[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-alkmaar-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":39,"total":16,"page":25,"limit":80},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},73,"Alkmaar","nl","alkmaar",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2026-02-19T00:00:00.000Z","2026-04-22T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122782","Burgerlijk Wetboek","art. 6:2 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122783","art. 3:185",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122784","art. 3:300 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122787","art. 6:82",{"provisionId":36,"code":37,"article":38,"count":25},"124328","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 820 lid 2",[40,51,59,66,73],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":49,"updatedAt":50},"905","ECLI:NL:RBNHO:2026:6975","ecli-nl-rbnho-2026-6975","","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F363642 \u002F HA ZA 25-176\n\nVonnis van 22 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. H.I. Park,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. V. Goudriaan.\n\nDe zaak in het kort\n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond in de woning, waarvan zij ieder voor de helft eigenaar zijn. In 2024 is de relatie van partijen beëindigd. Partijen zijn er niet in geslaagd onderling afspraken te maken over de verdeling van de woning. De rechtbank stelt de verdeling vast. Daarnaast beslist de rechtbank over een aantal geldvorderingen die partijen over en weer hebben ingesteld.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 1 oktober 2025;\n\n- de akte vermeerdering eis tevens overlegging van producties van de man;\n\n- het bezwaar van de vrouw tegen de akte vermeerdering eis;\n\n- de reactie daarop van de man;\n\n- de beslissing van de rechtbank van 9 februari 2026 over het toelaten van de vermeerdering van eis;\n\n- de aanvullende productie 10 van de vrouw;\n\n- de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. De advocaat van de vrouw heeft spreekaantekeningen overgelegd en de vrouw heeft haar eis vermeerderd.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De man en de vrouw hebben vanaf april 2020 een affectieve relatie gehad. Zij woonden samen in een woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] (hierna: de woning). De man en de vrouw zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning.\n\n2.2.. De relatie van de man en de vrouw is in juli 2024 beëindigd.\n\n2.3.. In november 2024 is de man een kortgedingprocedure gestart, waarin hij het uitsluitend gebruik van de woning vorderde. Naar aanleiding van de zitting in kort geding hebben partijen afgesproken opdracht te geven voor een taxatie van de waarde van de woning. De woning is getaxeerd op € 405.000,-.\n\n2.4.. Op 20 januari 2025 heeft de man aan de vrouw bericht dat hij de woning kan herfinancieren en gevraagd of zij ook de wens heeft en in staat is de woning over te nemen. De vrouw heeft laten weten dat dit het geval is. Dit heeft niet tot (verdere onderhandelingen over) de overname van de woning door een van partijen geleid.\n\n2.5.. Bij kortgedingvonnis van 24 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter de vordering van de man om hem het exclusieve gebruik van de woning toe te kennen, afgewezen.\n\n2.6.. Partijen zijn er ook daarna niet in geslaagd om onderling afspraken te maken over verdeling van de woning.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. De man vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nPrimair\n\nI. bepaalt dat de woning tegen een waarde van € 405.000,-, of een nog te taxeren waarde, aan de man wordt toebedeeld, onder de verplichting om de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nII. de vrouw veroordeelt om binnen acht weken nadat de man een bindend hypotheekadvies heeft ontvangen haar medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke levering van de woning;\n\nIII. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder II. gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nSubsidiair\n\nIV. de vrouw veroordeelt om binnen 14 dagen na dit vonnis alle medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop en levering van de woning door onder meer een verkoopopdracht te geven aan Luca Makelaardij, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nV. bepaalt dat, indien de door de rechtbank aangewezen makelaar zich terugtrekt, de man gerechtigd is een andere makelaar de verkoopopdracht te verstrekken en de vrouw ten aanzien van die makelaar gehouden is tot het onder IV. gevorderde;\n\nVI. bepaalt dat wanneer de vrouw weigert om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, dit vonnis in de plaats treedt van de voor de verkoop benodigde machtiging en handelingen van de vrouw;\n\nVII. de vrouw veroordeelt om medewerking te verlenen aan het opstellen en ondertekenen van de verkoopovereenkomst van de woning, waarbij de leveringstermijn door de kopers wordt bepaald, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nVIII. de vrouw veroordeelt om te verschijnen bij de door de kopers gekozen notaris op een door de notaris vast te stellen tijdstip, de voor de levering op te maken notariële akte te ondertekenen volgens de door de notaris juist geachte tekst en verder al hetgeen te doen en uit te voeren dat door de notaris voor de levering noodzakelijk wordt geacht, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nIX. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder VI. tot en met VIII. gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nX. de vrouw veroordeelt de helft van de makelaarskosten en de helft van de notariskosten te betalen, alsmede de helft van eventuele andere kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning;\n\nXI. bepaalt dat de vrouw de notaris opdracht dient te geven de overwaarde van de woning bij helfte te delen, met dien verstande dat de man gerechtigd is om zijn vorderingen zoals omschreven onder XII en XIII op de vrouw met het aan haar toekomende deel van de verkoopopbrengst te verrekenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nZowel primair als subsidiair\n\nXII. bepaalt dat de vrouw de helft van € 88.056,58, derhalve een bedrag van € 44.028,29 aan de man dient te voldoen uit hoofde van door de man gedane investeringen in de woning, waarbij de man gerechtigd is om dit bedrag te verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen uitkoopsom, althans met het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst;\n\nXIII. bepaalt dat de vrouw gehouden is om over de periode van 1 juni 2025 tot aan het moment dat de man het exclusief gebruik krijgt over de woning, bij te dragen in de helft van de aan de woning verbonden lasten, te weten € 688,57, waarbij de man gerechtigd is om al hetgeen de vrouw te weinig heeft betaald te verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen uitkoopsom, althans met het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst;\n\nXIV. bepaalt dat de vrouw haar medewerking zal verlenen aan verrekening van de onder XII en XIII genoemde vorderingen met de door de man aan haar te betalen uitkoopsom, dan wel het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst, door de notaris opdracht te geven om de onder XII en XIII genoemde vorderingen in mindering te brengen op c.q. te verrekenen met de aan de vrouw toekomende uitkoopsom, dan wel aan de man te voldoen vanuit de aan de vrouw toekomende verkoopopbrengst;\n\nXV. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder XII, XIII en XIV gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nXVI. bepaalt dat de goederen aan de man worden toebedeeld conform de door de man als productie 31 overgelegde inboedellijst;\n\nXVII. bepaalt dat de man het exclusieve woongenot van de woning zal hebben vanaf de datum van afgifte van dit vonnis, waarbij de man de volledige eigenaarslasten en gebruikerslasten voor zijn rekening neemt als gebruiksvergoeding en de vrouw de woning niet zonder toestemming van de man betreedt.\n\n3.2.. De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. De vrouw vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nter zake van de geldlening\n\na. de man veroordeelt aan de vrouw de lening van € 6.500,- terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2020 dan wel 24 juli 2025 tot aan de dag van algehele betaling en de wettelijke incassokosten van € 700,-;\n\nter zake van de gebruiksvergoeding\n\nprimair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen die wordt berekend op vijf procent van de helft van de overwaarde per jaar, vanaf 27 juli 2025 en zolang de vrouw hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening;\n\nsubsidiair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen die wordt berekend op de helft van de eigenaarslasten en gebruikerslasten van de woning, vanaf 27 juli 2025 en zolang de vrouw hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening;\n\nmeer subsidiair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen ter hoogte van een bedrag dat de rechtbank redelijk acht;\n\nter zake van de verdeling van de woning\n\nprimair\n\n- bepaalt dat de woning zal worden verkocht aan een derde, waarbij de man binnen één week na afgifte van het vonnis drie erkende verkoopmakelaars aan de vrouw noemt, waarvan de vrouw er binnen één week daarna één uitkiest die belast wordt met de verkoop van de woning;\n\n- bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtbevestiging erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;\n\n- bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkoopprijs, partijen of één van hen aan de makelaar kunnen\u002Fkan verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;\n\n- bepaalt dat, als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de koper(s);\n\n- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering aan een derde te dragen;\n\n- bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld;\n\n- bepaald dat de man een dwangsom dient te betalen van € 300,- voor iedere dag dat hij geen medewerking verleent aan de verkoop van de woning;\n\n- bepaalt dat wanneer de man zijn medewerking niet verleent aan het onder f. gevorderde, het vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de man aan die rechtshandelingen;\n\nsubsidiair\n\nde woning toedeelt aan de vrouw voor de waarde van € 420.000,- waarbij de overwaarde bij helfte tussen partijen wordt gedeeld, onder verplichting van de vrouw de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan en onder voorwaarde dat partijen ter zake van de woning schriftelijk verklaren dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben;\n\nter zake van de vergoedingsrechten van de vrouw\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw op grond van vergoedingsrechten een bedrag aan haar dient te betalen van € 17.830,44, dan wel een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, vermeerderd met de wettelijke rente;\n\nter zake de proceskosten\n\nde man veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.\n\n3.5.. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\n4.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.\n\nUitgangspunten\n\n4.2.. Partijen twisten over een groot aantal zaken. Deels gaat de discussie over de wijze waarop de gemeenschappelijke woning verdeeld moet worden, waarbij de vraag voorop staat of de man of de vrouw nog de gelegenheid moet krijgen om te proberen het aandeel van de ander in de woning over te nemen en zo ja, tegen welke waarde. Deels gaat de discussie over het exclusief gebruik van de woning en de vraag wie van partijen (welk deel van) de kosten van de woning moet betalen. Ook zijn er vorderingen ingesteld die zien op goederen op een inboedellijst en een geldlening. Ten slotte gaat het over vorderingen uit hoofde van vergoedingsrechten die partijen over en weer menen te hebben. Bij de beoordeling van al die geschilpunten gelden de volgende uitgangspunten.\n\n4.3.. In beginsel vindt verdeling van gemeenschappelijke goederen plaats op basis van de waarde van het betreffende goed ten tijde van de verdeling. Dat is slechts anders indien, kort gezegd, partijen iets anders overeenkomen of de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.\n\n4.4.. Waar het gaat om de diverse vorderingen\u002Fvergoedingsrechten die partijen op elkaar menen te hebben, is van belang dat partijen niet gehuwd waren en hun samenleving ook niet geregeld hadden in een samenlevingsovereenkomst. Daarmee zijn partijen zogenaamde informele samenlevers. Tussen partijen bestaat een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de beoordeling van de diverse vorderingen van partijen zal de rechtbank aan de hand van het algemene verbintenissenrecht moeten beoordelen of een partij ter zake van zijn\u002Fhaar uitgaven ten behoeve van de ander, zo deze vast komen te staan, een vergoedingsrecht jegens de ander geldend kan maken. Daarbij ligt het op de weg van degene die stelt een vorderingsrecht te hebben te stellen en zo nodig te bewijzen dat partijen daarover uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende afspraken hebben gemaakt. Daarnaast is mogelijk dat een van de informeel samenlevenden, indien aan de voorwaarden van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking is voldaan, op een van die gronden een aanspraak heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste zijn gekomen van de andere informeel samenlevende.\n\n4.5.. Verder bestaat tussen informeel samenlevenden een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in artikel 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Het ligt op de weg van de samenlevende die aanspraak maakt op vergoeding van een investering om de bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een vergoedingsrecht bestaat.4.6.. \n\nDe rechtbank zal in het vervolg van dit vonnis ingaan op de volgende geschilpunten:\n\n- de verdeling van de woning;\n\n- het exclusief gebruik van de woning;\n\n- de gebruiksvergoeding en de eigenaarslasten;\n\n- de vergoedingsrechten;\n\n- de inboedellijst;\n\n- de geldlening.\n\nDe verdeling van de woning\n\n4.7.. Partijen zijn het erover eens dat de woning die zij gezamenlijk in eigendom hebben, verdeeld moet worden. De man vordert dat de woning tegen een waarde van € 405.000,- aan hem wordt toebedeeld. De vrouw vordert primair dat de woning aan een derde wordt verkocht, en subsidiair dat de woning tegen een waarde van € 420.000,- aan haar wordt toebedeeld.\n\n4.8.. De rechtbank zal op grond van artikel 3:185 BW de (wijze van) verdeling vaststellen. Bij deze vaststelling moet de rechtbank rekening houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang. De rechtbank heeft daarom een mate van vrijheid. Zij is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en zij hoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.\n\n4.9.. Beide partijen hebben de wens het aandeel van de ander in de woning over te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de woning pas verkocht hoeft te worden, als blijkt dat geen van partijen in staat is de woning over te nemen. Vervolgens is het de vraag wie van partijen als eerste de mogelijkheid krijgt het aandeel van de ander in de woning over te nemen. De man voert aan dat zijn belang bij behoud van de woning is dat zijn twee kinderen uit een eerdere relatie in hun vertrouwende omgeving kunnen blijven en een goede omgang met hun vader kunnen hebben. Het belang van de vrouw om het volledige eigendom van de woning te verkrijgen is dat zij op dit moment zwanger is en de woning waar zij nu verblijft te klein is voor haar gezin.\n\n4.10.. De rechtbank zal de man als eerste de mogelijkheid geven om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. Hij heeft zijn belang bij overname van de woning voldoende onderbouwd en de vrouw is eind februari 2025 uit de woning vertrokken. Mocht de man er niet in slagen de woning over te nemen, dan mag de vrouw een poging doen. Als beiden er niet in slagen de woning over te nemen, zal de woning verkocht moeten worden aan een derde.\n\n4.11.. De volgende vraag is tegen welk bedrag eerst de man en eventueel daarna de vrouw de woning mag proberen over te nemen. In dat kader stelt de rechtbank voorop dat als peildatum voor de waardering van de woning als hoofdregel geldt de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat daarvan afgeweken moet worden.\n\n4.12.. De rechtbank stelt vast dat van een afspraak tussen partijen over de (peildatum van de) waarde niets is gebleken. Dan rest de vraag of er op basis van de redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum dan wel een andere waarde van de woning moet worden uitgegaan. De man legt aan zijn vordering een taxatierapport ten grondslag waarin de marktwaarde op 19 december 2024 is vastgesteld op € 405.000,-. De vrouw voert hiertegen verweer. De vrouw voert als primair standpunt aan dat – overeenkomstig de hoofdregel – moet worden uitgegaan van de waarde op de datum van de feitelijke verdeling en dat het door de man voorgestelde bedrag door de ontwikkelingen op de woningmarkt geen recht doet aan de werkelijke waarde van de woning op de datum van feitelijke verdeling. Subsidiair voert zij aan dat – voor het geval dat de rechtbank reden ziet af te wijken van de hoofdregel – de woning voor een waarde van € 420.000,- aan haar moet worden toebedeeld. Dit bedrag is gebaseerd op de recente verkoopprijs van een vergelijkbare woning in de buurt.\n\n4.13.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zowel de man als de vrouw onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum dan wel een andere waarde van de woning moet worden uitgegaan dan de hoofdregel voorschrijft. Het bestaan van een taxatierapport uit december 2024 en de verwijzing naar een verkoopprijs van een mogelijk vergelijkbare woning in oktober 2025 zijn daarvoor onvoldoende.\n\n4.14.. Dit betekent dat de actuele marktwaarde van de woning getaxeerd moet worden. Ter zitting heeft de rechter met partijen besproken en afgesproken op welke wijze dit (praktisch) zal plaatsvinden. De man mag drie taxateurs voorstellen. Hiertoe krijgt hij een termijn van twee weken na de datum van dit vonnis. De vrouw mag één van de door de man voorgestelde taxateurs uitkiezen. Zij krijgt daarvoor ook een termijn van twee weken, vanaf de datum dat zij het voorstel van de man heeft ontvangen. Partijen dienen vervolgens binnen een week nadat de vrouw haar keuze kenbaar heeft gemaakt, gezamenlijk opdracht te geven aan de taxateur voor de taxatie van de actuele marktwaarde van de woning. Partijen dragen ieder de helft van de kosten daarvan.\n\n4.15.. Ter zitting hebben partijen verklaard dat de uitkomst van de taxatie voor partijen bindend zal zijn.\n\n4.16.. Uiterlijk twee weken na ontvangst van het taxatierapport, dient de man aan de vrouw schriftelijk mee te delen of hij de woning tegen de getaxeerde waarde wenst over te nemen. Indien de man de woning wenst over te nemen, zal de woning aan hem worden toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de man de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) hij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn van twee weken plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.\n\n4.17.. Mocht de man de woning niet willen of niet (onder de hiervoor genoemde voorwaarden) kunnen overnemen, dan mag de vrouw proberen de woning over te nemen. In dat geval dient zij binnen twee weken na het bericht van de man dat hij de woning niet wenst over te nemen of na het verstrijken van de termijn van drie maanden, aan de man schriftelijk mee te delen of zij de woning tegen de getaxeerde waarde wenst over te nemen. Indien de vrouw de woning wenst over te nemen, zal de woning aan haar worden toegedeeld onder dezelfde (opschortende) voorwaarden die in de vorige overweging zijn genoemd.\n\n4.18.. In het geval de woning aan de man of de vrouw wordt toegedeeld, dienen zij mee te werken aan de notariële overdracht. De kosten daarvan komen voor rekening van de partij aan wie de woning wordt toegedeeld.\n\n4.19.. Op het moment dat duidelijk is dat beide partijen niet in staat zijn de woning over te nemen, moet de woning in de verkoop gezet worden. De rechtbank zal beschrijven hoe dit proces zal moeten verlopen.\n\n4.20.. De man mag drie makelaars voorstellen. Hiertoe krijgt hij een termijn van twee weken vanaf de datum waarop duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet kan overnemen. De vrouw mag één van de door de man voorgestelde makelaars uitkiezen. Zij krijgt hiervoor een termijn van twee weken vanaf de datum dat zij het voorstel van de man heeft ontvangen.\n\n4.21.. Partijen verlenen in dat geval binnen een week nadat de vrouw haar keuze kenbaar heeft gemaakt, gezamenlijk de opdracht tot verkoop van de woning aan de makelaar. Partijen zullen in onderling overleg en met de makelaar binnen twee weken na opdrachtverlening de vraagprijs en de voorwaarden van de verkoop vaststellen. Indien partijen dit niet in onderling overleg kunnen afspreken, zullen zij de adviezen van de makelaar hierover moeten opvolgen.\n\n4.22.. Partijen moeten de aanwijzingen van de makelaar opvolgen. Zij moeten hun volledige medewerking verlenen aan het verkoopproces, waaronder het verlenen van toegang tot de woning aan de makelaar voor het (laten) maken van foto’s van de woning en bezichtigingen door potentiële kopers. Partijen mogen zelf niet aanwezig zijn bij die bezichtigingen.\n\n4.23.. Indien een bod op de woning wordt gedaan, dienen partijen dit te accepteren als de makelaar dit adviseert. Partijen dienen na het tot stand komen van een koopovereenkomst mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst. Partijen dienen ook mee te werken aan de levering van de woning ten overstaan van de notaris door de leveringsakte na behoorlijke oproeping bij de notaris te ondertekenen of daartoe (op eigen kosten) een getekende volmacht aan de notaris te verstrekken. De kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning dragen partijen ieder voor de helft.\n\n4.24.. In het geval een van partijen het aandeel van de ander in de woning overneemt, geldt dat de overnemende partij de helft van de overwaarde (de getaxeerde waarde van de woning minus de hypothecaire geldlening) aan de andere partij dient te betalen. In het geval de woning moet worden verkocht, is het uitgangspunt dat partijen allebei recht hebben op de helft van de overwaarde.\n\n4.25.. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de wijze van verdeling zal vaststellen, zoals in de beslissing is bepaald.\n\n4.26.. Partijen hebben beide gevorderd dat de rechtbank de andere partij veroordeelt tot medewerking aan de verdeling en dat de rechtbank aan die medewerking een dwangsom verbindt. Waar het gaat om rechtshandelingen die partijen jegens elkaar verplicht zijn te verrichten, zal de rechtbank op grond van artikel 3:300 lid 1 BW bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van partijen in het geval een partij zijn of haar medewerking weigert. Nu beide partijen daarnaast ter zitting hebben verklaard dat zij hun medewerking zullen verlenen aan de verdeling van de woning, ziet de rechtbank geen aanleiding om over en weer dwangsommen aan partijen op te leggen.\n\nHet exclusief gebruik van de woning\n\n4.27.. De man vordert het exclusief gebruik van de woning. Ter zitting heeft de vrouw verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben. De rechtbank zal de vordering van de man daarom toewijzen, in die zin dat de man het exclusief gebruik van de woning verkrijgt vanaf 1 mei 2026. Dit betekent dat de man vanaf 1 mei 2026 de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor zijn rekening moet nemen.\n\nGebruiksvergoeding en eigenaarslasten\n\n4.28.. De vrouw vordert dat de man een gebruiksvergoeding aan haar betaalt vanaf 27 februari 2025 tot het moment dat zij niet meer hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening van de woning. De man vordert dat de vrouw gehouden is de helft van de vaste lasten die zijn verbonden aan de woning te dragen over de periode vanaf 1 juni 2025 tot het moment dat hij exclusieve gebruik krijgt.\n\n4.29.. De rechtbank stelt vast dat partijen tot op heden geen afspraak hebben gemaakt over wie wanneer in de woning mag verblijven. Ook is er niets afgesproken over de verdeling van de eigenaars- en gebruikerslasten.\n\n4.30.. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij in februari 2025 de woning heeft verlaten nadat de spanningen tussen partijen opliepen. Vanaf maart 2025 woonde zij niet meer in de woning, maar kwam zij eens in de twee dagen nog wel kort in de woning om post op te halen en haar katten te verzorgen. De man heeft dat niet betwist. Hij woonde vanaf maart 2025 dus alleen in de woning, met dien verstande dat de vrouw af en toe nog langs kwam voor de katten en de post. De man heeft ter zitting verklaard dat ook hij de woning heeft verlaten en in of omstreeks juni 2025 ”uit zelfbescherming” tijdelijk elders is gaan wonen. De vrouw betwist dat de man de woning heeft verlaten. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover de man niet meer in de woning verbleef, dit een eigen keus van de man was.\n\n4.31.. De vrouw kan daarom ten laste van de man aanspraak maken op een gebruiksvergoeding vanwege het gemis van gebruik en genot van de woning. Daar staat het volgende tegenover.\n\n4.32.. De man en de vrouw dienen als mede-eigenaren van de woning in beginsel ieder de helft van de eigenaarslasten van de woning te dragen. Vanaf 27 februari 2025 heeft de man alleen in de woning gewoond, zodat de gebruikerslasten vanaf die datum voor zijn rekening komen. De rechtbank stelt de eigenaarslasten met betrekking tot de woning als volgt vast:\n\n- Hypotheek\n\n€\n\n843,35\n\n- Nationale Nederlanden\n\n€\n\n28,62\n\n- Univé\n\n€\n\n76,12\n\n- Hoogheemraadschap\n\n€\n\n41,70\n\nTotaal\n\n€\n\n989,79\n\nDit betekent dat de man en de vrouw in beginsel ieder een bedrag van € 494,89 per maand verschuldigd zijn voor de eigenaarslasten van de woning.\n\n4.33.. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de eigenaarslasten aan de verschillende instanties heeft betaald. Ook staat niet ter discussie dat de vrouw maandelijks een bedrag aan de man heeft betaald. In april 2025 was dit € 234,03, in mei 2025 € 678,00, in juni 2025 € 436,50 en vanaf juli 2025 € 270,95 per maand. Dit betekent dat de man in beginsel nog een vordering op de vrouw heeft voor de eigenaarslasten van de woning.\n\n4.34.. De rechtbank vindt het echter praktisch en redelijk de gebruiksvergoeding waarop de vrouw nog aanspraak kan maken en de eigenaarslasten waarop de man nog aanspraak kan maken, tegen elkaar weg te strepen (met elkaar te verrekenen), zodat zij over en weer in dit kader niets van elkaar te vorderen hebben. De vrouw heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat een hogere gebruiksvergoeding redelijk is, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.\n\n4.35.. Voor de periode vanaf 1 mei 2026 geldt, zoals hiervoor in 4.27 is overwogen, dat de man de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor zijn rekening moet nemen. Onder die omstandigheden vindt de rechtbank het niet redelijk de man nog een (aanvullende) gebruiksvergoeding aan de man te laten betalen vanaf die datum.\n\n4.36.. De vorderingen over de betaling van een gebruiksvergoeding en de eigenaars- en gebruikerslasten worden dan ook over en weer afgewezen.\n\nVergoedingsrechten man\n\n4.37.. De man stelt dat hij een vergoedingsrecht op de vrouw heeft, omdat hij met zijn privévermogen verschillende investeringen in de gezamenlijke woning heeft gedaan. Het gestelde vergoedingsrecht bestaat uit twee delen:\n\nEen bedrag van € 33.803,- dat hij bij aankoop van de woning heeft ingelegd;\n\nEen bedrag van € 54.235,58 aan investeringen die hij in de woning heeft gedaan.\n\nIn totaal gaat het daarmee om een vordering van € 88.056,58. Volgens de man is de vrouw hem de helft van dit bedrag – een bedrag van € 44.028,29 – verschuldigd.\n\n4.38.. De man stelt primair dat partijen al bij de aankoop van de woning hebben afgesproken dat er een vergoedingsrecht zou zijn op het moment dat de relatie zou eindigen. Er is een “rondetafelgesprek” geweest bij de notaris waar is besproken hoe, en wat daarvoor schriftelijk zou moeten worden vastgelegd. Dat zag zowel op de inbreng van de man bij de aankoop van de woning als op toekomstige investeringen. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verklaringen overgelegd van zowel de heer C. Luca (makelaar) als mevrouw S. Hartog (hypotheekadviseur), waaruit de afspraak over de vergoedingsrechten zou blijken. Hoewel het klopt dat partijen vervolgens geen werk hebben gemaakt van het schriftelijk vastleggen van de afspraak, is overeengekomen dat de vrouw de helft van de door de man ingelegde bedragen moe terugbetalen, aldus de man.\n\n4.39.. De vrouw betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Het klopt dat de man financieel heeft bijdragen bij de aankoop van de woning en dat er bij de aankoop van de woning een adviesgesprek is geweest over het maken van afspraken daarover. Partijen hebben er vervolgens echter voor gekozen om van het maken van afspraken en het schriftelijk vastleggen daarvan af te zien. Volgens de vrouw heeft zij zelf veel aan werk aan de woning gedaan en heeft de man toen op enig moment gezegd “ik werk hard, jij werkt hard, we doen het samen” en “laat maar zitten”.\n\n4.40.. Niet in geschil is dat de man het door hem genoemde bedrag heeft ingelegd bij de aankoop van de woning en dat hij na aankoop investeringen in de woning heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat partijen hebben gesproken over het maken en vastleggen van een afspraak over de vergoedingsrechten. Dat er over gesproken is volgt ook uit de verklaringen die door de man zijn overgelegd. Zowel de makelaar als de hypotheekadviseur hebben geadviseerd om een en ander schriftelijk te laten vastleggen. Uit de verklaringen blijkt echter niet dat partijen onderling overeenstemming hadden over het bestaan dan wel het vastleggen van zo een afspraak. De hypotheekadviseur heeft partijen ook gewezen op het ontbreken van wederzijdse rechten bij gebreke van een samenlevingscontract. De rechtbank stelt vast dat het advies van de makelaar en de hypotheekadviseur uiteindelijk niet is uitgevoerd en dat er schriftelijk niets is vastgelegd. Dat partijen bij de notaris een adviesgesprek hebben gevoerd, is onvoldoende voor het aannemen van een tussen partijen geldende afspraak over de vergoedingsrechten. Het ligt op de weg van de man om te stellen en aannemelijk te maken dat er tussen partijen (stilzwijgende) bindende afspraken gemaakt zijn. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld om vast te kunnen stellen dat er afspraken tussen de man en de vrouw zijn gemaakt die inhouden dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw wegens door zijn financiële inbreng bij aankoop van de woning of voor latere investeringen in de woning die de man uit privévermogen heeft betaald. De rechtbank komt daarom niet toe aan bewijslevering.\n\n4.41.. Dit betekent dat de man op de door hem primair aangevoerde grondslag geen vorderingsrecht op de vrouw heeft. De man heeft nog drie andere grondslagen aangevoerd op grond waarvan de vrouw hem een vergoeding verschuldigd zou zijn: onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en de redelijkheid en billijkheid. Deze grondslagen zal de rechtbank hierna bespreken.\n\nOnverschuldigde betaling\n\n4.42.. Van onverschuldigde betaling in de zin van artikel 6:203 BW is sprake, indien door een partij een geldsom is betaald zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestaat die de betaling rechtvaardigt.\n\n4.43.. \n\nDe man stelt dat hij uit privémiddelen heeft bijgedragen aan de gezamenlijke woning en dat deze investeringen niet gebaseerd zijn op een overeenkomst of een afspraak die hem verplichtte te betalen, zodat er sprake is van onverschuldigde betaling.\n\nDe vrouw voert aan dat het aan de man is om feiten en omstandigheden te stellen waaruit moet worden afgeleid dat een rechtsgrond voor de investeringen ontbreekt. Dit heeft de man volgens de vrouw onvoldoende gedaan, zodat zijn vordering op grond van onverschuldigde betaling moet worden afgewezen.\n\n4.44.. De rechtbank wijst de vordering van de man op de vrouw op grond van onverschuldigde betaling af. De man heeft de betreffende betalingen niet aan de vrouw gedaan, zodat alleen al om die reden geen sprake is van onverschuldigde betaling aan de vrouw en zij op deze grondslag dus niet gehouden is enig bedrag terug te betalen aan de man. Zelfs als zou komen vast te staan dat een rechtsgrond voor de door de man betaalde bedragen ontbreekt, geldt dus dat de man de ontvanger van de (onverschuldigd) betaalde gelden zou moeten aanspreken en niet de vrouw.\n\nOngerechtvaardigde verrijking\n\n4.45.. De man stelt dat de gezamenlijke woning van partijen in waarde is gestegen door de investeringen die hij in de woning heeft gedaan. De man heeft de investeringen uit privémiddelen betaald, zonder dat hij daarvoor een tegenprestatie heeft gekregen. De man is daardoor verarmd, terwijl de vrouw als gevolg van de waardestijging van de woning is verrijkt. Volgens de man is er daarom sprake van onrechtvaardige verrijking van de vrouw en moet zij de helft van de door hem gedane investeringen vergoeden.\n\n4.46.. Ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW is pas aan de orde indien aan de navolgende voorwaarden is voldaan. Er moet sprake zijn van (1) een verrijking van de vrouw, (2) ten koste van de man en (3) deze verrijking moet ongerechtvaardigd zijn.\n\n4.47.. De rechtbank oordeelt als volgt. De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat de woning door de gedane investeringen in waarde is gestegen. De rechtbank stelt voorop dat een eventuele waardestijging in ieder geval niet het gevolg is van de inleg van de man bij de aankoop van de woning. Dat de waarde van de woning als gevolg van de investeringen is gestegen wordt door de man wel gesteld, maar niet onderbouwd. Zonder nadere toelichting van de man blijkt niet wat het effect van de verbouwing is geweest voor de waarde van de woning. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of de vrouw door de verbouwing is verrijkt doordat de waarde van de woning is toegenomen.\n\n4.48.. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad kan ook in het geval een verbouwing niet heeft geleid tot een waardestijging van een woning toch sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking, indien de kosten ten behoeve van de verbouwing voor rekening van één partij zijn gekomen en de andere partij zich die kosten heeft bespaard. Voor het oordeel dat de andere partij zich de kosten van de verbouwing heeft bespaard en aldus is verrijkt, is nodig dat als de eerste partij die kosten niet voor zijn rekening had genomen, de andere partij de kosten zelf zou hebben gemaakt of verplicht was te maken.\n\n4.49.. Het is dus de vraag of de vrouw de kosten voor de gedane investeringen in de gezamenlijke woning zou hebben gedaan, als de man dat niet had gedaan. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij dat niet zou hebben gedaan, omdat zij daar financieel niet toe in staat geweest was. Dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat de vrouw de kosten voor de investeringen zou hebben gemaakt, zodat niet valt in te zien dat de betalingen door de man ongerechtvaardigd zijn gedaan. De rechtbank wijst de vorderingen van de man uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking daarom af.\n\nRedelijkheid en billijkheid\n\n4.50.. Om een vergoedingsrecht aan te nemen uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid, dient de man bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat er een vergoedingsrecht bestaat. De man heeft slechts gesteld dat het zijn geld was en dat het niet eerlijk is dat de vrouw daar nu van profiteert. Dit zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden, zeker niet nu uit de processtukken en wat is besproken op de zitting het beeld rijst dat de vrouw ook betalingen heeft verricht ten behoeve van de woning en de gezamenlijke huishouding. De rechtbank wijst de vorderingen van de man uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid af.\n\nVergoedingsrechten vrouw\n\n4.51.. De vrouw stelt dat zij een vergoedingsrecht heeft op de man van € 17.830,44. Van een afspraak tussen partijen over het bestaan van dit vergoedingsrecht is niet gebleken. Ter zitting heeft de vrouw ook verteld dat er geen afspraken zijn geweest. Dat sprake zou zijn van een vergoedingsrecht op grond van onverschuldigde betaling of de redelijkheid en billijkheid is door de vrouw niet gesteld. De vrouw heeft wel gesteld dat er een vergoedingsrecht bestaat uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, maar zij heeft dit niet inhoudelijk toegelicht. De rechtbank wijst de vordering van de vrouw daarom bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing af.\n\nInboedellijst\n\n4.52.. De man vordert dat de goederen op de inboedellijst zoals overgelegd in productie 31 bij de dagvaarding aan hem worden toebedeeld. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij al haar spullen al uit de woning heeft meegenomen. De rechtbank zal de vordering van de man daarom toewijzen.\n\nGeldlening\n\n4.53.. De vrouw stelt dat de man op 6 november 2020 een bedrag van € 6.500,- van haar heeft geleend. De man heeft erkend dat hij dit bedrag heeft geleend van de vrouw, zodat de vordering van de vrouw tot terugbetaling van dit bedrag kan worden toegewezen.\n\n4.54.. De vrouw vordert ook wettelijke rente over het geleende bedrag. Primair vordert zij de wettelijke rente vanaf 6 november 2020. De rechtbank stelt voorop dat partijen niet zijn overeengekomen dat de man rente over de hoofdsom hoeft te betalen. De rechtbank overweegt dat de man daarom pas rente over de hoofdsom verschuldigd is vanaf het moment dat hij in verzuim verkeert. De man verkeerde op 6 november 2020 niet in verzuim, zodat de wettelijke rente niet vanaf die dag verschuldigd kan zijn. Subsidiair vordert de vrouw de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie. Het is juist dat een conclusie als ingebrekestelling kan dienen. Daarvoor is echter wel vereist dat die conclusie dan voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 6:82 BW.In de conclusie wordt het bedrag van de geldlening voor het eerst opgevraagd en wordt door de vrouw niets gezegd over een termijn waartegen het bedrag moet zijn ontvangen. Dit betekent dat de conclusie niet voldoet aan de gestelde vereisten, zodat de man geen wettelijke rente is verschuldigd over het bedrag van de geldlening.\n\n4.55.. Ten slotte vordert de vrouw incassokosten. De rechtbank is van oordeel dat niet is gesteld of gebleken van verrichte incassowerkzaamheden, zodat er geen incassokosten verschuldigd zijn.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad en zekerheidstelling\n\n4.56.. De vrouw heeft in de conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen de vordering van de man om dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en subsidiair verzocht om te bepalen dat de man zekerheid stelt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw laten weten dat dit verweer alleen geldt als de rechtbank de woning aan de man toedeelt tegen een waarde van € 405.000,-. Uit wat hiervoor is overwogen, blijkt dat die situatie zich niet voordoet. De rechtbank zal dit verweer daarom verder niet bespreken en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad (zonder zekerheidstelling) verklaren.\n\nProceskosten\n\n4.57.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie en reconventie\n\n5.1.. gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] en bepaalt:\n\ndat de man binnen twee weken na de datum van dit vonnis drie taxateurs aan de vrouw voorstelt, van wie de vrouw er binnen twee weken daarna één uitkiest die belast wordt met de taxatie van de woning;\n\ndat partijen binnen één week nadat de vrouw haar keuze aan de man kenbaar heeft gemaakt opdracht dienen te verstrekken aan de taxateur om de woning te taxeren tegen de actuele marktwaarde;\n\ndat de uitkomst van de taxatie voor beide partijen bindend is en dat beide partijen de helft van de kosten van de taxatie dienen te betalen;\n\ndat de man binnen twee weken nadat de getaxeerde waarde van de woning schriftelijk aan partijen kenbaar is gemaakt, aan de vrouw schriftelijk dient mee te delen of hij de woning tegen die getaxeerde waarde wenst over te nemen;\n\ndat de man, indien hij de woning wenst over te nemen, de woning krijgt toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de man de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) hij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de onder 4 vermelde termijn plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;\n\ndat, indien de man slaagt in het bepaalde onder 5, partijen moeten meewerken aan de notariële overdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man en dat de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de man komen;\n\ndat, indien de man niet binnen de 4 genoemde termijn aan de vrouw meedeelt dat hij de woning wenst over te nemen of meedeelt de woning niet willen overnemen of indien hij niet slaagt in het bepaalde onder 5, de vrouw binnen twee weken daarna aan de man schriftelijk dient mee te delen of zij de woning tegen de getaxeerde waarden wenst over te nemen;\n\ndat de vrouw, indien zij de woning wenst over te nemen, de woning krijgt toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de vrouw de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) zij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de onder 7 vermelde termijn plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;\n\ndat, indien de vrouw slaagt in het bepaalde onder 8, partijen moeten meewerken aan de notariële overdracht van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw en de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de vrouw komen;\n\ndat, indien geen van partijen de woning wenst over te nemen of er in slaagt de woning over te nemen tegen de taxatiewaarde, de woning verkocht dient te worden;\n\ndat de man dan binnen twee weken vanaf de datum waarop duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet wil of kan overnemen drie makelaars aan de vrouw voorstelt, van wie de vrouw er binnen twee weken één uitkiest;\n\ndat partijen binnen één week nadat de vrouw haar keuze aan de man kenbaar heeft gemaakt, opdracht dienen te verstrekken aan de gekozen makelaar om de woning te verkopen;\n\ndat partijen binnen twee weken na opdrachtverlening in onderling overleg en met de makelaar de vraagprijs en de voorwaarden van de verkoop vaststellen, Indien partijen dit niet in onderling overleg kunnen afspreken, zullen zij de adviezen van de makelaar hierover moeten opvolgen. Ook moeten partijen alle verdere adviezen en aanwijzingen van de makelaar over het verkooptraject opvolgen;\n\ndat partijen moeten meewerken aan de verkoop van de woning door het verlenen van toegang tot de woning aan de makelaar of door hem ingeschakelde hulppersonen voor onder meer het maken van foto’s van de woning en aan de makelaar en potentiële kopers voor bezichtigingen van de woning. Partijen zullen niet aanwezig zijn bij bezichtigingen;\n\ndat partijen, indien een bod op de woning wordt gedaan, dit dienen te accepteren als de makelaar dit adviseert;\n\ndat partijen dienen mee te werken aan het opstellen en ondertekenen van de koopovereenkomst;\n\ndat partijen dienen mee te werken aan de levering van de woning ten overstaan van de notaris door de leveringsakte na behoorlijke oproeping bij de notaris te ondertekenen of daartoe (op eigen kosten) een getekende volmacht aan de notaris te verstrekken;\n\ndat partijen ieder de helft van de kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) dragen;\n\ndat de verkoopopbrengst na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire lening dient te worden aangewend;\n\ndat partijen een eventuele overwaarde of een eventuele restschuld bij helfte dienen te verdelen.\n\n5.2.. bepaalt dat partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het bepaalde onder 5.1.,\n\n5.3.. bepaalt dat indien één van partijen niet (tijdig) meewerkt aan het bepaalde onder 5.1., dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een door de betreffende partij ondertekende volmacht aan de andere partij om de in deze veroordeling omschreven rechtshandeling(en) te verrichten,\n\n5.4.. bepaalt dat de man het exclusief gebruik van de woning verkrijgt en de vrouw de woning niet zonder toestemming van de man mag betreden vanaf 1 mei 2026 tot het moment dat de woning aan één van partijen wordt toebedeeld of de woning is verkocht en geleverd aan een derde,\n\n5.5.. bepaalt dat vanaf 1 mei 2026 tot het moment dat de woning aan één van partijen wordt toebedeeld of de woning is verkocht en geleverd aan een derde de volledige eigenaars- en gebruikerslasten van de woning voor rekening van de man komen,\n\n5.6.. bepaalt dat de goederen die op de inboedellijst (productie 31 van de man) staan aan de man worden toebedeeld,\n\n5.7.. veroordeelt de man een bedrag van € 6.500,- aan de vrouw te betalen,\n\n5.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.\n\n De man heeft afgesproken de waterschapsbelasting in tien termijnen van € 50,04 te betalen. Dit komt neer op een last van € 41,70 per maand (€ 50,04 x 10 = € 500,40 : 12 maanden).\n\n Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707.\n\n Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6975","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:53.961Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":56,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":49,"updatedAt":58},"1816","ECLI:NL:RBNHO:2026:2239","ecli-nl-rbnho-2026-2239","2026-03-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie en Jeugd\n\nlocatie Alkmaar\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F338474 \u002F FA RK 23-1569 en C\u002F15\u002F343343 \u002F FA RK 23-4088\n\nBeschikking d.d. 5 maart 2026 betreffende de echtscheiding\n\nin de zaak van:\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. N.J. Josipovic, gevestigd te 's-Gravenhage,\n\ntegen\n\n [de man] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. M.E.M. Beijersbergen, gevestigd te Den Haag.\n\nIn verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure opgeroepen:\n\nde Raad voor de Kinderbeschermingte Haarlem,\n\nhierna te noemen: de Raad.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 31 maart 2023;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 6 juli 2023;\n\n- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2023;\n\n- het aanvullend\u002Fgewijzigd verzoek van de man, ingekomen op 7 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 8 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de man, ingekomen op 23 januari 2026.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026.\n\nBij die gelegenheid zijn verschenen:\n\n- de vrouw, bijgestaan door mr. N.J. Josipovic;\n\n- de man, bijgestaan door mr. M.E.M. Beijersbergen;\n\n- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] . Partijen zijn tijdens het huwelijk huwelijkse voorwaarden aangegaan, waarbij zij iedere gemeenschap hebben uitgesloten. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.\n\n2.2.. De minderjarige kinderen van partijen zijn:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] en\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .\n\n2.3.. Bij beschikking van deze rechtbank van 7 maart 2023 is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat [de minderjarige 1] wordt toevertrouwd aan de vrouw, is een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 1] vastgesteld en is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning. Daarnaast is een door de man te betalen kinderbijdrage vastgesteld van € 330,- per maand. Het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud is afgewezen.\n\n2.4.. Bij beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2024 is een aanvullende zorgregeling vastgesteld tussen de man en de minderjarige [de minderjarige 2] . Verder zijn partijen in de bodemprocedure verwezen naar de hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA).\n\n2.5.. De vrouw heeft in een afzonderlijke procedure op grond van artikel 1:253a BW – kort gezegd – verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats] , [de minderjarige 1] in te schrijven op een school in [plaats] en haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen op vakantie te gaan. Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 8 november 2024 zijn de verzoeken van de vrouw tot vervangende toestemming tot verhuizing en inschrijving van [de minderjarige 1] op een school afgewezen en is de man vervangende toestemming verleend om [de minderjarige 1] in te schrijven op de basisschool [basisschool] in [plaats] . Daarnaast is aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met de kinderen op vakantie te gaan naar Disneyland Parijs.\n\n2.6.. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in kort geding van 11 december 2025 blijkt dat partijen afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling gedurende de kerstvakantie 2025\u002F2026. Partijen hebben elkaar verder toestemming verleend om op vakantie te gaan met de kinderen.\n\n2.7.. Scheiding\n\n2.7.1.. Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.7.2.. Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).\n\n2.7.3.. Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat partijen niet in staat zijn om met elkaar afspraken te maken over de kinderen. Hulpverlening in het kader van het UHA is onvoldoende van de grond gekomen. Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.\n\n2.7.4.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\n2.8.. Verblijfplaats\n\n2.8.1.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zal zijn.\n\n2.8.2.. De man heeft zich hiertegen verweerd en heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem zal zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij de beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen aan het oordeel van de rechtbank overlaat, maar dat hij van mening is dat de hoofdverblijfplaats in ieder geval bij hem moet worden bepaald als de vrouw niet in [plaats] of omgeving blijft wonen.\n\n2.8.3.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw sinds het uiteengaan van partijen de hoofdverzorger is geweest. De man en [de minderjarige 2] hebben nimmer in gezinsverband samengeleefd, omdat hij pas is geboren nadat partijen feitelijk al uit elkaar waren. Om die reden sluit de hoofdverblijfplaats bij de vrouw het meest aan bij de situatie zoals die al enkele jaren is. De rechtbank zal daarom bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn. Dit betekent dat haar verzoek daartoe zal worden toegewezen en dat het verzoek van de man op dit punt zal worden afgewezen.\n\n2.9.. Vervangende toestemming verhuizing\n\n2.9.1.. De vrouw heeft, na wijziging en aanvulling van haar verzoek, verzocht haar toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [plaats] aan [adres] . Daarbij heeft zij verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige 1] in te schrijven op de [basisschool] in [plaats] , de kinderen in te schrijven bij de huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] te [plaats] , de kinderen in de schrijven bij [tandartspraktijk] en om [de minderjarige 1] in te schrijven op zwemles bij [zwembad] te [plaats] .\n\n2.9.2.. De vrouw stelt dat na de beschikking van 8 november 2024, waarin haar verzoek tot vervangende toestemming om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen is afgewezen, een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden.\n\n2.9.3.. De man heeft zich verweerd tegen het verzoek van de vrouw. Hij heeft gesteld dat de beschikking van 8 november 2024 in kracht van gewijsde is gegaan en tussen partijen ook gezag van gewijsde heeft. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw destijds beoordeeld aan de hand van dezelfde criteria als waar de vrouw zich nu op beroept. Zij heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht.\n\n2.9.4.. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen, afwijzen. Vast staat dat de meervoudige kamer van deze rechtbank bij beschikking van 8 november 2024 hetzelfde verzoek van de vrouw reeds heeft afgewezen. In tegenstelling tot wat de vrouw heeft gesteld, betrof dit een beslissing op een bodemverzoek op grond van artikel 1:253a BW en was dit geen voorlopige maatregel. De vrouw heeft geen hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking, waarmee de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Daarmee heeft de beslissing ook gezag van gewijsde gekregen, wat betekent dat de beslissing in de onderhavige procedure bindend is voor partijen. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat er na de beschikking van 8 november 2024 een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden die een nieuw verzoek en nieuwe beoordeling rechtvaardigen, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. De feiten en omstandigheden die de vrouw aanvoert, waren in de eerdere procedure al aan de orde en zijn meegenomen bij de beoordeling door de rechtbank.\n\n2.9.5.. Het voorgaande brengt mee dat de overige met de verhuizing samenhangende verzoeken van de vrouw over de inschrijving van de kinderen op school, bij de huisarts, de tandarts en zwemles, eveneens zullen worden afgewezen.\n\n2.10.. Verdeling zorg- en opvoedingstaken\n\n2.10.1.. Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.\n\n2.10.2.. De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek, verzocht een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen om de week van vrijdag na school (dan wel 17.00 uur) tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven, alsmede iedere woensdag na school (dan wel 12.00 uur) tot donderdag naar school (dan wel 8.30 uur). De vakanties en feestdagen zullen bij helfte worden verdeeld. Daarnaast kunnen de man en de kinderen contact via Facetime hebben op maandag en dinsdag om 7.30 uur, voordat zij naar school gaan. Op studiedagen die aansluiten op de zorgregeling, zullen de kinderen bij de man zijn.\n\n2.10.3.. De man heeft bij wijze van zelfstandig verzoek, na wijziging van zijn verzoek, verzocht een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen in de oneven weken van maandag naar school tot woensdag 8.00 uur bij de vrouw en van woensdag 8.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij de man verblijven en vervolgens van vrijdag 17.00 uur tot woensdag 17.00 uur bij de vrouw en van woensdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man. Daarnaast heeft de man verzocht een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen.\n\n2.10.4.. Uit de stukken en hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard, leidt de rechtbank af dat de man een grotere rol in de verzorging en opvoeding van de kinderen wenst. Hij heeft verklaard dat hij in staat is de door hem verzochte zorgregeling na te komen, omdat hij zijn werk flexibel kan inrichten en hij veel kan thuiswerken. De vrouw heeft verklaard dat zij de kinderen te jong vindt voor een co-ouderschapsregeling, mede omdat zij nog borstvoeding geeft aan [de minderjarige 2] . Zij wil een opbouwregeling vaststellen, zodat [de minderjarige 2] eraan kan wennen dat hij met zijn vader mee gaat.\n\n2.10.5.. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat er geen redenen zijn om de door de man verzochte zorgregeling niet toe te wijzen. De rechtbank sluit hierbij aan. Daartoe overweegt de rechtbank dat de man, gelijk aan de vrouw, ouder is van de kinderen. [de minderjarige 1] is gewend aan het contact met zijn vader en ook [de minderjarige 2] heeft inmiddels meermalen bij de man overnacht. Niet gebleken is dat de man niet in staat is een groter gedeelte van de zorg voor de kinderen op zich te nemen. Ook de kinderen laten geen signalen zien waarom dat niet mogelijk zou zijn. Dat zij zich na terugkomst bij de vrouw anders gedragen, is niet ongebruikelijk, omdat zij moeten schakelen tussen hun ouders. De rechtbank acht het voor de kinderen van belang dat zij een gelijk contact hebben met beide ouders en er geen onderlinge verschillen zijn. De leeftijd van de kinderen vormt evenmin een belemmering voor uitbreiding van de zorgregeling. De keuze van de vrouw om nog borstvoeding te geven aan [de minderjarige 2] , maakt dit niet anders, temeer nu [de minderjarige 2] niet meer afhankelijk is van borstvoeding en dit dus geen belemmering vormt om langer aaneengesloten bij de man te verblijven.\n\n2.10.6.. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de door de man verzochte zorgregeling zal toewijzen, inhoudende dat de kinderen in de oneven weken van woensdag 8.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij hem zullen zijn en in de even weken van woensdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur. Nu beide kinderen al contact hebben met de man, ziet de rechtbank geen reden een opbouwregeling vast te stellen, zoals door de vrouw is verzocht. De rechtbank geeft partijen in overweging de hulpverlening vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin (Wijkteam) te hervatten, zodat zij ondersteuning kunnen krijgen in het verder vormgeven van het co-ouderschap. Van belang is namelijk dat de vrouw vertrouwen heeft in de man als vader en dat zij de kinderen emotionele toestemming kan geven om bij de man te zijn. Voor zover zij twijfels of negatieve gevoelens heeft over de zorgregeling, zal dit zijn weerslag hebben op de kinderen, wat mogelijk tot loyaliteitsproblemen kan leiden bij hen.\n\n2.10.7.. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de vakanties bij helfte moeten worden verdeeld. Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen erkend dat het praktisch is als de kinderen de eerste helft van de vakantie zullen verblijven bij de ouder waar zij het weekend daaraan voorafgaand zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen aan de hand van dit uitgangspunt jaarlijks samen tot een verdeling van de vakanties kunnen komen. Een meer gedetailleerde verdeling, zoals door de man is verzocht, acht de rechtbank niet uitvoerbaar, omdat de vakanties per jaar mogelijk kunnen verspringen naar even weken of oneven weken.\n\n2.10.8.. Voor wat betreft de verdeling van de feestdagen zal de rechtbank de verdeling vaststellen zoals hierna te melden. De rechtbank volgt daarbij het verzoek van de man, omdat de vrouw niet heeft onderbouwd waarom een andere verdeling moet gelden.\n\n2.11.. Woning\n\n2.11.1.. De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van drie dan wel zes maanden.\n\n2.11.2.. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen voor de duur van zes maanden, nu de man zich niet, althans onvoldoende onderbouwd, heeft verweerd tegen dit verzoek. De vrouw heeft hiermee de gelegenheid een andere woning in de omgeving van de echtelijke woning te zoeken waar zij met de kinderen kan wonen.\n\n2.11.3.. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de termijn van zes maanden de wettelijke maximum termijn is. Dit laat onverlet dat als de vrouw eerder andere woonruimte kan betrekken, de woning eerder zou kunnen worden geleverd aan de man.\n\n2.12.. Onderhoudsbijdragen\n\nKinderbijdrage\n\n2.12.1.. De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek, verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 383,- per kind per maand.\n\n2.12.2.. De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek.\n\n2.12.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport Alimentatienormen. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\nBehoefte\n\n2.12.4.. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen, geïndexeerd naar 2026, € 1.700,- per maand bedraagt, wat neerkomt op € 850,- per kind per maand. De rechtbank zal hierbij aansluiten.\n\n2.12.5.. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen op welke wijze deze kosten van de kinderen moeten worden verdeeld tussen de ouders.\n\nDraagkracht man\n\n2.12.6.. De man is in loondienst. Zijn fiscaal loon volgens de jaaropgave over 2025 bedroeg € 175.131,-. Volgens de man is dit loon inclusief de bijtelling van zijn auto van de zaak. Uit de salarisspecificatie van de man over december 2025 blijkt dat de totale bijtelling over dat jaar € 18.271,44 bedroeg, zodat dit bedrag op het fiscaal loon van de man in mindering zal worden gebracht. De rechtbank gaat daarom uit van een fiscaal loon van de man over 2025 van € 156.860,-.\n\n2.12.7.. Op basis van dit inkomen van de man, berekent de rechtbank zijn netto besteedbaar inkomen op € 7.440,- per maand. Hij heeft daarmee een draagkracht voor het betalen van een kinderbijdrage van € 2.690,- per maand.\n\nDraagkracht vrouw\n\n2.12.8.. De vrouw is in loondienst. Zij heeft een salaris van € 5.159,- bruto per maand, te vermeerderen met het wettelijk vakantiegeld en een dertiende maand waarvoor zij € 430,- per maand opbouwt. Daarnaast heeft de vrouw de beschikking over een EBB budget van € 600,- per maand. De vrouw heeft toegelicht dat zij dit budget naar keuze kan inzetten voor bijvoorbeeld de aanschaf van een fiets of extra verlofuren en dat dit daarom niet moet worden meegenomen bij haar inkomen. Nu de vrouw heeft verklaard dat zij het afgelopen jaar het EBB budget niet heeft ingezet en dit bedrag volledig is uitbetaald, zal de rechtbank hiermee rekening houden bij de berekening van haar draagkracht. Verder houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie die de vrouw betaalt van € 245,- per maand en de PAWW-premie van € 5,- per maand.\n\n2.12.9.. De vrouw maakt aanspraak op een kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 5.043,- per jaar.\n\n2.12.10.. Op basis van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 5.017,- per maand. Zij heeft dan een draagkracht van € 1.503,- per maand.\n\nDraagkrachtvergelijking\n\n2.12.11.. De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 4.193,- per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 1.700,- per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 1.091,- per maand en het aandeel van de vrouw bedraagt dan € 609,- per maand.\n\n2.12.12.. Op het berekende aandeel van de man dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Gelet op de zorgregeling zoals die in deze beschikking wordt vastgesteld, is een zorgkorting van 35% van toepassing. De zorgkorting beloopt € 596,- per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan de kinderen bij de uitoefening van zijn zorgtaken. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen na aftrek van de zorgkorting bedraagt € 495,- per maand, ofwel € 247,- per kind per maand.\n\nIngangsdatum\n\n2.12.13.. De vrouw heeft verzocht voor de ingangsdatum voor wat betreft [de minderjarige 1] uit te gaan van de datum van deze beschikking en voor wat betreft [de minderjarige 2] met ingang van de dag van zijn geboorte, te weten [geboortedatum] , omdat de man tot op heden geen kinderbijdrage voor hem heeft voldaan. De man heeft zich hiertegen niet verweerd, zodat de rechtbank van deze ingangsdata zal uitgaan.\n\nConclusie\n\n2.12.14.. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man een kinderbijdrage voor de kinderen van € 247,- per kind per maand aan de vrouw moet betalen, voor [de minderjarige 1] met ingang van de datum van deze beschikking en voor [de minderjarige 2] met ingang van [geboortedatum] . Daarbij geldt dat de kinderbijdrage voor beide kinderen voor het eerst zal worden geïndexeerd met het wettelijke percentage met ingang van 1 januari 2027.\n\nPartnerbijdrage\n\n2.12.15.. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 2.187,- per maand vast te stellen.\n\n2.12.16.. De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek.\n\n2.12.17.. De rechtbank zal ook dit verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport Alimentatienormen. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\nBehoefte\n\n2.12.18.. De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de zogenoemde Hofnorm berekend. De rechtbank zal hierbij uitgaan van de inkomens van partijen over het jaar 2023, omdat zij in dat jaar feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Uitgaande van het loon volgens de jaaropgave van de man van € 142.863,- per jaar en het loon volgens jaaropgave van de vrouw van € 67.207,- per jaar, heeft de vrouw het netto besteedbaar inkomen van partijen over 2023 berekend op € 10.824,- per maand. Na aftrek van de kosten van de kinderen ter hoogte van € 1.460,- per maand, bedroeg de huwelijksgerelateerde behoefte volgens de vrouw € 5.619,- netto per maand. De rechtbank zal van deze behoefte uitgaan, nu de man zich daartegen niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft verweerd. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte dan € 6.648,- netto per maand.\n\nAanvullende behoefte\n\n2.12.19.. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen in hoeverre de vrouw zelf in deze behoefte kan voorzien. Daarbij houdt de rechtbank rekening met haar inkomen uit loondienst zoals hierboven in het kader van de kinderbijdrage is vermeld, waarbij geen rekening wordt gehouden met het kindgebonden budget dat zij ontvangt. Op basis van deze gegevens heeft de vrouw een netto besteedbaar inkomen van € 4.597,- per maand. Dit betekent dat zij een aanvullende behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 2.051,- netto per maand, wat neerkomt op € 4.045,- bruto per maand.\n\nDraagkracht man\n\n2.12.20.. Voor de draagkracht van de man verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven is overwogen in het kader van de kinderbijdrage, waaruit volgt dat de man een netto besteedbaar inkomen heeft van € 7.440,- per maand.\n\n2.12.21.. De rechtbank houdt rekening met het aandeel van de man in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting) van € 1.091,- per maand. Hij heeft dan een resterende draagkracht van € 1.215,- netto per maand, wat gebruteerd neerkomt op € 1.945,- per maand.\n\nInkomensvergelijking\n\n2.12.22.. \n\nDe man heeft verzocht een inkomensvergelijking te maken. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat de onderhoudsgerechtigde (in dit geval de vrouw) na ontvangst van de partnerbijdrage niet méér heeft te besteden dan de onderhoudsplichtige (in dit geval de man). Een inkomensvergelijking wordt gemaakt om te berekenen welk bedrag de vrouw maximaal kan ontvangen zonder dat zij in een betere financiële positie komt te verkeren dan de man. Uit de inkomensvergelijking volgt dat partijen in een gelijke financiële positie komen te verkeren als de man een partnerbijdrage voldoet van € 955,- bruto per maand, zodat de rechtbank dit bedrag zal vaststellen.\n\nIngangsdatum\n\n2.12.23.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op deze datum.\n\nConclusie\n\n2.12.24.. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 955,- per maand.\n\n2.13.. Verdeling\n\n2.13.1.. Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen worden verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze. De rechtbank zal hieronder de vermogensbestanddelen bespreken die volgens partijen of één van hen moeten worden verdeeld.\n\n2.13.2.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.\n\n1. De echtelijke woning aan [adres]\n\n2.13.3.. Vast staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning aan [adres] . Op deze woning rust een hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden.\n\n2.13.4.. De man heeft gesteld dat hij al duidelijkheid heeft dat hij in staat is de woning te financieren. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning aan de man zal worden toebedeeld tegen de waarde waarvoor deze conform het hierna bepaalde wordt getaxeerd, onder de voorwaarde dat de man uiterlijk 5 juni 2026 ervoor dient zorg te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, met de bepaling dat aan haar de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd (dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen).\n\n2.13.5.. Teneinde de waarde van de woning vast te stellen, zal de rechtbank bepalen dat partijen gezamenlijk een makelaar taxateur van onroerend goed opdracht dienen te geven de woning te taxeren, uitgaande van de vrije verkoopwaarde. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld, nu het om gezamenlijk eigendom gaat. De vrouw heeft drie NVM-makelaars voorgesteld om de taxatie te laten uitvoeren, te weten [makelaarskantoor] , [makelaarskantoor] en [makelaarskantoor] . De man heeft hiertegen naar voren gebracht dat hij een taxatie wil via het NWWI, zodat andere makelaars ook naar het taxatierapport kijken om de onafhankelijkheid te waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank is een taxatie door een NVM-makelaar met voldoende waarborgen omkleed. De rechtbank zal daarom niet bepalen dat de taxatie via het NWWI moet plaatsvinden. De man dient binnen een week na de datum van deze beschikking één van bovenstaande makelaars, die door de vrouw zijn voorgesteld, te kiezen.\n\n2.13.6.. De vrouw heeft gesteld dat de man een rentevoordeel heeft, indien hij de woning overneemt met behoud van de huidige hypotheekrente. Zij stelt dat de man hiermee ongerechtvaardigd wordt verrijkt en dat hij de vrouw hiervoor moet vergoeden. De vrouw heeft dit verzoek verder niet geconcretiseerd en onderbouwd. Om die reden zal de rechtbank het verzoek afwijzen als te onbepaald.\n\n2. Bankrekeningen\n\n2.13.7.. Partijen zijn het erover eens dat de bankrekening op naam van partijen wordt opgeheven nadat de echtelijke woning aan de man is geleverd, waarbij het dan aanwezige saldo bij helfte zal worden verdeeld tussen partijen. In de tussenliggende periode wordt deze bankrekening gebruikt om de lasten van de echtelijke woning van te betalen. Nu partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank geen beslissing meer te nemen.\n\n2.13.8.. Het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij voortaan alleen het beheer over de spaarrekening van [de minderjarige 1] zal hebben, zal worden afgewezen. Op grond van artikel 1:253i BW voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het vermogen van hun minderjarige kinderen. Partijen kunnen onderling wel andere afspraken maken, zoals het voorstel van de man om het saldo te splitsen zodat ieder van partijen voortaan apart voor [de minderjarige 1] kan sparen.\n\n3. Inboedel\n\n2.13.9.. De vrouw heeft verzocht de volledige inboedel aan de man toe te delen tegen een waarde van € 6.045,-, onder vergoeding van de helft van deze waarde aan de vrouw. De man heeft hiertegen naar voren gebracht dat hij inboedel in onderling overleg met de vrouw wil verdelen.\n\n2.13.10.. Voor het geval partijen geen afspraken kunnen maken over de verdeling van de inboedel, zal de rechtbank de wijze van verdeling gelasten op de navolgende wijze. Partijen dienen dan gezamenlijk een inboedellijst te maken, waarop alle te verdelen inboedel staat vermeld. Door middel van het opgooien van een dobbelsteen wordt bepaald wie begint met kiezen van een goed (degene die het hoogst gooit, mag als eerste kiezen) en vervolgens kiezen partijen om de beurt een inboedelgoed, een en ander zonder nadere verrekening, totdat alle inboedelgoederen zijn verdeeld.\n\n2.14.. Proceskosten\n\n2.14.1.. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [makelaarskantoor] ;\n\n3.2.. bepaalt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n3.3.. bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:\n\nde kinderen verblijven in de oneven weken van woensdag 8.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij de man en in de even weken van woensdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur;\n\nde vakanties worden bij helfte verdeeld tussen partijen, waarbij de kinderen de eerste helft van de vakantie zijn bij de ouder waar zij het weekend direct voorafgaand aan de start van de vakantie zijn;\n\nde feestdagen worden als volgt verdeeld:\n\nin de even jaren: op Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop zullen de kinderen bij de man zijn;\n\nin de oneven jaren: op Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop zullen de kinderen bij de vrouw zijn;\n\nin de even jaren: op Koningsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop en Sinterklaas uit school\u002Fcrèche, of 13.00 uur indien de kinderen die dag geen crèche en\u002Fof school hebben, tot naar school\u002Fcrèche, of bij geen school\u002Fcrèche 9.00 uur de dag daarop, zullen de kinderen bij de vrouw zijn;\n\nin de oneven jaren: op Koningsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop en Sinterklaas uit school\u002Fcrèche, of 13.00 uur indien de kinderen die dag geen crèche en\u002Fof school hebben, tot naar school\u002Fcrèche, of bij geen school\u002Fcrèche 9.00 uur de dag daarop, zullen de kinderen bij de man zijn;\n\nTenzij Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag, Koningsdag of Sinterklaas in de vakantie valt, dan is de vakantieverdeling bepalend;\n\nop hun verjaardagen zijn de kinderen in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;\n\nop de verjaardag van de man en Vaderdag: de kinderen zijn vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag bij de man;\n\nop de verjaardag van de vrouw en Moederdag: de kinderen zijn vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag bij de vrouw;\n\n3.4.. bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;\n\n3.5.. bepaalt dat de man € 247,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, voor [de minderjarige 1] met ingang van de dag van deze beschikking en voor [de minderjarige 2] met ingang van [geboortedatum] , telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.6.. bepaalt dat de man € 955,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.7.. gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning van partijen en de daaraan verbonden hypothecaire lening overeenkomstig het hierboven in rechtsoverweging 2.13.4 en 2.13.5 bepaalde;\n\n3.8.. gelast de wijze van verdeling van de inboedelgoederen aldus, dat partijen de inboedel in onderling overleg zullen verdelen. Voor het geval partijen hierover geen overeenstemming bereiken dienen zij gezamenlijk één inboedellijst te maken, waarna partijen om beurten een goed kiezen. De partij die het hoogste aantal ogen gooit met een dobbelsteen mag beginnen met kiezen;\n\n3.9.. verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, het voortgezet gebruik van de woning, de kinderbijdrage, de partnerbijdrage en de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.10.. bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;\n\n3.11.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 5 maart 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2239","2026-07-13T00:29:40.200Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":63,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":49,"updatedAt":65},"1823","ECLI:NL:RBNHO:2026:2240","ecli-nl-rbnho-2026-2240","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie en Jeugd\n\nlocatie Alkmaar\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F360255 \u002F FA RK 24-6431 en C\u002F15\u002F366942 \u002F FA RK 25-3302\n\nBeschikking d.d. 5 maart 2026 betreffende de echtscheiding\n\nin de zaak van:\n\n [de man] ,\n\nwonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. A.C. Mens, gevestigd te Hoofddorp,\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [plaats] , [land] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. B.R. de Boer-Kühn, gevestigd te Amsterdam.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 17 december 2024;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 20 mei 2025;\n\n- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 24 juni 2025;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 18 september 2025;\n\n- het gewijzigd verzoek van de vrouw, ingekomen op 8 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de man, ingekomen op 26 januari 2026 en 27 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 3 februari 2026.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026.\n\nBij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] . De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw is burger van de Bondsrepubliek Duitsland.\n\n2.2.. Scheiding\n\n2.2.1.. De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.2.2.. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n2.2.3.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de man zich in Nederland bevond, deze daar sinds ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had en ten tijde van de indiening reeds de Nederlandse nationaliteit bezat, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.\n\n2.2.4.. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\n2.2.5.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\n2.3.. Onderhoudsbijdrage\n\n2.3.1.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) moet betalen van € 1.500,- per maand.\n\n2.3.2.. De vrouw heeft zich verweerd tegen dit verzoek en heeft verzocht de partnerbijdrage op nihil te stellen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw verzoekt het verzoek tot het vaststellen van een partnerbijdrage af te wijzen, omdat van nihilstelling pas sprake kan zijn als eerder een partnerbijdrage is vastgesteld.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n2.3.3.. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4\u002F2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.\n\n2.3.4.. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.\n\nBehoefte\n\n2.8.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het Tremarapport. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond.\n\nIngangsdatum\n\n2.3.5.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op laatstgenoemde datum.\n\nBehoefte\n\n2.3.6.. De man heeft zijn huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de zogenoemde Hofnorm berekend, waartegen de vrouw zich niet heeft verweerd. De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van partijen beoordelen aan de hand van het netto gezinsinkomen van partijen over 2023, zijnde het laatste volledige jaar voordat partijen medio 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat de behoefte moet worden berekend aan de hand van het inkomen van één echtgenoot. Tijdens haar studie heeft de vrouw immers evenals de man gewerkt en in Duitsland heeft de man ook gewerkt gelijktijdig met de vrouw. De rechtbank constateert verder dat geen van partijen duidelijk en volledig inzage heeft gegeven in zijn of haar inkomen over 2023. Van de vrouw is een salarisspecificatie van juni 2023 overgelegd, waaruit een netto inkomen volgt van € 2.048,- per maand, exclusief extra’s zoals de kerstbonus die zij stelt jaarlijks te ontvangen. Zij heeft zelf gesteld dat zij een netto besteedbaar inkomen had van € 2.115,- per maand, wat de rechtbank gelet op het bovenstaande netto inkomen van de vrouw niet onaannemelijk voorkomt, zodat hierbij zal worden aangesloten. De man heeft gesteld dat hij tijdens het huwelijk een salaris had van € 1.933,- netto per maand, welk bedrag door de vrouw niet is betwist, zodat de rechtbank daar eveneens van zal uitgaan.2.3.7.. Op grond van bovenstaande inkomens van partijen, bedroeg het netto besteedbaar inkomen van partijen in 2023 € 4.048,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedroeg dan 60% hiervan, te weten € 2.429,- netto per maand.\n\nAanvullende behoefte\n\n2.3.8.. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud. De man heeft gedurende het huwelijk altijd gewerkt en heeft voldoende mogelijkheden om een baan te vinden. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van de man gelijk aan het minimumloon voor een 36-urige werkweek ter hoogte van € 2.304,- netto per maand. De man heeft gesteld dat hij niet in staat is te werken vanwege zijn psychische gesteldheid. Hij lijdt aan een depressie als gevolg van de scheiding van partijen en de situatie waarin hij hierdoor is komen te verkeren. De man ontvangt sinds mei 2025 een bijstandsuitkering, waarbij hij is vrijgesteld van zijn sollicitatieplicht.\n\n2.3.9.. De rechtbank stelt vast dat de man al langere tijd een bijstandsuitkering ontvangt. De man heeft verder voldoende onderbouwd dat hij om psychische redenen nu niet in staat is te werken. Om die reden zal de rechtbank niet uitgaan van een hogere verdiencapaciteit aan de zijde van de man. Wel wordt rekening gehouden met een eigen inkomen ter hoogte van de bijstandsuitkering die de man ontvangt van € 782,- netto per maand. Na aftrek van deze eigen inkomsten, resteert een aanvullende behoefte van de man van € 1.647,- netto per maand.\n\nDraagkracht vrouw\n\n2.3.10.. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\n2.3.11.. Bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw, sluit de rechtbank aan bij haar inkomen zoals blijkt uit haar salarisspecificatie van november 2025. De rechtbank is van oordeel dat hieruit voldoende gegevens zijn af te leiden over het inkomen van de vrouw, mede gelet op de toelichting die de vrouw ter zitting heeft gegeven, zodat voorbij zal worden gegaan aan het verzoek van de man de vrouw te gelasten haar jaaropgave 2025 te overleggen, temeer nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat deze in beginsel niet wordt verstrekt in Duitsland.\n\n2.3.12.. Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht moet worden berekend aan de hand van het netto inkomen van de vrouw, omdat zij in Duitsland belastingplichtig is. Uit de salarisspecificatie van november 2025 blijkt een netto inkomen van de vrouw van € 2.358,- per maand, wat neerkomt op € 28.296,- netto per jaar. De vrouw heeft gesteld dat zij daarnaast jaarlijks een “kerstbonus” krijgt, welke in 2025 € 888,- netto bedroeg. De rechtbank houdt daarom rekening met een totaal inkomen van de vrouw van € 29.184,- netto per jaar.\n\n2.3.13.. Verder houdt de rechtbank rekening met de forfaitaire woonlast. De man heeft gesteld dat de vrouw bij haar ouders woont en geen woonlasten heeft. De vrouw heeft deze stelling weersproken en gesteld dat zij inmiddels weer een eigen woning heeft en hiervoor maandelijks huur betaalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt om rekening te houden met de forfaitaire woonlast.\n\n2.3.14.. Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank de draagkracht van de vrouw op € 202,- netto per maand. De rechtbank zal een door de vrouw aan de man te betalen partnerbijdrage vaststellen ter hoogte van dit bedrag, te voldoen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal de partnerbijdrage vaststellen als netto bijdrage, omdat partijen niet weten of deze bijdrage aftrekbaar is voor de vrouw in Duitsland.\n\n2.4.. Verdeling\n\n2.4.1.. Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n2.4.2.. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.\n\n2.4.3.. Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.\n\n2.4.4.. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.\n\n2.4.5.. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.\n\n2.4.6.. Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het Nederlandse recht, van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.\n\n2.4.7.. Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden opgesteld. Dit betekent dat tussen hen een wettelijke beperkte huwelijksgemeenschap is ontstaan.\n\nPeildatum\n\n2.4.8.. De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke peildatum voor de omvang van de gemeenschap de datum van indiening van het verzoekschrift is, zijnde 17 december 2024. Vanaf dat moment is de gemeenschap ontbonden en vatbaar voor verdeling.\n\n2.4.9.. Voor wat betreft de waarde van de bestanddelen zal ten aanzien van de banksaldi en de schulden in beginsel worden uitgegaan van de waarde per peildatum. Ten aanzien van de overige bestanddelen is het uitgangspunt de waarde op het moment van de feitelijke verdeling, waarvan partijen in onderling overleg kunnen afwijken. Voor wat betreft schulden van partijen geldt dat deze niet kunnen worden verdeeld. De rechtbank kan enkel een beslissing nemen over de onderlinge draagplicht van partijen.\n\nBestanddelen\n\n2.4.10.. De rechtbank zal hieronder de bestanddelen bespreken die volgens partijen of één van hen in de verdeling moeten worden betrokken.\n\n2.4.11.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.\n\n1. Inboedel\n\n2.4.12.. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een bedrag van € 500,- zal voldoen aan de man, zijnde de helft van de verkoopopbrengst van de inboedel. Nu partijen het hierover eens zijn, hoeft de rechtbank op dit punt geen beslissing meer te nemen.\n\n2. Bankrekeningen\n\n2.4.13.. De man had op de peildatum een bankrekening bij de ABN AMRO met rekeningnummer [nummer] . Uit de door man overgelegde bankafschriften leidt de rechtbank af dat het saldo op deze bankrekening op de peildatum (nagenoeg) nihil was, zodat partijen in zoverre niets meer met elkaar hebben te verdelen.\n\n2.4.14.. De vrouw heeft geen inzage gegeven in haar banksaldi per peildatum. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling van de banksaldi vaststellen, inhoudende dat de vrouw alsnog inzage dient te geven aan de man in haar banksaldi per 17 december 2024, waarna deze saldi bij helfte tussen partijen zullen worden verdeeld, dan wel waarbij zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het negatieve saldo.\n\n3. Waarborgsom\n\n2.4.15.. Vast staat dat de waarborgsom voor de huurwoning van partijen € 2.400,- bedroeg. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe deze waarborgsom moet worden verdeeld.\n\n2.4.16.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw in haar verweerschrift heeft gesteld dat de waarborgsom van partijen nog niet is vrijgegeven, omdat de nevenkosten nog moesten worden voldaan en de hoogte daarvan nog moest worden vastgesteld. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de nevenkosten moeten worden verrekend met de waarborgsom die de vrouw heeft teruggekregen en dat het restant tussen partijen moet worden verdeeld. Uit de door de vrouw overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat over 2023 een bedrag van € 1.290,97 aan nevenkosten in rekening is gebracht en over 2024 een bedrag van € 588,-, derhalve in totaal € 1.878,97. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw met de door haar overgelegde stukken niet aangetoond dat zij de waarborgsom niet heeft teruggekregen en dat bovenstaande nevenkosten hier bovenop in rekening zijn gebracht. Nu de nevenkosten de waarborgsom niet overstijgen, zal de rechtbank bepalen dat het resterende deel van de waarborgsom bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 260,52 aan de man moet voldoen (€ 2.400 - € 1.878,97 \u002F 2).\n\n4. Tegemoetkoming DUO\n\n2.4.17.. Tussen partijen staat vast dat de vrouw tijdens het huwelijk een tegemoetkoming heeft ontvangen van de DUO ter hoogte van € 1.800,-. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de helft van dit bedrag aan hem moet voldoen. De vrouw heeft hiertegen naar voren gebracht dat de tegemoetkoming niet in de gemeenschap valt, omdat deze is verknocht aan haar.\n\n2.4.18.. De rechtbank stelt voorop dat naar vaste rechtspraak alleen in uitzonderlijke gevallen op grond van bijzondere verknochtheid kan worden afgeweken van de hoofregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat. De vraag of een goed op bijzondere wijze is verknocht en zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, hangt af van de aard van dat goed, zoals mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. De omstandigheid dat de vrouw een tegemoetkoming heeft ontvangen, omdat zij in coronatijd is afgestudeerd, betekent niet reeds dat sprake is van verknochtheid. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de verknocht rust op de vrouw.\n\n2.4.19.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de tegemoetkoming die zij heeft ontvangen van de DUO, aan haar is verknocht. De tegemoetkoming is een financiële compensatie waar studenten tijdens de corona epidemie onder voorwaarden aanspraak op hebben, wat niet kan worden aangemerkt als verknocht aan de vrouw. Dit betekent dat de tegemoetkoming bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen, wat betekent dat de vrouw een bedrag van € 900,- aan de man moet voldoen.\n\n5. Schulden\n\n2.4.20.. Uit de door de man overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat op de peildatum een schuld aan de belastingdienst aanwezig was in verband met teveel ontvangen zorgtoeslag over de jaren 2018 tot en met 2020. De man heeft daarnaast gesteld dat op de peildatum een creditcardschuld aanwezig was van de ABN AMRO Credit Card, welke schuld is ontstaan tijdens het huwelijk. Ook heeft de man gesteld dat hij daadwerkelijk een schuld heeft aan [naam] vanwege een lening die hij heeft afgesloten om in de kosten van zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De man heeft daartoe ook een lening overeenkomst overgelegd.\n\n2.4.21.. Nu de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat bovenstaande schulden huwelijkse schulden betreffen die aanwezig waren op de peildatum, zal de rechtbank bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoogte van deze schulden per peildatum (17 december 2024).\n\n2.5.. Proceskosten\n\n2.5.1.. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;\n\n3.2.. bepaalt dat de vrouw € 202,- per maand dient te betalen aan de man als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.3.. gelast de wijze van verdeling van de banksaldi van partijen aldus, dat de vrouw de man inzage moet geven in de saldi van de op haar naam staande bankrekeningen per peildatum (17 december 2024), waarna zij de helft van de banksaldi aan de man moet betalen;\n\n3.4.. bepaalt verder in het kader van de verdeling dat de vrouw een bedrag van € 260,52 aan de man moet voldoen uit het restant van de waarborgsom, alsmede een bedrag van € 900,- inzake de tegemoetkoming van DUO;\n\n3.5.. bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoogte van de schuld aan de belastingdienst, de creditcardschuld bij de ABN AMRO en de schuld aan [naam] per peildatum (17 december 2024);\n\n3.6.. verklaart de beslissing met betrekking tot de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;\n\n3.8.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 5 maart 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2240","2026-07-13T00:29:40.532Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":70,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":49,"updatedAt":72},"1808","ECLI:NL:RBNHO:2026:1591","ecli-nl-rbnho-2026-1591","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie en Jeugd\n\nlocatie Alkmaar\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F353131 \u002F FA RK 24-2783 en C\u002F15\u002F368177 \u002F FA RK 25-3963\n\nBeschikking d.d. 19 februari 2026 betreffende de echtscheiding\n\nin de zaak van:\n\n [de man] ,\n\nwonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. D. Klein, gevestigd te IJmuiden,\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. S. Verhoef, gevestigd te Alkmaar.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 21 mei 2024;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 31 juli 2024;\n\n- het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 10 maart 2025;\n\n- het verweerschrift op het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 30 mei 2025;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 22 december 2025 en 12 januari 2026;\n\n- het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 15 januari 2026.\n\n1.2.. De man heeft nadere stukken ingediend op 16 januari 2026, waartegen de vrouw bezwaar heeft gemaakt. Zoals ter zitting is medegedeeld aan partijen, zal de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laten, omdat deze te laat zijn ingediend gelet op het bepaalde in artikel 7.8 van het procesreglement scheiding.\n\n1.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Partijen zijn, onder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , [land] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. De man heeft gesteld dat de vrouw daarnaast de Tsjechische nationaliteit heeft.\n\n2.2.. Partijen hebben een meerderjarige zoon, [de meerderjarige zoon] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] .\n\n2.3.. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis in kort geding van 26 september 2024 de vorderingen van de man, onder meer tot het betalen van een voorschot op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, afgewezen.\n\n2.4.. Bij beschikking van 30 oktober 2024 van deze rechtbank is bij wijze van voorlopige voorziening een door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud vastgesteld van € 7.109,- per maand, met ingang van 5 augustus 2024. De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Het gerechtshof Amsterdam heeft de vrouw bij beschikking van 4 februari 2025 niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep en haar veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.\n\n2.4.1.. De door de vrouw te betalen voorlopige partnerbijdrage is bij beschikking van deze rechtbank van 17 november 2025 gewijzigd naar een bedrag van € 3.277,- per maand met ingang van 15 januari 2025.\n\n2.5.. Scheiding\n\n2.5.1.. De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.5.2.. De vrouw heeft de gestelde duurzame ontwrichting betwist en gesteld dat de man niet in staat is zijn wil te bepalen ten aanzien van de echtscheiding. De vrouw heeft verzocht de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen. Voor het geval de rechtbank de vrouw hierin niet direct volgt, heeft zij aanvullend verzocht een deskundigenonderzoek te gelasten en een VIA-deskundige te benoemen ter beoordeling van de wilsbekwaamheid van de man ter zake zijn wens tot echtscheiding per mei 2024 en per heden.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n2.5.3.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.\n\n2.5.4.. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\nWilsbekwaamheid van de man\n\n2.5.5.. De rechtbank stelt voorop dat voor de vraag of de man bekwaam is een verzoek tot echtscheiding in te dienen, moet worden beoordeeld of hij in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen en de betekenis van het verzoek tot echtscheiding te begrijpen. Is hieraan niet voldaan, dan is de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek.\n\n2.5.6.. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de man sinds 2020 aan Parkinson lijdt en dat hij in oktober 2023 is gediagnosticeerd met Lewy Body-dementie. Op basis van de stukken stelt de rechtbank vast dat de toestand van de man in het najaar van 2023 ernstig achteruit is gegaan. De overgelegde medische stukken vermelden dat de man al in 2023 last had van toenemende cognitieve stoornissen en hallucinaties, dat zijn geheugen achteruit gaat en hij de weg naar het toilet minder goed kan vinden. De verslechterde situatie van de man heeft ertoe geleid dat hij op 4 december 2023 een CIS-indicatie heeft gekregen voor beschermd wonen met intensieve dementiezorg. In dat kader heeft een beoordeling van de man plaatsgevonden. De man verblijft sinds januari 2024 in een verpleeghuis. Ook tijdens de mondelinge behandeling was de man verward, kon hij zinnen niet afmaken en viel hij terug in het verleden. Zo verkeerde hij in de veronderstelling dat hij nog dagelijks in het pand aan de [adres] komt, waar zijn kantoorboekhandel was gevestigd, wat volgens de vrouw niet juist is.\n\n2.5.7.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij van de vrouw wil scheiden, omdat zij hem zou hebben gezegd een andere partner te hebben. De vrouw ontkent dat zij dit heeft gezegd. Volgens haar is er geen sprake van dat zij een andere partner heeft. Ook anderszins is de rechtbank hiervan niet gebleken. Niet duidelijk is in hoeverre deze gedachte – en daarmee de wens van de man om te scheiden – is ingegeven door de ziekte van de man.\n\n2.5.8.. De man heeft ter onderbouwing van zijn wilsbekwaamheid een verklaring overgelegd van 23 april 2024 van [huisarts in opleiding] , huisarts in opleiding, die heeft verklaard dat de man wilsbekwaam is inzake het beheer van zijn vermogen en zijn levenstestament vanwege een op handen zijnde echtscheiding. Volgens de arts kon de man zijn verhaal helder uiteenzetten. De voormalige huisarts van de man, [de voormalige huisarts] , heeft op 11 november 2024 verklaard dat bij de man eind 2023 al sprake was van een snelle achteruitgang van zijn cognitieve vermogens en dat hij in dat licht niet begrijpt dat de man in april 2024 nog wilsbekwaam is verklaard. Uit de verklaring van [naam] , werkzaam in de geriatrische psychiatrie en neurologie, van 23 juni 2025 blijkt verder dat een verstoord beoordelingsvermogen en een verstoorde waarneming van de realiteit veel voorkomend zijn bij patiënten met Parkinson en Lewy Body-dementie. De cognitieve vermogens kunnen in korte tijd sterk wisselen, wat betekent dat het beoordelingsvermogen van de patiënt niet kan worden beoordeeld aan de hand van een enkel onderzoek. Van belang is dat de beoordeling wordt gedaan door een arts met veel ervaring en deskundigheid op het gebied van Parkinson en Lewy Body-dementie en wordt uitgevoerd door een arts die de patiënt goed kent. Gelet op de verklaringen van [de voormalige huisarts] en [naam] , heeft de man met de door hem overgelegde verklaring van [huisarts in opleiding] onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij wilsbekwaam was ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding.\n\n2.5.9.. Op basis van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de man in staat is zijn wil om te scheiden te bepalen en hij dus wilsonbekwaam is. Dit betekent dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot echtscheiding.\n\n2.6.. Overige verzoeken\n\n2.6.1.. \n\nNu de man niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek tot echtscheiding, kunnen er geen nevenvoorzieningen als bedoeld in artikel 827 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden getroffen. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat deze verzoeken geen bespreking behoeven als de echtscheiding niet wordt uitgesproken, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot echtscheiding.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 19 februari 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1591","2026-07-13T00:29:39.918Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":77,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":49,"updatedAt":79},"1811","ECLI:NL:RBNHO:2026:1590","ecli-nl-rbnho-2026-1590","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie en Jeugd\n\nlocatie Alkmaar\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F345962 \u002F FA RK 23-5442 en C\u002F15\u002F364479 \u002F FA RK 25-2045\n\nBeschikking d.d. 19 februari 2026 betreffende de echtscheiding\n\nin de zaak van:\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. P. Dorhout, gevestigd te Egmond aan den Hoef,\n\ntegen\n\n [de man] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. S. Kuijs, gevestigd te Heiloo.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 18 oktober 2023;\n\n- het aanvullend verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 30 november 2023;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 25 januari 2024;\n\n- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 6 maart 2024;\n\n- het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 30 juli 2024;\n\n- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 9 oktober 2024;\n\n- het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 19 februari 2025;\n\n- het verweerschrift van de man, ingekomen op 16 april 2025;\n\n- nadere stukken van de man, ingekomen op 12 januari 2026, 13 januari 2026 en 15 januari 2026;\n\n- het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 13 januari 2026.\n\n1.2.. Tijdens de mondelinge behandeling is medegedeeld dat de door de vrouw overgelegde productie 35 buiten beschouwing zal worden gelaten.\n\n1.3.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026.\n\nBij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Partijen zijn, onder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , thans gemeente [gemeente] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.\n\n2.2.. \n\nUit het huwelijk van partijen is geboren de inmiddels jongmeerderjarige:\n\n- [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboortedatum] .\n\n2.3.. De rechtbank heeft bij beschikking van 22 februari 2024 voorlopige voorzieningen getroffen. Daarbij is [de jongmeerderjarige] toevertrouwd aan de vrouw, is een voorlopige zorgregeling vastgesteld en is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning. Daarnaast is een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage bepaald van € 575,- per maand en een partnerbijdrage van € 571,- per maand.\n\n2.4.. Scheiding\n\n2.4.1.. Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.4.2.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\n2.5.. Hoofdverblijfplaats en zorgregeling\n\n2.5.1.. Partijen hebben hun verzoeken over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling ingetrokken, omdat [de jongmeerderjarige] inmiddels meerderjarig is. Dit betekent dat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.\n\n2.6.. Onderhoudsbijdragen\n\nKinderbijdrage\n\n2.6.1.. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige] (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 563,- per maand, met ingang van de datum van indiening van het zelfstandig verzoek (30 november 2023).\n\n2.6.2.. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Nu [de jongmeerderjarige] inmiddels meerderjarig is, de vrouw niet is gemachtigd om [de jongmeerderjarige] te vertegenwoordigen voor wat betreft de onderhoudsbijdrage die aan hem moet worden betaald en de bijdrage die de man sinds de voorlopige voorzieningen betaalt, hoger is dan de door de vrouw verzochte bijdrage, zal het verzoek van de vrouw worden afgewezen. De man heeft ter zitting toegezegd dat hij de onderhoudsbijdrage van 575,- per maand, zoals die in de voorlopige voorzieningenprocedure is vastgesteld, zal blijven voldoen aan [de jongmeerderjarige] . De rechtbank gaat ervan uit dat hij zich hieraan zal houden.\n\nPartnerbijdrage\n\n2.6.3.. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 5.000,- per maand.\n\n2.6.4.. De man heeft daartegen verweer gevoerd. Hij betwist de door de vrouw gestelde huwelijksgerelateerde behoefte. Ook stelt de man dat de vrouw vanwege haar verdiencapaciteit geen aanvullende behoefte heeft en dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de door de vrouw verzochte bijdrage te voldoen.\n\n2.8.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het Tremarapport. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\nIngangsdatum\n\n2.6.5.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op laatstgenoemde datum.\n\nBehoefte\n\n2.6.6.. De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte berekend aan de hand van de zogenoemde Hofnorm, waarbij zij is uitgegaan van de inkomens van partijen over het jaar 2022, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan van partijen. Voor zover de man zich op het standpunt heeft gesteld dat de Hofnorm niet kan worden toegepast en de vrouw haar behoefte moet onderbouwen aan de hand van haar daadwerkelijke inkomsten en uitgaven (behoeftelijst), volgt de rechtbank hem daarin niet. De Hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van de echtgenoten gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. De Hofnorm biedt een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn stelling dat niet van de Hofnorm kan worden uitgegaan, onvoldoende onderbouwd, zodat dit geen aanleiding vormt om hiervan af te wijken.\n\n2.6.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw tijdens het huwelijk een netto besteedbaar inkomen had van € 1.633,- per maand, zodat hiervan zal worden uitgegaan.\n\n2.6.8.. Verder is tussen partijen niet in geschil dat bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man tijdens het huwelijk, moet worden uitgegaan van het salaris dat de man ontving als DGA van [BV] ter hoogte van € 48.075,- bruto per jaar in 2022 en met inkomsten van de man uit ter beschikking gesteld vermogen van in totaal € 14.561,- per jaar (opbrengst € 17.092,- minus kosten € 545,- en vrijstelling € 1.986,-). De vrouw stelt dat daarnaast rekening moet worden gehouden met een dividenduitkering die is gedaan of had kunnen worden gedaan aan de man vanuit [onderneming] (hierna: [onderneming] ) ter hoogte van gemiddeld € 183.826,-. Zij heeft daartoe gesteld dat [onderneming] een grote onderneming met meerdere vestigingen is in Peru en dat er hoge winst wordt behaald. De man heeft verklaard dat hij de afgelopen jaren geen dividenduitkering heeft ontvangen, omdat de resultaten mede vanwege de corona epidemie wisselend waren. De afgelopen jaren zijn de resultaten goed geweest, zodat dit jaar zal worden bekeken of een dividenduitkering weer tot de mogelijkheden behoort, aldus de man.\n\n2.6.9.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd weersproken dat hij jaarlijks inkomsten heeft vanuit [onderneming] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De man heeft geen stukken overgelegd van [onderneming] waaruit blijkt wat het resultaat is geweest en of en zo ja, tot welk bedrag er sprake is geweest van een dividenduitkering. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de man de afgelopen jaren niets heeft ontvangen vanuit [onderneming] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man heeft gesteld dat hij de door hem ontvangen dividenduitkeringen heeft gebruikt om de jaarlijkse aflossingen op de hypotheekschuld van partijen te voldoen. Vast staat verder dat de man in staat is geweest het pand aan [adres] te kopen zonder hiervoor financiering te hoeven afsluiten en de man heeft niet weersproken dat hij een zeer luxe levensstijl heeft, waarbij hij grote uitgaven heeft gedaan voor onder andere een auto (BMW) en horloge (Rolex). Gelet op de hoogte van het inkomen dat de man in Nederland heeft, concludeert de rechtbank dat sprake moet zijn van dividenduitkeringen vanuit [onderneming] om de aankopen van de man te bekostigen. Dat dergelijke dividenduitkeringen niet steeds zichtbaar zijn in de aangifte Inkomstenbelasting van de man, doet hieraan niet af, omdat de gelden ook op een buitenlandse bankrekening kunnen zijn gestort.\n\n2.6.10.. Uit de overgelegde aangiften Inkomstenbelasting van de man blijkt dat hij in 2015 een dividenduitkering vanuit [onderneming] heeft ontvangen van € 93.457,- en in 2021 van € 56.800,-. De rechtbank zal in redelijkheid rekening houden met een dividenduitkering gelijk aan het gemiddelde hiervan, te weten € 75.129,- per jaar.\n\n2.6.11.. Op basis van bovenstaande inkomsten van de man, berekent de rechtbank zijn netto besteedbaar inkomen in 2022 op € 6.907,- per maand.\n\n2.6.12.. Partijen hadden een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 8.540,- per maand, waarop de kosten van [de jongmeerderjarige] in mindering moeten worden gebracht. Deze kosten bedroegen in 2022, gemaximeerd bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van meer dan € 6.000,- per maand, € 800,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw kan dan worden vastgesteld op 60% van het resterende gezinsinkomen, zijnde € 4.644,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de vrouw € 5.681,- netto per maand.\n\nAanvullende behoefte\n\n2.6.13.. De rechtbank zal vervolgens beoordelen in hoeverre de vrouw in staat is zelf in haar behoefte te voorzien. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Zij kan in staat worden geacht 28 tot 32 uur per week te werken, aldus de man. Ter zitting heeft de vrouw gesteld dat zij haar arbeidsduur heeft uitgebreid naar 20 uur per week. Haar nettoloon bedraagt € 1.480,- per maand. Daarnaast geeft zij bijles gedurende twee uur per week, waarmee zij € 27,- per uur verdient. De vrouw heeft verklaard dat zij voornemens is dit uit te breiden naar vier uur per week.\n\n2.6.14.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw heeft nagelaten inzage te geven in haar huidige inkomsten, zodat de rechtbank niet kan vaststellen wat haar precieze inkomsten zijn. Gelet op de leeftijd en werkervaring van de vrouw, is de rechtbank evenwel van oordeel dat niet van haar kan worden verwacht volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. Nu de vrouw haar werkzaamheden sinds het uiteengaan van partijen heeft uitgebreid en voornemens hierin nog een volgende stap te zetten, zal de rechtbank in redelijkheid uitgaan van een inkomen dan wel verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.000,- netto per maand. Dit betekent dat zij een aanvullende behoefte heeft van € 3.681,- netto per maand.\n\nDraagkracht man\n\n2.6.15.. Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van zijn DGA-salaris uit [BV] over 2025 van € 51.882,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de cumulatieven vermeld op zijn salarisspecificatie over december 2025. Daarnaast houdt de rechtbank bij gebrek aan meer recente gegevens rekening met inkomsten van de man uit ter beschikking gesteld vermogen zoals blijkt uit zijn aangifte Inkomstenbelasting 2024 van in totaal € 21.014,- per jaar (opbrengst € 24.600,- minus kosten € 720,- en vrijstelling € 2.866,- ). Verder houdt de rechtbank rekening met een dividenduitkering uit [onderneming] van gemiddeld € 75.129,-, zoals hierboven bij de behoefte is overwogen.\n\n2.6.16.. Op basis van deze gegevens heeft de man een netto besteedbaar inkomen van € 7.051,- per maand. Rekening houdend met de onderhoudsbijdrage die de man aan [de jongmeerderjarige] betaalt van € 575,- per maand, heeft de man een resterende draagkracht van € 2.471,- bruto per maand.\n\nConclusie\n\n2.6.17.. De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage vaststellen op € 2.471,- per maand, te voldoen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Deze bijdrage overschrijdt de aanvullende behoefte van de vrouw niet.\n\n2.7.. Woning en gebruiksvergoeding\n\n2.7.1.. De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden. De vrouw wenst in de woning te blijven wonen met de zoon van partijen. Zij heeft geen andere beschikbare woonruimte, terwijl de man een andere woning heeft waar hij verblijft.\n\n2.7.2.. Nu de man niet zelf om het voortgezet gebruik van de woning heeft verzocht en hij voorts geen of onvoldoende zwaarwegende argumenten heeft aangevoerd die tot afwijzing van het verzoek van de vrouw dienen te leiden, zal de rechtbank het voortgezet gebruik van de woning aan de vrouw toewijzen.\n\n2.7.3.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding aan hem moet betalen van 3% over de helft van de overwaarde van de echtelijke woning, vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (18 oktober 2023), subsidiair de datum van het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de man (25 januari 2024), tot de dag dat de woning wordt geleverd aan de vrouw, dan wel de man of derden, en te bepalen dat de vrouw deze vergoeding aan de man dient te betalen, dan wel dat dit wordt verrekend met overige vorderingen.\n\n2.7.4.. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Uitgangspunt is dat beide partijen de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning dragen, nu dit hun gezamenlijk eigendom is. De man heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd dat hij structureel bijdraagt in de lasten van de echtelijke woning. Nu de vrouw deze lasten (nagenoeg) volledig voor haar rekening neemt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een gebruiksvergoeding vast te stellen. De vrouw voldoet immers ook het aandeel van de man in de eigenaarslasten, wat kan worden verrekend met een eventuele gebruiksvergoeding die zij aan de man zou moeten betalen.\n\n2.8.. Verdeling\n\n2.8.1.. Partijen zijn onder uitsluiting van iedere gemeenschap met elkaar gehuwd. Zij hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen worden verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.\n\nBestanddelen\n\n2.8.2.. De rechtbank zal de door partijen naar voren gebrachte bestanddelen die volgens hen of één van hen in de verdeling dienen te worden betrokken, hierna afzonderlijk bespreken.\n\n2.8.3.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.\n\n1. De echtelijke woning aan [adres]\n\n2.8.4.. Vast staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning aan [adres] . Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij de Rabobank. Partijen hebben verder een spaarpolis bij de ASR met nummer [nummer] en een beleggingsrekening bij de ASR met nummer [nummer] .\n\n2.8.5.. De rechtbank zal overeenkomstig het verzoek van de vrouw bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld tegen de waarde waarvoor de woning conform het hierna bepaalde wordt getaxeerd. Dit onder de voorwaarde dat zij ervoor dient zorg te dragen dat de man uiterlijk drie maanden na de datum van deze beschikking wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening en met de bepaling dat aan hem de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd, dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen.\n\n2.8.6.. Teneinde de waarde van de woning vast te stellen, zal de vrouw binnen een week na deze beschikking drie makelaar taxateurs voorstellen aan de man, waarna de man binnen een week één van deze drie makelaars zal kiezen. Partijen dienen vervolgens gezamenlijk binnen twee weken opdracht te geven de woning te taxeren, uitgaande van de vrije verkoopwaarde. Indien partijen niet binnen voormelde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot verkoop, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd de opdracht tot verkoop te geven. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld, nu het om gezamenlijk eigendom gaat. De rechtbank gaat ervan uit dat de taxatie bindend zal plaatsvinden voor partijen.\n\n2.8.7.. Indien het de vrouw lukt de woning aan haar te laten toedelen, dan zal de aan de hypothecaire lening gekoppelde polis en beleggingsrekening bij de ASR worden overgenomen door de vrouw, waarbij de waarde op het moment van verdeling bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.\n\n2.8.8.. Indien de vrouw niet aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldoet, zal de woning dienen te worden verkocht en geleverd aan een derde. Partijen hebben verzoeken gedaan teneinde de verkoop van de woning te bewerkstelligen. De rechtbank zal een zogenaamd spoorboekje vaststellen die de rechtbank geraden voorkomt, zoals hierna vermeld.\n\n2.8.9.. In geval van verkoop van de woning, dienen partijen binnen twee weken nadat duidelijk is dat de woning moet worden verkocht, gezamenlijk een opdracht tot verkoop te geven aan de makelaar die zij hebben gekozen voor de taxatie. Indien partijen niet binnen voormelde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot verkoop, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd de opdracht tot verkoop te geven.\n\n2.8.10.. Partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen. Indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs.\n\n2.8.11.. Voorts zullen partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten kunnen bepalen.\n\n2.8.12.. Beide partijen zijn gehouden – indien en voor zover de vrouw de woning niet binnen de daarvoor gestelde termijn kan overnemen – aan de verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken en de aanwijzingen van de makelaar op te volgen.\n\n2.8.13.. Voorts is ieder der partijen gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.\n\n2.8.14.. Na verkoop en overdracht van de woning zal de aan de woning verbonden hypothecaire lening worden afgelost, waarna de resterende overwaarde gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dienen te dragen en voldoen.\n\n2.8.15.. In dit kader zal de aan de hypothecaire lening verbonden polis en beleggingsrekening bij de ASR worden afgekocht. De afkoopwaarde zal bij helfte tussen partijen worden verdeeld, dan wel in mindering worden gebracht op de restschuld.\n\n2. Bankrekening\n\n2.8.16.. Partijen hebben een gezamenlijke bankrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [nummer] . Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekening zal worden opgeheven nadat de echtelijke woning is geleverd aan de vrouw of een derde, waarbij het dan resterende saldo bij helfte zal worden verdeeld tussen partijen. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.\n\n3. Inboedel\n\n2.8.17.. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de man de kano zal ophalen uit de tuin van de echtelijke woning, alsmede zijn kleding en dozen met foto’s en brieven. De overige inboedel wordt aan de vrouw toebedeeld, zonder verrekening van waarde. Gelet op de overeenstemming tussen partijen, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.\n\n4. Camper\n\n2.8.18.. Tussen partijen staat vast dat de camper, type Fiat [type Fiat] , zal worden verkocht en dat de vrouw in het kader van de verdeling reeds een bedrag van € 12.500,- heeft ontvangen, zodat hierover geen beslissing meer hoeft te worden genomen.\n\n2.9.. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden\n\n2.9.1.. Partijen hebben verzocht een voorziening te treffen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen.\n\n2.9.2.. In de huwelijkse voorwaarden van partijen is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:\n\n“Algehele uitsluiting\n\nArtikel 1\n\nDe echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.\n\n(…)\n\nVergoedingen\n\nArtikel 3\n\nDe echtgenoten zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking.\n\nDeze vergoedingen zijn terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.\n\n(…)\n\nKosten huishouding\n\nArtikel 7\n\nDe kosten van de gemeenschappelijke huishouding (…), worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan. Onder deze kosten worden mede verstaan premies voor gebruikelijke verzekeringen, huurpenningen voor de echtelijke woning en renten van geldleningen voor de financiering van de echtelijke woning, de inboedel en de gezinsauto.\n\nDe echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het teveel bijgedragen terug te vorderen van de ander echtgenoot.\n\nHet recht het aldus teveel bijgedragen terug te vorderen vervalt, indien betaling of verrekening daarvan niet binnen vijf jaar na het einde van het betreffende kalenderjaar heeft plaatsgevonden of schriftelijk is gevorderd.\n\n(…)”\n\nVergoedingsrechten\n\n2.9.3.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 14.832,- aan hem dient te voldoen. Hij heeft daartoe gesteld dat hij een bedrag van € 29.664,- meer dan de vrouw heeft afgelost op de hypothecaire lening van partijen en dat zij de helft hiervan aan hem moet vergoeden.\n\n2.9.4.. De vrouw heeft op haar beurt gesteld dat zij vanuit privévermogen een bedrag van € 126.454,- heeft afgelost op de hypothecaire lening van partijen en daarnaast een bedrag van € 33.940,- heeft betaald aan verbouwingen van de woning. De rechtbank begrijpt hieruit dat zij stelt op die grond een vergoedingsrecht te hebben en vult de rechtsgrond in zoverre aan.\n\n2.9.5.. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben in artikel 3 van hun huwelijkse voorwaarden een regeling getroffen over de vergoedingsrechten. Hieruit volgt dat een vergoedingsrecht nominaal is.\n\n2.9.6.. Het verzoek van de vrouw tot vergoeding van de verbouwingskosten zal worden afgewezen. Zij heeft niet met stukken onderbouwd dat de verbouwingen zijn gefinancierd vanuit haar privévermogen.\n\n2.9.7.. Voor wat betreft de aflossingen op de hypothecaire lening overweegt de rechtbank als volgt. Uit de overgelegde aangiftes Inkomstenbelasting van partijen over de jaren 2012 tot en met 2022 blijkt de hypotheekstand per 31 december van het betreffende jaar, waaruit kan worden afgeleid wat in welk jaar is afgelost door partijen. De door de vrouw gestelde aflossingen bedragen circa de helft (of minder) van de totale aflossingen in een jaar, zodat dit de stelling van de man ondersteunt dat partijen altijd voor gelijke delen hebben afgelost. In zoverre heeft geen van partijen recht op vergoeding van deze aflossingen, omdat de aflossingen van partijen tegen elkaar kunnen worden weggestreept. De rechtbank moet dan enkel nog vaststellen of de man in 2019 en 2020 meer heeft afgelost dan de vrouw, zoals door hem is gesteld.\n\n2.9.8.. \n\nUit de overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat de totale aflossing in 2019 € 34.900,- bedroeg. De man heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij op 17 januari 2019 € 24.532,- heeft afgelost. De vrouw heeft gesteld dat zij in 2019 € 10.404,- én € 10.000,- heeft afgelost, maar zij heeft hiervan geen betaalbewijzen overgelegd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij in 2019 een bedrag van € 10.368,- heeft afgelost, te weten het verschil tussen de totale aflossingen in 2019 volgens de aangifte Inkomstenbelasting over dat jaar en het bedrag dat de man heeft voldaan. Dit betekent dat de man in 2019 € 14.164,- meer heeft afgelost dan de vrouw.\n\nIn 2020 bedroeg de totale aflossing € 36.500,-. Beide partijen hebben gesteld dat de vrouw in dat jaar een bedrag van € 10.500,- heeft afgelost. De man heeft met stukken onderbouwd dat hij in 2020 een bedrag van € 26.000,- heeft afgelost. Dit betekent dat de man in dat jaar € 15.500,- meer heeft afgelost dan de vrouw.\n\n2.9.9.. In totaal heeft de man dus € 29.664,- meer afgelost dan de vrouw. De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag vanuit de gemeenschap aan de man moet worden vergoed.\n\n2.9.10.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aanvullend gesteld dat zij privévermogen, afkomstig van een pand dat eerder aan haar in privé toebehoorde, heeft geïnvesteerd in de echtelijke woning. Dit betreft de waarde van de aan de woning verbonden polis ter hoogte van € 10.000,-, die is overgegaan naar de echtelijke woning, en de overwaarde van haar eerdere woning van € 16.000,-, wat is gestort in een bouwdepot voor de echtelijke woning. De man heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank zal bepalen dat een bedrag van € 26.000,- vanuit de gemeenschap aan de vrouw moet worden vergoed.\n\n2.9.11.. De vergoedingsrechten van partijen kunnen met elkaar worden verrekend, wat betekent dat de man nog een vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap betreffende de echtelijke woning ter hoogte van € 3.664,-. Dit betekent dat de vrouw de helft van dit bedrag, te weten € 1.832,- aan de man moet voldoen.\n\nKosten huishouding\n\n2.9.12.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man uit hoofde van verrekening van de kosten van de huishouding aan haar een bedrag van € 362.496,- dient te betalen, binnen vijf dagen na de dag van de beschikking, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie bepaalt, dan wel een zodanige afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen als de rechtbank redelijk acht. Daarbij heeft zij verzocht te bepalen dat de man de wettelijke rente is verschuldigd over voornoemd bedrag vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding.\n\n2.9.13.. De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek van de vrouw. Hij heeft daartoe gesteld dat de vrouw haar vordering niet inzichtelijk heeft gemaakt. Bovendien zijn partijen in de huwelijkse voorwaarden een vervalbeding overeengekomen, zodat een vordering over de kosten van de huishouding van vóór 2020, is vervallen.\n\n2.9.14.. De rechtbank stelt vast dat het verzoek van de vrouw betrekking heeft op artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden. Partijen zijn daarin overeengekomen dat de kosten van de huishouding door de echtgenoten worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten, naar evenredigheid daarvan, en voor zover deze inkomsten ontoereikend zijn, uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan. De vrouw heeft gesteld dat zij haar vermogen heeft aangewend om de kosten van de huishouding te voldoen, terwijl de man niet naar evenredigheid heeft bijgedragen in deze kosten. Dit blijkt volgens de vrouw uit het feit dat haar vermogen gedurende het huwelijk is afgenomen, terwijl het vermogen van de man is gestegen.\n\n2.9.15.. Het is de rechtbank niet gebleken dat één van beide partijen meer heeft bijgedragen dan waartoe hij of zij op grond van de huwelijkse voorwaarden gehouden was. De vrouw heeft geen gespecificeerd overzicht overgelegd waaruit blijkt wat de kosten van de huishouding waren per jaar en wat de inkomsten\u002Fvermogen van ieder van partijen was, in welke verhouding is bijgedragen in de kosten van de huishouding en in welke verhouding partijen hierin hadden moeten bijdragen. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor de vordering zoals door de vrouw geformuleerd, zodat dit verzoek van de vrouw zal worden afgewezen en de overige hiermee samenhangende stellingen en verzoeken geen bespreking meer behoeven.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , thans gemeente [gemeente] op [huwelijksdatum] ;\n\n3.2.. bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;\n\n3.3.. bepaalt dat de man € 2.471,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.4.. gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning van partijen, de daaraan verbonden hypothecaire lening, spaarpolis en beleggingsrekening overeenkomstig het hierboven in rechtsoverweging 2.8.5 tot en met 2.8.15 bepaalde;\n\n3.5.. bepaalt dat de man een vordering heeft op de eenvoudige gemeenschap van € 3.664,- (drieduizend zeshonderd vierenzestig euro), of een vordering op de vrouw van € 1.832,- (duizend achthonderd tweeëndertig euro);\n\n3.6.. verklaart de beslissing met betrekking tot het voortgezet gebruik van de woning, de partnerbijdrage, de verdeling en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 19 februari 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1590","2026-07-13T00:29:40.021Z",20]