke dan rijden pak morgen we [betrokkene 2] even rustig rondje ik en bespreken ook want auto gaan weten te hij hoeft niet veel die eventueel voet licht als ik andere er heb al nieuwe niet\n\n [medeverdachte 1] : niks je hem zegt die je auto pakt gewoon\n\n [medeverdachte 3] : yes op aan kunnen maar wel van moet\n\n [medeverdachte 1] : auto geregeld morgen voor jongen\n\n [medeverdachte 3] : ik pak zijn auto heb gezegd keer tien je al ik anders morgen starten de we alfa en op niet tijds we dat voor bij auto ga verrassingen mar komen pakken te staan zijn\n\n(…)\n\n [medeverdachte 1] : bel [betrokkene 2]\n\nis hoeveel vraag ze tank\n\n [medeverdachte 3] : didii zijn tank is voor hij heeft auto wat astra sport\n\nEn op 13 juni 2021:\n\n [medeverdachte 1] : nu hij onderweg is\n\n [medeverdachte 3] : si\n\nmij ook osso haal.\n\nOp 13 juni 2021 om 22:29 uur heeft [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] gestuurd: “broer moet je halen we”. [medeverdachte 2] antwoordde: “waar jullie”, “reddy”. [medeverdachte 1] schreef vervolgens: “nu obdam”, waarna [medeverdachte 2] chatte: “loods ga wacht”.\n\nOp 14 juni 2021 om 00:06 uur heeft [betrokkene 1] aan [medeverdachte 1] getekst: “Ewa broer, doe je ding goed”. [medeverdachte 1] antwoordde: “Ja broer thans”.\n\nOp 14 juni 2021 om 00:21 uur stuurde [medeverdachte 2] aan [verdachte] : “open dan swa”.\n\nTussenconclusie met betrekking tot voorverkenningen en voorbesprekingen\n\nDe politie heeft de verdachten gevraagd naar de betekenis van de hiervoor genoemde chatberichten. [verdachte] heeft in hoger beroep verklaard dat de tekstberichten van 11 juni en 13 juni 2021 waaraan hij deelneemt over deze klus gaan. Verder is een aannemelijke uitleg voor deze chatberichten uitgebleven. De chatgesprekken die de verdachten met elkaar hebben gevoerd zijn door de verdachten gewist. De politie heeft de chatgesprekken gedeeltelijk kunnen terughalen, maar de woordvolgorde is daardoor gewijzigd (‘scrambled’). Desondanks wijst de inhoud van de berichten op een overval (torrie, happen, iedereen krijgt een gelijk deel) en er wordt ook gesproken over “zondag gaan” en “morgen belangrijk dag” wat past bij de nacht waarin de overval op [slachtoffer 10] plaatsvond (van zondag 13 op maandag 14 juni 2021) en dit is ook door [verdachte] in hoger beroep bevestigd. Uit de voorgaande berichtenuitwisselingen leidt het hof verder af dat er behalve op 6 juni 2021 ook op 7 en 9 juni 2021 kortstondige bezoeken aan het [adres 13] in Berkhout hebben plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in chatgesprekken en door middel van voorverkenningen de overval op [slachtoffer 10] hebben voorbereid.\n\nAanwezigheid van de verdachten in de loods in [plaats 2] in de avond en nacht van de overval (13 op 14 juni 2021)\n\nUit de verklaring van zowel [verdachte] als die van [medeverdachte 2] blijkt dat zij die avond\u002Fnacht in de loods in [plaats 2] zijn geweest. [verdachte] heeft verklaard dat er toen meerdere personen aanwezig waren .\n\nUit telefoongegevens blijkt dat de telefoons van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] in die avond\u002Fnacht contact maken met een Cell-ID van een zendmast die dekking geeft aan de locatie van de loods in [plaats 2] . De telefoon van [medeverdachte 1] maakte tussen 13 juni 2021 22:50 uur en 14 juni 2021 01:34 uur contact met een Cell-ID van een zendmast die dekking geeft aan de loods in [plaats 2] .\n\nDe telefoon van [medeverdachte 2] heeft op 14 juni 2021 tussen 01:18 uur en 02:05 uur middels data contact gemaakt met Cell-ID’s van een zendmast die dekking biedt aan diezelfde loods.\n\nOp 14 juni 2021 om 01:23 uur maakte de telefoon van [medeverdachte 3] contact met een Cell-ID van diezelfde zendmast.\n\nDe telefoon van [verdachte] maakte om 01:34:06 uur contact met een Cell-ID die dekking biedt aan de loods in [plaats 2] .\n\nUit zendmastgegevens en locatiegegevens van de telefoon van [medeverdachte 7] volgt dat hij tussen ongeveer 18:01 uur en 23:06 uur in de buurt van de woning van [medeverdachte 2] is geweest en vanaf 00:26 uur in de omgeving van de loods in [plaats 2] aanwezig was.\n\nTussenconclusie met betrekking tot aanwezigheid in de loods voorafgaand aan overval\n\nUit de hiervoor genoemde verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] , en uit de gegevens over de locatie van de telefoons van de verdachten leidt het hof af dat [medeverdachte 7] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] rond half twee ’s nachts in de nacht waarin de overval op [slachtoffer 10] plaats heeft gevonden, in de omgeving van de loods in [plaats 2] zijn geweest.\n\nDeze conclusie wordt ondersteund door het hiervoor genoemde chatgesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 13 juni 2021 (“loods ga wacht”), de verklaring van [medeverdachte 1] bij de politie op 12 juli 2022, de ARS-gegevens van de auto van [getuige 9] (de toenmalige vriendin van [verdachte] ), en het volgende chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] op 13 juni 2021 tussen 21:49 en 00:04 uur:\n\n [medeverdachte 1] : broer al je onderweg ben\n\n [bijnaam 6] wij moeten halen toch\n\n [verdachte] : [bijnaam 5] halen zou ze gaan\n\n(…)\n\n [verdachte] : er ik bijna bro ben\n\n [medeverdachte 1] : toch [plaats 2]\n\n [verdachte] : man ja\n\n [medeverdachte 1] : aii\n\nbroer parra op niet mijn worden\n\nstraks\n\n [verdachte] : waarom\n\nwat\n\n [medeverdachte 1] : [bijnaam 3]\n\n [verdachte] : net die mat wat\n\n [medeverdachte 1] : neus\n\n [verdachte] : met lat hem ze neus\n\nmaar als shit ze ie\n\ndoet\n\nis daat ie\n\n [medeverdachte 1] : ja\n\n(…)\n\n [verdachte] : ben er ik.\n\nHet hof begrijpt uit deze (gewiste maar gescrambled teruggehaalde) berichten dat [verdachte] onderweg was naar de loods in [plaats 2] en dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] daar reeds waren. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] zijn kennelijk door [medeverdachte 5] ( [bijnaam 5] ) naar de loods gebracht. [verdachte] is gelet op het chatbericht van [medeverdachte 2] aan [verdachte] (“open dan swa”) kennelijk eerder dan de anderen aangekomen in de loods en moest de deur voor hen openen.\n\nBeeldmateriaal gemaakt in de loods\n\nDat [medeverdachte 7] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] rond half twee ’s nachts in de loods in [plaats 2] waren, wordt verder bevestigd door beeldmateriaal dat daar is gemaakt. Op de telefoon van [medeverdachte 7] stonden foto’s opgeslagen waarop hij en [medeverdachte 2] samen te zien zijn. Die foto’s zijn die nacht gemaakt in de loods om 01:27 uur en 01:28 uur. Om 01:29 uur is in het kantoor van de loods een filmpje gemaakt met de telefoon van [medeverdachte 1] . Op dat filmpje is [medeverdachte 1] te zien en is de stem van onder andere [medeverdachte 2] te horen. Op het filmpje is een tas zichtbaar met daarin een zwart vuurwapen met een houtkleurig handvat (dat volgens verbalisant overeenkomsten heeft met een Scorpion vuurwapen), handschoenen en tape.\n\n [verdachte] heeft bij het hof verklaard dat hij die avond\u002Fnacht in de loods een wapen, te weten een Scorpion, heeft gezien.\n\nTelefoons van de verdachten uitgeschakeld of inactief tijdens overval\n\nKort na de video-opname zijn de telefoons van de verdachten uitgezet of was daarop geen activiteit in de zin van telecommunicatie of geregistreerde stappen. Het hof stelt vast dat dit ook nog zo was gedurende de tijd dat de overval op [slachtoffer 10] plaatsvond.\n\nLocatie van de telefoons van de verdachten na de overval en de vlucht van [medeverdachte 7]\n\nToen de telefoon van [verdachte] om 03:24 uur weer een dataverbinding maakte, is de verbinding opgebouwd via een Cell-ID die dekking biedt aan de loods in [plaats 2] . De telefoon van [medeverdachte 2] maakte om 04:26 uur een datacontact met een zendmast die dekking bood aan diezelfde loods. De telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] maakten voor het eerst weer contact om respectievelijk 05:52 uur en 05:39 uur, via zendmasten die onder meer dekking bieden aan hun woningen.\n\nDe telefoon van [medeverdachte 7] is om 03:03 uur weer aangezet, dus zeer kort na de overval. [medeverdachte 7] was op dat moment in Berkhout. [medeverdachte 7] is te zien op camerabeelden die zijn opgenomen op het [adres 14] en [adres 15] in Berkhout en de [adres 16] in Hoorn. De kleding en de schoenen die [medeverdachte 7] die avond droeg (te zien op de foto’s die in de loods in [plaats 2] zijn gemaakt om 01:27 uur en 01:28 uur) komen overeen met de kleding en schoenen van de persoon die op deze camerabeelden te zien is en [medeverdachte 7] heeft in verhoren bij de politie en als getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris bevestigd dat hij de persoon is die op de camerabeelden is te zien. Behalve [medeverdachte 7] zijn op die camerabeelden geen andere personen te zien. [medeverdachte 7] heeft echter verklaard dat hij samen met anderen in een auto naar de plek in Berkhout is gereden waar – volgens [medeverdachte 7] – zou worden ingebroken.\n\nOm 10:54 uur startte een dataverbinding vanaf de telefoon van [medeverdachte 7] naar een Cell-ID in een zendmast die dekking geeft aan de woning van [medeverdachte 2] . Uit een om 13:21 uur opgenomen video opgeslagen op de telefoon van [medeverdachte 7] volgt dat [medeverdachte 7] toen in de schuur bij de woning van [medeverdachte 2] was.\n\nVerschillende verdachten hebben verklaard dat de telefoons werden uitgezet als een klus werd uitgevoerd, ook als je uiteindelijk niet mee ging. Dit om te voorkomen dat ze in verband zouden kunnen worden gebracht met een bepaalde inbraak\u002Foverval. Dat dit in elk geval niet voor iedereen gold leidt het hof al af uit het feit dat [medeverdachte 5] ten tijde van de overval op de woning van [slachtoffer 10] in Berkhout zijn telefoon niet had uitgezet. Van [medeverdachte 5] kan worden vastgesteld dat hij niet op de plaats delict was. Naar het oordeel van het hof levert dit een aanwijzing op dat de telefoons werden uitgezet op het moment dat feitelijk naar de woning of het pand werd gereden die\u002Fdat zou worden overvallen.\n\nTussenconclusie aankomst bij en vertrek van de plaats van het delict\n\nHet voorgaande in onderlinge samenhang bezien leidt het hof tot de conclusie dat de verdachten in de Opel Astra vanaf de loods in [plaats 2] naar de woning van het slachtoffer zijn gereden. Na de overval is [medeverdachte 7] te voet gevlucht in de richting van Hoorn en hij is in de loop van de ochtend weer bij de woning van [medeverdachte 2] gearriveerd. De andere aanwezigen in\u002Fbij de woning in Berkhout zijn met de groene Opel Astra gevlucht, die via Spierdijk naar de loods in [plaats 2] is gereden.\n\nChat [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] 14 juni 2021\n\nOp 14 juni 2021 om 15:50 uur heeft [betrokkene 1] aan [medeverdachte 1] geschreven: “Was gelukt of niet”. [medeverdachte 1] stuurde [betrokkene 1] vervolgens twee audioberichten, waarin hij onder meer zegt: “Het is uit de hand gelopen broer uhhh.” en “Zoals ik gister al zei broer. Ik ben er klaar mee.”\n\nOntkennende verklaringen verdachten\n\nAlle vier de verdachten hebben – ook ten overstaan van het hof – ontkend bij de overval in Berkhout, waar [slachtoffer 10] in zijn woning om het leven is gekomen, aanwezig te zijn geweest.\n\n [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben kort gezegd verklaard wel op de hoogte te zijn geweest van het plan om deze woning te overvallen. Er zou veel contant geld aanwezig zijn, waarbij een bedrag van 100.000 euro is genoemd. Ook waren zij betrokken bij de voorbereidingen en hebben zij met anderen over het plan gesproken, maar uiteindelijk zijn zij niet meegegaan.\n\n [medeverdachte 2] heeft verklaard geen enkele betrokkenheid te hebben gehad bij dit feit. Hij is wel in de loods geweest, maar dit was om hennep te knippen.\n\nVerklaring [medeverdachte 1] in hoger beroep\n\n [medeverdachte 1] heeft in hoger beroep ook verklaringen afgelegd over dit zaaksdossier. Hoewel het hof eerder heeft overwogen dat de verklaringen van [medeverdachte 1] die hij als verdachte en als getuige in hoger beroep heeft afgelegd, betrouwbaar zijn en voor het bewijs gebezigd kunnen worden, geldt dat niet voor zijn verklaringen over het onderzoek Ararat.\n\nUit de inhoud van het dossier bezien in samenhang met de inhoud van zijn verklaringen, leidt het hof af dat [medeverdachte 1] zijn eigen rol in dit zaaksdossier marginaliseert en ook de rol van verschillende anderen kleiner maakt. Het door hem geschetste alternatieve scenario is in het licht van de inhoud van het dossier ook onvoldoende aannemelijk geworden. Op grond van wat hierna wordt overwogen concludeert het hof dat alle vier de verdachten aanwezig zijn geweest op de plaats delict. Gelet hierop zal het hof de verklaringen van [medeverdachte 1] over dit zaaksdossier niet als bewijsmiddel gebruiken. Het hof zal de verklaring evenmin in ontlastende zin gebruiken, omdat het geschetste alternatieve scenario onvoldoende aannemelijk is geworden.\n\nVerklaringen van getuigen met wie de verdachten hebben gesproken\n\n [betrokkene 1] is als getuige gehoord bij de rechter-commissaris. Hij heeft toen verteld dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat [medeverdachte 1] bij de overval op [slachtoffer 10] betrokken was. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 1] veel moeite heeft gehad met wat er is gebeurd, er slecht van sliep, geschrokken was en er nachtmerries van had.\n\nHet hof acht de verklaring van [betrokkene 1] bruikbaar voor het bewijs, omdat deze steun vindt in de verklaring van getuige [getuige 10] .\n\n [getuige 10] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken waren bij de overval op [slachtoffer 10] en dat bij die overval door [medeverdachte 2] is geschoten met een revolver. Hij hoorde dit van [medeverdachte 1] op de dag na de overval, toen zij bij een feestje bij [betrokkene 3] thuis waren.\n\nHet hof acht deze verklaring van [getuige 10] betrouwbaar. [getuige 10] is consistent en gedetailleerd geweest in zijn verklaringen en niet gebleken is van een motief bij [getuige 10] om een valse verklaring af te leggen. Maar belangrijker nog is dat zijn verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat [slachtoffer 10] is doodgeschoten met een revolver komt overeen met de resultaten van het forensisch onderzoek. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] in een chatbericht op 14 juni 2021 om 18:25 uur (de dag na de overval op [slachtoffer 10] ) aan [medeverdachte 2] getekst: “zit bij [betrokkene 3] ”. Dat bevestigt dat [medeverdachte 1] die dag bij [betrokkene 3] thuis was, zoals [getuige 10] heeft verklaard.\n\nWat verder bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [getuige 10] is het feit dat er ook een verklaring is afgelegd door een persoon die op enig moment gedetineerd heeft gezeten in dezelfde penitentiaire inrichting als [medeverdachte 2] . Deze ‘beperkt anonieme medegedetineerde ( [nummer] )’ heeft verklaard dat [medeverdachte 2] hem heeft verteld over een overval met dodelijke afloop. [medeverdachte 2] heeft deze medegedetineerde gezegd dat [medeverdachte 2] voorop liep en gewapend was, dat na het betreden van de woning een aantal stappen gedaan zijn en dat er toen iemand de trap af kwam. Het wapen is toen gericht, er heeft een klein handgemeen plaatsgevonden waarbij het vuurwapen vastgepakt werd of tegen het wapen is geslagen door het slachtoffer en het vuurwapen is afgegaan. Het slachtoffer is ter hoogte van zijn borst geraakt. [medeverdachte 2] heeft de getuige ook verteld dat het wapen dat bij de overval is gebruikt, een Smith & Wesson .357 was en dat een vriend van [medeverdachte 2] met hetzelfde wapen zelfmoord gepleegd zou hebben.\n\nOok deze verklaring is naar het oordeel van het hof bruikbaar voor het bewijs. Onderdelen van de verklaring van de medegedetineerde vinden immers steun in andere bewijsmiddelen. Dat de verdachten slechts enkele stappen in de woning hebben gedaan, dat er een handgemeen is geweest in de buurt van de trap en dat er een schot is gelost en de verdachte(n) vervolgens is\u002Fzijn vertrokken, komt overeen met de sporen die zijn gevonden in de woning van [slachtoffer 10] . Dat zowel [medeverdachte 2] als het slachtoffer het wapen hebben aangeraakt komt overeen met de resultaten van het DNA-onderzoek dat is verricht op het wapen. Hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld wanneer het DNA van [medeverdachte 2] op het wapen terecht is gekomen, komt aan deze bevinding wel redengevende betekenis toe gelet op de overige bewijsmiddelen. Verder is juist dat het gebruikte wapen een Smith & Wesson .357 was, dat [slachtoffer 10] in de borst is geraakt en dat ook [medeverdachte 5] met datzelfde wapen om het leven is gekomen. Er is niet gebleken van een motief bij deze getuige om een valse verklaring af te leggen en ook is niet aannemelijk geworden dat deze getuige de informatie in zijn verklaring heeft verkregen uit de media of door het lezen van het (voorgeleidings)dossier van [medeverdachte 2] . Belangrijk om op te merken is dat de medegedetineerde de informatie van [medeverdachte 2] heeft gehoord in december 2021, terwijl pas uit het DNA-rapport van 28 oktober 2022 is gebleken dat er ook DNA van [slachtoffer 10] op het wapen zat. De medegedetineerde kon in december 2021 dan ook niet weten dat in oktober 2022 bevestigd zou worden dat [slachtoffer 10] het wapen heeft aangeraakt. Sommige onderdelen van de verklaring van de medegedetineerde kloppen weliswaar niet met andere onderzoeksresultaten (namelijk dat er een Audi RS3 is gebruikt en dat degene die te voet vluchtte dezelfde persoon is als degene die zelfmoord pleegde), maar de hiervoor beschreven punten die wel overeenstemmen wegen voor het hof zwaarder.\n\nVerder is van belang om te markeren dat deze getuigenverklaringen elkaar ook onderling ondersteunen.\n\nVerklaring [medeverdachte 11] over rol [medeverdachte 3]\n\n [medeverdachte 11] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) ook bij de overval is geweest op die man in Berkhout. Hij heeft ook toen als chauffeur opgetreden. Dat [medeverdachte 11] hier spreekt over het zaaksdossier Ararat leidt het hof af uit zijn opmerking dat dit die zaak is waar de politie die man op de camera’s heeft gezien, een jongen uit Alkmaar. Dit komt overeen met de informatie in het dossier dat op de camerabeelden [medeverdachte 7] is gezien. [medeverdachte 7] is afkomstig uit Alkmaar en heeft als getuige verklaard dat hij daar toen aanwezig is geweest. Bovendien heeft de getuige verklaard over de door [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) geleende auto van iemand uit Heerhugowaard. Ook dit wordt door de onderzoeksresultaten bevestigd. De auto die gebruikt is bij de overval en te horen is op de camerabeelden is immers herkend door getuige [getuige 8] die bevestigd heeft dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn auto hebben geleend.\n\nTussenconclusie met betrekking tot verklaringen van getuigen\n\nOp grond van het voorgaande concludeert het hof dat verschillende personen hebben verklaard dat zij van [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] hebben gehoord dat [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] betrokken is\u002Fzijn geweest bij de overval op [slachtoffer 10] . Voormalig medeverdachte [medeverdachte 11] heeft over de betrokkenheid van [medeverdachte 3] verklaard. Twee van de getuigen hebben [medeverdachte 2] aangewezen als de schutter. Nu deze verklaringen steun vinden in de resultaten van het forensisch onderzoek, gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 2] degene is geweest die het schot heeft gelost als gevolg waarvan [slachtoffer 10] is overleden.\n\nConclusie\n\nHet hof leidt uit het voorgaande af dat alle vier de verdachten betrokken zijn geweest bij de voorbereiding en de uitvoering van de overval op de woning van [slachtoffer 10] . Al in de dagen voorafgaand aan de overval is over de ‘klus’ gesproken en is de omgeving voorverkend. Voor wat betreft de verschillende rollen kan vastgesteld worden dat [medeverdachte 3] de chauffeur was van de vluchtauto en dat [medeverdachte 2] heeft geschoten. Hoewel de rollen van [verdachte] en [medeverdachte 1] niet verder kunnen worden geduid, is het hof van oordeel dat deze rollen in elk geval voldoende waren voor medeplegen. De verdachten hebben immers (allen) in de voorfase overleg gevoerd over de overval, [verdachte] heeft met [medeverdachte 5] de omgeving voorverkend, ze hebben op het moment van vertrek naar de woning in Berkhout allemaal hun telefoon uitgezet, zij zijn gezamenlijk naar de woning in Berkhout toegegaan waarna [medeverdachte 3] achterbleef in de auto om direct de vluchtauto te kunnen besturen. De overige verdachten (en [medeverdachte 7] ) zijn naar de woning gegaan om het vooraf besproken doel, te weten het halen van een groot contant geldbedrag dat men dacht daar aan te zullen treffen, te realiseren.\n\nDat het geld uiteindelijk niet is meegenomen en dus de diefstal niet is voltooid kan worden verklaard door het schot dat is gelost en in elk geval direct tot levensgevaarlijke verwondingen bij [slachtoffer 10] heeft geleid. Gelet hierop is het aannemelijk dat de verdachten direct na het dodelijke schot de woning hebben verlaten en zijn vertrokken.\n\nHet hof acht voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het medeplegen van de poging diefstal met (bedreiging met) geweld de dood ten gevolge hebbend.\n\nGekwalificeerde doodslag\n\nAan de verdachte is ook het medeplegen ten laste gelegd van gekwalificeerde doodslag (artikel 288 Sr). Het hof verwijst allereerst naar de in zaaksdossier Zwenkau gemaakte algemene opmerkingen over de eisen die de wet stelt aan een bewezenverklaring van gekwalificeerde doodslag. Hieronder licht het hof toe waarom voor [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aan die eisen is voldaan.\n\nOpzet\n\nOp grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachten de woning zijn binnengedrongen met de intentie [slachtoffer 10] van het leven te beroven. Het opzet van de verdachten was erop gericht een overval te plegen en een groot geldbedrag buit te maken. Er is dus geen sprake van zogenoemd ‘vol’ opzet op de dood van [slachtoffer 10] .\n\nVoorwaardelijk opzet\n\nVan belang om te markeren is dat [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] voorafgaand aan de overval in de woning van [slachtoffer 10] , betrokken zijn geweest bij eerdere overvallen die zij gezamenlijk hebben gepleegd en waarbij vuurwapens zijn gebruikt. In twee gevallen is dat vuurwapen ook daadwerkelijk afgevuurd, namelijk in de onderzoeken Mainz en Zwenkau. In het onderzoek Mainz is met een wapen in de richting van het hoofd van slachtoffer [slachtoffer 1] geschoten toen hij zich verzette tegen de overvallers. In het onderzoek Zwenkau is komen vast te staan dat het slachtoffer [slachtoffer 5] in haar hals is geschoten toen zij en haar partner zich verzetten tegen de overvallers. Gelet op de betrokkenheid van de verdachten bij deze eerdere overvallen waarbij vuurwapens zijn gebruikt, moesten de verdachten er ook bij deze overval ernstig rekening mee houden dat een of meer wapen(s) zou(den) worden meegebracht en gebruikt. Door kennelijk een vuurwapen direct bij de hand te hebben, hebben de verdachten zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat bij verzet door [slachtoffer 10] het vuurwapen zou worden gebruikt en dat hij daardoor zodanig ernstig gewond zou raken, dat zijn dood het gevolg zou zijn. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat schotwonden onder omstandigheden dit gevolg kunnen hebben. Bovendien is [slachtoffer 10] in de borst geschoten. De borst is een kwetsbaar deel van het lichaam omdat zich daarin vitale organen bevinden.\n\nAangezien deze vier verdachten in (deels) dezelfde samenstelling (in deze aangevuld met [medeverdachte 7] ), wederom midden in de nacht, een tijdstip waarop bewoners doorgaans thuis zijn, gewapend naar een woning zijn gegaan met het doel de bewoner met (bedreiging met) geweld te beroven, hebben zij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ook bij deze overval de bewoner zou worden neergeschoten in geval van verzet.\n\nDaarnaast is op het filmpje van de tas met de Scorpion (dat is gemaakt kort voor vertrek vanuit de loods naar Berkhout) [medeverdachte 2] te horen en [medeverdachte 1] te zien. [verdachte] heeft ten overstaan van het hof bevestigd dat hij die avond in de loods de Scorpion heeft gezien. De verdachten hadden daarom nog meer reden om rekening te houden met de aanwezigheid van een vuurwapen. Voor [medeverdachte 2] geldt bovendien dat hij door het hof als de schutter wordt beschouwd en dus van de aanwezigheid van dat vuurwapen op de hoogte was.\n\nOogmerk\n\nDuidelijk is dat de verdachten uit waren op het contante geld dat in de woning van [slachtoffer 10] aanwezig was. Zij hebben de voordeur van de woning opengebroken, ten minste één van de verdachten heeft de woning betreden, waarna in de hal van de woning een gevecht heeft plaatsgevonden met [slachtoffer 10] en [slachtoffer 10] is daarbij in de borst geschoten. Daarna heeft\u002Fhebben de in de woning aanwezige verdachte(n) de woning van [slachtoffer 10] verlaten.\n\nDe raadslieden van de verdachte hebben betoogd dat het dossier geen aanwijzing bevat dat het schot werd gelost met het oogmerk de overval te begunstigen of straffeloosheid te verzekeren. Oogmerk veronderstelt een bewuste, op een bepaald doel gerichte wilshandeling. Een (impulsief en mogelijk per ongeluk afgevuurd) paniekschot tijdens een worsteling, het onmiddellijk vluchten van de verdachten, het nog leven van het slachtoffer op het moment dat de woning werd verlaten en het feit dat er geen voortgezette zoektocht naar de buit heeft plaatsgevonden wijzen juist op het tegendeel, aldus de verdediging.\n\nHet hof overweegt het volgende.\n\nBij de eerdere overvallen Mainz en Zwenkau is door de verdachten geschoten op het moment dat de slachtoffers zich verzetten tegen de overvallers. Ook bij de hierna te bespreken overval in het onderzoek Willich is door de overvallers ( [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) geschoten op het moment dat het slachtoffer verzet bood. Uit dit patroon leidt het hof af dat de verdachten bij al deze overvallen kennelijk vuurwapens hebben meegebracht om zo nodig te gebruiken op het moment dat de slachtoffers verzet zouden bieden.\n\nUit de verklaring van de beperkt anonieme medegedetineerde blijkt dat [medeverdachte 2] het wapen heeft gericht op [slachtoffer 10] op het moment dat deze de trap af kwam. Met andere woorden: op dat moment heeft [medeverdachte 2] de keuze gemaakt om het wapen als dreigmiddel te gebruiken tegenover mogelijk verzet. De beperkt anonieme medegedetineerde heeft verder verklaard dat er vervolgens een klein handgemeen heeft plaatsgevonden waarbij het vuurwapen vastgepakt werd of tegen het wapen is geslagen door het slachtoffer en het vuurwapen is afgegaan. Deze verklaring is verder weinig concreet en specifiek over de gang van zaken, en hiermee is op zichzelf dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat het schot per ongeluk is afgegaan. Uit de verklaring blijkt bijvoorbeeld niets over het verloop van de worsteling, hoe het kan dat het vuurwapen op de borst van [slachtoffer 10] was gericht, hoe het wapen door het slachtoffer dan zou zijn vastgepakt of hoe hij tegen dat wapen zou hebben geslagen, of het vuurwapen al schietklaar was voorafgaand aan de worsteling of pas later en hoe het kan dat het vuurwapen “is afgegaan” (is het wapen afgegaan zonder dat de trekker werd overgehaald, heeft [medeverdachte 2] in een reflex de trekker overgehaald, of was er nog een andere oorzaak).\n\nDat verdachten na het schot onmiddellijk zijn gevlucht, dat het slachtoffer op dat moment nog leefde en dat er geen voortgezette zoektocht naar de buit heeft plaatsgevonden, is weliswaar een aanwijzing dat verdachten voorafgaand aan de overval niet het plan hadden om iemand dood te schieten, maar zegt niets over het oogmerk waarmee het schot tijdens de worsteling werd gelost.\n\nUit het feit dat het gebruik van een vuurwapen past binnen de gebruikelijke werkwijze van de verdachten, waarbij zowel bij overvallen voorafgaand aan deze overval als bij de hierop volgende overval door de verdachten is geschoten op het moment dat slachtoffers verzet boden, het feit dat [medeverdachte 2] een vuurwapen op [slachtoffer 10] heeft gericht op het moment dat hij de trap af kwam en het feit dat [slachtoffer 10] vervolgens verzet heeft geboden, kan het hof, ook bij gebrek aan een betrouwbare verklaring van één van de verdachten uit eigen wetenschap over de aanleiding voor het schot, geen andere conclusie verbinden dan dat [slachtoffer 10] kennelijk door [medeverdachte 2] is neergeschoten omdat [slachtoffer 10] de verdachten in zijn woning betrapte en zich tegen hen verzette, met het oogmerk om hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.\n\nHet hof acht dus het voor gekwalificeerde doodslag vereiste oogmerk aanwezig. Voor de hand ligt dat – gelet op de betrapping op heterdaad door en het daarop volgende verzet van [slachtoffer 10] – het vuurwapen is gebruikt om de vlucht mogelijk te maken (en dus: straffeloosheid te verzekeren). Uit de rechtspraak volgt overigens dat – zoals in het geval van [slachtoffer 10] – ook sprake kan zijn van het oogmerk om zich het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren in het geval de diefstal (nog) niet is voltooid en dus (nog) niets is weggenomen van het slachtoffer. Dat het wapen is afgegaan voordat er iets uit de woning van [slachtoffer 10] is weggenomen, vormt dus geen obstakel voor het aanwezig achten van het vereiste oogmerk.\n\nOogmerk en medeplegen\n\n [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben niet op [slachtoffer 10] geschoten. Ook degene die niet het bijkomende oogmerk had, kan echter voor het medeplegen van gekwalificeerde doodslag worden veroordeeld als hij welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn mededader een derde zou doden om bijvoorbeeld de vlucht mogelijk te maken of straffeloosheid te verzekeren. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, volgt dat daarvan in deze zaak sprake is.\n\nConclusie\n\nDe doodslag is vergezeld van een poging tot diefstal met geweld en is gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.\n\nHet hof merkt op dat sprake is geweest van eendaadse samenloop van de gekwalificeerde doodslag en de poging diefstal met (bedreiging met) geweld, de dood ten gevolge hebbend. Dat betekent dat deze gedragingen van de verdachte weliswaar twee strafbare feiten opleveren maar de verdachte in wezen één verwijt wordt gemaakt nu het gaat om dezelfde handelingen die op dezelfde tijd en plaats plaatsvonden.\n\n6.2.6. Zaaksdossier Willich\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging gekwalificeerde doodslag en het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het bewijs daarvoor volgt uit:\n\nde aangiftes;\n\nchatgesprekken voorafgaand aan de overval;\n\ncamerabeelden;\n\nde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 9] ;\n\nde omstandigheid dat het wapen dat is gebruikt bij de overval aan de verdachten gekoppeld kan worden;\n\nde door [medeverdachte 1] in hoger beroep afgelegde verklaringen.\n\nDe advocaat-generaal heeft zich in dit zaaksdossier op het standpunt gesteld dat [verdachte] de schutter is geweest die op [slachtoffer 12] heeft geschoten. Uit het dossier blijkt dat het type wapen dat is gebruikt in deze zaak een Scorpion betreft. Volgens de advocaat-generaal kan dit type wapen aan [verdachte] worden gekoppeld. De verklaring van [verdachte] dat hij wist van de overval, maar niet mee is gegaan naar de overval is niet geloofwaardig gelet op de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde\n\nOordeel van het hofZaaksdossier Willich gaat over een woningoverval in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021.\n\nHet hof is evenals de rechtbank van oordeel dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag en het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank grotendeels overnemen en aanvullen waar nodig met verklaringen van de verdachten en bewijsmiddelen die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd. Het hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [verdachte] de schutter is geweest in deze zaak.\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nVerklaring [medeverdachte 1] in hoger beroep\n\n [medeverdachte 1] heeft bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [medeverdachte 4] , ‘ [medeverdachte 6] ’, [verdachte] , [medeverdachte 2] en hijzelf aanwezig waren bij de overval. Er was ook nog een andere jongen bij van wie een DNA-spoor is aangetroffen op de trui van de aangever [slachtoffer 12] . Deze jongen heeft buiten gewacht in de auto. Volgens [medeverdachte 1] was het de bedoeling wiet te stelen. Er moest snel geld [slachtoffer 12] , want het kon elk moment klaar zijn. De groep beroofde vaker wietplantages en het ging altijd goed in die zin dat ‘niemand een kogel kreeg’ en de politie werd niet gebeld door de slachtoffers. [medeverdachte 1] had van ‘ [bijnaam 7] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 8] ) gehoord dat er wiet in de woning lag. Hier zou tevoren over zijn gesproken met [bijnaam 7] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en hemzelf. Eén of twee dagen voor de overval zou [medeverdachte 1] zijn gaan kijken op de te overvallen locatie samen met [bijnaam 7] en [medeverdachte 2] .\n\nTijdens de overval is [medeverdachte 1] met [medeverdachte 6] in de schuur geweest waar de aangever [slachtoffer 11] zich bevond. De schuur werd ook als een woning gebruikt. [medeverdachte 6] had een bijl in zijn hand en rende op de aangever [slachtoffer 11] af, die daarna met tape is vastgebonden door [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat daarbij ook een wapen is getoond. De aangever [slachtoffer 11] zou hebben gezegd dat er wiet in het huis lag. Hierna zou zijn gevraagd om sleutels van de hoofdwoning, maar de aangever [slachtoffer 11] had deze niet.\n\n [medeverdachte 1] is de woning van de aangever [slachtoffer 12] binnengekomen door een raam te forceren. [medeverdachte 2] zou naar binnen zijn gegaan en de aangever [slachtoffer 12] gelijk tegen zijn gekomen. [medeverdachte 1] zag dat er binnen een worsteling ontstond tussen [medeverdachte 2] en de aangever [slachtoffer 12] .\n\n [medeverdachte 4] en [verdachte] stonden met [medeverdachte 1] buiten. [verdachte] stond aan de linkerkant en [medeverdachte 4] aan de rechterkant. [medeverdachte 1] stond bij het raam. Aan de linkerkant van [medeverdachte 1] ging vervolgens een wapen af. [medeverdachte 1] hoorde een ‘paf’. Toen het schot was gelost zag [medeverdachte 1] een Scorpion met een demper erop. [medeverdachte 1] zag dat de demper eraf vloog omdat deze er niet goed opgedraaid was. [medeverdachte 1] zag dat [verdachte] de demper van de grond pakte en weer op het wapen draaide. Het was ook [verdachte] die een wapen bij zich had. [medeverdachte 4] zou mensen buiten hebben bedreigd met een zwarte revolver.\n\nHet slachtoffer is naar buiten gevlucht via de voordeur, waarna [medeverdachte 1] naar binnen is gestapt via het kozijn. Hij zag bloed op de grond liggen. [medeverdachte 2] heeft een dweil gepakt en daarmee de grond gedweild om schoensporen uit te wissen. Hierna zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar boven gelopen. [medeverdachte 1] heeft geprobeerd een witte deur te openen. Toen dit niet lukte is hij weer naar beneden gegaan. Buiten was het druk geworden met toeschouwers. [medeverdachte 1] is teruggelopen naar de woning en heeft [medeverdachte 2] geroepen.\n\nZe zijn allemaal weggerend en bij de chauffeur in een witte auto gestapt. Na een klein stukje zijn ze uitgestapt en kwamen zij in een steeg terecht. In die steeg zijn [medeverdachte 1] en de andere overvallers te zien op de camerabeelden waarop ze ‘in een treintje achter elkaar lopen’. [medeverdachte 1] is op de camerabeelden naar eigen zeggen de persoon met de gevlekte rugtas. [medeverdachte 6] is naar zijn eigen auto gegaan en in de kofferbak gaan liggen. [medeverdachte 1] is met [medeverdachte 4] naar de woning van [medeverdachte 2] gegaan, maar wel via een omweg om camera’s te omzeilen.\n\nBij terugkomst in de woning van [medeverdachte 2] waren daar [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [getuige 1] en [medeverdachte 4] . Gedurende de overval heeft hij zijn telefoon uitgezet.\n\nVerklaringen van de aangevers [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12]\n\nDe overval heeft vanaf 03:44 uur plaatsgevonden aan de [adres 28] in Noord-Scharwoude. De locatie betreft een woonhuis met daarnaast een steeg en daaraan grenzend een schuur\u002Fgarage met woongedeelte. Aangever [slachtoffer 11] verbleef in de schuur en aangever [slachtoffer 12] in de woning. Beiden waren aan het slapen op het moment van de overval. [slachtoffer 11] is tijdens de overval bedreigd met een wapen, geschopt en vastgebonden met tape. De daders hebben [slachtoffer 11] naar geld en de wiet gevraagd. [slachtoffer 12] is beschoten, heeft gevochten met één van de daders en is ernstig gewond de woning uit gevlucht en naar het ziekenhuis gebracht. Op de eerste verdieping van de woning waar [slachtoffer 12] verbleef zijn een hennepkwekerij en onder andere hennepplantjes gevonden. Bij de overval zijn portemonnees, een sleutel, een telefoon en een breekijzer weggenomen.\n\nLetsel van de aangever [slachtoffer 12]\n\n heeft een schotwond opgelopen in de borst. Verder zijn bij hem gebroken ribben, een klaplong, letsel aan meerdere longkwabben en een bloeding in de borstholte vastgesteld. [slachtoffer 12] heeft vier liter bloed verloren en hij is geopereerd. Het hof is het met de rechtbank eens dat daarmee sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 Sr.\n\nCamerabeeldenIn het dossier bevinden zich (beschrijvingen van) camerabeelden uit de omgeving van de plaats van het delict en camerabeelden van de omgeving van de [straat 1] \u002F [straat 2] \u002F [straat 3] in Noord-Scharwoude.\n\nUit de camerabeelden in de omgeving van de plaats delict ( [adres 29] ) volgt dat bij de overval sprake was van één dadergroep van vijf personen. Te zien is dat om 03:44 uur deze groep van vijf personen de steeg van [adres 28] binnengaat. Dit is hetzelfde tijdstip als het tijdstip waarop volgens de aangevers de overval heeft plaatsgevonden. Op de verschillende beelden zijn vijf personen te zien in donkere kleding met hoodies. De getuige [getuige 11] , die vier van de vijf daders de steeg uit zag komen en in de rug werd gelopen door een vijfde dader met een revolver, heeft het over in ieder geval drie personen met gezichtsbedekking (kappen). Omstreeks 04:34 uur verlaten de vijf personen de plaats van het delict.\n\nOmstreeks 04:40 uur is vervolgens een groep van vijf personen in donkere kleding en hoodies te zien op de [straat 1] . Deze groep personen loopt door naar de [straat 2] . Op de beelden van de [adres 20] (in samenhang met de beelden van [adres 21] ) is te zien dat drie van deze vijf personen gezichtsbedekking dragen. Verder is op de camerabeelden van zowel de [straat 5] , als op die van de [adres 21] en [adres 20] te zien dat één van de vijf personen een rugtas draagt met een vlekkerige print, ook wel camouflageprint genoemd. Tenslotte is de portemonnee van aangever [slachtoffer 12] nog dezelfde dag teruggevonden in een speeltuin gelegen achter een woning aan de [adres 22] . Het hof merkt op dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de persoon is op de camerabeelden met ‘de gevlekte rugtas’.\n\nHet hof is het met de rechtbank eens dat de vijf personen die te zien zijn op de camerabeelden van de plaats delict dezelfde personen zijn als de personen op de camerabeelden van de omgeving [straat 1] \u002F [straat 2] \u002F [straat 3] . Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het aantal personen, de rugtas met camouflageprint en gezichtsbedekking op de camerabeelden overeen komen . Dat de bovenkleding in het ene proces-verbaal als donker en in het andere proces-verbaal als licht wordt beschreven doet daar niets aan af omdat kleding kan zijn uittrokken. Hiervoor vindt het hof ook bevestiging in de verklaring van [medeverdachte 1] die heeft verklaard altijd een ‘dubbele laag’ kleding te dragen. Bovendien heeft [medeverdachte 1] ook verklaard over een dadergroep van vijf personen en een chauffeur die in de auto bleef.\n\nVoorbereiding en afspreken bij [medeverdachte 2]In het dossier bevinden zich verschillende chatgesprekken van 21 juli 2021 waaruit blijkt dat de verdachten met elkaar over het voornemen om een overval te plegen hebben gesproken en naar het oordeel van het hof deze hebben voorbereid:\n\n [medeverdachte 1] heeft contact met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 1] om een auto (“wagie”) te regelen en hij zegt dat [medeverdachte 1] moet zorgen dat alles klaar is (“regel alles reddy”). [medeverdachte 1] geeft dan aan [medeverdachte 2] aan dat het hem niet lukt om een auto te regelen (“ik kan nu geen waggie fixen”).\n\nOndertussen heeft [medeverdachte 1] contact met [verdachte] . [medeverdachte 1] zegt: “lekker vanavond bij [bijnaam 6] ”. [medeverdachte 2] heeft zelf ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [bijnaam 6] wordt genoemd. [medeverdachte 1] vraagt aan [verdachte] of hij ook aanwezig is. [verdachte] zegt dat hij aanwezig is en vraagt aan [medeverdachte 1] of alles geregeld (“gefixt”) is en of er een auto geregeld is om spullen weg te kunnen nemen (“een waggie om spullen te rossen”). [medeverdachte 1] geeft daarop aan dat [medeverdachte 2] een bus heeft geregeld. [verdachte] is dan tevreden (“oke cool bro”). Hij zegt dat hij op dat moment (16:28 uur) in Duinrell is en dat hij er rond 12 is (het hof begrijpt: twaalf uur ‘s nachts).\n\nLater op de avond vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] of hij hem kan ophalen van station Heerhugowaard. [medeverdachte 2] antwoordt dat dat kan en dat hij eraan komt. Om 21:54 uur geeft [medeverdachte 1] aan dat hij [medeverdachte 2] belt als hij er bijna is en om 22:39 uur is [medeverdachte 1] kennelijk gearriveerd, want dan vraagt hij waar [medeverdachte 2] is. Op de camerabeelden van de [adres 20] is vervolgens te zien dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] omstreeks 23:02 uur achter elkaar aanlopen in de richting van de woning van [medeverdachte 2] .\n\nOm 23:06 uur vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] of hij met [medeverdachte 2] is en geeft hij aan dat hij zo uit huis gaat.\n\nHet hof begrijpt uit deze berichten in onderlinge samenhang bezien dat de verdachten spreken over het regelen van een auto voor de overval en dat onderling werd afgestemd om voorafgaand aan de overval met elkaar af te spreken bij [medeverdachte 2] thuis.\n\nDeze lezing vindt ook steun in de verklaringen die [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben afgelegd in hoger beroep. [verdachte] heeft bevestigd dat hij heeft gesproken over het regelen van een auto voor ‘de klus’ (het hof begrijpt: de overval) en dat hij de avond van deze overval bij [medeverdachte 2] thuis is geweest. [medeverdachte 1] bevestigt ook dat deze gesprekken gingen over het regelen van een auto voor de overval.\n\nVerklaring van de getuige [getuige 1]De getuige [getuige 1] heeft met betrekking tot de overval van zaaksdossier Willich verklaard dat [verdachte] en zijn vriendin [getuige 9] die nacht bij haar en [medeverdachte 2] thuis waren op de [adres 23] . Ook waren er volgens haar twee andere mannen met een donkere huidskleur aanwezig. [getuige 1] heeft verklaard dat de mannen, waaronder [medeverdachte 2] en [verdachte] , in de nacht zijn weggegaan en dat [getuige 9] bij haar is blijven wachten. Zij en [getuige 9] hebben de hele tijd samen gezeten en zijn op enig moment in slaap gevallen. Toen ze terugkwamen zijn [verdachte] en [getuige 9] weggegaan. Over [medeverdachte 1] heeft [getuige 1] verklaard dat zij hem in de ochtend bij haar thuis heeft gezien.\n\n [getuige 1] heeft tijdens haar verhoor bij de politie op 3 oktober 2022 de bewegende beelden van de [adres 21] zoals vertoond in Opsporing Verzocht bekeken, en een still(overzichtsfoto) waarop van links naar rechts de daders 1 tot en met 5 te zien zijn (zoals te zien op p. 581 in Map ZD07). [getuige 1] heeft aangegeven iedereen te herkennen op de beelden. Zij heeft daarover gezegd dat als je met iemand omgaat, dat je diegene dan herkent. Op de overzichtsfoto herkent zij persoon 1 als [medeverdachte 2] . Persoon 2 met de schoudertas herkent zij als [verdachte] . Persoon 3 met de camouflagerugzak is volgens haar [medeverdachte 1] . Personen 4 en 5 zouden volgens [getuige 1] [medeverdachte 4] en een vriend van hem zijn. Dat de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar is, is hiervoor al overwogen.\n\nBovendien vindt de verklaring van [getuige 1] steun in andere bewijsmiddelen zoals hieronder weergegeven.\n\nOndersteuning voor de verklaring van [getuige 1]De verklaring van [getuige 1] vindt bovendien steun in de verklaring van [getuige 9] , die net als [getuige 1] aan de politie heeft verklaard dat zij één keer samen met [verdachte] bij [medeverdachte 2] en [getuige 1] thuis is geweest en dat zij toen de hele tijd samen met [getuige 1] in de woonkamer heeft gezeten. Ook heeft [getuige 9] verklaard dat er die avond een groep van vier of vijf mannen in de keuken aanwezig was, waaronder [medeverdachte 2] en [verdachte] . [getuige 9] heeft verklaard dat zij op de bank in slaap is gevallen en dat [verdachte] haar wakker heeft gemaakt, waarna [getuige 9] en [verdachte] naar huis zijn gegaan. Zowel [getuige 9] als [verdachte] hebben tegenover de politie verklaard dat zij samen wegrijden in de auto die volgens de camerabeelden om 04:50 uur wegrijdt over de [straat 1] , komende vanaf (de parkeerplaats achter) de [straat 2] . De verklaring van [getuige 9] over het verloop van de avond\u002Fnacht past bij wat [getuige 1] hierover heeft verklaard.\n\nDe verklaring van [getuige 1] vindt daarnaast steun in de camerabeelden, die passen bij het tijdspad waarover [getuige 1] en [getuige 9] verklaren.\n\n [getuige 1] heeft [medeverdachte 2] herkend als degene die op de beelden van de [adres 21] voorop loopt (persoon 1). Zij herkent hem onder meer aan zijn loopje en de beige schoenen en geeft daarbij aan dat hij een muts op heeft, maar geen gezichtsbedekking. [verdachte] heeft zij herkend als persoon 2. Op de beelden van de [adres 21] draagt persoon 2 een sporttas ter hoogte van de rechterheup. Op de beelden van de [adres 20] is te zien dat persoon 1 nog steeds voorop loopt. Op deze beelden is ook te zien dat deze persoon geen gezichtsbedekking draagt, maar een muts op lijkt te hebben met een capuchon daaroverheen, zoals [getuige 1] heeft beschreven. Persoon 2, met de sporttas nu kruiselings om zijn schouder, loopt als derde de steeg in naast [adres 20] .\n\nVervolgens is op de beelden van de [adres 31] te zien dat de personen 1 en 2 omstreeks 04:43 uur achter elkaar aan lopend de steeg naast [adres 20] uitkomen en vanaf de achterzijde van de [straat 2] , recht over de parkeerplaats, richting de [straat 3] lopen. Persoon 2 doet tijdens het lopen de sporttas af en houdt hem in zijn hand. Uit de beelden van [adres 24] en [adres 30] volgt dat personen 1 en 2 doorlopen naar het voetpad richting [straat 4] . Komende vanaf dat voetpad, uit de richting van de parkeerplaats, is de tweede woning aan de rechterkant de woning van [medeverdachte 2] .\n\nHet hof is met de rechtbank van oordeel dat de personen op de camerabeelden die hierboven zijn beschreven elke keer [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn, die na de overal samen teruglopen naar de woning van [medeverdachte 2] . Het teruglopen van [verdachte] en [medeverdachte 2] sluit daarnaast aan bij het vertrek van [verdachte] en [getuige 9] zeven minuten later vanaf de woning van [medeverdachte 2] naar Rotterdam.\n\nVerder vindt de verklaring van [getuige 1] dat zij persoon 3 op de beelden (de persoon met de rugtas met camouflageprint) als [medeverdachte 1] herkent steun in de verklaring van [medeverdachte 1] zelf, die heeft verklaard dat hij de persoon met ‘de gevlekte rugtas’ is. De verklaring van [getuige 1] dat zij [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] herkent als 4 van de 5 personen die te zien zijn op de camerabeelden vindt ook steun in de verklaring van [medeverdachte 1] , die over al deze personen heeft verklaard dat zij bij de overval aanwezig waren.\n\nGebruikte vuurwapenUit de bewijsmiddelen volgt dat aangever [slachtoffer 12] is beschoten met een vuurwapen. De kogel die door het lichaam van [slachtoffer 12] heen is gegaan is teruggevonden op de vensterbank van zijn woning. De huls is in de steeg teruggevonden. Uit munitie-onderzoek blijkt dat de huls vermoedelijk is verschoten met een (semi-)automatisch werkend machinepistool van het kaliber 7,65mm Browning type Scorpion, merk Ceska Zbrojovka model 61 of merk Crvena Zastava model 84. De afvuursporen in de kogel passen eveneens bij dergelijke vuurwapens. [slachtoffer 11] heeft verklaard dat hij een machinegeweer met een demper heeft gezien bij de daders.\n\nUit het dossier volgt daarnaast dat ook bij andere overvallen (Zulpich en Ararat) een Scorpion wapen is meegenomen. Zowel in het zaakdossier Zulpich als in Ararat is sprake van een foto dan wel videomateriaal waarop een op een Scorpion (gelijkend) wapen is te zien. Dat de verdachten over een Scorpion wapen beschikten vindt ook steun in de verklaringen van de verdachten zelf. [medeverdachte 1] heeft zowel ten aanzien van zaaksdossier Ararat als Willich verklaard dat hij een Scorpion wapen heeft gezien en dat deze door [verdachte] is meegenomen. [verdachte] heeft verklaard in zaaksdossiers Zulpich, Ararat en Willich dat hij een Scorpion heeft gezien op de avond van de overval. Ten aanzien van onderzoek Willich heeft hij verklaard over een ‘Scorpion met een demper’.\n\nTot slot heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [verdachte] bij de overval in Willich ‘een Scorpion met demper’ in zijn hand had en dat hij daarmee heeft geschoten.\n\nOp grond van het bovenstaande komt het hof net als de rechtbank tot de conclusie dat de aangever [slachtoffer 12] is beschoten met een Scorpion.\n\nSchutter\n\nHet hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat wel kan worden vastgesteld wie de schutter is geweest bij de overval in zaaksdossier Willich. Het hof komt tot de conclusie dat [verdachte] de schutter is geweest die van buiten naar binnen heeft geschoten en waarbij aangever [slachtoffer 12] is geraakt. Het hof trekt deze conclusie op basis van de verklaringen van [medeverdachte 1] , die heeft verklaard dat [verdachte] de schutter is geweest in onderzoek Willich. Het ging gewoon ‘paf’, er viel wat op de grond, kennelijk had [verdachte] de demper er niet goed opgedraaid van de Scorpion. [verdachte] pakte te demper van de grond en draaide deze er weer op. Bovendien blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] ten aanzien van het zaaksdossier Ararat dat [verdachte] vaker een Scorpion wapen meenam naar overvallen en dat hij dus over een zodanig wapen kon beschikken. [verdachte] heeft overigens ook zelf verklaard dat hij mensen kende die in wapens handelden en dat een paar keer aan hem om wapens is gevraagd.\n\nDat [verdachte] niet is meegegaan naar de overval en dat hij is achtergebleven in de woning van [medeverdachte 2] ‘om wiet snel door te kunnen stoten naar Rotterdam’ wordt weersproken door verschillende bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden. [getuige 1] verklaart immers dat [verdachte] de woning heeft verlaten en is teruggekomen. Dit vindt ook steun in de verklaring van [getuige 9] . Hoewel zij niet heeft verklaard dat zij [verdachte] weg heeft zien gaan, past haar verklaring met betrekking tot het verloop van de avond wel bij de verklaring van [getuige 1] . Daarnaast blijkt uit zowel de herkenning van [getuige 1] als de verklaring van [medeverdachte 1] dat [verdachte] te zien is op de camerabeelden voorafgaand aan en kort na de overval. Tot slot heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [verdachte] mee is gegaan naar de overval en dat hij de schutter is geweest. Dat ‘de overvaller met de donkere huidskleur’ zou kunnen duiden op [medeverdachte 9] wordt verworpen gelet op het voorgaande. Het hof betrekt daarbij dat de verklaring van [medeverdachte 1] ook aanwijzingen bevat dat [medeverdachte 9] wel bij de overval betrokken is geweest, maar dan in de rol als chauffeur. Dat de zendmast is aangestraald ook dekking geeft aan de woning van [medeverdachte 2] doet ook niets af aan de conclusie dat [verdachte] bij de overval is geweest. Het hof betrekt hierbij zoals eerder al overwogen ten aanzien van andere zaaksdossiers, dat het gebruikelijk was voor de verdachten om hun telefoons uit te zetten tijdens overvallen.\n\nMedeplegenHet hof komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en samenhang bezien tot de conclusie dat (in elk geval) [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en een persoon die “ [medeverdachte 6] ” wordt genoemd, betrokken zijn geweest bij de gewelddadige woningoverval in Noord-Scharwoude. Deze overval is zoals blijkt uit de chatgesprekken gezamenlijk voorbereid. De verdachten hebben van tevoren gesproken over het regelen van een auto en voorafgaand aan de overval is er bij [medeverdachte 2] thuis afgesproken. Vervolgens zijn de verdachten samen naar de overval gegaan. [medeverdachte 1] is met [medeverdachte 6] de schuur binnengegaan bij de aangever [slachtoffer 11] en hebben hem op gewelddadige wijze gevraagd ‘waar de wiet was’ en gevraagd naar de sleutel van de woning van [slachtoffer 12] . In de woning heeft [medeverdachte 2] gevochten met de aangever [slachtoffer 12] . [verdachte] heeft vervolgens van buiten door het raam geschoten op de aangever [slachtoffer 12] . Nadat [slachtoffer 12] hevig gewond naar buiten is gevlucht heeft [medeverdachte 4] vervolgens omstanders bedreigd met een pistool die op de situatie waren afgekomen. Alle verdachten hebben daarmee dus een actieve rol bij de overval gehad en hebben nauw en bewust samengewerkt. De samenwerking bestond daarbij in de kern uit een gezamenlijke uitvoering van een vooraf voor alle verdachten duidelijk plan om een overval te plegen. Dat betekent dat een bewezenverklaring volgt voor het medeplegen van diefstal met geweld (met slachtoffer [slachtoffer 11] ) en medeplegen van diefstal met geweld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (met slachtoffer [slachtoffer 12] ).\n\nGekwalificeerde doodslag\n\nAan de verdachte is daarnaast het medeplegen van een poging gekwalificeerde doodslag (artikel 288 Sr) ten laste gelegd. Het hof verwijst allereerst naar de in zaaksdossier Zwenkau gemaakte algemene opmerkingen over de eisen die de wet stelt aan een bewezenverklaring van (poging) gekwalificeerde doodslag. Hieronder licht het hof toe waarom in het zaaksdossier Willich voor [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan die eisen is voldaan.\n\nOpzet\n\nOp grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachten de woning zijn binnengedrongen met de intentie [slachtoffer 12] van het leven te beroven. Het opzet van de verdachten was erop gericht een overval te plegen en zo geld, hennep en\u002Fof waardevolle goederen mee te nemen. De daders hebben immers tegen zowel [slachtoffer 11] als de getuige [getuige 11] geroepen ‘waar is de wiet’. Nadat [slachtoffer 12] met het vuurwapen is neergeschoten en hij de woning is uit gevlucht, is de woning nog doorzocht en is in ieder geval [slachtoffer 12] portemonnee weggenomen. Van zogenoemd ‘vol’ opzet op de dood van [slachtoffer 12] is dan ook geen sprake.\n\nVoorwaardelijk opzetVervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood. Het hof stelt het volgende vast.\n\nZoals uit de bewijsmiddelen blijkt, heeft [verdachte] van buiten de woning door een raam [slachtoffer 12] met een semi-automatisch wapen in de borst geschoten op het moment dat de overval in volle gang was. Ook bij eerdere overvallen is door verdachten vuurwapengeweld gebruikt met het doel om het verzet van slachtoffers te breken. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan het hof uit deze gang van zaken dan ook geen andere conclusie trekken dan dat [verdachte] welbewust in de richting van [slachtoffer 12] heeft geschoten met het doel hem uit te schakelen. Concrete aanknopingspunten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het schot per ongeluk zou zijn afgegaan, zoals [medeverdachte 1] heeft verklaard, ontbreken in het dossier. [verdachte] heeft hier geen verklaring over willen afleggen.\n\nHet hof overweegt voorts dat dit de laatste overval is in een reeks overvallen die door de verdachten zijn gepleegd. Ook bij de eerdere overvallen zijn één of meer vuurwapens gebruikt, is in meerdere gevallen geschoten en tijdens de voorlaatste overval is een dodelijk slachtoffer gevallen. Onder deze omstandigheden kan bezwaarlijk worden volgehouden dat de andere verdachten er geen rekening mee hoefden te houden dat een vuurwapen gebruikt zou worden. Integendeel, zij hebben welbewust de kans aanvaard dat er ook tijdens deze overval door een van de verdachten geschoten zou worden en dat daarbij de aanmerkelijke kans op de dood van een van de slachtoffers aanwezig was.\n\nOogmerkTevens kan bewezen worden verklaard dat de daders deze poging tot doodslag hebben gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van de overval gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan de andere deelnemers hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Dit blijkt immers uit het feit dat het schot is gelost toen zij bij het binnendringen van de woning op de bewoner stuitten. Nadat [slachtoffer 12] zwaar gewond was geraakt en de woning was uit gevlucht, is de woning nog doorzocht op zoek naar waardevolle goederen en is in ieder geval de portemonnee van [slachtoffer 12] meegenomen.\n\nConclusie\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag.\n\nHet hof merkt op dat hierbij wat betreft aangever [slachtoffer 12] sprake is geweest van eendaadse samenloop van de poging tot gekwalificeerde doodslag en diefstal met (bedreiging met) geweld, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Dat betekent dat deze gedragingen van de verdachte weliswaar twee strafbare feiten opleveren maar de verdachte in wezen één verwijt wordt gemaakt nu het gaat om dezelfde handelingen die op dezelfde tijd en plaats plaatsvonden.\n\n6.2.7. Zaaksdossier criminele organisatie\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben deelgenomen aan een criminele organisatie die zich heeft beziggehouden met het plegen van gewelddadige (woning)overvallen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen verweren gevoerd met betrekking tot het bewijs.\n\nOordeel van het hof\n\n​Beoordelingskader\n\nVan een 'organisatie' als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en\u002Fof rechtspersonen.\n\nVan 'deelneming' aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene.\n\nVoor 'deelneming' in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.\n\nHet gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het 'oogmerk' tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.\n\nHet oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.\n\nVoor het bewijs voor deelname aan de criminele organisatie zal, gelet op het hiervoor weergegeven\n\nbeoordelingskader, dus moeten worden vastgesteld dat:\n\n-sprake is geweest van een organisatie;\n\n-deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven;\n\n-het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.\n\nOrganisatie\n\nOp grond van het bewijs dat is opgenomen ten aanzien van de hierboven besproken zaaksdossiers stelt het hof vast dat tussen de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een samenwerkingsverband heeft bestaan met een zekere duurzaamheid en structuur.\n\nDe verdachten hebben zich (in wisselende samenstelling) ongeveer een jaar lang beziggehouden met het plegen van (gewapende) gewelddadige overvallen. Hierbij werd voorafgaand veelvuldig met elkaar gecommuniceerd over adressen, het regelen van vluchtauto’s en (de aanschaf van) wapens, dempers en munitie. Na de overvallen werd er ook gecommuniceerd over het verloop van de overvallen en de (mogelijke) problemen die daardoor waren ontstaan. Voor de overvallen werd er vaak verzameld in de woning van [medeverdachte 2] of in de loods van [medeverdachte 3] , waarvandaan vervolgens werd vertrokken naar de locaties die werden overvallen. Uit de verklaringen van zowel [medeverdachte 10] als [medeverdachte 1] blijkt bovendien dat de verdachten soms overvallen pleegden nadat zij daarover ‘getipt’ waren. Uit het dossier en de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1] die zij in hoger beroep hebben afgelegd blijkt daarnaast dat het voor deze verdachten gebruikelijk was om hun telefoons uit te zetten tijdens overvallen, zodat zij niet traceerbaar zouden zijn voor opsporingsinstanties op het moment dat de overvallen gepleegd werden. Er was dus sprake van onderlinge afstemming tussen de verdachten die functioneel was voor het plegen van de overvallen. Deze afstemming vond zowel voor als na de overvallen plaats.\n\nIn de organisatie was ook sprake van een structuur met een zekere hiërarchie en rolverdeling.\n\nUit het dossier en (onder andere) de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat [verdachte] een bepalende stem had in de groep. Maar ook uit de chatgesprekken blijkt dat [verdachte] de medeverdachten aanstuurde om dingen te regelen. [verdachte] regelde zelf dat er wapens beschikbaar waren en hij is de persoon geweest die een Scorpion wapen heeft meegenomen naar verschillende overvallen. [verdachte] gedroeg zich tijdens verschillende overvallen gewelddadig. In zaakdossier Willich heeft het hof vastgesteld dat [verdachte] de schutter is geweest die de aangever [slachtoffer 12] door de borst heeft geschoten.\n\n [medeverdachte 1] heeft bij meerdere overvallen ervoor gezorgd dat er toegang is verkregen tot de woningen die werden overvallen, doordat hij ramen en deuren open heeft gemaakt. Tijdens de overvallen heeft [medeverdachte 1] vervolgens gezocht naar geld of andere waardevolle spullen die konden worden meegenomen. Ook [medeverdachte 1] gedroeg zich tijdens de overvallen gewelddadig. In zaaksdossier Oberhof heeft hij een (nep)wapen getoond aan een jonge medewerker van een tankstation, in zaaksdossier Zwenkau heeft hij geweld gebruikt tegen aangeefster en in zaaksdossier Willich heeft hij zich zeer gewelddadig en dreigend opgesteld naar de aangever [slachtoffer 11] .\n\n [medeverdachte 2] is voor de groep een belangrijke schakel geweest, doordat zijn woning een vaste verzamelplek was voor de groep. Bij meerdere overvallen heeft [medeverdachte 2] zich buitengewoon gewelddadig opgesteld naar slachtoffers. In zaaksdossier Zwenkau heeft hij met het mannelijke slachtoffer; de heer [slachtoffer 6] , gevochten, in zaaksdossier Millet heeft [medeverdachte 2] de aangeefster in haar gezicht geslagen en aan haar haren getrokken op het moment dat hij dacht dat de aangeefster niet eerlijk was geweest over de hoeveelheid geld die er in de woning lag. In zaaksdossier Willich heeft hij met het slachtoffer [slachtoffer 12] geworsteld\u002Fgevochten en in zaaksdossier Ararat heeft [medeverdachte 2] het dodelijke schot gelost.\n\n [medeverdachte 3] was bij alle overvallen betrokken als chauffeur. Hij was vaak actief betrokken bij het regelen van auto’s voor de overvallen en had voor de overvallen veelvuldig overleg met de medeverdachten. Ook voorzag hij in zaaksdossier Millet de groep van informatie over de woning van de slachtoffers waar een groot geldbedrag zou liggen. Zijn loods in [plaats 2] was bovendien een belangrijke plek voor de groep om te verzamelen voor en na de overvallen. De rol van [medeverdachte 3] was van dusdanig gewicht dat hij in alle zaken door het hof is aangemerkt als medepleger.\n\nOogmerk van de organisatie\n\nUit het bewijs dat is opgenomen ten aanzien van de hierboven besproken zaaksdossiers blijkt ook dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van overvallen. Er zijn door de groep meerdere overvallen gepleegd waarbij het de bedoeling was dat er geld en andere waardevolle spullen zoals sieraden en auto’s zouden worden buitgemaakt. In chats wordt regelmatig gesproken over geld en het hebben van ‘honger’ (het hof begrijpt: de behoefte om geld te verdienen). [medeverdachte 1] heeft in dat verband verklaard dat er vaker wietplantages werden overvallen en dat zij ‘heel veel wiet en geld’ hebben meegenomen. Kenmerkend in dit verband zijn de overvallen in Dreumel, Avenhorn en Berkhout. Voor de woning in Dreumel geldt dat de verdachten erg gemotiveerd waren om de overval te plegen omdat er naar verluid € 100.000 zou liggen in de woning. In de woning in Avenhorn zou goud en mogelijk ook cash aanwezig zijn en in de woning in Berkhout zou er volgens een tip veel contant geld aanwezig zijn wat de woningen aantrekkelijke objecten maakten om te overvallen.\n\nUit hetgeen hiervoor is overwogen onder ‘organisatie’ blijkt bovendien dat er een duurzame en gestructureerde samenwerking was tussen de verdachten. Daarbij was sprake van een onderlinge verdeling van taken en afstemming van activiteiten. Deze taakverdeling en afstemming gingen op een planmatige manier. Illustratief daarvoor is dat uit het dossier blijkt dat de verdachten van tevoren routes bekeken van en naar de locaties waar overvallen gepleegd moesten worden. Bij het bekijken van deze routes was er ook aandacht voor de locatie van ANPR-camera’s. Er vonden ook voorverkenningen plaats ten aanzien van verschillende overvallen. Het gezamenlijk uitzetten van telefoons tijdens de overvallen toont ook aan dat sprake was een bepaalde organisatiegraad. Deze verdeling en afstemming waren gericht op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, namelijk het plegen van overvallen.\n\nDeelname\n\nUit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de hiërarchie en de rolverdeling binnen de organisatie blijkt dat elke verdachte een eigen rol had en belangrijk is geweest voor de organisatie. De verdachten zijn daarmee allemaal deelnemers aan de organisatie geweest, omdat zij behoorden tot het samenwerkingsverband en een aandeel hebben gehad in de gedragingen die strekten tot het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie.\n\n7. Bewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n15\u002F316555-23 - Mainz1.\n\nhij op 8 augustus 2020 te De Goorn, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, uit een woning gelegen aan de [adres 1] tezamen en in vereniging met anderen een envelop (met daarin een geldbedrag ter hoogte van 3000,- euro), telefoons en sleutels, die aan [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen vuurwapen en breekijzers ter hand te nemen en\n\nmeermalen met een breekijzer tegen het lichaam en op het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en\n\nmeermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen en\n\ndie [slachtoffer 1] dreigend de woorden “geld, geld, geld” toe te voegen en\n\nmeermalen met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 1] te schieten en\n\ndie [slachtoffer 2] vast te pakken en\n\nvervolgens een vuurwapen tegen haar hoofd te drukken en te houden en\n\ndreigend de woorden “geld, geld, geld” toe te voegen en\n\neen voorwerp tegen de rug van die [slachtoffer 2] te duwen en\n\ndie [slachtoffer 2] te dwingen mee te lopen;\n\n15\u002F025439-23 - Millet\n\n2.hij op 30 december 2020 te Dreumel gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met anderen een geldbedrag en sieraden en een luchtbuks en een personenauto (Audi) en een portemonnee en een schroevendraaier en flessen champagne die geheel aan [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door\n\nvuurwapens en een breekijzer en een hamer ter hand te nemen en\n\ndaarbij dreigend tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] de woorden \"Geld\" en \"Er moet 100.000 euro liggen\" toe te voegen en\n\ndie [slachtoffer 4] te dwingen mee te lopen en\n\nde handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer 4] vast te binden en\n\ntegen het lichaam van die [slachtoffer 4] te slaan en\n\naan de haren van die [slachtoffer 4] te trekken en\n\ndie [slachtoffer 4] (met kracht) van het bed af te trekken\n\neen vuurwapen tegen zijn hoofd van die [slachtoffer 3] te houden en\n\nde handen en voeten van die [slachtoffer 3] vast te binden\n\n15\u002F259320-22 - Zwenkau\n\n3.hij op 7 januari 2021 te Avenhorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 5] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de hals van die [slachtoffer 5] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,\n\nwelke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd en vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld in vereniging van een geldbedrag en een portemonnee (met inhoud) en (auto)sleutels en sigaretten en een aansteker, gepleegd tegen die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ,\n\nwelke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n4.hij op 7 januari 2021 te Avenhorn, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan [adres 3] tezamen en in vereniging met anderen een geldbedrag, een portemonnee (met inhoud), (auto)sleutels, sigaretten en een aansteker, die aan [slachtoffer 6] en\u002Fof [slachtoffer 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om zich die goederen wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\nvuurwapens ter hand te nemen en\n\n [slachtoffer 6] bij de keel vast te pakken en\n\neen vuurwapen op die [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] te richten en te tonen, en\n\n(met een voorwerp) tegen het lichaam en op het hoofd van die [slachtoffer 6] te slaan en\n\ndreigend te roepen “geld” en \"Ga je geld halen achter\" en \"Schiet hem dood\" en \"We willen het grote geld\", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en\u002Fof strekking en\n\nmet kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer 5] te duwen en\n\nmet een vuurwapen op de keel te schieten ten gevolge waarvan die [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;\n\n15\u002F025439-23 - Zulpich\n\n5.\n\nhij op 4 juni 2021 te Heerhugowaard gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 4] tezamen en in vereniging met anderen een personenauto (Audi Q7) en een mobiele telefoon en een geldbedrag die aan [slachtoffer 9] en\u002Fof [slachtoffer 8] en\u002Fof [slachtoffer 7] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 9] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door\n\neen zak over het hoofd van [slachtoffer 9] te trekken en\n\ndie [slachtoffer 9] vast te binden en\n\neen heet strijkijzer tegen de schouder van [slachtoffer 9] te drukken en\n\ndie [slachtoffer 9] meermalen met een koevoet tegen het bovenbeen te slaan en\n\nte roepen \"waar is het geld\" en \"Ik snij haar strot door als jullie niet zeggen of er nog meer geld is\" en \"Waar is de kluis\" en\n\ndie [slachtoffer 7] meermalen (met een koevoet) tegen het zijn been te slaan en\n\neen vuurwapen te tonen aan [slachtoffer 7] en\n\ndie [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] vast te binden en te blinddoeken en\n\ntegen die [slachtoffer 7] te roepen \"waar is het geld\" en \"meer geld\" en\n\ntegen die [slachtoffer 8] te roepen \"waar is het geld\" en \"We steken het in brand en\n\neen vuurwapen op [slachtoffer 8] te richten en te dwingen mee te lopen;\n\n15\u002F322543-21 - Ararat6.hij op 14 juni 2021 te Berkhout tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 10] opzettelijk van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen op het bovenlichaam van die [slachtoffer 10] te schieten\n\nwelke doodslag werd vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal met geweld in vereniging van een of meerdere goederen, gepleegd tegen die [slachtoffer 10]\n\nen welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n7.hij op 14 juni 2021 te Berkhout gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachten voorgenomen misdrijf om geld en\u002Fof goederen die aan [slachtoffer 10] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen de woning van die [slachtoffer 10] door middel van braak heeft betreden\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nwelke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 10] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n een vuurwapen en breekijzer ter hand te nemen, en\n\nmet een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer 10] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 10] is overleden;\n\n15\u002F186945-22 - Willich\n\n8.hij op 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 28] tezamen en in vereniging met anderen een sleutel en een portemonnee (met inhoud) en een breekijzer toebehorende aan [slachtoffer 11] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 11] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- een vuurwapen op die [slachtoffer 11] te richten en te tonen, en\n\n- dreigend de woorden toe te voegen: “We willen de sleutel van (de woning van) [slachtoffer 12] \" en \"We willen geld”, althans woorden van soortgelijkende dreigende aard en\u002Fof strekking, en\n\n- die [slachtoffer 11] met tape vast te binden\n\n9.hij op 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 28] tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachten voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk [slachtoffer 12] van het leven te beroven,\n\nmet dat opzet met een vuurwapen in het bovenlichaam van die [slachtoffer 12] heeft geschoten,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nwelke poging tot doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld in vereniging door middel van braak, gepleegd in een woning gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd\n\nwelke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n10.hij op 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 28] tezamen en in vereniging met anderen een portemonnee (met inhoud) die aan [slachtoffer 12] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 12]\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\nmet een vuurwapen in het bovenlichaam van die [slachtoffer 12] te schieten en\n\ndie [slachtoffer 12] bij de keel vast te pakken ten gevolge waarvan die [slachtoffer 12] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen\n\n11.\n\nhij in de periode van 8 augustus 2020 tot en met 22 juli 2021 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van overvallen\n\nHetgeen onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, die in een bijlage achter dit arrest zijn te vinden.\n\n8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\n15\u002F316555-23 - Mainz\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\n15\u002F025439-23 - Millet\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\n15\u002F259320-22 - Zwenkau\n\nHet onder 3 en 4 bewezenverklaarde levert op eendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van poging tot doodslag, gevolgd en vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren\n\nen\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;\n\n15\u002F025439-23 - Zulpich\n\nHet onder 5 bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\n15\u002F322543-21 - Ararat\n\nHet onder 6 en 7 bewezenverklaarde levert op eendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren\n\nen\n\npoging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waartoe de schuldige zich de toegang heeft verschaft door middel van braak en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit de dood ten gevolge heeft;\n\n15\u002F186945-22 - Willich\n\nHet onder 8 bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nHet onder 9 en 10 bewezenverklaarde op eendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van poging tot doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren\n\nen\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;\n\nhet onder 11 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.\n\n9. Oplegging van straf\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 jaren met aftrek van het voorarrest.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het voor het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf\n\nBij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft het hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feitenDe verdachte heeft in een periode van een jaar deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met het plegen van gewelddadige (woning)overvallen, met name in de regio West-Friesland. Het hof acht bewezen dat hij samen met anderen de woningovervallen in de zaaksdossiers Mainz, Millet, Zwenkau, Zulpich, Ararat en Willich heeft gepleegd.\n\nBij al deze woningovervallen is buitensporig veel en heftig geweld gebruikt. Bewoners zijn uit het niets, ook als zij meewerkten, met een koevoet geslagen of aan haren van het bed getrokken. Ze zijn bedreigd met vuurwapens, met een hamer en met breekijzers. Ze zijn geschopt, geslagen en vastgebonden met tape of tie-wraps. [slachtoffer 9] is mishandeld met een heet strijkijzer. Slachtoffer [slachtoffer 1] is met de daders in gevecht geraakt en is beschoten met een vuurwapen. Slachtoffer [slachtoffer 5] is in haar hals geschoten en mag van geluk spreken dat zij dit heeft overleefd maar is ernstig gewond geraakt en kampt tot de dag van vandaag met de fysieke en mentale gevolgen daarvan. Slachtoffer [slachtoffer 10] is bij de overval op zijn woning in zijn borst geschoten en had dat geluk niet: hij is korte tijd later aan de gevolgen van zijn verwondingen overleden. Het hof acht het met de rechtbank ronduit schokkend dat de verdachte en zijn medeverdachten zich kennelijk niets hebben aangetrokken van het overlijden van [slachtoffer 10] en het leed dat en de onrust die zij daarmee hebben aangericht. Amper een maand na deze fatale overval hebben zij zich immers weer schuldig gemaakt aan een woningoverval (zaaksdossier Willich), waarbij slachtoffer [slachtoffer 12] vrijwel direct na het betreden van de woning eveneens met een vuurwapen in zijn borst is geschoten. Hij is ernstig gewond naar het ziekenhuis gebracht maar heeft het gelukkig wel overleefd. Bij meerdere slachtoffers zijn als gevolg van het uitgeoefende geweld verwondingen ontstaan. Voor anderen geldt dat zij hebben moeten toezien hoe dierbaren zijn mishandeld. Verdachten hebben met hun handelen niet alleen onbeschrijfelijk veel leed toegebracht aan de slachtoffers en aan de nabestaanden van [slachtoffer 10] , maar ook hebben zij ervoor gezorgd dat vele andere mensen in met name West Friesland zich niet langer veilig voelden in hun eigen huis.\n\nUit het herhaalde, buitensporige en heftige (vuurwapen)geweld kan het hof geen andere conclusie trekken dan dat het gebruik van (vuurwapen)geweld onderdeel was van het plan van de verdachte en zijn mededaders en dat zij bij iedere overval wisten dat er doden of zwaargewonden konden vallen, maar dat hen dat niets kon schelen. Het beschieten van [slachtoffer 1] , de ernstige verwonding van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 12] , de verwondingen van vader en zoon [slachtoffers 7 en 8] , de dood van [slachtoffer 10] : keer op keer werden de gevolgen van het geweld heftiger, keer op keer hadden de verdachten de mogelijkheid om andere keuzes te maken maar keer op keer kozen de verdachten er toch voor om op dezelfde manier verder te gaan met hun gewelddadige overvallen. Zij wilden op een makkelijke en snelle manier veel geld verdienen, waarbij de mogelijkheid dat er doden of gewonden konden vallen ingebakken was in hun gebruikelijke werkwijze. Daarmee is er geen wezenlijk verschil met zaken waarin het om het leven brengen van één of meerdere personen wel het doel is, en het hof zal dit ook tot uitdrukking brengen in de op te leggen straf.\n\nDe verdachte is bij de overval in het zaaksdossier Willich de schutter is geweest. Zonder dat daar een directe aanleiding toe bestond, heeft hij [slachtoffer 12] met een semi-automatisch vuurwapen van buiten de woning door het raam in de borst geschoten, op een moment dat [slachtoffer 12] geen verzet bood. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan het hof uit deze gang van zaken geen andere conclusie trekken dan dat de verdachte welbewust op [slachtoffer 12] heeft geschoten met het doel hem uit te schakelen. Dat er sprake zou zijn geweest van een ongeluk -zoals de verdediging heeft betoogd- acht het hof zonder nadere verklaring over deze gang van zaken volstrekt onaannemelijk. Verdachte heeft hier zelf ook geen verklaring over willen afleggen.\n\nDaarnaast heeft de verdachte ook bij de andere overvallen een actieve rol gespeeld. Hij is telkens één van de daders geweest die de woningen van nietsvermoedende mensen zijn binnengegaan, mensen die dit op geen enkele wijze hadden kunnen voorzien of die zich hadden kunnen of moeten prepareren op overvallen als deze. Verdachte is daarbij een van degenen die geweld heeft gebruikt tegen de slachtoffers. Voorts blijkt uit het dossier -onder andere uit de verklaring van [medeverdachte 1] - dat de verdachte een bepalende stem had binnen de groep. Ook dat weegt mee bij het bepalen van de strafmaat.\n\nOok na het vallen van een dodelijk slachtoffer is de verdachte doorgegaan, en was hij degene die bij de volgende overval met een vuurwapen op een van de slachtoffers heeft geschoten. Uit chatberichten in het dossier blijkt dat de verdachte naar alle waarschijnlijkheid was doorgegaan met het plegen van overvallen als hij niet was gepakt. Verdachte heeft op zitting verklaard dat deze dingen nooit hadden mogen gebeuren, maar heeft zijn actieve betrokkenheid bij de feiten tot op heden ontkend en heeft daarmee geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Hij blijft zijn betrokkenheid ontkennen en legt alle verantwoordelijkheid buiten zichzelf.\n\nPersoon van de verdachteVerdachte is nog niet eerder veroordeeld voor geweldsdelicten. Het hof zal het strafblad van de verdachte daarom niet in strafverzwarende zin betrekken bij het bepalen van de straf. Verdachte heeft consequent geweigerd om mee te werken aan psychologisch en psychiatrisch onderzoek, waardoor de deskundigen geen uitspraken konden doen over de persoonlijkheid van de verdachte en eventuele stoornissen. Er kunnen door de ontbrekende gegevens evenmin conclusies over eventuele psychopathie worden getrokken.\n\nDe op te leggen strafBij het opleggen van een levenslange gevangenisstraf is grote behoedzaamheid en terughoudendheid geboden. Vanwege de veelheid en ernst van de feiten en het excessieve geweld in georganiseerd verband is het hof echter van oordeel dat uit oogpunt van vergelding een levenslange gevangenisstraf de enige passende straf is. Daarbij dient te worden overwogen dat het gewetenloze handelen van de verdachte, waarvoor hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt, maakt dat de samenleving tegen hem maximaal moet worden beschermd.\n\nVerdachte is op dit moment 42 jaar oud en het hof realiseert zich dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf betekent dat hij in beginsel voor de rest van zijn leven vast zal zitten, maar een tijdelijke gevangenisstraf, ook niet de maximale tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaar doet geen recht aan de ernst van de delicten en de gevolgen voor de slachtoffers en hun naasten.\n\nHet hof overweegt dat na 28 jaar een ambtshalve herbeoordeling van de levenslange straf zal plaatsvinden, waarbij zal worden beoordeeld of de verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf nog een redelijk doel dient. Het Adviescollege Levenslang gestraften zal in dat verband na 25 jaar adviseren of de verdachte mag beginnen met re-integratieactiviteiten gericht op een mogelijke terugkeer in de samenleving. Daarbij toetst het college aan vier criteria:\n\nrecidiverisico\n\ndelictgevaarlijkheid\n\ngedrag en ontwikkeling tijdens detentie\n\nimpact op slachtoffers en nabestaanden, mede in het licht van vergelding.\n\nNiet alleen de verdachte, maar ook slachtoffers en nabestaanden zullen in het kader van die procedure worden gehoord.\n\nDe redelijke termijnGelet op de aard van de straf heeft een eventuele overschrijding van de redelijke termijn in dit geval geen matigende invloed.\n\nConclusie\n\nUit het voorgaande volgt dat het hof aan de verdachte een levenslange gevangenisstraf zal opleggen.\n\n10. Benadeelde partijen\n\n10.1. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 25.988,45 ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 5.988,45 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade toegewezen tot een bedrag van € 15.510,23 bestaande uit € 5.510,23 als vergoeding voor de materiële schade en € 10.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade.\n\nIn hoger beroep heeft [slachtoffer 1] kenbaar gemaakt te berusten in de door de rechtbank vastgestelde materiële schade. Het hof begrijpt dat [slachtoffer 1] de vordering tot vergoeding wegens materiële schade handhaaft tot het door de rechtbank toegekende bedrag.\n\nIn hoger beroep is de vordering voor wat betreft de immateriële schade verhoogd tot € 40.000,00. Daartoe is aangevoerd dat bij [slachtoffer 1] in 2020 een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld. Uit een overgelegde brief van de GZ-psycholoog van 24 maart 2026 volgt dat de klachten van [slachtoffer 1] sinds 2020 bestaan uit voornamelijk angstklachten, vergeetachtigheid en slaapklachten en in de loop van de tijd fluctuerend meer of minder aanwezig zijn. Bovendien is dit verhoogde bedrag in lijn met de bedragen van de inmiddels ingevoerde ‘Rotterdamse schaal’.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde schade ter hoogte van € 45.510,23. Onder verwijzing naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1275) is volgens de advocaat-generaal sprake van een zeer uitzonderlijk geval dat noopt tot toepassing van de mogelijkheid om in hoger beroep over te gaan tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel die de hoogte van de initiële vordering van de benadeelde partij overstijgt.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd zich te refereren aan het oordeel van het hof ten aanzien van de posten ‘geldbedrag’ en ‘eigen risico verzekering’. Ten aanzien van de posten ‘installatie alarmsysteem’ en ‘abonnementskosten’ dient de BTW in mindering te worden gebracht nu deze kosten zijn gemaakt door het bedrijf van [slachtoffer 1] . De verdediging heeft bij pleidooi en bij dupliek geen standpunt ingenomen ten aanzien van de verhoging van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schadeHet hof zal de gevorderde vergoeding voor de geleden materiële schade evenals de rechtbank toewijzen tot een bedrag van € 5.510,23. Deze schade bestaat uit:\n\nweggenomen geldbedrag € 3.000,00;\n\neigen risico verzekering € 113,00;\n\ninstallatie alarmsysteem (minus 21% BTW) € 970,25;\n\nabonnementskosten alarmsysteem (minus 21% BTW) € 1.306,98;\n\nberedderingskosten € 120,00.\n\nDit deel van de gevorderde schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen verklaarde feit, is voldoende onderbouwd, niet betwist en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot het initiële deel van de gevorderde immateriële schade ad € 20.000,00 overweegt het hof als volgt. Gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is in deze zaak sprake van een gewapende overval die in de nacht plaatsvond, waarbij vier gemaskerde mannen de woning van [slachtoffer 1] zijn binnengedrongen. Hij is meermalen met een breekijzer geslagen en er zijn twee schoten in de richting van zijn hoofd gelost. Uit de stukken en de toelichting op de vordering blijkt dat hij hierdoor onder meer een hoofdwond en bloeduitstortingen op zijn lichaam heeft opgelopen. Hij is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht, waar een scan van zijn hoofd is gemaakt en de hoofdwond met twaalf hechtingen is gedicht. Hij heeft sinds de overval regelmatig last van zware hoofdpijn, waardoor hij dan moet gaan liggen. Verder heeft [slachtoffer 1] door het geluid van het schot ongeveer een half jaar lang slecht kunnen horen aan één oor.\n\nNu sprake is van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook andere – niet als lichamelijk letsel te kwalificeren – gevolgen, worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\n Uit de toelichting op de initiële vordering alsmede uit de aanvulling in hoger blijkt dat de overval grote impact heeft gehad op [slachtoffer 1] . Hij was maandenlang zeer emotioneel waardoor ook zijn relatie onder druk kwam te staan. Hij heeft maandenlang slecht geslapen. Sinds de overval slaapt hij met een dwarsbalk aan de binnenzijde van zijn slaapkamerdeur. Omdat hij zich niet meer veilig voelde op zijn eigen erf en in zijn eigen woning, heeft hij zijn dieren verkocht en een ander huis gekocht. Hij heeft twee keer EMDR-therapie gehad vanwege PTSS-klachten, maar dit heeft hem niet geholpen. Uit eerder genoemde brief van de GZ-psycholoog van 24 maart 2026 volgt dat [slachtoffer 1] op 2 februari 2026 opnieuw is gestart met behandeling vanwege een toename van bestaande klachten. Het hof komt gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,00 billijk voor.\n\nOp grond van de wet is het voor een benadeelde partij niet mogelijk om in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding te verhogen. Wel kan het hof in uitzonderlijke gevallen door middel van de schadevergoedingsmaatregel een aanvullende schadevergoeding toekennen. Ten aanzien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 20.000,00 overweegt het hof als volgt. Anders dan het Openbaar Ministerie is het hof van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de genoemde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024: 1275). De PTSS diagnose dateert immers van 2020 en is geen sprake van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien.\n\nToegewezen bedragDe vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 25.510,23.\n\nWettelijke renteDe verdachte is vanaf 11 november 2020 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag voor de installatie van het alarmsysteem ter hoogte van € 970,25. Het hof zoekt bij het bepalen van die datum aansluiting bij de uiterste betaaldatum van de laatste termijn van de desbetreffende factuur. De wettelijke rente over de abonnementskosten van het alarmsysteem ter hoogte van € 1.306,98 is verschuldigd vanaf 1 december 2021. De abonnementskosten worden gevorderd vanaf september 2020 tot en met februari 2023 en het hof gaat daarom uit van een datum die in het midden ligt van deze periode.\n\nDe wettelijke rente over het eigen risico van de verzekering ter hoogte van € 113,00 is verschuldigd vanaf 2 november 2021, de uiterste betaaldatum van de factuur.\n\nVoor het resterende bedrag ter hoogte van € 23.120,00 wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 8 augustus 2020, de datum waarop de woningoverval heeft plaatsgevonden. Een en ander ten aanzien van alle posten tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.2. \n\n Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 10.120,00 ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 120,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit beredderingskosten.\n\nDe rechtbank heeft de gevorderde materiële schade afgewezen en de gevorderde immateriële schade toegekend tot een bedrag van € 5.000,00.\n\nIn hoger beroep heeft [slachtoffer 2] kenbaar gemaakt te berusten in de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade. Het hof begrijpt dat [slachtoffer 2] de vordering tot vergoeding wegens materiële schade niet handhaaft.\n\nIn hoger beroep is de vordering voor wat betreft de immateriële schade verhoogd tot € 40.000,00. Daartoe is aangevoerd dat blijkens een overgelegde brief van de GZ-psycholoog van 4 februari 2021 bij [slachtoffer 2] in 2021 een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld en een behandelplan is besproken. Uit een overgelegde brief van de GZ-psycholoog van 24 maart 2026 volgt dat de klachten sinds 2020 bestaan uit voornamelijk angstklachten, vergeetachtigheid en slaapklachten en in de loop van de tijd fluctuerend meer of minder aanwezig zijn. Bovendien is dit verhoogde bedrag in lijn met de bedragen van de inmiddels ingevoerde ‘Rotterdamse schaal’.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal is het eens met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade. De in hoger beroep gevorderde immateriële schade van € 40.000,00 is gezien de aanvullende stukken en de nadere motivering door de advocaat billijk en vatbaar voor toewijzing.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de gevorderde immateriële kosten dienen te worden gematigd.\n\nOordeel van het hof\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot het initiële deel van de gevorderde immateriële schade ad € 10.000,00 overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt.\n\nGelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. Het hof stelt vast dat [slachtoffer 2] bij de woningoverval geen lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nUit vaste rechtspraak blijkt dat van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon‘op andere wijze’sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon‘op andere wijze’als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.\n\nTen aanzien van de aantasting van de benadeelde partij in de persoon ‘op andere wijze’overweegt het hof dat de aard en de ernst van de normschending in deze zaak met zich meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor [slachtoffer 2] zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Er is sprake van een gewapende overval die plaatsvond in de nacht, waarbij vier gemaskerde mannen de woning van [slachtoffer 2] en haar partner zijn binnengedrongen. Bij deze overval is fors geweld uitgeoefend op [slachtoffer 1] , de partner van de [slachtoffer 2] en zijn er twee schoten in zijn richting gelost. Ook [slachtoffer 2] is met het vuurwapen bedreigd. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat [slachtoffer 2] nog altijd last heeft van wat haar is overkomen. Zij ondervindt gevoelens van angst en onveiligheid, heeft haar huis verkocht en is vanwege aanhoudende psychische klachten naar haar huisarts gegaan. Zij heeft vanwege PTSS-klachten twee EMDR-sessies ondergaan. Omdat dit haar niet hielp heeft zij zich gewend tot een psycholoog, waar zij een jaar lang maandelijks gesprekken heeft gevoerd. Uit een in hoger beroep overgelegde brief van de GZ-psycholoog van 24 maart 2026 volgt dat de klachten sinds 2020 bestaan uit voornamelijk angstklachten, vergeetachtigheid en slaapklachten en in de loop van de tijd fluctuerend meer of minder aanwezig zijn.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor.\n\nOp grond van de wet is het voor een benadeelde partij niet mogelijk om in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding te verhogen. Wel kan het hof in uitzonderlijke gevallen door middel van de schadevergoedingsmaatregel een aanvullende schadevergoeding toekennen. Ten aanzien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 30.000,00 overweegt het hof als volgt. Anders dan het Openbaar Ministerie is het hof van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1275). De PTSS diagnose dateert immers van 2021 en is geen sprake van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof bepaalt dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.3. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 2)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een initiële vordering tot schadevergoeding van € 42.150,40 ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe gestelde schade bestaat uit € 39.070,14 aan materiële schade te verminderen met een uitkering van de verzekering ad € 8.919,74. De gestelde schade bedraagt € 30.150,40. In deze berekening heeft de verdediging rekening gehouden met 33% aan afschrijving of waardevermindering\n\nDe gestelde schade bestaat verder uit € 12.000,00 aan immateriële schade.\n\nDe materiële schade bestaat uit twee posten:\n\n- gestolen goederen € 29.582,30 minus 33% = € 19.820,14\n\n- gestolen geldbedrag € 19.250,00.\n\nTer zitting in eerste aanleg is de vordering tot schadevergoeding van materiële schade door de advocaat van [slachtoffer 3] aangepast en gesteld op € 39.912,56:\n\ngestolen goederen € 29.582,30 gestolen geldbedrag € 19.250,00\n\nminus vergoeding verzekering € 8.919,74.\n\nDe immateriële schade is gehandhaafd op € 12.000,00.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de materiële schade toegewezen tot een bedrag van € 30.131,13 en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 en het meer gevorderde afgewezen.\n\n [slachtoffer 3] heeft bij brief van 22 november 2024 en zijn advocaat heeft ter zitting in hoger beroep de vordering gehandhaafd.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade kan worden toegewezen zoals de rechtbank dat heeft gedaan. Daarbij wordt uitgegaan van de dagwaarde van de goederen en niet van de gevorderde aanschafwaarde. Het door de verzekering uitgekeerde bedrag dient in mindering te worden gebracht, wat maakt dat de toewijsbare vordering neerkomt op een bedrag van € 30.131,13. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering van € 12.000,00 vatbaar is voor toewijzing. In totaal kan € 42.131,13 worden toegewezen.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft kenbaar gemaakt de vordering te weerspreken maar zich te refereren aan het oordeel van het hof.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schade\n\nHet hof zal de gevorderde vergoeding voor gestolen goederen toewijzen tot een bedrag van € 26.292,35. Het gaat dan om de volgende posten:\n\n6. Oorbellen Ti Sento € 100,00 7. Oorbellen Zilveren creolen € 55,00 8. Oorbellen Ti Sento € 59,00 13. Zonnebril Miu Miu € 270,00 14. Zonnebril Tiffany & Co € 225,00 15. Zonnebril Guess € 80,00 16. Zonnebril Bulgari € 300,00 17. Zonnebril Prada € 180,00 18. Zonnebril Ray Ban € 150,00 19. Zonnebril Ray Ban € 150,00 20. Zonnebril Ray Ban € 150,00 21. Zonnebril Ray Ban € 150,00 22. Zonnebril Ray Ban € 150,00 23. Zonnebril Ray Ban € 150,00 25. Portemonnee € 64,40 29. Horloge Guess € 109,95 30. Horloge Corum Royal Flush € 3.900,00 31. Moët champagne € 399,00 32. 2x Piper Heidsick (champagne) € 150,00 34. Audi A8 € 19.500,00.\n\nHet hof acht evenals de rechtbank deze posten voldoende onderbouwd, gezien de toelichting met foto’s, aankoopbonnen en\u002Fof verwijzingen naar internetpagina’s met daarop de waarde van vergelijkbare artikelen. Bovendien zijn deze goederen terug te voeren op de aangiften of de nadere verhoren van de aangevers. Bij de begroting van de schade is [slachtoffer 3] uitgegaan van de nieuwwaarde van de weggenomen goederen. Het grootste deel van de goederen is echter al enige tijd geleden aangeschaft, zodat voor vergoeding in aanmerking komt de dagwaarde. Bij gebrek aan concrete gegevens over de dagwaarde zal het hof evenals de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en aansluiting zoeken bij het percentage dat [slachtoffer 3] oorspronkelijk als waardevermindering had gehanteerd, zijnde 33%. Dat er meer goederen zijn weggenomen en dat dit voor [slachtoffer 3] niet te achterhalen of te onderbouwen is, vormt geen reden om dit te compenseren door de afschrijving achterwege te laten. Het hof zal echter evenals de rechtbank geen afschrijving in mindering brengen op de waarde van de Audi A8, nu deze zeer kort voor de overval was aangekocht en mag worden aangenomen dat de aanschafwaarde de dagwaarde vertegenwoordigt. Het hof stelt de dagwaarde van de weggenomen goederen aldus vast op € 26.292,35.\n\nHet hof zal evenals de rechtbank de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de overige gestolen goederen niet-ontvankelijk verklaren, gezien de betwisting daarvan (door in algemene zin te stellen dat de vordering wordt weersproken) en omdat deze goederen niet zijn terug te voeren op de aangiften of de latere verhoren van de aangevers (schoenen), dan wel de waarde daarvan niet met stukken is onderbouwd (overige sieraden en beautycase). Ten aanzien van de make-up overweegt het hof evenals de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld wanneer dat is aangeschaft en tegen welke prijs. Bovendien mag worden aangenomen dat de producten zijn aangebroken\u002Fgebruikt. Er is dan ook niet vast te stellen in hoeverre de make-up artikelen (nog) een waarde vertegenwoordigen. Dit laatste geldt ook voor de opgevoerde parfums. Hiervoor is nadere bewijslevering noodzakelijk, hetgeen een onevenredige belasting vormt voor dit strafgeding.\n\n Wat betreft het gestolen geld zal het hof evenals de rechtbank een bedrag van € 15.000,00 toewijzen, hetgeen aansluit bij het bedrag dat in de aangifte en de aanvullende verhoren is genoemd.\n\n Dit betekent dat de materiële schade in totaal € 41.292,35 bedraagt. Hierop komt het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag van € 8.919,74 in mindering, zodat een bedrag van € 32.372,61 zal worden toegewezen. Voor het overige zal het hof de vordering voor wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk verklaren.\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. Het hof stelt vast dat [slachtoffer 3] geen lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nUit vaste rechtspraak blijkt dat van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon‘op andere wijze’sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon‘op andere wijze’als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.\n\nTen aanzien van de aantasting van de benadeelde partij in zijn persoon ‘op andere wijze’overweegt het hof evenals de rechtbank in deze zaak dat de aard en de ernst van de normschending, met zich meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor [slachtoffer 3] zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Er is sprake van een gewapende overval, waarbij vier gemaskerde mannen in de nacht met wapens de slaapkamer zijn binnengedrongen. [slachtoffer 3] en zijn partner zijn bedreigd met vuurwapens en zijn vastgebonden met tie-wraps. Ook is bij deze overval geweld uitgeoefend op de partner van de [slachtoffer 3] , waardoor zij gewond is geraakt.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de overval, de onderbouwing van de vordering, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 42.372,61. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskosten\n\nDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nHet hof ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (diefstal met geweld en bedreiging met geweld, in vereniging gepleegd) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.\n\n10.4. \n\n Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 2)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 12.000,00 ingediend tegen de verdachten wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot immateriële schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 7.000,00 en het meer gevorderde afgewezen.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft bij brief van 22 november 2024 haar vordering gehandhaafd.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering voor toewijzing vatbaar is. Zowel het lichamelijk letsel opgelopen tijdens de overval als het psychisch letsel waar [slachtoffer 4] nog altijd mee kamp, zijn toegelicht en houden rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging is primair van mening dat de vordering geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd.Oordeel van het hof\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een gewapende overval, waarbij vier gemaskerde mannen in de nacht met wapens de slaapkamer zijn binnengedrongen. [slachtoffer 4] en haar partner zijn bedreigd met vuurwapens en zijn vastgebonden met tie-wraps. Uit de stukken en de toelichting op de vordering blijkt dat [slachtoffer 4] door een van de daders van de woningoverval aan haar haren van het bed is getrokken. Hierbij is haar teen uit de kom geraakt, heeft zij snijwonden op haar knieën opgelopen en een kale plek op haar hoofd. Zij is naar de eerste hulp van het ziekenhuis geweest, waar haar teen weer is rechtgezet.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van [slachtoffer 4] en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nUit het door [slachtoffer 4] uitgeoefende spreekrecht zowel in eerste aanleg als in hoger beroep blijkt dat zij kampt met gevoelens van angst en boosheid en dat haar leven als gevolg van de woningoverval voorgoed veranderd is.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.5. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 6] (feiten 3 en 4)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 44.388,24‬ ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 3 en 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 3.888,24 aan materiële schade en € 40.500,00 aan immateriële schade. De materiële schade is in het verzoek tot schadevergoeding gesplitst in twee onderdelen:\n\n- de helft van de gezamenlijke materiële schadevan [slachtoffer 6] en zijn partner [slachtoffer 5] ter hoogte van\n\n€ 2.238,24 en\n\n- zijn eigen materiële schadeter hoogte van € 1.650,00.\n\nDe gezamenlijke materiële schadebestaat uit drie posten:\n\nkosten beveiliging woning € 2.031,05;\n\nschade woning:\n\nweggenomen geld € 450,00;\n\nvervangen sloten € 810,00;\n\nvloerbedekking trap € 653,84;\n\nbraakschade € 311,75;\n\nkosten vervanging autosleutel € 219,84.\n\n(Subtotaal € 4.476,48, waarvan [slachtoffer 6] 50% vordert: € 2.238,24.)\n\nDe eigen materiële schadevan € 1.650,00 bestaat uit vier posten:\n\n portemonnee € 45,00;\n\n eigen risico € 385,00;\n\n inkomstenderving € 1.140,00;\n\n medische kosten € 80,00.\n\nDe immateriële schadeis opgebouwd uit drie onderdelen:\n\nimmateriële schade € 15.000,00;\n\naffectieschade € 17.500,00;\n\nshockschade € 8.000,00.\n\nDe rechtbank heeft de helft van de door [slachtoffer 6] gevorderde gezamenlijke materiële schadetoegewezen tot een bedrag van € 1.911,32. Deze schade bestaat uit 50% van de volgende posten:\n\nkosten beveiliging woning € 2.031,05;\n\nschade woning:\n\nweggenomen geld € 450,00;\n\nvervangen sloten € 810,00;\n\nbraakschade € 311,75;\n\nkosten vervanging autosleutel € 219,84.\n\nTen aanzien van de gevorderde kosten voor de vloerbedekking is de rechtbank uitgegaan van de dagwaarde die blijkens de toelichting op de vordering door de verzekeraar is vergoed. De rechtbank heeft deze post afgewezen.\n\n De rechtbank heeft de eigen materiële schadevan [slachtoffer 6] toegewezen tot een bedrag van € 1.610,00. Deze schade bestaat uit de volgende posten: d. portemonnee € 45,00;\n\n eigen risico € 385,00;\n\n inkomstenderving € 1.140,00;\n\n medische kosten € 40,00.\n\nDe rechtbank heeft:\n\nde gevorderde immateriële schade ad € 10.000,00 toegewezen en het meer gevorderde afgewezen;\n\nde gevorderde affectieschade ad € 17.500,00 toegewezen;\n\nde gevorderde schokschade ad € 8.000,00 afgewezen.\n\nBij brief van 12 december 2024 heeft [slachtoffer 6] kenbaar gemaakt de vordering te handhaven.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen het eens te zijn met de beslissing van de rechtbank inzake de materiële schade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade dient de gevorderde €15.000,00 te worden toegewezen alsmede de gevorderde affectieschade ad €17.500,00. De gevorderde schokschade dient te worden afgewezen.\n\nTer zitting in hoger beroep is namens [slachtoffer 6] naar voren gebracht dat de gevorderde immateriële schadevergoeding dient te worden toegewezen. Onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal is verder naar voren gebracht dat, hoewel € 15.000,00 is gevorderd, een bedrag tussen de € 41.000,00 en €69.000,00 passend wordt geacht. Verzocht wordt het gevorderde bedrag toe te wijzen en het meerdere ambtshalve alsnog via een schadevergoedingsmaatregel vast te stellen. Het hof begrijpt dat dit een bedrag zou moeten zijn tussen de € 26.000,00 en € 54.000,00. Tevens is verzocht de gevorderde schokschade toe te wijzen waarbij is gewezen op een uitspraak van de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2019:4594).\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging is primair van mening dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair refereert de verdediging zich ten aanzien van de gevorderde medische kosten (eigen risico 2021) ad € 385,00 en de inkomstenderving ad € 1.140,00. De gevorderde affectieschade dient te worden afgewezen.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schadeEvenals de rechtbank zal het hof de gevorderde vergoeding voor de geleden materiële schade toewijzen tot een totaalbedrag van € 3.521,32 (€ 1.911,32 aan gezamenlijke schade en € 1.610,00 aan eigen schade).\n\nDe gezamenlijke materiële schadewordt vastgesteld op een bedrag van € 3.822,64 en is als volgt opgebouwd:\n\nkosten beveiliging woning € 2.031,05;\n\nschade woning:\n\nweggenomen geld € 450,00;\n\nvervangen sloten € 810,00;\n\nbraakschade € 311,75;\n\nkosten vervanging autosleutel € 219,84.\n\nDit gedeelte van de schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen verklaarde feit. De vordering is voldoende onderbouwd en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit geldt echter niet voor de post ‘vloerbedekking’. Ten aanzien van de vloerbedekking is de benadeelde partij uitgegaan van de kosten voor het laten plaatsen van nieuwe vloerbedekking. In aanmerking voor vergoeding komt echter de dagwaarde van de door de overval beschadigde vloerbedekking. Die dagwaarde is blijkens de toelichting op de vordering al door de verzekeraar vergoed. Dit betekent dat deze post zal worden afgewezen.\n\nOmdat [slachtoffer 6] de helft van de gezamenlijke materiële schadeheeft gevorderd zal het hof voor [slachtoffer 6] een bedrag van € 1.911,32 toewijzen.\n\nHet hof zal de eigen materiële schadevan [slachtoffer 6] tot een bedrag van € 1.610,00 toewijzen, nu deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De vordering is voldoende onderbouwd en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze schade bestaat uit de volgende posten:\n\n portemonnee € 45,00;\n\n eigen risico € 385,00;\n\n inkomstenderving € 1.140,00;\n\n medische kosten € 40,00.\n\nTen aanzien van de medische kosten merkt het op dat de factuur van 6 maart 2024, die ter onderbouwing is overgelegd, op naam is gesteld van [slachtoffer 5] . Het hof zal evenals de rechtbank dit gedeelte van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren bij gebrek aan een afdoende onderbouwing daarvan.\n\nImmateriële schade\n\nMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een gewapende overval, waarbij gemaskerde mannen midden in de nacht met wapens de slaapkamer van [slachtoffer 6] zijn binnengedrongen. Hij is met de overvallers in gevecht geraakt, waarbij hij in het gezicht is geslagen en met een hard voorwerp (mogelijk een lamp) een klap op zijn achterhoofd heeft gekregen. Zijn partner [slachtoffer 5] is door een van de daders in haar hals geschoten. [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] zijn naar het ziekenhuis vervoerd, waar [slachtoffer 6] onder meer een CT-scan heeft gehad. [slachtoffer 6] heeft bloeduitstortingen op zijn lichaam en in zijn gezicht opgelopen en twee hoofdwonden op zijn achterhoofd.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nUit de toelichting op de vordering blijkt onder meer dat de woningoverval een enorme impact heeft gehad op het gevoel van veiligheid en controle van [slachtoffer 6] . Hij staat nog altijd op scherp en is alert. Hij heeft last van herbelevingen, vooral in de nacht. Hij wordt beperkt in zijn levensvreugde. Ter behandeling van zijn klachten heeft [slachtoffer 6] een uitgebreide sessie gevolgd bij een coach gespecialiseerd op het gebied van trauma’s na geweld. Ook heeft hij contact gehad met Slachtofferhulp Nederland. In aanloop naar de zitting heeft hij zich tot een psycholoog gewend, omdat de nachtmerries en herbelevingen weer de overhand kregen.\n\nHet hof komt anders dan de rechtbank gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 15.000,00 billijk voor.\n\nOp grond van de wet is het voor een benadeelde partij niet mogelijk om in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding te verhogen. Wel kan het hof in uitzonderlijke gevallen door middel van de schadevergoedingsmaatregel een aanvullende schadevergoeding toekennen. Met betrekking tot het deel van de gevorderde immateriële schade bij wijze van toepassing van de schadevergoedingsmaatregel tussen de € 26.000,00 en € 54.000,00 overweegt het hof als volgt. Het hof van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de genoemde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1275). De door de advocaat bij brief van 15 januari 2024 omschreven klachten van [slachtoffer 6] , thans omschreven als PTSS klachten, dateren van 2021. Het hof concludeert dat geen sprake is van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien.\n\nAffectieschadeOok de gevorderde affectieschade ad € 17.500,00 komt naar het oordeel van het hof en evenals de rechtbank voor vergoeding in aanmerking. Het hof overweegt evenals de rechtbank hiertoe het volgende.\n\nDe Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1750) in een zaak waarin affectieschade werd gevorderd, als volgt overwogen:\n\n“2.4 Onder affectieschade wordt verstaan de schade in verband met het verdriet om het overlijden of het door ernstig en blijvend letsel gekwetst raken van een naaste (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.4.6). Of een naaste aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade wegens “ernstig en blijvend letsel” van de gekwetste als bedoeld in artikel 6:107 BW hangt in belangrijke mate af van de mate van de blijvende functiestoornis bij de gekwetste, waarbij – volgens de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis – “een zeer bijzondere ernst van letsel” is vereist. De wetgever heeft daarbij als indicatie genoemd dat in geval van lichamelijk letsel bij een – aan de hand van de AMA-guides vastgestelde – blijvende functiestoornis van 70% of meer in ieder geval sprake is van “ernstig en blijvend letsel”. In het bijzonder in die gevallen waarin niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een dergelijke hoge en blijvende functiestoornis, kan de rechter ook anderszins de invloed van het letsel op het leven van de gekwetste en de naaste betrekken bij zijn beoordeling of een naaste aanspraak kan maken op een vergoeding als bedoeld in artikel 6:107 BW.”\n\n [slachtoffer 6] is de levenspartner van [slachtoffer 5] en valt daarom binnen de kring van personen die recht kan hebben op een vergoeding van affectieschade. [slachtoffer 5] is bij de onder feiten 4 en 5 bewezen verklaarde woningoverval in haar hals geschoten. Zij heeft zich als gevolg hiervan ziek moeten melden bij haar werkgever en heeft uiteindelijk haar werk vanuit huis voor 50% hervat, hetgeen voor haar het maximaal haalbare is. Zij kan niet meer naar kantoor in verband met te veel prikkels en opbouwende vermoeidheid. [slachtoffer 5] heeft onder meer onherstelbare gehoorschade (tinnitus) opgelopen, waardoor zij een voortdurende ruis in haar oren heeft en overgevoelig is voor dagelijkse geluiden. Als gevolg van een zenuwbeschadiging aan de linkerkant van het hoofd, ondervindt zij vaak hoofdpijn en oorpijn en steken in haar hoofd. Sinds de woningoverval staat het sociale leven van [slachtoffer 5] nagenoeg stil. Zij kan niet meer naar locaties waar veel mensen bijeen zijn. Zij kan niet meer motorrijden nu zij geen helm meer kan dragen. Hierdoor is de relatie tussen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] veranderd. Zij kunnen niet meer samen naar verjaardagen of andere feesten en kunnen geen gezamenlijke uitjes meer ondernemen, zoals naar de bioscoop of uit eten. Ook kunnen zij niet meer samen op pad met de motor of samen naar beurzen.\n\nTer zitting in hoger beroep heeft [slachtoffer 6] het spreekrecht uitgeoefend. Daarin heeft hij uitvoerig benadrukt wat de blijvende gevolgen van deze woningoverval voor hem en zijn partner zijn.\n\nGelet op het voorgaande concludeert het hof evenals de rechtbank dat het ernstige en blijvende letsel dat [slachtoffer 5] door het onder feiten 4 en 5 bewezen verklaarde handelen van de verdachte en zijn medeverdachten heeft opgelopen, blijvend een grote impact op het leven van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zal hebben. Naar het oordeel van het hof is die invloed van dien aard dat [slachtoffer 6] , op grond van artikel 6:107, eerste lid, onder b BW en het Besluit vergoeding affectieschade, aanspraak kan maken op de gevorderde vergoeding voor affectieschade. De hoogte van de vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade vastgesteld op € 17.500,00. Het hof zal evenals de rechtbank dit bedrag aan gevorderde affectieschade toewijzen.\n\nSchokschadeHet hof zal evenals de rechtbank het gevorderde bedrag aan schokschade, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958) afwijzen. In dit arrest heeft de Hoge Raad onder meer de volgende opmerkingen gemaakt over vergoeding van schokschade:\n\n“3.4 Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna onder 3.7 nader omschreven.\n\n(…)3.7 Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is – zoals hiervoor in 3.4 reeds overwogen – beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.\n\nAls sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.”\n\nHet hof stelt evenals de rechtbank vast dat onvoldoende is gebleken dat bij [slachtoffer 6] sprake is van geestelijk letsel dat is veroorzaakt door de confrontatie met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad die is gepleegd jegens zijn partner [slachtoffer 5] . Er is sprake van een woningoverval waarbij de daders ook geweld op [slachtoffer 6] hebben uitgeoefend. Uit de verwijsbrief van de huisarts van 12 januari 2024 in combinatie met de informatie van de therapeut blijkt dat de PTSS-kenmerken bij [slachtoffer 6] verband houden met de overval als zodanig.Uit die stukken blijkt niet dat er geestelijk letsel bij [slachtoffer 6] is ontstaan als gevolg van de emotionele schok door de confrontatie met het geweld tegen [slachtoffer 5] of het letsel dat [slachtoffer 5] heeft opgelopen. Met het letsel dat is ontstaan bij [slachtoffer 6] is al rekening gehouden bij de hoogte van het bedrag aan immateriële schadevergoeding dat aan hem is toegekend. Het hof zal daarom de gevorderde schokschade afwijzen. De door de advocaat genoemde uitspraak van de rechtbank Overijssel maakt dit oordeel niet anders.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 36.021,32.\n\nWettelijke renteDe verdachte is vanaf 25 februari 2021 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag van €1.015,53 (de helft van € 2.031,05) voor de installatie van het alarmsysteem. De wettelijke rente over de kosten van het vervangen van de sloten ter hoogte van € 405,00 (de helft van € 810,00) is verschuldigd vanaf 1 februari 2021. De wettelijke rente over de kosten van het vervangen van de autosleutel ter hoogte van € 109,92 (de helft van € 219,84) is verschuldigd vanaf 2 maart 2021. Het hof zoekt evenals de rechtbank hiervoor telkens aansluiting bij de uiterste betaaldata van de desbetreffende facturen. De wettelijke rente over de braakschade ter hoogte van € 155,88 (de helft van € 311,75) is verschuldigd vanaf 17 januari 2024. Hierbij wordt uitgegaan van de datum van indiening van de vordering, omdat er geen factuur is overgelegd waaruit een eerdere datum als bedoeld in artikel 6:119 BW kan worden afgeleid. De wettelijke rente over het eigen risico ter hoogte van € 385,00 is verschuldigd vanaf 10 april 2021, de datum van afschrijving door de verzekeraar. De wettelijke rente over de inkomstenderving van € 1.140,00 is verschuldigd vanaf 25 januari 2021. Hierbij wordt uitgegaan van de datum waarop [slachtoffer 6] weer is gaan werken. De wettelijke rente over de medische kosten van € 40,00 is verschuldigd vanaf 19 januari 2024. Uit de factuur blijkt immers dat deze toen al was voldaan. Over het resterende bedrag ter hoogte van € 32.769,99 wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 7 januari 2021, de datum waarop de woningoverval heeft plaatsgevonden. Een en ander tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheid\n\nHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.6. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 5] (feiten 3 en 4)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € ‬124.752,01‬ ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe gestelde schade bestaat uit € 7.252,01‬ aan materiële schade en € 117.500,00 aan immateriële schade. De materiële schade is in het verzoek tot schadevergoeding gesplitst in twee onderdelen:\n\nde helft van de gezamenlijke materiële schadevan [slachtoffer 5] en haar partner [slachtoffer 6] ter hoogte van €2.238,24 en\n\nhaar eigen materiële schadeter hoogte van € 5.013,77.\n\nDe gezamenlijke materiële schadebestaat uit drie posten:\n\nkosten beveiliging woning € 2.031,05;\n\nschade woning:\n\nweggenomen geld € 450,00;\n\nvervangen sloten € 810,00;\n\nvloerbedekking trap € 653,84;\n\nbraakschade € 311,75;\n\nkosten vervanging autosleutel € 219,84.\n\n(Subtotaal € 4.476,48, waarvan [slachtoffer 5] 50% vordert: € 2.238,24.)\n\nDe eigen materiële schadebestaat uit vijf posten:\n\n reiskosten medische instanties € 346,79;\n\n medische kosten € 1.201,98;\n\n Spotify abonnement € 145,00;\n\n Softlaser € 399,00;\n\n huishoudelijke hulp € 2.921,00.\n\nTotaal: € 5.013,77\n\nDe immateriële schadeis opgebouwd uit twee onderdelen:\n\nimmateriële schade € 100.000,00;\n\naffectieschade € 17.500,00.\n\nDe rechtbank heeft het aandeel van [slachtoffer 5] in de gezamenlijke materiële schadebegroot op € 1.911,32 en dit bedrag toegewezen. Ten aanzien van deeigen materiële schadeheeft de rechtbank een bedrag van € 2.092,77 toegewezen.\n\nDe rechtbank heeft de immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 25.000,00 en het meer gevorderde afgewezen. De gevorderde affectieschade heeft de rechtbank afgewezen.\n\nTer zitting in hoger beroep is namens [slachtoffer 5] de vordering tot vergoeding van de materiële schade ter hoogte van € 7.252,01 (€ 2.238,24 + € 5.013,77) gehandhaafd. De vordering tot vergoeding van de immateriële schade, initieel gesteld op € 100.000,00, is ter zitting verhoogd en gesteld op het bedrag van € 133.500,00.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen het eens te zijn met de beslissing van de rechtbank inzake de materiële schade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade dient de ter zitting in hoger beroep gevorderde € 113.500,00 (het hof begrijpt: € 133.500,00) te worden toegewezen. De advocaat-generaal heeft tot slot het standpunt ingenomen het eens te zijn met de beslissing van de rechtbank inzake de gevorderde affectieschade.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging is primair van mening dat de vordering geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof met betrekking tot de reiskosten medische instanties ad € 346,79 en de medische kosten ad € 1.201,98 (totaal). De kosten voor de verzorging van het paard dienen te worden afgewezen. De gevorderde immateriële kosten dienen te worden gematigd.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schadeHet hof zal de gevorderde vergoeding voor de geleden materiële schade toewijzen tot een totaalbedrag van € 5.504,09 (€ 1.911,32 aan gezamenlijke schade en € 3.592,77 aan eigen schade).\n\nZoals hiervoor bij de benadeelde partij [slachtoffer 6] is overwogen, wordt het aandeel van [slachtoffer 5] in de post “gezamenlijke schade” begroot op € 1.911,32. Dit bedrag komt voor toewijzing in aanmerking.\n\nDe “eigen materiële schade” van [slachtoffer 5] zal het hof toewijzen tot een bedrag van € 3.592,77. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n reiskosten medische instanties € 346,79;\n\n medische kosten € 1.201,98;\n\n Spotify abonnement € 145,00;\n\n Softlaser € 399,00;\n\n verzorging paard € 1.500,00.\n\nTen aanzien van de door [slachtoffer 5] gevorderde kosten onder de noemer ‘huishoudelijke hulp’ overweegt het hof als volgt. Het hof begrijpt dat bij gebreke aan een alternatief aansluiting is gezocht bij de letselrichtlijn huishoudelijke hulphoewel de verzorging van een paard niet zonder meer gelijk te stellen is aan kosten voor huishoudelijke hulp. Het hof is echter van oordeel dat aan [slachtoffer 5] een vergoeding voor de verzorging van haar paard toekomt en heeft deze geschat op € 1.500,00.\n\nNaar het oordeel van het hof vloeit dit deel van de schade in zoverre rechtstreeks voort uit de bewezen verklaarde feiten. Voorts is dit deel van de schade voldoende onderbouwd en komt het hof de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een gewapende overval, waarbij gemaskerde mannen in de nacht met wapens de woning van [slachtoffer 5] en haar partner zijn binnengedrongen. Zij heeft als gevolg van het bij de woningoverval uitgeoefende geweld verwondingen opgelopen aan haar hoofd. Ook is zij in haar hals geschoten, waardoor een gat in haar hals en brandwonden zijn ontstaan. Zij is naar het ziekenhuis vervoerd, waar de schotwond in haar hals is gehecht. Volgens de toelichting op de vordering heeft [slachtoffer 5] als gevolg van het schieten onherstelbare gehoorschade opgelopen, bestaande uit een voortdurende ruis in haar oren (tinnitus). Zij is overgevoelig voor dagelijkse geluiden. Ook heeft zij schade opgelopen aan haar ogen. Als gevolg van een zenuwbeschadiging aan de linkerzijde van haar hoofd, heeft zij vaak hoofdpijn, oorpijn en ervaart zij regelmatig pijnlijke steken in haar hoofd. Door het lopen met gehoorbescherming heeft [slachtoffer 5] vrijwel altijd pijn in haar nek en schouders.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\n Uit de toelichting bij de vordering blijkt dat [slachtoffer 5] dagelijks wordt geconfronteerd met haar lichamelijke beperkingen. Daarnaast is sprake van vermoeidheid, slecht slapen en zij staat altijd op scherp. Ook voelt zij zich angstig. Zij heeft zich ziek moeten melden bij haar werkgever en heeft weliswaar inmiddels haar werk vanuit huis voor 50% hervat, hetgeen voor haar het maximaal haalbare is. Zij kan niet meer naar kantoor in verband met teveel prikkels en opbouwende vermoeidheid. Sinds de woningoverval staat haar sociale leven nagenoeg stil. Zij kan niet meer naar locaties waar veel mensen bijeen zijn. Zij kan niet meer motorrijden nu zij geen helm meer kan dragen. Ook kan zij geen wedstrijden meer rijden met haar paard, omdat zij geen cap meer kan dragen. Spontane acties en vakanties kunnen niet meer. Hierdoor is ook de relatie met haar partner veranderd. Zij kunnen niet meer samen naar verjaardagen of andere feesten en kunnen geen gezamenlijke uitjes meer ondernemen, zoals naar de bioscoop of uit eten. Ook kunnen zij niet meer samen op pad met de motor of samen naar beurzen.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de overval en de fysieke en mentale gevolgen die dit voor de benadeelde partij heeft gehad en welke gevolgen ook voldoende zijn onderbouwd in de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 100.000,00 billijk voor.\n\nOp grond van de wet is het voor een benadeelde partij niet mogelijk om in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding te verhogen. Wel kan het hof in uitzonderlijke gevallen door middel van de schadevergoedingsmaatregel een aanvullende schadevergoeding toekennen. Met betrekking tot het deel van de gevorderde immateriële schade bij wijze van toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ad €33.500,00 overweegt het hof als volgt. Anders dan het Openbaar Ministerie is het hof van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1275). De gestelde onderdelen van de vordering: aantasting gezichtsvermogen, aantasting gehoor, misvorming van het gezicht\u002Flitteken in het gezicht en PTSS dateren immers van 2021 en is geen sprake van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien.\n\nAffectieschadeDe gevorderde affectieschade ad € 17.500,00 dient naar het oordeel van het hof te worden afgewezen, onder verwijzing naar het hiervoor opgenomen arrest van de Hoge Raad van 30 november 2021. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat bij [slachtoffer 6] sprake is van ernstig en blijvend letsel, op grond waarvan [slachtoffer 5] als naaste aanspraak kan maken op een vergoeding als bedoeld in artikel 6:107 BW.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 105.504,09.\n\nWettelijke renteDe verdachte is vanaf 25 februari 2021 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag van €1.015,53 (de helft van € 2.031,05) voor de installatie van het alarmsysteem. De wettelijke rente over de kosten van het vervangen van de sloten ter hoogte van € 405,00 (de helft van € 810,00) is verschuldigd vanaf 1 februari 2021. De wettelijke rente over de kosten van het vervangen van de autosleutel ter hoogte van € 109,92 (de helft van € 219,84) is verschuldigd vanaf 2 maart 2021.\n\nHet hof zoekt hiervoor telkens aansluiting bij de uiterste betaaldata van de desbetreffende facturen. De wettelijke rente over de braakschade ter hoogte van € 155,88 (de helft van € 311,75) is verschuldigd vanaf 17 januari 2024. Het hof gaat hierbij evenals de rechtbank uit van de datum van indiening van de vordering, omdat er geen factuur is overgelegd waaruit een eerdere datum als bedoeld in artikel 6:119 BW kan worden afgeleid. De wettelijke rente over de reiskosten ter hoogte van € 346,79 is verschuldigd vanaf 1 januari 2022. De behandelingen hebben plaatsgevonden vanaf 18 januari 2021 tot en met 3 januari 2023 en de rechtbank zoekt aansluiting bij het midden van deze periode. De wettelijke rente over het eigen risico over 2021 ter hoogte van € 385,00 is verschuldigd vanaf 23 april 2021, de datum van betaling aan de verzekeraar. De wettelijke rente over het eigen risico over 2022 ter hoogte van € 166,98 is verschuldigd vanaf 4 april 2022, de datum van indiening van de laatste factuur bij de verzekeraar. De wettelijke rente over de kosten van de EMDR-sessies van € 650,00 is verschuldigd vanaf 1 september 2022. De sessies zijn gevolgd gedurende de periode van 1 juni 2022 tot en met 3 januari 2023 en de rechtbank zoekt aansluiting bij het midden van deze periode. De wettelijke rente over de kosten van het Spotify abonnement ten bedrage van € 145,00 is verschuldigd vanaf 1 juli 2023. Ook hier gaat de rechtbank uit van het midden van de abonnementsperiode (van december 2022 tot en met januari 2024). De wettelijke rente over de kosten van de softlaser van € 399,00 is verschuldigd vanaf 27 februari 2023, de betaaldatum van de factuur. De wettelijke rente over de kosten verzorging paard is verschuldigd vanaf 28 april 2021 zijnde de laatste dag waarop [betrokkene 4] blijkens haar brief van 9 december 2023 voor het paard van [slachtoffer 5] heeft gezorgd.\n\nOver het resterende bedrag ter hoogte van € 100.224,99 wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 7 januari 2021, de datum waarop de woningoverval heeft plaatsgevonden. Een en ander tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheid\n\nHet hof zal de bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.7. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 7] (feit 5)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft een vordering tot schadevergoeding van € ‬20.000,00 ingediend tegen de verdachten wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe rechtbank heeft een bedrag van € 10.000,00 toegewezen.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft bij brief van 2 december 2024 de vordering tot schadevergoeding gehandhaafd.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft opgemerkt dat [slachtoffer 7] op 14 maart 2026 is overleden. Dit neemt niet weg dat het hof op de vordering dient te beslissen. De vordering is op de voet van artikel 6:95 lid 2 BW vatbaar voor overgang onder algemene titel op de erfgenaam dan wel erfgenamen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 10.000,00 kan worden toegewezen.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde feit is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nOordeel van het hofMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een woningoverval, waarbij vijf mannen met bivakmutsen ’s nachts de woning hebben betreden. Tenminste twee van hen hadden een vuurwapen en een van hen had een koevoet. [slachtoffer 7] is vastgebonden, geblinddoekt en meermaals geslagen met de koevoet. Ook is een vuurwapen op hem en zijn vrouw gericht. Uit het dossier en de toelichting bij de vordering blijkt dat hij blauwe plekken en zwellingen heeft opgelopen op zijn schedel en zijn benen, waarvoor hij naar de Spoedeisende Hulp in het ziekenhuis is gegaan. In het ziekenhuis zijn foto’s genomen. [slachtoffer 7] heeft ongeveer twee maanden last gehad van zijn linkerbeen. Door een klap op zijn oor heeft hij zeker drie maanden last gehad van constant oorsuizen en verminderd gehoor.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nDe overval heeft flinke impact gehad op [slachtoffer 7] en zijn gezin. Hij hoorde zijn zoon gillen, wat bij hem door merg en been ging. [slachtoffer 7] dacht dat ze zijn zoon gingen vermoorden, maar kon niets voor hem doen. Hij ervaarde een gevoel van machteloosheid en is door de overval veranderd. Hij had nadien onder meer een kort lontje en had vanwege de overval zijn slaapkamer laten ombouwen tot een saferoom.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor. Het meer gevorderde zal worden afgewezen.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2021 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.8.. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 8] (feit 5)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 8] heeft een vordering tot schadevergoeding van € ‬10.380,00 ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 380,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit medische kosten.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de materiële schade van € 380,00 betrekking hebbende op EMDR-therapie toegewezen en de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 en het meer gevorderde afgewezen.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen het eens te zijn met de rechtbank voor wat betreft de toewijzing van de materiële schade. De gevorderde immateriële schade ad € 10.000,00 dient te worden toegewezen.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde feit is bepleit. Een subsidiair standpunt heeft de verdediging niet ingenomen.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schadeHet hof zal evenals de rechtbank de gevorderde vergoeding voor de geleden materiële schade, bestaande uit medische kosten ter hoogte van € 380,00 toewijzen. Deze schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen verklaarde feit, is voldoende onderbouwd, niet betwist en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt.\n\nGelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een woningoverval, waarbij vijf mannen met bivakmutsen ’s nachts de woning hebben betreden. Tenminste twee van hen hadden een vuurwapen en een van hen had een koevoet. [slachtoffer 8] is vastgebonden, geblinddoekt en is bedreigd met een vuurwapen. Uit de letselrapportage en foto’s in het dossier blijkt dat zij blauwe plekken heeft opgelopen op haar rechter oksel en rechter onderbeen.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nUit de toelichting op de vordering volgt dat de overval voor [slachtoffer 8] een zeer traumatische ervaring is geweest waar zij nog altijd last van heeft. Zij is enorm angstig geweest om het welzijn van haar man en haar zoon. Zij moest toezien hoe haar man geslagen werd met een breekijzer en hoorde ook hoe haar zoon het uitschreeuwde. Ze dacht dat zij haar zoon doodmaakten. Zij moest onder dreiging van een wapen naar de wc lopen. Zij was bang dat zij haar zouden verkrachten of doden. Sinds de overval is [slachtoffer 8] constant angstig en zij slaapt slecht, waarvoor zij slaapmiddelen heeft gekregen van haar arts. Zij heeft vanwege PTSS-klachten hulp gezocht bij een psycholoog en heeft EMDR-therapie gehad, hetgeen niet het gewenste effect heeft gehad. Het leven van [slachtoffer 8] heeft in haar ogen niet meer dezelfde kwaliteit als voorheen. Zij kan minder van het leven genieten. Zij ervaart een blijvend gevoel van onveiligheid en voelt zich beperkt in haar vrijheid. [slachtoffer 8] en haar echtgenoot durfden toen haar man nog leefde ook niet meer op vakantie omdat zij dan hun zoon in de woning alleen achter zouden moeten laten.\n\nHet hof komt anders dan de rechtbank gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.380,00.\n\nWettelijke renteDe verdachte is vanaf 17 januari 2022 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag van € 380,00 aan medische kosten. Het hof zoekt hiervoor aansluiting bij de betaaldatum van de factuur.\n\nOver het bedrag aan immateriële schade van € 10.000,00 wordt de wettelijke rente toegewezen gerekend vanaf 4 juni 2021, de datum waarop de overval heeft plaatsgevonden.\n\nEen en ander tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.9.. \n\n Vordering benadeelde partij [slachtoffer 9] (feit 5)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 9] heeft een vordering tot schadevergoeding van € ‬20.000,00 ingediend tegen de verdachten wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 12.500,00 en het meer gevorderde afgewezen.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 9] heeft bij brief van 2 december 2024 de vordering gehandhaafd.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat het gevorderde bedrag ad € 20.000,00 dient te worden toegewezen.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde feit is bepleit. Een subsidiair standpunt heeft de verdediging niet ingenomen.\n\nOordeel van het hof\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een woningoverval, waarbij vijf mannen met bivakmutsen ’s nachts de woning hebben betreden. Tenminste twee van hen hadden een vuurwapen en een van hen had een koevoet. [slachtoffer 9] is een zak over zijn hoofd getrokken en zijn handen zijn achter zijn rug geboeid. Ook zijn voeten zijn bij elkaar gebonden. Hij is met de koevoet geslagen. Hij had bloeduitstortingen op zijn dij, zijn bovenarm, zijn schouder en zijn onderrug. Ruim een half jaar heeft hij last gehad van gekneusde ribben en hij had twee maanden last met lopen. Er is ook een hete strijkbout op zijn bovenarm gezet, waardoor een brandwond is ontstaan. Deze is in de ambulance behandeld, en later nog een paar keer verschoond en verbonden door de huisarts. Het heeft [slachtoffer 9] een blijvend groot ontsierend litteken opgeleverd.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nUit de toelichting bij de vordering blijkt dat [slachtoffer 9] na de woningoverval last had van geheugenzwakte en verstrooidheid. Ook was hij een tijdlang emotioneel labiel. De eerste periode durfde hij niet meer thuis te slapen, uit angst dat de overvallers terug zouden komen . Sinds de overval kan hij niet zo goed tegen “gezeur om kleine dingen”.\n\nHet hof komt anders dan de rechtbank gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,00 billijk voor.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf 4 juni 2021 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal daarbij bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.10.. \n\nInitiële vordering [slachtoffer 11] (feit 8)\n\nOp 1 maart 2022 heeft [slachtoffer 11] een verzoek tot schadevergoeding ingediend die blijkens een poststempel op 4 maart 2022 is binnengekomen bij het Openbaar Ministerie Noord-Holland.\n\nHet hof stelt vast dat genoemd verzoek ter terechtzitting in eerste aanleg niet is behandeld en er evenmin een beslissing op is genomen.\n\nOp 14 april 2026 heeft de advocaat-generaal het hof geïnformeerd over het feit dat uiteindelijk contact is geweest met [slachtoffer 11] die heeft aangegeven zijn vordering te willen handhaven in hoger beroep maar dat de formulieren door het Openbaar Ministerie nog niet zijn ontvangen.\n\nDe advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat nu [slachtoffer 11] zijn vordering niet heeft gehandhaafd deze dan ook niet aan de orde is.\n\nHet hof is van oordeel dat de vordering van [slachtoffer 11] niet aan de orde is omdat hoewel de vordering tijdig is ingediend, deze niet door de rechtbank is behandeld en de rechtbank hierop ook niet heeft beslist. Een behandeling eerst in de fase van het hoger beroep is niet mogelijk zodat de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 11] niet aan de orde is.\n\nHet hof heeft in beginsel ook de mogelijkheid om ambtshalve aan [slachtoffer 11] een schadevergoeding toe te kennen op grond van art. 36f Sr. In deze zaak is immers sprake van een uitzonderlijke situatie, waarin de vordering van [slachtoffer 11] door een fout van justitie niet is behandeld door de rechtbank. Het hof constateert echter dat [slachtoffer 11] de gestelde schade in het geheel niet heeft onderbouwd. Het hof heeft daarmee onvoldoende aanknopingspunten om de hoogte van de schade vast te stellen, en zal daarom geen toepassing geven aan art. 36f Sr.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 57, 140, 288 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. BESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep wat betreft de aan hem onder feiten 1, 2, 4, 5, 7, 8 en 10 tweede cumulatief\u002Falternatief tenlastegelegde afpersing.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot levenslange gevangenisstraf.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-316555-23 en in dit arrest onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van\n\n€ 25.510,23 (vijfentwintigduizend vijfhonderdtien euro en drieëntwintig cent) bestaande uit\n\n€ 5.510,23 (vijfduizend vijfhonderdtien euro en drieëntwintig cent) materiële schade en\n\n€ 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-316555-23 en in dit arrest onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.510,23 (vijfentwintigduizend vijfhonderdtien euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 5.510,23 (vijfduizend vijfhonderdtien euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n- 8 augustus 2020 over een bedrag van € 3.120,00 ter zake van resterend bedrag - 11 november 2020 over een bedrag van € 970,25 ter zake van installatie alarmsysteem - 2 november 2021 over een bedrag van € 113,00 ter zake van eigen risico verzekering - 1 december 2021 over een bedrag van € 1.306,98 ter zake van alarmsysteem abonnementskosten\n\nen van de immateriële schade op\n\n8 augustus 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-316555-23 en in dit arrest onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-316555-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 augustus 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 42.372,61 (tweeënveertigduizend driehonderdtweeënzeventig euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 32.372,61 (tweeëndertigduizend driehonderdtweeënzeventig euro en eenenzestig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige, te weten een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan immateriële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 42.372,61 (tweeënveertigduizend driehonderdtweeënzeventig euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 32.372,61 (tweeëndertigduizend driehonderdtweeënzeventig euro en eenenzestig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 30 december 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 december 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-259320-22 en in dit arrest onder 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 105.504,09 (honderdvijfduizend vijfhonderdvier euro en negen cent) bestaande uit\n\n€ 5.504,09 (vijfduizend vijfhonderdvier euro en negen cent) materiële schade en € 100.000,00 (honderdduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-259320-22 en in dit arrest onder 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 105.504,09 (honderdvijfduizend vijfhonderdvier euro en negen cent) bestaande uit € 5.504,09 (vijfduizend vijfhonderdvier euro en negen cent) materiële schade en € 100.000,00 (honderdduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n- 7 januari 2021 over een bedrag van € 224,99 ter zake van overige kosten - 17 januari 2021 over een bedrag van € 155,88 ter zake van braakschade - 1 februari 2021 over een bedrag van € 405,00 ter zake van kosten sloten - 25 februari 2021 over een bedrag van € 1.015,53 ter zake van installatie alarmsysteem - 2 maart 2021 over een bedrag van € 109,92 ter zake van vervangen autosleutel - 23 april 2021 over een bedrag van € 385,00 ter zake van eigen risico 2021 - 28 april 2021 over een bedrag van € 1.500,00 ter zake van verzorging paard - 1 januari 2022 over een bedrag van € 346,79 ter zake van reiskosten - 4 april 2022 over een bedrag van € 166,98 ter zake van eigen risico 2022 - 1 september 2022 over een bedrag van € 650,00 ter zake van EMDR - 27 februari 2023 over een bedrag van € 399,00 ter zake van softlaser - 1 juli 2023 over een bedrag van € 145,00 ter zake van spotify\n\nen van de immateriële schade op 7 januari 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-259320-22 en in dit arrest onder 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van €36.021,32 (zesendertigduizend eenentwintig euro en tweeëndertig cent) bestaande uit\n\n€ 3.521,32 (drieduizend vijfhonderdeenentwintig euro en tweeëndertig cent) materiële schade en €32.500,00 (tweeëndertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 8.326,92 (achtduizend driehonderdzesentwintig euro en tweeënnegentig cent) bestaande uit € 326,92 (driehonderdzesentwintig euro en tweeënnegentig cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-259320-22 en in dit arrest onder 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 36.021,32 (zesendertigduizend eenentwintig euro en tweeëndertig cent) bestaande uit € 3.521,32 (drieduizend vijfhonderdeenentwintig euro en tweeëndertig cent) materiële schade en € 32.500,00 (tweeëndertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n- 7 januari 2021 over een bedrag van € 269,99 ter zake van overige kosten - 17 januari 2021 over een bedrag van € 155,88 ter zake van braakschade - 19 januari 2021 over een bedrag van € 40,00 ter zake van medische kosten - 25 januari 2021 over een bedrag van € 1.140,00 ter zake van inkomstenderving - 1 februari 2021 over een bedrag van € 405,00 ter zake van kosten vervangen sloten - 25 februari 2021 over een bedrag van € 1.015,53 ter zake van installatie alarmsysteem - 2 maart 2021 over een bedrag van € 109,92 ter zake van vervangen autosleutel - 10 april 2021 over een bedrag van € 385,00 ter zake van eigen risico\n\nen van de immateriële schade op 7 januari 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 7] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van\n\n€ 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 7] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 4 juni 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 9] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 9] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 4 juni 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 8] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.380,00 (tienduizend driehonderdtachtig euro) bestaande uit € 380,00 (driehonderdtachtig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 8] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.380,00 (tienduizend driehonderdtachtig euro) bestaande uit € 380,00 (driehonderdtachtig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 4 juni 2021.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. J.W.H.G. Loyson, mr. L.M.G. de Weerd en, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.\n\nBijlage I – tenlastelegging\n\n15\u002F316555-23 - Mainz1.\n\nhij op of omstreeks 8 augustus 2020 te De Goorn, gemeente Koggenland (omstreeks 03:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 1] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een envelop (met daarin een geldbedrag ter hoogte van 3000,- euro) en\u002Fof een of meerdere telefoon(s) en\u002Fof een of meerdere sleutel(s), in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - een of meerdere (vuur)wapens en\u002Fof breekijzer(s) ter hand te nemen en\u002Fof\n\nmeermalen (met een breekijzer, althans een voorwerp) op\u002Ftegen het lichaam en\u002Fof op het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en\u002Fof\n\nmeermalen op\u002Ftegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen en\u002Fof\n\n(daarbij) die [slachtoffer 1] dreigend de woorden “geld, geld, geld” toe te voegen en\u002Fof\n\n(meermalen) (met een vuurwapen) op en\u002Fof in de richting van die [slachtoffer 1] te schieten en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 2] vast te pakken en\u002Fof\n\n(vervolgens) een vuurwapen, althans een voorwerp op\u002Ftegen haar hoofd te drukken en\u002Fof te houden en\u002Fof\n\n(daarbij) dreigend de woorden “geld, geld, geld” toe te voegen en\u002Fof\n\n(vervolgens) een vuurwapen, althans een voorwerp in\u002Ftegen de rug van die [slachtoffer 2] te duwen en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 2] te dwingen mee te lopen;\n\n15\u002F025439-23 - Millet\n\n2.hij op of omstreeks 30 december 2020 te Dreumel, gemeente West Maas en Waal (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 2] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een geldbedrag (ter hoogte van 15.000 euro) en\u002Fof sieraden en\u002Fof een luchtbuks en\u002Fof een personenauto (Audi) en\u002Fof een portemonnee en\u002Fof een schroevendraaier en\u002Fof een of meerdere flessen champagne in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen of meerdere (vuur)wapens en\u002Fof breekijzer(s) en\u002Fof hamer(s) ter hand te nemen en\u002Fof\n\n(daarbij) dreigend tegen [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 3] de woorden \"Geld\" en\u002Fof \"Er moet 100.000 euro liggen\" toe te voegen, althans woorden van soortgelijke (dreigende) aard en\u002Fof strekking, en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 4] te dwingen mee te lopen en\u002Fof\n\nde handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer 4] vast te binden en\u002Fof\n\nop\u002Ftegen het lichaam van die [slachtoffer 4] te slaan en\u002Fof\n\naan de haren van die [slachtoffer 4] te trekken en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 4] (met kracht) van het bed af te trekken\n\neen vuurwapen, althans een voorwerp op\u002Ftegen zijn hoofd van die [slachtoffer 3] te drukken en\u002Fof te houden en\u002Fof\n\nde handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer 3] vast te binden;\n\n15\u002F259320-22 - Zwenkau\n\n3.hij op of omstreeks 7 januari 2021 te Avenhorn, gemeente Koggenland (omstreeks 01.35 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan\u002Fop [adres 3] ) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk [slachtoffer 5] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de nek\u002Fhals van die [slachtoffer 5] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en\u002Fof voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een afpersing in vereniging en\u002Fof een diefstal met geweld in vereniging van een geldbedrag en\u002Fof een portemonnee (met inhoud) en\u002Fof (een) (auto)sleutel(s) en\u002Fof sigaretten en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig(e) goed(eren), gepleegd tegen die [slachtoffer 5] en\u002Fof [slachtoffer 6] welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n4.hij op of omstreeks 7 januari 2021 te Avenhorn, gemeente Koggenland (omstreeks 01.35 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan\u002Fop [adres 3] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een geldbedrag en\u002Fof een portemonnee (met inhoud) en\u002Fof (een) (auto)sleutel(s) en\u002Fof sigaretten en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] en\u002Fof [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om zich dat\u002Fdie goed(eren) wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] en\u002Fof [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen of meerdere (vuur)wapens ter hand te nemen en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 6] om\u002Fbij de keel vast te pakken en\u002Fof\n\n(vervolgens) een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 6] en\u002Fof [slachtoffer 5] te richten en\u002Fof te tonen, en\u002Fof\n\nmeermalen (met een voorwerp) op\u002Ftegen het lichaam en\u002Fof op het hoofd van die [slachtoffer 6] te slaan en\u002Fof\n\n(daarbij) (meermalen) dreigend te roepen “geld” en\u002Fof \"Ga je geld halen achter\" en\u002Fof \"Schiet hem dood\" en\u002Fof \"We willen het grote geld\", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\nmet kracht op\u002Ftegen het lichaam van die [slachtoffer 5] te duwen en\u002Fof\n\n(met een vuurwapen) op en\u002Fof in de richting van de keel\u002Fhals, althans lichaam, van die [slachtoffer 5] te schieten ten gevolge waarvan die [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;15\u002F025439-23 - Zulpich\n\n5.hij op of omstreeks 04 juni 2021 te Heerhugowaard (omstreeks 03:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan\u002Fop de [adres 4] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een personenauto (Audi Q7) en\u002Fof twee mobiele telefoons en\u002Fof een geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 9] en\u002Fof [slachtoffer 8] en\u002Fof [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 9] en\u002Fof [slachtoffer 8] en\u002Fof [slachtoffer 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichelf en\u002Fof andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door\n\neen zak over het hoofd van [slachtoffer 9] te trekken en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 9] vast te binden en\u002Fof\n\n(vervolgens) een heet strijkijzer op\u002Ftegen de schouder van [slachtoffer 9] te drukken en\u002Fof te houden en\u002Fof\n\neen vuurwapen, althans een daarop lijkend voorwerp, op\u002Ftegen de rug van [slachtoffer 9] te houden, althans te tonen en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 9] meermalen, met een koevoet op\u002Ftegen het bovenbeen te slaan en\u002Fof\n\n(daarbij) te roepen \"waar is het geld\" en\u002Fof \"Ik snij haar strot door als jullie niet zeggen of er nog meer geld is\" en\u002Fof \"Waar is de kluis\" of woorden van gelijke dreigende aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 7] meermalen (met een koevoet) op\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof zijn been te slaan en\u002Fof\n\neen vuurwapen, althans een daarop lijkend voorwerp, te tonen aan [slachtoffer 7] en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 7] en\u002Fof [slachtoffer 8] vast te binden en\u002Fof te blinddoeken en\u002Fof\n\n(daarbij) tegen die [slachtoffer 7] te roepen \"waar is het geld\" en\u002Fof \"meer geld\" of woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof\n\n(daarbij) tegen die [slachtoffer 8] te roepen \"waar is het geld\" en\u002Fof \"We steken het in brand\", althans woorden van soortgelijke aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\neen vuurwapen, althans een daarop lijkend voorwerp, op [slachtoffer 8] te richten en\u002Fof te dwingen mee te lopen;\n\n15\u002F322543-21 - Ararat6.hij op of omstreeks 14 juni 2021 te Berkhout tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 10] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen op\u002Fin het (boven)lichaam van die [slachtoffer 10] te schieten welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en\u002Fof voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot afpersing in vereniging en\u002Fof een poging tot diefstal met geweld in vereniging van een of meerdere goederen van zijn\u002Fhun gading, gepleegd tegen die [slachtoffer 10] en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n7.hij op of omstreeks 14 juni 2021 te Berkhout, (omstreeks 03:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om geld en\u002Fof goederen, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 10] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen de woning van die [slachtoffer 10] door middel van braak en\u002Fof verbreking tegen de wil van die [slachtoffer 10] heeft\u002Fhebben betreden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 10] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen of meerdere (vuur)wapens en\u002Fof breekijzer(s) ter hand te nemen, en\u002Fof\n\n(vervolgens) met een vuurwapen op\u002Fin het lichaam van die [slachtoffer 10] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 10] is overleden;\n\n15\u002F186945-22 - Willich\n\n8.hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude (omstreeks 04: 32 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 28] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een sleutel en\u002Fof een portemonnee (met inhoud) en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een breekijzer, in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 11] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 11] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 11] te richten en\u002Fof te tonen, en\u002Fof\n\n(daarbij) (dreigend) de woorden toe te voegen: “We willen de sleutel van (de woning van) [slachtoffer 12] \" en\u002Fof \"We willen geld”, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 11] met tape vast te binden;\n\n9.hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude (omstreeks 04: 32 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 28] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk [slachtoffer 12] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in het bovenlichaam van die [slachtoffer 12] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en\u002Fof voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een afpersing in vereniging en\u002Fof een diefstal met geweld in vereniging door middel van braak en\u002Fof verbreking gepleegd in een woning gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 317, 312 lid 1 jo lid 2 jo 310 van het Wetboek van Strafrecht), welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n10.hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude (omstreeks 04: 32 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 28] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een portemonnee (met inhoud) en\u002Fof een usb stick, in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 12] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 12] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n(met een vuurwapen) in het bovenlichaam van die [slachtoffer 12] te schieten en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 12] om\u002Fbij de keel vast te pakken en\u002Fof vast te houden ten gevolge waarvan die [slachtoffer 12] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;\n\n15\u002F025439-23 – criminele organisatie\n\n11.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 augustus 2020 tot en met 22 juli 2021 te De Goorn en\u002Fof Nieuwe Niedorp en\u002Fof Dreumel en\u002Fof Avenhorn en\u002Fof Berkhout en\u002Fof [adres 25] en\u002Fof [plaats 2] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 2] en\u002Fof [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 3] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten het plegen van overvallen (artikel 312\u002F317 Wetboek van Strafrecht).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1864","2026-07-13T00:28:41.167Z",{"id":147,"ecli":148,"slug":149,"caseNumber":45,"courtId":73,"decisionDate":96,"fullText":150,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":151,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":152},"892","ECLI:NL:GHDHA:2026:2246","ecli-nl-ghdha-2026-2246","Rolnummer: 22-002927-23\n\nParketnummer: 09-159505-22\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 september 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,\n\nadres: [woonadres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, waarbij bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, te weten – kort weergegeven – een meldplicht en een ambulante behandeling. Voorts is aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op de voet van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd inhoudende, kortgezegd, een contact- en locatieverbod voor de duur van 3 jaren. De rechtbank heeft eveneens de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevolen. Tot slot is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Het bevel voorlopige hechtenis is opgeheven.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal hard tegen het gezicht\u002Fhoofd heeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl zij op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en\u002Fof een gebroken oogkas\u002Fneus, althans één of meerdere fracturen en\u002Fof een septumdeviatie (scheefstaande neus) heeft toegebracht, door die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal hard tegen het gezicht\u002Fhoofd te schoppen\u002Ftrappen, terwijl zij op de grond lag;\n\nmeer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, ter uitvoering aan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht\u002Fhoofd heeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 2] op\u002Ftegen de neus en\u002Fof het gezicht heeft gestompt\u002Fgeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland, zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), heeft mishandeld, door op\u002Ftegen de neus en\u002Fof het gezicht van die [slachtoffer (minderjarige) 2] te stompen\u002Fslaan;\n\n3.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 26 juni 2022 te Wateringen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,\n\nzijn kind, te weten\n\n [slachtoffer (minderjarige) 3] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] ) en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 4] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] ,\n\nheeft mishandeld, door\n\n die [slachtoffer (minderjarige) 3] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nop de trap aan zijn been te trekken, waardoor hij ten val kwam en\u002Fof zijn broek naar beneden te trekken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘hufter’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nbij haar haren te pakken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘dikzak’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘kutwijf’ te noemen) en\u002Fof\n\nbuiten in de kou te laten eten en\u002Fof\n\nmet kleren en al onder de douche te zetten en\u002Fof\n\nafwasmiddel in de mond te spuiten\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\n- bij de haren te pakken en\u002Fof met hun hoofden tegen elkaar te slaan\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 4] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘klootzak te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 5] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘dom’ en\u002Fof ‘sukkel’ te noemen),\n\nterwijl verdachte deze feiten stelselmatig beging tegen minderjarigen.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede dat hem de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr wordt opgelegd, inhoudende een contact- en locatieverbod voor de duur van acht jaren, met aftrek van de reeds ten uitvoer gelegde periode. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nTen aanzien van feit 1\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten poging tot doodslag. Daartoe is aangevoerd dat de geweldshandelingen van de verdachte van een dusdanige kracht waren dat daarmee een aanmerkelijke kans bestond op letsel waardoor [slachtoffer (minderjarige) 1] zou komen te overlijden, en dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van één schop of trap met ongeschoeide voet. Van een aanmerkelijke kans op de dood was, mede gezien de rapportage van het NFI, geen sprake. Nu uit de beschreven letsels en de geschatte herstelduur niet volgt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dient de verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken. De verdediging heeft zich voor wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nAantal schoppen\n\nUit het dossier volgt dat [slachtoffer (minderjarige) 1] op 27 juni 2022 om 02.00 uur ’s nachts aangifte heeft gedaan van zware mishandeling op 26 juni 2022. Ze heeft verklaard dat ze een harde ruk voelde aan haar haar, achterover ten val kwam en dat haar vader, de verdachte, haar toen begon te schoppen terwijl ze op de grond lag. Ze weet niet meer hoe vaak, maar hij heeft meerdere keren op de linkerkant van haar gezicht getrapt met de zijkant van zijn voet. Hij trapte heel hard en ze voelde heel veel pijn aan de linkerkant van haar hoofd. Tijdens haar verhoor in augustus 2022 heeft zij verklaard dat het meer dan vijf schoppen waren, het waren er heel veel, ze zag dat hij meerdere keren schopte. De verdachte heeft zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft hij verklaard één trap te hebben gegeven. Het NFI heeft, desgevraagd, niet kunnen beoordelen of het vastgestelde letsel waarschijnlijker was bij één trap of vijf trappen in het gezicht.\n\nHet hof heeft evenwel geen reden te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer (minderjarige) 1] , die haar eerste verklaring heeft afgelegd vlak na het incident en consequent heeft verklaard dat het om meerdere schoppen ging. Het hof acht het wettig en overtuigend bewijs voor meerdere schoppen aanwezig en zal daarvan bij de verdere beoordeling van de tenlastelegging uitgaan.\n\nPrimair tenlastegelegde - poging tot doodslag\n\nHet hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, al dan niet in voorwaardelijke vorm. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou overlijden bewust heeft aanvaard.\n\nHet hof heeft in het voorgaande vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer (minderjarige) 1] op 26 juni 2022, terwijl zij op de grond lag, meermalen met zijn blote voet tegen het gezicht heeft geschopt. Dit betreft een ernstig en gewelddadig handelen. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid met welke kracht dit is gebeurd en op welke plaats van het gezicht de schoppen precies terecht zijn gekomen. Het enkele schoppen tegen het hoofd brengt niet zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood met zich mee. Het hoofd is weliswaar een kwetsbaar onderdeel van het lichaam met vitale functies, maar de schedel biedt een wezenlijke bescherming tegen van buitenaf inwerkend geweld. Daarnaast leidt een eventuele beschadiging van de hersenen niet steeds tot de dood. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat onvoldoende gegevens voorhanden zijn om te kunnen vaststellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op overlijden. Reeds daarom kan niet worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer (minderjarige) 1] .\n\nHet hof zal de verdachte vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.\n\nSubsidiair tenlastegelegde - zware mishandeling\n\nVoor een bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nHet hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 Sr wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.\n\nUit de stukken volgt dat bij [slachtoffer (minderjarige) 1] een onderhuidse bloeduitstorting rondom het linkeroog en op de linkerwang, een subconjunctivale bloeding in het linkeroog, een vermoedelijke kneuzing van het kaakgewricht, een mogelijke milde kneuzing van de linkeroogbol en kleine nasale fracturen zijn vastgesteld. Hoewel het hof dit letsel als niet gering en niet te veronachtzamen aanmerkt, kan niet worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr. Hoewel dit letsel mogelijk als zwaar zal worden ervaren, ligt de lat om dat in juridisch strafrechtelijke zin te kunnen vaststellen op grond van wet en jurisprudentie hoog. Het hof overweegt dat uit de voorhanden zijnde stukken niet zonder meer aannemelijk is geworden dat de persisterende klachten van [slachtoffer (minderjarige) 1] verband houdende met een verminderde doorgankelijkheid van de neus, wat een gevolg kan zijn van een scheef neustussenschot en\u002Fof vergrote onderste neusschelpen, zijn te relateren aan doorgemaakt trauma op 26 juni 2022. Bovendien is tot op heden medisch ingrijpen in de vorm van een operatie niet noodzakelijk geweest.\n\nDe verdachte wordt daarom vrijgesproken van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling.\n\nTen aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde stelt het hof voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nHet hof is van oordeel dat het meermaals schoppen tegen het gezicht van een op de grond liggend persoon naar zijn aard een gedraging is die een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, bijvoorbeeld hersenletsel of ernstig letsel aan een oog, in het leven roept. Door aldus te handelen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans voor ogen heeft gezien en hij heeft deze kans door zijn handelen ook aanvaard.\n\nHet hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nDe advocaat-generaal acht de verdachte schuldig aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer (minderjarige) 2] . Door met de vuist een stomp in het gezicht van [slachtoffer (minderjarige) 2] te geven heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde.\n\nHet hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 2] op 19 november 2021 éénmaal op de neus heeft gestompt of geslagen. [slachtoffer (minderjarige) 2] heeft daarbij letsel in de vorm van een kneuzing van de neus opgelopen. Het hof acht geen bewijs aanwezig voor een poging zware mishandeling. Uit het eenmaal stompen of slaan op de neus volgt niet dat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ontstond. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 primair tenlastegelegde.\n\nWel komt het hof tot een bewezenverklaring van de onder 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling.\n\nTen aanzien van feit 3\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de kinderen en de moeder niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, omdat deze onbetrouwbaar zijn. Daartoe is aangevoerd dat in de periode waarin en nadat de feiten zouden hebben plaatsgevonden veelvuldig over de situatie is gesproken, waardoor betrokkenen elkaar in hun beleving van de gebeurtenissen zouden hebben beïnvloed en versterkt. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de verdachte van de onder 3 tenlastegelegde fysieke vormen van mishandeling van zijn kinderen. Voor wat betreft dat deel van de tenlastelegging dat ziet op de zogenaamde psychische mishandeling heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit omdat – kort gezegd – zonder enige fysieke component geen sprake kan zijn van mishandeling.\n\nHet hof overweegt als volgt en stelt voorop dat verklaringen van getuigen voor het bewijs kunnen worden gebezigd, indien deze betrouwbaar worden geacht en voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.\n\nNaar het punt van de mogelijkheid van zogenaamde ‘collaborative storytelling’is in deze zaak op verzoek van de verdediging onderzoek verricht. Dr. G. Wolters, voorheen universitair hoofddocent, thans gastdocent aan de universiteit Leiden bij het departement psychologie en gespecialiseerd in het menselijk geheugen, heeft op 30 september 2025 rapport uitgebracht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de essentie van de verklaringen van alle gezinsleden in 2022 en 2023 met elkaar overeenkomt en dat er geen patroon is dat de aard van de beschuldigingen in de loop van de tijd ‘groter’ (ernstiger) wordt door een proces van onderlinge beïnvloeding en ‘collaborative storytelling’.Hierdoor is volgens de deskundige geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de individuele verklaringen.\n\nHet hof sluit zich bij deze bevindingen aan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaringen van de kinderen onderling en met die van de moeder op essentiële onderdelen consistent zijn en in voldoende mate steun vinden in elkaar. Dat op onderdelen sprake is van beperkte strijdigheden, is niet ongebruikelijk en niet van dien aard dat daaraan doorslaggevende betekenis toekomt.\n\nHet verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.\n\nHet hof stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte zijn kinderen gedurende een langere periode meermalen heeft geslagen. Deze gedragingen hebben zich voorgedaan over een periode van meerdere jaren en hadden (aldus) een stelselmatig karakter. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling, nu sprake is van opzettelijk toepassen van lichamelijk geweld tegen zijn kinderen waardoor pijn en\u002Fof letsel is veroorzaakt. Van een aantal tenlastegelegde feitelijke fysieke handelingen wordt de verdachte vrijgesproken nu daarvoor onvoldoende bewijs aanwezig is.\n\nVoor de overige tenlastegelegde niet-fysieke gedragingen, te weten het schelden, kleineren en\u002Fof denigrerend toespreken van de kinderen, is het hof van oordeel dat deze geen mishandeling opleveren in de zin van art. 300 Sr. Het hof wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad met nummer ECLI:NL:HR:2026:1005 waaruit volgt dat gedragingen die uitsluitend – dat wil zeggen: zonder inwerking op het lichaam van het slachtoffer – psychisch leed tot gevolg hebben, niet onder het in artikel 300 Sr bedoelde begrip ‘mishandeling’ vallen. Ook is geen sprake van mishandeling in de zin van artikel 300 Sr als niet op het lichaam inwerkende gedragingen psychisch leed hebben veroorzaakt dat vervolgens heeft geleid tot nadelige lichamelijke gevolgen, zoals buikpijn of braakverschijnselen door stress. Dit betekent ook dat onder ‘benadeling van de gezondheid’ zoals bedoeld in art. 300 lid 4 Sr, niet de enkele benadeling van de geestelijke gezondheid valt. Van dit deel van de tenlastelegging zal het hof de verdachte daarom vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. meer subsidiairhij opof omstreeks26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, ter uitvoering aan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaaltegen het gezicht\u002Fhoofdheeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiairhij opof omstreeks19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland, zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), heeft mishandeld, door op\u002Ftegen de neusen\u002Fof het gezichtvan die [slachtoffer (minderjarige) 2] te stompen\u002Fslaan;\n\n3. hij in of omstreeksde periode van 1 januari 2012 tot en met 26 juni 2022 te Wateringen, althans in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\nzijn kinderen, te weten\n\n [slachtoffer (minderjarige) 3] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 4] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] ,\n\nheeft mishandeld, door\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 3] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nop de trap aan zijn been te trekken, waardoor hij ten val kwam en\u002Fof zijn broek naar beneden te trekken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘hufter’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nbij haar haren te pakken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘dikzak’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘kutwijf’ te noemen) en\u002Fof\n\nbuiten in de kou te laten eten en\u002Fof\n\nmet kleren en al onder de douche te zetten en\u002Fof\n\nafwasmiddel in de mond te spuiten\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\n- bij de haren te pakken en\u002Fof met hun hoofden tegen elkaar te slaan\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 4]meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘klootzak te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 5] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘dom’ en\u002Fof ‘sukkel’ te noemen),\n\nterwijl verdachte deze feiten stelselmatig beging tegen minderjarigen.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn kind.\n\nHet onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn kind.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn kind,meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 1] , destijds 14 jaar, door haar hard aan haar haar naar de grond te trekken en vervolgens meerdere malen hard tegen haar gezicht te trappen\u002Fschoppen. Zij heeft hier bloeduitstortingen, kneuzingen en kleine fracturen van de neus aan overgehouden. Ook heeft de verdachte zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 2] , destijds 15 jaar, mishandeld door haar met zijn vuist op haar neus te slaan. Hierbij heeft [slachtoffer (minderjarige) 2] een kneuzing van haar neus opgelopen. Deze mishandelingen stonden niet op zichzelf, nu de verdachte zich verder jarenlang schuldig heeft gemaakt aan het stelselmatig slaan van niet alleen [slachtoffer (minderjarige) 1] en [slachtoffer (minderjarige) 2] , maar ook van zijn andere drie minderjarige en jonge kinderen: [slachtoffer (minderjarige) 3] , zijn oudste kind en [slachtoffer (minderjarige) 4] en [slachtoffer (minderjarige) 5] , zijn jongste kinderen. Het ging hierbij om flinke tikken\u002Fklappen.\n\nDoor de kinderen veelvuldig te slaan heeft de verdachte de psychische en lichamelijke integriteit van zijn kinderen geschonden, zoals ook volgt uit de door de dochters voorgelezen slachtofferverklaringen ter terechtzitting in hoger beroep. Het veelvuldig slaan van zijn kinderen heeft verder aanzienlijke afbreuk gedaan aan de veiligheid die de kinderen van de verdachte hadden mogen verwachten. Bekend is dat de gevolgen van kindermishandeling nog zeer lang kunnen doorwerken en zich op verschillende manieren kunnen manifesteren, ook in het volwassen leven.\n\nDe verdachte heeft nagenoeg geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Voor zover hij überhaupt erkent dat er gewelddadige conflictsituaties hebben plaatsgevonden, lijkt hij die voornamelijk af te schuiven op het gedrag van zijn kinderen en hij lijkt de ernst van zijn gedrag niet in te zien.\n\nHet hof heeft gezien dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het reeds ondergane voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.\n\nDeze gevangenisstraf is lager dan gevorderd nu het hof tot een andere bewezenverklaring komt. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient ertoe om de ernst van de feiten te onderstrepen en de verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Het hof zal geen bijzondere voorwaarden in de vorm van begeleiding en behandeling aan dit voorwaardelijk deel verbinden, nu de verdachte op de terechtzitting van het hof uitdrukkelijk heeft verklaard hier niet voor open te staan. Het hof acht het aangewezen om een proeftijd van drie jaren aan het voorwaardelijk deel te verbinden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.\n\nVoorts acht het hof het aangewezen om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, te weten een contact- en locatieverbod. De verdachte wil contact met zijn kinderen, maar uit de slachtofferverklaringen en de toelichting van de advocaat van de slachtoffers blijkt dat de kinderen nog steeds angst hebben voor de verdachte en dat zij in het geheel geen contact met hem willen. Omdat in ieder geval (een deel van) de kinderen nog minderjarig en woonachtig zijn bij hun moeder, de ex-vrouw van de verdachte, zal het contactverbod zich ook ten aanzien van haar uitstrekken. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt tegen zijn kinderen, zal het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr bevelen. Het hof zal de periode gedurende welke het contact- en locatieverbod van kracht is bepalen op in totaal vijf jaar, met aftrek van de periode waarin deze verboden vanwege de door de in eerste aanleg genomen beslissing reeds hebben gegolden.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben de aangevers zich als benadeelde partijen gevoegd en elk een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde:\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] heeft een vordering ingediend tot een bedrag van\n\n€ 14.500,- ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde;\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] ) heeft een vordering ingediend tot een bedrag van\n\n€ 12.500,- ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde;\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] hebben elk een vordering ingediend tot een bedrag van € 10.000,- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.\n\nIn hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot deze in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.\n\nHet hof stelt voorop dat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade op de voet van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek, slechts plaats is indien is voldaan aan de in dat artikel gestelde vereisten. Voor zover hier van belang kan aanspraak bestaan op vergoeding, indien sprake is van lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam, dan wel van een aantasting in de persoon op andere wijze. Van laatstgenoemde categorie is volgens bestendige rechtspraak sprake indien geestelijk letsel is vastgesteld.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan kindermishandeling gedurende vele jaren en heeft daarmee de lichamelijke integriteit van zijn kinderen geschonden en hun geestelijke gezondheid benadeeld. Alle kinderen hebben in hun vordering toegelicht dat zij nog last hebben van de onveilige en onzekere omgeving die de verdachte voor hen heeft gecreëerd. Bij alle kinderen is er als gevolg van de mishandelingen PTSS geconstateerd en vindt er traumabehandeling plaats of is er een advies tot een dergelijke behandeling.\n\nHet hof heeft bij vaststelling van de schadevergoeding aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 1]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 1] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van de feiten, het opgelopen letsel, en hetgeen door [slachtoffer (minderjarige) 1] ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de vordering zich leent - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van\n\n€ 6.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 6.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer (minderjarige) 1] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 2]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 2] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van de feiten, het opgelopen letsel, en hetgeen dat door [slachtoffer (minderjarige) 2] ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de vordering zich leent - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van\n\n€ 4.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer (minderjarige) 2] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] immateriële schade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat de vorderingen zich lenen - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot elk een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot vergoeding van de geleden schade. Deze kunnen in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte driemaal tot een bedrag van € 3.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van elk van de slachtoffers [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] .\n\nKosten in verband met alle vorderingen\n\nNu de vorderingen deels worden toegewezen, veroordeelt het hof de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van450 (vierhonderdvijftig) dagen.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 250 (tweehonderdvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde\n\n- voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met zijn kinderen [slachtoffer (minderjarige) 3] , [slachtoffer (minderjarige) 2] , [slachtoffer (minderjarige) 1] , [slachtoffer (minderjarige) 5] en [slachtoffer (minderjarige) 4] en met hun moeder, [naam moeder] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Dit betekent ook geen contact bij de school of bij de sportverenigingen waar de kinderen lid van zijn;\n\n- zich voor de duur van 5 jaren niet zal ophouden in Naaldwijk, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod noodzakelijk vindt.\n\nBeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.\n\nToepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.\n\nBeveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaaris.\n\nHeft op het door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.\n\nBeveelt dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.000,- (zesduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 1] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.000,- (zesduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 2] ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 2] , ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,- (vierduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 5] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 5] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 4] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 4] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. C. Fetter en mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2246","2026-07-13T00:28:53.233Z",{"id":154,"ecli":155,"slug":156,"caseNumber":45,"courtId":157,"decisionDate":96,"fullText":158,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":159,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":52,"updatedAt":160},"1221","ECLI:NL:RBROT:2026:8067","ecli-nl-rbrot-2026-8067",61,"Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10\u002F073695-26, 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 (gevoegd ter terechtzitting)\n\nParketnummers vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , [detentieafdeling] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.R. de Kok\n\nOfficier van justitie: mr. R.J.E. Planken\n\nBenadeelde partij: [benadeelde]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten, vernieling en het overtreden van een gedragsaanwijzing. Omdat de vernieling niet aan de verdachte is toe te rekenen, wordt hij ten aanzien daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging. De overige feiten worden de verdachte in verminderde mate toegerekend. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden. De vorderingen tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1\n\nhij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en\u002Fof gleuf van de\n\npinautomaat te grissen en\u002Fof weg te pakken en\u002Fof zich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en\u002Fof zich los te rukken.\n\n2\n\nhij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval\n\nenig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan de Albert Heijn (vestiging [adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft\n\nweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en\u002Fof\n\n- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en\u002Fof rukken.\n\n3\n\nhij op of omstreeks 10 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft weggenomen met het\n\noogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] te grissen en\u002Fof trekken\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nhij op of omstreeks 29 december 2025 te Rotterdam,\n\nopzettelijk en wederrechtelijk\n\neen of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een\n\nander, te weten aan [slachtoffer 4] en\u002Fof Woningstichting Woonstad Rotterdam,\n\ntoebehoorde\n\nheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nhij op of omstreeks 8 januari 2026 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel\n\n509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de\n\ngedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te\n\nRotterdam\n\ndoor kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:\n\n- zich niet zal ophouden in\u002Fop\u002Frond de Josephstraat 52 te Rotterdam en\n\n- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 2] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,\n\n [naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,\n\n [naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,\n\n [naam 4] , geboren [geboortedatum 6] 2008,\n\ndoor zich op te houden in\u002Fop\u002Frond de [adres 3] en\u002Fof contact op te nemen\n\nmet die [naam 4] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten. Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10\u002F073695-26 heeft zij vrijspraak gevorderd voor het bestanddeel geweld.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 10\u002F073695-26 en de feiten onder parketnummers 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 heeft de verdediging aangevoerd dat het bestanddeel geweld niet kan worden bewezen en daarvoor vrijspraak bepleit.\n\n2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nDe volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten onder parketnummers 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven. Ook ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10\u002F073695-26 wordt volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\nFeit 2\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 1] (pagina’s 40 en 41 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangever [naam 5] ;\n\nHet proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 2] (pagina’s 1 en 2 van het aanvullend proces-verbaal behorende bij het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisant [naam 6] .\n\nParketnummer 10\u002F008304-26\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 3] , (pagina’s 9 en 10 van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisanten [naam 7] en [naam 8] of één van hen;\n\nEen ander geschrift, te weten een gedragsaanwijzing in de zaak met parketnummer 10\u002F353396-25.\n\nParketnummer 10\u002F353396-25\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 4] , (pagina’s 7 en 8 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangeefster [slachtoffer 4] .\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 en feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\nFeit 1\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 9 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 50 euro gepakt uit de gleuf van een geldautomaat terwijl dat geld van iemand anders was.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 9 maart 2026, omstreeks 08:30 uur bevond ik mij op het Binnenwegplein 6A te Rotterdam. Ik liep bij de Geldmaat naar binnen. Ik stond bij de pinautomaat en ik wilde 100 euro contant storten op mijn bankrekening. Ik voelde en zag ineens achter mij een man. Ik zag dat de man zijn hand bij de gleuf van de pinautomaat hield, om mijn contante geld te pakken. Ik draaide mij om en ik pakte de man bij zijn jas vast. De man probeerde naar de uitgang te lopen. Dit is de man uiteindelijk gelukt. De man heeft uiteindelijk 50 euro contant bij zich kunnen houden.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 9 maart 2026, omstreeks 08.29 uur, vond er bij de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam een diefstal plaats. Van de diefstal zijn camerabeelden aanwezig van Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam. De camerabeelden voor de diefstal op 9 maart 2026 betreffen camerabeelden op de datum van 9 maart 2026 tussen de tijdstippen 08.15 uur en 08.45 uur.\n\nBestandnaam stream 3:\n\n(..)\n\n08.30: Ik zie dat de persoon zijn zwarte rugtas op zijn borst draagt en naar de vrouw bij de geldautomaat kijkt. Ik zie dat de persoon naast haar gaat staan bij de geldautomaat. Ik zie dat de persoon veel om zich heen kijkt. Ik zie dat de persoon een snelle beweging naar de vrouw maakt bij de geldautomaat. Ik zie dat de man naar het geld grijpt uit de geldautomaat waar de vrouw bij staat. Ik zie dat de vrouw de persoon tegen wil houden. Ik zie dat de persoon zich verzet en zich losrukt en vervolgens de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam uitrent. Ik zie dat de vrouw verbaasd om zich heen kijkt en vervolgens weer verder achter de persoon loopt die weggerend is.\n\nFeit 3\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 10 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 100 euro gepakt uit de handen van een mevrouw die daar net geld had gepind.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 10 maart 2026 omstreeks 09:45 uur, stond ik binnen bij de geldautomaat welke is gevestigd op het Binnenwegplein 6A Rotterdam. Ik had mijn bankpas in de automaat gestopt. Ik voerde mijn pincode in en drukte op 100 euro en koos voor twee biljetten van 50 euro. Ik zag dat er twee biljetten van 50 euro uit de automaat kwam. Ik haalde de biljetten eruit en begon de biljetten te vouwen. Terwijl ik aan het vouwen was met mijn beide handen draaide ik mij om richting de uitgang omdat ik naar buiten wilde lopen. Ik zag opeens dat de twee biljetten welke ik net had gevouwen uit mijn handen werd getrokken. Ik tilde mijn hoofd op en ik zag dat er een jongen tegenover mij stond. Ik zag dat de dader zich omdraaide en naar buiten rende.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 10 maart 2026, om 09.44 uur, vond er een diefstal met geweld plaats bij de Geldmaat op het Binnenwegplein. Van de diefstal met geweld zijn camerabeelden aanwezig.\n\nIk, verbalisant, zag op stream 4 het volgende: Ik zag dat er een vrouw de ruimte inliep. Ik zag dat zij door de ingang liep om 09.43 uur in de richting van de automaten.\n\nIk, verbalisant, herkende haar door het signalement uit de aangifte als: [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 7] -1980 te [geboorteplaats 2] .\n\nIk zag dat er een man de ruimte inliep. Ik zag dat hij door de ingang liep om 09.44 uur in de richting van de automaten.\n\n Ik, verbalisant, herkende deze man onmiddellijk als zijnde aangehouden verdachte: [verdachte] , geboren op [verdachte] -2005 te [geboorteplaats 1] .\n\nIk zag [slachtoffer 3] om 09.43 uur in beeld komen. Ik zag dat [slachtoffer 3] vanaf de ingang naar een automaat liep. Ik zag dat ze een pas in de automaat stopte. Ik zag om 09.44 dat [voornaam verdachte] vanaf de ingang naar binnen liep. Ik zag dat [slachtoffer 3] met haar rechterhand iets uit de automaat pakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] linksachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan. Ik zag dat [slachtoffer 3] iets uit de automaat pakte dat leek op biljetten en deze met beide handen vastpakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich verplaatste en rechtsachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan en tegelijk nog steeds constant naar [slachtoffer 3] keek. Ik zag dat [slachtoffer 3] zich rechtsom wegdraaide van de automaat. Ik zag dat [voornaam verdachte] met veel kracht met 2 handen iets uit [slachtoffer 3] haar handen pakte. Ik zag dat hierdoor [slachtoffer 3] een stukje werd meegetrokken. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich met de biljetten in zijn hand omdraaide en wegrende naar de uitgang. Ik zag dat [slachtoffer 3] achter [voornaam verdachte] aanrende.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank is gelet op de inhoud van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte bij feit 1 en feit 3 ook geweld heeft gebruikt bij de diefstal. In geval van feit 1 bestond het geweld uit het weggrissen van het geld en het zich lostrekken uit de greep van de aangeefster. In geval van feit 3 bestond het geweld uit het (met kracht) trekken van het geld uit de handen van de aangeefster waardoor deze een stukje werd meegetrokken. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het gebruiken van geweld bij het plegen van feit 2.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1\n\nhij op of omstreeks9 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan,vergezeld en\u002Fofgevolgd van gewelden\u002Fof\n\nbedreiging met geweldtegen die [slachtoffer 1] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fofgemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fofom, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en\u002Fofgleuf van de\n\npinautomaat te grissen en\u002Fofweg te pakken en\u002Fofzich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en\u002Fofzich los te rukken.\n\n2\n\nhij op of omstreeks9 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval\n\nenig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan de Albert Heijn (vestiging\n\n [adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft\n\nweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en\u002Fof\n\n- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en\u002Fof rukken.\n\n3\n\nhij op of omstreeks10 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeft weggenomen met het\n\noogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan,vergezelden\u002Fof gevolgdvan gewelden\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fofgemakkelijk te maken,en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door voornoemd geldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] tegrissen en\u002Foftrekken\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nhij op of omstreeks29 december 2025 te Rotterdam,\n\nopzettelijk en wederrechtelijk\n\neen ofmeerdere ruiten,in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een\n\nander, te weten aan [slachtoffer 4] en\u002Fof Woningstichting Woonstad Rotterdam, toebehoorden\n\nheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nhij op of omstreeks8 januari 2026 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te Rotterdam\n\ndoorkort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:\n\n- zich niet zal ophouden in\u002Fop\u002Frond de Josephstraat 52 te Rotterdam en\n\n- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 1] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,\n\n [naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,\n\n [naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,\n\n [naam 4] , geboren [geboortedatum 1] 2008,\n\ndoor zich op te houden in\u002Fop\u002Frond de [adres 3] en\u002Fofcontact op te nemen\n\nmet die [naam 4] .3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1. diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;\n\n2. diefstal;\n\n3. diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nopzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.3.3.. \n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is onderzocht door psychiater [naam 9] . Uit zijn rapport van 15 mei 2026 volgt dat bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis met gehoorhallucinaties en achtervolgingswaandenkbeelden, een stoornis in het gebruik van cannabis en zwakbegaafdheid dan wel een licht verstandelijke beperking. Ten tijde van de feiten waren deze stoornissen aanwezig. Ten aanzien van de vernieling (parketnummer 10\u002F008304-25) overweegt de psychiater dat de verdachte door waandenkbeelden ervan overtuigd was dat zijn zussen en moeder werden aangevallen en dat de verdachte hen wilde beschermen door de ruiten in te gooien. De psychiater adviseert daarom dit feit bij een bewezenverklaring in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen. Met betrekking tot de overige feiten kan aan de ene kant een materieel motief in overweging worden genomen en anderzijds de floride psychotische ziekteverschijnselen van de verdachte, met affectieve en cognitieve beperkingen, ook van zijn vermogen tot oordeel en kritiek. De psychiater adviseert bij een bewezenverklaring deze feiten in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte.\n\nDe rechtbank verenigt zich met bovenstaande conclusies van de psychiater en neemt deze over. De vernieling kan daarom niet aan de verdachte worden toegerekend. Dat betekent dat de verdachte voor dat feit niet strafbaar is en dat hij daarvoor zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van de overige feiten is de rechtbank van oordeel dat deze feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De verdachte is echter wel strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid volledig uitsluiten. De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de verminderde mate van toerekenbaarheid.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. De verdediging is van mening dat de verdachte al langer in voorarrest heeft gezeten dan de straf die moet worden opgelegd, maar de verdediging vindt het belangrijker dat de verdachte niet op straat wordt gezet zonder hulp.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten. Ten eerste heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een gedragsaanwijzing die de verdachte was opgelegd. Daarmee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de personen ten aanzien van wie het contact- en locatieverbod was opgelegd. Daarnaast heeft de verdachte zich in twee dagen tijd schuldig gemaakt aan drie vermogensdelicten, te weten twee diefstallen met geweld en een winkeldiefstal. Dergelijke diefstallen zorgen voor gevoelens van angst en onrust bij de slachtoffers en in de samenleving. Met zijn handelen heeft de verdachte laten zien dat hij de lichamelijke integriteit en het eigendom van anderen niet respecteert.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer een vermogensdelict.\n\nPro Justitia rapport en reclasseringsadvies\n\nUit het rapport van de psychiater dat hiervoor is besproken volgt dat bij de verdachte sprake is van meerdere stoornissen. De psychiater acht het van belang dat de verdachte hiervoor wordt behandeld. De verdachte dient aanvankelijk klinisch te worden behandeld in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) voor zijn psychotische stoornis. Aansluitend dient resocialisatie plaats te vinden via beschermd of begeleid wonen en ambulante nazorg onder toezicht van de reclassering. Dit dient vormgegeven te worden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel naast de eerder afgegeven zorgmachtiging.\n\nUit het reclasseringsadvies van Leger des Heils van 15 juni 2026 volgt dat de reclassering op vrijwel alle leefgebieden van de verdachte problemen ziet. De psychische problematiek van de verdachte is het meest prominent aanwezig en behoeft direct behandeling in een klinische vorm. Het vanaf januari 2025 lopende toezicht bij de reclassering heeft niet geleid tot verbetering van de situatie van de verdachte. De opname die in de afgegeven zorgmachtiging is opgenomen, wordt als niet toereikend geacht. Tevens wordt de verdachte bij elke instelling waar hij is aangemeld afgewezen, omdat zij niet de passende hulp kunnen bieden bij de aanwezige problematiek. Een klinische opname wordt als enige haalbare mogelijkheid gezien. Vanwege de reeds lopende zorgmachtiging kan de FPK waar de verdachte is aangemeld hem op dit moment niet opnemen. Zij hebben de verdachte op een wachtlijst geplaatst. Daarna kunnen zij de verdachte wel opnemen in de kliniek. Derhalve acht de reclassering het van belang dat de verdachte in detentie zal verblijven tot de zorgmachtiging is afgelopen. De zorgmachtiging loopt tot 2 september 2026. De reclassering adviseert het volwassenstrafrecht toe te passen en om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.4.3.3.. Oplegging straf\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast. De rechtbank ziet gelet op de persoon van de verdachte en de uitgebrachte rapportages hiertoe geen aanleiding.\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het\n\nbepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die\n\nin soortgelijke zaken zijn opgelegd, het strafblad van de verdachte en het gegeven dat de feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Ook is rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie aan de hoge kant is. Aan de verdachte wordt daarom een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest,\n\nwaarvan 3 maanden voorwaardelijk, opgelegd. De rechtbank verbindt aan de\n\nvoorwaardelijke straf een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden die de\n\nreclassering heeft geadviseerd. De voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden zijn\n\nbedoeld om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 100,- dat in beslag is genomen in de zaak met parketnummer 10\u002F073695-26 aan de rechthebbende moet worden teruggegeven.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [slachtoffer 3] .6. Vordering van de benadeelde partij6.1.. \n\nVordering [benadeelde]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 € 100,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.6.2.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nUit hetgeen hiervoor onder hoofdstuk 5 is overwogen, volgt dat het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan de benadeelde partij zal worden teruggeven. Daarmee is er niet langer sprake van de door artikel 361 Wetboek van Strafvordering vereiste rechtstreekse schade, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.\n\n6.3.. \n\nProceskosten\n\nDe rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.7. Vordering tot tenuitvoerlegging7.1.. \n\nVordering\n\nParketnummer 10\u002F329152-22\n\nDe officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 77 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.\n\nParketnummer 10\u002F201224-24\n\nDe officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 13 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden dat de verdachte mee zou werken aan een behandelverplichting en zich zou inzetten voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald wek en\u002Fof vrijetijdsbesteding.7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen en dat de in de zaken met parketnummers 10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24 gesteldevoorwaarden moeten worden gewijzigd naar de voorwaarden die in dit vonnis worden opgelegd.7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat de vorderingen moeten worden afgewezen.7.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd en door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de onder parketnummer 10\u002F329152-22 gestelde voorwaarde geen strafbare feiten te plegen. Blijkens het advies van 4 november 2025 van de reclassering heeft de verdachte zich onvoldoende gehouden aan meerdere bijzondere voorwaarden die hem waren opgelegd.\n\nDe rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, omdat zij dit niet opportuun acht gezien de op te leggen straf en het daarnaast in het belang van de verdachte is dat hij zo snel mogelijk behandeling ondergaat. De vorderingen worden dus afgewezen. Wel zullen de voorwaarden worden gewijzigd, omdat in dit vonnis ook voorwaarden aan de verdachte worden opgelegd en het in het belang van de verdachte is dat de voorwaarden die zijn verbonden aan de drie vonnissen gelijkluidend zijn.\n\nDe voorwaarden opgelegd in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 worden gewijzigd, namelijk zoals hieronder omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel.8. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 184a, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.9. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummers 10\u002F073695-26, 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 10\u002F353396-25 niet strafbaar en ontslaat de verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging;\n\nverklaart de verdachte ten aanzien van de andere strafbare feiten strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 3 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar,waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\nde verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;\n\nde verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door De Woenselse Poort of een soortgelijke Forensische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op behandeling van de psychotische stoornis, de stoornis in het gebruik van cannabis, ondersteuning ten aanzien van zwakbegaafdheid en in het herstellen van de relatie met zijn ouders en zus. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\nde verdachte zich aansluitend aan de klinische opname, gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en ondersteuning op praktische leefgebieden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\nde verdachte aansluitend op de klinische opname, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader door de reclassering te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\nde verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\nde verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\nde verdachte spant zich na de klinische opname in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n- beveelt de teruggave van een geldbedrag van € 100,- aan de rechthebbende;\n\nTenuitvoerlegging voorwaardelijke straffen (parketnummers10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24)\n\nwijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen;\n\nwijzigt de voorwaarden verbonden aan deze vonnissen, als volgt, namelijk zoals hierboven omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel;\n\nVordering benadeelde partij\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26);\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.\n\n10. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer]\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 1] van 9 maart 2026, pagina’s 9 tot en met 12.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 34 tot en met 36.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte van 10 maart 2026, pagina’s 16 tot en met 18.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 29 tot en met 31.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8067","2026-07-13T00:29:10.777Z",{"id":162,"ecli":163,"slug":164,"caseNumber":45,"courtId":73,"decisionDate":96,"fullText":165,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":166,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":167},"839","ECLI:NL:GHDHA:2026:2247","ecli-nl-ghdha-2026-2247","Rolnummer: 22-003495-25\n\nParketnummer: 10-134474-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2025 alsmede het herstelvonnis van 12 november 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] ,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met bevel tot verpleging van overheidswege. Ook is aan de verdachte opgelegd gedragsbeïnvloedende maatregel zoals bedoeld in artikelen 38z van het Wetboek van Strafrecht. Tot slot is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n hij op 29 april 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging,\n\n- tegen de vagina en\u002Fof de billen en\u002Fof het dijbeen van die [slachtoffer] heeft geslagen,\n\n- die [slachtoffer] tegen een hek heeft geduwd en\u002Fof vastgehouden,\n\n- die [slachtoffer] op haar armen gekrabd heeft,\n\n- heeft geprobeerd de legging van die [slachtoffer] naar beneden te trekken,\n\n- zijn broek heeft uitgetrokken en\u002Fof zijn geslachtsdeel uit zijn broek heeft gehaald, en\u002Fof\n\n- zijn geslachtsdeel tegen de (bedekte) billen van die [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\n hij op 29 april 2025 te Rotterdam, met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het\n\n- slaan met zijn hand tegen de vagina en\u002Fof de billen en\u002Fof het dijbeen van die [slachtoffer] , en\u002Fof\n\n- duwen met zijn geslachtsdeel tegen de (bedekte) billen van die [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en\u002Fof gevolgd door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging, door - die [slachtoffer] tegen een hek te duwen,\n\n- te proberen de legging van die [slachtoffer] naar beneden te trekken,\n\n- zijn broek uit te trekken en\u002Fof zijn geslachtsdeel uit zijn broek te halen, en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] op haar armen te krabben.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behalve ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de beslissing met betrekking tot de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de motivering daarvan.\n\nIn dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis en het herstelvonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvullingen aanbrengt.\n\nVerzoek tot het horen van de reclasseringsambtenaar\n\nDe raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de reclasseringsambtenaar als deskundige te horen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte sinds de behandeling van de zaak in eerste aanleg een andere houding heeft aangenomen en thans bereid is mee te werken aan eventueel op te leggen voorwaarden. Volgens de raadsvrouw is het daarom van belang de reclasseringsambtenaar te bevragen over de mogelijkheden van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, ondanks het eerder door de reclassering uitgebrachte negatieve advies.\n\nHet hof wijst dit verzoek af. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.\n\nUit de zich in het dossier bevindende Pro Justitia-rapportages, alsmede uit hetgeen de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft verklaard, blijkt dat bij hem geen sprake is van een intrinsieke bereidheid tot behandeling. De verdachte heeft meermalen te kennen gegeven geen behandeling te willen ondergaan, omdat hij niet inziet dat sprake is van problematiek waarvoor behandeling noodzakelijk is. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan ziekte- en probleeminzicht. Dat de verdachte thans, anders dan in eerste aanleg, heeft verklaard bereid te zijn mee te werken aan voorwaarden, maakt dit oordeel niet anders. Het hof begrijpt deze verklaring, mede gelet op de overige inhoud van het dossier en zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, aldus dat deze bereidheid voortkomt uit zijn wens om in vrijheid te worden gesteld en niet uit een daadwerkelijke behandelmotivatie. Zo heeft de verdachte over een klinische opname, hetgeen volgens de rapportage van de reclassering een van de voorwaarden bij een eventuele terbeschikkingstelling met voorwaarden zou zijn, verklaard dat er zo geen verschil is met een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, dat niemand kan zeggen dat er een probleem is en heeft hij de vraag gesteld wat er dan onderzocht moet worden. De verdachte heeft verder verklaard dat hij zich wil richten op de toekomst, “dit” allemaal achter zich wil laten en dat hij geen zin heeft in een gesprek met de reclassering hierover.\n\nHier komt bij dat de verdachte blijkens het reclasseringsrapport van 17 oktober 2025 meermalen heeft geweigerd met de reclassering in gesprek te gaan ten behoeve van het opstellen van een maatregelenrapport, ondanks het feit dat de reclassering aan de verdachte het belang van zijn medewerking heeft uitgelegd en de verdachte eerder ter terechtzitting van 8 augustus 2025 had aangegeven mee te zullen werken aan de reclasseringsrapportage. Verder heeft de verdachte in het kader van de onderzoeken naar zijn persoonlijkheid op de vraag van de psychiater of hij bereid is zich aan voorwaarden te houden geantwoord \"off the record, nee, on the record ja\".\n\nOnder deze omstandigheden tezamen beschouwd ziet het hof geen noodzaak tot het horen van de reclasseringsambtenaar inzake de haalbaarheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.\n\nAanvulling bewijsmiddelen\n\nHet hof vult bewijsmiddel 1 aan door de datum van de terechtzitting toe te voegen, te weten 28 oktober 2025.\n\nVoorts wordt als bewijsmiddel toegevoegd:\n\n7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2025 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. [nummer proces-verbaal] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 14 t\u002Fm 16):\n\nhet relaas van één van de verbalisanten:\n\nIk hoorde dat [slachtoffer] (hof: aangeefster [slachtoffer] ) mij het volgende vertelde:\n\n“Toen de man voor mij stond zag ik dat hij zijn arm in de richting van de binnenkant van mijn dijbeen deed. Ik voelde dat hij mij raakte aan de binnenkant van mijn dijbeen ter hoogte van mijn schaamstreek. (…) Ik stond tussen de man en het hek in. Ik zag dat de man zijn geslachtsdeel uit zijn broek haalde. Ik voelde dat hij zijn geslachtsdeel tegen mijn billen aan duwde.”\n\nHet hof zal vonnis waarvan beroep - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling en verbetering van gronden bevestigen.\n\nVordering tot schadevergoeding [slachtoffer]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.820,-. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering deels gehandhaafd in die zin dat het opgevoerde nader te onderbouwen bedrag van € 2.500,- voor immateriële schade komt te vervallen.\n\nIn hoger beroep is deze vordering derhalve aan de orde tot een bedrag van € 4.320,-, zijnde een bedrag van € 320,- voor materiële schade en een bedrag van € 4.000,- voor immateriële schade.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de gelede immateriële schade is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist.\n\nDe benadeelde partij heeft naar het oordeel van het hof aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 320,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor wat betreft de immateriële schade geldt het volgende. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft te gelden dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nNaar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast. Uit informatie van de huisarts volgt dat zij slaapproblemen en stemmingsklachten ervoer. Ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gebracht dat de benadeelde partij nog steeds behandelingen ondergaat. Het hof is los daarvan van oordeel dat de aard en ernst van de normschending – de bewezen verklaarde poging tot opzetverkrachting van de benadeelde partij als hardloopster, gepleegd in de late avond - meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nGelet op hetgeen door en namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal het hof het gevorderde bedrag voor de gelede immateriële schade geheel toewijzen, te weten een bedrag van € 4.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het toewijzen van dit bedrag heeft het hof aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof heeft nu sprake is van een poging tot opzetverkrachting als richtsnoer genomen de bedragen die zijn genoemd in de categorie “ernstig” bij “aanranding” , te weten € 1.000,- tot € 5.000,-. De feiten in het onderhavige geval passen naar het oordeel van het hof bij de bovenste laag van deze categorie.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.320,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .\n\nGelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.320,- (vierduizend driehonderdtwintig euro) bestaande uit € 320,- (driehonderdtwintig euro) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.320,- (vierduizend driehonderdtwintig euro) bestaande uit € 320,- (driehonderdtwintig euro) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 43 (drieënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 april 2025.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep inclusief het herstelvonnis voor het overige, met inachtneming van de in dit arrest overwogene.\n\nDit arrest is gewezen door mr. C. Fetter, als voorzitter, mr. K. Versteeg en mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2247","2026-07-13T00:28:50.534Z",{"id":169,"ecli":170,"slug":171,"caseNumber":45,"courtId":88,"decisionDate":96,"fullText":172,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":173,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":52,"updatedAt":174},"1318","ECLI:NL:RBLIM:2026:6631","ecli-nl-rblim-2026-6631","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.109661.25\n\nTegenspraak, na aanhouding verschenen\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. N.C.M.L. Bloebaum, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] is niet op zitting verschenen. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. S.L.T.A. Scheepers, advocaat kantoorhoudende te Venlo.\n\nNamens de benadeelde partij [naam cafetaria] is niemand op zitting verschenen.\n\nDe rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:op 8 april 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (al dan niet met voorbedachten rade) te doden dan wel (al dan niet met voorbedachten rade) heeft geprobeerd om hem zwaar te mishandelen.\n\nFeit 2:op 12 maart 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (al dan niet met voorbedachten rade) te doden dan wel (al dan niet met voorbedachten rade) heeft geprobeerd om hem zwaar te mishandelen.\n\nFeit 3:op 8 april 2025 een deur van [naam cafetaria] heeft vernield.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde als poging tot moord bewezen kan worden verklaard. De verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel aanvaard door meermalen met kracht met een ijzeren staaf op het hoofd te slaan. Daarnaast is sprake van voorbedachte raad, nu de verdachte zich gedurende ongeveer een kwartier heeft kunnen beraden op zijn voorgenomen besluit, in die tijd rugdekking heeft geregeld en vervolgens bewapend op zoek is gegaan naar [slachtoffer] .\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat op basis van de camerabeelden niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met een ijzeren staaf met kracht op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen en het hoofdletsel van [slachtoffer] daarvan afkomstig moet zijn. Enkel kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] op zijn arm en schouder heeft geraakt met de ijzeren staaf. Daarmee was geen sprake van een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel, maar wel op zwaar lichamelijk letsel. Deze heeft de verdachte ook bewust aanvaard, reden waarom het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit volgens de officier van justitie wel bewezen kan worden verklaard. Ook hier is sprake van voorbedachte raad, nu de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn voorgenomen besluit en vervolgens bewapend op pad is gegaan.\n\nTot slot heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nMet betrekking tot feit 1 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of het handelen van de verdachte een poging tot doodslag oplevert. Van voorbedachte raad is echter geen sprake. De verdachte dient daarvan partieel te worden vrijgesproken omdat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daarbij heeft de raadsvrouw ook gewezen op de deskundigenrapportages waaruit onder meer volgt dat de bij de verdachte geconstateerde problematiek maakt dat hij impulsief handelt.\n\nMet betrekking tot het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft de verdediging verzocht de verdachte vrij te spreken. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] met de ijzeren staaf een klap op het hoofd heeft gegeven, nu dit niet is te zien op de camerabeelden en de arm waarin de verdachte de staaf vast heeft wel in beeld blijft. De verdachte herinnert zich dat [slachtoffer] tegen een kast of een deur is gevallen. Dat zou een mogelijke oorzaak kunnen zijn van de wond op het achterhoofd van [slachtoffer] . Er kan slechts worden vastgesteld dat de verdachte één klap heeft gegeven op de linkerarm of het linker schouderblad van [slachtoffer] . Een enkele klap op die plaats van het lichaam kan niet leiden tot een poging tot zware mishandeling of een poging tot doodslag. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ook van voorbedachte raad geen sprake kan zijn.\n\nTen aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nVrijspraakoverweging feit 2\n\nDe rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat de verdachte op 12 maart 2025 achter [slachtoffer] is aangerend met een ijzeren staaf en hem vervolgens met die staaf eenmaal heeft geslagen op zijn rug\u002Fschouder, waarna [slachtoffer] een winkel binnenrent.\n\nVervolgens is de verdachte met de ijzeren staaf in de rechterhand in de deuropening van de winkel blijven staan. Met de officier van justitie en de raadsvrouw heeft de rechtbank ter zitting op grond van de camerabeelden waargenomen dat de verdachte gedurende de tijd dat hij in de deuropening heeft gestaan geen slaande beweging heeft gemaakt. De rechtbank merkt daarbij op dat als de verdachte op dat moment [slachtoffer] geslagen zou hebben die slaande beweging deels zichtbaar zou moeten zijn geweest op de camerabeelden, omdat de verdachte de staaf in zijn rechterhand had en de rechterschouder en\u002Fof arm nagenoeg steeds in beeld is geweest. De zeer korte tijd waarin dit niet het geval is, is zo kort dat de slaande beweging op het hoofd, waarover [slachtoffer] heeft verklaard, niet in die tijd heeft kunnen plaatsvinden, mede gelet op de houding van het bovenlichaam van de verdachte dat steeds in beeld blijft.\n\nOp een gegeven moment is te zien dat de verdachte wegloopt uit de deuropening. Even later komt [slachtoffer] naar buiten. Op dat moment is een bloedende hoofdwond aan de achterzijde van zijn hoofd zichtbaar.\n\n [slachtoffer] heeft tot driemaal toe verklaard dat hij vlak na de slag tegen de rug\u002Fschouder ook op het hoofd is geslagen met de ijzeren staaf door de verdachte, dat dat pijn deed en bloedde en dat hij daar de hoofdwond aan heeft overgehouden. Op grond van voorgaande vaststellingen omtrent de camerabeelden komt de rechtbank tot de conclusie dat het tijdstip waarop de verdachte volgens [slachtoffer] op zijn hoofd heeft geslagen niet kan kloppen. Daar komt bij dat [slachtoffer] tijdens zijn verklaringen niet heeft verklaard dat hij op enig ander moment op het hoofd zou zijn geraakt.\n\nAlhoewel duidelijk is dat [slachtoffer] een bloedende hoofdwond heeft opgelopen, valt niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat dit het gevolg is geweest van het handelen van de verdachte. Op de camerabeelden is immers ook te zien hoe [slachtoffer] tegen een deur aanloopt als hij de winkel invlucht. De winkelmedewerker die daar destijds aan het werk was heeft ook niet verklaard dat [slachtoffer] bij het binnengaan of gedurende de tijd die hij heeft doorgebracht in de winkel met de ijzeren staaf op het hoofd is geslagen. Dit terwijl wel is verklaard over het lopen tegen de deur. Gezien al het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.\n\nTen aanzien van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling overweegt de rechtbank dat de verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling was om [slachtoffer] zwaar te mishandelen en dat evenmin kan worden geoordeeld dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake is van vol opzet. Een enkele slag met een ijzeren staaf op de rug\u002Fschouder levert naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op, waardoor er geen sprake is van voorwaardelijk opzet. Nu het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt, dient de verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken te worden.\n\nGezien het voorgaande zal de rechtbank de verdachte integraal vrijspreken van feit 2.\n\nBewijsmiddelen ten aanzien van feit 1\n\nDe rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte meerdere malen met een ijzeren staaf op\u002Ftegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen, op grond van:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nde aangifte van [slachtoffer] van 8 april 2025;\n\n- de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025;\n\n- de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] tijdens de aanhouding van de verdachte op 8 april 2025.\n\nOverwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 1\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden hoe het handelen van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.\n\nOpzet op de dood\n\nDe rechtbank dient allereerst te beoordelen of de verdachte met zijn gedragingen het opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Er is sprake van ‘vol opzet’ indien willens en wetens wordt gehandeld, dat wil zeggen indien een bepaald gevolg – in dit geval de dood van [slachtoffer] – wordt beoogd. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte, met in zijn rechterhand een langwerpig, grijs voorwerp, naar de toegangsdeur van de cafetaria rent waar [slachtoffer] zich bevindt en naar binnen rent naar die [slachtoffer] toe, hem vastpakt en meerdere keren met kracht met een ijzeren voorwerp richting [slachtoffer] slaat, waaronder meermalen met kracht op zijn hoofd. Bij een van die slagen heeft de verdachte het ijzeren voorwerp met beide handen vast, terwijl hij dit tot boven zijn schouders heeft geheven om vervolgens met kracht te slaan tegen het hoofd van [slachtoffer] . Als [slachtoffer] daarna op de grond belandt, gaat de verdachte boven hem staan en blijft op eenzelfde wijze doorgaan met het slaan van [slachtoffer] . De uiterlijke verschijningsvorm van dit handelen kan niet anders worden uitgelegd als zijnde gericht op de dood van [slachtoffer] . Daar komt bij dat uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat de verdachte tijdens het slaan tegen hem heeft gezegd dat hij hem dood gaat maken. Tijdens zijn aanhouding heeft de verdachte bovendien tegenover de politieambtenaren verklaard dat het de eigen schuld van [slachtoffer] was, dat hij het niet erg vond om hiervoor te gaan zitten en dat hij hem liever dood had geslagen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .\n\nPartiële vrijspraak voorbedachte raad\n\nDe vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte voorafgaand aan het slaan met de ijzeren staaf voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad voor beraad en bezinning. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De enkele vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van voorbedachte raad en hoeft de rechtbank er bovendien niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.\n\nDe verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het besluit om [slachtoffer] met de ijzeren staaf te slaan heeft genomen op het moment dat hij bij de cafetaria arriveerde en uit de auto stapte. De ijzeren staaf zou volgens de verdachte al op de achterbank van de auto hebben gelegen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte eerder dan dat moment het plan zou moeten hebben opgevat om [slachtoffer] op zijn hoofd te slaan met het ijzeren voorwerp. Dat de rest van het gereedschap door de politie is aangetroffen in de kofferbak van het voertuig van de verdachte, maakt naar het oordeel van de rechtbank immers niet dat het ijzeren voorwerp daarom niet op de achterbank had kunnen liggen zoals door de verdachte is verklaard. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat het besluit van de verdachte om [slachtoffer] met een ijzeren staaf op zijn hoofd te slaan zo ver voor het feit is genomen dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank is bovendien van oordeel dat het dossier meer aanknopingspunten bevat dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Zijn handelen is kennelijk getriggerd door het telefoontje dat hij van [verbalisant 1] ontving, waarna hij geëmotioneerd in de auto is gestapt en een al bij hem aanwezig familielid met hem mee is gegaan.\n\nGelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de besluitvorming en de uitvoering in een zodanig korte tijdspanne hebben plaatsgevonden dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte wordt daarom partieel vrijgesproken van het bestanddeel ‘met voorbedachte raad’.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich op 8 april 2025 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen ten aanzien van feit 3\n\nDe rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het tenlastegelegde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een (tussen)deur van [naam cafetaria] , op grond van:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nde aangifte van [aangever] van 8 april 2025;\n\n- de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\nop 8 april 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen (met kracht) met een (ijzeren) staaf, op\u002Ftegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 3:\n\nop 8 april 2025 te Venlo opzettelijk en wederrechtelijk een (tussen)deur die aan [naam cafetaria] toebehoorde, heeft vernield.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\npoging tot doodslag\n\nT.a.v. feit 3:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\n [naam psycholoog] , GZ-psycholoog, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 2 juli 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.\n\nEr is bij betrokkene sprake van ADHD en een antisociale en borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Hiervan was sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Betrokkene ging impulsief op het slachtoffer af. Hoewel dit op het eerste gezicht vooral berekenend en antisociaal aandoet, is hierin juist ook de (emotionele) impulsiviteit passend bij de borderline problematiek herkenbaar waarin hij zich niet liet remmen, gedreven werd door woede vanuit angst om iemand voor wie hij zich verantwoordelijk voelt en de walging (devaluatie) jegens iemand die niet voldoet aan zijn standaarden. Dit werd ook gezien in de klappen. Betrokkene sloeg agressief en dacht niet meer na. Hij sloeg tegen het hoofd, ook toen de man al lag en voelde zich vooral woedend. Hij verklaart in dezen overigens ook duidelijk dat “het” niet allemaal bewust is geweest en dat hij niet geloofd had dat het zo ernstig was als gesteld werd, als hij de beelden ervan niet had gezien. Er zijn naast antisociale, ook narcistische elementen herkenbaar in het feit dat hij het zelf ging regelen en niet de politie inschakelde. Betrokkene voelde in zijn recht te staan, begreep eigenlijk niet dat hij als dader en niet als held ontvangen werd bij justitie hoewel hij realiteitszin genoeg had deze afwijzing voor te zijn. De onderliggende ADHD die voortdurende onrust in hem teweegbrengt, dreef hem tot snelle actie. Gezien de relatie tussen de gediagnosticeerde problematiek en het hem ten laste gelegde en het feit dat met name de borderline dynamiek er debet aan geweest is dat hij zijn eigen handelen volstrekt onvoldoende onder controle kon houden, wordt geadviseerd het hem slechts in verminderde mate toe te rekenen.\n\n [naam psychiater] , psychiater, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 24 november 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.\n\nBij betrokkene is sprake van ADHD, een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, stoornis in het gebruik van cocaïne en partner-relatieproblemen. ADHD en de gestelde persoonlijkheidspathologie zijn altijd aanwezig. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde waren er op de voorgrond staande stoornissen in de emotie- en agressieregulatie en impulsiviteit en schoten de copingsvaardigheden van betrokkene tekort. De partnerrelatie was de belangrijkste trigger in deze. Het advies is om betrokkene de beide tenlastegelegde feiten, mits deze bewezen worden\n\ngeacht, verminderd toe te rekenen. Allereerst speelt daar zijn ADHD een belangrijke rol in, gezien dit zijn handelen duidelijk impulsiever heeft gemaakt en betrokkene zijn gedrag hierdoor minder kan controleren. Deze impulsiviteit vanuit zijn ADHD heeft ook zijn disfunctionele gedrag voortkomende uit zijn persoonlijkheidspathologie duidelijk aangejaagd. Betrokkene is fors getriggerd geraakt, doordat zijn belangrijkste naasten, namelijk Nathalie en zijn zoontje, in zijn ervaring belaagd en vernederd werden door het slachtoffer. De borderlinepathologie van betrokkene zorgt ervoor dat grenzen tussen zelf en de ander vervagen en daardoor worden zeker de belangrijkste naasten als partners, ouders en kinderen beleefd als ware het betrokkene zelf. De beledigingen en bedreigingen van het slachtoffer aan zijn vriendin en zoontje zullen door betrokkene dan ook als gericht op hemzelf zijn ervaren. Dit zal voor betrokkene ten diepste beangstigend zijn geweest en deze ernstige emotionele ontregeling heeft een trigger voor impulsiviteit\n\nen verlies van zelfcontrole gevormd. Desalniettemin heeft betrokkene in een aantal stappen weldegelijk gerichte keuzes gemaakt vanuit een instrumenteel motief. Dat motief was over een langere termijn afgewogen en betrof dat het slachtoffer moest worden afgestopt en vergelding moest plaatsvinden. Als er niet werd ingegrepen door politie\u002Fjustitie, dan betekende dat voor betrokkene dat hij voor eigen rechter moest spelen. In die keuzes heeft betrokkene weldegelijk handelings- en wilsvrijheid genoten: hij had immers ook die dag weg kunnen blijven en naar het bos kunnen gaan, zoals hij eerder had gedaan. Of hij had het aanbod van zijn vriend kunnen volgen om afleiding te zoeken, maar “die dag was de emmer vol”. Betrokkene was in staat het ongeoorloofde van zijn handelen in te zien, maar keurde dit desondanks goed.\n\nDe rechtbank verenigt zich met de adviezen en de conclusies van de deskundigen over de toerekeningsvatbaarheid, neemt deze over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Nu er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten acht de rechtbank de verdachte strafbaar.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de aard en ernst van het feit, de justitiële documentatie van de verdachte en de rapporten van de psycholoog en de psychiater waaruit blijkt dat de feiten in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Uit de rapporten van de psycholoog en de psychiater blijkt dat sprake is van een hoog recidiverisico en dat het van belang is dat de verdachte wordt behandeld. De algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en dit is ook de meest passende maatregel. De officier van justitie ziet geen meerwaarde in een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel op grond van artikel 38z Sr. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van het moment dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijk strafdeel.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafbepaling rekening moet worden gehouden met de aanleiding van het conflict en de meewerkende houding van de verdachte. Daarnaast heeft de verdachte er zelf voor gekozen om hulp te zoeken binnen de p.i. en kunnen de feiten in verminderde mate worden toegerekend aan de verdachte. De raadsvrouw heeft twee strafvoorstellen gedaan. Het eerste voorstel houdt in dat aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden en een gevangenisstraf van 2 jaren wordt opgelegd. De verdachte is gemotiveerd om snel met behandeling te beginnen. Het tweede voorstel is om aan de verdachte een gevangenisstraf van 4 jaren waarvan 2 jaren voorwaardelijk op te leggen. Aan het voorwaardelijk strafdeel zouden dan bijzondere voorwaarden moeten worden gekoppeld. De raadsvrouw benadrukt tot slot dat er rekening mee moet worden gehouden dat het opleggen van een tbs-maatregel een ultimum remedium is.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door meerdere malen hard met een ijzeren staaf op het hoofd van [slachtoffer] te slaan. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een deur. Door zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het gaat om potentieel levensbedreigend geweld. Dit heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer, maar de verdachte heeft door zijn handelen, in een friettent waar ook andere mensen aanwezig waren, bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Wat [slachtoffer] ook gedaan of gezegd zou hebben tegen de ex-partner van de verdachte, dat rechtvaardigt niet deze afranseling waarbij [slachtoffer] zoals gezegd zomaar het leven had kunnen laten. De rechtbank rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij voor eigen rechter heeft gespeeld. Daarbij geldt dat het enkel aan toeval en niet aan terughoudendheid van de verdachte is te danken dat het slachtoffer niet is overleden.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 juni 2026, waaruit onder meer blijkt dat hij op 29 februari 2024 is veroordeeld voor een vernieling.\n\nDe straf\n\nBij de strafoplegging ligt het accent niet verwonderlijk op de bewezenverklaarde poging tot doodslag van [slachtoffer] . De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat, gelet op de ernst van dit feit, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zoals eerder gezegd zal de rechtbank de feiten aan de verdachte in verminderde mate toerekenen.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. Een lagere gevangenisstraf, zoals door de raadsvrouw is bepleit indien deze gevangenisstraf gepaard zou gaan met de oplegging van een tbs-maatregel, doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De verdachte zal tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting verblijven, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.\n\nDe maatregel\n\nUit de rapportages van de psychiater en de psycholoog volgt dat bij de verdachte sprake is van meerdere psychische stoornissen die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het begaan van de bewezenverklaarde feiten. Beide deskundigen schatten het recidiverisico als hoog in. Zij wijzen daarbij onder meer op de uitgebreide justitiële voorgeschiedenis van de verdachte, waarbij sprake is van uiteenlopende typen slachtoffers, de invloed van een pro-crimineel netwerk, een beperkt arbeidsverleden, verslavingsproblematiek, een hoge mate van impulsiviteit en gebrekkige copingvaardigheden ten aanzien van emotieregulatie.\n\nDe psycholoog adviseert behandeling binnen een voorwaardelijk strafkader, waarbij de verdachte een behandeltraject volgt bij een forensische polikliniek. De psychiater acht een behandeling binnen een voorwaardelijk kader ook mogelijk, maar adviseert een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Hij vindt van belang dat wordt voorkomen dat de verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij indien hij op enig moment besluit niet langer mee te werken aan de behandeling of de gestelde voorwaarden. In dat geval kan een tbs met voorwaarden worden omgezet in een tbs met dwangverpleging, zodat de noodzakelijke behandeling ter vermindering van het recidiverisico kan worden voortgezet. Uit het reclasseringsrapport en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdachte bereid is mee te werken aan een tbs met voorwaarden. De reclassering adviseert hierover voorzichtig positief en heeft ter zitting vermeld dat reeds een indicatiestelling voor een langdurige klinische behandeling is geregeld.\n\nDe rechtbank neemt het advies van de psychiater en de reclassering over en is van oordeel dat, naast voornoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden moet worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten, de bij de verdachte aanwezige stoornissen en het hoge recidiverisico acht de rechtbank het onverantwoord om het risico te lopen dat de verdachte zonder behandeling in de maatschappij terugkeert. Hoewel de rechtbank het positief acht dat de verdachte zich thans bereid toont aan behandeling mee te werken, dient ermee rekening te worden gehouden dat hij zich op dit moment bevindt in de gestructureerde omgeving van de penitentiaire inrichting. Niet kan worden uitgesloten dat zijn motivatie onder minder beschermde omstandigheden en met toename van prikkels van buitenaf onder druk kan komen te staan.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel. De bewezenverklaarde poging tot doodslag betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht. Ten tijde van het begaan van het feit bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, eist het opleggen van de maatregel. Aan de maatregel zullen de hierna te noemen, door de reclassering geadviseerde, voorwaarden worden verbonden.\n\nDe rechtbank overweegt daarbij dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van poging tot doodslag. Dat is een misdrijf dat is gericht tegen, dan wel gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen in de zin van artikel 38e Sr. Dit brengt mee dat de duur van de terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd tot vier jaren indien deze op enig moment wordt omgezet naar een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege.\n\nGelet op het psychiatrisch toestandsbeeld van de verdachte, de ernst van het bewezenverklaarde feit onder 1 en het hoge recidiverisico ziet de rechtbank aanleiding de tbs met voorwaarden op grond van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Gezien de duur van de daarnaast opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf ziet de rechtbank geen aanleiding om, anders dan door de officier van justitie verzocht, de voorlopige hechtenis te schorsen vanaf het moment dat de straf gelijk wordt aan de duur van het voorarrest en onder gelijkluidende voorwaarden als de tbs-maatregel. Dit moment ligt immers dusdanig ver in de toekomst dat het te ver gaat om daarover reeds nu een beslissing te nemen.\n\nGedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe reclassering heeft geadviseerd om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, zodat ook na afloop van de terbeschikkingstelling gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden kunnen worden toegepast. De rechtbank begrijpt dat het adviseren van een GVM onderdeel uitmaakt van de standaardwerkwijze van de reclassering. Desgevraagd heeft de deskundige ter zitting niet nader kunnen concretiseren welke toegevoegde waarde deze maatregel in dit geval heeft, buiten de aanwezigheid van een mogelijk forensisch kader na afloop van de maatregel. De rechtbank stelt vast dat door oplegging van deze maatregel de verdachte uiteindelijk gedurende lange tijd fors in zijn vrijheden kan worden beperkt. De enkele notie dat er zodoende altijd een vangnet mogelijk is vindt de rechtbank onder deze omstandigheden, waarin er verder geen concrete toegevoegde waarde van de maatregel zelf benoemd kon worden, onvoldoende. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partijen\n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 en 2)\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 14.000,00 euro ter zake van de feiten 1 en 2. Deze vordering bestaat uit immateriële schade. Er is bij de benadeelde partij onder meer sprake van hersenletsel, een breuk aan de middelvinger, een breuk in de neus, littekens in het aangezicht en een breuk in het sleutelbeen. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nVordering benadeelde partij [naam cafetaria] (feit 3)\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 1.830,00 euro ter zake van feit 3. Deze vordering ziet op de kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken voor een nieuwe deur. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering te moeilijk is om te beoordelen. De vordering is op meerdere punten onvoldoende onderbouwd en bij de beoordeling moet worden betrokken of er sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij.\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam cafetaria] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hoewel er geen offerte is bijgevoegd, heeft de verdachte zich bereid verklaard om de schade te betalen. De gijzeling kan in dit geval worden vastgesteld op één dag.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering te onduidelijk is en daardoor een onevenredige belasting voor het strafproces vormt. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om alleen een bedrag toe te wijzen voor de breuk in de neus, de vordering sterk te matigen en rekening te houden met een mate van eigen schuld.\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam cafetaria] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, ondanks dat de vordering niet is onderbouwd en niet voldoet aan de formele eisen omdat de handtekening ontbreekt. De verdachte is immers bereid om de schade te betalen.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1)\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek onder meer mogelijk indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten breuken van de neus en middelvinger en licht traumatisch hersenletsel. Gelet op de aard en ernst van het letsel, de pijn die daarvan het gevolg is geweest en de onderbouwing daarvan aan de hand van foto’s en medische informatie, acht de rechtbank een vergoeding van immateriële schade van € 5.000,00 billijk. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij tot dat bedrag toe. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor het overige onvoldoende onderbouwd is. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering dan ook niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, met het bijbehorende aantal dagen gijzeling.\n\nVordering benadeelde partij [naam cafetaria] (feit 3)\n\nDe rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd. De vordering is door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk voorkomt en de verdachte zich bereid heeft verklaard de schade te vergoeden, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\nEr zal maar één dag gijzeling worden toegepast, gelet op de gebreken die aan de vordering kleven en de overeenstemming ter zitting over de duur van de toe te passen gijzeling.\n\n8. Het beslag\n\nNu de verdachte zal worden vrijgesproken van feit 2 dient het inbeslaggenomen goed – te weten een ijzeren pijp\u002Fstaaf – teruggegeven te worden aan de verdachte.\n\n9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36f, 38, 38a, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreektde verdachtevrijvan feit 2;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezenzoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feitenoplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregel\n\ngelast dat de verdachte ter beschikkingwordtgesteld met voorwaardenten aanzien van feit 1 primair;\n\nstelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:\n\n1. Geen strafbaar feit plegen\n\nVeroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.\n\n2. Meewerken aan reclasseringstoezicht\n\nVeroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n- Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;\n\n- Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen;\n\n- Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;\n\n- Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;\n\n- Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;\n\n- Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners;\n\n- Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;\n\n- Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n3. Meewerken aan time-out\n\nAls de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling (FPK \u002F FPA). Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n4. Niet naar het buitenland\n\nVeroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n5. Opneming in een zorginstelling\n\nVeroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door een forensisch psychiatrische kliniek (FPK) of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie (NIFP-IFZ \u002F DIZ). De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de agressieproblematiek, de ADHD, de persoonlijkheidsstoornis en de verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.\n\n6. Ambulante behandeling\n\nVeroordeelde laat zich na afronding van de klinische behandeling behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychische en verslavingsproblematiek, en de agressiebeheersing, schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\n7. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nVeroordeelde verblijft in een begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, indien en zolang de reclassering nodig acht. Het verblijf start na de klinische behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\n8. Verbod verdovende middelen\n\nVeroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n9. Alcoholverbod\n\nVeroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n10. Contactverbod\n\nVeroordeelde zoekt of heeft op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .\n\n11. Dagbesteding\n\nVeroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\n12. Aflossing schulden\n\nVeroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\nToezicht\n\n- geeft opdracht aan de reclassering om toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\n- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer] en schadevergoedingsmaatregel t.a.v. feit 1\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijgedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van5.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade;\n\nbepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskostendoor de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot opnihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijkis en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nlegt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van5.000,00 euro;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;\n\nBenadeelde partij [naam cafetaria] en schadevergoedingsmaatregel t.a.v. feit 3\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijtoeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam cafetaria] , van een bedrag van1.830,50 euro, bestaande uit materiële schade;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskostendoor de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot opnihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [naam cafetaria] van een bedrag van1.830,50 euro;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;Beslag\n\n- gelast de teruggave vanhet volgende inbeslaggenomen goed aan de rechthebbende:\n\n1. STK pijp (G1786919).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Bastiaans, voorzitter, mr. K. Mestrom en mr. Y.R.S. Piekhaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.H.G. Staals, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.\n\nMr. Y.R.S. Piekhaar is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\nhij, op of omstreeks 8 april 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf en\u002Fof moersleutel, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 2 primair:\n\nhij, op of omstreeks 12 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 2 subsidiair:\n\nhij, op of omstreeks 12 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 3:\n\nhij, op of omstreeks 8 april 2025 te Venlo\n\nopzettelijk en wederrechtelijk een (tussen)deur, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [naam cafetaria] en\u002Fof [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer OL2300-2025056739, gesloten d.d. 27 mei 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 215.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 8 april 2025, pg. 13-15.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025, pg. 102-115.\n\n Proces-verbaal van aanhouding verdachte van 8 april 2025, pg. 184-186.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 8 april 2025, pg. 55-57.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025, pg. 102-115.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6631","2026-07-13T00:29:15.725Z",{"id":176,"ecli":177,"slug":178,"caseNumber":45,"courtId":157,"decisionDate":122,"fullText":179,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":180,"sourceTimestamp":122,"parsedAt":52,"updatedAt":181},"1628","ECLI:NL:RBROT:2026:7942","ecli-nl-rbrot-2026-7942","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10.229131.25\n\nDatum uitspraak: 6 juli 2026\n\nDatum zitting: 22 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] (O),\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting (PI) [naam P.I.] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. J-H.L.C.M. Kuijpers\n\nOfficier van justitie: mr. H.J. du Croix\n\nBenadeelde partijen:\n\n [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , bijgestaan door mr. N. Amine\n\n [benadeelde 4] , bijgestaan door mr. J.F.I. Sahebdien\n\n [benadeelde 5] , bijgestaan door mr. J.F.I. Sahebdien, waarnemend voor mr. Y.N. Teke-Bozkurt\n\nKern van het vonnis\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte voor het samen met een ander opzettelijk uitlokken van een gewapende overval op een juwelier, het opzettelijk uitlokken van een woningoverval en het proberen opzettelijk uit te lokken van een woningoverval. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf op van vier jaar en wijst de schadeclaims van de slachtoffers (gedeeltelijk) toe.1. Tenlastelegging\n\nKort samengevat en voor zover van belang beschuldigt de officier van justitie de verdachte van een viertal strafbare feiten, te weten:\n\n1) het in de periode van 25 juni tot en met 8 juli 2025 (samen met anderen) uitlokken van een overval op een juwelier op 8 juli 2025 (medeplegen van diefstal met geweld in vereniging);\n\n2 en 3) het in de periode van 16 juni tot en met 4 juli 2025 uitlokken van een overval op een woning op 4 juli 2025 (medeplegen van afpersing in vereniging (feit 2) en medeplegen van diefstal met geweld in vereniging (feit 3));\n\n4) een poging tot het uitlokken van een diefstal met geweld (feit 4).\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis.\n\n2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de (primaire) feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad op gebruik van geweld. Dat geldt zowel voor de woningoverval als bedoeld onder de feiten 2 en 3 in de tenlastelegging als voor de overval op de juwelier als bedoeld onder feit 1 in de tenlastelegging. De verdachte heeft dat opzet ontkend en het blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Er is geen bewijs dat er afspraken zijn gemaakt over het gebruik van geweld. Het inslaan van de ruiten bij de juwelier levert braak op, geen geweld. “In de rechtspraak wordt met enige regelmaat vrijgesproken van betrokkenheid bij een diefstal met geweld, indien uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wetenschap had van het voorgenomen geweld of het gebruik van wapens door de uitvoerders”, aldus de raadsman onder verwijzing naar twee arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.\n\nMet betrekking tot feit 4 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat sprake is van vormverzuimen. Voor de doorzoeking in de hotelkamer geldt dat het dossier te weinig concrete en specifieke informatie bevat om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van aanwezigheid van wapens en munitie. Daarnaast ontbreekt in het dossier een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris voor het verrichten van onderzoek in de telefoon van de verdachte. Deze vormverzuimen dienen te leiden tot bewijsuitsluiting. Indien de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake kan zijn van bewijsuitsluiting, stelt de raadsman zich op het standpunt dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de geweldscomponent. In de chatberichten wordt namelijk niet gesproken over het toepassen van geweld en de verdachte heeft daarop geen opzet gehad.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte twee keer (waarvan één keer samen met een ander) een diefstal met geweld in vereniging heeft uitgelokt (feiten 1 primair en 3 primair), een afpersing in vereniging heeft uitgelokt (feit 2) en heeft geprobeerd een diefstal met geweld uit te lokken (feit 4). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nEr is sprake van uitlokking als de uitlokker de uitvoerder met de in artikel 47, eerste lid, aanhef en sub 2, van het Wetboek van Strafrecht genoemde middelen opzettelijk aanzet tot het plegen van een specifiek strafbaar feit en dit feit ook daadwerkelijk wordt gepleegd althans een poging of strafbare voorbereiding daartoe wordt ondernomen.Dit opzet dient in beginsel alle delictsbestanddelen te omvatten. Dat betekent echter niet dat de uitvoering precies moet gaan zoals de uitlokker heeft bedacht, als de uitlokker daar al een concreet idee over heeft. Dat de uitvoering anders is geweest dan de verdachte voor ogen heeft gestaan, hoeft niet af te doen aan het opzettelijk karakter van het uitlokken (HR 19 mei 1987, NJ 1988, 424). Zo heeft degene die uitlokt tot beroving in beginsel ook opzet op het daarvoor gebruikte geweld (HR 10 februari 1970, NJ 1970, 269).\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij informatie had over een kluis en over waardevolle spullen in de woning aan de [adres 2] in Berkel en Rodenrijs. Ook verklaarde hij dat hij in de ten laste gelegde periode deze informatie met anderen, waaronder de medeverdachte [medeverdachte 1] , had gedeeld. De verdachte zegt bij de eerste ontmoeting met de medeverdachte [medeverdachte 2] te hebben gesproken over de planning van de overval in Berkel en Rodenrijs. Ter zitting heeft de verdachte beaamd dat een overval meestal niet vriendelijk gebeurt. [medeverdachte 1] heeft volgens de verdachte alles verder geregeld en [medeverdachte 1] vertelde aan hem alles wat hij deed.\n\nWelke afspraken voorafgaand aan de overval op de woning precies zijn gemaakt, is onduidelijk. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld kan, nu in de feiten 2 en 3 geen medeplegen van uitlokking is ten laste gelegd, niet worden bewezen dat de verdachte de overval op de woning heeft uitgelokt door datum en tijd door te geven waarop de overval moest plaatsvinden, door tegen de uitvoerders te zeggen wat zij moesten doen, de taken te verdelen en de verdeling van de buit te bepalen. Deze uitspraken heeft de verdachte wel gedaan in een chatgesprek op 24 juni 2025 (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 207). Maar de personen die daar als uitvoerder worden aangesproken, hebben uiteindelijk de overval niet uitgevoerd. Uiteindelijk heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] twee anderen geregeld om de overval uit te voeren en de datum bepaald (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 406, [medeverdachte 1] : “ik heb 2 soldiers” en “morgenochtend gaat gebeuren, ik neem het ff over”, op 3 juli 2025).\n\nDat niet met zoveel woorden is ten laste gelegd dat de verdachte het feit heeft uitgelokt door het adres van de woning door te geven doet er niet aan af, dat de rechtbank dit gegeven wel meeweegt bij het bewijs van uitlokking. Niet alle uitlokkingsmiddelen behoeven immers met zoveel worden in de tenlastelegging te worden opgenomen.\n\nHoewel uit de uitgewisselde berichten van de verdachte niet is gebleken dat over toepassing van geweld werd gesproken, staat wel vast dat de verdachte zijn mededaders heeft uitgelokt tot het medeplegen van de diefstal dan wel afpersing zoals onder 2 en onder 3 is ten laste gelegd. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 23 november 2002 overwogen dat een verdachte door het uitlokken van het medeplegen van diefstal bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het binnendringen van een woning met meerdere personen om de hennep weg te nemen, kan leiden tot het aanwenden van geweld jegens de bewoner van de woning, waarvan de verdachte bovendien wist dat hij in zijn woning aanwezig was (ECLI:NL:GHSHE:2022:4007). Het hof verklaarde uitlokking van diefstal in vereniging met geweld bewezen. De Hoge Raad heeft het tegen dit arrest gerichte cassatieberoep – waarbij het middel zich onder meer tegen het bewijs van dubbel opzet richtte – zonder motivering verworpen (HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:303).\n\nEen en ander leidt tot het oordeel dat de verdachte door het uitlokken van diefstal van sieraden uit (een kluis in) een woning terwijl hij moet hebben geweten dat een bewoner thuis was – hoe zouden de daders anders naar binnen gaan en zich toegang verschaffen tot de kluis zoals de bedoeling was – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het binnendringen in de woning zou leiden tot geweld tegen een of meer bewoners. Daaraan doen niet af de arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarnaar de raadsman heeft gewezen, alleen al omdat deze niet gaan over uitlokking maar over medeplegen en medeplichtigheid.\n\nWel zal de rechtbank vrijspreken van de onder 2 en 3 ten laste gelegde uitlokking van diefstal met geweld en afpersing, voor zover het betrekking heeft op een vuurwapen. Het bewijs van het opzet op geweld dat voortvloeit uit de opzettelijke uitlokking van diefstal met geweld en afpersing gaat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet zo ver, dat daaronder ook het opzet op wapengeweld kan worden gerekend.\n\nDie gedeeltelijke vrijspraak strekt zich overigens niet uit tot de tenlastelegging onder 1. De woning als bedoeld in de tenlastelegging onder 2 en 3 is overvallen op 4 juli 2025 en de juwelier als bedoeld in de tenlastelegging onder 1 is overvallen op 8 juli 2025. De verdachte heeft op de zitting gezegd dat hij van de overval op de woning op 4 juli 2025 kennis heeft genomen uit het nieuws. Hoewel niet bekend is van welk nieuwsbericht of nieuwsberichten de verdachte heeft kennisgenomen of wanneer hij dat heeft gedaan, kan het niet anders of hij heeft dat kort na de overval op de woning gedaan, terwijl die berichten minst genomen moeten hebben gemeld dat het om een gewapende overval is gegaan. Zo is in de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 2] een zoekslag [naam locatie]gevonden die heeft geleid naar een nieuwsbericht getiteld ‘Bewoners bedreigd met vuurwapen bij woningoverval [naam locatie] in Berkel en Rodenrijs’ (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 116). En in de telefoon van de verdachte zelf werd een nieuwsbericht gevonden over de overval op de juwelier op 8 juli 2025 van de website politie.nl met als titel:vier mannen aangehouden op verdenking van gewapende overval op juwelier te Rotterdam(zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 403), wat laat zien dat de verdachte naar nieuws over de overval zoekt.Dit laat naar het oordeel van de rechtbank voldoende zien dat de nieuwsberichten over de woningoverval op 4 juli 2025 die de verdachte naar eigen zeggen heeft bekeken moeten hebben vermeld dat er sprake is geweest van een gewapende overval. Dat brengt mee dat de verdachte bij het aanzetten tot de overval op de juwelier op 8 juli 2025, die in elk geval door een deel van dezelfde daders zou worden uitgevoerd, ook willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat opnieuw een (vuur)wapen zou worden gebruikt.\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman met betrekking tot het tenlastegelegde onder 4, dat sprake zou zijn van een tweetal vormverzuimen. De verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij twee gewapende overvallen. Dit gegeven was voldoende aanleiding voor een doorzoeking als bedoeld in artikel 49 van de Wet wapens en munitie van de hotelkamer waarin hij werd aangehouden. De officier van justitie heeft met betrekking tot de inbeslagname van de telefoon en het onderzoek in de telefoon ter zitting het bevel en de beslissing van de rechter-commissaris verstrekt op dit punt (Landeck). Dit maakt dat het standpunt hiermee voldoende onderbouwd is weersproken.\n\n2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1\n\nprimair[medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] op 8 juli 2025te Rotterdam, tezamen en in vereniging diverse sieraden en\u002Fof displays, die geheel of ten dele aan Juwelier [naam juwelier] en\u002Fof [slachtoffer 1] , toebehoorde(n)hebbenweggenomen met het oogmerk omdiezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en omstanders, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - met behulp van hamers de glazen voordeur eneenraam van het pand\u002Fde juwelier in te slaan en - een vuurwapen op omstanders te richten, en - gekleed in gezichtsbedekkende kleding het pand te betreden, en - de glazen toonbank met behulp vaneenhamer, in te slaan, en - (vervolgens) tassen te vullen met displays en sieraden\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 25 juni 2025 tot en met 8 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof Belgiëtezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft uitgelokt door misbruik van gezag, bedreiging en het verschaffen van inlichtingen, te weten door, - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om een vluchtauto te regelen en om samen met anderen de overval te plegen en\n\n- de locatie van de overval en de datum\u002Fhettijdstip van de overval door te geven, en - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om mokers en\u002Fof handschoenen aan te schaffen en\u002Fof geld te geven voor die aanschaf en\u002Fof een foto te sturen aan die [medeverdachte 2] van de moker die die [medeverdachte 2] moest halen, en - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om mededader(s) op te halen - en daarbij adressen te delen- en\u002Fof af te zetten in Rotterdam en - die [medeverdachte 2] te zeggen dat hij klaar moest staan;\n\n2 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) op 4 juli 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland tezamen en in vereniging, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer 3] hebben gedwongen tot de afgifte van meerdere armbanden en eenketting die aan die [slachtoffer 3] toebehoorden door - de voordeur van de woning van die [slachtoffer 3] open te duwen en (vervolgens) naar binnen te gaan, gehuld in gezichtsbedekkende kleding, en - die [slachtoffer 3] bij de keel vast te pakken, en - (vervolgens) “money, money” te roepen naar die [slachtoffer 3] en tegen haar kinderen te zeggen dat zij, [slachtoffer 3] , geld dan wel waardevolle spullen moest afgeven,\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 16 juni 2025 tot en met 4 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en doormisbruik van gezag en het verschaffen van inlichtingen, te weten door - (via Signalberichten) [medeverdachte 1] opdracht te geven om een chauffeur te zoeken voor de overval en aan die [medeverdachte 1] te vragen wie de chauffeur is, en - (via Signalberichten) de uitvoerders te laten weten dat er een aanzienlijk geldbedrag in de woning ligt;\n\n3\n\nprimair[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) op 4 juli 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland tezamen en in vereniging, meerdere armbanden eneenketting en meerdere horloges en meerdere telefoons die geheel aan [slachtoffer 3] toebehoorden hebben weggenomen met het oogmerk omdiezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaanenvergezeld van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en\u002Fof haar kinderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - de voordeur van de woning van die [slachtoffer 3] open te duwen en (vervolgens) naar binnen te gaan, gehuld in gezichtsbedekkende kleding, en - die [slachtoffer 3] bij de keel vast te pakken, en - (vervolgens) “money, money” te roepen naar die [slachtoffer 3] en tegen haar kinderen te zeggen dat zij, [slachtoffer 3] , geld dan wel waardevolle spullen moest afgeven, en - (vervolgens) die [slachtoffer 3] en haar kinderen te instrueren om tussen mededadersin naar boven te lopen, en - (vervolgens) armbanden eneenketting en horloges uit de (lades in de) slaapkamers te pakken,\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 16 juni 2025 tot en met 4 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en doormisbruik van gezag en het verschaffen van inlichtingen, te weten door - (via Signalberichten) [medeverdachte 1] opdracht te geven om een chauffeur te zoeken voor de overval en aan die [medeverdachte 1] te vragen wie de chauffeur is en - (via Signalberichten) de uitvoerders te laten weten dat er een aanzienlijk geldbedrag in de woning ligt;\n\n 4 hij in de periode van9 september 2025 tot en met 13 september 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, heeft gepoogd om een ander, te weten een onbekend gebleven persoon onder de Signalnaam ' [accountnaam] ' door beloften endoor het verschaffen van inlichtingen te bewegen om een misdrijf, te weten het medeplegen van een diefstal met geweld in een woning, artikel 312 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht, op 15 september 2025 te Berkel en Rodenrijs, waarbij de uitlokkingsmiddelen bestaan uit: - het via Signal benaderen van Signal-gebruiker ' [accountnaam] ', met de tip dat een aanzienlijk geldbedrag voorhanden is in (een kluis in) een woning in Berkel en Rodenrijs (van een Syrisch gezin dat drie juwelierszaken heeft), en - (via Signal) tegen die ' [accountnaam] ' te zeggen dat hij, verdachte, hiervoor \"spelers nodig\" heeft, en - (vervolgens, via Signal) tegen die ' [accountnaam] ' te zeggen hoe de taken voor de te plegen overval worden verdeeld\u002Fverdeeld zijn en\u002Fof dat de buit eerlijk zal worden verdeeld en\u002Fof dat de uitvoerders de buit op een plek zonder camera's moeten achterlaten, en - (via Signal) met die ' [accountnaam] ' een datum\u002Ftijdstip van de te plegen overval af te spreken, en - (via Signal) aan die ' [accountnaam] ' een filmpje te sturen van een kluis en\u002Fof daarbij te zeggen dat er een aanzienlijk geldbedrag in moet liggen, en - (via Signal) met die ' [accountnaam] ' af te spreken dat de overval \"aankomende maandag\" zal plaatsvinden.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n1\n\nprimair\n\nhet medeplegen van uitlokking van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\nDe eendaadse samenloop van\n\n2\n\nuitlokking van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\nen van\n\n3\n\nprimair\n\nuitlokking van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\n4\n\npoging tot uitlokking van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar met aftrek van het voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVolstaan kan worden met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk deel ten behoeve van bijzondere voorwaarden.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft als amper 18-jarige jongen tweemaal een gewelddadige overval uitgelokt waarbij waardevolle spullen door diefstal met geweld dan wel door afpersing met geweld, zijn weggenomen. [slachtoffer 3] en haar twee jonge kinderen zijn op klaarlichte dag overvallen in hun eigen woning in Berkel en Rodenrijs. De uitvoerende daders hebben haar met een vuurwapen gedwongen haar sieraden af te doen en sieraden en telefoons weggenomen uit de woning. De door de verdachte uitgevoerde uitlokkingshandelingen bestonden uit: het inlichten van de uitvoerders over de buit in de woning en de uitvoerders een groot geldbedrag in het vooruitzicht stellen. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij na de woningoverval de buit samen met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft opgehaald.\n\nEnkele dagen later is [slachtoffer 1] op klaarlichte dag overvallen in haar juwelierszaak in Rotterdam waar zij op dat moment aanwezig was met haar vriendin [slachtoffer 2] . De uitvoerende daders hebben met geweld de deur opengebroken en vervolgens de juwelierszaak vrijwel volledig vernield om zo sieraden weg te kunnen nemen. Een van de daders had een vuurwapen en heeft daarmee ook gericht op omstanders. De door de verdachte uitgevoerde uitlokkingshandelingen bestonden uit: het opdrachtgeven aan een medeverdachte om een vluchtauto te regelen, handschoenen en mokers te kopen en de uitvoerders op te halen, het adres delen en tegen de medeverdachte zeggen dat hij klaar moest staan. Ook bij deze overval heeft de verdachte na afloop de buit opgehaald.\n\nVervolgens heeft de verdachte enkele maanden later gepoogd opnieuw een overval uit te lokken in de woning van [slachtoffer 3] door aan een derde via Signal informatie te verstrekken over een mogelijke buit.\n\nHet behoeft geen betoog dat de door de verdachte uitgelokte delicten voor de slachtoffers zeer traumatische en angstaanjagende ervaringen zijn geweest. Algemene ervaringsregels leren dan ook dat slachtoffers van delicten zoals bewezenverklaard nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. De ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] laten dat ook zien, net als de beschrijvingen van hoe het met [slachtoffer 3] en haar kinderen gaat. Daarnaast maken dergelijke feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde en nemen de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving hierdoor toe.\n\nDe verdachte heeft op zitting verklaard dat hij spijt heeft van de gepleegde delicten. De rechtbank hoopt dat de verdachte daadwerkelijk inziet dat het plegen van dit soort delicten de slachtoffers veel schade berokkent.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 mei 2026 blijkt dat de verdachte weliswaar eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een vermogensdelict, maar dat dit gaat om een feit dat is gepleegd voor de feiten waarvoor hij nu terechtstaat en dat daarna tot een vonnis heeft geleid. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf en de rechtbank houdt daarmee op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening bij de strafoplegging.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 8 juni 2026 staat het volgende.\n\nDe reclassering beschouwt de verdachte als een deels bekennende verdachte. Het aandeel in het geheel dat hij erkent is significant minder dan wat hem wordt verweten. In de delictplegingen had hij een financiële motivatie en was hij louter gericht op eigen financieel gewin, zonder daarbij stil te staan bij mogelijke gevolgen voor slachtoffers. De verdachte komt vanaf veertien jarige leeftijd met justitie in aanraking. Daarbij is sprake van verschillende typen delictgedrag, wat over het algemeen een ongunstige voorspeller is voor recidive. Delictgerelateerde risicofactoren zijn gelegen het psychosociaal functioneren, houding, financiën en het sociaal netwerk. Algemene risicofactoren betreffen de wisselende huisvestingssituatie voorafgaand aan de arrestatie. Beschermende factoren zijn het contact met zijn moeder en de mogelijkheid tot huisvesting bij haar in Goor. In hoeverre dagbesteding behoort tot een risicofactor of een beschermende factor kunnen wij op dit moment niet beoordelen. In het contact met de reclassering stelt de verdachte zich coöperatief en vriendelijk op. Hij zegt zijn medewerking aan een toezicht met bijzondere voorwaarden toe. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.\n\nGeadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden; een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de medeverdachten en de slachtoffers en het vinden van dagbesteding.4.3.3.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. Voor dit soort strafbare feiten worden in beginsel lange gevangenisstraffen opgelegd. Cumulerend zou dit kunnen leiden tot een gevangenisstraf van zes of zeven jaar. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of een dergelijke lange gevangenisstraf passend is in de onderhavige zaak. De verdachte was ten tijde van de feiten volwassen, maar nog zeer jong. Op de terechtzitting heeft hij meerdere keren zijn oprechte excuses gemaakt en heeft hij verklaard dat hij zich realiseert - nu hij langere tijd in detentie heeft verbleven - hoe fout zijn daden zijn geweest. Hij heeft de rechtbank laten weten dat hij definitief wil afrekenen met zijn criminele verleden en een ander pad wil bewandelen in zijn leven. De raadsman heeft verzocht om een lagere gevangenisstraf op te leggen, omdat ‘dit zieltje misschien nog niet verloren is. De rechtbank sluit zich daarbij, kijkend naar de houding van de verdachte op de terechtzitting, aan en spreekt de hoop en verwachting uit dat de verdachte zijn leven daadwerkelijk een positieve wending zal geven. Gelet hierop zal de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaar opleggen.\n\n De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.5. Vorderingen van de benadeelde partijen5.1.. \n\nVorderingen\n\n [benadeelde 1]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 11.247,21 als vergoeding voor materiële schade en € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 2]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 3]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 4]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.250,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 5]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 83.950,60 als vergoeding voor materiële schade en € 2.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen kunnen geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe immateriële schadevergoedingsvorderingen van de benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk verklaard worden dan wel sterk gematigd worden, omdat het geweldsaspect niet bewezen kan worden en de mentale gevolgen voor de benadeelden vooral verband houden met het gepleegde geweld.\n\nDe waarde van de weggenomen goederen uit de juwelierswinkel van [benadeelde 5] bedroeg slechts € 2.000,-.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\n [benadeelde 1]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 2 en 3 gepleegde strafbare feiten. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 11.247,21 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij angst- en paniekklachten heeft ontwikkeld en door de huisarts is aangemeld bij een GGZ in verband met PTSS. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.2.. \n\n [benadeelde 2]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij angst- en paniekklachten heeft ontwikkeld en herbelevingen heeft. Zij is doorverwezen naar een instantie die haar psychologische hulp zal aanbieden. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.3.. \n\n [benadeelde 3]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in zijn persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat hij ernstige mentale problemen heeft sinds het misdrijf. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.4.. \n\n [benadeelde 4]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij na de overval kampt met ernstige psychische klachten, waaronder angstgevoelens en herbelevingen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.250,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.5.. \n\n [benadeelde 5]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De verdachte heeft de vordering betwist en gemotiveerd gesteld dat er enkel € 2.000,- aan sieraden is weggenomen. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor zover deze ziet op het ‘huurdersbelang’ voldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft onbetwist gesteld dat zij de btw niet meer kan verrekenen, zodat het schadebedrag inclusief 21% btw toegewezen wordt. Dat is een bedrag van in totaal € 10.527,-. Het overige deel van de vordering tot materiële schadevergoeding (de sieraden en de inventaris) is boven het bedrag van € 2.000,- niet eenvoudig te beoordelen. Dit deel is onderbouwd met een expertiserapport, aangevuld met kasboeken en facturen. Echter roepen deze stukken vragen op over de gemaakte schadeberekening. Daarvoor is nadere bewijslevering nodig, wat zou betekenen dat de strafzaak zou moeten worden aangehouden. Dat zou in dit stadium van de procedure een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Aangezien de verdachte heeft erkend dat het schadebedrag van de weggenomen sieraden (ten minste) € 2.000,- is, wijst de rechtbank een bedrag van € 12.527,- toe (= € 10.527,- plus € 2.000,-). Voor het meer gevorderde wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De verdediging heeft de vordering op dit punt niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij sinds de overval kampt met ernstige psychische klachten, bestaande uit slaapklachten, angstgevoelens en herbelevingen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt op dit punt toegewezen.5.4.6.. \n\nHoofdelijke veroordeling, wettelijke rente, proceskosten en de schadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst voor de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] de wettelijke rente toe vanaf 4 juli 2025. De rechtbank wijst voor de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 5] de wettelijke rente toe vanaf 8 juli 2025.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vordering van de benadeelde partijen (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 46a, 47, 55, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd en spreekt hem van het overige vrij;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaar;\n\nbeveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVorderingen benadeelde partijen\n\n [benadeelde 1]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 20.247,21 bestaande uit € 11.247,21 als vergoeding van materiële schade en € 9.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat€ 20.247,21te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal125 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 2]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 9.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat€ 9.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal70 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 3]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 3] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 9.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de staat€ 9.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal70 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 4]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.250,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de staat€ 1.250,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal12 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 5]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 5] (feit 1), te betalen een bedrag van € 14.527,- bestaande uit € 12.527,- als vergoeding van materiële schade en € 2.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] aan de staat€ 14.527te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal97 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nproceskosten\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\n8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. L. den Teuling en F. van Laanen, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 6 juli 2026.\n\nMr. F. van Laanen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nUitspraken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:245 en van 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2849.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossiers [dossiernaam 1] en [dossiernaam 2] .\n\n Uit Tekst & Commentaar Sr, aantekening 11 bij artikel 46a Sr zou kunnen worden afgeleid dat volgens de auteurs uitlokking niet strafbaar is als de uitvoering in de voorbereidingsfase is blijven steken. Uit het wettelijk stelsel dient te worden afgeleid dat dit alleen het geval is, indien die voorbereiding niet strafbaar is en dat is het geval bij uitlokking tot een misdrijf waarop een gevangenisstraf is gesteld van minder dan acht jaar, zie artikel 46 Sr.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7942","2026-07-13T00:29:30.407Z",{"id":183,"ecli":184,"slug":185,"caseNumber":45,"courtId":73,"decisionDate":122,"fullText":186,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":187,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":188},"591","ECLI:NL:GHDHA:2026:2261","ecli-nl-ghdha-2026-2261","Rolnummer: 22-001916-23\n\nParketnummer: 10-010101-22\n\nDatum uitspraak: 6 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen zoals weergegeven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 12 januari 2022 te Rotterdam, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de borst\u002Fbuik en\u002Fof in de rug en\u002Fof in de lies, althans in het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] te steken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ingevolge artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat de overwegingen van het hof ten aanzien van de door de verdediging gevoerde verweren deels anders komen te luiden dan die van de rechtbank en het hof bovendien tot een andere strafoplegging komt.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op of omstreeks12 januari 2022 te Rotterdam, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen,althans eenmaal,met een mes,althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp,in de borst\u002Fbuik en\u002Fofin de rug en\u002Fofin de lies, althans in het lichaam,van voornoemde [slachtoffer] te steken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het feit\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nDe strafbaarheid van het tenlastegelegde feit\n\nTer terechtzitting heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitaantekeningen aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe raadsvrouw heeft daartoe - zakelijk weergegeven - gesteld dat de verdachte zich in de Zoutziedersstraat te Rotterdam geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke,\n\nwederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] (hierna ook:\n\n [slachtoffer] ), waartegen de verdachte zich moest verdedigen. [slachtoffer] zou de verdachte namelijk hebben willen beroven en daartoe de confrontatie met de verdachte hebben opgezocht. Hierbij heeft hij de verdachte bij zijn nek beetgepakt, hem verwurgd door aan zijn kettingen te trekken en herhaaldelijk gezegd dat hij de verdachte zou doden. De verdachte voelde zich hierdoor volgens de raadsvrouw ernstig bedreigd. Hij kreeg geen adem meer en voelde iets scherps tegen de zijkant van zijn nek drukken. Er was sprake van paniek bij de verdachte.\n\nHij kon zich niet onttrekken aan de verwurging en kon zich niet anders verdedigen dan\n\nmet het zakmes dat hij (toevallig) bij zich had.\n\nDe verdachte heeft meerdere malen gestoken omdat [slachtoffer] , ook nadat hij hem voor het eerst gestoken had, niet losliet en zijn keel bleef dichtdrukken. Daarbij haalde [slachtoffer] met zijn vrije arm naar hem uit en bleef hij roepen dat hij hem zou doodmaken.\n\nOnder die omstandigheden kan hem volgens de raadsvrouw niet worden verweten dat hij [slachtoffer] heeft neergestoken, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is overleden.\n\nHet hof overweegt hieromtrent als volgt.\n\nIngevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan een beroep op noodweer\n\nalleen slagen indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van\n\neigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke\n\naanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend\n\ngevaar voor zo'n aanranding.\n\nHet hof gaat op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting ten aanzien van\n\nhet ten laste gelegde feit uit van de volgende vaststaande feiten.\n\nOp 12 januari 2022 rond 19.00 uur is [slachtoffer] op het trottoir van de\n\nZoutziederstraat ter hoogte van huisnummer [nummer] in Rotterdam door messteken om het leven\n\ngekomen. De verdachte is degene geweest, zoals ook door hem is bekend, die [slachtoffer] meermalen met een mes heeft gestoken.\n\nHet Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft het lichaam van [slachtoffer]\n\nonderzocht.\n\nVastgesteld is dat er aan diens lichaam vijf steekverwondingen zijn toegebracht,\n\nwaarvan er twee zo waren toegebracht dat zij ook afzonderlijk van elkaar het overlijden van\n\n [slachtoffer] hebben veroorzaakt.\n\nVerder staat vast dat noch op het lichaam van [slachtoffer] , noch in zijn kleding enig wapen,\n\nmes of ander voor afdreiging geschikt voorwerp is aangetroffen.\n\nVerklaringen verdachte\n\nDe verdachte heeft zich bij de politie op 26 januari 2022 beroepen op zijn zwijgrecht.\n\nBij de politie heeft de verdachte vervolgens op 1 februari 2022 verklaard dat hij na een bezoek aan de juwelier naar zijn auto liep. Hij zag een jongen op hem afkomen. Die jongen zei tegen hem: 'heb je een vuurtje voor me?'. Hierop zei verdachte dat hij geen vuurtje had. Die jongen bleef naar hem toelopen en voordat de verdachte het wist greep hij naar zijn nek en naar zijn kettingen. De verdachte probeerde zichzelf los te rukken. Hij zei tegen hem: 'Geef alles, want ik maak je dood. Ik maak je dood nu meteen'.\n\nHij kreeg zichzelf niet los. Hij was helemaal in paniek en dacht dat de jongen hem dood ging maken. Hij kreeg geen lucht meer. Hij meende op dat moment dat hij zichzelf moest verdedigen.\n\nHij had een mes in zijn jaszak en heeft dat gepakt. Hij heeft naar hem gestoken, maar\n\nkwam nog steeds niet los. Die jongen zei: 'Ik ga je doodmaken, ik ga je doodmaken, kankerlijer'. Hij was zo in paniek en heeft daarna nog een keer gestoken.\n\nOp een gegeven moment raakte die jongen los van de verdachte en hij zag dat hij op de grond lag. Hij is toen weggerend naar zijn auto.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 april 2023 verklaard dat hij vanuit de juwelierszaak [naam juwelier] gelegen aan de Grote Visserijstraat is overgestoken\n\nnaar zijn auto (Seat), die op de Zoutziedersstraat stond geparkeerd. Hij heeft het portier van zijn auto geopend en is schuin op de bestuurdersstoel gaan zitten, waarbij zijn voeten nog op straat stonden. Nadat hij zich met zijn zojuist gekochte kettingen in de autospiegel had bekeken en zijn vest weer dicht had gedaan werd hij, terwijl het portier nog open stond, aangesproken door een man, het later slachtoffer, die hem om een vuurtje vroeg. De verdachte zei dat hij geen vuurtje had. Het slachtoffer was voorbij het openstaande portier gelopen en greep naar de kettingen van de verdachte en zijn keel. Hij zette zijn andere hand in de nek van de verdachte. Hij zei dat de verdachte alles moest geven, anders zou hij hem dood maken. De verdachte voelde ook iets scherps in zijn nek.\n\nHij heeft toen een uitklapmes uit zijn rechterzak gehaald, heeft het open geklikt en heeft het slachtoffer gestoken. [slachtoffer] bleef hem wurgen en sloeg op zijn arm. Daarna heeft de verdachte hem nog meermalen gestoken.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte in grote lijnen hetzelfde verklaard als in eerste aanleg.\n\nCamerabeelden\n\nOp camerabeelden van de bewakingscamera's van de juwelierszaak [naam juwelier] is te zien\n\ndat de verdachte om 18:52:23 uur de winkel verlaat en de Grote Visserijstraat oversteekt in\n\nde richting van de Zoutziederstraat . Op dat moment heeft de verdachte zijn jas tot boven toe\n\ndichtgeritst en bevinden de drie halskettingen van de verdachte zich uit het zicht, onder zijn kleding.\n\nOm 18:52:50 loopt de verdachte de Zoutziederstraat in.\n\nZeventig seconden later, om 18:54:00 uur, komt de verdachte uit de Zoutziederstraat gerend,\n\nkeert om en rent terug de Zoutziederstraat in.\n\nDe Seat van verdachte rijdt vervolgens om 18:54:24 uur weg in de richting van de Mathenesserdijk.\n\nHet hof constateert op grond van de tijdstippen van die camerabeelden dat het gehele incident in de Zoutziedersstraat hooguit anderhalve minuut heeft geduurd.\n\nVerklaringen getuigen\n\nGetuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij nog in zijn reisbureau aan de [adres] aan het werk was, toen hij stemverheffingen op straat hoorde. Hierna hoorde hij mensen tegen elkaar schreeuwen. Hij had geen zicht op wat zich buiten afspeelde.\n\nGetuige [getuige 2] heeft meerdere verklaringen afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij door een\n\nvriend met zijn auto in de Zoutziederstraat werd afgezet en bij aankomst verderop in de\n\nstraat twee mannen elkaar zag duwen en trekken. Hij zag beiden druk met hun armen\n\nbewegen. Eén van die mannen stond op enig moment tegen een muur geleund en deed niets, terwijl de andere man korte bewegingen naar de leunende man maakte. Kort daarna zag hij de leunende man op de grond vallen. De andere man rende in eerste instantie weg, maar kwam daarna terug, stapte in een auto en reed weg.\n\nGetuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij in de Zoutziederstraat op een vriendin stond te wachten toen zij geschreeuw hoorde. Ze zag toen verderop in de straat twee jongens, waarvan één een aantal keer in de lucht sprong. Deze jongen viel daarna op de grond.\n\nDe andere jongen vluchtte daarop weg.\n\nConclusie hof\n\nUit bovengenoemde getuigenverklaringen leidt het hof af dat op dat moment geen andere personen bij de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] betrokken zijn geweest en dat beiden hoorbaar en met stemverheffing ruzie met elkaar aan het maken waren. De verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] hem vanaf het eerste moment met zijn hand zou hebben gewurgd, waardoor hij geen adem kon krijgen, verdraagt zich hiermee niet.\n\nGéén van de getuigen verklaart dat [slachtoffer] in de ruimte tussen het openstaande\n\nportier en de auto van de verdachte, zou hebben gestaan; zij spreken allen over een\n\nconfrontatie op de stoep, zelfs bij of tegen de muur.\n\nDaarnaast is uit onderzoek gebleken dat op de kettingen van de verdachte, waarop [slachtoffer] het volgens de verdachte had gemunt, in het geheel geen DNA van [slachtoffer] is aangetroffen. Blijkens de verklaring van de verdachte ter zitting in eerste aanleg heeft hij die kettingen nadien niet meer schoongemaakt (dat was immers al bij de juwelier gebeurd). [slachtoffer] zou het op die kettingen voorzien hebben en de verdachte werd door [slachtoffer] naar zijn zeggen zo stevig in de hals gegrepen dat daardoor zelfs twee van de kettingen in de verwurging zouden zijn gebroken. In die situatie was de aanwezigheid van het DNA van [slachtoffer] , die geen handschoenen droeg, op die kettingen te verwachten geweest. In zoverre wordt de verklaring van de verdachte dus niet ondersteund.\n\nDe verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] hem heeft aangevallen, hem probeerde te\n\nwurgen en te beroven, acht het hof ook overigens niet aannemelijk geworden.\n\nNoch in het dossier, noch in het verhandelde ter zitting vindt het hof enig aanknopingspunt\n\nvoor het door de verdachte geschetste scenario.\n\nDat geldt evenzeer voor de stelling van de verdachte dat hij mogelijk het slachtoffer zou zijn\n\ngeworden van een complot, een vooropgezet plan van [slachtoffer] en zijn vrienden waarbij hij in de juwelierszaak is geobserveerd en daarna van zijn kettingen zou worden beroofd.\n\nVoorts overweegt het hof dat de gedragingen van de verdachte na het neersteken van [slachtoffer] - waaronder het niet inschakelen van hulp of van de politie, het achterlaten van het\n\nzwaargewonde slachtoffer, het vluchten van de plaats delict en vervolgens het vertrekken naar het buitenland - het door de verdachte geschetste verhaal in belangrijke mate ondergraven.\n\nGelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang en verband bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.\n\nHet noodweerverweer wordt verworpen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nIndien het hof het beroep op noodweer niet zal honoreren, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, nu hij door de aanval van [slachtoffer] helemaal in paniek is geraakt en hij dacht, toen [slachtoffer] zijn keel dichtkneep en hij iets scherps in zijn nek voelde, dat hij dood gemaakt zou worden. Derhalve is er bij de verdachte sprake geweest van een hevige gemoedsopwelling die het gevolg was van de onmiddellijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] .\n\nNu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijke dreiging daarvoor van de kant van het slachtoffer toen de verdachte [slachtoffer] meermalen met een mes stak is het hof van oordeel dat het beroep op noodweerexces evenmin kan slagen.\n\nDit verweer wordt derhalve eveneens verworpen.\n\nEr is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op het toentertijd 22-jarige slachtoffer [slachtoffer] , door hem op zeer gewelddadige wijze te steken in diens borst\u002Fbuik, rug en lies. Ten gevolge van het door de verdachte toegepaste geweld is [slachtoffer] enkele minuten later op het trottoir overleden. De verdachte heeft daarmee een hem onbekende jongeman van het ene op het andere moment het leven ontnomen.\n\nEen motief van de verdachte is niet duidelijk geworden.\n\nHet hof rekent het de verdachte zeer aan dat hij het slachtoffer, nadat hij hem meermalen had gestoken en op straat was gevallen, volledig aan zijn lot heeft overgelaten en zelfs geen poging heeft ondernomen om (medische) hulp voor hem in te schakelen. Ook ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte vastgehouden aan een uit de lucht gegrepen complotscenario en heeft hij geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.\n\nDe verdachte heeft de nabestaanden hiermee onbeschrijflijk veel leed bezorgd. Zij moeten leven in de wetenschap dat hun (klein)zoon, broer, neef en vriend, in de bloei van zijn leven, op gewelddadige wijze om het leven is gebracht. Aan hen is een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht. Dat blijkt ook uit de voorgelezen slachtofferverklaringen van de zus en moeder van het slachtoffer ter zitting in hoger beroep.\n\nVerder is het feit middenin een woonwijk gepleegd en zijn voorbijgangers getuige geweest van het enorm gewelddadige feit. Dat is voor de getuigen erg beangstigend geweest.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte, zij het lang geleden,\n\nte weten in 2006, onherroepelijk is veroordeeld voor een poging doodslag in vergelijkbare omstandigheden.\n\nRapportages\n\nOmtrent de persoon van de verdachte zijn rapporten opgemaakt.\n\nUit de Pro Justitia rapportage van 18 november 2022, opgemaakt en ondertekend door J. Vreugdenhil, psychiater, en P.E. Geurkink, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC) blijkt dat de verdachte zijn medewerking aan dit rapport heeft geweigerd.\n\nBij de verdachte kon als gevolg van zijn weigering geen psychische stoornis worden vastgesteld, doch deze kon ook niet worden uitgesloten.\n\nEr zijn wel een aantal opvallende observaties gedaan. Onderzoekers hadden graag nader\n\nwillen onderzoeken in hoeverre deze verklaard kunnen worden door een psychische\n\nstoornis, en zo ja welke.\n\nAls de verdachte had meegewerkt aan het onderzoek had bepaald kunnen worden hoe het gesteld is met zijn intellectuele vermogens, of er sprake is van een\n\nontwikkelingsstoornis, persoonlijkheidsproblematiek en\u002Fof psychiatrische problematiek.\n\nOok hadden onderzoekers meer zicht hebben willen krijgen op de ernst van het\n\nalcoholgebruik van de verdachte en in hoeverre er sprake zou kunnen zijn van een stoornis in alcoholgebruik.\n\nOmdat de verdachte niet aan het onderzoek heeft meegewerkt, kunnen geen uitspraken\n\nworden gedaan over het risico op recidive vanuit een eventuele psychische stoornis.\n\nOp verzoek van de verdediging is de verdachte vervolgens onderzocht door een psycholoog\n\nen een psychiater. De verdachte heeft hieraan wel zijn medewerking verleend.\n\nPsychiater C.J.F. Kemperman heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd\n\n21 december 2022. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.\n\nBij de verdachte kan op basis van de anamnese en het onderzoek alsmede bestudering van de stukken geen psychiatrische diagnose worden vastgesteld.\n\nGelet op het niet constateerbaar zijn geweest van een psychiatrische ziekte of gebrek, een\n\npsychiatrische stoornis, kan men niet opmerken dat de wilsbepaling van de verdachte hierdoor verminderd zou zijn geweest. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de dossiergegevens aanwijzingen bevatten dat er wel alcohol- en agressieproblematiek bestaat.\n\nTen aanzien van het risico van herhaling van gewelddadig gedrag overweegt de psychiater dat hij tot een matig risico komt, nu er enige zorg bestaat over het misbruik van middelen (alcohol). Dit naar aanleiding van de aanhouding voor het rijden onder invloed in 2019 en informatie van referenten. Om het recidiverisico te verkleinen zou volgens de psychiater gefocust kunnen worden op het omgaan met agressie en het gebruik van alcohol. Dit zou kunnen binnen het kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: ook GVM) ingevolge artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.\n\nPsycholoog mr. drs. R.A. Sterk heeft een rapport over de verdachte opgemaakt,\n\ngedateerd 26 januari 2023. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.\n\nEr is bij de verdachte, met inachtneming van de beperkingen van het onderzoek, geen\n\npsychische problematiek in engere zin geconstateerd en evenmin is er sprake van een\n\npersoonlijkheidsstoornis. Ook ten tijde van het tenlastegelegde lijkt er geen sprake geweest\n\nte zijn van psychische problematiek.\n\nDe verdachte valt statistisch gezien binnen de groep met een lage kans op herhaling van gewelddadig gedrag. Deze risicotaxatie dient wel met de nodige terughoudendheid worden gebruikt in verband met de beperkingen van het onderzoek. Aangezien het onderzoek niet volledig is geweest, adviseert de psycholoog om een GVM te overwegen zodat verdachte na detentie behandeling dan wel begeleiding kan ontvangen indien daartoe behoefte bestaat.\n\nIn het reclasseringsrapport van 24 maart 2023 wordt geadviseerd om bij een veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een GVM op te leggen, omdat een langdurig kader nodig is om de verdachte in de gaten te houden indien hij schuldig wordt bevonden. Met name het gedeeltelijk ontkennen van het delict waarbij een jong persoon is overleden is risicovol vanwege het mogelijke forse alcoholgebruik en de proceshouding waarin de verdachte geen medewerking verleent aan onderzoek. De kans op recidive kan zo worden beperkt waardoor de veiligheid in de samenleving kan worden gewaarborgd.\n\nUit het reclasseringsrapport van 30 augustus 2024 blijkt dat het, gelet op de ontkennende houding van de verdachte, niet mogelijk is om vanuit reclasseringsperspectief een goed gefundeerd advies te geven.\n\nDe strafoplegging\n\nHet hof acht de verdachte op grond van de conclusies in bovengenoemde rapporten volledig toerekeningsvatbaar.\n\nGelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nHet hof heeft verder gekeken naar de straffen zoals die doorgaans voor feiten als het onderhavige worden opgelegd.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, zoals in eerste aanleg door de officier van justitie is geëist, in beginsel een passende en geboden reactie vormt.\n\nHet hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1\n\nvan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele\n\nvrijheden (hierna: EVRM) is overschreden.\n\nVolgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient een strafzaak tegen een voorlopig\n\ngehechte verdachte in beginsel binnen 16 maanden te worden afgerond.\n\nHet hoger beroep tegen het vonnis waarvan beroep is ingesteld op 27 juni 2023 en eindarrest wordt gewezen op 6 juli 2026. Derhalve is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met 20 maanden.\n\nBij overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 6 maanden, zoals in de\n\nonderhavige zaak het geval is, wordt als uitgangspunt de op te leggen straf verminderd met 10 %, maar met niet meer dan 6 maanden.\n\nDe vertragingen in deze procedures kunnen de verdachte niet worden aangerekend.\n\nDit betekent dat de aan de verdachte op te leggen straf naar het oordeel van het hof dient\n\nte worden verminderd met 6 maanden.\n\nRekening houdend met bovengenoemde overschrijding van de redelijke termijn zal het\n\nhof daarom een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar en 6 maandenopleggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nMaatregel artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht\n\nHet hof heeft gelet op genoemde conclusies van de deskundigen Kemperman en Sterk, alsmede het reclasseringsrapport van 24 maart 2023.\n\nDeskundige Kemperman heeft gesteld dat het recidiverisico kan worden verkleind binnen het kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z Sr. Deskundige Sterk heeft geadviseerd om een GVM te overwegen, zodat de verdachte na zijn detentie begeleiding en behandeling kan krijgen. De reclassering heeft in het meest recente rapport ook geadviseerd een GVM op te leggen, omdat een langdurig kader nodig is om de verdachte in de gaten te houden.\n\nDaarnaast heeft het hof in aanmerking genomen de omstandigheden waaronder de verdachte [slachtoffer] heeft doodgestoken, alsmede het feit dat het niet de eerste keer is dat de verdachte iemand met een mes heeft neergestoken en hij in de onderhavige zaak ook een mes op zak had en heeft laten zien dit ook daadwerkelijk te gebruiken.\n\nHet hof zal derhalve - anders dan de rechtbank - in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Naar het oordeel van het hof dient de maatschappij te worden beschermd tegen de verdachte, aangezien er een groot risico is op herhaling van geweldsfeiten en de kans aanwezig is dat het recidiverisico na ommekomst van de gevangenisstraf nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen.\n\nAan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een GVM is voldaan.\n\nDe verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan het misdrijf als omschreven in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.\n\nVordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] (vader van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade. Tevens is de wettelijke rente gevorderd.\n\nIn hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde, geheel toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.\n\nArtikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) lid 3 biedt voor affectieschade een wettelijke grondslag aan een limitatief in de wet omschreven kring van gerechtigden.\n\nDe in de wet aangewezen kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, een ouder van de overledene (lid 4 sub c).\n\nHet bedrag dat voor toekenning van de vergoeding van deze affectieschade in aanmerking\n\nkomt, is vastgelegd in artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde en niet betwiste immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Nu het verzochte bedrag aan schadevergoeding overeenkomt met genoemd Besluit leent de geleden immateriële schade zich voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nGelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf\n\n12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] (moeder van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 32.500,00, bestaande uit een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade en € 15.000,00 aan shockschade. Tevens is de wettelijke rente gevorderd.\n\nIn hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 32.500,00.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 27.500,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist ten aanzien\n\nvan de affectieschade en ten aanzien van de shockschade niet betwist tot een bedrag van\n\n€ 5.000,00.\n\nAffectieschade\n\nArtikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) lid 3 biedt voor affectieschade een wettelijke grondslag aan een limitatief in de wet omschreven kring van gerechtigden.\n\nDe in de wet aangewezen kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, een ouder van de overledene (lid 4 sub c).\n\nHet bedrag dat voor toekenning van de vergoeding van deze affectieschade in aanmerking\n\nkomt, is vastgelegd in artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij affectieschade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Nu het verzochte bedrag aan schadevergoeding bovendien overeenkomt met genoemd Besluit en de vordering in zoverre niet wordt betwist, zal de vordering ter zake van de affectieschade geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nShockschade\n\nMr. Backer heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn pleitaantekeningen ten aanzien van de gevorderde shockschade gesteld dat aan het confrontatievereiste is voldaan.\n\nNa de sectie is de moeder van het slachtoffer geconfronteerd met het gehavende, levenloze lichaam van haar zoon en heeft zij de steekverwondingen waargenomen waaraan hij is overleden. Het uit die confrontatie voortgekomen geestelijk letsel is door een psycholoog vastgesteld. De benadeelde partij heeft nog steeds consulten ter verwerking van het psychisch trauma dat zij heeft opgelopen door het bewezen verklaarde feit. Voorts blijkt dat zij medicatie gebruikt.\n\nDe vraag die het hof moet beantwoorden is of is voldaan aan de in het recht en de\n\njurisprudentie gestelde eisen om voor vergoeding van shockschade in aanmerking te komen.\n\nVoor een zeer beperkte kring van personen bestaat onder zeer bijzondere omstandigheden\n\nde mogelijkheid tot het verkrijgen van een vergoeding van geleden immateriële\n\nshockschade. De grondslag daarvoor is gelegen in artikel 6:106, eerste lid sub b, van het\n\nBurgerlijk Wetboek (BW) dat ziet op “aantasting in de persoon”.\n\nBij de toepassing van voormelde bepaling van het BW ook in zaken als de onderhavige,\n\nwaarbij het slachtoffer door een geweldsmisdrijf om het leven is gekomen heeft de Hoge\n\nRaad steeds vastgehouden aan een zeer strikte uitleg van de geldende gezichtspunten.\n\nBij de benadeelde partij moet door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de\n\ndoodslag op het slachtoffer geestelijk letsel zijn ontstaan.\n\nHet hof leidt uit de toelichting op de gestelde shockschade en de overgelegde stukken af dat bij de benadeelde partij serieuze psychische schade is ontstaan als gevolg van het misdrijf en stelt dan ook vast dat sprake is van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast.\n\nNaar het oordeel van het hof staat voldoende vast dat de benadeelde partij shockschade heeft opgelopen en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.\n\nDe vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid, waarbij het hof mede gelet heeft op het toegewezen bedrag ter zake van affectieschade - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf\n\n12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 22.500,00 aansprakelijk is voor de immateriële schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] (oom van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als\n\ngevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.000,00 aan begrafeniskosten.\n\nIn hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.\n\nDe vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.\n\nNu de gevorderde kosten door de benadeelde partij niet zijn onderbouwd zal het hof bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nGelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36f, 38z en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van11 (elf) jaren en 6 (zes) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt aan de verdachte voorts op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen.\n\nToepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 januari 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 22.500,00 (tweeëntwintigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 22.500,00 (tweeëntwintigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 133 (honderddrieëndertig) dagen.\n\nToepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op\n\n12 januari 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.E. Harteveld, als voorzitter, en mr. A. de Lange en\n\nmr. M. Pheijffer, leden, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 juli 2026.\n\nMr. M. Pheijffer is buiten staat dit arrest te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2261","2026-07-13T00:28:38.361Z",{"id":190,"ecli":191,"slug":192,"caseNumber":45,"courtId":193,"decisionDate":122,"fullText":194,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":195,"sourceTimestamp":122,"parsedAt":52,"updatedAt":196},"1629","ECLI:NL:RBLIM:2026:6519","ecli-nl-rblim-2026-6519",74,"RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.340006.23\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,\n\nwonende te [adres] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. S.L.B. Duijf, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 22 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:op 23 december 2023 heeft geprobeerd om zijn echtgenote [slachtoffer] van het leven te beroven door haar met een mes in de hand en\u002Fof het lichaam te steken (primair), dan wel zijn echtgenote [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld door haar in de hand en\u002Fof het lichaam te snijden en\u002Fof te steken (subsidiair), dan wel een poging daartoe heeft gedaan (meer subsidiair);\n\nFeit 2:op 23 december 2023 [slachtoffer] van haar vrijheid heeft beroofd door haar enkels, armen en\u002Fof handen aan elkaar vast te binden met tape.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 primairtenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat er op grond van het dossier niet vastgesteld kan worden dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer.\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiairtenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte boos was, dat hij het slachtoffer met ducttape heeft vastgebonden teneinde haar weerloos te maken en dat hij vervolgens met een uitbeenmes in de richting van het slachtoffer heeft gestoken, gezwaaid of gesneden. Het steken of snijden met een scherp uitbeenmes op een weerloos vastgebonden slachtoffer, roept de aanmerkelijke kans in het leven dat bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zal worden toegebracht. Door dat op deze manier te doen heeft verdachte die kans ook bewust aanvaard. Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte snijverwondingen aan vier van haar rechtervingers opgelopen. Het slachtoffer is aan het letsel geopereerd, heeft na de operatie een gipsspalk gedragen en heeft drie maanden handtherapie gevolgd. Het slachtoffer kan de handpalm tot op heden nog steeds niet volledig plat leggen en er is sprake van een verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten. Het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen.\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat het slachtoffer met ducttape was vastgebonden, dat de woonkamerdeur was afgesloten en – zoals blijkt uit de geluidsopnames – dat de verdachte het slachtoffer met zijn uitlatingen meermalen heeft belet de woning te verlaten. Voor een bewezenverklaring van wederrechtelijke vrijheidsberoving is niet vereist dat sprake is van een absolute onmogelijkheid van het slachtoffer om zich fysiek te verplaatsen, maar daarvan is in dit geval wel sprake geweest.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten bepleit.\n\nTen aanzien van feit 1 primairheeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Er is sprake van twee verhalen, welke beide niet voldoende ondersteund worden door de inhoud van het dossier, mede doordat er geen sporenonderzoek in de woning is gedaan. Daarnaast blijkt nergens uit het dossier dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer.\n\nTen aanzien van feit 1 subsidiairen feit 1 meer subsidiairheeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dossier niet volledig is en zowel de verklaring van het slachtoffer als de verklaring van verdachte niet meer geverifieerd kunnen worden, vooral over op welke wijze het mes is gebruikt en door wie. Uit niets blijkt verder dat de verdachte de opzet had het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.\n\nTen aanzien van feit 2heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de beperking te kortdurend, te gering en niet absoluut genoeg was om te kunnen kwalificeren als vrijheidsberoving. De verdachte had geen opzet op de vrijheidsberoving en het is onduidelijk gebleven hoe de tape was aangebracht. Deze lijkt bovendien maar kortdurend op de mond van aangeefster te hebben gezeten. Er is daarom geen sprake van een (voltooid) delict.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nFeit 1 primair\n\nVrijspraak\n\nDe rechtbank is, samen met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte opzet had – ook niet in voorwaardelijke zin – op de dood van aangeefster. De primair tenlastegelegde poging tot doodslag kan daarom niet bewezenverklaard worden. De rechtbank zal de verdachte daarvan vrijspreken.\n\nFeit 1 subsidiair\n\nBewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, voor zover inhoudende:\n\nOp 23 december 2023 werd ik omstreeks 01.30 uur plotseling wakker gemaakt door mijn man [verdachte] . Vervolgens zijn wij naar de woonkamer gelopen. Ik zag dat hij de woonkamerdeur afsloot. Ik moest op mijn knieën op de grond in de woonkamer gaan zitten. Mijn man begon ducttape om mijn hoofd en mond te wikkelen. Mijn man wikkelde mijn enkels in ducttape. Hierna wikkelde hij mijn armen en handen in ducttape. Mijn armen waren op dat moment achter mijn rug. Ik zag dat mijn man een schaar had. Ik zag en voelde dat hij mijn haren aan het afknippen was. Ik wist mijn handen los te krijgen. Ik dacht op dat moment nog steeds dat hij een schaar in zijn hand had. Ik dacht dat hij me wilde neersteken. Ik deed mijn rechterarm omhoog. Ik hield deze hand op, om hem af te weren. Ik voelde opeens een erge pijnscheut in mijn rechterhand. Ik zag dat er bloed uit mijn hand liep. Toen zag ik dat het een mes was dat mijn man in zijn hand hield.\n\nDe verklaring van getuige [slachtoffer] , afgelegd ter terechtzitting van 22 juni 2026, voor zover inhoudende:\n\nIk zat met mijn knieën op de grond met mijn handen vastgebonden naar achter. Hij was mijn haren aan het knippen. Ik probeerde mijn handen los te krijgen en toen dat gelukt was heb ik mijn rechterarm\u002Fhand omhoog en naar voren gebracht. Ik zag op dat moment niet wat hij in zijn handen had. Ik kwam met mijn hand ergens tegenaan en voelde pijn. Toen ik keek zag ik dat hij een mes in zijn hand had. Ik dacht dat hij een schaar vast had, omdat hij mijn haren aan het knippen was, maar het was een mes.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming:\n\nOp 23 december 2023 te 02:15 uur werd in de woning op het adres [adres] te Heerlen een mes (geel) met bloedsporen aangetroffen en inbeslaggenomen.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, medisch dossier Zuyderland, voor zover inhoudende:\n\nConclusie letsel slachtoffer [slachtoffer]\n\n- Hand rechts: handpalm zijde van de vingers snijverwondingen van alle vingers, behalve dig II (wijsvinger) - Dig V (pink) relatief oppervlakkige wond van 1 cm midphalanx (vingerkootje) - Dig IV (ringvinger) en III (middelvinger) diepe wonden basisphalanx (vingerkootje) - Dig I (duim) diepe wond, lopende tot ulnaire zijde van de vinger, geschat over de helft van de totale omtrek van de duim\n\n- Sensibiliteit van alle vingers intact. Vasculair (bloedvaten) intact - Functieverlies FDS (Flexor Digitorum Superficialis; buig- of- flexpezen) van dig IV (ringvinger) en III (middelvinger), verder motoriek intact - Slachtoffer heeft na de operatie 5 dagen een gipsspalk gedragen, aansluitend is zij begonnen met EAM (Early Active Motion- handtherapie) - Twee weken na de operatie zijn de hechtingen verwijderd - 28 december 2023: Slachtoffer krijgt gedurendedrie maanden handentherapie - 14 februari 2023: Slachtoffer heeft moeite met buigen en strekken van de vingers, onder andere door de littekens.\n\nHet aanvullend proces-verbaal Forensisch onderzoek [slachtoffer] , met in de bijlage Forensisch medische letselrapportage d.d. 15 mei 2024, voor zover inhoudende:\n\nMw. [slachtoffer] heeft een operatie gehad van de buigpezen van de middelvinger, de ringvinger en de pink. Binnen een week na de operatie is mw. begonnen met oefenen met de handtherapeut. Drie maanden na de operatie kan mw. de eindgewrichten van de vingers nog matig bewegen. Er is nog sprake van verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten.\n\nDe letsels zijn snijwonden die met bindweefselvorming zijn genezen. Nu zijn littekens zichtbaar. De beschreven verminderde hand- en vingerfunctie hangt samen met het door het incident veroorzaakte peesletsel.\n\nMw. kan de vingers van haar rechterhand niet volledig buigen en strekken.\n\nDe verwachte genezingsduur betreft bijna een half jaar na het incident alsnog minimaal 3 maanden. Het is onzeker of de rechterhandfunctie volledig terugkeert.\n\nBewijsoverweging\n\nDe rechtbank stelt voorop dat de verklaring van aangeefster over de toedracht van het letsel aan haar hand telkens consistent en gedetailleerd is geweest. Daartegenover staat de telkens wisselende verklaring over de toedracht van het letsel bij aangeefster door de verdachte. De verdachte heeft inmiddels drie verschillende versies naar voren gebracht, die op wezenlijke onderdelen van elkaar verschillen. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig en zal deze tot uitgangspunt nemen voor de verdere beoordeling van de tenlastelegging.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of er in casu daadwerkelijk sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij de aangeefster. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van die vraag, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.Aangeefster heeft aan de handpalmzijde van haar rechterhand snijverwondingen opgelopen in de pink, ringvinger, middelvinger en duim. Aangeefster heeft daardoor een operatie van de buigpezen van de middelvinger, ringvinger en pink ondergaan en heeft vervolgens drie maanden handtherapie gevolgd. Er is sprake van een verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten; ze kan de eindgewrichten van de vingers nog matig bewegen en ze kan de vingers niet volledig strekken en buigen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze beperkingen van zodanige aard en ernst dat, mede in aanmerking genomen de belangrijke functie van de hand in het dagelijks leven, sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).\n\nDe vraag rijst of sprake is van (voorwaardelijk) opzetop het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de zijde van verdachte. De rechtbank ziet in de bewijsmiddelen onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van vol opzet op zwaar lichamelijk letsel te komen. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben. De verdachte heeft aangeefster met een mes in haar hand gesneden, terwijl zij op haar knieën, met ducttape om haar enkels en armen, op de grond zat. De kans op zwaar lichamelijk letsel is aanmerkelijk te noemen wanneer iemand met een vlijmscherp mes steekt of snijdt in de richting van een (weerloos) slachtoffer. De verdachte moet zich hiervan ten tijde van zijn handelen bewust zijn geweest. Door met een mes in de richting van aangeefster te bewegen heeft de verdachte deze aanmerkelijke kans dan ook bewust aanvaard. Verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan zijn echtgenote.\n\nFeit 2\n\nBewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, voor zover inhoudende:\n\nOp 23 december 2023 werd ik omstreeks 01.30 uur plotseling wakker gemaakt door mijn man [verdachte] . Vervolgens zijn wij naar de woonkamer gelopen. Ik zag dat hij de woonkamerdeur afsloot. Ik moest op mijn knieën op de grond in de woonkamer gaan zitten. Mijn man begon ducttape om mijn hoofd en mond te wikkelen. Mijn man wikkelde mijn enkels in ducttape. Hierna wikkelde hij mijn armen en handen in ducttape. Mijn armen waren op dat moment achter mijn rug.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [naam] ), voor zover inhoudende:\n\nTer plaatse trof ik het slachtoffer [slachtoffer] aan. Ik zag dat de vrouw een grijs stuk ducttape om haar nek had zitten. Ik zag dat de vrouw een stuk ducttape om haar rechterarm had zitten. Ik zag dat de vrouw een stuk grijze ducttape om haar rechterenkel had zitten.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, uitwerking geluidsfragment, voor zover inhoudende:\n\nNNV: Ga weg hier\n\nNNM: Nee\n\nNNV: Ga weg hier, ga opzij, ga weg hier, ik zeg dat je mij moet laten gaan\n\nNNM: Nee, nee, nee\n\nNNV: Ik wil weg van hier\n\nNNM: Nee, jij blijft hier\n\nNNV: Ik wil weg … [ntv] … praten\n\nNNM: Nee, nee je gaat daar zitten\n\nNNV: Ik ga niet praten\n\nNNM: Ga daar zitten, want anders bind ik je vast, ga daar zitten en beken zoals het een normaal mes betaamt en dan is het klaar, dan ga ik weg, is geen probleem\n\nNNM: Je gaat nergens naar toe, je gaat daar zitten in de hoek, je gaat niet bewegen, anders bind ik je vast en knip ik je haar helemaal af\n\nNNV: Nee, ik moet hier weg\u002Fuit\n\nNNM: Je gaat nergens naar toe\n\nNNV: Wat ga je dan doen?\n\nNNM: Je gaat daar zitten\n\nBewijsoverweging\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte aangeefster op haar knieën heeft laten zitten, dat hij haar heeft vastgebonden met ducttape bij haar enkels, armen en handen, dat hij de woonkamerdeur heeft afgesloten en dat hij haar meermalen heeft verboden om de ruimte te verlaten. Aangeefster kon zich daardoor niet op ieder gewenst ogenblik van de plaats waar zij zich bevond verwijderen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nFeit 1 subsidiair:\n\nop 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe sneden en peesletsel in meerdere vingers heeft toegebracht door in de hand van die [slachtoffer] met een mes te snijden;\n\nFeit 2:\n\nop 23 december 2023 in de gemeente Heerlen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door de enkels, armen en handen van die [slachtoffer] met tape aan elkaar vast te binden.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1 subsidiair\n\nzware mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenote;\n\nFeit 2\n\nopzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe psychiater drs. R. Thomassen heeft een onderzoek ingesteld omtrent de persoon van de verdachte en heeft op 10 april 2024 een rapport uitgebracht. Uit dat rapport is gebleken dat bij de verdachte sprake is van een post-traumatische stresstoornis (PTSS) na een overval op zijn werk in 2014 en dat hij daar nog steeds klachten van ondervindt. De PTSS beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde echter niet. De rechtbank komt op basis van de in het rapport vervatte bevindingen niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden (met aftrek van voorarrest), waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de complexe PTSS dan wel andere psychosociale problemen van de verdachte en daarom aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, dan wel geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het voorarrest gelet op het tijdsverloop en de aan detentie verbonden negatieve consequenties voor de verdachte.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn echtgenote, inmiddels ex-vrouw, en moeder van zijn kinderen. De verdachte heeft het slachtoffer vastgebonden met ducttape, een groot deel van haar haren afgeknipt met een schaar en vervolgens met een mes in de handpalm van het slachtoffer gesneden. Uitermate vernederend en respectloos gedrag, dat de rechtbank de verdachte zeer kwalijk neemt. Het slachtoffer heeft bovendien ter terechtzitting toegelicht dat ze haar vingers door het opgelopen letsel tot op heden niet volledig kan strekken en buigen en dus niet volledig meer kan gebruiken. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit en persoonlijke waardigheid van zijn echtgenote gemaakt en de rechtbank rekent hem dit zwaar aan. Bovendien heeft verdachte een geluidsopname van de feiten gemaakt en deze begaan terwijl zijn kinderen aanwezig waren in de woning. Zelfs hun aanwezigheid heeft de verdachte niet van het plegen van de feiten weerhouden.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 8 mei 2024, 5 december 2024 en 2 juni 2026. Daaruit blijkt onder meer dat bij verdachte sprake is van problemen op diverse leefgebieden. Naast de relatieproblematiek hebben mogelijk ook het gebrek aan dagbesteding, financiële problemen, overmatig gokken en zijn psychosociaal functioneren een rol gespeeld in het delictgedrag. De verdachte is gediagnosticeerd met PTSS. De verdachte is op 16 mei 2024 geschorst en onder toezicht gesteld van de reclassering en heeft zich tot op heden goed aan de afspraken en voorwaarden gehouden. De verdachte volgt een behandeling bij de Rooyse Wissel gericht op emotieregulatie en traumabehandeling. De scheiding is inmiddels geregeld en er is co-ouderschap ten aanzien van de twee jongste kinderen. Volgens de toezichthouder zijn alle doelen binnen het toezicht bereikt en hebben verdere bijzondere voorwaarden geen toegevoegde waarde meer. De reclassering schat het risico op recidive in als laag. De verdere behandeling van de PTSS kan doorlopen in een vrijwillig kader, aldus de reclassering.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet kan worden volstaan met een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf. Een taakstraf of een geldboete doet onvoldoende recht aan de ernst van het gewelddadige handelen van verdachte en de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank heeft acht geslagen op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, gelet op het vastgestelde letsel, de gevolgen en de revalidatieperiode. Dit oriëntatiepunt gaat uit van een gevangenisstraf van 1 jaar. De rechtbank weegt de volgende omstandigheden strafverzwarend mee: het slachtoffer was de echtgenote van verdachte, er is sprake van huiselijk geweld, de verdachte heeft het slachtoffer uitermate vernederd door haar haren af te knippen, de verdachte heeft van zijn handelen een geluidsopname gemaakt en de verdachte heeft geen volledige openheid van zaken gegeven.\n\nGelet op al het voorgaande acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend. De rechtbank zal echter in strafmatigende zin rekening houden met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De rechtbank overweegt dat die termijn op 23 december 2023 is aangevangen, de dag dat de verdachte door de politie is verhoord. Gelet hierop zou uiterlijk op 23 december 2025 een einduitspraak gewezen moeten zijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn op de dag van deze uitspraak is overschreden met ruim 6 maanden. De rechtbank zal de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, daarom matigen van 26 maanden naar 24 maanden. De rechtbank ziet verder geen strafmatigende omstandigheden.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden – met aftrek van voorarrest – en waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Het voorwaardelijke deel dient als stok achter de deur, om de verdachte ervan te weerhouden in te toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\n7. Het beslag\n\nDe rechtbank zal de inbeslaggenomen schaar verbeurdverklaren, nu dit een voorwerp betreft met behulp van welke het feit is begaan. De rechtbank zal teruggave aan de verdachte (beslagene) gelasten van de inbeslaggenomen GSM’s, de computer en de geluidsapparatuur, nadat hiervan de opnames verwijderd zijn. Het inbeslaggenomen vleesmes is reeds retour naar de eigenaar.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 282, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1 primair;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte voor feit 1 subsidiairenfeit 2toteen gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;\n\nBeslag\n\n- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen voorwerp:\n\n1 STK Schaar (goednummer: 1665325);\n\n- gelast de teruggave van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte:\n\n1 STK GSM (goednummer: 1665364);\n\n1 STK GSM (goednummer: 1665366);\n\n1 STK Computer (goednummer: 1665367);\n\n1 STK Geluidsapparatuur (nadat de opnames zijn verwijderd) (goednummer: 1665368).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P.W.E. Bekkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is – na de wijziging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat\n\nFeit 1 primair:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de hand en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe sneden en\u002Fof peesletsel in een of meerdere vingers, heeft toegebracht door in de hand en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] met een mes te snijden en\u002Fof steken;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn echtgenote [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de hand en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en\u002Fof gesneden,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nFeit 2:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door de enkels, armen en\u002Fof handen van die [slachtoffer] met tape aan elkaar vast te binden.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer PL2431-2023202228 (onderzoek: Banner), gesloten d.d. 30 maart 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 190.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, p. 44 en 45.\n\n De kennisgeving van inbeslagneming (mes met bloedsporen), p. 168.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, medisch dossier Zuyderland van 28 maart 2024, p. 72.\n\n Het aanvullend proces-verbaal Forensisch onderzoek [slachtoffer] , met in de bijlage Forensisch medische letselrapportage d.d. 15 mei 2024, p. 11 en 12.\n\n Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, r.o. 2.4.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, p. 44 en 45.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [naam] ), p. 22.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, uitwerking geluidsfragment, p. 99, 100, 101 en 105.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6519","2026-07-13T00:29:30.469Z",20,[11,199,200,201],2025,2024,2023]