[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-alkmaar-criminal-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":31,"total":16,"page":16,"limit":43},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},73,"Alkmaar","nl","alkmaar",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},84,"criminal-procedure-nl","Criminal Procedure","NL","2026-07-08T16:55:34.252Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},1,{"min":18,"max":18},"2026-07-01T00:00:00.000Z",[20,24,28],{"provisionId":21,"code":22,"article":23,"count":16},"122007","Wetboek van Strafvordering","art. 94",{"provisionId":25,"code":26,"article":27,"count":16},"122008","Burgerlijk Wetboek","art. 3:86",{"provisionId":29,"code":26,"article":30,"count":16},"122009","art. 3:86 lid 3",[32],{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":36,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":36,"language":7,"source":38,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":41,"updatedAt":42},"429","ECLI:NL:RBOVE:2026:3911","ecli-nl-rbove-2026-3911","","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nraadkamernummer : 26-014160\n\nBeschikking van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\n [klaagster],\n\nwonende op het adres [adres 1],\n\nhierna te noemen: de klaagster, tevens beslagene.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\nHet klaagschrift, gedateerd 27 april 2026 is op 13 mei 2026 op de griffie van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, ontvangen. Het klaagschrift betreft een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op een personenauto van het merk Renault Clio met kenteken [kenteken 1] (hierna: de auto). Er wordt geklaagd over het uitblijven van een last tot teruggave van de auto aan klaagster als rechthebbende.\n\nHet klaagschrift is behandeld op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. D. van Ieperen en klaagster gehoord. De belanghebbende [belanghebbende] (hierna: belanghebbende) is kennis gegeven van de behandeling van het klaagschrift. Belanghebbende heeft geen klaagschrift ingediend en is niet in raadkamer verschenen.\n\nDe raadkamer heeft kennisgenomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak naar aanleiding waarvan de inbeslagneming heeft plaatsgevonden. De raadkamer heeft daarnaast kennisgenomen van de door de officier van justitie overgelegde conclusie en de aanvulling daarop met betrekking tot de omstandigheden waaronder het beslag heeft plaatsgevonden en het standpunt van het Openbaar Ministerie met betrekking tot het al dan niet handhaven van het beslag.\n\n2. De standpunten van klaagster en de officier van justitie\n\nHet standpunt van klaagster\n\nKlaagster heeft bezwaar gemaakt tegen de inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave van de auto aan klaagster. In haar klaagschrift heeft klaagster aangevoerd dat zij de auto op 13 december 2024 heeft gekocht van de heer [naam 1] (hierna [naam 1]) voor een bedrag van € 10.250,00. Bij aankoop beschikte klaagster over alle vereiste documenten, waaronder een kentekenbewijs, de tenaamstellingscode, het vrijwaringsbewijs en overige bijbehorende documentatie. Voorafgaand aan de aankoop heeft klaagster gecontroleerd of het kenteken als gestolen geregistreerd stond. Dit was niet het geval. De auto is tien maanden zonder problemen in het bezit van klaagster geweest. Op 4 februari 2025 heeft klaagster melding gedaan bij de RDW over een verdachte overschrijvingspoging. Hier is destijds geen vervolg aan gegeven. Na een verzoek van de RDW tot identificatie bleek dat het voertuig als gestolen geregistreerd stond. Voor klaagster was dit op geen enkele wijze kenbaar. De auto is inbeslaggenomen omdat deze als gestolen geregistreerd bleek te staan. Ten tijde van de aankoop stond het kenteken niet als gestolen geregistreerd en de auto voerde geen gestolen kenteken. Onder deze omstandigheden bestond er voor klaagster geen enkele aanleiding om te vermoeden dat de auto uit misdrijf afkomstig zou zijn. Klaagster stelt als bezitter te goeder trouw te hebben gehandeld. Het voortduren van het beslag is voor klaagster zeer belastend en onevenredig. Klaagster is voor haar dagelijkse functioneren afhankelijk van de auto en is het geld dat zij voor de auto heeft betaald nu kwijt. Klaagster stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en verzocht wordt om te gelasten dat de inbeslaggenomen auto per heden wordt teruggegeven aan klaagster. Klaagster heeft de tenaamstellingscode, het vrijwaringsbewijs, kentekenbewijs, de gegevens van de verkoper, de banktransactie, de advertentie en de aangifte als bijlagen bij haar klaagschrift gevoegd.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.\n\n3. De bevoegdheid van de rechtbank\n\nDe rechtbank Overijssel is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.\n\n4. De ontvankelijkheid\n\nHet klaagschrift is ontvankelijk.\n\n5. De beoordeling\n\nOp grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.\n\nMaatstaf\n\nHet beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De raadkamer dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen dient te worden beschouwd. In dat laatste geval moet het beklag ongegrond worden verklaard.\n\nHet belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave, indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave, indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen. De raadkamer stelt hierbij voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Niet gevergd kan worden dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nOp 24 oktober 2025 is op grond van artikel 94 Sv beslag gelegd op de auto. Klaagster heeft op 13 december 2024 de auto gekocht van een particulier, [naam 1], voor een bedrag van € 10.250,00 in [adres 2] naar aanleiding van een advertentie op www.marktplaats.nl. De auto voerde het kenteken [kenteken 1]. Klaagster en haar man hebben een proefrit gemaakt met de auto en [naam 1] vertelde dat hij de auto had gekregen van een tante, maar dat de auto te klein is voor zijn gezin. De man van klaagster heeft het bedrag van € 10.250,00 via bankoverschrijving overgemaakt op het rekeningnummer van [naam 1]. Daarna heeft klaagster de auto via de website van de RDW overgeschreven op haar naam. Klaagster heeft alle benodigde documenten gekregen en (reserve) sleutels meegekregen. Klaagster heeft niet het chassisnummer van de auto gecontroleerd en op 13 december 2025 geen contact gehad met de RWD. Ook heeft klaagster geen onderzoek gedaan naar de verkoper. Na een verzoek van de RDW tot identificatie bleek dat het voertuig als gestolen geregistreerd stond en is de auto door politie inbeslaggenomen. Blijkens de aangifte van [naam 2] namens [belanghebbende] B.V. bleek de auto, inclusief (reserve) sleutels op 9 december 2024 te zijn verduisterd door [naam 1], nadat hij de auto had meegenomen voor een proefrit. Het originele kenteken is [kenteken 2]. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 28 november 2025 volgt dat [naam 1] een veelpleger is die al meermalen in beeld is gekomen wegens verduistering, dan wel diefstal. Klaagster stelt dat zij te goeder trouw gehandeld heeft. Zij wist niet dat de auto als gestolen geregistreerd stond en de auto voerde geen gestolen kenteken.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.\n\nBeoordeling\n\nVoor beoordeling van de onderhavige zaak is artikel 3:86 BW van belang. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91, of 93 van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstalheeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal, als zijn eigendom opeisen, tenzij de verkrijger als natuurlijke persoon niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf de zaak heeft gekocht van een persoon die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken, anders dan als veilinghouder, zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.\n\nDe raadkamer heeft onweersproken vastgesteld dat klaagster op 13 december 2024 bezitter is geworden van een auto die blijkens de stukken op zijn minst genomen van verduistering afkomstig is. Op basis van de stukken en de toelichting op de zitting is de raadkamer van oordeel dat klaagster niet als derde verkrijger te goeder trouw kan worden aangemerkt nu zij meer onderzoek had moeten doen naar de herkomst van de auto en de beschikkingsbevoegdheid van de verkoper. Klaagster heeft de auto gekocht van een particulier. Derhalve rustte op klaagster de last van onderzoek doen naar de auto en de verkoper. Klaagster heeft naar de verkoper geen onderzoek verricht. Hem is niet eens om een identiteitsbewijs gevraagd. Ook naar de auto zelf is onvoldoende onderzoek gedaan. Het chassisnummer is niet gecontroleerd, terwijl dit een fundamenteel onderdeel van de controle zou moeten zijn die een koper uit hoofde van zijn onderzoekplicht zou moeten uitvoeren. Aldus kan klaagster niet als te goeder trouw worden aangemerkt.\n\nNadere overwegingen.\n\nOok indien zou worden aangenomen dat klaagster wel als te goeder trouw zou kunnen worden aangemerkt (quod non), dan geldt het volgende. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het in art. 3:86 lid 3 BW gehanteerde begrip \"diefstal\" ruim geïnterpreteerd dient te worden, in die zin dat hiertoe alle vormen van bezitsverlies ten gevolge van een strafbaar feit gerekend dienen te worden, derhalve ook verduistering, waarvan in het onderhavige geval klaarblijkelijk sprake is. (ECLI:NL:GHLEE:2005:AU0823 en ECLI:NL:HR:2005:AU2555).\n\nHieruit volgt dat klaagster, zelfs als zij te goeder trouw zou zijn, in de onderhavige zaak toch geen eigenaar van de auto is geworden omdat ingevolge art. 3:86 lid 3 BW de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door onvrijwillig bezitsverlies - i.c. verduistering - heeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van dat onvrijwillige bezitsverlies als zijn eigendom kan opeisen.\n\nHet arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1999:ZD1744) doet daaraan niet af nu er met de later gewezen arresten (ECLI:NL:GHLEE:2005:AU0823 en ECLI:NL:HR:2005:AU2555) kennelijk sprake is van voortschrijdend inzicht op basis waarvan onder diefstal in artikel 3:86 lid 3 BW iedere vorm van onvrijwillig bezitsverlies moet worden begrepen.\n\nDe raadkamer merkt op dat in de onderhavige zaak niet alleen klaagster maar ook garage [belanghebbende] in [plaats] door [naam 1] is opgelicht. Ook van garage [belanghebbende] had in dit geval – net als van klaagster – meer onderzoek verwacht mogen worden alvorens de auto op 9 december 2024 aan [naam 1] voor een proefrit mee te geven. Door klaagster werd ter zitting medegedeeld dat zij begrepen heeft dat [belanghebbende] inmiddels schadeloos gesteld is door de verzekeraar. Dat was niet bekend bij de rechtbank en het Openbaar Ministerie. Na ongegrondverklaring van het klaagschrift van klaagster is het nu aan de officier van justitie om de auto terug te geven aan de redelijkerwijs rechthebbende. Na schadeloosstelling van [belanghebbende] zou dit de in rechten getreden verzekeraar kunnen zijn.\n\nDe raadkamer zou zich kunnen voorstellen dat het Openbaar Ministerie bij de beslissing aan wie de auto wordt afgegeven zich rekenschap geeft van de gang van zaken in deze kwestie waarbij de aanstichter van dit alles, de heer [naam 1] in [adres 2], - voor zover tot dusver bekend - ongemoeid is gebleven.\n\nConclusie\n\nDe raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.\n\n6. De beslissing\n\nDe raadkamer verklaart het klaagschrift ongegrond.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.T.H. Praster, griffier, ondertekend door de rechter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3911","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:29.475Z",20]